Wedergeboorte 4 – de hoop der schepping

Blijde verwachting

Hoe het u vergaat weet ik niet, maar als ik een nieuw boek in handen krijg, heb ik de gewoonte om eerst eens vluchtig de eerste en de laatste bladzijden te lezen. Daarna weet ik twee dingen. In de eerste plaats weet ik dan ongeveer waar het verhaal over gaat en in de tweede plaats weet ik dan of het goed afloopt. Want kijk, als ik op voorhand weet, dat het verhaal geen “happy end” heeft, begin ik er niet eens aan. Ik heb het namelijk niet zo erg op dat onbevredigende gevoel dat me bekruipt als het met de hoofdpersoon van het verhaal zo tragisch eindigt. Nu zal dit wel een afkeurenswaardige gewoonte van me zijn, maar ik troost mij met de gedachte, dat velen precies hetzelfde doen. Want hoe dan ook, het werkt wel! Het lezen van de eerste en de laatste bladzijden geeft over het algemeen inderdaad een globaal doch oppervlakkig beeld van de inhoud van een boek. En zelfs “Het Boek der Boeken” vormt hierop geen uitzondering. De eerste bladzijden van de Bijbel, overbekend als zij zijn, vertellen ons over de wijze waarop de wereld zoals wij die kennen tot stand gekomen is. En direct worden we geconfronteerd met de meest gecompliceerde problemen.

We lezen hoe de wereld van kwaad tot erger vervalt. Hoe zij, verre van te evolueren, juist degenereert. En we vragen ons in spanning af hoe dat toch wel moet aflopen. Maar wanneer onze nieuwsgierigheid het wint, en we vol ongeduld de laatste hoofdstukken opslaan, kunnen we een zucht van verlichting slaken. Want tegen elke menselijke verwachting in kent de Schrift een “happy end”! We lezen daar immers over het tot stand komen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde ter vervanging van de oude hemel en aarde, die voor eeuwig zijn weggedaan. De oude schepping blijkt op het laatste ogenblik vervangen te worden door een nieuwe. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont!

Wanneer we dan de inhoud van de Schrift moeten samenvatten, kunnen we zeggen dat de Bijbel de geschiedenis vertelt van “hoe de oude schepping een nieuwe schepping werd”. Enige tientallen jaren terug zou dit trouwens een heel geschikte titel voor een boek geweest zijn. Het Woord van God verhaalt ons de geschiedenis van een in zonde gevallen schepping, die uiteindelijk door het verzoeningswerk van Christus vervangen wordt door een nieuwe, een volmaakte, een zondeloze wereld, waarin God is “alles en in allen”. Deze korte samenvatting van de inhoud van de Bijbel kan echter heel goed dienen als definitie van het begrip wedergeboorte. Wedergeboorte is immers Gods methode om uit een oude schepping een nieuwe schepping voort te brengen. Wanneer dit dan tevens de algemene inhoud van de Bijbel is, moeten we concluderen dat het hoofdonderwerp van de Schrift niets anders is dan wedergeboorte!

In de eerste plaats was wedergeboorte zoals we gezien hebben van toepassing op de Heere Jezus Zelf. Wedergeboorte is in wezen immers volkomen gelijk aan “opstanding ten leven”. En dat de Heere Jezus Christus is opgestaan ten leven is de grondwaarheid van het Christendom. Hij was de Eerste, Die Zijn door geboorte ontvangen lichaam en leven aflegde en door opstanding een volkomen nieuw leven ontving. En daardoor werd Hij inderdaad de Eerstgeborene van een nieuwe schepping. Hij was de Eerste, Die wedergeboren werd!

In de tweede plaats werd wedergeboorte toegepast op allen, die sinds de opstanding (of wedergeboorte) van Christus tot geloof gekomen zijn. Niet alleen Zijn dood, maar ook de opstanding van de Heer was immers in onze plaats, zodat van de gelovige gezegd kan worden, dat hij met Christus gestorven, begraven en opgewekt is. Wanneer trouwens de Heer Zelf spreekt over,

“Gij, die Mij gevolgd zijt in de wedergeboorte” (Matt. 19:28),

blijkt daaruit, dat wedergeboorte in de eerste plaats op Hem Zelf van toepassing is, en bovendien op alle gelovigen! Niet alleen Christus, maar ook wij “die Hem gevolgd zijn” zijn in Christus een nieuwe schepping (1 Kor. 5:17) Want een nieuwe schepping is wat er door wedergeboorte geboren wordt!

In de derde plaats bleek wedergeboorte van toepassing te zijn op de staat Israël als zodanig. Israël, dat ooit geboren werd uit Egypte, zal wanneer het als natie tot geloof komt ook als natie wedergeboren worden! Israël zal opstaan uit het graf der volkeren, omdat het door geloof nieuw leven van Christus zal ontvangen. Daaruit blijkt dat wedergeboorte niet alleen van toepassing is op personen, op individuen, maar ook op andere dingen!

Daarmee zijn we dan weer terug bij de eerste en laatste bladzijden van de Bijbel. We hebben vastgesteld, dat niet slechts een deel, maar de totale schepping uiteindelijk plaats zal maken voor een nieuwe. Niet slechts Christus, niet slechts de gelovige mensen, niet slechts Israël, maar ook de aarde en de hemel zelf, zullen veranderd worden! En natuurlijk moet het begrip wedergeboorte ook hierop van toepassing zijn! De komst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is het resultaat van wedergeboorte! En zoals de eerder genoemde toepassingen van de wedergeboorte het resultaat zijn van de opstanding van Christus, zo is dat ook het geval met de wedergeboorte van de schepping! Het “happy end” van de Schrift is het resultaat van het verzoeningswerk van Christus en is gebaseerd op Zijn overwinning op de dood. Dit alles geeft toch wel een geweldig diepe betekenis aan de woorden van de apostel Paulus:

” indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof. En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. Zo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn. “ 1 Kor. 15: 13-18.

Want zonder het lijden en sterven van de Heere Jezus zou de opstanding van Christus onmogelijk geweest zijn! En zonder de opstanding van Christus zou wedergeboorte onmogelijk geweest zijn. En zonder wedergeboorte kan er geen nieuwe schepping tot stand komen. Dan zou er geen happy end zijn voor u en mij en deze wereld! Maar dat happy end is er wel! En daarom is de geschiedenis van de schepping, zoals de Schrift ons die geeft, de geschiedenis van een zwangerschap. Het is de geschiedenis van het lijden van deze wereld en van alles wat daarin is, omdat deze wereld zwanger is. Want de wereld waarin wij leven, de schepping zoals wij haar kennen, vervult de rol van de moeder, waaruit het nieuwe leven straks zal voortkomen. Het nieuwe leven, waarvan God Zelf de Vader en Verwekker is.

“Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wijzelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot zonen, namelijk de verlossing onzes lichaams. Want wij zijn in hope zalig geworden…“ Rom. 8: 22-24.


De “restitutie – leeR”

In verband met de verlossing van een zondaar hebben we gezien dat de wedergeboorte zijn noodzakelijkheid vindt in de natuurlijke geboorte. De natuurlijke mens is immers door zijn afstamming van Adam “van de moederschoot aan” een zondaar. Hij is besmet met de zonde. En daarom leert de Schrift dat “vlees en bloed het koninkrijk niet beërven kunnen(1 Kor. 15:50) De geboorte van de mens moet daarom als het ware opnieuw plaatsvinden, zodat hij een nieuwe en zondeloze schepping wordt in Christus.

Uiteraard gold dit zelfde principe voor de Heere Jezus Zelf, Die voor ons “tot zonde gemaakt” werd. Hij droeg onze zonden op het kruis van Golgotha en legde ze af in de dood, waarna Hij “zonder zonde” uit de dood opstond als het “Hoofd van een nieuwe schepping”. Ook voor Israël als volk gaat dit principe op. Ook Israël werd oorspronkelijk geboren met wat we een “erfelijke belasting” zouden kunnen noemen. We hebben gezien hoe de “Egyptische afkomst” in de geschiedenis van Israël altijd een belangrijke rol gespeeld heeft. Hoe Israël terug verlangde naar Egypte en er steun zocht tegen haar vijanden. Precies zoals de natuurlijke mens vertrouwd op zijn eigen afkomst en op het vlees (de “vleespotten van Egypte”!). Zowel Israël als de natuurlijke mens hebben altijd gezocht hun eigen gerechtigheid op te richten (Rom. 10: 3) Maar de geboren mens is niet tot enig goed in staat (Rom. 3:10-18) En Israël was dat blijkbaar ook niet. En daarom moet ook zij door geloof wedergeboren worden! Ook haar afkomst moet als het ware veranderd worden! En zoals het is met de mens en met Israël zo is het met de wereld als geheel. De noodzaak tot wedergeboorte is gelegen in haar afkomst! Want hoe dan ook, als de oorspronkelijke “geboorte” van de wereld volmaakt geweest zou zijn, vanwaar dan de noodzaak tot wedergeboorte? Iets wat goed is hoeft toch niet opnieuw gemaakt te worden? De vraag is nu: Wat is er mis met de oorsprong van onze wereld?

Wanneer wij ons nu bepalen tot de Bijbelse scheppingsgeschiedenis, krijgen wij te maken met een populair en diepgeworteld misverstand, dat zich kan beroemen op een lang verleden. Dit misverstand is oorspronkelijk ontstaan uit een compromis tussen goddelijke openbaring en de legenden der heidense kosmogonie, maar vindt in de Bijbel werkelijk geen enkele grond! Met het eerste vers van de Bijbel hebben werkelijke gelovigen niet veel moeite. Het staat er immers duidelijk genoeg:

“In den beginnen schiep God de hemel en de aarde…” Gen. 1: 1.

Maar de mens, die altijd geïnteresseerd is in de technische kant van de zaak, wil graag weten hoe God die schepping tot stand gebracht heeft. En daar de Schrift dat nu eenmaal niet vermeldt omdat het voor ons van geen enkel belang is, heeft de mens de eeuwen door zijn eigen fantasie laten werken om het vermeende gebrek van het Woord van God aan te kunnen vullen. De resultaten daarvan vinden we b.v. gemakkelijk terug in de oude mythologische literatuur.

De klassieke dichter Hesiodus zegt ons, dat het eerste wat bestond “Chaos” was. Dat is volgens de etymologie de “stille en lege vruchtbodem voor geschapen materie”. Maar spoedig verloor het woord zijn strikte betekenis en werd gebruikt voor de ruwe en vormeloze materie, waaruit de hemelen en de aarde verondersteld werden geschapen te zijn. Ovidius beschrijft het als volgt:

  • “Er was in het hele universum slechts een enkele natuurlijke verschijning: dit wordt genoemd “Chaos”, een vormeloze, verwarde massa. Metamorfozen 1: 6, 7

In zijn “Fasti” laat hij Janus, die hij met Chaos identificeert, als volgt spreken:

  • “De klassieken noemden mij gewoonlijk Chaos, want ik ben een oerwezen. Ziet van welk een ver verwijderde eeuw ik de gebeurtenissen zal verhalen. Deze lucht zit vol licht, en de drie andere elementen, vuur water en aarde, waren een verwarde massa. Zodra deze massa gescheiden werd door de tweedracht tussen haar componenten en verdreven was naar nieuwe posities, steeg het vuur omhoog, een plaats nader tot de aarde ontving de lucht, de aarde en de zee vestigden zich op de bodem. Toen nam ik, die slechts een vormeloze massa geweest was, vorm en ledematen aan, een god waardig. “ Fasti 1: 103-112.

Volgens deze kosmogonieën van Griekenland en Rome ontstond het heelal dus uit Chaos. Uranus werd geacht de eerste God geweest te zijn, maar hij werd verdreven door zijn zoon Chronos of Saturnus, die later dezelfde behandeling onderging door zijn zoon Zeus of Jupiter. Chaos was het eerste wat bestond en daarna ontstond de reeks vergankelijke goden!

Deze leer, oud en verbreid als zij reeds was in de dagen van onze Heer is geen Bijbelse, en vindt in de Schrift ook geen enkele grond! Toch beïnvloedde zij zowel de echte als de valse Christenen in hun interpretatie van het eerste hoofdstuk van de Bijbel. Zij menen immers, dat het eerste vers de schepping weergeeft van een vormeloze massa elementen, waaruit vervolgens gedurende de zes dagen de hemel en de aarde gevormd zouden zijn. Volgens deze bekende visie zou het tweede vers dan een beschrijving geven van deze vormeloze massa, voordat God haar verder vormde. Hun mening leeft helaas voort tot in onze dagen, hoewel die, zoals wij nu heel in het kort zullen zien, bepaald niet door de Bijbel wordt ondersteund.

Het gaat ons nu om de zinsnede:

“De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond. “ Gen. 1: 2.

