ERVEN OF DERVEN (1) ![]()
Over de erfenis die God aan zijn kinderen geeft
Waarschijnlijk het bekendste vers uit de Bijbel luidt: “IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” Het is vooral populair onder ongelovigen, maar het is niettemin een bijbelse waarheid. Het op een na bekendste vers is wellicht Johannes 3 vers 16: “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.”
Daar raken we meteen aan het verschijnsel dat toch niet alles ijdelheid is. Onder de zon is het al ijdelheid, dat klopt. Maar wanneer wij Hem kennen die gesteld is aan de rechterhand Gods, de Zoon die door de Vader aan zijn rechterhand is aangesteld, dan hebben wij in Hem eeuwig leven. Dan zouden wij niet verderven, maar integendeel het eeuwige leven hebben, of beter gezegd: erven. Want al staat die uitdrukking niet in Johannes 3 vers 16, in heel wat andere schriftplaatsen staat wel degelijk dat het eeuwige leven geerfd zal worden.
Erven, derven en zondigen
Het verkrijgen van eeuwig leven heet in de Bijbel het erven van eeuwig leven. En het niet verkrijgen ervan heet niet erven, maar derven. Derven betekent in het Nederlands dat men iets mist, dat men iets niet erft. Daarom ligt derven dicht bij zondigen, want ook zondigen betekent dat men iets mist, dat men ergens zonder zit.
In feite zijn het synonieme begrippen: zonde en het derven van met name het eeuwige leven. Ik beschouw ze zelfs als volkomen synoniem. Het verderf en de zonde staan immers rechtstreeks in oorzakelijk verband met elkaar, en fundamenteel genomen zijn ze hetzelfde.
Erven is daarvan het tegenovergestelde. Erven betekent dat men iets ontvangt, maar het is een bijzonder soort ontvangen: men ontvangt iets dat is overgeschoten, dat is vrijgekomen, dat ter beschikking is gekomen. “Verweesd” is een van de termen daarvoor.
Wat erven eigenlijk betekent
De erflater is degene die overlijdt. Hij laat zijn bezittingen achter, en die komen vervolgens in handen van degene die erft: de erfgenaam. De erfgenaam is degene die de naam, de titel, ontvangt. Sommigen verklaren het woord erfgenaam vanuit “nemen” (nemen, nam, genomen), anderen vanuit “naam”. In de praktijk komt het op hetzelfde neer, want wat de erfgenaam neemt is juist de naam, de titel. De erfgenaam is dus degene die het eerstgeboorterecht krijgt, die de titel ontvangt. Het zijn begrippen die allemaal in elkaar haken.
In beginsel, in de brede betekenis van de term, bestaat de erfenis dus uit dat wat verweesd is: dat wat door de dood, door het verscheiden, vrijgekomen en ter beschikking gekomen is. Dat is ook de brede betekenis in de Bijbel.
Brede en smalle betekenissen
Hier past meteen een waarschuwing. Naast de brede, algemene betekenis van zo’n term kennen we in onze taal vaak ook meer specifieke toepassingen. En dat vinden we in de Bijbel net zo goed.
Ik heb er vaker op gewezen dat je vooral in het Oude Testament de opsomming aantreft van een aantal zonen van een vader. Daarna wordt een van die zonen apart genoemd, nog eens als “de zoon”. De eerste opsomming is de algemene; de tweede, specifieke aanduiding wijst op die ene die het eerstgeboorterecht krijgt.
Wie erfde bijvoorbeeld van Izak? In brede zin allebei zijn zonen, Ezau en Jakob. Maar het werd Jakob, en Jakob kreeg het eerstgeboorterecht, de naam en de titel. Ezau kreeg ook nog wel iets, maar dat viel onder de brede, algemene betekenis van de term.
Zo heb ik ook wel eens gewezen op de term “zaligheid”. In het hedendaagse Nederlands komen we dat woord nauwelijks meer tegen, behalve in rooms-katholieke kring rond het kerstfeest: “Zalig kerstfeest.” In de Bijbel wordt die term gebruikt ter aanduiding van alles wat God geeft. En dat is meer dan alleen het eeuwige leven.
Zaligheid: alles wat God geeft
Petrus drukt het zo uit: God heeft ons alles geschonken wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Het is dus meer dan het eeuwige leven alleen.
Vandaar dat er discussie kan ontstaan over de vraag of men de zaligheid louter uit genade en door het geloof ontvangt, zonder de werken (zo Luther en vooral de Romeinenbrief), of dat men zijn eigen zaligheid zou moeten bewerken. Er zijn immers bijbelteksten die dat laatste lijken te zeggen, zoals het beruchte woord uit Filippenzen: “Werkt uws zelfs zaligheid uit met vrezen en beven.”
