De Bruidegom en de bruid

Is de Gemeente de Bruid van Christus of is zij dat niet?

Deze vraag is de aanleiding tot de studie, die op de volgende bladzijden is weergegeven. Het is met enige aarzeling, dat ik mij ertoe gezet heb, om een studie over dit onderwerp op schrift te stellen. Niet omdat de uitkomst ervan zo onzeker is, maar omdat de praktijk leert, dat er op dit onderwerp eigenlijk een.soort taboe rust. Meermalen heb ik tot mijn spijt moeten constateren dat de beantwoording van bovenstaande vraag dikwijls gepaard gaat met heftige emoties en slechts zelden gebaseerd wordt op de Schrift. De gedachte, dat de Gemeente de Bruid van Christus is, blijkt veelal juist uitgangspunt te zijn bij het lezen en bestuderen van de Bijbel. Vooral bij de verklaring van bepaalde typen, zoals die van Eva, Sarah, Rebekka, Rachel en Ruth, wordt zonder enig schriftuurlijk bewijs van deze opvatting uitgegaan. En dat is helaas niet zoals het behoort. Zodra wij de Schrift openen, dienen wij bereid te zijn om onze vooronderstellingen ter discussie te stellen en te toetsen aan het geïnspireerde Woord van God. Slechts voor gelovigen, die daartoe bereid zijn, werden deze bladzijden geschreven.

In deze studie heb ik mij bewust beperkt tot die zaken, die direct verband houden met de gestelde vraag. Misschien blijven er daardoor vele vragen onbeantwoord. Vragen aangaande de verhouding tussen het oude en het nieuwe verbond. Aangaande de Mozaïsche wet. Aangaande de typologie. Maar het leek mij beter om de problematiek rond de Bruid en de Bruidegom niet nog gecompliceerder te maken dan zij door alle menselijke gevoelens en emoties al is. Laten wij eenvoudig de Schrift openen, eerst in het Oude en daarna in het Nieuwe Testament, opdat de Heer ons door Zijn Woord en door Zijn Geest kan leiden in alle waarheid. Tot opbouw van ons geloof. Maar bovenal tot verheerlijking van Zijn onvolprezen naam.

ISRAËL EN HET OUDE VERBOND

Toen Israël een natie werd door de uittocht uit Egypte trad de Heer met het volk in een verbond, dat de basis werd van hun nationale bestaan. Dit verbond was het verbond der wet. De “Wet van Mozes” zoals zij in de Schrift dikwijls genoemd wordt, regelde enerzijds de gehele Israëlitische samenleving. Aan de andere kant regelde zij echter vooral de verhouding tussen de Heer en Israë1 als volk. Voor degenen, die de wet verstaan (Rom 7 : 1) moet het duidelijk zijn, dat de verbondsrelatie tussen de Heer en Israë1, die door de wet tot stand kwam, niets meer of minder was dan een huwelijk. Anders gezegd: de bedeling van de wet was de huishouding van een huwelijk! Het “oude verbond” der wet verbond Israël als volk aan de Heere. Dit is van praktisch theologisch belang, omdat een huwelijk slechts twee partijen kent en wel van verschillende kunne. Een huwelijk verbindt natuurlijk deze twee partijen, maar tevens sluit het eventuele anderen uit! De huwelijksaspecten van het Mozaïsch Verbond (om het zomaar eens te noemen) spelen in de Schrift een overwegende rol!

In de eerste plaats wordt de identiteit van de echtgenoot vastgesteld. Reeds wanneer de Heere Mozes tegemoet treedt en Mozes Hem naar Zijn identiteit vraagt, stelt de Heer Zich voor als de God van Abraham, Izak en Jakob. En gevraagd naar Zijn naam krijgt hij als antwoord “IK ZAL ZIJN” of “IK BEN”. Hetgeen een variant is van de naam, die bekend is als “Jehova” of “Jahweh”. Het is onder deze naam, dat de Heer zich steeds openbaart aan Israël. In onze Nederlandse bijbelvertalingen wordt deze eigennaam bijna altijd weergegeven door “Heere”. De vele honderden malen dat de Schrift spreekt over “de Heere, uw God, geeft de Hebreeuwse grondtekst echter “Jehova, uw God”. En de uitdrukking”de naam des Heeren-, staat daarbij voor “de naam Jehova”. Het gaat er maar om, dat de juiste naam in de huwelijksakte vermeld staat. En steeds wanneer de Heere zich onder die naam aan Israël en haar profeten bekend maakte, werd Israël daarbij herinnerd aan de naam uit de huwelijksakte. Die begint immers met:

“Ik ben Jehova uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb…Ex. 20: 2.”

Niet alleen de identiteit van de Bruidegom is daarmee bepaald, maar ook die van de bruid. Het is het volk, dat door “Jehova hun God” was uitgeleid, was verlost uit Egypte. Zoals tot op heden gebruikelijk, werd in de officiële akte de geboorteplaats van de bruid vermeld: Egypte. Dit uit Egypte geboren en verloste volk was Israël, de bruid van Jehova. Het huwelijk begon op de gebruikelijke wijze met een ondertrouw:

“Zo zegt de Heere ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij mij nawandeldet in de woestijn…” Jer. 2: 2.

Zo ging Israël in ondertrouw op weg naar het feest in de woestijn. Het feest waarvan de Heer door de mond van Mozes en Aaron gesproken had tot de Farao (Ex. 5: 11; 10: 9). Wat dacht u, de bruiloft natuurlijk De officiële bevestiging van het huwelijk bij de Sinaï. Daarbij werd de huwelijksovereenkomst door de man aan de vrouw voorgelegd. Was zij bereid? Ging zij akkoord met de gestelde voorwaarden? Haar jawoord vinden we vier maal vastgelegd in de Schrift:

“Al wat de Heere (Jehova) gesproken heeft zullen wij doen en gehoorzamen…” Ex. 19: 8; 24: 3, 8; Deut. 5: 27.

Hier werd het huwelijk gesloten! Daarover spreekt de heer ook bij monde van Ezechiël. Hij geeft een verslag van de geboorte van Israël uit Egypte en de liefde die de Heer voor Israël had. Hetgeen resulteerde in de sluiting van het huwelijk::

“ … gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen to grote sierlijkheid. uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen doch gij waart naakt en bloot. Als ik nu bij u voorbijging zag ik u, en ziet. uw tijd was de tijd der minne; zo breidde ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid, ja ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heere en gij werd de Mijne….” Ez 16 6-8.

De Heer zwoer, Hij deed een belofte. Hij trad met Israë1 in een verbond. Hij maakte Israël tot de Zijne. Dat het hier genoemde verbond inderdaad het verbond der wet was, is de strekking van de woorden van een andere profeet:

“…het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik heb getrouwd had, spreekt de Heere (Jehova)… Jer. 31 : 32.

Wanneer dezelfde profeet uitroept:

“bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de Heere, (Jehova want Ik heb u getrouwd…” ) Jer. 3 : 14.

… is dat een ondubbelzinnige verwijzing naar het Mozaïsch Verbond, waardoor de Heer en Israël als Bruidegom en bruid met elkaar in de echt verbonden werden.

Waar een huwelijk is, daar is een echtelijke woning! De hedendaagse discussie omtrent de eigendomsrechten van Palestina zijn voor de gelovige totaal overbodig. Het is immers het land waarheen Israël de Heer navolgde. Het is het land waarin de Heer vervolgens in het midden van Israël mocht wonen op voorwaarde van gehoorzaamheid aan de Echtgenoot! Daarom is Palestina of Kanaän niet het eigendom van Israël, maar van de Heer Zelf:

“Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden, want het is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen, en bijwoners bij mij zijt..”. Lev. 25: 23.

Zo staat het in de wet. Zo staat het in de Huwelijkse voorwaarden. Het land, de echtelijke woning, staat ter beschikking van de vrouw, en wordt daarom het land van Israël genoemd. Maar het is het eigendom van de Man! Daarom spreekt Jes. 14: 2 uitdrukkelijk over ”het land des Heeren”. Hos. 9 : 3 spreekt over”des Heeren land”. Joël 2: 18 spreekt over “Zijn land”. 2 Kron. 7 : 20 en Joël 1 : 6 en 3: 2 spreken over “Mijn land”. Ps. 85 : 2 spreekt over  “Uw land”. Jer. 11 : 15 spreekt over “Mijn huis”. En in al deze Schriftplaatsen staat het recht van Israël op het land ter discussie!

Dat recht van Israël was volgens de wet gebaseerd op haar gehoorzaamheid aan de Heer, haar man, de Huiseigenaar (Men zie b.v. 2 Kron 7: 19 en 20). Samen zouden wij wonen in Kanaan. De Heer en Israël. De Heer in Israël. Samenwoning en gemeenschap zijn kenmerkend voor een huwelijk. Maar evenzeer is trouw essentieel in een trouwerij! Vandaar het eerste artikel van de huwelijksakte:

“Ik ben de Heere Jehova) uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben… Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want ik, de Heere (Jehova) uw God, ben een ijverig (jaloers) God…” Ex. 20: 2-5.

De Heere eiste trouw van Mijn vrouw, Hij verwachtte in de eerste plaats, dat zij geen andere goden, andere mannen, zou dienen. Nog voordat Israël een voet gezet had over de drempel van de echtelijke woning, waarschuwde de Heer hen, dat zij zich niet zouden in laten met de daar nog woonachtige heidenen, noch hun goden zouden dienen. De waarschuwing, dat hij “een ijverig God” is, dat Hij jaloers is, wordt nadrukkelijk herhaald!

“Zie, ik maak een verbond voor uw ganse volk.. Onderhoudt gij hetgeen ik u heden gebiede! Zie, ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaanieten,en de Hethietenen de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten. Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met de inwoners des lands… want gij zul u niet buigen voor een andere God; want des Heeren naam is IJveraar! Een ijverig God is Hij!  Ex. 34: 10-14.

De Heer Zelf zou Israëls vijanden uitdrijven en verslaan. Dat behoorde bij Zijn functie van Echtgenoot. Israël wordt daarom gewaarschuwd niet op enigerlei wijze een verbond te sluiten

met andere volken. Een dergelijk verbond zou namelijk automatisch een verbond zijn met de goden van die volken! Zo’n verbond van Israë1 met andere goden kan door de God van Israël toch onmogelijk anders opgevat worden dan als overspel, hoererij en ontrouw! Zo’n verbond zou toch de ontkenning zijn van het verbond en dus het tussen de Heer en Israël Het dienen van andere goden is daarom niet slechts een afwijking van bepaalde religieuze denkbeelden, maar het is regelrechte hoererij. Het ‘nahoereren’ van andere goden is niet slechts een schilderachtig taalgebruik! Het is bittere realiteit. Het is de samenvatting van de geschiedenis van Israël onder het oude verbond. De huishouding van het huwelijk  tussen de Heer en Israël. Wat een overweldigend verdriet klinkt er door in de woorden van de Heer, wanneer Hij Zelf het gedrag van Zijn vrouw beschrijft. Eerst vinden we in Ezechiël 16 de reeds aangehaalde woorden, waarmee Hij de aanvankelijke liefde tussen Hem en Israë1 beschrijft, uitmondend in de vaststelling:

“Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heee Heere en gij werd de Mijne…” Ez. 16: 8.

Daarna wordt ons gezegd, wat de zegenrijke gevolgen daar onder andere van waren voor Israël:

“… en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werd. Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid;want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die ik op u gelegd had, spreek de Heere Heere”  Ez. 16: 13, 14.

Israël, de vrouw, werd niet alleen een koninkrijk, maar bovendien ook “gans zeer schoon”, althans volgens haar Man! Zij werd dit echter door de heerlijkheid, die de Heer op haar gelegd had. De vrouw draagt immers de heerlijkheid van de man (1 Kor. 11 : 7)! Wel, Israëls heerlijkheid en schoonheid was in feite de heerlijkheid en schoonheid van de Heer Zelf. Het waren de zegeningen, die Israël op grond van het Huwelijksverbond van de Heer ontving.

Maar wat had die schoonheid van Israël tot gevolg? We laten haar Man aan het woord:

“Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam, ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging- voor hem was zij”.  Ez. 16: 15.

Het is de verdrietige vaststelling van de Heer, dat Israël, die alles wat haar aantrekkelijk maakte van Hem ontvangen had, deze aantrekkelijkheden gebruikte om zich aan te bieden aan elke toevallige passant:

“Aan elk hoofd des wegs hebt gij uw hoge plaatsen gebouwd, en heb uw schoonheid gruwelijk gemaakt en hebt me uw benen gescheden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.  Ez. 16: 25.

De geschenken, die Israël van haar Man ontvangen had, werden verkwanseld aan andere volken, andere goden, kortom andere mannen:

Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd. En gij hebt uw gestikte klederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld. En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere HEERE. Ez. 16: 17-19.

Gaat het ook ons niet door merg en been, wanneer we de Heer over Zijn Eigen vrouw horen klagen:

” O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan. Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw boelen, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen. Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo zijt gij tot een tegendeel geworden. Daarom, o hoer, hoor des HEEREN woord.”  Ez. 16: 32-35.

Gezien deze omstandigheden is de vraag gerechtvaardigd, hoelang deze onhoudbare situatie moet voortduren. Hoelang is het oude verbond geldig! Hoelang duurt dit ? Het antwoord op deze vraag is bij voorbaat omstreden. Niet omdat de Bijbel geen duidelijk antwoord zou geven, maar omdat theologische en ethische menselijke tradities dikwijls prevaleren boven de Schrift zelf. Er kan echter geen enkele twijfel over bestaan, dat het oude verbond inmiddels is opgeheven! Of van de andere kant benaderd: Het huwelijk tussen de Heer en Israël is inmiddels verleden tijd. Om hier dieper op in te kunnen gaan moeten we eerst vanuit de Schrift vaststellen hoelang een huwelijk eigenlijk duurt. Tot wanneer is de wet geldig? Het eigenaardige is nu, dat deze vraag feitelijk vier verschillende antwoorden kent. En alle vier zijn even Schriftuurlijk. Het eerste antwoord gaat uit van het grote ideaal:

“Hebt gij niet gelezen, Die van de beginne de mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? En gezegd heeft.. Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn,alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheidde de mens niet…  Matt. 19: 46.

Deze woorden van de Heere Jezus Zelf bevestigen, dat het huwelijk een inzetting van de Schepper is, en dat het niet bestemd was, of is, om ontbonden te worden. Het ideaal van een Huwelijk is daarom, dat het eeuwig duurt. En als alles ideaal was zou niemand daar enig bezwaar tegen maken! Dat is het eerste antwoord.

