ERVEN OF DERVEN (3)
Over loon, schade en het dienen onder het nieuwe verbond

Wie nadenkt over het erven van de gelovige, denkt vanzelf aan beloften, aan loon en aan een erfdeel dat in de hemel bewaard wordt. In deze studie wordt het onderwerp echter bewust van de andere kant benaderd, bijna uitsluitend van de negatieve kant. Want naast het loon staat de mogelijkheid van schade, en juist die mogelijkheid maakt duidelijk hoeveel ons dagelijks leven er werkelijk toe doet. De schriftgedeelten die hier de revue passeren, van 1 Korinthe en 2 Korinthe via Galaten tot de uitvoerige behandeling in de Hebreeenbrief, laten telkens hetzelfde zien: dat het er niet om gaat hoeveel wij doen, maar hoe en uit welke bron wij leven.

Gods akkerwerk en het fundament

Een eerste passage die het thema scherp neerzet, is 1 Korinthe 3. Daar worden de Korintiers voor het eerst stevig aangesproken. Paulus zegt dat heel de gemeente het werk van God is: Gods akkerwerk en Gods gebouw. Voor zover er aan die gemeente gebouwd wordt, die tempel, gebeurt dat niet naast maar op het fundament, en dat fundament is Christus de opgewekte. Hij is de basis van alles. Het fundament van dat gebouw is dus het nieuwe leven dat door Christus aan het licht gebracht is.

En voor zover er op dat fundament gebouwd wordt, gebeurt dat hetzij met hout, hooi en stoppels, hetzij met goud, zilver en kostbare stenen. Dat is geen willekeurig onderscheid. Goud, zilver en kostbare stenen staan voor wat met de geest tot stand komt, voor dingen die eeuwigheidswaarde hebben. Hout, hooi en stoppels staan voor wat uit het vlees voortkomt. Het is het verschil tussen werken die blijven en werken die vergaan.

Eens ieders werk zal openbaar worden, want de dag zal het aan het licht brengen, en hoedanig eens ieders werk is, zal het vuur beproeven. (1 Korinthe 3:13)

Het beeld dat ons hier wordt voorgehouden is treffend. Alles komt in het vuur terecht. Goud, zilver en kostbare stenen zijn vuurbestendig, maar hout, hooi en stoppels branden als een hooiberg en verdwijnen. Wiens werk op het fundament blijft staan, zal loon ontvangen, de vergelding van het loon, ofwel de vergelding van de erfenis. Wiens werk verbrandt, zal schade lijden. Dat betekent dat al ons werk in de praktijk soms niets blijkt te betekenen, simpelweg omdat het mensenwerk was en daardoor geen waarde heeft voor de Heer of voor de eeuwigheid.

Onze werken zijn ons leven

Over die schade zouden wij niet gering denken, want onze werken zijn in de praktijk ons leven. Dat is letterlijk bedoeld. Wat ons leven is, wordt voor een belangrijk deel bepaald door wat wij doen en gedaan hebben. Naarmate wij ouder worden en terugkijken, kijken wij immers terug op onze bezigheden, op datgene waarmee wij ons hebben beziggehouden. Dat is wat een leven is. En de gedachte is dat juist dat praktische leven in het vuur terechtkomt.

Dan is de enige vraag of het vuurbestendig is. Negatief gesproken, zo scherp mogelijk: het is mogelijk dat wij wel degelijk kinderen van God zijn, en dat ook blijven, want dat kan niet ongedaan gemaakt worden, terwijl van ons praktische leven niets overblijft. Dan blijkt dat praktische leven achteraf ijdelheid der ijdelheden te zijn geweest. Het diende tot niets. Het is dan niet zozeer dat je iets kwijtraakt, maar dat je als het ware jezelf kwijtraakt. Dat snijdt diep.

Naar de logica van de wiskundige of de boekhouder kan dat eigenlijk niet, want er blijft altijd minimaal nul over: je had het, je raakt het kwijt, dan is het nul, en dan is er strikt genomen geen verlies. Maar naar bijbelse maatstaf, buiten de boekhouding om, heet het wel degelijk verlies. Je had iets, of je had het met gemak kunnen hebben, namelijk het werk van Christus in ons, maar het bleek er niet te zijn. Wij hebben het tegengehouden en er mensenwerk voor in de plaats gesteld: menselijke filosofieen, gedachten, plannen en de uitwerking daarvan. Aan het einde van de rit houden wij dan niets over. Het leek goud, maar het bleek klatergoud.

