Het herstel van Israël

Een studie in Zacharia 14 en Deuteronomium 30

Zacharia 14

“Ziet, de dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. En de Heere zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. En Zijn voeten zullen ten dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten. En de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de Heere, Mijn God, komen, en al de heiligen met U, o Heere “. Zach.14:1-5

Dit is een heel bekende profetie. Hij is zo bekend, dat het lang geduurd heeft, voor ik mij realiseerde, wat er werkelijk stond. Het is een bekende waarheid, dat de Heer Jezus ooit terug zal keren uit de hemel. Hij zal Zijn voeten dan letterlijk en zichtbaar zetten op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten (vs 4). Het staat onomstotelijk vast, dat dat gaat gebeuren. Toch zijn er heel wat Christenen, die deze profetie helemaal niet kennen. Als ze deze profetie ooit al eens gehoord hebben, geloven ze hem dikwijls niet. Men zegt dan: “Dat moet u geestelijk zien.” Dan zeg ik: “Goed, verklaar het mij dan. Wat betekent het dan geestelijk”? Men is dan snel uitgepraat, want dit is geestelijk niet te verklaren.

De Bijbel zegt, dat de Heere eens op een dag zal verschijnen op de Olijfberg. Zacharia 14 is echter de enige plaats in de Bijbel, waar dit genoemd wordt. Alleen hier wordt de Olijfberg genoemd als de plaats, waar de Heere in de toekomst Zijn voeten zal zetten. Er staat niet eens bij, waar Hij dan vandaan komt. Wij zeggen “uit de hemel”, want daar is Hij nu. Dat is waar, daar is Hij nu. Op de een of andere manier zal Hij daar in de toekomst vandaan komen. Er staat ook niet bij, waar Hij daarna naartoe zal gaan. Dat staat wel ergens anders, maar hier niet. Hier staat alleen, dat Zijn voeten op een bepaalde dag, nl. “te dien dage”, zullen staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten. De Olijfberg zal dan scheuren.

Dat staat vast, omdat deze woorden ondubbelzinnig zijn. Ze zijn maar voor één uitleg vatbaar. Het staat vast, omdat dit in het Nieuwe Testament door de engel aan de discipelen bevestigd wordt. Hij komt nl. niet alleen op de Olijfberg terug, maar Hij is ook van die plaats ten hemel gevaren. De discipelen stonden verdwaasd naar de hemel te staren, waarheen hun Meester, hun Rabbi, hun Heiland verdwenen was. Er stond een engel, die zei:

“Deze Jezus zal alzo wederkeren” Hand.1:9-11

Wij zeggen dan: Alzo betekent “letterlijk”, want Hij voer letterlijk ten hemel. Alzo betekent “zichtbaar”, want Hij voer zichtbaar ten hemel. Alzo betekent “op de wolken des hemels”, want Hij ging op de wolken des hemels omhoog. Alzo betekent “op de Olijfberg”, want op die plaats voer Hij ten hemel. Op die plaats zal Hij dus ook wederkomen. Dat is misschien wat zwak geargumenteerd, maar het wordt wel degelijk bevestigd in Zacharia 14. De Heere zal inderdaad op de Olijfberg wederkeren.

Hoewel deze waarheid overbekend is, blijkt er weinig kennis te bestaan over het Schriftgedeelte, dat er onmiddellijk aan vooraf gaat. Bijna iedere gelovige weet, wat er in Zacharia 14 staat. Wat staat er echter in het eerste vers? Waarom kennen velen slechts de woorden van vers vier:

“Te dien dage zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg”…. Zacharia 14:4

De vraag moet zijn: “Welke dag”? De tekst is zo overbekend, dat niemand die vraag stelt. Maar over welke dag gaat het eigenlijk?

Ik heb er moeite mee, om dat onder woorden te brengen. Het is zo’n feestelijke boodschap, om te prediken, dat de Heere Jezus ooit lichamelijk op aarde zal wederkeren. Dat is een blijde boodschap. Maar in de Schrift vinden we niet alleen blijde boodschappen. De Bijbel is niet slechts evangelie. De Bijbel zegt ook het oordeel aan over de oude schepping, de oude natuur, de oude mens. Over al wat oud is. Het zegt dus ook het oordeel aan over de Heere Jezus Zelf, Die voor ons tot zonde gemaakt werd. Het zegt ook het oordeel aan over het oude, uitverkoren volk van God, Israël. De oudtestamentische profeten prediken niet slechts blijde boodschap. Er kwam wel een blijde boodschap bij, maar die was uitsluitend gericht op de toekomst. De blijde boodschap hier in Zacharia 14 is: de Heere zal komen op de Olijfberg. Van daaruit en daarna zal Hij Zijn Koninkrijk over de aarde (primair over Israël) oprichten. Dat is een blijde boodschap. De meest tragische boodschap is echter, dat voordat die blijde boodschap in vervulling gaat, eerst het oordeel komt. Dit principe, dat voor Israël geldt, geldt ook voor u en voor mij. Daar hoeft u niet van te schrikken. Iemand vroeg mij eens: “Is er ook leven na de dood?” Het antwoord is: “Ja! Waar anders? Waar anders is leven, dan na de dood?” De Bijbel leert, dat de natuurlijke mens dood is in zonde en misdaden Ef.2:1, 5; Kol.2:13. Het is duidelijk, dat dood, hoe dan ook, het tegenovergestelde is van leven. God zegt, dat de natuurlijke mens niet leeft, maar dood is. De vraag “Waar is leven?” kan alleen beantwoord worden met “Na de dood!” Wij zijn dood; waar vinden wij leven? Na de dood.

“Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde” Rom.6:7.

Wie leeft naar de oude mens, is niet gerechtvaardigd van de zonde. Maar wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde. Als wij claimen, dat wij leven hebben ontvangen door wedergeboorte, moeten wij vaststellen, dat dat zo is, omdat we eerst met Christus zijn gestorven en begraven. Wij zijn geoordeeld en gevonnist met Christus Rom.6:3,4.

“Als die dit oordelen, dat indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn” 2Kor.5:15.

Voor zover ik leef, is dat een leven na de dood. De blijde boodschap van de Bijbel is, dat er leven is voor een ieder, die gelooft Rom.6:8. leder, die gelooft, wordt gerechtvaardigd. leder, die gelooft, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid Rom.4:5. Twee hoofdstukken verder staat echter: “Wie gestorven is, is gerechtvaardigdRom.6:7. Wie in de Heere Jezus gelooft, is naar de oude mens gestorven. Als wij dus het Evangelie prediken, prediken wij oordeel over de oude mens, om dat in de natuurlijke mens geen goed woont Rom.3:12. Hij derft de heerlijkheid Gods Rom.3:12. Hij is dood in zonden en misdaden Ef.2:1 De bezoldiging der zonde is de dood Rom.6:23. Dat is de boodschap.

Velen komen helaas nooit verder dan deze boodschap. De boodschap aangaande de dood van de oude mens. Wij prediken geen verbetering van de oude mens, want die oude mens kan niet verbeterd worden. God verbetert ook de oude schepping niet. God doet de oude schepping weg. Het einde van de Bijbel is dan ook een nieuwe schepping. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont, d.w.z. thuishoort Op.21:1; 2Petr.3:13. Dat is in deze wereld helaas niet zo. En daarom komt er een oordeel over al wat oud is.

Het is een universeel Bijbels principe, dat de apostel in Hebr.10:9 rechtstreeks verwoordt als hij zegt: “God neemt het eerste weg, om het tweede te stellen“. Elke eerste wordt weggenomen. Hij stelt daarvoor een tweede in de plaats. In de Hebreeënbrief staat het in de eerste plaats i.v.m. de oudtestamentische offers. Die worden weggenomen en daarvoor in de plaats komt een nieuwtestamentisch offer, n.l. Christus. Het eerste was tijdelijk en vergankelijk. Het tweede is definitief en eeuwig. Dat geldt niet alleen voor de offers, maar ook voor het oude en nieuwe verbond. Het oude verbond der wet heeft God vernietigd, weggenomen. De wet gold tot aan de dood van de Heere Jezus Gal.3:24 In de plaats van het oude verbond is een nieuw, eeuwig verbond gesteld. Bij het oude verbond hoort het oude koninkrijk van David. Bij het nieuwe verbond hoort een nieuw, eeuwig koninkrijk van de Zone Davids. Een eeuwig koninkrijk onder de Zoon van David, de tweede David. Hij wordt in de Bijbel ook gewoon David genoemd. “Mijn knecht David zal Koning over hen zijnJer.23:5; 33:15-17; Ez.37:24, 25.

Het oude wordt weggenomen; het nieuwe komt er voor in de plaats. Ezau werd weggenomen; Jakob kwam er voor in de plaats. Jakob werd weggenomen; Israël kwam er voor in de plaats. Dat is met alle eersten in de Bijbel zo. Dat is het principe. Het is ook met ons, gelovigen, gebeurd! Misschien weet u dat niet, maar daarom is het wel zo. Voor zover we gelovig zijn, is het oude weggenomen en is alles nieuw geworden 2Kor.5:17. Dat is geen profetie! Dat staat er over elke gelovige. We zien het niet, maar waar staat in de Bijbel, dat men moet geloven wat men ziet? Men moet geloven wat men hoort. Wat de Schrift zegt, moet men geloven. Het oude is weg, het nieuwe is gekomen. Pas dan is men verlost en ontvangt men zegeningen van de Heere.