Ten behoeve van de duidelijkheid volgt hier de Hebreeuwse tekst:

  • “WE-HA-ARETS HAYTHA TOHU WA-BOHU WA-CHO-SHECK AL-PNE THOM”

We zullen bij het begin beginnen. Het woordje “WE” of “WA” is zo ongeveer het enige Hebreeuwse voegwoord en wordt in het algemeen vertaald met “en”, doch ook dikwijls met “maar”, zoals b.v. in Gen. 1: 30; 2: 17; 3: 3 het geval is. Een en ander is natuurlijk afhankelijk van het verband waarin het gebruikt wordt. Volgens het Hebreeuws zowel als de meeste andere talen (waaronder het Nederlands) bewijst dit woordje “en” of “maar”, dit voegwoord, dat het voorgaande vers (Gen. 1: 1) geen samenvatting kan zijn van dat wat volgt, maar een verslag moet zijn van een gebeurtenis uit een reeds begonnen reeks! Als het eerste vers louter een samenvatting was van dat wat volgt, zou het tweede vers feitelijk het begin zijn van de geschiedenis en daarom zeker niet beginnen met een voegwoord!

Maar aangezien vers 2, evenals alle andere verzen in dit hoofdstuk, desalniettemin begint met een voegwoord, vertelt het iets wat plaats vond na vers 1, dus na de schepping van hemel en de aarde. Dat “WE” dikwijls de betekenis heeft van “daarna”, of “vervolgens” hebben de vertalers blijkbaar ook begrepen, en omdat dat hier niet overeenkwam met de heersende opvattingen, hebben zij het deze keer bij uitzondering “vertaald” met “nu”. Het voegwoord uit de Hebreeuwse grondtekst is daarmee verdwenen en vervangen door een absoluut nietszeggende uitdrukking! Maar precies zoals vers 3 begint met “WE”, en daarom het vervolg is op vers 2, zo begint vers 2 met “WE” en is daarom het vervolg op vers 1. Het moet zonder meer duidelijk zijn, dat, op het eerste na, alle verzen in dit hoofdstuk met dit woordje beginnen, en elkaar dus normaal chronologisch opvolgen. Ik zou geen reden kunnen bedenken, waarom Gen. 1: 2 in de gehele Schrift de enige uitzondering op deze regel zou zijn! De conclusie is, dat dit vers onmogelijk een beschrijving kan zijn van de oorspronkelijke toestand van hemel en aarde zoals God hen geschapen had. God schiep de wereld niet woest en ledig, maar zij is dat later geworden!

Het woord “HA-ARETS” betekent eenvoudig “de aarde”. Hoewel in vers 1 over zowel de hemelen als de aarde gesproken wordt, verhaalt vers 2 nog uitsluitend over de aarde. Maar wat gebeurde er met de aarde, nadat God haar in vers 1 geschapen had? Onze vertaling zegt, dat de aarde “woest en ledig” was. Het woord “HAYTHA”, hier vertaald met “was” is een vervoeging van het woord voor “zijn”. Maar juist daarom kan het in bepaalde gevallen gebruikt worden in de betekenis van “worden” of “gemaakt worden”. Alleen al in dit hoofdstuk heeft het zo’n twintig keer die betekenis. En soms wordt het ook inderdaad zo vertaald. Overigens zijn de werkwoorden “zijn” en “worden” ook in onze westerse talen dikwijls synoniem. De juiste vertaling moet ook hier uit het verband blijken. Alleen al het gebruik van het woordje “WE” aan het begin van dit vers, toont aan, dat de toestand van Gen. 1 : 2 niet de toestand onmiddellijk na de schepping zelf kan zijn, maar eerst later ontstaan is. Uit het verband blijkt daarom, dat “HAYTHA” met “werd” vertaald moet worden. Vanwege de tegenstelling tussen vers 1 en 2 vertalen we “WE” niet met “En”, doch met “Maar”, zodat het eerste gedeelte van dit vers moet luiden: “Maar de aarde werd…….. “

Door hen die enigermate geschoold zijn in de Hebreeuwse taal wordt dikwijls bezwaar aangetekend tegen de vertaling van “haytha” met “werd” in plaats van “was” Dit bezwaar heeft echter geen geldige taalkundige grond. In de eerste plaats is het namelijk zo, dat de kennis van het Hebreeuws zijn oorsprong en basis heeft in het Hebreeuwse Oude Testament. Anders gezegd: Onze kennis van het Hebreeuws is afgeleid van de Bijbel. Daarom is het ten onrechte, wanneer we onze kennis van de Bijbel afhankelijk stellen van onze kennis van de Hebreeuwse taal. Dan draaien we immers de zaak om! Wanneer dus uit het verband blijkt, dat “haytha” hier vertaald behoort te worden met “werd”, zijn wij misschien gedwongen om onze kennis van de Hebreeuwse grammatica aan te passen.

Een Nederlandse autoriteit op het gebied van de Hebreeuwse taal, die ik attent maakte op de bezwaren, die tegen een vertaling met “werd” in dit vers werden ingebracht, had dan ook direct zijn antwoord klaar. Hij vertelde, dat het (taalkundige) protest tegen deze vertaling zijn oorsprong vindt in “een verouderde grammatica”. Deze verouderde grammatica gaat uit van de gedachte, dat “haytha” in de bijbel 6 van de 10 keer vertaald wordt met “was” of een andere vervoeging van “zijn”; dat is dus de meerderheid van alle gevallen, en daarom is dat de juiste vertaling. Deze “verouderde” grammaticale regel leert ons echter niet wat we met de andere 4 van de 10 gevallen aan moeten! Deze andere gevallen leren ons echter, dat de vertaling met “werd” of een andere vervoeging van “worden” wel degelijk gerechtvaardigd is en ook daadwerkelijk in de Schrift voorkomt. Overigens heb ik mijn twijfels over de juistheid van de telling.

Wanneer we vanaf Gen. 1:2 gewoon verder lezen in de Bijbel, vinden we “haytha” weer in Gen. 3: 20, waar staat dat Eva “een moeder aller levenden is”. Hier is “haytha” met “is” vertaald. Maar dat is duidelijk ten onrechte! Op het moment waarover dit vers spreekt was Eva nog kinderloos en dus geen moeder aller levenden. Een kind kan zien, dat “haytha” hier vertaald moet worden met “zou worden”.

Daarna vinden we “haytha” in Gen. 9: 13 en 16, waar gezegd wordt dat de regenboog een teken “zal zijn”. De vertaling met “zal worden” is zeer goed mogelijk en benadrukt zelfs het feit, dat het hier om een belofte voor de toekomst gaat! Ditzelfde geldt vervolgens ook voor Gen. 17: 13: “Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees”. “Haytha” kan hier net zo goed vertaald worden met “zal worden” i.p.v. “zal zijn”.

Vervolgens zien we de uitdrukking in Gen. 17: 6, waar het vertaald is met “worden zal”. Sara zal worden tot volken!

Vervolgens komen we in Gen. 29: 17, waar staat: “Rachel was schoon van gedaante”.

Hier zou het evengoed vertaald kunnen worden met “was geworden”! In Gen. 38: 21 en 22 is het vertaald met “geweest”. Omdat het beter Nederlands is, maar ook hier had het vertaald kunnen worden met “geworden”. De laatste keer in Genesis vinden we het woord in hoofdstuk 47: 26, en daar is het inderdaad met “werd” vertaald. “ … dat alleen het land der priesteren van Farao niet werd.”

Deze opsomming zouden we vanzelfsprekend voort kunnen zetten in de overige Bijbelboeken. Maar waar het om gaat is, dat “haytha” in alle gevallen hier in Genesis kan worden opgevat als een vervoeging van het werkwoord “worden”. Een vertaling met “was” zou daarom een uitzonderingspositie innemen. We zien dus dat er in werkelijkheid helemaal geen grammaticale bezwaren tegen een vertaling met “werd” aan te voeren zijn, al was het maar omdat een dergelijke vertaling in de Schrift zelf heel gewoon is.

Afgezien van dit alles blijft het natuurlijk waar, dat de vertaling met “was” aan de betekenis niet werkelijk iets verandert. Uit het verband blijkt immers, dat de aarde niet woest en ledig geschapen is, en dus pas later zo geworden moet zijn. In feite is de vertaling van “haytha” dus tamelijk onbelangrijk. De strijd die er dikwijls over gevoerd wordt is dan ook geen taalkundige, maar een theologische! Taalkundig is er immers geen enkel probleem!

De uitdrukking “TOHU WA-BOHU” wordt vertaald met “woest en ledig”. Dit is echter niet de exacte betekenis van het Hebreeuws, maar een illustratie van de “Chaos”mythe”. Taalkundigen geven “ruïne”, “verwoesting” of “ontvolking” als de juiste betekenis van het zelfstandig naamwoord, dat vertaald werd met “woest”. Het tweede woord betekent “ledigheid”, of “dat wat leeg is”. In slechts twee andere Schriftgedeelten worden deze beide woorden samen genoemd en in beide gevallen wordt de uitdrukking gebruikt om de verwoesting aan te duiden, die veroorzaakt werd door de uitstorting van de toorn van God. Na een vreselijke beschrijving van de val van Edom op de “dag der wrake” vinden we in Jesaja de uitdrukking:

“Want Hij zal een richtsnoer der woestheid over hen trekken en een richtlood der ledigheid. ” Jes. 34: 11.

Hier zijn de woorden “woestheid” en “ledigheid” in het Hebreeuws dezelfde als die, welke in Gen. 1: 2 worden gebezigd. De betekenis is, dat precies zoals de architect nauwkeurig gebruik maakt van meetinstrumenten om het bouwwerk op te richten, zo zal God de ruïne construeren. De betekenis van de woorden is in dit vers zonneklaar! Woestheid. en ledigheid is het resultaat van een oordeel van God. Bovendien is het geen vormeloze chaos, maar een nauwkeurig bewerkte ruïne.

Het tweede Schriftgedeelte is zelfs nog duidelijker. In de beschrijving van de verwoesting van J uda en Jeruzalem vergelijkt de profeet Jeremia deze met de verwoeste wereld uit Gen. 1: 2, wanneer hij uitroept:

“lk zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig, ook naar de hemel en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden, en al de heuvelen schudden. Ik zag en ziet, er was geen mens, en alle vogelen des hemels waren weggevlogen. Ik zag en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege de Heere, vanwege de hittigheid Zïjns toorns. “ Jer. 4: 23-26.

We zien hier, dat het woord “TOHU” “dat wat verwoest en ontvolkt is” betekent, en “BOHU” “dat wat leeg is”, eveneens met verwijzing naar de verdwijning van alle leven (ik zag, en ziet er was geen mens). En ook hier is de woestheid en ledigheid teweeggebracht “vanwege de Heere, vanwege de hittigheid Zijns toorns”. Het was een oordeel van God over een zondige stad en een zondig land!

Mocht er nog meer bewijs nodig zijn voor het feit, dat ons vers geen beschrijving geeft van een chaotische massa, die aanvankelijk door God geschapen werd en pas later gevormd, dan vinden wij dat direct en positief in Jes. 45: 18, waar staat, dat God de aarde niet als “een TOHU” heeft geschapen (vertaald met “tot een baaierd” of “tevergeefs” !). Dat woord kan daarom nooit gebruikt worden om de oorspronkelijke toestand van de aarde te beschrijven, ongeacht de juiste betekenis van de term! Overigens verwijst ook dit vers in verband met de “TOHU” naar de verdwijning van alle leven.

De volgende woorden van Gen. 1: 2 luiden volgens de vertaling:

…en duisternis was…“ Het Hebreeuws geeft hier alleen “WE-CHOSHECK”, dat te vertalen is met “…en duisternis…“

Het woordje “was” komt hier in de grondtekst helemaal niet voor en ik zie niet de minste noodzaak om het in de vertaling in te voegen. Het is duidelijk, dat hier achtereenvolgens drie verschillende zelfstandige naamwoorden worden gebruikt om de toestand te beschrijven, waarin de aarde terechtgekomen was: “Maar de aarde werd woestheid en ledigheid en duisternis…..

Dan volgen de woorden “AL-PNE THOM”.

“AL” is vertaald met “op de” en “THOM” met “afgrond”. Het woord “PNE” is in de vertaling zelfs helemaal weggevallen, maar wordt meestal vertaald met “aangezicht”. De werkelijke betekenis is in feite veel ruimer: het heeft niet slechts betrekking op de buitenkant van het menselijk hoofd, maar op alle uiterlijke en kenbare dingen. Het is daarom synoniem met “verschijning”. Het voorzetsel “AL” betekent “op de” of “wegens de”. Ook in onze taal zijn “op” en “wegens” nog elkaars equivalent. Wanneer we immers vertalen met ‘Waar de aarde werd woestheid en ledigheid en duisternis op het verschijnen van de afgrond”, dan blijkt duidelijk, dat er oorzakelijk verband bestaat tussen de verschijning of werking van de afgrond en de ontstane toestand op aarde. Dit oorzakelijk verband wordt in het Nederlands gewoonlijk uitgedrukt in “wegens” of “vanwege”. “AL” moet hier dan ook vertaald worden met “wegens de”.