Eigenlijk hoeft die discussie er niet te zijn, mits men eerst beseft dat de term zaligheid staat voor alles wat God geeft. In de eerste plaats voor het eeuwige leven als zodanig, want dat is het eerste dat men nodig heeft en het eerste dat men van Godswege ontvangt, op grond van geloof en zonder de werken, uit genade (met dank aan Romeinen 3, met name de laatste verzen).
Maar de term zaligheid wordt ook gebruikt voor wat in de Bijbel elders heet: loon, vergelding, kroon en erfenis. En bij dat begrip erfenis kan men, volgens heel wat teksten, inderdaad louter denken aan het eeuwige leven. Toch zijn er ook schriftplaatsen waar erfenis, erven en erfgenaam in een veel smallere betekenis worden toegepast: niet op het eeuwige leven als zodanig, maar op het loon dat men als kind van God, dat reeds eeuwig leven ontvangen heeft, van Godswege of van Christuswege zou ontvangen.
Loon, kroon en erfenis
Met andere woorden: een zondaar komt tot geloof en ontvangt door het geloof en zonder de werken het eeuwige leven (met dank deze keer aan Efeze 2). Dan is men zalig, naar bijbelse maatstaf. En vervolgens geldt: wanneer wij als kinderen Gods en als zijn dienstknechten Hem in de praktijk van ons leven dienen, niet onder de wet maar onder de genade, niet onder het oude maar onder het nieuwe verbond, dan ontvangen wij daarvoor het loon dat voor ons is weggelegd in de hemel. Dan ontvangen wij de erfenis die voor ons bewaard wordt. En ook dat heet zaligheid, want het is wat God ons geeft.
We kennen van oudsher heel wat liederen waarin gesproken wordt over kronen die men in de toekomst zal ontvangen. Dat is volstrekt bijbels. Toch hebben velen niet in de gaten wat daarmee bedoeld wordt. Men denkt dat die kroon ongeveer hetzelfde is als het eeuwige leven: straks komen we in de hemel, en dan worden we aangekleed met een witte jurk en een bijpassende kroon, mogelijk met een parel erin.
Wie echter tegen gelovigen in het algemeen zegt dat het de bedoeling is dat zij in de hemel loon zullen ontvangen, en dat dit loon bestaat uit die kroon waarover de Bijbel spreekt, doet menigeen toch schrikken. Ik heb meer dan eens gehoord: “Dat heb ik nog nooit gehoord.” En dan denk ik: maar het staat in zoveel liederen, en het staat in de Bijbel. Ik noem altijd eerst de liederen, want het meeste van wat wij aan bijbelse waarheid leren, leren de meesten van ons niet eens uit de Bijbel, maar uit onze zangbundel.
De zachtmoedigen zullen de aarde beërven
Ik noem een paar schriftplaatsen. In Mattheus 5 vers 5 staat: “Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.” Dat is logisch, ook al ligt niet iedereen daar even gemakkelijk mee. Want of u het nu prettig vindt of niet, de Bijbel leert dat de aarde straks overblijft. Eenmaal komt die aarde vrij, omdat de goddeloze mens geen recht van leven heeft en er aan zijn aanwezigheid een einde komt. En wie moet er dan op aarde wonen? Het antwoord is: de zachtmoedigen.
Maar dan wel binnen de context van Mattheus 5. Want wat is een zachtmoedige? Jakobus zegt: men zal met zachtmoedigheid het woord ontvangen dat in het hart geplant wordt, opdat het onze zielen zou kunnen behouden. Een zachtmoedige volgens de Bijbel is dus een gelovige, iemand die het woord van God in zijn zachte gemoed laat planten. De zachtmoedigen, dat zijn de gelovigen, en zij zullen de aarde beërven.
Dat valt misschien tegen, want velen dachten dat zij de hemel zouden beërven. Sommigen hebben daarvoor doorgeleerd en hebben toen “uitgevonden” dat de hemel op aarde komt, waarbij ze een oude Nederlandse zegswijze tot theologie verheffen. Maar “een hemel op aarde” is in dit verband onzin. De gelovigen zullen het aardrijk beërven; de aarde komt vrij en is bestemd voor gelovigen. Dat was eigenlijk altijd al de bedoeling, en met een vertraging van pakweg zevenduizend jaar wordt het alsnog gerealiseerd. Die vertraging is overigens geen traagheid, maar hangt samen met de lankmoedigheid van onze Heer (2 Petrus 3).
De hemel en de eerstgeborenen
En de hemel? Die is bestemd voor de eerstgeborenen, en dus voor de gelovigen van onze tegenwoordige bedeling. Wie geen bedelingen kent, of er niet in gelooft, verliest daarmee meteen zijn uitzicht op de hemel. Ook hier heeft men wel iets bedacht: men heeft het begrip hemel een andere inhoud gegeven, zodat het probleem leek opgelost. Maar de hemel is niet “hierna”; de hemel is “hierboven”. Daar gaan gelovigen normaal gesproken niet naartoe, maar sinds de opstanding van Christus hebben de gelovigen daar een positie vanwege hun erfrecht als gemeente.
