VAN HERMON TOT RODE ZEE (2)


4. De Araba

-info-

De Wadi Araba

Het zuidelijk deel van het dal onder de Dode Zee wordt tegenwoordig de Wadi Araba genoemd. In het midden ligt een wadi. Als het regent verzamelt het water zich daarin en stroomt het af naar de Dode Zee. Aan de monding ligt Zoar, namelijk de oase. De Wadi Araba is 170 kilometer lang en loopt van het zuiden van de Dode Zee tot aan Eilat.

Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. 2 Samuël 8 : 13

Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. Genesis 14 : 3

En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan. Joël 2 : 20

In de Bijbel kom je op verschillende plaatsen de uitdrukking “het Zoutdal” tegen. Dat is de aanduiding voor de Wadi Araba. Volgens Genesis 14 wordt de Dode Zee “de Zoutzee” genoemd. In Joël 2 heet de Dode Zee “de Oostzee” en de Middellandse Zee, “de achterste zee”.

Wat betekent het woord araba?

Noordelijk van de Dode Zee, langs de weg van Jeruzalem naar Jericho, staan wegwijzers met de naam Beth Araba. Het Hebreeuwse woord “beth” betekent in het Nederlands “huis”; een verzameling huizen in de zin van een dorp; een plaats of een plek. Tegenwoordig wordt alleen het zuidelijk deel van de Dode Zee, Araba genoemd en niet het noorden. Dit noordelijk deel noemen we “het Jordaandal”. De Arabieren noemen het “El Ghor”. In de Bijbel wordt het “de vlakke velden” genoemd. Zo kennen we de vlakke velden van Moab. Die liggen aan de oostzijde van de Jordaan, daar waar Moab ligt. Aan de westzijde van de Jordaan liggen de vlakke velden van Jericho.

De kinderen Israëls verzamelden zich onder leiding van Jozua op de vlakke velden van Moab bij Sittim en trokken daarna de Jordaan over en kwamen aan in de vlakke velden van Jericho bij Gilgal. Het blijkt dat de term “vlakke velden van Moab of Jericho” of zonder vermelding van plaats, in de Statenvertaling vertaald wordt met het woord “araba”. Zo kennen we de Araba van Moab en de Araba van Jericho. De Bijbel gebruikt het woord araba dus ook voor het deel noordelijk van de Dode Zee. Het wordt dan vertaald met “vlakke velden” en niet met: woestijn; wildernis of dorre, droge plaats. De vlakke velden van Moab en Jericho waren vruchtbare gebieden. Het woord araba wordt in de Bijbel gebruikt voor het hele Jordaandal, vanaf het meer van Galilea, de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Het hele dal heet de Araba. In het zuiden van de Dode Zee is het misschien onvruchtbaar gebied, maar in het noorden is het zeer vruchtbaar.

Wat betekent het woord “araba” werkelijk? Als we het woordenboek erop naslaan, lezen we dat het woord “wildernis” betekent of “dorre, droge plaats” en er wordt specifiek bij vermeld dat het de aanduiding is van “het gebied rond de Jordaan”. Maar wat de werkelijke betekenis van het woord araba is, kom je in geen enkel woordenboek tegen. Als we de Bijbelse betekenis ernaast leggen, komen we tot de conclusie dat araba gewoon “slenk” betekent of “rift”. Het is het Hebreeuwse woord voor: rift valley of een slenk of een depressie tussen twee breuklijnen in de aardkorst. Volgens Raphael Hirsch, hij is de autoriteit op het gebied van de Hebreeuwse taal, betekent het werkwoord arab: “to mix substances with no change in character”; “to penetrate with foreign matter”. In het Nederlands betekent dat: het mengen van verschillende dingen zónder dat ze in elkaar oplossen. In Daniël 2 : 43 komen we dit woord arab tegen, waar staat dat het ijzer vermengd werd met modderig leem, maar ze hechten zich niet.

En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt. Daniël 2 : 43

Woorden afgeleid van de grondbetekenis van het werkwoord arab (te vinden vanaf Strongnummer 6148).

Arab Wordt vertaald met: vlechten; vermengen; veiligheid geven. In het Nederlands vertalen we het met “pand geven”, in de zin van onderpand nemen of onderpand geven. Hierbij vermengen zich twee partijen en dat geeft veiligheid. De grondbetekenis blijft vermengen.

Eref = avond. Avond is de vermenging van licht en duisternis, van dag en nacht. Ze gaan in elkaar over, maar toch blijven ze los van elkaar bestaan. In het Nederlands noemen we dat de schemering.

= evening, in de zin van voorjaarsevening en najaarsevening, oftewel lentepunt en herfstpunt.

Arabië = een gemengd volk. -info-

Arab = raaf; = gemengd.

= weefsel, namelijk de schering en de inslag die met elkaar vermengd zijn. In sommige gevallen wordt alleen de inslag van het weefsel bedoeld.

= wilg. Wilgentakken werden van oudsher gebruikt voor vlechtwerk. Men bestreek het vlechtwerk met leem of klei en verwerkte het in de bouw van huizen. In Nederland worden wilgentakken nog steeds gebruikt voor het maken van zinkstukken ter versteviging van de dijken.

= breiwerk

= zoet in de zin van acceptabel; aanvaarden, men neemt iets in zich op in de zin van vermengen.

Arof = een zwerm, namelijk een verzameling insecten.

Etymologie van de woorden arab en araba

Volgens de etymologie kennen we het woord arab of araba in het Nederlands als “raaf” en in het Engels als “raven”. Het gaat om de letters r en v of b met getalswaarde 200 – 2. In het Engels wordt het werkwoord to raven vertaald met: schrokken; gulzig zijn. Dit is ook weer mengen, namelijk tot zich nemen. Het Nederlandse woord roven en roof herkennen we hierin. Zo kennen we de uitdrukking “stelen als de raven”. Eigenlijk had het moeten zijn “roven als de raven”, want het gaat om hetzelfde woord. Raaf en roof staan voor hetzelfde woord, namelijk: mengen; tot zich nemen.

De vertaling van het Engelse woord “ravenous” is: gulzig; vraatzuchtig; roofzuchtig. Hier is het woord “wrong” van afgeleid. Wrong betekent: verkeerd; mis; vermengd met iets waar je niet moet wezen. Het Engelse werkwoord “to grab” is ook afgeleid van araba. Eigenlijk staat er een Ajin voor het woord araba, maar die spreekt men niet uit. Dan houd je raba over. Onze woorden, raaf en roven zijn hiervan afgeleid. Oorspronkelijk werd de Ajin wel uitgesproken, maar omdat het twee letters zijn die tegelijk uitgesproken moeten worden, namelijk de ng-klank, is het lastig. Of je spreekt de ng-klank uit als een harde g of een k. Zo komen we tot het woord kraai. Maar een kraai is eigenlijk weer een raaf. Bij kraai, is de eerste letter versterkt en de laatste letter weggevallen. Bij raaf, is de eerste letter weggevallen en de laatste letter versterkt en een f geworden. Wat doet een kraai of een raaf? To grab, oftewel roven. Hier is ons woord grijpen in de zin van roven weer van afgeleid. Etymologisch gaat het telkens om hetzelfde woord.

Het Engelse woord craft, dat “vaartuig” betekent, is ook afgeleid van het woord araba. Er is sprake van vermenging, omdat men in een vaartuig als het ware in de zee is, zonder dat men erin ondergaat. Men maakt deel uit van de zee, maar het hecht zich niet. In het Nederlands wordt craft vertaald met “tuig” of “gereedschap”.

Onze woorden “graven” en “grabbelen” zijn ook afgeleid van araba. In het Nederlands kennen we het woord graf. Men wordt “door het graf gegrepen”. Door het graf komt men in de dood terecht. We horen daar niet, maar we komen daar wel. Ook dat is weer vermenging. In het Duits kennen we het zelfstandig naamwoord Grab en het werkwoord graben wat “graf” en “graven” betekent. Maar het Duitse zelfstandig naamwoord enkelvoud ein Graben wordt vertaald met “slenk”. Dit woord Graben is eigenlijk het woord araba. Je vindt in het woord de Ajin of de ng-klank terug, dat is een g geworden, en de Resh en de Beth. Arabieren noemen een slenk, El Ghor. El is het lidwoord en Ghor wordt vertaald met “slenk” of “spleet”. Het woord Ghor is ook afgeleid van “ngaraba”.

We weten nu wat de diepere betekenis is van het woord araba, namelijk: een graf; de dood; het afdalen in de aarde in de zin van het afdalen in het dodenrijk, maar het vermengt zich niet. Men graaft, maar men komt zelf niet in de dood, want men blijft leven. Als men in de Araba is, dan is men symbolisch in het graf of in het gebied van de dood en men heeft dan maar één zorg: hoe kom ik hier weer uit! De Bijbelse boodschap is niet dat de mens de dood ingaat, maar dat God verlossing geeft uit de dood. Het gaat er niet zo zeer over dat men bijvoorbeeld de Schelfzee of de Jordaan ingaat, maar dat men er doorheen komt, droog aan de andere oever. Men gaat er dus in en komt er daarna weer uit, al is het met natte voeten, of lopend over het water of met een schip. Dat is het wonder Gods. In gewoon Nederlands betekent araba “een graf”, want men vermengt zich met de dood, maar men blijft er niet in, men komt er weer uit.

De weg door de Araba loopt dood

Veel geschiedenissen in de Bijbel vinden plaats in de Araba of in het Jordaandal. Ze stellen altijd hetzelfde voor. Bij sommige geschiedenissen wordt niet vermeld waar het zich precies afspeelt, bijvoorbeeld in Numeri 20. Hier worden verschillende legerkampen van Israël genoemd. Zo lees je over Kades of de woestijn Sin. Deze plaatsen hebben hoogstwaarschijnlijk net in de Araba of op de oostelijke grens van de Araba gelegen, tegenover de berg Hor.

Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israël: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is; Numeri 20 : 14

Mozes zond boden uit Kades naar de koning van Edom. De hoofdstad van Edom heette Sela. In het Grieks wordt Sela vertaald met “Petra”, dat “steenrots” betekent. Tegenwoordig noemt men het Umm el Biyara. Dat is de berg met de platte top die het gebied van Petra domineert. (zie foto) Hij ligt aan de westkant. De residentie van de koning van Edom lag boven op de berg, daarom was dat de officiële hoofdstad.

-info-

Petra_heet_Bozra1
Petra_heet_Bozra1
previous arrow
next arrow

-info-

Het gebied dat tegenwoordig Petra genoemd wordt, heet volgens de Bijbel niet Petra, maar Bozra. Bozra wordt vertaald met “schaapskooi”. Men weet niet met zekerheid waar Bozra heeft gelegen. De dalketel komt het meest in aanmerking. Dat is een groot gebied omgeven door bergen. In de Bijbel worden de namen Sela en Bozra beiden gebruikt als aanduiding voor de hoofdstad Edom. Hoe kwamen de boden in Edom? Ze staken de Araba over. Ze volgden de rivier die droog stond, namelijk de Wadi Araba. Toen zagen ze de berg Hor liggen. Voor deze berg gingen ze rechtsaf (langs de plek waar nu het Slangenmonument staat) en zo kwamen ze Petra binnen. Ook vandaag de dag is dat nog steeds een normale route.

Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af. Numeri 20 : 21

Ze vroegen aan de koning van Edom of ze door zijn land mochten reizen. Dat mocht niet. Hiermee liep de weg als het ware dood. Toch is dat niet zo vreemd, want door de Araba loopt de weg áltijd dood.

Mijn zoon en mijn vader

22 Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israëls kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.
23 De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aäron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israëls gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.
25 Neem Aäron, en Eleázar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor. Numeri 20 : 22-25

Het volk Israël bevond zich midden in de Wadi Araba aan de voet van de berg Hor. Deze berg is aan de uiterste rand van Edom gelegen. Vanaf de berg is er zicht op de kloven van Petra.

En trek Aäron zijn klederen uit, en trek ze Eleázar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden, en daar sterven. Numeri 20 : 26

Aäron spreekt Eleázar aan met “mijn zoon” en Eleázar spreekt Aäron aan met “mijn vader”. Zo’n zelfde geschiedenis komen we elders in de Bijbel ook tegen bij Elia en Elisa. Ze trokken samen de Jordaan over. Elia sloeg met zijn mantel op het water en de wateren weken. Met z’n tweeën gingen ze er doorheen. Daarna sprak Elisa, Elia aan met “mijn vader” en Elia sprak Elisa aan met “mijn zoon”. Er loopt een parallel tussen deze beide geschiedenissen, want ze spelen zich af in hetzelfde dal. Elia voer ten hemel en Elisa deed de mantel van Elia aan en werd de opvolger van Elia. In Numeri zien we dezelfde geschiedenis.

Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering. Numeri 20 : 27

Het hele volk stond op de bodem van het Jordaandal of in de Araba en keek op naar Aäron en Eleázar die de berg Hor opklommen. (Vergelijk: eens stonden ze ook op de bodem van de Schelfzee.)

-info-

-info-

28 En Mozes trok Aäron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleázar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleázar van dien berg af.
29 Toen de ganse vergadering zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het ganse huis van Israël. Numeri 20 : 28, 29

De dood van Aäron wordt ook beschreven in Numeri 33 : 39. Aäron was de eerste hogepriester van het Oude Verbond. Hij werd opgevolgd door Eleázar. Eleázar is daarmee een type van Christus, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Christus werd Hogepriester dwars door de dood, namelijk “naar de kracht des onvergankelijken levens”. (Hebreeën 7 : 16) Daarom sloeg Hij als het ware op het water van de Jordaan en kunnen wij dwars door de Araba gaan. Het door de Araba trekken en daarna de berg Hor op klimmen, is een beeld van de dood en opstanding en uiterste verhoging van Christus tot in de hemel zelf. Men klimt uit: de Araba, de slenk, het graf, de dood, de berg Hor op (= uitbeelding van de hemel). Vanuit de hemel hebben wij Eleázar, Lazarus, Christus, namelijk de Hogepriester van het Nieuwe Verbond, teruggekregen.

De dood van Aäron – dertig dagen rouw

In Deuteronomium 32 wordt de dood van Aäron vergeleken met de dood van Mozes.

48 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op dienzelfden dag, zeggende:
49 Klim op den berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik den kinderen Israëls tot een bezitting geven zal;
50 En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aäron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd. Deuteronomium 32 : 48-50

De berg Nebo3
De berg Nebo3
previous arrow
next arrow

-info-

Met Mozes gebeurde hetzelfde als met Aäron en ook als het ware op dezelfde plek. De berg Nebo ligt ter hoogte van de noordpunt van de Dode Zee en dan iets naar het oosten, in de bergen. Het woord Nebo wordt vertaald met: profetie; voorzegging. We komen hier weer dezelfde geschiedenis tegen. Zowel Mozes als Aäron klimmen vanaf de oostzijde van de Araba het gebergte in. Op de berg vindt hun opvolging plaats en daarna sterven zij. De dood van Mozes en Aäron beelden allebei de dood van de Here Jezus Christus uit en daarmee het einde van het Oude Verbond. In Hebreeën 3 en 4 lezen we dat Mozes en Aäron beiden middelaren van het Oude Verbond waren, maar Christus, als Middelaar van het Nieuwe Verbond, is méér. Mozes en Aäron klimmen op uit het oordeel Gods en worden verhoogd. Samen zijn ze een uitbeelding van Christus.

De dood van Aäron was volgens Numeri 33 : 38 op de eerste dag van de vijfde maand. De dood van Mozes was volgens Deuteronomium 1 : 3 op de eerste dag van de elfde maand. Opvallend is dat er precies een half jaar verschil tussen zit, tot op de dag nauwkeurig. Dat halve jaar mogen we verwaarlozen, want de Joodse kalender is sinds de uittocht uit Egypte een half jaar verschoven, dat wil zeggen de maandnummering is verschoven. Wat vroeger de eerste maand was, werd de zevende maand en omgekeerd, wat de zevende maand was, werd de eerste maand. Zo werd de vijfde maand verschoven naar de elfde maand en de elfde maand naar de vijfde. Als we de twee helften van de kalender over elkaar leggen, dan is de eerste van de vijfde maand hetzelfde als de eerste van de elfde maand. Mozes en Aäron stierven als het ware op dezelfde dag.

In Numeri 20 wordt gesproken over de dood van Aäron en de opvolging van Eleázar op de berg Hor. De vertaling van het Hebreeuwse woord “hor” is “berg”. Eigenlijk is de vertaling van de berg Hor dus, de “berg berg”. Hiermee wordt bedoeld: de berg bij uitstek of de belangrijkste berg.

Toen de ganse vergadering zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het ganse huis van Israël. Numeri 20 : 29

De kinderen Israëls rouwden dertig dagen om de dood van Aäron bij de berg Hor. In Daniël 12 : 11 wordt gesproken over de tweede helft van de 70-ste week van Daniël, zijnde 1260 dagen. Jeruzalem zal dan verwoest worden en in benauwdheid roept Juda de Naam des Heeren aan. Hierop zal de Heer verschijnen en Zijn voeten op de Olijfberg zetten. De Olijfberg zal in tweeën splijten, waardoor een vallei ontstaat. Zacharia 14 : 4, 5 zegt dat een gelovig overblijfsel door deze gescheurde Olijfberg en door “de vallei Mijner bergen” zal vluchten. Deze vallei (vlakte) is de Araba. Men gaat naar Azal, oftewel Petra in de woestijn. In Daniël 12 : 11 wordt vervolgens gesproken over 1290 dagen en in vers 13 over 1335 dagen. Dat is respectievelijk 30 dagen en 45 dagen voorbij de 70-ste week van Daniël. In dit hoofdstuk staat niet wat er met deze data bedoeld wordt.

Op een andere plaats in de Bijbel lezen we over de inzetting van het Pascha. In verband hiermee wordt ergens gezegd, dat als men onrein is, men het Pascha niet mag vieren, maar in de tweede maand mag men het wel vieren. Een maand later dus. Helemaal duidelijk is de Bijbel hier niet over, maar als we de teksten en Bijbelgedeelten naast elkaar leggen, zal de Heer waarschijnlijk terugkomen in de eerste maand. Misschien op de tiende of de vijftiende, rond Pasen dus. Bij deze gelegenheid zal het volk Israël onrein zijn, namelijk ongelovig, in oorlogssituatie, in aanraking met doden, in grote verdrukking, enzovoorts. Als we daarna doortellen tot 1290 dagen dan zijn we 30 dagen verder, na het einde van de 70-ste week van Daniël.

De Heer zal dan in Petra verschijnen op de berg van Eleázar (Hor). Men zal, een maand later dus, alsnog het ware Paaslam in huis nemen en het Pascha vieren, want hier zal men de Heer ontmoeten en aan Hem vragen: “Wie bent u eigenlijk?” (Vergelijk hoe Jozef zich bekend maakte aan zijn broers.) Hij zal antwoorden: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt hebt.” “Dan zullen ze Hem aanschouwen, Dien ze doorstoken hebben en zullen ze over Hem rouwklagen”. (Zacharia 12 : 10) In Numeri 20 : 29 wordt typologisch verwezen naar deze 30 dagen. Vervolgens lezen we in Daniël 12 : 12 over 1335 dagen, anderhalve maand of 45 dagen verderop. Deze 45 dagen zullen leiden tot wat in Micha 2 : 12, 13 staat:

12 Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.
13 De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits. Micha 2 : 12, 13

Duizenden en duizenden mensen kunnen onderdak vinden in Petra of Bozra. Men zal hier schuilen bij de Heer, Hij is immers de Rots die nimmer wankelt. Daarna zal Hij doorbreken en door de poort (Siq) gaan om vervolgens via de koninklijke weg op te trekken naar Jeruzalem om een start te maken met het Messiaanse Koninkrijk.

De weg der Schelfzee

Als de Kanaäniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg. Numeri 21 : 1

Harad wordt vandaag de dag Arad genoemd. Het is een moderne stad en ligt achter Massada. Volgens het vers zou het tegen het zuiden moeten zijn. Het zuiden kan vertaald worden met “negev”, want negev betekent “zuiden”. Zo kennen we de Negev woestijn, die in het zuiden ligt.

Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg. Numeri 21 : 4

Het volk moest om het land der Edomieten heen. Ze namen daarvoor de weg der Schelfzee. Maar hoe trokken ze eromheen? Niemand weet precies waar toen de grens van Edom lag. In de meeste handboeken staat dat het volk terugging naar de berg Hor in het zuiden en daarna via het oosten en noorden om het land heen trok. Maar waarom zou de weg van de Schelfzee naar het zuiden gaan? Het antwoord staat er niet bij. Naar alle waarschijnlijkheid trok het volk niet naar het zuiden, maar naar het noorden met de Schelfzee achter zich. Dat verklaart waarom vanaf vers 10 namen van bergen en plaatsen worden genoemd die aan de westkant van Moab liggen, tegen het noordelijk deel van de Dode Zee aan. Ze zijn dus langs de westkant om Edom heen getrokken, door de Araba, naar het noorden.

Op deze route kom je voorbij de beek Zered en de beek Arnon. “De weg der de Schelfzee” is dus de weg in het verlengde van de Schelfzee en niet de weg náár de Schelfzee. Ook om typologische redenen is dat de meest logische weg die het volk genomen heeft. Ze wilden onder langs de berg Hor Edom binnengaan en via de Siq aan de andere kant er weer uitgaan om vervolgens de Kings Highway te nemen, richting het beloofde land. Maar ze mochten Edom niet binnengaan. Daarom sloegen ze linksaf en bleven ze in de Araba, dus in de dood. Zo trokken ze naar het noorden, totdat rechts van hen de berg Nebo lag. Mozes ging deze berg op vanaf de vlakke velden van Moab en niet vanaf de oostkant.

De verhoogde slang

5 En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
6 Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël.
7 Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.
8 En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
9 En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. Numeri 21 : 5-9

In Johannes 3 : 14 wordt verwezen naar deze gebeurtenis.