Voor de rechterstoel van Christus

Wat hier op het spel staat, is niet alleen het verlies zelf, maar het besef dat men de eeuwigheid met dat gegeven moet doorbrengen. Dat is wat 2 Korinthe 5 aanreikt. Wij verwachten een verheerlijkt lichaam, maar hoe heerlijk zal dat lichaam zijn? Wij verwachten overkleed te worden, maar er staat ook dat men naakt bevonden zou kunnen worden. Zo gaat men de eeuwigheid in, en zo blijft het zichtbaar. De gemeente is immers tot een betoning, en dat werkt zowel positief als negatief. Daarmee kan betoond worden dat al het werk van de natuurlijke mens, van de oude schepping, voor God geen enkele waarde had: niet bestendig en niet onvergankelijk, maar vergankelijk, met de woorden van 1 Petrus.

Dat is niet meer te veranderen. In dit leven zeggen wij na een misstap nog: volgende keer beter. Er is herkansing. Maar daar is dat niet meer aan de orde. En juist dat maakt elke dag belangrijk. Het heeft niet zozeer te maken met wat wij doen, maar in de eerste plaats met hoe wij het doen. Niet voor niets is er die bekende uitspraak, geen kerklied maar wel waar, dat het er niet om gaat wat je doet maar hoe je het doet: dat is wat resultaat oplevert. Het gaat om de gezindheid waaruit iets voortkomt. Daarom geldt dat wiens werk verbrandt, in zekere zin zichzelf verliest.

In 2 Korinthe 3 tot en met 5 wordt ditzelfde thema uitvoerig en zelfs redelijk positief uiteengezet. Paulus spreekt eerst over zichzelf: wij vertragen niet, wij doen dit, wij zijn zo. Maar hij stelt zichzelf tot voorbeeld aan de Korintiers, en daarmee aan ons. Hij zegt dat wij weten dat ons aardse huis afgebroken wordt, en suggereert dat de Korintiers dat juist niet weten en daarom anders leven. Vandaar zijn vermaningen. En toch zegt hij even goed dat wij allen geopenbaard moeten worden voor de rechterstoel van Christus.

Wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdraagt hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. (2 Korinthe 5:10)

Het is niet collectief, maar persoonlijk: ieder zal voor zichzelf rekenschap geven en niet voor een ander, zoals ook Romeinen 14 zegt over diezelfde rechterstoel. En men moet zich niet vergissen in de woorden goed en kwaad. De verbondstheologen zeggen daarbij dat goed en kwaad de wet zijn, zodat je vooral moet weten wat je wel en niet mag doen. Maar goed en kwaad zijn hier betrekkelijke, relatieve begrippen. Het goede is hier dat men dienaar van God is onder het nieuwe verbond.

Dienaren van het nieuwe verbond, niet van de wet

Een bladzijde terug, in 2 Korinthe 3:6, staat dezelfde uiteenzetting: God heeft ons bekwaam gemaakt om dienaren van het nieuwe verbond te zijn, en niet van het oude verbond. Datzelfde is af te leiden uit Romeinen 4 en uit Galaten 3 en 4, namelijk dat wie onder de wet leven op geen enkele manier erven. Paulus zegt het hier opnieuw: wij zijn dienaren gemaakt van het nieuwe verbond, niet van de letter die in stenen gedrukt is.

En omdat wij bekwaam gemaakt zijn, hebben wij geen excuus. Wij zijn bekwaam om te leven uit de genade van God en om zijn dienaren te zijn, niet onder de wet maar in de vrijheid van de genade waarin wij staan, vrij naar Romeinen 5. Het goede is dus dit leven onder die genade, uit wat God ons geeft. Wat God ons in zijn genade geeft, is zijn woord, en daarmee zijn geest en het eeuwig leven. Maar Hij geeft ons onder dat nieuwe verbond ook een loopbaan, een bediening: ieder besteedt de gave die hij ontvangen heeft. Ook dat is genade. Daaruit zouden wij leven, want dat is waar het in ons leven om gaat.