Men hoort dit eenvoudige principe niet veel meer, maar het is de basis van het Evangelie. Dat Evangelie dient in de eerste plaats aan Israël gepredikt te worden.

“Want het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst de Jood en ook de Griek” Rom.1:16.

Het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder, die gelooft! Dan maakt het niet uit of men een Jood of een Griek is, want als men een gelovige is, is men opgehouden een Jood of een Griek te zijn. Naar de oude mens is men gestorven. Daarom is het een kracht Gods voor een ieder, die gelooft. Onder gelovigen, in de gemeente dus, vinden we Jood noch Griek, slaaf noch vrije, man noch vrouw Gal.3:26-28. Die oude schepping is nl. weggenomen. Diezelfde boodschap gold, geldt en zal gelden voor Israël. D.w.z.: primair voor de individuele Jood, de individuele mens, want het is in de eerste plaats een boodschap voor de mens als zodanig.

Bovendien rekent God echter met volkeren. De boodschap, die voor de individuele mens geldt, geldt net zo goed voor de volkeren in hun totaliteit. Een volk kan daarom als een persoon gezien worden. Het volk Israël wordt daarom bij de naam genoemd van een persoon, nl. bij de naam van hun stamvader Israël. Er geldt een boodschap voor individuen: als zij tot geloof komen, wordt hun oude natuur weggenomen en geeft God hen een nieuw leven daarvoor in de plaats.

Diezelfde boodschap geldt voor een volk in zijn totaliteit. Men hoeft die boodschap alleen maar te interpreteren, te vertalen, naar zo’n situatie toe. We prediken aan het volk, dat het als geheel tot geloof behoort te komen, d.w.z. alle mensen van dat volk individueel, maar het gaat om het totaal, het volk als geheel. Israël zal als volk tot geloof komen. Als men tot geloof komt, wordt de oude natuur, het oude bestaan, volledig weggenomen. God neemt het eerste, de oude schepping weg. Hebr.10:9. Precies dat is het, wat in ieder geval met Israël zal gebeuren op het moment, dat heel Israël tot geloof is gekomen. Dat betekent volgens Zach.14, dat het oude Israël als natie volledig wordt weggenomen. Dat is met ons persoonlijk ook gebeurd. Wij kunnen de Heere dagelijks danken, dat het allemaal weg is.

Wat de oude natuur doet – zelfs vandaag – heeft God weggenomen. Het is dood. God ziet ons slechts in Christus en niet in Adam. Als Israël als geheel tot geloof komt, en die dag is betrekkelijk nabij, rekent God met Israël alleen nog maar “in Christus”. Wat geldt voor de individuele Israëliet geldt ook voor de natie, het volk, dat wedergeboren wordt. Het volk komt opnieuw tot stand. Zoals Israël ooit geboren werd uit Egypte, uit de brekende wateren van de Schelfzee, zo zal Israël wedergeboren en verzameld worden uit al de volkeren, waarvan Egypte immers een beeld was. Men zal niet meer spreken over de verlossing van Israël uit Egypte, maar over de wonderbare verlossing, die dan plaats zal vinden, wanneer Israël geboren en verlost zal worden uit alle volkeren. Israël wordt verlost uit die andere, geestelijke wateren, nl. uit de volkeren, want de wateren zijn de volkeren Op.17:15. Uit die wateren zal Israël geboren worden.

Aan de oever is een smalle strook zand, die wordt aangespoeld door de zee. Van Israël wordt gezegd, dat haar nageslacht zal zijn als het zand der zee. Het wordt aangespoeld uit en door de zeeën. Gen.11:17. Johannes meldt het ook een keer: “En ik stond op het zand der zeeOp.12:18. Het is niet moeilijk te raden, waar hij stond. Het zand der zee is een beeld van Israël, dat verlost is uit de wateren. Waar het vandaan komt, weet men niet. Het is er ineens weer. Zo zal het met Israël gebeuren. Israël zal hersteld worden. Dat zei men 150 jaar geleden ook al. Toen was dat niet makkelijk, want het Turkse rijk was er toen nog. Er was praktisch geen Jood te bekennen, de uitzondering daargelaten. Er was geen Joodse staat, maar Toch zei men: Israël zal hersteld worden.

De profetie van het herstel van Israël geldt ook vandaag. Die profetie is dus nog niet vervuld. Israël moet nog hersteld worden! Wat wij in onze dagen zien, is niet een herstel van Israël. Wij noemen het misschien wel zo. Maar het is niet wat God beloofd heeft aan Israël. Hij beloofde niet een herstel van het oude, maar het opnieuw tot stand komen van iets, dat vroeger al eens geweest was. Hij beloofde het voorbijgaan van het oude en de komst van iets totaal nieuws, dat eeuwig zal zijn. Dat is Israël beloofd op grond van geloof, nl. aan Abraham. Abraham geloofde God. Lees het verbond met Abraham maar na. Zij zouden het land erfelijk bezitten. Gen.22:17.

Die belofte is nog steeds niet vervuld. Het is ook duidelijk waarom niet. Die belofte wordt nl. alleen vervuld aan diegenen, die geloven zoals Abraham. Slechts een gelovige is een zoon, een erfgenaam van de beloften, die aan Abraham zijn gedaan. Gal.3:6, 9. Israël gelooft nog steeds niet. Israël zal tot geloof komen. Daar is geen twijfel over mogelijk. Dat betekent, dat Israël, op grond van geloof, hersteld zal worden in het land. Maar op het moment, dat Israël tot geloof komt, is er geen Israël in Palestina. Dat is de consequentie. Als de Heere Israël belooft terug te zullen vergaderen naar het land, kan dat immers alleen, als Israël op dat moment niet in het land is. Dat staat in deze overbekende profetie over de wederkomst van Christus op de Olijfberg. Wat gebeurt er nl. op de dag, dat de Heere verschijnt op de Olijfberg?

“Ziet, de dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! . Zach.14:1

Het gaat hier over de “de Dag des Heeren”:

“Want Ik zal alle heidenen (alle volkeren dus feitelijk) tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis (de ballingschap); maar het overige (overblijfsel) des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden” Zach.14:2. 

“Ik” is de Heere Zelf! Deze profetie staat niet alleen hier. In elk profetisch boek staat het wel een keer. De vraag is nu: Is deze profetie al vervuld? Het antwoord moet ontkennend luiden! De “Dag des Heeren” (vers 1) is nog niet aangebroken. Dat leert Paulus ook nadrukkelijk:

“Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de Dag des Heeren aanbrak” (2Thes.2:2 grondtekst).

Die “Dag des Heeren” ligt nog steeds in de toekomst. Maar die “Dag des Heeren” komt, groot en vreselijk Joel 2. In Joel wordt die dag aangekondigd en er wordt gezegd: Jeruzalem zal verwoest worden; Kondigt een rouw af; bedrijft rouw. De inwoners van Jeruzalem worden opgeroepen zich te bekeren, maar bij de aanvang van de “Dag des Heeren” zal de stad ingenomen worden.

Dat is hier in Zacharia 14 ook zo. De Heere zal de heidenen ten strijde verzamelen tegen Jeruzalem. De stad zAl ingenomen worden. Wij vragen dan: “Er staat Toch, dat de Heere zal strijden aan de kant van Israël?” Dat staat er inderdaad, maar dat is pas een paar verzen verder. Dan is er n.l. eerst lets anders gebeurd. Zolang de Heere Zijn voeten niet gezet heeft op de Olijfberg, is Hij niet Degene, Die aan de kant van Israël strijdt tegen de heidenen. Hij is dan Degene, Die al de heidenen tegen Jeruzalem zal vergaderen. De stad zal ingenomen worden (vers 2). Dat is heel wat anders dan hetgeen in vers 5 en 6 staat. In vers 2 strijdt de Heere aan de kant van de heidenen en tegen Jeruzalem. In vers 5 en 6 staat, dat de Heere strijdt aan de kant van Israël en tegen de heidenen.

Vanwaar die ommekeer? Vers 4 zegt:

“En Zijn voeten zullen te ten dage staan op de Olijfberg”.

De ommekeer wordt veroorzaakt door de verschijning van de Heere, hoogst Persoonlijk, op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten. Hoe komt dat? Waarom verandert de Heere? Waarom roept Hij eerst de heidenen naar Jeruzalem, om Jeruzalem in te nemen en waarom strijdt Hij ná Zijn komst tegen de heidenen? Dat is eenvoudig. Daar wist Petrus alles van.

“Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; opdat de tijden der verkoeling zullen komen van het aangezicht des Heeren”. Hand.3:19

De Heere komt pas, nadat Israël zich bekeerd heeft en tot geloof gekomen is.

“Want al wie de Naam des Heeren aanroept, zal behouden worden” Joel 2:32.

Dus duidelijk gezegd: wie de Naam des Heeren niet zal aanroepen, zal niet behouden worden.

“Want er is onder de hemel geen andere Naam gegeven” Hand.4:12.

Petrus koppelt eraan vast, dat als Israël tot geloof komt, God zal zenden: Jezus.

“En Hij zenden zal Christus Jezus, Die u tevoren gepredikt is” Hand.3:20.