14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;
15 Opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Johannes 3 : 14, 15

De Zoon des Mensen die verhoogd werd, is Degene “Die uit de mensen genomen werd, in de zaken die voor de mensen bij God te doen zijn”. (Hebreeën 5 : 1)

Eleázar is een type van de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. De verhoogde slang door wie men genezen werd, is een beeld van de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Maar waarvan zijn die vurige slangen (meervoud) die het volk beten en waaraan ze stierven, dan een beeld? Ze zijn een beeld van de vele priesters van het Oude Verbond “die wel vele priesters geworden zijn, maar door de dood werden verhinderd altijd te blijven”. (Hebreeën 7 : 23) Ze beelden de bediening van de wet uit. Dat is een bediening des doods. Vergelijk maar met de man uit de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan die voor dood lag op de weg van Jeruzalem naar Jericho. Hij lag dus op de weg die leidde tot in de Araba of tot in het graf of de dood. Eigenlijk is het niet zo vreemd dat hij in handen van moordenaars viel. Het was beter geweest als hij de andere kant op was gelopen, dan was er niets gebeurd. Zo zouden wij ook optrekken naar Jeruzalem en niet Gaat door het midden des legers, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor ulieden; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over deze Jordaan gaan, dat gij ingaat, om te erven het land, hetwelk de HEERE, uw God, ulieden geeft om te beërven.afdalen naar Jericho (= de hoofdstad van de Araba).

De verhoogde slang beeldt hetzelfde uit als Eleázar die zijn bediening begint op de berg Hor. Het zijn beiden typen van Christus. Eleázar werd hogepriester, nadat hij de dood had overwonnen. Zijn vader stierf, maar hij leefde en zijn positie was uitermate verhoogd op de hoogste berg in de omgeving. Het is niet bekend waar Mozes de slang verhoogd heeft en hoe ver het van de berg Hor af was. Maar halverwege de top van de berg Hor staat een slangenmonument. Niemand weet waarom dit monument daar staat en waarvoor het dient. Een goede verklaring kan zijn dat het naar de verhoogde slang uit de woestijn wijst, want dat is een beeld van de Hogepriester van het Nieuwe Verbond naar de ordening van Melchizédek.

Gijlieden zult over deze Jordaan gaan

Gaat door het midden des legers, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor ulieden; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over deze Jordaan gaan, dat gij ingaat, om te erven het land, hetwelk de HEERE, uw God, ulieden geeft om te beërven. Jozua 1 : 11

Binnen drie dagen zou het volk over de Jordaan gaan. Drie dagen verwijst in de Bijbel altijd naar opstanding. Over de Jordaan beeldt opstanding uit de dood uit, namelijk opkomen uit het graf of uit de Araba.

2 En het geschiedde, dat de ambtlieden, op het einde van drie dagen, door het midden des legers gingen;
3 En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, ziet, en de Levietische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na;
4 Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren. Jozua 3 : 2-4

De priesters gingen voorop met de ark des verbonds. Tweeduizend ellen, daarna volgde het volk. De ark in de Jordaan is een uitbeelding van Jezus Christus in de dood en daarna van Jezus Christus die de dood overwint. Tweeduizend ellen later kwam pas de rest van Israël. Dat is een uitbeelding van de tweeduizend jaar tussen de eerste en de tweede komst van Christus. De eerste komst van Christus begint strikt genomen bij zijn dood en opstanding en niet bij zijn geboorte in Bethlehem. De tweede komst van Christus begint als Hij in heerlijkheid zal verschijnen op de Olijfberg, namelijk op de plaats waar het verhaal werd afgebroken.

Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee des vlakken velds, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. Jozua 3 : 16

De wateren van de Jordaan rezen op een hoop. In dit vers lezen we niet dat er sprake is van bevriezing van de wateren. Toch blijft het een groot wonder Gods. Ze trokken voor “de zee des vlakken velds” over. “Vlakken velds” is de vertaling van “araba”. “De zee des vlakken velds” is de zee van de Araba. Dat is de diepst gelegen zee in de Araba, namelijk de Dode Zee. Het was dus in het meest zuidelijk deel van de Jordaan, net voor de Dode Zee.

-info-

Veel Bijbelse geschiedenissen spelen zich af in de Araba. Ze hebben altijd dezelfde strekking: kan men de Jordaan oversteken en kan men het oordeel Gods doorstaan? Het doortrekken door de Jordaan, het varen over de Jordaan, het dopen in de Jordaan, beeldt telkens hetzelfde uit. Het vindt elke keer in dezelfde kloof plaats, die ontstaan is door een oordeel Gods. Iedere keer als men daar komt of daar doorheen trekt of daarin is, is het een uitbeelding hoe men ontkomt aan dit oordeel, hoe men behouden wordt. In principe is het dus altijd een uitbeelding van wedergeboorte.

Gilgal

Het volk nu was den tienden der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho. Jozua 4 : 19

Het volk klom de tiende van de eerste maand op uit de Jordaan. Als we de kalender opnieuw zes maanden verschuiven, komen we uit op de tiende van de zevende maand. Dat is een bekende datum, het is dan Grote Verzoendag. Normaal gesproken moet het volk op de tiende van de eerste maand het Paaslam in huis nemen. Door het verschuiven van de kalender valt Pasen samen met Grote Verzoendag. Ze legerden zich te Gilgal. Officieel bestond de naam Gilgal nog niet, want die plaats had geen naam, want het was geen stad of dorp. Het was gewoon een gebied in de vlakke velden van Jericho, oftewel in de Araba van Jericho. Meestal beweert men dat Gilgal noordelijk van Jericho lag. Hier staat duidelijk dat het oostelijk van Jericho was, aan de oever van de Jordaan. Daarna trok het volk verder landinwaarts, langs Jericho, richting Ai, dat in de bergen lag. Ze klommen dus uit de Araba ofwel uit het graf omhoog.

20 En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.
21 En hij sprak tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaderen vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen?
22 Zo zult gij het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israël door deze Jordaan gegaan.
23 Want de HEERE, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat gijlieden er waart doorgegaan; gelijk als de HEERE, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;
24 Opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den HEERE, uw God, vrezet te allen dage. Jozua 4 : 20-24

In deze verzen wordt het trekken van de kinderen Israëls door de Schelfzee vergeleken met het door de Jordaan trekken. Beide gebeurtenissen vonden in de Grote Slenk plaats. Fundamenteel is het altijd hetzelfde. Het is gebeurd ter waarschuwing en ter demonstratie van de kracht Gods. De kracht waarmee Hij oordeelt, maar ook waarmee Hij leven geeft uit de dood.

5 Want al het volk, dat er uittoog, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.
6 Want de kinderen Israëls wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het ganse volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren; die de stem des HEEREN niet gehoorzaam geweest waren, denwelken de HEERE gezworen had, dat Hij hun niet zoude laten zien het land, hetwelk de HEERE hun vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig. Jozua 5 : 5, 6

Sinds de doortocht door de Schelfzee was het volk niet meer besneden. Bij Gilgal trok Israël door de Jordaan en daar werden ze besneden. Het door de Jordaan of de Schelfzee trekken heeft van alles van doen met: besnijdenis, wedergeboorte, dood en opstanding. Besnijdenis beeldt uit dat het uitwendige wordt weggenomen en het inwendige zichtbaar wordt of dat het Oude Verbond voorbij is en het Nieuwe Verbond aanbreekt.

Verder sprak de HEERE tot Jozua: Heden heb Ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag. Jozua 5 : 9

Wentelen of afwentelen is in het Hebreeuws het woord “gilgal”. Ook in het moderne Hebreeuws gebruiken ze het woord gilgal, maar dan vertaalt men het met “reïncarnatie”. De ware betekenis van dit woord is “wedergeboorte” en niet reïncarnatie, want reïncarnatie betekent: weer vlees worden. Wedergeboorte betekent: alsnog geest worden, en dat is dus níet vlees worden. Gilgal is het “wentelen” of “het draaien van het wiel”. Het wiel maakt een omwenteling en komt in dezelfde stand terug, maar op een andere plaats, namelijk aan de andere kant van de dood, aan gene zijde in de opstanding.

Gilgal staat voor wedergeboorte als zodanig en de overwinning op de dood. Van daaruit vindt het één en ander plaats in Gilgal, bijvoorbeeld: het legerkamp van Jozua was er opgeslagen; Jozua veroverde het land vanuit Gilgal; de kroning van koning Saul en David vonden er plaats; de tabernakel en de ark des verbonds verbleven een tijdlang in Gilgal; Samuël had een huis in Gilgal; enzovoorts. Tot in de profeten blijft het een belangrijke plaats. In de Bijbel wordt regelmatig verwezen naar Gilgal. Deze teksten spreken over: overwinning op de dood.

En de kinderen der profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng. 2 Koningen 6 : 1

In 2 Koningen 4 : 38 staat dat Gilgal de plaats was waar de kinderen der profeten woonden. Ze vonden het te klein. Als iets te klein, te eng of te benauwend wordt, dan beeldt het de wet uit. Ruimte beeldt de vrijheid van het Nieuwe Verbond uit. De profeten wilden uitbreiden, iets nieuws bouwen, een grotere ruimte maken, die Rehoboth moest heetten.

Rehoboth beeldt de ruimte van het Nieuwe Verbond uit, dat zou moeten aanbreken. Vervolgens gingen ze hout hakken met een ijzeren bijl. Het ijzer vloog van de steel en viel in de Jordaan. Ze zeiden tegen Elisa dat het niet hun bijl was, maar dat het ding geleend was. Elisa nam een stuk hout en wierp het achter de bijl aan de Jordaan in en toen gebeurde het wonder; het ijzer kwam boven drijven. De kracht van de dood was dus niet zo sterk. Op deze zelfde plaats waren al meer wonderen gebeurd, bijvoorbeeld toen de wateren weken voor het volk Israël, maar ook toen Elia op het water sloeg met zijn mantel en de wateren opnieuw weken voor hem en voor Elisa, waarna Elisa alleen terugkwam.

Bijbelse geschiedenissen die zich in of rond de Araba afspelen

2 Samuël 15 en 19 vertellen de geschiedenis van David die vluchtte voor Absalom. Hij hield zich schuil in de vlakke velden, namelijk in de Araba. Later keerde hij terug naar Jeruzalem. Daarvoor kwam hij uit het Jordaandal of uit de Araba omhoog. In dit verhaal beeldt Absalom de wet uit. Absalom was schoon van gedaante, niets mankeerde aan hem, maar toch deugde hij niet. Met zijn prachtige haren raakte hij verstrikt in een eikenboom en hing zichzelf op. Deze geschiedenis zien we terug in Saul. Hij was ook een lange knappe man. Absalom en Saul zijn vijanden van David. Maar David trad niet op als hun vijand. Hij beweende ze allebei. Hij is daarmee een type van Christus. Zowel Absalom als Saul, zijn een beeld van het Oude Verbond, waaraan niets mankeert. Zolang het Oude Verbond de macht heeft, is er geen plaats voor David of voor Christus. Zolang het Oude Verbond in werking is, verschijnt de Messias niet.

