De wereld ná de opneming der Gemeente

De opneming der Gemeente zal door de wereld niet worden gezien. In een punt des tijds, in één ogenblik, zullen de gelovigen van de aarde verdwijnen, zonder dat iemand weet, waarheen zij gegaan, en op welke wijze zij vertrokken zijn. ‘t Spreekt evenwel vanzelf, dat deze buitengewone gebeurtenis niet onopgemerkt voorbij zal gaan. Evenals men vroeger Henoch gemist heeft, zal men ook dan de gelovigen missen.

Men denke er slechts een ogenblik over na, en men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welk een ontzettende opschudding die voor ons zo heerlijke gebeurtenis zal teweegbrengen. Duizenden mensen zullen opeens verdwenen zijn. De man zal zijn vrouw en de vrouw haar man missen, ouders zullen hun kinderen en kinderen hun ouders tevergeefs zoeken. De vorige, ja, misschien dezelfde dag waren zij nog samen, en nu is één van beide niet meer. En, wat nog treffender zal zijn, gehele huizen zullen leeg staan, waarin de bewoners al hun goederen en al hun geld hebben achtergelaten.

Hele families zullen verdwenen zijn, zonder dat men er enig spoor van kan vinden. Welk een ontsteltenis, welk een opschudding zal dit te weeg brengen! ‘t Zal gewis in de eerste dagen het onderwerp van alle gesprekken uitmaken; de dagbladen zullen er vol van staan, en men zal zeer zeker tot de ongerijmdste gissingen de toevlucht nemen, nog ongerijmder dan die van de zonen der profeten ten tijde van Elia. En dit zal niet in één land, of in één werelddeel plaats hebben, maar in álle landen der wereld, overal waar gelovigen zijn.

Maar gelijk het met alles en te allen tijde in de wereld gaat, zo zal het dan ook gaan. Men zal, na er lang over gedacht, naar gegist en waarschijnlijk mee gespot te hebben, de zaak vergeten. Andere gebeurtenissen zullen weldra de aandacht zó boeien en de harten zó bezighouden, dat men geen tijd meer zal hebben, om aan het verdwijnen der Christenen te denken. De oordelen zullen toch na de opneming der Gemeente met zulk een verrassende snelheid over de wereld worden uitgestort – de gebeurtenissen, door de profeten voorspeld, zullen elkaar zó snel opvolgen – de oorlogen en pestilentiën zullen zó verschrikkelijk zijn, dat men zeer spoedig en zeer gemakkelijk het andere zal vergeten. Ja, wij kunnen bij de kennis, die wij hebben van het menselijk hart, nog een schrede verder gaan, en zeggen, dat de wereld zich tenslotte zal verblijden, van de lastige waarschuwingen en vermaningen der “fijnen” te zijn bevrijd.

Van een bekering der wereld zal derhalve dan ook geen sprake zijn. Stellig zullen velen uit de Joden en uit de volken door de prediking van het evangelie des koninkrijks de Messias lsraëls van de hemel verwachten; doch de grote massa zal onbekeerd blijven, ja, in meerdere goddeloosheid toenemen. ‘t Zal worden gelijk het was in de dagen van Noach, en gelijk het was in Sodom en Gomorra ten dage van Lot. Luk. 17:26-30 De boosheid zal menigvuldig zijn op de aarde; de goddeloosheid zal haar toppunt bereiken; de revolutiegeest zal overal losbarsten, en het ongeloof zal op de troon zitten; zodat tenslotte alle van God gestelde machten zullen ten onder gebracht zijn, en de gehele wereld de knie zal buigen voor den mens der zonde, den zoon des verderfs. 2 Thes. 2:3

‘t Zal een ontzettende tijd zijn, zodanig als er niet is geweest van de grondlegging der wereld af. Mat. 24:21

“De mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf, geldgierig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, de ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekend, losbandig, wreed, zonder liefde tot het goede, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers Gods.” 2Tim.3:1-4;1Tim. 4:1

Hoe ontzettend boos is toch de mens! Hij is door niets te verbeteren. Noch de banvloek der wet, noch de prediking der genade, noch de treffendste gebeurtenissen zijn in staat enige verandering in zijn toestand te brengen, hij is en blijft altijd even boos, even vijandig tegen God. Gelijk men de opstanding van Jezus willens en wetens ontkend heeft, zo zal men ook de opneming der Gemeente loochenen. Ja, zelfs de vreselijke oordelen, die over de wereld zullen worden uitgestort, zullen geen verandering te weeg brengen. Wanneer de oordelen zó ontzettend zullen zijn, dat de mensen de dood zullen zoeken, dan nog zullen zij niet veranderen, maar integendeel voortgaan de duivelen te aanbidden; en:

