De Mens; Geest, ziel en lichaam

Wanneer men spreekt over geest, ziel en lichaam, is men geneigd te denken dat geest en ziel begrippen zijn voor het onzienlijke deel van de mens. Men gaat er dan vanuit, dat de mens een onsterfelijke ziel hééft. Het wordt daarmee een abstract begrip van "iets" (de psyche) dat binnen in het lichaam zit. Echter: de mens - tijdens zijn verblijf op de aarde - ís een sterfelijke ziel! De zeer wijdverbreide misvatting ontstaat doordat men niet kijkt naar de werkelijke betekenis van deze woorden in de taal van de Bijbel: het Hebreeuws. Het Grieks en het Nederlands beschikken eenvoudigweg niet over de juiste woorden. Daarom is het bij "geest, ziel en lichaam" beter te spreken van "neshamah, roeach en nephesh". Dan zal blijken dat de Bijbel een heel helder licht werpt op de begrippen: geest, ziel en lichaam. Waar de neshamah, roeach en nephesh van de mens uiteindelijk naartoe gaan en hoe ze zich, in het geval van de gelovige, verhouden tot de Heilige Geest van God, leest u vervolgens ook in deze Bijbelstudie.

1. Inleiding

“En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.” 1 Thess. 5 : 23

Het onderwerp is de mens. Het gaat over geest, ziel en lichaam, waarbij drie woorden gebruikt worden om de mens, althans delen van de mens, aan te duiden. Eigenlijk is het zo, dat het enige vers in de Bijbel dat ik gevonden heb waar alle drie de woorden “geest, ziel en lichaam” genoemd worden, in 1 Thessalonicenzen 5 : 23 is. Het zal duidelijk zijn, dat dit vers deel uitmaakt van wat ik altijd maar noem: de hartelijke groeten van Paulus.We hebben in vers 23 de gehele brief al gehad en vanaf vers 24 en wat er verder volgt krijgen we dan de groeten mee, een zegenbede, en staat er: “Groet alle broeders met een heilige kus.” Zo behoren alle brieven nou eenmaal te eindigen, met hartelijke groeten. Dat is hier ook zo.

De zegenbede begint met vers 23: “De God des vredes Zelf heilige u geheel en al (en omdat wij meestal niet weten wat het betekent staat het erachter) en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.” Het zal duidelijk zijn, dat dit vers niet wezenlijk deel uit maakt van de inhoud van de brief.

Begrijpt u mij goed, het staat in de brief, het hoort bij de brief, het geeft er ook commentaar op. Het is zelfs de samenvatting van de brief, maar het is niet de wezenlijke inhoud van de brief. Daar gaat het om. En het is bepaald niet zo dat we in deze brief een uiteenzetting krijgen over het onderwerp, dat wij voor vandaag gekozen hebben. Dat wil zeggen, deze brief legt ons niet uit hoe dat zit met geest, ziel en lichaam. De brief legt evenmin uit wat voor “dingen” dat dan zijn en hoe die zich met elkaar verhouden. Het staat er niet in. Toch moet ik dan meteen zeggen: Integendeel!

2. De mens is één geheel

Het probleem is, dat heb ik dikwijls gemerkt als we over dit soort begrippen praten, dat men zegt: “Een mens bestaat uit geest, ziel en lichaam.” En we komen daarop, omdat we in feite in het Nederlands geen andere woorden hebben om de mens aan te duiden. In de eerste plaats is dat een taalkundig verschijnsel. Als we zeggen: “De mens is geest, ziel en lichaam,” dan zeggen we dat zo, omdat onze taal niets anders toestaat. Dat is een taalkundige stelling, maar het heeft met de Bijbelse gedachte rondom de mens niet zo erg veel te maken. De mens is niet samengesteld uit de drie genoemde losse onderdelen. Dat leert de Bijbel ook nergens. De mens is een eenheid. Als hij uit elkaar valt, dan valt is dat niet in losse onderdelen, maar in stukken; dan wordt hij verbroken.

De mens is één geheel. Voor degenen die zeggen: “Ja, maar er staat toch in de Bijbel dat de mens geest, ziel en lichaam is”, is de vraag: Waar staat dat? Ik heb nog nooit een ander antwoord gekregen dan 1 Thessalonicenzen 5 : 23. Het enige andere antwoord dat ik kreeg was: “Dat weet ik niet.” Dat is veel eerlijker over het algemeen. Men zegt wel wat, maar men weet niet waar het vandaan komt.Dat is het probleem. Maar ik zeg u dat de uitdrukking “geest, ziel en lichaam” uit dit vers komt. Ook ik heb nooit een ander vers gevonden. Daarom ben ik vandaag begonnen met dit vers.

Bijbelstudie is in de eerste plaats de bestudering van delen van de Schrift in hun context; in het verband waarin het gezegd wordt. Ik heb in de Bijbel niet één Schriftgedeelte gevonden dat spreekt over de mens in zijn totaliteit en dat een verhandeling houdt over wat geest, ziel en lichaam eigenlijk voor dingen zijn. Hoe ze zich tot elkaar verhouden. De enige tekst,waar die drie begrippen samen genoemd worden is in dit vers. En het eigenaardige is, dat dit vers dan het tegenovergestelde zegt als wat wij dikwijls denken of wat ik dikwijls gehoord heb. Men zegt namelijk: “De mens bestaat uit drie delen: geest, ziel en lichaam”, maar als we dit vers lezen waar dit aan ontleend zou zijn, dan staat er precies het tegenovergestelde.

Er staat niet dat de mens uit drie losse onderdelen bestaat, maar er staat dat de mens één geheel is. 1 Thessalonicenzen 5 : 23: “En de God des vredes…” (vrede wil zeggen dat er geen tegenstellingen meer zijn, geen verdeeldheid). Vrede spreekt dus over éénheid. Als de strijdende partijen met elkaar verzoend zijn, is er vrede. En de God wordt hier genoemd de God des vredes, omdat het te maken heeft met wat Hij volgens ditzelfde vers zou doen. Hij wordt namelijk geacht ons, de mens, de gelovige, onberispelijk te bewaren. Hij kan dat, omdat Hij God des vredes is. Hij is juist de God Die tegenstellingen met elkaar verbindt, Die eenheid tot stand brengt.

Strikt genomen kan het hele werk van Christus worden samengevat in deze uitdrukking: “eenheid” of de uitdrukking: “vrede”. Wat God doet is in Christus de wereld met Zich verzoenen, dat wil zeggen dat dingen die verdeeld zijn, één gemaakt worden. Dat dingen, die van elkaar gescheiden (= dood) waren, weer met elkaar verbonden worden. “De God des vredes (= eenheid) Zelf (God Zelf, niemand anders! Dus ook maar Eén) heilige u” (heiligen = heel maken, één maken.) Ik heb wel eens gehoord dat heiligen”apart zetten” zou betekenen. Dat is wel zo, maar dan kijken we van de verkeerde kant.We kijken vanuit de wereld. Als iemand geheiligd wordt dan betekent dat, dat hij wat de wereld betreft apart gezet wordt en dus afgezonderd wordt, maar dat is niet de betekenis van het woord heiligen. Heiligen wil juist zeggen: heel maken. In het Nederlands, maar in de grondtekst feitelijk ook. Het houdt begrippen in als “reiniging” en ook “verbinding met”. Iemand die geheiligd wordt, wordt verbonden met de heilige God. Heiligen wil ook letterlijk in het Nederlands zeggen: heel maken.

Van ons uit gezien (van de aarde uit) is het “apart zetten”, maar van God uit gezien is het “heel maken”, het verbinden met God Zelf. Kortom, het is de uitdrukking voor wat God doet in Christus, namelijk de wereld met Zich verzoenen 2 Kor. 5 : 19. Deze God maakt eenheid.U ziet, dat we dus al een keer of drie gesproken hebben over éénheid.

“De God des vredes heilige u geheel en al.” Vers 23a

God heiligt niet een lichaam of een ziel of een geest, of wat het dan moge zijn, maar God reinigt de gelovige geheel en al. In de eerste plaats: geheel. “Heel” houdt taalkundig verband met heiligen, heel maken. Geheel en al wordt men geheeld. (Helen = gezond maken = één maken). Dus: “Hij heilige u geheel en al”. “Geheel en al” is ook een vaste uitdrukking in het Nederlands; het is twee keer hetzelfde. “Al” is hetzelfde als “heel”. Alles bij elkaar als eenheid. De “h” is eraf gevallen, maar dat gebeurt meer met een “h”. De klinker is ook een beetje veranderd, de “e” is een “a” geworden, maar verandering van klinkers is heel gewoon. Van “heel” ben je zo bij “al”. Hij heiligt u geheel en al. Niet één onderdeel, maar de hele mens. We gaan verder met vers 23b:

“En uw geheel (= weer hetzelfde) oprechte geest.” Vers 23b

Oprecht heeft ook altijd de betekenis van: er is er maar één. Recht staat tegenover dat wat krom is. En oprecht heeft altijd als betekenis dat men geen bijbedoelingen heeft, dat men geen omwegen maakt. Dat men gewoon recht maar één doel voor ogen heeft en die weg gaat. Paulus zegt dat hij oprecht is in de prediking van het Evangelie. Hij legt uit dat het betekent dat hij het niet vervalst, niet verdunt, geen water bij de wijn doet. Het is gewoon oprecht .2 Kor. 2 : 17

Van de gelovigen wordt gezegd dat zij oprecht zouden zijn, zonder enige bijbedoelingen en met maar één ding voor ogen, dat ze worden verondersteld geen politiek of tactiek of dat soort dingen te bedrijven, maar gewoon eerlijk te zijn tegenover zichzelf, tegenover God en tegenover hun broeders of zusters. Daar kom je het verst mee en het is het eenvoudigst, omdat men maar maar één Weg kiest. Er zijn namelijk mensen die mij de ene keer dit en de andere keer dat vertellen. Ze weten niet meer wat ze mij gezegd hebben. Dan kom ik ze weer tegen en dan is het eerst stil en pas na verloop van tijd beginnen ze te praten, want ze moeten er eerst over nadenken wat ze mij gezegd hebben. Soms zijn ze het vergeten. Dat is allemaal lastig. Dat maakt het leven ook gecompliceerd. Het is niet de bedoeling. Laten we oprecht zijn, maar één doel voor ogen hebben, eerlijk zijn voor elkaar. Eerlijk ten opzichte van de Heer.

Dat staat hier. “En uw geheel oprechte (dat wil zeggen, dat er ook maar één is) geest, en ziel en lichaam.” Er staat niet: “Uw geheel oprechte geest, uw geheel oprechte ziel en uw geheel oprecht lichaam.” Het zou ons niet verbazen als het er zo zou staan,want het is een Bijbelse manier van uitdrukken.Het is hetzelfde als in Éfeze 4 : 11

“En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars.” Wij zouden zeggen: “God heeft gegeven sommigen tot apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.” Éf. 4 : 11

Maar het woord “sommigen” wordt daar herhaald. Bij andere gelegenheden worden niet alleen de zelfstandige naamwoorden apart genoemd, maar ook de bijvoeglijke naamwoorden herhaald. Zo zou hier kunnen staan: “Uw geheel oprechte geest, uw geheel oprechte ziel en uw geheel oprechte lichaam”, maar dat staat er niet. Er staat: “Uw geheel oprechte geest, ziel en lichaam.” Dat maakt alle verschil van de wereld uit, want als dat woord “oprecht” herhaald zou zijn, zou hier gesproken worden over drie verschillende dingen. Over geest, over ziel en over lichaam, die dan alle drie nog oprecht zouden zijn. Er staat: “Oprechte geest, ziel en lichaam.” Dat betekent dat het niet gaat over geest, ziel en lichaam afzonderlijk, maar over maar één ding, namelijk de mens.We dienen gewoon te concluderen dat hier sprake is van een “hendiatris”, dat wil zeggen: er worden drie woorden gebruikt, maar er wordt maar één ding bedoeld.

Een ander voorbeeld van zo’n stijlfiguur is:

“Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven” Joh. 14 : 6

De Heer zegt niet: “Ik ben de Weg, zowel als de Waarheid, zowel als het Leven.” Zo van: Ik zal drie dingen tegelijk noemen. Nu hebben we drie onderwerpen. Je kunt er drie onderwerpen van maken, namelijk: Ik ben de Weg, Ik ben de Waarheid en Ik ben het Leven. Dat is een misverstand. Het zijn niet drie dingen, het is één ding. Het betekent gewoon:

  • “Ik ben de Ware Levende Weg”.

De vraag is waarom het er dan zo niet staat? Het antwoord is weer: taalles. Ik gebruikte nu bijvoeglijke naamwoorden, namelijk een Ware, Levende Weg. Maar als je de klemtoon wilt leggen op een bijvoeglijk naamwoord, dan verander je het in een zelfstandig naamwoord. Dat is wat in de Bijbel en ook in alle oude talen gebeurt en vandaar dat je dan zo’n uitdrukking krijgt: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”. Dat is veel sterker dan alleen een Ware Levende Weg. Dat is de gedachte. Je krijgt drie woorden, maar er wordt maar één ding bedoeld.

Of:

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus”. Éfeze 1 : 3

Hebben we het dan over God, zowel als de Vader? Welnee, we hebben het over God, Die Vader is. Het is dus een Vaderlijke God. Een God Die geeft, betekent het feitelijk. Een God, Die Erflater is en een Erfenis geeft aan Zijn kinderen of aan Zijn zonen. Dat is de normale gedachte en dat is hier ook zo. Als je een beetje geoefend bent in het lezen van de Bijbel en je komt deze uitdrukking tegen, herken je hem ogenblikkelijk als een hendiatris. “Geest, ziel en lichaam”, wat is dat bij elkaar? Dat zijn alle woorden die wij kennen voor een mens. Het is de totale mens. Hier wordt echter niet verklaard wat een geest, een ziel of een lichaam is. Hier wordt gewoon gezegd dat het gaat over de gehele mens. Het staat zes maal in 1 Thessalonicenzen 5 : 23. “Geheel en al, geheel oprecht, heilige u, de God des vredes…” Het gaat dus om een geheel.

We dienen goed te beseffen, alvorens we op de verschillende begrippen ingaan, dat de mens niet is samengesteld uit onderdelen. De mens is één geheel. Omdat de mens aangeduid kan worden als lichaam, als ziel en ook als geest, vinden wij het merkwaardige verschijnsel dat deze drie woorden ook in onze Nederlandse vertalingen door elkaar gebruikt worden. Ik bedoel niet dat het willekeurig vertaald wordt,want dat is niet het geval, maar er zijn heel wat omstandigheden waar het woord ziel staat,waar net zo goed het woord geest zou kunnen staan of zelfs ook lichaam. Bijvoorbeeld: “Mijn ziel maakt groot de Heere.” Lukas 1 : 46 Wie is dat, mijn ziel: mijn lichaam of mijn geest? Dat maakt helemaal geen verschil, want de betekenis van de uitdrukking is dan gewoon: “Ik”. Als je de klemtoon wil leggen op “Ik” dan gebruik je geen persoonlijk voornaamwoord, maar een zelfstandig naamwoord en dan wordt het: “Mijn ziel”.

Dat is een uitdrukking die ook erg veel in de Psalmen voorkomt. Als in dezelfde zin, waarin “mijn ziel” voorkomt, het begrip herhaald wordt, dan zult u merken dat vaak in de herhaling staat: “mijn geest”. Dat is een parallelisme. Dit parallelisme komt veel voor. “Mijn ziel doet dit” en dan staat het met andere woorden “Mijn geest doet zus en zus en zo.” “Mijn ziel looft en mijn geest maakt groot”. Dat is precies hetzelfde, want mijn geest betekent: “Ik” en “mijn ziel” betekent ook: “Ik”.

Nu weet ik wel dat er verschil is tussen de betekenis van die woorden, maar we moeten goed beseffen, dat de betekenis van een woord in de eerste plaats bepaald wordt door het gebruik van zo’n woord. Waar zo’n woord voorkomt, krijgt het de betekenis die het in het zinsverband heeft. Als het zo theatraal staat: “Mijn geest, mijn ziel maakt groot de Heere”…, dan betekent het dat men het doet met zijn volle persoon, met heel zijn wezen, met al wat in hem is (Psalmen 103 : 1). Het lichaam wordt er niet eens apart genoemd al was het maar omdat in het Oude Testament strikt genomen geen woord voor lichaam bestaat.

3. Betekenis van de woorden: geest, ziel en lichaam

Het gaat mij er eerst om, uw gedachten wat los te maken.We hebben de drie woorden genoemd, die we in het Nederlands kennen, maar ze worden maar één keer allemaal bij elkaar genoemd. Dat is in dit vers en slechts dan hebben ze dus samen één betekenis namelijk:mens. En in dit geval wordt het toegepast op de gelovige. De gehele gelovige geest, ziel en lichaam. Welke geest? Wordt hier de menselijke geest of de Heilige Geest bedoeld? Dat maakt niets uit in dit vers, want het gaat om onze hele persoon. Het maakt niet uit of het de geest, de ziel of het lichaam is of welke geest dan ook. Het gaat over de gehele mens. Het gaat om een eenheid. Ik hoop niet dat u de indruk krijgt dat de mens bestaat uit verschillende delen, want dat is niet het geval. Ik zeg het op voorhand: De mens is één geheel.

Bij nadere bestudering blijkt dat de mens op verschillende manieren omschreven wordt. Dan blijkt ook dat bepaalde functies van de mens thuishoren bij begrippen als geest, ziel of lichaam, vanwege het feit dat er verschillen tussen bestaan. Maar het algemene principe is, dat de mens één geheel wezen is. Bepaalde aspecten van zijn wezen worden aangeduid met deze drie Nederlandse woorden.We spreken hier over geest en ziel en lichaam. Ik heb steeds met opzet gezegd dat het drie Nederlandse woorden zijn, omdat we voor de bestudering van deze onderwerpen eerst terug moeten naar de grondtekst en daar ontstaat altijd de verwarring.

Hier in 1 Thessalonicenzen 5 hebben we uiteraard te maken met Grieks. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks, dus de woorden die hier staan zijn vertalingen van bepaalde Griekse woorden. Dat is heel gemakkelijk, want geest is dan de vertaling van pneuma. Ziel is de vertaling van het woord psuche of psyche. Lichaam is soma. Het zijn drie woorden die overeenkomen met Nederlandse begrippen. Dus het is gemakkelijk te vertalen.

  • g e e s t  =  p n e u m a
  • z i e l  =  p s u c h e o f p s y c h e
  • l i c h a a m  =  s o m a

Het moeilijke komt nu pas.Wij willen weten van welk Hebreeuws woord “lichaam” (soma in het Grieks) komt, want de grondtaal van de Bijbel is niet Grieks, hoewel het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven is, maar de werkelijke grondtaal van de Bijbel is Hebreeuws. Het algemeen principe is, dat de Griekse woorden van het Nieuwe Testament niet hun betekenis uit de Griekse literatuur of uit de Griekse woordenboeken krijgen. Ze krijgen de betekenis van het Hebreeuwse woord, waarvan ze de vertaling zijn.

Het maakt ons eigenlijk niet uit wat een woord in het Grieks betekent,want we willen alleen maar weten van welk Hebreeuws woord het de vertaling is,omdat het Nieuwe Testament geschreven werd door Israëlieten die het Hebreeuws kenden. En ze beschikten in die dagen al over een Griekse vertaling van het Oude Testament. Als ze in het Grieks uit het Oude Testament citeerden, deden ze dat vanuit de Septuaginta. Dat betekent dat de Griekse woorden die zij gebruikten, ontleend zijn aan de Hebreeuwse woorden; ze kregen hun inhoud, hun betekenis, vanuit het Hebreeuws.*

Lichaam

Het gaat er nu om van welk Hebreeuws woord soma (= het Griekse woord voor lichaam) de vertaling is. Dat weet ik niet, want zo’n woord heb ik niet gevonden. Ik ken in het Hebreeuws geen woord voor lichaam. Het enige woord voor lichaam dat ik via het Hebreeuws gevonden heb, vond ik niet in de Bijbel, maar in de joodse literatuur. Daarvan is mij achteraf gebleken dat het een woord was dat ze (de kabbalisten) zelf gemaakt hadden. Die maakten namelijk zelf het woord “golem”, een term met een tamelijke occulte achtergrond. Men heeft zelf letters bij elkaar gezocht om het begrip “lichaam” weer te geven. Men heeft dat gedaan omdat de Bijbel daar helemaal geen woord voor heeft. Het bestaat dus niet en ik haal het daarom maar weer weg.