Erven in brede zin: het eeuwige leven
Waar het om gaat, is dat wij het begrip erven, het begrip erfenis en alles wat daarmee samenhangt goed begrijpen. In de eerste plaats wordt het breed gebruikt: voor allen die op grond van geloof het eeuwige leven beërven. De gelovigen ontvangen zelfs de wereld als zodanig. Wij zongen vroeger dat wij die hele schepping met Hem zouden beërven, en dat is ook zo: die hele schepping komt vrij. De goddelozen worden eruit verwijderd. Ik zeg het opnieuw wat ongelukkig, maar de Bijbel spreekt er nu eenmaal zo over: uit de hemel worden zij geworpen, en van de aarde ook; zij zullen niet meer zijn tot in eeuwigheid. Dat zijn letterlijke bijbelwoorden. Wat overblijft, zijn de gelovigen. En zo heet het erven, omdat het is vrijgekomen.
Daarom wordt in de Bijbel gesproken over het beërven van de aarde, maar ook over het beërven van het eeuwige leven. In Mattheus 19 vers 29: “Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?” Wat overblijft als de oude mens en de oude schepping voorbijgaan, wordt geerfd, en dus heet het: het eeuwige leven beërven. Dat is de algemene betekenis. Zo kan men de wijngaard erven, en zo kan men ook het koninkrijk erven (Mattheus 21 vers 38 en Mattheus 25 vers 34). Het eeuwige leven beërven lezen we onder meer in Mattheus 19 vers 29, Markus 10 vers 17, Lukas 10 vers 25, Lukas 18 vers 18 en Titus 3 vers 7. En men kan zelfs de onverderfelijkheid beërven (1 Petrus 1 vers 4). De lijst is veel langer, maar het gaat om de brede, algemene gedachte.
Erven in smalle zin: Efeze 1
Daarnaast vinden wij het begrip erfenis en erven wel degelijk in een veel smallere betekenis, wat ook uit de context blijkt. Een mooi voorbeeld is Efeze 1 vers 13 en 14. In vers 13 lezen we dat de gelovigen, nadat zij het woord der waarheid, het evangelie van hun zaligheid, gehoord en geloofd hebben, verzegeld zijn geworden met de Heilige Geest der belofte. En vers 14 zegt dat die Geest “het onderpand is van onze erfenis”. Het onderpand is de aanbetaling en daarmee de garantie.
Maar let op: als de erfenis enkel zou bestaan uit het eeuwige leven, dan klopt er iets niet. Want dat eeuwige leven hebben wij al ontvangen, en niet slechts een voorproefje of een stukje ervan, maar geheel. Wij zijn wedergeboren, en niet half wedergeboren.
Een veelgemaakt misverstand
Hier ligt een veelgemaakt misverstand, dat ook in onze liederen is vastgelegd. Velen denken dat men aan het slot van dit leven uiteindelijk het eeuwige leven zal ontvangen, dat men er onderweg naartoe is. Sommigen zijn er zelfs zeker van dat ze het zullen ontvangen. Maar het tragische is dat men zich niet realiseert dat men het reeds heeft ontvangen, en dat dit leven dus geleefd zou mogen worden, vandaag, en het liefst gisteren al.
Waar wij wel naar onderweg zijn, is de erfenis uit vers 14. Wie naïef met een concordantie en zonder verdere kennis de Bijbel doorzoekt op het woord “erfenis”, ontdekt teksten waarin staat dat de erfenis het eeuwige leven is. Daaruit trekt men dan de conclusie dat we de Heilige Geest hebben ontvangen als voorschot op een eeuwig leven dat we pas in de toekomst zouden krijgen. Dat is echter een verkeerde conclusie, gebaseerd op te weinig schriftplaatsen.
Waar het in Efeze 1 over gaat, is het erfgenaam-zijn op een smaller, maar tegelijk hoger niveau. Wij zijn kinderen Gods. Wij hebben deel aan elke geestelijke zegening in de hemel in Christus (vers 3). Wij zijn uitverkoren in Christus (vers 4). Wij zijn tevoren verordineerd tot de zoonstelling, wat alles met erfrecht te maken heeft. Wij zijn begenadigd in Christus en hebben de verlossing door zijn bloed. Hij heeft ons de verborgenheid van zijn wil bekendgemaakt (vers 9). Wij zijn bovendien zelf het erfdeel geworden van Christus (vers 11). En daarna zullen ook wij een erfenis ontvangen, in de toekomst. Aan het einde van die opsomming staat dan dat de Geest het onderpand is van onze erfenis, “tot de verkregen verlossing”.
Verlossing en erfenis: het nieuwe lichaam
In plaats van “erfenis” staat hier nu “verlossing”, maar het gaat over precies hetzelfde. Men zou kunnen tegenwerpen dat verlossing en erfenis taalkundig niet hetzelfde zijn, en dat klopt. Maar in deze bijbelse toepassing wel degelijk. De verlossing die hier genoemd wordt, is namelijk de verlossing van ons lichaam. Wij worden van dit lichaam verlost, opdat wij een erfenis in ontvangst zouden kunnen nemen.
