Wedergeboorte 1 – De weg er naar toe.

Inleiding

In de prediking van het Evangelie van Jezus Christus worden vele Bijbelse uitdrukkingen gebruikt, die alle te maken hebben met de manier waarop een sterfelijke zondaar eeuwig leven kan ontvangen. Er wordt gesproken over bekering, verzoening, geloof, genade, rechtvaardigmaking, verlossing en bevrijding. Een woord dat slechts zelden gebruikt wordt, maar toch zo ontzettend belangrijk is, omdat het in essentie aangeeft, waar het eigenlijk allemaal om gaat, is “wedergeboorte”. Op deze bladzijden willen wij ons daarom bezighouden met wat de Bijbel onder wedergeboorte verstaat.

De eerste fase van een dergelijk onderzoek moet noodzakelijk bestaan uit een studie van de taalkundige betekenis van het woord wedergeboorte zelf, terwijl eerst daarna de specifiek Bijbelse inhoud van dit begrip aan de orde kan komen. De lezers, die niet geïnteresseerd zijn in die taalkundige verhandeling, kunnen eventueel dit eerste gedeelte overslaan, en beginnen te lezen onder “Wedergeboorte als noodzaak”, zonder daardoor wezenlijk iets te missen. Dat wij hieronder desondanks aanvangen met een woordstudie over wedergeboorte, is, omdat dat onzes inziens de enig juiste methode voor een studie als deze is.Tenzij anders vermeld, wordt gebruik gemaakt van de Oude Vertaling.


Het woord wedergeboorte

Hoewel wedergeboorte als begrip door de gehele Bijbel voorkomt, en in zekere zin zelfs het centrale onderwerp van de Schrift is, wordt het woord zelf slechts zes maal genoemd. De overige keren, dat wedergeboorte bedoeld wordt, wordt een andere omschrijving gebruikt. Dan “vinden we termen als: uit God, uit de Geest, naar de Geest of uit Hem geboren worden. Wedergeboorte vinden we in Matth. 19: 28 en Tit. 3 : 5 als de vertaling van het Griekse zelfstandig naamwoord “paligenesia”.

Wedergeboren worden of wederbaren komt voor in 1 Petr. 1:3 en 23 als de vertaling van het werkwoord “ana”gennao”, en in Joh. 3 : 3 en 7 als vertaling van “gennao”anothen”.

Voor alle duidelijkheid zetten wij dit hieronder in een overzicht:

  • (weder)geboorte = (pali)genesia; Matth. 19:28; Tit. 3:5.
  • (weder)geboren worden = (ana)gennao; 1 Petr. 1:3 en 23.
  • (wederom)geboren worden = gennao(anothen); Joh. 3:3 en 7.

Het werkwoord “gennao”, dat duidelijk de grondvorm van deze uitdrukkingen is, en waarvan het zelfstandig naamwoord “genesia” werd afgeleid, heeft echter een veel ruimere betekenis dan ons “geboren worden”. In het algemeen betekent het “maken” of “scheppen”, “produceren” dus. In alle voorkomende gevallen is “gennao” tot tevredenheid te vertalen met “voortbrengen” zodat dit laatste woord in feite de meest juiste vertaling is. Gennao is dus voortbrengen, maar het zegt niets over de wijze waarop wordt voortgebracht. Of het betrekking heeft op het ambachtelijk produceren of het geslachtelijk voortbrengen, de voortplanting, kan slechts blijken uit het gezinsverband. Wanneer het betrekking heeft op de voortplanting (er wordt een persoon voortgebracht) en de voortbrenger is een vrouw, dan wordt gennao vertaald met baren (b.v. in Luk. 1 : 13) Is daarentegen in hetzelfde geval de voortbrenger een man, dan wordt gennao vertaald met gewinnen of verwekken (b.v. Matth. 1: 2 e.v.)

Deze twee mogelijkheden komen ook nadrukkelijk naar voren in het gesprek tussen de Heer en Nicodemus. Wanneer de Heer spreekt over wedergeboren worden, vat Nicodemus dat op als een vrouwelijke activiteit. “Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren (gennao) worden?” Maar het antwoord, dat hij krijgt luidt: ”Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.” De Heer had hier niet een vrouwelijke, maar een mannelijke activiteit op het oog; geboren worden uit de Geest. Geest is per definitie altijd mannelijk, maar bovendien verdwijnt daarover alle twijfel, wanneer wij ons realiseren, dat hier gesproken wordt over de Geest van God, die toch moeilijk vrouwelijk genoemd kan worden. Strikt genomen zou “gennao” hier dus vertaald moeten zijn met “verwekken”, maar dan zou het onbegrijpelijk worden, waarom Nicodemus aan de moeder dacht, in plaats van de vader. Dit zelfde verschijnsel treedt overigens ook op in 1 Petrus 1: 3. De Statenvertaling zegt daar, dat “… de God en Vader van onze Heere Jezus Christus ons heeft wedergeboren. De voortbrenger is hier mannelijk, zodat eigenlijk vertaald zou moeten worden zijn met “verwekken”:  “… ons heeft verwekt…” dat is het werk van de Vader.

Maar als het daadwerkelijk vertaald zou zijn met verwekken, zouden wij onmiddellijk het verband zien met de woorden van de Heer tot Nicodemus missen. In het Nederlands lijkt het dan alsof daar over een heel ander onderwerp gesproken wordt. Daarom is het toch vertaald met “geboren worden”. Meer recente Nederlandse vertalingen hebben dit probleem opgelost, door te vertalen met “… deed geboren worden…” Hierbij wordt “verwekken” min of meer synoniem verklaard met “doen geboren worden”. Gennao kan dus vertaald worden zowel met verwekken als met baren, omdat het eigenlijk van toepassing is op het gehele wordingsproces van de mens, vanaf de bevruchting tot en met de bevalling. Indien dit waar is voor de natuurlijke geboorte, dan is dit ook zeker van toepassing op de wedergeboorte, waarin trouwens eveneens een “mannelijk” en een “vrouwelijk” aandeel valt te onderscheiden.

Om uit te drukken, dat deze geboorte een tweede geboorte is, maakt de Bijbel, zoals wij gezien hebben, gebruik van drie verschillende bijwoorden. De eerste hiervan is het voorvoegsel “pali!”, dat afgeleid is van ” palin”. Dit woord drukt herhaling van een beweging uit, maar bovendien ook een tegenstelling. Het kan daarom vertaald worden met ”opnieuw”, maar dikwijls ook met “daarentegen” Wanneer in de Bijbel dus sprake is van “paligenesia”, gaat het over de herhaling van een geboorte, maar het drukt tevens uit, dat deze tweede geboorte verschillend is van de eerste. Zoals we zullen zien, wordt dit verschil bepaald, doordat de ouders bij de tweede geboorte anderen zijn, dan bij de eerste geboorte, en daaruit volgt dan weer, dat ook datgene, wat als tweede verschijnt, fundamenteel verschilt van wat als eerste in de wereld geboren wordt. ” Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke” (1 Kor. 15: 46) Dit is op zichzelf een principe, dat we in de hele Bijbel terug vinden. Het heeft alles te maken met de vele kwesties over eerstgeboorterecht, dat bij herhaling gegeven werd aan de tweede in plaats van de eerste. Steeds wanneer dit in de Bijbel voorkomt is het een heenwijzing naar dit beginsel, dat zijn vervulling vindt in de wedergeboorte. Niet het natuurlijke, dat het eerst geboren wordt, ontvangt het eerstgeboorterecht, maar het tweede, dat geestelijk is en wordt voortgebracht door de wedergeboorte.

“Paligenesia” is dus de herhaling van een geboorte, en het wordt correct vertaald met “wedergeboorte”. Zuiver taalkundig is er geen enkele noodzaak om een andere uitdrukking voor hetzelfde verschijnsel te gebruiken. Dat de Bijbel desondanks toch twee andere bijwoorden in dit verband bezigt, kan alleen betekenen, dat deze twee bijwoorden met nadruk nog meer licht werpen op het karakter van de wedergeboorte.

Het meest bekende van die twee is “anothen”, dat de Heere Jezus uitspreekt in Zijn gesprek met Nicodemus in Joh. 3. Om onderscheid te maken wordt het daar vertaald met “wederom” i.p.v. “weder”. Toch is dit slechts een zeer oppervlakkige vertaling. De meest juiste vinden wij in Joh. 19:11: “Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet “van boven” gegeven ware. “ Hier wordt “anothen” vertaald met “van boven”, terwijl uit dit vers duidelijk blijkt, dat dit “boven” de hemel is, en overdrachtelijk is het God Zelf: “Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet “van God” gegeven ware. ” Anothen is dus niet slechts “wederom”, niet een eenvoudige herhaling, maar het wijst bovendien naar de oorsprong, de oorzaak der dingen.

Die betekenis heeft het dus ook in Luk. 1 : 3: “….. hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht… “. Lukas had de geschiedenis van de Heere Jezus inderdaad “opnieuw” en “van voren” onderzocht. Het was een “opnieuw”, omdat hij niet de eerste was, die dit ondernam, en het was “van voren” omdat hij van alle evangelisten de meeste nadruk legt op de geschiedenis van de menselijke geboorte van de Heiland. Maar “anothen” wijst hier bovenal op de oorsprong en bron van zijn onderzoekingen: de Heilige Geest of God Zelf. Het evangelie van Lukas heeft dan ook zeer terecht een plaats gevonden tussen de canonieke boeken van het Nieuwe Testament, omdat het door de Geest van God is geïnspireerd en voortgebracht (gennao) “Anothen” in verband met de wedergeboorte wijst dus niet alleen op een herhaling van een vroegere gebeurtenis, maar tevens op de oorsprong van die herhaling. Het wijst op de Verwekker van wat geboren wordt: de Heilige Geest. Vanzelfsprekend wordt dit bevestigd in het verdere gesprek met Nicodemus. In de verzen 5, 6 en 8 zegt de Heer, dat dit “gennao anothen” een geboren worden uit de Geest is.