Maar op grond van ditzelfde Schriftgedeelte komen wij bij een ander mogelijkheid. Dat wat God samengevoegd heeft blijkt gescheiden te kunnen worden. Dat is weliswaar niet de bedoeling, maar het is wel degelijk een mogelijkheid. En zelfs een wettige! Want zo goed als het tot stand komen van een huwelijk door de, wet geregeld is, zo is ook de beëindiging een wettige zaak! Maar voor we ons afvragen wanneer dat gebeurt, moeten we weten hoe dat gebeurt. En dat brengt ons bij de overige drie antwoorden op de vraag naar de lengte van dit huwelijk.

Volgens de reeds aangehaalde woorden van de Heer is de essentie van een huwelijk, dat er gemeenschap plaats vindt. Gemeenschap op allerlei verschillende niveaus. Het zal daarbij duidelijk zijn, dat die gemeenschap eensdeels geregeld kan worden door de wet, maar dat die gemeenschap absoluut niet door de wet tot stand wordt gebracht. Over welke soort gemeenschap we ook spreken, zij wordt tot stand gebracht door de echtelieden zelf!

Dit betekent zonder meer, dat het huwelijk niet in de eerste plaats een wettelijke aangelegenheid is, maar een sociale. Anders gezegd: een huwelijk wordt gevormd door de levenswijze van de beide partners. Wanneer zij gemeenschap hebben, wanneer zij gemeenschappelijk leven, is er sprake van een huwelijk! Dat neemt niet weg, dat dit huwelijk wel degelijk door de wet geregeld behoort te zijn, maar dat is hier niet het punt. Het punt is, dat het huwelijk ontstaat door gemeenschap en vervolgens in stand wordt gehouden door gemeenschap. Dat is ook de reden, waarom trouw essentieel is in een huwelijk. Zodra immers een der echtelieden gemeenschap heeft met een ander, is de gemeenschap met de huwelijkspartner verbroken. En wanneer de gemeenschap verbroken is, dan is dus het huwelijk verbroken. Ontrouw is niet alleen het tegenovergestelde, maar ook en bovenal het einde van trouw. Ontrouw is daarom wezenlijk het einde van een trouwerij Toegepast op de Heer en Israël betekent dat, dat Israël zelf dit beëindigde door het dienen van andere goden! En dat is precies wat de Schrift leert:

“. het verbond, da ik me hun vaderen gemaak heb, tendage als ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Miin verbond zij vernietigd hebben hoewel ik hen getrouwd had, spreekt de Heere”.  Jer. 31 : 31, 32.

Dit gedeelte spreekt over het oude verbond, dat gesloten werd bij de uittocht uit Egypte. Het huwelijksverbond. En van dat verbond zegt de Heer hier, dat zij, Israël de vrouw, het vernietigd heeft. Hoewel Hij hen getrouwd had, hoewel Hij hun dus voor eeuwig trouw beloofd had, bestond Israël het, om tot groot verdriet van haar Heer dit verbond te vernietigen. Het lijkt me overbodig om erop te wijzen, dat vernietiging van dit verbond hetzelfde is als vernietiging van het huwelijk! Vernietiging van iets is de beëindiging van iets! De enige vraag, die hier gesteld kan worden is: Wanneer beëindigde Israël dit huwelijk dan? Het antwoord kan alleen maar zijn: Toen zij hoereerde en overspel pleegde! Het tweede antwoord op de vraag naar de lengte van een huwelijk is daarom: Een huwelijk duurt tot aan de ontrouw van een der partijen.

Wanneer echter een huwelijk bij de wet geregeld en geadministreerd wordt, moet ook de  vernietiging daarvan officieel bij de wet geregeld worden! Wanneer we een huwelijk zoals hierboven heel idealistisch slechts zien als een samenleving in gemeenschap op grond van een wederzijdse belofte van trouw, dan wordt het beëindigd door de ontrouw van een der partijen. Wanneer we daarentegen het huwelijk met evenveel recht beschouwen als een wettelijke en administratieve aangelegenheid, dan wordt het beëindigd zodra de daarvoor geldende wettelijke regeling in werking treedt! Deze regeling luidt:

“Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis” Deut. 24: 1

Het bijzondere in dit wetsartikel is niet, dat echtscheiding bij de wet toegestaan en geregeld wordt, maar de gronden waarop zij tot stand komt. Gronden in het meervoud, omdat er twee “voorwaarden” genoemd worden! De eerste grond voor echtscheiding is, dat de man ”iets schandelijks” aan zijn vrouw gevonden heeft. In een zinspeling op Deut. 24 zegt de Heer door de mond van de profeet:

“Gij nu hebt met veel boeleerders (minnaars) gehoereerd Jer. 3: 1.

… zodat er geen twijfel blijft bestaan over de aard van “iets schandelijks”. Maar de ontrouw van de vrouw is niet voldoende reden tot scheiding! De wet zegt immers:

“ indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft… “  Deut. 24: 1

Ontrouw van de vrouw verplicht de man niet tot het officiële wegzenden middels een scheidbrief 1 Hij kan haar ook vergeven! Indien zij “genade zal vinden in zijn ogen” zal de man zijn ontrouwe vrouw niet wegzenden! De scheiding is dus wel degelijk mede afhankelijk van de gezindheid van de man. Dit blijkt trouwens ook ondubbelzinnig uit het commentaar van de Heer Zelf op deze problematiek. Nadat Hij betoogd heeft, dat het huwelijk bedoeld is voor eeuwig, vragen de Farizeeën Hem:

“Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer haren u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van den beginne is het alzo niet geweest” Matt. 19: 7, 8.

In deze woorden van de Heer ligt het motief voor echtscheiding niet bij de ontrouwe vrouw, maar bij het hart van de man! De Mozaïsche regeling is er dus niet om te voorzien in het probleem van een overspelige vrouw, maar om te voorzien in het probleem van de “hardigheid des harten” van de man. Het is het verschijnsel, dat de man niet in staat is om zijn vrouw genade te schenken! In geval hij zijn vrouw niet wil of kan vergeven is hij verplicht haar met een scheidbrief weg te zenden of te verlaten, hetgeen voor een ieder, die bereid is hierover onbevooroordeeld na te denken, een aanvaardbare en logische regeling is.

Maar hoe dit ook zij, deze regeling is opgenomen in de wet, die de huwelijksvoorwaarden regelt tussen de Heer en Israël Het is daarom bijna vanzelfsprekend,.dat deze wet ook inderdaad toegepast werd op die relatie. Want de Heer zond Zijn vrouw inderdaad weg met een scheidbrief. Daarbij moet echter opgemerkt worden, dat deze scheidbrief blijkbaar slechts ter hand gesteld werd aan een deel van Israël, namelijk het rijk der 10 stammen! Dit deel van het koninkrijk en volk van Israël werd immers in 721 voor onze jaartelling definitief weggezonden en afgevoerd in Assyrische ballingschap, waaruit het tot op heden nog niet is teruggekeerd! Daarover zegt de Heer:

“Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israël (de 10 stammen) gedaan heet? Zij ging heen op alle hoge berg… en hoereerde aldaar. En ik zeide nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij,. maar zij bekeerde zich niet”.  Jer. 3 : 7.

Nadat de Heer”iets schandelijks” aan Israël gevonden had, riep Hij haar eerst op tot bekering. Zij vond aanvankelijk genade in Zijn ogen! Maar Israël bekeerde zich niet. En dan houdt inderdaad de genade op! Dan blijft er volgens de wet niets anders over, dan de scheidbrief.

“ als ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had,haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda,  niet vreesde, maar ging henen en hoereerde zelve ook” Jer. 3: 8

De officiële scheiding kwam tot stand met de tien stammen van Israël. Maar onmiddellijk wordt ons gezegd, dat ook Juda, de overige twee stammen, dezelfde weg op ging. Zij werd echter niet weggezonden met een scheidbrief, omdat zij zich officieel bekeerde en zo aanvankelijk nog genade vond:

“En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de Heere”.  Jer. 3 : 10.

We zien in deze Schriftgedeelten, dat het huwelijksreglement uit Deut. 24 : 1 op beide manieren van toepassing gebracht werd op Israël. In geval van overspel door de vrouw waren er twee mogelijkheden. De ene was, dat de vrouw genade vindt in de ogen van de man, die daarom niet overgaat tot het uitreiken van een scheidbrief. Dit principe werd toegepast op Juda, het 2-stammenrijk. De andere mogelijkheid was, dat de vrouw geen genade (meer) vond in de ogen van de man. In dat geval was de man verplicht zijn vrouw definitief weg te zenden met een scheidbrief. Dit principe werd toegepast op het 10-stammenrijk, dat weggezonden werd in ballingschap waaruit het nog nimmer terugkeerde! En dat is het derde antwoord. Het huwelijk duurt tot de wettige scheiding!

Ongetwijfeld was het de bedoeling dat het huwelijk in het algemeen eeuwig zou duren. Dit veronderstelt echter, dat de huwelijkspartners eeuwig zouden leven! Maar dit ideaal is niet meer reëel omdat de mens van nature nu eenmaal niet eeuwig leeft. Hetgeen ons brengt bij het vierde antwoord op de vraag naar de lengte van de huwelijksverhouding onder het oude verbond. Dit luidt, dat het huwelijk duurt ”totdat de dood ons scheidt”.

“Weet gij niet, broeders (want ik spreek tot degenen die de wet verstaan), dat de wet heerst over de mens, zo langen tijd als hij leeft?”“Wan een vrouw,die onder de man staat, is aan de levende man verbonden door de wet, maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans… alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt”. Rom. 7 2, 3.

De wet spreekt slechts over levenden. De werking van de wet houdt op waar de dood intreedt. De vrouw is na het overlijden van haar man vrij van haar trouwbelofte aan hem. En hoe vreemd het misschien ook klinkt: De overleden man is vrij van zijn trouwbelofte aan zijn vrouw! Het begrip trouw is dan overigens volstrekt inhoudsloos geworden. De dood is namelijk per definitie de afwezigheid van gemeenschap! De wet kan daarom geen levenden met doden verbinden of andersom! De apostel Paulus citeert deze verzen speciaal in verband met het onderwerp waarmee wij ons hier bezighouden. Zijn betoog in deze hoofdstukken van de Romeinenbrief is gericht op het einde van de bedeling der wet. Het definitieve en wettige einde van het tussen de Heer en Israël .

Het argument, dat de apostel gebruikt, laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Indien de man gestorven is, is de vrouw vrij! De Man, aan Wie Israël trouw beloofde, stierf een smadelijke dood aan het kruis van Golgotha. En een van de vele consequenties daarvan voor Israël is, dat zij daardoor vrij is van de wet. De wet kan haar immers niet verbinden met een dode! Aan het huwelijk tussen de Heer en Israël is daarom een definitief einde gekomen! En zoals er in de historie van Israël een ogenblik aanbrak, waarop het gesloten werd en de wet in werking trad, zo was er eveneens een moment, waarop aan dit alles een eind kwam. De Man was gestorven, de vrouw was als weduwe vrij van de wet en van de Man! Dat is wat de apostel in deze verzen naar voren brengt. Ondubbelzinnige woorden betreffende een heel eenvoudige kwestie! En dat was het antwoord op de vraag naar de lengte van het huwelijk onder het oude verbond. Het duurt tot de dood tussenbeide komt.

Zo geeft de Schrift vier antwoorden op de vraag naar de lengte van het huwelijk:

  1. Het was bedoeld voor eeuwig.
  2. Het eindigt wezenlijk in geval van ontrouw.
  3. Het eindigt officieel door middel van de scheidbrief.
  4. Het eindigt door de dood.

De laatste drie van deze mogelijkheden waren alle van toepassing op de huwelijksverhouding tussen de Heer en Israël onder het oude verbond. Dit huwelijk werd dus op drie manieren beëindigd. Maar, hoe vreemd het ook lijkt, toch zal ook het eerste antwoord alsnog van toepassing gebracht worden. Het Woord van God spreekt onomwonden over een huwelijk tussen de Heer en Israël, dat overeenkomstig het oorspronkelijke ideaal eeuwig zal duren. Doch dat huwelijk valt niet meer onder het oude, maar onder het nieuwe verbond.

ISRAËL EN HET NIEUWE VERBOND

De eenvoudigste manier om iets te begrijpen van de betekenis van het nieuwe verbond, is vanzelfsprekend de bestudering van de desbetreffende Schriftgedeelten. Het meeste bekende daarvan vinden we in de profetieën van Jeremia:

“Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had spreekt de Heere; Maar dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun har schrijven. En Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de Heere. Want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootse toe, spreekt de Heere: want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zouden niet meer gedenken”.  Jer. 31 : 31-34.

Wanneer we deze verzen over de aankondiging van een nieuw verbond bestuderen, kunnen we daar de volgende tien opmerkingen bij plaatsen.

  1. Het nieuwe verbond wordt aangekondigd over ”het huis van Israël en het huis van Juda”. Wanneer Israël en Juda zo naast elkaar genoemd worden, zijn het aanduidingen van de 10 en de 2 stammen. De naam Israël staat voor het rijk der 10 stammen, dat vanwege haar hoererij ten onder ging in de Assyrische ballingschap. Het oude verbond met de 10 stammen, werd zoals we reeds gezien hebben definitief beëindigt door de scheidbrief. Daarnaast staat de naam Juda voor de 2 stammen, waarvan we de afstammelingen kennen onder de naam “Joden”. Het oude verbond der wet met de 2 stammen werd niet beëindigd door de scheidbrief, maar door de dood van de Heer. Door de dood van de Echtgenoot. Hoewel dus het oude verbond op verschillende wijze met Israël en Juda beëindigd werd, zal er met hen beiden een nieuw verbond gemaakt worden.
  2. Dit nieuwe verbond is ”niet naar het verbond, dat ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dag als ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren”. Het aangekondigde nieuwe verbond wordt hier tegenover een oud verbond geplaatst. Dit oude verbond is het Mozaïsche verbond der wet, dat gesloten werd bij de verlossing uit Egypte. Dit betekent in de eerste plaats, dat het oude verbond der wet plaats zal moeten maken, voor het nieuwe. Anders gezegd: het nieuwe verbond zal het oude moeten vervangen! Wanneer het nieuwe verbond in werking treedt moet het oude dus opgeheven zijn. En dat natuurlijk op wettige basis! Dat is per slot van rekening toch het commentaar wat de Hebreeënbrief op dit Schriftgedeelte geeft:

    “Als Hij zegt.. Een nieuw verbond, zo heeft hij het eerste oud gemaakt, dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning”. Zie Hebr. 8: 7-13.

    In de tweede plaats betekent dit, dat het nieuwe verbond evenals het oude van toepassing zal zijn op Israël. Wanneer we slechts dit Schriftgedeelte bestuderen. komen we tot de conclusie, dat het nieuwe verbond beloofd werd aan alle twaalf stammen van Israël. In de derde plaats betekent dit, dat het in werking treden van het nieuwe verbond, evenals het oude, gepaard zal gaan met de verlossing van Israël uit haar ballingschap!

