Wedergeboorte 3 – De HOOP VAN ISRAËl


D
e Leraar van Israël

In het beroemde nachtelijke gesprek tussen Nicodemus en de Heere Jezus doet de laatste een wet zeer markante uitspraak. Nadat Hij tot driemaal toe gesproken heeft over de wedergeboorte als noodzaak om het Koninkrijk Gods te zien of in te gaan, verwijt hij Nicodemus, dat deze niet bekend is met het begrip “wedergeboorte”:

“ Zijt gij de (niet “een” maar “de”) leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet? Joh.3: 10.

Daarna vervolgt Hij met:

“ indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?” Joh. 3:12.

Deze beide uitspraken zijn zeer omstreden. Hoe kon Nicodemus iets bekend zijn over de wedergeboorte? Met welk recht maakt de Heiland de leraar van Israël dit verwijt? Wanneer wij eenvoudig een concordantie ter hand nemen, zullen wij zien, dat het de Heer Zelf is, Die voor de eerste maal het woord “wedergeboorte” bezigt.
Dikwijls wil men ons dan doen geloven, dat de goede man helemaal niets kon weten omtrent de wedergeboorte.

Het is immers een nieuwe leer van de Heere Jezus! Wat Nicodemus dan nog wel wordt aangewreven is dat hij blijkbaar niet direct gehoor geeft aan de woorden van de Heiland. Toch zijn de woorden van de Heer heel duidelijk. Als de leraar van Israël wordt Nicodemus geacht de inhoud van het begrip wedergeboorte te kennen. Aan ons is dan ook niet de taak om te controleren of het verwijt van de Heer wel terecht is. Natuurlijk is het terecht! Onze taak is het, om te onderzoeken waar Nicodemus als Schriftgeleerde in gebreke is gebleven! De vraag die blijft liggen is deze: Waar en hoe spreekt het Oude Testament over de wedergeboorte?Want dat het dat doet blijkt zonder meer uit de woorden van de Heer Zelf!

Het andere moeilijke punt is, dat de Heer zegt gesproken te hebben over “aardse dingen” en “hemelse dingen”. Waren er dan twee verschillende onderwerpen aan de orde? De Heer sprak toch alleen maar over de wedergeboorte? Inderdaad, er was slechts een enkel onderwerp aan de orde. Maar tot welke categorie moeten wij dit onderwerp rekenen? Behoort de wedergeboorte tot de aardse of tot de hemelse dingen? Mochten wij besluiten de wedergeboorte te rekenen onder de hemelse dingen, wat zijn dan de aardse? En wanneer wij de wedergeboorte rekenen tot de aardse dingen, welke zijn dan de hemelse?

Het antwoord op deze vragen is helaas niet erg bekend. Niet omdat het zo moeilijk te vinden is, maar omdat de vragen over het hoofd gezien worden! Een analyse van het gesprek tussen de Heere Jezus en Nicodemus in Joh. 3:1-21 leert ons, dat deze dialoog in feite in twee delen uiteenvalt. In het eerste deel zijn de Heer en Nicodemus beurtelings aan het woord. Nadat de Heer hem gewezen heeft op de noodzaak en het karakter van de wedergeboorte, vraagt Nicodemus in opperste verwarring:

“Hoe kunnen dezen dingen geschieden?” Joh. 3: 9.

Het is na deze vraag van Nicodemus, dat de Heer hem zijn onkunde verwijt met de woorden:

“Zijt gij de leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet? Voorwaar voorwaar zeg Ik u: Wij spreken wat Wij weten en getuigen wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan”. Joh. 3: 10, 11.

Opvallend is, dat de Heer Zich over het hoofd van Nicodemus richt tot het volk Israël. Dit blijkt uit het woord “gijlieden”, dat immers een meervoudsvorm is. Hij verwijt Nicodemus en zijn leerlingen (“de leraar van Israël”) niet alleen dat zij niets weten over de wedergeboorte, maar ook dat zij Zijn getuigenis niet aannamen! Daarbij komt dan nog, dat de Heiland zegt te spreken wat Hij “weet” en te getuigen wat Hij “gezien” heeft. En desondanks nemen Nicodemus en het volk Zijn getuigenis niet aan. Met deze woorden suggereert de Heer, dat hetgeen Hij spreekt rechtstreeks afkomstig is uit het Oude Testament, waaruit Hij het “weet” en waarin Hij het “gezien” heeft. Maar daaruit konden ook Nicodemus en zijn leerlingen het “weten” en daarin konden zij het ook “gezien” hebben. Juist omdat de Heer Zich kan beroepen op het Joodse Oude Testament is Zijn verwijt aan hun adres gerechtvaardigd. Ze hadden het moeten weten. Of door de bestudering van de Schriften of door het “getuigenis” van de Heere Jezus.

Maar zelfs Zijn op de Schrift gefundeerde getuigenis werd niet geaccepteerd! Men geloofde Hem eenvoudig niet! En vandaar de volgende uitspraak:

“Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse (dingen) zou zeggen?” Joh. 3:12.

De eerste helft van de dialoog werd in vers 11 besloten met de opmerking, dat Nicodemus het getuigenis van de Heere Jezus over de wedergeboorte niet aannam. Hij geloofde het dus ook niet! Wanneer nu vers 12 weer spreekt over dingen die door Nicodemus niet geloofd worden, blijken dat “aardse dingen” te zijn. De conclusie is dan, dat de wedergeboorte zoals die zojuist besproken was, en zoals Nicodemus die had moeten kennen, behoort tot de “aardse dingen”. De normale objectieve betekenis van deze woorden is, dat de Heer tot op dat moment slechts gesproken had over aardse dingen, die door zijn gehoor echter niet werden aangenomen. En dan volgt de grote wending in dit gesprek, als antwoord op de vraag: “Hoe kunnen deze dingen geschieden? De “leraar van Israël” doet er verder het zwijgen toe. Maar “de Leraar van God gekomen” spreekt verder en verklaart hoe een in zonde geboren sterveling door persoonlijke wedergeboorte een kind van God kan worden:

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad. dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar heteeuwige leven hebben.” Joh. 3:16.

Het is een duidelijk antwoord: Wedergeboorte komt tot stand door geloof! Deze persoonlijke wedergeboorte door het geloof in de Heere is een Bijbelse waarheid, die Nicodemus zonder meer bekend had moeten zijn. De Heer verwijt Hem echter zijn onkunde, maar wijst hem er tevens op, dat het eeuwig leven als vrucht van de wedergeboorte, slechts ontvangen wordt door geloof:

“…..opdat een ieder, die in Hem gelooft…“ Joh. 3 : 15, 16.

“Die in Hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is alreeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God.” Joh. 3 : 18.

Dat deze waarheid ook in het Oude Testament uitgebreid naar voren komt, hoop ik in het vervolg te laten zien. De vraag blijft echter: Zijn dit nu aardse of hemelse dingen? Het antwoord is in dit verband niet zo makkelijk te geven. In ieder geval moet het duidelijk zijn, dat de Heiland in zijn eerste uitspraken tot Nicodemus spreekt over de individuele wedergeboorte:

“Tenzij dat iemand… “ Joh. 3:3.
“Zo iemand niet…… “ Joh. 3:5.

En volgens vers 12 had de Heer slechts gesproken over “aardse dingen”. Daaruit volgt dan, dat de individuele wedergeboorte in ieder geval deel uitmaakt van de “aardse dingen”. En zoals we later zullen zien, wordt deze persoonlijke wedergeboorte inderdaad in de profetieën genoemd in verband met Israëlieten, aan wie een eeuwige toekomst in het land der vaderen beloofd is! Want de Schrift leert, dat God de mens geschapen heeft om op de aarde te wonen. Wanneer nu de in zonde gevallen mens langs de weg van wedergeboorte weer verzoend wordt met god, verandert dat niet noodzakelijk iets aan zijn bestemming. God schiep de mens voor de aarde, en de verloste mens zal daarom ook inderdaad op de aarde wonen! Want laten we wel zijn, waarom denkt u dat God straks een nieuwe aarde maakt? Natuurlijk dient die nieuwe aarde ter bewoning door de verlosten. En natuurlijk neemt Israël onder die verlosten een vooraanstaande plaats in. Daarom behoort de wedergeboorte in ieder geval tot de aardse dingen. Of we daarbij denken aan de verlossing van zondaren of de collectieve opstanding van een hele natie, maakt daarbij niets uit.

Maar, zult u zeggen, gaat een wedergeboren mens dan niet naar de hemel? En daar komen we terecht bij de hemelse dingen. De zaak is namelijk, dat een gelovige in het algemeen in de eeuwigheid zal wonen op de nieuwe aarde. Doch er is een heel grote uitzondering! Die uitzondering betreft namelijk degenen, die tot geloof komen tijdens de periode waarin de Heer Zijn aangezicht voor Israël en de volkeren verbergt! Anders gezegd: Deze uitzondering betreft degenen, die als gelovigen leven onder de bedeling van de verborgenheid! Nadat Israël haar Messias verwierp verzamelt de Heer Zich een volk uit alle volkeren. Dit volk is de Gemeente, het lichaam van Christus. Allen, die deel uitmaken van dit verloste volk, zijn geroepen met een hemelse roeping. Zij hebben een hemels burgerschap. Zij verwachten uit de hemel hun Zaligmaker en zullen inderdaad de eeuwigheid doorbrengen in het land, dat de Heer hun beloofd heeft: de hemel. Het punt is dus, dat de mens slechts behouden wordt door wedergeboorte op grond van geloof. Dit behoud betekent in het algemeen, dat de wedergeborene in eeuwigheid zal wonen op de nieuwe aarde. Dat is de normale betekenis in verband met de “aardse dingen”. De uitzondering geldt echter voor de gelovigen uit de tijd tussen de eerste en de tweede komst van Christus. Zij worden behouden op precies dezelfde wijze: door wedergeboorte op grond van geloof. Maar hun toekomst is verschillend. Zij zien uit naar hun toekomst en erfenis in de hemel. Wel, dit zijn de hemelse dingen.

Deze hemelse dingen kon Nicodemus inderdaad niet weten. De gemeentelijke waarheden werden immers pas later door de apostel Paulus geopenbaard. Zij maken deel uit van de grote “verborgenheid” of het “geheimenis”. Het verschil tussen deze “aardse dingen” en “hemelse dingen” is precies bepalend voor het grote onderscheid tussen Israël en de Gemeente als uitverkoren volken! Niet hun afkomst bepaalt dit verschil, want die is precies gelijk! Net als de gemeente nu, zal Israël straks verzameld worden uit alle volkeren. Het Israël, dat straks in het Messiaanse Rijk het beloofde land zal bezitten bestaat uit precies dezelfde soort mensen als de Gemeente. Allen zijn uit genade en door het geloof wedergeboren.

Het verschil is slechts gelegen in de toekomstbestemming, en houdt verband met de vraag waartoe God hen uitverkoren heeft. En dan leert de Schrift, dat God Israël heeft uitverkoren voor de aarde, en de Gemeente voor de hemel. Met opzet ga ik hier niet dieper op deze zaak in. Mijn onderwerp is niet de Gemeente of de Eschatologie, maar de wedergeboorte. Waar het hier om gaat is, dat de wedergeboorte zowel aardse als hemelse gevolgen kan hebben, afhankelijk van de bedeling waarin die wedergeboorte tot stand kwam.