Het derde bijwoord dat door Petrus gebruikt wordt, is “ana”, wat meestal vertaald wordt met “opnieuw”. Ook deze vertaling is eigenlijk veel te zwak. Ana geeft niet slechts een herhaling aan, maar tevens een richting: “omhoog”. De omhoog gerichte beweging in dit woord is dermate sterk, dat “ana” zelfs als commando gebruikt wordt in de zin van “sta op”. Opnieuw of overnieuw zijn redelijk goede, maar toch zwakke Nederlandse vertalingen, waarbij “op” of “over” de omhooggaande beweging uitdrukken. Zo kunnen wij iets opnieuw of overschilderen, waarbij de nieuwe verflaag over de oude komt te liggen. Die nieuwe laag ligt dan op een hoger niveau dan de oude. Deze opgaande beweging van “ana” wordt door Petrus bevestigd als hij “ana”gennao” in direct verband brengt met de opstanding van Christus (1 Petr. 1 : 3), en door de Heere Jezus, Die wedergeboorte noemt als de enige manier waarop men het Koninkrijk Gods kan binnengaan (Joh. 3 : 5)

Samenvattend komen wij nu tot de volgende conclusies:
  1. Wedergeboorte is niet slechts een opnieuw geboren worden, maar duidt op het gehele wordingsproces van de mens, vanaf de verwekking tot en met de bevalling. (gennao)
  2. Het is iets, dat opnieuw gebeurt (palin), maar dan
  3. met een andere, n.l. Goddelijke oorzaak (anothen) en
  4. met een andere, n.l. hemelse bestemming (ana)

Met name deze laatste twee punten onderscheiden de wedergeboorte van de natuurlijke. Een natuurlijke geboorte heeft een natuurlijke of vleselijke oorzaak: de ouders; en een natuurlijke of vleselijke bestemming: de dood. De wedergeboorte heeft een Goddelijke of Geestelijke bestemming: het eeuwige leven in het Koninkrijk Gods (Joh. 3 : 5)


Wedergeboorte als noodzaak

Wanneer de Heiland met Nicodemus spreekt over wedergeboorte, zegt Hij, dat die noodzakelijk is om het Koninkrijk Gods binnen te gaan. “Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3: 3) Nadat Nicodemus, de leraar van Israël, blijk heeft gegeven van zijn onkunde betreffende dit onderwerp, licht de Heere Jezus dit nader toe en zegt: “Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet ingaan” (vs. 5) Het Koninkrijk Gods is dus niet toegankelijk voor iemand, die slechts éénmaal geboren is. Ieder mens wordt van nature slechts eenmaal geboren, en is dus absoluut niet in staat dat koninkrijk binnen te gaan. Ieder menselijk streven om verzoend te worden met God is daardoor tot mislukking gedoemd! Alle menselijke pogingen, hoe vroom en religieus ook, om dat koninkrijk te beërven of zelfs te vestigen, zijn volgens de woorden van de Heiland ijdel. Er is maar één manier om dit te bereiken: men moet wedergeboren worden! Hoe men dit ook opvat, het wedergeboren worden is niet iets, dat men zelf teweeg kan brengen. Net zo min als men de hand heeft gehad in zijn eerste, natuurlijke geboorte, kan iemand zijn wedergeboorte bewerkstelligen. Natuurlijk is wedergeboorte een activiteit, maar niet van degene, die geboren wordt, maar van Hem, Die voortbrengt. De natuur die wij door onze geboorte ontvingen, is niet in staat om dat Koninkrijk Gods binnen te gaan, maar ook niet in staat om zichzelf zodanig te veranderen of te verbeteren, dat hij alsnog geschikt wordt voor dat doel. De Bijbel is zeer expliciet, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen” (1 Kor. 15 : 50) Ieder, die slechts éénmaal geboren is, is vlees en bloed. Er wordt in deze Schriftplaatsen niet gesproken over de levenswandel van de mens, of over zijn verdiensten, maar over wie en wat hij van nature door zijn geboorte is. Doorslaggevend is hier niet hoe hij is; niet zijn daden, maar zijn wezen maken iemand al of niet geschikt voor dat koninkrijk. Tekenend is het, dat juist diegenen, die sterk de nadruk leggen op het praktiseren van wettische en religieuze leefregels, zich maar al te goed bewust zijn, dat al deze goede werken hen niet verzoenen met God, en dat zij ondanks al die werken vlees en bloed en dus zondaren blijven, die in feite geen recht op een andere toekomst kunnen laten gelden, dan de eeuwige verdoemenis, buiten de gemeenschap met God. “Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem” (Rom. 3:20) want “Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen “ (Gal. 3 : 10)

Hoe goed wij ook ons best doen ons zelf te verbeteren door het naleven van een bepaald gedragspatroon, wij blijven vlees en bloed, en “die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen” (Rom. 8: 8) Wij zouden er beter aan doen ons te bekommeren om onze zaligheid, in plaats van ons bezig te houden met allerlei wettische inzettingen, “welke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwillige godsdienst, en nederigheid en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees” (Kol. 2 : 23) Het volbrengen van bepaalde leefregels mag dan de mens zelf misschien tot tevredenheid stemmen, hoewel ik betwijfel of dit ooit het geval is; de praktijk is meestal tegenovergesteld; voor onze zaligheid heeft het niet de minste betekenis! Een wettisch leven is “tot verzadiging van het vlees” en “het bedenken des vleses is vijandschap tegen God; want het (vlees) onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet” (Rom. 8: 5”8) “Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem” (Rom 3: 20; Gal. 2 : 16)

De tekortkoming schuilt echter niet in de wet, maar in de aard van de mens, die onder de wet gesteld werd! “Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig en goed… Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde “ (Rom. 7: 12, 14)  De wet zegt: Doe dit, en gij zult leven. Maar deze opdracht is gericht tot mensen, die slechts eenmaal geboren zijn, en dus niet in staat zijn om “dit te doen”. “Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede, dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik” (Rom. 7: 18,19) Dat is niet alleen een bekentenis van Paulus, die vóór zijn bekering zovele jaren onder de wet geleefd had; het is ook de verkorte biografie van ieder mens. Sterker nog: Het is een natuurwet, een ijzeren regel, waaraan de gehele oude natuur, zoals ook wij die bij onze geboorte ontvingen, onderworpen is. “Zo vind ik dan deze wet in mij: Als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bij ligt. “ Ieder, die zich onder een wet stelt, zal, als hij eerlijk is, de juistheid van deze wet moeten bevestigen, en met Paulus zeggen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods” (Rom. 7: 24) Want dat is wat nodig is: we moeten bevrijd worden van onze oude natuur en daarvoor in de plaats een nieuwe ontvangen, die niet aan deze ”wet der zonde en des doods” onderworpen is, maar aan de “wet des Geestes des levens in Christus Jezus” (Rom.8: 2)

De enige weg die daartoe leidt is wedergeboorte. “Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet ingaan.”


De oorsprong van de zonde

De grote fout zit volgens de Bijbel blijkbaar niet in het menselijk gedrag, of in de wet Gods, maar in de menselijke natuur. Om voor eeuwig gered te kunnen worden is het dus noodzakelijk, dat hij op één of andere wijze van die vleselijke natuur verlost wordt. De vraag naar de verlossing van de oude mens roept echter eveneens de vraag op waar die oude natuur haar oorsprong heeft gevonden.

Wij hebben reeds gezien, dat de menselijke natuur in de Bijbel “vlees” wordt genoemd. In Zijn gesprek met Nicodemus over wedergeboorte, zegt de Heer, dat vlees uit het vlees geboren wordt (Joh. 3: 6) Vlees wordt voortgebracht (gennao) door het vlees. Onze oude natuur hebben wij dus geërfd van onze ouders, die op hun beurt weer erfelijk belast waren door hun ouders enz…..  Deze lijn voert ons zo terug tot de gemeenschappelijke stamvader van alle mensen, Adam; want God “heeft uit één bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt” (Hand. 17: 26) Via onze geboorte hebben wij onze vleselijke natuur dus uiteindelijk geërfd van Adam. “Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben” (Rom. 5: 12) Deze éne mens, de verwekker van de gehele mensheid, was degene, die de zonde in de wereld introduceerde, en daarmee ook de gevolgen van de zonde: de dood. “Want de bezoldiging der zonde is de dood” (Rom. 6 : 23)

Dit feit, dat alle mensen zondaren zijn door hun afstamming van Adam, vinden wij in Rom. 5: 12 t/m 21 vele malen bevestigd:

“…. indien, door de misdaad van één, velen gestorven zijn… ”
“…. gelijk de schuld was door den één, die gezondigd heeft… ”
“…. de schuld is wel door één misdaad tot verdoemenis… ”
” …. want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien énen…”
“.… gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis….. ”
“…. gelijk door de ongehoorzaamheid van dien énen mens velen (allen, behalve de Heere Jezus!) tot zondaars gesteld zijn geworden…… “

Het leven van de mensheid, de vele miljoenen, die van Adam afstammen, werd dus reeds bij de bron aangetast en besmette elk individu al voordat hij geboren werd. Vandaar dat die mensheid omschreven wordt met de uitdrukking: ” kinderen der ongehoorzaamheid” (Ef. 2: 2) Wij zijn dus erfelijk belast met de zonde, om de eenvoudige reden, dat wij “in Adam” waren, toen hij door één misdaad een zondaar werd: “In welken (Adam) allen gezondigd hebben” (Rom. 5: 12)

De gedachte, dat iemand een aandeel heeft in een daad die één van zijn voorouders beging, zal ons misschien verbazen. Toch vinden wij dit principe met nadruk in de Bijbel bevestigd. In Hebreeën 7 wordt geleerd, dat Levi “tienden” gegeven heeft aan Melchizedek, terwijl volgens de geschiedenis zijn overgrootvader Abraham de man was, die zoveel eer bewees aan de priester en koning van Salem. Volgens de Bijbel echter gaf ook Levi zijn tienden “want hij was nog in de lenden des vaders, als hem Melchizedek tegemoet ging” (vs. 9 en 10) Op diezelfde wijze hadden wij deel aan de misdaad van Adam, omdat wij nog in zijn lenden waren, toen hij zondigde. Vandaar: “In wien allen gezondigd hebben”.

Wat deze schriftplaatsen ons leren, wordt over het algemeen maar weinig begrepen. Veelal denkt men, dat men een zondaar is, omdat men zonden doet. Natuurlijk is het waar, dat iemand, die zondigt, vanaf dat moment een zondaar is. Maar onze eerste zonde begingen wij niet in onze kinderjaren, maar toen wij nog in Adam waren! Het gevolg hiervan is, dat wij als zondaar werden geboren!

Vereenvoudigd komt het er op neer, dat de regel, dat iemand een zondaar wordt zodra hij zondigt, alleen van toepassing is geweest op onze gemeenschappelijke stamvader Adam. Hij was van nature geen zondaar, maar hij werd het doordat hij uit vrije wil zondigde. Bij al zijn afstammelingen ligt de zaak feitelijk precies andersom. Door hun afkomst zijn zij zondaren, en daarom zondigen zij! Zij hebben wat dat betreft feitelijk geen vrije keuze, want zij kunnen niet anders dan zondigen.

