ERVEN OF DERVEN (2) ![]()
Onderweg naar de erfenis die voor ons bewaard wordt.
Efeze 1 vers 3 zegt: “Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.” Daarnaast kan men meteen 1 Petrus 1 vers 3 leggen:
“Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden; tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.”
Ik leg die verzen naast elkaar omdat ze rechtstreeks met elkaar verband houden. De gedachte is namelijk dat de geestelijke zegening in Christus en in de hemel waaraan wij deel hebben, precies hetzelfde is als wat feitelijk in 1 Petrus 1 vers 3 staat. Want die uitspraak was in de eerste plaats op de Heere Jezus zelf van toepassing. Hij werd immers hier op aarde geboren, en het is nog niet zo lang na kerst, dus dat mag nog even. Hij werd wel degelijk wedergeboren tot een levende hoop, namelijk tot een onvergankelijke, onverderfelijke en onbevlekkelijke erfenis die voor Hem in de hemel bewaard werd. En wat op Hem van toepassing was, is op ons van toepassing. Er zijn natuurlijk ook verschillen, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om het beginsel.
Het mooiste van die uitspraak in 1 Petrus 1 vers 3 is dat de twee dingen die wij in het eerste deel probeerden te onderscheiden, hier wel degelijk weer in één keer genoemd worden. God heeft naar Zijn grote barmhartigheid, en dus uit Zijn genade en op grond van geloof, ons wedergeboren tot een levende hoop. Onze geboorte was één ding, ons leven daarna iets anders, maar het is wel degelijk één geheel. Het eerste is het begin van wat daarop volgt.
Een levende hoop
Zoals het met onze wedergeboorte gaat, zo is het ook hier: die is geen doel in zichzelf, maar juist het begin van de route. Het is de meet, de startstreep van de loopbaan die wij als kinderen Gods zouden lopen. En die twee dingen zijn één geheel. “Hij heeft ons wedergeboren tot”, en dan volgt het doel, “tot een levende hoop.”
Als u niet weet wat die levende hoop is, gaat u van het woordje tot uit vers 3 met één stap door naar het tot in vers 4. Want er staat het twee keer. Tot een levende hoop, en dan: tot een onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis die in de hemel bewaard is voor u. Dat is niet alleen onze hoop, het is onze levende hoop. Zij bepaalt namelijk ons leven. Dit is de toekomstverwachting die wij hebben: dat wij onderweg zijn naar die erfenis die voor ons bewaard wordt in de hemel.
Het is één ding dat de wedergeboorte, het eeuwige leven zelf, een erfenis genoemd wordt, want wij hebben het eeuwige leven geërfd. Het is een ander ding dat ons als kinderen van God ook deze toekomstige erfenis wacht, bestaande uit heerlijkheid, een erfenis die in de hemel voor ons bewaard wordt. En die bepaalt ons leven. Daarom is dit hoogst essentieel. Voor de natuurlijke mens is alles ijdelheid. Voor ons ligt dat anders, want wij hebben een levende hoop. Dat wil zeggen: het ligt nog steeds niet in het heden, maar het gaat erom waarheen wij onderweg zijn. Onderweg zijn is mooi, maar als je niet weet waarheen, dient het tot niets. Dan brengt het alleen maar een steeds grotere onzekerheid met zich mee. En bij sommige kinderen Gods zie je dat ook: ze worden steeds onzekerder naarmate ze dichter bij die erfenis komen, juist omdat ze er geen idee van hebben waar het over gaat.
Startstreep, geen eindstreep
Op dit punt wordt het evangelische christendom bedreigd door een gevaar. Ik zeg dat niet als kritiek, maar als waarschuwing, opdat het ons niet overkomt. Het evangelische christendom is geneigd te zeggen: als je maar één keer tot geloof bent gekomen en wedergeboren bent, dan heb je het einddoel bereikt. Maar dat is niet waar. Het is niet de eindstreep, het is de startstreep. Dán begint het pas. Vandaar dat al die nieuwtestamentische brieven eigenlijk over niets anders spreken, en vandaar dat wij het er ook zo dikwijls over hebben. Het gaat erom dat wij onderweg zijn naar die erfenis.