Waar het niet om gaat, is of wij ons aardse leven keurig op orde hebben of dat wij goede mensen zijn. Er bestaat een soort christendom dat precies dat aanbiedt. In een folder van een evangelische gemeente werd uitgenodigd voor seminars over hoe je een goed mens kunt zijn, een vervuld en gelukkig leven kunt leiden, een goed huwelijk en succes in het leven. Je mocht een bijbel meenemen, maar noodzakelijk was het niet, zwart op wit. Dat is moeilijk te verdragen, omdat zoiets een gedaante van godzaligheid heeft maar de kracht daarvan verloochent. Het is in feite antichristelijk, en daarmee precies de geest van Korinthe: menselijke filosofie, menselijke gerichtheid en een menselijk doel.

Verlost om te dienen

Juist daarvan zijn wij verlost. Wij zijn niet verlost om van ons leven te maken wat ervan te maken valt. De bedoeling is dat de Heer in onze levens verheerlijkt wordt en dat Hij van ons maakt wat Hij wil, kan en beloofd heeft. Daaraan zouden wij ons overgeven: op weg gaan zonder te weten waar wij uitkomen, omdat de Heer dat weet. Dat is leven uit geloof, daarop vertrouwen. Het betekent dat wij naar menselijke wijsheid soms volkomen verkeerde beslissingen nemen, dingen doen die je als mens niet zou doen, en toch doen, omdat de liefde van Christus ons dringt en omdat wij de schrik des Heren kennen, zoals 2 Korinthe 5:11 zegt.

Daarom zegt Paulus in feite: ik blijf jullie lastigvallen daar in Korinthe, ik blijf brieven sturen, ik hoop nog eens te komen, want dit is mijn bediening, of jullie het nu leuk vinden of niet. Naar de mens zou je allang opgehouden zijn, omdat je ziet dat het toch niet werkt. Ook in Korinthe zullen er mensen geweest zijn die vonden dat het anders moest: de gemeente beter organiseren, eenheid scheppen omdat zij verdeeld waren in aanhangers van deze en die, groot worden, goed voor het getuigenis en voor erkenning en invloed in de wereld. Dat is volstrekt onbijbels en onchristelijk. Dat is het kwade, en het loon daarvan is nul. Maar omdat er wel degelijk een loon in de hemel gereserveerd was, is het verlies reeel.

Het gaat hier niet over de vraag of men zondigt of niet. Het zondeprobleem ligt achter ons: dat was Gods probleem, en Hij heeft het opgelost. Het is geregeld. Waar het nu om gaat, is dat Christus verheerlijkt zal worden in de kinderen van God, en dat hun levens, die voorheen per definitie in afgodendienst stonden, voortaan in dienst van de Heer zouden staan. Men vergisse zich niet door te denken dat wij van huis uit geen afgodendienaars zijn. De afgoden zijn naar bijbels spraakgebruik de demonen, en daardoor wordt heel de wereld bestuurd, of de mens zich daarvan nu bewust is of niet. Daarvan zijn wij verlost. Maar verlossing betekent in de praktijk pas iets als er iets anders tegenover staat: onze dienst aan de Heer. Daarvoor heeft God een plan gemaakt, en daarvoor heeft Hij loon en erfenis gereserveerd, naar zijn inzicht, zijn wil en zijn keus. Lopen wij die loopbaan, dan ontvangen wij het voor ons gereserveerde loon. Zo niet, dan verliezen wij wat wij bearbeid hebben en ontvangen wij geen vol loon, zoals 2 Johannes het uitdrukt.

De Hebreeenbrief en het onderscheid tussen oud en nieuw verbond

Nog uitvoeriger komt dit alles terug in de Hebreeenbrief, en dat ligt voor de hand. Waar de Galatenbrief vooral leert dat gelovigen niet onder de wet zouden leven en alleen tot zoon gesteld worden als zij onder de genade leven, bespreekt de Hebreeenbrief datzelfde nog breder en redelijk positief, door te laten zien dat het oude verbond, de wet waaronder wij niet leven, een illustratie is van het nieuwe verbond waaronder wij wel leven.