Wat ons tot zondaren maakt, zijn niet onze persoonlijke zonden; die zijn gevolg, geen oorzaak; maar onze Adamietische afkomst. Ons slechte gedrag maakt ons geen kinderen van Adam, en ons goede gedrag, zo daar al sprake van zou kunnen zijn, maakt ons geen kinderen van God! Een mens zondigt dus omdat hij een zondaar is, en beslist niet andersom.


Zonde en vlees

Van Adam ontvingen wij dus ons “vlees” zowel als de zonde. Veelal bestaat de indruk, dat deze beiden identiek zijn, omdat de bijbel de begrippen vlees en zonde dikwijls aan elkaar koppelt. Deze verbinding bewijst de nauwe verwantschap die tussen beide begrippen bestaat, maar daarom zijn zij nog niet identiek! Vlees is de aanduiding van de menselijke natuur, zoals Adam die oorspronkelijk ontving. Zonde zou men kunnen omschrijven als de ongeneeslijke ziekte, waarmee dat vlees sinds diezelfde Adam besmet is geworden. Het vlees is op zichzelf een schepping van God, en kan dus moeilijk slecht genoemd worden. Door de “éne misdaad” van Adam werd het vlees echter geïnfecteerd met een “ziekte”, die de Bijbel zonde noemt en die onweerstaanbaar de dood tot gevolg heeft. Door Adam is de zonde in de wereld gekomen, maar het vlees werd oorspronkelijk door God Zelf voortgebracht. Wanneer de Bijbel het vlees zondig noemt, is dit een beschrijving van de huidige situatie, zoals die sinds de zondeval van Adam geworden is, maar niet van de toestand van het vlees onmiddellijk na Adams schepping!

Wanneer het geoorloofd is om een gelijkenis van eigen makelij te introduceren, zouden wij de mensheid willen vergelijken met een boom, waarvan Adam de wortel is en waarbij de stam en takken, de bladeren en vruchten zijn afstammelingen voorstellen. Deze “stamboom” in zijn totaliteit is “vlees”. Maar deze boom is ernstig ziek, doordat een parasiet zich heeft genesteld in zijn wortels, maar ook de stam en alles wat daaruit voortkomt zijn aangetast. Het zal duidelijk zijn, dat deze boom en zijn ziekte niet identiek zijn. Vlees is per definitie niet hetzelfde als zonde, maar zij zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden, in die zin, dat het vlees onderworpen is aan en een slaaf is van de zonde. De zieke boom is absoluut niet in staat om gezonde vruchten te produceren, hoe graag hij ook zou willen. Zo is ook de mens, het vlees, niet in staat om goed te doen. Allen zijn zij afgeweken, te samen (dus niet individueel, maar collectief: in Adam) zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe” (Rom. 3: 12) Zo zijn wij ook slaven van de zonde, die over ons heerst en ons onstuitbaar voert naar de dood. “…. want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien énen…… “ (Rom. 5 17)

“…. Weet gij niet, dat… gij dienstknechten (slaven) zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt… der zonde tot de dood…” (Rom. 6: 16)

” Maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde…… ” (Rom. 7: 14)

“Zo dan, ik zelf dien… met het vlees de wet der zonde” (Rom. 7: 26)

“Want het bedenken des vleses is de dood” (Rom. 8: 6)

“Een ieder die de zonde doet is een dienstknecht (slaaf) der zonde” (Joh. 8: 34)

“Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven” (Rom. 8: 13)

Vlees en zonde behoren dus bij elkaar, omdat de zonde zich als het ware in het vlees genesteld heeft, maar zij zijn niet identiek. In feite kent de Bijbel twee personen, die wel vlees, dus een menselijke natuur hadden, maar niet onderworpen waren aan de zonde. De eerste was Adam in de periode tussen zijn schepping en zondeval. De tweede wordt “de laatste Adam” of “de tweede Mens” genoemd, en Hij is de “Heer uit de hemel (1 Kor. 15: 45, 47) De Heiland had een menselijke natuur ontvangen via Zijn moeder, en Hij noemt Zichzelf dan ook bij voorkeur `de Zoon des mensen”, d.i de Zoon van de mens, Adam. Dat zijn menselijke natuur eveneens omschreven wordt met de aanduiding “vlees” blijkt uit vele schriftplaatsen:

  • “… En het Brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld… ” (Joh. 6 : 51)
  • “…En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond “ (Joh. 1: 14)
  • “…Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees” (Rom. 1: 3)
  • “…. God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses..” (Rom. 8: 3)
  • “…Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden” (Hebr. 2: 14)

Door Zijn vleeswording (incarnatie) kwam Christus in het bezit van een werkelijk vleselijke natuur. Hij kwam niet alleen tot de Zijnen, maar Hij kwam ook in gelijkheid aan hun eigen vlees. Vanzelfsprekend moeten wij hier het verschil zien tussen een vleselijke en een zondige natuur. Christus had een vleselijke natuur zoals wij die ook hebben, met dit onderscheid, dat ons vlees is geïnfecteerd met de zonde, terwijl Zijn vlees zonder zonde was. Want wij hebben een Hogepriester “Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde” (Hebr. 4: 15) “Geen zonde is in Hem” (Joh. 3: 5)

Dit alles brengt ons bovendien tot de conclusie, dat de menselijke, vleselijke natuur waarschijnlijk geërfd wordt van beide ouders, terwijl de zonde zich uitsluitend vererft via de mannelijke zijde. De Heere Jezus was geboren uit een vrouw, van wie Hij Zijn menselijke natuur erfde, terwijl Hij desondanks toch zonder zonde was. Wat Hij in vergelijking met ons miste waren dus twee dingen: een natuurlijke vader en de zonde. Hieruit valt te concluderen, dat de afwezigheid van de vader verantwoordelijk is voor de afwezigheid van de zonde. Niet de moeder maar slechts de vader heeft een aandeel in de voortplanting van de zonde en daarmee de dood. Dit wordt ook bevestigd in alle teksten die spreken over de oorsprong van de zonde in de mensheid. Eva was de eerste mens die zondigde en daarmee zondaar werd; doch niet zij, maar Adam wordt aangewezen als de persoon die verantwoordelijk is voor de zonde, die “tot alle mensen doorgegaan” is. Hoewel allen toch eveneens afstammen van Eva, zijn zij geen zondaren “in Eva”, maar “in Adam”!

Deze natuurwet, dat de zonde geërfd wordt van de vader, ligt ten grondslag aan de geboorte van de Verlosser uit een maagd. Immers, indien Christus uit het zaad van Jozef geboren zou zijn, zou Hij net als ieder ander mens erfelijk belast zijn geworden met de zonde, en dus “des doods schuldig ” geweest zijn. In dat geval zou Hij niet hebben kunnen sterven voor onze zonde, maar Hij zou hebben moeten sterven voor die van Hem Zelf. Vandaar, dat reeds direct na de zondeval, in de eerste Bijbelse profetie over de komst van de Redder van de wereld, gesproken wordt, niet over het zaad van een man, maar over het “Zaad der vrouw” (Gen. 3 : 15) Zij, die niet geloven in de maagdelijke geboorte van Christus zouden dus logischerwijze ook niet mogen geloven in Zijn verzoenend sterven. Hij zou voor die priesterlijke taak volkomen ongeschikt zijn!

Het feit, dat de Heere Jezus een vleselijke natuur had, die niet was aangetast door de zonde, impliceert, dat Zijn vlees van nature ook niet sterfelijk was. Aangezien volgens Gods Woord de dood het gevolg is van de zonde, had de dood van nature geen macht over de Heiland. Dat Hij desondanks stierf, was omdat Hij voor de wereld tot zonde gemaakt werd! Hij nam vrijwillig de zonde der wereld op Zich en als consequentie daarvan legde Hij vrijwillig Zijn leven af! Zijn eigen woorden bevestigen dit:

“Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen” (Joh. 10: 17,18)

Van een natuurlijke vader zou Hij door de zonde onderworpen geweest zijn aan de wetmatigheid, dat het ontvangen leven afgenomen, geroofd, wordt; maar van Zijn hemelse Vader ontving Hij de wetmatigheid (gebod),dat Hij niet onderworpen was aan de dood, maar dat de dood onderworpen was aan Hem! Zijn hemelse Vader had Hem lief, juist omdat Hij vrijwillig van die mogelijkheid om het leven af te leggen gebruik maakte! De apostel Paulus sluit zich bij deze woorden van de Heiland aan, als hij zegt: “En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises” (Fill 11. 2: 8)

Ook nadat Hij de gedaante van een mens had aangenomen, heeft Hij Zichzelf vernederd, door, in gehoorzaamheid aan Zijn Vader, Zichzelf te onderwerpen aan de dood! Dit was geen uitvloeisel van Zijn mens zijn, maar een verdere vernedering, als de gehoorzame “Knecht des Heeren”.

“…. door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen,… omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is gesteld geweest, en Hij veIer zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft” (Jes. 53 : 11, 12)

“Gelijk de Zoon des Mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en om Zijn ziel (= psuche = leven) te geven tot een rantsoen voor (= anti = in de plaats van) velen” (Matth. 20: 28)

Zijn leven werd Hem niet ontnomen; Hij gaf Zijn leven! Op een tijdstip, waarop naar de mens gesproken de dood nog niet kon zijn ingetreden, boog Hij het hoofd en gaf de geest (Joh. 19 : 30)


Zonde en zonden.

Zonde en vlees zijn dus niet identiek, maar zij zijn erfelijk aan elkaar verbonden en door die verbinding is het vlees sterfelijk. “De bezoldiging der zonde is de dood.” Let wel: dood is niet het gevolg van zonden, maar van de zonde. De boom sterft niet omdat zijn vruchten ziek zijn, maar omdat hij zelf ziek is.

Dit brengt ons bij het belangrijke onderscheid, dat de Bijbel maakt, tussen zonde en zonden. Dit verschil is geen zaak van een aantal of van enkelvoud of meervoud, het is veel meer dan dat. De zonde heeft te maken met de natuur, die ieder mens eigen is. Zonden zijn daarentegen de verkeerde daden van een menselijk wezen, die strikt verbonden zijn aan zijn persoon. Tot hier toe hebben wij nog niet gesproken over zonden, de zondige werken van een mens, maar over de zonde, de boze natuur of aard van de vleselijke mens. Wanneer wij het beeld van de zieke boom deze keer op het individu van toepassing brengen, wordt de zondaar vertegenwoordigd door de boom zelf, terwijl de zieke vruchten de zonden, de werken van de zondaar, voorstellen. De dood van een zondaar is niet het gevolg van de zonden, die hij zeker begaan heeft, en waarvoor hij persoonlijk verantwoordelijk is; maar het is de consequentie van zijn van Adam geërfde zondige natuur. De boom sterft aan zijn ziekte en niet aan zijn vruchten. Zo sterft een zondaar aan zijn zonde en niet aan zijn zonden.

