Zoek de dingen die boven zijn.

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” Kol. 3:1, 2

“Zeg mij waar uw schat is en ik zal u zeggen, hoe uw hart is”. “Zeg mij waar u veel van houdt en ik zal u zeggen hoe u bent.” Dat is een stelregel, die altijd opgaat. Iemands begeren komt voort uit iemands zijn. Waar het hart vol van is, daar vloeit de mond van over.

Een professor heeft het haast altijd over de wetenschap en haar resultaten, omdat zijn hart daar ook dag en nacht van vervuld is. Een gierigaard heeft het haast altijd over geld, omdat dat zijn hoogste ideaal is. Een huismoeder heeft het haast altijd over de zorgen van haar huishouden, omdat zij daardoor ook geheel en al in beslag wordt genomen. Een bruidje heeft het haast altijd over “hem”, omdat hij ook haar hele hart vult en vervult. In de wachtkamer van een dokter hoort men haast over niets anders spreken dan over ziekten en kwalen, omdat hoofd en hart daar geheel door worden ingenomen.

Zeker, wij mensen zijn geen hartenkenners, doch wanneer wij oplettend acht geven op de woorden en daden der mensen, dan is het vaak niet zo heel moeilijk om daaruit te concluderen tot de stemming van het hart. Wanneer dat zulk een vaststaande regel is, dat de mond spreekt van hetgeen waarvan het hart vol is, waar moest de Christen het dan wel altijd druk over hebben, wat moest zijn bedenken en begeren, zijn spreken en zijn denken, zijn opstaan en naar bed gaan dan wel zijn?

Immers hij zegt, dat zijn hart vol is van zijn Heiland, van het nieuwe leven, dat in hem geboren is, van de heerlijkheid die hem wacht, van het hemelse vaderhuis en daarom moest nu ook zijn brein aan niets anders denken en zijn mond van niets anders spreken.

En is dat ook zo?

Wie de Christelijke wereld kent, weet wel anders. Men hoort vaak over alles spreken behalve over dat. Hoe zelden is Jezus werkelijk het middelpunt van hun spreken en handelen! Zelfs als men een geestelijk gesprek zoekt, hoe moeilijk is het dan soms nog het te vinden. Wat mag daarvan dan toch wel de oorzaak zijn? Is de stelling, die wij zo juist poneerden, niet juist, of….. is hun hart niet werkelijk vol van die geestelijke en hemelse dingen?

Wij vrezen, dat het laatste het geval is. Daar is in hun hart wel iets van die geestelijke dingen, doch het is er niet vol van en daarom zitten er naast die geestelijke dingen ook nog allerlei ongeestelijke, aardse en vaak zelfs slechte dingen. Daarom is het dan ook zo nodig om de opwekking en waarschuwing te beluisteren, die ons tekstwoord ons toeroept:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” Kol. 3:1, 2

De Apostel gaat uit van de veronderstelling, dat de mensen waaraan hij schrijft echte, oprechte en degelijke Christenen zijn. Zij zijn met Christus gestorven en ook weer opgewekt en nu is hun leven met Christus verborgen in God. Kol 3:3  Dat alles heeft heel wat verandering bij hen te weeg gebracht. Het oude is daardoor voorbijgegaan en alles is nieuw geworden. 2Kor. 5:17

Welnu, dat moet niet alleen gezegd, maar ook getoond worden.

Wanneer wij zeggen een nieuw leven te hebben ontvangen en wij gaan dan maar op de oude weg voort, dan liegt óf onze mond óf ons leven, doch in ieder geval is de waarheid in ons niet. Zal het dus recht met ons worden, dan zullen wij óf onze belijdenis óf ons leven moeten veranderen.

Alexander de Grote had in zijn leger een soldaat, die ook Alexander heette, doch die een zeer liederlijk leven leidde. Toen Alexander dat hoorde, liet hij zijn naamgenoot bij zich komen en zei tot hem, dat hij óf zijn naam óf zijn gedrag moest veranderen omdat hij zijn eigen naam niet wilde laten bezoedelen door zulk een naamgenoot.

