De Dynastie van Adam
De geslachtsregisters van de Zoon des mensen

DE VIER EVANGELIËN

Wanneer we een systematische studie maken van de persoon en het leven van de Heere Jezus, krijgen we direct bij de aanvang te maken met het fenomeen, dat er niet zoiets als een biografie van de Heere Jezus bestaat! Wat we in de Bijbel vinden is geen enkelvoudig chronologisch verslag van zijn leven vanaf de aankondiging van zijn geboorte tot en met zijn Hemelvaart. Wat we vinden zijn de vier “Evangeliën”, die onderling aanmerkelijk van elkaar verschillen. Niet dat deze verschillen tegenstrijdigheden zouden zijn! Verre van dat, de gelovige weet immers, dat de vier Evangeliën in wezen één en dezelfde schrijver hebben. Waar alle vier door de geest van God zijn voortgebracht is het onmogelijk, dat er tegenstrijdigheden zouden voorkomen.

Dat zovele mensen, theologen incluis, toch onverzoenlijke fouten in de werken van de Evangelisten menen aan te treffen, is even betreurenswaardig als verklaarbaar. Zij zoeken immers naar fouten in de Bijbel! Zij zoeken immers naar argumenten voor hun stelling, dat de Bijbel niet in zijn geheel, of in het geheel niet, het geopenbaarde woord van God is. Het aantonen van onvolkomenheden in de Schrift heeft slechts ten doel te bewijzen, dat diezelfde Schrift niet kan zijn voortgebracht door een volmaakte geest, of nog sterker: hij die in staat is de onvolkomenheden van de Schrift aan te tonen, staat zelf blijkbaar op een niveau, dat uitrekt boven dat van de Schrijver van de Bijbel! Daaruit volgt dan, dat zo iemand de Bijbel niet nodig heeft. Hij die de fouten in de Bijbel weet aan te wijzen verheft zich boven de Bijbel, en daardoor ontdoet hij zich ervan.

Helaas is deze bezigheid veruit de belangrijkste activiteit van de hedendaagse “Schriftgeleerden”. Maar wat zij aantonen is niet de feilbaarheid van het Woord van God, doch slechts de onkunde en hoogmoed van de mens.

Ondanks de grote problemen, die theologen kunnen oproepen bij de verklaring van de Bijbel is hij voor veel gelovigen toch het boek van de volmaakte harmonie. Zij zien de volmaakte en verbazingwekkende samenhang van de Bijbel als geheel. Zij zien iets van de Goddelijke almacht en eenheid, die ook in zijn woord tot

uitdrukking komt. Enerzijds weet elke ongelovige dat de Bijbel met zichzelf in strijd is, en dat je ”met de Bijbel in de hand elke kant op kunt”. Aan de andere kant Zijn er gelovigen, voor wie de Bijbel het onfeilbare woord van God is. Vanwaar deze uitersten?

Het verschil is niet gelegen in de Bijbel. Het gaat om hetzelfde boek. Het verschil is gelegen in de manier waarop de mens de Bijbel en Zijn Schrijver tegemoet treedt.

Wanneer wij beslist vast willen houden aan onze eigen (godsdienstige) opvattingen en filosofieën en vanuit die starre en hoogmoedige houding de Bijbel openen, hebben we alleen nog maar de mogelijkheid om de Schrift in te passen in onze eigen denkwereld. Dat we door die benadering in moeilijkheden komen met bepaalde bijbelgedeelten is onvermijdelijk!

De andere manier is die, waarbij wij onze eigen gedachten terzijde zetten en ons onvoorwaardelijk open stellen voor wat God ons door Zijn Woord wil openbaren. Dat vergt veel van ons. Het eist de terzijdestelling van ons ego en het eist geloof! Geloof in het onfeilbare Woord van God. Het Woord van God, dat niet slechts in de Bijbel gevonden kan worden, maar dat de Bijbel is. Wanneer we van deze positie uitgaan, zullen we op voorhand moeten erkennen dat schijnbare tegenstrijdigheden slechts voortkomen uit onze eigen gebrekkige interpretatie en dat de verschillende beschrijvingen van dezelfde gebeurtenissen ieder hun eigen betekenis hebben.

Toegepast op de vier Evangeliën betekent dit, dat zij elk hun eigen karakteristieke betekenis hebben. Hoewel zij alle vier een beschrijving geven van de persoon en het leven van de Heere Jezus, verschillen zij onderling aanzienlijk! Dit is geen vergissing. Het heeft een betekenis!

MATTHEÜS

Het Evangelie van Mattheüs tekent ons de Heer als de koning van het komende koninkrijk der hemelen. Hij was de beloofde “Zone Davids”, die zou komen om Zijn eeuwig koninkrijk op te richten.

“Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een heiland …..”  (Zach. 9:9).

“Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken, . die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde”.  (Jer. 23:5)

Het eerste hoofdstuk van Mattheüs begint daarom met een geslachtsregister van de koning. Dit register loopt van Abraham, de stamvader van Israël via David, de stamvader van de Israëlitische koningsdynastie.

MARKUS

In Markus zien wij Jezus als de “Knecht des Heeren”.

“Ziet mijn knecht dien ik ondersteun, mijn Uitverkorene in dewelke mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb mijn geest op Hem gegeven, Hij zal het recht der heidenen voortbrengen ” (Jes. 42:1).

“… want ziet, ik zal mijn Knecht, de Spruite, doen komen ” (Zach. 3:8).

In Markus vinden we geen geslachtsregister. De afkomst van dienstknechten, van slaven, is onbelangrijk!

LUKAS

Lukas, de dokter, toont ons de Heere Jezus als mens.

“Ziet een Man (mens), wiens naam is Spruite ……. “ (Zach. 6.12).

In dit Evangelie over de Zoon des Mensen (zoon van de mens) vinden we zijn geslachtsregister teruggevoerd tot op de eerste mens: Adam.

JOHANNES

Door Johannes wordt ons de Heer geschilderd als de zoon van God! Zoals hij zelf zegt:

“Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam”  (Joh. 20: 30,31)

“Zie, hier is uw God” (Jes. 40:9).

“Te dien dage zal des Heeren Spruit zijn tot sieraad en tot heerlijkheid”  (Jes. 42).

in Johannes vinden we daarom slechts een kort “register”, dat direct teruggaat tot God zelf!

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God… en het Woord is Vlees geworden, en heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des eniggeborenen van de vader, vol van genade en waarheid” (Joh. 1: 1, 14).

Zo zien wij, hoe elk van de Evangelisten ons de Heere Jezus toont in een verschillend bijbels licht! Wij zien hem achtereenvolgens als:

  • De Koning
  • de Slaaf
  • de Mens
  • God.

Juist deze verschillende benaderingen geven ons een harmonieus beeld van de persoon van de Heere Jezus Christus. Dus wel verschillen, maar geen tegenstrijdigheden. Wordt ook niet het mooiste akkoord gevormd door het gelijktijdig klinken van verschillende tonen?

KLINKERS

Wanneer wij de meer “menselijke” geslachtsregisters van Mattheüs 1 en Lukas 3 onder ogen krijgen, is onze eerste gedachte om ze te vergelijken met de registers van het oude testament. Het valt dan op, dat de namen in het Nieuwe Testament dikwijls alleen in de verte herinneren aan die in het oude. Dit lijkt op onnauwkeurigheid van Mattheüs en Lukas, maar dat is het volstrekt niet. Het probleem is in werkelijkheid een spellingprobleem. De moeilijkheid is hier gelegen in het gebruik van verschillende talen met hun eigen bijzonderheden en hun eigen alfabet.

De namen in het Oude Testament zijn oorspronkelijk in het Hebreeuws. Deze Semitische taal heeft o.a. als kenmerk, dat er geen letters bestaan om de klinkers weer te geven. De 22 letters van het Hebreeuwse alfabet zijn dus in principe allemaal medeklinkers. In de geschreven Hebreeuwse tekst van het Oude Testament zijn daarom geen klinkers te vinden. Men moet ze zelf kennen of raden! Een belangrijk deel van het Joodse onderwijs bestond en bestaat dan ook uit het leren kennen en uitspreken van de Thenach, het Hebreeuwse Oude Testament. Men moest o.a. leren de juiste klinkers tussen de geschreven medeklinkers te lezen!

Dit zuiver taalkundige probleem van de ontbrekende klinkers wordt echter pas werkelijk klemmend, als het Hebreeuws naar een andere taal moet worden overgezet. De vertalers zullen eerst vast moeten stellen, welk woord in het Hebreeuws bedoeld is; welke klinkers ingevoegd moeten worden. Over het algemeen zal dit uit het zinsverband moeten blijken. Maar in het geval van een naam kan de juiste uitspraak meestal niet blijken uit het zinsverband! Onbekendheid met de traditionele uitspraak zal in zo’n geval leiden tot het invoegen van willekeurige klinkers!

Hierbij moeten wij bedenken, dat de Joden in de tijd van Mattheüs en Lukas in het dagelijks leven geen gebruik maakten van de Thenach, het Hebreeuwse Oude Testament, maar van de Septuagint. Deze Septuagint is de oudste Griekse vertaling van het Oude Testament. Hij kwam tot stand in het Egyptische Alexandrië gedurende de derde eeuw voor onze jaartelling. Sinds de oprichting van het Griekse wereldrijk van Alexander de Grote, zoals geprofeteerd door Daniël, had de Griekse cultuur zich verspreid over de toenmalig bekende wereld. Het was de wereldtaal bij uitstek. Daarom werd ook de Schrift vertaald naar het Grieks en was in die vertaling in gebruik onder de Joden in de dagen van de Heere Jezus en zijn discipelen. Wanneer het Oude Testament wordt geciteerd in het Nieuwe gebeurt dit vanuit die Septuagint. Dit is temeer vanzelfsprekend, daar het Nieuwe Testament oorspronkelijk grotendeels in het Grieks geschreven is.

De namen, zoals die voorkomen in de registers van Mattheüs 1 en Lukas 3 zijn dus afkomstig uit de Septuagint. De klinkers die in de namen voorkomen, Zijn de klinkers van de Alexandrijnse vertalers, omdat er geen oorspronkelijke klinkers bestaan! Voor ons betekent dit alles, dat de naam Selah volkomen gelijk is aan Salah; Booz is gelijk aan Boaz; Therah is gelijk aan Tarah; Aram is gelijk aan Ram; enz…

Van belang is, dat het Hebreeuws geen geschreven klinkers kent en dat het er daarom in wezen niets toe doet, welke klinkers wij in onze taal invoegen! De namen veranderen hierdoor niet in het minst. Wanneer we ze terug zouden vertalen naar het Hebreeuws zouden al die verschillende klinkers immers automatisch weer verdwijnen!

“H” EN ”CH”

Een tweede moeilijkheid betreffende de namen, is eveneens afkomstig van de Septuagint. Om de een of andere reden hebben de vertalers het onderscheid niet gezien tussen twee Hebreeuwse letters. Deze letters zijn de”Heh” onze “H” en de “Chet”, die gewoonlijk wordt weergegeven door onze “CH of “G”. Vooral in de oude met de hand geschreven rollen is het onderscheid tussen deze “HEH” en ‘CHET’ vrijwel niet waar te nemen. Bij gewone woorden moet uit het verband blijken welk woord bedoeld is, maar met persoonsnamen ligt dit natuurlijk heel anders. Het resultaat in onze Bijbels is, dat b.v. Henoch gelijk is aan Chanoch; Mathusalah gelijk is aan Methusalach; Ragau gelijk is aan Rehu; Nachor gelijk is aan Nahor; enz….

“HEH’

Met de “HEH” is trouwens nog iets bijzonders aan de hand. Dat is, dat het Griekse alfabet niet voorziet in de letter “H”!!! Er bestaat weliswaar een tekentje (een soort komma) om de “H” aan te geven, maar een echte letter bestaat hiervoor niet. Dit betekent, dat de Hebreeuwse “HEH” in een Griekse vertaling volledig verdwijnt, en dat niet alleen; ook de “CHET”, die zoals gezegd dikwijls werd verward met de “HEH” onderging vaak hetzelfde lot. Natuurlijk zou er veel te zeggen zijn over de typologische betekenis van deze letters en hun eigenaardig gedrag, maar daar gaat het ons nu niet om. Van belang is, dat dit ontbreken van een ”H”in het Griekse alfabet veroorzaakt heeft, dat Malaleel gelijk is aan Mahallal-El; Noach gelijk is aan Noë; Enoch gelijk is aan Henoch; Sala gelijk is aan Selah, enz….

Daarnaast is er dan nog het feilt, dat dezelfde Hebreeuwse letter soms “hard” en soms “zacht” uitgesproken wordt. De “kaf” b.v. wordt soms weergegeven door een “K” en soms door een”CH”. Vandaar dat Arfaxad (Arfaksad) gelijk is aan Arfachsad en Falek gelijk is aan Pelech. Eveneens kan de “PE”worden opgevat als “P” of als “F” (onze oude ”PH”), waardoor Falek weer gelijk is aan Pelech en Fares gelijk is aan Peres.

Van dit soort zuiver taalkundige moeilijkheden zitten er nog meer verborgen in de beide geslachtsregisters, maar ze zijn voor die registers als zodanig van geen enkel belang. We hebben deze slechts genoemd om wat meer inzicht te geven in de problemen van de vertalers en om het onbegrip weg te nemen, dat helaas bij velen over deze zaken bestaat.

Overigens zullen in onze verdere studie de Oud- en Nieuwtestamentische namen door elkaar gebruikt worden.

ZOON

“Het boek des geslachts van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham “  (Matt. 1 : 1).

Het lijdt geen enkele twijfel, dat dit eerste vers van het Nieuwe Testament wil aangeven, dat het in de volgende verzen weergegeven geslachtsregister moet aantonen, dat Jezus Christus de Zoon was van Abraham en David. Daar wij echter weten, dat hij geen direct kind was van Abraham noch van David, hebben wij dikwijls grote moeite met het begrijpen van deze geslachtstafel. Dit probleem doet zich eveneens voor in verband met Luk. 3: 23 en het daar volgende register:

“En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzo men meende) de Zoon van Jozef…”

Nu het kan wel zijn dat men inderdaad meende, dat Jezus de Zoon van Jozef was, maar welke waarde heeft dit register, wanneer wij weten, dat Jezus beslist niet door Jozef was verwekt, zoals in datzelfde evangelie van Lukas te lezen valt? En niet alleen dat Jezus niet door Abraham, David of Jozef verwekt was: ook Ozias was niet Direct verwekt door Joram en Jechonias was niet de Directe zoon van Josias, zoals Matt. 1 : 8 en 11 schijnen te leren! Vergelijkt u Matt. 1 maar eens met 1 Kron. 3.

Dus toch tegenstrijdigheden? Volstrekt niet! Het probleem ligt niet in de Bijbelse gegevens. Het is immers het onfeilbare Woord van God! Het probleem is gelegen in onze opvattingen over het begrip “zoon”. In het dagelijks leven realiseren wij ons helaas niet meer, dat er niet voor niets verschillende woorden bestaan voor een mannelijk kind en een zoon. In het nauwgezette taalgebruik van de Bijbel komt dit onderscheid echter wel degelijk tot uitdrukking, wanneer gesproken wordt over een kind van het mannelijk geslacht, wordt dit dan ook dikwijls vertaald met “knechtje”.

Maar wat is dan een zoon? Het Hebreeuws geeft hier het bekende woord “ben”. Het eigenaardige is nu, dat dit “ben” is afgeleld van een woord, dat ook vertaald wordt met “bouwer” of ”bouwen”. Bij de bestudering van het Hebreeuws wordt daarom geleerd, dat “ben” twee betekenissen heeft: “zoon” of “bouwer”. In werkelijkheid ligt de zaak echter veel eenvoudiger: Het feit, dat het Hebreeuws van de Bijbel slechts een enkel woord kent voor deze twee Nederlandse begrippen, impliceert, dat die twee begrippen in wezen identiek zijn! Met andere woorden: een zoon is een bouwer en een bouwer is een zoon. We zouden kunnen zeggen, dat de zoon het leven van zijn vader (en dus zijn vaderen) voortbouwt door de tijd. De zoon is de bouwer van de vader. Hij is niet alleen degene, die het werk van zijn vader voortzet, bouwt, maar hij is in wezen dezelfde persoon in een andere generatie! De Schrift verklaart dit uit het feit, dat de zoon oorspronkelijk deel uitmaakt van de vader, en daardoor een geheel met hem is.