  3. De zinsnede “Welk Mijn verbond zij vernietigd hebben” is duidelijk genoeg. Wanneer de Schrift leert, dat de Heer Zelf door middel van de scheidbrief en door middel van Zijn dood een eind gemaakt heeft aan het oude verbond, is dat slechts de bevestiging van het feit, dat Israël door haar ontrouw zelf reeds eerder dit verbond vernietigd had.
  4. Van het oude verbond ‘ wordt hier gezegd, dat de Heer daardoor Israël getrouwd had. Wanneer nu een nieuw verbond ter vervanging van het oude wordt aangekondigd, betekent dat, dat het voorgaande huwelijk beëindigt zou zijn, en dat een nieuw huwelijk tot stand zou komen. Laten we de feiten op een rij zetten. Het oude verbond was gegeven door de Heer, het was van toepassing op Israël, en was volgens de Schrift een huwelijk. Het nieuwe verbond moet het oude vervangen, het wordt gegeven door de Heer, het is van toepassing op Israël. De conclusie is dus, dat ook dit nieuwe verbond een huwelijksverbond is tussen de Heer en Israël
  5. Van het nieuwe verbond wordt vervolgens gezegd, dat het “na die dagen…” gemaakt zal worden.”Die dagen” zijn uiteraard de dagen van het oude verbond wat zou moeten verdwijnen. Nu is het duidelijk, dat het oude verbond uiteindelijk opgeheven werd door de dood van de Heere Jezus, zodat het nieuwe verbond niet voor de kruisiging van de Heer in werking kon treden! Deze waarheid verklaart het merkwaardige verschijnsel, dat de Heer bij Zijn leven Zijn discipelen zo dikwijls vermaande om toch vooral niet te spreken over wat zij hoorden en zagen, terwijl dat wel mocht en gedaan werd na Zijn opstanding. Het ging in die dagen immers om de prediking van een nieuw verbond en een nationaal herstel van Israël. Doch dit nieuwe verbond en dit nationale herstel waren slechts mogelijk na de dood en opstanding van de Heer Zelf, die gekomen was.

    “..onder de wet”, opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou.” Gal. 4: 5.

    Want eerst moest het oude verbond wettig beëindigd worden, alvorens het nieuwe het oude kon vervangen.

  6. Met “het huis van Israël” zou “na die dagen” het nieuwe verbond gemaakt worden. In tegenstelling tot vers 31 spreekt vers 33 niet meer apart over het huis van Juda, maar alleen nog over het huis van Israël. Dat betekent, dat de naam Israël hier niet meer beperkt toegepast wordt op de 10 stammen, maar universeel op alle 12 stammen. Op geheel Israël dus. Daaruit kan de conclusie getrokken worden, dat de 2 stammen der Joden onder het nieuwe verbond weer verenigd zullen worden met de in Assyrische ballingschap afgevoerde 10 stammen. Zij zullen dus samen weer een natie vormen onder het nieuwe verbond.
  7. De wet van het oude verbond was geschreven op stenen tabletten, stenen tafelen. Zij was “zwart op wit” in steen gegraveerd, en werd aan Israël, de bruid, voorgehouden en opgelegd. Vandaar dat de Schrift de wet.een juk noemt. Israël ging gebukt onder een wet, die ze onmogelijk kon houden. De wet behelsde immers Gods normen en was daarom wezensvreemd aan de natuurlijke mens. Van het nieuwe verbond wordt echter gezegd, dat de Heer die niet op zal leggen, maar ”in hun binnenste geven”. Zij zal niet geschreven zijn op stenen tafelen, maar “in hun hart”. Dat betekent, dat het nieuwe verbond geen opgelegd juk is, maar juist aansluit bij het wezen van hen die aan dat verbond deel hebben. Dat komt niet omdat God Zijn normen verlaagd heeft. Nee, het komt omdat het hier om andere mensen gaat. Want de natuurlijke mens heeft die wet uiteraard niet in zijn binnenste. Het gaat dus niet om de natuurlijke mens, maar om wedergeboren mensen. Zij hebben door geloof nieuw leven ontvangen in Christus en zijn daarom bevrijd van het oude verbond en hebben deel gekregen aan het nieuwe.
  8. De uitspraak ‘ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn” wordt hier gebezigd in verband met het nieuwe verbond. Maar zij is ontleend aan het oude! Dat begint in de aanhef immers met: “ik ben de Heere uw God, Die…..” Onder het oude verbond was de Heere al de God en Echtgenoot van Israël. Van het nieuwe wordt hier hetzelfde gezegd. De Heere zal opnieuw de God en Echtgenoot van Israël zijn. En Israël zal Gods volk zijn. Onder het oude verbond zei de Heer al tot Israël:

    “indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken… En gij zult Mij.. een heilig volk zijn. Ex. 19: 5, 6.

    Het nieuwe verbond bevestigt deze oude belofte. De Heere weer de God van Israël, en Israël weer Gods volk. Onder het oude verbond was dit de formulering van een huwelijksrelatie. Onder het nieuwe is het dat dus eveneens.

  9. Onder het nieuwe verbond zal Israël de Heer kennen. Van hun kleinste af tot hun grootste toe. Dit betekent niet dat Israël een volk van theologen zal worden. Nee, het wil zeggen, dat Israël als de echtgenote gemeenschap zal hebben met haar Man. Het hier gebruikte Hebreeuwse woord voor “kennen” is niet slechts de uitdrukking van intellectuele kennis, maar van gemeenschap.”Kennis hebben aan” is in de taal van de Bijbel hetzelfde als “gemeenschap hebben met”.Abraham (be)kende zijn huisvrouw, zegt de Schrift. En zo zal ook Israël haar Heer kennen. Zij zal gemeenschap met Hem hebben. Natuurlijk behoorde dat ook onder het oude verbond het geval te zijn. De Heer wilde gemeenschap hebben met Israël. Maar ditzelfde hoofdstuk leert, dat Israël daartoe nimmer bereid was:“Keer weder o jonkvrouw Israëls.Hoe lang zult gij u onttrekken gij afkerige dochter? Want de Heere heeft wat nieuws op aarde geschapen de vouw zal de man omvangen. Jer. 31 : 22.Israël onttrok zich. Israël was afkerig. Israël wilde haar Man niet omvangen. “De vrouw Isebel”, wier naam vertaald wordt met “zonder bijwoning” of ”de onaangeraakte” is in de Schrift dan ook een type van Israël onder het oude verbond! Maar de Heer beloofde hier iets nieuws te zullen scheppen, nl. dat de vrouw de man zal omvangen. Daarbij wordt gezegd, dat die vrouw Israël is. En Wie de Man is, is zo langzamerhand wel duidelijk. Israël zal dus haar Heer alsnog kennen. Alsnog tot gemeenschap komen. Niet zozeer door verandering van gedachten, maar door een scheppingsdaad van de Heer Zelf. Want zo zegt vers, 22 het. Pas na haar wedergeboorte zal Israël tot die gemeenschap met de Heer komen. Dan zal ze Hem alsnog leren kennen. Eerst zal zij een nieuwe schepping moeten worden om onder het nieuwe verbond geplaatst te kunnen worden.
  10. Daarmee is ook het volgende punt verklaard. Dat punt is, dat de Heer de ongerechtigheid en zonden van Israël niet meer zal gedenken, omdat Hij die vergeven heeft. Vergeving van zonden is er echter slechts voor degene, die zich in geloof tot de Heer wendt. Want:“… degene, die niet wekt (onder de wet), maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”  Rom. 4: 5  Geloof wordt gerekend tot rechtvaardigheid. Wanneer Israëls zonden vergeven zijn en aan hun ongerechtigheden niet meer gedacht zal worden, dan hebben we van doen met een gelovig en wedergeboren Israël. Een Israël dat een nieuwe schepping geworden is. Een Israël dat “de man omvangen” zal. Kortom, een Israël dat deel heeft gekregen aan het haar beloofde nieuwe verbond. Deze uitgebreide uiteenzetting in Jer. 31 wordt uiteraard bevestigd in andere Schriftgedeelten. In de eerste plaats vinden we een aankondiging van het nieuwe verbond in hetzelfde hoofdstuk als waarin de Heer Zich persoonlijk richtte tot Zijn toenmalige overspelige vrouw:

    “Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.. niet uit uw verbond. Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten en gij zult weten, dat Ik de Heere (Jehova) ben…  Ez. 16: 60-62.

In deze woorden beloofde de Heer in de toekomst weer te zullen denken aan het verbond met Israël in de dagen van haar “ jonkheid”. En in plaats van dat oude verbond van de Sinaï zou de Heer een nieuw verbond met Israël oprichten, dat ditmaal heel uitdrukkelijk eeuwig zal zijn. In dit hele hoofdstuk gaat het om Israël als de vrouw onder het oude verbond, dat verbroken werd. Wanneer nu gesproken wordt over een nieuw verbond dat eeuwig zal zijn, gaat het uiteraard weer om een huwelijk. Een eeuwig huwelijk. En wie is nu de bruid?

Een paar hoofdstukken verder (Ez. 37) vinden we eerst een profetie over de toekomstige bekering en wedergeboorte van Israël, gevolgd door een profetie over het weer samen komen van de 10 en de 2 stammen. Deze hereniging van Israël en Juda vinden we tevens genoemd in Jeremia:

“… zullen de kinderen Israëls komen zij en de kinderen van Juda te samen… zij zullen komen en de Heere toegevoegd worden met een eeuwig verbond”  Jer. 50 : 45.

Deze dingen komen precies overeen met wat we gezien hebben in Jer. 31. Hier in Ez. 37 wordt deze dubbele profetie besloten met de woorden:

“En ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn… en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.. en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn”.  Ez. 37: 26-28.

Het nieuwe verbond wordt hier een “eeuwig verbond” genoemd, en tevens een “verbond des vredes”. Het is het verbond waarop immers het toekomende vrederijk vanuit Israël gebaseerd zal zijn. Het vrederijk met als koning Jezus Christus, de Zoon van David, wiens naam in dit hoofdstuk in dit verband genoemd wordt.

Voorts zeggen deze verzen, dat de Heer “in het midden van” Israël zal wonen. Anders gezegd: Israël zal de Heer omvangen. Het zijn termen, die de uitdrukking zijn van de huwelijksgemeenschap. Daarom staat er ook uitdrukkelijk, dat Israël door de Heer weer “Mijn Volk” (Ammi) genoemd zal worden! Israël weer Gods volk zoals eens onder het oude verbond. En wie is nu de bruid?

Wanneer op zijn beurt de profeet Jesaja profeteert over het nieuwe verbond, vinden we bij hem precies dezelfde gedachten terug. Ook hier wordt het nieuwe verbond gecontrasteerd met het oude. Maar bij de herinnering aan het verleden zegt de profeet tot Israël:

“Vreest niet, want gij zul niet beschaamd worden, en wordt niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten, en de smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken. Want Uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser.. Want de Heere heeft u geroepen als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd hoewel gij versmaad zijt geweest zeg uw God…” Jes. 54: 4-6

Deze woorden worden uitgesproken in verband met de toekomstige ontmoeting tussen de Heer en Israël op de Olijfberg (zie Jes. 53). Israël heeft alle reden om zich te schamen bij de confrontatie met de Echtgenoot “harer jonkheid”, vanwege haar ontrouw. Doch reeds hier kondigde de Heer aan, dat twee dingen niet meer herdacht zullen worden: In de eerste plaats de schaamte harer jonkheid. Dit betreft natuurlijk de ontrouw en de daaropvolgende scheiding, die uitgesproken werd over een deel van Israël: het betreft de terzijdestelling van de 10 stammen.

In de tweede plaats zal niet meer gedacht worden aan “de smaad uws weduwschaps”. Want het tegenwoordige Jodendom, als afstammend van de 2 stammen onder de naam van Juda, is feitelijk weduwe door de “dood des Heeren”. Door die dood werd immers juist het huwelijk van het oude verbond beëindigd. Deze dingen zullen echter vergeten worden, omdat Israël op het moment van die ontmoeting een nieuwe schepping geworden is. Israël is dan wedergeboren. Israël is dan opnieuw tot volk van God gemaakt. En Wie is de Maker?

“Uw Maker is uw Man..” Jes. 54: 5

Israëls Maker is Israëls Echtgenoot! Hij Die Israël in het verleden maakte was toen Israëls Echtgenoot. En Hij Die Israël in de toekomst opnieuw zal verzamelen uit alle volken en weer tot Zijn volk zal maken is wederom de Echtgenoot van Israël. Hij zal Israël opnieuw roepen “als een verlaten vrouw”, als vrouw, die ooit door haar Man was weggezonden met een scheidbrief. Als vrouw die “versmaad geweest” was. De Heer zal opnieuw Zijn “huisvrouw der jeugd” roepen, om een nieuw verbond met haar te sluiten. Een “verbond des vredes” (vs. 10), een “eeuwig verbond” (55: 3). Een vredig huwelijk, een eeuwig huwelijk. En wie is nu de bruid?

EEN NIEUW HUWELIJK

Zoals we gezien hebben presenteert de Schrift het nieuwe verbond steeds als de vervanging van het oude. Daarbij wordt dikwijls sterk de indruk gewekt, alsof het nieuwe verbond in feite een herstel is van het oude. Dit is echter beslist niet het geval. De Mozaïsche wet is definitief vervuld en beëindigd door de dood en opstanding van Christus, hetgeen het ondenkbaar maakt, dat zij opnieuw zal worden ingevoerd. Ook het van het oude verbond werd op dezelfde wijze definitief beëindigt. En zegt het oude verbond niet zelf, dat zo’n beëindigd huwelijk niet hersteld kan of mag worden? Voor de goede orde: Een huwelijk, dat door de dood ontbonden wordt kan simpelweg niet hersteld worden. Maar een dat via de scheidbrief getermineerd werd kan wel degelijk hersteld worden. Doch de Mozaïsche wet verbiedt het. Daarin is slechts overspel grond voor echtscheiding. D.w.z. dat de man zijn vrouw mag wegzenden nadat zij “eens anderen mans” is geworden. Waarna de wet zegt:

‘Zo zal haar eerste man die haar heet laten gaan haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden, want dat is een gruwel voor het aangezicht des Heeren; alzo zult gij het land niet doen zondigen..”. Deut. 24: 4.

Een rechtmatig verbroken huwelijk kan en mag volgens dit recht dus nooit herstel worden! Daardoor zou “het land zondigen”. Deze laatste opmerking laat zich alleen verklaren wanneer we ons realiseren, dat bij deze wetgeving in de eerste plaats gedacht werd aan het huwelijk tussen de Heer en Israël. Dat huwelijk zou op rechtmatige gronden via de scheidbrief beëindigd worden, waarna een herstel onmogelijk zou zijn. Sommigen gebruiken dit wetsartikel als argument voor hun opvatting, dat Israël dus in de toekomst nooit de bruid kan zijn. Dat klinkt natuurlijk vrij logisch, maar wat doen we dan met alle reeds hiervoor aangehaalde Schriftgedeelten?