Waarom komt de Heere dus op die dag op de Olijfberg? Israël roept dan de Heere aan! Zij zullen zich in hun benauwdheid tot Hem wenden. In de grote verdrukking, de “Dag der benauwdheid van Jakob” (1260 dagen), zal de Heere hen tot gehoorzaamheid en geloof dwingen. Dan zal Israël zich wenden tot de Heere en men zal zich Zijn Naam herinneren. Zij zijn de Naam vergeten, hoewel de Heere Zich honderden malen in het Oude Testament aan Israël voorstelde. “JeHoWaH is Mijn naam”. ‘lk ben JeHoWaH, uw God”. Maar het was Israël niet aangenaam. Zij zijn de Naam vergeten. Wij zeggen: JeHoWaH. Die uitspraak is verkeerd, maar hoe die Naam wel uitgesproken moeten worden, weet men niet, omdat die Naam onder Israël nooit uitgesproken werd.

Waar die Naam in het Oude Testament staat, leest men “Adonai” in plaats van “JeHoWaH”. Maar er staat, dat wie die Naam aanroept, behouden zal worden. Israël weet het niet meer. Zij zijn de Naam vergeten en komen niet tot geloof. Israël zal in de grote verdrukking die Naam aanroepen. Wanneer? Als de Heere al de heidenen tegen Jeruzalem vergaderd heeft, zoals ook Joel 2 zegt. Dan zal een overblijfsel, zij die de verdrukking tot dan toe hebben overleefd, de Naam des Heeren aanroepen. In een verwoest Jeruzalem, want zover komt het eerst wel. Wij kunnen dat betreuren, maar zo is het met ons ook gegaan. Eerst werd de oude mens, ons oude leven verwoest. Als het niet verwoest was, moest het Toch verwoest worden. Als men nieuw leven wil aanvaarden, moet men het oude leven opgeven. Hij neemt het oude weg en stelt er iets nieuws voor in de plaats.

Zo is het met Israël. Het oude Jeruzalem wordt verwoest. Het oude Jeruzalem, dat gebouwd werd in eigen kracht. Dat is weliswaar in overeenstemming met de profetie, maar niet met wat de Heere beloofd had te zullen doen. Het oude Jeruzalem wordt vernietigd, want het is mensenwerk. Het is dat, wat goedwillende mensen in de plaats van het werk van God stellen. Wij zijn zelf net zo. We denken: “We doen het zelf wel”. Als het niet lukt, halen we er pas een ander bij. Maar we moeten niet wachten tot het mislukt. Want zelfs als het wel lukt, zitten we verkeerd. We moeten het opgeven en het van de Heere verwachten. Dat moet ook Israël leren. Israël zal het van de Heere verwachten, maar pas nadat de staat Israël, zoals wij die kennen, vernietigd is.

Dat gebeurt vandaag niet! Het kan en zal ook niet gebeuren. Israël wordt vandaag niet van de kaart geveegd. Het tijdstip daarvoor staat vast. Dat is nl. bij de aanvang van de “Dag des Heeren”. Dat is in ieder geval (vlug gezegd) minstens 7 jaar na de opname van de gemeente. Wanneer het zal zijn, staat dus onherroepelijk vast. Dat is ons geopenbaard in de Schrift. Vandaag zijn de heidenen erop uit, Israël te vernietigen. Maar een ding is zeker: Israël wordt nu niet vernietigd. Dat is geen garantie, dat Israël het niet heel zwaar te verduren krijgt, ook in onze tijd. Die “dag der benauwdheid” is vandaag niet, maar dat wil niet zeggen dat ze het niet benauwd hebben of krijgen. Er is nu nog een kans voor elke individuele Israëliet om tot Christus te komen en daardoor, net als wij, te ontvlieden aan de toekomende toorn.

Zo niet, dan zullen ze deel uitmaken van hun eigen, ongelovige staat, die trouwens net zo ongelovig is als de staat waar wij deel van uitmaken. Wat hen te wachten staat is “de toekomende toorn”. Deze profetie zal vervuld worden. De Heere zal de heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen en Israël zal uiteindelijk, aan het eind van de grote verdrukking, tot geloof komen. Dan zullen zij de Naam des Heeren aanroepen. Die Naam zullen zij op de een of andere wijze weer kennen. Op het horen van Zijn Heilige Naam zal de Heere verschijnen! De wet zegt: “Gij zult Mijn Naam niet ijdel gebruiken” Ex.20:7. Er staat niet: “Gij zult Mijn Naam niet gebruiken”.

Israël meent vandaag, dat men de Naam des Heeren niet mag uitspreken, want uitspreken is aanroepen. Als men iemands naam uitspreekt, roept men hem aan. Daarom zijn velen bang het woord “dood” uit te spreken, want dan roept men de dood over zichzelf af. Als men de Naam des Heeren uitspreekt, roept men Hem over zich aan. Dan komt Hij. Dan meldt Hij Zich, gelukkig voor ons! Wij kennen Hem onder een andere naam, Christus Jezus, de Opgewekte, de Verheerlijkte! Israël zal de naam JeHoWaH aanroepen en daardoor behouden worden. De Heere verschijnt dan op de Olijfberg. Wat zegt Hij dan? Niet: “Blijf waar u bent, Ik kom u helpen”. De Heere komt niet, om Israël te helpen, maar om Israël te verlossen. Hij verlost hen op dezelfde wijze als Hij ons verlost heeft, nl. door al het oude weg weg te doen en er nieuw leven voor in de plaats te geven.

Hoe? Als de Heere komt, zegt Hij: “Ga er maar uit”. De Heere voegt Zich niet bij de gelovigen, de overigen des volks (vers 2). Maar hij opent hun een weg, om te vluchten uit de plaats, die zij zelf gebouwd hadden en die Hij zojuist vernietigd heeft. Dat is met ons net zo gebeurd. Wat de Heere ons in het Evangelie biedt, is een vluchtweg ter verlossing. De Heere komt niet bij ons, om ons te helpen. Hij is niet ons personeel. Hij is niet onze dienstknecht! De Heere bepaalt de weg. Hij zegt: “U kunt verlost worden. U kunt eeuwig leven ontvangen, maar er is maar één weg“. Die weg voert ook voor Israël via Jezus Christus. Die weg wordt daar ter plekke gecreëerd. Een weg dwars door de Olijfberg (letterlijk). Op die Olijfberg staat de Heere Jezus. Bij Hem moet men langs, onder Zijn voeten door. Vluchten! Niet uit de woestijn naar Jeruzalem. Niet uit de woestijn naar het beloofde land. Integendeel. Van de stad Jeruzalem naar de woestijn. Dezelfde weg terug, die Israël ooit onder Jozua het land ingegaan is. Diezelfde weg terug zal men moeten bewandelen, de woestijn weer in. Dezelfde route; de zelfde weg. Dat is heel belangrijk, want die weg wordt in het Oude Testa-ment de weg van de koning, de koninklijke weg genoemd Num.20:17; 21:22. Die weg zal men terug moeten de woestijn in, want daar is verlossing voor Israël. Niet in Jeruzalem, maar in de woestijn. Wie uit Jeruzalem niet vlucht, wordt niet verlost.

“Want op de berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn…. “ Joel 2:32.

“En de vrouw vluchtte in de woestijn waar zij een plaats had, haar van God bereid” Op.12:6

Dat was niet in Jeruzalem, maar in de woestijn: “Een plaats, haar van God bereid”. Als Israël hier uit Jeruzalem vluchten moet, aan het eind van de grote verdrukking, op de dag van de verschijning van Christus op de Olijfberg, dan is het nog geen vrede op aarde. De joodse staat wordt dan definitief vernietigd en elke overlevende moet vluchten uit de stad naar de woestijn, opdat de Heere Jezus hen langs dezelfde route als eens die andere Jezus, nl. Jehoshua, Jozua, het land in kan brengen. Dat is uiteraard wel enige tijd later. Het zal precies dezelfde weg zijn, door het gebied van Edom en langs de stad Bozra.

“Wie is Deze, Die van Edom komt, met besprenkelde klederen van Bozra?” Jes.63:1

Bozra ligt aan die koninklijke weg, waarlangs Israël ooit onder Jozua gegaan was. Als dat gezegd wordt in Jesaja 63, is Bozra, de hoofdstad van Edom, verwoest, geoordeeld. Eerst Jeruzalem, dan Bozra. Eerst de hoofdstad van Jakob, dan de hoofdstad van Ezau. Hetzelfde principe. Israël komt tot geloof en wordt behouden bij de wederkomst van Christus, maar op het moment, dat de Heere Zich vertoont aan Israël op de Olijfberg, is Jeruzalem een puinhoop geworden en de Heere zegt: “vlucht!”. Dwars door de Olijfberg heen. Op het moment van de komst van de Heere is er dus geen Joodse staat meer in Palestina. Waar zijn de gelovigen van Israël? Voor een groot gedeelte zijn zij verspreid over de wereld en voor zover zij in het land waren, vluchten zij naar de woestijn. Dat zegt ook Jeremia 31, dat spreekt over het in werking treden van het nieuwe verbond voor Israël. De apostel haalt het aan in Hebr.10:16, 17.

