Wedergeboorte 2 – het nieuwe leven


De functie van de oude natuur

In de brochure “Wedergeboorte, de weg er naar toe” hebben wij gezien, dat de natuurlijke mens door zijn geboorte uit Adam een zondaar is, en daarom ongeschikt voor het koninkrijk Gods ( 1 Kor. 15 : 50 ) Wat nodig is, is dat de zondaar in ieder geval verlost wordt van zijn oorspronkelijke afstamming en opnieuw verwekt of geboren wordt, waardoor hij een nieuwe natuur ontvangt. Deze verlossing van de oude natuur is voor ons, die geloven in het verzoenend sterven van de Here Jezus een heerlijk feit, omdat wij weten, dat

“onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde..” (Rom. 6: 6.)

Deze voor God gestorven zondaar ontvangt echter tevens met Christus nieuw leven, omdat de opstanding van Christus, evenals Zijn sterven, in onze plaats was. Zijn opstanding is daarom ook onze opstanding.

“Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding…. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven. ” (Rom. 6: 4, 5, 8).

Heel dikwijls worden deze verzen alleen van toepassing gebracht op de nog toekomstige lichamelijke opstanding, omdat er gebruik gemaakt wordt van het woord “zullen”. Dit woord wijst echter niet op de toekomst, maar op een conclusie, die hier door Paulus getrokken wordt. Wie met Christus gekruisigd wordt moet vanzelfsprekend ook met Hem levend gemaakt worden. Dat dit al gebeurd is blijkt uit de volgende verzen:

“Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt (niet: zult zijn) in Christus Jezus, onze Here.” (Rom. 6: 9-11)

Reeds in deze tegenwoordige tijd zijn wij met Hem opgewekt. Zo leert Paulus het ook in Ef. 2 : 4-6:

“Maar God… heeft ons levend gemaakt met Christus… en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus. ”

Het is deze opstanding, die, zoals wij hebben laten zien, volkomen gelijk is aan wedergeboorte. Dit bleek ook uit de woorden van Petrus, die zegt, dat

“.. de God en Vader van onze Here Jezus Christus.. ons heeft wedergeboren…door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. ” (1 Petr. 1 : 3).

Het is dan ook heel goed mogelijk, om het woord wedergeboorte, in alle Schriftplaatsen waar het voorkomt, te vervangen door opstanding. Zo kunnen wij in Joh. 3 : 3 ook lezen:

“Tenzij dat iemand met Christus opgewekt worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien”,

en in vers 5:

“Zo iemand niet met Christus opgewekt worde, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan. “

Dat de Bijbel twee totaal verschillende woorden voor eenzelfde gebeurtenis gebruikt, is natuurlijk niet zonder betekenis; beide woorden werpen ieder een ander licht op dezelfde zaak. Bij zowel geboorte als opstanding ontstaat leven, maar bij geboorte ontstaat iets volkomen nieuws, terwijl opstanding de voortzetting suggereert van iets, dat al bestaan heeft. Beide woorden wijzen dus op een verschillende oorsprong van dat wat geboren of opgewekt wordt. Zoals we reeds eerder gezien hebben bij de bestudering van het woord wedergeboorte als zodanig, wijst wedergeboorte op de Heilige Geest als de Verwekker van wat geboren wordt, terwijl opstanding wijst op de voortzetting van het oorspronkelijk van Adam ontvangen leven, Het nieuwe leven, dat voortgebracht wordt, heeft net als het leven van de oude schepping een dubbele oorsprong.

Om dit te begrijpen is het goed ons nog eens bezig te houden met wat er gebeurt met de tarwekorrel, die in de aarde moet vallen en sterven, om vrucht te dragen (Joh. 12 :24). De tarwekorrel is in staat om nieuwe vruchten voort te brengen,maar kan dat alleen, wanneer hij gezaaid wordt en sterft. Wanneer de nieuwe halmen uit de grond opkomen, kunnen we met recht zeggen, dat de tarwekorrel nieuw leven heeft voortgebracht; maar met evenveel recht kunnen we zeggen, dat de aarde heeft voortgebracht.

“En de aarde bracht voort grasscheutjes …. “ (Gen. 1 : 12).

Ook in verband met de tarwekorrel vinden we dus twee bronnen van leven! Verder wordt er van de tarwekorrel gezegd, dat hij moet sterven, zodat het volkomen terecht is om te spreken van opstanding, wanneer die gestorven en begraven tarwekorrel toch weer leven voortbrengt! Aarde en zaadkorrel brengen door hun vereniging samen nieuw leven voort, waarbij de zaadkorrel het mannelijk element vertegenwoordigt en de aarde (“moeder-aarde”) het vrouwelijke. Dit principe is van toepassing op de oude schepping, juist omdat de oude schepping een type is van de nieuwe. Dat de nieuwe natuur eensdeels wordt voortgebracht door de oude, komt wel zeer sterk tot uitdrukking in de geboorte van de Heiland Zelf. Hij was de

“Eersteling dergenen, die ontslapen zijn” (1 Kor. 15 : 20)

omdat Hij als Eerste uit de doden opstond en daarmee het Hoofd werd van de nieuwe schepping. Daarom is Hij ook de Eerste, Die wedergeboren werd. Zo zegt Paulus in Kol. 1 – 18 dat Hij is

“de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn”.

Zijn opstanding is immers onze wedergeboorte en daaruit volgt, dat wij Zijn opstanding met recht ook Zijn wedergeboorte mogen noemen! Nu is het merkwaardig, dat de Heer vóór Zijn sterven en opstanding alleen genoemd werd bij de naam Jezus. Dat was de naam, die Hij bij Zijn geboorte ontving en het was daarom de naam van Zijn oude (hoewel zondeloze) natuur. Eerst na Zijn opstanding wordt Hij terecht Christus genoemd.

Wanneer wij nu het geslachtsregister van de Here Jezus uit Matt. 1 bestuderen, dan zien wij, dat dit wordt onderverdeeld in drie groepen van veertien generaties. Vele bijzonderheden zouden daarover te vertellen zin, maar het gaat ons in dit verband slechts om de laatste groep van veertien, die samengevat wordt in vers 17:

“… van de Babylonische overvoering (ballingschap) tot Christus zijn veertien geslachten“.

Deze groep begint in vers 12 te tellen vanaf de ballingschap:

“En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiël …. ”

Nu blijkt uit dit en het voorgaande vers (vs. 11), dat deze Jechonias al geboren was ver voor het eind van de ballingschap, zodat niet hij de eerste generatie na de ballingschap was. De eerste, van wie gezegd wordt, dat hij na de ballingschap werd geboren, was Salathiël! Hij is dus de eerste van de laatste groep van veertien generaties. Tellen we nu verder door, dan blijkt, dat Jozef de twaalfde is en Jezus niet de veertiende maar de dertiende! Op het eerste gezicht komt deze telling dus niet uit.

De zaak is echter, dat vers 17 niet spreekt over veertien geslachten tot Jezus, maar over veertien geslachten tot Christus! Als vers 16 zegt : ….

“En Jakob gewon Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus”,

….. dan is Jakob de elfde; Jozef de twaalfde; Jezus de dertiende; en Christus de veertiende! Dat komt precies overeen met wat zo nadrukkelijk in vers 17 gezegd wordt.