De “éne misdaad” van Adam is verantwoordelijk voor de macht, die de dood uitoefent over zijn hele nageslacht. Het bewijs van deze stelling wordt in de praktijk geleverd door het feit, dat onschuldige kinderen, die nog nimmer zonden begaan hebben, en ook anderen, die om één of andere reden niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun daden, even sterfelijk zijn als de ergste misdadiger.

“Maar de dood heeft geheerst…. ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam…” (Rom. 5 : 14)

De dood is dus niet het gevolg van de werken, maar van de natuur van de mens.

“Gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood

“Gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood…… “

“…Gij zijt dienstknechten der zonde tot de dood…… “

“Want de bezoldiging der zonde is de dood.”

“De prikkel nu des doods is de zonde.”

“Want de zonde... heeft mij verleid… en gedood.”

“…. Maar de zonde is mij de dood geworden… “ (Rom. 5:12,21; 6:16,23; 1 Kor. 15:56; Rom. 7:11,13)


Dood
en zonde zijn dus met elkaar verbonden. Zo zegt ook Paulus over de dood van de Heere Jezus:

“Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven (Rom. 6: 10)

Maar ook zonden hebben hun “bezoldiging”. “Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alIe goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen… ” (Rom. 1: 18)

“Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelven toorn als een schat, in de dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, welke een ieder vergelden zal naar zijn werken(Rom. 2: 5, 6)

 

Tijdens zijn leven verzamelt de mens een hoeveelheid schuld, die evenredig is aan, en het gevolg is van zijn werken, zijn zonden. Deze schuld wordt dus groter naarmate hij ouder wordt en/of meer gezondigd heeft. De Oudtestamentische doodstraf is in het zicht van de eeuwigheid dus nog niet zo hardvochtig als hij er op het eerste gezicht misschien uitziet. Wanneer iemand gestorven is, is hij immers niet meer in staat om door het begaan van zonden zijn schuld voor God te doen toenemen! Maar voor de gemaakte schuld zal een ieder zich voor God moeten verantwoorden “in de dag… der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods” (Rom. 2: 5, 6) Deze “dag der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods” wordt in het kort beschreven in Openbaring 20: 12 en 13:

“En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is: en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren; en dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.”

Ieder mens wordt door God geoordeeld naar zijn werken, die blijkbaar tijdens zijn leven worden opgetekend in de Goddelijke boekhouding. Een volledig besef van wat dat betekent, moet een mens welhaast krankzinnig maken! Er wordt een boekhouding bijgehouden van alle zonden, die iemand tijdens zijn leven begaat, terwijl hij niet eens tot iets anders dan zondigen in staat is; en die boekhouding zal tegen hem gebruikt worden tijdens het proces, dat hem te wachten staat! Overigens wordt de straf over de zonden niet tijdens dit leven ten uitvoer gelegd, zoals sommigen bij gelegenheid schijnen te denken, maar pas na dit oordeel voor de “grote witte troon”.

De toekomst van een niet wedergeboren mens is volgens de Bijbel dus in eerste instantie de dood, als gevolg van de zonde; en in tweede instantie het rechtvaardig oordeel van God over de zonden, de werken, die door de zondaar werden voortgebracht. ” ….. gelijk het de mens gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeel (Hebr. 9: 27)

Velen schijnen te menen, dat het met hen wel zal meevallen, omdat zij naar hun eigen opvatting toch een goed en misschien zelfs wel christelijk leven geleid hebben. Maar hun opvatting doet hier helemaal niets ter zake! Gods
oordeel is, dat in de mens absoluut geen goeds woont. (Rom. 3: 10 – 18) Wat ieder zondaar te wachten staat, is de poel des vuurs, als de plaats, waar het vonnis over zijn zonden ten uitvoer zal worden gelegd.

“En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des Ievens, die werd geworpen in de poel des vuurs… dit is de tweede dood (Op. 20 : 15, 14)

Zo is de toekomstverwachting voor ieder levend menselijk wezen! Wij hoeven ons bepaald geen illusies te maken over de positie die wij van nature tegenover God innemen. Die positie is volkomen hopeloos, door de twee dingen, die onze relatie met God verbroken hebben: onze zonde en onze zonden. Over beiden zal een rechtvaardig God Zijn rechtvaardig oordeel uitspreken! Wanneer wij voldoende doordrongen zijn van de macht der zonde in ons sterfelijk lichaam, zijn wij ons ook bewust, dat wij niets goeds te wachten hebben van een rechtvaardig God.

“Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods” (Hebr. 10: 30, 31)


De Verlosser

God is echter niet uitsluitend rechtvaardig! Ondanks onze wandaden heeft Hij ons lief. Vanzelfsprekend wordt de liefde van God voor de zondaar niet door de zondaar zelf opgewekt of gestimuleerd. God heeft ons lief, omdat Hij Zelf liefde is, “want God is liefde” (1 Joh. 4 : 8), en tevens, omdat wij “het werk Zijner handen” zijn. Wij zijn Zijn maaksel! Wij doen ongetwijfeld een stap in de goede richting, wanneer wij tot de overtuiging komen, dat de gehele mensheid van nature verloren is. De mensheid is verloren, maar wiens verlies is dat; wie heeft de mensheid verloren? Wie was de eigenaar? Onze gedachten treden slechts zelden buiten onszelf. Wanneer wij zeggen, dat wij verloren zijn, denken wij gewoonlijk alleen aan de gevolgen daarvan voor onze eigen persoon. Wij zijn echter niet verloren voor onszelf, maar voor God. Als een eigendom verloren raakt, is dat in de allereerste plaats een verlies voor de eigenaar; en wanneer het teruggevonden wordt, is dat tot vreugde van de eigenaar. Dat is ook de strekking van de gelijkenissen in Lukas 15 over het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon!

“Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert… “ (Luk. 15 : 7)

“Alzo zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert. “ (Luk. 15 : 10 )

“Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren en is gevonden” (Luk. 15 : 32)

Wij zijn niet het eigendom van onszelf, maar als schepselen zijn wij het eigendom van onze Schepper. Daarom is het in de eerste plaats Gods zaak, dat Hij voorziet in een verzoening voor de zondige mensheid, en dat Zijn Zoon “is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was” (Luk. 19: 10; Matth. 18: 11)

Psalm 69 geeft een beschrijving van het lijden van de Heere Jezus, als de weg tot de zaligheid. In vers vijf daarvan lezen wij:

” Die Mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren Mijns hoofds; die Mij zoeken te vernielen, die Mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat Ik niet geroofd heb, moet Ik alsdan wedergeven”.

Wat had Hij niet geroofd en wat heeft Hij wedergegeven?

Ongetwijfeld gaat het hier om het eigendom, dat door de zonde aan God ontstolen was, en dat door het offer van de Heere Jezus weer aan Hem werd teruggegeven. Dit is het Goddelijk aspect van de verzoening. Niet het Schepsel, maar de Schepper staat centraal in het verlossingswerk van Christus! Dit verlossingswerk heeft in eerste instantie een tweeledig doel: Het moet voorzien in een oplossing voor de zonden en het moet voorzien in een oplossing voor de zonde.


Verlossing van de zonden

Van de zonden hebben wij gezien, dat die aan de hand van de boeken geoordeeld zullen worden voor de “grote witte troon” van God. De straf der zonden is toorn.

” Want de toom Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen… “ (Rom. 1: 18)

“Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelven toorn “ (Rom. 2: 5)

“Maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3: 36)

Van deze toorn Gods wordt niet gezegd, dat die geopenbaard wordt door het Evangelie, maar “van de hemel”. De toorn Gods maakt geen deel uit van het Evangelie, want het is zeker geen blijde boodschap. Het komende oordeel is bovendien zeker niet populair, en komt ook daarom waarschijnlijk zo weinig voor in de prediking in onze dagen. In deze tijd, die geregeerd wordt door democratische beginselen, is de prediking van de kansels veelal meer in overeenstemming met de “wil van het volk”, dan met de wil van God. Men kan vandaag meer horen spreken over wat de mens doet, en over wat hij naar zijn eigen mening zou moeten doen, dan over wat God gedaan heeft, en over wat Hij nog zal doen! Wat God nog zal doen, is het oordeel uitspreken en uitvoeren over de zonden van ieder mens. Wat God gedaan heeft in het verleden, is de mogelijkheid scheppen, om aan dat rechtvaardig oordeel te ontkomen!

Hij heeft de toorn, die over ons zou moeten komen, uitgestort over Hem, Die in onze plaats wilde staan! Gods Eigen Zoon droeg de straf, die ons de vrede aanbracht!

“Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen;…. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden” (Jes. 53 : 4, 5)

Opvallend in dit Schriftgedeelte is, dat alle dingen, waarvoor de Heiland leed, in het meervoud staan! Hier wordt niet gesproken over de zonde, onze natuur, maar over zonden! Er wordt gesproken over krankheden, smarten, overtredingen, ongerechtigheden. Het lijden dat op Christus kwam (1 Petr. 1: 11 ) was een gevolg van onze zonden, die Hij in Zijn lichaam aan het hout bracht. Dit lijden van Christus was het gevolg van de toorn van God, die ontbrandde over onze zonden, die de Heere Jezus voor ons op Zich genomen had.

Wij spreken hier nog niet over het sterven van de Heiland, maar over het lijden, dat daar aan vooraf ging. Dood is het gevolg van zonde, lijden is het gevolg van zonden. Het lijden van Christus wordt altijd in verband gebracht met zonden, terwijl Zijn dood in verband staat met zonde.

Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het Hout”  (1 Petr. 2 : 24)

“Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen “ (1 Petr. 3: 18)

“Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veIer zonden weg te nemen, zal ten andere male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid” (Hebr. 9: 28)

“Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden… .“ (Gal. 1 : 4)

“Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking “ (Rom. 4: 25)

“….Alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derde dage; en in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden (Luk. 24 : 46)

Opvallend is, dat in beide laatstgenoemde verzen wel gesproken wordt over zonden en lijden, maar niet over zonde en sterven! Ook hier wordt onderscheid gemaakt tussen deze in wezen verschillende zaken.