“Zo zegt de Heere: het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn” Jer.31:2

Zij, die het zwaard, de grote verdrukking, overleefd hebben, hebben genade gevonden. In de woestijn! Daar vinden zij genade. Dan dringt zich een merkwaardige vergelijking op tussen deze situatie en de uittocht uit Egypte. Wat gebeurde er met iemand, die niet mee wilde uit Egypte? Hoorde hij tot het verloste volk? Nee, natuurlijk niet! Men behoorde pas tot de verlosten, als men achter Jozua was uitgetrokken uit Egypte en door de zee was gegaan. Zo geldt het dan ook. De uittocht van Israël uit Egypte, de geboorte van Israël, staat model voor de wedergeboorte van Israël. Het is in de eerste plaats een uittocht uit Kanaän, uit Jeruzalem. De plaats Jeruzalem, waarvan Op.11:8 zegt, dat die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte. Uit Egypte werd Israël ooit geboren. Uit Jeruzalem zal Israël wedergeboren worden, maar zij moeten er eerst wel uit. Men moet de moeder immers verlaten. Er moet wat breken. Er moet wat scheuren. Bij de uittocht uit Egypte brak het water van de Schelfzee. Bij het in werking treden van het Nieuwe Verbond, bij de wedergeboorte, breekt er een berg, een rots. Volgens 1Kor.10 is de rots in het algemeen een beeld van Christus. De Olijfberg, die breekt, is een type van Christus, de Messias van Israël. Hij werd verbroken! Maar deze verbroken en doorsteken Messias zal Zijn voeten zetten op de Olijfberg. Want de inwoners van Jeruzalem zullen de Naam des Heeren aanroepen. Zij roepen niet Jezus aan, maar JeHoWaH, de Heere. Zij geloven immers niet dat JeHoWaH Jezus is. Er zijn trouwens ook Christenen, die dat niet geloven. Maar deze aangeroepen JeHoWaH zal inderdaad verschijnen op de Olijfberg. Dan gaat ook deze bekende profetie in vervulling:

“Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorsteken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als de rouwklage over een enige Zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een Eerstgeborene” Zach.12:10

De “inwoners van Jeruzalem” zijn alle nog overgebleven mensen uit de hele staat Israël. De anderen zijn dan allang weg. Aan het einde van de grote verdrukking is alleen Jeruzalem nog over. Het “uitstorten van de Geest” wordt eveneens genoemd in Joel 2. Het is dezelfde gebeurtenis. De Geest wordt uitgestort over allen die geloven. Dat is immers het Bijbelse principe. “Zij zullen Mij aanschouwen”, zegt JeHoWaH, de Heere (vs 1). “Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorsteken hebben.” Ongetwijfeld zal hen de schrik om het hart slaan. Want wat gebeurt er eigenlijk? Zij roepen hun Heere aan, hun JeHoWaH, hun Heilige, hun eeuwige! Maar als Hij komt, zal Hij de Jezus van de Christenen blijken te zijn, die door hen aan het kruis genageld werd. Dat is n.l. Dezelfde Persoon! Jezus en JeHoWaH zijn precies Dezelfden. Het is geen zaak van Vader en Zoon. Zij zijn beiden de Zoon. Dat weet Israël niet, maar daarom is het wel zo. Het was wat de apostel Petrus predikte op de Pinksterdag:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot (een) Heere (JeHoWaH) en Christus (Messias) gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Dien gij gekruist hebt” Hand.2:36

Zacharia zegt: “Zij zullen over Hem rouwklagen als over een enige Zoon.” Als? Hij is hun enige Zoon. Daarom bedrijven zij rouw over Hem. “Zij zullen over Hem bitterlijk kermen.” Zij zijn behouden, maar er is rouw. Er is verlossing, maar er wordt rouw geklaagd. Er wordt bitterlijk gekermd. In de eerste plaats vanwege die Zoon, die zij zelf gedood hadden. In de tweede plaats, omdat hier feitelijk de moeder zelf aan het woord is.

Toen de “zoon van de laatste dagen”, de “zoon der smarten”, n.l. Benjamin, de liefste zoon van Jakob geboren werd, stierf de moeder Rachel, bij Bethlehem, in de velden van Efratha. Zo is het ook als Israël wedergeboren wordt. Dan sterft de moeder, het natuurlijke volk. Dan sterft al het oude, waardoor het nieuwe tot stand werd gebracht.

Op dat moment zien zij een verbroken Christus, met lidtekens. Zij zullen Hem aanschouwen, Dien zij doorsteken hebben. Zij zullen de lidtekens zien en er ook naar vragen Zach.13:6. Zij zullen de tekenen van het verscheuren van Zijn lichaam zien. Zo zal Hij daar staan op de verscheurde berg, de gescheurde Rots. Als type van Zijn lijden en sterven. Maar Toch is er ook de Rots, Die niet wankelt, als type van Zijn opstanding. Wie zich aan die Rots vastklemt, zal merken, dat die Rots onwankelbaar is. Wie gelooft, zal niet haasten (vluchten). Jes.28:16 Niet bij die Rots wegvluchten, maar zich eraan vastklampen. Die rots is de opgewekte Messias, de verrezen Christus.

De Olijfberg zal scheuren als beeld van de gekruisigde. Maar de breuk zal weer geheeld worden. Vanzelfsprekend als beeld van de opstanding. De breuk wordt geheeld, zoals die bij de Heere Jezus geheeld is. Alle wonden zullen geheeld worden, ook die van de Olijfberg. Daarvan spreekt de profeet Joel. De aarde, die zich opende, sluit zich ook weer. De weg, waarlangs Israël vluchtte, werd afgesloten. Zoals de wateren van de Schelfzee zich openden en Israël kon vluchten, waarna de wateren zich sloten en de vijand van Israël vernietigde. Zo gebeurt het volgens Joel ook met de Olijfberg. Die opent zich en Israël vlucht, waarna hij zich weer sluit. De vijand van Israël wordt daardoor vernietigd.

Deze gebeurtenissen spelen zich of aan het einde van de 70ste week van Daniel, aan het eind van de verdrukking voor Israël, aan het eind van de 1260 dagen. Het eindigt dus niet met een “vrederijk”, maar met de val van de Joodse staat. Eerst daarna zal de Heere Zich stellen aan het hoofd van Zijn kudde. Jes.31:10; Ez.34:11ev.. Hij zal optrekken uit Bozra Jes.34:6ev; 63:1ev.; Mic.2:12.. Hij zal aan het hoofd van de kudde optrekken uit de woestijn naar de ruines van Jeruzalem, zoals eens Jozua aan het hoofd van het volk. Hij zal Jeruzalem in bezit nemen en herbouwen. David was ooit 7 jaar koning over de 2 stammen van Israël en daarna werd hij koning gemaakt over geheel Israël. Hij trok op en nam Jeruzalem in bezit. Die stad heette eerst Jebus. Hij noemde haar Jeruzalem. Daarom is het ook de stad van David. Zo zal de Heere zelf, nadat Hij zich 7 jaar bemoeid heeft met de 2 ongelovige stammen van Israël, Koning gemaakt worden over alle 12 stammen.

Het eerste wat er dan gebeurt, is, dat Jeruzalem veroverd wordt. Jeruzalem, waar de tronen des gerichts zullen worden gezet Ps.122:5. Dan staat er: “Bidt voor de vrede van Jeruzalem” Ps.122:6. Bidt voor dat Jeruzalem, waar de Messias over geheel Israël regeert en van waaruit de Heere, zoals eens David, Zijn koninkrijk op aarde zal oprichten. Dan duurt het inderdaad nog even voor ook alle andere volkeren onderworpen zijn. Want Israël is zojuist als eerste volk onderworpen. Alle andere volkeren moeten nog komen, zoals b.v. Egypte en Babel. Alle volkeren zullen zich stuklopen op de bergen Israëls, want daar in Palestina heeft de Heere Zijn koninkrijk gevestigd. Dan gaat ook de tweede Psalm in vervulling:

“Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te samen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde” Ps.2:1, 2

Zij weten tegen Wie zij strijden. Zij weten Wiens troon daar in Jeruzalem staat. De Messias Israëls heeft daar een begin gemaakt met Zijn koninkrijk, nadat de oude staat eerst helemaal vernietigd was. De Heere, de Zone Davids, de Erfgenaam van David zal inderdaad vanuit Jeruzalem dat koninkrijk vestigen. Het werk, dat de Heere zal doen, is niet gebaseerd op welk mensenwerk dan ook. “Hij verlaat niet wat Zijn hand begon” Ps.138:8.

Wat een andere hand begon, gooit Hij zo weg. Dat is zomaar verdwenen. Met Jeruzalem is dat ook zo vaak gebeurd. Het is de meest verwoeste en ook de gruwelijkste stad op aarde, helaas. Nog is het einde niet, want ook dit Jeruzalem zal verwoest worden, opdat uiteindelijk een echt Jeruzalem gebouwd zal worden, dat haar naam eer aan doet: stichting van vrede. Wat nu gesticht wordt, waar dan ook op aarde, is geen vrede. Vrede is nl. het resultaat van het werk van de Vredevorst en van niemand anders. De Heere heeft daar strikt genomen ook absoluut geen hulp bij nodig. Er zijn talloze schriftplaatsen die zeggen, dat Christus het koninkrijk alsdan zal oprichten. De Koning richt het koninkrijk op. De onderdanen richten niet het koninkrijk op en zeggen: “Heere, hier is Uw koninkrijk. Hier is Uw troon.” Het gaat precies andersom. Er zal een grote chaos hier op aarde zijn. Dan komt Christus en Hij vestigt Zijn Vrede-rijk! Hij doet dat Zelf! En alleen!

Hoe goed de bedoelingen van sommige activiteiten ook mogen zijn, de Heere gebruikt alleen Zijn Eigen werk. God gebruikt a!leen het werk van Zijn Zoon, Die Hij daartoe heeft aangesteld. Adam werd aangesteld, om de aarde te onderwerpen en over haar te heersen. Adam kon dat niet. Zijn Zoon, de tweede Adam, kan het echter wel. Daar is weer het oude principe: de eerste verdwijnt en de tweede komt er voor in de plaats. De tweede, de laatste Adam, zal de aarde onderwerpen. Niet wij, de kerk, de politiek, het Zionisme. Maar Christus Zelf. De Zoon, die Bouwer is. Jezus Alleen.