Onvoorwaardelijk en toch voorwaardelijk
Maar die erfenis is niet onvoorwaardelijk. Veel mensen zeggen: het is genade, zaligheid is onvoorwaardelijk. Dat is niet helemaal correct. Het eeuwige leven als zodanig is onvoorwaardelijk; men ontvangt het zodra men het aanneemt. Het wordt ons aangereikt, want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. Maar als je het niet aanneemt, heb je er niets aan. Zo simpel is dat. In die zin is de zaligheid onvoorwaardelijk.
De zaligheid in verband met die erfenis echter, het loon, de kroon die voor ons bewaard wordt, is niet onvoorwaardelijk. Zij is het resultaat van het werk dat de Heere in ons zou doen. En Hij doet dat uit de rijkdom van Zijn genade, dat blijft zo. Maar het punt is dat wij ons daaraan overgeven. Zoals de apostel Paulus aan de Galaten schrijft: als je met de Geest begonnen bent, moet je ook met de Geest voleindigen. Net zoals de wedergeboorte niet het werk van het vlees was, zo kun je ook met het werk van het vlees, van de oude mens, die erfenis niet bewerkstelligen of veiligstellen. Zo werkt het niet.
Waar het om gaat, is dat wij ons overgeven aan het woord van God, aan de werking van dat woord en daarmee aan de werking van de Geest van God, want in de praktijk is dat volstrekt hetzelfde. Die Geest brengt ons waar wij wezen moeten. Hij zet ons aan de startstreep en brengt ons ook naar de eindstreep. Vandaar dat de Geest het onderpand is van onze toekomende erfenis, en vandaar dat wij een levende hoop hebben. Die hoop vult heel ons leven. Zij verzacht niet alleen al ons leed, zoals een van de liederen zegt, maar zij is bepalend voor al ons doen en laten. Want wij zouden ervoor beloond worden.
Loon, vergelding en erfenis
Loon is lange tijd een vies woord geweest, ook in evangelische kringen. Het was immers allemaal uit genade. En in de samenleving was loon evenzeer een beladen woord: daar moest je voor werken, of je had er recht op, of je het er nu wat voor deed of niet. Maar langzamerhand keert de wal het schip.
Laat ik eerst een paar uitdrukkingen laten zien. Eerst Kolossenzen 3 vers 24. In vers 23 staat: “En al wat gij doet, doet dat van harte.” Let op: doe dat niet omdat het moet, maar van harte, vanuit het hart, vanuit de inwendige mens, want dat is wat het hart is. “Al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere, en niet voor de mensen, wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis.”
Vergelding is betaling. In dit geval positief: de vergelding, en daarna de erfenis. Dat is tweemaal hetzelfde. Daarom haal ik dit vers aan, om te laten zien dat vergelding loon is, en dat dit loon bestaat uit wat een erfenis genoemd wordt. Het is heel goed denkbaar dat men beloond zal worden door een erfenis: als je goed je best doet, zul je die erfenis ontvangen, en zo niet, dan niet. Sommigen vinden dat vreemd, maar er is een variant op. Bij gebleken bekwaamheid ontvang je de erfenis en daarmee de naam en de titel, en word je erfgenaam; bij gebleken onbekwaamheid geen erfenis. Dat kunt u navragen bij diverse leden van het koningshuis: houden zij zich niet aan de regels, dan komen ze niet meer in aanmerking voor de troon. Even goede vrienden, maar geen erfenis.
Christus, de eerstgeborene
In de Bijbel komt het in die vorm ook voor, en in elk geval in verband met de Heere Jezus zelf. Dat is sinds Nicea een onderwerp dat helemaal in de vernieling is geraakt. Het punt is dat de Heere Jezus Zijn bekwaamheid, Zijn trouw, Zijn onderdanigheid en Zijn gehoorzaamheid bewezen heeft. Hij was ook in opleiding; volgens Hebreeën 5 heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft, in de dagen van Zijn vlees. Als gevolg daarvan heeft God Hem tot Zoon, dat wil zeggen tot erfgenaam, aangesteld.