Maar hoe zullen wij de hemelse dingen begrijpen als we de aardse niet eerst begrijpen? Want wedergeboorte vanuit het Oude Testament behoort tot de aardse dingen. Het maakte geen deel uit van de Verborgenheid. Wedergeboorte is dus niet iets wat uitsluitend met de gemeente te maken heeft. Wedergeboorte is de weg van een oude schepping naar een nieuwe, en is daarom fundamenteel voor een juist begrip van Gods weg met een gevallen wereld. En dat had Nicodemus moeten weten.


De geboorte van Israël

“En aangaande uw geboorten: ten dage als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden. Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage toen gij geboren
waart “. Ez. 16:4, 5.

Wanneer we ons bezighouden met de wedergeboorte van Israël, moeten wij ons in de eerste plaats realiseren, dat wedergeboorte slechts mogelijk is, als er ook een eerste geboorte geweest is. De regels, die van toepassing zijn op de persoonlijke wedergeboorte, zijn eveneens van toepassing op dit aardse aspect van de wedergeboorte. Zoals een mens eerst op “natuurlijke” wijze uit zijn ouders geboren moet worden om ooit deel te kunnen krijgen aan de wedergeboorte, zo moet ook Israël ooit op “natuurlijke” wijze geboren zijn! De vergelijking tussen een persoon en een heel volk is trouwens een puur Bijbelse. God handelt met volken op precies dezelfde wijze als met mensen. Daarom spreekt God de volken ook toe alsof het personen zijn!

De waarheid uit 1 Kor. 15 betreffende het “natuurlijke” en het “geestelijke” is daarom ook niet alleen van toepassing op de individuele mens, maar ook op de afzonderlijke volkeren!

“Er is een “natuurlijk” lichaam, en er is een geestelijk lichaam… Doch het geestelijke is niet eerst, maar het “natuurlijke”, daarna het geestelijke…… “ 1 Kor. 15:44, 45.

Het woord lichaam slaat immers niet alleen op het menselijk lichaam. Het is eveneens van toepassing op elke georganiseerde eenheid. Ook in de Nederlandse taal spreken wij b.v. van “openbare lichamen”. En daarmee bedoelen wij bepaalde organisaties en geen mensen! Ook kennen wij vaste, gasvormige en vloeibare lichamen in de natuurkunde, en in de wiskunde de regelmatige lichamen der meetkunde! Deze ruime betekenis van het woord “lichaam” verklaart waarom het wordt toegepast op een heel volk. Een volk is immers een georganiseerde eenheid! Er zijn dus twee soorten lichamen: het natuurlijke en het geestelijke. Van het geestelijke lichaam hebben wij reeds gezien, dat het ontstaat door wedergeboorte, of opstanding. In principe is dat immers hetzelfde! Het natuurlijke lichaam ontstaat eenvoudig door geboorte. Dat geldt voor een persoon, maar dan ook voor een heel volk. En inderdaad spreekt de Schrift in de hierboven uit Ezechiël aangehaalde verzen over de geboorte van Israël. Ook Hoséa drukt zich op gelijke wijze uit:

“Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen. Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als ten dage, toen zij geboren werd… “ Hos. 2: 1, 2.

Weinig vleiende woorden zijn dat. Doen ze ons niet denken aan wat de Schrift zegt over de geboorte en afkomst van de natuurlijke mens? De mens, die als afstammeling van Adam “in zonde ontvangen” is, en van wie de Schrift getuigt:

“Er is niemand rechtvaardig, ook niet een; Er is niemand, die verstandig is, er is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe. Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen. Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellendigheid is in hun wegen; en de weg des vredes hebben zij niet gekend. Er is geen vreze Gods voor hun ogen. Rom.3: 10-18.

De natuurlijke geboorte van Israël als natie was vanzelfsprekend de uittocht uit Egypte. Daar ontstond de aardse natie Israël. Eigenlijk is het opvallend hoe sterk de gebeurtenissen rond de Exodus overeenkomen met  een normale geboorte. In beide gevallen spreken we trouwens van “verlossing”.

De Joodse systematiek wijst er op, dat Egypte eigenlijk de moeder is van Israël.
Israël werd immers uit Egypte geboren! Vandaar ook de bijzondere relatie die er altijd bestaan heeft en nog bestaat en volgens de profetieën ook zal bestaan tussen deze beide landen. Het is de relatie tussen moeder en dochter! Vanaf het tijdstip dat de stamvader Jakob onder de naam “Israël”zich met zijn hele familie vestigde in Egypte, was Egypte feitelijk zwanger. In Egypte breidde de familie van Jakob zich uit tot een volgroeid volk. De weeën konden dan ook niet uitblijven. Egypte leed onder de barensweeën, die over haar kwamen. Hoewel wij dikwijls spreken over de “tien plagen”, waren het er eigenlijk slechts negen. Negen plagen kwamen uitsluitend over Egypte. De tiende plaag kwam feitelijk over zowel Israël als Egypte. Beide volkeren waren het slachtoffer van de tiende plaag. Maar ook beide volkeren konden daaraan ontsnappen door het bloed van het Paaslam aan de deurpost.

De negen plagen van Egypte komen overeen met de negen maanden van menselijke zwangerschap.
Waarom negen? De Hebreeuwse letter, die de negen voorstelt, wordt “thet” genoemd. Deze naam betekent “baarmoeder”. De negen is de baarmoeder. Daarom staat het getal negen in de Bijbel voor oordeel. Maar dan een oordeel waaruit iets goeds, iets nieuws, te voorschijn komt. Het is een oordeel, een lijden, waaruit de nieuwe schepping voortkomt! Het is het oordeel over de oude schepping, de moeder. Maar het brengt de nieuwe schepping teweeg. Daarom wordt de negen ook genoemd bij het lijden van de Heere Jezus:

“En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: Eloi, Eloi, Lamma Sabachtani, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Mark. 15: 34.

De negende ure was het tijdstip waarop werd afgerekend met de oude natuur. Het natuurlijke lichaam, het eerste lichaam werd geoordeeld en door God verlaten, want het zou plaats moeten maken voor het geestelijk lichaam, Het opstandingslichaam. De nieuwe schepping! Want de nieuwe schepping komt langs een weg van lijden voort uit de oude schepping! De moeder lijdt, om het kind te kunnen voortbrengen.
Waarom dat zo is? Omdat de natuurlijke geboorte een type is van de wedergeboorte. Dat is zo bij de geboorte van een mens en dat is zo bij de geboorte van het volk Israël. Het is zo bij de verlossing van een mens en het is zo bij de verlossing van het volk Israël.

En dan is het zover. Egypte stoot eindelijk het volk Israël af. Het kostte moeite, het is eigenlijk tegennatuurlijk. Israël had enige eeuwen deel uitgemaakt van het moederlichaam Egypte. Maar Gods “natuurwetten” moeten hun loop hebben. Israël gaat op weg. Ze daalt af tot ze haar weg versperd vindt door het water van de Schelfzee. De band met Egypte is dan nog zeer sterk. Reeds op dat moment verwijt Israël Mozes, dat hij hen zo nodig moest uitleiden uit Egypte (Ex. 14) Maar er is geen weg terug meer mogelijk! En zoals het gaat met een menselijke geboorte, zo ging het ook hier: Het water brak!

“…. zo deed de Heere de zee weggaan…. en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. En de kinderen Israëls zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter en aan hun linkerhand.” Ex. 14: 22.

De wateren werden gekliefd en Israël werd geboren, verlost. En in die situatie vindt de Heer haar!

” …. ten dage als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde….. “. Ez. 16:4.

De bevalling was blijkbaar niet helemaal compleet. Toen de Heer haar daar vond, was de navelstreng nog niet afgesneden! Nu lezen wij in de volgende verzen wel, dat Hij haar waste en reinigde van haar bloed en haar zalfde met olie, maar niet, dat haar navelstreng werd doorgesneden!:

“Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie. Ik bekleedde u ook…… “ Ez. 16: 9.

Die navelstreng is immers de oorspronkelijke voedingslijn van het kind. Het is de verbinding met het moederlichaam. En dat is precies de tragiek van Israël. Steeds weer opnieuw komt die verbinding met Egypte tot uitdrukking. Steeds is er dat terugverlangen naar de voeding, de vleespotten, van Egypte. En zelfs vele eeuwen later, wanneer Israël dreigt te bezwijken onder de druk van Assyrië, zoekt zij haar heil niet bij de Heer, maar bij Egypte!

De verdere ontwikkeling van de boreling liep precies volgens de lijnen, die haar kort na haar geboorte werden geprofeteerd. Deuteronomium 27 en 28 geven een volledig en chronologisch verslag van al de zegeningen en vloeken die haar deel zouden worden, als gevolg van haar al dan niet gehoorzaam zijn aan de Heere, haar God. Zoals dat gaat met de oude natuur is het een geschiedenis van vallen en opstaan. Meer vallen dan opstaan.  En zoals de oude natuur terugkeert naar haar aardse oorsprong, zo keerde Israël terug naar haar aardse oorsprong. Zoals de natuurlijke mens terugkeert tot “moeder aarde”, “dewijl hij daaruit genomen is”, zo keerde Israël terug tot haar moeder, waaruit zij genomen was. Dat is immers de strekking van de laatste verzen van Deut. 28!

“En de Heere zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot het ander einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt… Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de Heere zal u aldaar een bevend hart geven…. En uw leven zal tegenover u hangen…. En de Heere zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen, door een weg, waarvan Ik u gezegd heb: gij zult die niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uw vijanden willen verkopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.” Deut. 28:64-69.

Tot voor enige decennia was dit het einde van het aardse bestaan van de staat Israël. Deze woorden hebben immers betrekking op de gebeurtenissen rond A.D 70, toen Jeruzalem en de tempel werden verwoest, en het Joodse volk deels werd uitgeroeid en deels werd verstrooid onder de volkeren. Vele duizenden Joden hebben toen hun toevlucht gezocht in Egypte, en hebben inderdaad geprobeerd zichzelf daar als slaaf te verkopen. Door dit grote aanbod van Joodse slaven daalde de marktwaarde van een slaaf echter zo sterk, dat er op den duur geen kopers meer waren! Iedereen was al voorzien. Zo keerde Israël terug naar haar natuurlijke oorsprong. Zij eindigde waar zij begon: als slaaf in Egypte!


Het dode lichaam van Israël

Als een mens wederkeert tot zijn oorsprong, keert hij terug tot stof. Dat is immers (enerzijds) zijn oorsprong! Als Israël wederkeert tot haar oorsprong, keert zij terug naar Egypte. In beide gevallen is er daarom sprake van dood! Israël stierf! De Israëlitische staat was van de aarbodem verdwenen! Vandaar dat hetzelfde Deut.28 over Israël spreekt als over een dood lichaam:

“En uw dood lichaam zal aan alle gevolgelte des hemels en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken. “ Deut.28: 26.

