DE 12 JARIGE JEZUS IN DE TEMPEL

40  En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem.
42 En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag; Lukas 2 : 40, 42

De Bijbel vertelt weinig over de opgroeiperiode van de Here Jezus. Wat we weten is dat Hij toenam in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen. Alles hierover staat in Lukas 2. De gebeurtenis van de 12-jarige Jezus in de tempel is de enige bekende gebeurtenis uit die periode. Toch schuilt hier een grote typologische waarheid achter. Als Jozef en Maria Jezus kwijt zijn, gaat het om de scheiding tussen Jezus en Zijn aardse ouders. Die scheiding staat model voor of is een type van de vijfde bedeling. Het volk is haar Kind (eerstgeboren Zoon, Messias) kwijtgeraakt. In de vijfde bedeling wordt de Here Jezus gezocht. Na drie dagen zal het volk Hem terugvinden. Het volk zal de Heer terugvinden op de plaats waar Hij de hele tijd geweest is. Men had kunnen weten dat de Heer daar was, maar men heeft het niet willen geloven.


De opgroeiperiode van de Here Jezus

39 En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galilea, tot hun stad Nazareth.
40 En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest en, vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem.
41 En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.
42 En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag;
43 En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.
44 Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.
45 En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem zoekende.
46 En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende.
47 En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.
48 En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.
49 En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?
50 En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.
51 En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.
52 En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen. Lukas 2 : 39-52 *

In Lukas 2 staat alles wat betrekking heeft op de Here Jezus vóór Zijn openbare optreden. De gebeurtenis van de 12-jarige Jezus in de tempel valt tussen de geboorte en het openbare optreden van de Here Jezus. Het is de enige bekende gebeurtenis uit die periode. De besnijdenis van de Here Jezus wordt bij Zijn “geboortegeschiedenis” gerekend. We weten dus niet veel over de opgroeiperiode van de Here Jezus. Het enige dat er staat, is dat “Hij toenam in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen” (Lukas 2 : 52). Verhalen over de Jezus als timmerman in de werkplaats van Zijn vader vinden hun oorsprong buiten de Bijbel.

En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galilea, tot hun stad Nazareth. Lukas 2 : 39

In vers 21 t/m 38 stond wat er naar de wet des Heeren te doen was. De reiniging moest vervuld worden. Het ging om de reiniging van de kraamvrouw en de reiniging van de Here Jezus. In Leviticus 12 staat de wet over de reiniging. Een kraamvrouw was 7 dagen onrein. Op de achtste dag werd de voorhuid van een zoontje besneden. De kraamvrouw was na de 7 dagen nog 33 dagen onrein. De reiniging hield dus verband met moeder en kind. In Lukas 2 : 22 moet “harer” “hunner” zijn. Het wordt dan: En als de dagen hunner reiniging vervuld waren. Er staat “hunner”, omdat de reiniging van een kraamvrouw verband hield met het kind zelf. Het voorgaande is alleen in verband met de profetische betekenis te begrijpen. De kraamvrouw is een beeld van Israël. Het zoontje is een beeld van de Here Jezus. De reiniging van Israël heeft dus met de Here Jezus te maken. Tot nu toe wordt de Here Jezus door het Jodendom onrein geacht. In vers 39 staat dat de 40 dagen (Leviticus 12) voorbij waren. Alles wat er gedaan moest worden, was gedaan. Ze keerden terug naar Galilea. In het Lukas-evangelie is een deel van de geschiedenis overgeslagen. In Matthéüs 2 wordt de vlucht naar Egypte beschreven. Nadat Jozef, Maria en de Here Jezus in Israël teruggekeerd waren, wilden ze naar Bethlehem gaan. God openbaarde echter, dat ze naar Nazareth moesten gaan (Matthéüs 2 : 21-23). In Lukas 2 wordt een andere gedachtegang gevolgd dan in Matthéüs 2. In Lukas 2 wordt de geschiedenis van de 12-jarige Jezus in de tempel in verband gebracht met de gebeurtenissen rond de 40 dagen oude Jezus in de tempel. In vers 39 wordt de verbinding tussen de twee hiervoor genoemde gebeurtenissen gelegd. Ook de verbinding tussen Nazareth en Jeruzalem blijft bestaan (Lukas 2 : 41). De familie van de Here Jezus is nauw verbonden met Jeruzalem. Jeruzalem is de stad van David. Jozef en Maria zijn uit het huis van David. Bovendien zijn ze eigenlijk de koninklijke familie. Dat werd echter door bijna niemand erkend. Het noemen van Nazareth speelt voor de geschiedenis geen rol. Galilea en Nazareth worden wel genoemd. Galilea is tweede keus. Galilea is niet Judea. Jood is in het Hebreeuws (jehuda). De naam “jood” is afkomstig van de stam van Juda. Juda is in het Hebreeuws (Je hudah).