De “afgrond” is in de Schrift de aanduiding voor het dodenrijk (hel of hades) in het algemeen, maar in het bijzonder voor de verblijfplaats van gevallen engelen en boze geesten, die werden geregeerd door Satan. Zie hiervoor o.a. Luk. 8: 31; Op. 9: 11; 17: 8; 20: 1-3.

De correcte vertaling van het eerste deel van Gen. 1: 2 is mijns inziens dan als volgt:

  • “MAAR DE AARDE WERD WOESTHEID EN LEDIGHEID EN DUISTERNIS WEGENS HET VERSCHIJNEN VAN DE AFGROND”.

Hoewel de hier geleverde vertaling volledig voor mijn verantwoording komt, is de hier geschetste opvatting over de schepping als zodanig binnen het dispensationalisme vrij algemeen. Het is immers het resultaat van de letterlijke interpretatie van niet slechts dit ene vers, maar van vele andere Schriftgedeelten, waarvan we er sommige nog nader zullen bezien.

In wetenschappelijke kringen is deze zienswijze bekend onder de naam “RESTITUTIE LEER”, waarover de bekende bijbelleraar Erich Sauer schreef:

  • “Volgens deze zienswijze vond de val van Satan plaats tussen het eerste en tweede vers van Genesis 1. De wereld, die oorspronkelijk volmaakt door God geschapen was, werd een woestheid en ledigheid door de verwoestende macht van de boze en het daaropvolgende Goddelijke oordeel. Het werk van de zes dagen was daarom niet de werkelijke schepping van de wereld zelf, maar een werk van herstel, van restitutie”. Uit: The King of the Earth.

Om die reden spreken wij dan ook bij voorkeur over “herscheppingsdagen”. Het woord “scheppen” (“bara”), komt trouwens gedurende de zes dagen uitsluitend voor in verband met de schepping van de dieren en de mens op de vijfde en zesde dag.

Deze “restitutie-leer” is overigens bepaald geen moderne of recente leer. Bekende kerkvaders als Justinus de Martelaar, Basilius en Origenes hebben deze leer zwart op wit verdedigd. Verder vinden we onder haar aanhangers mensen als Augustinus en b.v. koning Edgar van Engeland die haar reeds omstreeks het jaar 1000 in zijn koninklijke wetten vastlegde. En wat te denken van een Bijbels gedicht uit de zevende eeuw, waarin de Engelse dichter Caedmon zijn geloof in deze waarheid beleed. Opmerkelijk is echter, dat in onze dagen weliswaar weer een hernieuwde belangstelling bestaat voor het Bijbelse creationisme, maar de restitutie”leer om een of andere reden in de publiciteit wordt doodgezwegen, hoewel zij bepaald wel bekend is! Maar zo is het door de eeuwen heen altijd gegaan met Bijbelse waarheden. Gelukkig staat of valt ook deze waarheid niet bij de autoriteit van welk mens dan ook, maar bij de autoriteit van het Woord van God Zelf. Hetgeen voor ons voldoende behoort te zijn.


De geboorten des hemels en der aarde

Misschien moet u even aan de gedachte wennen, maar er is in heel Genesis slechts een enkel vers te vinden, dat spreekt over de schepping van hemel en aarde. Dat is het allereerste vers. Wat daarna vermeld wordt handelt niet meer over de schepping van hemel en aarde, maar over de toebereiding van de aarde, na de verwoesting van vers 2. Nergens, maar dan ook nergens, kunnen we in de Schrift ook maar enige grond vinden voor de opvatting, dat God de hemel en de aarde schiep in de bekende zes dagen! Integendeel, dit scheppingswerk ging juist aan de zes dagen vooraf. Hoeveel tijd er verliep tussen de “oerschepping” van vers 1 en het verwoestende oordeel van vers 2 kunnen we slechts raden. Dat het een aanzienlijke periode geweest moet zijn wordt echter wel degelijk door de Schrift bevestigd. Want sprekend over de spotters der laatste dagen zegt de apostel Petrus:

“Want willens is hun dit onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande, Door welke de wereld, die toen was, met het water van de [zond] vloed bedekt zijnde vergaan is. Maar de hemelen die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen de dag des oordeels… “ 2 Petr. 3: 5-7.

De enige aanmerking die ik op de vertaling moet maken is, dat het woord “zondvloed” gewoon “grote vloed” betekent, en dus niet noodzakelijk verband houdt met de vloed in de dagen van Noach. Dat hier inderdaad een andere vloed bedoeld wordt, blijkt overigens zonder meer uit de tekst zelf.

In de eerste plaats moet het ons opvallen, dat Petrus niet zegt, dat de aarde (in zijn dagen) ongeveer 4000 jaar oud was. Integendeel, de normale betekenis van vers 5 is, dat naar de mening van Petrus de aarde veel ouder is dan de spotters beweren! En net als in onze dagen kenden de toenmalige spotters aan de schepping een ouderdom toe, die duizenden jaren verder teruggrijpt dan de tijd van Adam! (Men denke b.v. aan de historische lengte der koningslijsten van Egypte, wier invloed zelfs in de Septuagint te bespeuren valt.) Maar de Schrift leert volgens Petrus, dat de wereld zelfs nog ouder is dan de spotters in zijn dagen voor mogelijk hielden! Doch men wilde het niet weten. Het was hun “willens” onbekend. En ook daarin is tot op vandaag geen verandering gekomen.

In de tweede plaats moet het ons opgevallen, dat Petrus in vers 6 beweert, dat door een “grote vloed” de toenmalige wereld vergaan is. Hij spreekt niet over de mensheid, of over de aarde, maar over de wereld. Wat hij onder “de wereld” verstaat verklaart hij daarna in vers 7: de hemelen en de aarde. Petrus zegt dus, dat ooit de hemelen en de aarde vergaan zijn door een grote vloed. Men moet wel heel oppervlakkig lezen, om hierin de vloed van Noach te zien.

Hoe we ook over de vloed van Noach denken, vast staat in eik geval, dat toen noch de mensheid, noch de aarde, noch de hemel vergingen! Want nergens leert de Bijbel, dat we tegenwoordig van doen hebben met een andere mensheid dan die van Adam. En nergens vinden we iets over nieuwe hemelen of een nieuwe aarde, die tot stand gekomen zouden zijn na de vloed van Noach! De wereld zoals wij hem kennen is nog steeds dezelfde als die van Adam. Natuurlijk, sinds de bekende zondvloed is er wel iets veranderd, maar daarom kunnen we nog niet zeggen, dat de wereld als zodanig vergaan of vernieuwd is.

In de derde plaats moet het ons opvallen, dat Petrus in vers 7 zegt, dat de wereld, zoals hij bestaat sinds de door hem genoemde vloed, door vuur zal vergaan “tegen de dag des oordeels”. Dat hier gezinspeeld wordt op “de jongste dag”, waarin “de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten” blijkt uit de onmiddellijk volgende verzen. Het gaat hier werkelijk over het definitieve vergaan en verdwijnen van deze tegenwoordige wereld. En Petrus verwacht daarna dan ook “nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont” (2 Petr. 3: 10-13).

De apostel maakt hier een vergelijking tussen het oordeel van de jongste dag en een oordeel, dat in het verleden moet hebben plaatsgevonden. Hij zegt dat de spotters van zijn dagen niet geloven in het vroegere oordeel van de grote vloed en daarom ook niet in het toekomstige oordeel door vuur. Hij heeft dus wel degelijk de totale verwoesting van de wereld op het oog. En dat gebeurde nu eenmaal niet in de dagen van Noach! En dan hebben we het nog niet eens over het feit, dat zeker in het verleden, en met name in de Griekse wereld van die dagen, de gedachte van een vroeger oordeel over de aarde door water, gemeengoed was.

De mythologie is er vol van! En ook Noach en zijn ark zijn in de overleveringen van nagenoeg alle volkeren der aarde bekend. Maar ook de spotters van Petrus wisten heel goed, dat een dergelijke overstroming van de hele aarde niet hetzelfde was als het vergaan van de wereld! Bovendien kwam Noach en zijn achttal bepaald niet te wonen op een nieuwe aarde. Het was dezelfde wereld van voor de vloed. Vele mensen waren omgekomen, maar niet de mensheid als zodanig, laat staan de aarde en de hemelen zelf!

De enige vraag die ons rest is welke vloed Petrus dan wel bedoelde. De vloed waardoor een reeds lang bestaande wereld vergaan is. Het antwoord ligt nu voor de hand. Het betreft hier de vloed van Genesis 1: 2. Het beeld dat we daar van de wereld krijgen, beantwoordt precies aan de woorden van Petrus. Het was een woeste, ledige en duistere wereld, waarvan de aarde onder water stond! De daar genoemde afgrond is immers identiek aan de wateren, de zeeën! En verder worden de wateren ook nadrukkelijk genoemd. We zien daarom, dat de oorspronkelijke schepping verwoest werd door middel van water. En wanneer vervolgens het werk van herstel, van restitutie, begint, krijgen we te maken met een aarde “uit het water en in het water bestaande”. En dat is precies wat de apostel letterlijk zegt!

Gewoonlijk is de geschiedenis van de zes dagen de aanleiding tot heel wat gecompliceerde problemen. Maar welk werkelijk probleem komen we eigenlijk nog tegen na deze bespreking van de eerste twee verzen? De gebruikelijke vraag naar de oorsprong van het licht der eerste dag is nu nogal naïef geworden. Men stelt immers, dat er op die eerste dag eigenlijk geen licht geschapen kon worden, aangezien het licht van de zon komt, en de zon niet voor de vierde dag geschapen werd.

Deze op het eerste gezicht nogal klemmende vraag kan echter eenvoudig beantwoord worden met twee tegenvragen: Waar staat dat God op de eerste dag het licht schiep; en waar staat dat God op de vierde dag de zon schiep? Waar staat dat in de Bijbel bedoel ik uiteraard! Nee, nergens. Het kan er ook niet staan, want het was niet zo! Het licht werd als onderdeel van de oorspronkelijke schepping uiteraard geschapen in vers 1. Wat er op de eerste dag gebeurde, was dat het licht op Gods bevel weer verscheen, nadat het in het oordeel van vers 2 verdwenen was. Dat staat er tenminste! Over scheppen wordt helemaal niet gesproken! God zegt eenvoudig: Daar zij licht, en daar werd licht. Waar het vandaan kwam? Gewoon van de zon. Want dat de zon pas op de vierde dag geschapen zou zijn vindt in de Schrift evenmin enige grond.

Het werk van de vierde dag heeft een zekere overeenkomst met dat van de eerste. Op de eerste dag werden de atmosferische omstandigheden zodanig gewijzigd, dat het licht van de zon, dat tot op dat moment niet naar de aarde kon doordringen, weer zichtbaar werd op de aarde! De zon werd daarbij niet gezien, want zover kwam het pas op de vierde dag. Daar verdwenen de wolken, zodat niet alleen het licht, maar ook de zon zelf weer op de aarde waarneembaar werden. De meeste dagen van het jaar illustreren de vanzelfsprekendheid van dit proces. Bij ons in Nederland wordt het iedere dag licht, maar de verschijning van de zon zelf laat nogal eens meer dan drie dagen op zich wachten.

Op de eerste dag werd er dus niets geschapen. Dat staat er immers niet. Het Hebreeuwse woord voor “scheppen” (“bara”) wordt trouwens helemaal niet gebruikt.

Op de tweede dag krijgen we iets dergelijks te zien. God maakte “scheiding tussen wateren en wateren”. Het tot stand komen van het uitspansel wordt echter geen scheppingsdaad genoemd! Ook hier komt het woord scheppen niet voor, maar het woord “maken” (hebr. “asah”), dat de betekenis heeft van “toebereiden”.

Op de derde dag verschijnt er vanuit het water droog land. Dit droge land werd niet geschapen, maar vanonder de wateren tevoorschijn gebracht. Want scheppen is het maken van iets uit niets; en dit land kwam uit iets, n.l. de wateren! ” En de aarde bracht voort”, wordt vervolgens van deze dag gezegd. Niet “En God schiep”, maar “en de aarde bracht voort”. Want al die “grasscheutjes, kruid zaad zaaiende naar zijn aard, en vruchtbaar geboomte, welks zaad daarin was” werd niet voortgebracht uit niets, maar uit de aarde. Het zaad, waaruit al dit plantaardige leven voortkwam bevond zich dus nog in de aarde. Dit zaad was een overblijfsel van de oerschepping. En daarom werd het niet opnieuw geschapen.

Op de vierde dag maakte God de zon, maan en sterren. Maar ook hier wordt niet het woord “bara” gebruikt, maar “asah”. Want deze hemellichamen waren, als onderdeel van de hemel uit het eerste vers, reeds “van over lang” geschapen i Zij werden hier dus “toebereid”, gereed gemaakt. Zij moesten zichtbaar gemaakt worden om te kunnen zijn “tot tekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren”.