De moeilijkheid schuilt hier slechts in ons eigen gebrekkige taalgebruik. Gemakshalve spreken wij soms over een herstel van dit verbroken huwelijk, doch de Schrift doet dit niet. Het oude huwelijk wordt niet hersteld, doch er komt een heel nieuw . Let wel: een ander huwelijk met een andere Bruidegom en een andere Bruid! Want wat de Schrift leert is, dat de eerste Bruidegom stierf aan het kruis van Golgotha, om vervolgens op te staan uit de dood als de Eersteling van een nieuwe schepping. En eveneens leert de Schrift dat Israël, voordat zij in de toekomst de bruid zal zijn, zal sterven, om vervolgens wedergeboren te worden.

Zowel de bruid als de Bruidegom hebben de weg van dood en opstanding achter zich. In zekere zin zijn zij dezelfden gebleven. Maar in andere zin  zijn zij volkomen nieuw geworden door wedergeboorte. Zij zijn beiden door dit proces een nieuwe generatie geworden. En daarom spreekt de Schrift niet over een hersteld huwelijk, maar over een nieuw huwelijk! De apostel Paulus was als een van “degenen, die de wet , verstaan” (Rom. 7 : 1) uitstekend van dit principe op de hoogte. Schrijvend aan gelovigen uit de Joden betoogt hij:

“Maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt, Zo dan, mijn broeders, gij zijt OOK de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen Die van de doden opgewekt is…”  Rom. 7 3, 4.

Niet alleen de Heer, maar ook de gelovige Israëliet is gestorven en van de doden opgestaan door wedergeboorte. Het doel daarvan is volgens de apostel, dat de gelovige Israëliet zich onder het nieuwe verbond laat verbinden met de opgewekte Christus! Het gaat er nu om, dat we zien, dat beide partijen in feite een geheel nieuwe generatie zijn.

Dit verklaart ook het merkwaardige verschijnsel, dat de profeet Hosea ten tweede male een -vrouw der hoererijen” moest trouwen, en haar kocht op de markt (Hos. 3: 1 en 2). Niemand betwist nu, dat deze tweede vrouw van Hosea dezelfde was als zijn eerste vrouw Gomer (Hos. 1 : 2 en 3). Hosea’s eerste huwelijk leed, als type van de verhouding tussen de Heer en Israël, schipbreuk en eindigde in een scheiding. Doch het werd hersteld. En hoewel niemand dit feit betwijfelt, wordt de naam van deze tweede vrouw niet vermeld. Het was Gomer, maar het staat er niet! Want voor de typologische verklaring van deze geschiedenis dienen wij te weten, dat het nieuwe huwelijk van de Heere niet gesloten zal worden met hetzelfde, maar met een wedergeboren Israël

En daarmee hebben we tevens een taalkundig probleem verklaard. Het Hebreeuwse woord “KaLaH” wordt namelijk met twee verschillende Nederlandse woorden vertaald. Het komt 34 maal in de Schrift voor waarbij het 17 maal vertaald wordt met “schoondochter”, maar ook 17 maal met “bruid”! Volgens het woordenboek heeft het dus twee verschillende betekenissen. Het punt is echter, dat dit geen twee betekenissen zijn maar dat “bruid” en “schoondochter” in wezen identieke begrippen zijn

Een weinig nadenken over deze twee woorden leert ons, dat het verschil tussen beide slechts een generatieverschil is. “Mijn schoondochter” is immers de “bruid van mijn zoon”! De Bijbel maakt dus blijkbaar geen duidelijk onderscheid tussen mijn bruid en die van mijn zoon. Ze worden met hetzelfde woord aangeduid! Dit laat zich alleen verklaren, indien wij zien dat het niet gaat om menselijke zaken maar om Goddelijke! Want de “bruid des Heeren is dezelfde als “de bruid van Zijn Zoon” (Zijn schoondochter). Deze verklaring van dit Hebreeuwse woord bewijst dan tevens dat de bruid van het oude verbond identiek is aan de bruid van het nieuwe verbond. In beide gevallen gaat het uiteraard om Israël.

Het zal u nu niet meer verbazen te vernemen, dat “CHaTaN”, Hebreeuws voor “bruidegom”, eveneens vertaald wordt met “schoonvader” of “schoonzoon”. Daarbij moeten we bedenken, dat het voorvoegsel “schoon-” duidt op aangetrouwde of “aan te trouwen” familie. Uitgaande van de bruid in de jongste generatie is de schoonvader nu de vader van de bruidegom. Vader en Zoon worden als identiek beschouwd! En uitgaande van de bruid in de oudste generatie is de schoonzoon de zoon van de bruidegom. Als Vader en Zoon worden ze met hetzelfde woord aangeduid. Is het niet frappant om te zien, dat zelfs de taal van de Bijbel al bevestigt, dat het met twee generaties te maken heeft. Niet het menselijk Huwelijk uiteraard, maar dat van de Heer! De Bruid is gelijk aan de Bruid van de Zoon en de Bruidegom is gelijk aan de Bruidegom van de dochter.

Wanneer we zien, dat Israël onder het oude verbond de bruid van Jehova was, dan leert alleen al het Hebreeuwse woord voor “bruid” ons, dat de vrouw van het nieuwe verbond eveneens Israël moet zijn.

Want de bruid van de Vader is dezelfde als de bruid van de zoon. Beiden zijn “KaLaH”.

Dit kleine Hebreeuwse woord wordt overigens ook gebruikt als werkwoord. het heeft dan de betekenis van – voltooien, “voleindigen- of ook wel “vervullen”. Dat komt omdat het is afgeleid van de wortel “KoL”, die “alles” of “einde” betekent. Daarmee is dan weer vastgesteld, dat wanneer de bruid definitief verschijnt, dit voor altijd, voor eeuwig zal zijn. Dan is er immers sprake van een einde! Van een voltooiing. Van een vervulling. Het nieuwe verbond is dan ook de vervanging van het oude. Daarom is het tevens een eeuwig verbond. En het koninkrijk wat op dat verbond des vredes gebaseerd is, is dan ook een eeuwig vrederijk! Bovendien is het ook zo, dat de -bruid, de vrouw des Lams- getoond zal worden aan het eind van de heilshistorie. Maar dat vinden we in het Nieuwe Testament.

EEN NIEUW JERUZALEM

Wanneer we onze studie nu voortzetten in het Nieuwe Testament, dienen we ons te realiseren, dat het Oude slechts over een gelovig en wedergeboren Israël spreekt als over de bruid. De bruid van de bruiloft, die gevierd wordt bij het in werking treden van het nieuwe verbond, dat aan Israël beloofd was op voorwaarde van bekering! De identiteit van de Bruidegom is daarbij niet twijfelachtig. Het is de beloofde Messias van Israël. De beloofde Christus van Israël. Om te weten wat het Nieuwe Testament over de Bruid in deze zin leert, moeten we natuurlijk alle Nieuw Testamentische Schriftplaatsen nazoeken, waarin het woord Bruid gebruikt wordt! Het lijkt heel wat, maar het is vlug gebeurd. De eerste keer vinden we een bruid genoemd door Johannes de Doper:

“Die de bruid heeft is de Bruidegom” Joh. 3: 21.

Met Bruidegom, bedoelt hij kennelijk de Heere Jezus. Zichzelf noemt hij in dit vers”de vriend des Bruidegoms”. Wie de bruid is wordt hier niet vermeld. Waarom ook? De identiteit van de bruid is immers bekend! De bruid zou het gelovige, wedergeboren, Israël zijn. Doch het Israël van Zijn dagen zou nog moeten sterven. De bijl lag aan de wortel van de boom. De wortel van de vijgeboom. Johannes wist, dat hij in zijn leven de wedergeboorte van Israël niet meer zou meemaken, en rekent zich dus ook niet tot de bruid. Hij is slechts” de vriend des Bruidegoms”.

De tweede keer, dat een bruid in het Nieuwe Testament genoemd wordt is in… Openbaring! Ja, inderdaad. Nergens in de brieven wordt er ooit over de bruid gesproken. Niet in die van Paulus en zelfs niet in die van de andere apostelen zoals Petrus of Jakobus. En ook de Heer Zelf heeft nooit gesproken over de bruid. Eerst in het laatste Bijbelboek, bij de vervulling en voltooiing (KaLaH) van de Schrift en de heilshistorie komt de bruid weer ter sprake:

“De stem eens bruidegoms en ener bruid zal in u (de stad Babylon) niet meer gehoord worden.”  Op. 18: 23.

Dit vers noem ik slechts volledigheidshalve. Want wat de betekenis ook is, het heeft niets van doen met de vereniging van de Heer en Israël of die van de Heer en de Gemeente. Het gaat om Babel, en niet om Jeruzalem. Wanneer bruid en bruidegom hier werkelijk ook overdrachtelijk bedoeld zijn, gaat het om de eenwording van staat en godsdienst, waarvan Babel altijd het type en de voorvechter is geweest.

“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Op. 21:2

“Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams… en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem… Op. 21:9

Deze verzen gebruiken het woord bruid voor de derde en vierde maal in het Nieuwe Testament. Het zijn tevens de enige twee verzen, waarin gezegd wordt wie of wat de bruid is. Laten we ons dat toch vooral realiseren. Dit zijn geen zorgvuldig geselecteerde Schriftplaatsen ter ondersteuning van een bepaalde theologie of persoonlijke mening. Er bestaan eenvoudig geen andere Schriftplaatsen, die over de bruid spreken. In het hele Nieuwe Testament zijn het slechts deze twee. En ze verklaren ten overvloede wie die bruid is. Het is het nieuwe Jeruzalem. Jeruzalem is de naam van “de stad Davids”. Het is de stad, waar de dynastie van David gevestigd is. Waar de troon van David behoort te staan. Het is in de eerste plaats de troon over Israël. Jeruzalem is de hoofdstad van Israël. En zowel in het Oude Testament als in Openbaring is Jeruzalem daarom de vertegenwoordigster van Israël. Dit nieuwe Jeruzalem wordt hier in een visioen gezien in haar verschijning op de nieuwe aarde. Op een nieuwe schepping!

Het gaat om een wedergeboren aarde. Een wedergeboren Israël. En dus ook om een wedergeboren stad. Een stad die een nieuwe schepping geworden is. En zoals dat gaat met elke nieuwe schepping, verschijnt zij in plaats van de oude. Zoals elke nieuwe schepping is zij tot stand gebracht door de Schepper Zelf. Dit Jeruzalem vervangt het oude Jeruzalem, dat door mensenhanden gebouwd werd op een oude schepping onder het oude verbond. Dit nieuwe Jeruzalem is gebouwd door de Schepper Zelf, het is daarom afkomstig uit de hemel en daalt neer op een nieuwe schepping en onder het nieuwe verbond. Het nieuwe verbond tussen de Heer en Israël. AI deze dingen sluiten voortreffelijk aan bij wat we gelezen hebben in de oudtestamentische profetieën aangaande dit nieuwe verbond. Hier vinden we de bruid (KaLaH). Hier vinden we de voltooiing (KaLaH) van de heilshistorie. Daarop behoort de verwachting van deze wereld gericht te zijn. Op de komst van deze nieuwe schepping. Op de verschijning van de Bruidegom en de Bruid. Vandaar dat dit laatste Bijbelboek voor de vijfde en laatste maal in het N.T. dit woord gebruikt in de zinsnede:

“En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort zegge: Kom! En die dorst heeft kome,. en die wil, neme het water des levens om niet,”  Op. 22: 17.

De vertoning van de Bruid, in de vorm van het nieuwe Jeruzalem, geschiedt na de 1000 jaren en het verdwijnen van de oude aarde en de oude hemel Zie Op. 20: 7 t /m 15). Dit is in overeenstemming met het Bijbelse gebruik, dat de bruid pas na de bruiloft vertoond wordt. Hier moet ik zonder verdere uitleg een beroep doen op kennis van de profetieën. Wanneer Israël tot geloof en wedergeboorte komt, zal de Heer Zich aan hen openbaren om over hen en vervolgens over de andere volkeren Zijn aangekondigde koninkrijk op te richten. Dit geschiedt zoals we gezien hebben op grond van het nieuwe verbond, dat immers in werking treedt, wanneer Israël tot geloof komt. Dat is wat de profeten verkondigden.

Nu leert de Bijbel, dat na de wederkomst van Christus er eerst een periode van 1000 jaren zal passeren, waarin het nieuwe verbond van kracht is, en waarin dus Christus zal regeren. Pas na die 1000 jaar zal deze oude aarde verdwijnen om plaats te maken voor de nieuwe schepping, waarop het nieuwe Jeruzalem zal nederdalen. Er ligt dus een periode van minstens 1000 jaar tussen het maken van het nieuwe verbond met Israël en het tonen van de bruid. Deze periode kan niets anders zijn dan de bruiloft. Dit 1000-jarige koninkrijk van Christus in Israël valt immers onder het nieuwe verbond, maar gaat aan het tonen van de bruid vooraf. Daarom is het de bruiloft! En Vandaar, dat de enige aankondiging van het begin van de bruiloft vermeld wordt, wanneer Christus zojuist Zijn koningschap heeft aanvaard. Want als Zijn regering begint, begint de bruiloft. Vanwege de duidelijkheid citeer ik nu uit de vertaling van het N.B.G.:

“En ik hoorde een stem… zeggende: Hallelujah! Want de Heere, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heet zich gereed gemaakt…”  Op 19: 6, 7.

Het begin van de regering van Christus in Jeruzalem over de volkeren is het begin van de bruiloft. De bruiloft is dus evenals de Bruidegom en de Bruid op aarde en duurt 1000 jaar. Deze 7de 1000 jaar uit de heilshistorie zijn in feite een sabbat. En zoals elke Jood behoort te weten is elke sabbat een bruiloft. Bij de aanvang van de sabbat zingt men in het Hebreeuws in een orthodoxe synagoge:

  • “Kom mijn vriend, de bruid tegemoet! Laat ons de sabbat begroeten… Treedt binnen in vrede (!) gij sieraad uws mans; Treedt binnen in vreugde en met jubel; Bij de trouwen van Israël, het eigene volk, Treedt binnen o bruid, treedt hier binnen!”  Uit: S. Ph. de Vries, Joodse riten en symbolen

Na deze bruiloft, deze 1000-jarige sabbat, is het wachten op het tonen van de bruid, die de vrouw geworden is. Welnu, dat vonden we reeds in Op. 21.