Nu is het echter zo, dat het Bijbelse begrip “dood” niets van doen heeft met “ophouden te bestaan”, maar alles met “scheiding”. Partir c’est mourir un peu: scheiden is een beetje sterven. De mens leeft immers niet bij brood, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat! (Deut. 8: 3)

Waar de mens, of een volk, de woorden Gods verlaat, sterft hij! Althans, dat zegt de Schrift. Dood is verbroken gemeenschap. De Bijbelse dood is het resultaat van de verbroken gemeenschap met Hem, Die het Leven is en geeft. Daarom is dit dode lichaam een dode staat Israël. Het is een lichaam, een georganiseerde eenheid. Maar het is dood. Het heeft geen gemeenschap meer met de God, Die het leven aan deze staat gegeven heeft. Sinds de zgn. “intocht in Jeruzalem”, de laatste dag van de 69 weken van Daniël, heeft God Zijn bemoeienissen met de staat verbroken. Sindsdien is de Joodse staat een dode staat geweest. Een dood lichaam. Hierover spreekt o.a. Deut. 31:

” …. dit volk zal opstaan en nahoereren de goden der vreemden van dat land,  waar het naar toe gaat… en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb. Zo zal Mijn toorn te dien dage tegen hetzelve ontsteken, EN IK ZAL HEN VERLATEN, en MIJN AANGEZICHT VAN HEN VERBERGEN… IK DAN ZAL MIJN AANGEZICHT TE DIEN DAGE VERBERGENDE VERBERGEN om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden”. Deut. 31: 17, 18.

God verliet het Israël dat Hij Zelf verwekt had, en verborg Zijn aangezicht voor haar. Daarom is Israël gestorven! Deze waarheid wordt in de profetieën nog vele malen herhaald, en “wij doen wel wanneer wij daarop acht geven”:

“De Rotssteen, die U GEGENEREERD heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld de God, Die u GEBAARD heeft. Als het de Heere zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen Zijn ZONEN en DOCHTEREN. En hij zeide: Ik zal Mijn aangezicht van hen VERBERGEN; Ik zal zien welk hunlieder EINDE zal wezen want zij zijn een gans verkeerd geslacht, kinderen, in welke GEEN TROUW is… “ Deut.32: 18-20.

In dit vers vinden we alle boven genoemde waarheden terug! De Heer is de Verwekker van Israël. Maar wegens haar ontrouw heeft Hij Zich voor haar verborgen, met als gevolg, dat zij aan haar einde komt! Hij, Die het leven is, is van haar geweken! En ook dat einde heeft een vervolg! Israël is niet alleen een dood lichaam geworden, het gaat ook tot ontbinding over! Dat is toch de strekking van de volgende woorden:

“Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls!
Betaamt het ulieden niet het recht te weten? Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen. ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als het vlees in het midden eens ketels. Alsdan zullen zij roepen tot de Heere, doch hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.” Mich.3 : 1-4

Hier worden de oversten van Israël toegesproken. Zij worden verantwoordelijk gesteld voor wat over het volk gekomen is. Zij zijn mede de aanleiding voor de dood van de natie. Doet ons dit niet denken aan de leraar van Israël, Nicodemus! Zij hadden de wet moeten kennen en onderwijzen. Zij konden weten, wat de Heer bij monde van Mozes reeds had aangekondigd. Maar zij geloofden niet! Daarom zijn zij mede verantwoordelijk voor de dood en de ontbinding van het lichaam, de staat Israël. De Heer heeft zijn aangezicht voor Israël verborgen. Hij verbrak de relatie met Zijn volk. En daardoor stierf het en ging tot ontbinding over.

Tot zover de geschiedenis van het natuurlijk Israël. Een geschiedenis die overigens nauwkeurig overeenkomt met de levensloop van een ongelovig individu! Net zo min als Israël wil de natuurlijke mens zich afhankelijk stellen van wat God hem door Zijn woord beloofd heeft. De consequentie is dan de dood! Het is het onvermijdelijke resultaat van de eerste geboorte! Maar met de dood is niet alles uit! De geschiedenis gaat toch weer verder!

“De hand des Heeren was op mij, en de Heere voerde mij uit in den Geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen. En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op de grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere, Gij weet het. “ Ez. 37 : 1-3.

Het beeld, dat we hier voor ogen krijgen is ons inmiddels bekend. Het is de situatie, die ontstaan is door de eerste verzen van Micha 3. Van vlees en huid is inmiddels niets meer te bespeuren. Wat is overgebleven is een verzameling zeer oude knekels. Ze waren zo oud, dat Ezechiël het niet waagt om er een uitspraak over te doen! Wat die beenderen voorstellen is niet twijfelachtig:

“Mensenkind, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls. “ Ez. 37: 11.

Dat is er van Israël overgebleven. Zeer dorre beenderen in een vlakte. Het zijn niet meer de bergen Israëls.
Niet meer de berg Sion, waarop de troon van David en de Zone Davids stond. Niet meer de berg Moria, waarop de tempel, de woning van Jehovah gebouwd was. Niet meer de Olijfberg, waarop de Messias de wetten van het Messiaanse Rijk geproclameerd had. Ook niet meer de hoogten, waarop Israël haar afgoden gediend had. Alles was vlak geworden. Hoogtepunten waren er allang niet meer! En bij de aanblik van die troosteloze vlakte klinkt daar de vraag:

“Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? “

Nicodemus, zullen deze beenderen levend worden? Heere, Gij weet het. Zij zullen levend worden!
Er is niet alleen geboorte, er is ook wedergeboorte! Er is leven na de dood. Een leven door Christus. Een leven door Zijn opstanding. Een leven na Zijn opstanding! Dat geldt voor de individuele gelovige, maar ook en juist voor Israël. Wat ons hier bezig houdt, is de manier waarop die wedergeboorte van Israël tot stand komt.

“Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord. Alzo zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Ziet Ik zal geest in u brengen, en gij zult levend worden. En ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. “ Ez.37: 4-6.

In de eerste plaats valt op, dat de beenderen worden toegesproken. Zij worden dus geacht oren te hebben. Te kunnen luisteren. En dat niet alleen. Vers 11 leert ook dat die beenderen kunnen spreken! Nu werd al opgemerkt dat de verzamelde beenderen “het ganse huis Israëls” voorstellen. Daarom vertegenwoordigen de afzonderlijke beenderen de afzonderlijke Israëlieten! En die kunnen luisteren en spreken.  En hoewel de beenderen samen een collectief vormen, omdat ze behoren tot slechts een lichaam, worden ze toch individueel toegesproken. Iedere Israëliet heeft immers zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid binnen zijn volk! Welnu, de Heer richt Zich tot hen, en vertelt hoe Hij hen weer tot een levend lichaam, tot een zelfstandige natie zal maken!

Gods plan hiervoor vinden we in de verzen 5 en 6. Strikt genomen is het zo, dat iets levend wordt, wanneer er geest in komt. Dat was al zo bij het lichaam van Adam, dat de Heer gevormd had uit het stof der aardbodem. Het was en bleef dode materie, totdat God de “geest der levens” (“nishmat chaviem”) in zijn neusgaten blies. De geest is immers levendmakend! Zo is ook onze persoonlijke wedergeboorte tot stand gekomen, doordat wij de Heilige Geest ontvingen! Het merkwaardige van de woorden van de Heer in Ez. 37: 5 en 6 is echter, dat Hij twee maal aankondigt de geest in de beenderen te zullen geven! Vers 5 is duidelijk genoeg:

“ …. Ziet, Ik zal geest in u brengen, en gij zult levend worden.“

God zal geest brengen in de zeer dorre beenderen, zodat zij levend zullen worden.
Dat is normaal, wanneer iemand van de Heer geest ontvangt! Wat niet normaal lijkt
te zijn is het volgende vers:

“En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid
over u trekken, en geest in u geven, en gij zult levend worden… “ Vs.6.

Hoewel vers 5 slechts spreekt over het ontvangen van de geest en de daarmee verband houdende herleving der beenderen, spreekt vers 6 over zenuwen, vlees en huid, alvorens de geest en het leven nogmaals te noemen! En dat terwijl volgens de normale taalkundige regels vers 6 het vervolg is van vers 5! Wanneer we deze verzen dus achter elkaar lezen, wordt er achtereenvolgens gesproken over:

  1. GEEST, Vers 5,
  2. LEVEN,
  3. Zenuwen,Vers 6,
  4. Vlees,
  5. Huid,
  6. GEEST,
  7. LEVEN.

De vraag is nu, hoe het mogelijk is, dat deze zeer dorre beenderen tweemaal tot leven schijnen te moeten komen. Want dat is toch de indruk, die wij op het eerste gezicht krijgen! Wel, het is feitelijk onmogelijk. Als het verhaal begint met tot leven komen van de beenderen, kan het er niet mee eindigen, en andersom. Het probleem is echter niet zo ingewikkeld als het eruit ziet. De zaak is namelijk dat deze profetie blijkbaar over twee dingen handelt. In de eerste plaats worden de beenderen toegesproken. Deze beenderen zijn als onderdelen van het te vormen lichaam duidelijke typen van individuele Israëlieten! Vers 5 spreekt daarom niet over de wedergeboorte van de natie als zodanig, maar over de wedergeboorte van personen!

Ook toen in de dagen van de Heere Jezus en de apostelen het Koninkrijk van de Messias werd aangekondigd, werd de prediking niet gericht tot de natie in haar geheel, maar tot “Israëlitische mannen”. Een prachtig voorbeeld hiervan vinden we in de toespraak van Petrus op de welbekende Pinksterdag. Aanvankelijk spreekt hij tot “Joodse mannen” en tot ”allen, die te Jeruzalem woont”. “Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden” (Hand. 2 : 14, 22) Maar hij besluit zijn toespraak met:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot de Heere en tot Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Dien Gij gekruist hebt. “ Vs. 36.

Het punt is namelijk, dat de boodschap tot bekering en geloof in de Heere Jezus Christus als de Messias, niet gericht kan worden tot de staat als zodanig. Want wie is dan eigenlijk de staat? Nee, de boodschap werd gepredikt aan iedere Israëliet, zodat op die wijze het gehele volk tot geloof zou komen! “Zo (op deze manier) wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls (de natie als geheel) dat God hem tot Heere en tot Christus gemaakt heeft.

In Ezechiël 37 vers 5 en 6 vinden we dit eenvoudige principe terug. De weg tot wedergeboorte van de natie Israël loopt via de leden van dat volk! De bekering van het volk Israël is het gezamenlijke resultaat van de bekering van iedere Israëliet! Deze bekering van de individuele Israëliet is het onderwerp van vers 5! De profetie was primair gericht tot de afzonderlijke beenderen! De vraag aan Ezechiël was ook niet of deze beenderen samen weer een levend lichaam zouden vormen, maar of die beenderen afzonderlijk weer levend zouden worden!

En wat moet Ezechiël precies zeggen:

“Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord…. Ziet Ik zal Geest in u brengen en gij zult levend worden. “ Vs. 4 en 5.

Dit vers spreekt daarom nog niet over de collectieve wedergeboorte van de staat Israël, maar over de wedergeboorte van de afzonderlijke Israëlieten! Het gaat dus over persoonlijke wedergeboorte, Nicodemus! Hierna volgt dan de profetie over de zenuwen, het vlees en de huid. Het moet duidelijk zijn, dat dat verband houdt met de vorming van het lichaam als geheel. En wanneer het lichaam compleet is, gebeurt ongeveer hetzelfde als in het geval van Adam. God brengt zijn geest in, waardoor het herstelde lichaam tot leven komt! Samenvattend kunnen we dus zeggen, dat vers 5 spreekt over de wedergeboorte van de Israëlieten afzonderlijk, terwijl vers 6 de wedergeboorte van de Israëlitische staat als “lichaam” op het oog heeft. En dit laatste is ook volgens andere profetieën het gevolg van het eerste! Wat we hier heel goed in de gaten moeten houden, is dat tot nu toe niet gesproken is over wat er gebeurde, maar over Gods wil met betrekking tot Zijn uitverkoren volk! Er werden geen toekomstige gebeurtenissen vermeld, doch alleen Gods wil voor Israël werd bekendgemaakt! En zoals bij de individuele mens is dat ook bij het volk Israël iets heel anders. Onze daden komen van nature toch ook niet overeen met de wil van God voor ons leven? Vers 5 en 6 openbaren ons de wil van God, maar vers 7 en 8 laten ons zien wat er werkelijk gebeurde:

“Toen profeteerde ik gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering. En de beenderen naderden, been tot zijn been. En ik zag en ziet, er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en er trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.” Ez. 37 : 7, 8.