Dat maakt de brief voor velen lastig. Aan de ene kant omdat men de symboliek niet verstaat, aan de andere kant omdat men het onderscheid tussen de twee verbonden niet kent. In de christelijke traditie zijn beide in elkaar geschoven alsof het een en hetzelfde is, terwijl het juist niet zo is. Hebreeen 1 zegt dat God eertijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen, de voorgaande generaties, gesproken heeft door de profeten, maar dat Hij in deze dagen tot ons gesproken heeft door die ene profeet, namelijk de Zoon, de Here Jezus Christus. Daarom, zo gaat Hebreeen 2:1 verder, moeten wij ons des te meer houden aan hetgeen gehoord is, opdat wij niet voorbijvloeien.

Dat in elkaar schuiven van oud en nieuw verbond onder de noemer verbondstheologie is precies zulk voorbijvloeien. Het is als verf die nog nat is: twee kleuren naast elkaar vermengen zich, en het onderscheid is niet meer te zien. Dat is altijd de grote kwaal van het christendom geweest, ook al in bijbelse tijd. Daarover gaat de brief: wij zouden het onderscheid zien en ons houden aan wat verkondigd en gehoord is. Want als al het woord dat door engelen gesproken werd vast en bindend was en elke overtreding rechtvaardige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontkomen als wij op zulk een grote zaligheid geen acht geven?

De grote zaligheid

De zaligheid in het algemeen is dat men eeuwig leven ontvangt. Dat was wat in het Oude Testament beloofd werd. Maar de grote zaligheid waaraan wij deel hebben, gaat verder: wij zijn kinderen van God geworden, hebben het eeuwig leven ontvangen en zijn bovendien tevoren bestemd om als zonen aangesteld te worden, zoals Efeze 1 zegt. Dat is de grote zaligheid. Aan oudtestamentische gelovigen is nooit beloofd dat zij zonen van God zouden worden. Zij zouden het koninkrijk ingaan, maar niet erven. Zij zouden deel hebben aan een nieuwe schepping, maar de schepping niet oordelen. Zij zijn bestemd voor een nieuwe aarde, maar niet voor de hemel.

Aan die grote zaligheid hebben wij deel. De boodschap wordt ons aangereikt, maar er zijn helaas veel kinderen van God die er niet de minste belangstelling voor hebben. Zij willen hier, in die paar jaar op aarde, een gelukkig en vervuld leven leiden, zodat zij volledig mens zijn zoals God het bedoeld zou hebben. Maar dat volledige mens-zijn was al een mislukking in Genesis 1, 2 en 3. Wie volledig mens wil zijn, kan Adam als voorbeeld nemen, en daar is weinig aan. Wat God bedoeld heeft, is dat wij nieuwe scheppingen zouden zijn, niet in Adam maar in Christus. Wij zijn immers nieuwe schepselen, gemaakt in Christus Jezus, om te wandelen in de goede werken die God voorbereid heeft.

Diezelfde waarschuwing staat al aan het begin van de brief. Wij leven niet onder het oude verbond, en wij zijn bovendien hoger geplaatst: wij leven in het nieuwe verbond, maar dan als eerstelingen. Dat is gemeentelijke waarheid. Wie tegenwerpt dat de brief niet aan de gemeente maar aan de Hebreeen geschreven is, kan men de eenvoudige vraag stellen: waar staat dat? Het staat nergens. De brief is geschreven aan gelovigen in onze tegenwoordige bedeling, sinds de opstanding van Christus en in afwachting van zijn wederkomst. Daarmee komt men terecht bij de gemeente van eerstelingen, met haar hemelse positie. Niet voor niets staat er even verder dat God de toekomende wereld niet aan de engelen heeft onderworpen, maar aan ons, aan die zonen die tot heerlijkheid geleid worden, precies zoals in Romeinen 8.