DE GEMEENTE EN HET NIEUWE VERBOND

Onze studie betreffende de relatie tussen de Heer en Israël, zoals die geregeld werd door respectievelijk het oude en het nieuwe verbond, zou hiermee ten einde zijn, ware het niet, dat de positie van de nieuwtestamentische gemeente dikwijls gezien wordt als die van de bruid. De profetieën omtrent de toekomende -bruiloft des Lams” worden dan van toepassing geacht en gebracht op de Gemeente. De praktische consequentie daarvan is, dat de Gemeente dus de positie in neemt van een jonge vrouw die zich gereed maakt om haar Bruidegom te ontmoeten.

Ongetwijfeld is dit een opvatting, die wegens haar romantische karakter velen aanspreekt. Maar waar vinden we in de gemeentelijke brieven dergelijke dingen onderwezen? Zoals gezegd wordt de bruid daarin absoluut niet genoemd, terwijl de gedachte, dat de gelovige op enige wijze zichzelf zou hebben te bereiden voor een ontmoeting met Christus, in strijd is met de leer van Paulus. Zijn geïnspireerde brieven leren, dat wij als gelovigen een ontmoeting met Christus gehad hebben en sindsdien leven in gemeenschap met Christus. Als dat juist is, kan de gemeente op generlei wijze de bruid zijn, aangezien gemeenschap is voorbehouden aan de getrouwde vrouw en niet aan iemand die dat binnen zekere tijd hoopt te worden!

De leer, dat de Gemeente de Bruid des Lams zou zijn is daarom tegelijkertijd de ontkenning van de gemeenschap die wij als Christenen reeds nu met Christus hebben. En heus, dat is geen getheoretiseer, maar zeer praktische realiteit. De vraag is: Hebben wij reeds nu gemeenschap met Christus, of krijgen wij als gelovigen die pas in de toekomst ter gelegenheid van de wederkomst van Christus? Het is een vraag, waarvan het antwoord ons dagelijks leven als gelovigen uiteraard direct beïnvloedt.

Nu is het een eenvoudige zaak, om vast te stellen dat de leer van de Gemeente als bruid, niet berust op een directe Bijbelse bevestiging. Waar zij verdedigd wordt, wordt zij afgeleid van de wel degelijk expliciete Bijbelse leer, dat de Gemeente het lichaam van Christus is. We vinden dit zo’n 24 keer in het Nieuwe Testament genoemd! Maar in de praktijk blijkt men vaak moeite te hebben om het lichaam van de man te onderscheiden van zijn bruid of vrouw.

Hoe is dat mogelijk? Wel, eenvoudig omdat alle getheologiseer door de eeuwen een doolhof gecreëerd heeft, waar slechts weinigen meer uitkomen. Kort gezegd komt het er op neer, dat men geleerd heeft, dat de kerk of de gemeente, in de plaats gekomen is van Israël, dat indertijd door God terzijde gezet is. Daarom wordt de Gemeente ook dikwijls het “geestelijk Israël” genoemd. Een term die overigens niet zo on-Bijbels is als zij lijkt, ware het niet, dat men naast het “geestelijk Israël” geen plaats in de theologie heeft overgelaten voor het natuurlijke Israël

Het natuurlijke Israël heeft men dus definitief weggeredeneerd om vervolgens de meeste profetieën en alle beloften aangaande Israël toe te rekenen aan de kerk! En aangezien onomstotelijk vaststaat, dat de Bijbel een gelovig Israël kent als de bruid, gelooft men dan, dat deze profetieën niet van toepassing kunnen zijn op een verworpen Israël en schrijft men ze dus toe aan de kerk, die voor Israël in de plaats zou zijn gekomen. En langs die weg werd de Gemeente tot Bruid! In en paar woorden samengevat: de bruid is Israël en Israël is slechts de kerk.

Natuurlijk heeft deze opvatting ergens een kern van waarheid. Zij kan echter slechts bestaan dankzij een volkomen wegredeneren van het natuurlijke Israël. Het eigenaardige is nu, dat deze leer over de Gemeente als bruid bijna uitsluitend gepredikt wordt onder hen, die de wederkomst van Christus verwachten, teneinde Zijn 1000-jarig rijk op te richten. Het bijzondere daarvan is, dat de leer aangaande een millennium juist betrekking heeft op het natuurlijke Israël. En wanneer we in onze toekomstverwachting ruimte hebben voor het natuurlijke Israël, dan is uiteraard Israël de bruid. Moeten we de profetieën letterlijk nemen? Moeten we geloven in een herstel van Israël en de troon van David? Dan moeten we consequent zijn, en geloven in Israël als de Bruid van het Lam. Het Lam, staande als geslacht, de Leeuw uit de stam van Juda (zie Op. 5: 5 en 6). De Messias van Israël.

Maar welke was die kern van waarheid? Hoe komt men er dan toe, om de beloften voor Israël toe te rekenen aan de gemeente? Uiteraard is dit niet de vraag naar de reden, waarom deze leer zoveel mensen aanspreekt. Nee, het is de vraag naar de Bijbelse grond van de leer, dat het “bruidschap” van Israël toegerekend wordt aan de gemeente. Tot op zekere hoogte is die grond namelijk aanwezig. Want wie was -de eerste, die de profetieën omtrent Israël en het nieuwe verbond toepaste op de Gemeente? Dat was “onze geliefde broeder Paulus-, met wie de apostel Petrus zoveel moeite had (2 Petr. 3 :15 en 16). Theologen, die profetieën “vergeestelijken” zijn daarom in goed gezelschap. Alleen vrees ik, dat de meesten niet veel van Paulus methode van verklaring van de profetieën begrepen. Hier raak ik natuurlijk een onderwerp, waarover we niet snel uitgestudeerd zijn, omdat het zo elementair is voor het begrijpen van de positie van de gemeente. Ook en vooral in relatie tot Israël. Toch wil ik hier een poging doen, om die methode van Paulus uit te leggen. En ook nu moet ik een beroep doen op reeds aanwezige Schriftkennis.

In het Oude Testament hebben we gezien, hoe de komst van het nieuwe verbond samenhangt met de komst van de Messias en de bekering van Israël. Deze komst van de Christus en de consequenties daarvan worden heel treffend in drie punten samengevat door de pen van Johannes:

  1. “Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt en de wereld heeft Hem niet gekend.
  2. Hij is gekomen tot het Zijne,en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
  3. Maar zovelen Hem aangenomen hebben,hen heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.”Joh. 1 :10-12.

Het eerste punt is duidelijk. De Heer kwam in de door Hem gemaakte wereld, maar die wilde Hem niet kennen. De schepping wilde geen gemeenschap met haar Schepper. Het tweede punt is, dat de Heer kwam tot het Zijne. Hij kwam namelijk tot Zijn volk. Hij kwam tot Zijn “huisvrouw der jeugd”. Maar ook zij weigerde gemeenschap met Hem te hebben. Niet alleen voor Zijn dood, maar, ook na Zijn opstanding. We vinden die geschiedenis vermeld in Handelingen.

Dit betekent echter, dat het aangekondigde nieuwe verbond wegens ongeloof van degene aan wie het beloofd was, niet in werking kon treden. Want nogmaals, het nieuwe verbond werd nooit beloofd aan iets of iemand anders dan Israël En dat op grond van geloof! We hebben dat reeds besproken. De vraag die nu rijst, is: Hoe zit het dan met degenen, die wel tot geloof kwamen. Want niet Israël, maar wel enige Israëlieten en zelfs ook heidenen kwamen tot geloof. En dat is het derde punt. Zovelen hem aangenomen hebben zijn kinderen Gods geworden.

Nu is dat laatste bepaald niet onbekend, maar het gaat me nu om de gevolgen daarvan. Wat beloofd werd, was dat heel Israël door haar wedergeboorte geplaatst zou worden onder het nieuwe verbond, waardoor zij de bruid zou zijn van een nieuw huwelijk. Doch niet heel Israël, maar slechts enkelingen kwamen tot geloof. Wat  met hen zou gebeuren was feitelijk niet geprofeteerd. Maar Johannes zegt hier, dat zij -kinderen Gods” worden door wedergeboorte uit God Zelf (1 : 13). Zij gingen niet behoren tot “de bruid, de vrouw des Lams”, maar zij werden kinderen Gods.

Het is de apostel Paulus, die dat later toelicht in Rom 6 t/m 8. Hij leert daar, dat de gelovige van nu “een plant geworden is” (6: 1-9) met Christus. Hij is een geheel geworden met Christus. En aangezien Christus uit God geboren is, zijn ook de gelovigen van nu met Christus uit God geboren. Christus is de ”eerstgeborene onder vele broederen” – (8: 29; Hebr. 2: 10, 11). Wij zijn niet de bruid, of leden van de bruid, of vele bruiden, maar broederen. Wij zijn een met Christus. Wij zijn een in Christus. Inderdaad, wij hebben gemeenschap met Christus. Niet omdat wij Zijn bruid zijn. Dan zou het niet kunnen en mogen. Maar omdat we Zijn lichaam zijn.

Op deze wijze is ”hun val de rijkdom der wereld” (Rom. 11 : 12). Israël kwam nog niet tot geloof en werd nog niet de bruid. En in afwachting van de bekering van Israël, wordt de gelovige niet toegevoegd tot de bruid, maar tot het lichaam van Christus. Een van de bijzonderheden daarbij is, dat de beloften die aan Israël gedaan zijn, zo op zeer speciale wijze toegepast worden op degenen, die in tegenstelling tot Israël, wel tot geloof komen. De belofte aan Israël was: gemeenschap met de Heer op grand van het nieuwe verbond. Deze belofte wordt nu echter toegepast op de gelovige: gemeenschap met de Heer op grand van het op alle gelovigen toegepaste nieuwe verbond. De beloofde gemeenschap voor Israël was echter de grond van een . En ook de Heer is monogaam. Hij heeft werkelijk ook slechts een vrouw. Daarom is de gemeenschap van de Heer met de Gemeente niet een huwelijksgemeenschap maar een gemeenschap, zoals die functioneert in een lichaam. Het is de gemeenschap tussen het hoofd en de leden.

Het is misschien goed, om als voorbeeld weer even terug te keren naar een van de profetieën over het nieuwe verbond in het Oude Testament, die we nog niet besproken hebben. In de eerste drie hoofdstukken van Hosea, wordt op typologische wijze verteld, hoe Israël oorspronkelijk Gods volk was maar terzijde gesteld zou worden. Dit komt tot uitdrukking in de namen van enige kinderen van de profeet en Gamer, Lo-Ammi en Lo-Ruchama betekenen “Niet Mijn Volk’ en “Niet Ontfermd”. Doch direct na deze droevige tijding volgt de belofte:

“En Ik zal te te dien dage een verbond voor hen maken… en ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid. ja Ik zal Mij u ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult de Heere kennen  Hos. 2: 17-19.

Driemaal wordt herhaald, dat de Heer Israël opnieuw in ondertrouw zou nemen, waarna Israël de Heer zou kennen, namelijk gemeenschap met Hem zou hebben. De Heer zou in Israël wonen. Nu had Petrus geen enkele moeite met deze profetie. Hij schrijft “aan de vreemdelingen”, aan gelovige Joden, die nog in ballingschap zijn (1 Petr. 1 : 1). Aan hen schrijft hij:

“Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk…Gij, die eertijds geen volk (Lo-Ammi) waart, maar nu Gods volk zijt, die eertijds niet ontfermd (Lo-Ruchama) waart maa nu ontermd zijt gewoden” 1 Petr. 2: 9 10.

De apostel citeert, behalve Ex. 19: 5. de genoemde profetie van Hosea en past hem letterlijk toe op een gelovig Israël. Hij neemt de profetie dus letterlijk. Maar zoals dat vele malen het geval is, wordt ook deze profetie in het Nieuwe Testament nogmaals aangehaald, en wel door Paulus. Deze apostel betoogt, dat God in de tegenwoordige tijd “de rijkdom Zijner heerlijkheid” bekend wil maken aan en over alle gelovigen. En sprekend over die gelovigen zegt hij:

“ welke Hij ook geroepen heeft namelijk ons niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Gelijk Hij ook in Hosea zegt.. ik zal hetgeen Mijn volk niet was Mijn Volk (Ammi) noemen, endie niet bemind was Mijn Beminde (Ruchama). En het zal zijn in de plaats waar tot hen gezegd was: Gijlleden zijt Mijn Volk niet (Lo-Ammi) aldaar zullenzij kinderen des levenden Gods genaamd worden.  Rom. 9: 24-26

De apostel citeert achtereenvolgens uit Hos. 2: 22 en 1 : 10. Maar op wie past hij de profetie toe? Volgens zijn eigen woorden doet hij dat speciaal op de gelovigen uit de heidenen! Hij zegt:”ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen”. Paulus betoogt hier dus, dat “niet Mijn volk” en “niet Mijn beminde” niet slechts betrekking heeft op een terzijde gesteld Israël, maar net zo goed op de heidenen, die immers altijd al terzijde stonden!

Wanneer we echter slechts Hosea en Petrus kenden, zouden we moeten concluderen, dat Lo-Ammi en Lo-Ruchama, omdat zij kinderen waren van Hosea en Gomer slechts typen waren van Israël. De apostel Paulus geeft in zijn uitleg aan deze profetie echter een veel bredere betekenis. Hoe dan ook, terwijl volgens Hosea zelf en volgens Petrus de profetie letterlijk van toepassing is op Israël, past Paulus hem toe op de Gemeente. En dat doet hij niet alleen hier. Maar steeds wanneer hij het Oude Testament citeert, brengt hij het overdrachtelijk, of geestelijk, van toepassing op de Gemeente.

Hij doet dat welbewust en systematisch. Iedereen kan dat zelf controleren. Vergeestelijken is dan ook geen tamelijk moderne uitvinding van theologen, maar het is wat Paulus doet. Graag zou ik u mee willen nemen door Zijn brieven, om u te laten zien op welke wijze de beloften van het nieuwe verbond, die bestemd waren voor Israël, worden toegepast op de Gemeente! In dit verband heb ik daar echter niet de gelegenheid voor.

Wel moet ik nog opmerken, dat de gebruikelijke theologische praktijk van het vergeestelijken der profetieën wel degelijk verwerpelijk is. En wel in de eerste plaats, omdat vergeestelijken slechts mogelijk is dank zij de letterlijke betekenis. Als de genoemde profetie van Hosea geen letterlijke betekenis heeft, hoe kan zij dan een geestelijke betekenis hebben?

Als bomen en appelen niet bestaan, hoe kan een appel dan niet ver van de boom vallen?

En wat betekent de uitdrukking dan? Immers niets!