Judea is de naam voor de joodse staat. Galilea was niet in aanzien. Een echte jood woonde in Judea. Galilea wordt “Galilea der heidenen” genoemd. In Matthéüs 4 : 15 wordt “Galilea der volken” aangehaald uit Jesaja 8 : 23. In de Bijbel wordt Galilea altijd in verband gebracht met heidenen. In Galilea woonden wel joden, maar het was eigenlijk buitenland. Galilea is dus een beeld van het Jodendom in de verstrooiing (diaspora). Verstrooide joden zijn niet thuis. Ze hebben wel hun identiteit behouden, maar ze bevinden zich niet op de plaats waar ze eigenlijk zouden moeten wonen. Ze hebben als het ware hun eigen nationaliteit verloren. Het zijn verloren joden.

Kan uit Nazareth iets goeds komen?

De Here Jezus groeide op in Nazareth in Galilea. Hij woonde later in Kapernaüm. Kapernaüm lag ook in Galilea. Nathanaël zei later tegen Filippus: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” (Johannes 1 : 47). “Galileeër” werd ook als scheldwoord gebruikt. Verstrooide joden telden niet mee. Ze werden als een soort heidenen beschouwd. Ze waren vergelijkbaar met Samaritanen, die nog minderwaardiger werden beschouwd. De Here Jezus vergeleek Zichzelf met een Samaritaan (Lukas 10 : 25-37). Hij beschouwde Zichzelf als Iemand Die niet thuis was. Nazareth betekent: een Koning (Vorst) Die zal komen. Het gaat dan over een gezonden koning. In “zareth” zit “sier”. In de Engelse taal komt “sir” voor. In de Nederlands taal kennen we “sire” en ook het woord “tsaar”.Tsaar is afgeleid van het Latijnse caesar. “Zar” spreekt over een vorst. “Natz” spreekt over “gezonden worden”. Uit Nazareth kan dus iets goeds komen. De gezonden Vorst zal namelijk uit Nazareth komen. De gezonden Vorst is de Messias. Hij is door God gezonden om over het volk te regeren. Iemand die de Heer een gelofte gedaan had, heette een Nazireeër. Alleen bij Simson kwam het in de praktijk voor. Het Nazireeërschap was in de wet geregeld (Numeri 6 : 1-22). Simson was een beeld van de gezonden Vorst (de Here Jezus). Galilea spreekt dus over de heidenen. Nazareth in Galilea spreekt over een Vorst Die gezonden zal worden. De gezonden Vorst was de Zoon van David Die in Bethlehem geboren werd. Het gaat in vers 39 dus over een verstrooid volk, waarheen een Vorst gezonden zou worden.

En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem. Lukas 2 : 40

“Wies op” betekent “groeide op”. “In de geest” staat niet in de grondtekst. Het is waarschijnlijk uit Lukas 1 : 80 overgenomen. Daar staat “in de geest” wel, omdat het daar over Johannes de Doper gaat. Vers 40 behoort een levensbeschrijving te zijn. Opwassen en sterk worden, spreken dan in de eerste plaats over de oude mens. Van elk kind hoopt men dat het tot verstand zal komen en dingen (het leven) zal leren begrijpen. De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid (Spreuken 9 : 10). De vreze des Heren is de vreze van een genadig God. Als iemand tot wijsheid komt, komt hij tot kennis van een genadig God. Als iemand wijs is, accepteert hij de genade van God. Degene die de genade van God niet accepteert, is onwijs. Iemand die zichzelf kent, weet dat hij het alleen van de genade van God kan verwachten. Als de genade van God afgewezen wordt, is dat hoogmoed en dat is onwijs. Die afwijzing wordt namelijk een teleurstelling. In vers 40 wordt de normale volgorde van ontwikkeling beschreven. Als al die dingen gebeuren, is alles in orde. Bij de Here Jezus verliep die ontwikkeling in de beschreven volgorde.