Dat is het thema van 1 Korinthe 15. Daar staat dat dit verderfelijke lichaam de onverderfelijkheid niet beërft. Wij zullen dus pas erven nadat dit lichaam veranderd is, hetzij langs de weg van dood en opstanding, hetzij, voor de allerlaatste generatie, door een verandering “in een punt des tijds”. De apostel benadrukt met klem dat er een lichamelijke opstanding uit de dood is, want dat is de weg naar de erfenis.
Daarom lezen we in 2 Korinthe 5: wij weten dat, wanneer ons aardse huis, deze tabernakel, deze tent, gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen. In datzelfde gedeelte wordt een direct verband gelegd tussen de verandering van ons lichaam en onze verschijning voor de rechterstoel van Christus, “opdat een ieder wegdrage hetgeen door het lichaam geschied is”. De verandering van ons lichaam, de opname van de gemeente, hangt rechtstreeks samen met de aanstelling tot zoon en met het in ontvangst nemen van de erfenis. In feite is het een en hetzelfde; alleen wanneer je het moet uitleggen, wordt het een uitgebreider verhaal.
Onze erfenis, ons loon, drukt zich namelijk in de eerste plaats uit in het lichaam, in de aard van het lichaam dat wij zullen ontvangen. En dat is precies wat in Efeze 1 vers 14 wordt samengevat: de Geest die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid.
De vierentwintig oudsten
Leg daar Openbaring 4 en 5 naast, dan wordt het duidelijk. Daar wordt de gemeente, u en ik, voorgesteld door vierentwintig oudsten. Dat is louter symboliek, dat zeg ik er tegenwoordig met nadruk bij, anders zouden er maar weinig gelovigen in de hemel komen. De gemeente bestaat niet uit slechts vierentwintig personen, maar wordt door dat getal voorgesteld. Die oudsten hebben allen een kroon en zitten allen op een troon. En zij leggen hun kronen aan de voeten van het Lam dat op de troon is.
Wij kennen de Here Jezus, met eer en heerlijkheid gekroond. Maar ook de vierentwintig oudsten hebben kronen. Waarom ook niet? Efeze 1 vers 3 zegt immers dat wij gezegend zijn met elke geestelijke zegening in Christus, in de hemel. Wij hebben deel aan Christus, wij zijn leden van zijn lichaam, wij zijn een plant met Hem. En wat doen die oudsten? Zij leggen hun kronen, hun eigen heerlijkheid dus, aan de voeten van het Lam, zeggende: “Gij zijt waardig te ontvangen.” Onze heerlijkheid is dus tot zijn heerlijkheid. Wij ontvangen zijn heerlijkheid, wij delen daarin, en vervolgens is onze heerlijkheid weer tot heerlijkheid van Hem.
Dat staat ook in dat vers: de Heilige Geest, die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid. Wie zo’n vers langzaam leest en herleest, en de verbanden zoekt, leest daarin meteen dat onze levens in het algemeen tot heerlijkheid van Christus bedoeld zijn. Hier wordt dus over erfenis gesproken, niet in de zin van eeuwig leven, maar in de zin van heerlijkheid, en wel meer specifiek voor degenen die al lang daarvoor waren wedergeboren en het eeuwige leven al hadden ontvangen.
Twee dingen: ontvangen en leven
Dat zijn dus twee dingen. Het eerste is dat men wordt wedergeboren en leven ontvangt. Het tweede is dat men dat leven ook daadwerkelijk leeft in de praktijk. En beide heten zaligheid. Beide heten trouwens ook genade.
Dat brengt me bij de bekende uitspraak uit Romeinen: “De genadegift Gods is het eeuwige leven.” Vaak leest men daar overheen. Men vat het op als een uitspraak over het ontvangen van eeuwig leven uit genade. Dat ontvangen wij inderdaad uit genade, maar ik geloof niet dat het op die plaats dat zegt. Lees de context maar.
Het loon en de goede werken
Wat daar staat, is dat Gods genade hierin bestaat dat Hij aan gelovigen die al eeuwig leven hebben ontvangen, geeft dat zij dat eeuwige leven ook kunnen en zouden leven. Daar gaat heel het hoofdstuk over. Romeinen 6 begint met de vraag: zullen wij in de zonde blijven? Volstrekt niet. Weet u niet dat wij met Christus gestorven, begraven en opgewekt zijn, dat wij een plant met Hem zijn geworden in de gelijkmaking van zijn dood en van zijn opstanding? Zoals Christus voor de zonde gestorven is, zo zijn wij met Hem voor de zonde gestorven, opdat wij de zonde niet meer zouden dienen. Want wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde.