Hoe kan men dan profetieën geestelijk toepassen terwijl men niet gelooft in een letterlijke betekenis? De geestelijke betekenis wordt gebaseerd op de letterlijke en is daarom het tegendeel van de verwerping van de letterlijke betekenis. In de tweede plaats is het slechts mogelijk iets te vergeestelijken als men de letterlijke betekenis begrijpt. Men moet niet alleen geloven in het bestaan van bomen en appels, maar ook weten wat voor dingen dat zijn, om het spreekwoord van de vallende appel te kunnen begrijpen. Welnu, als we de letterlijke betekenis van de profetieën niet kennen of willen kennen, hoe zouden wij de geestelijke betekenis kunnen verstaan. Het zoeken naar zo’n geestelijke betekenis buiten de letterlijke om is in feite belachelijk.

Waar het nu om gaat is, dat de profetie over een tussen de Heer en Israël op grond van het nieuwe verbond, wordt toegepast op de Gemeente. Echter niet in de letterlijke, maar in een overdrachtelijk, of zo u wilt geestelijke, betekenis. Misschien zouden we beter kunnen spreken over een -verborgen- betekenis. Want dat is een van de Bijbelse uitdrukkingen voor dit verschijnsel. Het gaat immers om een betekenis, die weliswaar lag opgesloten in de raad Gods, maar

“in andere eeuwen de kinderen der mensen niet is bekendgemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard …..”  Ef. 3 : 4, 5.

Die betekenis was oorspronkelijk een verborgenheid, waarover Paulus in dit vers spreekt. Die verborgenheid is:

“dat de heidenen zijn mede-erfgenamen… en mededeelgenoten van de belofte in Christus…”  Ef. 3 : 6.

Deze verborgenheden, deze verborgen toepassingen van de profetieën, werden door Paulus geleerd en gepredikt. Slechts aan hem werden ze geopenbaard (Ef. 3: 3 e.a.). En ze hangen samen met het feit, dat”de heidenen zijn mede-erfgenamen” van de beloften die aan Israël gedaan waren. Een van die beloften was, dat de vrouw de man zou omvangen (Jer. 31 : 22). Hoe die belofte letterlijk van toepassing is op Israël hebben we reeds gezien. Hoe die belofte geestelijk toegepast wordt op de Gemeente wordt uiteraard door Paulus uitgelegd, en dient door ons onderzocht te worden.

DE GEMEENTE EN CHRISTUS

Als Israël de bruid is, wat is dan de relatie van de Gemeente tot Christus? De apostel Paulus geeft op deze vraag antwoord, nadat hij in Efeze 3 verklaard heeft, dat de verborgenheid inhoudt,

“…dat de heidenen zijn mede-erfgenamen en van hetzelfde lichaam, en mede-deelgenoten Zijner belofte in Christus…”  Ef. 3: 6.

In de daarop volgende verzen legt hij uit, hoe de roeping van Israël om het Woord van God te prediken, eveneens van toepassing is geworden op de Gemeente. In de reeds aangehaalde brief van Petrus aan gelovigen uit de Joden paste de apostel der besnijdenis deze opdracht letterlijk toe op Israël:

“… opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, Gij die eertijds geen volk (Lo-Ammi) waart, maar nu Gods volk (Ammi) zijt …”  1 Petr. 2: 9 10.

Paulus, de apostel der heidenen, geeft hiervan de toepassing op de Gemeente in de woorden:

“Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods; naar het eeuwig voornemen dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heere..”  Ef. 3: 10.

De overeenkomst is, dat zowel Israël als de Gemeente geroepen zijn tot verkondiging. Maar waar Israëls roeping verband houdt met de aarde, daar is de roeping van de Gemeente gericht op de hemel. In het vervolg van deze brief roept de apostel de gelovigen dan ook op, om te wandelen in overeenstemming met deze roeping (Ef. 4: 1-6). Een dergelijke wandel kenmerkt zich volgens hem door het praktiseren van de geestelijke gaven, die elke gelovige ontvangen heeft (vs 7). Daarbij grondt hij zich op een profetie, die hij letterlijk citeert uit Psalm 68: 19: “Daarom zegt Hij:

“ Als Hij opgevaren is in de hoogste heeft Hij de gevangenis gevangen genomen en heeft de mensen gaven gegeven”  Ef. 4: 8.

Wanneer we deze verzen in hun oorspronkelijke verband in Psalm 68 bestuderen, blijken zij te handelen over Israël, dat na haar bekering verzameld zal worden uit de ballingschap (gevangenis) en gaven zal ontvangen in het land, dat de Heer hen erfelijk beloofd heeft. Doch Paulus past deze profetie in geestelijke zin toe op de Gemeente. Want nadat wij tot geloof gekomen zijn, zijn we immers met Christus “opgevaren naar de hoogte- en gezet in het land, dat ons erfelijk beloofd is. Niet Kanaän, maar het -hemelse Kanaän, namelijk de hemel. Want daar is ons burgerschap (Fil. 3: 20).

Wij zijn

”gezet in de hemel in Christus”- (Ef. 2 : 6).

Wij zijn verlost uit onze ballingschap in de wereld. Hij heeft ons getrokken

“uit de tegenwoordige boze wereld- (Gal. 1 : 4)

en gezet in de hemel Zoals Israël wacht op haar aardse vaderland, zo hebben wij deel gekregen aan een beter, dat is een hemels vaderland (Hebr. 11 : 16);

En zoals de Heer in het midden van Israël zal wonen in Kanaän, zo woont de Heer nu in het midden van de Gemeente in de hemel (Ef. 2: 22) En zoals Israël na haar bekering geestelijke gaven zal ontvangen (Joel 2: 28-31), zo heeft de gelovige van nu geestelijke gaven ontvangen. En waartoe dienen die gaven? Dat zeggen de volgende verzen in de brief:

“Tot de volmaking der heiligen, Tot het werk der bediening tot opbouw des lichaams van Christus; totdat wij allen zullen komen Tot de enigheid des geloofs en der kennis van de Zoon Gods, Tot een volkomen Man tot de mate van de grootte der volheid van Christus.”  Ef. 4: 12, 13.

Tot vijf maal toe wordt hier hetzelfde gezegd met verschillende woorden. Op vijf verschillende manieren wordt het huidige doel van God met de Gemeente geformuleerd. Dit is, dat de heiligen, de gelovigen dus, volmaakt worden. Volmaakt als leden van het lichaam van Christus. Niet als de Bruid, maar als het lichaam van Christus! En wanneer wij die positie als leden van Zijn lichaam verstaan, dan begrijpen wij ook de “enigheid des geloofs en der kennis van de Zoon Gods”. Want door geloof zijn wij leden geworden, niet van de bruid, maar van het lichaam van Christus. En daarom kennen wij Hem. Daarom hebben wij gemeenschap met Hem. Een gemeenschap, die de bruid nog ontzegd is, maar die het deel is van de leden van Zijn lichaam. En als lichaam van Hem,

“in Wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont” Kol, 2: 9),

is de Gemeente “een volkomen Man”. Geen vrouw, geen bruid die zichzelven moet bereiden, maar “een volkomen Man”. Dat is geen interpretatie van dit Schriftgedeelte. Nee, het is precies wat hier staat!

Vervolgen wij nu deze gedachtegang van de apostel, dan komen we terecht in hoofdstuk 5 van deze brief. Het is het gedeelte, dat zonder uitzondering altijd aangewezen wordt als de Schriftplaats, die leert, dat de Gemeente de Bruid van Christus zou zijn. Maar in ieder geval hebben we al gezien, dat het woord “bruid” er niet voorkomt! Wat zegt de apostel dan wel? Hij begint met:

“Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, eerlijk aan de Heere. Want de man is het hoofd der vrouw gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.” Ef. 5: 22, 23.

Wat er staat is even belangrijk als wat er niet staat. De gedachte achter dit vers is toch duidelijk, dat er sprake is van gemeenschap. Daarom kan dit vers nooit aangehaald worden in verband met een bruidegom en een bruid. De Heer wordt dan ook niet”de Bruidegom der Gemeente” genoemd, maar”het Hoofd der Gemeente”, Als de Gemeente werkelijk de bruid zou zijn, dan had het hier inderdaad moeten staan. En alleen al het feit, dat dit niet het geval is, bewijst het tegendeel! Wat er werkelijk staat, is, dat de Gemeente het lichaam van Christus is, precies zoals in het voorgaande hoofdstuk!

Daarbij moet ik nog iets opmerken. Dikwijls wordt de redenering van de apostel volstrekt omgedraaid. Velen denken dat Paulus hier de verhouding tussen man en vrouw als voorbeeld neemt voor de verhouding tussen Christus en de gemeente. In dat geval moeten mij dan twee dingen van het hart. In de eerste plaats zou het dan in het algemeen droevig gesteld zijn met deze verhouding.

En in de tweede plaats is deze opvatting dan toch tevens de ontkenning van de leer omtrent het “bruidschap” van de Gemeente. Want als de vrouw goed en wel getrouwd is, is zij opgehouden de bruid te zijn! De werkelijkheid is echter andersom. Niet man en vrouw zijn het voorbeeld voor Christus en de Gemeente. Nee, Christus en de Gemeente zijn voorbeeld voor man en vrouw! Dat is de simpele betekenis van dit Schriftgedeelte en dus ook van het volgende vers:

Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen haar eigen mannen in alles.”  Ef. 5: 24.

Niet: de Gemeente behoort Christus onderdanig te zijn zoals de vrouw onderdanig is aan de man. Wat een vreemde situaties zouden we dan krijgen in de gemeente! Nee, zoals de Gemeente onderdanig is aan Christus, zo behoort de vrouw onderdanig te zijn aan de man. Velen zullen dat ook niet prettig vinden, maar het is nu eenmaal wat het Woord van God hier zegt. Want de Gemeente is onderdanig aan Christus. Niet als Zijn bruid, ook niet als Zijn vrouw, maar als Zijn lichaam.

Deze onderdanige positie van de Gemeente is niet het resultaat van de “zichzelven bereidende” bruid, maar van het feit, dat we “een plant met Hem” zijn geworden. Het is niet de verdienste van mijn lichaam, dat het onderdanig is aan mijn hoofd! Het is slechts het resultaat van de schepping. Evenzo is het niet de verdienste van de Gemeente, dat zij onderdanig is aan Christus. De Gemeente kan niet anders, omdat het het resultaat is van de nieuwe schepping in Christus! Deze eenheid van lichaam en Hoofd wordt als voorbeeld gesteld voor de gelovige man en vrouw. En niet andersom! Vandaar dat de apostel vervolgens uit kan roepen:

“Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw lief heeft, die heeft zichzelven lief. Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt het gelijkerwijs ook de Heere de Gemeente. Want wij zijn leden Zijns lichaams.”  Ef. 5: 28-30.

Alzo!! Zoals Christus Zijn lichaam liefheeft, Alzo wordt de man geacht zijn vrouw lief te hebben. En niemand haat zijn eigen lichaam. Ook Christus niet. Hij is “de Behouder des lichaams”. Hij is de Onderhouder van de Gemeente.

”Want wij zijn leden Zijns lichaams.”

Wat hier staat behoeft eigenlijk niet verklaard te worden. Wat er staat is, dat de Gemeente het lichaam is van de Man. Dat er liefde is van het Hoofd voor het lichaam. Dat er gemeenschap is tussen het Hoofd en het Lichaam. Want Christus is het Hoofd der Gemeente, en de Gemeente is het lichaam van Christus. Wat er staat behoeft niet verklaard te worden, tenzij we het verschil niet kennen tussen het lichaam van de man en de bruid van de man. Maar hoe zouden we dat verschil uit moeten leggen?

Wanneer we desondanks vast willen houden aan het “bruidschap” van de Gemeente, dienen wij allereerst te verklaren, waar de Schrift dat dan expliciet leert. En in de tweede plaats dienen we dan te verklaren, waarom het dan hier in Ef. 5 zo uitdrukkelijk niet geleerd wordt. Want wat lag dan meer voor de hand, dan dat vers 30 zou zeggen: “Want wij zijn leden Zijner bruid”? Er staat daarentegen:”Want wij zijn leden Zijns lichaams”. Wij zullen niet in de toekomst gemeenschap hebben met Christus! Wat een slecht voorbeeld zou de apostel hier dan hebben aangedragen voor de gehuwde man en zijn vrouw! Nee, wij hebben gemeenschap met Christus. Want wij zijn Zijn lichaam.

Opmerkelijk is nu weer, hoe Paulus deze zienswijze motiveert en toelicht. Want weer beroept hij zich op het Oude Testament:

“Daarom zal een mens zijn vader enmoeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij zullen tot een vlees wezen. Deze verborgenheid is groot; doch ik spreek over Christus en over de Gemeente.” Ef. 5: 31, 32 (lett.).

Dit keer citeert hij Gen. 2: 24. Een vers, waarvan we niet eens konden vermoeden, dat het een profetische betekenis had! De profetische betekenis van dit vers was met recht een verborgenheid. Een grote verborgenheid. Want een gewone verborgenheid in de Schrift houdt verband met de toepassing van profetie voor Israël op de Gemeente. Hier echter hebben we van doen met een vers, dat op het eerste gezicht helemaal geen profetie is. En wanneer het desondanks profetisch blijkt te zijn is het van toepassing op de Gemeente en niet op Israël! Een gewone verborgenheid is de geestelijke toepassing van een belofte aan Israël op de Gemeente. Deze verborgenheid is echter groot, omdat dit vers helemaal geen toepassing heeft op Israël, maar alleen op de Gemeente. Wanneer we dat door hebben, begrijpen we ook, hoe dit vers in Gen. 2 kan zeggen, dat man en vrouw”tot een vlees” zullen zijn!

Wanneer we getrouwd en bovendien eerlijk zijn, weten we, dat man en vrouw misschien wel een lichaam zouden willen zijn, maar dat niet kunnen! Gen. 2: 24 spreekt volgens Paulus dan ook niet over man en vrouw, maar over Christus en de Gemeente. En die zijn wel degelijk een lichaam! Een bruidegom en bruid worden geacht nog geen gemeenschap te hebben en zijn dus twee lichamen. Man en vrouw zouden misschien een lichaam willen zijn, maar kunnen dat niet. Doch Christus en de Gemeente zijn wel degelijk een lichaam! Over hen spreekt Gen. 2: 24 in het verborgene. Het is de apostel Paulus, die als “uitdeler van de verborgenheden Gods” (1 Kor. 4: 1) deze “grote” verborgenheid openbaart. Zo zien we hoe Ef. 5 de ontkenning is van de gedachte, dat Christus en de Gemeente Bruidegom en Bruid zouden zijn.