God heeft de Heere Jezus Christus uit de dood opgewekt, en met grote opzet als Eerste uit de doden, opdat Hij in alles en in allen de Eerste zou zijn, en dus de Eerstgeborene en de Zoon. In tweede instantie wordt hetzelfde beginsel op de gemeente toegepast, met dezelfde gevolgen. De gemeente zal als eerste worden opgewekt en daarom is zij een gemeente van eerstelingen. Zij wacht niet op de jongste dag, maar zal eerder veranderd of opgewekt worden en aangesteld worden tot zonen. Dat is de vervulling van Psalm 2, waar de woorden “Gij zijt Mijn Zoon” primair tot de Heere Jezus gericht werden, terwijl Openbaring laat zien dat diezelfde woorden van toepassing zijn op de gemeente. En anders lezen wij het wel in Efeze, Galaten en Romeinen: tevoren verordineerd tot de zoonstelling. Daarin zijn wij onderweg.
Koningen en priesters
Die zoonstelling staat voor de gemeente als geheel vast, voor het volk dat voor Zijn naam uit de heidenen verzameld wordt als volk van eerstelingen. Maar daarna wordt hetzelfde beginsel op de afzonderlijke leden van dat volk toegepast, en dan is het de vraag hoe ver dat uitpakt. Je kunt lid zijn van de koninklijke familie zonder daarmee ook lid te zijn van het koninklijk huis; daarvoor moet je doorgeleerd hebben. En of je dan ook nog de troon erft, of je werkelijk de eerstgeborene bent, dat is nog maar zeer de vraag.
Zo is het in Israël altijd geïllustreerd. Israël is een volk van koningen en priesters, maar binnen Israël werd het priesterschap alleen aan de stam van Levi gegeven en het koningschap aan de stam van Juda. Uit de stam van Juda was er maar één koning, en niet alle Levieten waren priesters; dat was alleen het huis van Aäron. Het versmalt zich dus. Zo is het ook met de gemeente. De gemeente is een volk van eerstelingen, een volk van zonen, of de mannelijke zoon uit Openbaring 12. Tot de gemeente zal gezegd worden: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd”, in navolging van wat gezegd is tot de Heere Jezus Christus, die immers het Hoofd van de gemeente is. Maar of het ook tot u of tot mij gezegd zal worden, dat is nog de vraag.
De negatieve route
Ik hoop dat dit u enige schrik aanjaagt, niet om u onrustig te maken, maar omdat wij in de Bijbel zulke schrikaanjagende schriftgedeelten vinden die het precies zo zeggen. Daarom staan wij vandaag eens stil bij de negatieve kant van het verhaal. Dat valt mij zwaar, want ook ik doe dat liever niet. Maar soms moet ik nu eenmaal Hebreeën 6 of Hebreeën 10 bespreken, of 2 Petrus 2, of het laatste gedeelte van Hebreeën 12. Daar schrik je van. Toch moet je daar niet van schrikken, want dat is de realiteit die ons ook negatief wordt voorgesteld.
Terug naar de uitdrukking uit Kolossenzen 3 vers 24: “wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis.” Uit dit vers blijkt dat die erfenis niet uit eeuwig leven bestaat. Eeuwig leven krijg je immers niet omdat je je leven lang alles voor de Heere gedaan hebt; dat kun je niet verdienen. Het gaat hier dus over iets veel smallers. Het wordt ook uitsluitend gezegd tot hen die al wedergeboren zijn, die al kinderen Gods zijn en in wie Christus woont. Tot hen wordt gezegd: al wat gij doet, doe dat van harte als den Heere en niet voor de mensen, in de wetenschap dat gij van den Heere het loon, de vergelding, namelijk de erfenis, zult ontvangen.