Ook in dit geval is het eerste verschijnen van het woord in de Bijbel karakteristiek. We ontmoeten het voor eerst in Gen. 3: 16. Direct na de zondeval van Adam en Eva. Direct na het sterfelijk worden van de mens!

“Tot de vrouw zeide Hij.. Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij zonen (benim) baren ……”

Op het moment, dat het leven van Adam feitelijk ten einde liep,spreekt God voor het eerst over de komst van zonen. Zij zouden het leven van Adam moeten voortzetten. Zij moesten het menselijk leven voortbouwen door de tijd, opdat God met de mens tot zijn doel zou kunnen komen, opdat de zoon van Adam, de “Zoon des mensen” zou kunnen verschijnen en het werk waarin de eerste Adam faalde zou kunnen volvoeren! Dit werd trouwens al met andere woorden beloofd in het voorafgaande vers over het zaad der vrouw, dat de slang de kop zou vermorzelen.

Deze gedachten zijn tegenwoordig helaas niet meer verbonden met het Nederlandse woord “zoon”. Om die reden zouden wij “ben” beter kunnen vertalen met “erfgenaam”.

ZOON IN HET OUDE TESTAMENT

Een zoon is een erfgenaam! Dat dit de juiste betekenis is, blijkt in de eerste plaats uit het ontbreken van een Hebreeuws woord voor erfgenaam. Want hoewel “Yarash” dikwijl vertaald wordt met “erven” of “erfgenaam” is dit niet de eigenlijke betekenis. Zoals in de Engelse Bijbels behoort “Yarash” vertaald te worden met “bezitten” of “bezitter”! Dat onze Nederlandse Bijbelvertalers dit ook niet ontgaan is, blijkt uit de vertaling met “erfelijk bezitten”. Zij geven twee woorden, waar het Hebreeuws slechts een enkel woord heeft staan! Een zoon is dus een erfgenaam. Het is de enig juiste betekenis van dit woord in zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Dit blijkt natuurlijk ook uit het Bijbelse gebruik van het woord. Zo lezen wij in Gen. 27 : 1:

“En het geschiedde als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon, toen riep hij Ezau, zijn grootste zoon, en zeide tot hem.. mijn zoon ! “

Opvallend is hier het dubbele gebruik van”ben”,waardoor de nadruk op het begrip zoon komt te liggen. Dit wordt verklaard uit het verdere verloop van dit hoofdstuk. Het handelt immers over de kwestie van het eerstgeboorterecht tussen Jakob en Ezau. De Zoon is de erfgenaam! Veelzeggend is ook Ex. 2: 10:

“En toen het knechtje (= “yeled” = kind) groot geworden was, zo bracht zij het tot farao’s dochter, en het werd haar ten zoon (“ben”) …….”

Mozes was niet het kind, maar wel degelijk de zoon van deze Egyptische prinses. Hij werd haar erfgenaam! En wat te denken van de woorden van David tot Saul in 1 Sam. 24: 12:

“Zie toch, mijn vader, ja zie de slip uws mantels in mijn hand…”

En het antwoord van Saul in vers 17:

“Is dit uw stem, mijn zoon David .. ?”

Saul en David noemden elkaar over en weer vader en zoon hoewel zij geen bloedbanden hadden. Zij kwamen zelfs voort uit verschillende stammen van Israël. Wat zij echter beiden wisten, was dat de troon van Saul vroeg of laat zou overgaan naar David. Hij was, mede door zijn huwelijk met Michal, Sauls dochter, zijn erkende erfgenaam. Daarom was David de Zoon van Saul en Saul de vader van David!

En dan was er b.v. nog Elisa, die “twee delen van de geest van Elia” ontving. Hij werd tot het profetenambt geroepen doordat Elia hem zijn eigen mantel toewierp (1 Kon. 19: 19). Wanneer Elia later wordt weggenomen en zijn mantel ten tweeden male op Elisa valt, roept de laatste hem na met de woorden:

‘Mijn vader, mijn vader … .. (2 Kon. 2: 12).

En terecht! Het is zonneklaar dat Elisa de erfgenaam van Elia werd. En hij erft bepaald niet alleen de mantel!

Wanneer wij vertrouwd geraakt zijn met deze werkelijke betekenis van “zoon”, zullen wij ons niet meer verbazen dat b.v. 2 Kon. 9 : 2 leert, dat Jehu de zoon van Josafat, en Josafat de zoon is van Nimsi, terwijl vers 20 spreekt over “Jehu, de zoon van Nimsi”. Als Jehu inderdaad de zoon is van Josafat, en Josafat de zoon is van Nimsi, dan is Jehu de erfgenaam van Nimsi en dus zijn zoon! Voor ons gevoel had er wellicht moeten staan: “Jehu, de kleinzoon van Nimsi”. Dit laatste is in het Nederlands misschien wel juist, maar het is tevens de ontkenning van de exacte betekenis van het begrip zoon. Het Hebreeuws kent terecht geen woord voor “kleinzoon” of “grootvader”. Voor de erfgenaam maakt het immers hoegenaamd niets uit hoeveel generaties hem scheiden van de erflater?

ZOON IN HET NIEUWE TESTAMENT

Evenals in het Oude Testament wordt ook in het Nieuwe onderscheid gemaakt tussen “kind” en “zoon”. Zo schrijft de apostel Paulus aan zijn opvolger en erfgenaam Timothëus:

“Gij dan, mijn zoon, wordt gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is. En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren (2 Tim. 2: 1, 2).

Helaas hebben onze vertalers het niet al te nauw genomen met deze begrippen. Want hoewel zowel de Hebreeuwse als de Griekse grondtekst consequent onderscheid maakt tussen “kind” en “zoon”, is er in onze Nederlandse Bijbelversies weinig van terug te vinden. Beide begrippen zijn volkomen willekeurig door elkaar gegooid! Het Hebreeuwse “yeled” en het Griekse “teknon” behoren vertaald te worden met “kind”, terwijl het Hebreeuwse “ben” en het Griekse “huios” vertaald moeten worden met “zoon”; n l . “erfgenaam”!

Zelfs in verband met het kindschap van God vinden we dit onderscheid terug. Zo spreekt Paulus tot de gelovigen in 1 Kor. 3: 1:

“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus. Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs…”

En in Hebr. 5: 13:

“Want een ieder, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind. Maar der volmaakten (letterlijk: volwassenen) is de vaste spijze…”

Een kind is immers niet in staat om een erfenis in ontvangst te nemen ! Hij is nog geen zoon; hij moet het nog worden!

“Zo lange tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij in niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles…” (Gal. 4: 1).

Wij, die uit God geboren zijn, wij die kinderen Gods zijn, zijn

“…tevoren verordineerd tot aanneming (aanstelling) tot zonen (huios) (Ef. 1: 5).

Wij moeten geestelijk groeien

“…totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van de zoon (huios) Gods, tot een volkomen man…” (Ef. 4: 13).

Wij moeten volwassen worden in het geloof om aangesteld te kunnen worden als zonen! Let wel:

Zonen worden blijkbaar niet geboren maar aangesteld!

Wat geboren wordt is een kind. Wanneer dat kind volwassen geworden is wordt het aangesteld als zoon. Als rechthebber op de erfenis.

“VADER” – “ZOON” – ERFRECHT

Een zoon is dus een erfgenaam! Op grond van deze betekenis moeten wij echter nog een stap verder gaan. Waar de begrippen vader en zoon zo nauw aan elkaar verwant zijn, moeten wij de gevolgtrekking maken, dat de betekenis van “vader” eveneens in de erfrechtelijke sfeer ligt. En dat niet alleen! Ook de woorden “verwekken” of “gewinnen” moeten in die zin worden opgevat! De vader is de erflater; de zoon is de erfgenaam; verwekken (Hebr. “yalad” of “holid”; Gr. “gennao”) is het verkrijgen van een erfgenaam! Misschien is het wat moeilijk om ons voor te stellen dat een woord als verwekken in de eerste plaats iets met erfrecht te maken heeft. Het is daarom goed ons te realiseren, dat het woord “gennao” niet slechts betrekking heeft op het mannelijk aandeel in de voortplanting, maar evengoed vertaald wordt met “baren” of “geboren worden”. Dit woord uit de grondtekst is in elk geval van toepassing op het hele proces van de voortplanting! De werkelijke betekenis gaat daar echter boven uit, omdat die nog ruimer is. Het heeft niet alleen betrekking op het hele proces van de voortplanting, maar op het hele proces van het verkrijgen van een erfgenaam! En bedenk wel: dit is in de Bijbel niet primair een natuurlijke aangelegenheid, maar een kwestie van erfrecht!

Een illustratie en praktische toepassing van dit beginsel vinden we in de geschiedenis van koning Jechoniah, die door Nebukadnezar naar Babel gehaald wordt. Deze vorst van het Babylonische wereldrijk maakt vervolgens Zedekiah tot koning over Juda De troon van Jechoniah ging dus over naar Zedekiah, die de laatste koning was voor de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. Maar Zedekiah was niet de natuurlijke zoon van Jechoniah. Hij was zijn oom! Zedekiah was een broer van Jojakim, de natuurlijke vader van Jechoniah, zoals blijkt uit de volgende verzen:

“Zo voerde hij (Nebukadnezar) Jojachin (Jechoniah) weg naar Babel… en de koning van Babel maakte Mattanja, deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekiah” 2 Kon. 24: 15-17.

En wat zegt nu 1 Kron. 3: 15 en 16:

“De zonen van Josia nu waren: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekiah, de vierde Sallum De zonen (benim) van Jojakim nu waren: Jechoniah zijn zoon, Zedekiah zijn zoon. “

In deze laatste verzen wordt Zedekiah achtereenvolgens gerekend tot de zonen van Josia en de zonen van Jojakim! Hij was een zoon en erfgenaam van Josia omdat hij door hem verwekt was. Hij was een zoon van Jojakim omdat de troon van Jojakim via Jechoniah aan hem vererfde.

Naar het Nederlandse spraakgebruik kan de erfenis gaan naar de zoon, de kleinzoon, de schoonzoon, de broer, de neef, de achterneef, de oom, enzovoorts.

Naar Bijbelse begrippen zijn echter niet slechts de natuurlijke zoon, maar ook de kleinzoon, de schoonzoon, de broer, de neef, de achterneef,de oom, enz. zonen, zodra zij rechthebbers op de erfenis blijken te zijn!

Alleen in dit licht zijn de vele geslachtsregisters van de Bijbel te begrijpen. Het gaat niet in de eerste plaats om de juiste familieverhoudingen, maar om het erfrecht!

Wie is de erfgenaam van Adam? Wie is de erfgenaam van Abraham? Wie is de erfgenaam van Juda? Wie is de erfgenaam van David?

ZOON VAN DAVID

“Het boek des geslachts van Jezus Christus, de Zoon van David…”  (Matt. 1: 1).

Een meer triomfantelijke opening van het Nieuwe Testament is nauwelijks denkbaar. Het is de aankondiging van de lang beloofde zoon van David! De zone Davids, die de grondlegger zou zijn van het Nieuwe Verbond. De grondlegger van een Eeuwig Verbond en een Eeuwig Koninkrijk.

Let wel: er staat niet ”Jezus Christus, zoon van David”, maar “Jezus Christus, DE Zoon van David”. Het gaat hier niet om zomaar een telg uit David’s geslacht. Daarvan waren er zoveel! Het geslachtsregister staat er vol mee. Zowel Jozef en zijn natuurlijke kinderen als zijn schoonvader Heli waren zonen van David! Het ging niet om zomaar een zoon, maar om De Zoon. De erfgenaam. De laatste erfgenaam! Hij was degene op wie de profeten doelden! Over hem spraken de profeten, wanneer zij de komende Koning uit het huis van David aankondigen!

“Neigt uw oor, en komt tot Mij, en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een Eeuwig Verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David..”  (Jes. 55: 3).

Bij de mond van de profeet Jesaja had de Heer aan Israël de “weldadigheden van David” en een “Eeuwig Verbond” aan Israël beloofd. Maar David was gestorven. Petrus predikte

“van de aartsvader David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag” (Hand. 2:29).

Door de dood van David konden de beloften, die met David verbonden waren, slechts tot Israël komen door de beloofde Zoon. De beloofde erfgenaam van David! Heel Israël wist en weet dit! Ook in de dagen van Mattheüs moeten zij de woorden van Jer. 30 : 9 gekend hebben, waar geprofeteerd wordt over Israël:

“Maar zij zullen dienen de Heere, hun God en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.”

Deze Schriftplaats toont duidelijk, dat de beloften niet vervuld werden in David zelf. Zij moesten vervuld worden in een erfgenaam van David, die zelfs in de dagen van Jeremia (ca. 400 jaar na de dood van David) nog verwekt moest worden! Deze laatste opmerking is speciaal bedoeld voor de vele theologen die menen, dat de beloften aan David en zijn zaad vervuld zouden zijn in Salomo. Overigens wordt ook hier in Jeremia het verschijnen van de zoon van David gekoppeld aan het in werking treden van het Nieuwe, Eeuwige Verbond!

“Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda (van wie David de erfgenaam was) een Nieuw Verbond zal maken” (Jer. 31: 3 1).

“Ik zal met u een Eeuwig Verbond oprichten .” (Ez. 16: 60).

En door de mond van Ezechiël had de Heer de goede Herder aangekondigd met de woorden:

“Daarom zal Ik mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen kleinvee en tussen kleinvee. En Ik zal een enige herder over hen verwekken, en hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David.. die zal ze weiden, en die zal hun tot een herder zijn. En Ik, de Heere, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal vorst zijn in het midden van hen, Ik, de Heere, heb het gesproken.”  (Jer. 34:22 t/m 24).

Ongetwijfeld verwees de Heiland zelf naar dit vers in b.v. Jes. 40: 11, toen Hij bij herhaling van zichzelf zei:

“Ik ben de Goede Herder”  (Joh. 10).

Ook in die zin is hij de zoon van David. Ook zijn vader David had een enorme reputatie als goede herder. Ook hij had zijn leven in de waagschaal gesteld voor de kudde. En de kudde is Israël! Juist omdat hij zo’n goede herder was, werd David geroepen tot het koningschap over Israël (1 Sam. 16: 11). David was de herderkoning. En zo is zijn Zoon.

Een paar hoofdstukken verder wordt deze waarheid weer herhaald:

“En Mijn knecht David zal koning over hen zijn,” en zij zullen allen tesamen een herder hebben, en zij zullen in Mijn rechten wandelen en Mijn inzettingen bewaren en die doen (een heenwijzing naar het Nieuwe Verbond in Jer. 31:31), en zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben, ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David (de “knecht des Heeren “) zal hunlieder vorst zijn tot in eeuwigheid. En Ik zal een Verbond des Vredes met hen maken, het zal een Eeuwig Verbond met hen zijn”  (Ez. 37:24-26).

Deze David, deze knecht des Heeren, wordt aangekondigd in het eerste vers van het Nieuwe Testament! Jezus Christus, de Zoon van David, de beloofde Herder, de beloofde Koning! De vervulling van de oude Hebreeuwse profetieën!

ZOON VAN GOD

Hoewel het eigenlijk thuishoort bij het reeds genoemde “geslachtsregister” in Joh. 1, willen we er toch op wijzen, dat een groot deel van de reeds aangehaalde profetieën spreekt over de zoon van David als de Zoon van God! En zoals Hij de Zoon van God en dus God is, zo is Hij de zoon van David en wordt hij aangeduid als “David”. In Jer. 30: 7 werd gezegd:

“Maar zij zullen dienen de Heere, hun God, en hun koning David, die Ik verwekken zal.”