MANNELIJK EN VROUWELIJK

Achter al het voorgaande verschuilt zich echter een nog veel wezenlijker probleem, dat in de discussie rond Bruid en Bruidegom nooit naar voren komt. Dit probleem houdt verband met de argumentatie, dat de Schrift we] degelijk over de Gemeente spreekt als over een “zij” en een “haar”. Tegenover de uitspraak in Ef. 4, dat de Gemeente als lichaam van Christus moet komen tot de mannelijke rijpheid, kan gesteld worden, dat de Gemeente een “zij”, en dus vrouwelijk is. En daar is dan het probleem. De Schrift beschouwt de Gemeente afwisselend als mannelijk en vrouwelijk. Dat is inderdaad juist. Maar wat betekent het? Wat wil het zeggen, dat iets mannelijk is. Of vrouwelijk? En wat is het verschil tussen die twee begrippen?

Met klem moet ik er nu op wijzen, dat “mannelijk” niet hetzelfde is als “een man”. En wanneer van de Gemeente blijkt, dat die ‘vrouwelijk’ is, wil dan nog niet zeggen, dat Zij “een vrouw” is. Want hoe dan ook, alle dingen in de schepping zijn mannelijk of vrouwelijk, zonder daarbij noodzakelijk man of vrouw te zijn. Helaas is de kennis van deze dingen bepaald geen gemeengoed meer in een tijd, waarin alles in het werk gesteld wordt, om dit soort elementaire kennis “in ongerechtigheid ten onder te houden” (Rom. 1 : 18). Doch het is een kennis, die alles te maken heeft met de beginselen van deze wereld. Het is niet speciaal een Bijbels, maar meer een natuurkundig onderwerp, daar het alles te maken heeft met de oude schepping, de oude natuur. Van die oude schepping kan gezegd worden, dat zij (want de schepping is een “zij”, terwijl de Schepper een “Hij” is) dualistisch is. Dat wil zeggen, dat de schepping bestaat uit duo’s.

De schepping bestaat uit groepen van twee! in de beschrijving van de zeven dagen in Genesis 1 vinden we al veel van die groepen van twee terug. Daar wordt gesproken over hemel en aarde; licht en duisternis; dag en nacht; water boven en water beneden; zee en land; zon en maan; vissen en vogels; man en vrouw. Men zou ook kunnen zeggen, dat alle dingen in de schepping hun keerzijde hebben. Of hun tegenpool Of hun wederhelft. Deze laatste uitdrukking is met opzet dubbelzinnig gekozen, omdat hij wijst op de vrouw als wederhelft van de man. De zaak is namelijk, dat iedere “tweeheid” gevormd wordt door een “mannelijke” en een “vrouwelijke” kant. Binnen de tweeheid van b.v. zon en maan is de zon mannelijk en de maan vrouwelijk. Binnen de tweeheid van hemel en aarde is de hemel mannelijk en de aarde vrouwelijk. Daarom spreken we ook over”moeder aarde”!!

En binnen de tweeheid van een is de man mannelijk en de vrouw vrouwelijk! De tegenwoordige kennis van de schepping reikt dikwijls niet verder dan deze laatste stelling. En daarbij vergeet men gemakshalve, dat deze slechts correct is binnen de tweeheid van het huwelijk!! In dat geval blijft er niets anders over dan de stelling dat een man mannelijk is of dat een vrouw vrouwelijk is. En zelfs dat schijnt niet helemaal zeker meer te zijn. Wat we echter dienen te onthouden is, dat deze mannelijk – vrouwelijk verhouding slechts binnen zo’n tweeheid bestaat. Anders gezegd: de begrippen mannelijk en vrouwelijk zijn niet absoluut maar relatief. Ze zeggen namelijk iets over een relatie. Over een verhouding tot iets of iemand anders. En slechts binnen die verhouding Zijn ze geldig.

Een voorbeeld kan dit misschien verduidelijken. Binnen de relatie zon – maan is de zon, als de lichtbron mannelijk, terwijl de maan, die immers zelf geen licht produceert maar haar licht van de zon ontvangt, vrouwelijk is. De zon geeft en is mannelijk, terwijl de maan ontvangt en dus vrouwelijk is. Dit geldt echter slechts binnen deze tweeheid. Want stellen wij ons een nacht voor, waarin de volle maan aan de hemel staat, terwijl de zon ondergegaan is, dan is die tweeheid van zon en maan niet aan de orde. We kunnen dan eventueel spreken over een andere tweeheid, nl. die van maan en aarde.

En nu ligt de zaak ineens anders. Want de aarde geeft zelf geen licht, maar ontvangt nu haar licht van de maan. Binnen deze tweeheid van aarde en maan is de aarde als ontvanger vrouwelijk, en de maan als gever van het ‘licht mannelijk! Daaruit zien we, dat de mannelijke of vrouwelijke aard der dingen niet absoluut vaststaat, doch afhankelijk is van de verhouding waarbinnen de dingen bezien worden. Daardoor is het mogelijk, dat de Gemeente soms gezien wordt als mannelijk en soms als vrouwelijk. Ditzelfde geldt trouwens ook voor Israël. Israël is primair een man. Het was de naam van Jakob. Het was de naam van het volk, dat priester en koning genoemd wordt ‘ Het wordt evenals de Heer Zelf een”Knecht des Heeren genoemd. Het wordt een “zoon” genoemd. Maar dat neemt niet weg, dat Israël genoemd wordt als vrouw als hoer, als dochter, als zuster en als bruid! Alles hangt af van de relatie waarbinnen deze uitdrukkingen gebruikt worden!

Laten we nu terugkeren tot Israël en de Gemeente. Wanneer we vaststellen dat Israël “vrouwelijk” is, dan zegt dat niets, totdat we het antwoord weten op de vraag: Ten opzichte van wie of wat is Israël vrouwelijk? Israël is vrouwelijk binnen de relatie van de Heer en Israël. De Heer is de Gever; Israël de ontvanger. De Heer is de Schepper; Israël het geschapene. De Heer is de inhoud gevende; Israël de “omvangende” (Jer. 31 : 22). De Heer is de Machthebber; Israël de onderworpene. En zo zou ik door kunnen gaan. En eveneens is het zo, dat deze zelfde redenering van toepassing is op de verhouding tussen de Heer en de Gemeente! Want de Gemeente wordt inderdaad gezien als vrouwelijk.

Maar vrouwelijk ten opzichte van wie of wat? Ten opzichte van de Heer uiteraard. De Gemeente is de ontvangende, de onderworpene, de geschapene, de omvangende. Inderdaad. De Gemeente staat evenals Israël vrouwelijk ten opzichte van de Heer. Maar al wat vrouwelijk is, is nog geen vrouw, laat staan bruid. En ook de maan is weliswaar vrouwelijk ten opzichte van de zon, maar daarom nog niet zijn vrouw of bruid. in deze zaak zijn we nu terug bij de overeenkomst tussen Israël en de Gemeente. Die overeenkomst is in principe, dat beiden deel hebben aan het nieuwe verbond. En daarom staan zij beiden vrouwelijk ten opzichte van de Heer.

Doch Israël zowel als de Gemeente worden eveneens als mannelijk beschreven. Dat is niet in strijd met het voorgaande. Nee, het spreekt alleen over een andere relatie. Binnen de tweeheid Israël en de Heer is Israël vrouwelijk. Maar wanneer de Schrift Israël beschouwt in relatie tot de wereld, dan is Israël mannelijk. Want het volk werd uitverkoren om het Woord van God te prediken in de wereld. Om te regeren over de wereld. Om de volkeren te onderwerpen. Om de zaligheid voort te brengen, want de zaligheid is uit de Joden. Deze gevende en macht uitoefenende functies zij”n mannelijk, Maar het zijn functies die gericht zijn op de volkeren.

Binnen de tweeheid van Israël en de volkeren is Israël dus mannelijk en de volkeren Zijn vrouwelijk. Hetzelfde geldt uiteraard voor de Gemeente. De Gemeente is eveneens geroepen om te verkondigen. Op een wat andere wijze dan Israël overigens, maar daar gaat het nu niet om. De Gemeente is eveneens geroepen om te regeren. Om de wereld mettertijd te oordelen. Kortom, de Gemeente staat evenals Israël mannelijk ten opzichte van de wereld.

Tot hiertoe is er dus nog geen verschil tussen Israël en de Gemeente wat betreft hun mannelijke of vrouwelijke positie. Het wordt echter anders wanneer we Israël en de Gemeente zien in hun relatie tot elkaar. Wanneer deze beiden zo sterk met elkaar overeenkomen, ligt het immers voor de hand om ze met elkaar te vergelijken. En dat doet de Schrift zelf tenslotte ook. Binnen de tweeheid van Israël en de Gemeente zien we echter in een oogopslag, dat daarin de Gemeente mannelijk staat tegenover het vrouwelijke Israël. Want Israël met haar aardse roeping en erfenis is uiteraard ondergeschikt aan de Gemeente met haar hemelse roeping en erfenis!

Nog duidelijker wordt het echter, wanneer we Israël en de Gemeente met elkaar vergelijken terwijl we daarin de Persoon van Christus betrekken. In het voorgaande hebben we immers gezien, dat de Schrift zeer nadrukkelijk spreekt over de Gemeente als het lichaam van Christus, en over Israël als over de bruid van Christus. Wanneer we deze verhoudingen op het menselijke niveau, beschouwen, hebben we van doen met de man, zijn lichaam en zijn (aanstaande) vrouw. Dit is uiteraard geen tweeheid, maar een drieheid. Wanneer we dan de begrippen mannelijk en vrouwelijk willen invullen, dienen we eerst te zien, dat deze drieheid bestaat uit twee tweeheden!

Eerst is daar de tweeheid van de man en zijn lichaam. Daarna die van de man en zijn vrouw. Want in de eerste plaats is de mens zelf een tweeheid. Hij bestaat in ieder geval uit een zienlijk en een onzienlijk aspect, waarbij het onzienlijk per definitie “geest” genoemd wordt. Het zienlijke heet gewoon lichaam! En aangezien het lichaam tot leven komt en leeft dankzij de “Levendmakende geest”, die in het lichaam geblazen werd, is het lichaam vrouwelijk en de geest mannelijk. De geest is de gever, het lichaam de ontvanger. De geest is de inhoud gevende, het lichaam is het “omvangende”.

Het menselijk lichaam, of dat nu van een man of van een vrouw is, staat dus altijd vrouwelijk ten opzichte van de inwonende menselijke geest. Met andere woorden. Het lichaam van de man is vrouwelijk ten opzichte van het wezen van de man! En daarom is het lichaam van Christus vrouwelijk ten opzichte van Christus! Niet omdat het zijn vrouw is, maar omdat het Zijn lichaam, Zijn omhulling is! Deze zelfde argumentatie is eveneens van toepassing, wanneer we hoofd en lichaam als tweeheid zien. Dan is het hoofd het mannelijke en het lichaam het vrouwelijke. Hoofd en lichaam vormen een organisch geheel. Het lichaam kan niet bestaan of blijven bestaan, wanneer het geen geheel vormt met het hoofd. Maar wanneer we het als tweeheid zien, is het lichaam vrouwelijk en het hoofd mannelijk. En dat terwijl hoofd en lichaam samen het lichaam van een man vormen.

En daarmee komen we terecht bij Israël. Want wanneer we niet meer spreken over “mannelijk en vrouwelijk”, doch over “man en vrouw”, dan staat ineens vast, dat hoofd en lichaam weliswaar beschouwd kunnen worden als mannelijk en vrouwelijk, maar dat zij samen “man” Zijn! Christus en de Gemeente, hoewel mannelijk en vrouwelijk, zijn samen een Man. En als de Schrift vervolgens spreekt over Israël als”de Bruid, de vrouw des Lams” (Op. 21 : 9), dan kan dat geen problemen meer opleveren. Israël wordt daar niet genoemd als “vrouwelijk”, maar als ”de vrouw”! Het kan dan toch niet moeilijk meer zijn, om antwoord te geven op de vraag wie de Man eigenlijk is? Ja, Christus. Maar dat is binnen deze verhoudingen onvolledig beantwoord. Het is uiteraard Christus inclusief Zijn lichaam. Hoofd en Lichaam van Christus zijn de Man. En het gelovige Israël is “de Bruid, de vrouw des Lams”

Voor wie deze korte uiteenzetting over mannelijk en vrouwelijk niet in dit tempo heeft kunnen volgen, is hier dan een nog kortere weg. Want eigenlijk wordt deze hele problematiek beantwoord in het antwoord op de vraag: Maakt het lichaam van de Bruidegom deel uit van de Bruidegom of van de Bruid? En is die vraag nu zo moeilijk te beantwoorden? Zijn wij leden van het lichaam van de Bruidegom of zijn wij leden van het lichaam van de Bruid? Moeilijk?

DE MAN EN DE MAAGD

In het Nieuwe Testament zijn slechts twee gedeelten te vinden, die gebruikt worden om de Bruid van het Lam voor te stellen als de Gemeente. Het eerste was het reeds besproken vijfde hoofdstuk van Paulus’ brief aan de gemeente te Efeze. Het andere is een losse tekst uit een andere brief van deze apostel:

“Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om (u als) een reine maagd aan een man voor te stellen (namelijk) aan Christus.”  2 Kor. 11 :2.

Dit vers wekt inderdaad de indruk, dat het gaat om de voorbereiding van een huwelijk . Dit staat er echter niet. Weliswaar is er sprake van een maagd, maar een maagd is nog geen bruid.

Feitelijk is dit de enige van alle 14 keren, dat het woord “maagd genoemd wordt in het N.T., dat het van toepassing is op de Gemeente! We hebben daarom alle reden, om voorzichtig te zijn.

Overigens moet het ons opvallen, dat een goede Statenvertaling de woorden, die ik tussen haakjes gezet heb, afdrukt in schuine letters. Dat betekent dat, dat die woorden in de Griekse grondtekst niet voorkomen, maar tussengevoegd zijn door de vertalers. We zouden ze bij voorkeur dus weg moeten laten. De zinsbouw in de Statenvertaling vertoont echter zo weinig overeenkomst met de oorspronkelijke, dat ik hier de voorkeur geef aan de vertaling van het N.B.G Deze luidt als volgt:

  1. “Want met een ijver Gods waak ik over u,
  2. Want ik heb u verbonden aan een man,
  3. Om (u als) een reine maagd voor Christus te stellen.”

In deze vertaling is duidelijk te zien, dat het eigenlijk om drie verschillende zinnen gaat.

Deze drie zullen we apart bestuderen.

Dit vers maakt deel uit van een lang betoog van Paulus over zichzelf, dat begint in 10 : 1 en eindigt ca. 13: 10. In deze meer dan drie hoofdstukken worden niets leerstelligs geleerd over de Gemeente! Integendeel. Paulus spreekt niet over de Gemeente. Hij spreekt over zichzelf. Over zichzelf en zijn persoonlijke verhouding tot de gemeente in Korinthe. In dat verband zegt hij in deel A. van bovengenoemd vers letterlijk over zichzelf:

“Want ik ben jaloers over u met een jaloersheid van God. “

Het “want” aan het begin van dit vers wil zeggen, dat nu een verklaring volgt van dat wat voorafging. Er volgt dus een toelichting op de voorgaande verzen. In het laatste van die voorgaande verzen (11 : 1) zegt hij, dat hij in zekere zin”onwijs” is. Hij is jaloers! Hij wil de Korinthiërs voor zichzelf houden. Zoals een man jaloers kan zijn op zijn vrouw omdat hij haar voor zichzelf wil houden, zo is jaloers op de Korinthiërs, omdat hij hen voor zichzelf wil houden. Dat is het onderwerp van deze hoofdstukken!