Welnu, hetzelfde zou ook kunnen worden gezegd tot vele Christenen, die zeggen, dat zij een nieuw leven hebben, doch die in hun woorden en daden nog altijd bij het oude zijn gebleven. Indien wij met Christus zijn opgewekt en dus een nieuw leven hebben gekregen, moet dat nieuwe leven ook een nieuwe inhoud krijgen en daarom moeten wij die inhoud zoeken waar hij te vinden is. Dat is boven. “Indien wij met Christus zijn opgewekt zo moeten wij zoeken de dingen, die boven zijn.” Hij is ons nieuwe leven en daarom moeten wij met ons gehele hart zijn bij Hem.

Ons nieuwe leven is een hemelleven en dat stelt heel andere eisen dan het aardse. Het aardse leven kon gevoed en geleid worden door de aardse dingen, hield zich ook met de aardse bezig. Maar dat hemelse leven moet in de aardse dingen geen smaak, naar die aardse dingen geen verlangen hebben, moet zich niet met de aardse dingen willen bezighouden meer dan nodig is. Als men het hemelleven wil, moet men ook de hemelse dingen willen, want anders kan men het hemelse leven wel ontvangen, maar dan sterft het toch de hongerdood. Daarom, als u met Christus bent opgewekt, moet u de dingen zoeken, die boven zijn; dat nieuwe leven, dat van boven is, moet ook met de dingen van boven worden verzorgd.

Het is niet zonder betekenis, dat er in onze tekst bijgevoegd wordt “Waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods.” Christus is immers dat nieuwe leven. Wij ontvingen het uit Hem, het is van Hem en daarom kan het ook alleen door Hem worden gevoed. Welnu, Hij is in de hemel aan de rechterhand Gods en daarom moet daarheen ook ons zoeken en verlangen uitgaan. Wie het Christus-leven wil, moet het ook door Christus laten voeden. En daarom moeten onze gedachten en alle verlangens van ons hart uitgaan naar Hem.

Doch daar is meer waarom wij moeten zoeken de dingen, die boven zijn. Daar, in de hemel, ligt immers onze toekomst en ons leven moet zijn een leven, die toekomst tegemoet. Wonderlijk toch, bij de kinderen der wereld is een onstuimig verlangen om hun toekomst te kennen. In het donker van de avond gaan zij vaak naar griezelige buurten en groezelige woningen om daar aan een kaartlegster of koffiedikkijkster te vragen hun de toekomst te voorspellen. En wanneer er een boekje verschijnt om de mensen te leren uit de lijnen van de hand de toekomst te voorspellen, dan wordt het in gigantische oplage grif verkocht. Want de wereld hunkert er naar haar toekomst te weten te komen.

Maar, waarom staat het kind van God dan zover achter bij het kind der wereld? Waarom leeft het zo weinig in verlangen naar haar toekomst, hoewel die toch zo heerlijk en schoon is?

Toen ik plan had om naar Amerika te gaan las ik met grote belangstelling alles wat ik over dat land in handen kon krijgen. Toen ik plan had om naar Palestina te gaan was alle lektuur over Palestina mij lief. En nu wij plan hebben naar het hemelse Kanaän te gaan, moest nu ook niet heel ons denken en streven op die hemelse dingen zijn gericht? Daar ligt onze eeuwige toekomst en daarom moest ons hart ook nergens zo zeer als naar dat uit gaan. Wij moesten zoeken naar de dingen, die boven zijn omdat daar onze toekomst ligt.

En dan moeten wij niet vergeten, dat wij hier op aarde op die toekomst moeten worden voorbereid. Wij gaan naar de hemel, doch moeten hier op aarde de hemelse gezindheid aankweken in ons hart. Dat kunnen wij het best doen door veel naar die toekomst te staren en aan die toekomst te denken. Dat denken aan en staren naar die toekomst zal ook iets van die heerlijkheid in ons afdrukken.

Wanneer de Griekse vrouwen wisten, dat zij moeder zouden worden gingen zij veel naar de musea om schone beelden en schilderijen te zien omdat zij meenden, dat veel van het schone, dat zij in dien tijd zagen, zich zou meedelen aan het kind, waarvan zij moeder zouden worden. Daaraan schrijft men het toe, dat er onder de Grieken zovele schoon gevormde mannen en vrouwen waren.