Het ging dus mis! Wat er gebeurde kwam niet overeen met wat Ezechiël geprofiteerd had. Hij had geprofeteerd “gelijk hem bevolen was”. Daaraan lag het dus niet. De boodschap heeft trouwens altijd geklonken in Israël (Rom. 10: 18). Doch slechts hoogst zeiden leverde dat het gewenste resultaat op. Een ontmoedigende gedachte voor hen, die het Woord van God prediken! Want wat gebeurde er nu eigenlijk precies? Wel, het enige wat klopte was de volgorde: zenuwen, vlees, huid. Maar het belangrijkste gebeurde niet! Wat eerst had moeten komen was de geest, waardoor de beenderen levend zouden worden! Dat is wat de Heere gewild had. Maar het kwam niet. En daarom kwam ook het zalige einde niet! Er ontstond weliswaar een lichaam. Maar het was dood. Net zo dor als de beenderen zelf nog steeds waren! Vergelijken wij dit nu met de woorden van de profetie, dan zien wij, dat de fase van de individuele wedergeboorte der Israëlieten is overgeslagen. Wat er wel ontstond was een lichaam. Dit zou een onderdeel moeten zijn van collectieve wedergeboorte van de staat Israël. Maar voor we halleluja roepen, dienen we toch vast te stellen, dat er hier in feite van geen wedergeboorte sprake is! Geboorte is het voortbrengen van nieuw leven. Maar wat er hier ook gebeurt, van nieuw leven is niets te bespeuren! Wat voortgebracht wordt is slechts een lijk! Een dood lichaam. Het dode lichaam uit Deut. 28: 26. Een lichaam dat nog steeds is afgesneden van de Bron van Leven. De beenderen zijn weer samengevoegd. Er zijn weer zenuwen en er is weer een huid. Maar het is nog net zo dor als daarvoor! De vraag is nu slechts: Waar staat in de Schrift dat dit Gods wil was? Toch niet in vers 4 en 5!

Op welke wijze vers 7 en 8 in onze dagen bewaarheid zijn, is niet moeilijk vast te stellen! Naar het verschijnen van de geest in de beenderen hoeven we in de kranten niet te zoeken. Dat gebeurde eenvoudig niet! “Er was geen Geest in hen.” Wat er wel gebeurde, was het klinken van een geluid, of beter: een stem. Deze stem duidt op een boodschap die gepredikt werd. Op woorden, die uitgingen. Een stem, die duidelijk verband houdt met het begin van het nationaal herstel van Israël. Wij herkennen daarin het verschijnen in 1896 van het boekje “Der Judenstaat” van Dr. Theodor Herzi, dat in tegenstelling tot vroegere geschriften in dezelfde richting weerklank vond. Hij propageerde daarin de stichting van een onafhankelijke Joodse staat in een overigens willekeurig deel van de wereld. De adhesie werd in korte tijd zo groot, dat HerzI besloot tot het organiseren van een internationaal Zionisten congres, dat voor de eerste maal in 1897 te Basel bijeen kwam. En dat is dan de “beroering”, de beweging, die op “de stem” volgde!

Maar let wel; stem noch beweging worden in de profetie van vers 5 en 6 genoemd. Het ging daarom buiten de geopenbaarde wil van de Heer om. In plaats van stem en beweging van mensen had er geest en leven van God moeten komen! In plaats van de stem van HerzI had de stem van God gehoorzaamd moeten worden! En Herzi was bepaald geen gelovige christen! Geen geest, geen leven. Daarom ook geen levend lichaam. Na de stem van de beweging volgt dan het naderen van de beenderen tot elkaar. En inderdaad; vrij spoedig werd er door de Zionisten een begin gemaakt met de kolonisatie van Palestina, dat tot dat moment nog in Turkse handen was. Uit alle delen van de wereld begonnen Joden terug te keren tot het land der vaderen. Dit alles doordat er inderdaad “zenuwen” kwamen. Zenuwen wijzen op organisatie, op onderling verband. Deze organisatie is ongetwijfeld de “Jewish Agency”, het Joods Nationaal Fonds, dat werd opgericht in 1901 met als voornaamste doel de aankoop en ontginning van grond in het heilige land. Een georganiseerde en doelgerichte activiteit, maar ook een eerlijke. De grond werd immers eerlijk gekocht? Vervolgens kwam er vlees op. Vlees is spierkracht. Daarom zien wij hierin de vorming van het leger, de “hagana”. Ten slotte kwam er dan op 15 mei 1948 een huid overheen. De stichting van de Joodse staat werd afgerond door de onafhankelijkheidsverklaring. Het lichaam was compleet. Maar volgens Gods normen dood! De vertaling van vers 8 is bepaald misleidend. Er staat niet:

“…en Hij trok een huid boven over dezelve …”maar”… en ER trok een huid boven over dezelve…“

Het was niet God, die dat deed. God had Zijn Geest, Zijn Leven willen geven in de dorre beenderen. Maar dat is nu net wat niet gebeurde! Er is nog steeds niets veranderd in vergelijking met de beroemde Pinksterdag! Misschien zijn er evenals toen enige duizenden tot geloof gekomen, maar daarmee is nog niet “geheel Israël zalig”. Volgens de woorden van de profeet had nu de geest moeten komen in dit dode lichaam. Maar de geest kwam niet. Hij kwam niet omdat er ook geen geest in de dorre beenderen gekomen was.Het is verkeerd begonnen en zal daarom ook verkeerd eindigen!

De huidige situatie van de staat Israël is weer precies dezelfde als in de dagen van Jeremia en als in de dagen van de Heere Jezus: Een kleine Joodse staat in een klein deel van het beloofde land. Een kleine, ongelovige Joodse staat, die zich niets laat gelegen liggen aan de Woorden Gods, die Israël al sinds duizenden jaren oproepen tot geloof in haar Messias. Het is de situatie van het eind van de 69-ste week van Daniël 9. Daarom is de tijd rijp voor het begin van de nog toekomstige 70-ste week! Vandaar de enige opmerking, die de Heere Jezus Zelf in dit verband plaatst:

“Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden verzameld worden.” Matt. 24: 21-28.


De wedergeboorte van Israël 

“En Hij zeide tot mij: Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind! En zeg tot de geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. En ik profeteerde gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden weder levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir. “ Ez. 37: 9, 10.

Het meest opvallende in dit Schriftgedeelte is wel, dat de Heere noch Ezechiël, ook maar een enkel woord wijden aan wat er aanvankelijk geschiedde! Er is niets te merken van enige teleurstelling, dat de profetie niet onmiddellijk vervuld werd. Geen woord over het ontstaan van dit dode lichaam! Evenmin valt er blijdschap te bespeuren over dit nationale herstel van de Joodse staat! Zou er trouwens blijdschap kunnen ontstaan over het verschijnen van een lijk? Nee, zowel de Heer als Ezechiël doen er het zwijgen toe. Wat wel opvalt is de haast waarmee de Heer Ezechiël opdraagt andermaal te profeteren:

“Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind……. “

Profeteren tot Israël als natie helpt ook na 3500 jaar nog niet! De profeet moet zich daarom nu direct richten tot de geest! De geest, die niet gekomen was! Blijft dus de vraag, waarom de Geest niet direct na de eerste profetie van Ezechiël gekomen was!

Vanuit het Nieuwe Testament is het antwoord hierop snel gegeven. De Geest komt alleen in hen, die Hem aannemen. De Geest wordt ons deel door geloof in Hem, die ons de Geest geeft! Wij ontvangen de Geest door onze overgave aan Hem! Zo is het met ons gegaan, zo gaat het met Israël! Doch omdat Israël door God is uitverkoren tot een bepaald doel, zal God Israël tot bekering dwingen! Hij is Degene, die Zich een overblijfsel uit Israël verkiest! Hij zal zijn Geest uitstorten over Israël, als vervulling van de zo dikwijls herhaalde belofte uit Joël 2. Deze uitstorting van Zijn Geest heeft echter verschillende aspecten. In de eerste plaats natuurlijk, dat zij, die de Geest aanvaarden tot geloof komen in de Heere, de Messias Israëls. Dat is wat we hier in Ez. 37 tenslotte ook zien. Maar deze uitstorting van de Heilige Geest wordt eveneens een uitstorting van vuur, van oordeel genoemd. Dat is het andere aspect van de komst van de Geest! Hij brengt een oordeel over de oude natuur. Een oordeel over de ongelovige! Het is het oordeel van de grote verdrukking. De “tijd van benauwdheid voor Jakob in de tweede helft van de 70-ste week van Daniël 9 (Jer. 30 : 9). Deze verdrukking zal tot resultaat hebben, dat slechts gelovigen uit het huis van Israël zullen “overblijven”! Het is het “gelovig overblijfsel” waarover Paulus en de profeten zo dikwijls spraken. Want “alzo zal geheel Israël zalig worden” (Rom. 11: 26).

Waar het in Ez. 37 : 9 om gaat, is dat het initiatief tot de bekering van Israël niet van Israël zelf uitgaat, maar van God. Hij zal Zijn Geest sturen, met alle consequenties van dien. Wat eveneens opvalt in dit vers, is dat Ezechiël de Geest niet moet oproepen om in het inmiddels aanwezige dode lichaam te varen, maar “in deze gedoden” (meervoud). De Geest komt niet in de natie als zodanig, maar in de leden van de natie afzonderlijk. Precies zoals ook de aanvankelijke profetie van vers 5 het formuleerde! Het is daarom volstrekt onjuist om te veronderstellen, dat God achteraf de “mislukking” van de oorspronkelijke profetie herstelt! Er is geen sprake van, dat God na het abusievelijk ontstaan van het dode lichaam, dan maar besluit om Zijn Geest rechtstreeks in het lichaam te blazen!

De oorspronkelijke profetie van vers 5 en 6 vereiste eerst de wedergeboorte van de individuele lsraëlieten, met als uiteindelijk resultaat de wedergeboorte van de Israëlitische staat. Nu het een en ander een andere wending genomen heeft en er een ongelovige staat ontstaan is, zonder eerst de wedergeboorte van de leden van die staat, is God blijkbaar niet van plan, om Zijn Geest te geven in de staat als zodanig. Waar de mens buiten Hem om zijn eigen gang gaat, geeft God niet achteraf Zijn zegen! Nee, de Geest moet komen “in de gedoden”. Het is een meervoud. De Geest moet komen in de individuele Israëlieten. Het begint gewoon weer van voren af aan! Eerst de individuele wedergeboorte; daarna de wedergeboorte van de staat! Maar laten we zien wat het resultaat is van deze tweede profetie van Ezechiël:

“En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir. “ Vs. 10.