Het gaat dus niet om wat ons gegeven is als zodanig, maar om wie wij in wezen zijn: koningen en priesters, een priesterlijk volk. En priester is men niet op grond van aanstelling, maar op grond van geboorte. Zo was het in het Oude Testament, en zo is het onder het nieuwe verbond precies hetzelfde.
Naast deze uitdrukking leg ik Hebreeën 10 vers 35: “Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.” De één zegt vergelding der erfenis, de ander vergelding des loons. Tel ze bij elkaar op, en je weet dat het loon uit de erfenis bestaat: de erfenis is loon, is vergelding, is dus betaling voor de dienst aan Hem. Dezelfde uitdrukking lees je in Hebreeën 11 vers 26, over Mozes, die de versmaadheid van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten in Egypte, want hij zag op de vergelding des loons. De keuze die Mozes maakte, kwam niet voort uit de omstandigheden of uit menselijke wijsheid, maar uit zijn visie op de toekomst: de vergelding des loons in de opstanding. Daarop vertrouwde hij, en zo is het ook. Dat is een belangrijk thema, met name in Hebreeën.
De erfenis is niet uit de wet
We kiezen voor de negatieve route, dus ik noem niet voor wie die erfenis bestemd is, maar voor wie hij niet is. In Romeinen 4 vers 14 staat: “Want indien degenen die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.” De conclusie is dus: degenen die uit de wet zijn, zijn geen erfgenamen. Het geloof zou anders leeg, inhoudsloos en zinloos zijn en tot niets leiden. Daarmee is gezegd dat het eeuwige leven en al wat daarbij hoort, het resultaat is van geloof en niet van de werken der wet. De werken der wet leiden niet tot dit loon, tot enig resultaat, tot deze erfenis.
Onder erfenis wordt hier het hele pakket verstaan, inclusief dat men wedergeboren wordt. Hoe wordt men zalig? Niet door de werken der wet. Je kunt onder de wet leven als je wilt, maar het leidt tot niets, nog afgezien daarvan dat het geloof daarmee ijdel geworden is en in de praktijk niets meer betekent. Dat kunt u, als u wilt, ook buiten de Bijbel om vaststellen. Bij mensen die onder de wet leven, welke wet dat ook is, betekent geloof niets. Meestal geloven ze ook niets.
Geloof tegenover wet
En ik heb het niet alleen over de orthodoxie. Ik denk ook aan figuren als Nico, Karel en Jacobine: niet zo orthodox en niet zo streng, maar zij hebben evengoed hun normen en waarden, hun beginselen, die christelijk heten en waarvoor ze gekozen hebben. Maar zij geloven niets van wat God gezegd heeft, terwijl ze zich wel christelijk noemen. Of ze nog geloven dat God bestaat, durf ik te betwijfelen; dat Híj iets te zeggen heeft, geloven ze niet, terwijl ze wel geloven dat zíj wat te zeggen hebben. Dat is de bekende leugen uit Romeinen 1.
Het punt is dat men, waar de wet heerst, niet gelooft. Want geloof is vertrouwen op het woord van God. Niet het geloof dát God bestaat, maar geloof in wat Hij gezegd heeft. Volgens Van Dale is geloof het vertrouwen in wat iemand anders meedeelt; kijkt u het maar na. Maar waar men onder de wet leeft, betekent dat niets, want dan heeft men alleen beginselen, wetjes en regels waaraan men zich meent te moeten houden, en of men daarbij nog vertrouwt op wat God gesproken heeft, speelt geen rol.
De belofte aan Abraham
Vanuit Romeinen 4 gaan wij meteen door naar Galaten 3. Galaten 3 en 4 spreken over deze dingen, en in dezelfde termen. In Galaten 3 vers 18 staat: “Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.” De zaligheid waaraan wij deel hebben, is in de praktijk niets anders dan de vervulling van de beloften die God aan Abraham gedaan heeft. Daarom wordt Abraham hier even eerder, in de verzen 7 en 8, de vader van alle gelovigen genoemd, en daarom ontvangen wij als gelovigen dezelfde zegeningen als Abraham. Wij ontvangen het alleen eerder, want Abraham moet het nog ontvangen.