15 Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet, en bogen zich voor hem neder ter aarde.
16 En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen, en op een der bergen, of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet.
17 Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.
18 Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?
19 En de mannen der stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning dezer stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar.
20 En hij zeide: Brengt mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem.
21 Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zeide: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.
22 Alzo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had. 2 Koningen 2 : 15-22

Jericho ligt in de Araba. Vijftig mannen werden erop uit gestuurd om het graf van Elia te zoeken, omdat ze niet wilden geloven dat hij ten hemel was gevaren. Natuurlijk vonden ze het graf niet. In vers 20 vraagt Elisa om een nieuwe schaal. In de Bijbel komen we meerdere geschiedenissen tegen waarover “iets nieuws” gesproken wordt, bijvoorbeeld: een nieuwe wagen om de ark des verbonds op te vervoeren naar Jeruzalem of een nieuwe zak om wijn in te doen. Zo’n nieuw gebruiksvoorwerp beeldt het Nieuwe Verbond uit en de daarbij behorende nieuwe wijze van leven onder de genade

Deze bron van Jericho is vandaag de dag nog beroemd. Helaas kun je als toerist de bron moeilijk bezoeken, want hij ligt in Palestijns gebied. Jericho ligt als het ware midden in de dood, in het graf, in de Araba, maar er is een bron met levend water. Naäman de Syriër (2 Koningen 5 : 1-19) moest zich zevenmaal onderdompelen in de rivier de Jordaan om te genezen van zijn melaatsheid. De Jordaan had geen schoon water en Naäman wilde zich liever onderdompelen in de Abana en de Farpar in Syrië. Waarom moest dat in de Jordaan gebeuren? Omdat de Jordaan en het Jordaandal de zichtbare uitbeelding zijn van het oordeel Gods. Natuurlijk komt hij daar genezen uit.

Johannes 1 : 28 vertelt over Johannes de Doper die in de Jordaan doopte bij Bethabara. Bethabara wordt vertaald met “veerhuis”. Abar betekent in het Nederlands: over, veer of voorde (= een doorwaadbare plaats in een beek of een rivier). Het is ook mogelijk om in plaats van Bethabara, Beth Araba te lezen. Als je de twee letters omdraait, dan weet je waar het was. Hij doopte in de Jordaan die in de Araba lag.

In het noorden van Israël ligt het meer van Galilea of de zee van Tiberias of het meer van Gennésareth. In het Oude Testament wordt dit meer de zee Cinnereth genoemd. Kinnereth wordt vertaald met “harp”. Vanuit de Bijbel weten we dat de Here Jezus zou gaan wonen in Bethlehem of Jeruzalem, die liggen in Judea. Maar de engel zei in een droom tegen Jozef dat het niet Judea zou zijn, maar Galilea. De Here Jezus woonde als kind in Nazareth.

De naam Nazareth wordt gesuggereerd in de woorden Nazarener, Nazoreër en Nazireër. Nazareth ligt langs de Via Maris; dat is de oude verbindingsweg langs de zee van Egypte naar Syrië.Tegenwoordig is het een autoweg. De weg loopt door de vlakte van Jizreël of het dal van Megiddo. Aan de ene kant van het dal ligt Tel Megiddo en aan de andere kant ligt Nazareth. Het is een vlak dal en je kunt makkelijk de andere kant zien liggen. In Openbaring staat dat uiteindelijk de legers van Babel geoordeeld zullen worden in dit dal, in het zicht van Nazareth.

Toen de Here Jezus volwassen was, ging Hij in Kapérnaüm wonen. Dat ligt aan de noordelijke oever van het meer van Galilea en dus midden in de Wadi Araba, 200 meter beneden de zeespiegel. We kennen veel Bijbelse geschiedenissen, die zich aan dit meer afspelen. Bijvoorbeeld: In Matthéüs 8 : 23-27, Markus 4 : 35-41 en Lukas 8 : 22-25 staat de geschiedenis dat Jezus met Zijn discipelen in een scheepje ging. Er was storm op het meer van Galilea en de discipelen maakten zich hier nogal druk over, want Jezus bleef slapen. Uiteindelijk maakten ze Hem wakker en toen gebood Hij dat de storm moest gaan liggen. Dit verhaal beeldt hetzelfde uit als het doortrekken door de Schelfzee of de Jordaan of het vervolgen van de weg van de Schelfzee langs Edom. In de diepte van de Araba is de werking van de dood, maar toch hoeven we daar geen angst voor te hebben, want de Here Jezus leidt ons er doorheen.

De gelijkenissen uit Matthéüs 13 : 1-53, Markus 4 : 1-34 en Lukas 8 : 4-18 werden gesproken vanuit een schip op het water. Vanuit de diepte van de Araba sprak de Here Jezus over het Koninkrijk.

Matthéüs 14 : 22-36, Markus 6 : 45-56 en Johannes 6 : 16-21 verhalen dat de Here Jezus na de wonderbare spijziging Zijn discipelen wegstuurde in een scheepje, het meer van Galilea op. Zelf ging Hij de berg op om te bidden. Maar er kwam een storm.

Als we bedenken dat het meer van Galilea in de Araba, of in het graf, of in de dood ligt, is dat niet zo vreemd. De Heer is niet zichtbaar aanwezig. Hij is op de berg, dat wil zeggen in de hemel. Op welke berg de Here Jezus klom, is niet bekend, maar in de Bijbel is een berg altijd een uitbeelding van de hemel. Bijvoorbeeld de berg der broodvermenigvuldiging, de berg der zaligsprekingen, de berg der verheerlijking. Daarna liep de Here Jezus Zijn discipelen tegemoet over het water. In eerste instantie zonder de storm te stillen. Hij laat daarmee zien dat we niet in de wateren onder zullen gaan.

In Matthéüs 14 lezen we dat Petrus ook over het water liep. Hij moest hierbij wel naar de Here Jezus blijven kijken. Als hij naar de golven keek (de omstandigheden) ging het verkeerd. Als we in nood zitten zouden we niet gaan vloeken, maar de Heer aanroepen. Niet op de omstandigheden zien, maar op de Heer. Als het goed is zien we de omstandigheden dan niet meer.

In Matthéüs 17 : 24-27 staat het verhaal van een vis met een stater in de bek. De stater viel in het water. Petrus ving de vis en bracht zo de stater op het droge. Dat gebeurde ook in het meer van Galilea, dus beeldt het opstanding uit de dood uit. De Bijbelse geschiedenis eindigt met de opstanding uit de dood van de Here Jezus. Daarna verscheen Hij aan Maria en enkele vrouwen. Hij zei tegen hen: “Ga naar de discipelen en zeg hun, dat ze naar Galilea moeten gaan, want daar zal Ik aan hun verschijnen.”

In 1 Korinthe 15 : 6 staat dat “de Heer gezien is van meer dan 500 broeders op eenmaal”. Dat is waarschijnlijk gebeurd in Galilea, waar de discipelen zich ook verzamelden.

Johannes 21 : 1-14 gaat over “een wonderbare visvangst”. Het bijzondere van deze visvangst, in vergelijking met de visvangst uit Lukas 5, is dat het een teken was van wat Jezus na Zijn opstanding uit de dood deed. Aan de linkerkant van het schip vingen ze niets. Jezus zei dat ze het aan de rechterkant moesten proberen. Dat gebeurde allemaal overdag, dus eigenlijk op het verkeerde tijdstip van de dag. Toen vingen ze 153 grote vissen en de netten scheurden niet.

Die 153 grote vissen zijn een beeld van de Gemeente. Wij worden onttrokken aan de dood. Eigenlijk gebeurt dat ook op een verkeerd tijdstip, want dat zou moeten plaatsvinden ná de bekering van het Joodse volk. Toch gebeurt het in onze dagen, terwijl de tijd van het Koninkrijk pas na de wederkomst van Christus is, maar: het is nu niet dag, maar nacht. Het is nu niet links, maar rechts, het is nu niet Joods maar heidens. Het is nu niet Israël, maar de Gemeente, het is nu niet het Oude Verbond, maar het Nieuwe Verbond. Het is nu geen aardse zaak, maar een hemelse zaak, enzovoorts.

Wij leven in de dagen waarin de dood heerst. De Here Jezus heeft zich aan de wereld onttrokken. De hele wereld is als het ware een groot graf of een grote Graben of een Grote Slenk of een grote depressie. Uit die dode wereld verzamelt de Heer in onze dagen Zijn Gemeente. Wij trekken de Jordaan over. Niet alleen in onze lichamelijke opstanding, maar ook in het heden, want wij hebben de overwinning op de dood. De Schelfzee en de Jordaan staan ons niet in de weg. De Heer heeft die mantel waarmee Hij voor ons op het water slaat. Hij heeft de staf, Hij strekt Zijn rechterhand uit die machtige daden doet. Psalm 23 : 4 zegt: “Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij”. Dit dal stelt de Araba voor, waar de Heer ons doorheen brengt. Alleen een overblijfsel zal het oordeel overleven. Als wij geloven in de Here Jezus Christus en Hem erkennen als ons Hoofd, als onze Hogepriester, als onze Koning, dan brengt Hij ons dwars door de Jordaan, namelijk dwars door dit leven heen, veilig naar de overkant. In de Slenk valt redelijk goed te leven, want Hij tilt ons eruit. Wateren wijken voor ons, wateren bevriezen en beschermen ons en wij lopen zelfs over wateren heen.

5. Judea en Galilea

Drie gebieden waar de bediening van de Here Jezus plaatsvond

En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden. Johannes 7 : 1

Des daags nu was Hij lerende in den tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijf berg. Lukas 21 : 37

In beide verzen wordt gesproken over drie verschillende gebieden waar een belangrijk deel van de bediening van de Here Jezus plaatsvond: -info-

  1. Judea, namelijk het gebied in en rondom Jeruzalem.
  2. Galilea, gelegen aan de westzijde van het meer van Galilea. Dit meer van Galilea wordt ook wel het meer van Cinnereth of het meer van Genesareth of de zee van Tiberias genoemd.
  3. De Olijfberg waarop Bethanië was gelegen.

In deze drie gebieden komen we verschillende omstandigheden tegen, namelijk: de Olijfberg met omgeving en Judea tegenover Galilea. De Bijbel leert ons dat de Here Jezus niet in Judea woonde, maar in Galilea. Judea werd “het land der Joden” genoemd. De Joden, wonend in Judea, zagen neer op de mensen uit Galilea. Galilea werd “het Galilea der vreemdelingen” (Jesaja 8 : 27) of “der volken” (Matthéüs 4 : 15) genoemd. Zo staat in Johannes 1 : 47 de uitdrukking: “Kan uit Nazareth iets goeds zijn?” Hiermee wordt bedoeld dat men niet verwachtte dat de Messias uit Galilea zou komen; Hij zou uit Jeruzalem komen of uit Bethlehem (dat is nog net Judea).

Volgens de evangeliën van Matthéüs, Markus en Lukas vond het optreden van de Here Jezus niet in Judea, maar hoofdzakelijk in Galilea plaats, dus in het land dat geassocieerd werd met de heidenen. De Bijbel geeft geen nauwkeurige beschrijving van het doen en laten van de Here Jezus, we zien wel een selectie van de gebeurtenissen. Matthéüs, Markus en Lukas beschrijven dat de Here Jezus aan het einde van zijn aardse loopbaan terugging naar Jeruzalem. Zijn discipelen ontraadden hem dat dringend, maar Hij ging toch en het liep naar de mens gesproken slecht met Hem af. Hij werd daar gekruist.

Het evangelie van Johannes is een uitzondering. Hierin vinden we de Here Jezus hoofdzakelijk in Judea en Jeruzalem. Er wordt weinig verteld over wat er in Galilea gebeurde. Tijdens Zijn optreden trok Hij een keer of drie naar Jeruzalem ter gelegenheid van het Pascha of het Loofhuttenfeest. De drie andere evangelisten vermelden hier niets over.