De troon der genade

Daarom roepen de volgende hoofdstukken telkens op om vast te houden: laat ons die belijdenis vasthouden, laat ons de roem van de hoop tot het einde toe behouden. En in Hebreeen 4:16: laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. Wat moet men bij zo’n troon denken? Dat men zich onderwerpt aan Degene die op de troon zit. Daarover gaat de brief: niet de wet maar de genade, niet het oude maar het nieuwe verbond, niet Mozes maar Christus, of langs de andere lijn, niet Aaron maar Melchizedek, en dat is opnieuw Christus.

Even verder, in datzelfde verband, staat dat men de vrijmoedigheid niet zou wegwerpen die een grote vergelding van loon heeft. Het gaat dan niet om vrijmoedigheid als karaktereigenschap, maar om de vrijmoedigheid om te naderen tot de troon der genade in plaats van tot de wet, tot Christus in plaats van tot Mozes en Aaron. Daarna volgen hardere woorden. Aan het einde van Hebreeen 5 staat dat de vaste spijs voor de volwassenen is, voor wie door gewenning de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding van goed en kwaad. Veelzeggend genoeg staat er niet dat men dat onderscheid door de wet kent. Het gaat om goed en kwaad op een ander niveau, in het leven van de gelovige, en dat leert men in de praktijk. Het goede is met vrijmoedigheid te naderen tot de troon der genade, het kwade is met vrijmoedigheid te naderen tot de troon der wet. Maar wij zijn niet onder de wet, wij zijn onder de genade, zoals Romeinen 6 zegt.

Voortvaren tot volwassenheid en de waarschuwing tegen afval

Vervolgens zegt de apostel in Hebreeen 6:1 dat hij het begin van de leer van Christus gaat nalaten om voort te varen tot de volwassenheid, zonder opnieuw het fundament te leggen: de bekering van dode werken, het geloof in God, de leer van de doop, de oplegging der handen, de opstanding der doden en het eeuwig oordeel. Het gaat niet langer over hoe men kind van God wordt en blijft, maar erom dat men zoon zou worden, zou opwassen en dienaar van God zou zijn onder het nieuwe verbond.

Daarna komt het omstreden gedeelte over hen die afvallig worden en niet wederom vernieuwd kunnen worden tot bekering. De vraag is alleen waarvan zij afvallen: van het nieuwe verbond in de praktijk van het leven, en daarmee van Christus. Galaten zegt het ook: wie door de wet wil leven, is van de genade vervallen, en dan is Christus voor hem van geen nut. In de praktijk betekent dit dat mensen die vasthouden aan de wet en religieus willen zijn, kunnen bidden zoveel zij willen, maar dat de Heer hen daarin niet hoort. De Heer heeft er geen belang bij dat iemand onder de wet leeft, en zal hem daar zeker niet bij helpen. Wie Hem niet werkelijk dient, en wie bouwt met hout, hooi en stro of zelfs naast het fundament, kan weinig verwachten. Indien wij Hem verloochenen, zal Hij ook ons verloochenen, zegt 2 Timotheus. De afrekening komt wanneer wij geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus.

Het heeft dus consequenties, en dat is maar goed ook. Stel dat het geen enkele consequentie had hoe wij leven, wat doen wij dan hier eigenlijk? Sommigen leren inderdaad dat wij aan ons lot zijn overgelaten: wij leven in het vlees, en God zou met het vlees niets te maken willen hebben, zodat alles pas goed komt bij de wederkomst en de opname. Maar dat is in strijd met de plaatsen die zeggen dat wij ons lichaam en onze leden zouden stellen tot een Gode welbehaaglijk offer om Hem te dienen. Waar wij Hem dienen, zorgt Hij voor ons op zijn manier, en die manier is op de lange termijn de beste, ook al kunnen wij die lange termijn niet overzien.

Het gaat in Hebreeen 6 om mensen die de hemelse gave gesmaakt hebben, verlicht zijn geweest, de Heilige Geest ontvangen en het woord van God en de krachten van de toekomende eeuw gesmaakt hebben, en die daarna toch afvallen. Hen kan men niet vernieuwen tot bekering. Zij kunnen zich nog wel vernieuwen, maar wij kunnen hen daartoe niet brengen. Wie bewust de verkeerde keuze maakt, valt niet te dwingen, want dan zou hij niet meer vrij zijn. En wat zou men hem nog vertellen als hij het allang geleerd heeft en weet? Dat is het risico van bijeenkomsten als deze: men kan achteraf niet meer zeggen het niet geweten te hebben.