Deel 2 DEUTERONOMIUM 30

“Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die Ik u voorgesteld heb; zo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft. En gij zult u bekeren tot de Heere, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles wat Ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel. En de Heere, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken waarheen u de Heere, uw God, verstrooid had. Al waren uw verdrevenen aan het eind des hemels, vandaar zal u de Heere, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. En de Heere, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk gezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen. En de Heere uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om de Heere, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij levet” Deut.30:1-6.

“Gij dan zult u bekeren, en der stemme des Heeren gehoorzaam zijn, en gij zult doen al Zijn geboden, die Ik u heden gebiede” Deut.30:8

“Wanneer gij der stemme des Heeren, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot de Heere, uw God, met uw ganse hart en met uw ganse ziel. Want ditzelve gebod, hetwelk Ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre. Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om dat te doen” (Deut.30:10-14). “Maar indien uw hart zich zal afwenden, en gij niet horen zult, en gij gedreven zult worden, dat gij u voor andere goden buigt, en dezelve dient; zo verkondig ik ulieden heden, dat gij voorzeker zult omkomen ” Deut.30:17, 18

Bovenstaande woorden zijn onderdeel van één der belangrijkste profetieën aangaande de toekomstige wedergeboorte van Israël. Dit hoofdstuk spreekt in niet mis te verstane bewoordingen over de toekomst van Israël. En dat in overeenstemming met het plan, dat God Zelf gemaakt heeft voor het volk dat Hij Zich ooit verkoos. Het past ons niet om kritiek te hebben op dat plan. Het past ons ook niet om te stellen, dat God dat plan nu maar moet veranderen, omdat we nu leven “na Auschwitz”. “Christelijke theologie” mag dan volgens Dr. Hans Jansen na Auschwitz veranderd zijn; de Schrift is dat niet! De Bijbelse waarheden staan of vallen niet met “Auschwitz”. Ze staan daar volkomen los van en worden er niet door beïnvloed. De Bijbel wordt niet door de geschiedenis, maar door zichzelf verklaard. En wat er ook gebeurt in de historie van de kerk, de wereld of Israël, het verandert niets aan het Woord van God, dat onvergankelijk is. De woorden in Deut.30 zijn nmiddels zo’n 3500 jaren oud. Er zal echter geen tittel of jota van vergaan. Het blijft wáár.

Dit Schriftgedeelte staat uiteraard niet op zichzelf. Het is min of meer het besluit van enige hoofdstukken, waarin de Heere Zelf spreekt over de toekomst van het volk, dat Hij Zich zojuist verkoren had ten eigendom. Dit nu is precies één der kenmerken van het volk Israël. Het is uitverkoren. Israël als volk is een uitverkoren volk. Uitverkoren om het eigendom des Heeren te zijn. Uitverkoren ook, om het Woord van God en de zaligheid te beheren en vervolgens uit te dragen onder de volkeren.

“Welk is dan het voordeel van de Jood. Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebehoord” Rom.3:1, 2

.
Wij als gelovigen behoren te weten, dat Israël Gods heilsorgaan was en zal zijn. Dat wil zeggen, dat Gods werk in de deze wereld, in deze oude schepping, gebeurt via het volk, dat Hij Zich daartoe verkoren heeft. Tot een gelovig Israël wordt gezegd:

“Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen gij, die nu Gods volk zijt” 1Petr.2:9, 10.

Er kan geen twijfel over bestaan, dat Israël een uitverkoren volk is. Evenmin kan er twijfel over bestaan, dat de Schrift nadrukkelijk leert, dat er bij God “geen aanneming des persoons” is 2Krn.19:7; Hand. 10:34; Rom.2:11; Ef.6:9; Kol.3:25; enz.. Het wordt minstens zo vaak herhaald als het feit, dat Israël een uitverkoren volk is Ps.105:43; 106:5; Jes.45:4; 65:9; Matt.24:31. Uitverkiezing is een Schriftuurlijk feit. God verkoos Zich een volk! Maar nergens leert de Schrift, dat er aanneming des persoons is bij God. God verkiest weliswaar mensen uit, maar alsdan omdat zij gelovigen zijn! Er is geen andere reden! God verkiest geloof! Dat God ooit Abraham, een onbesneden heiden uit Ur der Chaldeeen verkoos, was niet vanwege zijn afkomst, maar eenvoudig, omdat hij een gelovige was.

“Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest ” Hebr.11:8. Abraham was een gelovige en God verkoos hem. “Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid” Rom.4:3; vgl.Gen.15:6; Jak.2:23.

Er is bij God geen aanneming des persoons, maar God neemt geloof aan. De rechtvaardigheid Gods komt “tot allen en over allen, die geloven” Rom.3:22. Niet tot allen en over allen, die van Abraham afstammen, of door andere oorzaak Israëliet zijn. Rechtvaardigheid Gods komt tot allen en over allen die geloven.

Want het Evangelie van Christus “is (een) kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst de Jood en ook de Griek. Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven” Rom.1:16, 17

God verkiest Zich weliswaar een volk, maar dat betekent nog niet, dat ieder lid van dat volk verkoren is. Wij dienen te weten, dat God er volgens Zijn Woord twee verschillende “administraties” op na houdt, die verband houden met de natuurlijke mens.

De eerste van die twee houdt zich bezig met het individu, de persoonlijke mens. Daarbij gaat het erom, of een mens zich tijdens zijn leven onderwerpt aan de wil van zijn Schepper. Het Bijbelse principe is, dat ieder mens, die ooit geleefd heeft, uit-eindelijk verantwoording over zijn leven zal moeten afleggen aan God. Het gaat hierbij dus om individuele aangelegenheden. Om wat de mens individueel, als persoon, gedaan heeft. Hoe heeft hij gestaan en geleefd tegenover zijn Schepper? Dat is de vraag waarom het hierbij in het algemeen gaat

Daarnaast handelt God echter ook met hele volkeren. Volkeren zijn immers net als de individuele mens niet vanzelf ontstaan, maar voortgekomen door de wil van de Schepper. Het was God Zelf, Die de mensheid na de zondvloed verdeelde in volkeren. Hij deed dit zelfs met geweld. De spraakverwarring te Babel Gen.11 was mede een instrument in Gods hand, om de mensheid te verdelen in volkeren, daar de mensheid er zelf de voorkeur aan gaf om tegen de wil van God verenigd te blijven. God verdeelde de mensheid niettemin in zeventig volkeren Gen.10. Later is er nog sprake van enige andere volkeren, die zijn voortgekomen uit Abraham en zijn familie. Primair natuurlijk het volk Israël, dat voortkwam uit Abraham, Izak en Jakob. Deze beide “administraties” hebben weliswaar met elkaar te maken, maar zij staan desondanks los en onafhankelijk van elkaar.

Als de Bijbel leert, dat ooit heel Israël zalig zal worden Rom.11:26, dan betekent dat uitdrukkelijk niet, dat elke Israëliet zalig zal worden. De Schrift leert immers met klem, dat alleen gelovigen zalig worden, ongeacht of zij een heiden of een Israëliet zijn. Het Evangelie van Christus, de boodschap aangaande de rechtvaardigheid Gods, is kracht Gods tot zaligheid voor de Jood zowel als de Griek; niet Gods verkiezing van een volk Rom.1:16, 17! Dat kan trouwens ook niet. Want laten we niet vergeten, dat een mens zijn nationaliteit verliest op het moment dat hij overlijdt. Dan wordt hij uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Hij maakt dan geen deel meer uit van het volk, waartoe hij tijdens zijn leven door geboorte behoorde! Volkeren bestaan ook volgens de Schrift uit levende en niet uit dode mensen.

Als de Schrift leert, dat ooit héél Israël zalig zal worden Rom.11:26, betekent dat alleen, dat er een tijd zal komen, waarin elke dan levende Israëliet een gelovige zal zijn. Elke dan levende Israëliet. De keerzijde van deze waarheid is heel eenvoudig. Dat is, dat er een tijd komt, waarin elke ongelovige Israëliet zal zijn gestorven. Deze waarheid geldt trouwens ook voor elk heidens volk, want er is geen onderscheid. Als straks het Messiaanse Rijk op aarde geopenbaard zal worden, gebeurt dat op een moment, dat er op de gehele aarde geen ongelovige meer is! Geen ongelovige Israëliet en geen ongelovige heiden. Eensdeels komt dat, doordat het Woord van God en het “Evangelie van het Koninkrijk” dan gepredikt zal zijn aan alle volkeren. Dus aan alle levende mensen! Aan de andere kant doordat God Zelf op dat tijdstip alle ongelovigen van de aarde zal wegnemen Matt.13:41, 49; 24:40, 41. Dat is profetie. Als de Bijbel dus leert, dat ooit geheel Israël zalig zal worden, betekent dat, dat er dan geen ongelovigen meer onder Israël gevonden zullen worden.

“Want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af, tot hun grootste toe, spreekt de Heere” Jer.31:34

Dat wil echter niet zeggen, dat elke Israëliet, die ooit geloofd heeft, dan dus zalig is! Integendeel!