Samenvatting van het Johannes-evangelie

Johannes schrijft erg negatief over de Joden in en rondom Jeruzalem. Hij beschrijft ze als een naïef volk, een volk dat niets begrijpt. Hij doet uitspraken als: de Joden verstonden niet, de Joden begrepen niet, de Joden vraagden Hem, enzovoorts. Hieruit blijkt: onbegrip alom.

In hoofdstuk 1 treffen we geen beschrijving over de geboorte van de Heere Jezus aan. Er wordt wel een samenvatting van heel de oudtestamentische geschiedenis gegeven en daarnaast wordt er direct verwezen naar de opstanding van Christus. Het zou goed tot ons door moeten dringen dat de vier evangeliën ná de opstanding van Christus zijn geschreven.

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Johannes 1 : 1

In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen. Johannes 1 : 4

Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Johannes 1 : 10

Het Licht was in de wereld, het Licht was het Woord en het Woord was van den beginne. (vergelijk Genesis 1) Men wilde het Woord niet horen en daarmee nam men het Woord of de Here Jezus niet aan.

En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1 : 14

Wat hebben ze aanschouwd? Het antwoord staat in 1 Johannes 1 : 1 en in 2 Petrus 1 : 16.

Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens; Johannes 1 : 1

Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. Petrus 1 : 16

Johannes en Petrus spreken over de opgestane Christus.

Deze dingen zijn geschied in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende. Johannes 1 : 28

Johannes de Doper doopte de Here Jezus in de Jordaan. Die rivier vormde de oostgrens van het land. Er staat niet bij of het in Judea of Galilea was. In het vervolg van het hoofdstuk wordt verteld hoe de Here Jezus zijn eerste discipelen tot zich riep. Na Zijn doop ging Hij naar Galilea.

43 Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij.
45 Filippus vond Nathanaël en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth. Johannes 1 : 43, 45

In hoofdstuk 2 wordt de bruiloft te Kana in Galilea beschreven. Hier deed Hij Zijn eerste wonder.

11 Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.
13 En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. Johannes 2 : 11, 13

De Joden in Jeruzalem waren niet zo blij met de aanwezigheid van de Here Jezus. In het vervolg van het hoofdstuk wordt over de tempelreiniging verteld. Het gesprek van de Here Jezus met Nicodémus, in hoofdstuk 3, vond ook in Judea plaats. Hij verliet Judea en na twee dagen in Samaria te zijn geweest, ging Hij terug naar Galilea. Samaria ligt tussen Judea en Galilea in. Het is eigenlijk het gebied van de stam van Efraïm, de stam met het eerstgeboorterecht onder Israël. Vervolgens vonden er in Galilea verschillende gebeurtenissen plaats, zoals: de genezing van de zoon van de koninklijke hoveling.

3 Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea.

43
En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;  Johannes 4 : 3, 43

In hoofdstuk 5 ging Hij weer naar Jeruzalem, daar genas Hij een lamme te Bethesda.

Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. Johannes 5 : 1

In hoofdstuk 6 was de Here Jezus weer terug in Galilea. De wonderbare spijziging vond plaats en Jezus stilde de storm op het meer van Galilea.

Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, welke is de zee van Tiberias. Johannes 6 : 1

1 En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden.
2 En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij. Johannes 7 : 1, 2

In hoofdstuk 8 staat dat de Here Jezus in Judea was, aan de andere kant van het Kedrondal, dat wil zeggen op de Olijfberg. Overdag was Hij in de tempel te vinden. ’s Nachts ging Hij naar Bethanië en overnachtte in het huis van Lazarus, Maria en Martha.

1 Maar Jezus ging naar den Olijfberg.
2 En des morgens vroeg kwam Hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen. Johannes 8 : 1, 2

In hoofdstuk 9 gaat het over de genezing van een blindgeborene, met daarop volgend een uitgebreide beschrijving van een discussie waarin de onwetendheid, het onbenul en de naïviteit van de Joden wordt gedemonstreerd.

In hoofdstuk 11 gaat de geschiedenis verder. Bethanië ligt op de Olijfberg, buiten Jeruzalem en in Judea. Hier wordt de geschiedenis over de opstanding van Lazarus beschreven.

En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanië, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha. Johannes 11 : 1

Voor de Joden was de opstanding van Lazarus aanleiding om zich van Jezus te ontdoen. Hij werd als bedreigend ervaren.

47 De overpriesters dan en de Farizeeën vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.
48 Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.
49 En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets;
50 En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.
51 En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;
52 En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.
53 Van dien dag dan af beraadslaagden zij tezamen, dat zij Hem doden zouden.
54 Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraïm, en verkeerde aldaar met Zijn discipelen.
55 En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.
56 Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest?
57 De overpriesters nu en de Farizeeën hadden een gebod gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten vangen. Johannes 11 : 47-57

Jezus ging terug naar Jeruzalem en bleef daar. Vijf dagen later werd Hij gekruist.

1 Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanië, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden.
2 Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten. Johannes 12 : 1, 2

Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, Johannes 12 : 12

De hoofdstukken 13 t/m 17 spelen zich af in de opperzaal. Hierin wordt een uitgebreide redevoering van de Here Jezus beschreven. In hoofdstuk 18 hebben de Here Jezus en de discipelen de opperzaal verlaten. Ze gingen naar de hof van Gethsémané op de Olijfberg. Daar werd Hij gevangen genomen en teruggebracht naar Jeruzalem, om vervolgens buiten de poort van de stad gekruist te worden.

In het Johannes-evangelie ontstaat de indruk dat de Here Jezus heen en weer reisde tussen Galilea en Judea. Vanwege de feesten was Hij af en toe in Jeruzalem. Hij overnachtte dan buiten Jeruzalem in het huis van Lazarus, Maria en Martha op de Olijfberg in Bethanië. Als verslag van de geschiedenis is het Johannes-evangelie minder bruikbaar, omdat het de gebeurtenissen niet in de chronologische volgorde weergeeft. Men noemt de evangeliën van Matthéüs, Markus en Lukas de synoptische evangeliën. Een synopsis is een samenvatting of een beknopte weergave van het leven van de Here Jezus. Volgens de traditionele theologie behoort het Johannes evangelie niet tot deze synoptische evangeliën, want het beschrijft alleen maar enkele gebeurtenissen uit het leven van de Here Jezus en hangt daar een uitgebreide uiteenzetting aan op.

Matthéüs, Markus en Lukas vermelden nooit dat de Heere Jezus ter gelegenheid van een feest naar Jeruzalem reisde. (Alleen in Lukas 2 : 39-52 wordt verteld dat de Here Jezus twaalf jaar was en met zijn ouders naar Jeruzalem reisde voor het feest van pascha.) Vanuit het Johannes- evangelie kunnen we weten dat het in Judea of Jeruzalem was. Officieel woonde Hij in Galilea, daar voelde Hij zich thuis. Hij noemde het in Matthéüs 13 : 54 zelfs Zijn vaderland. In Judea voelde Hij zich bedreigd en liep Hij tegen onwetendheid aan. Hij verbleef dus z’n leven lang in Galilea en reisde daar heen en weer en ging af en toe naar het buitenland, dat wil zeggen naar de oostkant van het meer van Galilea, het land van de Gergesenen (Matthéüs 8 : 28) en het land van de Gadarenen. (Lukas 8 : 26) Naar het noorden kwam Hij bij de Syro-Foenicische vrouw. Pas aan het einde van Zijn leven ging Hij naar Jeruzalem.

Samenvatting van het Matthéüs-evangelie

In Matthéüs 1 staat het geslachtsregister van Jezus Christus beschreven.

En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus. Matthéüs 1 : 16

Net als het Johannes-evangelie wordt hier gewezen op de afloop van het verhaal, namelijk Jezus, de opgewekte Christus.

1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.
2 Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden. Matthéüs 2 : 1, 2

Volgens het Oude Testament is het te verwachten dat de Koning der Joden te vinden zou zijn in Jeruzalem, maar daar was Hij niet; Hij werd geboren in Bethlehem. Toch is dat vreemd, want in Lukas 2 staat:

En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was); Lukas 2 : 4

In dit vers wordt Bethlehem “de stad Davids” genoemd. Die uitdrukking komt in de Bijbel voor in het Oude Testament. Elke keer wanneer er over “de stad Davids” gesproken wordt, blijkt het Jeruzalem te zijn. Alleen hier in Lukas 2 wordt Bethlehem bedoeld. Dat ligt in Judea.

6 En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.

13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden. Matthéüs 2 : 6, 13

De Heer werd geboren in Bethlehem. Jozef, Maria en het kind vluchtten naar Egypte voor de wraak van Herodes. Na zijn dood keerden ze terug.

19 Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte.
20 Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israëls; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.
21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israëls.
22 Maar als hij hoorde, dat Archelaus in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea.
23 En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden. Matthéüs 2 : 19-23

De Heer zou moeten wonen in Bethlehem, in Judea, maar vanwege de omstandigheden gingen ze naar Galilea.

1 En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,

13 Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.

16 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen. Matthéüs 3 : 1, 13, 16

Jezus is na Zijn doop “terstond opgeklommen” uit het water. -info-  Deze uitspraak verwijst naar Zijn opstanding uit de dood. Hij kwam als Eersteling terug uit de dood. Het nederdalen van de duif is een uitbeelding van de Heilige Geest die de Vader aan de Here Jezus gaf, waardoor Hij opstond uit de dood.

En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Matthéüs 3 : 17

In dit vers lezen we een uitspraak uit Jesaja 42 : 1.

Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen. Jesaja 42 : 1

In Jesaja wordt gesproken over “Mijn Knecht”, terwijl in Matthéüs nadrukkelijk staat “Mijn Zoon”. Dat betekent dat hier de Knecht tot Zoon wordt verklaard. Door de opstanding uit de dood werd de Knecht verhoogd tot Zoon en daarmee tot erfgenaam. Zijn doop is daar een uitbeelding van.

Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. Matthéüs 4 : 1

Er wordt niet vermeld om welke woestijn het gaat. In Lukas 4 staat over deze geschiedenis dat de duivel Hem naar Jeruzalem leidde en Hem op de “tinne des tempels” stelde. Het zou om de woestijn van Judea kunnen gaan, maar de woestijn van Midian is ook mogelijk. Of het nu de woestijn van Judea of Midian was, het moet in het zuiden geweest zijn.

12 Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar Galilea;
13 En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapérnaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; Matthéüs 4 : 12, 13

Jezus ging in Kapérnaüm, aan het meer van Galilea, wonen. Die streek is omgeven door hogere bergen en ligt aan de westkant van het meer van Galilea. Deze westkant was het gebied van de stammen Zebulon, Naftali en Aser. Zij maakten deel uit van de tien stammen. In het jaar 722 voor onze jaartelling werden de tien stammen in Assyrische ballingschap weggevoerd. Ze zijn daar nooit meer uit teruggekeerd. -info-

14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
15 Het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galilea der volken;
16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan. Matthéüs 4 : 14-16

Het domicilie van de Here Jezus aan het meer van Galilea was in overeenstemming met de profeet Jesaja. Maar als we de uitspraken uit vers 15 en 16 in Jesaja 8 : 23 en 9 : 1 nalezen, zouden we niet zo snel op de gedachte komen dat de Here Jezus daar ooit ging wonen.