Dit merkwaardige verschijnsel maakt zonder meer duidelijk, dat Jezus en Christus in zekere zin verschillende generaties zijn! Aangezien de ene generatie de andere voortbrengt, wordt hier dus gesteld, dat Jezus de Christus heeft voortgebracht.

De oude mens bracht de nieuwe mens voort! Dat dit hier gebeurde door de opstanding van Jezus, Die sindsdien de Christus is en ook zo genoemd behoort te worden, is zonneklaar. Tussen de oude en de nieuwe mens bestaat blijkbaar een generatiekloof, terwijl beiden eigenlijk toch een eenheid vormen. Daarom worden de namen Jezus en Christus zo dikwijls gekoppeld. Jezus en Christus zijn in Wezen dezelfde Persoon, maar toch is er verschil. Hij werd eerst geboren als Jezus en wedergeboren als Christus. Nu kan men alleen spreken van “weder”, als het over dezelfde persoon gaat; maar door de verschillende aard van beide geboorten ontstaan in principe twee verschillende soorten leven.

Een persoon openbaart zich in twee levens, waarvan de ene, zoals gezegd, “psuche” genoemd wordt, en de andere “zoë“. Het eerste is vlees, het andere is geest. Precies zo is het bij een wedergeboren mens. Hij heeft twee soorten leven in dat ene lichaam. Het ene is vlees; het andere is geest. Het ene is sterfelijk; het andere is eeuwig. Maar bovenal is het waar, dat het nieuwe leven wordt verwekt in het oude, zodat de oude natuur de rol vervult van de moeder, in wie het zaad van het nieuwe leven openbaar wordt. Dat daartoe de oude mens de Heilige Geest, als de Verwekker in zich moet ontvangen is vanzelfsprekend. Dat is de weg, die de Schepper voor elke voortplanting bepaald heeft!


De Verwekker

Om te weten wat de eigenschappen zijn van het door de wedergeboorte voortgebrachte nieuwe leven, is het noodzakelijk, te weten Wie de Verwekker van dat leven is. Van de oude natuur hebben we gezien, dat hij verwekt is door een zondige en sterfelijke Adam, zodat hij zelf ook zondig en sterfelijk is. Zoals de oude natuur erfelijk bepaald is, zo is ook de nieuwe natuur erfelijk bepaald. In dit verband willen wij eraan herinneren, dat het wezen van de oude natuur wordt vererfd via de vader, en wel omdat deze “natuurwet” van toepassing is op de nieuwe schepping. Het wezen van de nieuwe natuur wordt ook niet bepaald door de moeder, d.i. de oude natuur waaruit hij voortkomt, maar door de Vader! In Zijn gesprek met Nicodemus zegt de Here Jezus, dat

“zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan. Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees, en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is Geest”.  (Joh. 3:5,6)

De Heiland trekt hier dezelfde parallel en zegt, dat de mannelijke Verwekker zijn eigenschappen en karakter doorgeeft aan Zijn nageslacht. De oude natuur is vlees omdat het door het vlees verwekt werd, terwijl de nieuwe natuur Geest is omdat die door de Geest verwekt werd.

Maar wat is Geest?
De moeilijkheid van deze vraag schuilt in het feit, dat het woord “geest(pneuma) de aanduiding is van vele onderling verschillende zaken. Het is de verzamelnaam voor alles, wat behoort tot de “onzienlijke dingen“. Eigenlijk is dat geen nauwkeurige omschrijving van de geestelijke dingen zelf, omdat het meer zegt over de gebrekkigheid van onze zintuigen. Alles, wat onzichtbaar is, behoort tot het terrein van de geest. Daarom kan het woord pneuma ook vertaald worden met wind of adem. Zowel wind als adem zijn onzienlijk, hoewel de oude natuur zonder deze beiden niet kan bestaan. De Heiland Zelf maakt een toespeling in deze richting, wanneer Hij het begrip geest aan de leraar Israëls verklaart:

“De wind (pneuma) blaast (of ademt) waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, vanwaar hij komt, en waar hij heen-gaat… ”

Hier neemt de Heer de wind, die een type is van de Heilige Geest en daarom ook zo genoemd wordt, als voorbeeld. De wind is wel waar te nemen, in die zin, dat de gevolgen van de activiteit van de wind zichtbaar en voelbaar zijn; maar de wind zelf is niet te zien en daarom is ook niet te zien welke weg hij aflegt.

Als nu de onzienlijke Geest de Verwekker is van onze nieuwe natuur, dan impliceert dat, dat ook onze nieuwe natuur zelf onzienlijk is.

” …. alzo is een ieder, die uit de Geest geboren (of verwekt) is ” (Joh. 3: 8).

Onze nieuwe mens is door een natuurlijk mens, en dus ook door onze eigen ogen, niet als zodanig waar te nemen. Wat eventueel wel te zien is, is de uitwerking van de nieuwe natuur. Zo is de wind zelf niet te zien, maar het ruisen en wiegen van de boomtoppen geeft wel degelijk een indicatie van de aanwezigheid van wind, die overigens in de natuur een belangrijke functie heeft als verspreider van zaden en stuifmeel. Zo is ook onze nieuwe natuur zelf niet te zien, maar kan eventueel wel zijn uitwerking in ons lichaam en dagelijks leven kenbaar maken! Een wedergeboren mens heeft dus een nieuwe natuur ontvangen, die Geest is, en kan daarom met recht een “geestelijk mens” genoemd worden, hoewel de wereld dat niet aan hem kan zien. Hierover spreekt Paulus in 1 Kor. 2 : 14 als hij zegt:

“De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hijzelf wordt van niemand onderscheiden”.

Een onzienlijke Geest is de Verwekker van ons nieuwe leven. Daarom is ons nieuwe leven zelf eveneens onzienlijke Geest.

Een nadere verklaring over de geestelijke dingen wordt ons gegeven in 2 Kor. 4 : 18:

” …Want de dingen, die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig”.

In de eerste plaats vinden we hier de verklaring, dat alle zichtbare dingen tijdelijk zijn, en dus moeten verdwijnen!

Dit houdt in, dat het gehele zichtbare heelal moet verdwijnen en plaats maken voor een nieuwe aarde en nieuwe hemelen (Op. 21), omdat de totale oude schepping in de macht van Satan ligt.

“De gehele wereld ligt in het boze” (1 Joh. 5: 19)

Onze ogen, die deel uitmaken van de oude schepping zijn slechts in staat de oude schepping waar te nemen. In de tweede plaats wordt hier gezegd, dat de onzienlijke dingen eeuwig zullen blijven bestaan.

Aangezien de begrippen “geest” en “onzienlijk” synoniem zijn, betekent dat, dat onze nieuwe natuur, die geest is, eveneens niet zal voorbijgaan, maar eeuwig zal leven. Het leven van de nieuwe natuur is eeuwig leven! Dat het geestelijk leven eeuwig leven is, wordt ook verklaard uit een andere eigenschap van de Geest. Geest is namelijk niet alleen onzienlijk en eeuwig, maar ook levend gevend. Dit blijkt al uit de eerste keer, dat de Geest in de Bijbel genoemd wordt, n.l. Genesis 1: 2. Daar vinden wij de Geest Gods genoemd, die “zweeft of “broedt” op de toenmalige woestheid en ledigheid van de aarde. Als resultaat van die arbeid van de Geest ontstaat vervolgens een aarde, die bruist van het leven. En wanneer God Adam gemaakt heeft uit het stof der aarde, blaast Hij in zijn neusgaten de “geest” of adem der levens. Adam kwam pas tot leven, toen hij Geest in zijn lichaam ontving.