“Golem” is een lichaam dat men formeert van het stof van de aardbodem, van klei of van andere dingen, of men “breit” het zelf of zoiets. De gedachte is dan – maar dat is magie – dat men op zo’n “golem”, zo’n zelfgevormd lichaam, bijvoorbeeld de Naam van Jehovah schrijft, in de hoop dat die golem dan tot leven komt. Dat is het begrip “golem”. En sommigen denken dat dit het normale woord is voor lichaam, maar dat is een groot misverstand. Het is eigenlijk een term uit de magie. Een echt Bijbels woord voor lichaam bestaat dus niet. Er zijn wel alternatieven. Je kunt het woord “vlees” gebruiken, maar zelfs dat komt niet of nooit voor. We hebben er geen Hebreeuws woord voor.We weten het niet.

De moeilijkheid is dat Hebreeuws de grondtaal van de Schrift is. De oorspronkelijke begrippen van deze schepping liggen opgesloten in Hebreeuwse begrippen, in Hebreeuwse termen, in de Hebreeuwse Bijbel en in de Hebreeuwse taal. Niet in het Grieks, want Grieks is een vertaling. Het is een weg ernaartoe, maar het Hebreeuws heeft de grondbegrippen.We zijn dus, wanneer we willen spreken over het “lichaam” en waar dat in het Hebreeuws van het Oude Testament voorkomt, snel klaar, want het komt niet voor.

Ziel

Dan gaan we door met het begrip ziel, waarvan het Griekse woord psuche is, hetgeen weer de vertaling is van het Hebreeuwse “nephesh”. Maar als je het nazoekt in een Grieks en in een Hebreeuws woordenboek, blijkt dat die woorden een verschillende betekenis hebben. In een woordenboek zoek je het op in het Nederlands (daar word je niet wijs uit) en dan zoek je het woord “psuche” op in het Grieks en dan blijkt in het Grieks psuche te staan voor de onzienlijke dingen met betrekking tot de mens in het algemeen. Dan gaan we naar het Hebreeuwse woord nephesh en dan blijkt dat te spreken over de zienlijke dingen van de mens. Dan blijken het dus begrippen te zijn die elkaar helemaal niet dekken en dan raken we in grote verwarring.Tenzij wij ons houden aan het principe dat ik eerder al noemde. Dat is het enige juiste principe in verband met dit soort studies, namelijk het principe dat psuche zijn betekenis ontleent aan nephesh en niet aan het Griekse spraakgebruik.

Psuche komt in de Septuaginta voor als de vertaling van nephesh.Wij willen dus alleen maar weten wat nephesh voor een “ding” is; dan weten we ook wat psuche in de Bijbel is.Niet wat het bij de Grieken is,want dat interesseert ons immers niet. Dan weten we ook wat ziel in onze Nederlandse Bijbelvertaling is en dat is iets heel anders dan “Van Dale” aangeeft. Het begrip “ziel” blijkt dan in de Bijbel een heel andere betekenis te hebben dan in de Nederlandse omgangstaal.

Geest

We maken “het rijtje” af. We gaan naar geest, dat de Nederlandse vertaling is van het Griekse pneuma. Pneuma fungeert in principe als vertaling van twee Hebreeuwse woorden. (Er zijn enkele uitzonderingen.) De ene is “roeach”. Het is het woord dat het meest gebruikt wordt en dat vertaald wordt met “pneuma” naar het Grieks of met “geest” naar het Nederlands. Er is nog een woord. Dat komt maar 25 maal voor. Het is het Hebreeuwse “neshamah”. U ziet in wat voor verwarring wij inmiddels zijn terechtgekomen. We zijn begonnen met drie Nederlandse woorden.

We zoeken terug en komen bij drie Hebreeuwse woorden. We zijn één begrip kwijtgeraakt en we hebben er één bij gekregen. En u ziet wat een verwarring dat geeft. Het probleem is dan ook, dat als we deze dingen bestuderen, we eigenlijk geen Nederlandse woorden meer kunnen gebruiken om deze begrippen aan te geven. Omdat we ons dan moeten afvragen: “Welke betekenis geven we aan het Nederlandse woord? De Hebreeuwse, de Griekse of die van de omgangstaal in het Nederlands?” Vandaar dat ik geneigd ben om in studies als deze niet langer te spreken over geest, ziel en lichaam of pneuma, psuche of soma, maar over neshamah, roeach en nephesh,want dat zijn de grondwoorden van de Bijbel.

Het ene probleem alleen is, dat in de vertaling naar het Grieks neshamah verdwijnt. Het verschil tussen neshamah en roeach is niet meer te zien, omdat het met één woord namelijk “pneuma” naar het Grieks vertaald wordt. Het andere probleem is, dat we niet over lichaam kunnen spreken, want er is helemaal geen Hebreeuws woord voor. Dat is ook niet nodig, maar dat zullen we zo zien. Het punt is, dat deze drie begrippen plaats hebben gemaakt voor drie andere begrippen, die niet dezelfde betekenis hebben.Wij moeten goed in gedachten houden dat ze duidelijk verschillend zijn.

Schematische vertaling van het Grieks naar het Hebreeuws:

  • Pneuma (geest) Roeach en Neshamah 
  • Psuche (ziel)
  • Nephesh Soma (lichaam) komt in de Bijbel niet voor


4. Neshamah

Het minst voorkomende begrip “neshamah” moet normaal gesproken vertaald worden met geest.Wij hebben er geen ander woord voor. Geest is in het Nederlands en ook in het Grieks de aanduiding voor alles wat niet gezien kan worden, het onzienlijke. Er zijn uitzonderingen, want soms worden onzienlijke dingen zienlijk gemaakt. Zoals een engel bijvoorbeeld. Een engel wordt aangeduid als geest.Van engelen staat, dat zij gedienstige geesten zijn. Hebr. 1 : 14 En engelen worden normaal gesproken niet gezien. Ze zijn onzienlijk,maar ze kunnen zich manifesteren. Maar in wezen zijn ze onzienlijk, behoren ze dus tot de onzienlijke dingen en daarom heten zij geest. “Geest” dekt begrippen zoals wind (want wind kan niet gezien worden), adem, gas of lucht in het algemeen. Geest staat ook voor demonen (boze geesten), engelen, cherubs. En God is de Onzienlijke, dus heet God ook Geest. Joh.4 : 24

Geest staat voor al het onzienlijke. Daar gaat het om en daarom is het een verzamelbegrip. Je kunt geest niet nauwkeurig definiëren. Het is niet in te delen in dit of dat. Het kan van alles zijn. Ik heb wel rijtjes gezien op grond van pneuma in het Nieuwe Testament, waarbij veertien verschillende betekenissen werden gegeven aan pneuma. Dus eigenlijk zijn het veertien verschillende toepassingen. Het zijn zaken, “dingen”, die allemaal pneuma genoemd worden. Dat kan, omdat geest gewoon een verzamelnaam is.

Het probleem is alleen dat we in het Hebreeuws twee woorden hebben die allebei onzienlijke dingen aanduiden. Het één is “roeach”. Dat is het normale woord. Het andere woord is “neshamah” en dat is een heel speciale aanduiding. Daarover gaan wij het nu hebben. Neshamah wordt het eerst genoemd in Genesis 2. Neshamah komt in 25 Schriftplaatsen voor. Roeach komt 404 maal voor.

Het ontvangen van het leven

“En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel”. Gen. 2 : 7

De HEERE God (= Jehovah) had de mens geformeerd uit het stof der aarde. (Wat dan ontstaat, is wat de Kabbalisten een “golem” noemen, een lichaam van klei, een model als het ware; het is nog dood.) “Waar is de mens van gemaakt?” Van het stof der aarde. Dat staat er nu eenmaal. Geest, ziel en lichaam worden hier niet genoemd. De mens is geformeerd uit het stof der aarde. En dan staat er: “God heeft in zijn neusgaten geblazen de neshamah“. Neshamah is vertaald met “adem”. Hoe komt men bij de vertaling met adem? Neshamah is het begrip geest en dat staat voor alle onzienlijke dingen. En welk onzienlijk ding is dit nu? Het wordt geblazen in de neusgaten, dus zal het wel adem zijn. Uit het verband vertaalt men het met adem. Op andere plaatsen in de Schrift, in andere verbanden, wordt hetzelfde woord anders vertaald. De vertalers kijken gewoon naar de zin, naar het verband waarin het woord gebruikt wordt en kiezen dan een Nederlands woord.

Adem is zo slecht nog niet. Dat kan ook heel goed, omdat neshamah het hoogste aspect is van de mens, de hoogste geest (het is in deze volgorde dat we die dingen moeten zien). Het is dat wat van God afkomstig is. Het is wat God in de mens blaast en daarom is het in feite het leven zelf. Het leven van God, dat Hij in de mens inblaast. Je moet wel zeggen “blazen”, want het gaat om onzienlijke dingen. Je kunt ook zeggen: “Hij ademt het in.”

Adem staat voor leven. Als iemand zijn laatste adem uitblaast, dan heeft hij zijn laatste leven afgelegd en is er geen leven meer over. Adem en leven zijn dingen die bij elkaar horen. In Genesis 2 : 7 staat nu: “God heeft in de mens geblazen de adem (= neshamah) des levens”. Er moet echter staan: “der levens”. Het verschil is dat “der levens” meervoud van “leven” is en “des levens” enkelvoud. Het is één adem, maar der levens. Strikt genomen is het dus één adem van de levens. Als er des levens staat, zou het betekenen: één adem van het leven. Maar dat staat er niet. Er staat: “Eén adem van de levens”. Het is een meervoud. Het is één neshamah van vele levens. En daarom is het ook de neshamah, het levensbeginsel dat Adam ingeblazen kreeg,waaruit ook al de afstammelingen van Adam het leven hebben ontvangen.

De vertalers geloofden dat overigens niet, voorzover ik dat heb kunnen nagaan. Zij geloofden dat als een kind geboren wordt, het dan het leven vanuit de hemel zelf ontvangt. Dat is een misverstand, want het kind ontvangt het leven van zijn ouders. Het is trouwens eigenaardig dat mensen die aan de ene kant geloven in de erfzonde (de erfelijkheid van de zondige natuur), aan de andere kant geloven dat bij de geboorte van het kind het leven rechtstreeks van God afkomstig is. Het is erg inconsequent. Dat kun je nooit met elkaar in overeenstemming brengen. God blies in de mens de geest der levens (de neshamah der levens). Het betekent dat al het menselijk leven daaruit voortkwam.

“Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben”. Rom. 5 : 12

Deze neshamah wordt in de mens geblazen en uit deze neshamah kwam al dat andere leven ook voort. Het is het leven dat God gaf aan de mensen. Hij gaf dat éénmalig, niet steeds opnieuw. Ik zeg niet dat wij ons natuurlijke leven niet van God hebben ontvangen. Ik zeg alleen dat we het van onze ouders hebben ontvangen. En zij hebben het weer van hun ouders ontvangen en uiteindelijk van Adam en van God. Dus inderdaad van God. Zo blijft het. De hele schepping, ook de oude schepping, bestaat door God en wordt door Hem in stand gehouden.

Ook het leven dat wij als natuurlijke mensen hebben, is een leven dat van God afkomstig is. Het is tot ons gekomen via Adam en daar zit de moeilijkheid.Want daarom hebben wij niet alleen het leven geërfd,maar ook de zonde die daarin zit opgesloten.We zijn daardoor dus erfelijk belast. Als we ons leven rechtstreeks van God zouden krijgen dan betekent dat, dat elk mens zonder zonde geboren zou worden en dat is niet waar; integendeel. Dus God heeft in de mens geblazen de neshamah der levens en “…alzo werd de mens tot levende ziel” (en níet: alzo kreeg). Er staan twee woorden: “Levende ziel”. Als u het mij vraagt, moet de klemtoon liggen op leven. “…alzo werd de mens tot lévende ziel”, tot levende nephesh. Dat is het woord dat gebruikt wordt. Dus krijgen we: “God blies in hem neshamah en alzo werd de mens een levende ziel.”

We zullen zien dat de mens niet een ziel hééft. Een mens ís een ziel. En aangezien de mens geformeerd is uit het stof der aardbodem, is de ziel dus geformeerd uit het stof der aardbodem. God blies in die ziel neshamah en toen werd hij levende ziel. Niet: toen werd hij ziel, dat was hij al. Maar toen werd hij levende ziel! Ik weet dat men denkt dat de mens een onsterfelijke ziel heeft. De waarheid is echter dat de mens een sterfelijke ziel is. Dus dat is tweemaal fout. Hij heeft niet een onsterfelijke ziel, hij is een sterfelijke ziel. Er zijn talloze Schriftplaatsen die dat zeggen.

God blies dus in deze mens deze neshamah (= adem der levens) en alzo werd de mens levende ziel. God formeerde de mens uit het stof. Hij kneedde hem, Hij boetseerde hem als het ware. De mens werd levend, omdat hij de geest der levens ingeblazen kreeg. Dus neshamah is “leven”. In de eerste plaats het leven van God. Het is mond-op-mond-beademing. Leven van God, overgebracht op de mens. Het is een eenvoudig principe. Het leven wordt overdragen aan een ander. Via de concordantie komen we bij: Genesis 7 : 22

“Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven. “. Gen.7 : 22

Twee woorden worden hier genoemd. “Al wat een adem des geestes des levens had…” = “Al wat neshamah des roeachs had…”.

Dat wil zeggen: eerst staat er adem. Dat is de vertaling van neshamah en daarna staat er geest en dat is de vertaling van roeach. Vandaar dat de vertalers in de problemen zijn,want normaal zou men neshamah moeten vertalen met geest en roeach zou men ook moeten vertalen met geest. Geest des geestes, is helemaal niets. Dat kun je zo niet zeggen in het Nederlands.Wij hebben echter geen andere woorden en er wordt vertaald met: “Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had…” “Neusgaten” levert dan de mogelijkheid op om te kiezen voor adem. Bovendien: “leven” had men ook niet kunnen nemen, want dat stond er ook al “…adem des geestes des levens…”

De betekenis van die uitdrukking is niet zo moeilijk. Adem = leven. Dat hebben we al gezien in Genesis 2 : 7. Geest, roeach blijkt hier ook “geest” te zijn, want hier worden neshamah en roeach samen genoemd in hun gemeenschappelijke betekenis.Wat neshamah en roeach gemeenschappelijk hebben, is in de eerste plaats het begrip “leven”. Over roeach spreken we later nog wel, maar het gaat mij nu om neshamah, hetgeen het leven als zodanig is. Hier staat dat alles wat in de zondvloed adem des levens in zijn neusgaten had, was gestorven. Het had neshamah, maar het is toch gestorven in de wateren van de zondvloed. Ik noem alle verzen waarin neshamah voorkomt.

“Maar van de steden dezer volken, die u de HEERE, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft. “. Deut. 20 : 16

In het Hebreeuws staat er: “Gij zult niet alle adem laten leven” of “Gij zult niet laten leven alle adem.” De vertalers hebben ervan gemaakt: “Al dat adem heeft.” Er staat: “Gij zult niet alle adem laten leven”, dat wil zeggen: alle adem zou moeten sterven. Het gaat niet om wat adem heeft, maar het is adem, volgens dit taalgebruik. Hier vinden we al een stuk van de verwarring. Het is dezelfde verwarring als dat de mens een ziel zou hébben. Dat is niet zo, de mens ís een ziel. En mochten we denken dat de mens een neshamah heeft, dat is correct, maar hier staat dat de mens neshamah is. Dat is om het moeilijk te maken, maar het staat er echt. De vertalers hebben het wegvertaald. “Gij zult niet alle adem laten leven.”

Het punt is nu, dat in plaats van de hele mens het meest wezenlijke deel van de mens genoemd wordt. Dat is een normaal taalgebruik, waarbij een deel vermeld wordt. Als wij mensen tellen, dan tellen wij koppen of neuzen, maar men bedoelt de hele mens.Men spreekt over een kiel, terwijl men het hele schip bedoelt. Dat komt allemaal voor. Of beter nog: men spreekt over een mast, terwijl men het hele schip bedoelt. En hier wordt neshamah gebruikt voor de levende mens. Niet voor de natuurlijke mens,maar men kiest neshamah, omdat het de aanduiding is van het leven, dat de mens heeft. Het hoogste wat de mens heeft. Dat wat hij van God ontvangen heeft. Of wat hij via zijn voorvaderen van God geërfd heeft. Dat wat neshamah wordt genoemd, dáár gaat het om, dát is zijn leven.

Hier in Deuteronomium 20 : 16 staat: “Gij zult niet alle neshamah laten leven.” De mens zou moeten sterven; uitgeroeid worden. Dat is dus de betekenis. Het blijkt dus weer, dat de wezenlijke betekenis van neshamah staat voor het leven van de mens. In Jozua 10 : 40 vinden we precies dezelfde uitdrukking in de laatste helft van het vers:

“… ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israëls, geboden had.” Joz. 10 : 40

Maar er staat: “…hij verbande alle neshamah…”. Strikt genomen: “…hij verbande elke neshamah…”.

Neshamah staat, op één uitzondering na, altijd in het enkelvoud. Hier dus ook. “…ja, hij verbande elke adem… (= neshamah).” Hij verbande elk leven, betekent het dus. “…Gelijk als de HEERE, de God Israëls, geboden had.” Dat is een terugverwijzing naar Deuteronomium 20 : 16. Hier doet Jozua wat de Heer in Deuteronomium 20 : 16 gezegd had, namelijk geen enkele neshamah laten leven.De bedoeling is uiteraard: geen enkel mens laten leven, want dat is de betekenis. Dus geen enkel leven meer toelaten.

“.. er bleef niets over, dat adem had;.” Joz. 11 : 11

Hetgeen betekent: “…er bleef niet elke adem over…” of “…er bleef geen enkele adem over…” of “…er bleef geen enkele neshamah over…”

“.. zij lieten niet overblijven wat adem had. ” Joz. 11 : 14b

Er staat: “…zij lieten niet overblijven elke neshamah” of “…ze lieten geen enkele neshamah over”. Dat wil zeggen: alle mensen werden gedood. Dan ademen ze ook niet meer natuurlijk, maar het gaat niet zozeer over de adem, maar over het leven dat God hen ooit ingeblazen had. Dat leven verliezen ze echter weer. God blies hun neshamah in. God heeft ook het recht om te zeggen: “En nou er weer uit!” Niet laten leven, alles eruit. God had neshamah gegeven, God neemt neshamah terug.Vandaar de woordkeus. Het is uiteraard in verband met Genesis 2 : 7.

“.. van het geblaas des winds van Zijn neus ” 2 Sam. 22 : 16

Hier worden beide woorden met “geest” gebruikt en geen van beide worden ze met “geest” vertaald,want er staat: “…het geblaas des winds (= de neshamah van de roeach) van Zijn neus” of “de neshamah des roeachs”. Dat betekent dat neshamah en roeach samen genoemd worden, maar in dezelfde gemeenschappelijke betekenis van die beide woorden, namelijk “leven”.We zijn niets anders tegengekomen dan “leven”.

“Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jeróbeam sloeg; hij liet niets over van Jeróbeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had… ” 1 Kon. 15 : 29

“Hij liet niet alle neshamah (= adem) over” of “Hij liet geen enkele neshamah van Jeróbeam over.” Het is dezelfde uitdrukking als in Jozua en Deuteronomium. Dus niet: al wat adem heeft, maar gewoon neshamah. Neshamah wordt gebruikt voor de levende mens,maar er bleef geen levende mens over.

“… en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem (neshamah, leven) in hem overgebleven was. ” 1 Kon. 1 : 17b

Ziek geworden en vervolgens gestorven.

“Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. ” Job 4 : 9

Omdat er staat “neus” zou je denken dat “…geblaas van Zijn neus…” neshamah moet zijn. Dat is niet zo, want er staat: “Van de adem Gods (= de neshamah Gods) vergaan zij…” en “…van de roeach (het andere woord voor geest) worden zij verdaan.”

Hier hebben we een parallellisme waar tweemaal hetzelfde gezegd wordt. De ene keer wordt het woord neshamah gebruikt, de andere keer het woord roeach. Van de “neshamah van God vergaan zij”, ofwel van de “roeach van Zijn neus worden zij verdaan”. Neshamah en roeach worden hier gebruikt in hun gemeenschappelijke betekenis, namelijk die van “leven”. Waarom ze dat gemeenschappelijk hebben, leg ik later uit, maar het gaat nu om het principe. Het is het “leven Gods”,waardoor mensen vergaan. Het ene verhaal is dat de mens zijn neshamah ontvangt van God, het andere verhaal is dat hetzelfde leven van God óns leven onmogelijk maakt.Want niemand kan God zien én leven.Wanneer een zondaar bij God in de buurt komt, wordt hij verteerd Ex. 33 : 20. Dat is waar hier op gezinspeeld wordt: “Van de adem Gods (van de neshamah Gods) vergaan zij en van het geblaas (de roeach) van Zijn neus worden zij verdaan.” Het is een van God afkomstig oordeel.