Dat zegt hij dan ook in deel B. van dit vers:

“Want k heb u verbonden (“harmozo”) aan één man.”

De nadruk ligt niet op het woord man, maar op één. Geen onbepaald lidwoord, maar bepaald telwoord! Paulus is blijkbaar van mening, dat de Korinthiërs alleen naar hem dienen te luisteren, en geeft blijk van een soort minderwaardigheidscomplex ten opzichte van andere predikers. Dit blijkt uit de volgende verzen, speciaal vs. 3 t/m 6 en 12: 11.

Ik moet u dringend vragen, om deze verzen na te zoeken en te bestuderen. De vraag is nu: Wie is deze ene man, aan wie de apostel de Korinthiërs had willen verbinden? Deze ene man, is blijkbaar Paulus zelf! Dat is geen vergezochte verklaring, maar de duidelijke strekking van al deze hoofdstukken! Wanneer we deze waarheid dan ook niet onderkennen, missen we feitelijk de climax van deze tweede Korinthe-brief!

Paulus had de Korinthiërs aan zichzelf willen verbinden. Niet “verloven”, zoals sommige vertalingen nogal suggestief zeggen, maar binden aan. Het woord “harmozo” heeft de betekenis van “harmoniseren”, en komt slechts hier in de Schrift voor. Harmoniseren is b.v. het samenvoegen van verschillende tonen tot een klinkend akkoord. Tot een geheel. Zo had Paulus zich de Korinthiërs voorgesteld als een van zin met hem. Als een lof-akkoord tot eer van de Heer. Maar helaas. De Korinthiërs zijn wel bekend geworden, maar niet vanwege hun hoogstaande geestelijk leven. De schrijver van deze hoofdstukken is wat dat betreft dan ook een teleurgesteld man. Hij had hen niet aan zich kunnen binden. Hij had toe moeten zien, hoe anderen een andere boodschap predikten, en daardoor de Korinthiërs afleidden van de boodschap van Paulus. En afleidden van de Heer Zelf.

Want waarom wilde Paulus hen voor zichzelf houden? Dit wordt beantwoord in deel C.:

“Om een reine maagd voor Christus te stellen (letterlijk.. etaleren).”

Het “om”, waarmee deze zinsnede begint, geeft aan, dat hier het doel van dat wat voorafging aan de orde komt. Dit doel is, dat Paulus hen buiten de invloed van andere predikers en leraren wilde houden,om hen voor valse invloeden te bewaren. Dit wordt uiteengezet in de volgende verzen. Het woord “rein” (hagnon) heeft altijd de betekenis van “onberoerd”, onbesmet, onbevlekt zijn. Ditzelfde is ook de inhoud van het begrip “maagd”. Paulus’ ideaal is een smetteloze gemeente te Korinthe als resultaat van zijn persoonlijke arbeid, om daarin te kunnen roemen voor Christus.

Dat dit nogal onwijs is, geeft hij zelf als eerste toe! Voor een goed begrip van dit gedeelte is het noodzakelijk om de hoofdstukken 10 t/m 13 goed te bestuderen. Paulus wil dus de Gemeente als een reine maagd aan Christus voorstellen. Niet met hem verbinden, want dat kan hij niet. Onze verbinding met Christus is door Christus Zelf tot stand gebracht, en hoeft dus niet alsnog tot stand gebracht te worden. Niet door de Heer Zelf en ook niet door de apostel Paulus. Nee, hij wenst deze Gemeente slechts aan Christus te tonen als het resultaat van zijn arbeid. Een reine, onbevlekte Gemeente. Want dat is de betekenis van de term”reine maagd”.

Daaraan kunnen nog twee dingen toegevoegd worden. Het eerste is, dat binnen de tweeheid van Paulus en de Gemeente het natuurlijk duidelijk is, dat Paulus daarin de mannelijke partij is, terwijl de Gemeente de vrouwelijke vertegenwoordigt. Maar daarom zijn zij nog niet man en vrouw. Laat staan bruidegom en bruid. Het tweede is, dat wij misschien heel vertrouwd Zijn met de gedachte, dat een maagd een vrouw of althans iets vrouwelijk is. Tot op zekere hoogte is dat ook in dit vers het geval. Want “gemeente” (ekklesia) is inderdaad een vrouwelijk woord. Bovendien staat deze gemeente vrouwelijk ten opzichte van de apostel Paulus. Dit alles mag er echter onze ogen niet voor sluiten, dat een maagd niet per definitie vrouwelijk is. Niet in de Nederlandse taal en zeker niet in de taal van de Bijbel. Want wat zegt de Schrift?

“Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden.” Op. 14: 4.

Dit wordt gezegd van de 144.000 verzegelden uit Israël. Of zij in letterlijke of figuurlijke zin maagden zijn is hier nu niet van belang. Voorop staat, dat het woord maagd hier gebruikt wordt voor mannen, die niet bevlekt zijn met vrouwen! Een feit is, dat in minstens 3 van de 14 gevallen, het woord maagd in de Schrift gebruikt wordt voor mannen (1 Kor. 7: 36, 37 en Op. 14: 43. De consequentie daarvan is, dat uit het gebruik van het woord maagd niet geconcludeerd kan worden, dat de Gemeente een vrouw is. Want de Schrift kent dus in elk geval 144.000 maagden, die man zijn. Overigens wordt het woord “maagd” nooit in verband gebracht met het begrip bruid. Het is weliswaar een voor de hand liggende associatie, maar hij is niet Bijbels gefundeerd! Voorzover dus 2 Kor. 11 : 2 spreekt over de verbintenis tussen iets vrouwelijks en iets mannelijks, gaat het over de verbinding tussen de Gemeente te Korinthe en de apostel Paulus, waarbij de begrippen bruidegom en bruid volkomen ontbreken!

DE BRUIDEGOM EN DE BRUID

Tot slot wil ik uw aandacht vragen voor een profetie, waarin bruidegom en bruid als bij uitzondering in een adem genoemd worden, en waarin al het voorgaande bevestigd wordt.

“Om Sions wil zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn, totdat haar gerechtigheid voort kome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt. En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid,en gij zult met een nieuwe naam genoemd worden welke des Heeren mond uitdrukkelijk noemen zal. En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren, en een koninklijke hoed in de hand uws God. Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land.. Het getrouwde, want de Heere heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. Want gelijk een Jongeling een Jonkvrouw trouwt, Alzo zullen uw kinderen (zonen) u trouwen,. en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid Alzo zal uw God over u vrolijk zijn. 0, Jeruzalem… Jes. 62: 1-6.

Het noemen van Sion en Jeruzalem laat er geen twijfel over bestaan tot wie deze profetie gericht is. Het gaat om Israël. Israël in haar vrouwelijke relatie tot de Heer. In het eerste vers wordt aangekondigd, dat Israëls gerechtigheid en heil voortgebracht zal worden. Uit reeds eerder besproken profetieën is duidelijk gebleken, dat dit gepaard gaat met het in werking treden van het nieuwe verbond over Israël, en het begin van het eeuwige koninkrijk van de Messias vanuit Israël over de volkeren. Dit koninkrijk wordt dan ook prompt genoemd in het tweede vers.

Bovendien wordt daarin melding gemaakt van een nieuwe naam voor Israël. Hetgeen primair duidt op een nieuwe identiteit van Israël. Met andere woorden: Israël is wedergeboren, en ontvangt als gevolg daarvan een nieuwe naam. In het derde vers wordt zij gezien als de “eigen schat” van de Heer. Het is een zinspeling op de profetieën dien aangaande in het oude verbond. Vers 4 meldt daarna, dat Israël niet meer bekend zal zijn als “de verlatene” of “de verwoeste”. Deze oude aanduidingen moeten plaats maken voor de nieuwe naam. Maar deze oude aanduidingen, Zijn wel degelijk van toepassing op Israël, zolang zij geen deel heeft aan het nieuwe verbond en dus nog niet de bruid is.

Israël is zoals gezegd “de verlatene”. Zij is weggezonden met een scheidbrief. Haar land, dat in werkelijkheid “Zijn land” was, is verwoest. Doch na de wedergeboorte van Israël zal zij niet meer”de verlatene”, noch”de verwoeste” zijn. Integendeel. Zij zal genoemd worden”het getrouwde”(vs. 4). Want Israël heeft dan genade gevonden bij de Heer. Genade op grond van geloof. En wanneer Israël tot geloof zal komen, zal zij (weer) getrouwd worden door de Heer. Op grond van de beloften, die de Heer gedaan heeft. En daarna volgt een opmerkelijk vers:

  1. Want gelijk een JONGELING een JONKVROUW trouwt
  2. Alzo zullen UW ZONEN U touwen
  3. en gelijk de BRUIDEGOM over DE BRUID vrolijk is,
  4. Alzo zal UW GOD over U vrolijk zijn” Jes. 62: 5.

In vier verschillende zinnen, wordt hier de verhouding tussen bruidegom en bruid uiteengezet. Het is een viervoudige parallellisme!

In A worden jongeling en jonkvrouw genoemd. Deze”Jongeling blijkt volgens C en D de Bruidegom, n.l. de Heere God, te zijn. Hier wordt Hij niet voorgesteld als “de Oude van Dagen”, zoals in andere profetieën. Hier is Hij de Jongeling, omdat nu niet gezinspeeld wordt op Zijn bestaan van eeuwigheid. Niet Zijn pre-existentie is hier aan de orde. Nee, het gaat om Hem, die in de volheid der tijden gekomen is, om te lijden en te sterven. Maar bovenal om op te staan uit de dood. Deze Jongeling is de Eersteling van een nieuwe schepping! En daarom is Hij de Bruidegom. ditzelfde geldt eveneens voor de “jonkvrouw”. Want het gaat hier om het normale woord voor “maagd”. Deze bruid (Zie C) is uiteraard Israël. Maar het is een gelovig, een wedergeboren Israël, met een nieuwe naam, een nieuwe natuur, een nieuwe identiteit. Het is niet meer de overspelige. Niet meer de verlatene. Niet meer de weduwe. Niet meer de bevlekte. Nee, het is een gerechtvaardigd, wedergeboren Israël. Een reine maagd. Een reine vrouw. Een reine bruid.

Wanneer we A, C en D onder elkaar plaatsen, zien we dat de : ‘Jongeling” uit A overeenkomt met de “Bruidegom” uit C en “uw God” uit D . Aan de andere kant zien we hoe de “Jonkvrouw” uit A overeenkomt met de”Bruid” uit C en “u” uit D .

Deze ‘u’ is uiteraard net als in de voorgaande en volgende verzen nog steeds Israël. Betrekken we nu ook zinsnede “B” in deze vergelijking, en beginnen we bij de “jonkvrouw”, dan zien we hoe “jonkvrouw”, “bruid” en “u” overeenkomen met ‘u’ uit regel B. Met andere woorden: “u” uit regel B is de bruid, namelijk Israël. Maken we dezelfde vergelijking in verband met de Bruidegom, dan zien we, dat “Jongeling”, “Bruidegom” en “uw God” overeenkomen met “uw zonen” uit regel B !! En is dat niet wonderlijk? Dit vers toont ons, wie de Bruidegom is! Hij is volgens A een “Jongeling”, namelijk de verrezen Christus als Hoofd van een nieuwe Schepping. Hij is volgend D de God van Israël En volgens B is Hij “uw zonen”!

Dit betekent twee dingen: De Bruidegom blijkt op een of andere wijze van de bruid af te stammen! En bovendien is de Bruidegom een meervoud! En natuurlijk stamt de Bruidegom van Israël af. De Schrift leert dan ook, dat Israël bij haar bekering over de Heer zal rouw bedrijven als over een eerstgeboren zoon (Zach. 12: 10 e.v.). Dat is geen vergelijking, maar harde realiteit. Hij is de Zoon en Erfgenaam van Israël. De Messias komt voort uit Israël en is op deze wijze dus een Zoon van de Bruid!

Maar dat niet alleen. Hij is ook een meervoud. De Bruidegom is niet een “Zoon”, maar “zonen” van Israël Hoe dat mogelijk is? Eenvoudig omdat de Bruidegom nu eenmaal bestaat uit Hoofd en Lichaam. En wordt niet het Lichaam van Christus, de Messias en Bruidegom van Israël, gevormd door de gelovigen van deze tegenwoordige bedeling? Geeft u zelf eens antwoord op de vraag: Wie zijn deze zonen, die samen de bruidegom vormen?

Is het niet duidelijk, dat hier gezinspeeld wordt op de Gemeente? 0 zeker, de Gemeente was onder het oude verbond een verborgenheid. Maar waar was de Gemeente in het Oude Testament dan verborgen? Is het niet onder andere in dit vers? Spreekt dit vers in het licht van de Paulinische brieven niet overduidelijk, van een Bruidegom, gevormd door vele leden? In dit vers zien we daarom de leden van het lichaam van Christus voorgesteld in hun relatie tot het toekomstige gelovige Israël Het is die van de Bruidegom tot de Bruid. En dat verklaart, waarom elke Bijbelgelovige Christen (ja, er zijn ook andere) een liefde heeft voor Israël. Waarom hij”lust aan haar heeft. Want de liefde van Christus voor Israël, Zijn toekomstige Bruid, heeft uiteraard ook een uitwerking in Zijn Lichaam.

Wij als leden van de Gemeente, die reeds nu leven in gemeenschap met de Heer, hebben Israël lief, omdat Christus Israël liefheeft en omdat Israël in Christus onze toekomstige Bruid is. Niet omdat wij dat zelf verkozen hebben of prefereren. Maar eenvoudig omdat de Schrift dat direct en onomwonden verklaart. De vraag, die de Heer Zelf ons voorlegt is echter: Geloven wij dat? Geloven wij, dat wij reeds nu onlosmakelijk verbonden zijn met de Opgestane Messias van Israël, om in de toekomst ook verbonden te worden met het gelovige Israël, onze toekomstige bruid? Eerst dan kunnen we terecht met Paulus uitroepen:

“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?”

Want eerst dan kunnen wij verzekerd zijn en beseffen, dat reeds nu, en niet pas in de toekomst, er niets is, dat

“ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere”  Rom. 8: 35-39.

Onze Heere en ons Hoofd, Israëls Messias en Israëls Bruidegom

Door Ab Klein Haneveld