Op de vijfde dag wordt het iets ingewikkelder. De aanvankelijke aankondiging luidt: “Dat de aarde voortbrenge…“ maar wat er gebeurde is tweeledig:

“En God schiep de grote walvissen, en alle wremelendé levende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten… “ Gen. 1: 21.

Zoals op de derde dag de aarde voortbracht, zo bracht op de vijfde dag de zee voort. Dat was wat God zei dat er gebeuren moest. En zogebeurde het ook: de wateren brachten voort. Maar van wat de wateren voortbrachten wordt in ditzelfde vers eveneens gezegd, dat het door God geschapen werd: “En God schiep….. welke de wateren overvloediglijk voortbrachten.” Zoals zo dikwijls dienen wij ons nu niet af te vragen welke van de twee beweringen juist is, maar waarom zij beiden juist zijn! Doch voor we deze vraag beantwoorden gaan we eerst door naar de zesde dag.

Op de zesde dag luidt het voornemen van God: “Laat ons mensen maken. Het woord “scheppen” wordt hier nog niet gebruikt, maar weer hetzelfde “maken” (asah) in de zin van “gereedmaken”. Het is geen maken uit niets, maar een maken uit iets. Waaruit de mens gemaakt werd wordt gezegd in het volgende hoofdstuk:

“En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aardbodem… “ Gen. 2: 7.

Ook hier wordt het woord “scheppen” niet gebruikt, maar “formeren” (Hebr. “yatsar”), d.w.z “vormgeven”. Waar het om gaat is, dat van de mens gezegd wordt, dat hij is gemaakt uit het stof der aarde. Uit reeds bestaande materie dus. En precies dat is ook de strekking van het werk van de vijfde dag. De wateren brachten voort. De vissen werden dus gemaakt uit reeds bestaande materie. Het was een maken uit iets. En voor zover dieren en mensen gemaakt werden uit bestaande materie is er geen sprake van “scheppen”, maar van “maken” of “formeren”! Nu blijft echter de vraag, waarom het mogelijk is dat er toch sprake is van “scheppen” op de vijfde dag en ook op de zesde dag, want er staat toch:

“En God schiep de mens naar Zijn beeld. ….. “ Gen. 1: 27.

Het antwoord is tweeledig. In de eerste plaats moet gesteld worden, dat “schepping” verband houdt met een oorspronkelijke creatie. Het gebruik van dit woord in verband met het werk van de vijfde en de zesde dag houdt dus in, dat het een oorspronkelijke schepping betrof. De schepselen van deze dagen, de dieren en de mens, waren dus origineel en daarom geen voortzetting van iets wat al eerder bestaan had.

De uitdrukking “woest en ledig” in vers 2 wees immers op de verdwijning van alle leven. Het leven van de dieren en de mens kan dus geen voortzetting geweest zijn van een reeds bestaand leven en is daarom het resultaat van een directe scheppingsdaad! Maar voor hun lichamen werd wel degelijk de materie van de oude aarde als grondstof gebruikt. In de tweede plaats moet het ons opgevallen zijn, dat de schepselen van de vijfde en de zesde dag een bijzonder soort leven bezitten, dat hen onderscheidt van de werken van de eerste vier dagen. Zowel van de dieren als de mens wordt immers gezegd dat het “zielen” zijn! Wat een ziel precies is kunnen we hier helaas niet in details bespreken. Maar de belangrijkste bijzonderheid van een ziel moeten we hier toch noemen. Deze is te vinden in de woorden:

“En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aardbodem, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens, alzo werd de mens tot levende ziel. “ Gen. 2: 7.

Duidelijk is, dat dit vers het totale beeld geeft van de wording van de mens. En deze wording heeft twee verschillende aspecten. De eerste fase van dit proces was het formeren van een lichaam uit de aardbodem. Dit was een maken uit iets, en dus nog geen schepping. Maar de mens was nog niet voltooid. De volgende fase is immers het blazen van “de geest der levens” (want zo zou het vertaald moeten worden) in het eerder geformeerde lichaam. Het resultaat van deze tweede fase is niet het ontstaan van een lichaam, maar de transformatie van dat lichaam tot ziel!

De gevolgtrekking ligt voor de hand: Een ziel is een uit de aarde geformeerd lichaam, waarin “geest der levens” is geblazen. Wat die “geest der levens” precies is doet er hier in feite niet toe. Het gaat er maar om, dat “geest” en “leven” in de Schrift synoniem zijn, en dat de levende ziel slechts tot stand komt, doordat God van buiten af geest, n.l. leven, in een dood lichaam geeft.

Het leven als zodanig komt dus niet voort uit de zienlijke, materiële wereld, maar uit de onzienlijke. Uit de mond van God Zelf. Precies zoals we dat ook elders in de Schrift herhaaldelijk vermeld vinden! We zien dus, dat de werken van de vijfde en zesde dag “maaksels” waren, die werden voortgebracht uit de wateren en uit het stof der aarde. Maar bovendien waren het oorspronkelijke scheppingen omdat het leven van deze zielen niet afkomstig was uit reeds bestaand aards leven, maar uit de mond van God Zelf. Want “alzo werd de mens tot levende ziel”.

Samenvattend kunnen we nu vaststellen, dat alle werken der zes dagen werden voortgebracht uit de oude, “over lang” bestaande stoffelijke wereld! De enige aanmerking, die we hierbij moeten maken, is, dat het werk van de vijfde en zesde dag, namelijk de wording van dieren en mensen, tegelijkertijd een oorspronkelijke schepping was. Slechts op deze twee dagen is er naast “maken” (“asah”) sprake van “scheppen” (bara). En het betreft dan de komst van nieuw leven van God in overigens levenloze, oude, aardse materie.

Dat het werk der zes dagen niets van doen heeft met de oorspronkelijk schepping van de wereld als zodanig, blijkt dus niet alleen uit de voorafgaande eerste twee verzen van Genesis, maar ook uit de beschrijving van die dagen zelf! Deze hele week was een week van activiteit van God in een geoordeelde en verwoeste wereld. Het was een werk van herstel. Het was de restitutie van een gevallen wereld. Het was de geboorte van de wereld zoals wij haar kennen. En zo staat het ook:

“Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden. Gen. 2: 4.

Ook dit omstreden vers bevestigt al het voorafgaande. Het woord “geboorten” (Hebr. “tholdoth”) wordt soms ook vertaald met “geschiedenis”, “wording” of zelfs “geslachtsregister”. De werkelijke betekenis is in het Nederlands namelijk moeilijk uit te drukken. Het is zoiets als “wordingsgeschiedenis”. Het duidt op het tot stand komen van iets, maar tevens op een bepaalde periode! Het wijst op een ontwikkelingsproces, zoals een geslachtsregister een “ontwikkelingsproces” is. En daarom kan het opgevat worden als geboorte, want een “geboorte” in Bijbelse zin houdt tevens de gehele zwangerschapsperiode in. Het gaat dus om het totale wordingsproces.

Dat er in de zes dagen sprake is van een dergelijk wordingsproces is zonneklaar. Vanwaar dan echter de toevoeging “als zij geschapen werden”? Die schepping gebeurde immers niet in de zes dagen? Ook hier is het antwoord niet moeilijk. De uitdrukking “als zij geschapen werden” is de vertaling van “behibaram”. Letterlijk betekent het zoveel als “in verband met hun schepping”. Het drukt alleen maar uit, dat er verband bestaat tussen het werk van de zes dagen en de schepping “in den beginne”. Het onderhavige vers kijkt na zeven dagen als het ware achterom, en zegt: Dit is de wordingsgeschiedenis van de hemel en de aarde, en doelt daarbij op de afgelopen week.

En vervolgens staat er dan: ‘In verband met hun schepping”, waarbij nog verder terug gekeken wordt. Het ziet namelijk op het allereerste vers van Genesis! Dat is de letterlijke betekenis van dit vers. Het staat er als afsluiting van de zeven dagen en noemt in een terugblik dus eerst het werk van de gepasseerde week en vervolgens het voorafgaande werk van “den beginne”. Want het verband tussen het werk der zes dagen en het scheppingswerk is, dat het werk der zes dagen slechts mogelijk was, omdat er eerder, veel eerder, al een hemel en een aarde geschapen waren!

Om kort te gaan: Eerst was er de oorspronkelijke schepping uit Genesis 1: 1. Vervolgens krijgen we de zeven dagen van herstel, doordat de Schepper Zich bezighoudt met de inmiddels gevallen schepping. Het werk van deze week wordt genoemd: “de geboorten des hemels en der aarde”. Want een geboorte komt tot stand uit iets, dat er al eerder was!


Zuurdesem

Het lijdt geen enkele twijfel, dat de Schrift leert, dat de wedergeboorte van de mens noodzakelijk is, vanwege de onvolkomenheid van de natuurlijke geboorte. Door de natuurlijke geboorte en afstamming uit de zondaar Adam is de mens al een zondaar van de moederschoot aan, ongeacht of hij zelf reeds bewust gezondigd heeft! We hebben gezien, hoe de mens geen zondaar wordt door te zondigen, maar hoe hij zondigt omdat hij een zondaar is. Hij kan eenvoudig niet anders.

Hij is als zondaar geboren. En daarom moet hij wedergeboren worden! Wanneer bovendien de Schrift leert, dat de gehele schepping, n.l. hemel en aarde, wedergeboren zal worden, moet het duidelijk zijn, dat er met de geboorte van deze wereld iets mis was. Voorop staat, dat de oorspronkelijke schepping van hemel en aarde volmaakt was. God schept nu eenmaal geen onvolmaakte dingen. Dat dit geen tegenstrijdigheid is, hebben we al gezien. De oorspronkelijke schepping vinden we immers vermeld in Genesis 1: 1, en we hebben geen reden om aan de volkomenheid van die schepping te twijfelen. Of we zouden moeten twijfelen aan de volmaaktheid van God. Maar schepping en geboorte zijn niet hetzelfde! De schepping van de wereld vinden we genoemd in het eerste vers van de Bijbel; de geboorte vinden we vervolgens in het werk van de zes dagen! Het verschil tussen beiden is niet zo moeilijk. Scheppen wordt gewoonlijk gedefinieerd als het maken van iets uit niets. Een betere definitie is echter het maken van zienlijke dingen uit onzienlijke dingen. De oorspronkelijke schepping vond haar oorsprong in de onzienlijke dingen,

“…alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit de dingen, die gezien worden“. Hebr. 11:3.

Bij een geboorte liggen de zaken echter anders. Daarbij worden namelijk zienlijke dingen voortgebracht uit zienlijke dingen. En dat is wat er gedurende de zes dagen gebeurde. De wateren en de aarde brachten voort. Geen schepping dus, maar geboorte. Een andere bijzonderheid van een geboorte is, dat het geborene feitelijk voortkomt uit twee dingen. Een geboorte kent immers zowel een mannelijke als een vrouwelijke oorsprong.

Uitgaande van de Bijbel moet het duidelijk zijn, dat het leven dat geboren wordt in eerste instantie afkomstig is van de man. Dit van de man afkomstige leven wordt geplaatst in de vrouw, die het verder ontwikkelt. De tweede en laatste fase is dan, dat het nieuwe leven verschijnt uit de vrouw. Maar hoewel in wat wij een geboorte noemen slechts de vrouw een actief en “zienlijk” aandeel heeft, is het geborene wel degelijk afkomstig van de “onzienlijke” man. Dit gehele voortplantingsproces valt onder de Schriftuurlijke betekenis van het woord “geboorte”. Het gaat er nu om, dat een geboorte zowel een mannelijke als een vrouwelijke, of zo u wilt een “onzienlijke” en een “zienlijke” oorsprong heeft.

Deze dubbele oorsprong is natuurlijk niet terug te vinden in het scheppingswerk van het eerste vers van de Bijbel, omdat dat geen geboorte was. Maar we vinden het wel degelijk in het werk van de zes dagen. De mannelijke oorsprong van de werken dezer dagen ligt uiteraard bij God Zelf. Het spreken van God was de aanleiding tot het verschijnen van het licht, het uitspansel, het droge land, de plantenwereld, de hemellichamen, de dieren en de mens. Maar eveneens is er sprake van een vrouwelijke, zienlijke oorsprong. Want al deze werken kwamen inderdaad voort uit de lege en duistere “moeder aarde”.

Hier treffen we het zo dikwijls herhaalde Bijbelse beeld aan van de onvruchtbare vrouw, die door een wonder van God toch voortbrengt. Misschien zijn we eraan gewend, dat dit beeld van de onvruchtbare vrouw verband houdt met de natuurlijke zondige mens, die door een wonder van God toch vrucht draagt voor de eeuwigheid. In dat geval is het maar een kleine stap van de natuurlijke mens naar de totale oude natuur, de gehele oude schepping. Want inderdaad, deze woeste, ledige en duistere wereld droeg door een wonder van God weer vrucht. Dat is het werk van de zes dagen. Het was de geboorte van de hemelen en de aarde zoals wij die nu kennen. Het is onze huidige wereld met haar dubbele afkomst.