“Indien Hij Zijn hart tegen Hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen. ” Job 34 : 14

Er staat dat Hij roeach en neshamah tot Zichzelf zou vergaderen. Dat wil zeggen, als de mens op zichzelf zou staan, dan zou God Zijn roeach en Zijn neshamah tot Zich terugvergaderen. Het betekent dat de mens sterft. Het staat ook in vers 15.

“Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren. “Job 3 4 : 15

In de grondtekst staat dat woord “geest” er niet. Er staat in vers 15: “Alle vlees zou tegelijk sterven, en de mens zou tot stof wederkeren.” Als de mens namelijk neshamah en roeach kwijt is, sterft hij. Dus neshamah en roeach worden beide genoemd voor het leven dat de mens heeft.

“Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?” Jes. 2 : 22

Het gaat erom dat zijn neshamah in zijn neus is,want God blies immers de neshamah in de mens. Het gaat in dit geval om de levende mens .

“.. Die den volke, dat daarop is, den adem (neshamah) geeft, en den geest (roeach) dengenen, die daarop wandelen: ” Jes. 42 : 5

Hier staat twee keer hetzelfde. Namelijk dat God geest geeft aan degenen die op aarde zijn. Maar de eerste keer heet het neshamah en de tweede keer heet het roeach. Het gaat dus om de gemeenschappelijke betekenis van de woorden, namelijk leven en eventueel ook kennis.

“Want Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest (roeach) zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen (neshamah), die Ik gemaakt heb. ” Jes. 57 : 16

Hier staat de neshamah in het meervoud. Dit is de enige keer. Soms twijfel ik eraan of dat inderdaad wel correct is. Ik heb het echter niet anders kunnen vinden. Er staat: “De geest zal voor Mijn aangezicht overstelpt worden en de neshamah (in hetmeervoud), die Ik gemaakt heb.” Die zouden dan ook overstelpt worden uiteraard. Het is weer zo’n bekend parallellisme. De ene keer heet het roeach en de tweede keer heet het neshamah. Het gaat gewoon om het leven.

“Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem (neshamah) is in mij overgebleven. ” Dan. 10 : 17

En daaruit volgt dan dat neshamah synoniem is met kracht. Leven is inderdaad kracht.We spreken zelfs over “levenskracht”, omdat we weten dat “leven” en “kracht” hetzelfde is. “Jezus, Gij mijn kracht en leven” staat er in de liederenbundel. Bovendien is hier in Daniël 10 sprake van kennis, want het gaat hier om het “weten”, het “kennen” van de profetie. Daniël zegt dat er geen neshamah in hem overgebleven is. Dat betekent dat hij in ieder geval buiten bewustzijn raakt, maar het betekent ook dat hij niet kan vertellen of begrijpen hoe dat zit met de profetie.Zowel kennis als wijsheid liggen daar in opgesloten.

Kennis der Waarheid

“Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan? ” Job 26 : 4

Dat woord “geest” is neshamah. Het is de eerste keer dat het in de Statenvertaling met geest vertaald is. In dit geval terecht. “Wiens geest is van u uitgegaan?” “Aan wie hebt gij die woorden verhaald?” Er zijn woorden doorgegeven en er is dus kennis overgedragen. Waar komt die kennis vandaan? “Wiens neshamah is van u uitgegaan?” En dan vinden we een tweede toepassing van dat begrip neshamah. Het is namelijk niet alleen “leven”, zoals in alle voorgaande verzen, maar hier is het uitdrukkelijk ook “kennis”. Er zijn woorden doorgegeven en de vraag is:waar komt die kennis vandaan? Van Wie was die kennis? Er staat echter niet kennis, maar geest of neshamah. Het is de tweede toepassing van het begrip neshamah, namelijk die van “kennis” of “wijsheid”.

“Zo lang als mijn adem (neshamah) in mij zal zijn, en het geblaas Gods (roeach Gods) in mijn neus; ” Job 27 : 3

Dit is weer een parallellisme. De ene keer heet het neshamah en de andere keer heet het roeach. Het is in de bekende betekenis in de eerste plaats die van “leven”. Er komt nog wat anders bij, maar dan moet u heel oplettend lezen, anders valt het niet eens op. In vers 4 lezen we:

“Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!” Job 27 : 4

Vers 3 en 4 zijn één zin. “Zo lang als mijn neshamah in mij zal zijn en de roeach van God in mij (of in mijn neus) zullen mijn lippen geen onrecht spreken en zal mijn tong geen bedrog uitspreken!” Dat betekent dan tegelijk dat neshamah en roeach staan voor “leven”, terwijl ze tegelijkertijd ook staan voor “Waarheid”. “Zolang mijn neshamah in mij is, zal ik geen bedrog spreken. Zolang de roeach van God in mij is, zullen mijn lippen geen onrecht spreken.” Dat betekent dat roeach, maar in de eerste plaats neshamah, staan voor “Waarheid en kennis van de Waarheid”.

Zolang de neshamah er is, zullen mijn lippen geen bedrog voortbrengen. Dat wil zeggen dat er verband bestaat tussen de neshamah en kennis van de Waarheid. Het gaat om Job in dit geval. Het kan natuurlijk best, dat iemand die neshamah heeft en kennis van de waarheid heeft, toch liegt. Het is niet wenselijk, maar daarom gebeurt het wel. Daar gaat het mij ook niet om. Het gaat er hier juist om dat er verband gelegd wordt tussen “waarheid en oprechtheid” en de neshamah. Zolang die neshamah er is, is er kennis en ook Waarheid. Dat blijkt uit dit vers. Job 26 : 4 en Job 27 : 3 spreken dus over “kennis van de Waarheid”.

“Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.” Job 32 : 8

“Zekerlijk de roeach in de mens (vertaald met geest) en de neshamah (vertaald met inblazing) des Almachtigen maakt henlieden verstandig.” Over die roeach gaat het nou niet. Het is mooi, roeach is in de mens, maar dan wordt er meteen van roeach overgeschakeld op neshamah en daarvan wordt gezegd: “…de neshamah des Almachtigen maakt hen verstandig.” Waar komt dus Wijsheid vandaan? Van de neshamah. De neshamah maakt verstandig en geeft kennis van de Waarheid = Wijsheid.

“De Geest Gods (de Roeach Gods) heeft mij gemaakt, en de adem (neshamah) des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.” Job 33 : 4

“…heeft mij levend gemaakt” wisten wij al. De neshamah maakt levend. Maar lees nu eens de verzen daarvoor.

“Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.” Job 33 : 2

De woorden Gods komen altijd onder de hemel. Het heet in dit geval gehemelte. De woorden Gods zijn beneden de hemel.

“Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken. ” Job 33 : 3

De “Roeach Gods” heeft mij gemaakt en de Neshamah des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.Dat is het verband tussen die dingen.Want de neshamah is wijsheid of geeft wijsheid. Daar zetelt kennis van de Waarheid. En het spreken van de wetenschap der lippen en van die zuivere dingen (vers 3) komt in wezen voort uit de Neshamah. Dat is het hoogste dat de mens van God ontvangen heeft. Dat wat rechtstreeks uit God Zelf afkomstig is. Dat wat God in de mens inblies. Beide begrippen zijn samen. “Kennis” zowel als “Wijsheid”, worden toegeschreven aan Neshamah.

Leven (oordeel) van God

“Door Zijn geblaas (neshamah) geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden. ” Job 37 : 10

De vorst betekent dat het vriest.Wij zouden denken dat Gods adem wel tamelijk warm zou zijn en dat is ook zo, maar het hangt er maar vanaf waar we het over hebben.We hebben namelijk al gezien, dat door het geblaas des winds van Zijn neus oordeel komt over de mensheid en dat de mens daarin niet kan bestaan. Dat oordeel kan bestaan uit vuur, want vuur is een beeld van oordeel. Oordeel kan ook voorgesteld worden door vorst, want dat is ook oordeel: het levende water verstijft, het sterft. Het water “sterft” als het bevriest. Het gaat hier om een oordeel van God dat zou komen. Dit staat ook in vers 9-11 van Job 37.

“Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude. Door Zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden. Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts. ” Job 37 : 9-11

Het gaat over de minder prettige dingen, die ook afkomstig zijn van God.

“En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus. ” Psalm. 18 : 16

Hier heb je een oordeel dat van God kwam over de wereld. En dat kwam “…van het geblaas des winds van Uw neus”. Er staat: “Van de neshamah van de roeach van Uw neus.” Kortom het is de Levende God Die spreekt tot de wereld in grimmigheid en toorn en daar die adem voor gebruikt. Die adem heeft tot gevolg dat de wereld vergaat. Het gaat erom dat het Leven van God zich doet gelden en dat brengt een oordeel over de wereld. Bovendien zijn neshamah en roeach weer in één adem genoemd (let op de woordspeling: in één adem genoemd). Het betekent dus weer: het Leven van God.

“… het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem des HEEREN zal hem aansteken als een zwavelstroom. ” Jes. 30 : 33

Hier is de adem des HEEREN weer vuur en vuur is een beeld van leven en van geest enzovoort. Het gaat in ieder geval over de oordelende werking van het Leven Gods.

Functie van de neshamah

“Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah! ” Psalm. 150 : 6

Dit staat er niet zo. Er staat in vers 6: “Elke adem love den HEERE!” Het maakt natuurlijk geen verschil in de praktijk, maar het corrigeert onze opvatting. Het gaat namelijk niet om alles wat adem hééft, maar elk, die adem ís. Neshamah wordt gebruikt als aanduiding van de levende mens. Ik heb het altijd een geweldige gedachte gevonden die hierin uitgedrukt wordt; dat ons leven wordt vereenzelvigd met onze adem. Wij leven inderdaad niet alleen van de adem.Wij spreken er ook mee. We brengen er woorden mee voort en diezelfde adem, die ons leven is, hebben wij nodig om God te loven. De bedoeling is inderdaad dat de levende mens God looft. De bedoeling is dat het leven God looft.Waarom blies God in Adam Zijn neshamah? Opdat Adam God zou loven. En daarom heeft Jakobus het erover als hij het heeft over het misbruik der tong Jak. 3.

De vertalers zetten er niet zomaar “Misbruik der tong” boven. Jakobus heeft het over de inconsequentie van het gebruiken van de tong om elkaar te vloeken en God te loven. Het zou zo uiteraard niet moeten.Wij hebben adem gekregen om God te loven. Daarvoor dienen we niet alleen onze adem, maar ons hele leven te gebruiken,want zonder adem geen leven en zonder leven geen adem. Dus elke neshamah love de HEERE. Daar dient hij voor. Dat komt ook, omdat de neshamah de verbinding legt met God. De neshamah is van God afkomstig en legt de verbinding met God.

“… God, in Wiens hand uw adem (neshamah) is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt. ” Dan. 5 : 23b

Dit staat bijvoorbeeld in verband met Psalmen 150. Onze neshamah is in de hand van God, het is immers een lamp des HEEREN.Wat in ons is, blijft van God en de bedoeling is, dat wij Hem verheerlijken! In Daniël 5 staat daarom: “…God, in Wiens hand uw adem is, hebt gij niet verheerlijkt.” Want dat is nu juist de bedoeling van die neshamah die wij ontvangen hebben. Die is er om God te verheerlijken.

“De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks. ” Spreuken 20 : 27

Er staat niet “ziel”. Het is ook de eerste keer dat neshamah met ziel vertaald wordt. Het is echt helemaal fout. Het moet niet “ziel” zijn, het zou “geest” moeten zijn. Er staat: “De neshamah van de mens…” Tot nu toe hebben we alleen gezien dat er gesproken werd over een neshamah des HEEREN en bovendien hebben we gezien dat neshamah niet het bezit is van de mens,maar de mens zelf is. “Elke neshamah love de HEERE.” “Elke neshamah moest uitgeroeid worden.” Neshamah = mens.

In dit vers is het de eerste keer dat gezegd wordt dat de mens neshamah heeft. Het is hier de eerste keer dat het er ook expliciet staat. Waartoe is dat? Dat wordt hier beschreven. Er staat namelijk dat die neshamah van de mens een lamp is des HEEREN. Dus wat eerst neshamah heet, heet daarna een lamp (een lichtbron). Maar vervolgens moet het ons opvallen dat die neshamah van de mens is en dat daarna staat dat het de lamp van de Heer is. Maar lamp en neshamah zijn hetzelfde. Het zijn twee woorden voor hetzelfde. En nu is de vraag: “Van wie is nou de neshamah?” Er blijken twee antwoorden mogelijk te zijn. In de eerste plaats is de neshamah van de mens, die van de Heer en blijft ook van de Heer.Dat is een heel belangrijke waarheid. Zij blijft van God en wij beschikken erover. Neshamah is dan de aanduiding van het leven dat wij allemaal van God hebben ontvangen en daarom hebben we gemeenschappelijk leven in ons.

In de tweede plaats is die neshamah de zetel van bepaalde kennis. Kennis namelijk van de Waarheid (niet van de leugen). Kennis van de Waarheid zetelt in die neshamah. Het heeft te maken met wijsheid. Neshamah geeft ons in de eerste plaats leven en in de tweede plaats geeft het ons bepaalde informatie (kennis) mee.Want dat blijkt ook uit dit vers 27: “De geest (= neshamah) der mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks (= de ingewanden).” Het doorzoekt het innerlijk van de mens en het is een moeilijke manier om te zeggen dat de neshamah de functie heeft van het geweten. Het gaat erom dat we deze kennis kennen als “geweten”. Het woord “geweten” heeft zo langzamerhand in Nederland zijn betekenis verloren.

“Geweten” betekent in de grondtaal letterlijk “mede-weten”; “mede-kennis”, een “mede-kenner”. Dat is een raar woord, maar het is beter dan “geweten”,want dat betekent niets. “Geweten” betekent eigenlijk in letterlijk Nederlands dat je het vergeten bent. En in de praktijk is dat natuurlijk ook zo. De Bijbel spreekt over “geweten”, maar dan op een andere manier dan wij. “Geweten” betekent in de Bijbel “de zetel van kennis, die wij met God mee weten”. Kennis die van God afkomstig is. Het is niet kennis die wij tijdens ons leven verwerven door studie of wat dan ook, maar het is gewoon informatie die ons uitgangspunt is; hetgeen wij van nature bij de geboorte meekrijgen.Dat heet in de Bijbel “het geweten”.

In het Nederlands is dat anders, want als je in het Nederlands altijd hebt geleerd dat je op zondag geen ijs mocht kopen, dan krijg je last van je geweten als je het toch doet. Dat is in het Nederlands correct, maar in de Bijbelse terminologie niet, want daar heet dat niet geweten, maar dat heet gewoonte. In 1 Korinthe wordt gesproken over mensen die een “gewoonte hebben des afgods”. De vertalers vertaalden in 1 Korinthe 8 : 7 “…met een geweten des afgods…” Dit soort dingen, die wij geweten noemen, zijn ontstaan door gewoonte. Door wat gebruikelijk was of wat wij als gebruikelijk beschouwden.Wat altijd praktijk geweest is, is gewoonte.

“Geweten” is in de Bijbel de functie van die neshamah, die namelijk kennis van God heeft meegegeven. Die kennis van God houdt bijvoorbeeld in de eerste plaats in wat wij noemen “Gods-besef”, namelijk dat de mens weet dat hij een Schepper heeft. Dat weet hij van nature. De mens weet niet alleen dat God bestaat. De mens weet ook dat God de Schepper is. Hij weet ook dat de mens voor die Schepper verantwoording zal moeten afleggen. Hij weet dat hij in de wereld is met een bepaalde opdracht. Daar zoekt hij ook naar. De mensen zeggen dat ook ronduit, zonder dat zich te realiseren. Ze vragen “waarom ben ik hier?” Dat veronderstelt dus dat Iemand hen hier gezet heeft. Hoe weten ze dat Iemand hen daar gezet heeft? Het zit erin. Ze weten het!

Je hebt mensen die nergens in geloven. Ze zeggen niet in een God te geloven. Ze zijn atheïstisch, niet godsdienstig, maar ze vragen wel: “Waarom zijn wij hier?” Dat is een onzinnige vraag natuurlijk. Als je nergens in gelooft, dan ben je toch ook nergens voor hier? Dan ben je hier alleen maar verdwaald. Dat is toeval. Je moet daarin consequent blijven.Vragen “waarom ben ik hier?” veronderstelt een plan met je leven.

Dat idee heeft elk mens in zich. Sommigen noemen dat “Godsbesef”. Ik denk dat het een tamelijk calvinistische uitdrukking is. We kennen het wel, maar we gebruiken de term eigenlijk nooit. De mens heeft kennis van rechtvaardigheid in zich. Hij heeft kennis van zonde. Hij weet die dingen wel. Hij kan ze niet goed definiëren, maar de begrippen op zich heeft hij in zich. Daarom kun je die begrippen, die kennis in de mens ook aanspreken en een beroep doen op zijn gevoelens voor recht.

Een mens weet van nature dat bepaalde dingen niet moeten of niet mogen. Hij redeneert het wel weg. Natuurlijk, dat kan hij doen. Daar gebruikt hij zijn roeach voor om dat te doen. In de neshamah ligt die informatie opgesloten. Net als in de computer. Je moet hem programmeren, een schijf erin duwen en dan weet het apparaat wat hij doen moet.Maar ook als er helemaal geen schijf in zit, als je hem geen opdrachten geeft, dan nog weet hij bepaalde dingen, want anders werkt hij niet.Hij weet, dat als je hem aanzet, er ergens een schijf in moet zitten en waar die schijf zit. Dan moet hij ook nog weten hoe hij dat ding moet lezen, want het moet ergens staan. Het zit er vast in. Dat is informatie die nooit verloren gaat, tenzij dat ding helemaal kapot gaat. Dan geeft hij de “geest”. Normaal komen de programma’s er van buitenaf in. Je geeft hem informatie, opdrachten, maar er zijn dingen die zitten er vast in. Als dat ene er niet in zit, dan werkt het andere ook niet. Zo is het met die neshamah. Dat moet er in zitten en al het andere appelleert aan die neshamah en grijpt daarop terug. Dát is de functie van die neshamah. Het geeft leven, het heeft kennis in zich en daarom is het het “geweten”. Het is ook actief in ons.

Tot nu toe hebben we het alleen als passief begrip gezien, maar het doorzoekt de mens. Het doorzoekt het binnenste van de mens en het corrigeert hem eventueel. Het spreekt, het is actief. Het is niet zo maar een passief iets. Zo van: ik snap het, ik zal het opschrijven, ik hoop het niet te vergeten. Nee, het is een actieve zaak in de mens. Dan blijkt ook altijd dat als een mens in aanraking komt met het Evangelie, het regelrecht aanspreekt op dit geweten. Daarom wil men het meestal niet horen.

Je kunt hem van alles vertellen; bijvoorbeeld de vreemdste dingen, ook over allerlei godsdiensten. Maar als je hem komt vertellen over de Bijbelse boodschap van het Evangelie van Christus dan reageert hij,want dat raakt hem tot in het diepste van zijn ziel, zeggen wij dan. Maar dat is niet zo. Het raakt hem in zijn neshamah, het raakt hem op zijn geweten. Hij weet dat het waar is,want het komt overeen met wat hij altijd al vermoed of gedacht heeft. Wat hij niet onder woorden heeft kunnen brengen. Wat onbewust was misschien.

Neshamah is in de eerste plaats collectief. Alle mensen hebben dat gemeenschappelijk. Er is er maar één. Het verbindt ook de mensen en vandaar dat ik wel eens geneigd ben om het begrip “het collectieve onderbewuste van de mens” uit de psychologie, te zien als een functie van de neshamah.

Psychologen beweren dat mensen een collectief onderbewustzijn hebben. Dat wil zeggen: in het onderbewustzijn van de mens hebben al die mensen iets gemeenschappelijks, ze hebben bepaalde kennis gemeen. Wat mij betreft is dat de neshamah. Dat is wat mensen gemeenschappelijk aan informatie hebben. Tot slot wil ik wat aanvullen over dat neshamah 25 maal voorkomt in de Bijbel. Er werd mij op gewezen dat het 26 keer voorkomt. Het komt nog voor in Jesaja 42. In de grondtekst staat echter hetzelfde woord. Niet als zelfstandig naamwoord, maar als werkwoord. En ook zonder H aan het eind. Het wordt dan “nasham”, alleen is het hier vertaald met “Ik zal ze verwoesten”.

“Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.”  Jes. 42 : 14

“Ik zal ze verwoesten”, is de vertaling van het werkwoord nasham. Het blijkt een verkeerde vertaling te zijn. In de Engelse vertaling staat “I will destroy”. Dat is precies hetzelfde als “Ik zal ze verwoesten”, maar het moet zijn “Ik zal snuiven, of hijgen of briezen of wegblazen”. In ieder geval “krachtig ademen”. En “…te zamen opslokken”, dat er achteraan staat, is een ander woord, maar dat heeft in principe dezelfde betekenis. Het is “krachtig inademen”. Dus “Ik zal verwoesten” betekent “Ik zal krachtig uitademen” en “Ik zal tezamen opslokken” is “Ik zal krachtig inademen”. Kortom, God zal op krachtige wijze van Zijn Leven blijk geven en dat heeft dan tot gevolg dat er inderdaad verwoest wordt. Dat is niet de betekenis van het woord nasham. Dat staat in het volgende vers.

“Ik zal bergen en heuvelen (koninkrijken) woest maken, en al hun gras (de mensen) zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen. (legers verdwijnen). ” Jes. 42 : 15

Waar het dus om gaat, is dat het woord neshamah hier in Jesaja 42 : 14 nog één keer voorkomt als werkwoord en dan moet het vertaald worden met “krachtig ademen, hijgen briesen of snuiven”. Zo staat het in een paar andere Nederlandse vertalingen, waaronder de Nieuwe Vertaling. Het komt dus 26 keer voor en dat hadden we eigenlijk van tevoren kunnen bedenken, want 26 is de getalswaarde van de Naam van Jehovah. Dat komt nogal eens voor in de Bijbel. Het getal 26 spreekt over de Heer Zelf, Jehovah zelf. Neshamah is het Leven van de Heer Zelf, zoals Hij dat doorgaf aan Zijn schepping, aan Zijn schepselen, aan de mens.

Getalswaarde van neshamah

Ik heb een computerprogramma laten uitzoeken welke woorden allemaal dezelfde getalswaarde hebben. Dat is heel interessant, omdat één van de oude joodse tradities zegt dat woorden die dezelfde getalswaarde hebben, in wezen ook dezelfde betekenis hebben. Die getalswaarde van neshamah is 390. Het aardige daarvan is, dat 390 de getalswaarde is van de hemel, (Hebreeuws: shamajim). Wat de neshamah is voor de mens, is de “hemel der hemelen” voor de schepping. Het is het levensbeginsel, datgene wat centraal staat.

Het diepste wezen van de mens is neshamah, maar het diepste, de kern, het centrum van de schepping, is inderdaad de hemel. Meer specifiek “de hemel der hemelen”. Vandaar ook de overeenkomst tussen die woorden in de getalswaarde. Er zijn nog een paar andere woorden met de getalswaarde van 390. Het zijn woorden met aan de ene kant de betekenis van “voorziening”, namelijk “er wordt in iets voorzien, er worden levensmiddelen beschikbaar gesteld”, en aan de andere kant spreekt het over “weinig” in de zin van tijd namelijk “weinig tijd” of “korte tijd”.

Het lijkt tegenstrijdig,omdat het aan de ene kant spreekt over iets dat veel wordt en aan de andere kant spreekt het over dat wat weinig is. Dat kan samengaan. De Hebreeën zullen zeggen dat het onzin is om die woorden met de getalswaarde bij elkaar te vegen, want zij hebben een groep woorden, die betekenen “vet worden”, “olie”, juist wat “veel is”,waar je dik van wordt. En aan de andere kant betekent het “het is weinig”. Het komt wel degelijk met elkaar overeen, omdat het hierbij gaat om het vet worden van de geestelijke dingen.

“Vet” of “olie” spreekt sowieso over de geestelijke dingen. Het woord shemen, een bekend Hebreeuws woord, heeft ook de betekenis van geestelijke dingen. Dat is wel “veel”, maar aan de andere kant is het “weinig”. Het is “veel”, het is “een grote hoeveelheid”, maar aan de andere kant is het “weinig”, omdat het behoort tot de “onzienlijke dingen”. Het is wel veel maar het weegt niets, want het is geest. Je ziet het niet. Vandaar dat je beide begrippen samen vindt in dit woord en in dit getal van 390. Het is veel, het is zeer uitgestrekt, maar aan de andere kant is het niet waar te nemen voor deze stoffelijke wereld. Dat is neshamah.

Dat woord komt van een heel mooi woord dat wij ook kennen, namelijk “nasa”, dat “opheffen” of “wegdragen”, “leiden”, “verleiden” of gewoon neutraal “wegleiden” betekent. Duidelijk in de zin van “dragen”, dus “omhoog dragen”. Of ze dat in Amerika weten, weet ik niet, maar “nasa” betekent, dat er “omhoog gedragen” wordt. Dat is inderdaad wat de neshamah doet. Het komt van God, maar het brengt ons ook naar boven. Het moet duidelijk zijn dat, wanneer wij ons bewust worden van die kennis die in die neshamah ligt en die we daardoor hebben ontvangen, die neshamah ons naar boven draagt en tot God brengt.

Van “nasa” komt ook het Hebreeuwse woord nesher, dat “adelaar” betekent. In de Bijbel is het “de koning des hemels” vanwege het feit dat hij zo hoog vliegt en zo’n kunstenaar is. De neshamah verheft ons, zoals de adelaar zich verheft. Het zijn allemaal Bijbelse beelden. Er zijn dus nog een paar andere trefwoorden, die allemaal dezelfde gedachte uitdrukken, namelijk dat de dingen naar boven getrokken worden. De neshamah brengt of trekt de mens naar boven. Zij brengt ook de verbinding met de Onzienlijke God.

Als de mens ook niets anders had dan neshamah, dan zou het niet zo slecht met hem gesteld zijn. De moeilijkheid ontstaat doordat hij ook roeach heeft en daar kan hij twee kanten mee op. Bovendien heeft hij ook nog een ziel en dat is helemaal lastig.

5. Roeach

Wij gaan nu spreken over de moeilijke samenhang tussen neshamah en leven, maar onveranderlijk leven. Er is niet aan te tornen, daarom is er ook maar één. Er is zelfs geen verdeling, het is God Zelf, Eén. Het is Jehovah, daarom komt het 26 keer voor. Die Eén is Onveranderlijk, Die blijft staan en wel Rechtop. Dat ligt allemaal in neshamah. Het is er, je kunt ervan op aan.

Hé (5). Maar die letter “Hé”

Dan krijgen we te maken met roeach. Dat is ook geest, want het gaat om onzienlijke dingen. Maar nu staat het niet vast, het is dynamisch, het beweegt. Gewoonlijk valt het ook, in plaats van dat het zich verheft. Het is misschien een beetje cynisch gezegd, maar toch is dat zo. Laat ik dan eerst wijzen op de algemene overeenkomst. Daarna zullen we een paar Schriftplaatsen opzoeken om dat verder te laten zien.

We hebben al gezien in de verzen die we eerder hebben aangehaald dat leven, kennis en wijsheid alle drie ook genoemd worden in verband met roeach. Dat is geen verschil. Het is de overeenkomst. Neshamah en roeach zijn dus beide onzienlijk; ze behelzen het leven. Ze zijn eigenlijk het leven zelf en er zit bepaalde kennis in opgeslagen. Het heeft met “wijsheid” te maken en daarom heeft het ook met “verstand” te maken. Maar er zit een verschil tussen. Neshamah is het onvergankelijke, dat wat blijft. Weliswaar tot het tot God terugkeert, maar daarom blijft het wel. In de zin van dat het blijft existeren.

Roeach is beweeglijk. Roeach is ook leven, maar niet zo zeer het levensprincipe, het geheim van het leven, maar het leven in de praktijk; dat wat beweegt. Roeach is daarom ook het denken van de mens. Denken is beweging. Denken is het vergelijken van vaststaande kennis. Met onze roeach benaderen we als het ware de nephesh.We kijken eens wat we allemaal weten.We zetten zaken op een rijtje. Soms verklaren we weg of voegen er iets aan toe. Dat is wat de roeach doet. Roeach heeft dus te maken met het verstand, de overleggingen van de mens, zijn intelligentie of zijn gebrek daaraan. Dat is dus “het leven zelf”. Dat is wat wij doen, waar de mens zich mee bezighoudt, zijn overleggingen. Roeach is het praktische leven van de mens.

Getalswaarde van roeach

Roeach heeft de getalswaarde 214. Eerst iets over al de opgezochte woorden die dezelfde getalswaarde hebben als roeach. De algemene betekenis van al die woorden, ongeacht welke letters het zijn en ongeacht in welke volgorde ze staan is, dat het “rein” is. Het hangt samen met dat het “blank” of “zuiver” is. Als werkwoord wordt het vertaald met bleek worden, blank worden of schoon worden. Dus weer rein. Men vertaalt het soms met “wit” en men zou het moeten vertalen met “blank”. Het zijn begrippen die in het Nederlands wat door elkaar lopen. Maar de betekenis is, dat al de onreinheid is weggedaan. Vandaar “blank”. Verder wordt het vertaald met “holte” en daarom ook met “ruimte”. Trouwens, roeach zélf wordt soms ook vertaald met “ruimte” of met “afstand”, maar dan heeft het ook de betekenis dat het afstand heeft tussen het één en ander. Het betekent dat er een gat is. Een “blanco”, er is iets afwezig.

Verder wordt één van die woorden vertaald met “glorie” in de zin van “heerlijkheid”. Dan is er nog één en die mag ik vooral niet vergeten. Dat is het werkwoord dat vertaald wordt met “afdalen”, namelijk “jarad”. In die zin staat roeach tegenover neshamah, want neshamah houdt verband met dat wat opklimt, opstijgt (nasa, dat wat naar boven voert). Maar nu spreken we over roeach en hebben we een woord dat vertaald wordt met afdalen. Daar hebt u de tegenkant. Neshamah is dat wat hoog is en roeach is dat wat beneden is. Dat is het verschil tussen die beide.

Er zijn er ook, die zeggen neshamah = de Goddelijke Geest en roeach = de menselijke geest. Dat klopt wel ongeveer,maar dat kun je alleen zeggen als je over de mens praat. God Zelf heeft namelijk ook Roeach en dan kun je niet meer zeggen dat het een menselijk geest is. Maar wanneer we het toepassen op de mens wel. Het is wel een goed beeld. Neshamah is het hogere en roeach is het wat lagere. De gedachte van afdalen is, dat men naar beneden gaat en een leegte achterlaat. Als er staat dat Jakob en de zijnen afdaalden naar Egypte, dan betekent dat dat ze Israël als het ware leeg achterlieten. Ze lieten een holte, een ruimte, een blanco achter. Als Israël ongehoorzaam is, dan verdwijnt het ook uit het land en daardoor wordt het land gezuiverd. Het wordt leeg achtergelaten, maar dan is het rein.

Voor ons wedergeboren mensen mag dat geen probleem zijn,want pas als we ons leven hebben afgelegd, is het gereinigd. Als we dood zijn, want daar komt het op neer, zijn we gerechtvaardigd en dan vindt de reiniging plaats. Die begrippen zitten daarin. Die geest, namelijk die roeach, is dus feitelijk een ruimte of een holte en dat is weer zo, omdat het geestelijk is. Dat wil zeggen: er is wel iets, maar je kunt het niet zien. En als je zegt: “De mens heeft een geest”, dan kun je wel vragen: “Waar dan?” Dat kun je wel aanwijzen, maar er valt niets te zien! Het is er wel. Het is het meest essentiële aspect van de mens, namelijk zijn roeach: zijn denken, zijn beweegredenen. Dat is de betekenis van dat begrip roeach, van die getalswaarde 214 (een ruimte).

Verder wordt roeach soms vertaald met een trog of een goot; allemaal woorden die in de Statenvertaling voorkomen. Het heeft dezelfde betekenis: het is hol,men ziet niets, je kunt het niet waarnemen. Het zou er moeten zijn, maar we zien het niet. Dat is het geval met geest. Het is er, maar het valt buiten onze waarneming en daarmee ben ik terug bij wat ik al eerder gezegd heb: geest is de uitdrukking voor alle onzienlijke dingen. En deze geest (roeach) is dus de actieve geest van de mens. Als we in Genesis 2 : 7 lezen over de schepping van de mens, dan wordt daar niet over roeach gesproken. Er staat: “En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den neshamah der levens; alzo werd de mens tot een levende nephesh.”

De volgende vraag is: “Waar is nu zijn roeach?” En het antwoord is: “Die was er niet!” Die komt pas daarna tot ontwikkeling.Want roeach is actief, beweeglijk; het is het denken van de mens. Dus dat komt pas later. De roeach is ook een verzameling van al de kennis van de mens. Het behelst alles wat hij heeft dus ook alles wat hij is, op het puur lichamelijke na. De mens is roeach! Maar het is een roeach die gevormd wordt en die beweeglijk is en ook verandert. Een mens verandert namelijk ook. Niet alleen qua uiterlijk, maar ook in zijn wezen, in zijn aard, in zijn karakter. Al die dingen zijn allemaal roeach. Het is namelijk onzienlijk. Zodra we geneigd zijn het abstract te noemen, dan is het eigenlijk roeach. Dat verandert en komt tijdens het leven van de mens tot stand. Dat wil zeggen bij de schepping van de mens was het er niet en toch is het later het meest essentiële aspect van de mens.

Het is een woord dat ± 800 keer voorkomt. Een keer of 400 in het Oude Testament en een keer of 400 in het Nieuwe Testament. Ik heb de 800 Schriftplaatsen opgezocht. Ik heb ze ook een keer gerubriceerd. Dat wil zeggen alle teksten opgeschreven waar van de roeach gezegd wordt dat “hij” verslagen is of dat “hij” benauwd is of dat “hij” met wijsheid vervuld is of dat “hij” in de mens komt. Ik had een lijst van zo’n 150 verschillende dingen die de geest zou doen.Wie dat naleest, zal tot de ontdekking komen dat de geest gewoon de mens is in al zijn aspecten. Ik zal u er een paar van noemen om te kijken wat de geest is, dan krijgt u vanzelf wel een indruk. Dat is het beste wat we kunnen doen: de Schrift laten spreken.

Het wezen, leven als zodanig

De eerste keer, dat in de Bijbel roeach voorkomt is in Genesis 1 : 2, waar de vertaling van het vers wat omstreden is: “…en de Geest Gods zweefde op de wateren.” Anderen vertalen met: “…en de Geest Gods broedde op de wateren.” Het maakt niets uit, want het gaat per slot van rekening niet om de taal als zodanig, maar om wat hier nou eigenlijk gezegd wordt. Het is duidelijk dat die Geest Gods boven de wateren was, opdat uit die wateren de schepping zoals die tot vandaag aan de dag eruit ziet, tot stand zou komen. Die Geest Gods was op de wateren en dan spreekt God en zegt: “Daar zij licht! en daar werd licht.” Maar de gedachte is, dat al die dingen feitelijk ook voortkomen uit die Geest van God en dus uit het Wezen van God.Want Geest en Wezen zijn goede synoniemen.

Het Wezen is niet de buitenkant, maar het innerlijke; dat waar het werkelijk om gaat.Wezen is eigenlijk hetzelfde als “zijn”, “existeren” dus. Het wezen van iemand is zijn eigenlijke existentie; wie hij werkelijk is. Zo is de Roeach van God het Wezen van God Zelf. Uit dat Wezen van God komt deze wereld van zeven dagen voort. In dat Wezen is ook de Leven brengende Kracht van Geest, de Geest van God. Hij zwééfde boven de wateren. Het veronderstelt een activiteit, het is geen passiviteit. Het doet iets creatiefs,want er komt hier een creatie tot stand uit die Geest. En zo is het met de menselijke geest vandaag aan de dag nog steeds: uit het denken van de mens, uit zijn geest, uit zijn vindingrijkheid, komen die dingen voort. De mens is creatief bezig. Hij ontwerpt dingen, vindt dingen uit, hij komt op gedachten. Dat is waar wij allemaal mee bezig zijn dag in dag uit, met de dingen verwerken en tot nieuwe inzichten komen, plannen maken. Dat is de werkzaamheid van de geest. Een actieve zaak dus.

“Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, … ” Gen. 6 : 3

Twisten wil zeggen dat er een strijd is. God was hier in een strijd verwikkeld met de mens. Omdat God zegt: “Mijn Geest”, zegt Hij in feite: “Ik” en gaat het om hetWezen van God als zodanig. God heeft een strijd met de mens. Die strijd wordt gevoerd met de Geest. Dat is bij ons ook zo: die strijd die wij voeren wordt ook door de geest gevoerd. Het kan wel zijn dat we eventueel een zwaard of pistool pakken, maar de initiatieven daarvoor komen voort uit de geest en de argumenten daarvoor komen uit onze overleggingen. Wij geven vaak de omstandigheden de schuld, maar dat is een misverstand. Het komt voort uit onze overleggingen, onze reactie op de omstandigheden. Onze geest doet dat. Hij reageert namelijk.

Er zijn veel verzen waarin het gaat over de Geest des levens of Roeach of Leven.Wezen en Leven zijn dus eigenlijk hetzelfde. Beide woorden kunnen we opvatten als werkwoorden in de zin van “het bestaan”.Wij leven, namelijk:wij zijn of wij wezen. Maar dat zeg je niet zo in het Nederlands. “Wezen” en “zijn” is in het Nederlands precies hetzelfde. De Geest des Levens, hetWezen, het Leven, de Existentie als zodanig.

Bitter, verslagen, benauwd

“En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes. ” Gen. 26 : 35

Rebekka en Izak waren het oneens met de keuze van de huwelijkspartners (let op het meervoud) van Ezau. Daarom staat er dat deze vrouwen voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes waren. Er had ook kunnen staan dat ze “hun een bitterheid waren”, maar er staat “…een bitterheid des geestes”. Het woord “geest” is dus in de eerste plaats gebruikt als aanduiding van Izak en Rebekka zelf. Die bitterheid wordt niet ervaren in het lichaam, want dan zou het alleen in de mond kunnen zijn of in de ingewanden. Het is echter een bitterheid in hun overleggingen. Zij zouden een andere keus gemaakt hebben.

U weet immers, hoe Isaäk aan zijn vrouw kwam. Isaäk had er niets over te vertellen gehad. Rebekka werd toch ergens gevonden bij een bron? (Allemaal leiding door de Heilige Geest.) Rebekka werd gevonden door Eliëzer en Rebekka werd gewoon bij Isaäk gebracht. Die moest er maar tevreden mee zijn. En hier kiest Ezau, hun zoon, zelf en nu zijn Isaäk en Rebekka het er niet mee eens. Het zit in hun overleggingen. Daarom was het bitterheid des geestes. Het had een negatieve werking op hen; het stemde hen bedroefd. Een bittere geest is gewoon een bitter mens, een verbitterd mens, een verbitterde geest.

“En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest (roeach) verslagen was, … ” Gen. 41 : 8

Farao droomde (twee dromen) en nu was hij verslagen. Hij wist er geen raad mee. Als iemand verslagen is, dan heeft hij geen weerstand meer te bieden. Farao kon niet begrijpen wat die dromen nu eigenlijk voorstelden. Hij kon er niet tegenop en daarom was zijn geest verslagen, ofwel was er een negatieve gesteldheid van de geest. Het is natuurlijk een negatieve gesteldheid van die mens zelf. Farao zelf was verslagen. Hij had geen weerwoord, maar het wordt toegeschreven aan zijn geest,want de geest is het wezen van de mens. Je kunt dat zelf aan de buitenkant misschien niet zien. En als je het wel kan zien, dan komt dat omdat het dan van binnen uit naar buiten uitstraalt. Alles hangt slap. Ik ken mensen, die altijd zo zijn. Dus je kunt een verslagen geest of een bittere geest hebben, maar je kunt ook een benauwde geest hebben, zoals staat in: Exodus 6 : 8

“En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israëls; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid. ” Ex. 6 : 8

De geest is benauwd. Dit betekent dat de geest geen ruimte heeft; de geest kan geen kant op. Een benauwde geest is een geest die geen mogelijkheden meer heeft, die geen initiatieven meer kan ontwikkelen. Als een mens in gevangenschap zit en in slavernij, wat moet hij dan nog doen? Wat voor verwachtingen kan hij dan nog hebben? Wat voor dingen kan hij ondernemen? Niets immers en dus heeft hij een benauwde geest, een geest die geen ruimte meer geboden wordt.

Hetzelfde kan gezegd worden over de totale mens,want als die geest zo is, dan is de hele mens zo. Dus nogmaals: die roeach (of pneuma in het Grieks) is in feite het wezen van de mens. Het is het belangrijkste aspect van de mens. Over zijn lichaam hebben we het nog even niet, want het lichaam is niet anders dan de behuizing van de mens, maar de roeach is zijn wezen. Dat is waar het werkelijk om gaat.