Zullen wij dan in de zonde blijven? Nee, want gelijk Christus is opgewekt opdat Hij Gode leven zou, zo zijn ook wij met Hem opgewekt, opdat wij niet der zonde, maar Gode zouden leven; opdat wij niet de zonde, maar God zouden dienen. Daarom zouden wij onze lichaamsdelen stellen tot wapenen der gerechtigheid. Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus. Het gaat dus om ons praktische leven van alledag; dat geeft God ons in genade.
Het is als met een pasgeboren kind. De eerste vraag is doorgaans: is het een jongetje of een meisje, en zit alles erop en eraan, is het gezond? Maar de eigenlijke vraag is: leeft het ook? Niet alleen of het ademt, maar of er ook werkelijk geleefd wordt. Zo is het ook met een kind van God. Ik ben al blij wanneer mensen wedergeboren zijn, want zoveel zijn dat er tegenwoordig niet meer. Maar wat daarna telt, is of dat leven ook geleefd wordt. Beide ontvangt men uit de genade van God.
Vandaar dat Paulus aan Timotheus schrijft: “Grijp naar het eeuwige leven”, alsof de man dat nog niet allang bezat. Het zijn twee dingen die in elkaars verlengde liggen: hij zou dat leven ook daadwerkelijk leven, met alle consequenties van dien. Want als wedergeboren mens heeft men van Godswege een bediening ontvangen, in het Engels treffend “ministry” genoemd, een woord dat begint met “mini”. Het is immers dienstbaarheid. Men is geen meerdere, maar een mindere. En die bediening, die gave die men ontvangen heeft, zou men besteden (Romeinen 12 in de Statenvertaling).
Het zijn dingen die in elkaars verlengde liggen, en alles heet zaligheid, alles heet genade. Maar het blijven twee dingen: men ontvangt het, en daarna gebruikt men het ook. Voor dat praktische leven als kind van God, tot heerlijkheid Gods en in dienst van Hem, ontvangt men loon. Het heet ook kroon en vergelding, en een van de andere termen is inderdaad erfenis. Want het loon bestaat volgens de Bijbel uit een erfenis: uit dat wat is overgeschoten en vrijgekomen, en dat wij in de toekomst ontvangen.
Waar onze erfenis vandaan komt
En als u vraagt waar onze erfenis vandaan komt, en waardoor zij is vrijgekomen, dan is het antwoord eenvoudig. Bij de opname van de gemeente gaan wij omhoog, terwijl een ander zijn positie moet ontruimen. De god dezer eeuw, de overste van deze wereld, moet plaatsmaken voor iemand anders, samen met zijn personeel. In de Bijbel heet dat in Openbaring 12 “Michaël en zijn engelen”. Bij ons heet dat kortweg Christus en de gemeente.
Wij weten immers wie de positie van die overste zullen innemen. Wij zouden de engelen oordelen, wij zouden de wereld oordelen. Kortom: wij erven met Christus zijn eerstgeboorterecht, zijn koningschap en zijn priesterschap, als gemeente, collectief. Wij nemen de positie in die tot op heden wordt ingenomen door de satan en zijn personeel. Het gaat hier niet om ons eigenlijke onderwerp, maar wel om het beginsel: wij zijn kinderen Gods en hebben het eeuwige leven ontvangen, en dat erven wij, want zo heet dat in de Bijbel. En omdat wij kinderen Gods zijn en die erfenis al bezitten, erven wij nog iets specifiekers.
Een onderscheid binnen de gemeente
Dat geldt voor de gemeente collectief, en daaraan valt niet te tornen. De gemeente als geheel is erfgenaam met Christus. Maar dat neemt niet weg dat er binnen de gemeente, zoals binnen elk volk en zeker ook binnen Israel, onderscheid bestaat. De vraag is namelijk of u en ik, als leden van die gemeente, ook daadwerkelijk individueel zullen ontvangen wat de Heer voor ons heeft weggelegd. En dat is wel degelijk afhankelijk van werken.
Begrijp mij goed: niet van werken uit het vlees. Ik heb eens iemand gekend die zei: “Jullie zijn altijd bezig met bijbelstudie, maar wij doen tenminste iets.” Hij bedoelde het niet kwaad, en ik heb respect voor mensen die iets doen. Maar denkt u nu werkelijk dat men beloond wordt om het enkele feit dat men iets doet? Men ontvangt geen loon enkel omdat men actief is, maar omdat men de goede strijd heeft gestreden en de loopbaan heeft gelopen, niet de loopbaan die men zichzelf heeft gekozen, maar die welke van Godswege is voorgesteld.
Het gaat er niet om of men werkt, maar of men wandelt in de goede werken die God heeft voorbereid (Efeze 2 vers 10). Toen sommigen dat hoorden, werden zij bezorgd: “Wij dachten dat we uit genade zalig waren geworden, en nu moet er ineens weer gewerkt worden?” Maar het is juist genade dat wij mogen wandelen in die goede werken die God heeft voorbereid. Het is genade dat God ons daartoe bekwaam heeft gemaakt, dat Hij ons daartoe het eeuwige leven heeft geschonken, en niet in de laatste plaats dat Hij ons daartoe zijn woord heeft gegeven. Want heel de Schrift is gegeven tot onderwijzing, opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust (2 Timotheus 3 vers 16).