23 En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.
24 En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
25 En vele scharen volgden Hem na, van Galilea en van Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan. Matthéüs 4 : 23-25

De bediening van de Here Jezus vond hoofdzakelijk in Galilea plaats. Hij was een Gallileër en Zijn discipelen waren dat ook. Later werden ze zelfs herkend aan hun noordelijke tongval. Zelfs mensen uit Judea, Dekapolis en Syrië volgden Hem na. De Romeinen hadden hun eigen indeling van het land en noemden een bepaalde provincie Syrië. Galilea maakte daar deel van uit. Dekapolis lag in het buitenland en wordt letterlijk vertaald met “tien steden”. Deka is het Griekse woord voor “tien” en polis is het Griekse woord voor “stad”. Ook de uitdrukking “over de Jordaan” uit vers 25 werd geacht buitenland te zijn.

Waar gaat het licht aan?

Over het algemeen is de gedachte dat de Here Jezus zou komen als een Jood onder de Joden in Judea en Jeruzalem. Helaas was het Joodse volk ongelovig en toen is de zaligheid naar de heidenen gegaan. Deze gedachte wordt opgehangen aan enkele teksten uit Jesaja.

Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen. Jesaja 8 : 23

Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Jesaja 9 : 1

Er zou een oordeel komen over de volkeren of over Israël, maar een overblijfsel zal behouden worden. Een kenmerk van de profetieën van Jesaja is, dat er systematisch over een overblijfsel gesproken wordt. Jesaja 1 gaat over een oordeel over het land Israël, maar toch zal er een overblijfsel zijn. In feite wordt hier niet alleen over Israël gesproken, maar over alle volkeren der aarde. Paulus zegt hierover in Romeinen 11 : 5 dat er in onze dagen ook een overblijfsel zal zijn. Het Nieuwe Testament zegt dat sinds de opstanding van Christus duisternis over de hele wereld gekomen is. Zo lezen we in het Johannes-evangelie dat wanneer iemand tot geloof komt, zo iemand tot het Licht komt, maar als iemand niet tot geloof komt, dan blijft de toorn Gods of de duisternis op hem.

In geestelijke zin is de hele wereld in duisternis sinds de opstanding van Christus. God heeft de wereld “overgegeven” in de zin van “losgelaten”. (Romeinen 1 : 24, 26, 28) Dat betekent in de praktijk dat Hij zich niet met de gang van zaken in de wereld bemoeit. God is “buiten de legerplaats” en Hij roept ons op tot Hem te komen buiten de legerplaats om “Zijn smaadheid te dragen en daar te wandelen in het Licht”. (Hebreeën 13 : 13) Deze duisternis blijft in de wereld tot de wederkomst van Christus en tot de bekering van Israël tot de Messias. Het bijzondere van deze twee verzen uit Jesaja is, dat hier aangekondigd wordt dat het licht in de wereld uitgaat, maar niet overal; er is een uitzondering. Ergens wandelt een gelovig overblijfsel in het licht. Dat is in Galilea.

In vers 23 staat: “Maar dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden”. Hier is sprake van een uitzondering, namelijk het land van Zebulon en Naftali. Daar ging dus níet het licht uit. In de hele wereld is het licht uitgegaan sinds de opstanding van Christus, maar in het land van Zebulon en Naftali ging het aan. Dat was “in het laatste”, zegt de tekst. Maar wanneer is deze laatste tijd? We zullen daarvoor eerst moeten vaststellen wat “in het laatste” uit dit vers betekent. De algemene regel is dat “de laatste dagen” zijn begonnen bij de opstanding van Christus, bij het aanbreken van het Nieuwe Verbond, het aanbreken van de toekomende eeuwen en betere dingen. In Handelingen 2 zegt Petrus dat “de laatste dagen” zeker van toepassing zijn op de Pinksterdag.

En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. Handelingen 2 : 17

Hiermee kunnen we vaststellen dat “in het laatste” betekent: de tijd vanaf de komst van de Messias. Het licht ging uit in de wereld, maar het ging aan bij Zebulon en Naftali. Het zou zijn “in het laatste” en het zou deel hebben aan heerlijkheid, namelijk de heerlijkheid van de Messias. Als we deze betekenis gaan toepassen, stuiten we op een probleem, want dan staat in dit vers dat vanaf de opstanding van Christus het licht uitging in de wereld en het gaat pas weer aan als Hij in heerlijkheid zal verschijnen. Maar volgens Matthéüs 4 werd deze profetie vervuld toen Jezus in Galilea kwam wonen! Toen waren de laatste dagen nog níet begonnen, toen was het nog steeds oudtestamentische tijd. Het Nieuwe Verbond werd toen wel gepredikt door de Here Jezus, maar het was nog niet aangebroken. Strikt genomen zou het pas aanbreken bij de opstanding van Christus. Dat alles maakt het nogal lastig om dit vers te plaatsen. Toch willen we een goed antwoord vinden, maar daarvoor is het belangrijk om de juiste betekenis van de rest van het vers te begrijpen.

Galilea der heidenen

De vertalers hebben nogal wat problemen gehad met de vertaling van de term “Galilea der heidenen” uit Jesaja 8 : 23. In de NBG-vertaling wordt de naam Galilea niet eens gebruikt, daar is het vertaald met “landstreek der heidenen”. Waarom staat hier Galilea der heidenen? Wij kennen het immers als Galilea der Joden. Toch kan de term “Galilea” heel goed van toepassing gebracht worden op heidenen of vreemdelingen. De wortel van het woord Galilea bestaat uit de Hebreeuwse letters Gimmel en Lamed (g en l). Het kent veel verschillende toepassingen. De moeilijkheid is nu om de wezenlijke betekenis te achterhalen. Eén van de toepassingen is: dat wat weggevoerd is; dat wat zich buiten bevindt; dat wat er niet bij hoort. De term “Galilea” is ook verwant aan het Hebreeuwse woord galoeth, dat “ballingschap” of “wegvoering” betekent. Het begint met dezelfde wortel, Gimmel en Lamed. Galilea is afgeleid van het werkwoord “gala” en dat wordt vertaald met: scheren; iets weghalen. De moeilijkheid is nu dat het woord gala twee verschillende kanten heeft. Aan de ene kant betekent het “wegvoeren” en aan de andere kant “overhouden”, dat wil zeggen: een deel wordt weggevoerd en dan hou je het andere deel over.

Het Hebreeuwse woord “gal” of “gool” betekent: alles wat vorm of gestalte heeft; alles wat in zichzelf bestaat; alles wat een eenheid is. Het hangt samen met het woord “cirkel”, want een cirkel is immers rond, een afgeronde vorm; je ziet gelijk wat er niet bij hoort. Dat is de positieve uitleg van het woord. Als het gaat om het weghalen van dat wat er niet bij hoort, in de zin van scheren of wegvoeren, is het negatief. De term “gilgal” is ook verwant aan dezelfde wortel, Gimmel en Lamed. Gilgal was de plaats waar heel Israël besneden werd toen het de Jordaan was doorgetrokken. Bij de besnijdenis komen we ook weer die positieve en negatieve kant tegen, namelijk: het wegnemen van de voorhuid, de omhulling, zodat wat er werkelijk zijn moet, openbaar wordt. Het woord “Galilea” kent ook deze twee kanten.

Het woord Galilea hangt dus samen met het woord voor “cirkel”. Een cirkel is: een afgerond geheel, een regio of een omgeving en dus een landstreek. Ons wordt altijd voorgehouden dat de mensen uit Galilea door de mensen uit Judea niet voor vol werden aangezien. Het waren eigenlijk vreemdelingen of heidenen. Hoe komt men daarbij? Hoofdzakelijk door de uitleg van de term “Galilea der heidenen” uit Jesaja 8 : 23. Toch hebben de vertalers van de NBG-Bijbel hun twijfels hierover gehad en daarom hebben ze de naam Galilea eruit gehaald en vertaald met “landstreek”. Waarom? Ze dachten kennelijk dat het niet over Galilea kon gaan, want dat gebied is niet van heidenen, het hoort bij Israël, bij de stammen Zebulon, Naftali en Aser. Maar als in dit vers dan niet over Galilea in Israël wordt gesproken, waar ligt het dan wel? Het antwoord is niet moeilijk. Als we een landkaart nemen en Galilea opzoeken, dan komen we in West-Europa terecht. Het wordt dan “Gallië” genoemd en de inwoners heten Galliërs. Later gingen de Franken er wonen en sindsdien noemen we het Frankrijk. Een andere naam voor Galliërs is Kelten. De letters k en l uit het woord Kelten is hetzelfde als de g en l uit het woord Gallië. De Gimmel of de zachtere gù-klank wordt een hardere kù-klank. De uitspraak van woorden kan veranderen, al naar gelang de streek waar men vandaan komt.

In de wereld ging het licht uit, ook in Judea onder de Joden, maar op een andere plaats ging het licht weer aan. Waar? In Galilea der heidenen, namelijk in West-Europa, want het evangelie ging daar naar toe. Dat gebeurde al in de eerste eeuw na Christus. In latere eeuwen zijn Willibrord en Bonifatius de bekendste evangelisten geworden.

In vers 23 van Jesaja 8 staat “naar den weg zeewaarts”. Hiermee wordt bedoeld dat het land van Zebulon en Naftali bij de zee zou liggen. Zebulon vinden we terug In het land der Zeben. Maar waar is het land der Zeben gebleven? Als de letter b vervangen wordt voor een w, is het duidelijk. Vandaag de dag noemen wij het Zeeland, maar het zou officieel Zeeuwland moeten heten, want de inwoners heten Zeeuwen. Zeeuw-land is dus het land van de Zeben. -info-

Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt. Jesaja 9 : 2

Het woordje “niet” in dit vers staat níet in de grondtekst en kan doorgestreept worden. Het woord “nochtans” hoort er ook níet te staan. Verder wordt over de oogst gesproken. Wanneer zal de oogst plaatsvinden? Volgens Matthéüs 13 : 39, 40 en 49 in de voleinding der eeuw. Maar eigenlijk is de oogst al begonnen. We hebben het dan over de eerste vruchten van de oogst. Dit houdt in: de eerstelingengarf, vijftig dagen later de eerstelingen broden en tot slot de oogst.