Het geheim van dit vers is, dat er niet gesproken wordt over twee personen, maar over een enkele! Degene, die door Israël gediend zal worden is bekend onder de naam”Heere”maar eveneens onder de naam “David”.

Hij is de Zoon van God, en daarom God. Hij is de Zoon van David, en daarom David.

Zoals Paulus spreekt over

“De God en Vader van onze Heere Jezus Christus”  (Ef. 1: 3).

En met “God” en “Vader”dezelfde persoon aanduidt, zo spreekt Jeremia over”de Heere” en ”hun koning David” en bedoelt daarmee niet twee personen, maar slechts een. In Ez. 34 vinden we ook iets dergelijks. Daar is het aanvankelijk de Heer zelf, die spreekt in de hoedanigheid van de Goede Herder:

“Daarom zegt de Heere Heere alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik (let op de herhaling van “Ik”) zal richten tussen het vette klein vee en tussen het magere klein vee… Daarom zal Ik Mijn schapen.verlossen…. Ik zal richten tussen klein vee en klein vee…” (vs. 20-22)

En dan ineens wordt er gezegd:

“ … en hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en die zal hun tot een herder zijn…” (vs. 23),

En in vers 31 is het weer de Heere zelf, die spreekt:

“Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide (weer die herhaling), gij zijt mensen; maar Ik ben Uw God, spreekt de Heere Heere”.

Is het niet duidelijk de herder zelf, die hier spreekt? Maar is niet David of zijn erfgenaam de herder? Ook hier is het grote geheim van het Oude Testament, dat de Heere, de Zoon van God, en de zoon van David een en dezelfde persoon zijn! Dat kan niet anders! Er kunnen immers geen twee herders zijn? Er is toch niet zoiets als een aardse herder en een hemelse herder! Nee, deze beiden zijn één. Zij zullen allen tesamen één herder hebben: de Zoon van God, de zoon van David!

Over deze zoon van David, die tegelijkertijd de Zoon van God is, zoals de profeten geschreven hadden, over deze zoon van David handelt het Nieuwe Testament!

ZOON VAN ABRAHAM

“Het boek des geslachts van Jezus Christus… de Zoon van Abraham”  (Matt. 1 : 1).

Behalve dat hij de Zoon van David is, wordt Jezus Christus in een adem ook de Zoon van Abraham genoemd. De betekenis van deze uitdrukking komt natuurlijk overeen met de voorgaande. Hij is niet zomaar een afstammeling van Abraham, dat waren immers alle Israëlieten, en zij niet alleen! Vele Volkeren kunnen zich afstammelingen van Abraham noemen! Nee, Hij is niet een Zoon van Abraham maar de Zoon van Abraham Hij is de Zoon van Abraham over wie de profeten spraken! Had de Heere zelf niet tot Abraham gesproken:

“En Ik zal u tot een groot Volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vervloekt,” en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden!”  (Gen. 22:2, 3).

Het is eigenlijk heel merkwaardig, dat dit eerste Schriftgedeelte over het Verbond met Abraham geen melding maakt van het “ zaad van Abraham”. Oorspronkelijk wordt deze belofte slechts gegeven aan een enkele man! Maar waar die belofte niet vervuld werd in de dagen van Abraham zelf, ging hij automatisch over op zijn erfgenaam, zijn Zoon. Die erfgenaam hoefde echter niet noodzakelijk ook zaad van Abraham te zijn, Abraham zelf wist dat zeer goed! Daarom zegt hij ook tegen de Heere:

“Heere, Heere, wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer? Zie, Gij hebt mij geen zaad gegeven, en zie, de zoon (ben) van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn”  (Gen. 15: 2, 3).

Abraham wist heel goed, dat bij gebrek aan een natuurlijke zoon zijn knecht Eliëzer? zijn erfgenaam zou zijn. Abraham had immers in opdracht van de Heere zelf zijn familie verlaten! Dat was juist de enige voorwaarde voor het Verbond dat de Heere met hem sloot! Daarom zag het er naar uit, dat Eliëzer? de zoon van Abraham zou worden, hoewel hij geen zaad van Abraham was. De Heere spreekt die mogelijkheid dan ook niet tegen, maar verzekert Abraham:

“Deze (n l . Eliëzer) zal uw erfgenaam niet zijn,. maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn” (vs. 4).

Sinds deze belofte aangaande een lijfelijke zoon, wordt in het Verbond met Abraham voortaan ook gewag gemaakt van “u en uw zaad”.

“Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan de oever van de zee is, en uw zaad zal de poorten zijner vijanden erfelijk bezitten, En in uw zaad zullen gezegend worden alle volkeren der aarde naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt”  (Gen. 22: 17, 18).

Wie dit zaad van Abraham is? De apostel Paulus laat er geen enkele twijfel over bestaan:

“Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet. en de zaden, als van velen; maar als van een: en uw zade, hetwelk is Christus”  Gal. 3: 16).

De Heere Jezus Christus is daarom niet alleen de Zoon, maar ook het zaad van Abraham. In Hem zullen alle beloften aan Abraham vervuld worden!

VOORWAARDEN VAN HET ERFRECHT!

Wanneer we het register van Mattheüs nader willen bestuderen, moeten we ons zoals gezegd in de eerste plaats realiseren, dat het hier niet gaat om een stamboom, maar om een Lijst van de kroonpretendenten van Juda! Het is een koningslijst! Nu wordt dit recht op de troon niet uitsluitend bepaald door afstamming. Ook niet door menselijk erfrecht. Het recht op de troon van Juda wordt bepaald door het recht, zoals God zelf dat in Zijn Woord heeft opgeschreven in b . v . Num. 27.

Deze koningslijst in Matt. 1 is bovendien uniek: er komt geen andere lijst in de Bijbel voor, waarin de koningen van Israël worden opgesomd. Daarom is dit de enige, die kan beantwoorden aan Gods eisen met betrekking tot de troonsopvolging. Daarbij moet hij in overeenstemming zijn met de wet, die de Heere aan Zijn Volk Israël gegeven heeft! Deze eis is de verklaring voor het feit, dat enkele koningen uit het Oude Testament niet meer voorkomen in dit register. Want wat zegt die wet?

“Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van de Heere, onze God, om te gaan dienen de goden dezer Volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage… de Heere zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal des Heeren toorn en ijver roken over dezelven man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de Heere zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen”  (Deut. 29: 18-20).

Volgens deze woorden zal de naam worden uitgedelgd van onder de hemel van de Israëliet, die aan twee voorwaarden voldoet:

Hij wendt zijn hart van de Heere zijn God. Hij dient goden van andere Volken.

Wanneer we nu de geschiedenis lezen van koning Joram, die genoemd wordt in dit register, dan vinden we over hem:

“En Hij (Joram, koning van Juda, het rijk der twee stammen) wandelde in de weg der koningen van Israël (het rijk der tien stammen) gelijk als het huis van Achab (koning van de tien stammen) deed, want hij had de dochter van Achab tot vrouw,” en hij deed wat kwaad was in de ogen des Heeren. Doch de Heere wilde het huis Davids niet verderven, om des Verbonds wil, dat hij met David gemaakt had…” (2 Kron. 21: 6, 7).

Bij deze Joram, zoon van de vrome koning Josafat (zie Matt. 1) liep de zaak volkomen mis! Joram trouwde met een dochter van de goddeloze koning Achab en zijn vrouw Izebel en werd daardoor in feite lid van Achab’s huis. Evenals Achab ontkwam hij niet aan de verderfelijke invloed van Izebel. Zijn einde was dan ook bijna even verschrikkelijk:

“.. Hij stierf van boze krankheden; … en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der koningen”  (2 Kron. 21: 19,20).

In overeenstemming met 2 Kron 21 : 7 werd zijn naam echter niet uitgedelgd. Want hoewel hij ongetwijfeld in navolging van Izebel andere goden diende, hield hij blijkbaar tot op zekere hoogte ook de Heere in ere! Hij at van twee walletjes, zoals zovelen vandaag nog doen en zoals zelfs koning Salomo:

“Want Salomo wandelde Astoreth, de god der Sidoniërs na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten. Alzo deed Salomo dat kwaad was in de ogen des Heeren; en volhardde niet de Heere te volgen, gelijk zijn vader David.”  (1 Kon. 11 : 5, 6).

Maar zowel in het geval van Salomo als in het geval van Joram ging het faliekant mis met de volgende generatie! (zie 1 Kon. 11 : 13). Jerobeam, erfgenaam van Salomo en koning over het afgescheurde 10-stammenrijk, vinden we niet genoemd in Matt. 1. En evenzo vinden we Ahazia, zoon en opvolger van Joram niet vermeld! Het geval van Salomo levert geen moeilijkheden op voor het register, omdat de lijn verder gaat met zijn lijfelijke zoon Rehabeam, koning over de resterende twee stammen. Maar hoe zit het met Ahaziah?

AHAZIAH

Over Ahaziah lezen we:

“En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahaziah, zijn kleinste zoon, koning in zijn plaats, want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de  eersten gedood….. en hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na de dood zijns vaders, hem ten verderve  (2 Kron. 22: 1- 4)

De gevolgen van de afgodische levenswandel van vader Joram waren catastrofaal Een bende Arabieren had al zijn zonen uitgemoord, op de jongste na. Deze Ahaziah kwam weliswaar op de troon, maar stond geheel onder invloed van het huis van Achab, met wie hij immers verwant was! Hij werd gedood door het zwaard van Jehu en zijn naam werd in overeenstemming met Deut. 29: 27 uitgedelgd van onder de hemel (2 Kron. 22: 9; 2 Kon. 9: 27). Wij.vinden hem dan ook niet terug in Matt. 1. Precies zoals te verwachten was!

JOAS

Het vervolg op deze geschiedenis wordt eentonig:

“Toen Athalia, de moeder van Ahaziah zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijk zaad van het huis van Juda om. Maar Jozabath, de dochter des konings, nam Joas, de zoon van Ahaziah, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer,. zo verborg hem Jozabath, de dochter van Joram, de huisvrouw van de priester Jojada (want zij was de zuster van Ahaziah), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.”  (2 Kron. 22: 10-12).

De geschiedenis herhaalde zich min of meer. Bijna alle prinsen werden gedood. Slechts Joas werd gered door zijn tante Jozabath. Evenals zijn vader was hij de enige overlevende van een bloedbad! Joas wordt grootgebracht bij zijn tante en oom Jojada, de priester. Wanneer hij later op de troon komt staat hij aanvankelijk onder bescherming van deze priester:

“Joas deed wat recht was in de ogen des Heeren, al de dagen van de priester Jojada” (2 Kron. 24:2).

“Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor de koning; toen hoorde de koning naar hen. Zo verlieten zij het huis des Heeren, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden” (2 Kron 24: 17-18).

Met instemming van koning Joas keerde Juda zich af van de Heere en wendde zich tot andere goden! En wanneer Zacharia, de zoon van Jojada, met wie de koning samen was opgegroeid, het waagt om Joas in de naam des Heeren te vermanen, wordt hij op bevel des konings gestenigd! (2 Kron 24: 20-21).

Maar evenals zijn vader sterft Joas een gewelddadige dood. Hij wordt vermoord door zijn eigen dienstknechten (2 Kron. 24: 25; 2 Kon. 12: 20). En ook hij wordt niet begraven in een koningsgraf. Zijn naam ontbreekt in het register van Mattheüs., omdat hij de Heere verliet en andere goden diende. Precies zoals Deut. 29: 20 het eist!

AMAZIA

Toen was de beurt aan Amazia, de zoon van Joas. Evenals zijn vader begon hij goed:

“En hij deed wat recht was in de ogen des Heeren, doch niet met een volkomen hart” (2 Kron. 25:2).

Toen Amazia de Edomieten verslagen had, nam hij als oorlogsbuit ook de goden der Edomieten mee, en diende hen! Ook hij wendde zich van achter de Heere en gaf zich over aan de dienst van andere goden.

“Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Amazia.”

Ook hij wilde niet luisteren naar de waarschuwing van de profeet (vs. 15 en 16). Ook hij stierf door de hand van zijn eigen onderdanen.

“Van de tijd af, dat Amazia afgeweken was van achter de Heere, zo maakten zij in Jeruzalem een verbintenis tegen hem, doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar”  2 Kron. 25:27, 2 Kron. 14: 19).

Zijn naam werd eveneens uitgedelgd van onder de hemel en komt niet voor in Mattheüs l !!

HET DERDE EN VIERDE GESLACHT

Het ontbreken van de namen van Ahaziah, Joas en Amazia is dus volledig in overeenstemming met Deut. 29: 20. Het bevestigt de goddelijke inspiratie van dit register. Het is het register zoals God het ziet! En dat niet alleen; het is bovendien in overeenstemming met Gods waarschuwing:

“Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen,. want Ik, de Heere uw God, ben een ijverige God, die de misdaden der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen, die mij haten”  (Ex. 20: 4, 5).

Het was vader Joram, die zich verbond aan een afgodische vrouw. Het gevolg was, dat zijn afstammelingen tot het derde of vierde geslacht (afhankelijk van of wij Joram zelf mee tellen of niet) geen van allen de verleiding konden weerstaan en overgingen tot afgodendienst! Wel, God bezocht hun misdaden. Deze ontbrekende drie generaties zijn de “naamloze” getuigen van een God, die Zijn Woord gestand doet.

In verband met dit alles willen we er nogmaals nadrukkelijk op wijzen, dat dit register niet mank gaat door het ontbreken van deze drie generaties. Het gaat immers om het erfrecht van de troon en anders niets! Wanneer dan Matt. 1 : 8 zegt:

“…En Joram gewon Ozias “ (Hebr.: Azarjah)

doet het er absoluut niet toe, hoeveel generaties Ozias van Joram scheidden. Mattheüs zegt niet dat Ozias een lijfelijke zoon van Joram was, maar eenvoudig dat hij zijn erfgenaam was! Welnu: dit is volledig in overeenstemming met het Oude Testament! Dat er naar de mens gesproken nog andere erfgenamen tussen zaten, is daarmee bepaald niet in strijd!

JOSIAS

Vanaf Ozias (Azarjah) loopt het register probleemloos door tot op koning Josias. Deze Josias was de meest voorbeeldige koning, die Juda ooit gekend heeft, maar het was ook de laatste werkelijke koning! Wie denkt hierbij niet aan de Christus? Over Josias leven we:

“En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot de Heere met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op”  (2 Kron. 23:25).

Woorden die zelfs in verband met David nooit gesproken werden! Maar anders dan met de koning was het gesteld met het Volk van Juda, het 2-stammenrijk. Hoe godsdienstig koning Josias ook was, het Volk volgde hem daarin niet. En zoals God het 10-stammenrijk Israëls had weggevoerd in Assyrische ballingschap, zo kondigde hij ook het eind van Juda aan:

“Nochtans keerde zich de Heere van de brand Zijns groten toorns niet af waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse hem getergd had. En de Heere zeide: Ik zal ook Juda van mijn aangezicht wegdoen, gelijk als ik Israël weggedaan heb ;……”  2 Kon. 23:26, 27a).

Het vervolg hierop vinden we dan twee verzen verder:

“In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josias toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo “ (vs. 29).

Zo werd koning Josias gedood in de strijd en hield Juda op een zelfstandig koninkrijk te zijn! Zo eindigden de kinderen Israëls waar zij begonnen: in de macht van Egypte!

JOAHAZ EN JOJAKIM

Weliswaar wordt Josias opgevolgd door Joahaz en vervolgens door Jojakim, beiden lijfelijke zonen, maar zij waren slechts vazallen van de Egyptische farao (zie 2 Kron. 23: 31-37). Dat is de belangrijkste reden voor het weglaten van hun beider namen in Mattheüs 1. Juda was immers geen zelfstandig koninkrijk meer! De Heere zelf had de troon van Juda weggenomen en overgegeven in de handen van farao Necho! De andere reden is, dat van zowel Joahaz als Jojakim gezegd wordt:

“En hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden “ (2 Kon. 23:32 en 37).