Precies dezelfde waarheid vinden we terug in b.v. Ez. 37, waar Israël wordt voorgesteld door een verzameling “zeer dorre” doodsbeenderen. Eerst komen die beenderen op eigen kracht (!) bij elkaar en vormen vervolgens lichamen, waarin echter nog geen leven is. (vs. 7, 8). Daarna moet Ezechiël weer profeteren over deze nog dode lichamen en zeggen:

“…. Gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden “.

Nadat ook hier de wind en de Geest in één adem genoemd zijn

“… kwam de Geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten… ” (vs. 10).

Geest is dus leven gevend. Daarom zeggen wij ook van iemand, die gestorven is, dat de levensgeesten van hem geweken zijn. Hier vinden we weer het principe terug, dat de schepping vrouwelijk is, in die zin, dat zij het leven moet ontvangen van de man, van de Geest. Dat is waar voor de oude schepping maar ook voor de nieuwe, omdat de Schepper in beide gevallen Dezelfde is. Als de Geest dan leven gevend is, wil dat zeggen, dat het leven van de Geest in Zichzelf existeert en dus eeuwig is.

“…. De letter (de wet) doodt, maar de Geest maakt levend…. .. “ (2 Kor. 3 : 6)

“Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel (psuche); de laatste Adam tot een levendmakende Geest. “ (1 Kor. 15 : 45)

De Geest is dus onzienlijk, eeuwig en levendmakend. Dit zijn kenmerken van Hem, Die ons nieuwe leven verwekt heeft en het zijn daarom de kenmerken van ons nieuwe leven zelf.

“De Geest is het, Die levend maakt… De woorden, die Ik tot u spreekt zijn Geest en zijn leven (zoë)(Joh.6:63)


De Heilge Geest

Tot nog toe hebben wij in vrij algemene zin over geest gesproken, maar geest is niet alleen de uitdrukking voor de Geest van God of de Heilige Geest; ook engelen, demonen, Satan, enz. worden zo genoemd. Er zijn echter vele aanwijzingen, dat de Verwekker van het nieuwe leven de Heilige Geest is.In de eerste plaats wordt van de wedergeboorte gezegd, dat “de Geest” de Verwekker is, terwijl eveneens God Zelf als Verwekker genoemd wordt.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn ” (Joh. 1 : 13)

Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die… ons heeft wedergeboren (wederverwekt) tot een levende hoop ” (1 Petr. 1: 3.)  Zie ook 1 Joh. 2 : 29; 3 : 9; 4 : 7; 5 : 1, 4

Als nu van de wedergeborene gezegd wordt, dat hij zowel door God als door de Geest verwekt werd, dan betekent dat, dat God en de Geest identiek zijn! De Geest is dus de Geest van God! In de tweede plaats zegt de Heiland niet, dat iemand verwekt moet worden door “geest”, dus geest in het algemeen, of door een willekeurige geest, maar door “de Geest”. Het bepalend lidwoord bepaalt hier, dat de bedoelde Geest de Geest van God is. Het derde argument is wat minder voor de hand liggend, maar daarom niet minder belangrijk. We hebben al gezien, dat onze wedergeboorte berust op de opstanding van de Here Jezus Christus. De Bijbel trekt een parallel tussen het verzoenend lijden en sterven en de opstanding van de Heer en de wedergeboorte van een zondaar. Daarbij werd Zijn lijden geacht ons lijden te zijn; Zijn dood was onze dood; Zijn opstanding was onze opstanding. Daarom is Zijn wedergeboorte onze wedergeboorte. Het leven, dat Hij gaf op Golgotha was ons leven. Dit betekent, dat het leven, waarmee Hij uit de doden opstond inderdaad ook ons nieuwe leven is.

Wij zijn door onze wedergeboorte deelgenoten geworden aan het leven van Christus. Dat is ook de wezenlijke betekenis van het “in Christus” zijn. Het woordje, dat in deze uitdrukking vertaald is met “in” drukt eigenlijk een onlosmakelijke verbondenheid uit. Wij zijn met Christus onlosmakelijk verbonden, doordat via de wedergeboorte Zijn leven voor ons leven is geworden. Daarom ook zijn wij niet alleen in Christus, maar is Christus ook in ons, Deze waarheden vormen respectievelijk de inhoud van de brieven aan Efeze en Kolosse.

“Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere “ (Rom. 6: 11.)

“En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont”. (Rom. 8: 11).

Hier wordt weer gesproken over de Geest, Die levend maakt; Die leven brengt in een dood lichaam. En deze Geest kan Niemand anders zijn dan de Geest van God. Op dit punt zijn wij aangekomen bij een strijdvraag, die de gemoederen reeds eeuwen bezighoudt: Is de Heilige Geest een Persoon of een Kracht? De hier gestelde vraag wordt dikwijls niet naar tevredenheid beantwoord, omdat hij uitgaat van de veronderstelling, dat een persoon geen kracht is. Nu is het zo, dat een kracht nog geen persoon behoeft te zijn, maar daarom is het omgekeerde niet perse onjuist! Een persoon is wel degelijk een kracht of potentie. De vraagstelling is niet correct,omdat de Bijbel ons de heilige Geest juist in beide hoedanigheden voorstelt. De Heilige Geest is niet alleen kracht, maar in eerste instantie een Persoon en daarom ook kracht.

De argumenten voor de persoonlijkheid van de Heilige Geest zijn overbekend:

  1. Hij heeft kracht (Rom. 15: 13)
  2. Hij heeft liefde (Rom. 15: 30)
  3. Hij bidt (Rom. 8: 26)
  4. Hij heeft een mening (Rom. 8: 27)
  5. Hij onderzoekt (1 Kor. 2: 11)
  6. Hij heeft kennis (1 Kor. 2: 11)
  7. Hij overtuigt (Joh. 16 : 8)
  8. Hij onderwijst (Joh. 14 : 26)
  9. Hij heeft een wil (1 Kor. 12 : 11)
  10. Hij kan bedroefd zijn (Ef. 4 : 30)
  11. Hij kan gesmaad worden (Hebr. 10 29)
  12. Hij kan belogen worden (Hand. 5 : 3)
  13. De Heilige Geest is God en God is een Persoon.
  14. Wanneer de Heiland over de Heilige Geest spreekt, gebruikt Hij een mannelijk persoonlijk voornaamwoord, hoewel het zuiver taalkundig onzijdig zou moeten zijn, omdat het woord “pneuma” in het Grieks onzijdig is: “…. opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid… want zij ziet Hem niet… Die (Hij) zal u alles leren…”(Joh. 14 : 16, 17, 26).
  15. Hij is de Verwekker van onze nieuwe natuur en daarom een mannelijk persoon


De Goddelijke Eenheid.