Abrahams geloof werd gerekend tot gerechtigheid. God rekende hem rechtvaardig en beloofde hem op die grond het eeuwige leven, onder het motto: ziet hoe grote liefde de Vader ons gegeven heeft, dat wij kinderen Gods genoemd zouden worden, en: zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, zo zegt Johannes 1. Sommigen, vooral wie alleen de verbondstheologie kennen, denken dat het voor hen nog steeds geldt dat zij ooit kind van God zullen worden en ooit wedergeboren zullen worden. Maar zij hebben de opstanding van Christus gemist; ze vieren wel kerstfeest, maar daar blijft het bij. Johannes gaat juist verder: geliefden, nu zijn wij kinderen Gods. Wij hebben niet alleen de belofte aan Abraham, maar ook de vervulling daarvan, want God heeft die belofte vervuld toen Hij Jezus uit de dood verwekte, zoals Handelingen 13 zegt: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.”
Abraham zou een zoon hebben, en die Zoon die God bedoelde, was niet Izaäk maar Christus; dat staat ook in Galaten 3 vers 16. Hij werd als zodanig aangesteld bij de opstanding uit de dood, en daar werden die beloften vervuld. Ieder die gelooft zoals Abraham, krijgt deel aan de vervulling van die beloften, uit genade en door geloof. Daarmee zijn wij erfgenamen van de belofte aan Abraham en hebben wij het eeuwige leven geërfd.
Het geloof van Jezus Christus
De strekking van de hele Galatenbrief is dat de wet nergens toe leidt. De brief is geschreven aan christenen die zich onder de mozaïsche, ofwel joodse, wet stelden. Je wordt er niet zalig door: je wordt er niet door wedergeboren, en je krijgt er ook je uiteindelijke erfenis en heerlijkheid niet door. Je bent er juist van verlost. De wet demonstreert juist dat zij niets oplevert, omdat zij uit het vlees voortkomt en aan het vlees gegeven werd. En wij zijn niet in het vlees, maar in de Geest, zo anders de Geest Gods in ons woont, zegt Romeinen 8.
Daarom staat er in Galaten 3 vers 18 dat de erfenis niet uit de wet is. Waartoe dient de wet dan? De wet is erbij gesteld opdat de overtredingen zouden toenemen, totdat het zaad zou gekomen zijn aan wie het beloofd was, namelijk die erfenis. Vers 22 zegt: “Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.” Wie erven dus? Gelovigen. En niet alleen in absolute zin, maar ook in relatieve zin: naarmate men leeft uit geloof, naarmate ons vertrouwen op het woord van God bepalend is voor ons doen en laten, naar die mate erven wij.
In vers 23 staat: “Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet besloten en toegesloten.” Welk geloof? Abraham geloofde God; er waren altijd al gelovigen. Het gaat hier om het geloof van Jezus Christus, Zijn geloof, Zijn gehoorzaamheid, Zijn trouw, die de wezenlijke oorzaak is van onze zaligheid. Hebreeën 5 zegt het ook: Hij heeft gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft, en is daardoor een oorzaak geworden van eeuwige zaligheid voor allen die Hem gehoorzaam zijn. “Eer het geloof kwam” is dus hetzelfde als “eer Christus kwam”, eer Hij Zijn geloof beleefd en gedemonstreerd had, en dus eer Hij uit de dood opstond. Nadat Hij gehoorzaam was geweest tot de dood, ja de dood des kruises, heeft God Hem uitermate verhoogd, zoals Filippenzen 2 zegt.
De omgekeerde wereld
“Doch eer het geloof kwam, waren wij Joden onder de wet in bewaring gesteld, besloten geweest tot op het geloof dat geopenbaard zou worden.” Wat werd er geopenbaard? Het leven en de godzaligheid werden aan het licht gebracht; Christus werd opgewekt uit de dood; de rechtvaardigheid Gods werd geopenbaard in Christus, die tot verzoening gesteld werd, zoals Romeinen 3 zegt. “Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.”