Wijs

We hebben gezien dat over neshamah gesproken werd in verband met “wijsheid”.We hebben dat niet al te uitgebreid gedaan. Hier komen we bij:

“Gij zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met den geest der wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron klederen maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. ” Ex. 28 : 3

Het gaat om mensen die wijs van hart zijn.Wat betekent dat iemand wijs van hart is? Het betekent dat zo iemand gelooft, want met het hart gelooft men Rom.10 : 9, 10. Daarom is men wijs van verstand of wijs van geest. Het heet ook “een geest van wijsheid”, maar eerst heet het “wijs van hart”.Want degenen die wijs van hart zijn, ontvangen de geest der wijsheid. In Psalmen 111 : 10 en Spreuken 9 : 10 bijvoorbeeld. Daar wordt gesproken over “het begin der wijsheid is de vreze des HEEREN”. Iemand die wijs van hart is, is iemand die gelooft. De HEERE vrezen doet men in de eerste plaats met het hart. Daarna geeft Hij geest der wijsheid.We zeggen dan dat we de dingen ook leren te verstaan, te overleggen en te begrijpen. Maar dan zullen we ze eerst moeten geloven. Dat is de volgorde!

Er zijn er die zeggen dat men eerst moet begrijpen alvorens te kunnen geloven, maar dat is absoluut niet waar. Het werkt ook niet. Al kun je iemand alles verklaren, hij zal nog niet geloven. Geloven is daar niet van afhankelijk. Het is andersom: als men niet gelooft, kan men niet begrijpen. Als je niet eerst gelooft dat het licht aangaat als je het knopje omdraait, dan zul je de wet van Ohm ook nooit leren verstaan, zeg ik altijd. Je moet het eerst geloven en daarna kun je het bestuderen en begrijpen. Men moet eerst wijs van hart zijn, alhoewel dat strikt genomen natuurlijk niet kan. “Met het hart gelooft men ter zaligheid” zegt de Schrift. Als iemand wijs van hart wordt genoemd, wordt er gezegd dat doordat hij gelooft, daar het begin van wijsheid ligt. De bron van wijsheid, het begin, ligt inderdaad in de gesteldheid van het hart.

In Exodus 28 : 3 wordt gesproken over roeach der wijsheid. Hij heeft mensen vervuld met geest, namelijk met wijsheid en nu krijgen we meteen al te maken met de moeilijkheid dat er minstens twee soorten geest, ofwel twee soorten roeach genoemd worden. De ene is die van de mens zelf: het denken, het overleggen van de mens ofwel de kennis, de wijsheid van de mens. Het andere is de kennis en het overleggen van God. En hier staat dat God Zijn Geest eventueel aan sommige mensen geeft. Voor een aantal mensen komt dan het probleem,maar zo moeilijk is het niet. U moet zich de geest ook niet meteen voorstellen als twee dingen die je naast elkaar kunt leggen,want dat is niet zo. Het zijn geen stoffelijke dingen. Je kunt ze niet op een weegschaal leggen. Ze zijn abstract en daardoor is het mogelijk dat die twee geesten die genoemd worden, in feite in de praktijk één zijn. Als onder geest tenminste niet alleen overleggen verstaan wordt, maar een manier van redeneren, een manier van denken, een manier van leven.

Je realiseert je dan, dat onze manier van leven en denken misschien wel dezelfde is als de manier van leven van de Heer Jezus Christus. Dat betekent dat Zijn Geest in ons is. Dat zijn niet twee verschillende dingen! Het wordt één geheel! Het is niet zo dat we twee voorwerpen naast elkaar hebben, zoals de geest van de mens en de Geest van God, of iets dergelijks. Het gaat om twee abstracte begrippen die in elkaar opgaan. Als u en ik dezelfde gedachten hebben, zijn we één van geest. Dat betekent dat we dezelfde geest hebben. Dat kun je in het Nederlands zo zeggen. Problemen bestaan alleen als we die twee begrippen gaan hanteren binnen het theologisch kader. Dan wordt het vaak ingewikkeld, want dan begrijpen we ineens niet meer wat het is.We moeten deze dingen leren verstaan, omdat vooral in het Nieuwe Testament gewezen wordt op het feit dat wij Heilige Geest ontvangen van God. Die Geest komt in ons.

Wat wil dat zeggen? Dat wij Gods denken, Gods handelen, Gods wijsheid ontvangen. Die Heilige Geest wordt in ons geplaatst. Daar beschikken wij over. Die hebben wij ontvangen. Die Geest van God komt in ons tot ontwikkeling en dat betekent dat ons denken, onze manier van redeneren, ook onze manier van leven, aangepast wordt aan Zijn manier van denken en aan Zijn manier van leven. Kortom, Zijn Gedachte wordt dan onze gedachte en Zijn Geest wordt onze Geest. Er is geen verschil meer. Dat is precies waar het om gaat. Paulus brengt het in al zijn brieven naar voren en de Heer Jezus vertelt dat Zijn manier van denken en handelen, Zijn gezindheid bijvoorbeeld, ónze gezindheid wordt. In Filippenzen 2 : 5 staat: “Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was.” Voor “gezindheid” kan “pneuma” ingevuld worden. Dat staat er niet, maar het had daar net zo goed “geest” kunnen zijn. Hier wordt een synoniem gebruikt.

Daar gaat het nu om: God geeft aan gelovigen Zijn Geest. God vult hier in Exodus 28 : 3 gelovigen met geest der wijsheid. Die wijsheid die God aan de mens geeft wordt daarna wijsheid van die mens. Als God die wijsheid aan ons geeft, wordt het toch onze wijsheid? En aangezien die wijsheid Geest is, wordt het toch onze Geest? Daar vind je de integratie, het in elkaar opgaan van twee verschillende dingen. Dat kan met de stoffelijke dingen wat moeilijk, maar met de geestelijke dingen is dat vanzelfsprekend.Want een gelovige moet veranderd worden in zijn denken, in de vernieuwing van zijn gemoed Rom.12 : 2. Het is uiteraard geest. Dat woord staat er niet, maar dat is wel het idee. Het denken van de gelovige moet veranderd worden. Hij moet dus van geest veranderen. Wij moeten veranderd worden door vernieuwing des Geestes.

“Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte, en vernieuwing des Heiligen Geestes; Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker; ” Titus 3 : 5-6

Het gaat dus om een vernieuwing van het gemoed, zoals Paulus het in Romeinen 12 : 2 noemt. Het is een vernieuwing, een verandering van het denken. Dat is wat ook bij die mensen plaatsvindt in Exodus 28 : 3. Zij ontvangen die Geest van God en daarom zijn ze zelf wijs genoeg om deze klederen te maken voor Aäron, inclusief alle typologische verklaringen die aan die kleding vastzitten. Er is nogal wat wijsheid voor nodig om die kleding te kunnen maken. Er was ook heel wat wijsheid nodig om de tabernakel te kunnen bouwen, volgens voorschrift. Men had geestelijk inzicht nodig, want men bouwde was immers een type van iets anders.

Dat geestelijk inzicht ontving men van God. Van God ontving men Geest, namelijk Wijsheid, vertaald met Geest der Wijsheid. Roeach is dus in principe “wijsheid”.We gaan naar Exodus 31. Daar gaat het over Bezáleël in verband met de bouw van de tabernakel. (Bezáleël is een type van de roeping van de Gemeente.)

“En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; ” Ex.31 : 3

Als je datgene wat in deze tekst allemaal genoemd wordt, bij elkaar optelt, heb je maar één ding! Geest Gods, verstand, wetenschap, wijsheid, dat is allemaal hetzelfde. Daar werd Bezáleël mee vervuld. En Geest Gods is wijsheid óf verstand óf wetenschap, want wijsheid en verstand zijn natuurlijk ook in het Nederlands synoniemen. Hij ontving dat van God. Dat wordt samengevat en “Geest” genoemd.

Jaloers

Een geest kan “jaloers zijn”. Er wordt in de Bijbel gesproken over een “ijvergeest”. Een onbekend woord, maar het komt vele malen in de Bijbel voor. Een “ijver geest”, een “afgunstige jaloerse geest”.Voorbeelden hiervan zijn: 2 Korinthe 11 : 2

“Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. ” 2 Kor.11 : 2

“Want ik geef hem getuigenis, dat hij groten ijver heeft over u en degenen, die in Laodicéa zijn, en degenen, die in Hierápolis zijn. ” Kol.4 : 13

  • Laodicéa = rechtvaardig volk en Hierápolis = priesterschap.

“En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; ” Num.5 : 14

“Of als over een man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge. ” Num. 5 : 30

Het gaat hier dus over een afgunstige, jaloerse geest. Er zijn in de Bijbel ook “leugengeesten”, oftewel geesten die jaloers zijn. Je hebt ook “geesten der wijsheid”. Dan zijn ze wijs. Er zijn ook “geesten der leugen”. Dan zijn ze dwaas uiteraard,want dan liegen ze. Je hebt “geest der waarheid” en “geest der leugen”. Geest kan dus alle kanten op. Het is beweeglijk en daar gaat het om. Dat hebben we van neshamah niet gezien. Neshamah was statisch. En nu blijkt roeach alle kanten op te kunnen. Het blijkt buigzaam te zijn en zichzelf te kunnen richten. Het blijkt ook zichzelf wat wijs te kunnen maken en zichzelf te kunnen bedriegen. Dat gebeurt ook. En veel mensen gebruiken al hun “geestkracht” (eigenlijk een pleonasme: een dubbele uitdrukking voor hetzelfde begrip) om zichzelf te bedriegen. Een rare gewoonte,maar het komt voor.


Verhard

Een geest kan verhard worden. Als geest te maken heeft met het denken, het overleggen van de mens, dan wordt er gezegd dat het “verhard kan worden”. Dat betekent dan, dat de mens niet meer bereid is te denken. Een voorbeeld is Farao, wiens hart verhard werd. Hij was ongelovig, maar het resultaat was dat hij niet verder denken kon. Want het was nogal dom om na de zoveelste plaag nog steeds “nee” te zeggen tegen de Heer. Hij moest toch zo langzamerhand wel weten dat het helemaal verkeerd zou aflopen. De Farao was echter afgestompt; hij was verhard. Dat gold in de eerste plaats voor zijn hart. Hij geloofde dus niet en het resultaat was dat hij geblokkeerd werd voor wijsheid en dus deed hij hele domme dingen door een verhard hart en een verharde geest.


Zonder geest

Het woord “geest” ofwel roeach, wordt vertaald in Jozua 2. Het wordt er zo vertaald dat u het niet eens meer ziet staan.

“Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, ” Joz. 2 : 11

Het betekent: er bestaat geen geest meer in iemand. De vertalers hebben het niet vertaald, maar verklaard met het begrip “moed”. Daar hebben ze op zich wel gelijk in,maar ze werden niet verondersteld de Schrift te verklaren, maar te vertalen. Dat hebben ze niet gedaan. Ze hadden het moeten vertalen met geest, namelijk: “Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart en er bestaat geen geest meer in iemand,…”

We hebben van “Geest” gezien dat het gaat om iemands overleggingen, iemands initiatieven, iemands doen en laten. Maar als zijn hart versmelt, dan heeft hij geen initiatieven meer. Dan kan hij niets meer doen. Hij heeft geen ideeën meer. Hij heeft geen “geest” meer. Zijn gedachten staan stil, het verlamt. In de praktijk heeft hij dan geen moed meer,hij kan niet verder. Datzelfde geldt ook in Jozua 5.

“En het geschiedde, toen al de koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen der Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat de HEERE de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht der kinderen Israëls, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen (moed) geest meer in hen, voor het aangezicht der kinderen Israëls. ” Joz. 5 : 1

“Toen liet hun (toorn) geest van hem af, als hij dit woord sprak. ” Richt. 8 : 3b

Er staat hier niet toorn, maar roeach, geest. Hier hebben de vertalers hetzelfde gedaan. Ze hebben verklaard en niet vertaald. Het punt is dat hun werkzaamheden, hun gedachten van hem af lieten. Het betekent in de praktijk, dat hun toorn ophield. Ze werden vergeten, er werd niet meer aan gedacht, hun zaak was voorbij. Hun geest liet van hem af. Dan houdt de toorn ook op. Als wij ons kwaad maken over iemand en daarna denken wij niet meer aan die iemand, dan is onze toorn ook voorbij.Dat komt omdat onze geest van hem afgegaan is.

Boos

Een geest kan boos zijn. Een “boze geest” kan een demon of een engel zijn, maar het kan ook een mens zijn. De geest van een mens kan ook boos zijn. Hij kan vervolgens “drijven”, hij kan “vaardig worden over iemand”, maar ook over zichzelf natuurlijk. Een geest kan bezwaard zijn. Dat wil zeggen dat je gedachten lasten torsen. Dan ga je ergens onder gebukt, dan ben je niet vrij. Het is net zoiets als benauwd van geest zijn. Verder staat er ook, dat er geesten verschrikken. Een boze geest Gods verschrikt u, staat er dan 1 Sam. 16 : 15. Dus dat kan ook nog. Boze geesten kunnen zelfs nog van God komen.

Hoogmoedig en nederig

“Hovaardigheid is vóór de verbreking, en hoogheid des geestes vóór den val. ” Spreuk. 16 : 18

Het is eigenlijk een hoogmoedige geest. Zo is er ook een nederige geest en een zachtmoedige geest. Hovaardigheid of hoogheid des geestes = hoogmoed. Moed of gemoed is synoniem met geest. Het heeft te maken met overleggingen, de gezindheid van de mens of de verbeelding van de mens. Hij kan hoog zijn, maar hij kan ook nederig zijn. Dat staat in vers 19.

“Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen. ” Spreuk. 16 : 19

Dat gemoed is gewoon het denken. Sommigen hebben hoge gedachten. Dat zegt de apostel ook. Hij zegt: “Koester geen gedachten hoger dan die u voegen” Rom.12 : 9 NBG. Anderen hebben lage gedachten; die denken niet zo hoog van zichzelf. Dat is beter ook, want hoe kleiner van geest wij zijn, hoe groter de geest Gods in ons is.

“Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. ” Rom. 12 : 16

“Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade. ” Spr. 3 : 7

“Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn! ” Jes. 5 : 21

Hoe minder wij onze eigen gedachten cultiveren, hoe meer Gods gedachten realiteit kunnen worden in ons. Hoe minder groot onze eigen geest, hoe groter Gods Geest in ons. In het Nieuwe Testament Heiligmaking heet het “de groei van Christus in ons en het minder worden van ons” (Johannes 3 : 30). Verder wordt er gesproken over een geest,waarin geen bedrog is. In Johannes 1 : 48 wordt over Nathanaël gezegd: “Waarlijk een Israëliet in welke geen bedrog is.” Maar het werd aangehaald uit Psalmen 32 : 2

“Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is ” Ps. 32 : 2

Verder hebben we een vaste geest, een gebroken geest, een overstelpte geest, een geest die onderzoekt, een trouwe geest, een geest die overlegt, een vrijmoedige geest.

Actieve vormen van roeach

In Esther 4 staat van de geest dat Hij verlossing is.

“Want indien gij enigszins zwijgen zult te dezer tijd, zo zal den Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan;” Est. 4 : 14

Verkwikking en verlossing zijn synoniem. In het boek Esther komen deze veel voor. Een synoniem is een uitdrukking waarbij woorden met dezelfde betekenis achter elkaar gezegd worden. Zo wordt er hier in Esther gesproken over “de Joden te verdelgen, te doden en om te brengen” Esther 3 : 13 of “te verdelgen, te doden en te verdoen” Esther 7 : 4. Dat is driemaal hetzelfde. Drie synoniemen. Wij hebben het wel eens over loven en prijzen. Dat is uiteraard hetzelfde; net zoals verlossen en zaligmaken. Vertaal dat maar eens naar het Grieks. Dan kom je in de problemen, want het is hetzelfde woord.

Wij gebruiken deze woorden erg veel, vooral als we plechtig beginnen te spreken. Het legt accenten, het maakt het begrip zwaarder. Daarom wordt het herhaald met andere woorden. Hier heb je dat dus ook: verkwikking en verlossing. Maar het aardige hiervan is dat het woord “verkwikking” de vertaling is van het woord “geest”. Er staat “geest en verlossing”. Het is een synoniem en daarom zijn “geest” en “verlossing” hetzelfde. Of anders gezegd: Die verlossing komt van de Geest. De vertalers hebben dat niet begrepen. Die hebben er verkwikking en verlossing van gemaakt. Dat klinkt beter, maar er staat gewoon “Geest, namelijk verlossing” of “Geest en verlossing”. Dus verlossing komt tot stand door de Geest.

Zij die het Nieuwe Testament of het Nieuwe Verbond kennen, weten dat wij verlost zijn geworden, doordat we uit de Geest geboren zijn of doordat we de Heilige Geest hebben ontvangen. Onze verlossing komt natuurlijk door de Geest. Je kunt het ook toepassen in verband met de oude mens. De vrijheid van de mens zit echter niet in het gaan en staan waar hij wil. Zijn vrijheid, zijn verlossing, zit in zijn denken.Want zelfs als je opgesloten zit en je kunt geen voet verzetten, dan nog kun je met je gedachten alle kanten op. De vrijheid, de verlossing, zit hem dus niet in het lichamelijke, maar zit hem per definitie in het geestelijke. De vrijheid van de mens is in de eerste plaats een geestelijke vrijheid.

Vroeger wisten de Nederlanders dat nog, want ze hebben er 80 jaar voor gevochten. Voor de geestelijke vrijheid. Men zegt wel eens: “godsdienstvrijheid”, maar dat is een een misverstand. Het ging om de vrijheid van denken van de mens. Die is bijzonder wezenlijk. Het blijkt dus hier “geest en verlossing” te zijn. Geest is verlossing en geest brengt de verlossing. Als wij het Evangelie vertellen, spreekt dat mensen aan op hun denken. Hun gedachten worden bepaald bij wat wij hun prediken. En als ze tot aanvaarding van Christus komen, dan komt dat via hun roeach, via hun denken. De verlossing komt zo tot hen. Het komt niet primair via de neshamah, rechtstreeks van God, maar het komt tot hen via de prediking, dus via hetWoord en via de roeach. Dan is het de vraag of een mens bereid is zijn overleggingen, zijn denken aan te passen aan het denken van God. Ofwel is de mens bereid die Geest van God te ontvangen, eventueel ten koste van zijn eigen geest. Vul voor geest maar gewoon denken in, want dat is precies hetzelfde. Dat verandert aan die waarheid niets. Daar gaat het om en dat is de werking van de Geest.

We gaan verder. Geest kan “uitgedronken” worden, want u weet dat geest wordt voorgesteld door vloeistoffen die geen vaste vorm hebben. Het is een raar beeld, maar het staat zo in de Bijbel 1 Korinthe 10 : 4. Er staat ook van een geest dat die zich keert tegen God Job 15 : 13. En er staat dat geesten antwoorden uit verstand Job 30 : 3. We hebben al gelezen dat de Geest wordt ingeblazen door de Almachtige; dat de Geest van God komt. Dat wil niet zeggen dat alle menselijke geest ook rechtstreeks van God afkomstig is.Wanneer wij ons denken en onze ontwikkeling afhankelijk stellen van God, blijkt onze geest Zijn Geest te zijn of andersom. Het maakt dan geen verschil. Zijn Geest wordt dan onze geest. Niet als twee dingen die te onderscheiden zijn,maar als één ding. En dat is van het grootste belang voor het verstaan van met name het Nieuwe Verbond.We kunnen ook spreken over de Paulinische brieven of de Nieuw Testamentische waarheden. We hebben namelijk te maken met de mens die van nature al twee geesten heeft. Hij heeft neshamah en roeach en als hij tot geloof komt krijgt hij er Roeach bij, namelijk de Heilige Geest.Wat moet hij met die drie geesten? Het zijn er echter niet drie, maar één. Het gaat ín elkaar, het wordt één geheel. Dat brengen al deze Schriftplaatsen naar voren.

Wegen

We hebben ook een geest die gewogen wordt. Dat staat in: Spreuken 16 : 2 Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten. Het gaat om de nadruk op HEERE. Het gaat er niet om dat de mens zelf vindt dat zijn wegen zuiver zijn, maar het gaat erom of de Heer dat ook vindt. Er staat niet dat de HEERE die wegen van de mens weegt, (wegen = beoordelen, testen), maar er staat dat de HEERE de geesten weegt. Het gaat er niet primair om wat de mens gedaan heeft of hoe hij gedaan heeft of welke weg hij bewandeld heeft, maar om wat hij heeft gedacht. Hoe waren zijn overleggingen, wat waren zijn motieven. De wet zegt: “Doet deze dingen”. Leviticus 18 : 5; Romeinen 10 : 5 Maar in diezelfde wet wordt verklaard dat het doen van de wet niet gebeurt met handen en voeten, maar met het hart en met de mond.