Een leven met inhoud
Ik geef daarbij een persoonlijk getuigenis: ik zou geen raad weten als het niet zo was. Waar moest je je leven anders mee vullen? Welke inhoud heeft het leven als zodanig anders? Als je jong bent, heb je daar allerlei ideeen over, maar later blijkt dat veel daarvan ijdelheid was, “ijdelheid der ijdelheden”. Het is de Heer die ons bekwaam maakt om te wandelen in de goede werken die God heeft voorbereid, zodat onze arbeid niet ijdel is in de Heer. Het is wel degelijk werk en arbeid, alleen niet voortkomend uit vleselijke gedachten, maar uit de werking van het woord van God in ons, het woord van Christus, en, via Efeze 1 vers 14, uit de Geest die het onderpand is van onze erfenis.
De Geest als onderpand en als garantie
Er wacht voor u en mij dus een erfenis, een loon, een kroon. Maar hoe weten wij of daar iets van terechtkomt, als het afhankelijk is van werken? Het antwoord is dat wij daar alle vertrouwen in mogen hebben, omdat God ons zijn Heilige Geest heeft gegeven, van wie hier staat dat Hij het onderpand is van onze erfenis. Wanneer die Geest zijn werk in ons doet, komen wij terecht waar wij terecht moeten komen: bij de erfenis.
Hetzelfde staat met andere woorden in Romeinen 8: “Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn zonen Gods.” Dat is precies hetzelfde, want de Geest heet daar de Geest der zoonstelling (in de Statenvertaling “de Geest der aanneming tot kinderen”). De Geest is het die ons naar onze zoonstelling brengt, naar die erfenis.
Zoonstelling: aangesteld tot erfgenaam
Want dat is wat zoonstelling is: definitief aangesteld worden tot erfgenaam, en meer nog, daadwerkelijk die erfenis in ontvangst nemen. Jakob was altijd al de erfgenaam van Izak, maar zijn zoonstelling vond plaats toen Izak hem officieel zegende. Dat bleek wel toen Ezau later alsnog een claim legde op de erfenis: dat kon niet meer, want Jakob had die al ontvangen.
Met ons is het net zo. Strikt genomen moet je eerst spreken over de Here Jezus Christus zelf. Hij werd tot Zoon van God gesteld toen tot Hem gezegd werd: “Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” En dat was toen Hij van Godswege uit de dood werd opgewekt, zo zeggen Paulus en Petrus. Theologisch heeft men dit ingewikkeld gemaakt, maar in de Bijbel is het eenvoudig: de Here Jezus werd tot Zoon van God gesteld in zijn opstanding.
Onze zoonstelling zal plaatsvinden bij wat wij de opname van de gemeente noemen. Dat is hetzelfde als onze verschijning voor de rechterstoel van Christus, en hetzelfde als de verlossing van ons lichaam. Het zijn misschien verschillende gebeurtenissen, maar zij vormen in elk geval een geheel, en in “een punt des tijds” zijn ze in feite een.
Verzegeld en bevestigd in Christus
De Geest leidt ons daarheen. Dat staat met vrijwel dezelfde uitdrukking in 2 Korinthe 1 vers 22: “Die ons ook heeft verzegeld en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.” Dat woordje “en” mag men lezen als “namelijk”: Hij heeft ons verzegeld, namelijk het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. Het verzegelen is immers hetzelfde als het geven van een onderpand; beide zijn een zekerstelling, een garantie. Daarom staat het hier eigenlijk dubbel: Hij heeft ons verzegeld, namelijk de Heilige Geest als onderpand in ons hart gegeven. Tot wat? Tot de erfenis, zei Efeze 1. En in 2 Korinthe 1 heet het gewoon “heerlijkheid” (zie het voorgaande vers).
Twee categorieën beloften
Want zovele beloften Gods als er zijn, zijn in Hem “ja” en “amen”. Dat zijn niet alleen de beloften van eeuwig leven voor ieder die in Hem gelooft, maar ook de beloften van een erfenis voor wie Hem dient. In het algemeen kennen wij twee categorieën beloften in de Bijbel. De eerste is die van de oudtestamentische beloften; die zijn aan ons vervuld sinds de opstanding van Christus. De tweede is die van de “betere beloftenissen” van het nieuwe verbond, waarover Hebreeen spreekt: de beloften gedaan aan kinderen Gods, namelijk dat zij tot zonen zouden worden gesteld.
Beide categorieën zijn “ja” en “amen” in Christus. Hij is degene die ze realiseert: eerst in zijn opstanding, waardoor de oudtestamentische beloften worden vervuld, en vervolgens door de nieuwtestamentische beloften van de zoonstelling met betrekking tot de gemeente aan ons en in ons te vervullen. Daarom woont Hij in ons en doet Hij zijn werk in ons. In dat verband wordt Hij ook de Geest genoemd die in ons is, die in ons werkt en ons naar onze zoonstelling brengt.