Wie afvallig wordt, kruisigt als het ware de Zoon van God opnieuw. Want hoe zou hij weer op de goede weg komen, anders dan door dood en opstanding van Christus? De dood en opstanding van Christus plaatsen ons in een nieuwe schepping en onder een nieuw verbond. Kiest iemand er daarna toch voor om te leven in de oude schepping en onder het oude verbond, dan ontkent hij in de praktijk die kruisiging, en daarmee kruisigt hij Christus als het ware opnieuw en maakt hij de Zoon van God openlijk te schande. Galaten 6 zegt immers dat wie anderen onder de wet wil brengen, dit doet om een mooi figuur te slaan voor de mensen. De Bijbel noemt het schandelijk om in die enige echte, bijbelse zin religieus te zijn, dat wil zeggen zich te plaatsen onder het oude verbond en de wet. Het resultaat is doornen en distelen die in het vuur komen. En toch klinkt daarna de bemoediging: maar, geliefden, wij zijn aangaande u verzekerd van betere dingen.

Priesters met een hogepriester, en de onderlinge bijeenkomst

Hieruit blijkt dat wij God werkelijk kunnen dienen onder het nieuwe verbond, omdat wij, sprekend in symboliek, een hogepriester hebben naar de ordening van Melchizedek, die leiding geeft aan de dienst van God naar het voorbeeld van het Aaronitische priesterschap. Daarmee hebben wij geen excuus: wij zijn priesters en wij hebben een hogepriester. Dat is de vervulling van wat in de ceremonien van de grote verzoendag werd uitgebeeld, waarover Hebreeen 7, 8 en in het bijzonder 9 spreken.

In Hebreeen 10 wordt de draad weer opgenomen. Daar staat opnieuw de oproep om de onwankelbare belijdenis van de hoop vast te houden, want Hij die het beloofd heeft is getrouw. En dan, in vers 25: laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals sommigen gewoon zijn. Dat is een omstreden vers. De vraag is welke bijeenkomst bedoeld wordt, en het antwoord ligt in de brief zelf: onze bijeenkomst bij de troon der genade. Vanaf vers 19 wordt namelijk gezegd dat wij, omdat wij een hogepriester hebben, met vrijmoedigheid mogen ingaan in het heiligdom langs de nieuwe en levende weg, door het bloed van Jezus. Laat ons dan ingaan, en laat ons onszelf rekenen onder de leiding van de Here Jezus Christus, de hogepriester en herder van het nieuwe verbond. Kortom: wij onderwerpen ons aan Degene die op de troon zit.

Daarin ligt onze gemeenschap, en dat is geen theorie maar iets praktisch. Wij zijn met elkaar verbonden voor zover wij in de vrijheid staan en dezelfde Heer in die vrijheid dienen. Dat is onze eigenlijke onderlinge bijeenkomst. Samenkomen in een zaaltje, ook al heet dat zaaltje een kerk, een kathedraal of een dom, blijft een menselijke aangelegenheid en heeft daar weinig mee te maken. Onze werkelijke gemeenschap in de praktijk van het leven is dat wij dezelfde Heer dienen en met elkaar verbonden zijn via het Hoofd, in wie wij een zijn. Dat is het lichaam van Christus, en dat is hier de onderlinge bijeenkomst die niet zou worden nagelaten.

Willens zondigen: het ernstige alternatief

Vers 26 zegt dat er, als wij willens zondigen nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, geen slachtoffer meer overblijft voor de zonde. Willens zondigen betekent hier de onderlinge bijeenkomst missen, niet naderen tot de troon der genade. De Heer wordt dan niet opnieuw gekruisigd. Wat blijft er dan over? Een schrikkelijke verwachting van het oordeel, en een hitte van vuur die de tegenstanders zal verslinden. Tegenstanders zijn volgens deze brief, met name volgens hoofdstuk 12, tegensprekers: mensen die hun eigen woorden, of woorden van anderen, tegenover het woord van God stellen, in de trant van: dat staat wel in de Bijbel, maar het lijkt ons beter anders.