  • De eerstelingen garf is een type van
  • De eerstelingen broden is een type van de Gemeente in onze dagen.
  • In de dagen van de wederkomst van Christus zal de uiteindelijke oogst

In feite is de oogst begonnen vanaf de opstanding van Christus; Hij was de Eersteling. We lezen dat het licht (vers 1) zou opgaan en de oogst (vers 2) zou beginnen en men zou zich verblijden. Waar zou men zich verblijden? In Galilea der heidenen. Maar toen de Here Jezus in Galilea woonde, was het Nieuwe Verbond nog niet aangebroken, Hij was immers nog niet opgestaan uit de dood. Ging het licht er dan op? In Matthéüs 11 : 20-24 staat dat de Heer Zijn krachten liet zien in heel Galilea, maar vervolgens vervloekte Hij het land en kondigde een oordeel aan. Waar ging het licht dan wel op? Het antwoord is dat in deze verzen niet zozeer gesproken wordt over de geboorte en het optreden van de Here Jezus, maar over het aanbreken van het Nieuwe Verbond, de opstanding van Christus en daarmee letterlijk de komst van de Messias. Waar kwam de zaligheid of het evangelie (het licht) dan terecht? In een goede atlas vind je altijd een wereldkaart, waarop in kleur aangegeven staat waar de verschillende godsdiensten verspreid zijn geworden. Het christelijk geloof is terecht gekomen onder de blanken, met name in West-Europa en de daarvan

afgeleide emigratielanden. Het is algemeen bekend dat Jezus Christus de God van de blanken is. In de Bijbel lezen we dat de Here Jezus de discipelen de opdracht gaf om het evangelie te prediken onder alle volken. (Matthéüs 28 : 19) Dat is ook daadwerkelijk gebeurd, maar het heeft lang niet overal ingang gevonden. Zo is er bijvoorbeeld vanuit Nederland zeer veel gedaan aan christelijk zendingswerk in Indonesië. Maar wat is daar nu nog van over? Een klein overblijfsel, niet meer. Om één of andere reden werkt het niet; men wil de boodschap niet aannemen.

We zien dat in vers 23 duisternis wordt aangekondigd, maar er is een uitzondering en dat is Galilea der heidenen. Het optreden van de Heere Jezus in Galilea is een uitbeelding van de Heer die Zijn werk doet onder de Galliërs, de Kelten en hun verwanten, namelijk de Angelsaksische volken, met andere woorden: de blanken. Hij wil Zijn werk wel doen onder andere volkeren, maar helaas blieven ze het niet.

Enkele parallellen

In Matthéüs 2 : 2 vragen de wijzen: “Waar is de geboren Koning der Joden?” Hij was niet in Jeruzalem, maar in Bethlehem. Bethlehem is een uitbeelding van de Gemeente. Letterlijk vertaalt betekent Bethlehem: broodhuis. Het is het huis waar je brood kunt krijgen, namelijk het Brood des Levens. In het Hebreeuws betekent het woord beth “huis” en lechem betekent “brood”. De Here Jezus is het Brood des Levens, dat uit de hemel nedergedaald is. Waar is dat Brood nu te vinden? Bij de Gemeente. Wij zitten aan Zijn tafel. De Gemeente is dat huis en bij ons is brood te krijgen voor een ieder die maar wil. De wonderbare spijziging vond plaats in Galilea. Overdrachtelijk vindt deze spijziging nog elke dag plaats. Er is brood genoeg: niet in Jeruzalem maar in Bethlehem, niet in Judea maar in Galilea, niet bij de Joden maar bij de Kelten, niet bij de twee stammen, maar bij de tien stammen.

Het optreden van de Here Jezus in Israël duurde ongeveer drieënhalf jaar en vond hoofdzakelijk in Galilea plaats. Pas aan het einde van Zijn bediening ging Hij naar Judea. Maar waar bracht Jezus de voorgaande achttien jaar van Zijn leven door? In Galilea der heidenen, oftewel in Gallië onder de Kelten. We hebben al gezien dat de Here Jezus af en toe naar het buitenland ging. Voordat Hij gedoopt werd door Johannes de Doper en vervolgens Zijn bediening onder de Joden begon, trad Hij op in West-Europa. Zo zijn er bewijzen dat Hij in Brittannië is geweest. Men reisde toen al naar de Britse eilanden. Het lood dat koning Salomo gebruikte voor de bouw van de tempel was afkomstig uit de Mendip Hills in Somerset, Brittannië. Deze eilanden stonden toen bekend als lood- en tineilanden. Het hele optreden van de Here Jezus in Galilea, ver van Judea en Jeruzalem, is op voorhand een uitbeelding van de situatie in onze dagen. Als men de Heer zoekt, dan vindt men Hem niet onder de Joden. Als er dan toch Joden zijn die de Heer kennen, dan Zijn het christenen en hebben ze deel gekregen aan de Gemeente van eerstelingen en zijn ze van Godswege verlost van de joodse traditie.

10 En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?
11 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven. Matthéüs 13 : 10, 11

De gelijkenissen gaan over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Overdrachtelijk gaan ze over onze dagen, waarin het Koninkrijk van Christus begonnen is, maar verborgen.

Van waar komt dan Dezen?

De paar verzen aan het einde van Matthéüs 13 hebben niets van doen met de gelijkenissen en ook niet met de rest van de geschiedenis. Deze verzen hadden ook ergens anders kunnen staan. Tóch staan ze hier!

54 En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Dezen die wijsheid en die krachten?
55 Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?
56 En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar komt
dan Dezen dit alles?
57 En zij werden aan Hem geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.
58 En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof. Matthéüs 13 : 54-58

De Here Jezus kwam in “Zijn vaderland”, namelijk in Galilea. Ze verbaasden zich en vroegen zich af waar Jezus vandaan kwam, waar Hij Zijn wijsheid en krachten had opgedaan. Waarom wisten ze niet zeker of Hij de Zoon van de timmerman was? Waarschijnlijk is Hij een poos weggeweest toen Hij een jaar of dertien of veertien was en kwam Hij terug toen Hij ongeveer 28, 29 of 30 was. Hij was ouder geworden en nu Hij zich weer vertoonde in Galilea moesten ze weer aan Hem wennen. Deze gedachte is niet te bewijzen, maar het ligt voor de hand.

Jezus bedoelde zichzelf met “een profeet” uit vers 57. Hij wilde zeggen: “Hier wordt Ik niet geëerd, maar ergens anders wel”. Waar dan wel? Vermoedelijk in de landen waar Hij geweest was en waar Hij opgetreden had als profeet, vóórdat Hij gedoopt werd door Johannes de Doper en vóór de verzoeking in de woestijn. Waar is Hij dan geweest? In Gallië der heidenen. In onze dagen doet de Heer een werk in Gallië, dat wil zeggen de volken die aangeduid worden als Angelsaksen en Kelten. In Zijn wederkomst zal Hij Zijn werk volvoeren, beginnend onder Judea, onder de Joden. Als eerste zullen ze geconfronteerd worden met Zijn kruisiging en met Zijn dood, want daar was de geschiedenis gestopt. Het laatste was: “Ze hebben Hem gekruist”. En sindsdien geldt: “Vader vergeef het hun; want ze weten niet wat ze doen”. (Lukas 23 : 34) In de tijd van Handelingen hebben ze Hem alsnog verworpen en sindsdien hebben ze geen recht meer om in het land te wonen en zijn ze verstrooid geworden onder alle volken. In de toekomst gaat het verhaal verder met de grote verdrukking en de prediking van het evangelie. Dit keer niet in Gallië maar in Judea, niet onder de heidenen maar onder de Joden.

Oordeel vanwege ongeloof

20 Toen begon Hij de steden, in dewelke Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden.
21 Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.
22 Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden.
23 En gij, Kapernaüm! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag gebleven zijn.
24 Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u. Matthéüs 11 : 20-24

-info-

Dit is overdrachtelijk van toepassing op Gallië en de tien stammen, want daar ging immers het licht op. Er staat dat de Heer in deze steden optrad en Zijn tekenen deed, maar vanwege hun ongeloof sprak Hij een oordeel over hen uit. In onze dagen wordt de Gemeente gebouwd, anders gezegd: het christendom wordt verspreid onder de Angelsaksische volken. Maar hebben wij nu van doen met christelijke volken? Is Nederland een christelijk land? Vanuit de geschiedenis kunnen we wel zeggen dat Nederland van Godswege gezegend werd, omdat hier levende gelovigen door God gezegend werden. Maar als straks de Gemeente opgenomen wordt, wat blijft dan over? Zijn alle blanken dan verdwenen? Nee, het grootste deel van de christenen zullen op aarde blijven en het zal ook niet de ondergang van het christendom betekenen. Het grootste deel wordt immers gevormd door mensen die zich christenen noemen, maar niet wedergeboren zijn.

Na de opname van de Gemeente volgt grote verdrukking, beginnend bij het Joodse volk, de twee stammen. De Bijbel kondigt een rigoureus oordeel aan over een ongelovige Joodse staat. “Er zal geen steen op steen gelaten worden, er zal geen leven in het land overblijven”. (Lukas 19 : 44) Maar de vraag is daarna: wat zal er met West-Europa en de andere westerse landen gebeuren, waar eeuwenlang zo intensief het evangelie gepredikt is en waaronder zovele tekenen zijn gedaan? Men zal niet kunnen zeggen: “We hebben het niet geweten.” Als we Matthéüs 11 overdrachtelijk toepassen, lezen we dat hier een oordeel wordt aangekondigd over zulke ongelovigen. Met andere woorden: dit alles zal na de opname van de Gemeente, of na de 70-ste week van Daniël, de volkomen ondergang van de hele westerse cultuur en beschaving betekenen.

De positie van de Olijfberg

In alle Evangeliën lezen we de belangrijke geschiedenis dat de Here Jezus naar Jeruzalem ging om daar gekruist te worden. Deze route leidt vanuit Galilea, langs de Jordaan en langs Jericho. Vanaf Jericho loopt de weg omhoog over de Olijfberg en gaat via het Kedrondal naar Jeruzalem. In de Bijbel wordt deze route regelmatig genoemd, denk maar aan de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan.

41 En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,
42 Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Lukas 19 : 41, 42

Het was een bijzondere datum, namelijk de laatste dag van de 69-ste week van Daniël, die viel op de tiende van de eerste maand. Deze komen we vaker in de Bijbel tegen, bijvoorbeeld: op de tiende van de eerste maand trok Jozua met het volk Israël door de Jordaan. (Jozua 4 : 19)

43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;
44 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. Lukas 19 : 43, 44

De Here Jezus zei deze woorden vanaf de Olijfberg met het zicht op de stad Jeruzalem. Hij sprak hier over het uiteindelijke oordeel, dat over Jeruzalem zal komen. De Heer was welkom in Galilea, in Bethanië en Bethfagé op de Olijfberg, maar niet in Jeruzalem. Daar moesten ze Hem niet en daar werd Hij gekruist. Op de Olijfberg, op de laatste dag van de 69-ste week van Daniël, brak als het ware de geschiedenis af. Hiermee is de positie van de Olijfberg voor Jeruzalem een uitbeelding van het afgebroken werk van de Heer, dat voortgang zal vinden in de toekomst. Volgens Zacharia 14 zal Hij wederkomen op deze Olijfberg. Hij zal dan weer op dezelfde plek staan en dezelfde stad zien. De geschiedenis zal dan alsnog verdergaan. In deze verzen wordt gezegd dat Jeruzalem dan verwoest zal worden.

Wanneer de Heer in Jeruzalem was, overnachtte Hij daar niet. Hij ging elke avond de stad uit naar Bethanië op de Olijfberg. Daar overnachtte Hij. Zelfs op de laatste nacht van Zijn leven waren ze op weg naar de Olijfberg, maar ze kwamen niet verder dan de hof van Gethsémané. Toen werd Hij teruggebracht naar Jeruzalem om gedood te worden. In deze geschiedenis breekt het verhaal opnieuw af op de Olijfberg. In Handelingen 1 komt datzelfde beeld naar voren. Daar staat dat de hemelvaart van de Here Jezus plaatsvond op de Olijfberg en twee engelen deelden het volgende mee.

Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren. Handelingen 1 : 11

Telkens breekt de Bijbelse geschiedenis op de Olijfberg af. Dat maakt de Olijfberg tot een uitbeelding van de situatie in onze dagen, die is immers nog steeds niet verder dan de Olijfberg. De Koning zou naar Jeruzalem komen, maar tot op heden kwam Hij niet verder dan de Olijfberg. Lukas 19 leert dat de Here Jezus op een ezel reed tijdens de intocht in Jeruzalem. Deze ezel is een uitbeelding van de Gemeente. Het was het mannelijke jong van een last- of jukdragende ezelin. De ezelin is een uitbeelding van Israël onder het Oude Verbond, onder het juk van de wet. Maar er was een mannelijk jong geboren, dat nog nooit een last had gedragen en dat ook nooit zal doen, namelijk de Gemeente. Voor zover er door de Gemeente een last gedragen wordt, dragen wij de Heer. De Gemeente wordt bestuurd door degene die op de ezel rijdt; dat is de Here Jezus zelf.

Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen. Zacharia 9 : 9

De Here Jezus zal komen, rijdend op een ezel.Tijdens de intocht in Jeruzalem kreeg deze profetie een vervulling. In de wederkomst zal het opnieuw een vervulling hebben. De Heer zal komen met die ezel, namelijk met de Gemeente. Hij zal geopenbaard worden in heerlijkheid op de Olijfberg en de Gemeente zal met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Martha, Maria en Lazarus

De Here Jezus had een onderkomen op de Olijfberg, namelijk in het huis van Maria, Martha en Lazarus. Deze hele huishouding van Maria, Martha en Lazarus is een treffend beeld van de Gemeente. De naam Lazarus is de Griekse vorm van Eleázar. Eleázar is de naam van de tweede hogepriester, de zoon van Aäron. Daarmee staat Lazarus model voor de tweede hogepriester, namelijk de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Met andere woorden Lazarus is typologisch de naam van Melchizédek en daarmee van Christus zelf. Dat verklaart ook waarom de Here Jezus bij het graf van Lazarus weende. Hij besefte toen heus wel dat Hij als het ware bij Zijn eigen graf stond. De opstanding van Lazarus uit de dood is daarmee een beeld van de opstanding van Christus als de Hogepriester en Koning naar de ordening van Melchizédek. In onze dagen kennen we de Heer niet als Koning van Jeruzalem, maar wel als het Hoofd van een huis op de Olijfberg, dat wil zeggen als Hoofd van de Gemeente. Dat was immers de woonplaats van de Heer als Hij in Judea was.

Martha is een uitbeelding van de gelovigen uit de Joden met een wettische achtergrond. Altijd druk doende met veel dienen en weinig belangstelling voor de waarheid als zodanig. De naam Martha betekent “dienstbode”. Ons woord meisje of meid betekent ook “dienstbode” en ons woord jongen betekent “dienstknecht”. In het Engels is een boy een “dienstknecht”. Als Martha in de Bijbel een beeld is van de twee stammen, dan is Maria een beeld van de tien stammen van Israël. In feite zijn alle Maria’s in de Bijbel een beeld van de tien stammen, ook als Maria Mirjam heet. -info- Dat huis op de Olijfberg in Bethanië is een uitbeelding van de Gemeente in onze tegenwoordige tijd. Bethanië kan vertaald worden met “het huis, namelijk ik” of “ik ben het huis”. Het Hebreeuwse woord beth betekent “huis”, en ani betekent “ik”. De Heer is dat huis of die tempel en wij zijn leden van die tempel of stenen aan die tempel.

De Olijfberg scheurt

-info-

De dag dat de Heer Zijn voeten zal zetten op de Olijfberg zal een zeer hectische dag zijn. Een grote aardbeving zal de Olijfberg scheuren. Door deze aardbeving zal het een dag van duisternis zijn. Jeruzalem zal verwoest worden en het gelovig overblijfsel moet met grote spoed de stad uitvluchten. Wanneer Hij op de Olijfberg zal verschijnen zullen de Joden niet aan Hem vragen wie Hij is. Er zal weinig tijd voor zijn. Men moet maken dat men wegkomt, want vijandelijke legers zijn in het land en liggen rond Jeruzalem. De Heer zal zich bij deze gelegenheid ook niet bekend maken aan de Joden. Ze zullen vermoedelijk wel weten dat Hij Jehovah is, de Engel des Heeren, want in Zacharia en Joël staat dat ze de Naam des Heeren zullen aanroepen en vervolgens gebeuren deze dingen.

 … het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De HEERE is mijn God. Zacharia 13 : 9

En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen. Joël 2 : 32

-info-

Wanneer men de Naam des Heeren aanroept, zal er ontkoming zijn uit Jeruzalem. Dan zullen ze geloven dat gekomen is wie ze aanriepen, namelijk Jehovah zelf. Ze weten dan nog niet dat Jehovah, Jezus van Nazareth is. Het aanroepen van de Naam des Heren valt onder de noemer bekeren tot de Heere of tot Jehovah. De ontmoeting van Jehovah of Jezus met het gelovig overblijfsel vindt niet op dat moment plaats, maar later, in de woestijn, namelijk in Petra. Daar waar het overblijfsel verzameld wordt. Tijdens de eerste helft van de 70-ste week van Daniël is er al gelegenheid om naar deze plaats te vluchten. Wanneer de gruwel der verwoesting wordt opgericht in Jeruzalem zal het echt gevaarlijk worden voor de gelovigen.

-info-

15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
16 Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen; Matthéüs 24 : 15, 16

Men zal naar de bergen van Paran vluchten. Hoe weten ze waar ze naar toe moeten gaan? Vanuit het Oude Testament. Als wij nu weten dat Petra de plaats is waarin Israël verzameld zal worden in de toekomst, dan kunnen zij het ook weten en dat blijkt ook uit de geschiedenis. Ongeveer 600 voor Christus sloeg het leger van Nebukadnezar beleg om de stad Jeruzalem. Een gelovig overblijfsel meende dat de stad verwoest zou worden, want de profeten hadden het vaak genoeg aangekondigd. Zo snel ze konden verlieten ze de stad en vluchtten naar Petra. In het jaar 70 na Christus sloegen de Romeinen een beleg om de stad Jeruzalem. Opnieuw waren er mensen die de stad uitvluchtten. Vermoedelijk waren het christenen die de profetie uit Lukas 21 kenden: “Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is”.

An.Nasara.vanaf.plaats.net.buiten.Petra1
An.Nasara.vanaf.plaats.net.buiten.Petra1
previous arrow
next arrow

An Nasara gezien vanaf een plaats net buiten Petra

Historisch is, dat toen velen naar Petra zijn gevlucht. In Petra is een gebied dat “An Nasara” genoemd wordt. An Nasara is Arabisch voor “Nazareth”. Dit gedeelte heet zo omdat het een tijd lang bewoond is geweest door vluchtelingen uit Jeruzalem; christenen dus. In de wanden van de grotten heeft men christelijke symbolen gevonden. Helaas zijn ze niet meer goed te lezen, omdat bedoeïenen in de grotten hebben gewoond. Ook weet men dat één van de grotten een tijd lang heeft gefungeerd als kerk.

De woorden van Zacharia 13 : 9 zullen dus niet vervuld worden in Jeruzalem of op de Olijfberg, maar in Petra. Vergelijk het maar met de uittocht uit Egypte van het volk Israël. Toen moesten ze ook Egypte verlaten. Pas in de woestijn maakte de Heer zich aan hen bekend, sprak Hij tot hen en gaf hen de wet, enzovoorts. Daar werden ze gemaakt tot volk van God.

Route vanuit Jeruzalem naar Petra

1 Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!
2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.
3 En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.
4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.
5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; den zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!  Zacharia 14 : 1-5

De stad Jeruzalem zal verwoest worden aan het einde van de 70-ste week van Daniël. Bij deze gelegenheid zal alles wat we nu kennen van de stad verdwijnen. Een gelovig overblijfsel zal uit Jeruzalem vluchten naar Petra. Vanaf vers 4 staat de route beschreven die ze zullen nemen. De Heer zal bij deze gelegenheid letterlijk verschijnen op de Olijfberg. -info- Deze berg zal zodanig scheuren dat er een enorme kloof ontstaat, dwars door de berg, van het westen naar het oosten. Deze kloof wordt “de vallei Mijner bergen” genoemd. Door de kloof zal men Jeruzalem uitvluchten naar het oosten, namelijk naar het Jordaandal, richting de Dode Zee (= ongeveer 28 kilometer). De weg daalt naar 400 meter beneden de zeespiegel. Bij de noordpunt van de Dode Zee slaat men rechtsaf. Via de westkant van de zee zullen ze naar het zuiden trekken. -info-

Ze komen langs de grote berg Massada en de overblijfselen van Gomorra. Voorbij de Dode Zee gaan ze door het dal van de Wadi Araba. Vervolgens zullen ze aan hun linkerhand de berg Hor, met het witte moskeetje, zien liggen. Daar gaan ze linksaf de bergen in en de ravijnen door. Omhoog klimmend langs de berg Hor en weer afdalende langs het Slangenmonument komen ze in Petra/Bozra aan. Het is niet moeilijk te vinden. Ze zullen gewoon het dal volgen dat tussen twee bergrijen in ligt. Totaal is deze weg ongeveer 90 kilometer lang. -info-

-info-

In vers 5 staat dat ze naar Azal zullen vluchten. Azal betekent “gereserveerd”. Dit is de gereserveerde plaats waar Openbaring 12 : 6 over spreekt, namelijk “een plaats haar van God bereid”. Deze plaats Azal is dus Petra in de woestijn.

En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 12 : 6

De vrouw, als beeld van Israël, vlucht naar de woestijn “alwaar zij een plaats had, haar van God bereid”. Het woord “bereid” kan heel goed vertaald worden met “Azal”. De woestijn is de woestijn van Paran of van Edom. Het gelovig overblijfsel zal vanwege een enorme aardbeving Jeruzalem uitvluchten, omdat de stad verwoest wordt. Men zal dan naar de rotsstad Petra in de woestijn gaan.

-info-

Deze studiereis over “Van Hermon tot de Rode Zee” is uitgewerkt in drie delen. Om verder te lezen selecteert u deel 3 van dit onderwerp. Heeft u deel 1 gemist dan kunt u deze hieronder selecteren.
deel1
deel3

 

 

 



Dit is een bewerking van de Brochure "Van Hermon tot Rode Zee" 

Naar de oorspronkelijke geraadpleegde studieonderwerpen en aanverwante studies bijbelezingen:   C235 Sodom en Gomorra. C239 Galilea en Judea. Coll031 Het Jordaandal. Coll037 De dag des Heeren. A298 De Olijfberg en de berg Hor. door: Ab Klein Haneveld. 

auteur: Renate Vos Mobach. | Merendeel foto's:  Wim de Goeij.



Video: door Erwin Vos, met uitleg van de reis in 2007 vindt u hier. Tevens zijn er op de site van het NBC nog video-impressies te bekijken van deze reis uit 2018, door Marco Plomp en de video "Ab vertelt", door Jouke koning. Ook is er een reisverslag, geschreven door Renate Vos Mobach, te lezen.


https://www.bijbelspanorama.nl/  https://www.bijbelstudie.nl/