Beider namen werden naar het woord des Heeren “uitgedelgd van onder de hemel”.

JECHONIAS

Dan zijn we nu aangekomen bij Jechonias, die ook wel Jechoniah, Jojachin of kortweg Choniah genoemd wordt. Hij is zonder twijfel de meest omstreden figuur in het register van Mattheüs. Zonder in te gaan op de talloze verschillende visies omtrent zijn verschijning hier, willen we slechts de Bijbelse gegevens over hem nazoeken. Deze Jechonias nu, was de lijfelijke zoon van Jojakim en werd na diens dood zijn opvolger op de vazallentroon van Juda.

“Hij regeerde drie maanden te Jeruzalem… en hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, naar alles, wat zijn vader gedaan had “ (2 Kon. 24: 9).

Het oordeel, dat de Heere uitsprak over deze man, laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

“Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere, ofschoon Choniah, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken. En Ik zal u geven in de hand dergenen, die uw ziel zoeken, en in de hand dergenen, voor welker aangezicht gij schrikt, namelijk in de  hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand der Chaldeeën. En Ik zal u en uw moeder, die u gebaard heeft, uitwerpen in een ander land… waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja weggeworpen in een land, dat zij niet kennen …. ?” (Jer. 22: 24-28).

En zo gebeurde het ook. Hij en zijn familie werden door Nebukadnezar weggevoerd naar Babel! Maar hoewel we een uitgebreide opsomming krijgen van de complete hofhouding, die werd weggevoerd in ballingschap, wordt er slechts melding gemaakt van ‘s konings vrouwen, en niet van eventuele kinderen! Zie bijv. 2 Kron. 36 : 10 en 2 Kon. 24 vanaf vs. 11. De conclusie die wij hieruit moeten trekken is, dat Jechoniah tot dan toe nog kinderloos was. Dit wordt bevestigd in het feit, dat hij op de onderworpen troon wordt opgevolgd door zijn oom Zedekia:

“En de koning van Babel maakte Mattanja, deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia “  (2 Kon. 24: 17).

In 2 Kron. 36 : 10 wordt diezelfde Zedekia trouwens aangeduid als broer van Jechoniah. Want als “zoon” erfgenaam betekent, dan is ”broer” een mede-erfgenaam. Opmerkelijk is hier ook, dat de troon na Jechoniah geen generatie opschuift, maar juist een generatie teruggaat. De enige werkelijke koning uit een volgende generatie zal de Heere Jezus Christus zijn. Maar dat is nog toekomst!

Zoals gezegd: Jechoniah had geen kinderen. De geslachtslijn van het koninklijk huis loopt hier volslagen dood! Nergens in de Schrift worden nog kinderen van Jechoniah genoemd; integendeel! Na de aankondiging van het komende oordeel over het huis van Jechoniah gaat Jeremia verder:

“Zo zegt de Heere: Schrijf deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen, want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon Davids, en heersende meer in Juda ‘ (Jer. 22: 30).

Wanneer in deze profetie gezegd wordt, dat er geen zaad van Jechoniah voorspoedig zal zijn of zal zitten op de troon van David, wil dat nog niet zeggen, dat hij inderdaad nageslacht had. We mogen de zaak niet omdraaien! Dit vers profeteert juist, dat hij kinderloos was en zou blijven, en dat er daarom geen zaad van hem op de troon zou zitten. Het lijkt me duidelijk genoeg.

KINDERLOOS

Het is in dit verband uitermate belangrijk om te weten wat dit “kinderloos” in Jer. 22: 30 precies wil zeggen. Het komt behalve in Lev. 20: 20 en 21 alleen nog voor in het reeds aangehaalde Gen. 15: 2, waar Abraham zich grote zorgen maakt:

“Heere, Heere, wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?”

Het punt is, dat Abraham wel een erfgenaam, een zoon, had in de persoon van Eliëzer, maar dat hij geen natuurlijk zaad had voortgebracht! Het geval van Jechoniah ligt precies zo! Hij had geen lijfelijke kinderen. De Bijbel wil er althans nadrukkelijk niets van weten (en daar gaat het maar om). Wanneer God nu zegt:

” Schrijf deze man kinderloos….”

… is het totaal onmogelijk dat een kind van Jechoniah genoemd zou worden in Mattheüs 1. Of de Bijbel is niet Gods Woord! Misschien laat Jer. 22: 30 wel de mogelijkheid open, dat Jechoniah in ballingschap nog kinderen heeft voortgebracht, wanneer hij spreekt over “zijn zaad”, maar het is zeer onwaarschijnlijk. Ook als we de verdere geschiedenis van Jechoniah nagaan. Waarom zou het trouwens niet mogelijk zijn te spreken over het zaad van iemand, die geen kinderen heeft? Elke verdere discussie over dit punt is zinloos, omdat het onmogelijk is dat God opdracht geeft iemand kinderloos te schrijven en dan vervolgens toch een kind laat optekenen in het register van Mattheüs. De gedachte is eigenlijk absurd.

Wanneer we nu terug gaan naar Matt. 1 : 12 en lezen:

“ ..Na de Babylonische o vervoering gewon Jechoniah Salathiël…”

… dan staat op voorhand vast, dat ‘ deze Salathiël geen lijfelijke afstammeling kan zijn van Jechoniah. Hij was kinderloos en dus ook “kleinkinderloos”, enz..

Wie deze Salathiël of Sealthiël, zoals hij in het Oude Testament genoemd wordt, dan wel was? Precies wat Mattheüs,zegt: de zoon, n.l. de erfgenaam van Jechoniah.

Op welke manier de rechten van Jechoniah, of beter, die van Josias, overgingen naar Salathiël, valt op te maken uit het andere register: dat van Lukas 3.

DE NATUURLIJKE LIJN

Het eerste wat aan het register van Lukas 3 opvalt, is dat het gegeven wordt in omgekeerde volgorde. In tegenstelling tot dat van Mattheüs begint het niet met de oudste stamvader en beweegt zich dan voorwaarts door de tijd, maar het begint met de jongste telg en beweegt zich terug naar de oorsprong! Dit onderscheid is er natuurlijk niet voor niets. Het duidt op het speciale doel van dit register. Zoals vrijwel alle registers uit het oude testament loopt dat van Mattheüs van het verleden naar het heden. De eenvoudige reden daarvoor is, dat het begint bij de oorsprong van de Davidische Dynastie. Van daaruit worden dan achtereenvolgens de erfgenamen van deze troon van David opgesomd. Het gaat er daarbij om op welke wijze de troon in stand blijft.

De gelijksoortige registers in het Oude Testament hebben eenzelfde doel. Veruit de meeste hebben op een of andere wijze betrekking op de geslachtslijn van het beloofde zaad van de vrouw. We dienen daarbij te bedenken, dat de Christus, zoals Mattheüs ook zegt, niet alleen de zoon en erfgenaam is van David, maar ook van Abraham en Adam! Daarom wordt in de Geslachtsregisters de lijn gevolgd vanaf respectievelijk Adam, Abraham en David. Ze volgen de generaties vanaf de oorsprong van hun erfenis tot op de laatste erfgenaam: Jezus Christus!

Dat dit register van Lukas precies de andere kant op loopt, kan slechts betekenen, dat het hier niet in de eerste plaats gaat om het erfrecht. Het begint niet bij de ”grondlegger” van een dynastie! Dit teruglopende register heeft daarom betrekking op de normale lijfelijke afstamming, die ondergeschikt is aan het erfrecht!

Op bijzondere wijze wordt dit bevestigd door het gebruik van het woord “Zoon” in het register van Lukas. We hebben inmiddels gezien, dat dit.woord in feite niets met afstamming, maar alles met erfrecht te maken heeft. Lukas 3 lijkt hierop een uitzondering te zijn, maar is dat beslist niet. Want wat is het geval? Hoewel onze vertalingen hier zo’n dikke 75 maal het woord zoon gebruiken, komt het in de grondtekst slechts een enkele maal voor. Dat is alleen in vs. 23:

“En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzo men meende) de zoon van Jozef.”

In het hele verdere hoofdstuk komt het woord zoon Volgens de Griekse grondtekst niet meer voor. De Statenvertaling geeft dat keurig aan, door het cursief te drukken!

Het merkwaardige van dit verschijnsel is, dat het woord zoon hier uitsluitend gebruikt wordt voor de relatie tussen Jozef en Jezus. Een relatie, die zoals bekend helemaal niets met lijfelijke afstamming te maken had, doch uitsluitend met erfrecht. Ik kom daar later nog op terug. In alle andere gevallen wordt het woord zoon opvallend zorgvuldig vermeden! Kennelijk hebben de vertalers hier niet goed raad mee geweten, omdat hun taalgevoel hun zei, dat er iets niet klopte! Vandaar dat zij het “ontbrekende” woord in de vertaling hebben ingevoegd. En terwijl de cursivering in de statenvertaling dit nog eerlijk aangeeft, is er in de vertaling N.B.G niets te vinden, dat deze verbastering verraadt! Kortom, het vervolg op het boven reeds geciteerde vers gaat als volgt:

“……Jozef van Heli van Matthat van Levi van Melchi van Janna van Jozef van Mattathias…. “, enz.

Het woord zoon houdt Direct verband met het erfrecht. Juist het ontbreken ervan bewijst, dat het hier niet gaat om het erfrecht, maar om de natuurlijke afstamming. De teruglopende vorm is daarvoor gebruikelijk.

KAINAN

Vanwege de parallel met Mattheüs 1, zullen we ook dit register bespreken in chronologische volgorde. Wanneer we het vergelijken met de gegevens uit het Oude Testament, stuiten we in Vers 36 op de naam Kainan. Deze Kainan is met de beste wil van de wereld niet terug te vinden in ons Oude Testament. Dit plaatst ons helaas voor een voor velen toch wel moeilijk probleem. En ook dit heeft dezelfde oorsprong als de in het begin genoemde spellingkwestie: De Septuagint!

Zoals gezegd kwam de Septuagint tot stand in Egypte. Nu is het zo, dat de Egyptische overlevering voorziet in “Koningslijsten”, waarin de geschiedenis van de Farao’s kan worden teruggevoerd tot ver voor de tijd van Adam. Het zijn dezelfde Koningslijsten, waarop tot op vandaag onze kennis van de Oude geschiedenis gebaseerd is. Het grote probleem is echter, dat die koningslijsten

tijdrekenkundig bepaald niet in overeenstemming zijn met de Bijbelse geschiedenis! Onze officiële kennis van de oude geschiedenis is dat daarom evenmin! En wat doet een wetenschapper in zo’n geval? Hij maakt het zelf kloppend! En zoals gebruikelijk moet de Bijbel het dan ontgelden. Hij wordt aangepast aan de menselijke overlevering. Het is waar Paulus voor waarschuwt, als hij schrijft:

“Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld…”“ (Kol. 2: 8).

Juist de menselijke overlevering die verband houdt met het begin der wereld en het begin van het oude Egyptische rijk, is de oorzaak, dat de bewerkers van de Septuagint de Bijbelse geschiedenis met vele eeuwen hebben verlengd. Zij deden dat op twee manieren.

De eerste methode was het verhogen van de leeftijden van de aartsvaders op het tijdstip dat hun erfgenaam geboren werd. Zo vermelden onze Bijbels net als de Hebreeuwse Thenach, dat Adam 130 jaar oud was toen Seth werd geboren, terwijl de Septuagint hier 230 jaar opgeeft. Een dergelijke vervalsing trof vele aartsvaders van voor de zondvloed en ook enigen van latere datum. Bijna dezelfde procedure wordt ook vandaag nog dikwijls toegepast door evangelische christenen, om de datum van de zondvloed te kunnen vervroegen teneinde hun eigen theorieën in overeenstemming te kunnen brengen met de Bijbel !!

In werkelijkheid doen zij echter het omgekeerde: zij verkrachten de Bijbel ten behoeve van hun eigen “wetenschap”. Hoe onwetenschappelijk!

De tweede methode was het invoegen van namen en bijbehorende leeftijden in de geslachtsregisters! Deze Kainan uit Lukas 3: 36 vinden we in ons Oude Testament niet terug. Evenmin is hij te vinden in de Hebreeuwse grondtekst. Hij is echter wel degelijk te vinden in de Septuagint, en wel in Gen. 11 : 13 en 14. Net als in Lukas 3 wordt hij daar geacht de zoon van Arfachsad te zijn! Bovengenoemde “wetenschappers”, die net als de redacteuren van de Septuagint van 2200 jaar geleden belang menen te hebben bij een verlenging van de Bijbelse geschiedenis, redeneren nu als volgt. Aangezien Lukas melding maakt van Kainan, die niet voorkomt in het Oude Testament, besluiten zij, dat hij daaruit is weggelaten. En als er een wordt weggelaten zullen er wel meer weggelaten zijn. In hun gedachtegang

zijn de vroege Oudtestamentische registers dus niet kompleet, en laten daarom ruimte om precies zoveel generaties tussen te voegen als nodig is voor de bevestiging van hun eigen theorieën. Dit nu is dwaasheid. Op de vraag waarom Kainan in tegenstelling tot de Thenach dan wel in de Septuagint genoemd wordt, zijn zij nog steeds het antwoord schuldig. Zouden zij werkelijk deze erkend slechte en bovendien valse vertaling betrouwbaarder achten dan het Hebreeuwse Oude Testament?

Nee, Kainan heeft nooit geleefd, en is slechts een bedenksel van de oude Egyptenaren. Een eenvoudige vergelijking van de gegevens toont dit zonder meer aan. Zo vinden we hem alleen genoemd in de Septuagint in Gen. 10: 24 en 11 : 22, maar niet in de Hebreeuwse Thenach. Hij wordt evenmin genoemd door Flavius Josefus, wanneer hij de afstammelingen van Noach opsomt in ”Joodse oudheden” boek 1 par. 4. Dit is een heel sterk argument, omdat Flavius Josefus wel degelijk gebruik maakte van de Septuagint, getuige het feit dat hij daaruit wel de leeftijden van de aartsvaders heeft overgenomen! Overigens was deze betrouwbare geschiedschrijver er heilig van overtuigd, dat de Egyptische koningslijsten en geschiedschrijving in feite vervalsingen waren. Men leze zijn ”Apion ”. Voorts is het nog zo, dat we hetzelfde register ook vermeld vinden in 1 Kron. 1, doch de bewerkers van de Septuagint hebben dit kennelijk over het hoofd gezien. Vandaar dat Kainan ook in de Septuagint niet genoemd wordt in 1 Kron. 1 : 18 en 24.

Tegenover Lukas 3 : 36 staan dus vier Oudtestamentische schriftplaatsen, waarin Kainan niet genoemd wordt. Dat zijn Gen. 10:24; 11:12; 1 Kron. 1 :18 en 24. Slechts de eerste twee verzen maken in de Septuagint melding van Kainan, de andere twee doen dat niet! Voorts vinden we hem eveneens niet terug bij Flavius Josefus. De conclusie is daarom niet dat hij in het Oude Testament is weggelaten, maar dat hij ten onrechte vermeld wordt in Lukas 3! Dat dit bij sommige christenen ontsteltenis bewerkt is wel te begrijpen, maar wijst toch op onbekendheid met de wijze waarop ons Nieuwe Testament tot stand gekomen is. We kunnen hierop echter niet dieper ingaan. Wel staat zonder meer vast, dat de Hebreeuwse grondtekst van het Oude Testament minder omstreden is dan de Griekse van het Nieuwe. Ook daarom moeten we concluderen, dat deze Kainan in Lukas 3 niet thuishoort!

NATHAN

Tot op David, de koning, is het register van Lukas geheel identiek aan dat van Mattheüs. Maar na David splitst de lijn zich. Terwijl Mattheüs de lijn doortrekt via Davids zoon en opvolger Salomo, gaat Lukas verder via Salomo’s jongere broer Nathan! Ook dit past volledig in het verschillende karakter van de beide registers. Bij Mattheüs gaat het immers niet om de afstamming als zodanig, maar om de lijn van rechtshebbers op de troon. Hij vervolgt daarom het register met Davids opvolger op de troon! Bij Lukas ligt de zaak volkomen anders. Niet het erfrecht, maar de natuurlijke afstamming is daar aan de orde.