Wat Paulus hier naar voren brengt, is dit: jullie Galaten leven niet onder de wet. De tien stammen, als jullie dat waren, hebben ook nooit onder de wet geleefd; daarom zijn zij destijds in de verstrooiing gezonden. Jullie kwamen tot geloof in Christus en plaatsten je vervolgens onder de wet. Paulus zegt als het ware: zal ik je wat vertellen? Wíj leefden altijd onder de wet, maar werden daar juist door Christus uit verlost. En júllie, die er nooit onder leefden, komen tot Christus en laten je er alsnog onder plaatsen. Dat is de omgekeerde wereld. Het is al erg genoeg dat wij moeten spreken over verlost zijn van de wet, want God heeft ons die wet nooit gegeven; wíj moesten er juist van verlost worden.
In Christus gedoopt
Vers 25: “Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.” De wet was onze, en niet jullie, tuchtmeester, en dat was een tijdelijke zaak, totdat Christus kwam. “Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.” Niet door de wet of de werken der wet. “Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.” Het gaat hier niet over de waterdoop. Hier wordt het woord doop verklaard: gedoopt zijn in Christus is één plant met Hem geworden, zoals Romeinen 6 zegt. Doop in iets is éénwording ermee, daar hoef je geen Grieks voor te leren.
“Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij in Christus gezegend met alle geestelijke zegening. Een van de aspecten van Christus is dat Hij Abrahams zaad is, zoals vers 16 zegt. Zijn wij in Christus, dan zijn wij in Hem Abrahams zaad, en daarmee is Abraham onze vader door wedergeboorte en zijn wij erfgenamen van wat God aan Abraham beloofd had. “Zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.” Niet volgens de wet, maar volgens de belofte, die 430 jaar vóór de wet aan Abraham gegeven werd, zoals vers 17 erbij zegt.
Kind, dienstknecht en zoon
Misschien zegt u: dit gaat nog steeds over de wedergeboorte. Nee, het zit er meteen aan vast, het is één geheel, en dat blijkt uit wat verder volgt. Want, zo lezen wij door in Galaten 4: “Zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd van den vader tevoren gesteld.” Daarom: zijn wij kinderen Gods, dan zijn wij dienstknechten Gods. De trouwe knecht wordt erfgenaam, terwijl de ontrouwe zoon geen erfgenaam wordt. Abraham zei het al, toen God hem bij herhaling de belofte deed en hij geen kinderen had: dan zal Eliëzer, mijn knecht, mijn erfgenaam zijn, zoals Genesis 15 vertelt. De getrouwe dienstknecht wordt aangesteld tot erfgenaam.
Zo waren ook wij, toen wij kinderen waren en dus onder de wet, dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld, want de wet is nu eenmaal een eerste beginsel van de wereld; godsdienst en religie vind je over de hele wereld. “Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen, de zoonstelling, verkrijgen zouden.”
De zoonstelling: nog niet, maar wel onderweg
Hier ontstaat kortsluiting met Romeinen 8, want het volgende vers staat daar net zo: “Overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, die roept: Abba, Vader.” In dat verband spreekt Romeinen 8 over de Geest der zoonstelling. De moeilijkheid van dit schriftgedeelte is altijd: hebben wij, toen wij verlost werden en tot geloof kwamen, die zoonstelling al verkregen? Mijn antwoord is nee. Wij hebben haar nog niet verkregen, maar wij zijn sindsdien op het spoor, op de loopbaan gezet die naar de zoonstelling leidt. Het staat er ook zo: “opdat wij de zoonstelling verkrijgen zouden”. Het is nog steeds de bedoeling, het ligt nog in de toekomst.
Wie tot geloof komt in de Heere Jezus, is wedergeboren en verlost van de wet, en leeft van Gods wege niet meer eronder. Maar zijn zij al zonen? Nee, zij zouden in de toekomst tot zonen gesteld worden. De Vader zoekt het kind uit, plaatst het later in de vrijheid en zegt als het ware: hier ben je dan; doe goed je best, en dan zul je die erfenis ontvangen. Dat is onze positie, en niet alleen de onze, maar ook die van de gelovigen uit de Joden, want daarover gaat dit schriftgedeelte.