Het lijden van Christus is dus het middel waardoor God in staat werd gesteld om ons onze zonden te vergeven! Hij onderging dit lijden dan ook niet als een Dienstknecht van mensen, maar als een Dienstknecht van God! In Jesaja 52 en 53, waar dit lijden beschreven wordt, noemt God Hem dan ook “Mijn Knecht” (52: 13) en “Mijn Knecht, de Rechtvaardige” (53: 11)

Zonden behoren op rechtvaardige wijze bestraft te worden, en van een God, Die rechtvaardig is, moeten wij ook zeker verwachten, dat Hij dit zal doen. Maar rechtvaardigheid sluit vergeving uit! Een rechter behoort rechtvaardig te zijn en daarom verwachten wij van hem zeker niet, dat hij de verdachte vergeving zal schenken. Dat onze rechtvaardige God en Rechter ons desondanks vergeving kan geven, is omdat de straf voor onze zonden al door de Heere Jezus op Zich genomen en gedragen is, “zodat Hij (God) Zelf rechtvaardig is, ook als Hij (God) hem rechtvaardigt, die uit het geloof van Jezus is” (Rom. 3: 26 Vert. N.B.G)

Het heerlijke resultaat hiervan is:

“Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn; Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent” (Rom. 4: 7, 8; Ps. 32 : 1)


Verlossing van de zonde

De toorn voor onze zonden is dus reeds door de Heere Jezus gedragen, maar daarmee zijn wij er nog niet! Onze zonden zijn vergeven, maar hoe worden wij verlost van de zonde? De gevolgen van de ziekte zijn weggenomen, maar daarmee zijn wij nog niet gezond! Ook wanneer alle symptomen van een ziekte zijn onderdrukt, is de patiënt nog niet genezen.

In principe kent de Bijbel slechts één manier, om van zonde gerechtvaardigd te worden; dat is sterven! Het klinkt inderdaad wel erg hard, maar de dood is de enige weg om van een ongeneeslijke ziekte bevrijd te worden. Hoe dikwijls laten wij niet de woorden klinken: “Het is maar beter zo”, wanneer iemand na een langdurige lijdensweg is overleden? De dood is niet alleen het gevolg van de zonde, maar eveneens het eind ervan. De teksten, die wij geciteerd hebben om aan te tonen, dat de dood het gevolg is van de zonde, zeggen tevens, dat de dood het eindpunt is van de zonde.

“…. Gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood” (Rom. 5: 21)

“Weet gij niet, dat … gij dienstknechten zijt … der zonde tot de dood” (Rom. 6: 16)

“Want toen gij dienstknechten waart der zonde… het einde derzelve is de dood” (Rom. 6:20, 21)

“Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde”  (Rom. 6: 7)

Dit feit, dat iemand, die gestorven is, gerechtvaardigd is van de zonde, verklaart waarom een mens in het toekomend oordeel nog slechts verantwoording moet afleggen over zijn zonden! Alleen zijn werken en de gevolgen daarvan moet hij nog onder ogen zien; zijn zondige natuur heeft hij tegelijk met zijn vleselijk lichaam afgelegd!

Bovendien is het de grondslag voor het behoud van alle kinderen, die stierven voordat zij zonden begaan hadden, en van allen, die om andere redenen niet voor hun eigen daden verantwoordelijk geacht kunnen worden. Hun zondige natuur verloren zij bij hun sterven, en zij hebben geen werken gedaan, op grond waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden! Op zichzelf is dit natuurlijk een positief geluid, maar het neemt niet weg, dat wij dan toch tijdens ons aardse leven gebukt zouden moeten gaan onder de slavernij van de zonde, en daarvan tot aan onze dood niet verlost zouden kunnen worden. Op die wijze is de levende mensheid dan toch verloren voor God, zelfs al zou ieder lid van die mensheid vergeving voor zijn zonden ontvangen hebben. Ondanks die vergeving blijft hij een mens van vlees en bloed, die besmet is met de zonde en daarom ongeschikt voor het koninkrijk Gods. Want….

….”dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen” (1 Kor. 15: 50)

Oppervlakkig bezien lijkt het er zo op, dat wij dus van onze zonde verlost moeten worden door een dood, die daarmee onze vriend geworden is. Toch is de dood volgens 1 Kor. 15 : 26 onze vijand, en wel omdat hij een eind maakt aan het leven, dat oorspronkelijk door God geschapen werd. De dood behoort niet tot de scheppingen van God; hij maakt een eind aan Zijn scheppingen. De dood is de laatste vijand en bepaald geen vriend. Al onze gevoelens en ervaringen kunnen dit onomstotelijk bevestigen.

Het tragische van de dood is, dat die een eind maakt aan ons leven op het exacte tijdstip, waarop dat leven eventueel zinvol zou kunnen worden, en zou kunnen gaan beantwoorden aan het doel, dat God met alle menselijk leven voor ogen heeft gestaan. Wanneer onze zonden door het lijden van de Heiland vergeven zijn, en onze zondige natuur door onze eigen dood is weggenomen, zouden wij in precies dezelfde situatie terechtkomen als die van Adam, zoals hij door God geschapen werd: onschuldig; met dit grote verschil, dat Adam toen begon te leven en wij dan zojuist daarmee zijn opgehouden!

Het is niet moeilijk om in te zien, dat Adams bestaan volkomen zinloos geweest zou zijn, als hij op de dag van zijn schepping door God weer zou zijn weggenomen. In een gelijksoortige positie bevinden wij ons, als onze zonden vergeven zijn, en onze zonde door de dood is verdwenen; op dat moment hebben wij geen leven meer voor ons en is ons aardse bestaan volkomen zinloos geweest, terwijl de kosten zeer hoog waren: het lijden van de Christus voor onze zonden!

“Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam” (1 Petr. 1 : 18, 19)

In dat geval zou ons aardse leven een verloren leven geweest zijn, zonder ook maar de geringste vrucht of opbrengst, maar tegen een wel bijzonder hoge prijs! Dan zou Satan er inderdaad in geslaagd zijn, om Gods schepping aan Zijn macht te ontrukken en te vernietigen. Zo sterk is de macht van de laatste vijand: hij maakt ons een waardevol bestaan onmogelijk!

Maar ook dit verlies is Gods verlies. Daarom is het God Zelf, Die niet alleen het probleem van de zonden oplost, maar ook het probleem van de zonde.

Toorn is de straf op de zonden; die werd voor ons gedragen door de Heere Jezus. De dood is de “bezoldiging der zonde“, en ook die heeft de Heiland voor ons ondergaan. Zijn lijden had betrekking op hoe wij waren, terwijl zijn sterven verband houdt met wie wij waren:

“Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren” (Rom. 5: 6, 8)

Nadat de Heer geleden had voor onze zonden, moest Hij nog sterven voor onze zonde, die Hij eveneens op Zich genomen had. Zijn lijden bracht ons vergeving van zonden, maar Zijn dood bracht ons pas de verzoening met God.

“Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons (Rom. 5: 10)

“Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven” (Rom. 6: 10)


Verlossing van de zonde en de wet

Door Zijn plaatsvervangend sterven werden wij dus vrijgemaakt van de zonde. Maar dat niet alleen; wij werden daardoor eveneens vrijgemaakt van de wet, omdat de wet werd opgelegd aan de oude, zondige natuur. Indien Christus voor onze zondige natuur gestorven is, houdt dat in, dat wij verlost zijn van die zondige natuur, maar ook van alles waaraan die natuur ooit onderworpen was!

“Weet gij niet broeders… dat de wet heerst over de mens, zo langen tijd als hij leeft?  (Rom. 7: 1)

Dit laat zich eenvoudig verklaren uit het feit, dat men een dode nu eenmaal niet kan verbieden door het rode stoplicht te rijden. Van een dode kan men überhaupt niets meer verwachten. Zonde en wet hebben slechts heerschappij over een levend wezen, maar niet over een overledene!

Een Bijbelse illustratie (eigenlijk is het veel meer dan dat!) van dit principe vinden wij in Rom. 7 : 2:

“Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende man vebonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.”

De straf, die Christus droeg voor onze zonden, maakte ons voor God vrij van die straf, alsof wij hem zelf gedragen hadden. De dood die Christus onderging voor onze zonde, maakte ons vrij van de dood, alsof wij die zelf ondergaan hadden. Dit wordt ook door Gods Woord bevestigd als er staat dat….

…..”indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn (2 Kor. 5: 15)

Indien Christus voor ons gestorven is, dan zijn wij dus zelf gestorven! En dat niet alleen; Paulus beschouwt het sterven van Christus en het sterven van een zondaar als identiek, als gelijktijdig plaatsgehad hebbende.

“Want Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer Ik, maar Christus leeft in mij… “ (Gal. 2: 19, 20)

God ziet ons met Christus verenigd als “één plant”.

“Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?” (Rom. 6: 3)

Het gaat hier niet om de doop in water, maar om de doop in Christus, en de doop in Zijn dood. Wij zijn in Christus gedoopt en dus in Zijn Persoon ondergedompeld, en zo “één plant” met Hem geworden (Rom. 6 : 5) Indien wij op deze wijze met Hem verenigd zijn, zijn wij tezamen met Hem gestorven en ondergedompeld in Zijn dood. Zijn dood wordt dus geacht ook onze dood te zijn. Voor ons, stervelingen, is dit wellicht moeilijk te accepteren; maar het is in de allereerste plaats van belang of God het accepteert en dat is bepaald niet aan twijfel onderhevig. Als dan God Zelf zegt, dat wij met Christus gestorven zijn, waarom zouden wij dat dan ook niet aanvaarden? Dan weten wij met de apostel Paulus,

dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde” (Rom. 6: 6, 7)

“Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt…” (Rom. 6: 11 )

Wij zijn dus vrijgemaakt van de zonde, omdat de dood van Christus geacht wordt onze dood te zijn; en als wij voor de zonde dood zijn, kan ons ook geen wet meer opgelegd worden, omdat ”de wet heerst over de mens, zo langen tijd als hij leeft (Rom. 7: 2) Wanneer wij dan “der zonde gestorven” zijn, houdt dat tevens in, dat wij ook “der wet gedood” zijn. “Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het (vleselijke) lichaam van Christus”, en “nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn” (Rom. 7: 4, 6)

De Bijbel stelt nadrukkelijk, dat de wet werd opgelegd aan het vlees, de oude, zondige natuur, en dat daarom de wet krachteloos was. De wet was krachteloos omdat wij krachteloos waren. (Rom. 5 : 6; Rom. 8: 3) Om die reden spreekt Hebr. 7: 6 over “de wet des vleselijken gebods”. Maar dat vlees was door de zonde niet in staat om de wet te volbrengen, “want het vlees onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet(Rom. 8: 7) “Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik (die onder de wet ben) ben vleselijk… “ (Rom. 7: 14) Maar wanneer het vlees gestorven is, heeft de wet niets meer om over te heersen! De slaaf is dood!