Alleen al op grond van deze feiten kunnen we concluderen, dat de Heere Jezus Christus geen natuurlijke afstammeling is van Salomo, maar van zijn jongere broer Nathan. Overigens waren zij beiden zonen van Salomo en Bathseba:

“Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea (Sammuaa), en Sobab, en Nathan, en Salomo. Deze vier zijn van Bath-Sua (Bathseba), de dochter van Ammiël” (2 Kron. 3: 5).

SALATHIEL

De geslachtslijn van Nathan, zoals we die vinden in Lukas 3, kunnen we op geen enkele manier vergelijken met gegevens uit het Oude Testament. Die gegevens hebben we namelijk niet. Pas zo’n tien generaties verder verschijnt de naam Salathiël, die we niet alleen terugvinden in het Oude Testament, maar eveneens in het register van Mattheüs! In feite is deze Salathiël de sleutelfiguur voor het begrijpen van zowel Mattheüs 1 als Lukas 3. De meest klemmende vraag van deze beide registers is dan ook:

“Wie was deze Salathiël?’

In het algemeen worden de meest tegenstrijdige theorieën over deze man verkondigd. Want leert niet Lukas 3 : 37 dat hij de zoon was van Neri, terwijl Matt. 1 : 12 hem de zoon van Jechonias noemt? Dikwijls stelt men dan, dat de Salathiël uit Mattheüs een andere is dan die uit Lukas, aangezien zij verschillende de vaders hebben, Dit argument wordt echter aanzienlijk ontkracht, door het feit dat zowel Mattheüs als Lukas hem een zoon toeschrijven met de naam Zorobabel (Zerubbabel). Maar hoe zit dat nu? Toch tegenstrijdig heden in de Bijbel? De oplossing van dit probleem is even eenvoudig als verrassend. Nadat we het verschillende karakter van de beide registers hebben ingezien, zoals hiervoor beschreven, ligt de oplossing voor het grijpen! Consequente bestudering van de Schrift lost niet slechts vele problemen op, het voorkomt ze!

Laten we beginnen bij Lukas 3 : 37. Zoals reeds eerder opgemerkt wordt daar helemaal niet gezegd dat Salathiël de “zoon van Neri was. De grondtekst vermeld eenvoudig:

“ ……Salathiël van Neri …..”

Dit betekent daarom, dat hij de directe lijfelijke afstammeling was van Neri. Of, om een Bijbelse uitdrukking te gebruiken, hij was zaad van Neri. Hij was “uit zijn lendenen” geboren! Over zoonschap en erfrecht wordt helemaal niet gesproken!

Heel anders ligt het echter met Matt. 1 : 12, waar staat:

“En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiël”

De betekenis van”gewinnen” hebben wij reeds eerder besproken. Het heeft niet direct te maken met de voortplanting, maar met het erfrecht. Mattheüs leert daarom niet, dat Salathiël het zaad is van Jechonias. Hij leert niet, dat hij uit zijn lendenen is voortgekomen. Hoe zou hij ook kunnen? Het zou in tegenspraak zijn met de reeds aangehaald profetie uit Jeremia:

“Zo zegt de Heere: Schrijf deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon Davids, en heersende meer in Juda “  (Jer. 22: 30).

Salathiël was dus geen kind, geen zaad van Jechonias, maar van Neri. Maar aangezien Jechonias zelf geen kinderen had, was daarmee de geslachtslijn van Salomo uitgestorven! Dat dit niet expliciet vermeld wordt door Mattheüs, behoeft geen verbazing te wekken. Niet de natuurlijke geslachtslijn, maar de erfopvolging is het onderwerp van Mattheüs 1. Hij leert daarom niet, dat Salathiël uit Jechonias is voortgekomen, maar dat Salathiël de wettige erfgenaam werd van Jechonias, na het uitsterven van de lijn van Salomo.

Sinds David was het recht op de troon in het bezit geweest van Salomo en zijn natuurlijke afstammelingen. Maar door het uitsterven van deze lijn kwam het recht op de troon in het bezit van de afstammelingen van Nathan! De troon van Juda ging na David oorspronkelijk naar Salomo, doch na Jechonias en de Babylonische ballingschap ging hij alsnog naar de jongere broer: Nathan.

De enige plaats in het Oude Testament, waar eveneens over een zoon van Jechonias wordt gesproken, is 1 Kron. 3. Ook in dat register is het een en ander er niet duidelijker op geworden door een gebrekkige vertaling. Vraagt u mij niet hoe dat komt. Ik weet het ook niet. Ik probeer alleen het weer recht te zetten.

Het eerste vers waarin Jechonia genoemd wordt, hebben we reeds eerder bezien. Het luidde als volgt:

“De zonen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.”

De statenvertaling spreekt hier ten onrechte van “kinderen”, hetgeen door de vertaling N. B. G weer rechtgezet is. Het gaat hier niet om kinderen, maar om zonen, ”Benim”, erfgenamen.

Het gaat net als in Mattheüs om de troonopvolgers! Daarom wordt in dit ene vers tot tweemaal toe van zowel Jechonia als van Zedekia gezegd, dat zij zonen waren van Jojakim. En dat, terwijl wij reeds gezien hebben, dat het voorgaande vers (vers 15) Zedekia de broer van Jojakim noemt! Hoe wij daarom ook over het begrip “zoon” denken, het kan nooit zonder meer vervangen worden door “kind”. Het kan wel zonder meer vervangen worden door “erfgenaam”. Want na Jechonia was Zedekia de erfgenaam van Jojakim.

Dan volgt onmiddellijk vers 17, dat spreekt over zonen van Jechonia. In onze Nederlandse vertalingen zijn echter zoveel woorden tussengevoegd en andere van plaats verwisseld, dat ik nu maar meteen een correcte vertaling geef, met in acht neming van de juiste volgorde der Hebreeuwse woorden:

“En de zonen van Jechonia, de balling: Sealthiel zijn zoon en Malchiram en Pedaja en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja “  (1 Kron. 3: 17 en 18).

De beste Nederlandse vertaling is hier ongetwijfeld de “Leidse”. Overigens is het onbegrijpelijk, waarom dit eenvoudige Hebreeuws voor de vertalers zoveel moeilijkheden heeft opgeleverd. Maar laten we dit vers eens nauwkeurig volgen.

Om te beginnen gaat het hier net als in het voorgaande vers weer niet om kinderen maar om zonen (Benim). Om erfrecht dus. In de tweede plaats hebben alle mij bekende vertalingen, inclusief de niet -Nederlandse, het woord “assir” niet opgevat als een naam, maar correct vertaald met ”de gevankelijk weggevoerde”. Slechts de statenvertaling en de vertaling N.B.G, de meest gebruikte Nederlandse vertalingen, zijn hier in gebreke gebleven.

Ten derde moet ons opvallen, dat Sealthiël net als Jechonia en Zedekia in het voorgaande vers de toevoeging “zijn zoon” meekrijgt, terwijl zij in de aanhef van het vers reeds onder de zonen geschaard worden. Zij worden dus met bijzonder veel nadruk zo genoemd.

De conclusie is deze: net zomin als “Zedekia zijn zoon” uit vers 16 een kind van Jojakim of van Jechonia was, is “Sealthiel zijn zoon” een kind van Jechonia. Hij was slechts zijn opvolger wat betreft de rechten op de troon van Juda! Hetzelfde geldt voor de andere hier zo genoemde zonen van Jechonia. In feite waren zij broers van Sealthiel, zoals hoe dan ook uit een correcte vertaling van deze verzen blijkt, zij waren zonen van Jechonias, maar volgens Lukas 3 : 27 kinderen van Neri uit de lijn van Nathan.

ZERUBBABEL

De zojuist gevolgde redenering is vanzelfsprekend ook van toepassing op het volgende vers uit dit register in 1 Kron. 3:

“En de zonen van Pedaja: Zerubbabel en Simei …..”  (vs. 19).

Ook hier heb ik maar Direct de letterlijke vertaling gegeven: niet kinderen, maar zonen. Ook hier treffen we weer dezelfde structuur. Hoewel Lukas 3 : 27 spreekt over:

“……Zorobabel van Salathiel ……”

wordt hij in kronieken beschreven als zoon van Pedaja. De verschillende theorieën omtrent dit verschijnsel zal ik hier niet bespreken, omdat ze alleen maar verwarrend werken. We blijven gewoon bij de Schrift zelf, en besluiten weer eens, dat Lukas spreekt over de natuurlijke afstamming. Daarom is Zorobabel een natuurlijk kind of zaad van Salathiel. Dit is op geen enkele wijze in strijd met de woorden van 1 Kron. 3! Daar wordt hij immers niet een kind, maar een zoon van Pedaja genoemd. Op de een of andere wijze, was hij dus niet alleen het natuurlijke zaad van Salathiel (volgens Lukas 3 : 27) en zijn Directe erfgenaam (volgens Matth. 1 :12), maar bovendien de zoon en erfgenaam van zijn oom Pedaja. Als we de begrippen “kind”en “zoon” maar goed onderscheiden, hebben we absoluut geen problemen.

Op welke wijze Zorobabel de erfgenaam werd van Pedaja is voor de registers uit Mattheüs en Lukas van geen enkel belang. Pedaja komt daar immers niet in voor! Maar om toch zo volledig mogelijk te zijn, zullen we ook deze zaak nader bezien.

Volgens een bestaande hypothese zou Zerubbabel verwekt zijn door Pedaja, nadat Sealthiel kinderloos zou zijn overleden. Zerubabbel zou dan geboren zijn uit het leviraats- of zwagerhuwelijk tussen Pedaja en de weduwe van Sealthiel. Dit is echter in strijd met de woorden van Lukas, die zoals we gezien hebben Zerubbabel noemt als het natuurlijk zaad van Sealthiel en niet als zijn erfgenaam. Indien deze hypothese juist is, zou Lukas eenvoudig de naam van Pedaja hebben kunnen noemen in plaats van Salathiel. Hij zou ook dan niet in strijd geweest zijn met de gegevens uit het Oude Testament!

Met behulp van een concordantie kunnen wij echter constateren, dat Zerubbabel 10 maal “zoon van Sealthiel, vorst van Juda” genoemd wordt. Daardoor is het zonder meer duidelijk, dat er sprake is van erfrecht. Met name door het gebruik van het woord zoon en de titel “vorst van Juda”. Daarbij moeten wij bedenken, dat het woord “vorst” in de Bijbel niet de titel is van een regerend staatshoofd, maar van een erfgenaam van de troon. Ook de Heere Jezus zelf wordt daarom zo genoemd in verband met zijn eerste komst (b.v. Daniël 9: 25: “Messias de Vorst”). Volgens Lukas was Zerubbabel echter wel degelijk ook zaad van Sealthiel. Dat hij in 1 Kron. 3 desondanks tevens een zoon, en dus erfgenaam, van Sealthiels broer Pedaja wordt genoemd, kan slechts betekenen, dat de rechten op de troon oorspronkelijk in het bezit kwamen van Pedaja. Daarom moeten wij concluderen, dat Pedaja in feite de oudere broer was van Sealthiel. Na zijn (kinderloos) overlijden ging de troon volgens het erfrecht naar zijn jongere broer Salathiel en vervolgens naar diens zoon Zerubbabel. De enige andere, puur theoretische, mogelijkheid is, dat Zerubbabel pas na de dood van zijn vader geboren werd. In die tussentijd van hooguit enkele maanden zou oom Pedaja dan de honneurs hebben waargenomen, op grond waarvan hij hier genoemd wordt, maar nogmaals, deze hele kwestie heeft in feite niets te maken met de beide Nieuw Testamentische registers.

Samenvattend ligt de zaak dan als volgt. Na het kinderloos overlijden van Jechonias, de laatste koning uit de lijn van Salomo, ging het recht op de troon automatisch over naar de nog levende lijn van Salomo’s jongere broer Nathan. Hoewel de Bijbel dit niet expliciet vermeld, was Pedaja de eerste rechthebbende uit die lijn. Doordat ook hij kinderloos overleed werd zijn (vanzelfsprekend) jongere broer Sealthiel zijn erfgenaam, en vervolgens diens zaad en zoon Zerubbabel.

De rol van Pedaja is echter niet essentieel! Wat wel van het allergrootste belang is, dat het recht op de troon na Jechonias in het bezit kwam van de andere, jongere, tak van de familie! Ik kom daar later op terug.

Jozef of Maria?

Na Zorobabel herhaalt de geschiedenis zich. Zoals het geslacht van David zich splitste via de lijnen van Salomo en Nathan, zo splitst de lijn van Sealthiel zich weer na Zorobabel! Na hem zet het register van Mattheüs zich voort via Abiud en Eljakim, terwijl dat van Mattheüs verder gaat met de namen van Rhesa en Johannes. Op de naam Rhesa komen wij later nog terug. Er ontstaan dus weer twee lijnen, die beiden wat de natuurlijke afstamming betreft, zijn terug te voeren tot Nathan!

Het grote probleem van deze twee lijnen is, dat zij beiden uitkomen bij Jozef! Wat we eerder tegenkwamen bij Salathiel, vinden we ook hier. Twee verschillende lijnen met een gemeenschappelijk eindpunt. Ook in dit geval willen we niet al te diep ingaan op de vele theorieën, die hierover in omloop zijn. Maar het lijkt ons toch nuttig de meest gangbare even te noemen.

De kerkvaders waren algemeen van oordeel, dat beide registers inderdaad betrekking hadden op Jozef. De voorzover bekend eerste onderzoeker van deze kwestie, Julius Africanus, hield de theorie, dat de beide grootvaders van Jozef, n.l. Matthan en Melchi (deze laatste naam is onjuist daar Julius zich van een corrupte tekst bediende) achtereenvolgens dezelfde vrouw trouwden. Als gevolg daarvan zouden de beide als zodanig genoemde vaders van Jozef, n.l. Heli en Jacob, halfbroers geweest zijn. Nog steeds volgens deze kerkvader zou Heli kinderloos zijn overleden, waarna Jacob bij de weduwe van zijn broer nageslacht verwekt zou hebben voor Heli. Het bekende zwagerhuwelijk dus. Op deze wijze zou Jozef zowel de zoon van Heli als van Jacob genoemd kunnen worden. Een nogal gekunstelde theorie zonder werkelijke Bijbelse grond. Elementair hierin is, dat beide registers betrekking zouden hebben op Jozef!

Een wat jongere theorie stelt, dat Heli en Jacob, de beide zogenaamde vaders van Jozef, beiden zonen waren van Matthan, uit het register van Lukas. Jacob zou als de oudste broer de erfgenaam van de troon geworden zijn, door het kinderloos overlijden van Matthan uit Mattheüs. Deze Jacob zou geen zoon hebben gehad, maar wel een dochter: Maria! Zij trouwde met Jozef, de zoon van haar oom Heli, en aangezien zij geen broers had, werd Jozef daardoor automatisch de erfgenaam van de troon. Deze theorie is eveneens wel erg ver gezocht! Het belangrijkste hierin is, dat Jozef beschouwd wordt als een kind van Heli uit Lukas 3, en dat Maria gezien wordt als de dochter van Jacob uit Mattheüs 1!

Na de reformatie heeft een nieuwe opvatting veel aanhang gekregen. Volgens deze lezing zou het register van Mattheüs direct betrekking hebben op de natuurlijke afstamming van Jozef. Niet Maria, maar Jozef zou geboren zijn uit Jacob. En Heli zou de natuurlijke vader zijn van Maria! In principe ligt de situatie hier weer precies andersom dan in de vorige opvatting! Deze gedachte, dat Lukas 3 het register is van Maria, en Mattheüs 1 dat van Jozef heeft zoveel terrein gewonnen, dat men het algemeen onnodig vindt, om hem met argumenten te verdedigen. Vermoedelijk vindt het zijn oorsprong in de onwil om nota bene een vrouw op te nemen in het koningsregister van Israël. Maar daarover later. In elk geval acht men het aannemelijk, dat Jozef een natuurlijke zoon is van de laatste troonpretendent in Mattheüs, n.l. Jacob.