De Verwekker van de nieuwe schepping is de Geest van God, die in de Bijbel ook wordt aangeduid als “de Heilige Geest”. Ook hier vinden we weer twee uitdrukkingen, die synoniem zijn, maar ook in dit geval werpen beide uitdrukkingen een verschillend licht op dat wat bedoeld wordt. Het is natuurlijk zeer eenvoudig om te zien, dat “de Geest Gods” en “de Heilige Geest” identiek zijn, maar dat verklaart nog niet, waarom de Bijbel desondanks twee verschillende termen gebruikt.In het Oude Testament wordt slechts op drie plaatsen over “de Heilige Geest” gesproken, terwijl vele malen sprake is van de Geest Gods? Wanneer wij ons een goed begrip willen vormen van wat met “de Heilige Geest” bedoeld wordt, is het beslist noodzakelijk die drie verzen nader te onderzoeken. De eerste maal, dat de Heilige Geest zo genoemd wordt is in Psalm 51:13:

” Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van Mij. “

Ten eerste is hier duidelijk, dat de Heilige Geest de Geest van God is. David spreekt over “Uw Heilige Geest”; niet “mijn Heilige Geest”. Het is niet de Geest van David, maar de Geest van God!

Ten tweede moeten wij hier zonder verdere verklaring stellen, dat de woorden van deze Messiaanse Psalm niet slechts de woorden van David zijn, maar de woorden van de Zone Davids, Die op dat moment nog “in David” was: De Here Jezus! Het is de Heiland Zelf, Die hier belijdenis doet van de grote schuld, die Hij op Zich geladen had. Die schuld was natuurlijk onze schuld, die Hij daar op Golgotha droeg. In die positie vraagt Hij hier God om uitdelging van onze schuld, die de Zijne geworden was. En in die positie bidt Hij God om Zijn Heilige Geest niet van Hem te nemen. Onnodig te zeggen, dat deze gebeden verhoord werden. De eerste keer, dat de Heilige Geest onder die.Naam genoemd wordt, blijkt Hij dus toe te behoren aan de Here Jezus Zelf!

De twee andere Schriftplaatsen geven hetzelfde beeld. Wij vinden die in Jes. 63 : 10 en 11:

“Maar zij zijn wederspannig geworden en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hijzelf heeft tegen hen gestreden. Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft met de herders Zijner kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde?”

In Psalm 51 wordt Hij genoemd “Uw Heilige Geest”; hier in Jes. 63 is het “Zijn Heilige Geest”. Aan Wie behoort de Heilige Geest hier toe, of, zoals vers 1 van dit hoofdstuk de vraag stelt: “Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen van Bozra”? Natuurlijk wordt ook hier profetisch gesproken over de Here Jezus Christus! Ditmaal echter niet in verband met Zijn eerste komst, maar in verband met Zijn wederkomst. Ook hier behoort de Heilige Geest nog steeds toe aan de Zoon van God; Zijn gebed uit Psalm 51 werd verhoord! Overal in het Oude Testament, waar de Heilige Geest genoemd wordt onder die naam, is Hij dus het eigendom van Christus! De verklaring hiervan vinden we de eerstvolgende maal, dat de Heilige Geest genoemd wordt, nl in Matt. 1 : 18 en 20:

“De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit de Heilige Geest... want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest.”

Ook Jozef moet zich hebben afgevraagd, wie toch de Heilige Geest wel is. En wanneer hij daartoe het Oude Testament heeft opengeslagen, heeft hij alleen de drie bovenstaande teksten kunnen raadplegen. De Heilige Geest, Die voor het eerst met het bepalend lidwoord wordt aangeduid, is volgens genoemde drie verzen de Geest, Die afkomstig is van God, de Vader, en die zou wonen in, of gegeven worden aan de Zoon, de Messias van Israël! Ook hier is het principe van toepassing, dat wat door de Geest wordt voortgebracht, Geest is. En wanneer de Verwekker van de Messias Heilig is, dan is ook het Verwekte heilig. Deze gevolgtrekking wordt bevestigd in Luk. 1 : 35:

“En de engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden… ”

De Verwekker is zowel Geest als heilig en daarom is wat geboren wordt eveneens zowel Geest als heilig! Dat Christus heilig is behoefd geen nadere verklaring; dat de Christus Geest is wordt door Paulus onderstreept in 2 Kor. 3 : 6 en 17:

“…. want de letter (d.i de wet; vs. 3) doodt, maar de Geest maakt levend… De Here nu is de Geest… ”

Bovendien eindigt vers 18 van dit hoofdstuk in de grondtekst niet met “des Heren Geest”, maar met “de Here, die de Geest is”. Zo zegt ook 1 Kor. 15 : 45, dat de laatste Adam, Christus, een levendmakende Geest is.

De uitdrukking “Heilige Geest” is dus indirect van toepassing op Christus Jezus, omdat Hij door de Heilige Geest verwekt werd, en wat de Heilige Geest voortbrengt is Heilige Geest. Daarom wordt Hij ook wel “de Geest van Christus” genoemd. Zo b.v. in Rom. 8: 9 en 10:

“Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in de Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. En indien Christus in ulieden is… ”

In dit vers wordt achtereenvolgens van de Geest Gods, de Geest van Christus en van Christus Zelf gezegd, dat zij in de gelovige wonen. Dit is echter geen optelsom, daar het gaat om Eén en Dezelfde, Die met elk van deze drie namen kan worden aangeduid!

Wij, die zo gewend zijn te spreken over de “drie-eenheid” van God, vergeten vaak, dat God weliswaar in zekere zin een Drieheid is, maar bovenal een Eenheid!

“Hoor Israël! de Here onze God is één Here”, …

… luidt de juiste vertaling van Deut. 6 : 4. Hoewel het woord “Elohim” (God) een veelvoud van meer dan twee uitdrukt, wordt er direct aan toegevoegd, dat God desondanks een Eenheid is!

Ook in verband met de mens wordt dikwijls gesproken over een drie-eenheid van geest, ziel en lichaam; maar ondanks dat weten we maar al te goed, dat de mens een eenheid is. In feite sterft de mens, wanneer die eenheid ontbonden wordt tot een drieheid! Zo is God, naar Wiens beeld de mens geschapen werd, in de eerste plaats “een énig God“, d.w.z een Eenheid. Deze Goddelijke Eenheid blijkt Zich echter ook uit te drukken in de “gedaante” van de Geest en in de gedaante van de Zoon, Die Zelf in Joh. 10 : 30 zegt:

“Ik en de Vader zijn één “,

hetgeen ook toen al reden genoeg was om met stenen te gaan gooien (vs. 31) Maar waar het ons hier om gaat, is, dat de Geest van God, de Heilige Geest en de Geest van Christus één Geest zijn,

Die in onze harten “woning gemaakt” heeft, waardoor wij “één plant met Hem” zijn geworden en eeuwig leven, een nieuwe natuur ontvangen hebben. De mening, dat de uitdrukking “Geest van Christus” niet van toepassing is op de Heilige Geest, maar op de menselijke geest van de Heiland, is tamelijk inconsequent. Wanneer we, zoals in dit geval, onderscheid maken tussen verschillende uitdrukkingen voor dezelfde zaak, moeten we ook duidelijk onderscheid maken tussen de namen Jezus en Christus. De Heiland droeg als mens de naam Jezus; de juiste uitdrukking voor Zijn menselijke geest zou dus moeten zijn “de geest van Jezus”! Het was die geest, die Hij gaf op Golgotha. Doch niet de geest van Jezus, maar de Geest van de opgestane Christus woont in elke gelovige.

” Zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe “ (Rom.8: 9)

De verschillende strekkingen van de uitdrukkingen Geest van God, Heilige Geest en Geest van Christus zijn dan als volgt:

  • Geest van God” is de aanduiding, die verband houdt met de oude schepping. (Gen. 1 : 2)
  • Heilige Geest” houdt verband met de nieuwe Schepping, waarvan de Here Jezus Christus de Eersteling en het Hoofd is.
  • Geest van Christus” houdt verband met de opgestane Christus, en wijst erop, dat het leven van de nieuwe schepping, die door wedergeboorte tot stand komt, het leven van Christus Zelf is.

Dat deze verschillende uitdrukkingen desondanks betrekking hebben op dezelfde Geest, moge blijken uit de volgende overwegingen:

  • God is Geest (Joh. 4: 24);
  • de Geest Gods is God Zelf.
  • Christus is God;
  • de Geest van Christus is de Geest Gods.
  • Christus werd verwekt door de Heilige Geest;
  • Christus is Heilige Geest.
  • Christus is de Zoon van God;
  • Hij is door God zowel als de Heilige Geest verwekt;
  • de Heilige Geest is dus God.
  • Christus is Heilige Geest;
  • De Geest van Christus is de Heilige Geest.

Omdat God de Verwekker is van het nieuwe leven, is het Goddelijk leven. Omdat de Heilige Geest de Verwekker is, is het Heilige Geest. Omdat dit het leven van Christus is, is het Geest van Christus.


Water en Geest

In Joh. 3 : 5 zegt de Heer tot Nicodemus:

“Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan”.

De moeilijkheid, die dit vers altijd heeft opgeleverd, ligt in het feit, dat als Verwekker van het nieuwe leven, behalve de Geest, ook water genoemd wordt. De heel gangbare verklaring, dat hier het water van de doop bedoeld wordt, is geen echte verklaring, omdat daarmee verhuld blijft, waarom de Bijbel aan de waterdoop nergens een regenererende werking toeschrijft. Dit zou dan zo ongeveer het enige vers zijn, waarin op dan toch wel zeer bedekte termen de doop wordt genoemd als voortbrenger van het leven. Daarnaast blijft dan nog de moeilijkheid bestaan, dat de Heiland in dit zelfde gesprek nog enige malen melding maakt van de wederbarende functie van de Heilige Geest, zonder het water nog te noemen. Sommigen menen ondersteuning voor deze opvatting te vinden in Rom. 6: 3 en 4, waar staat:

“Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.”

In deze verzen wordt weliswaar gesproken over een doop, maar niet over de doop in water! Water wordt zelfs helemaal niet genoemd.

Hier is sprake van onze onderdompeling in Christus, zoals ook uit het verband blijkt. En omdat de Here Jezus Christus Zich gaf in de dood, wordt onze doop in Christus een doop in de dood genoemd. De doop in water is slechts een type van deze doop in Christus. Deze doop in Christus, n.l. onze vereniging met Hem is de basis voor de wedergeboorte; de waterdoop heeft daarin geen enkele functie. Water heeft dus geen regenererende werking. De juiste verklaring van wat dat water is, wordt gegeven door de Bijbel zelf:

“Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. ” (1 Petr. 1 : 23).

Hier wordt het zaad, dat de wedergeboorte bewerkstelligt het Woord van God genoemd. Dit vinden we ook in Jak. 1 : 18:

“Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der Waarheid… ”

Ditzelfde Woord van God, wordt in Ef. 5 : 26 uitgebeeld door water:

“Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord”.

Het water stelt dus het Woord van God voor, dat terecht het “bad der wedergeboorte” genoemd wordt.

”Hij heeft ons zalig gemaakt… door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heilige Geest.”

Dat deze conclusie juist is, blijkt uit het feit, dat hij toepasbaar is op al de min of meer verschillende betekenissen van ”het Woord”.

In de eerste plaats is het Woord Christus Zelf.

”In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt…. En het Woord is vleesgeworden, en heeft onder ons gewoond.. ” (Joh. 1)

Reeds in het eerste hoofdstuk van de Bijbel maken wij kennis met de scheppende kracht van het Woord. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt. Heel deze oude schepping is tot stand gekomen door het spreken van God. Het Woord geeft leven: “De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord, dat door de mond Gods uitgaat “. Deze wet geldt zowel voor de oude als de nieuwe schepping. Gods methoden veranderen niet!

Het scheppende Woord van God wordt echter niet alleen waargenomen bij de wording van de oude schepping, maar ook bij de wedergeboorte, de wording van de oude schepping. Is niet Christus Zelf het levende Woord van God, zoals blijkt uit Joh. 1? En was Hij niet inderdaad het “ware tarwegraan”, dat in de aarde moest vallen en sterven, om daardoor aan een nieuwe schepping gestalte te geven? Dit scheppende Woord van God is ook de Bijbel Zelf; het geschreven Woord. Wie de inhoud van de Bijbel gelooft en ter harte neemt, d.w.z in zich opneemt, wordt daardoor een nieuwe schepping. Daarom zijn wij wedergeboren uit het onvergankelijke zaad, dat het Woord van God is!

In nog beperkter zin is dat Woord het Evangelie, dat predikt, dat er verlossing is in Christus Jezus, Die leed en stierf en uit de doden opstond in plaats en ten behoeve van een verloren zondaar, die daardoor met Hem een nieuw en eeuwig leven kan ontvangen. Wij moeten geboren worden uit water en Geest!

“….want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld (verwekt)” (1 Kor. 4: 15).

Als nu wat de Geest voortbrengt geest is, moet wat het water voortbrengt ook water zijn. Wanneer onze nieuwe natuur Geest genoemd wordt, moet hij ook water genoemd kunnen worden. Dat is inderdaad het geval in het volgende hoofdstuk. In Joh. 3 wordt het water, in tegenstelling tot de Geest, niet meer genoemd, maar in hoofdstuk 4 is uitdrukkelijk sprake van water als beeld van het nieuwe leven en Zijn Verwekker. Daar vinden we de Heiland aan de bron van Jakob, die als voortbrenger van water een beeld is van de Heilige Geest. En wanneer de Heer een duidelijke vergelijking maakt tussen het water van de Jakobsbron en de Heilige Geest, zegt Hij:

“Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik Hem geven zal, zal in hem worden tot een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven”.

In elk geval blijkt hier, dat water een beeld is van het eeuwige leven, maar het gaat nog verder! Als water een beeld is van het eeuwige leven en het eeuwige leven is, zoals we gezien hebben, Heilige Geest, dan is water uiteindelijk een beeld van (de) Heilige Geest! Dit brengt ons bij de enig juiste verklaring van Joh. 3: 5. Water en Geest is niet water plus Geest; het is geen kwestie van optellen. het gaat hier over twee dingen, maar over één “ding” dat zowel met Geest als water kan aangeduid worden! De verklaring, dat water het Woord van God voorstelt is daarmee natuurlijk niet onjuist geworden, integendeel; nu is juist verklaard waarom dat zo is.

Want wat men ook onder “het Woord van God” verstaat: in ieder geval is dat Woord van God door de Heilige Geest voortgebracht, en wat de Geest voortbrengt is Geest. Het Woord van God en de Heilige Geest zijn in wezen dus niet twee dingen, maar één; water en Geest zijn dus in wezen ook één.