De Geest kwam in hen. Niet in hem, het dode lichaam, maar in hen, de dorre beenderen! De afzonderlijke Israëlieten worden wedergeboren. Met als gevolg het ontstaan van een “gans zeer groot heir“. Er ontstaat een grote gemeenschap! Dat is de wedergeboorte van de natie zoals zodanig. En dan volgt onmiddellijk Gods Eigen verklaring van al deze dingen:

Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israëls.” Vs. 11, 12.

Deze beenderen zijn het ganse huis Israëls”.

Welke beenderen? Deze beenderen, die in het vorige vers weer levend werden! Deze “wedergeboren” beenderen zijn het ganse huis Israëls! Wat is het ganse huis Israëls? Het Joodse volk? Nee, blijkbaar niet! De rest van dit hoofdstuk verklaart uitdrukkelijk, dat het hier niet slechts gaat om het Joodse volk, de afstammelingen van het twee stammenrijk van Juda. Het gaat om de afstammelingen van alle twaalf stammen van Israël. Alle twaalf stammen worden weer levend! Daarom kan deze profetie over de herlevende beenderen niet in onze dagen vervuld worden! Wij kennen weliswaar een Joodse staat in Palestina, maar geen Israëlitische! De naam Israël draagt zij ten onrechte! Primair omdat deze staat niet de twaalf stammen van Israël vertegenwoordigt. En secundair omdat de naam Israël in de Schrift voorbehouden is aan een gelovige Jakob.

Wanneer Gods wil met betrekking tot het volk in vervulling gaat, zal er een gelovige staat gevormd worden door de twaalf stammen van Israël! “Deze beenderen zijn het ganse huis Israëls.” Opmerkelijk is verder het “Daarom” waarmee vers 12 begint. Wat in vers 12 wordt aangezegd is blijkbaar het gevolg van de inhoud van vers 11. Wij stellen dus de vraag: Waarom zal God Israël uit haar graven doen opkomen? Het antwoord staat dan in vers 11: Omdat zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Welnu, dit zeggen zij vandaag niet. Integendeel. Zij hebben juist meer hoop dan in voorgaande eeuwen. Met graagte zien zij in de oprichting van de staat Israël de vervulling van de beloften, die God via de profeten aan Zijn volk gedaan heeft. En hoewel vele christenen precies zo schijnen te denken, is deze gedachtegang toch uitdrukkelijk onjuist!  Het ontstaan van de Zionistische Joodse staat is weliswaar in overeenstemming met bepaalde profetieën, maar niet de vervulling van de beloften!

Het is wel in overeenstemming, met wat God door de profeten voorzegd heeft, maar niet met wat God via de profeten beloofd heeft Zelf te zullen doen! En dat is bepaald niet hetzelfde! Pas wanneer zij alle eigen hoop opgeven en zullen zeggen: “Wij zijn afgesneden”. Wanneer zij niet langer op zich zelf zullen vertrouwen, maar in geloof de naam des Heeren zullen aanroepen. Pas dan zal de Heer Zijn beloften aan Israël vervullen. En Hij zal dat Zelf doen! Maar tot die tijd verbergt de Heer Zijn aangezicht. Is dat ook niet Gods weg met iedere persoonlijke zondaar? Eerst wanneer hij zijn vertrouwen ‘ zijn geloof, volkomen vestigt op de Heere, ontvangt hij Geest en leven en wordt hij wedergeboren!

In verband met de wedergeboorte van de natie Israël, blijft er nog een belangrijke vraag over.
Waar kwam eigenlijk die Geest vandaan, die de staat tot leven wekte?
Van God, Jawel, maar dat staat hier niet!

Er staat:

“Gij geest, komt aan van de vier winden….. “

Voor de hand liggend is natuurlijk de verklaring, dat “de vier winden” de vier windrichtingen zijn. En in plaats van te concluderen dat de (leest dan komt vanuit het noorden, het oosten, het zuiden en het westen zeggen we dan, dat de geest eigenlijk overal vandaan komt. En zei de Heer niet tot Nicodemus, dat wij niet weten vanwaar de wind (= pneuma =geest) komt?

Op zich is het een juiste verklaring, maar hij is niet volledig! Het juiste Bijbelse antwoord op de vraag naar de vier winden is, dat het de plaats is, waarheen Israël verstrooid is geworden! Waar dat geografisch precies is, is nu niet van belang! God heeft Israël verstrooid naar de vier winden, en Hij zal hen vandaar terugbrengen in het land de vaderen! De uitdrukking vindt direct aansluiting bij de woorden van de Heer Zelf en bij de reeds meermalen aangehaalde profetieën uit Deuteronomium:

“En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de VIER WINDEN… “ Matt.24: 31.

“En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de VIER WINDEN… “ Mark. 1: 27.

“Voors zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft; en Gij zult u bekeren tot de Heere, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel. En de Heere, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere uw God verstrooid had. Al waren uw verdreven aan het einde des hemels, van daar zal u de Heere, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. En de Heere, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten.. “. Deut.30: 1-5.

Uit deze verzen blijken een heleboel dingen, waarvan we de juiste volgorde vinden in Deut. 30. Na de verstrooiing en terugvoering naar Egypte uit Deut. 28 : 68, zal Israël in haar ballingschap “het weder ter harte nemen”. Zij zullen zich bekeren tot de Heere hun God. Met hun ganse hart en met hun ganse ziel! Niet in Palestina, maar daarbuiten! En naar aanleiding van die bekering, zal de Heer hen terugvergaderen naar hun land. Hij zal hen vergaderen van de einden des hemels. Van de vier winden!. Zo zal de wedergeboorte van de staat Israël plaats vinden. Er wordt geen geest geblazen in een reeds ontwikkeld dood lichaam in Palestina. De Geest zal komen in verstrooide Israëlieten over de gehele aarde! En vandaar zullen die wedergeboren Israëlieten verzameld worden, om een levend lichaam te vormen in het beloofde land! Zo komt de Geest van de vier winden! In alle profetieën over deze nationale wedergeboorte van Israël wordt het ontstaan van het dode lichaam genegeerd.

In Ezechiël vinden we dat ontstaan, maar geen enkel woord wordt erover gezegd! In de woorden van de Heer tijdens de “tweede Bergrede” van Matt. 24 wordt slechts het dode lichaam genoemd, maar niet wat er precies mee gebeurt. Ook daar wordt het herstel van Israël pas genoemd na de verschijning van de Heer aan het einde van 70-ste week! In Deuteronomium, noch in al die andere profetieën over de wedergeboorte van Israël is plaats ingeruimd voor de terugkeer in ongeloof van onze dagen! Het ontbreken van die woorden is veelzeggend genoeg! De wedergeboorte van Israël is nog steeds onvervulde profetie!. Zij zal plaatsvinden aan het eind van de grote verdrukking in de 70-ste week. Eerst na de weeën, zal er een nieuwe, gelovige staat Israël geboren worden, als vervulling van Gods beloften.


Gilgal

Inmiddels hebben wij gezien, hoe het begrip wedergeboorte inderdaad voorkomt in het Oude Testament. Wat we echter niet gezien hebben, is het woord zelf. Via een concordantie is het beslist niet te vinden. Dat neemt echter niet weg, dat het Hebreeuwse woord voor wedergeboorte wel degelijk in de Bijbel voorkomt. Wij kennen het echter niet als woord, maar als plaatsnaam! Het wordt gespeld als “gimmel – lamed – gimmel – lamed”, en uitgesproken als Gilgal. Gewoonlijk wordt van Gilgal gezegd, dat het “wiel” of “rad” betekent, en is men totaal onbekend met de diepere betekenis van “wedergeboorte”. Een betekenis, die door de wereld wel gekend wordt! Daarom willen we nu eerst zien, waar die betekenis eigenlijk vandaan komt.

Hebreeuwse woorden hebben een betekenis, die in hoge mate afhankelijk is van de letters, waaruit het woord is samengesteld. Geen enkele andere taal vertoont bij mijn weten deze bijzonderheid. Dit wonderlijke verschijnsel hangt samen met het feit dat iedere Hebreeuwse letter zijn eigen betekenis heeft, die hij ook meeneemt in het woord waarin hij voorkomt! Nu wordt Gilgal geschreven als: G-L-G-L, en wat daarbij onmiddellijk opvalt is, dat er feitelijk maar twee verschillende letters in voorkomen, n.l.. de G en de L. En deze lettercombinatie herhaalt zich! Gilgal bestaat dus uit tweemaal de combinatie G-L. Het lijkt me duidelijk, dat we een heel eind op weg zijn, als we de betekenis van die twee samengevoegde letters kunnen vaststellen. Welnu, het gaat hier om het Hebreeuwse woord “gal”, dat de betekenis heeft van “vorm”. Het heeft betrekking op alles, wat een bepaalde “gestalte”, “gedaante” krijgt. Op alles waaraan “vorm” gegeven wordt. In de Schrift wordt het voor het eerste gebruikt voor de hoop stenen, die Jakob laat opwerpen op de plaats waar hij een verbond sluit met Laban, en van waaruit hij zich vervolgens verzoent met zijn broer Ezau.

“Toen zeide Laban: Deze HOOP zij heden een GETUIGE tussen mij, en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead.” Gen. 31: 48.

Want “gal” is die ruwe hoop stenen en “ad” is “getuige. Deze woorden worden samengetrokken tot “Gilead”. Typologisch heeft dit al een zeer ver strekkende betekenis”. In de eerste plaats omdat die “getuige” niemand anders is dan de Heere Jezus. Het is een van Zijn Namen en Titels. Over Hem lezen we:

“Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldaden van David. Ziet, Ik heb Hem tot een Getuige der volken gegeven, een Vorst en Gebieder der volken. “ Jes. 55: 3, 4.

Deze Getuige is de Zone Davids, die na Israëls wedergeboorte over Zijn volk zal regeren. Woorden van gelijke strekking vinden we ook in het Nieuwe Testament:

“En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de vorst der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed…… “ Op. 1: 5.

Hier in Genesis wordt deze “Getuige” echter vereenzelvigd met een “hoop” stenen. “ …. Deze hoop zij heden een Getuige.” Dat hoeft ons niet te verbazen, want een steen, in welke vorm dan ook, is een type van de Heere Jezus! Of dat nu de rots is, waarop Mozes sloeg, of het kiezeltje uit de beek, waarmee David goliath versloeg. Of de uitverkoren hoeksteen, de steen des aanstoots. Of de steen zonder handen afgehouwen, uit de droom van Nebukadnezar. Of de steen, waarop Jakob zijn hoofd ter ruste legde, waardoor hij de hemel geopend zag. Dezelfde steen, die vervolgens werd opgericht en gezalfd. Is die steen niet Christus? De opgewekte, verrezen, wedergeboren Heiland? Deze “gal”, deze hoop is een beeld van de Heere Jezus. Hij,

“Die in de GESTALTENIS (gal) Gods zijnde, geen roof geacht heeft gode even gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven geledigd, de GESTALTENIS eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden. En in GEDAANTE (gal) bevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd…… “ Fil. 2: 7-9.

Gal staat dus voor “vorm” het aannemen van een bepaalde gedaante. Wanneer nu die lettercombinatie zich herhaalt, en zodoende het woord “gilgal” (ook wel uitgesproken als “galgoel”) vormt, lijkt de betekenis duidelijk! Het gaat om het ten tweeden male aannemen van een bepaalde gedaante!