Op dit moment moeten wij ons realiseren, dat hier nog geen sprake is van wedergeboorte, maar van geboorte. De schepping uit het eerste vers was immers geen geboorte! Het werk van de zes dagen was daarom niet de tweede geboorte, maar de eerste. En met deze eerste geboorte was iets mis, waardoor wedergeboorte noodzakelijk was. Wat er mis was met deze eerste geboorte lijkt me duidelijk. Op de “mannelijke” afkomst behoeven we vanzelfsprekend geen aanmerkingen te maken. Op de vrouwelijke des te meer. De vrouw is in dit geval immers de wereld van Genesis 1: 2. De aarde, die “woestheid en ledigheid en duisternis” geworden was “wegens het verschijnen van de afgrond”.

Het was een in zonde gevallen wereld, die verwoest en geledigd was en bovendien nog steeds in de macht van Satan lag. Want nergens lezen we dat er daarin iets werd veranderd! En precies zoals de positie van een mens bepaald wordt door zijn afkomst uit een gevallen Adam, zo werd de positie van deze tegenwoordige wereld bepaald door haar afkomst uit een gevallen schepping! Zoals de mens door zijn geboorte erfelijk belast is, zo is de huidige wereld door haar geboorte erfelijk belast. En dat is wat de Schrift ook uitdrukkelijk leert. Deze Bijbelse gedachtegang is het eenvoudigst te volgen aan de hand van de persoon van Adam. Adam, die als vrucht van het werk der zesde dag, evenals de werken van alle andere dagen, voortkwam uit deze gevallen wereld. Wat voor Adam gold, geldt dus uiteraard ook voor het werk van alle voorgaande dagen.

Over Adam lezen we, dat hij de volgende drie opdrachten krijgt:

  1. De aarde te onderwerpen en over haar te heersen (1:28)
  2. De hof van Eden te bouwen en te bewaren (2:15), en
  3. Niet te eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads, op straffe des doods (2: 17)

Het is van het grootste belang om te onderscheiden tegen welke achtergrond onze natuurlijke stamvader hier geplaatst werd. Het decor is zoals gezegd geen voltooide schepping, waarop Adam als ornament, als opperste versiering, geplaatst werd. Voorzover hij de “kroon der schepping” was of droeg, was die kroon geen decoratieve versiering, maar een loodzware last. Adam was Gods bruggenhoofd op een God vijandige aarde! Hij was door God geplaatst op een oude schepping, die door Hem weliswaar gerenoveerd was, maar die nog steeds en tot op de huidige dag in de macht van Satan ligt. Dit is de logische consequentie van de restitutie”leer; de opvatting, dat de zondeval van Satan en zijn rijk, waaronder de aarde, zich afspeelde in Gen. 1 :2, en dat de zeven dagen in feite dagen van herstel waren.

Alleen tegen deze achtergrond is de drievoudige opdracht van Adam te verklaren. Als God tegen hem zegt, dat hij eerst de aarde moet onderwerpen en dan over haar heersen, impliceert dit, dat, aangezien men slechts vijanden onderwerpt, de aarde in wezen vijandig stond tegenover God en het nieuwste werk Zijner handen. Wanneer we tot dusver simpelweg de Bijbel als Gods woord geloven, hoeft het absoluut geen verbazing te wekken, dat we enige verzen verder lezen, dat zich op die God vijandige aarde een boom bevindt, die niet aan Gods eisen voldoet. De boom was immers voortgebracht door de aarde. Dat staat er tenminste in Gen. 1: 12.

De ingewikkelde vragen en nog ingewikkelder theorieën omtrent de oorsprong van deze boom (God of Satan), omtrent het zgn. proefgebod en omtrent het recht van God om de mens aan een dergelijke verleiding bloot te stellen, zijn hoofdzakelijk het gevolg van het niet goed lezen of het niet willen geloven wat God ons openbaart. Adam had de opdracht om een vijandige wereld te onderwerpen en in naam van God daarover te heersen. Hij had de opdracht om strijd te voeren. De manier waarop die strijd geleverd moest worden wordt nader omschreven:

“Zo nam de Heere God de mens en zette hem in de hof van Eden, om die te bouwen en die te bewaren“. Gen. 2:15.

God zette Adam niet zomaar ergens neer, maar plaatste hem in een hof, die Hij volgens het achtste vers Zelf geplant had, met de opdracht om die hof te bouwen! Adam moest de hof uitbreiden, groter maken! Dit komt treffend overeen met de eerder genoemde opdracht om de aarde te onderwerpen! Hij moest van de aarde een hof maken. Dit houdt natuurlijk in, dat de aarde geen hof was, maar nog worden moest. Bovendien moest deze uit te breiden hof door Adam bewaard worden. Dit wil in de eerste plaats zeggen, dat de schoonheid van de hof op het oorspronkelijke en dus Goddelijke niveau gehandhaafd diende te worden. In de tweede plaats betekent het, dat, aangezien er speciaal iemand ter verzorging en ter bewaring voor aangesteld moest worden, de hof van nature de neiging had om te verwoekeren! In de derde plaats wijst de opdracht tot bewaking op de aanwezigheid van een machtige vijand! Kortom, zo mooi en vredig en zonnig als het weleens gepresenteerd wordt, was het allemaal niet! Want laten we vooral beseffen, dat deze drievoudige opdracht aan Adam gegeven werd nog voor zijn zondeval! De hier geschilderde situatie is de situatie van voor de val van de mens!

Maar Adam faalde! Ook hij werd verleid door Satan, de “god dezer eeuw” (2 Kor. 4:4) Hij werd een zondaar, die niet meer tot enig goed in staat was (Rom. 3:10-18), daarbij al zijn afstammelingen in zijn val meeslepende. De mens Adam, en in hem de mensheid, zondigde en miste zo zijn oorspronkelijk doel, n.l. het in Gods naam onderwerpen van de vijandige aarde. De meest voor de hand liggende vraag is nu: Waarom faalde Adam? Vanzelfsprekend behoort deze vraag beantwoord te worden vanuit de Schrift Zelf en buiten de talrijke menselijke filosofieën om. De vraag waarom Adam faalde wordt in principe beantwoord door de apostel Paulus, als hij zegt:

“De eerste mens is uit de aarde, aards“. 1 Kor. 15:47.

Natuurlijk is dit een verwijzing naar Genesis:

“En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aarde . . . “ Gen. 2:7.

Een Joodse overlevering wijst erop, dat het Hebreeuwse woord, dat in dit laatste vers vertaald is met “aarde” of “aardbodem”, gespeld wordt als A-D-M-H, terwijl Adam gespeld wordt als A-D-M.

Het woord voor “aardbodem” is door de toevoeging van de letter “H”in feite de vrouwelijke vorm van het woord Adam, dat dikwijls met “mens” wordt vertaald. ADaM werd dus geschapen uit ADaMaH. De oude, onder de macht van Satan gevallen aarde, leverde de materie waaruit Adam werd geformeerd en vervulde zo haar rol als “moeder aarde”.

De eerste mens (Adam) was uit de aarde (adamah) aards. En omdat hij uit stof, de materie die onder de macht van Satan, de slang, ligt, “geboren” of “geformeerd” was, keerde hij terug onder de macht van Satan. Want dat staat er toch uitdrukkelijk:

“In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt, want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren! “ Gen. 3:19.

Nu stelt de Bijbel ontegenzeggelijk dat de dood het gevolg is van de zonde. En toch leert dit vers in twee stellingen, dat de dood van de mens het gevolg is van zijn oorsprong:

  1. Hij keert tot de aarde weder omdat hij daaruit genomen is.
  2. Hij keert tot stof weder, omdat hij stof is.

Merkwaardig is, dat dit vers helemaal niet over de zonde als oorzaak van de dood spreekt! En opnieuw dienen wij ons niet af te vragen welke van de twee opvattingen de juiste is, maar waarom zij beiden juist zijn. Waarom de mens zowel door zijn afkomst als door de zonde stierf. Want beiden zijn puur Bijbels. De enige conclusie, die getrokken kan worden is, dat als de zonde werkelijk de aanleiding tot de dood is, de zonde in de mens zijn oorsprong vindt in zijn aardse en stoffelijke afkomst!

Anders gezegd: Wanneer de Bijbel zowel de aardse afkomst als de zonde opgeeft als oorzaak voor de dood, dan moet de zonde veroorzaakt zijn door de aardse afkomst. Of nog eenvoudiger: De stoffelijke oorsprong veroorzaakte de zonde en de zonde veroorzaakte de dood! Want zoals alle mensen zondaren zijn omdat zij geboren of geformeerd werden uit hun zondige ouders, zo werd Adam een zondaar omdat hij geboren of geformeerd werd uit het stof der aarde.

Deze waarheid alleen al zou kunnen worden aangevoerd als onomstotelijk bewijs van de restitutie”leerl Hier wordt immers het bewijs geleverd, dat de aarde reeds voor de zondeval van Adam in de macht van de zonde gevallen was! De enige vroegere gelegenheid voor een dergelijke val van de schepping is slechts te vinden in Gen. 1:2!

Een illustratie van deze waarheid vinden we in het bekende Bijbelse beeld van het zuurdesem. Zuurdesem is een type van de zonde en valse leringen en dus van de oude natuur in het algemeen.

“Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt. “ 1 Kor. 5: 6 t/ m 8.

Het zuurdesem is hier heel duidelijk een twee van de oude mens, de oude zondige natuur. Dit heeft echter niet slechts betrekking op de menselijke natuur, maar in wezen op de gehele oude natuur als zodanig. Hier wordt een universele waarheid geopenbaard! Want wat is zuurdesem? Dit zuurdesem, dat het hele deeg doorzuurt, is niets anders dan een stukje deeg van de vorige dag. Het nieuwe deeg wordt zuur en gaat gisten, doordat er een stukje deeg van de vorige dag in verwerkt is! Zo is het met de tegenwoordige wereld waarover de Schrift spreekt. En zo is het met de mens. Ieder mens is een zondaar, omdat hij iets van de vorige dag, de vorige generatie in zich heeft. Is het bovendien niet veelzeggend, dat alle bederf in de wereld veroorzaakt wordt door zuren en meer speciaal door de werking van zuurstof, terwijl de natuurlijke mens zonder zuurstof juist niet kan leven?

Deze wereld is een verzuurde, zondige wereld, omdat zij iets uit de in zonde gevallen wereld van Gen. 1:2 in zich heeft. Adam werd een zondaar omdat hij geformeerd was uit het stof van een gevallen schepping! Maar precies hetzelfde geldt voor het werk van de andere dagen. De gehele wereld zoals wij haar vandaag kennen, werd geboren uit dezelfde “moeder aarde” als waaruit Adam geformeerd werd. Daarom ligt deze wereld door haar geboorte net als ooit Adam in de macht van Satan en de zonde. En de enige remedie, die de Schrift kent, is wedergeboorte door het verzoeningswerk van de Heere Jezus Christus!


Het zaad der wedergeboorte

Inmiddels hebben we gezien, hoe de Schrift bijzonder veel nadruk legt op de “vrouwelijke” afkomst van de tegenwoordige wereld. De wereld, zoals wij haar kennen en bestuderen, werd geboren uit een gevallen schepping en ligt daardoor onder de vloek. Het is echter de Schepper Zelf, die voorziet in de verlossing van niet slechts de mensheid, maar van de gehele schepping. Van “het Lam Gods” wordt gezegd, dat het de “zonden der wereld” wegneemt. Niet alleen de mens, maar de gehele schepping wordt door Hem van zonden verlost. Want:

“God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende“. 2 Kor. 5:19.

Zoveel nadruk als de Schrift legt op de “vrouwelijke” oorsprong van de geboorte der wereld, zoveel nadruk wordt er ook gelegd op de “mannelijke” oorsprong van de wedergeboorte der wereld. Ten overvloede moet ik er nogmaals op wijzen, dat het griekse “gennao”, dat vertaald wordt met “geboorte”, verband houdt met het totale voortplantingsproces. Het wijst, anders dan in het nederlands, niet alleen op het vrouwelijke, maar ook op het mannelijke aandeel. Juist in verband met de wedergeboorte beklemtoont het Woord van God deze “mannelijke” afkomst. We zien dat b.v. in de woorden van Jacobus:

Naar Zïjn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der Waarheid, opdat wij zouden zijn tot eerstelingen Zijner schepselen. “ Jak. 1: 18.