Wanneer we onder het Woord van God uitsluitend het spreken van God verstaan, zoals in de schepping in Gen. 1:

“…. en de Geest van God zweefde op de wateren en God zeide… “,

dan zien wij het spreken van God gepaard gaan met de activiteit van de Geest Gods. Op andere plaatsen gaat dat spreken van God gepaard met de activiteit van de wind, die immers ook een type van de Geest is. Dit is omdat woord (dat in principe overigens onzienlijk is!) en Geest in wezen identiek zijn. Wanneer we onder het Woord van God de Here Jezus Christus verstaan, moet het duidelijk zijn, dat de Heer Zelf werd voortgebracht door de Heilige Geest, en daarom, zoals reeds eerder betoogd, Zelf ook Geest is!

Wanneer wij onder het Woord van God de Bijbel verstaan, dan weten wij, dat

“al de Schrift is van God ingegeven” (theopneustos)(2 Tim. 3 : 16)

Eigenlijk staat er, dat de Schrift door God “begeesterd” is.

De Bijbel is het resultaat van het werk van de Heilige Geest of de Geest van God, en daarom ook zelf Geest, Die ons in alle waarheid leidt. Zie ook 2 Petr. 1: 21. Wanneer we onder het Woord van God het Evangelie verstaan, dan weten wij, dat wij middels het Evangelie proberen de mensen te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. De Bijbel zegt echter, dat dat het werk van de Heilige Geest is. Dat komt doordat het Evangelie als Bijbelse boodschap zelf ook Geest is. Water, levend water, is dus in de eerste plaats een type van het Woord van God in de ruimste zin, en daarom uiteindelijk een type van de Heilige Geest.

In de uitdrukking “water en Geest” worden blijkbaar twee woorden gebruikt om één Persoon aan te duiden. Dit is een stijlfiguur, die “hendiadys” genoemd wordt; hen = één; dia = door; dys = twee; dus één door twee. Deze hendiadys is een taalkundige constructie, die zeer veel in de Bijbel voorkomt, en bijna altijd aanleiding is tot misverstand, omdat men niet op de hoogte is van dergelijke stijlfiguren, en hen dan ook niet herkent als zodanig. Van een hendiadys kan alleen sprake zijn, wanneer twee zelfstandige naamwoorden of twee werkwoorden worden samengevoegd door het voegwoord ”en”, terwijl beide woorden in dezelfde naamval staan. In een dergelijk geval heeft het tweede woord de functie van een zeer sterk bijv. naamw., dat sterker beklemtoond dient te worden dan het eerste. In plaats van “water en geest” kunnen we dus eigenlijk lezen: “geestelijk water”, met de klemtoon op “geestelijk”. Wanneer we inderdaad “geestelijk water” lezen in Joh. 3, dan blijkt duidelijk, waarom de Heer deze uitdrukking gebruikt. Toen de Heer sprak over de wedergeboorte, bracht Nicodemus dat in verband met de natuurlijke geboorte. Daarop spreekt de Heer dan over de geboorte uit geestelijk water, in tegenstelling tot de natuurlijke geboorte, die geschiedt uit natuurlijk water, dat ook in dit geval een type is van de Heilige Geest. Ook in de oude schepping heeft God het zo gemaakt, dat bij de geboorte eerst water verschijnt en daarna het leven, omdat het een type is van de wedergeboorte.

Vandaar dat de Heer deze uitdrukking gebruikt; de wedergeboorte vindt plaats uit geestelijk water, uit water dat Geest is. Een misschien nog duidelijker voorbeeld van een hendiadys vinden we in de uitdrukking “de God en Vader van onze Here Jezus Christus”. Niemand zal hier toch op de gedachte komen, dat die God een Ander is dan de Vader. Ook in dit geval zouden we kunnen lezen ”De Vaderlijke God van onze Here Jezus Christus.” Dit om te laten zien, dat dergelijke stijlfiguren, hoewel in het Nederlands wat ongebruikelijk is, in de grondtekst van de Bijbel een heel normale zaak zijn. Voor verdere studie geven wij hieronder nog enige voorbeelden van hendiadys in verband met de Heilige Geest:

  • Geest en vuur: Matth. 3: 11; Luk-, 3: 16. Vergelijken met: Hand. 18: 25-, Rom. 12: 11; 1 Thess. 5: 10.
  • Geest en kracht: Luk. 1 : 17; 1 Kor. 2 – 4. Vergelijken met: Rom. 15: 13; Hand. 1: 8.
  • Geest en leven: Joh. 6: 63. Vergelijken met: Op. 11: 11; Rom. 8: 2 en 10.
  • Geest en waarheid: Joh. 4 : 23 en 24 Vergelijken met: Joh. 15 26; Joh. 16: 13; 1 Joh. 4: 6.
  • Geest en wijsheid: Hand. 6: 10. Vergelijken met: Ef. 1: 17.


De nieuwe natuur

Een belangrijk Bijbels principe is, dat de zoon de erfgenaam is van de vader. Dit erfrecht treedt overigens al in werking bij het meerderjarig worden van de zoon en wacht beslist niet op het overlijden van de vader. Dit komt duidelijk naar voren in o.a. de gelijkenis van de verloren zoon! Dit erfrecht heeft echter niet alleen betrekking op materiële bezittingen, maar strekt zich uit over de totale persoon! De zoon wordt in de Bijbel gezien als de voortzetting van de vader.

Om die reden heeft het Hebreeuwse woord voor zoon (“ben”) eveneens de betekenis van ”bouwer”, d.i. hij, die het leven van de vader voortbouwt door de tijd. In zekere zin is de zoon dus de vader. Wanneer God b.v. een verbond sluit met Abraham, gaat dit min of meer automatisch over op lzak en Jakob en vervolgens op al Jakobs afstammelingen: het volk Israël. De Bijbel verklaart dit uit het feit, dat de zoon oorspronkelijk deel uit maakt van het lichaam van de vader en daardoor één geheel met Hem is. Deze Bijbelse wetmatigheid heeft zijn uitwerking op de mens in het algemeen, omdat het in de eerste plaats een Goddelijk principe is.

De Zoon van God Zelf is Gods Erfgenaam en vormt met de Vader een Eenheid.

Deze eigenschap van de Schepper wordt vanzelfsprekend geprojecteerd op het schepsel! Wat God voortbrengt is God; wat de mens voortbrengt is mens; wat de Geest voortbrengt is Geest; enz. Daarom is Adam niet alleen de naam voor de eerste mens, maar voor alle mensen. Het Hebreeuwse woord “adam” wordt in onze Bijbel dan ook terecht dikwijls vertaald met “mens”, hoewel het eigenlijk “rood” betekent. (“Al waren uw zonden rood als scharlaken… “)

Wat Adam voortbrengt is Adam! Deze wet is van toepassing op de Schepper Zelf, en beperkt zich daarom niet tot de oude schepping, maar is ook van toepassing op de nieuwe schepping; de wedergeboorte. Juist in verband hiermee past de Heiland dit principe toe op de Geest: Wat de Geest voortbrengt is Geest. Sterker nog: Dat wat uit de Heilige Geest geboren wordt is Heilige Geest. De nieuwe natuur, die elke wedergeboren zondaar ontvangt heet Heilige Geest, omdat hij door de Heilige Geest is voortgebracht. Wanneer de Bijbel dan spreekt over de Geest of de Heilige Geest, die in iedere gelovige woont, is dat de aanduiding van dat wat wedergeboren is: de nieuwe mens!

Zoals vader en zoon beiden mens zijn; zoals de Vader en de Zoon beiden God zijn; zo worden in verband met de wedergeboorte zowel de Verwekker als het Verwekte Geest of Heilige Geest genoemd.