Deze fundamentele betekenis wordt op verschillende manieren in de praktijk toegepast. De meest bekende is de vertaling met “wiel” of “rad”. Of als werkwoord met “wentelen” of “draaien”. Wanneer immers een gewoon wagenwiel vanuit de ruststand begint te draaien, bereikt het na precies een omwenteling weer zijn oude positie. Het wiel neemt weer zijn oorspronkelijke stand in. Zij het dan, dat het zich nu op een andere plaats bevindt! Welnu, dat is wedergeboorte! De mens, die wedergeboren wordt, neemt weer zijn oorspronkelijke positie in ten opzicht van God. Zijn schuld is weggedaan. Hij is terug in de uitgangspositie van voor de zondeval van Adam! Dat is ook de betekenis van het Nieuw Testamentische woord voor “verzoening” (katallage). Maar dat niet alleen. Hij is niet meer in de hof van Eden. Hij maakt geen deel meer uit van de oude schepping. Hij is in Christus een Nieuwe Schepping! Hij bevindt zich wel in de oorspronkelijke positie, maar niet op dezelfde plaats! Niet meer in Eden, maar in Christus!

Deze betekenis van “gilgal” is bepaald onbekend in Christelijke kringen, maar bepaald niet daarbuiten. Het fundamentele begrip wedergeboorte wordt immers ook anders verklaard. De oorspronkelijk Goddelijke en Bijbelse betekenis wordt net als zovele andere waarheden verkracht, en toegepast op leringen van mensen en
demonen. Dikwijls wordt “wedergeboorte” immers synoniem geacht met “reïncarnatie”! Deze demonische leer der reïncarnatie wordt feitelijk in de plaats gesteld van de leer der wedergeboorte, waarbij nota bene dezelfde woorden gebruikt worden. Men meent eeuwig leven te hebben, doordat men na de dood weer in andere gedaante geboren wordt! En deze leer wordt dan dikwijls aangeduid met de naam “wedergeboorte”.”In het ongelovige dagelijks leven vertaalt men het Hebreeuwse woord “gilgal” dan ook met “reïncarnatie”. Het elementaire verschil tussen reïncarnatie en wedergeboorte is echter, dat reïncarnatie “weer vlees worden” betekend, terwijl wedergeboorte betrekking heeft op “geest worden”. Dat men overigens zeer goed met de grondbetekenis van “gilgal” op de hoogte is, bewijst de veel gebruikte term “het rad der wedergeboorte”. Een uitdrukking die tegenwoordig zelfs als titel van een werk over reïncarnatie fungeert! Waarmee dus antichristelijke bronnen bevestigen, dat het woord voor “rad” eveneens “wedergeboorte” betekent!

De naam Gilgal wordt in de Schrift voor de eerste maal genoemd in Deut. 11: 30:

” …. Gilgal, bij de eikebossen van More…… “

Het gaat hier om een eenvoudige plaatsbeschrijving, zonder direct verband met een bepaalde gebeurtenis. Wat echter wel opvalt, is dat het genoemd wordt in verband met eikebossen. Eiken en eikebossen spelen dikwijls een grote rol in de Bijbel. Niet omdat het zo interessant is te weten, welke bomen Abraham en de aartsvaders, en sommige richteren in hun onmiddellijke nabijheid vonden. Natuurlijk heeft het ook een geestelijke, typologische betekenis. Voor een Israëliet moet die betekenis zonder meer duidelijk geweest zijn.

Het woord voor “eik”, n.l. “alah” heeft immers ook de betekenis van “eed”. De eik herinnerde een Israëliet daarom automatisch aan de eed, die de Heere zwoer aan Abraham. De eed waarmee Hij Zijn verbond bevestigde. De eik is daarom een teken van het verbond met Abraham! Het verbond, dat in Abraham en zijn Zaad na hem alle geslachten der aarde gezegend zouden worden. De eik is de bevestiging van Gods belofte, dat de natie Israël het land Kanaan erfelijk zou bezitten. Een belofte, die nog nimmer vervuld is! Een belofte die vervuld zal worden na de wedergeboorte van Israël. Vandaar het verband tussen Gilgal en de eikebossen!

Over de typologische betekenis van de eik en de eikel en alles wat er mee samenhangt zou overigens gemakkelijk een boek te vullen zijn. Hoe bijvoorbeeld de eik het teken van de besnijdenis draagt en dus ziet op de kruisiging en opstanding van de Heere Jezus. Hoe de eik daarom inderdaad een teken is van de
wedergeboorte. Hoe onze voorvaderen nog wisten, dat de eik het symbool was van de getrouwe God, en daarom onder een grote eik hun rechtszittingen hielden. Hoe zij soms evenals in de Bijbel op diezelfde plaats hun doden begroeven in vertrouwen op de opstanding! Hoe op de eik een parasiet gekweekt wordt, die het rode karmozijn voortbrengt. De karmozijn is een type van de zonde, die immers floreert ten koste van Gods verbond met Abraham. Kortom, de eik ziet net als de besnijdenis op de wedergeboorte; het wegnemen van de oude natuur en het openbaar maken van een nieuwe schepping:

“In Welken gij ook besneden zijt met een belijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus.” Kol.2 : 11.

En welke is die besnijdenis van Christus?

“Zijnde met Hem begraven in de doop, in welke gij ook met Hem opgewekt zijt, door het geloof der werking Gods, die Hem uit de doden opgewekt heeft. En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid uws vleses mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende. “ Kol.2 : 12, 13.

En precies dat is wedergeboorte. Het afleggen van de oude natuur en het met Christus opgewekt zijn uit de dood! Zoals ook Petrus, de “apostel der besnijdenis” schrijft:

“Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.” 1 Petr. 1: 3.

Helaas is het hier niet mogelijk om al deze aspecten van de eik uit te diepen. Hier moeten we het laten bij de vaststelling, dat Gilgal reeds de eerste maal dat het in de Bijbel genoemd wordt, verband houdt met de besnijdenis en daarom met de wedergeboorte. En dat had Nicodemus moeten weten!

“0 mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij. Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost… gedenk toch… wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des Heeren kent.”  Mich. 5: 3-5

Dit is de laatste keer, dat Gilgal in de Bijbel genoemd wordt. Maar het verwijst naar de eerste keer, dat het een rol speelt in de Bijbelse geschiedenis. Israël wordt hier opgeroepen om te denken aan wat er gebeurd is op de weg van Sittim naar Gilgal! De geschiedenis daarvan vinden we in het boek Jozua. Het is het verhaal van de
intocht in Kanaan. De weg van Sittim naar Gilgal was de weg dwars door de Jordaan! Hij ging dwars door het water! En zoals de weg door de wateren van de Schelfzee de geboorte was van Israël, zo symboliseert de weg door de Jordaan de wedergeboorte van Israël. Dat hun eerste kampplaats op de andere Jordaanoever de naam Gilgal draagt, was daarom te verwachten!

Maar laten we zien wat de Schrift Zelf over deze gebeurtenis te melden heeft:

“Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen Israëls; en zij vernachtten aldaar eer zij vertrokken. “ Joz. 3: 1.

Jozua betekent “Jehova is redding”. Strikt genomen is deze naam identiek aan de Griekse naam “Jezus”. Er zijn inderdaad historische voorbeelden van Joden met de naam Jozua, die zich in de dagen van de Griekse beschaving, de dagen van de Heere dus, “Jezus” lieten noemen. Alleen al om die reden is Jozua een type van de Redder Israëls. Jozua is immers degene die zijn volk vanuit de woestijn het beloofde land binnenleidt en hen daar verlost van hun vijanden. Dat is precies wat de Heer ook zal doen na de bekering van Zijn volk. Hij zal zich voegen bij het gelovig overblijfsel van Israël, dat in de woestijn bewaard bleef (men leze b.v. Op.12!), en
vandaar optrekken naar Palestina en Jeruzalem. Dat is waar b.v. de profeet Micha over spreekt. Micha, die opriep tot herinnering aan wat er gebeurde van Sittim naar Gilgal. Dezelfde Micha die sprak over het uiteenleggen der beenderen en het afroven van de huid.

Deze Micha zegt:

“Voorzeker zal Ik u, o Jakob, gans verzamelen; voor zeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen. De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Heere in hun spits. “ Mich. 2:12.

Het is hetzelfde als wat Jozua deed. Maar iedere nog ongelovige Israëliet dient eraan te denken, dat deze Jozua al eens eerder in het land geweest was! De Heer is al eens eerder in het land geweest. maar het volk heeft niet naar Hem willen luisteren, zoals het ook niet wilde luisteren naar het getuigenis van Jozua! Maar precies als Jozua zal de Heer ten tweeden male verschijnen, om hen alsnog, na vele, vele jaren van omzwervingen, binnen te leiden in het beloofde land.

“En zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen
Israëls; en zij vernachtten aldaar. “ Joz. 3: 1.

“Sittim” is van dezelfde stam als het woord “satan”. Het betekent “tegenstander”. Het woord wordt ook gebruikt voor het hout, dat in de tabernakel werd toegepast. Van dat hout was overigens niets meer te zien. Het was het oorspronkelijke bouwmateriaal, maar het sittimhout werd overdekt met goud. Het begint bij de tegenstander, de satan. Uit zijn macht worden wij verlost door het werk van de Heere Jezus Christus, die ons in Hem tot een nieuwe schepping maakt. Israël trok op van Sittim en naderde tot aan de Jordaan, waar zij vernachtten. Dat is immers de weg, die niet alleen Israël, maar ook de wereld gaat! De wereld heeft immers de satan zelf als vertrekpunt, met als gevolg dat de weg eindigt in duisternis.

Ook dit was onderwerp van het nachtelijk gesprek tussen de Heer en Nicodemus:

“En dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. “ Joh.3: 19, 20.

Maar uit die duisternis is een uitweg. Het Licht is immers in de wereld gekomen!
Van het “Licht der wereld” zegt Johannes, dat het

“…. is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben het niet aangenomen. Maar
zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen
Gods te worden, namelijk, die in Zijn Naam geloven; welke niet uit den bloede,
noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit god geboren
zijn. “ Joh. 1 : 12, 13.

Maar de Schrift leert ons, dat de tijd zal komen dat de Zijnen Hem wel zullen aannemen. Dan zullen zij overgaan van de duisternis naar het Licht. Wanneer Israël uiteindelijk toch in Zijn Naam zal geloven, want dat is de uitdrukkelijke voorwaarde, zal ook de gehele natie worden wedergeboren. Dat is ook wat de “apostel der besnijdenis” schrijft aan de “verstrooide vreemdelingen”:

“Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. “ 1 Petr. 2: 9, 10.

Petrus citeert hier uit de profetie van Hosea, die toch in de eerste plaats betrekking heeft op het volk, dat door God terzijde is gesteld. Het is niet meer “Mijn Volk” (Ammi), maar “niet Mijn volk” (Lo-Ammi). Het is het volk, dat door Hem ontheven is van het priesterschap (Hos.1 : 6-10; 4: 6). Dat Paulus deze profetie tevens geestelijk toepast op de Gemeente (Rom.9: 25, 26), doet aan de letterlijke betekenis van de profetie niets af! Israël zal weer Gods volk worden. Israël zal getrokken worden uit haar huidige blindheid en duisternis. Israël zal weer ontfermd (Ruchamah) worden. Israël zal worden wedergeboren (1 Petr. 1 : 13).