En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha. Lukas 2 : 41

Israël moest drie keer per jaar naar Jeruzalem optrekken om de Here feest te vieren (Éxodus 23 : 14). De feesten waren het Paasfeest in de eerste maand, het wekenfeest in de derde maand en het Loofhuttenfeest in de zevende maand. Het was bijzonder dat Jozef, Maria en nog een aantal mensen elk jaar naar Jeruzalem reisden om het feest van pascha te vieren. In de tijd vóór de ballingschap vierden de joden de drie bovengenoemde feesten niet of een enkele keer. Jozef, Maria en een klein aantal andere mensen vormden dus een minderheid. Ze waren het overblijfsel. Het overblijfsel bestond uit gelovigen uit Israël. Binnen het volk van God gelooft slechts een minderheid. Die minderheid aanvaardt het Woord van God en leeft dienovereenkomstig. Het feest van pascha werd gevierd ter herinnering aan de uittocht uit Egypte (de slavernij). Egypte is een beeld van de wereld. De uittocht uit Egypte is dus ook een beeld van de verlossing uit de wereld. Pascha is daarom een herinnering aan verlossing in het algemeen. De andere naam voor het feest van pascha is het feest van de ongezuurde broden. Het feest van pascha werd gevierd, omdat het zuurdesem was weggenomen. Zuurdesem is een beeld van de oude schepping (zonde, valse leer). In het feest van pascha werd uitgedrukt, dat het oude weggenomen was en alles nieuw geworden is (2 Korinthe 5 : 17).

2. Scheiding

En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag; Lukas 2 : 42

De essentie van vers 42 t/m 44 is dat Jozef en Maria Jezus kwijt waren. Over het feest van6pascha wordt niets verteld. Het gaat om de scheiding die er tussen Jezus en Zijn aardse ouders ontstond. De ouders waren Het Kind kwijt, maar Het Kind beschouwde het van Zijn kant. Hij was namelijk Zijn ouders kwijt. Hij was waar Hij zijn moest, maar Zijn ouders waren weg. Jozef en Maria hadden kunnen en moeten weten, waar Jezus was. De scheiding tussen Jezus en Zijn ouders staat model voor een periode in de heilshistorie. Die periode is de vijfde bedeling. De Here Jezus is uit het volk Israël geboren. Er is een moment gekomen waarop het volk haar Kind (eerstgeboren Zoon, Messias) is kwijtgeraakt. In de vijfde bedeling wordt de Here Jezus gezocht. Er wordt getreurd over het feit dat Hij zoek is. Na drie dagen zal het volk Hem terugvinden (Lukas 2 : 46). Het volk zal de Heer terugvinden op de plaats, waar Hij de hele tijd geweest is. Het volk had kunnen weten dat de Heer daar was, maar wilde het niet geloven.