Deze verschillende theorieën heb ik hier genoemd, om te laten zien, dat er in de loop der eeuwen nogal verschillend over deze problematiek gedacht werd. En bovendien was het niet de Bijbel, maar de menselijke fantasie, die voorzag in de benodigde argumenten! Het gevolg is dan ook, dat hierover bepaald geen eenstemmigheid bestaat! Beide registers worden beurtelings aan Jozef en Maria toegeschreven! Is het dan niet mogelijk om de menselijke verbeeldingskracht aan de kant te schuiven ter wille van het Woord van God?

LUKAS

Wanneer we al het voorgaande in verband brengen met de werkelijke woorden van Lukas over Jozef, komen we tot een verrassend resultaat! Er valt helemaal geen puzzel op te lossen. Die puzzel is er helemaal niet. Lukas gebruikt in verband met Jozef nog steeds dezelfde woorden:

“….Jozef van Heli van Matthat …..”  ( vs. 23, 24)

Ook hier wordt het woord zoon nog steeds niet gebruikt. Een probleem is er daarom niet. Zoals in verband met alle voorgaande namen in Lukas 3, spreekt hij niet over erfrecht, maar over de natuurlijke voortplanting! Wanneer we dit register dus consequent interpreteren, moeten we zonder meer aannemen, dat Jozef het natuurlijke zaad van Heli was. En waarom ook niet? Omdat we misschien ooit eens anders gehoord hebben? Zolang er geen andere Bijbelse argumenten voorhanden zijn, hebben we geen enkele keus! En laten we toch vooral goed beseffen, dat de waarheid niet democratisch is, niet het aantal aanhangers van een bepaalde visie bepaalt de juistheid ervan, maar enkel en alleen het gezaghebbende Woord van God! Daarom dienen wij ons te houden aan de geïnspireerde woorden van Lukas, dat Heli de natuurlijke vader was van Jozef.

MATTHEÜS

Ook de woorden van Mattheüs laten aan duidelijkheid niets te wensen over:

“En Jacob gewon Jozef, de man van Maria”  (vs. 16)

We houden consequent vast aan de tot nog toe gevolgde lijn. Zoals in alle voorgaande gevallen. In Mattheüs wordt er gesproken over het erfrecht en anders niets! Dit vers leert ons daarom, dat Jozef de erfgenaam was, of beter: werd, van Jacob. Dat kon natuurlijk op verscheidene manieren. De meest voor de hand liggende is, dat Jozef de lijfelijke zoon was van Jacob. Uit het voorgaande is echter reeds gebleken, dat in geval van ontbreken van natuurlijk zaad de kroon overging naar een ander familielid. B.v. de broer of de oom. We kunnen dus de vraag stellen op welke wijze Jozef de erfgenaam werd van Jacob. Een zeer gerechtvaardigde vraag dunkt me. En ook hier staan we onmiddellijk voor een verrassing. We hoeven geen beroep te doen op onze eigen verbeeldingskracht. Voordat de vraag eigenlijk in ons op kom komen, wordt hij in hetzelfde vers beantwoord:

“……de man van Maria …”

Wanneer we objectief blijven, moet het duidelijk zijn, dat het voor het register hoegenaamd niets uit maakt, met wie iemand getrouwd was. De toevoeging ”de man van Maria” is wat dat betreft volkomen buiten de orde. De tegenwerping, dat deze uitdrukking de verbindende schakel vormt tussen Jozef en Jezus, is niet gerechtvaardigd. In Lukas 3 wordt Maria toch ook niet genoemd? Nee, deze toevoeging is het antwoord op de vraag hoe Jozef de erfgenaam werd van Jacob. Namelijk door zijn huwelijk met Maria! En als dat niet de betekenis is, dan is die opmerking volmaakt overbodig! Aangezien alle woorden in dit register verband houden met het erfrecht, moet ook deze toevoeging daar mee te maken hebben. De zaak ligt daarom duidelijk: Jozef werd de erfgenaam van Jacob door zijn huwelijk met Maria. Daaruit volgen dan twee dingen. In de eerste plaats, dat Maria de dochter was van Jacob, en in de tweede plaats, dat Jacob geen zonen had!

Slechts op deze wijze doen wij recht aan alle woorden, die in dit verband door de evangelisten gebruikt worden. Bovendien maakt het het gebruik van onze fantasie volkomen overbodig. Een probleem is er dus niet. Althans niet in de Bijbel.

De kwestie van de afstamming van Jozef, die immers in beide registers genoemd wordt, kunnen we als volgt samenvatten:

Aangezien Lukas van Adam tot en met Jozef uitsluitend spreekt over de natuurlijke afstamming, moet Heli Jozefs natuurlijke vader zijn.

Aangezien Mattheüs slechts spreekt over het erfrecht, is Jacob niet noodzakelijk de natuurlijke vader van Jozef.

Het niet noemen van Maria in het register van Lukas, wijst op Jozef als de natuurlijke zoon van Heli.

Het noemen van Maria als de vrouw van Jozef in het register van Mattheüs, wijst op Maria als de natuurlijke dochter van Jacob.

Kortom, het register uit Mattheüs is dat van Maria en het register uit Lukas is dat van Jozef!

MARIA

Het feit, dat Mattheüs in wezen Maria noemt, als degene via wie de troon vererfd werd, heeft in het verleden geleld tot de veronderstelling, dat niet zij, maar Jozef een kind was van Jacob. Maar hoe moeilijk het met name voor de Jood ook is, om een vrouw als troonpretendent te aanvaarden, het Bijbelse erfrecht heeft er geen enkele moeite mee! Niet alleen wordt deze kwestie door de God van Israël zelf geregeld, maar er is bovendien ook jurisprudentie!

In Numeri 27 vinden we de geschiedenis van “de dochteren van Zelafead”, wier vader zonder mannelijke stamhouder is overleden. In die situatie wenden zij zich tot Mozes met de woorden:

“Waarom zou de Naam onzes Vaders uit het midden van zijn geslacht weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons een bezitting in het midden der broederen van onze vader”  (Num. 27: 4).

Mozes wist zelf met deze vraag blijkbaar niets aan te vangen. Kon een vrouw dan ook erven? Hij was echter een verstandig man, en ging naar de Heer om raad. Hij krijgt een duidelijk antwoord:

“De dochteren van Zelafead spreken recht, gij zult haar ganselijk geven de bezitting ener erfenis…. en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen”  (vs. 7).

Daarna geeft de Heere het erfrecht, zoals we dat reeds zovele malen in de registers in werking hebben gezien:

“Wanneer iemand sterft en geen zoon heeft, zo zult gij zijn erfenis op zijn dochter doen komen. En indien hij geen dochter heeft, zo zult gij zijn erfenis aan zijn broederen geven..Indien hij nu geen broederen heeft, zo zult gij zijn erfenis aan de broederen zijns vaders geven. Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zo zult gij zijn erfenis geven aan zijn naastbestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dat zal de kinderen Israëls tot een inzetting des rechts zijn, gelijk als de Heere Mozes geboden heeft”  (vs. 8 t/M 11)

Dat is duidelijke taal. Bij gebrek aan een lijfelijke zoon, is de dochter de eerste rechthebbende. Daarna komen respectievelijk de broer en de oom. Dat laatste was b.v. het geval bij Zedekia! De allerlaatste rechthebbende is vervolgens de ”naastbestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is”. Dit was het geval bij Sealthiel, toen de troon overging van de lijn van Salomo naar die van Nathan!

Hoe het ook zij, bij afwezigheid van een zoon, is de dochter de eerste erfgenaam! Het is daarom heel goed mogelijk, dat een vrouw de rechten op de troon erft, vooropgesteld dat ze geen broers heeft! Dit nu was blijkbaar het geval bij Maria!

JOZEF

Door haar huwelijk gingen de troonsrechten van Maria automatisch over op Jozef! Hij werd de erfgenaam van Jacob, die wij zijn schoonvader zouden noemen. De situatie is vergelijkbaar met de verhouding tussen Saul en David, die ik reeds genoemd heb. Zoals David als zijn schoonzoon Sauls zoon en erfgenaam werd, zo werd Jozef, als zijn schoonzoon de erfgenaam van Jacob. Het woord vader staat immers voor erflater en zoon staat voor erfgenaam! Daarom is schoonvader en schoonzoon in de Bijbel precies hetzelfde als vader en zoon! Jozef werd door zijn huwelijk de zoon van Jacob en daardoor de rechtmatige erfgenaam van de troon van Juda! En dat niet alleen! Als natuurlijke zoon van Heli was hij tevens uit het zaad van David. Niet uit de vervloekte lijn van Jechonias, zoals dikwijls gedacht wordt, maar uit de, lijn van Nathan en Sealthiel.

Juridisch stonden zijn rechten volkomen vast. Zij worden trouwens bevestigd door de eerbiedige woorden van de engel, die hem aanspreekt met:

“Jozef, gij zone Davids…. ” (Matt. 1: 20).

Dat is het wonder van de timmerman van Nazareth, die de ,,vorst van Juda” bleek te zijn, uit het huis en het geslacht van David.

DE ZOON VAN ADAM

We hebben er reeds op gewezen, dat het woord “zoon” in het register van Lukas slechts eenmaal voorkomt. Alle namen van Adam tot Jozef worden in de grondtekst slechts met elkaar verbonden door het woordje “van”. De enige uitzondering vinden we in de beschrijving van de relatie tussen Jozef en de Heere Jezus:

“Jezus…., zijnde (alzo men meende) de zoon van Jozef van Heli van Matthat … ” (L uk. 3: 23).

De veranderde woordkeus geeft inderdaad een andere verhouding weer! Terwijl Jozef “zaad” van Heli was, was Jezus geen zaad van Jozef. Hij was echter wel degelijk zijn zoon! En dat niet “Alzo men meende”; hij was werkelijk de zoon, n.l. de erfgenaam van Jozef. De uitdrukking “Alzo men meende” moet hier doorgaan voor een vertaling van het Griekse woord “nomizo”, dat echter totaal iets anders betekent. Eigenlijk het tegenovergestelde!

“Nomizo” is afgeleld van “nomos” en “nomos” betekent “wet”! Het betekent dus feitelijk “in overeenstemming met de wet” of “wettig”. Men meende niet dat hij de zoon van Jozef was, men wist het. Hij was de wettige zoon van Jozef, Hij was zijn wettige erfgenaam! Niet omdat hij de natuurlijke zoon van Jozef was, maar omdat hij de natuurlijke zoon was van zijn wettige vrouw, Maria!

Zo zien wij dat het register van Lukas, wanneer we het lezen van Adam tot de Heere Jezus, in dit vers een heel andere wending neemt. Hoewel het steeds spreekt over de natuurlijke afstamming, blijkt het toch uit te komen op het erfrecht. De grote strekking van dit register is hier beslist niet, dat de Heer de erfgenaam was van Jozef. In overeenstemming met de strekking van het gehele evangelie van Lukas, wordt de Heere Jezus hier getoond als de Zoon van Adam! Hij is de Zoon en erfgenaam van Adam. Hij is de Zoon van de mens; de Zoon des mensen”.

Deze laatste uitdrukking betekent immers veel meer, dan alleen dat hij uit het zaad van Adam is. Het betekent dat hij zijn erfgenaam is. We moeten daarbij goed voor ogen houden,dat de titel “Zoon des mensen” in het Nieuwe Testament, in feite de vertaling is van het Hebreeuwse “ben ha”Adam”. Het betekent ”erfgenaam van Adam”! Dat de Heere Jezus dat was is de strekking van dit register en dit evangelie! Daarmee gaat het om een zaak, die zeker zo belangrijk is, als het Messiasschap van Israël. Want terwijl David en zijn erfgenaam geroepen waren tot het eeuwige koningschap over Israël, werden Adam en zijn zoon geroepen om te regeren over de gehele aarde. Dus inclusief Israël Tot Adam, de stamvader zegt God:

“Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt haar, en hebt heerschappij… .” (Gen. 1: 28).

Adam heeft er niets van terecht kunnen brengen, en zijn afstammelingen evenmin. De opdracht rust daarom nog steeds op zijn erfgenaam! Of dacht u dat God het er na Adams falen bij liet zitten? Dacht u dat hij sindsdien zijn plannen gewijzigd heeft? Nee, de “eerste Adam”, de mens, faalde, maar de laatste Adam, de “Zoon des mensen” zal niet falen! Over deze Zoon des mensen zegt Psalm 8:

“Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de Zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? Gij hebt Hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt Hem met eer en heerlijkheid gekroond. Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen, Gij hebt alles onder zijn voeten gezet… 0 Heere, onze Heere! Hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde!” (Psalm 8: 5-10)

En de Hebreeënbrief vult daarbij aan:

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen de dood smaken zou…” (Hebr. 2: 6-9).

“De eerste mens is uit de aarde, aards, de tweede mens is de Heere uit de hemel  (1 Kor. 15: 47).

Jezus, de wettige zoon van Jozef van Heli… van Adam is de laatste Adam, de erfgenaam van Adam, kortom, de Zoon des mensen. Hij kwam om te volbrengen waarin Adam faalde. Hij zal de aarde onderwerpen en over haar heersen. Hij zal als Koning over de schepping de wil van God volbrengen. Hij is de Zoon des mensen, die de schepping zal ontrukken aan de vorst dezer eeuw, en zal terugbrengen tot God, die haar Schepper is. Daarom mogen wij ook uitzien naar die dag

“……wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid”  (Matt. 25:31).

Wat een geweldige toekomst!

DAVID, DE KONING

Evenals het laatste gedeelte van het register van Lukas, heeft dat van Mattheüs een verrassing in petto. We hebben reeds gezien dat Jozef door zijn huwelijk met Maria, de dochter van Jacob, de rechten op de troon van Israël verwierf. Het vervolg hierop hebben wij besproken in verband met Lukas 3: 23: Jezus was de wettige zoon van Jozef, door het huwelijk van zijn moeder, woorden van dezelfde strekking vinden we dan ook in Mattheüs 1 . 16:

“En Jacob gewon Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus.”

In dit verband is het van geen enkel belang, of we de lijn van Jacob laten lopen via Jozef of via Maria, van belang is slechts, dat de rechten van Jacob op volkomen wettige wijze overgingen op de Heere Jezus! Hierdoor werd Hij niet alleen erfgenaam van Jacob, maar bovendien de Zoon van David en de Zoon van Abraham! Wat dat inhoudt hebben we al besproken in verband met het eerste vers van dit hoofdstuk. Op dit moment moeten we ons eerst bezighouden met vers 17:

“Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten.”

Dit vers geeft ons eigenlijk een controletotaal van het register. En dat is niet voor niets! Alleen al het feit, dat men het tot op de huidige dag nooit eens is kunnen worden over de juiste wijze van tellen, bewijst dat het register als zodanig veelal niet begrepen wordt, maar laten we de proef eens op de som nemen.

De eerste groep van veertien generaties moet volgens vers 17 gerekend worden van Abraham tot David. Dat is nog helemaal probleemloos; David is hier inderdaad de veertiende van Abraham.

De tweede groep moet gerekend worden van David tot de Babylonische overvoering. En tenzij we ons strikt houden aan de letterlijke tekst van de Bijbel, komen hier de complicaties! Alweer volgens vers 17 moeten we dit veertiental tellen vanaf David. En let vooral op: als bij de groep “van Abraham tot David” Abraham de eerste in de reeks is, dan is bij de groep”Van David tot de Babylonische overvoering” David de eerste in de reeks. Het enige probleem is, dat David op deze wijze als veertiende gerekend wordt in reeks nr. 1 en als eerste in reeks nr. 2. Hij wordt dus twee keer geteld. Wanneer we de korte reeksen van veertien totaliseren komen we aan 42 generaties, we moeten daar dan echter wel bij bedenken, dat David dubbel geteld is! Maar zo staat het er nu eenmaal. En in plaats van af te wijken van de letterlijke tekst kunnen we ons beter afvragen waarom David dan wel dubbel geteld wordt.