Maar hoewel beiden God zijn, maakt de Bijbel desondanks onderscheid tussen de Vader en de Zoon. Op gelijke wijze maakt de Bijbel ook onderscheid tussen de Heilige Geest als Verwekker en de Heilige Geest als de verwekte nieuwe natuur. Dit verschil komt helaas in onze Nederlandse Bijbelvertalingen niet meer tot uitdrukking. Wanneer de Heilige Geest als Vader bedoeld wordt, maakt de grondtekst gebruik van het bepalend lidwoord: “de Heilige Geest”; wordt daarentegen de verwekte nieuwe natuur bedoeld, dan wordt het lidwoord weggelaten: “Heilige Geest”. Dat dit verschil bepaald wordt door het lidwoord blijkt ook uit de uitspraak van de Heer: “Wat de Geest voortbrengt is Geest”.

De moeilijkheid in onze vertalingen is, dat in bijna alle vijftig gevallen, dat over “Heilige Geest” gesproken wordt, toch vertaald is met “de Heilige Geest”, zonder dat daar enige noodzaak voor is. Op zichzelf is dat natuurlijk een ernstig defect aan onze vertalingen, maar in de praktijk is toch ook op andere wijze vrij gemakkelijk te bepalen of de Goddelijke Persoon of ons nieuwe leven bedoeld is. Dat kan b.v. wanneer we het begrip wedergeboorte even buiten beschouwing laten, en de Verwekker zien als de Gever en het verwekte als de gave.

Wanneer de Geest als Gever van het eeuwige leven (de “genadegift Gods“) bedoeld wordt, gaat het om de Heilige Geest; wordt daarentegen de gave van het eeuwige leven zelf bedoeld, dan wordt er gesproken over Heilige Geest of Geest, dus zonder lidwoord.

De door wedergeboorte ontvangen nieuwe natuur is Heilige Geest, omdat Hij door de Heilige Geest is verwekt. De nieuwe natuur is een Persoon, omdat de Heilige Geest een Persoon is. De nieuwe natuur is een Kracht, omdat de Heilige Geest een Kracht is.

De Kracht van de Heilige Geest blijkt duidelijk uit een vergelijking van Luk. 24 : 49 met Hand. 1 : 4 en 5. In Luk. 24 : 49 zegt de Heer tot Zijn discipelen:

“En ziet, Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte“.

Hier wordt verklaard, dat “de belofte des Vaders” “Kracht uit de hoogte” is, die de discipelen zouden ontvangen.

In Hand. 1 : 4 en 5 lezen wij over dezelfde gebeurtenis:

“En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders. die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met (de) Heilige Geest gedoopt worden niet lang na dezen. “

In de eerste plaats moeten wij opmerken, dat het woordje “de” hier in de grondtekst niet voorkomt. Hier wordt niet gesproken over de Heilige Geest, maar over Heilige Geest, en door het woordje “want” wordt verklaard, dat Heilige Geest de “belofte des Vaders” is. In Lukas is de belofte des Vaders “Kracht uit de hoogte”, terwijl in Handelingen de belofte des Vaders “Heilige Geest” is. Hieruit volgt, dat “Heilige Geest” hetzelfde is als “Kracht uit de hoogte”. Eigenlijk is dat vanzelfsprekend, omdat onze nieuwe natuur een Persoon is en daarom ook een kracht. Het is kracht uit de hoogte omdat de Verwekker Zelf uit de hoogte komt. Eén van de uitdrukkingen, die vertaald zijn met “wedergeboren worden” betekent dan ook letterlijk “van boven geboren worden” (gennao anothen)

Samenvattend kunnen we zeggen, dat de nieuwe natuur een Persoon is, omdat de Verwekker een Persoon is. Hij is Heilige Geest omdat de Verwekker de Heilige Geest is. Hij is Geest van Christus, omdat het het leven van de opgestane Christus is. Hij is de kracht uit de hoogte, omdat hij van boven geboren is.


De “Geestesdoop”

De doop met Heilige Geest is een onderwerp, waar helaas erg veel verwarring over bestaat. Ook in dit geval wordt die verwarring nog versterkt, doordat onze Nederlandse Bijbelvertalingen het nogal laten afweten. Dit is echter niet zozeer een gebrek van de vertaling als zodanig, maar meer een gevolg van het feit, dat onze moderne talen niet in staat zijn om nauwkeurig genoeg uitdrukking te geven aan wat de klassieke grondtekst ons meedeelt.

De doop met de Heilige Geest wordt in de Bijbel achtereenvolgens genoemd in de volgende Schriftplaatsen: Matth. 3: 11;  Mark. 1 : 8;  Luk. 3 : 16;  Joh. 1 : 33;  Hand. 1 : 5;  Hand. 11 : 16 en  1 Kor. 12: 13.

De eerste zes van deze zeven teksten hebben alle direct of indirect te maken met de aankondiging van de doop met Heilige Geest en verklaren niet wat die doop nu precies inhoudt.

Ten tweede is in al die zes verzen letterlijk sprake van doop “met Heilige Geesten niet van “met de Heilige Geest”. Het gaat daar niet primair om de Verwekker, maar om het nieuwe leven Zelf!

Ten derde is de uitdrukking ”dopen met Heilige Geest” precies gelijk aan de uitdrukking “dopen met water”, zoals blijkt uit b.v. Mark. 1 : 8:

” Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met Heilige Geest “.

Dat wil zeggen, dat wanneer “dopen met water” in het Nederlands vervangen kan worden door “dopen in water”, dit ook mogelijk moet zijn met “dopen met Heilige Geest”. We kunnen dus evengoed spreken over de doop in Heilige Geest.

Opvallend is, dat in deze zes verzen de doop in water blijkbaar gezien wordt als een type of symbool van de doop in Heilige Geest, terwijl de doop in water toch in eerste instantie een type is van de doop in Christus. Maar ook hier geldt weer, dat daar geen wezenlijk verschil tussen bestaat; het is alleen een andere benadering. Door onze doop in, of vereniging met Christus zijn wij met Hem gestorven en begraven en opgewekt; zijn wij met Hem wedergeboren en hebben deel gekregen aan Zijn leven. En zoals gezegd is Zijn leven Heilige Geest, omdat Hij door de Heilige Geest werd verwekt. Deze Heilige Geest is het nieuwe leven, dat wij ontvangen hebben door de wedergeboorte. Daaruit volgt dan, dat onze doop in Christus identiek is aan onze doop in Heilige Geest en dat de doop in water een type is van beiden. Het verband tussen Christus, de Heilige Geest en water hebben wij reeds besproken onder “water en Geest”.

Het bovenstaande komt precies overeen met wat in de zevende en tevens laatste tekst, waarin doop en Heilige Geest in verband met elkaar genoemd worden, verklaard wordt. Hiermee komen we in 1 Kor. 12 terecht, waar Paulus uitvoerig uiteenzet, dat alle gelovigen deel hebben gekregen aan één Geest. En omdat dat zo is vormen alle gelovigen één lichaam. Omdat die Ene Geest ook wel de Geest van Christus genoemd wordt, is dat Ene lichaam, dat door alle gelovigen uit deze bedeling gevormd wordt het “lichaam van Christus“.

“Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest…. want gelijk het lichaam één is,…. alzo ook (het lichaam van) Christus…. en gijlieden zijt het lichaam van Christus” (1 Kor. 12: 11, 12 en 27)

Binnen dit kader zegt de apostel dan in vers 13:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt… ” en “wij zijn allen tot één Geest gedrenkt “.