De vertaling van “gennao” met “baren” levert hier een nogal vreemde combinatie op. In het Nederlands kan men immers niet zeggen dat een man baart! Het moet dan ook duidelijk zijn, dat Jakobus doelt op het “mannelijk” aandeel in de voortplanting. Niet de bevalling, maar de verwekking is hier aan de orde. Voor zover het nieuwe leven GEBAARD wordt komt het voort uit de “vrouwelijke” oude natuur! Maar het nieuwe leven zelf werd VERWEKT door het “mannelijke” zaad! Dit verschil tussen baren en verwekken bestaat dus alleen in onze taal. In de Schrift worden beide begrippen door een en hetzelfde woord weergegeven. Ook de woorden van de apostel Petrus bevestigen deze waarheid:

“Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemel bewaard is voor u… “ 1 Petr. 1 :3, 4

Ook hier wordt God Zelf genoemd als de Mannelijke Verwekker van wat wedergeboren wordt. Volgens de regels van de Nederlandse taal zou in de vertaling in plaats van “wedergeboren” het woord “wederverwekt” gebruikt moeten zijn. Het wijst op God Zelf als de Gever van het nieuwe leven en legt daardoor de nadruk op de onverderfelijkheid, onbevlekkelijkheid en onverwelkelijkheid van de nieuwe schepping! Ditzelfde komen we ook tegen in de enige andere tekst waarin Petrus de wedergeboorte noemt:

“Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God…Want het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid, en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is“. 1 Petr. 1:23-25.

Dat hier sprake is van een “mannelijke” oorsprong, en dus van “wederverwekking” blijkt uit het noemen van het zaad. Het zaad waaruit de nieuwe schepping voortkomt. En nu komen we op bekend terrein. Reeds in verband met de persoonlijke wedergeboorte hebben we gezien, hoe de nieuwe natuur wordt voortgebracht door een geestelijk, dus in wezen onzienlijk, zaad. Petrus laat er geen twijfel over bestaan. Wie of Wat dat zaad is. In het aangehaalde Schriftgedeelte noemt hij dit zaad “het levende en eeuwig blijvende Woord van God”.

Natuurlijk is dit Woord van God o.a. de Bijbel Zelf. Het is ook het Evangelie, de blijde boodschap van verlossing door het verzoeningswerk van Christus. Een ieder, die deze boodschap in geloof aanvaardt, wordt wedergeboren tot een nieuwe schepping in Christus. We hebben dit al eerder besproken. Op deze plaats gaat het me echter niet primair om de persoonlijke wedergeboorte, maar om de wedergeboorte van de wereld in haar geheel. In dit verband kan men natuurlijk moeilijk zeggen, dat de wereld door geloof in het Evangelie van Christus wedergeboren wordt. Hoe zou een dier, een steen, of de zee geloven in een gepredikte boodschap? Maar zó zegt de Bijbel het ook niet.

Wat de Schrift leert, is dat het levende en eeuwig blijvende Woord van God het “zaad der wedergeboorte” is. Het Woord van God is niet slechts het Evangelie, het is niet slechts de Bijbel. Van het Evangelie kan niet gezegd worden, dat het eeuwig blijft. Dat zou immers betekenen, dat er ook in de eeuwigheid zondaren zouden zijn, die verlost moeten worden. Nee, dit eeuwig blijvende Woord van God is Niemand anders dan Christus Zelf, over Wie b.v. Johannes schrijft:

“In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. In Hetzelve was het leven… .. En het Woord is vleesgeworden, en heeft onder ons gewoond… “ Joh. 1 : 1 -4, 14.

Dit Woord van God is een Persoon! De prediking van het Woord van God is daarom ook de prediking van een Persoon. Het is Christus Zelf! Hij is Degene, door Wie alle dingen gemaakt zijn. Hij was “in den beginne” de Schepper van hemel en aarde. Maar tevens is Hij de Verlosser der wereld. Hij is niet alleen de Grondlegger van de oorspronkelijke schepping, maar ook van de nieuwe schepping.

Door Hem, als het Woord van God, kwam de oude schepping tot stand. Dat is wat de apostel Johannes uitdrukkelijk stelt. “In den beginne was het Woord.” Het houdt verband met de oorspronkelijke schepping in Genesis 1: 1.

Door Hem, als het Woord van God, werd de huidige wereld gedurende de zeven dagen geboren uit de gevallen oerschepping. Reeds hier zien we de verwekkende kracht van het Woord van God. Want het Woord is niet alleen “het Zaad der wedergeboorte”, maar eveneens “het Zaad der geboorte”. Het werk in deze week kwam immers tot stand door het spreken van God.

Door Hem zal vervolgens ook de nieuwe schepping tot stand komen. Want het “Zaad der wedergeboorte” is volgens Petrus “het levende en eeuwig blijvende Woord van God”, en volgens Johannes is het Woord van God Christus Zelf.

Deze drie belangrijkste fasen in de geschiedenis van de wereld worden door de apostel Paulus in de juiste volgorde besproken.

Deze fasen zijn achtereenvolgens:

  1. De schepping “in den beginne” door het Woord;
  2. De geboorte gedurende de zeven dagen door het Woord;
  3. De wedergeboorte in de toekomst door het Woord.

De schepping volgens Genesis 1: 1 stelt de apostel als volgt aan de orde:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten, alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, en Hij is voor alle dingen… “ Kol. 1: 16,17.

De schepping werd voortgebracht door het Woord, het spreken van God. Daarom wordt er van Christus gezegd, dat Hij de Schepper is van hemel en aarde. Want zonder het Woord (=Hetzelve) is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Alle dingen zijn door Hem geschapen. Maar dat niet alleen. Alle dingen zijn ook “tot Hem“, namelijk ten behoeve van Hem, geschapen. De schepping is er dus voor de Schepper. Zij is er tot eer van de Schepper. Zij is er om Hem te dienen. De val van de schepping onder de macht van Satan was dan ook in de eerste plaats een verlies voor de Schepper Zelf. Daarom was Hij het ook Zelf, Die “is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was” (Luk. 19: 10; Matt. 18: 1 l). En “wat verloren was” was niet alleen de mensheid, maar de gehele wereld!

De geboorte gedurende de zeven dagen wordt in het onmiddellijk volgende vers genoemd:

“…en alle dingen bestaan te zamen door Hem. ” Kol. 1: 17.

Niet het ontstaan, maar het bestaan heeft de apostel hier in gedachten. Hij spreekt niet over wat er lang geleden “in de beginne” gebeurd is. Integendeel, het gaat over de huidige situatie van de wereld. De tegenwoordige wereld bestaat eveneens door het werk van Christus. Dit vers is geen herhaling van het voorafgaande, maar het vermeldt een onafhankelijke waarheid. De waarheid, dat de wereld, zoals hij nu bestaat, door Christus “verwekt” is. Het ziet niet zoals het voorgaande vers op het scheppingswerk, maar op de verwekking, de geboorte, van de huidige wereld uit de “woestheid en ledigheid en duisternis” van het tweede vers van Genesis.

De wedergeboorte der wereld komt direct hierna aan de orde, als de apostel schrijft:

“En Hij is het hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden….. “ Kol. 1: 18.

Paulus spreekt hier inderdaad nog niet over de toekomstige wedergeboorte van de gehele wereld. Dat komt pas in het volgende vers. Hij spreekt echter al wel over dat aspect van de wedergeboorte, dat reeds tot stand gekomen is. Want iemand, die in Christus is, is nu al een nieuwe schepping (2 Kor. 5:17). Deze nu reeds wedergeboren gelovigen vormen tezamen het Lichaam van Christus, waar dit vers over spreekt. Het gaat dus wel degelijk over wedergeboorte! Dit blijkt ook uit het noemen van de opstanding van Christus.

Zoals we eerder gezien hebben, is de opstanding van Christus de voorwaarde voor de wedergeboorte van de totale schepping. Alle dingen worden

“wedergeboren ….. door de opstanding van Jezus Christus uit de doden” (1 Petr. 1:3).

Zoals gezegd zijn opstanding en wedergeboorte in feite identiek. Daarom gebruikt Paulus in dit vers in plaats van “opstanding” het woord “geboren worden”. Christus is de “Eerstgeborene uit de doden”. Hij is daardoor de Eersteling en Schepper van de nieuwe Schepping, die door wedergeboorte tot stand komt!

De conclusie, die Paulus trekt is zeer duidelijk. Het bovenstaande vers wordt besloten met:

”…opdat Hij in allen [alles] de Eerste zou zijn“. Kol. 1: 18.

De meeste Bijbelvertalingen geven hier “alles” of “alle dingen” in plaats van “allen”. En zo hoort het ook. De apostel denkt hier niet aan personen, maar aan dingen. Hij denkt aan de drie dingen, die hij in de voorgaande verzen opgesomd heeft. In elk van die drie dingen is Christus de Eerste.

  1. Als “het Woord” is Hij de Eerste in verband met de oorspronkelijke Schepping (vs. 16).
  2. Als “het Woord” was Hij de eerste in verband met de geboorte gedurende de week van “restitutie” (vs. 17)
  3. Als “het Woord” was Hij de Eerste in verband met de wedergeboorte (vs. 18).

Hij, de Schepper van hemel en aarde, Christus Jezus, is “het zaad der wedergeboorte“, de Grondlegger van de nieuwe schepping, door Zijn lijden en sterven, maar bovenal door Zijn opstanding uit de doden. Vandaar de inhoud van het volgende vers in dezelfde brief:

“En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn“. Kol. 1: 20.

Hier spreekt de apostel bepaald niet alleen over de verlossing van zondaren. Het gaat over “alle dingen”. Over de hemelen en de aarde. Van deze totale schepping wordt gezegd, dat zij met God verzoend wordt “door het bloed des kruises”. De oorspronkelijke zowel als de huidige wereld waren bestemd “voor Hem”. Zij waren tot eer van zijn Naam. Maar sinds de val van Satan lag de gehele schepping in de macht van Satan, en diende hem in plaats van haar Schepper. Door het verzoeningswerk van Christus zal de wereld evenwel worden wedergeboren “tot hem”. De schepping zal uiteindelijk toch weer functioneren tot eer van de Schepper. De Schepper, die de wereld niet alleen schiep, maar haar door wedergeboorte ook verlost uit de klauwen van “de overste dezer wereld”.


Het eerste en het tweede

“Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen.“ Hebr. 10: 9.

In het voorgaande hebben we enige tijd stil gestaan bij de overeenkomst tussen de geboorte en de wedergeboorte van de wereld. In beide gevallen wordt Christus genoemd als de Eersteling. In beide gevallen is Hij het Zaad, de Verwekker.

Dit moet onze ogen echter niet sluiten voor het elementaire onderscheid tussen deze geboorte en wedergeboorte. Dit verschil is immers, dat wedergeboorte slechts volgt op de dood. Kort samengevat zouden we kunnen zeggen, dat geboorte een leven voor de dood teweegbrengt, terwijl wedergeboorte een leven brengt na de dood.

Tussen geboorte en wedergeboorte ligt de dood! Elementair voor de wedergeboorte is immers, dat het een opstanding is. Een geboren leven heeft de dood voor zich; een wedergeboren leven heeft de dood achter zich. Sprekend over de persoonlijke wedergeboorte zegt Paulus:

“Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doen, niet meer sterft, de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven, en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijn, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere. “ Rom. 6:9-11.

Het geweldige perspectief van een wedergeboren leven is, dat er geen dood meer in het vooruitzicht ligt. De dood was eenmalig. De dood kwam over het oude geboren leven. Maar door de opstanding van en met Christus heeft de gelovige nieuw, onvergankelijk, onverderfelijk, onbevlekkelijk, onverwelkelijk, eeuwig leven ontvangen. Dit leven is immers het leven van Christus Zelf, Die de dood reeds lang geleden heeft ondergaan en overwonnen. Het is het leven dat elke gelovige door genade ontvangen heeft!

Dit principe geldt vanzelfsprekend ook in verband met de geboorte en wedergeboorte van de wereld als zodanig. Het grote verschil tussen beide is, dat de wereld gedurende de zes dagen werd geboren uit de “vrouwelijke” oude, zondige wereld. Inderdaad, het “mannelijke” aandeel in deze “geboorte” werd ingebracht door het levende Woord van God, door Christus Zelf. Maar Hij was precies Dezelfde als de Schepper “in den beginne“. Hij was niet veranderd. Hij had nog steeds hetzelfde leven als ‘in den beginne bij God”. En de wereld was ook nog dezelfde als in den beginne. Zij was wel veranderd in de zin van gewijzigd. Maar zij was niet vervangen of vernieuwd. De Schepper was nog dezelfde Schepper en de wereld was nog dezelfde wereld. En daarom was het werk van de zes dagen geen wedergeboorte.