Mozes zegt in Deuteronomium 30 : 14

“Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.” Deut. 30 : 14

Het is niet ver, niet in de hemel, niet in het dodenrijk, maar het is heel dichtbij, namelijk in uw mond en in uw hart. En Paulus haalt het later aan in Romeinen 10 : 10:

“Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.” Rom. 10 : 10

Waarmee dus gezegd is, hoe men de wet zou moeten doen. Niet met handen en voeten. Het gaat niet om de daden die men gedaan heeft, maar het gaat er primair om of men die wet wel geloofd heeft, of men die wet geaccepteerd heeft.Wet is hetWoord van God. Dus gaat het erom of men het Woord van God gelooft en dat weegt God. Dat is ook waar Paulus op terugkomt in: Romeinen 7 : 26

“Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde. ” Rom. 7 : 26

Gemoed is geest. Paulus kan zich lichamelijk niet aan de wet onderwerpen, maar in zijn gedachten wel. Hij wekt elke gelovige op om dat te doen, om zich geestelijk (in zijn geest) aan die dingen te onderwerpen. En zeg nou niet dat het maar gemakkelijk is, want dat is een misverstand. Het is precies andersom. Je krijgt mensen veel gemakkelijker zo ver dat ze de meest gekke dingen doen met hun lichaam om “Gode welbehagelijk” te zijn, dan dat ze bereid zijn om hun gedachten aan te passen aan het Woord van God. Als je tegen mensen zegt: “Je moet dit of dat doen om het eeuwige leven te beërven,” dan zullen ze het dikwijls doen. Maar als je zegt: “Je gedachten moeten veranderd worden,” dan blijkt dat veel moeilijker te zijn. Toch is het dat wat God van de mens vraagt. Niet of hij zich met zijn lichaam onderwerpt aan de wet, maar of hij zich geestelijk onderwerpt aan de wet. Of hij het Woord van God aanvaardt.

In Spreuken 16 : 2 staat dat “de HEERE de geesten weegt”. Hij weegt ook het inwendige van de mens. Niet zijn uiterlijke levenswandel, maar zijn innerlijk. Ik moet er meteen bij zeggen dat het uiterlijk en de levenswandel van de mens uiteraard het resultaat is van wat hij inwendig is. Het zijn geen twee dingen die niets met elkaar te maken hebben, maar ze beïnvloeden elkaar. De levenswandel van de mens is de uitdrukking van zijn geest ofwel van zijn denken. In die volgorde. Eerst verandering van denken, dan verandering van leefwijze.

Onderwijzen en luisteren

Dan, (niet in de laatste plaats), is het zo dat “geesten onderwijzen”.

“En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; ” Neh. 9 : 20

In het Nieuwe Testament, in 1 Korinthe 2 : 12, staat dat wij roeach (pneuma), de Geest van God, zouden ontvangen, “…opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn”.

De Geest onderwijst ons dus.

Het gaat om kennis. De ene Geest onderwijst de andere geest. De Geest Gods onderwijst onze geest. En mijn geest onderwijst uw geest en andersom. Dat komt allemaal voor. Geesten onderwijzen elkaar. Ze geven namelijk informatie door. Daarom staat er van de Geest, dat Hij betuigt (= ook iets doorgeeft; Handelingen 2 : 30).^Verder kan men een geest hebben, die luistert. God kan de mens een geest geven, dat hij horen zal 2 Koningen 19 : 7 en dan is hij bereidwillig om te luisteren. Dat heeft te maken met zijn overleggingen. Sommige mensen willen niet luisteren en sommige mensen willen wel luisteren. Het is een kwestie van geest. In de Bijbel vinden we zelfs “dove geesten” en “blinde geesten”,waardoor mensen “doof en blind” zijn. Het is soms zo sterk dat het hier en daar een lichamelijke uitwerking heeft, maar het is in ten eerste een geestesgesteldheid.

Wijken en wegnemen

Dan heb je ook nog dat geesten kunnen wijken. De Geest des HEEREN week van Saul 1 Samuël 16 : 14. De Geest ging weg. Iets wat er was, verdween. Een bepaalde manier van denken, van handelen, van inzicht verdwijnt. Dat kan. Als men van gedachten kan veranderen, dan kan men van geest veranderen. Een bepaalde geest gaat dan weg. Die geest hoeft dan niet een zelfstandig levend wezen te zijn, maar het is wel degelijk geest. Een bepaalde manier van zien, bepaalde karaktertrekken, heet allemaal geest. Het kan wijken. Zo staat het er ook. Dan heb je dat een geest iemand kan wegnemen. Dat kan nu eenmaal als je onder geest verstaat: de Geest des HEEREN. Dat gebeurde bij Filippus om maar eens wat te noemen. “De Geest nam hem weg.” Handelingen 8 : 39. Bij Ezechiël gebeurde het ook. “De Geest leidde hem weg” Ezechiël 3 : 14.

Ook mijn eigen geest kan mij wegnemen,want ik kan met de geest afwezig zijn, of geestelijk aanwezig zijn. Paulus schrijft in 1 Korinthe 5 : 3 bijvoorbeeld dat hij lichamelijk afwezig is, maar met de geest aanwezig. Maar wij zeggen: “Als zijn geest in zijn lichaam is en zijn lichaam afwezig is, dan is de geest toch ook afwezig.” Dat is natuurlijk niet zo,want de geest is niet iets waar je een strikje om kunt doen of die je in een fles kunt stoppen of in een lamp. Een lamp is ook een fles. Een geest in een lamp is natuurlijk helemaal iets moois, want die geest is olie en daar brandt de lamp op. Daar komt het verhaal vandaan.Dat is zo gek niet,want olie is een beeld van geest.

De Geest kan iemand wegnemen, maar de Geest kan mij ook wegnemen, zodat ik hier lichamelijk aanwezig ben, maar met de gedachten totaal ergens anders. Het is dus niet: hier heb je een geest en die zit in het lichaam en als hij dood gaat komt die geest er weer uit. Het is abstract en niet tijd – of plaatsgebonden. Het is gebonden aan heel andere dingen.

Waarnemen

Verder kan het woord roeach vertaald worden met “wind”.Wind is immers onzienlijk, maar het beweegt. Daar gaat het om. Het brengt tot iets, het drijft mensen aan. Dat is wat de Geest doet. Dat is afgeleid van die wind. De wind brengt geluid voort doet de toppen van de bomen bewegen. Soms vallen torens om. De wind doet trouwens de meest vreemde dingen. Het voert ook zaadjes mee, zodat het nieuw leven voortbrengt. Aan de andere kant vernietigt de stormwind de dingen. Het komt allemaal voort uit wind, namelijk uit Geest.De Geest doet opbouwend werk, het doet afbrekend werk en alles wat er tussenin zit. Het is net een mens.

Over de wind (pneuma in het Grieks) wordt ook gezegd in Johannes 3 : 8 “De wind (= geest) blaast,waarheen hij wil.”

Geest heeft dus een wil. Het is een persoonlijkheid om zo te zeggen. Hij heeft een karakter, een aard en overleggingen. “De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid.” Je kunt hem waarnemen en ook ruiken. In andere teksten staat dat je roeach, ofwel geest, kunt ruiken. In Genesis 8 bijvoorbeeld:

“En de HEERE rook den liefelijken reuk (de geur die opsteeg van het altaar), en de HEERE zeide in Zijn hart (overlegde in Zijn hart, roeach): Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; ” Gen. 8 : 21

Je kunt de geest waarnemen, horen, ruiken, maar je kunt hem niet tasten en niet zien. Hij is wel actief. Vandaar dat de Geest Gods hetzelfde is als de roeach Gods. Die zweefde over de wateren en werd daar actief.Dat blijkt ook,want God werd actief.De Geest van God sprak en het werd gehoord. Het is de actieve God Die daar in Genesis 1 en verder in de hele Bijbel beschreven wordt. De roeach van God is de Geest Gods, ofwel de Heilige Geest. Het is God Zelf,Die iets doet. Het is de actieve God, de dynamische God. Daar gaat het om en dat is in het Nieuwe Testament ook zo. Die Geest, Die uitgestort wordt op de gelovigen. Het Wezen van God Zelf. Petrus noemt het de Goddelijke natuur. 2 Petrus 1 : 4 Je kunt Hem proeven, maar dan in een brede betekenis van het woord proeven. In de Bijbel heet het ruiken. Je bent een goede reuk van Christus 2 Korinthe 2 : 15. Christus was Gode tot een welriekende reuk Éfeze 5 : 2. Het gaat om geestelijke dingen.

Ter afsluiting wil ik er nog aan toevoegen dat deze roeach in feite de mens zelf is.Wanneer we ons tenminste bewust zijn van het lichaam, namelijk het uiterlijk van de mens als een tijdelijke woning en niet van wezenlijk belang. Ik zei niet, dat het niet van belang is, maar niet van wezenlijk belang. Wezen is het inwendige. En als we ons dat bewust zijn, dan begrijpen we ook dat roeach de eigenlijke mens is. Het is zijn aard, zijn karakter, wie hij is, hoe hij reageert. Het is de persoonlijkheid. Geest is het wezenlijke van de mens. Al het onzienlijke van de mens heet geest en wordt aangeduid als roeach en al het zienlijke van de mens is uiterlijk. Het gaat voorbij. Het is de omhulling. Vandaar dat het woord geest ook gebruikt wordt voor de mens als zodanig.Wel met voorbijzien aan zijn lichaam,omdat dat van ondergeschikt belang is.

God is uiteraard Geest. Die Geest Gods is gewoon hetWezen van God. Je zou kunnen zeggen dat je naast neshamah Elohim, namelijk God, de Onkenbare, de Onzienlijke, de Almachtige kan schrijven. Iemand waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. Dat is die God uit Genesis 1 : 1 “In den beginne schiep Elohim hemel en aarde.” In tweede instantie wordt gesproken over de Geest van God, ofwel Roeach Elohim. Elohim staat voor de Onkenbare God, maar Roeach is de aanduiding van God Die actief is. God Die doet, Die overweegt, Die overlegt, Die eventueel tot ons komt, maar die nog steeds Onzienlijk is.

6. Nephesh

Nu gaat het over de ziel en later over de samenhang tussen roeach en neshamah. Het lichaam komt niet ter sprake, omdat we gezien hebben dat we geen “lichaam” hébben. Ziel is het derde woord uit deze reeks van Hebreeuwse termen en tevens het laatste.We zullen zien waarom het het laatste woord is zodra we weten wat de ziel voor een “ding” is. Het is onmogelijk “ziel” vers voor vers in de Bijbel na te zoeken, want dit komt 868 keer voor.Wij hebben het eerst over de ziel gelezen in Genesis 2 : 7 :

“En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel. ” Gen. 2 : 7

We hebben gezien dat daar het woord “ziel” de aanduiding is van de mens. Dat is aan geen enkele twijfel onderhevig. De nadruk ligt op “levende”, want we hebben al gezien dat neshamah hetzelfde is als “neshamah der levens” en dus kreeg hier de mens leven. Het werd een levende ziel. Dat betekent dus uitdrukkelijk, dat de mens een ziel ís. Dat de Bijbel termen kent als “mijn ziel”, wil zeggen dat de Bijbel erover spreekt alsof de mens een ziel heeft. Dan is dat niet een theologisch probleem, maar een puur taalkundige aangelegenheid. Als ik zeg: “Mijn Wezen”, dan betekent dat niet dat ik een wezen héb, maar het betekent dat ik het zelf bén. Mijn ziel = ík en mijn geest = ook ík. Het is precies hetzelfde. Alleen zit er een verschil tussen ziel en geest.

Het gaat om het principe dat wij uitdrukkelijk leren dat de mens een ziel is. Daar is niet zo veel voor nodig, want als u een Nederlandse concordantie zou nemen en het woord “ziel” opzoekt, dan weet u na een paar verzen al genoeg. Er is geen reden waarom er zoveel misverstand over zou bestaan.Wat een ziel is, blijkt ook uit onze Nederlandse vertalingen. Tenminste als we niet meteen beginnen in het Nieuwe Testament, maar gewoon in het Oude Testament.

Het eerste vers waar ziel genoemd wordt, is Genesis 2 : 7: “…alzo werd de mens tot een levende ziel.”

De mens is dus een ziel en een ziel is de mens.

De mens is een sterfelijke ziel

Er zijn twee misverstanden. Het ene is dat de ziel de aanduiding zou zijn voor het onzienlijke van de mens. Dat kan niet,want daar hadden wij het woord geest al voor. En we hadden zelfs al twee woorden die de aanduiding zijn van het onzienlijke van de mens en die allebei met “geest” vertaald worden. Dus dan kan de ziel niet ook nog eens een keer het onzienlijke van de mens zijn. In het Nederlands van de omgangstaal is het dat wel. Het andere misverstand is, dat de gemiddelde Nederlander het idee heeft dat ziel de aanduiding is van het geestelijke van de mens. Als hij het heeft over zijn ziel, dan zegt hij dat het een geestelijke kwestie is. Daaruit blijkt dat hij die woorden door elkaar haalt. “Dat is psychisch”, zegt men dan. Maar daarna zegt men niet, dat is “ziel-lijk”,want dat woord kennen wij niet. Maar dan zegt men: “Dat is geestelijk”.

Voor de gemiddelde Nederlander is psychisch hetzelfde als geestelijk. Dat kan natuurlijk nooit, want psychisch zou eigenlijk “ziel-lijk” moeten zijn en dat is wat anders. Het gaat erom dat we ons aan de ene kant bewust zouden zijn van de enorme verwarring die er op dat punt heerst en aan de andere kant zouden we ons bewust zijn, wat dan wel het onderscheid is. In Hebreeën 4 : 12 wordt nota bene in het Grieks gesproken over “ziel” en “geest”.

“Want het Woord Gods is levend en krachtig (geest, levend en krachtig), en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, ” Hebr. 4 : 12

Dat betekent dat de Bijbel zo scherp is, dat er onderscheid wordt gemaakt tussen ziel en geest. Voor iemand die Hebreeuws leest en verstaat (een Hebreeër dus) is dat niet zo bijzonder. Maar voor iemand die Grieks leest of deel uitmaakt van de Griekse cultuur is dat wel bijzonder, want Grieken kennen het verschil niet tussen ziel en geest. Daar komt het probleem vandaan. Grieken kennen dat verschil niet en daarom kennen wij het ook niet,want wij leven hier in een Griekse wereld. Onze cultuur is afgeleid van de Griekse cultuur. Die afleiding loopt uiteraard via de Romeinse cultuur, maar het is het Griekse denken. De heidenen worden in het Nieuwe Testament ook wel Grieken genoemd, zijnde aanhangers van de Griekse cultuur. Onze cultuur, onze filosofie en ons recht zijn allemaal Grieks. En daarom zijn onze opvattingen over ziel en geest ook Grieks en kennen we het verschil niet. Maar het Hebreeuws kent het verschil wel. Er staat van de Bijbel, hetWoord van God, dat Het zo scherp is, dat het onderscheid maakt tussen ziel en geest. Daarvan hebben die Grieken nog nooit gehoord en de gemiddelde Nederlander ook niet.

Iemand die de Bijbel leest, zal het toch opvallen dat er verschil is. Al was het maar, omdat het hier staat. Daar gaat het ons nu om, want één van de misverstanden is, dat de mens een onsterfelijke ziel zou hebben. Het is een dubbel misverstand,want hij heeft niet een ziel, hij ís een ziel en de ziel is niet onsterfelijk, maar sterfelijk. Elke gelovige weet dat.

“De ziel, die zondigt zal sterven!” Ezechiël. 18 : 4, 20

Is een ziel dan onsterfelijk? Nee, uiteraard niet. Dat weten de Grieken niet! De Bijbel leert dat echter wel. Uit de eerste paar Bijbelboeken heb ik een paar Schriftplaatsen voor u opgezocht,waar staat dat de ziel dood is en dat de ziel dood zal gaan.

“En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.” Gen. 17 : 14

Hier blijkt dat ziel de aanduiding is van de mens en zelfs van zijn vlees, want daar gaat het over. Het vlees, namelijk zijn “voorhuid” is niet besneden. Die ziel, wiens voorhuid niet besneden is, die zal uitgeroeid worden. Zodat je, als je goed leest, meteen moet concluderen, ook in navolging van Genesis 2 : 7, dat het woord ziel of nephesh in het Hebreeuws niet de aanduiding is van de onzienlijke mens,maar juist van de zienlijke mens. Het is dus ook de aanduiding van zijn lichaam of juist van het lichaam. Ik ben mij ervan bewust dat niet alle aspecten van het lichaam zienlijk zijn. Niet alles van het lichaam kan gezien worden. In de eerste plaats omdat een deel van het lichaam nu eenmaal van binnen zit. Daar kun je niet in kijken.

Een andere reden is, dat er nu eenmaal dingen zijn die wij met het blote oog sowieso niet kunnen zien en die dus strikt genomen behoren tot de onzienlijke dingen.We kunnen dingen wel zichtbaar maken.We kunnen ze zo manipuleren dat normaal onzienlijke dingen zichtbaar worden. Dat doet aan de waarheid echter niets af, omdat er ook aan ons lichaam dingen zijn die wij normaal niet zien. Maar hoe dan ook, het gaat wel degelijk om uiterlijke dingen.

De ziel is de aanduiding van de mens, zoals hij hier op aarde is: stoffelijk en al wat ermee samenhangt. Ik zal bij gebrek aan Bijbelverzen die het rechtstreeks zeggen, zelf aangeven wat de samenhang is tussen neshamah, roeach en nephesh. Nu wil ik het eerst hebben over deze nephesh. Nephesh is dus kennelijk vlees en hij kan uitgeroeid worden. Hij kan besneden worden. Het gaat uiteraard om de zienlijke mens.

“Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan. ” Gen. 37 : 21

Er staat: “Laat ons hem niet aan de ziel slaan.” Het gaat hier inderdaad gewoon om het leven, maar het gaat specifiek om de mens als zodanig. “Laat ons hem niet slaan.” “Laat ons die ziel niet slaan.” Kortom: “Laat ons hem niet doden.” Daaruit volgt dus dat de ziel gedood kan worden.

“…, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. ” Ex. 12 : 15b

En dat kan natuurlijk alleen, omdat de ziel sterven kan. De uitdrukking “diezelve ziel zal uitgeroeid worden” is een standaard uitdrukking in de Bijbel. Die komt vaak voor. Ik ben hem al tien keer tegengekomen. Hij staat ook helemaal correct in de Nederlandse vertalingen. De ziel is in ieder geval sterfelijk en hij kan gedood worden. In Exodus 31 : 14 staat eigenlijk dezelfde uitdrukking.

“Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.” Ex. 31 : 14

De ziel is gewoon de aanduiding van de mens,want de mens die de sabbat ontheiligt, zal uitgeroeid worden. De woorden “mens” en “ziel” worden door elkaar gebruikt. Aangezien de mens sterfelijk is, is ook de ziel sterfelijk. Er is geen verschil tussen. De mens is een levende ziel!

“En zo enig mens van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, … ” Lev. 4 : 27

Dat staat niet in de grondtekst. Er staat: “En zo enige ziel van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, …” Het is maar weer een voorbeeld. Het komt in de Bijbel ook vaak voor dat men “ziel” met “mens” vertaalt. Dan is men van het probleem af, want dan kom je daarna het woord “ziel” niet meer tegen. Als er gesproken wordt over de dood van een ziel, hebben de vertalers het woord “ziel’ vervangen door een ander woord.Wij zetten dat nu gewoon weer recht. Dus: “enig mens” staat er in de vertaling en “enige ziel” staat er in de grondtekst.

“Als nu een mens (ziel) zal gezondigd hebben, … ” Lev. 5 : 1

“Of wanneer een mens (ziel) enig onrein ding zal aangeroerd hebben, … “.L ev. 5 :2

“Of als een mens (ziel) zal gezworen hebben, … “. Lev. 5 :4

” En zo enig mens van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, … ” Lev. 4 : 27

“Als een mens (ziel) door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, … ” Lev. 5 : 15

“En indien een mens (ziel) zal gezondigd hebben, ..”. Lev. 5 : 17

“Als een mens (ziel) gezondigd, en tegen den HEERE door overtreding overtreden zal hebben, … “. Lev. 6 : 2

  • In al deze gevallen staat in de Statenvertaling “mens” in plaats van “ziel”.

“…; en de ziel (goed vertaald), die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen”. Lev. 7 : 18b

Een ziel kan eten. Het gaat over stoffelijk eten, namelijk over offervlees. Het gaat over de ziel die daarvan eet. Dat is niet het onzienlijke van de mens, maar het is uiteraard de mens in zijn aardse, stoffelijke gedaante. Die eet ook stoffelijk vlees van dit offer. Een ziel is de stoffelijke mens en niet de onstoffelijke mens,want dat is roeach.