Daar moet aan worden toegevoegd, dat op dat moment de meeste Israëlieten en de meeste heidenen nog rusten in het graf. Zij wachten immers op “de jongste dag” om te verschijnen voor “de grote witte troon” Op.20:11-15. Zij rusten in het graf, ook gedurende de duizend jaren, waarin Satan gebonden is en waarin Christus op aarde regeert. Dat is dus de tijd, waarin het Messiaanse Rijk op aarde openbaar is. Een Israëlitisch wereldrijk, waarin van Jeruzalem de wet zal uitgaan. De Israëlieten, die voor die tijd geleefd hebben en gestorven zijn, wachten in het algemeen op de jongste dag, net als elke heiden, omdat zij in een andere tijd en onder een andere bedeling geleefd hebben. Het blijft immers waar, dat elk mens in principe op de jongste dag voor die troon zal verschijnen. Er zijn weliswaar uitzonderingen op die regel, maar daar gaat het nu niet om. Wij dienen onze ogen open te houden voor het feit, dat geen mens ooit behouden wordt zonder een persoonlijke bekering tot Jezus als de Messias, de Christus. Want:

“…er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden” Hand.4:12

Deze boodschap werd gepredikt aan Israël, in een Joodse staat, in Jeruzalem, op het Wekenfeest (Pinksteren), aan orthodoxe Joden, die de Schriften onderzochten en daarom een Messiaanse verwachting hadden. Deze boodschap werd gepredikt aan hen, die echter niet geloofden, dat Jezus van Nazareth de langbeloofde Messias was. Deze boodschap werd gepredikt met de oproep: “Bekeert u en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden ” Hand.2:38. Want wie deze Jezus Christus als Messias afwijst is voor eeuwig en altijd verloren. “Want er is ook onder de hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” Niet vòòr Auschwitz en niet na Auschwitz.

De enige reden, waarom wij, Christenen, die geloven in de Heere Jezus als de Messias van Israël, een schuld hebben aan Israël, is niet gebaseerd op de geschiedenis. Of op vele eeuwen van Jodenvervolgingen. Het is een schuld die gebaseerd is op het feit, dat de zaligheid uit de Joden is Joh.4:22. Onze zaligheid is uit de Joden. Daarom prediken wij de zaligheid aan de Joden. Het boek Handelingen eindigt met de apostel Paulus. Zelf een bekeerde, gelovige, Jood. Hij zegt tot de orthodoxe rabbijnen:

“Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen” Hand.28:28

Dezelfde zaligheid, die gezonden was aan Israël, om te prediken aan de overige volken, de heidenen, diezelfde zaligheid werd op dezelfde wijze van Israël afgenomen en gegeven aan de heidenen Rom.11:11. Waarom? Waartoe? Opdat die heidenen, als vervulling van de Bijbelse profetie, die zelfde zaligheid zouden prediken aan Joden Jes.28:11; 1Kor.14:21. Het elfde hoofdstuk van de brief aan de Romeinen leert duidelijk genoeg, dat eens die zaligheid aan Israël was toevertrouwd. Maar Israël was ongehoorzaam. Tegenwoordig hebben heidenen de opdracht dezelfde boodschap weer te prediken aan Israël Rom.11:30, 31. Er was een tijd, dat Israël het Evangelie behoorde te prediken aan de heidenen. Er is nu een tijd, waarin de heidenen het Evangelie behoren te prediken aan Israël. Dat heeft niets met de kerkgeschiedenis te maken. Dat heeft ook niets met de wereIdgeschiedenis te maken. Noch met de tweede wereldoorlog. Het heeft uitsluitend te maken met het geopenbaarde Woord van God en de daarin geopenbaarde heilsgeschiedenis.

We hebben tegenwoordig al weer tientallen jaren te maken met geweldige gebeurtenissen, die plaats vinden in het Midden Oosten. Gebeurtenissen, die veel mensen, in zonderheid Christenen, de ogen geopend hebben voor het felt, dat God blijkbaar een plan heeft met Israël. Op zich is het tragisch, dat wij zoiets moeten leren uit de geschiedenis, uit verschijnselen. Wij behoren dat namelijk te leren uit het Woord van God. De literatuur, waar ik, buiten de Bijbel, wat aan gehad heb, om deze dingen te leren verstaan, is literatuur, die stamt uit de eerste helft van de vorige eeuw. De Christenen, die toen de Schrift bestudeerden en deze boeken publiceerden, kwamen tot de slotsom, dat er weer een Joodse staat zou verrijzen in Palestina. Zij betoogden dat aan de hand van Gods Woord. Niet als iets nieuws overigens, maar als een vanzelfsprekendheid. De Schrift leerde het immers! Zij excuseerden zich, dat zij niet wisten Me dit zou kunnen gebeuren, maar zij wisten uit de Bijbel dát het zou gebeuren. Zij voorzegden de gebeurtenissen, die zich nu in onze dagen afspelen en hebben afgespeeld. Zij hadden geen wereldoorlogen nodig om de Schrift te kunnen bestuderen en begrijpen! En wij hebben dat ook niet! Christelijke theologie mag dan na Auschwitz veranderd zijn; Bijbelse theologie verandert gelukkig nooit!

Voorts dienen wij te beseffen, dat vervulling van de profetieën niet hetzelfde is als vervulling van de beloften. Dit zijn twee totaal verschillende dingen. Wij moeten ons niet in verwarring laten brengen. Enerzijds hebben wij van doen met wat God in Zijn Woord heeft voorzegd dat er gebeuren zou. Anderzijds hebben we van doen met wat God in Zijn Woord beloofd heeft te zullen doen. Dat zijn twee verschillende dingen. Wij vinden in de Schrift beloften van God, dat Hij Zijn volk zou wederverzamelen en brengen naar Palestina. Maar wij vinden in de Schrift ook profetieën van God, die zeggen, dat een deel van Israël voor die tijd zou terugkeren naar Palestina in ongeloof! Dit laatste is profetie; geen belofte! Dit laatste is niet naar de wil van God! Het is niet wat God doet, maar het is wat God zegt dat er gebeuren zou!

Laten we elkaar Toch vooral goed begrijpen. De Schrift voorzegt, dat er iemand zal komen, die wij “de antichrist” noemen. Deze zal alle volkeren verleiden en in opstand brengen tegen God. Als die profetieën vervuld worden, is dat eenvoudig de vervulling van het Woord van God. Dat is alleen reden tot juichen voor hen, die niet verwacht hadden, dat Gods Woord vervuld zou worden. Maar het is geen reden tot juichen voor ons! Want hoewel het de vervulling is van het Woord van God is het niet de vervulling van de wil van God! De “antichrist” wordt immers niet door God gestuurd! Gelijke dingen gelden voor de gebeurtenissen rond Israël in onze dagen. Natuurlijk is het waar, dat de Bijbel zegt, dat een deel van Israël zal terugkeren naar het land. Maar dat betreft een terugkeer in ongeloof! Daarom is het wel wat God zegt, maar niet wat God doet.

Veel verwarring rond de tegenwoordige Joodse staat in Palestina wordt veroorzaakt door het feit, dat de “Christelijke theologie” eeuwen lang blind geweest is en nog is voor de positie van het Joodse volk in het heilsplan van God. Men heeft altijd de wondervolle toekomst van Israël als natie ontkend en bestreden. Men heeft de vraag “Heeft God Zijn volk verstoten?Rom.11:1 bevestigend in plaats van ontkennend beantwoord! Nu echter de Christelijke kerken in het algemeen leeg lopen door gebrek aan Bijbelse Boodschap, gaan langzamerhand de ogen van enkele Christenen open voor de juiste positie van Israël in Gods “eeuwig voornemen”. Zij vinden daarvan de bevestiging in de ontwikkelingen van de laatste decénnia.

Dit is natuurlijk een verheugend verschijnsel. Doch twee dingen moeten mij daarbij van het hart. Het eerste is, dat er in de loop der eeuwen altijd een categorie Christenen geweest is, die niet geïnteresseerd was in “Christelijke theologie”, maar in Bijbelse theologie. In deze kringen heeft men altijd gewezen op het feit, dát de meeste Bijbelse profetieën nog niet vervuld waren. Ook heeft men er in deze kringen altijd op gewezen hòe deze profetieën vervuld zouden worden. En ook heeft men altijd nagezocht wanneer deze profetieën vervuld zouden worden. Hun theologie is na Auschwitz niet veranderd. Hun theologie is de mijne!

Het tweede is, dat we ervoor moeten waken, dat we niet omdat we altijd verblind zijn geweest, doorslaan naar de andere kant. Dit leidt namelijk tot de opvatting, dat God een plan heeft met Israël, dat Hij nu aan het volvoeren is! Dit laatste staat namelijk ter discussie! Als we Deuteronomium 30 lezen, is het duidelijk, dat de Heere beloofd heeft Israël terug te zullen verzamelen. Dat zou echter zijn na hun bekering en niet ervòòr Deut.30:2. Hun terugverzameling is bovendien niet hetzelfde als hun bekering. Anders gezegd: De Schrift stelt nadrukkelijk vast wáár Israël tot bekering zal komen. Toen de Heere Jezus daar ooit in de synagoge over sprak, poogden de toehoorders Hem prompt te doden! Maar al wat Hij deed was slechts Schriftplaatsen aanhalen uit het Oude Testament.

“Maar Ik zeg u in der waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden (!) gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land. En tot geen van haar werd Elias gezonden dan naar Sarepta Sidonis (Sarfath bij Sidon), tot een vrouw, die weduwe was” Luk.4:25, 26

Elia werd dus naar het buitenland gestuurd. Er waren vele weduwen in Israël, maar de profeet Elia werd gezonden naar een weduwe in het buitenland. En dát bleek een gelovige te zijn! Deze weduwe is uiteraard een type van het volk Israël, dat haar Man en Maker verloren heeft, maar Hem buitenslands zal terugvinden!