Dezelfde profeet zegt ook hoe dat gebeuren zal:

“Komt en laat ons wederkeren tot de Heere, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.“ Hos. 6: 1.

Wanneer Israël zich zal keren “tot Dien, die het slaat” (Jes. 9 : 12) en zal erkennen, dat het de Heere Zelf is, die hen verscheurde, ja, dan zal Israël wedergeboren worden. De letterlijke vertaling van een gedeelte van een van de toespraken van Petrus tot het volk van Jeruzalem luidt:

“Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden: OPDAT tijden der verkoeling zullen komen van het aangezicht des Heeren, en Hij zenden zal Christus Jezus, die u tevoren gepredikt is; Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting alIer dingen, die God geproken heeft door de mond al Zijner heilige profeten van alle eeuw.” Hand.3: 19, 20.

Het volk werd opgeroepen tot bekering, opdat Christus uit de hemel zou terugkeren om alle overige profetieën te vervullen! Dat was het gepredikte perspectief! De prediking was geheel gericht op de wedergeboorte van Israël, met als consequentie de wederkomst van Christus.

“En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbods des Heeren, uw Gods, ziet, en de levietische priesters dezelfve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na.” Joz. 2: 3.

Dat is de opdracht, die aan Israël gegeven werd: De ark des verbonds navolgen! Deze ark het eigenlijke hart en centrum van de tabernakel. Nadat Mozes indertijd op de Sinaï de twee stenen tafelen ontving, ging het niet lang goed. Reeds voordat Mozes de wet kon overdragen aan het volk, was hij al verbroken:

“En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelve beneden aan de berg verbrak. “ Ex. 32: 19.

De wet, en daarmee de twee stenen tafelen, konden onmogelijk heel blijven, wanneer zij werden toevertrouwd aan de natuurlijke mens!

Daarom zal “uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden…..” (Rom. 3: 20a).

Maar de Heere gaf Zijn volk twee nieuwe tafelen, die deze keer bewaard moesten worden in een houten kist (Deut. 10), en later in de ark des verbonds. De ark, als bewaarder van de wet, is daarmee een type van de Heere Jezus, die in Zichzelf de wet vervulde en volbracht. Vandaar, dat het volk de ark moest navolgen. Het is immers een type van de Vorst van Israël! Dit navolgen van de ark zoals de schaapskudde de goede herder navolgt, was de gebruikelijke procedure gedurende de woestijnreis, maar in dit speciale geval van de doortocht door de Jordaan heeft het ons nog veel meer te zeggen. Het beeld is hier, dat Israël dezelfde weg zou afleggen als haar Messias. De weg, die Hij ging, zou het gehele volk moeten gaan! Het was de weg door de wateren van de Jordaan. De weg door de dood, maar ook de weg van de opstanding, de wedergeboorte!

Er is hier een duidelijk verband met de profetieën van Hosea en Jona. Het “teken van Jona” is immers niet alleen van toepassing op de Heere Jezus, maar ook en juist op de gehele Joodse natie! De tragiek van Israël is, dat zij weigerde haar Messias als Koning te aanvaarden en Hem te volgen. Maar ondanks die weigering volgt zij toch. Zij volgt Hem in Zijn vernedering en verdrukking. Zij volgt Hem in de dood. Zij zal Hem in de toekomst echter ook volgen in Zijn opstanding! In de dagen van het boek Handelingen weigerde Israël om haar Heer te volgen. Het resultaat daarvan is echter niet, dat daarmee de band tussen de Heer en Zijn volk voor altijd verbroken is. Integendeel, het resultaat is slechts, dat zij Hem later zullen volgen. Zij zullen Hem volgen in de wedergeboorte (Matt.19: 28)! Zij zullen dezelfde weg gaan, doch niet gelijktijdig met Hem, maar op afstand:

“Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve (de ark) en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.” Joz. 3: 4.

Israël moest de ark volgen, maar dan wel op afstand. Nadat de ark was afgedaald naar de bodem der rivier, had het volk nog een lange weg af te leggen, voor ze de ark weer zouden zien. Het is de weg die ze nog niet eerder gegaan waren. Het is de weg van LoAmmi. Het verstrooide en verblinde volk. Het is de tijd waarin de Heere Zijn aangezicht van Israël verbergt. Maar uiteindelijk zal Israël zich bekeren. In de plaats van de wateren zullen zij Hem ontmoeten. In de ballingschap onder de volkeren, waarvan de wateren immers een beeld zijn, zullen zij tot geloof komen. En wanneer “alzo geheel Israël zalig” geworden is, zal de Heer Zich tenslotte aan haar openbaren. Zoals Israël de ark op de bodem van de Jordaan passeerde, en de ark zelf als laatste op de andere oever te Gilgal verscheen, zo zal de Heer, die Zijn aangezicht zolang verborgen had, Zich weer aan haar openbaren.

Dan zullen zij zien, wie zij doorstoken hebben, en vragen:

“Wat zijn deze wonden in Uw handen ?”

En dan zal Hij zeggen:

“Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben in het huis mijner liefhebbers.
Zach. 13: 6.

Dan zullen zij belijden:

“Wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen in ons genezing geworden. “ Jes. 53.

Het is deze belijdenis uit de mond van Israël, waar de verschijning van de Messias op de Olijfberg op wacht.


Geloof

Dat God een plan heeft voor het eens door Hem uitverkoren volk staat als een paal boven water. Dat de uitvoering van dat plan aan bepaalde voorwaarden verbonden is, schijnt men tegenwoordig hoe langer hoe minder te beseffen. Het is daarom met opzet, dat ik in het voorgaande hoofdstuk bepaalde gegevens omtrent het tijdstip van de wedergeboorte van Israël buiten beschouwing heb gelaten. Vele daar aangehaalde Schriftplaatsen spreken uitdrukkelijk over de tijd waarop en de samenhang waarin al deze dingen zullen geschieden.

Dat ik ze niet nader heb uitgewerkt, is omdat het mij hier niet gaat gaat om het tijdstip, maar om de manier waarop! Want juist daarover bestaat tegenwoordig helaas nogal wat verwarring onder de gelovigen. Het schijnt velen te ontgaan, dat de wedergeboorte van Israël net als de individuele wedergeboorte van een zondaar slechts tot stand komt op voorwaarde van geloof! Eigenlijk hebben we dat al gezien in de profetie van Ezechiël 37. De eerste fase in de wedergeboorte van Israël is immers de wedergeboorte van de individuele Israëlieten! Eerst moeten de beenderen levend worden: pas daarna zullen die levende beenderen een lichaam vormen, dat eveneens tot leven zal worden gewekt. Dus eerst de wedergeboorte der Israëlieten afzonderlijk en daarna als gevolg daarvan de wedergeboorte van de Israëlitische staat! En zoals de wedergeboorte van de individuele Israëliet het werk van God Zelf is, dat gedaan wordt op voorwaarde van geloof, zo zal ook de toekomstige wedergeboorte van de staat Israël het werk van God Zelf zijn, op voorwaarde van geloof.

De apostel Paulus was zich van deze Bijbelse waarheden heel goed bewust. Nadat hij acht hoofdstukken lang geschreven heeft over het feit, dat de mens door alle bedelingen en eeuwen heen, slechts gerechtvaardigd wordt door en uit het geloof, heeft hij in Romeinen 9 tot 11 voor Israël geen andere boodschap! Daarbij moeten wij niet vergeten, dat het Israël in de dagen van Paulus volstrekt identiek was aan het Israël van onze dagen. Ook toen was de bedeling der verborgenheid al begonnen (Rom. 16: 25). Ook toen was de meerderheid der Israëlieten verstrooid onder de volkeren. Ook toen bestond er in Palestina een kleine Joodse staat met Jeruzalem als hoofdstad. Ook toen werd het Evangelie van God (Rom. 1: 1) gepredikt onder alle volkeren.

En wat zegt deze apostel Paulus in die omstandigheden over de relatie tussen het Evangelie en Israël:

“Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet want het is een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder, die gelooft, eerst de Jood en ook de Griek.” Rom. 1: 16

Het moet toch duidelijk zijn, dat dit vers leert, dat zowel Jood als heiden slechts langs de weg van geloof zalig kunnen worden. Dat was toen zo en dat is nog zo. De situatie is inmiddels niet gewijzigd! Voor Israël geldt geen andere boodschap dan voor de heidenen! Dat is wat Paulus in de volgende acht hoofdstukken vele malen herhaalt.

En op de vraag waarom Israël nog steeds niet is wedergeboren zegt hij in hoofdstuk 9:

“Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is. Maar Israël, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots; gelijk geschreven is: Zie Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis en een ieder, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.” Rom. 9: 30-44.

De fout van Israël wordt hier duidelijk genoemd. Die fout was, dat zij zochten gerechtvaardigd te worden uit de werken der wet en niet uit het geloof! (Waar heb ik dat meer gehoord?) Zij zochten hun eigen gerechtigheid op te richten (10: 3). Doch niet de wet, maar geloof leidt tot zaligheid. Niet alleen voor de heidenen, maar juist en eerst voor de Jood! Opmerkelijk is daarbij, dat Paulus in de hierboven aangehaalde verzen over de steen des aanstoots, waarin men dient te geloven, gebruik maakt van citaten uit het Oude Testament. Rechtvaardiging door geloof is immers niet specifiek Nieuw-Testamentisch, maar wordt in het Oude Testament reeds geleerd. Het is een waarheid van alle eeuwen. Geloof is de voorwaarde voor alle Goddelijke zegeningen, ook en juist in verband met Israël!

Terugkomend op de eerder genoemde steen des aanstoots zegt de apostel:

“Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van griek; want Eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Want een ieder, die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? “ Rom. 10: 11-14

En weer citeert hij het Oude Testament, waarin Israël reeds werd opgeroepen tot bekering en geloof. Want reeds Joël leert ons, dat al wie de Naam des Heeren zal aanroepen zalig zal worden, en hij zegt dat speciaal in verband met Israël.

Merkwaardig is het, dat men soms precies het tegenovergestelde kan horen prediken. Sommigen leren immers, dat “geheel Israël” zalig zal worden omdat God hen geroepen heeft. Omdat Israël het door God uitverkoren volk is. Maar de Schrift leert anders. Niet de door God geroepenen, maar zij, die God aanroepen zullen behouden worden. God heeft er velen geroepen, maar in ons Calvinistische Nederland weet men maar al te goed, dat er desondanks slechts weinigen uitverkoren zijn! Niet de geroepenen, maar de uitverkorenen, namelijk de gelovigen zuilen behouden blijven! Het volk, dat God heeft uitverkoren is dan ook geen ongelovig, maar een gelovig Israël. Een ongelovig Israël werd door God terzijde gezet; een gelovig Israël zal door Hem weer worden aangenomen! Aan een gelovig Israël zal de Heer zich in de toekomst openbaren. Een gelovig Israël zal wedergeboren worden! Maar voor een ongelovig Israël verbergt de Heer Zijn aangezicht! De profeten maken er bepaald geen geheim van, dat wanneer het vaststaande tijdstip voor de wedergeboorte van Israël is aangebroken, alle dan nog niet gelovige Israëlieten zullen omkomen in wat genoemd wordt “de tijd der benauwdheid voor Jakob”. Want slechts gelovigen, slechts wedergeboren mensen, zullen her koninkrijk van de Messias van Israël kunnen binnengaan!