Voor wedergeboorte moet immers “de dood tussenbeide komen”! En de dood kwam tussenbeide. Want de wedergeboorte is het resultaat van de opstanding van Christus. Sinds Zijn opstanding werd wedergeboorte voor de schepping mogelijk. Het “Zaad der wedergeboorte” is een Zaad dat eerst gestorven is! En daarmee zijn we weer terug bij de woorden van de Heer Zelf over het tarwegraan, dat in de aarde moet vallen en sterven om vrucht te kunnen dragen. Hijzelf was dat tarwegraan. Hij viel in de aarde en stierf. Hij daalde in Zijn dood af naar “de benedenste delen der aarde” en werd vervolgens door Zijn opstanding het Zaad, waaruit de schepping zal worden wedergeboren!

Men zou nu nog de vraag kunnen stellen, waartoe het werk van de zes dagen dan diende. We kunnen er immers niet omheen, dat God Zelf herhaalde malen over het werk der zes dagen getuigde, dat het goed, en zelfs zeer goed was! Het is een typisch menselijke vraag. Vanuit het standpunt van de Schepper Zelf ligt het antwoord voor de hand.

Na de val van de oorspronkelijke schepping zou God bij wijze van spreken bij machte geweest zijn, om haar niet slechts te veranderen in “woestheid en ledigheid en duisternis“, maar ook om haar volkomen te vernietigen en te vervangen voor een totaal nieuwe. Een dergelijke vernietiging zou echter op zijn minst een overwinning van Satan betekend hebben. God zou de strijd dan hebben verloren. De schepping zou definitief aan de macht van God onttrokken zijn! Dit is gelukkig niet gebeurd. In plaats daarvan gebruikt de Schepper deze gevallen wereld als orgaan om een nieuwe schepping voort te brengen.

Deze nieuwe schepping zal niet zoals de oude uitsluitend uit God Zelf voortkomen, maar ook uit de oude schepping. Wedergeboorte is immers ook een geboorte. Ook wedergeboorte heeft een dubbele afkomst. De oude gevallen schepping vervult namelijk de rol van de moeder, waaruit het nieuwe leven gebaard zal worden! Dat is het waar Paulus op zinspeelt, als Hij zegt, dat de gehele schepping in barensnood is (Rom. 8:22-24). De functie van het werk der zes dagen was, om die oude gevallen wereld gereed te maken voor haar rol als moeder. Het was het wonder van God, waardoor de onvruchtbare vrouw vruchtbaar werd.

Door het werk van de zes dagen werd de zondige en onvruchtbare aarde weer vruchtbaar. De zwangerschap wachtte vervolgens op het tijdstip waarop het ware Tarwegraan in de aarde viel en stierf, terwijl de uiteindelijke bevalling wacht op “de jongste dag”. Waar het om gaat is, dat de oorspronkelijke schepping door deze procedure een actief aandeel heeft in de tot stand koming van de nieuwe schepping! De oude schepping werd niet vernietigd omdat zij door de opstand van Satan nutteloos was geworden. Nee, de Schepper gebruikte haar om uit haar een nieuwe schepping voort te brengen! Daardoor vervult de oorspronkelijke schepping ondanks alles toch een functie in Gods grote werk voor de wereld. Ook hier moeten alle dingen meewerken ten goede.

En dat is wat God ook zei over het werk van de zes dagen. Het was zeer goed, want het speelde een belangrijke rol in de wording van de herschepping. De wedergeboorte van de hemelen en de aarde.

Wat gold voor de in zonde gevallen wereld geldt trouwens eveneens voor de in zonde gevallen mens. De vraag, die gesteld werd in verband met de oude schepping, kan ook gesteld worden in verband met de mens. Want waartoe werd Adam op deze aarde geplaatst als God wist, dat Hij zou falen? Waartoe gaf God hem de opdracht om de aarde terug te veroveren op de vijand, als al tevoren vaststond, dat hij dat niet kon?

Wel, de Bijbel leert ons inderdaad dat Adam een zondaar werd. Maar of hij faalde? Het hangt er maar vanaf hoe wij dat interpreteren. Want ook in dit geval bereikt God Zijn doel. Zoals Hij Zijn doel bereikte door de zondige schepping, zo bereikt Hij Zijn doel door de zondige Adam. Adam had de opdracht de aarde te onderwerpen en over haar te heersen. Maar het was niet zijn enige opdracht! Er was namelijk nog een opdracht, die Adam reeds aan het begin van zijn leven in onschuld meekreeg en die hij wel ten uitvoer bracht. Het volbrengen van die ene opdracht heeft er toe geleid, dat Gods oorspronkelijke plan met de mens alsnog in vervulling zal gaan.

“.. En God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt … “

Zodra de mens gezondigd heeft tegen Zijn Schepper, brengt God Adam deze opdracht in herinnering (Gen. 3: 15 en 16). Er wordt direct gesproken over het nageslacht dat de mens zou voortbrengen, omdat het de enige hoop was, die restte. Want het zaad van de vrouw zou volgens deze profetie de slang de kop vermorzelen. De strijd zou toch gevoerd moeten worden, niet door Adam, maar door zijn Zoon en Erfgenaam.

Helaas wordt deze waarheid in onze Bijbelvertalingen nogal versluierd, doordat de uitdrukking “Ben”ha”Adam” steeds vertaald wordt met “Mensenzoon” of “Zoon des mensen”. Correcter is: “Zoon van Adam”.

Deze Zoon van Adam is natuurlijk Niemand anders dan onze Heere Jezus Christus. Hij werd geboren op grond van de eerste opdracht, die Adam meekreeg. Hij is de Erfgenaam van Adam, en daarom erft hij naar Bijbelse norm ook de beloften en opdrachten, die Adam meekreeg. Denkt u maar aan de beloften en opdrachten aan Abraham, die min of meer automatisch overgingen op zijn nageslacht. Zich van Zijn positie bewust noemt de Heiland Zich dan ook bij voorkeur de “Zoon van Adam” (vertaald met “Zoon des Mensen“), hoewel Hij Zich met evenveel recht “Zoon van God” kon noemen. Hij was de Erfgenaam van Adam en had dus de taak de wereld te onderwerpen en over haar te heersen. Hij had net als Adam de opdracht deze aarde te onttrekken aan de macht van Satan, de slang. Daarom is Hij ook de Vredevorst, Die de wereld rust zal brengen. Maar niet voordat de strijd volkomen gestreden is.

Dit verband tussen Adam en Christus wordt behalve in Rom. 5: 12-21 ook verklaard in 1 Kor. 15: 45, waar de Heer wordt aangeduid als “de laatste Adam“. Hij is de laatste, omdat Hij de Goddelijke opdracht zal volbrengen. Meer is niet nodig. In vers 47 wordt vervolgens verklaard, waarom de eerste mens faalde en waarom de tweede Mens (de tweede Adam) slaagde:

” De eerste mens is uit de aarde, aards, de tweede mens is de Heere uit de hemel”.

De schepping van Adam had slechts tot doel, de volkomen verdorvenheid aan te tonen van de oude schepping, waaruit hij geformeerd was. De zondeval van Adam bewees de noodzaak tot wedergeboorte, niet alleen van de mens, maar van de totale oude wereld! Adam faalde, want hij was uit de aarde, aards. De tweede Adam slaagde, omdat hij, hoewel uit de mens geboren, reeds existeerde voor de schepping, ja zelfs reeds voor de grondlegging der wereld! Hij is de Eeuwige, de “ik Ben”. Hij was niet uit de aarde, maar uit de hemel! Hij is

“Het beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen“ Kol. 1: 15.

“….en Hij is voor alle dingen“ Kol.1: 17.

Daarom was in Hem geen “zuurdesem”. Daarom ook is Hij de eerste en dus enige Erfgenaam van Adam. Hij had namelijk de oudste rechten, omdat Hij ouder was dan Adam. Hoewel Hij de tweede mens of de tweede Adam genoemd wordt, bezit Hij als tweede toch het eerstgeboorterecht, omdat Hij ouder is dan de eerste mens! Dat is dan ook de meest fundamentele verklaring van het zo dikwijls in de Schrift toegepaste principe, dat de tweede zoon het eerstgeboorterecht verkrijgt!

Wanneer we nu vanuit deze waarheid Gen. 1: 28 weer lezen, dienen we te beseffen, dat de Heer Zelf al van eeuwigheid af leefde op het tijdstip, dat Adam zijn verantwoordelijkheden kreeg toebedeeld. Reeds toen stond vast, dat niet hij, maar de Heer Zelf, die als de Zoon van Adam in de wereld zou verschijnen, deze opdrachten zou volbrengen.

“Daarom komende in de wereld zegt Hij: . . …zie Ik kom, om uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. ” Heb. 10: 5 t/ m 9; Ps. 40: 8.

Niet Adam, maar de “Zoon van Adam” (Zoon des Mensen) zou de aarde onderwerpen en over haar heersen. De Zoon van Adam volbracht als de tweede Adam Gods wil. Niet de eerste Adam, maar de Tweede! God nam “het eerste weg, om het tweede te stellen”. Niet de eerste, Oudtestamentische offers, konden de zonden wegnemen, maar het laatste offer, Christus Zelf, kon dat wel. Niet de eerste mens kon Gods wil volbrengen, doch de Tweede kon dat wel. En zo zal ook de eerste schepping plaats moeten maken voor een nieuwe schepping. Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont! En evenzo moet onze eigen oude natuur met Christus sterven en begraven worden, om in Hem een nieuw leven te kunnen ontvangen!

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw [en dus tweede] schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet het is alles nieuw geworden”. 2 Kor. 5: 17.

  • Niet de eerste geboorte maar de tweede.
  • Niet de eerste Adam, maar de tweede.
  • Niet de oude natuur, maar de nieuwe natuur.
  • Niet het natuurlijk lichaam, maar het geestelijk lichaam.
  • Niet het oude Israël, maar het nieuwe, gelovige Israël.
  • Niet het oude verbond, maar het nieuwe verbond.
  • Niet de geboorte maar de wedergeboorte. En zo zou ik nog wel enige tijd door kunnen gaan.
  • Niet de oude schepping, maar de nieuwe schepping.

Maar al deze vernieuwingen komen en kwamen slechts tot stand, door Hem, die Zijn leven gaf in de dood, die de scheiding is tussen het oude en het nieuwe. Hij stierf voor u en mij en verwekte daardoor een nieuwe schepping. Hebt u uw vertrouwen al op Hem gesteld? Bent u al een nieuwe schepping in Christus? Leeft u ook bewust vanuit die positie?


De hemelen en de aarde

De wereld wordt wedergeboren. Maar wat is de wereld? Wat wordt er wedergeboren. Wij denken bij wereld dikwijls alleen aan de aarde, en “andere planeten” noemen we daarom “andere werelden”. Dit is echter bepaald geen Bijbelse terminologie.

Van de apostel Petrus hebben we al gezien, dat hij de wereld definieert als de hemelen en de aarde. Dat bleek uit een vergelijking van 2 Petr. 3: 6 met vers 7. De wereld bestaat dus uit “hemelen en de aarde”. Dit is natuurlijk precies wat er volgens Gen. 1: 1 geschapen werd. In plaats van over de wereld kunnen we dus ook spreken over de schepping. De schepping is de wereld, die bestaat uit hemelen en de aarde. En inderdaad, de Schrift spreekt over een nieuwe schepping, en dus over de komst van “nieuwe hemelen en een nieuwe aarde”, want die begrippen zijn volkomen identiek. En eveneens spreekt de Schrift over de verzoening van de wereld, want ook dat is hetzelfde.

Maar nogmaals stellen we ons de vraag: Wat is de wereld. Wat is “de hemelen en de aarde“. Nu heb ik helemaal niet de intentie om op deze plaats mijn hals uit te steken voor een verhandeling over het Bijbelse wereldbeeld. Zo’n Bijbels wereldbeeld is er in tegenstelling tot andersluidende beweringen wel degelijk, maar het is hier niet aan de orde. Wat wel aan de orde is, is dat de wereld wordt wedergeboren en wij zullen toch moeten zien, wat dat dan in feite inhoudt. Want laten we ons niet vergissen. De wereld is niet hetzelfde als wat wij het universum noemen. De wereld omvat niet alles wat er bestaat. De wereld, de schepping, bestaat uit “de hemelen en de aarde” maar er bestaat nog meer dan de hemelen en de aarde! De schepping wordt wedergeboren, maar wat niet behoort tot de schepping wordt niet wedergeboren!

Laat vooral niemand de indruk krijgen, dat de waarheid van de wedergeboorte der schepping steun geeft aan de zogeheten leer der "alverzoening". Want de wedergeboorte der ganse schepping is geen garantie voor de wedergeboorte van “alles en iedereen”.