“Er waren vele melaatsen in Israël, ten tijde van de profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naaman de Syrier” Luk.4:27

Alweer een buitenlander! Toen Hij dat gezegd had, waren er mensen in de synagoge, die dat voldoende vonden om Hem naar het leven te staan. Kunt u zich dat voorstellen? Wat Hij hen daar leerde was een waarheid, die ook elders in de Schriften genoemd wordt. “Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël ” (Jer.31:2). Het gaat hier over het restant van een volk. Zij die het zwaard overleefd en de verdrukking doorstaan hebben. Zij hebben genade gevonden in de woestijn! Niet in Palestina. Niet in Kanaän. Maar buiten het land. In de woestijn! Daarom sluit dit gedeelte uitstekend aan bij de Hebreeënbrief, die evenals dit bekende hoofdstuk uit Jeremia spreekt over het Nieuwe Verbond:

“Zo laat ons dan uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende” Hebr.13:13, 14

Wij zijn gewoon deze Schriftplaats te interpreteren als: Laten wij als gelovigen uitgaan uit de wereld. Dat is een goede interpretatie. Dat neemt echter niet weg, dat deze zelfde Schriftplaats gewoonlijk wordt aangehaald, om aan te tonen, dat deze brief geschreven is vòòr de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 AD. De “legerplaats”, die hier genoemd wordt, is immers duidelijk Jeruzalem, de stad waarbuiten de Heere Jezus gekruisigd werd! De meest letterlijke interpretatie van dit vers is dan ook: “Laat ons uitgaan buiten Jeruzalem, met Christus smaadheid dragende. Want Hij heeft buiten de stad Jeruzalem geleden vs 12. Wij hebben hier geen blijvend Jeruzalem, maar wij zoeken het toekomend Jeruzalem. Dat is uiteindelijk het Jeruzalem, dat behoort tot de nieuwe schepping, de stad, die fundamenten heeft en die Abraham verwachtte. De stad,…

“…welker Kunstenaar en Bouwmeester God is” Hebr.11:10

Een Ander Jeruzalem dus. Ook op de Gemeente wordt dit vers van toepassing gebracht. In dat geval wordt erop gewezen, dat wij geen aards, maar een hemels Jeruzalem verwachten Hebr.12:22. Dat is nog weer anders dus. Maar in alle gevallen geldt: niet dit oude Jeruzalem!

Als de Heer in de toekomst zal verschijnen aan Israël, zal de Olijfberg scheuren. Waar is dat voor nodig? Wel, opdat de inwoners van Jeruzalem op dat moment zullen kunnen vluchten Zach.14:5, dwars door de Olijfberg heen. Naar het oosten. Waar naartoe? Volgens o.a. Jer.31:2 en Op.12:6 naar de woestijn! Als de Heer komt, komt Hij om de gelovigen, die er dan zijn, te laten vluchten uit Jeruzalem! Ook dan blijft de Hebreeënbrief waar. “Zo laat ons dan uitgaan buiten de legerplaats.” Buiten deze stad, want wij verwachten een andere! Wat deze verzen in Zach.14 leren, is dat de stad ingenomen en verwoest zal worden. De Heer zal al de heidenen ten strijde verzamelen tegen Jeruzalem. Dan zal de stad ingenomen worden. En te dien dage zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg.

Deze profetie is uiteraard nog niet vervuld. Dit betekent, dat het Jeruzalem, dat wij vandaag kennen, verwoest zal worden. Dat is niet omdat wij dat willen. Dat is omdat het Woord van God dat zegt. Weet u nog hoe het afliep met Sodom? Sodom wordt in de Schrift heel dikwijls in één adem genoemd met Jeruzalem (b.v. Jes.3:8, 9; Klgl.4:6; Ez.46:16ev.). Want Sodom is een type van Jeruzalem en daarmee van Israël. Wat waar was voor Sodom zal waar zijn voor Jeruzalem. Wat waar was voor Sodom, was, dat der mensen waren, die baden voor de rechtvaardigen in Sodom Gen.18:23ev. Sodom werd niettemin verwoest Gen.19. Alleen de rechtvaardige van Sodom werd met geweld vs 16 uit de stad verdreven. Dat was Lot, Abrahams neef. Hij wilde niet, maar hij moest. Er was geen andere mogelijkheid.

“Zo niet de Heere der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden” Jes.1:9; Rom.9:29

Wat in het verleden gebeurd is, zal zich in de toekomst herhalen. Dezelfde profetieën, die geldig waren voor de geschiedenis van Israël, zijn vandaag de dag eveneens geldig. Een onrechtvaardige stad zal verwoest worden. De rechtvaardigen, namelijk de gelovigen Rom.4:5, zullen gered worden, doordat zij zullen kunnen vluchten uit de stad. Uitgaan buiten de legerplaats. Zoals ook eens vader Abraham uit zijn land en uit zijn maagschap en uit zijns vaders huis ging, om als gelovige de weg van de Heer te gaan.

Er zijn mensen, zelfs gelovige Joden, die ons kwalijk nemen, dat wij menen het Evangelie van Christus ook aan Joden te moeten prediken. Men zegt ons, dat wij Israël niets te vertellen hebben, omdat Israël zelf alles veel beter weet. Doch wij zouden Israël door onze levenswandel tot jaloersheid moeten verwekken. Hoe misleidend is dit alles. Natuurlijk staat er, dat wij, als gelovigen van deze bedeling, geroepen zijn om Israël tot jaloersheid te verwekken. Maar niet via onze levenswandel.

“Maar ik zeg: heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk (Lo Ammi) zijn ” Rom.10:19.

Slechts enkele verzen eerder wordt er echter gezegd, dat het geloof uit het gehoor is Rom.10:17. Dat wil zeggen: “Hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben?” (vs 14). Hoe verwekken wij een Israëliet, een Jood, tot jaloersheid? Door netjes te leven? Door een “Christelijke levenswandel” te openbaren? Hij zou het niet eens als zodanig kunnen herkennen! Hoe verwekken wij een Israëliet tot jaloersheid? Door hem de God van Abraham, Izak en Jakob te prediken! Er is immers geen andere Naam gegeven waardoor wij moeten zalig worden Hand.4:12. Gods weg met de mens is niet veranderd. Bij God is geen aanneming des persoons. Bij God is er dus ook geen aanneming van de Jood. Er is Één Naam, waardoor zij en wij gered kunnen worden van de “toekomende toorn” 1Thes.1:10. De Schrift leert, dat Israël, de Joodse staat in Palestina, de grote verdrukking te verwachten heeft (Jer.6:6, 12ev.; Dan.12:1; Matt.24:21; enz.). Die komt met name over de staat, over het volk, dat door de Heere bemind wordt. Het is een volk, dat door God verkoren is voor Zijn Naam. Het is ook het volk, waarvan Hij zegt:

“Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen?” Jer.11:15

Het was de Heere, Die Israël verdreven heeft uit het land, op grond van hun ongeloof. Het is Dezelfde Heere, Die Israël, op grond van geloof, weer zal verzamelen naar het land. Bij Zijn komst zal Hij allereerst een vluchtweg openen, zodat degenen, die in eigen kracht naar het land zijn teruggekeerd, dit weer kunnen verlaten, om alsnog door de Heere Zelf terugverzameld te kunnen worden. Vanuit de woestijn. Want de Heere heeft Israël in de woestijn een plaats gegeven, waar Hij haar bewaren zal.

“En de vrouw vluchtte naar de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid ” Op.12:6

God heeft haar een plaats bereid in de woestijn vs 14, net als in het verleden. Als men in de woestijn gelovig is, komt men inderdaad in het beloofde land Num.14:24. Dat was in het verleden zo, en dat zal ook in de toekomst zo zijn.

Tot op zekere hoogte is dat ook vandaag zo. Hebreeen 3 en 4 leren ons, dat een bepaalde generatie van Israël ooit in de woestijn was.

“En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof” Hebr.3:19

Zij geloofden niet in het Woord, dat God gesproken had. Toen Israël destijds in het land was, werden zij daar door de Heer weer uit verdreven wanneer zij vervielen tot ongeloof. Eerst in de dagen van de Richteren, later in de dagen van de Koningen. Wij kennen allen de geschiedenis van de Assyrische en Babylonische ballingschappen. Deze balling-schappen werden echter niet veroorzaakt door het terkort schieten van de Heere, maar door het tekort schieten van Israël!

Zou God nu vandaag veranderd zijn? Vanwege de wereldoorlogen? Vanwege Auschwitz? Vanwege de “Christelijke theologie na Auschwitz”? Zou er vandaag een andere weg zijn voor Israël? Een andere naam waardoor zij moeten zalig worden? Volstrekt niet! De Bijbelse waarheid is absoluut niet veranderd. Als Israël tot geloof komt zal de Heere hen terugverzamelen. Wij bevinden ons in de bevoorrechte positie, dat God ons zelfs de verborgenheid van Zijn wil heeft bekendgemaakt Ef.1:9. Wij als gelovigen van de tegenwoordige bedeling van de genade zijn door het Woord Gods op de hoogte gebracht van de wijze en zelfs de tijd waarop deze dingen zullen gebeuren. De volgorde wordt hier in Deut.30 nauwkeurig bepaald.

“Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die Ik u voorgesteld heb (in de voorgaande hoofdstukken); zo zult gij het weder ter harte nemen onder alle volken, waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft” Deut.30:1

De bekering van Israël zal dus plaats vinden onder de volken en in de diaspora, de verstrooling.