Zoals de Heer het al zei tot Nicodemus:

“Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods nietzien. “ Joh. 3: 3.

“Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.” Joh. 3: 5.

En zoals ook de apostel Paulus dit bevestigt:

“Doch ik zeg dit broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen ……. “ 1 Kor. 15: 50.

De uitspraak van Paulus:

“Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder, diegelooft… “ Rom. 10: 4.

geeft een treffende beschrijving van de positie waarin het volk van Israël zich vandaag bevindt. De dood en opstanding van Christus (Messias) maakten immers een eind aan de werking en de bedeling van de wet! Daarom is ook het ongelovige Israël vandaag vrij van de wet.

Of weet gij niet dat:

“de wet heerst over de mens, zo lange tijd als hij leeft. Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans… “ Rom. 7: 1, 2.

En de Man is gestorven. De Man van Israël was de Heere Zelf, Die Zijn leven gaf om haar te verlossen. De wet was de “tuchtmeester tot Christus” (Gal. 3 : 24), omdat Christus het einde der wet is. Israël is vrij van de wet, maar daarom nog niet zalig!

Verlossing van de wet is niet voldoende voor het eeuwig behoud of voor wedergeboorte! Voor de dagen van Mozes had er nog nooit een mens onder de wet geleefd, maar daarom waren zij nog niet behouden! En dat is precies wat Paulus zegt. Het einde der wet is Christus…. tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft.

Verlossing van de wet is niet voldoende: men moet geloven in Christus, de steen des aanstoots! Dat gold onder het oude verbond. Dat gold in de dagen van Paulus. Dat geldt ook nu nog! Een Israëliet wordt niet in tegenstelling tot een heiden automatisch behouden omdat hij nu eenmaal een Israëliet is, want:

“die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.” Rom. 9:6.

Ook na de verlossing van de wet, moet hij evenals elke heiden tot geloof komen in de Messias van Israël! Dat is niet een vergezochte verklaring van dit ene vers, maar het is de uitdrukkelijke verklaring, die de apostel zelf aflegt in zijn brief aan de Hebreeën zelf.

Eigenlijk is die hele brief een oproep aan Israël, om te geloven in de Koning van Israël, Die in afwachting van de bekering van Israël gezeten is ter rechterhand Gods in de hemel, en daar de Hogepriester is naar de ordening van Melchizedek ten behoeve van allen, die Hem aangeroepen hebben, Maar speciaal in de hoofdstukken 3 en 4 wijst hij op de noodzaak van geloof! Niet alleen in deze bedeling, maar ook reeds in de voorgaande. In deze hoofdstukken wijst Paulus de Joden er op, dat zij, die verlost werden uit de slavernij van Egypte, niet automatisch ook in het beloofde land kwamen. Zeker, door Gods verkiezing werd Israël uitgeleid uit het diensthuis, uit de slavernij. Maar slechts zij, die geloofden in wat de Heere gesproken had, kwamen uiteindelijk in het beloofde land. En dat waren er helaas slechts twee van de meer dan zeshonderdduizend: Jozua en Kaleb. Want aan de intocht in Kanaän was een voorwaarde verbonden. Tot driemaal toe herhaalt Paulus een uitspraak van de Heer tot Israël:

“INDIEN zij in Mijn rust zullen ingaan. “ Hebr. 3: 11; 4: 3, 5.

Onze vertaling is wat onduidelijk, maar het woord “indien”, duidt op een bepaalde voorwaarde: Slechts onder een bepaalde voorwaarde zou Israël de rust kunnen binnengaan. Welnu, zegt Paulus, die voorwaarde is: geloof. Want zij, die in de woestijn hun vertrouwen niet op de Heere gesteld hadden, maar altijd klaagden, dat zij in de woestijn zouden omkomen, deden dat ook. Zij kwamen om.

“En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.” Hebr. 3: 19.

De positie van Israël is vandaag identiek aan die van toen. Israël was verlost van de slavernij van Egypte, zoals zij nu verlost is van het juk der wet. Israël is onderweg naar de rust, die de Heer hen beloofd had. Hij belooft immers rust aan allen, die Hem geloven op Zijn woord en tot Hem komen. Dat geldt speciaal ook voor het volk van Israël.

“Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. “ Hebr. 4: 9.

Inderdaad, God heeft Israël rust beloofd. Hij beloofde de komst van een rijk van
vrede onder de Vredevorst. Er blijft een rust over voor Israëls toekomst. Maar net als
in het verleden zullen slechts de gelovigen uit Israël die rust bereiken.

Daarom wekt de apostel de Hebreeën op om zich te ….

…benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde
voorbeeld der ongelovigheid valle.” Hebr. 4: 11.

De ongelovigheid van Israël in de woestijn was het verkeerde voorbeeld. Het goede voorbeeld is dat van de enige twee Israëlieten die de uittocht uit Egypte meemaakten en eveneens de rust ingingen. Want deze Jozua en Kaleb getuigden van hun geloof in de Heere:

“En Jozua… en Kaleb…zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen. En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls,zeggende:…Indien de Heere een welgevallen aan ons heeft, zo zal hij ons in dat land brengen en zal ons dat geven Alleen, zijt tegen de Heere niet weerspannig…“ Num. 14:6-9.

Maar Israël als geheel is altijd weerspannig gebleven. Althans volgens de Schrift. En dat is bepalend voor onze houding ten opzichte van Israël. De apostel, die alle gelovigen zo dikwijls opriep hem na te volgen, laat over zijn houding tot Israël geen twijfel bestaan. In de eerste plaats bad hij voor Israël. Maar let wel, hij bad niet voor hun staat of stad. De les van Jeremia had hij goed geleerd. Jeremia werd door de Heere herhaaldelijk verboden te bidden voor de kleine ongelovige Joodse staat in Judea (Jer. 7 : 16; 11 : 14; 14: 11, 12; 29: 7) , en bij gelegenheid weigert hij dat dan ook te doen (Jer. 21 : 2 e.v.; 37 : 3 e.v.). Paulus wist heel goed, dat zegeningen voor staat of stad slechts gegeven kunnen worden, wanneer de inwoners gelovigen zijn!

Daarom zegt hij:

“Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid“. Rom. 10: 1 e.v.

Paulus bidt voor de zaligheid der individuele Joden. Niet voor Israël als volk, als collectief, maar voor de leden van het volk. Hij spreekt over een meervoud. Daarom staat er b.v. ook niet “haar zaligheid” (enkelvoud), maar “hun zaligheid” (meervoud). Want eerst nadat de leden van het volk gelovigen zijn geworden, kan God hen zegenen. Eerst dan kan Hij hun ook de zegeningen geven, die Hij hun ook als volk beloofd heeft. Eerst dan kan hij het gebed voor de vrede van de stad en de staat verhoren. En hij zal dat ook inderdaad doen. Maar in afwachting daarvan bidt de apostel voor hun individuele zaligheid.

En niet alleen dat. Het blijft niet bij gebed alleen:

“Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees; welke Israëlieten zijn……. “Rom. 9: 3.

“Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken en enigen uit hen behouden mocht……. “ Rom. 11: 14.

De “apostel der heidenen” was dus wel degelijk actief in de prediking van het Evangelie aan Israël! Het Evangelie is immers een kracht Gods tot zaligheid voor zowel Jood als Griek, op voorwaarde van geloof! En daarom behoren wij te bidden voor Israël. Niet voor de staat en de stad, maar voor hun zaligheid. Daarom behoren wij het Evangelie van Christus te prediken, niet alleen aan de heidenen, maar juist en vooral aan Israëlieten! Want, inderdaad, slechts een ieder die de Naam des Heeren zal oproepen zal zalig worden. Maar, zegt de apostel Paulus:

“Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben?
En hoe zullen zij in Hem.geloven, van Welken zij niet gehoord hebben?
En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt?
En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Rom. 10: 13-15.

Let wel, die “zij” uit deze verzen zijn Israëlieten! Dit alles wordt niet eens gezegd over zondaren in het algemeen, maar juist over Israël. Zoals Joël al zei, moet Israël de Heere aanroepen, voordat de dag des Heeren, het Messiaanse Rijk, aanvangt. Maar men kan slechts iemand aanroepen in wie men gelooft. Maar hoe zouden Israëlieten kunnen geloven in iemand, van wie zij nooit gehoord hebben? Daarom moet hun het Evangelie gepredikt worden. En daarom zendt God ook vandaag nog gelovigen uit, die evenals Paulus het Evangelie prediken: eerst aan de Jood en ook aan de Griek. Want er is onder de hemel geen andere naam gegeven! Niet Herzl, niet het Sionisme. Maar integendeel, Jezus Christus, de levende Messias van Israël is het, door Wie een verloren zondaar wordt wedergeboren tot een kind van God. Eerst de Jood en ook de griek,

“Want er is geen aanneming des persoons bij God” o.a. Rom. 2: 11.

En daarmee zijn we weer terug bij de Heere Jezus en Nicodemus. De Heiland negeerde in feite de vraag van Nicodemus, en zei rechtstreeks tot deze Joodse leider: Eerst wedergeboren worden. Als orthodoxe Jood had Nicodemus ongetwijfeld zijn Messiaanse verwachtingen. Ongetwijfeld hoopte hij op de komst van de Messias om Zijn volk te verlossen van de onderdrukkers. Maar toen Nicodemus Hem persoonlijk ontmoette, zei Deze niet: Ik ben de Messias, en zal uw volk verlossen. De Heer speelde niet in op de Messiaanse verwachting, die de leraar van Israël zojuist uitgesproken had. Nee, want voordat de Heere Zich als de Messias zal openbaren, zal Israël eerst de Naam Jehova aan moeten roepen! Daarom vermaande de Heere Zijn discipelen zo dikwijls om toch vooral niet te spreken over alles wat met Zijn koningschap te maken had. Want voor men de Heere Jezus kan aanvaarden als de Koning, moet men Hem eerst aanvaarden als de Verlosser. De verlosser van de zonde en de wet. Eerst moet men wedergeboren worden! En dat is het eerste en enige waar de Heer met Nicodemus over spreekt. Eerst moet men geloven in het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.

Daarom zegt de Heer tegen hem:

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoongegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. “ Joh. 3: 16.

Dat is wat de Heer aan de leraar Israëls predikte: rechtvaardiging door geloof. Want evenals het volk geloofde Nicodemus (nog) niet (vs. 12) En daarom herhaalt de Heer in vers 15 en 16 de uitspraak, dat een ieder, dus Jood zowel als heiden, die in Hem gelooft door wedergeboorte eeuwig leven zal ontvangen.

En Hij voegt eraan toe:

“Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alreeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God.” Joh. 3: 18.

Bent u al een gelovige? Of zoekt u, net als Israël vandaag, uw eigen gerechtigheid op te richten?  Zoekt u misschien ook uw rechtvaardigheid uit de werken in plaats van uit het geloof?  Wel, noch uw eigen werken, noch de werken der wet, noch de werken van het Sionisme kunnen een mens rechtvaardig maken.

“Doch degene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Rom. 4: 6.

Wedergeboorte 3 - de hoop van Israël

BROCHUREREEKS "HET MORGENROOD" - Volgnummer 130  Door Ab Klein Haneveld. 
Onder redactie van: Jb. Klein Haneveld. Bodegraven

Deze brochure is de derde in een reeks over de wedergeboorte.  
Verschenen zijn de volgende titels:

[FinalTilesGallery id='12']