Daarmee is in de eerste plaats gezegd dat het het werk van de Geest is dat ons daarheen brengt. “Overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten.” Die Geest is het onderpand van de toekomende erfenis. “Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.”
Let goed op: ik zeg niet dat wij officiîl kinderen Gods zijn. Maar het kan zo zijn dat God Zich nu reeds tegenover ons als zonen gedraagt, zoals Hebreeën 12 laat zien. Officiîl zijn wij dat nog niet. Maar voordat God ons officiîl tot zonen zal stellen, zal er toch een stadium bereikt moeten zijn waarin Hij Zich tegenover ons als zonen gedraagt. Want als wij in Zijn ogen geen zonen zijn, zal Hij ons ook niet als zodanig aanstellen. Het is als met de fietsenmaker: als er geen fietsenmaker is, kun je hem ook niet aanwijzen of aanstellen; het moet er eerst zijn voordat je het officiîl als zodanig installeert. Zo erkende en stelde God de Heere Jezus aan, en zo zal Hij ook met ons doen. En als de hele gemeente compleet is, zal zij aan de wereld voorgesteld worden met de woorden: “Deze is Mijn Zoon.”
Het kan dus zijn dat wij in de praktijk van Gods wege reeds als zonen beschouwd worden, namelijk wanneer wij volwassen gelovigen zijn en wandelen tot eer van God. Ik zeg niet dat wij dat zelf kunnen controleren, dus doe daar geen moeite voor; maar God beoordeelt het wel. Zo goed als Jozef in de ogen van Jakob al zoon was terwijl zijn aanstelling nog lang niet daar was, en zoals van Jakob al vóór zijn geboorte gezegd was dat de tweede het eerstgeboorterecht zou krijgen, terwijl die aanstelling pas veel later volgde, zo is het ook met ons.
De vrucht van de Geest
Kortom, die erfenis is niet voor wie aan de wet vasthouden. Positief gezegd: zij is voor wie het beloofd was, voor de gelovigen, voor wie van Christus zijn, voor Abrahams zaad, voor zonen, voor volwassenen, voor vrijen. Galaten 4 vers 30 zegt het: “De zoon der dienstmaagd zal niet erven met den zoon der vrije.” Als wij dus nog dienstbaar zijn, in slavernij onder de wet, zullen wij niet erven. Wij zouden vrij zijn en op grond daarvan erven.
Galaten 5 vers 16 vervolgt: “Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.” Maar wat de Geest begeert, weet men meestal niet, en daarom kent men geen alternatief en heeft men de neiging het christendom te laten overheersen door vleselijke beginselen: in de eerste plaats door de wet, en in de tweede plaats door menselijke filosofie en menselijke wijsheid. “Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.” Maar: “indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” Het werk van de Geest heeft met de wet niets van doen; sterker nog, de Geest verlost ons van de wet. Dat is meteen het einde van alle verbondstheologieën.
De werken van het vlees zijn openbaar: overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij, vijandschappen, twist, afgunst, toorn, gekijf, tweedracht, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke. Van die werken staat in vers 21: “dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.” Maar er zijn mensen die gelovig en wedergeboren zijn en zich toch naar keuze met zulke dingen bezighouden. Gaan zij dan weer verloren? In die zin van het woord niet, maar in een andere zin wel: zij derven, want er staat dat zij het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Zij waren als gelovigen het Koninkrijk al lang binnengegaan. Ik ben binnen het Koninkrijk der Nederlanden geboren en heb daarom het Nederlandse staatsburgerschap, maar dat ik dat koninkrijk zou erven, is geen denken aan.
Daartegenover staat waar het om gaat. “Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.” Let op: er staat niet eens bij dát je die dingen zou dóen. Bij de werken van het vlees gaat het om dingen die men doet; bij de vrucht van de Geest gaat het primair niet om wat men doet, maar om de verandering van de inwendige mens. Het doel van het werk Gods is dat u en ik veranderd worden naar de inwendige mens, zodat deze deugden de vrucht zijn en deze gezindheid de vrucht is van de Geest die in ons werkt. Hoe dat naar buiten toe uitziet, is niet onbelangrijk, maar het is niet het eerste doel.