“Doch als een ziel het vlees van het dankoffer, hetwelk des HEEREN is, gegeten zal hebben, en haar onreinigheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden”. Lev. 7 : 20

De ziel die van dat vlees eet, zal gedood worden. Daaruit volgt dus dat een ziel vlees kan eten en ook kan sterven. Dat hele verhaal van die onsterfelijke ziel is onzin. Het is een verhaal dat niet gaat over ziel, maar over geest. Men is de betekenis van de woorden helemaal kwijtgeraakt.

“En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben…, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden”. Lev. 7 : 21

“…, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit haar volken uitgeroeid worden”. Lev. 7 : 25

“Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden”. Lev. 7 : 27

Een ziel eet en zal uitgeroeid worden. Het is precies hetzelfde. Het is geen vergissing of een misinterpretatie van een vers. Het is geen ongelukkige formulering, maar het wordt vele malen herhaald, zodat voor ons geen enkele twijfel overblijft.

“…; daarom zal dezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden”. Lev. 19 : 8

In deze verzen wordt dus over het algemeen gesproken over het feit dat een ziel sterven kan en ter dood gebracht kan worden.Dus heeft een mens een onsterfelijke ziel? Geen denken aan! Hij heeft een zeer kwetsbare ziel. Hij hoeft maar te zondigen en hij sterft. Het wordt nog sterker gezegd in de volgende Schriftplaatsen. Daarin wordt letterlijk over dode zielen gesproken.

“Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, … “. Lev. 19 : 28

Het gaat hier over een dood lichaam, maar er bestaat in het Hebreeuws geen woord voor “lichaam” . Het woord lichaam hier is dan ook de vertaling van nephesh en het zou dus vertaald moeten worden met ziel. Het gaat hier om een dode ziel, maar wij weten allemaal dat het gaat om een lijk, een dood lichaam. De vertalers hebben dat verklaard en hebben zich meteen ontdaan van een woord waar ze toch mee in de problemen kwamen. De verklaring is wel goed, maar de vertaling niet. Het gaat inderdaad om een dode ziel, maar een dode ziel blijkt gewoon een lijk te zijn. Het is een dood lichaam. Het gaat er dus om dat het Hebreeuws geen apart woord heeft voor lichaam, omdat het woord dat wij via het Grieks en het Nederlands vertalen met ziel, de aanduiding is van het lichaam. Men heeft van het woord “ziel” “geest” gemaakt, terwijl het in wezen de aanduiding is van het lichaam. Vandaar dat men nu geest en ziel door elkaar gooit en denkt dat het hetzelfde is, maar dat is een misverstand.

Lichaam en ziel zijn hetzelfde. Daar is in de praktijk geen verschil tussen. Dat blijkt wel uit de bovenstaande Bijbeltekst, want hetzelfde geldt wanneer er over dode lichamen gesproken wordt. Zelfs dan heten ze nog ziel. Vandaar dat ik ook nooit gezegd kan hebben dat de ziel ooit het lichaam verlaat, want dat is niet zo. De ziel ís het lichaam. Hier is sprake van lijken en die worden nog als ziel aangeduid. Je kunt niet zeggen: “Het zijn ontzielde lichamen.” Dat is een niet bestaande uitdrukking. Lijken zijn ont-geeste lichamen om zo te zeggen. Daarvan is de geest geweken en niet de ziel! Het is nog steeds de ziel.

“Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. “. Lev. 21 : 1

Er staat niet een dode, maar ziel. Dit is een heel sterke tekst. Er staat ziel, waarvan niet eens wordt gezegd, dat hij dood is. Maar we dienen uit het verband van het vers te begrijpen dat hij dood is. Er staat dus: “Over een ziel zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken.” Uit het verband blijkt dat het inderdaad gaat over een dode ziel of een dood lichaam en daarom hebben de vertalers het ook zo vertaald. En nogmaals, dat is geen vertaling, maar een verklaring. Dat mag niet. Vertalers moeten vertalen. Ik weet dat het moeilijk is. Ik weet dat het niet mogelijk is om te vertalen zonder daarbij te verklaren. Maar hier is men veel te ver gegaan in het verklaren. Men had gewoon consequent kunnen vertalen met ziel. “Over een ziel zal een priester zich niet verontreinigen.” En dan had je altijd nog in de kantlijn kunnen zetten, dat het kennelijk een dode ziel is. Maar dan nog een ziel. Hier heeft men ziel vertaald met dode. Dat is heel wat anders dan de geest van iemand. Geest is juist per definitie leven.

“Hij zal ook bij geen dode lichamen (zielen der doden) komen; … “. Lev. 21 : 11

Zielen der doden. De tweede naamval “der” betekent “namelijk”. Zielen, namelijk doden. En uit het verband blijkt dat duidelijk genoeg.Men heeft het vertaald met dode lichamen. Met deze verklaring geven de vertalers eigenlijk zelf toe dat dit woord nephesh, namelijk “ziel” feitelijk “lichaam” betekent. Ze hebben het alleen door de vertaling verborgen. Nu wij erachter kijken, blijkt dat zij het dus met ons eens zijn. Ze onderschrijven dat een ziel niets anders is dan een lichaam. Het is de mens in zijn aardse verschijning zoals hij hier op aarde leeft. Een mens die naar de hemel gaat, heet geest. Een opstandingslichaam heet geest. 1Kor. 15:44-47

Een lichaam is ziel. Een lichaam dat geest is, wordt opgewekt. Díe geest gaat naar de hemel. Maar een mens die naar het dodenrijk gaat, heet ook geest. “Geesten in de gevangenis” heet dat in de Petrus-brieven 1 Petr.3 : 19. Het woord ziel blijft voorbehouden aan de mens in zijn stoffelijke verschijning, in zijn leven hier op aarde. Ik beperk het nog wat, namelijk in zijn verschijning hier op aarde. Zelfs zijn lijk heet dan nog ziel.

In Openbaring 6 : 9 wordt gesproken over “de zielen onder het altaar”. Ze zijn dood, maar ze worden zielen genoemd. Het is wat eigenaardig, maar het wordt daar zo genoemd, omdat ze weer opgewekt worden. Ze zullen weer op aarde in hun oude lichaam verschijnen. Normaal gesproken is het zo dat mensen die overlijden en in de hemel zijn, “geest” heten. Als ze in het dodenrijk zijn, heten ze ook “geest”.Wanneer ze op aarde zijn, zijn ze ook “geest”, maar aan hun buitenkant, in hun verschijning hier op aarde zijn ze ziel. Dus ziel is uitdrukkelijk de zienlijke mens.

Roeach is geest, dus de onzienlijke mens. Neshamah is het levensbeginsel dat hij van God ontvangen heeft en wat ook van God blijft. De mens zelf is geest en ziel, namelijk onzienlijk en zienlijk. Daarmee is het hele verhaal verteld.

“…; diezelve mens (ziel, nephesh) zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben de Heere! Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; mitsgaders die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam,… “. Lev. 22 : 3,4

De vertalers hebben er “dood lichaam” (lijk) van gemaakt, terwijl er “ziel” staat. God formeerde de mens uit het stof van de aardbodem. En daarmee ontstond er een lijk, een dood lichaam. Voordat Hij de geest, namelijk leven, in hem blies is het strikt genomen een lijk, behalve wanneer wij een lijk definiëren als een lichaam waarvan de geest geweken is. Wanneer we een lijk zien als eindresultaat, dan kan het niet.Wanneer we een lijk echter zien als een lichaam waarin geen leven is, dan wel. Dat is wat oorspronkelijk ontstond. Daarin blies God neshamah en toen werd het een levende ziel. Dat betekent dat het daarvoor ook al een ziel was.

En als het leven weer verdwijnt, dan is het nog steeds ziel, maar dan een dode ziel. En over dode zielen wordt hier gesproken. Als uit het verband blijkt dat die ziel dood is, dan staat er alleen maar ziel, hoewel het om een dood lichaam gaat. De vertalers hebben grote problemen gehad, omdat er geen goede Nederlandse woorden zijn die deze begrippen dekken. Er zijn nog twee belangrijke plaatsen die ik wil aanhalen en de eerste is:

“Gebied den kinderen Israëls, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode (ziel). ” Num. 5 : 2

Wat een rare manier van zeggen. Als u een beetje gevoel hebt voor die associatie, dan blijkt dat de ziel in dit vers een heel lelijk ding is.Want alle melaatsen, alle vloeienden en allen die onrein zijn van een ziel moeten weggezonden worden. Het gaat dus om ziel, om de werking van het verderf. Het gaat om de werking van zonde. Het gaat om allerlei kwalen die in verband worden gebracht met ziel. Het is dus niet zo best gesteld met de ziel.Het eigenaardige is, dat het uitdrukkelijk een dode ziel is,want dat blijkt nou eenmaal. Dood wordt niet genoemd, omdat het zo vanzelfsprekend is.

Als je er langzamerhand aan went dat de ziel niet onsterfelijk, maar sterfelijk is, dan zul je er nu aan moeten wennen, dat het van een ziel heel gewoon is dat hij sterft. Dat is namelijk altijd wat zielen overkomt.Vandaar dat er niet eens uitdrukkelijk bij gezegd hoeft te worden dat hij dood is,want normaal gesproken gaat hij sowieso dood. Ziel is de aanduiding van de oude mens, de natuurlijke mens, de mens in Adam. Een ander woord is zondaar. De ziel is een zondaar. ” Een ziel, die zondigt, zal sterven.” Ziel is de aanduiding van de oude mens. Dat is ook de strekking van Hebreeën 4 : 12.

“Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. ” Hebr. 4 : 12

Gods Woord maakt scheiding tussen ziel en geest. Hier wordt uitdrukkelijk scheiding gemaakt tussen ziel, namelijk de oude mens en geest, namelijk de wedergeboren mens ofwel de nieuwe mens.Want ziel is gewoon de aanduiding van de zondaar. Er is dus niet veel goeds te vertellen over een ziel. Verlossing was immers in de geest. “Geest en verlossing” staat in Esther 4 : 14. De tweede Schriftplaats is Numeri 6 : 6.

“Al de dagen, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens doden niet gaan (tot geen dode ziel gaan). ” Num. 6 : 6

Je kunt ook zeggen: “zal hij niet tot een dode ziel gaan”. De vertalers hebben echter vertaald met “tot het lichaam eens doden niet gaan”. Ze hebben het woord ziel uit de vertaling weggelaten. Zij die geloven in een onsterfelijke ziel kunnen dat niet vertalen en laten dat woord dan maar weg. Er staat “een dode ziel”.

“De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; … ” Num. 6 : 11

Het is vertaald met “dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft”. Maar voor het dode lichaam staat ziel en niet eens dat hij dood is. Er staat “… van dat hij aan de ziel gezondigd heeft”.

“Toen waren er lieden geweest, die over het dode lichaam eens mensen onrein waren, … ” Num. 9 : 6

Het dode lichaam moet de ziel zijn. De ziel kan dus inderdaad het dode lichaam of lijk zijn. Zo is het ook in vers 7.

“En diezelve lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; … ” Num. 9 : 7

Het dode lichaam is weer de ziel.

” … Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam (maar er moet ziel staan) onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog den HEERE het pascha houden. ” Num. 9 : 10

“…, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; ” Num. 9 : 13

Het komt nog veel vaker voor, maar zo langzamerhand weten we wel dat de ziel de aanduiding is van de sterfelijke mens. De mens die ook inderdaad blijkt te sterven. Het is zelfs ook de aanduiding van de inmiddels gestorven mens. Het leven van de ziel schuilt hem in de neshamah die God in de ziel blies.Want de ziel is niets anders dan de materie waaruit God de mens formeert. Het betekent, en laat ik het dan heel zwart-wit zeggen: de ziel is stoffelijk en daarom is de ziel gewoon het lichaam. Dat is in de Bijbel zo en dat het in het Grieks of Nederlands anders is, is daarmee niet van belang. We moeten leren om de Bijbelse begrippen in te vullen in de Nederlandse woorden die wij daar nou eenmaal voor moeten gebruiken.

Ziel is uit het Grieks vertaald met psuche en dat heeft in het Grieks een beetje de betekenis van “het leven van de mens”, “het geheimzinnige, het onkenbare van de mens”, maar dat is niet de betekenis van het Hebreeuwse woord voor ziel ofwel nephesh. Wij kunnen maar het beste de Hebreeuwse woorden hanteren en dan net doen of dat Nederlands is. Uitgaan van de oorspronkelijke Bijbelse begrippen en dan die begrippen bestuderen. Er zit niet anders op. Dan omzeilen we het probleem van de vertaling. Dat moeten we dikwijls en dat hebben de vertalers bij andere gelegenheden ook nauwkeurig gedaan.

Neshamah laten we gewoon staan. Roeach laten we dus staan en nephesh ook. Dan hebben we tenminste één norm en dat is de enige norm die er is. Bovendien, wanneer we naar andere talen gaan, zal blijken dat daar de moeilijkheden nog veel groter zijn.Wij hebben dan nog het geluk, dat er in het Nederlands woorden bestaan voor onzienlijke dingen. Er zijn heel wat talen die wij primitief noemen. Het zijn talen waarin helemaal geen woorden zijn voor onzienlijke dingen. En als je dan toch vertalen moet, dan kun je maar één ding doen, het woord translitereren. Dat wil zeggen: het woord gewoon laten staan, eventueel schrijven met de letters van de bepaalde taal, maar wel gewoon laten staan.Dat is veruit de beste gewoonte, want zo ontstaan de woorden vanzelf.Wij doen dat met een heleboel Engelse woorden die bij een bepaald vak behoren.We hebben daar dan geen Nederlandse woorden voor en dan laten we ze gewoon staan.We vertalen ze niet meer. Het wijst op de armoede van onze eigen taal.We hebben echter geen keus. Of we moeten er woorden voor uitvinden óf we moeten de woorden gewoon laten staan.

Samenhang tussen neshamah, roeach en nephesh

Als we op de samenhang tussen neshamah, roeach en nephesh ingaan, beginnen we van boven af. Dan hebben we primair te maken met neshamah, het hoogst geestelijke wat er is en daarom ook het meest centrale. Want Geest is de Kern, het Wezen, het Inwendige, het Binnenste. Omdat neshamah het hoogste is, dus het dichtst bij God, beschouw ik dat maar als het Middelpunt. We trekken daaromheen een cirkel, die we aanduiden als roeach, geest. Dan zien we ook duidelijk dat de neshamah zich bevindt in de roeach. Roeach is het woord voor de mens, zijn wezen, zijn geaardheid, zijn persoonlijkheid, zijn karakter, maar daarin bevindt zich neshamah, anders zou hij niet leven.

Alle gedachten die in de mens omgaan, centreren rondom zijn geweten. Daarin liggen van oudsher vastgelegde principes. We kennen de principes wel. Net zoals we de principes kennen van “goed en kwaad”.We weten dat ze er zijn en dat zit vast in die neshamah. We werken ze uit in onze gedachten, in ons denken en in ons handelen en daardoor komen ze vervolgens ook tot uitdrukking in ons leven. Het beweegt allemaal. Dat is die roeach die tot ontwikkeling komt doordat wij bijvoorbeeld studeren. Je kunt ook zeggen: “Het komt tot ontwikkeling, doordat we levenservaring opdoen.” Dat is precies hetzelfde. Daardoor wordt onze persoonlijkheid gevormd.

Het belang van het onderwijs is dat daardoor de persoonlijkheid gevormd wordt. Het is niet zo dat je ergens een vakje in je leven of in je lichaam hebt, waarin je bepaalde informatie wegduwt die je nog eens van pas kan komen. Het is niet zo’n voorraadschuur of magazijn,waar je een lade opentrekt. Het is de vorming van de persoon, van iemands aard, van zijn wezen, van zijn natuur, van zijn persoonlijkheid, om het zo te zeggen. Dat is het belang van alle informatie die we tot ons nemen en speciaal is dat het belang en eigenlijk ook oorspronkelijk het doel van onderwijs. De vorming was hun opvoeding. De vorming van hun wezen.

Tegenwoordig is dat er niet meer bij. Ze leren dat ze al van tevoren gevormd zijn en dat men hen vooral de ruimte moet geven, opdat zij die vorming ook inderdaad zouden kunnen manifesteren. Dat is een groot misverstand. Ik hoop, dat u het verschil inziet. Niet: een kind wordt compleet en wel geboren en het moet alleen nog blijken en daarvoor moet het ruimte ontvangen. Het is andersom. Er zit alleen die neshamah in. Bepaalde principes kennen ze en die gaan ze meteen onderzoeken. Wat kinderen doen, is meteen onderzoeken wat goed en wat kwaad is en hoe ver ze kunnen gaan. Ze onderzoeken wat nog net wel mag en wat niet meer, omdat ze dan een tik op de vingers krijgen. En dat is nu net wat ze willen weten. Je kunt het ze wel uitleggen, maar dat begrijpen ze niet,want hun begripsinvulling komt proefondervindelijk tot stand. Daarom staat er in de Bijbel:

“Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?)” Hebr. 12 : 6,7

Kastijden heet in de Bijbel gewoon opvoeden! Sommige mensen denken, dat kastijden hetzelfde is als martelen. Maar dat is niet zo. Het heeft er wel iets mee te maken.Wie zijn kinderen liefheeft, voedt ze op. Dat is het beste dat je voor ze doen kunt. Al is het dan misschien erg vermoeiend, dan wel niet vermoeiend. Het is toch op zijn minst hinderlijk voor beiden; voor zowel de ouders als de kinderen.

De roeach heeft te maken met het denken en met de belevingswereld van de mens. Dat is zijn wezen. Pas daarna krijgen we daaromheen nephesh, maar dat is de uiterlijke mens. Dat wil zeggen: die beweging van die dynamische roeach, zijn innerlijke bewegingen. In de Statenvertaling komt die uitdrukking voor (Lukas 1 : 78; Kolossenzen 3 : 12) Het zit “in” de mens. Het uiterlijk, nephesh of ziel noemen wij gewoonlijk lichaam. Dat is de stoffelijke mens. Dat betekent dat de onzienlijke dingen worden geacht “in” de zienlijke te zijn. Zodat de roeach in de nephesh is en de neshamah is weer in de roeach.

Nu komt er meteen iets heel belangrijks in dit verband. Wanneer men wil spreken over neshamah, kan men in plaats van neshamah, roeach noemen,want neshamah is in de roeach. Noem je de roeach dan noem je de neshamah ook,want die zit daar in. Die maakt daar deel vanuit. Het is inclusief. Hij zit daarin als het ware opgesloten. Datzelfde geldt voor ziel. Je kunt spreken over de ziel, terwijl je de geest bedoelt. Als er in een vers staat “mijn ziel doet zo en mijn geest doet zus”, dan betekent dat “ik doe het”. Het maakt geen verschil,want als je spreekt over de ziel dan zit de geest erin. Als je het dus over nephesh hebt, heb je het dus ook over roeach en neshamah. Het zit er in.

De ziel is de mens en de mens is een geheel. Geen losse stukken, maar het hoort er allemaal bij. Andersom is het ook waar. Het is een taalkundig verschijnsel, dat bijvoorbeeld een deel genoemd wordt voor het geheel. Dat wil zeggen men noemt de neshamah, maar men bedoelt de hele mens. Men noemt de kiel van een schip, maar men bedoelt het hele schip. Men zegt neus en bedoelt de hele mens. Het is een taalkundig verschijnsel. Dat moeten we wel in de gaten hebben, omdat het anders onze voorstelling van de dingen verwart.

Het is dus mogelijk dat het ene genoemd wordt, terwijl het andere bedoeld wordt. Dat zal uit het verband blijken en ik zeg er meteen bij: “Als het niet uit het verband blijkt, dan maakt het ook niets uit”. Mijn ziel wordt genoemd en ziel en geest en neshamah wordt bedoeld. Andersom wordt neshamah genoemd als aanduiding van het leven van de mens, het meest wezenlijkste, het diepste, het meest inwendigste van de mens. Maar daarbij wordt dus de hele mens betrokken. Want het inwendige van de mens is er niet als de mens er niet is. Zoals de kiel het wezenlijke is van een schip. Je noemt het meest wezenlijke deel van iets en daarmee wordt het geheel aangeduid. Dat is een heel normale aangelegenheid. Dat is wat in de Bijbel voorkomt.We zien dan een drieledigheid van de mens. Niet ledig, maar vol. Een drievoudigheid van de mens, waarbij twee dingen geest zijn. Die horen bij elkaar. Ze zijn onzienlijk, aan de ene kant geest en aan de andere kant nephesh. Dat is dan de zienlijke mens hier in zijn aardse verschijning.