“zij zullen zich niet bekeren van hun doodslagen, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.” Op. 9:20, 21

En wanneer hun smart zó groot zal zijn, dat zij hun tongen kauwen van pijn, dan zullen zij, in plaats van zich te bekeren, de God des hemels lasteren vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren. Op. 16:10, 11

Maar hoe zal de wereld opeens tot zulk een goddeloosheid vervallen? Dit zal ons geenszins verwonderen, als wij bedenken wat er gebeuren zal. Wanneer toch de Gemeente in de hemel opgenomen zal zijn, dan is het licht der wereld en het zout der aarde verdwenen; dan is alles duister geworden en aan het verderf prijs gegeven. De Gemeente, in welke de Heilige Geest woont, houdt nu de stroom der ongerechtigheid nog tegen. 2Thes. 2 De gelovigen oefenen nu nog invloed uit op de ongelovigen en hun getuigenis houdt de volkomen openbaring van het ongeloof nog tegen. Maar zodra zij van de aarde zullen verdwenen zijn, dan kan alles zijn vrije loop hebben; dan is er niemand meer die tegenhoudt, en dan zal daarom de boosheid der mensen zich in al haar schrikkelijkheid openbaren.

Men sla de wereld slechts gade, en men zal overal de beginselen vinden, welke dan tot hun volle ontwikkeling zullen komen. Neemt niet de goddeloosheid elk jaar toe? Wordt niet de afwijking van Gods Woord steeds groter? Wankelen niet vele tronen door de revolutiegeest der volkeren? Steekt het ongeloof niet meer en meer het hoofd op, en durft het niet stoutweg loochenen, wat het voor enige jaren nog niet durfde ontkennen? Welnu, stel u voor, dat de ware Christenen verdwijnen, dat het licht wordt weggenomen en de getuigenis der waarheid ophoudt, en gij zult het u gemakkelijk kunnen verklaren, dat de boosheid hand over hand en met grote snelheid zal toenemen. De mens, overgelaten aan zichzelf, en geheel prijsgegeven aan de macht van de duivel, die dan uit de hemel op de aarde zal geworpen zijn, Op. 12:9 zal zich in zijn ganse boosheid en vijandschap tegen God vertonen; de ongerechtigheid en het ongeloof zal als een stroom de aarde bedekken en het toppunt bereiken in de aanbidding van de Antichrist.

Maar dan ook zal de Heer komen, om met vlammend vuur wraak te nemen over de werkers der ongerechtigheid. 2Thes. 1:8

Welk een ontzettend lot wacht dus de wereld! Zouden wij koel en onverschillig blijven bij het vreselijk oordeel, dat over haar uitgestort wordt? Neen, gelijk Jezus weende over Jeruzalem, en uitriep:

“Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient!”, Luk. 19:42

..zo zullen ook onze harten met droefheid vervuld zijn bij het zien van een wereld, die zich dagelijks meer dompelt in zonden en ongerechtigheid, en die met rasse schreden het verderf tegemoet gaat. Maar bij wenen alleen moet het niet blijven. Neen! Wij moeten het evangelie der genade verkondigen, opdat er nog velen van de toekomende toorn mogen verlost worden. 1Thes. 1:10

Het uur des oordeels, hoe nabij ook, heeft nog niet geslagen. De deur der genade is nog open, en het is nu nog mogelijk deel te krijgen aan de hemelse zegeningen der Gemeente. Moge God ons een vuriger liefde voor Christus geven en een groter medelijden met de arme zielen, die op de weg naar het eeuwig verderf wandelen! De tijd is kort. De uren snellen voorbij. Weldra zullen wij geen gelegenheid meer hebben in de wereld voor onze Heer en Meester te getuigen en zielen voor Hem te winnen. Kom, laten wij daarom getrouw zijn aan onze roeping, opdat het eenmaal voor de troon van God openbaar moge worden, dat wij vele zondaren gebracht hebben tot Jezus!

Door H. C. Voorhoeve Jzn. 1866!