Dit hoeft niet in tegenspraak te zijn met 1 Korinthe 3. Daar staat dat de werken verbranden in het vuur, maar dat de mens zelf behouden wordt, zij het als door vuur heen. Hier staat dat het vuur de tegenstanders zal verslinden. Een kind van God blijft altijd een kind van God, maar hij kan zonder loon eindigen, in het uiterste geval zonder iets. En omdat de werken het praktische leven van de mens zijn, kan men ook zeggen dat zo iemands praktische leven verslonden wordt. De mens zelf blijft behouden, maar van zijn leven blijft niets over.

Vervolgens wordt teruggegrepen op hoofdstuk 2. Wie de wet van Mozes overtrad, stierf zonder barmhartigheid op het woord van twee of drie getuigen. Hoeveel zwaarder straf, zo luidt de vraag, verdient dan hij die de Zoon van God als het ware opnieuw vertreedt, het bloed van het testament, dat wil zeggen het opstandingsleven van Christus van het nieuwe verbond, onrein acht, waardoor hij nu juist tot priester geheiligd was, en de Geest der genade, die ook de Geest der zoonstelling heet, smaadheid aandoet? Want op grond van dat bloed, dat leven van Christus dat wij ontvangen hebben, zijn wij gemaakt tot priesters onder het nieuwe verbond. Wie niet als priester wil leven en die dienst niet vervult, acht dat bloed onrein.

Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Here. En wederom: De Here zal zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. (naar Hebreeen 10:30 en 31)

Dat woord wordt niet tot ongelovigen gesproken, maar tot gelovigen. Daar mag men van schrikken. Is er dan een straf zwaarder dan de doodstraf van de wet? Het antwoord is ja: levenslang. En dat weegt des te zwaarder wanneer men eeuwig leven heeft. Dat kunnen wij niet meten en ons nauwelijks voorstellen, maar juist daarom staat het met grote nadruk en zo zwart-wit in de Bijbel. Wie voor een vleselijke route kiest, zal er spijt van krijgen, want die weg loopt dood, en de schande die eraan vastzit, blijft zichtbaar tot in de eeuwigheid.

Het contrast

Toch heeft ook dit een functie. Het is het contrast. Zoals Paulus zegt: God wordt verheerlijkt in hen die behouden worden, maar evenzeer in hen die verloren gaan. Een fotograaf weet dat men contrast nodig heeft, anders is er niets te zien. Net zoals wij kunnen begrijpen waarom de een in heerlijkheid verkeert, als betoning van de rijkdom van Gods genade waarmee Hij overvloedig over ons geweest is, zoals Efeze 2 zegt, zo geldt het omgekeerde even sterk. Waarom verkeert de ander zonder heerlijkheid? Omdat hij het bloed van Christus onrein geacht en op zulk een grote zaligheid geen acht gegeven heeft. Daaraan is te zien waartoe mensenwerk, menselijke filosofie en religie leiden: tot niets. En dat blijft voor alle eeuwigheid staan.

De positieve keerzijde

Net als Hebreeen 6 keert ook Hebreeen 10 zich daarna naar de positieve kant. Er wordt gesproken over een beter en blijvend goed in de hemel en over een grote vergelding van loon. Wie de belofte van de zoonstelling zou wegdragen, gaat het uiteindelijk om de behoudenis van de ziel. Daarop volgt hoofdstuk 12, dat gaat over de aanstelling tot zonen, met een ander Grieks woord dat eveneens met aanneming vertaald wordt. Hij kastijdt iedere zoon die Hij aanneemt, en wie de kastijding verdraagt, met hem gedraagt God zich als met zonen. Wij worden opgevoed, en het leven van een kind van God is daarom niet altijd gemakkelijk. Maar de bedoeling is dat wij iets leren, niet voor de rest van dit leven, maar voor het leven straks bij Hem, voor de eeuwigheid. Daar ligt het doel.