Wat moet je doen als je in de Bijbel één van die woorden tegenkomt? Even erbij pauzeren en kijken wat er precies staat. Dan zal blijken dat u er altijd uitkomt. En nu komt de volgende vraag. U zult hem nu niet stellen, maar in het verleden werd hij steeds gesteld.De mens gaat dood en waar gaan dan de roeach, de neshamah en de nephesh naartoe? Of, want dat vragen wij ook nog, waar gaat het lichaam naartoe? Dat wil men graag weten, maar ik heb mij daar later over verbaasd. Wat is de zin van het beantwoorden van deze vragen? Denkt u nu echt dat de mens in stukken in de eeuwigheid of in de dood of waar dan ook aankomt? Zo van het ene deel gaat hier naartoe en het andere deel gaat daar naartoe. Zoals de post uitgesorteerd wordt op verschillende uitgangen, op postcode. Zo werkt dat niet!

Pas als wij denken dat de mens uit onderscheidenlijke delen is samengesteld, denken wij dat hij ook weer in stukken uiteenvalt. Dan willen wij weten waar die stukken naartoe gaan, dus waar de losse onderdelen verkrijgbaar zijn. Maar zo ligt dat dus niet. De mens is geest en die geest gaat naar het “hiernamaals”. De mens is geest en dat is het wezenlijke van de mens. Nephesh of ziel is zijn tijdelijke verschijningsvorm of zijn verpakking ten tijde dat de mens hier in de wereld is. Hij legt dat af. De ziel, in de zin van alleen de buitenkant, is alleen maar hier op aarde en wordt een omhulling, een kleed, een tent, een huis genoemd. Als er Geest van God in woont, heet het een tempel, maar het is tijdelijk. Zelfs de tempel werd ooit verbrand,want dat gaat voorbij.

(Eind)bestemming van neshamah, roeach en nephesh

“Waar gaat de ziel naartoe?” is hetzelfde als “waar gaat het lichaam naartoe? Waar kwam het vandaan?” Het kwam uit de aarde en het keert tot de aarde weder. Of het was stof en keert tot stof weder. Het heeft zijn functie vervuld. Het was een tijdelijke functie en het verdwijnt. Ze hebben mij verteld dat alle cellen van het lichaam binnen zeven jaar vervangen worden, omdat ze hun functie vervuld hebben. Ze worden afgebroken en er komen nieuwe cellen voor in de plaats, zodat het menselijke lichaam zichzelf in zeven jaar vervangt. Het lichaam verandert niet. Het blijft hetzelfde lichaam,maar de bouwstoffen worden vervangen. Het is sowieso waar, dat het allemaal maar tijdelijk is. Al die cellen van ons lichaam zijn allemaal maar tijdelijk. En ze zijn er korter dan we eigenlijk gedacht hadden. Het maakt niets uit. Het vervult zijn functie en zolang wij er allemaal maar aardig in kunnen wonen, zijn we redelijk tevreden.

Het gaat er maar om:waar gaat het naar toe? Wel, het is niet iets wezenlijks, het is onze tijdelijke omhulling. Ik zeg niet, dat het onbelangrijk is. Ik zeg ook niet, dat het voor de eeuwigheid niets betekent, want het betekent wel wat voor de eeuwigheid. Het neemt echter niet weg dat het tot de aarde wederkeert. Dat is het principe en daar hebben we het nu even over. Het heeft zijn functie vervuld. Het is uit de aarde geraapt, er zijn bakstenen van gemaakt, er is een huis van gemetseld en het valt uit elkaar. Hetzelfde geldt voor een kleed. Of het nu van wol is of van linnen, dat maakt niets uit. Op de een of andere manier wordt het door de aarde voortgebracht en het wordt bewerkt tot een kleed en als het kleed zijn functie vervuld heeft en soms ook al daarvoor, valt het uit elkaar en keert het weer tot de aarde terug.

Er is toch onderscheid tussen ziel en lichaam. “Want,” zegt men “de ziel gaat naar het dodenrijk en het lichaam gaat naar het graf.” Wat zou het verschil zijn tussen ziel en lichaam en wat zou het verschil zijn tussen dodenrijk en graf, tussen sheool en kebèr in het Hebreeuws? Niemand komt op het idee komt om te kijken naar de overeenkomsten. Die zijn namelijk talrijker, omdat het graf in de aarde, onder de aarde en beneden de oppervlakte van de aarde kan zijn. Het maakt geen verschil of het een gegraven graf of een spelonk is. Het is onder de oppervlakte van de aardbodem en soms loopt die oppervlakte van de aardbodem verticaal. Dan is het bijvoorbeeld een berghelling of een steile rots. Dat maakt niets uit.

Een graf is alles wat onder de oppervlakte verdwijnt. Het is ook wat onder de zeespiegel verdwijnt. Dat heet dodenrijk,maar ook graf. Daar is geen verschil tussen. Graf is de aanduiding van een plaats, een tastbare plaats, waar het tastbare lichaam van een dode naartoe gaat. Het gaat er vaak heel bewust naartoe. Men begraaft het daar. Men kiest een plek als graf. In het algemeen is het zo dat al wat onder het oppervlak van de aarde of van een berg of van het water is, tot het dodenrijk behoort, zodat het graf per definitie onderdeel uitmaakt van het dodenrijk. In wezen is er geen verschil.We vertrouwen niet alleen het lichaam toe aan de aarde, maar wij vertrouwen de hele mens toe aan de aarde. Alleen zal blijken dat in het dodenrijk zich niet de ziel bevindt, zoals sommigen zeggen. Maar wat zich in het dodenrijk bevindt, heet geest.

Je kunt wel zeggen dat een ziel naar het dodenrijk gaat. Dat staat ook in de Bijbel. Maar als er gekeken wordt naar wat er zich in het dodenrijk bevindt, dan blijkt het geest te zijn. Als er namelijk van ziel gezegd wordt dat “hij naar het dodenrijk gaat”, gaat het over de gehele mens: zijn zienlijke en onzienlijke eigenschappen. Het onzienlijke heet geest. Dat vinden we – ook in de Bijbel – later in het dodenrijk. Het lichaam gaat in het graf,maar dat maakt ook onderdeel uit van het dodenrijk. Zij het dan dat het meer behoort tot de zienlijke dingen. Maar verder is er geen fundamenteel verschil, want de beschrijving van de plaats is verder hetzelfde. De geest van een overledene gaat óf naar het dodenrijk óf naar de hemel. Normaal gaat die geest naar het dodenrijk, vandaar dat ik dat steeds genoemd heb.

Er is echter één uitzondering!

  • In de tijd van de opstanding van Christus tot aan de wederkomst gaat de geest van een gelovige overledene naar de hemel. Er is wel verschil tussen rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Waar ze ook naartoe gaan, het heet dodenrijk. De uitzondering is dat de gelovigen in deze bedeling al opgewekt zijn met Christus. De gelovige is al in de hemel en hij blijft daar (Efeze 2:6,7), ook als zijn lichaam (ziel) hier op aarde overlijdt. De geest is van God en keert tot God.

“En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft. ” Pred. 12 : 7

Dit vers wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd, omdat men uitgaat van een geest in de zin van: “hier is hij”, iets concreets. Dat is een geest niet. De geest is in de eerste plaats het onzienlijke en niet plaatsgebonden (dat kan wel, maar het hoeft niet). Prediker zegt dat elke geest terugkeert tot God. Geesten dreigen zichzelf over het algemeen onafhankelijk te maken van God. Geesten, namelijk mensen, snijden zich af van God. Ze willen met God niets te maken hebben. De Prediker zegt daarom: “Dat kan wel zo zijn, maar die geest keert toch tot God weder.” Met andere woorden: je krijgt toch ooit te maken met je Schepper.Want God gaf je die geest en God eist die geest weer op. Dat wil niet zeggen dat geest naar een bepaalde plaats toe zou gaan. Die geest keert terug onder de controle van God Zelf. Dat is in de meeste gevallen niet in de hemel,maar in het dodenrijk.Want het dodenrijk, de hades of de hel of hoe het maar vertaald wordt, is een gevangenis. Overigens niet een gevangenis, waar satan de scepter zwaait!

Dat is de Christelijke mythe over de satan, de duivel. Zo van: als de mens dood gaat dan zijn er twee mogelijkheden. Als hij keurig katholiek geweest is, gaat hij naar de hemel en dan komt hij bij Petrus. Dat verhaal kent u allemaal. Maar als de mens niet goed heeft opgepast, gaat hij naar de hel en daar staat satan. Zodat we in het hiernamaals twee mogelijkheden hebben, de hemel onder de heerschappij van God en de hel onder de heerschappij van satan. Dat is een misverstand en volstrekte onzin. Dat verhaal is Griekse mythologie.

De geest keert dus altijd terug onder de controle van God. In de praktijk betekent het dat die geest in de gevangenis gaat in afwachting van de rechtszaak. Hij gaat in voorarrest, inderdaad in de hades, in het dodenrijk. Daar wacht hij. Hij zit opgesloten. Niet onder controle van satan, maar onder controle van God. Daar wacht hij totdat zijn zaak voorkomt voor de grote Witte Troon. Dat is in de toekomst op de Jongste Dag. Daarom wordt er gesproken over geesten die in de gevangenis zijn. Die wachten daar totdat zij eruit gehaald zullen worden om voor het gerecht te verschijnen. Het terugkeren van de geest tot God wil niet zeggen dat de mens dus altijd behouden wordt. Het spreekt helemaal niet over behoudenis. Het spreekt alleen over het feit dat de mens zich hier nu wel onafhankelijk kan opstellen, maar dat hij die onafhankelijkheid dan toch kwijtraakt wanneer hij overlijdt. Dan neemt God Zelf de rechten op Zich en God Zelf beschikt dan over die geest en dus over die mens.

Neshamah, roeach en nephesh in relatie tot de gelovige

Ik wil nu ingaan op de Nieuw Testamentische waarheden over gelovigen die naast neshamah, roeach en nephesh ook de Geest van God, namelijk de Heilige Geest hebben ontvangen. Ik heb een tekening gemaakt van neshamah en roeach en nephesh in verband met de mens, maar ik zou zo’n zelfde tekening kunnen maken in verband met God. Dan blijkt dat God ook Roeach heeft, net als de mens. En dat Gods Aard en Wezen ook tot uitdrukking komt in Zijn Roeach. Die Roeach, die Geest, die Heilige Geest dus, geeft Hij aan de gelovige. Zodat in het lichaam of de ziel van de gelovige zich ook de Geest van God bevindt.

De geest van de mens is hetzelfde als de identiteit van de mens en de Geest van God is de Identiteit van God. Anders gezegd, de geest van de mens is de menselijke natuur en de Geest van God is de Goddelijke Natuur. Petrus zegt dat wij als gelovige mensen der Goddelijke Natuur deelachtig geworden zijn.

“Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere; Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der goddelijke natuur deelachtig zoudt worden,…” 2 Petr. 1 : 2- 4a

De aangehaalde Schriftplaatsen over roeach waren allemaal Schriftplaatsen over de mens. Het ging over de actieve geest van de natuurlijke en dus zondige mens. Zo blijkt dat de geest in de zondige mens net zo goed een actieve en zondige aangelegenheid is. Die hebben wij dus ook nog.Die is niet weg. Die is niet dood of toegeschroeid of wat voor termen men daar ook maar voor genoemd heeft. De complete mens ontvangt bij zijn wedergeboorte van God, de Geest van God. Wij zijn dan ook inderdaad door één Geest tot één Lichaam, tot één Gemeente gedoopt (1 Korinthe 12 : 13).

Wij mensen onder elkaar kunnen één van geest worden, omdat wij gewoon communiceren, onze gedachten uitwisselen. Zo is het ook mogelijk, dat wij onze gedachten uitwisselen met God en daardoor krijgen we deel aan Gods Geest. Die Geest is een Persoonlijkheid. Die komt in ons en gelukkig is Hij ook veel sterker dan wij.Van ons wordt dan ook verwacht dat wij ons denken, ons gemoed (ik vermijd met opzet het woord geest) aanpassen aan de Geest van God, aan het denken en het gemoed van God (Romeinen 12 : 2).

Het is de bedoeling dat Zijn gedachten onze gedachten worden. Dat is ook het streven van de Psalmist, bijvoorbeeld in Psalmen 119. De Psalmist gaat er uitgebreid op in als hij zegt dat hij de woorden Gods overdenkt, dat hij ze overlegt in zijn hart. Hij gelooft ze, hij maakt ze zich eigen. Dit betekent dat hij vervuld wordt met de Geest van God, met het denken van God of met de Woorden Gods. Dat is allemaal hetzelfde. Geest en Woord is ook hetzelfde. De Éfeze-brief zegt:

“…, maar wordt vervuld met den Geest; Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart; ” Éf. 5 : 18, 19

Kolossenzen zegt hetzelfde:

“Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. ” Kol. 3 : 16

Het gaat om het denken, de Geestelijke Gezindheid van Christus Die onze gezindheid wordt. Dus het zijn geen losse dingen die naast elkaar staan. Zoals: welke geest is het nou? Nee, het is juist wat in elkaar groeit. De bedoeling is dat wij onze gedachten onderwerpen aan de gedachten Gods en dat wij onze woorden onderwerpen aan de Woorden Gods. Dat wordt van de gelovige gevraagd. Het resultaat daarvan is dat we veranderd worden in ons denken. Zijn denken wordt ons denken. Het is hetzelfde als Zijn Geest wordt onze geest. Dat wordt ook heiliging of heiligmaking genoemd wordt. Heiligmaking is niets anders dan het groter worden van Gods Geest ten koste van onze eigen geest. Dat is de verandering in ons denken. Op die manier worden we één met Hem. Als wij mensen onder elkaar één zijn, komt dat omdat we één van denken zijn,eensgezind zijn. We hebben dezelfde belangstelling.

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. ” Gal. 2 : 20

De apostel Paulus zegt: “Ik ben gekruisigd en ik leef.” Dat kan natuurlijk niet,want als je gekruisigd bent, dan ben je dood. ” Hij zegt: Doch niet ik leef, Christus leeft in mij.” Onze eigen identiteit maakt plaats voor de identiteit van God. Onze eigen natuur maakt plaats voor de Goddelijke Natuur. Onze eigen geest maakt plaats voor de Goddelijke Geest. Onze eigen wijsheid maakt plaats voor de Goddelijke Wijsheid. Dat is heiligmaking. Wie ziet God als wij voor God komen te staan? Hij ziet ons in Christus. Het zal namelijk blijken dat als we voor God staan, onze ziel sowieso weg is. Ziel is namelijk de aanduiding van de oude mens die uit de aarde aards is. Dat is er niet meer bij. Want wij zijn nieuwe mens geworden en de nieuwe mens is uit de hemel, zegt 1 Korinthe 15.

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den Hemel. Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen. En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen. ” 1 Kor. 15 : 47-49

Wij hebben de Geest van God ontvangen. Ons menselijk denken vervalt daar.Wat de oude mens betreft hebben wij ons “mens-zijn” feitelijk afgelegd, zodat alleen de Geest overblijft Die we van God hebben ontvangen. Mensen die de geestelijke dingen niet hebben leren verstaan, zullen daar naakt voor God staan (2 Korinthe 5 : 3). Er is weinig dat nog omhuld is. Het enige dat God ziet en wat er dan ook nog is, is de neshamah. Het is het leven dat we oorspronkelijk hebben ontvangen en op grond waarvan men voor God staat. Vervolgens ziet God ook de Heilige Geest. Het is de Goddelijke Natuur die wij hebben ontvangen.

Het aardige van het verhaal is, dat het begon met een ziel geformeerd uit het stof der aardbodem. God blies in hem neshamah en daar had je de mens, maar aan het eind van het hele verhaal houd je Christus over.Dat is wedergeboorte.De samenstelling, de hoedanigheid van de mens is compleet veranderd.Wat hen hier op aarde kenmerkt is weg. Het bestaat echt niet meer, maar het is de voedingsbodem geweest van het nieuwe leven dat we van God ontvangen hebben. Dat nieuwe leven staat straks voor God.

Ik heb wel eens de vergelijking gemaakt met het ei. Je hebt de schil met het eiwit en de eidooier en daar binnenin het vruchtbeginsel. Het is inderdaad een duidelijk beeld. Die neshamah is immers dat vruchtbeginsel. Waar is het vruchtbeginsel, waar is de dooier, waar is het eiwit, als het ei opengaat? Het is weg. Het enige dat over is, is het nieuwe leven dat zich ontwikkeld heeft ten koste van het oude. Het is verdwenen. Die aardse omhulling, die aarden schaal, dat kalk, het is weg. Het was stof en het blijft stof. Het verdwijnt helemaal, en wat erin zat is verslonden tot overwinning. (1 Korinthe 15 : 54). Het is door het kuiken opgegeten.

Waar blijft de oude aarde, de oude schepping? “Er is voor haar geen plaats gevonden” (Openbaring 20 : 11). Zij was weg, ze was niet meer te vinden. Ze was omgezet in een nieuwe schepping. Verslonden tot overwinning. Het oude is opgegaan ten behoeve van het nieuwe. De oude mens is overgegaan in de nieuwe mens. De oude mens, ook ons lichaam hoort daarbij, is de voedingsbodem geweest voor het leven dat God ons in Christus geschonken heeft.Vandaar dat Paulus zegt: “Ik roem niet in mijn kracht, maar in mijn zwakheden” (2 Korinthe 12 : 5).Want het oude moet voorbij. Paulus zegt ook “Ik zal roemen in mijn zwakheden, want als ik zwak ben, is Hij machtig.” (2 Korinthe 12 :9, 10).

Zo is het ook met de mens. Je kunt leren hoe de mens in elkaar steekt. Het is interessant, maar je kunt er in de praktijk niets mee. Het enige dat je er uit leren moet is, dat het sowieso voorbijgaat. Je kunt eruit leren op welke wijze een nieuwe schepping, een nieuw leven, tot stand komt. Dat gaat niet via de ziel of de oude mens. Het gaat ook niet via het gedrag of via werken, want dat is al wat de ziel doet. Dat is allemaal de buitenkant. Het gaat via het inwendige, met de geest.

Vandaar dat de apostel Paulus zegt dat het niet primair gaat om het vlees,maar dat we met ons gemoed (denken) God dienen. Vandaar dat de Heer tot Mozes zegt: “Denk erom, het is niet ver om het te doen, het is dichtbij, het is in je hart en in je mond” (Deuteronomium 30 : 14). Het gaat om de woorden Gods die wij in ons hart aanvaarden, opdat we ze vervolgens ook weer uit het hart zouden spreken. Het gaat erom of wij die woorden Gods ontvangen en doorgeven. Wij zijn allemaal zondaren, maar we worden gerechtvaardigd. Niet op grond van het feit dat we zondigen of niet meer zondigen, maar we worden gerechtvaardigd op grond van onderwerping van onze geest aan de wet Gods.Wij nemen de Woorden Gods in ons op en die veranderen ons. Dat heeft ook een reinigende werking.Want waar blijft die oude mens? Die is weg. Die oude mens is gereinigd, in verband met roeach. Het heeft te maken met rein worden, wit worden, blank worden. Aan de ene kant is het een holte,maar aan de andere kant is het ook zo dat de inhoud van de natuurlijke mens plaatsmaakt voor de Geest van Christus. Dan is ook Romeinen 8 : 29 te begrijpen.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. ” Rom. 8 : 29

Deze woorden van Paulus gaan niet over ons uiterlijk. Het gaat er niet om of we een zwarte baard zouden dragen, een kromme neus zouden hebben of een ander uiterlijk kenmerk. Nee, dat is het niet. Het beeld van Zijn Zoon gaat om het inwendige, om de Geest, om de Gezindheid van Christus. In Romeinen 8 : 9 staat:

“Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. ” Rom. 8 : 9

Omdat we de Geest van Christus hebben, worden we veranderd naar het Beeld van Christus.Het gaat niet over uitwendige dingen of het stoffelijke lichaam, maar over de geestelijke dingen. Het staat in de laatste verzen van 2 Korinthe 3.

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. ” 2 Kor. 3 : 17, 18

Wij worden veranderd naar Zijn beeld. Wij worden het Beeld van God gelijkvormig.Wij worden beelddragers Gods.Wij worden geen beelddragers Gods, omdat we uiterlijk op Hem lijken. God is niet uiterlijk, God is Geest! Als we beelddragers Gods worden, dan worden we ook Geest. Dat gaat inderdaad langs de geestelijke weg. De normale weg is die van het Woord van God. Het gaat om de Woorden Gods. Deze letters bijvoorbeeld, zijn als het ware het vervoermiddel waardoor de Geest van God tot ons komt. Zoals mijn geest tot u komt, doordat ik gewoon tot u spreek of misschien u een brief stuur, zo komt de Geest van God tot ons door Zijn Woord of doordat Hij ons een brief stuurt; gewoon zwart op wit, de Bijbel zelf.

Daardoor worden wij veranderd!

Door Ab Klein Haneveld

De volledige Bijbelstudie is op Mp3 ook gratis te beluisteren, te bestellen en te downloaden .
(Mp3 C032 De mens; geest ziel en lichaam). Zie hiervoor ook onze Mp3 pagina.