“En gij zult u bekeren tot de Heere, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat Ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel” Deut.30:2

Dat dit gebeuren zal onder al de volken, waarheen de Heere hen gedreven heeft, blijkt ook uit het volgende vers.

“En de Heere, uw God, zal uw gevangenis (ballingschap) wenden, en Zich uwer ontfermen (Ruchama); en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere uw God, verstrooid had” Deut.30:3.
De grondtekst geeft hier letterlijk: ” en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken “

Hier wordt duidelijk geleerd, dat Israël in het buitenland tot geloof zal komen in de Heere Jezus Christus als de Messias van Israël. Dan zal de Heere hen vanuit het buitenland alsnog in het land brengen. De vertalers hebben met dit derde vers geen raad geweten en het Jodendom zeker niet. Hier wordt immers nadrukkelijk gesteld, dat de Heere zal wederkeren. Enige verzen verder wordt dit herhaald: ” want de Heere zal wederkeren ” Deut.30:9. Dat betekent, dat het gaat om een tweede en niet om de eerste komst van de Messias. “Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken ” Dit gebeurt dus bij de wederkomst van Christus en op grond van geloof!

Nergens in de Schrift heb ik ooit enige aanwijzing kunnen vinden, dat een ongelovige door God gekozen en gezegend wordt. En nergens vind ik, dat zaligheid bestemd is voor iemand, die niet gelooft! Er zijn géén uitzonderingen! Ook Israël is geen uitzondering. Israël is juist het volk, waarin God Zijn waarheden, Zijn handelwijzen, Zijn wegen, bekendmaakt en illustreert. “Deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden1Kor.10:11. Israël is juist het grote voorbeeld. Wat voor Israël geldt is daarom ook van toepassing op alle andere volken en mensen. Ook de andere volken zullen ooit tot geloof komen en verzameld worden naar het land, waar zij thuishoren.

Een van de grootste problemen van vandaag is het felt, dat volkeren zich bevinden op plaatsen waar zij niet thuishoren. God heeft immers de volken een eigen land en een eigen taal gegeven Gen.10. Dit geldt niet alleen voor Israël. Wat met Israël gebeurt staat juist model voor de overige volken. Ook de volken zullen worden terugvergaderd naar hun land. Als de Heere komt, is Hij de Koning der volken. Hij zal de volken plaatsen in de positie, die Hij voor hen bestemd heeft. Israël is het eerste onder de volken en zal geplaatst worden in Kanaän, het land, dat God bestemd heeft voor het volk, dat naar Zijn stem hoort. Dat is de Bijbelse voorwaarde. “Mijn is het land“, spreekt de Heere Lev.25:23; Jes.14:2 en Ik geef het aan wie Ik wil. Ik geef het aan hen, die Mijn stem gehoorzamen Jer.11:4, 5; Deut. 30: 20

Deze woorden zijn niet weifelachtig. Israël zal zich moeten bekeren. Israël zal de geboden moeten gehoorzamen. Dit betekent echter niet, dat Israël weer geplaatst moet worden onder de Mozaïsche wet. Want de Heere geeft als commentaar:

“Want ditzelve gebod, hetwelk Ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen en dat is niet verre” Deut.30:11

Het is niet in de hemel vs 12, dus daar hoeft het niet gehaald te worden. Het is niet aan de andere kant van de zee vs 13. Ook daar hoeft het niet gehaald te worden. “De zee” lijkt horizontaal, maar in het citaat van dit vers in Rom.10:7 wordt “de zee” verticaal opgevat.

“Of wie zal in de afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen” Rom.10:7

“De andere kant van de zee” blijkt het dodenrijk te zijn. Niet de overkant maar de onderkant! Volgens deze verzen is het daarom niet in de hemel en niet in het dodenrijk. Men hoeft niet naar de hemel op te klimmen om die zaligheid te halen (hoewel een hemelse afkomst noodzakelijk is om rechtvaardig te zijn). Men hoeft niet in de dood of te dalen om die zaligheid te halen (hoewel slechts hij, die gestorven is gerechtvaardigd is van de zonde Rom.6:7. Nee, “het is nabij u, in uw mond en in uw hart” Deut.30:14; Rom.10:8. “Want dit Woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om dat te doen.” Een gebod is immers een woord. Sinds wanneer doen wij iets met de mond of met het hart? De wet zegt, dat men moet leven volgens de geboden. Men moet de geboden doén! Maar waarmee? Niet met de handen of met de voeten, maar met de mond en met het hart! En let wel: Dit wordt gezegd onder het Oude Verbond! Het Nieuwe Testament geeft daar uitdrukkelijk commentaar op.

“Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen. Of, wie zal in de afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij (nl. de rechtvaardigheid, die uit het geloof is)? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij (Mozes en Paulus) prediken. Namelijk indien gij met uw mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden” Rom.10:6-9

Het was de Heere Jezus, Die Zijn oorsprong had in de hemel, en Die uit de doden werd opgewekt. Hij is Degene, Die via hemel en hel rechtvaardigheid Gods heeft geopenbaard. En deze rechtvaardigheid Gods komt tot allen en over allen, die geloven Rom.3:21, 22. Al wie deze Heere Jezus Christus gelooft en belijdt zal zalig worden. Eerst de Jood en ook de Griek.

Hoe moeten volgens het Oude Testament Gods geboden gedaan worden? Het Bijbelse antwoord is: Men moet ze met het hart geloven en met de mond belijden. Het is immers onmogelijk om ze met de handen te doen” Het vlees “onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet” Rom.8:7. Dat is onmogelijk! Met daden kan de wet niet gehouden worden, maar met het hart en de mond kan dat wel. Met het hart kan men instemmen met wat God gesproken heeft. Men kan de Heere Jezus belijden als de Messias, de Zone Davids, de Zoon Gods. Wie dat doet wordt zalig! En daarmee is en wordt de wet vervuld. Men doet de wet met de mond en met het hart!

Deze reeds uit Deut.30 afkomstige waarheid wordt overigens op andere wijze in het Oude Testament bevestigd. Er wordt immers uitdrukkelijk gesteld, dat “al wie de Naam des Heeren (de naam JeHoWaH) zal aanroepen, zal behouden worden” Joel 2:32. Dit aanroepen van de Naam des Heeren om behouden te worden is niet in strijd met de wet. Integendeel. Het is juist de vervulling van de wet, die immers gedaan moet worden met de mond en met het hart! Men moet de Naam des Heeren aanroepen om behouden te worden. Het tragische is, dat de orthodoxe Jood er principieel bezwaar tegen maakt, dat deze Naam wordt uitgesproken en aangeroepen. Officieel weet hij zelfs niet, hòe deze Naam uitgesproken moet worden. Toch zegt de Schrift uitdrukkelijk:

“Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid. Want de Schrift zegt: Een ieder, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden” Rom.10:10, 11

Hier verwijst de apostel Paulus eerst naar Deut.30, maar vervolgens ook naar Jes.28:16. Want door het hele Oude Testament heen vinden we uitspraken van gelijke strekking! Uitspraken, die het zeer duidelijk maken, dat niet de werken der wet, noch de uitverkiezing van Israël, iemand rechtvaardig kunnen maken, doch alleen het in geloof aanroepen van de Heere! En dit geldt niet alleen de Israëliet, maar ook de heiden.

“Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want Eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen” Rom.10:12

Hij is een Heere van Allen; niet alleen van Israël. Hij is rijk over Allen; niet alleen over Israël.

“Want een ieder, die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden” Rom.10:13

Deze laatste uitspraak is door de apostel aangehaald uit Joel 2. Al deze verzen in Rom.10 zijn geciteerd uit het Oude Testament! Daarmee wordt vastgesteld, dat ook het Oude Testament leert, dat een Israëliet, een lid van het door God uitverkoren volk, slechts behouden wordt op grond van geloof. Op grond van het gelovig aanroepen van de Naam des Heeren. Maar:..

De universele Bijbelse waarheid is, dat een mens gered, gerechtvaardigd en wedergeboren wordt door het Woord van God en door niets anders. De enige schuld, die een Christen heeft aan ieder mens en speciaal aan de Joden is, hem dit Evangelie te brengen. Het Woord van God is inmiddels de heidenen toebehoord en wij dienen het te prediken aan Israël. De wil van God is, dat Hij “door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk” spreekt Jes.28:11, 12; IKor.14:21. Het is Gods wil geweest, dat door lieden van een andere taal, door mensen, die helemaal geen Hebreeuws kennen of spreken, het Evangelie wordt gebracht. Voor een Jood is dit in het algemeen ondenkbaar. Maar het is Bijbels. Het is geschreven in de Torah, de wet. God spreekt tot de Israëlieten! Want hoe zullen zij geloven, indien het hun niet gepredikt is? Rom.10:14.

Dit is de grote verantwoordelijkheid, die wij als gelovigen uit de heidenen dragen. Niet, dat wij door onze levenswandel, door onze daden, hen tot jaloersheid zouden verwekken. De eerlijkheid en de ervaring gebieden ons vast te stellen, dat dit onmogelijk is. Maar dat wij door ons getuigenis uit hart en mond hen confronteren met de God van Abraham, Izak en Jakob, die rijk is over allen, die Hem aanroepen Rom.10:12. Want het Evangelie van Christus, van de Messias van Israël, is kracht Gods tot zaligheid. Eerst de Jood en – God zij gedankt – òòk de Griek. Niet alleen in de toekomst en de verdrukking, maar ook in de tegenwoordige bedeling van de Genade Gods.

Door Ab Klein Haneveld