Het karakter van de Geest
De erfenis wordt gegeven aan die categorie gelovigen in wie de vrucht van de Geest gestalte heeft gekregen, in wie het karakter van de Geest zich gevestigd heeft, niet wanneer iemand dat gedrag openbaart, maar wanneer iemand zo ís. Het gaat niet om schijn. De wet kent dat juist: zij is het opbouwen van een imago, een façade naar buiten toe. De buitenkant ziet er aardig uit, maar van binnen is het, zoals de Heere zei, een witgepleisterd graf, dat er mooi uitziet maar van binnen verrot is.
Wat God doet, is niet de buitenkant veranderen; Hij doet de buitenkant juist weg. De mens is een aarden vat, en dat gaat net zo lang mee tot het breekt, en dat is ook de bedoeling, want wat erin zit komt er dan uit. Zo werd de albasten fles met kostelijke nardus stukgeslagen, zodat de zalfolie vrijkwam. “Wij hebben dezen schat in aarden vaten”, zegt 2 Korinthe 4. Het woord karakter betekent van oorsprong een afdruk, een stempel, zoals de letter uit de typografie. Het gaat om het karakter van de Geest, die Zijn stempel drukt op ons leven. Dan is men niet alleen kind en dienstknecht van God, maar dan zal men ook delen in de heerlijkheid van Christus, op grond van geloof, gehoorzaamheid en trouw, kortom op grond daarvan dat wij de Geest Zijn werk in ons laten doen.
Hoe houd je dat werk van de Geest tegen? Heel eenvoudig: door te redeneren vanuit wereldse opvattingen, vanuit menselijke levensbeschouwingen en filosofieën. Niets is voor het werk van God zo bedreigend als de zogenaamde menselijke wijsheid die zegt dat een mens nu eenmaal een wet moet hebben en moet weten waar hij aan toe is. Al die plannenmakerij en carrièreplanning, al die overleggingen naar de mens, brengen ons nergens, al was het maar omdat wij het merendeel van wat ons in het leven overkomt, niet in de hand hebben. Het enige alternatief dat wij hebben, is ons over te geven aan de belofte Gods, die zegt: houd je hieraan, leef daaruit, vertrouw op Mij, kies je weg. En die keuze zou zijn dat alles wat wij doen, in dienst van de Heere en voor de Heere is. “Laat mijn leven uw stempel dragen.” Waar dat het geval is, worden wij van Godswege geleid naar die zoonstelling, en zullen wij erven in plaats van derven.
Erven of derven
Tot slot. Je kunt zeggen: het maakt mij niet zoveel uit, die erfenis kan mij niet zoveel schelen, het is mij genoeg dat ik een klein plekje in de hemel krijg. Ineens wordt men dan heel bescheiden, gij in uw klein hoekje en ik in het mijne. Maar daar krijgt u spijt van. Want deze dingen die ik u vandaag voorhoud, veranderen niet, juist omdat ze zo in de Bijbel staan. Je kunt er beter nu mee geconfronteerd worden dan in de toekomst. En waarvan u nu zegt dat het u niet zoveel uitmaakt en dat u het later wel zult zien, daaraan zult u in de toekomst terugdenken. Mijn Bijbel zegt namelijk dat u daar in de toekomst anders over zult denken. Maar dan is het opnieuw te laat.
Deze Bijbelse uiteenzetting over “Erven of Derven” door Ab Klein Haneveld, is uitgewerkt in drie delen. Heeft u deel 1 gemist dan kunt u deze hier selecteren. Om verder te lezen selecteert u deel 3 van dit onderwerp.
Bijbelstudie lezing Ab Klein Haneveld – mp3 audio
https://www.bijbelspanorama.nl/audio/ https://www.bijbelstudie.nl/