Christus in ons
Of men nu zegt dat Jezus in ons hart woont, dat de Heilige Geest in ons woont, dat Christus in ons is, dat het eeuwige leven in ons is, of dat wij der goddelijke natuur deelachtig zijn geworden: het is telkens volstrekt hetzelfde. Theologen, als wetenschappers, willen daar altijd aan peuteren en vragen wat nu het verschil is tussen die uitdrukkingen. Zo ontstaan ingewikkelde leerstellingen, die vervolgens weer bestreden worden, totdat niemand er meer iets van begrijpt. Ik ga liever de weg terug en zeg: het is gewoon hetzelfde. De Heer woont in ons, zijn Geest woont in ons, zijn woord woont in ons, zijn leven woont in ons. Kortom: Christus is in ons, en Hij leidt ons.
Hij is immers de Herder die ons leidt, onze Voorganger, onze Hogepriester. Hij gaat ons voor op het levensspoor. En, zoals ik altijd zeg: Hij leidt ons niet alleen erdoor, dat doet Hij ook, maar dat is niet het doel. Hij leidt ons ergens naartoe. Dwars door het leven en dwars door de dood voert Hij ons naar het hemels paradijs, en meer specifiek naar de erfenis. Want dat is wat de Bijbel daarover leert. Een kroon, zeer schoon, wacht ons aan gindse kust.
De rechterstoel en de persoonlijke verantwoordelijkheid
Zo zijn wij bevestigd in Christus (2 Korinthe 1 vers 21), en heeft God de Geest in onze harten gegeven (vers 22). Maar dan komt de volgende vraag. Liepen de Korinthiers werkelijk de loopbaan die hun was voorgesteld? Zouden zij die erfenis in de toekomst in ontvangst nemen? Ik bedoel dat niet collectief, maar individueel. Eerlijk gezegd was de kans gering, want zij leefden naar het vlees. Geestelijke gaven hadden ze genoeg, het zou een prachtige gemeente geweest kunnen zijn, en ze was waarschijnlijk groot, zo groot zelfs dat er partijschappen en scheuringen waren. Maar of zij naar de Geest leefden? Nee.
Juist dat is de reden waarom Paulus deze dingen schrijft, en waarom hij via 2 Korinthe 1 uiteindelijk uitkomt bij 2 Korinthe 5: “Wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage hetgeen door het lichaam geschied is.” Hetzelfde staat in Romeinen 14, met dezelfde termen: de rechterstoel van Christus, en ieder voor zich.
Het is namelijk het ene om vast te stellen dat de gemeente collectief erfgenaam is met Christus, die immers als eerste en als ons Hoofd tot de gemeente behoort. Dat staat vast, en wij delen in zijn erfenis. Maar de vraag is welke positie u en ik daarin zullen innemen, en dat is afhankelijk van bewezen diensten. Het klinkt misschien overdreven, maar zo is het wel: als loon zouden wij een erfenis ontvangen.
Een gebouw uit God
Lees daarbij 2 Korinthe 5 vers 5: “Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft.” Dat is min of meer dezelfde uitdrukking als in hoofdstuk 1 vers 22. Waartoe heeft God ons dan bereid? Tot de verkregen verlossing, zei Efeze 1 vers 14; en hier: tot dat gebouw dat wij uit God zouden hebben.
Eigenlijk zou ik moeten lezen vanaf 4 vers 16: “Daarom vertragen wij niet”, dat wil zeggen: wij gaan onverdroten door. En waarom niet? “Want wij weten”, zegt 5 vers 1, “dat, zo ons aardse huis, deze tabernakel, gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen.” Wie niets weet, heeft alle reden om te vertragen, om de dingen los te laten en naar het vlees te leven, zoals de Korinthiers deden. Maar Paulus weet, en daarom vertraagt hij niet.
“Want ook in deze tabernakel zuchten wij.” Dat zuchten is het kreunen dat we ook uit Romeinen 8 kennen, het kreunen van een barende vrouw vanwege het nieuwe leven dat wordt voortgebracht. Wij zuchten, verlangende om met onze woonstede die uit de hemel is, overkleed te worden. Men heeft daarvan gemaakt dat het over ons sterven gaat, maar dat is niet zo: het gaat over de opname van de gemeente, zoals uit het vervolg blijkt. Wij zuchten, bezwaard, omdat wij niet bekleed, maar overkleed willen worden.
Komt allen tot Mij: de last van de religie
Wij zijn hier bezwaard, belast; wij dragen een juk. “Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” is een van de bekendste woorden uit de Bijbel: “Neemt mijn juk op u, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.” Toch begrijpt men die woorden meestal niet. Waarmee is men vermoeid, waardoor belast? Iemand zei eens: dat is de last van de zonde. Maar dat is een misverstand. Het is niet de last van de zonde en ook niet de last van de schuld, want sommige mensen hebben daar helemaal geen last van. Het is de last van de religie, de last van de wet, die zegt: “Je moet zus, en je moet zo.” Het is de last van het oude verbond.