Daarom waarschuwt hoofdstuk 12 ook dat niemand een hoereerder of een onheilige zou zijn, want zo worden gelovigen genoemd die verachteren van de genade en in plaats daarvan religieus gaan doen en zich onder de wet stellen. En net als in hoofdstuk 2 klinkt de oproep: zie toe dat gij Hem die spreekt niet verwerpt. Want als zij die de profeten op aarde afwezen niet ontkwamen, hoeveel te minder zullen wij ontkomen als wij ons afkeren van Hem die uit de hemel is en op deze grote zaligheid geen acht geven? Hij heeft aangekondigd dat Hij nog eenmaal niet alleen de aarde maar ook de hemel zal bewegen: een definitief oordeel over heel de schepping.

Omdat dat komt, zouden wij de genade vasthouden met alle consequenties van dien. Genade, niet alleen voor de vergeving van zonde, maar genade waaruit onze levens gevuld worden en inhoud krijgen, genade waardoor wij God welbehaaglijk kunnen en zouden dienen. Want dat is het doel van onze rechtvaardiging, onze heiliging en onze verlossing: niet alleen dat wij verlost worden van de zonde en daarna nog lang en gelukkig in de hemel zouden leven, maar dat zijn leven geleefd zou worden in u en in mij, ten koste van onze oude aardse mens met al haar overleggingen en wijsheidsfilosofieen. Al die dingen die bij de mensen in hoog aanzien staan, betekenen voor God niets. Daarvan moeten wij juist verlost worden, om niet te vertrouwen op onze eigen beschouwingen, maar op de beloften van God die wij niet zien, en zo in afhankelijkheid van Hem te leven. Niet voor niets eindigt hoofdstuk 12 met de woorden dat wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen en daarom de genade zouden vasthouden waardoor wij God welbehaaglijk kunnen dienen, gevolgd door de ernstige zin: want onze God is een verterend vuur.

Leven van dag tot dag, onderweg naar de erfenis

Wie zo leeft, leeft vanzelf van dag tot dag. Merkwaardig genoeg is dat ook onder ongelovigen het ideaal van de levenskunstenaar: niet te veel zorgen maken over de toekomst, want dan vergeet je te leven, en het leven stap voor stap nemen. Voor de mens zonder God is dat zeer riskant, want hij weet niet wat de toekomst brengt. Voor ons is het juist niet riskant, maar precies omgekeerd. Omdat wij de toekomst, de belofte van God, in geloof bezitten en daarop vertrouwen, kunnen wij dag in dag uit aan zijn hand leven en in zijn dienst staan bij alles wat wij doen. Of dat aardse voorspoed oplevert, doet niet ter zake en is van geen enkel belang. Het gaat niet om de objectieve omstandigheden, maar om de vraag of wij weten wie wij in Christus geworden zijn en wat de Heer van ons verwacht: in elk geval dat wij alle dingen doen als voor de Heer.

En dan weten wij dat er voor ons een erfenis bewaard wordt in de hemel. Het volgende vers in 1 Petrus zegt zelfs niet alleen dat de erfenis voor ons bewaard wordt, maar ook dat wij bewaard worden voor de erfenis. Daaruit zouden wij leven. Zo moeilijk is het leven van een kind van God niet. Het moeilijke is alleen om afstand te nemen van de oude mens en van de wereld. Daarom houden wij onszelf graag voor dat dit onze wereld niet is: hier horen wij niet bij, wij zijn van een andere orde, God heeft ons een vaderland beloofd, en daarop wachten wij. In afwachting daarvan dienen wij de Heer. Dat is wat Abraham deed, en wij zouden als erfgenamen van Abraham in zijn voetsporen gaan. Het komt erop neer dat wij als kinderen en dienstknechten van God bewust onderweg zijn naar de erfenis die God voor ons heeft weggelegd.

Amen.

 

Deze Bijbelse uiteenzetting over “Erven of Derven” door Ab Klein Haneveld, is  uitgewerkt in drie delen. Heeft u deel 1 of deel 2 gemist dan kunt u deze hier selecteren.

 

Bijbelstudie lezing Ab Klein Haneveld – mp3 audio
https://www.bijbelspanorama.nl/audio/  https://www.bijbelstudie.nl/