Afhankelijk van onze denkwijze zijn daar verschillende antwoorden op te geven. De meest voor de hand liggende is, dat ook in het Oude Testament de geschiedenis van Davids koningschap wordt gesplitst in twee verschillende perioden! De eerste is die van zijn zevenjarig koningschap in Hebron over de stammen van Juda en Benjamin. De andere is die van zijn koningschap over alle twaalf stammen. Tot driemaal toe wordt zijn totale regeringsperiode vermeld en verdeeld met de woorden:

“De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël zijn veertig jaren, zeven jaren heeft hij geregeerd te Hebron en in Jeruzalem heeft hij drieëndertig Jaren geregeerd.” 2 Sam. 5: 4 en 5, 1 Kon. 2: 11, 1 Kron. 29: 27

David heeft dus eigenlijk twee min of meer verschillende tronen bezeten, hetgeen zijn dubbel tellen in Mattheüs 1 kan verklaren.

Een andere reden staat hier niet helemaal los van. Deze is, dat David niet alleen de stamvader maar ook een type is van de Heere Jezus. Denkt u maar eens aan zijn vele Messiaanse psalmen! En zoals het werk van David uiteenvalt in twee verschillende perioden, zo is dat het geval met het werk van de Zoon van David op aarde. De Bijbel spreekt toch over:

Het lijden dat op de Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende  (1 Petr. 1 : 11).

Helaas moeten wij ons hier beperken tot enkele zeer algemene kenmerken van het typologisch verband tussen David en Jezus. Daarbij gaat het ons hier om het tweeledig karakter van hun werk! ook de Heere Jezus kwam om eerst vernederd en daarna verheerlijkt te worden. Die eerste komst in vernedering is inmiddels geschiedenis, een komst, die in direct verband stond met de reeds genoemde twee stammen van Juda en Benjamin, Maar straks zal Hij komen als de Messias Israëls. Dan zal Hij zitten op de troon van zijn vader David in Jeruzalem. En evenals Davids regering vanuit die plaats, zal Zijn Koningschap zich uitstrekken over alle twaalf stammen van Israël. Het tweemaal tellen van David houdt dus verband met

de twee komsten van de Zone Davids! Maar laten we eerst verder tellen, want er komt nog meer!

JECHONIAS?

Nemen we David als eerste van de tweede reeks van veertien, dan komen we uit bij Josias als laatste van deze groep. Dit betekent, dat Jechonias “omtrent de Babylonische overvoering niet meegeteld wordt! Dikwijls wordt deze kwestie opgelost, door niet David als eerste te nemen, aangezien hij al geteld werd in de vorige groep. Men telt dan vanaf Salomo en komt dan bij Jechonias uit als veertiende. Leuk gevonden, maar het is inconsequent. Nogmaals: als Abraham de eerste is van de eerste groep, dan moet David de eerste zijn van de tweede groep, of vers 17 is onjuist geformuleerd! Wij tellen daarom vanaf David en constateren, dat Jechonias niet geteld wordt. In plaats van kritiek te leveren op Gods Woord vragen we ons gewoon af, waarom hij overgeslagen wordt! Daar zijn verschillende redenen voor.

De eerste is, dat het onafhankelijke koninkrijk van Juda reeds ten einde kwam in de dagen van Josias! Na Josias hebben achtereenvolgens nog Joahaz en Jojakim de troon bestegen, voordat Jechonias aan de beurt was! Maar zij werden in feite op de troon gezet door de Egyptische Farao! (zie 2 kon. 23 : 31 tot 37).

De tweede reden is, dat juist Jechonias door Nebukadnezar werd weggevoerd naar Babel. Het is heel goed mogelijk, dat zijn regering niet meer meegeteld wordt, omdat de “Babylonische overvoering” juist tijdens zijn koninkrijk plaats vond. De derde en meest belangrijke reden hebben wij reeds besproken, deze is, dat Jechonias behoort tot de categorie, wier namen werden”uitgedelgd van onder de hemel”. Het is gewoon zo, dat hij evenals vijf andere reeds genoemde koningen, niet thuishoort in dit register. De vraag is daarom helemaal niet waarom hij niet meegeteld wordt, maar waarom hij desondanks genoemd wordt! Vanwaar deze uitzondering?

Het antwoord ligt voor de hand. Door het noemen van de naam van Jechonias worden we direct verwezen naar de reeds aangehaalde profetie van Jeremia. Daardoor weten wij, dat hij kinderloos was, en dat niemand van zijn zaad op de troon zou zitten. Daaruit konden wij de door Lukas 3 : 27 bevestigde conclusie trekken, dat zijn erfgenaam Salathiel geen natuurlijk zaad van hem was, maar van Neri uit het geslacht van Nathan. Jechonias wordt dus genoemd omdat hij het definitieve eindpunt is van de natuurlijke lijn van Salomo. Dit betekent echter niet,

dat Jechonias deel uitmaakt van het officiële register; dat zou immers in strijd zijn met de regel over het uitdelgen van de namen. Juist daarom krijgen we een telling van dit register in vers 17. Daaruit moet dan blijken, dat Jechonias weliswaar genoemd, maar toch overgeslagen wordt bij de telling van de erfgenamen van de troon. Hij wordt gewoon niet meegerekend!

JEZUS, GEZEGD CHRISTUS

Dan zijn we nu toe aan de derde groep van veertien geslachten uit Matth. 1 : 17

“……En van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten.”

De kernvraag is ook hier: wie is in deze groep de eerste generatie? Wanneer we nog even niet kijken naar de veertiende generatie, is het antwoord niet moeilijk! Vers 12 zegt immers:

“En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiel…”

Volgens de normale betekenis van deze woorden moet Salathiel gerekend worden als eerste erfgenaam na de ballingschap. Het enige probleem dat zich hierbij voordoet is, dat het er dan op lijkt, dat deze groep uit slechts dertien namen bestaat! Om die reden heeft men in het verleden meestal Jechonias als eerste van deze groep gerekend, teneinde aan veertien namen te komen. Men heeft het dus weer eens kloppend proberen te maken. Deze “oplossing” leidt echter tot niets. Wanneer men namelijk Jechonias als eerste van de derde groep telt, mag men hem niet als laatste van de tweede groep tellen. En wanneer we dat niet doen, blijven we toch zitten met het dubbel voorkomen van de naam van David! De telling blijft zo, hoe dan ook, inconsequent. Nee, we hebben maar te nemen wat er staat, want elke eigen oplossing brengt een nieuw probleem met zich mee.

Wanneer we David niet dubbel willen rekenen, wordt Jechonias de laatste van de tweede groep. Vervolgens wordt Salathiel dan de eerste van de derde groep, en houden we twee vragen over: waarom wordt Jechonias ondanks de regel van het “uitdelgen van onder de hemel” meegerekend, en waarom hebben we in de laatste groep slechts dertien namen over, in plaats van veertien?

Als we daarentegen David wel dubbel tellen en Jechonias rekenen als eerste van de laatste groep, komen we voor die groep inderdaad aan veertien generaties. Maar dan blijft de vraag hoe Jechonias de eerste van na de ballingschap kan zijn. terwijl die ballingschap juist in zijn dagen begon? Ook dit is geen oplossing!

Nee, Salathiel is de eerste van de derde groep van veertien, dat staat tenminste in Matth. 1 : 12, en daar houden wij ons aan. Jechonias kan niet de eerste zijn, omdat dat in strijd is met het genoemde vers en omdat de ballingschap niet in zijn dagen eindigde, maar juist begon. Wanneer we trouwens de bijbelse geschiedenis naslaan, zullen we zien, dat Salathiel slechts genoemd wordt als de,vader van Zerubbabel, onder wiens leiding de eerste ballingen terugkeerden naar Palestina. Zonder de gegevens uit dit register zouden we zelf kiezen voor Zerubbabel als eerste van deze groep, aangezien we over Salathiel hoegenaamd niets weten! Het zou daarom absurd zijn, om een nog oudere generatie, n.l. Jechonias als eerste geslacht van na de ballingschap te rekenen.

Salathiel is dus de eerste uit deze reeks van veertien. Welke consequenties heeft dit nu voor de rest van deze groep? Als we gewoon doortellen, komen we bij Jozef uit als twaalfde. De volgende is dan de Heere Jezus als dertiende! Is dat nu werkelijk in strijd met vers 17, dat veertien geslachten rekent? Zou Mattheüs niet hebben kunnen tellen? Moeten wij hem verbeteren of tellen wij niet goed?

Het antwoord is weer even simpel als verrassend! Het gaat hier om het erfrecht. En erfrecht is van toepassing bij het overlijden van de vorige erfgenaam, de erflater! De volgende generatie komt pas aan de beurt bij het overlijden van de vorige! Jozef had pas recht op de troon na het overlijden van zijn schoonvader Jacob. En evenzo had Jezus pas recht op de troon na het overlijden van Jozef, zijn wettige vader! Uit de bijbelse geschiedenis valt dan ook heel eenvoudig de conclusie te trekken, dat Jozef al vroeg gestorven is. Na de jeugd van de Heere Jezus wordt hij niet meer genoemd! Erfrecht treedt dus in werking bij het overlijden van de huidige erfgenaam. Na Jozef was dat de Heere Jezus zelf. Tijdens zijn leven was Hij de bezitter van de rechten op de troon. Maar Hij stierf! Hij gaf zijn leven voor de zonden der wereld. Voor u en voor mij. Hij verloor zijn recht op de troon! Doden regeren niet! Daarop doelt Dan. 9 : 26, dat letterlijk zegt:

“En na die twee en zestig weken zal de Messias (de tot koning gezalfde) uitgeroeid worden, maar Hij zal niet hebben.”

Hij zou sterven zonder als Messias zijn koningschap te ontvangen. Dat ging volgens het erfrecht naar zijn erfgenaam. De voor de hand liggende vraag is nu: wie is de erfgenaam van de Heere Jezus, deze vraag behoort vanzelfsprekend beantwoord te worden in dit register van Matth. 1. En wat staat daar:

“En Jacob gewon Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is Jezus……. gezegd Christus” (vs. 12) !!

In het algemeen gaat de erfenis naar de meest nastaande, het meest naaste familielid. De vraag naar de meest nastaande van de Heere Jezus kan maar op een manier correct beantwoord worden. Is het niet Hij, die uit de dood opstond? Is de Christus, het hoofd van de nieuwe schepping, niet het naaste familielid van Hem, die leed en stierf op Golgotha?

Natuurlijk, wij weten, dat Hij dezelfde is. Daarom betwisten wij zijn rechten op de troon niet. Wij weten, dat Hij, die opgewekt werd, de Zoon van Jozef en van David is. Maar dat neemt niet weg, dat door zijn sterven het erfrecht in werking trad. Wij mogen dat vergeten, God vergeet het niet! Toen Jezus stierf moest er volgens de wet worden uitgezien naar een erfgenaam. En die liet niet lang op zich wachten. Reeds drie dagen later diende hij zich aan in de persoon van de opgestane Heiland, die sindsdien met recht de naam “Christus”

(Gezalfde, Messias) draagt. Want in het Bijbelse gebruik van de namen van de Heere Jezus Christus, is “Jezus” degene die geboren werd in Bethlehem, en is “Christus” degene die opgewekt is uit de doden!

En wat stond er nu in Mattheüs 1?

“En Jacob gewon Jozef de man van Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus” (vs. 16).

“En van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten”  (vs. 17).

Tellen we dit nu keurig na, en beginnen wij bij Salathiel als eerste, dan is Jacob de elfde; Jozef de twaalfde; Jezus de dertiende en Christus de veertiende. Precies zoals vers 17 letterlijk zegt!

HET EERSTEGEBOORTERECHT

Op deze plaats moeten wij het dan ook nog hebben over de merkwaardige kwestie van het eerstgeboorterecht. Het woord alleen roept eigenlijk al vraagtekens op, zouden we niet beter kunnen spreken over het recht van de tweede? Vrijwel overal in de Schrift, waar het eerstgeboorterecht ter sprake komt, blijkt dit recht helemaal niet naar de eerstgeborene te gaan, maar juist naar de tweede. Dit fenomeen vinden we o.a. bij Kain en Seth, Jafeth en Sem, Nahor en Abraham, Ismaël en Isaac, Ezau en Jacob, Ruben en Jozef, Manasse en Efraim, enz. In de Bijbelse geschiedenis is dit verschijnsel eerder regel dan uitzondering! Het is een Bijbels, en daarom Goddelijk principe, dat het eerstgeboorterecht gaat naar hem, die als tweede verschijnt! En zoals steeds dienen wij ons niet af te vragen of dat wel rechtvaardig is, maar waarom het zo is!

Zoals alles in de Schrift houdt ook dit verband met de Heere Jezus Christus. In de eerste plaats, komt dit verschijnsel eveneens voor in het register van Mattheüs. Niet alleen in verband met de hiervoor genoemde gevallen, maar ook daarbuiten. De eerste, waarop we willen wijzen, is die van Salomo en Nathan. Nadat de troon oorspronkelijk naar de oudste zoon van David en Bathseba gegaan was, bleef hij gedurende ongeveer vijf eeuwen in het bezit van zijn afstammelingen. Doch na Jechonia stierf deze lijn uit, waardoor de troon alsnog naar de afstammelingen van Salomo’s jongere broer Nathan ging! Eigenlijk zou het ons moeten verbazen, wanneer dat niet zo was! Het eerstgeboorterecht gaat toch altijd naar de jongere broer?

De andere keer, dat dit verschijnsel in het geslachtsregister voorkomt is wat minder voor de hand liggend. Het is echter de vervulling van de profetie, die erin ligt opgesloten. Alles in de Schrift heeft immers een profetische betekenis? Om die betekenis te begrijpen, is het nodig om het verschijnsel als zodanig goed te definiëren. De zaak is namelijk, dat de hoogste rechten gaan naar degene, die als tweede (en laatste) in deze wereld verschijnt! Niet hij die als eerste komt, maar hij die als tweede komt is de grote erfgenaam. Wanneer we ons dit realiseren, is het niet moeilijk om hierin Christus te herkennen.

Het was de eerste Adam, die in deze wereld geplaatst werd, om de aarde te onderwerpen en over haar te heersen. Hij ontving in principe de kroon, doch hij kon hem niet dragen. Daarom gaat diezelfde kroon, zoals we gezien hebben, naar de tweede en laatste Adam! Niet de eerste, maar de tweede Adam ontvangt het eerstgeboorterecht. Waarom is dat zo? Is het niet omdat de Heere Jezus Christus reeds leefde van voor de grondlegging der wereld? Van voor de schepping van Adam? Heeft hij daarom niet de oudste rechten? Daar komt dan nog bij, dat de kroon feitelijk de kroon is van de nieuwe schepping, en niet primair van de oude! De Christus is ontegenzeggelijk het hoofd en de eersteling van de nieuwe schepping. Hij is immers in alles de eerste geworden!

“Hij, die het begin is, de eerstgeborene uit de doden, opdat hij in allen de eerste zou zijn” (Kol. 1 : 18).

Maar hoewel hij de eerste was en is, verscheen hij als tweede in deze zichtbare wereld. Sprekend over deze materie geeft Paulus ons de volgende regel:

“Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde aards; de tweede mens is de Heere uit de Hemel.”  (1 Kor. 15: 46,47)

En omdat alles in de Schrift verband houdt met de tweede Adam, gaat het eerstgeboorterecht in de Bijbel naar de tweede zoon!