Buiten dit alles stelt de Bijbel met nadruk, dat de wet slechts geldig is tot op Christus. In Galaten 3 worden wij door Paulus geconfronteerd met het feit, dat Gods verbond met Abraham reeds vierhonderd en dertig jaar van kracht was, voordat de wet gegeven werd. Abraham werd gerechtvaardigd uit het geloof, zonder de werken der wet, eenvoudig omdat hij vele eeuwen voor de komst van de wet leefde. (Vgl. Rom. 4: 3 en 3: 28) Hij is dus ook niet in staat geweest om, nadat hij door God gerechtvaardigd geworden was, “uit dankbaarheid” te gaan leven in overeenstemming met de wet.

Dit verbond met Abraham werd gesloten met “Abraham en zijn Zaad“, waarbij verklaard wordt, dat dit zaad Niemand anders dan Christus is. Wanneer Paulus deze waarheid uiteen zet, geeft hij overigens tevens een prachtige demonstratie van hoe letterlijk men de Bijbel behoort te lezen:

“Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw zaad; hetwelk is Christus (Gal. 3 : 16)

Over deze beloften aan Abraham en Christus zegt Paulus vervolgens, dat zij niet werden ingetrokken, toen God vierhonderd en dertig jaren later het verbond van de wet sloot op de Sinai.

“En dit zeg ik; het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen” (Gal. 3 : 17)

Ondanks de wet, en buiten haar om, blijven de beloften aan Abraham en Christus geldig, en blijft het waar, dat geloof gerekend wordt tot gerechtigheid.

“Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend” (Gal. 3: 6; Rom. 4: 3)

“Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet” (Rom. 3: 21)

De wet, die zoveel eeuwen later pas gegeven werd, doet dus niets toe of af aan de beloften aan Abraham en zijn. Zaad. De wet is geen aanvulling op de beloften, maar is gesteld naast de beloften’.

“Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn. (Gal. 3 : 19)

Waar is de wet bij gesteld? Zoals uit vers 18 blijkt, is de wet gesteld bij, of naast de beloften. Dat zij volkomen los daarvan staat, blijkt uit vers 15:

“Broeders, ik spreek naar de mens: zelfs eens mensen verbond, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe.”

God heeft Zijn verbond met Abraham en Christus tevoren bevestigd (vs. 17) en Hij doet daaraan niets toe, en Hij doet het niet te niet!

“Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid…. dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak; welken Hij ook gesteld heeft aan Jacob tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond.” (Ps. 105: 8-10)

Duidelijker kan het toch al niet: Het verbond met Abraham en zijn Zaad is een eeuwig verbond!

Heel anders ligt het echter met het verbond der wet. Over de wet wordt gezegd, dat het “daarbij (bij het verbond met Abraham: de beloften) gesteld is, totdat het Zaad zou gekomen zijn “ (Gal. 3 : 19) Hier vinden wij een “totdat”. De wet heeft dus tijdelijke geldigheid. Dit wordt reeds in het Oude Testament bevestigd, waar een Nieuw Verbond ter vervanging van het oude wordt aangekondigd. Dat dit Oude Verbond, dat vervangen zal worden, het verbond der wet is, blijkt uit de woorden van de Schrift zelf:

“Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere ….” (Jer. 31: 31, 32)

Uit deze verzen blijkt in de eerste plaats, dat het verbond der wet een tijdelijk karakter droeg en vervangen zou worden, en in de tweede plaats, dat de Heere door de wet een huwelijksrelatie met Israël was aangegaan. Vanuit die achtergrond zegt Paulus dan:

“Weet gij niet, broeders, want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan, dat de wet heerst over de mens, zo langen tijd als hij leeft?” (Rom. 7: 1)

Omdat de wet slechts geldig is over levenden, bestaan er nu twee redenen, waarom een gelovige niet onder de wet kan staan. De eerste volgt in het tweede vers van dit hoofdstuk:

Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans …. maar indien de man gestorven is, zo is zijn vrij van de wet “ (Rom. 7: 2)

De eerste reden, waarom vandaag niemand onder de wet geplaatst is, is dat de Man, de Heere Jezus Christus gestorven is, waardoor de vrouw, d.i Israël, het volk dat onder de wet gesteld was, vrijgemaakt is van die wet. De tweede reden noemt Paulus in vers vier:

“Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen… ” (Rom. 7: 4)

Niet alleen de Man, de Heere, is gestorven, maar ook de vrouw, d.i wij, die eventueel onder de wet geplaatst waren, zijn gestorven, en wel door het lichaam van Christus.

Het argument van Paulus in Romeinen zeven is, dat dit huwelijk tussen de Heere en het onder de wet geplaatste volk met geen mogelijkheid te handhaven is, daar belde echtelieden inmiddels zijn overleden!

“Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot (of tot op) Christus” (Gal. 3 : 24),

en geen dag langer!

Het is goed, om te beseffen, dat de wet zelf, zowel de “tien geboden” als de ceremoniële wet, in al haar facetten een heenwijzing is naar Christus! Alle offeranden, alle feesten, alle bijzondere data, alle voorwerpen, die in de tempeldienst gebruikt werden, zijn typen van Christus. Zelfs de in de wet zo dikwijls genoemde “naaste” (enkelvoud, overtreffende trap) is niemand anders dan Christus Zelf!

Wanneer de wet wordt samengevat in dit ene woord: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven ” (Gal. 5: 14), dan is deze naaste Niemand anders dan de Heere Jezus, zoals Hij ons Zelf geleerd heeft door de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Dat slechts weinigen dit onderkennen, verandert aan het feit op zich niets. De gehele wet wijst op Christus! Daarom ook zegt Paulus, dat de rechtvaardigheid, die buiten de wet om geopenbaard wordt, door de wet zelf verkondigd wordt (Rom. 3: 21) En wanneer de Heer Zelf Zijn lijden en sterven verklaart aan de Emmaüsgangers, doet Hij dat aan de hand van “Mozes… en al de Schriften(Luk. 24 : 27) En als Hij daarna met Zijn discipelen spreekt, zegt Hij:

“Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de wet van Mozes…” (Luk. 24 : 44)

De wet van Mozes was dus een heenwijzing naar Christus (eigenlijk een verwijzing!) en aangezien Christus inmiddels verschenen is, heeft de wet die functie verloren!

Sprekend over de wet zegt Paulus:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou”(Gal. 4 : 4,5)

De wet wees op Christus, en toen Hij kwam, verloste Hij allen, die onder de wet waren, van diezelfde wet.  Hij heeft ons verlost van de wet (Gal. 4 : 5)
en van de vloek der wet:  “Christus heeft ons verlost van de vloek der wet…” (Gal. 3: 13)

Wij zijn volgens deze Schriftgedeelten verlost van de zonde en verlost van de wet. Nu komt geen enkele gelovige op het idee, om uit dankbaarheid te gaan leven in de zonde, waarvan hij verlost is geworden! Hoe komt het dan toch, dat zovelen wel op deze gedachte komen in verband met de wet? Zijn zij wellicht net als het wettische Israël verblind geworden? De bevrijding uit de slavernij van de wet is een essentieel onderdeel van de totale verlossing, die in Christus Jezus is. Wanneer iemand, die zich christen noemt, zich dus willens en wetens onder die wet plaatst, doet hij willens en wetens afbreuk aan het verlossingswerk van Christus, en “zo Is dan Christus tevergeefs gestorven” (zegt Paulus in dit zelfde verband in Gal. 2 : 21) Bovendien plaatst hij zich dan onder dezelfde vloek, die over het volk kwam, dat eertijds onder de wet gesteld was, en zal hij net als dat volk Israël niet in staat zijn, om de geestelijke zegeningen, die in Christus zijn (Ef. 1 : 3) te ontvangen! Tot hen zouden wij willen zeggen:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op de hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen; maar wij geloven, door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden… “(Hand. 15 : 11 ),

want wij zijn niet onder de wet, maar onder de genade (Rom. 6: 14 en 15)

Wanneer Paulus in Romeinen 7 heeft uiteengezet waarom en hoe een gelovige is vrijgemaakt van de wet, komt hij tot zijn grote lofzang aan God in Rom. 8. Dat hoofdstuk begint met:

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.”

De Nieuwe Vertaling laat terecht het volgende zinnetje weg: “die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest”. Dit laatste komt in de beste grondteksten gelukkig niet voor! Niet onze wandel is bepalend voor het al of niet in de verdoemenis komen, maar onze positie in Christus Jezus. Die positie is: vrij van zonden, vrij van zonde en vrij van de wet. Ieder, die gelooft, dat hij in Christus van deze drie dingen is verlost, zal deze tekst met Paulus van harte beamen. Maar nog nooit hebben wij iemand ontmoet, die zich onder de wet gesteld had en tevens overtuigd was, dat er voor hem geen verdoemenis meer was! Ook hieruit blijkt, dat de wet een vloek geworden is (Gal. 3: 13): zij maakt het iemand onmogelijk, om de verlossing, die in Christus Jezus is, ten volle te aanvaarden, en daaruit te leven. Laten wij toch leren aanvaarden, dat onze Heere Jezus Christus ons ook heeft verlost van de wet, wier slaven wij waren,

“uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende (Kol. 2 : 14)

Alleen dan kunnen wij van harte uitroepen:

Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn (Rom. 8: 1)


Opstanding

We hebben tot nu toe gezien, dat de Heere Jezus in onze plaats leed en stierf, respectievelijk voor onze zonden en voor onze zonde. Het lijden, dat Hij onderging was in onze plaats en voor onze zonden”, zijn sterven was eveneens in onze plaats en voor onze zonde.

Maar daar kan het niet bij blijven!
Wanneer wij de dood van Christus op onszelf van toepassing brengen, weten wij, dat wij verlost zijn van de zonde en de wet, maar het betekent tevens, dat wij voor God ons leven verloren hebben! Behalve onze zonde zijn we ook ons leven, zoals geërfd van Adam, kwijtgeraakt. De ziekte van de boom is weggenomen, maar de boom zelf is dood. Dat is net zoveel als: “De operatie is geslaagd; de patiënt is dood”. Daarmee is op zichzelf niets opgelost!