Moest het kind van God niet precies hetzelfde doen met dat nieuwe leven, dat in hem gelegd is? Het moest voortdurend staren naar, en denken aan dat nieuwe leven, opdat mede daardoor iets van die heerlijkheid aan hem zou worden medegedeeld. Het moest door dat hunkerend verlangen het toekomstleven als naar zich toehalen. Hoe zullen zij het in de hemel uithouden en van de hemel echt kunnen genieten, indien zij hier op aarde de hemelse gezindheid niet aankweken in hun hart?

Het is nu wel duidelijk dat het bedenken van de dingen die boven zijn christenplicht is en ook wel waarom dat zo is. De grote vraag is nu maar hoé die hemelsgezindheid het best in ons hart wordt aangekweekt. Vergun mij u enkele middelen daartoe aan te wijzen.

En dan zou mijn eerste raad wezen:

  • Laat de aardse dingen niet te grote plaats in uw leven innemen.

Wie vol is van de aarde kan niet vol worden van God. Wanneer de wereldse dingen ons hart vervullen, dan kan God de hemelse dingen niet aankweken in ons hart. Wanneer wij ons paradijs hier op aarde hebben dan zullen wij niet zoeken naar het hemelse. Wie het van de aarde verwacht zal het van de hemel niet begeren. Ik zeg niet dat u de aardse dingen verwaarlozen moet, want dat zou zonde zijn en dat zou nooit iemand voor God kunnen verantwoorden, doch ik zeg dat u aan de aardse dingen niet te grote plaats mag inruimen in uw hart en leven. Geef aan de aarde net zo veel plaats als haar toekomt, doch geef haar niet meer.

Mijn tweede raad zou wezen:

  • Bedenkt waar het nu voortaan in uw leven om gaat. Wanneer u kind des hemels geworden bent, omdat Christus, met Wie u nu verbonden zijt, ook in de hemel is, dan is uw verdere levensopdracht om de hemel nu aan te kweken in uw hart. Al wat u daarin kan helpen is plicht, al wat u daar afhoudt is misdaad. Het gaat er nu bij alles om het hemelse in u te doen toenemen. Wanneer u voor de vraag komt te staan of iets mag dan wel niet mag, dan moet u vragen: “Bouwt het de hemel in mij op of niet?” Is dat wel het geval dan mag u het doen, is dat niet het geval dan mag u dat niet doen.

Een moeder, die een nieuw leven bij zich draagt, mag ook niet alles doen wat anderen wel mogen. Zij heeft altijd weer te vragen of het goed is voor dat nieuwe groeiende leven en heeft daarmede wel terdege te rekenen. Zo ook draagt het kind van God een hemels leven bij zich en dat moet als een klein kind worden verzorgd. Al wat schadelijk is voor dat hemelleven moet worden vermeden en al wat dat hemelleven kan bevorderen moet worden gezocht. Daar gaat het nu om, dat is nu het doel, de opdracht van het verdere leven.

Daarmee staat in verband wat ik in de derde plaats zou willen raden :

  • Mijd wat dat groeien zou schaden. U zult u misschien dingen moeten ontzeggen, die op zichzelf niet slecht zijn en die anderen ook wel mogen doen, maar die voor u verboden waar is, omdat zij uw hemelleven zouden schaden. Daarom moet u ook nooit zeggen: “Als een ander iets mag dan mag ik het toch ook.” Want het is heel goed mogelijk, dat er dingen zijn, die een ander niet schaden, doch u wel. Mijd die dingen en wees daar ook maar niet al te zuinig mee.

Voorts:

  • Zoek wat dat nieuwe leven kan doen groeien.

Ik denk hier aan het gebed, aan het bestuderen van Gods Woord en aan “de gemeenschap der heiligen”. Dat zijn allemaal dingen, die het hemelleven in een mensenhart aankweken en die daarom ijverig moeten worden gezocht.

  • Leef in een atmosfeer die gunstig is voor het hemelleven.