Een andere toepassing van dit principe vinden we in de verhouding tussen Israël en de gemeente. Deze beide uitverkoren volken hebben een speciale roeping ontvangen. Maar hoewel het volk van Israël als eerste van de twee in deze wereld verscheen, gaat het eerstgeboorterecht toch naar de gemeente, die in tegenstelling tot Israël immers een hemelse roeping heeft! Waarom? Omdat de gemeente als eerste van deze beiden is wedergeboren! Wat de nieuwe schepping betreft is de gemeente ouder dan Israël. Israël moet immers nog wedergeboren worden. Vandaar de uitspraak van de Heere Jezus. dat vele eersten (Israël) de laatsten zullen blijken te zijn, en vele laatsten (gelovigen uit de heidenen) de eersten! Ook deze verwisseling vindt zijn oorsprong in Christus. De gemeente is immers uit verkoren ”in Christus”, en Christus is uitverkoren van voor de grondlegging der wereld.

“Gelijk Hij ons (de gemeente) uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld….” (Ef. 1: 4).

Daarom is de gemeente ouder dan Israël, hoewel zij als tweede in deze wereld verschijnt! En daarom ontvangt de gemeente het eerstgeboorterecht boven Israël

Een andere vervulling van dit principe is eveneens bijzonder belangrijk. Vooral gezien vanuit de Oudtestamentische profetieën. Deze vervulling heeft uiteraard ook betrekking op de persoon van de Heere Jezus Christus. Hoewel dit in de profetieën niet zo expliciet naar voren komt, is het toch duidelijk, dat de beloofde komst van de Messias in feite uiteenvalt in wat wij de eerste en de tweede- of wederkomst noemen. Zijn eerste komst was in vernedering om te lijden en te sterven; zijn tweede komst zal zijn om te zitten “op de troon zijner heerlijkheid”. De troon van zijn vader David. Niet zijn eerste, maar zijn tweede komst zal zijn als de zoon van David, de zoon van Abraham, de zoon des mensen (Adam). Eerst dan zal hij optreden als de wettige erfgenaam. Niet wat als eerste verschijnt, maar wat als tweede verschijnt, ontvangt de erfenis van het eerstgeboorterecht. Dit is de uiteindelijke en hoogste vervulling van dit principe, toegepast op de komende koning. We vinden het dan ook terug in het register van Mattheüs 1. Niet de eerste, maar de tweede. Niet Jezus, maar Christus! Niet hij, die kwam om te sterven, maar Hij die de dood overwon, is de uiteindelijke en definitieve erfgenaam van de troon der Schepping!

VEERTIEN

Het is natuurlijk niet voor niets, dat de geslachten in Mattheüs geteld worden als drie maal veertien! Behalve dat deze telling zondermeer duidelijk maakt, dat Jechonias feitelijk niet in dit register meegerekend mag worden, is er natuurlijk ook een typologische betekenis. Nu is het erg moeilijk, om de typologische betekenis van getallen in enkele woorden duidelijk te maken. Dit komt doordat getallen meestal samengesteld zijn uit andere, waardoor de werkelijke betekenis nogal gecompliceerd wordt. Bovendien zijn de grondbeginselen van de getallensymboliek nou niet bepaald gemeengoed. Daarom zal ik mij hier moeten beperken tot een vrij algemene benadering. Per slot maakt de typologische betekenis van deze getallen geen wezenlijk deel uit van de geslachtsregisters!

Het register van Mattheüs wordt geteld in drie groepen van veertien. Dit getal veertien heeft een bijzondere Messiaanse betekenis. Het is namelijk het getal van David! Dat zit zo:

De letters van het Oudtestamentische Hebreeuws hebben namelijk een dubbele functie. Het zijn niet alleen letters, maar ook cijfers. Ongeveer zoals de door ons gebruikte “Romeinse cijfers”, die gevormd worden door letters. Elke Hebreeuwse letter is dus een cijfer, en heeft daarom een bepaalde getalswaarde. Nu wordt de naam David gespeld met de letters “Daleth”, “Waw”, “Daleth”. Deze spelling kunnen we echter ook weergeven als 4, 6, 4. Want een Daleth is het cijfer 4 en een Waw is het cijfer 6. Wanneer we de cijfers van de naam David optellen, komen we aan een “getalswaarde” of ”gematrium” van 14. Veertien staat dus (o.a.) voor David! Het verschijnen van het getal veertien in verband met de komst van de zoon en erfgenaam van David ligt daarom voor de hand. Daarbij moeten we natuurlijk wel bedenken, dat de verwantschap tussen de naam David en het getal veertien voor ons misschien wat ver gezocht lijkt, maar voor de Jood, die thuis is in het Hebreeuws en de letters inderdaad ook als cijfers gebruikt, zonneklaar is!

Daar komt dan nog bij, dat de genoemde combinatie van letters niet slechts de naam David weergeeft, maar ook een normaal Hebreeuws woord is. Het betekent “geliefde”. De naam David kan dus ook gewoon vertaald worden met “geliefde”. De man heette zo, omdat hij dat was. Hij heette David, omdat hij een man was ”naar Gods hart”. Hij was Gods “geliefde”. Het getal veertien houdt daarom niet alleen verband met David en de zoon van David, die immers in de profetieën met dezelfde naam wordt aangeduid, maar het houdt evengoed verband met het woord “geliefde”. Dat zijn geen twee verschillende zaken, maar het is hetzelfde. De zone Davids is immers de geliefde! Zo wordt hij bij voorkeur door zijn hemelse vader genoemd, en bedenk wel: wanneer wij dit woord geliefde opschrijven, schrijven wij de naam David. Tot zesmaal toe staat er geschreven, dat God zegt:

“Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke IK Mijn welbehagen heb” (Matt. 1: 17; 17:5; Mark. 1: 11; 9: 7; Luk. 3:22; 9: 35).

Het getal veertien wijst dus op de zoon van David, de geliefde. Het getal drie is het getal van de “vormwording”, waarop ik hier niet nader in kan gaan. Daarom wijst driemaal veertien op de “vormwording”, de verschijning van de geliefde zoon. En dat is precies het onderwerp van dit hoofdstuk!

TWEE EN VEERTIG

Hoe hoger een getal, hoe meer omvattend de betekenis. Daarom zal ik mij hier beperken tot twee duidelijke toepassingen van dit getal. De eerste 42 die ik wil noemen zijn de 42 “kampplaatsen” van Israël gedurende de reis door de woestijn naar het land Kanaan, dat zij erfelijk zouden bezitten. Een opsomming van die plaatsen vinden we in Numeri 33. Deze 42 plaatsen markeren de weg naar het Beloofde Land. Deze weg wordt getekend met het getal 42. Op soortgelijke wijze zijn de 42 generaties van Mattheüs 1 de weg naar de verlossing, naar de Messias! Na de 42 haltes in de woestijn kwam de verlossing, de intocht in Kanaan. Na de 42 generaties kwam de verlossing in de persoon van de Messias, die als erfgenaam van David zijn koninkrijk zal oprichten. In beide gevallen komen de 42 uit bij de Verlosser! Beide verlossers dragen zelfs dezelfde naam. De eerste was Yehoshua, wiens naam via het Grieks (Septuagint) verbasterd werd tot Jozua. De laatste Verlosser, van wie de eerste natuurlijk een type was, heet eveneens Yehoshua. Zijn naam wordt ten onrechte verbasterd tot “Yeshua”, en in het Grieks kennen wij hem als Jezus!

Overigens wordt ook deze 42 verdeeld in groepen van veertien! De “twaalf verspieders” gaan op hun missie, nadat Israël is vertrokken uit Hazeroth en op weg is naar Paran (Num. 12: 6; 13 : 3). Uit vergelijking met Num. 33 blijkt, dat Hazeroth de veertiende kampplaats was! Men was tijdens de actie van de verspieders dus onderweg van de 14 naar de 15. In Matth. 1 valt dat gelijk met de periode van David, die immers als veertiende maar ook als vijftiende genoemd wordt. Het behoeft dan ook geen verbazing te wekken, dat juist de woestijn Paran zo’n grote rol speelde in de geschiedenis van David. Bovendien wordt datzelfde Paran herhaaldelijk genoemd in verband met de grote verdrukking. Daarover nu.

Na de 42 wordt de verlossing gebracht door “Yehoshua”! Dit geldt uiteraard ook voor de andere toepassing, die ik nog wil noemen. Dat zijn de 42 maanden uit zowel Daniël als Openbaring. Deze 42 maanden (31/2 jaar; 1260 dagen) zijn de duur van de grote verdrukking, die over Israël zal komen. Het is de laatste helft van de zeventig weken van Daniël 9. Het zijn daarom de laatste 31/2 jaar van de geschiedenis van Israël, voorafgaande aan de komst van de Heere Jezus Christus op de Olijfberg, om Zijn Koninkrijk over Israël op te richten!

Onmiddellijk na deze 42 maanden verschijnt de Verlosser, de zoon van David, de zoon van Abraham. De analogie met Mattheüs 1 ligt er dik boven op: als de 42 kompleet is, volgt de Verlossing. De 42ste is de Verlosser, Yehoshua, Jezus, de Geliefde.

VIER EN ZEVENTIG

Hoewel het niet nadrukkelijk vermeld staat, wordt ook het register in Lukas gemerkt met een getal. Dat is trouwens niet alleen het geval met het register van de Heere Jezus, maar ook met andere registers. Zo wordt ook van Henoch gezegd, dat hij “de zevende van Adam” was (Jud. 14), hoewel dat er in Genesis niet bij vermeld wordt. Om het te weten, moeten we tellen!

Wanneer we de namen van het register van Lukas tellen, moeten we echter zeer zorgvuldig zijn. Wanneer we dat niet zijn, komen we tot 76. Een tamelijk nietszeggend getal. Belangrijk is in de eerste plaats, dat we Kainan, zoals we gezien hebben, niet mee mogen tellen, omdat hij ten onrechte in onze Bijbel terecht is gekomen. Wanneer we hem weglaten komen we tot 75, hetgeen eveneens tamelijk betekeningloos is. Het is in elk geval geen markant Bijbels getal.

Er is behalve de kwestie Kainan echter nog een moeilijkheid in verband met dit register. Dat is het voorkomen van de naam Rhesa als lijfelijke zoon van Zerubbabel! In de eerste plaats vinden we hem in het Oude Testament niet terug onder de afstammelingen van Zerubbabel. Op zichzelf terug zegt dat echter niet zoveel, aangezien we de volgende generaties ook niet terug kunnen vinden. Doch de mening bestaat, dat het woord “Rhesa” niet de naam is,van een lijfelijke zoon van Zerubbabel, maar een titel van Zerubbabel zelf!”Rhesa” komt namelijk van het Hebreeuwse “resh”, dat vertaald wordt met “hoofd” of “begin”. Het komt voor in de uitdrukking in Gen. 1 : 1 “bereshit”, dat vertaald wordt met ”in den beginne”. Doch het komt ook voor in de uitdrukking “resh-cohen”, dat vertaald wordt met “hogepriester”.”Resh” is dus wel degelijk een Hebreeuwse titel! Deze titel van “hoofd” of “eerste” is natuurlijk wel degelijk van toepassing op Zerubbabel. Hij was immers de erfgenaam van de troon van David, en de eerste (= voorste = vorst = resh) onder wiens leiding de Joodse ballingen terugkeerden naar Palestina! Niemand ontkent dit, de vraag is echter, of dit woord in het register als eigennaam of als titel moet worden opgevat. Het zou veel te ver voeren, om alle argumenten in deze zaak aan te voeren. Daarom Volsta ik met te zeggen, dat ik persoonlijk geloof, dat rhesa inderdaad de titel is van Zerubbabel. Deze rhesa mag daarom niet meegeteld worden in het register.

Op deze wijze komen we aan een totaal van 74 generaties. En dat is wel degelijk veelbetekenend. Naar orthodox Joodse traditie, bevindt zich aan de voordeur van de woning de zogenaamde “mezoezah”. Dit Hebreeuwse woord betekent eigenlijk gewoon “deurpost”, maar het is ook de aanduiding geworden van dat kleine kokertje met inhoud, dat aan de deurpost bevestigd is. In dit kokertje, de mezoezah, bevindt zich een stukje perkament, waarop de verzen Deut. 6: 4 t/m 9 en 11 : 3 t/m 30 geschreven zijn:

“Hoor, Israël, De Heere uw God is een enig Heere! Zo zult gij de Heere uw God liefhebben met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen. En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn… En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.”

Dit wordt letterlijk toegepast. Deze woorden bevinden zich inderdaad in de mezoezah, aan de deur van ieder Joods orthodox huis. Bovendien bevindt deze tekst zich in de tefilim, de gebedsriemen. Deze verzen spelen dus een grote rol in het Joodse leven! Met het eerste vers, is echter iets bijzonders aan de hand.

Van het vers:

“Hoor, Israël, de Heere uw God is een enig Heere”

worden de laatste letters van het eerste en het laatste woord extra groot geschreven. In een Hebreeuwse Bijbel vallen die letters dan ook onmiddellijk op. De laatste letter van het eerste woord is een “ajin”, dat tevens het cijfer 70 voorstelt. De laatste letter van het laatste woord is een “daleth”, die ook tweemaal voorkomt in de naam David. Hij heeft een cijferwaarde van 4. Wanneer dit vers in het Hebreeuws onder onze ogen komt, wordt het dus op zeer opvallende wijze gemarkeerd door het getal 74! Welnu, dit vers bevindt zich in deze bijzondere vorm niet alleen in de tekst van een Hebreeuwse Bijbel, maar eveneens in de mezoezah en de tefilim. Waarom deze bijzondere schrijfwijze? Waarom het getal 74?

Omdat het wijst op Christus! Hoe kan het ook anders. Deze twee cijfers of letters vormen namelijk ook het woord “ed”, dat vertaald wordt met ”getuige”. Het getal 74 is de getalswaarde van de “getuige”, die niemand anders is dan de Heere Jezus Christus. Het is een van Zijn vele namen en titels! Over Hem lezen we in Jes. 55: 3 en 4:

“Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een Eeuwig Verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David. Ziet, Ik heb hem tot een getuige der Volken gegeven, een Vorst en Gebieder der Volken.”

Is het niet frappant om te zien, dat de getuige hier in een adem genoemd wordt met David. Hij wordt een Vorst en Gebieder der Volken genoemd. Hij is de maker van het Nieuwe Verbond. Kortom, Hij is de Messias Israëls, de Christus, ja, de Koning der aarde. Of zoals Hij in Lukas 3 getekend wordt: de zoon van Adam, de Zoon des mensen! Woorden van gelijke strekking lezen we over hem in Op. 1 : 5:

“En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Vorst der Koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.”

Ook hier wordt gezegd, dat Jezus Christus de getrouwe Getuige is. De Getuige van de Vader. En opnieuw wordt Hij genoemd als de Vorst der Koningen der aarde. Maar tevens als Degene, die Zijn leven voor ons gaf. Gewoonlijk geven onderdanen hun leven voor hun koning, Maar Jezus Christus, de Zoon des mensen, de zoon van Abraham, de erfgenaam van David, de Zoon van God, gaf Zijn leven voor hen, die niet eens zijn onderdanen wilden zijn! Dat is slechts een klein deel van de wondere betekenis van dit eenvoudige getal.

Bij velen van u, zal het bovenstaande ongetwijfeld meer vragen opwerpen dan beantwoorden. Maar wie wilde nu eigenlijk de betekenis van deze getallen weten? Volledigheidshalve heb ik ze daarom, zij het zeer oppervlakkig, genoemd. Wat daarbij zonder meer vaststaat, is dat ze betrekking hebben op de komende Koning, de Verlosser Israëls. De rechtmatige erfgenaam van Adam, Abraham en David! Maar hij is ook mijn Verlosser! Hij was de Koning der Joden en der aarde, en werd onder die titel gekruisigd. Maar goddank, Hij stond op uit de dood, en zal over niet al te lange tijd inderdaad Zijn troon beërven.

Citerend uit Psalm 8 schrijft de apostel Paulus over Hem:

“Wat is de mens, dat Gij zijner bedenkt, of des mensen Zoon, dat Gij hem bezoekt. Gij hebt Hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij Hem gekroond, en Gij hebt Hem gesteld over de werken Uwer handen; alle dingen hebt Gij zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij Hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij, doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn; maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond….”  (Hebr. 2: 7-9).

Door Ab Klein-Haneveld