Wie dat zegt tegen Joden, zeker tegen religieuze Joden, raakt iets wezenlijks. De grote strijd van de Here Jezus bestond in de praktijk uit een strijd tegen dat jodendom, orthodox dan wel vrijzinnig, tegen de religie waarmee Hij niets ophad. Hij stond daar volledig buiten. Hij was betrokken bij zondaren, en in het bijzonder bij de gelovigen onder hen, maar met religieuze mensen had Hij niets op. Integendeel, met hen lag Hij voortdurend overhoop, en zij zijn het ook geweest die Hem hebben gekruisigd. Hij riep hen op om dat alles achter zich te laten.
Christen worden en Handelingen 15
Zo gebeurde het ook. Toen vanaf de Pinksterdag het evangelie officieel en vrijuit gepredikt werd, hield dat in de eerste plaats in dat men uit het jodendom stapte om tot geloof te komen in de Here Jezus Christus. En zo werd men christen, en aan Christus toegevoegd, zo staat het er en zo wordt het leerstellig later uiteengezet.
De enige officiele raadsvergadering die wij in de Bijbel kennen, was die van Handelingen 15. Daar werd een besluit genomen: dat gelovigen, of zij nu Jood of heiden waren, niet onder de wet zouden leven. En dat was het. Meer was er ook niet te bespreken. De rest valt onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van de individuele gelovige, die in rechtstreekse verbinding staat met het Hoofd. Want hij kent, ook dit is evangelie, de Here Jezus als zijn persoonlijke Verlosser en Zaligmaker.
Als die persoonlijke relatie met de Heer er niet is, kan geen kerk, concilie, convent of synode daar iets aan veranderen. Maar men tracht vaak een relatie met het bestuur van de kerk hier op aarde tot stand te brengen, juist omdat die andere, persoonlijke relatie met de Heer, en de dienst aan Hem, ontbreekt. Soms gaat dat zelfs zover dat men onderwerping aan het kerkgenootschap afdwingt, en dat gaat dan ten koste van de onderwerping aan de Heer.
Heerlijkheid naar de mate van onze dienst
Maar waartoe heeft God ons dan bereid? Tot dat nieuwe lichaam, en niet alleen daartoe. Want er staat: “Wij zuchten in deze; wij verlangen met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, zo wij ten minste bekleed en niet naakt gevonden worden.” De gedachte is dat de heerlijkheid van het lichaam dat wij zullen ontvangen, recht evenredig is met onze dienst aan Hem in dit leven, met de mate waarin wij geleefd hebben tot heerlijkheid van Christus. Het staat er gewoon achter: “Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage hetgeen door het lichaam geschied is.”
De gedachte is niet dat wij bepaalde dingen voor de Heer zouden doen en andere dingen voor de Heer zouden nalaten, want dat is wet. Wat wij leren, is dat wij als kinderen Gods alle dingen die wij doen, voor de Heer zouden doen. “Al wat wij doen, doen wij van harte, Gode” en niet de mensen, “wetende dat wij van God daarvoor loon zullen ontvangen”, wat het ook is in ons leven.
Vierentwintig uur dienst
Het is namelijk niet zo dat wij natuurlijke mensen, zondaren, gebleven zijn en daarbovenop een speciale bediening hebben ontvangen. Het ligt anders. Wij waren zondaren, natuurlijke mensen; dat zijn wij niet meer. Wij zijn wedergeboren, en toen wij wedergeboren werden, bleken wij dienstknechten Gods te zijn, priesters. Wij hebben dat niet, wij zijn dat. En dat is vierentwintig uur per dag.
Het doet mij denken aan de militaire dienst van veertig jaar geleden: vierentwintig uur dienst, met “recht op ontbering”, en vanaf dat moment onder de krijgstucht. Zo is het ook met kinderen Gods: vierentwintig uur dienst, inderdaad met recht op ontbering, maar evenzeer met recht op dat loon, op die erfenis die voor ons bewaard wordt, en op de beloften die God aan ons heeft gedaan. Namelijk dat wij in zijn kracht en onder zijn toezicht onze loopbaan zouden lopen, en dat wij daarmee niet alleen eerst het eeuwige leven hebben beërfd, maar daarna ook dat loon, die kroon, die erfenis in de toekomst zullen ontvangen.
Deze Bijbelse uiteenzetting over “Erven of Derven” door Ab Klein Haneveld, is uitgewerkt in drie delen. Om verder te lezen selecteert u deel 2 van dit onderwerp.
Bijbelstudie lezing Ab Klein Haneveld – mp3 audio
https://www.bijbelspanorama.nl/audio/ https://www.bijbelstudie.nl/