In Lukas 2 : 25 t/m 38 gaat het over Simeon en Anna. Simeon is een beeld van de gemeente. Anna is een beeld van Israël. Het gaat dus eerst om de man en dan om de vrouw. Dat is de volgorde. Die gedachtegang wordt ook voortgezet in Lukas 2 : 39-52. De Heer zou niet bij Zijn ouders naar het vlees (Israël) zijn. Hij zou in de tempel zijn en Zijn ouders zouden Hem kwijt zijn. Op de derde dag zou en zal de hereniging plaatsvinden. Pascha is de aanduiding voor dat wat er op 14 Nisan gebeurde. Op die dag werd het paaslam geslacht en gegeten. Het paaslam brengt verlossing. Het feest van Pascha spreekt over alles wat er gebeurt na het slachten van het paaslam. Het feest van pascha werd van de 15e Nisan tot en met de 21e Nisan gevierd. De gelovigen uit de vijfde bedeling zijn verlost. Want ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus (1 Korinthe 5 : 7). In 1 Korinthe 5 : 8 staat: “Zo dan laat ons feest houden,….”. Het feest van pascha wordt gevierd, nadat de verlossing tot stand gekomen is. Het feest van pascha is het resultaat van de verlossing. Een gelovige uit de vijfde bedeling kan voortdurend feestvieren, als hij zich realiseert dat hij verlost is. Dat is leven vanuit de verlossing die in Christus Jezus is. Israël moest eerst uit Egypte trekken, om daarna in de woestijn de Here een feest te vieren (Éxodus 5 : 1). In Egypte moest het paaslam geslacht en gegeten worden. Buiten Egypte werd er feest gevierd. Dat feest was een huwelijkssluiting. Nadat de verlossing tot stand gekomen was, raakte Israël haar Messias kwijt. In het boek Handelingen is te lezen hoe Israël haar Messias kwijtraakte. Het begon in Jeruzalem. Het eindigde in Rome. In Rome zei Paulus tegen de joodse leidslieden dat ze ongelovig waren en dat daarom de zaligheid aan de heidenen gezonden is (Handelingen 28 : 26-28). De joodse leidslieden zijn een beeld van de joden in Galilea. Beiden zijn een beeld van de joden in de verstrooiing. Nadat Paulus het bovenstaande tegen de joodse leidslieden in Rome gezegd had, bleef hij twee jaren in zijn gevangenis. In het derde jaar verdween hij uit de gevangenis. In het boek Handelingen staat, dat Israël de verlossing kreeg aangeboden. Het was als het ware pascha. Kort voordat het boek Handelingen begint is het pascha gevierd. De dagen van de opstanding van Christus waren namelijk de dagen van het feest van pascha. Israël accepteerde de verlossing niet. Ze geloofde niet in de Messias. Israël begreep de Messias niet en raakte haar Messias kwijt aan de heidenen. De heidenen kregen daarna deel aan de zegeningen van Israël. Israël werd zelf van die zegeningen afgesneden (Romeinen 11 : 16-21). De rollen werden als het ware omgedraaid.

Jezus de eerste keer in de tempel

Als de Here Jezus op 12-jarige leeftijd in de tempel komt, is het waarschijnlijk de eerste keer dat Hij vanuit Nazareth meeging naar Jeruzalem en de tempel. Het heeft te maken met Bar-Mitswah. Bar-Mitswah is een joods gebruik dat niet in de Bijbel voorkomt. In de joodse gedachtegang kan men het tot de Middeleeuwen herleiden. Bar-Mitswah houdt in dat een jongen op zijn twaalfde of dertiende jaar voor de wet (in religieuze zin) meerderjarig wordt. De wet is in Israël een religieuze aangelegenheid. In Israël zijn maatschappij en godsdienst aan elkaar gekoppeld. In de joodse literatuur staat dat de joden Bar-Mitswah vieren als een jongen twaalf jaar is. In de christelijke literatuur staat dat ook. Een 12-jarige jongen is aan zijn dertiende levensjaar bezig. Ismaël werd in zijn dertiende levensjaar besneden (Genesis 17 : 25). Ismaël werd later uitgedreven. De Arabieren worden daarom besneden als ze dertien jaar zijn. Na twaalf jaar gediend te hebben, rebelleerden vijf koningen in het dertiende jaar (Genesis 14 : 4). In de Bijbel is dertien het getal van omwenteling. Er verandert iets. Jakob kreeg dertien kinderen. Het waren twaalf zonen en één meisje. Men noemt het getal dertien een ongeluksgetal. Omwenteling wordt in dit geval met ongeluk verward. Men vindt het namelijk niet prettig als er plotseling iets verandert. Een ongeluk kan echter best een positieve uitwerking hebben. In het dertiende levensjaar is de zoon meerderjarig geworden. Hij is dan voor de wet een man. Hij moet deelnemen aan de rituelen in de synagoge en hij moet voorlezen uit de wet. Bij het meerderjarig worden van de zoon is de vader van zijn verantwoordelijkheden ontslagen. In Lukas 2 : 39-52 wordt dan ook voor de laatste keer over Jozef gesproken. Jozef is kort daarna gestorven. Jozef wordt “Jozef’ genoemd en Maria wordt “Zijn moeder” genoemd (Lukas 2 : 33,43). Jozef wordt dus geen vader genoemd. Jozef was volgens de wet wel de vader van de Here Jezus (Lukas 3 : 23). God was de Verwekker van de Here Jezus. God was dus de Vader van de Here Jezus. Ook wat betreft het erfrecht is het vaderschap van God veel belangrijker dan het vaderschap van Jozef. Beide vaderschappen spelen een rol in verband met de rechten van de Here Jezus. De Here Jezus werd op 12-jarige leeftijd geacht verantwoordelijk te zijn voor godsdienstige zaken. Het was dus heel gewoon dat Hij zelfstandig met de onderwijsgevenden in de tempel discussieerde. Hij kende Zijn eigen verantwoordelijkheid.