De schepping bestaat volgens Gen. 1: 1 uit “hemel en aarde“. Nu is het zo, dat het woord “hemel” in dit vers in de grondtekst helemaal niet in het enkelvoud staat. Het gaat niet over een enkelvoudige hemel. Het hier gebruikte “shamayim” is namelijk een “dualis”, d.w.z een tweevoudsvorm. Wat er geschapen werd was geen enkele hemel, maar een dubbele hemel. Het waren twee hemelen. God schiep in den beginne “de twee hemelen en de aarde”. Dat is wat er letterlijk staat. En wanneer de profeet Jesaja spreekt over de komst van een nieuwe schepping, gebruikt hij precies dezelfde uitdrukking:

“Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen [shamayim] en een nieuwe aarde…“ Jes.65: 17

 

“…die nieuwe hemel [shamayim] en die nieuwe aarde die Ik maken zal.. “Jes. 66: 22.

Nu weten wij van de apostel Paulus, dat er nog een derde hemel is, waar de troon van God staat (2 Kor. 12: 2 e.v.). Deze derde hemel staat blijkbaar los van de twee hemelen die deel uitmaken van de schepping. En dat is precies, wat we ook in het Oude Testament vinden. Daar verschijnt dikwijls de uitdrukking “de hemel der hemelen”, als de aanduiding van de plaats waar God Zelf woont (Deut. 10: 14; 1 Kon. 8: 27; 2 Kon. 2: 6; 6: 18; Neh. 9: 6) Het woord “hemelen” in deze verzen is weer dezelfde tweevoudsvorm “shamayim”. De plaats waar God woont is dus de hemel boven de twee hemelen. En aangezien slechts de twee hemelen deel uitmaken van de schepping, staat de hemel der twee hemelen boven de schepping. De woonplaats van God maakt geen deel uit van de geschapen wereld. Deze plaats bestond evenals God Zelf reeds voor de schepping. Daarom wordt van deze derde hemel ook gezegd, dat hij “van ouds is” (Ps. 68: 34). Het is de uitdrukking die ook wel gebruikt wordt voor God Zelf!

In feite kent de Schrift dus drie verschillende hemelen, waarbij de hoogste de derde genoemd wordt, en geen deel uit maakt van de schepping. De eerste twee doen dat wel. Zij werden beide geschapen “in den beginne“.

Welke die twee hemelen zijn ligt voor de hand. Omdat de derde hemel de hoogste is, is de eerste hemel de laagste. Hij begint dus onmiddellijk boven de aarde, en bestaat uit wat wij de dampkring of de atmosfeer noemen. In deze atmosfeer drijven de wolken en vliegen de vogels, en daarom spreekt de Bijbel over “de wolken des hemels” en over “de vogelen des hemels”. De tweede hemel is dan wat wij de ruimte noemen. In deze tweede hemel bevinden zich de zon, de maan en de sterren. En daarom spreken we over hemellichamen en spreekt de Schrift over “de sterren des hemels”. De derde hemel behoort tot de onzienlijke dingen, maar de eerste twee hemelen maken deel uit van de schepping, en behoren dus tot de zienlijke wereld. Omdat zij deel uitmaken van een zienlijke wereld, zijn zij bovendien vergankelijk.

“Want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig“. 2 Kor. 4: 18.

Maar tijdelijke dingen moeten verwisseld worden voor eeuwige dingen. De schepping moet verwisseld worden voor een nieuwe schepping. En daarom komen er inderdaad twee nieuwe hemelen! Uit het bovenstaande blijkt verder, dat er twee redenen zijn waarom de derde hemel, de plaats waar de troon van God staat, niet voorbij gaat en dus niet wedergeboren wordt. De eerste is, dat deze plaats geen deel uitmaakt van de schepping en dus ook niet in de macht van Satan gevallen is. De tweede reden is, dat deze plaats behoort tot de onzienlijke dingen, en dus eeuwig is.

Wanneer de Schrift ons dit beeld geeft van de aarde met daarboven in totaal drie hemelen, zien wij, dat de bovenste “verdiepinging”dit beeld van het universum (want het is echt maar een beeld; de werkelijkheid is hier zoals gezegd niet aan de orde), geen deel uitmaakt van het geschapene, en dus ook niet wedergeboren wordt. Iets dergelijks geldt echter ook voor het laagste deel van dit model.

Tot hiertoe hebben we er nog niet over gesproken, maar de aarde is niet de laagste “verdieping” van het universum! De Bijbel spreekt immers ook over dat “wat onder de aarde is”. We dienen goed voor ogen te houden, dat de aarde in de Schrift slechts de “aardbodem”, het land, is waarop wij lopen en wonen. De gedachte van een in de ruimte zwevende planeet is de Schrift volkomen vreemd! De aarde is slechts het oppervlak waarop mens en dier wonen en meer niet.

Wanneer de Bijbel al het bestaande indeelt wordt er daarom gesproken over wat boven de aarde is, wat op de aarde is, en wat onder de aarde is. Nu moet het duidelijk zijn, dat wat onder de aarde is geen deel uitmaakt van de aarde zelf. Dat wat onder de hemel is maakt geen deel uit van de hemel en wat onder de aarde is maakt geen deel uit van de aarde. Wat onder de zon is maakt geen deel uit van de zon. Dit is van het allergrootste belang, omdat slechts de aarde en de twee hemelen daarboven behoren tot de schepping. Dat wat onder de aarde is staat dus buiten de schepping! Dat wat onder de aarde is wordt dus ook niet wedergeboren!

Dit wordt nog duidelijker als we zien dat volgens de Schrift het dodenrijk, de poel des vuurs, de hel, de tartaros, de afgrond en de bodemloze put gelegen zijn onder de aarde! Wat het eventuele verschil is tussen al deze plaatsen doet er hier niet toe. Wat er wel toe doet is de overeenkomst: het zijn allemaal plaatsen die verband houden met de positie van hen, die niet tot geloof gekomen zijn tijdens hun leven. Het zijn de plaatsen waar de veroordeelden hun straf zullen ondergaan.

Het enige wat ik er hier van wil zeggen is, dat deze plaatsen buiten de schepping staan. Ze zijn gelegen in “de buitenste duisternis”. Deze plaatsen noch hun uiteindelijke bewoners hebben of krijgen deel aan de wedergeboorte! Want “alles” wordt met God verzoend, “alles“ wordt wedergeboren, maar “alles” beperkt zich tot de schepping! De Schrift laat hierover geen enkele twijfel bestaan:

“Om…alles tot een te vergaderen in Christus, beide, dat in de hemel[en] en dat op de aarde is. …. “ Ef. 1: 10.

In dit vers wordt “alles” nader omschreven als “beide”. Alles bestaat dus uit twee dingen: Wat in de hemelen is en wat op de aarde is. Deze hemelen zijn uiteraard de twee geschapen hemelen. De derde hemel hoeft niet tot God “vergaderd” te worden, omdat die nooit van God is afgeweken. Maar bij “alles” is ook uitdrukkelijk dat wat onder de aarde is niet inbegrepen. Want wat onder de aarde is bevindt zich “buiten” de schepping. Het is de “buitenste duisternis” waar “weinig is en tandengeknars”.

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn…“ Kol. 1: 16.

“Alle dingen” bestaan slechts uit wat in de hemelen en wat op de aarde is. Wanneer dus alle dingen met God verzoend worden, is dat exclusief hen, die op de jongste dag in “de poel des vuurs” geworpen worden. Want deze poel des vuurs bevindt zich onder de aarde. Dat is ook wat Paulus zelf onmiddellijk na het voorgaande vers vaststelt:

“Want het is des Vaders welbehagen geweest…. Dat Hij…. alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn“. Kol. 1: 19, 20.

Ten overvloede wijs ik er dan nog op, dat ook de dingen die onder de aarde zijn in het algemeen behoren tot de onzienlijke dingen. Ook daarom maken zij geen deel uit van het geschapene en zijn zij niet vergankelijk. Want zij die verloren gaan, gaan voor eeuwig verloren. Hoe wrang de vergelijking ook is: Net als de hemel der hemelen maakt dat wat onder de aarde is deel uit van de onzienlijke dingen, en staat het buiten de schepping. Daarom zijn beiden eeuwig en onvergankelijk en worden niet wedergeboren!


De nieuwe schepping

“En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan. En de zee was niet meer“. Op. 21: 11.

Het was de apostel Johannes door genade vergund om een blik te werpen in de nieuwe schepping. Met nadruk stelt hij, dat de schepping, die voorbij gegaan was, de eerste was. En u weet het inmiddels: Niet de eerste, maar de tweede ontvangt het eerstgeboorte recht. Verder stelt hij vast, dat er op de nieuwe aarde geen zee meer is. Het hoeft ons niet te verbazen. De eerste maal, dat we de zee in de Schrift tegenkwamen, was in Genesis 1: 2. Het was daar het instrument van Gods toorn! Maar op de nieuwe aarde is geen plaats meer voor toorn. De zee is bovendien een type van de “woedende” en “ijdelheid bedenkende” volkeren (Ps. 2: 1-3), die eveneens als instrument van Gods toorn gebruikt werden voor Israël en voor elkaar. Maar op de nieuwe aarde zijn geen woedende en ijdelheid bedenkende volkeren. En daarom is er ook geen zee meer. Althans niet zoals wij die in onze tegenwoordige wereld kennen. Van die nieuwe schepping staat er ook:

“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn, want de eerste dingen zijn weggegaan. En Die op de troon zat zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw…“ Op. 21: 4, 5.

Tranen, dood, rouw, gekrijt, en moeite behoren volgens deze woorden tot de eerste dingen en daarom verdwijnen zij. Want Hij Die op de troon zit zegt nadrukkelijk, dat alle dingen, alle eerste dingen, nieuw gemaakt zullen worden. God neemt het eerste weg om het tweede te stellen. Alle eerste dingen zijn immers tijdelijk volgens Paulus! Gezien vanuit de Schrift is het nut van eerste dingen slechts, dat ze de komst van de tweede dingen mogelijk maken.

Voor de natuurkundige is het trouwens interessant om te zien, dat zovele dingen in onze wereld slechts kort bestaan, om plaats te maken voor iets nieuws. En daarbij denk ik werkelijk niet alleen aan mijn melkgebit, dat ik vanaf mijn zevende (!) jaar heb moeten afleggen! Onze hele natuur is immers een uitdrukking van Gods weg met deze wereld! En daarom vinden we in die natuur ook zovele tijdelijke bestaansvormen. Ik denk b.v. aan een kikker, die zijn leven begint als een echt visje. Ik denk aan de gedaanteveranderingen der insecten. Ik denk aan de rups die als door een wonder een schitterende vlinder wordt. Als rups, die met talloze pootjes aan de aarde verbonden is, legt hij zijn oude leven af, om met een schitterende kleurenpracht de hemel in te vliegen!

Het moet toch duidelijk zijn, dat al deze schepselen een goddelijke illustratie zijn van Gods plan met de wereld. De goddelijke en geestelijke dingen worden immers uit de zienlijke schepping verstaan (Rom. 1: 20, 21).

Laat zogenaamde natuurkundigen maar kletsen over het waardoor en het waarom van de natuur. Wij weten wel beter: het is alles een beeld en type van de Schepper Zelf. Het is de uitdrukking van Gods werk voor de wereld. Want ook deze wereld is een eerste, een tijdelijke wereld. Hij gaat voorbij. En alle details van deze wereld drukken deze waarheid uit!

Wanneer dan straks die tweede, wedergeboren wereld tot stand gekomen is, mag het ons niet verbazen, dat er in die wereld niet meer zulke tijdelijke bestaansvormen zijn. Voor de vergankelijkheid, zoals we die vandaag kennen, is er dan geen plaats meer. En voor zover er nu dieren of diertjes zijn, die schijnbaar slechts ten doel hebben om als voedsel te dienen voor andere dieren, zullen die er niet meer zijn. Daarom zijn er ook geen vleesetende dieren meer op de nieuwe aarde:

“En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen, en het kalf en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder, en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk. Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid, want de aarde zal vol van kennis des Heeren zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken.“ Jes. 11: 6-9.

Wel, waarom zou ik het allemaal opsommen. Leest u voor uzelf de beschrijving van deze nieuwe, wedergeboren wereld maar op de laatste bladzijden van uw Bijbel.

En mocht u daarbij vol verlangen denken aan dat bekende lied, dat zegt: “Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw; de hemel en de aarde”, dan mag ik u erop wijzen, dat wij niet zo lang hoeven te wachten. Want wij die geloven zijn door Gods reddende genade nu reeds wedergeboren tot eerstelingen van deze nieuwe schepping:

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel, het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus… “ 2. Kor. 5:17-18.

Dat wacht niet op de toekomst. Het is de dagelijkse realiteit voor iedere gelovige!

Wedergeboorte 4 - De Hoop Der Schepping

BROCHUREREEKS "HET MORGENROOD" - Volgnummer 136 ISBN90-66-94 Codenummer:1220
Door Ab Klein Haneveld onder redactie van: †Jb. Klein Haneveld Bodegraven.

Deze brochure is de vierde in een reeks over de wedergeboorte.  
Verschenen zijn de volgende titels:

[FinalTilesGallery id='12']

Copyright @ 1981 Ab Klein Haneveld, Wezep, The Netherlands