Oorspronkelijk schiep God de nog niet met de zonde besmette mens. Hij had daar beslist een bedoeling mee, zoals de Bijbel ook uitdrukkelijk verklaart. Het voert wat te ver om alle bijzonderheden van Gods plan met de mens hier op te sommen, maar in essentie vinden wij het in Genesis 1 : 28, waar God tot de mens zegt:

“Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt”. Gen. 1 : 28

Gods opdracht aan de zondeloze mens was, om over Zijn schepping te regeren! Het spreekt vanzelf, dat de mens, sinds hij van een ”levende ziel” veranderde in een “stervende ziel”, totaal ongeschikt geworden is voor de uitvoering van die goddelijke opdracht! De vermenigvuldiging is wel gelukt, maar van de heerschappij is niets terechtgekomen. In plaats van heerschappij kwam er “vrees” en “verschrikking”. Men vergelijke Gen. 1 : 28-30 met Gen. 9 : 1-3!

Inmiddels is de mens ten dode opgeschreven of hij is met Christus gestorven en begraven! Het zal duidelijk zijn, dat iemand, die reeds nu voor God doodverklaard is, in feite nog slechter af is, dan iemand, die zijn zondige natuur pas zal verliezen bij zijn fysieke sterven. Het is dan ook in dit verband, dat Paulus zich de volgende woorden laat ontvallen:

“Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen” (1 Kor. 15: 19)

“En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof “ (1 Kor. 15:14)

“En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn” (1 Kor. 15 : 17, 18)

Wij hopen niet alleen in dit geven op Christus!
Dit leven is reeds “in Christus ontslapen”, maar daar blijft het beslist niet bij! Wij, gelovigen, zijn niet “heengegaan voor onze tijd”. Christus is niet Iemand, die mensen het leven afneemt; Hij is Iemand, Die gekomen is om leven te geven. Hij heeft niet alleen voor ons geleden; Hij is niet alleen voor ons gestorven; Hij is bovendien voor ons opgewekt. Als Zijn lijden ons lijden was; als Zijn dood onze dood was; dan is Zijn opstanding ook onze opstanding! Wij, die geloven, zijn met Christus gestorven, begraven en opgewekt.

Daarom zegt Paulus:

“En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden” (1 Kor. 15 : 17)

Maar Christus is opgewekt, en wij met Hem. Deze waarheid vinden wij zeer uitgebreid vermeld in Romeinen 6 en Efeze 2:

“Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding; Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven ….. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere. ” (Rom. 6: e.v.)

Doordat wij geplaatst werden “in Christus”, hebben wij net als Christus onze oude, vleselijke natuur verloren; maar door diezelfde positie “in Christus” ontvingen wij met Hem een nieuw leven, een leven uit de doden! Deze beide zaken worden precies zo geleerd door de letterlijke vertaling van Romeinen. 6: 23:

“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heere.” (Rom. 6: 23)

 

Dat dit opstandingsleven van Christus een eeuwig leven is, wordt verklaard door Romeinen. 6: 9:

“Wetende,dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over hem “ (Rom. 6: 9)

Dit leven is het leven, dat Christus na Zijn verrijzenis openbaarde. Dit leven is een leven, dat pas na de dood begint!

Wanneer wij de vraag stellen: “Is er leven na de dood?”, dan is het enige juiste antwoord: “Ja, er is leven na de dood, maar dan alleen In de opgewekte en verheerlijkte Christus!” En dit leven kunnen wij reeds nu ontvangen, als wij geloven, dat Christus In onze plaats gestorven is. Dan is Zijn dood onze dood, en dan is Zijn leven ons leven! En omdat dat leven begint waar de dood ophoudt, is het een eeuwig leven.

Eeuwig leven is dus beslist geen prolongatie door de eeuwen heen van het leven, dat Adam voor de zondeval bezat! Het is een leven op een totaal ander niveau, en van andere aard, dan het leven dat God in de neusgaten van Adam blies.

Dit verschil is zelfs zo sterk. dat de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament verschillende woorden voor beide soorten leven gebruikt. Het natuurlijke menselijk leven is “psuche“, wat vertaald wordt met leven, maar ook heel dikwijls met “ziel”. Hiervan afgeleid is het bijvoegelijk naamwoord “psuchikos”, dat vertaald wordt met “natuurlijk”, en gebruikt wordt voor het soort leven, dat Adam doorgaf aan zijn nageslacht.

Zo staat er geschreven:

“Maar de natuurlijke (psuchikos) mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn…” (1 Kor. 2: 14)

Eigenlijk zou “psuchikos” vertaald moeten worden met “ziellijk”, omdat “ziel” de aanduiding is van het soort leven, dat de mens op natuurlijke wijze ontvangen heeft. Van Adam staat er, toen God hem het leven inblies:

“…Alzo werd de mens een levende ziel” (Gen. 2: 7)

De oude natuur is dus ziel, want Adam was ziel, en zijn afstammelingen zijn dat daarom ook. Psuche is dus het natuurlijke leven van de mensheid. Dat is ook het leven, dat de Heere Jezus ten behoeve van diezelfde mensheid op gaf.

Het leven, dat Christus aan de gelovige geeft, het eeuwige leven dus, wordt aangeduid met het griekse “zoë“.

“En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve (deze soort) leven (zoë) is in Zijn Zoon.” (1 Joh. 5 : 11)

Dit eeuwige leven, de genadegift Gods (Rom. 6: 23), is dus in Christus; het is het leven, dat Christus nu heeft en geeft, en het wordt met een speciale naam aangeduid: zoë.

Het onderscheid tussen deze beide soorten van leven komt zeer sterk naar voren in het Evangelie naar Johannes. Zo zegt de Heere in Joh. 10 : 10:

“Ik ben gekomen, opdat zij (de schapen van de goede Herder) het leven (zoë) hebben. “

Niet, dat Hij gekomen is om de schapen tot leven te wekken, het waren al levende schapen voordat Hij kwam; maar Hij is gekomen om hen een nieuw soort leven te geven: niet psuche maar zoë. Maar in het volgende vers zegt de Heiland:

“Ik ben de goede Herder; de goede Herder stelt Zijn leven (psuche) voor de schapen. ”

Het leven, dat Christus opgaf was “psuche”, het leven, dat Hij geeft is “zoë”.

“Gelijk de Zoon des Mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel (psuche) te geven tot een rantsoen voor velen” (Matth. 20: 28)

“Mijn ziel (psuche) is geheel bedroefd, tot de dood toe… “ (Matth. 26: 38)

“Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven (psuche) afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. “ (Joh. 10: 17)

Daar tegenover staan bij voorbeeld de volgende verzen:

“Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven (zoë) (Joh. 11 : 25)

“Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven (zoë)(Joh. 14: 6)

In Johannes 12 vinden we deze woorden weer samen in één vers. Veel van de betekenis van dit Schriftgedeelte gaat verloren, als we psuche en zoë hier niet onderscheiden. In vers 24 spreekt de Heer over Zijn nog toekomstige lijden en sterven, als Hij zegt:

“Indien het tarwegraan niet in de aarde valt en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.” (Joh. 12 :24)

Het is niet moeilijk om in dit tarwegraan de Heere Jezus te ontdekken, Die door Zijn sterven en opstanding veel vrucht draagt. Daarna volgen de woorden:

“Die zijn leven (psuche) liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven (psuche) haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven (zoë)(vs. 25)

Hier is een belofte voor hen, die voor de wereld met Christus gekruisigd willen zijn en zo hun leven (psuche) in de wereld willen haten: Zij ontvangen eeuwig leven (zoë) (Zie ook Ef. 2:1 en 6)

Het noemen van het tarwegraan moet overigens voor de Joodse toehoorders zeer veelzeggend geweest zijn. In de Bijbelse systematiek staat de tarwe in de rangorde der vruchten op de eerste plaats. De Hebreeuwse naam voor de tarwe opent een
vergezicht in de symboliek, zoals die in de Bijbel naar voren komt; Tarwe is namelijk “chitah” (chet-thet-heh), een naam, die is afgeleid van de stam “cheet” (chet-thet-alef), dat zonde, zondigen en zondaar betekent.

Tarwe stelt dus een mens voor, die belast is met de zonde, en is daarom in eerste instantie een type van Christus, Die voor ons tot zonde gemaakt werd, en vervolgens ook van de andere afstammelingen van Adam. Van diezelfde stam is ook het woord “chatav” (chet-thetbeth) afgeleid, dat vertaald wordt met “omhakken“. Dit is bijna vanzelfsprekend, aangezien omhakken een uitbeelding is van het ter dood brengen: het gevolg van de zonde is immers de dood. Alleen al op grond van de verwantschap van deze woorden is de tarwe een type van de met de zonde belaste mens, die ten dode is opgeschreven. De Heere Jezus voegt echter nog iets aan deze symboliek toe! De dood heeft volgens Zijn uitspraken niet het laatste woord, want nadat de tarwe gestorven is, draagt het vrucht! Ook nadat de tarwe (chitah) is omgehakt (chatav), en dus van het leven is afgesneden, kan het nog leven voortbrengen, door gezaaid te worden in de aarde! Ook dit komt op dezelfde symbolische wijze al tot uitdrukking in het Oude Testament, want een ander woord uit deze zelfde ”zondige” stam is “choter” (chet-thet-resh), dat in Jesaja 11: 1 vertaald wordt met “Rijsje“:

“Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van lsaï en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen… “

Het hoeft geen betoog, dat dit Rijsje Niemand anders is dan de Heere Jezus Christus. Hij werd voor ons tot zonde (cheet) gemaakt; Hij was het ware Tarwegraan (chitah) Hij werd omgehakt (chatav) of afgehouwen; maar Hij verrees (van “rijzen“) uit de dood als het Rijsje (choter) uit de afgehouwen tronk van lsaï. Die tronk werd uiteraard afgehouwen toen Hij stierf, maar bij Zijn verrijzenis verscheen Hij als het Rijsje uit Jesaja 11. In dat hoofdstuk wordt dan ook niet gesproken over de komst van de Messias om te lijden en te sterven, maar over Zijn wederkomst in heerlijkheid, om als de verrezen Christus Zijn koninkrijk op te richten.

Dit alles en nog meer wordt reeds uitgebeeld door een simpele tarwekorrel!