Mensen, die aamborstig zijn moeten niet in de mist lopen en ook niet wonen in een benauwde, duffe atmosfeer, doch zij moeten zoeken naar een zuivere atmosfeer waarin zij vrij ademen kunnen. Zo ook moeten de mensen, die de hemel willen tegemoet groeien gaan wonen in een zuivere atmosfeer. Waar vaak twist is horen zij niet thuis. Waar met God en Zijn dienst wordt gespot moeten zij niet komen. Waar het vlees wordt gediend, ook door onreine taal, moeten zij zich niet ophouden. Overal moeten zij er op bedacht zijn de zuivere lucht op te zoeken waar het hemelleven het beste groeien kan.

Ik zou nog een raad willen geven en dat zou deze wezen:

  • Geniet nu reeds van het heil, dat u is toegezegd.

Wanneer iemand een erfenis in het zicht heeft dan verlustigt hij zich reeds jaren van te voren in dat vooruitzicht en leeft zodoende zich op het bezit daarvan in. Dat vooruitzicht is niet alleen een genot, maar ook een voorbereiding. Een bruid geniet al van te voren van het vooruitzicht, dat de vereniging met haar geliefde zal brengen. Dat genot is niet alleen heerlijkheid, maar ook toebereiding.

Zelfs Jezus liet zich in de smarten troosten om het kruis te dragen en de schande te verachten door de vreugde, die Hem voorgesteld was. Heb. 12:2

Hoe vaak zegt men tegen een kranke, die moet worden geopereerd, dat hij maar eens moet denken hoe heerlijk het zal zijn als hij straks hersteld uit het ziekenhuis mag terugkeren.

Zo ook moet de Christen het zich maar vaak voorstellen wat het zal wezen als Jezus zal geopenbaard worden en hij met Hem zal leven in heerlijkheid. Dat bedenken geeft niet alleen vreugde vooruit, doch het kweekt ook de toekomst aan in het hart. Wanneer in onze tekst van “zoeken” en “bedenken” wordt gesproken, dan wil de Apostel daar niet hetzelfde mede zeggen, doch dan stelt hij daarmede twee verschillende eisen. Men zoekt naar hetgeen men nog niet heeft, men strekt er zich dan naar uit, men spant er zich voor in, men worstelt er zich naar toe. Zo moet de Christen zich ook in zijn innerlijk leven naar die heerlijkheid toe worstelen, er zich naar uitstrekken, zich inspannen om die hemelse dingen innerlijk vast te grijpen.

Bedenkt men wat men reeds bezit, dan laat men er zich van doortrekken, er door beheersen, er door beïnvloeden, er zich door omarmen. Zo ook moet de Christen zich door de hemelse dingen laten doortrekken, beïnvloeden, beheersen, omvormen, zodat de gehele levenshouding er op gericht wordt.

Sommige platvissen in de Zuiderzee hebben aanvankelijk de ogen aan weerskanten. Door het altijd omhoog zien van den bodem der zee af, verplaatste zich echter geleidelijk het onderste oog zodat ook dat oog vanzelf altijd opwaarts ziet. Zo ook moet de Christen zozeer zich uitstrekken naar en laten doortrekken van de dingen, die boven zijn, dat zijn gehele levenshouding er door verandert en hij naar boven ziende wordt.

En nu zou ik tenslotte een vraag willen stellen:

  • Bent u met Christus gestorven en opgewekt?

Zo niet, dan gaat alles verder buiten u om, zoals het bloeien van de appelboom buiten de wandelaar op de weg omgaat.

Zo ja, dan moet u ook verder leven uit Hem, naar Hem en voor Hem.

Uit Hem doordat u uw sappen voortaan trekt uit Hém en niet uit de aarde. Naar Hem doordat u Hem tegemoet gaat groeien. Voor Hem, omdat u Hem nu geheel en al toebehoort. Wilt u ook voortaan geheel leven voor Hem, dan moet het oude sterven en het nieuwe leven groeien. Dan moet uw zoeken en uw bedenken door de hemelse dingen worden beheerst.

  • Als uw hart nu reeds in de hemel is, dan zal de hemel ook komen in uw hart.

Door.. Ds. C. J. Hoekendijk (1928)