Eerst moeten wij even stilstaan bij het voorzetsel, dat hier met “tot” vertaald is. Het is het Griekse voorzetsel “eis”, dat soms vertaald wordt met ”tot”, soms met “in” en soms met “aan”. Al deze verschillende vertalingen zijn op zich juist, maar drukken slechts een gedeelte van de gehele betekenis van het woord uit.

“Eis” drukt de beweging uit in de richting van een bepaald object, met het doel dat object te bereiken of aan te raken. In het Nederlands hebben wij minstens twee voorzetsels nodig om hetzelfde uit te drukken. Het moet dan vertaald worden met “tot op”, “tot aan” of “tot in”. Deze laatste vertaling, n.l. “tot in”, is meestal de beste en is min of meer vergelijkbaar met het Engelse “into” of ”unto”.

Hier in vers 13 staat dus, dat wij door één Geest ”tot in” één lichaam, n.l. het lichaam van Christus, gedoopt zijn. De Heilige Geest was de Persoon en Kracht, Die ons gedoopt heeft in het lichaam van Christus. Door de Heilige Geest zijn wij een lid geworden van het lichaam van Christus.

Het zal wel geen nadere toelichting behoeven, dat hier gesproken wordt over de wedergeboorte. Wij zijn immers een deel geworden van het lichaam van Christus, omdat wij het leven van Christus ontvangen hebben door onze wedergeboorte.

In het nu besproken eerste gedeelte van dit vers wordt nog niet gesproken over de doop met Heilige Geest, maar over de doop “door één Geest”. De Geest, Die hier bedoeld wordt is dus de Verwekker van het nieuwe leven, Die ons geplaatst heeft in (het lichaam van) Christus.

De doop met of in Heilige Geest wordt gezien in het tweede gedeelte van dit vers:

” …. en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt”.

Hier ook weer het voorzetsel ”eis”. We dienen daarom te lezen:

” …. en wij zijn allen tot in of tot aan één Geest gedrenkt”.

Deze zinsnede staat formeel twee verschillende verklaringen toe, die ook deze keer in werkelijkheid helemaal niet verschillend zijn. De eerste betekenis van dit gedeelte is, dat wij allen “drinken aan” één Geest. Een dergelijke opvatting is taalkundig absoluut toelaatbaar en ook Bijbels gezien volkomen juist. De Heilige Geest werd immers door de Heiland Zelf voorgesteld als de bron, waaruit men moet drinken om nooit meer dorst te hebben (Joh. 4). Wanneer wij daarvan gedronken hebben, hebben wij deel gekregen aan die Geest en daarom ook aan het lichaam van Christus. Dit was ook de inhoud van de eerste helft van dit vers. De andere eveneens taalkundig toelaatbare lezing is, dat wij “tot in” één Geest zijn gedrenkt, d.w.z ondergedompeld, gedoopt. Ook dat is volkomen juist, omdat dat de letterlijke betekenis is van het gedoopt zijn met of in Heilige Geest.

De uitdrukking “doop met (of in) Heilige Geest” wil dus zeggen, dat er Heilige Geest in de gelovige is, maar tevens, dat de gelovige in de Geest is. Deze doop met Heilige Geest heeft tot gevolg dat wij eveneens gedoopt zijn in Christus: d.w.z wij zijn in Christus en Christus is in ons. De doop in (het lichaam van) Christus en de doop met of door de Heilige Geest zijn daarom niet twee verschillende zaken, maar slechts verschillende uitdrukkingen voor dezelfde waarheid, die daarop een verschillend licht werpen! Vanzelfsprekend houdt dit ook in, dat het onmogelijk is om in Christus gedoopt te zijn zonder in Heilige Geest gedoopt te zijn.Wellicht ten overvloede: Wanneer wij met Heilige Geest gedoopt zijn, zijn wij gedoopt in Christus, omdat Christus en de Heilige Geest in Wezen Eén zijn!

Deze waarheid wordt bevestigd door de bijbelse leer, dat de gelovige in Christus is en Christus in de gelovige, terwijl volkomen parallel hieraan de gelovige in de Geest is (gedoopt), en de Heilige Geest in de gelovige.


De doop in Mozes

Een geweldige verklaring van wat “gedoopt zijn in ” wil zeggen, vinden we in 1 Kor. 10:

“En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en die steenrots was Christus.”

“En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden… ” “En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden… ” (1 Kor. 10 : 1-4, 6, 11)

Paulus zegt hier, dat het volk Israël ten tijde van de Exodus in Mozes gedoopt was. Net zo min als de doop in Christus en de Heilige Geest is de doop in Mozes hetzelfde als de doop in water. Dat Israël gedoopt was in Mozes, hield in, dat zij onlosmakelijk met hem verbonden waren. Waar Mozes ging, ging Israël. Wat Mozes at, at Israël. Wat Mozes dronk, dronk Israël. Mozes en Israël vormden dus een eenheid!

Waar dit alles een beeld van is, is zonneklaar. De doop in Mozes wordt hier gezien als een type (= voorbeeld) van onze doop in Christus! Wij zijn door de Heilige Geest in Christus gedoopt en daarom onlosmakelijk met Hem verbonden. Wij zijn met Hem “door de zee doorgegaan”, wat een type is van de wedergeboorte! Wij zijn met Hem op weg naar het beloofde land, een type van de hemel, dat we erfelijk zullen bezitten! Onze tocht gaat onder Zijn leiding dwars door de woestijn, een type van deze wereld, waar wij niet thuis horen, maar waar we wel de overwinning behalen. Ook ontvangen wij hetzelfde voedsel, het manna, een type van het Woord van God. Want

“De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat” (Deut. 8 : 3; Matt. 4 : 4).

Wij drinken eveneens uit dezelfde geestelijke steenrots, een type van Christus, Die het levende water voortbrengt, dat natuurlijk ook hier een type is van de Heilige Geest. Alle zegeningen, Die Christus ontvangen heeft, zijn door genade ook de onze, omdat wij in Hem gedoopt zijn. Dat is niet alleen de grond voor onze rechtvaardigmaking, maar ook voor onze toekomstverwachting. Omdat wij met Hem verenigd zijn, zullen wij “altijd met de Here wezen(1 Thess. 4 : 17) en zullen wij voor eeuwig zijn waar Hij is (Joh. 14 : 3)

“En indien wij (Gods) kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus……”. (Rom. 8:17a)

Alleen wanneer wij ons bewust zijn van onze gezegende positie in Christus, zal ons leven een overwinningsleven kunnen zijn. Dan zijn wij opgewassen tegen onze pelgrimsreis door de woestijn op weg naar ons eeuwig tehuis. Dan brengt het leven in onze veroordeelde oude natuur misschien

“verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard” (Rom. 8: 35),

maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, die ons liefgehad heeft. Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here” (Rom. 8: 37-39)

Wedergeboorte 2 - Het Nieuwe Leven

BROCHUREREEKS "HET MORGENROOD" - Volgnummer 120 (Cat. No.: 218)
Door Ab Klein Haneveld onder redactie van: †Jb. Klein Haneveld Bodegraven.

Deze brochure is de tweede in een reeks over de wedergeboorte.  
Verschenen zijn de volgende titels:

[FinalTilesGallery id='12']