Opstanding en wedergeboorte

Dit beeld van het tarwegraan, dat moet sterven om vrucht te kunnen dragen, paste de Heer Zelf in Joh. 12 toe op iedere gelovige. Paulus doet dat ook, maar dan in andere bewoordingen:

“…. gelijk de waarheid in Jezus is; te weten, dat gij (net als Hij) zoudt afleggen aangaande de vorige wandel, de oude mens… en de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. (Ef. 4 : 21, 22 en 24)

Hier staan psuche en zoë als het ware weer tegenover elkaar: De oude mens staat hier tegenover de nieuwe mens; Adam tegenover Christus, de laatste Adam. De beelden van het tarwegraan en van de eerste en de laatste Adam vinden we gecombineerd terug in 1 Kor. 15, waar Paulus spreekt over de opstanding. Hij vergelijkt het lichaam van zijn oude natuur (psuche) met een tarwekorrel, die gezaaid wordt.

“En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt van tarwe of van enig der andere granen. Maar God geeft hetzelve een lichaam gelijk Hij wil, en aan een ieder zaad zijn eigen lichaam. “ (vs 37, 38)

Daarna volgen vele verzen ter illustratie van het verschil tussen dat wat gezaaid wordt, en dat wat als vrucht opkomt; tussen dat wat sterft en dat wat opgewekt wordt! Voor een goed begrip ervan geven wij hier van vers 44 de letterlijke vertaling:

“Een ziellijk (psuche) lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een ziellijk (psuchikos) lichaam, en er is een geestelijk lichaam…”

Er bestaan dus twee soorten lichamen, zoals er ook twee soorten van leven bestaan. Het leven van de eerste soort is dat van Adam, en wordt ziel (psuche) genoemd; de tweede soort is het leven van de verrezen Christus, en wordt op deze plaats “geest” genoemd. Het eeuwige leven, het opstandingsleven wordt dus in de Bijbel aangeduid met het woord “zoë“, maar eveneens met het woord “geest“. Het nieuwe leven, dat door Christus gegeven wordt is geest! Zo staat het ook in de volgende verzen!

“Alzo is er ook geschreven: de eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel (een citaat uit Gen. 2: 7); de laatste Adam tot een levendmakende (zoë) geest.” (vs. 45)

Om elk misverstand hierover uit te sluiten verklaart Paulus bovendien, wie deze eerste en laatste Adam zijn: “De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit de hemel.” (vs. 47)

In dit Schriftgedeelte worden dus twee soorten van leven met elkaar vergeleken: Het ene is “natuurlijk” (psuchikos) het ander is geestelijk.

“Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke” (vs. 46)

Het natuurlijke leven is het leven van Adam, en van allen, die uit hem zijn voortgekomen. Het is het leven, dat besmet is met de zonde; het is vlees. Het andere leven is geest en is het leven van Christus, en van allen, die “in Christus” zijn, doordat zij met Hem zijn opgewekt! Het eerste is vlees, het tweede is geest.

Nadat Paulus deze beide soorten tegenover elkaar geplaatst en vergeleken heeft, geeft hij nog een opmerking, die alleen betrekking heeft op de eerste soort: het vlees:

“Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet” (1 Kor. 15 : 50)

Hiermee komen wij regelrecht weer terug bij het gesprek van de Heere Jezus met Nicodemus! Het gesprek over de wedergeboorte! Wat de Heer daar uiteen zet, is, dat iemand, die slechts éénmaal geboren is, n.l. uit Adam, het koninkrijk Gods niet zal zien.

Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien(Joh. 3 : 3)

En als aanvulling hierop volgt dan:

“Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan” (vs. 5)

De eerste geboorte is een geboorte uit vlees, zoals wij reeds eerder uitgebreid hebben behandeld, en maakt iemand bepaald niet geschikt voor het Koninkrijk Gods. Maar wedergeboorte is volgens de Heiland Zelf een geboorte uit de Geest: en die is nodig voor dat koninkrijk! Ook Hij stelt hier deze beide soorten van leven tegenover elkaar, wanneer Hij zegt:

“Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest” (Joh. 3 : 6)

Wanneer wij deze uitspraken van de Heere Jezus en Paulus over beide soorten van leven samenvatten, komen wij tot de volgende conclusie:

Er bestaan twee soorten van leven; het éne is eerste in rangorde, het andere is tweede. (1 Kor. 15: 46)

Het eerste wordt “psuche” of “vlees” genoemd, het tweede heet “zoë” of “geest“. Het eerste is sterfelijk, Het tweede is eeuwig. (1 Kor. 15 42, 43)

Het eerste is aards, het tweede is hemels. (1 Kor. 15 47-49)

Het eerste is “in Adam“, het tweede is “in Christus“. Het eerste voert naar de dood, het tweede naar het Koninkrijk Gods. Het eerste ontvangt men door geboorte, het tweede ontvangt men volgens Paulus door de opstanding ten leven, en volgens de Heer Zelf door wedergeboorte.

Dit laatste is uiterst belangrijk voor het begrijpen van wat wedergeboorte eigenlijk is! Als opstanding en wedergeboorte belden het eeuwige leven voortbrengen, dan wil dat zeggen, dat opstanding en wedergeboorte synoniem zijn: Opstanding is wedergeboorte! 

Dit wordt ook zonder meer onderschreven door de apostel Petrus, wanneer hij zegt:

“Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemel bewaard is voor u” (1 Petr. 1 : 3, 4)

Deze erfenis is ongetwijfeld het koninkrijk van God, waarvan Paulus zei, dat vlees en bloed dat niet beërven zullen; maar volgens Petrus zullen wij, die door God zijn wedergeboren, die erfenis ontvangen. En hoe vond volgens hem de wedergeboorte plaats? “Door de opstanding van Jezus Christus uit de doden”. Ook hij verklaart opstanding en wedergeboorte dus als synoniem.

Daarbij moeten wij overigens niet uit het oog verliezen, dat wedergeboorte weliswaar gelijk is aan opstanding, maar het omgekeerde is daarom nog niet waar. Opstanding is nog geen wedergeboorte. Dit is gelegen in het feit, dat de Bijbel eveneens twee soorten van opstanding kent: Er is een opstanding van de gewone menselijke natuur; een opstanding van het vlees dus, en er is een opstanding “in nieuwheid des levens“.

Opstanding van de eerste soort vinden wij in de geschiedenissen van de zoon van de Sjunamietische vrouw, de jongeling van Naïn, het dochtertje van Jaïrus, Lazarus en de “vele lichamen der heiligen”, die genoemd worden in Matth. 27: 52 en 53. Al deze mensen werden opgewekt in hun oude vleselijke natuur en zijn als gevolg daarvan weer overleden! Zij kregen bij hun opstanding geen eeuwig leven (zoë), maar gewoon natuurlijk leven (psuche) Dit wordt bevestigd door 1 Kor. 15 : 20, waar gezegd wordt, dat Christus:

…. “is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn”.

Hij was niet de Eerste, Die in de oude natuur werd opgewekt, maar Hij was de Eerste, die “In nieuwheid des levens” uit de doden verrees. Hij was de Eerste, Die uit de doden opstond met eeuwig leven. Alleen deze laatste soort opstanding is gelijk aan wedergeboorte.


Aardse en Hemelse dingen

Dat wedergeboorte in principe gelijk is aan opstanding ten leven, werpt nieuw licht op de anders onbegrijpelijke vraag van de Heer aan Nicodemus:

“Zijt gij de leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet?” (Joh. 3:10)

Nicodemus was “een mens uit de Farizeën” (Joh. 3:1), een Schriftgeleerde dus. Maar “de Schrift van deze theoloog bestond hoofdzakelijk uit het Oude Testament! Ter verdediging van Nicodemus wordt dan ook gewoonlijk aangevoerd, dat deze man van wedergeboorte niets kon weten, omdat het begrip als zodanig in het Oude Testament helemaal niet voorkomt! De Heer was Zelf immers de eerste, Die het woord “wedergeboorte” in de mond neemt in Matt. 19:28?

Als dat waar is, dan is het verwijt, dat de Heer deze man maakt wel zeer onredelijk! Maar het is niet waar! In de eerste plaats komt wedergeboorte in het Oude Testament voor in de vorm van “opstanding ten leven” en in de tweede plaats is het Hebreeuwse en dus Oud-Testamentische woord voor wedergeboorte volkomen identiek aan de zo frequent voorkomende naam Gilgal. Studie van het Oude Testament leidt dus zeer beslist tot kennis van de wedergeboorte. Overigens heeft de vertaling van “Gilgal” met “reïncarnatie” in het jodendom aanleiding gegeven tot zeer veel misverstanden. ”Re”incarneren” betekent letterlijk “weer vlees worden”, terwijl wedergeboorte geen “vleeswording” maar juist “geest wording” is! De leer over de reïncarnatie is in feite ook niets anders dan een verbastering van de leer der wedergeboorte, waarbij de ouderdom van de leer der reïncarnatie wijst op ouderdom van de kennis over wedergeboorte. Een studie over wedergeboorte, zoals die voorkomt in het Oude Testament zal ons tonen, dat de Bijbel behalve de individuele wedergeboorte ook nog andere vormen van wedergeboorte kent. Het is dit aspect van de wedergeboorte, waarheen de Heere Jezus verwijst, als Hij tegen Nicodemus zegt:

“Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse (dingen) zou zeggen?” (Joh. 3:12)

Er zijn dus aardse zowel als hemelse dingen, die wedergeboorte genoemd worden. De wedergeboorte op hemels niveau wordt in de daarna volgende verzen verklaard:

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe… “ (Joh. 3:16)

Het zal duidelijk zijn, dat de wedergeboorte, zoals wij die hier uiteen hebben willen zetten, gerekend moet worden tot de hemelse dingen:

“De eerste mens is uit de aarde aards; de tweede Mens is de Heere uit de hemel… hoedanig de aardse is, zodanig zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse is, zodanig zijn ook de hemelsen alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen(1 Kor. 15:47)

“Die… ons heeft wedergeboren… door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot een… erfenis die in de hemelen bewaard is voor u” ( Petr. 1:3, 4)

De wedergeboorte, die gerekend moet worden tot de aardse dingen, komt later aan de orde.

6.

Wedergeboorte 1 - De Weg er naar toe

BROCHUREREEKS "HET MORGENROOD" - Volgnummer 117 Cat. No.: 217 Door Ab Klein Haneveld. 
Onder redactie van: Jb. Klein Haneveld. Bodegraven

Deze brochure is de derde in een reeks over de wedergeboorte.  
Verschenen zijn de volgende titels:

[FinalTilesGallery id='12']