En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet. Lukas 2 : 43

“Kind” heeft de betekenis van een onvolwassene.
Het is iemand die een dienstknecht is.

1 Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij heer is van alles.
2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. Galaten 4: 1-2

In de Nederlandse taal is er geen woord voor een kind dat een dienstknecht is. In de Franse taal is het woord: garcon. Een garcon is een jongen, een vrijgezel, een knecht of een bediende (kelner). Naar de wet was de Here Jezus op 12-jarige leeftijd geen kind meer, maar binnen de hiërarchie van het gezin en de samenleving was Hij nog onderdanigheid aan Zijn ouders verschuldigd.

Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden. Lukas 2 : 44

Het was bijzonder dat Jozef en Maria een dag lang hun kind kwijt waren en toch doorreisden. Ze waren waarschijnlijk in de veronderstelling dat het wel goed zou komen. Deze geschiedenis wordt in het boek Handelingen beschreven. Het is ook de geschiedenis van het Jodendom tot heden. De joden klagen al heel lang dat er geen tempel meer is. Ze klagen over de vervolging. Ze klagen erover dat de Heer Zich voor hen verbergt. Ze vragen zich af hoe lang dat zo blijft en waarom dat zo is.

De joden zijn de Heer kwijt

De joden zijn de Heer kwijt, omdat ze Hem op de verkeerde plaats zoeken of omdat ze Hem op de verkeerde plaats verwachten. Als iemand op de verkeerde plaats verwacht wordt, zijn degenen die op hem wachten niet goed voorgelicht. De mensheid in het algemeen weet niet waar het om gaat. Orthodoxe joden hopen dat in de toekomst de Messias komt. Veel christenen hopen in de hemel te komen. Ze hebben er geen haast mee en ze verlangen er ook niet naar. De orthodoxe joden en vele christenen hebben dus niets. Wat ze kunnen hebben, schuiven ze voor zich uit. Ze staan met lege handen, omdat ze iets kwijt zijn en doen niet de minste moeite het terug te vinden. Ze zouden zich daarentegen kunnen afvragen waar de Heer is Die Israël heeft uitverkoren? En wat betekent uitverkoren? Waartoe is Israël uitverkoren? Hoe lang duurt het voordat van die uitverkiezing in de praktijk wat blijkt? God heeft Israël toch niet uitverkoren om het enkele eeuwen te laten vervolgen? Wanneer komt God met Israël tot Zijn doel? Waar is God? De joden weten dat al ongeveer 3500 jaar niet. Ze moeten zich afvragen of ze niet verkeerd zoeken. Bij het passeren van het jaar 1000 na Chr. hadden ze zich ook enkele vragen moeten stellen. Ze verwachtten een duizendjarig rijk en daarna de jongste dag. De 1000 jaar waren om, maar waar bleef de jongste dag? De joden hebben zich er niet druk om gemaakt. Ze hebben waarschijnlijk geopperd dat de Heer anders telde dan zij. Misschien wist de Heer wel niet hoeveel 1000 was. De Heer zal er wel wat anders mee bedoeld hebben. Het zal wel goed komen. Ze trokken niet de conclusie dat ze verkeerd zochten en op de verkeerde weg zaten. Israël zocht de Heer op een totaal andere plaats dan waar Hij zijn zou. Ze geloofden niet in dat wat geopenbaard was.

12 Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?
13 En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, … Johannes 3 : 12-13

In vers 13 worden de hemelse dingen gezegd.
Het gaat hier over Psalmen 68 : 18.

Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o Heere God! Psalmen 68 : 18

Dit vers wordt ook in Éfeze 4 : 9 aangehaald. Het gaat over de hemelvaart van de Here Jezus. Het staat al in het Oude Testament: “Degene Die op zou varen naar de hoogte, is de Zoon des11mensen” (de Messias). De joden hadden er nooit van gehoord. Het stond wel in hun Bijbel, maar het speelde geen rol in hun theologie. Dat is in onze kerken ook zo. Er zijn veel Bijbelse waarheden die geen onderdeel uitmaken van de algemeen geaccepteerde kerkelijke leerstukken. Dat is ook bekend. Kerkelijke leerstukken handelen dus slechts over een deel van de Schrift. Het andere deel van de Schrift mag niet genoemd worden. De kerkelijke leer bestrijdt het andere deel van de Schrift niet, maar het andere deel van de Schrift staat naast de kerkelijke leer. Wat betreft de Rooms-katholieke kerk gaat de hele Bijbel buiten de kerk om. De Rooms-katholieke kerk leert namelijk geen Woord uit de Bijbel. Bij de Rooms-katholieke kerk is de kerk hoger dan de Bijbel. In de vrije kringen zegt men dat niet, maar denkt men dat vaak wel. Bijbelstudie wordt dan ondergeschikt gemaakt aan de organisatie en de samenleving van de gemeente. Men kijkt vooral ook naar het ledenaantal van de gemeente. De “kijkcijfers” nemen een zeer belangrijke plaats in. Om het weglopen van mensen tegen te gaan, mogen bepaalde Bijbelse waarheden niet gezegd worden. De gemeenschap (kerk) wordt boven de Schrift geplaatst. Dat doet het Jodendom ook. Veel Bijbelse waarheden worden niet gekend. Ze maken geen onderdeel uit van het systeem. Ze worden dus ook niet gepredikt. Als iemand in de Bijbel Bijbelse waarheden tegenkomt is dat wel interessant, maar hij moet er wel zijn mond over houden. Het resultaat is dat men daardoor de Messias kwijtraakt. Israël raakte haar Verlosser kwijt.

De Here Jezus zat met Zijn neus in de boeken (de Schrift). Neus heeft in de Bijbel met geestelijke dingen te maken. De neus is het zintuig waardoor de adem (het leven) stroomt. Een welriekende reuk heeft er ook mee te maken. In de Schrift kan men de Messias vinden. De Here Jezus vond dus Zichzelf in de Schrift. De Schrift is het Woord van God. Het leert die wijsheid die iedereen nodig heeft. Men kan Christus alleen uit de Schriften kennen. Het is de Christus Die Zichzelf uit de Schriften aan de Emmaüsgangers openbaarde.

Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. Johannes 5: 39

Het gaat niet om wat de ene gelovige op grond van zijn Christus aan de andere gelovige getuigt. Het gaat erom of die getuigenis op grond van de Schrift is. De Heer uit de Schrift moet gekend worden. Nicodémus kende de Heer uit de Schrift niet. Hij wist ook niets van de hemelvaart van Christus in Psalmen 68 : 19. In Johannes 12 spreekt de Here Jezus over Zijn dood. In Johannes 12 : 34 antwoordde de schare: “Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus blijft in der eeuwigheid.” Dat antwoord maakte deel uit van het godsdienstig systeem van de schare. De schare vraagt vervolgens aan de Here Jezus: “Hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?” De schare stelde zich een andere Messias voor. Ze verwachtten een Messias Die altijd zou blijven. Jezus antwoordde in Johannes12:35 en 36:

35 Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
36 Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij zonen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen. Johannes 12 : 35-36

Met “het Licht” bedoelde de Here Jezus Zichzelf. In Johannes 12 : 36 wordt de verberging (het zoek raken) van de Heer in verband met Zijn hemelvaart gebracht. Israël zoekt haar Messias namelijk niet in de hemel. Veel christenen zijn hun Verlosser (Zaligmaker) kwijt geraakt omdat ze Hem niet in de hemel zoeken. De wereld is het graf met het bordje, waarop staat: Hij is hier niet. Hij is namelijk in de hemel.

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Kolossenzen 3 : 1

Toen Jozef en Maria de Here Jezus kwijt waren, zat Hij in de tempel. De tempel was een beeld van de ware tempel. De ware tempel is de hemel (Hebreeën 9 : 11-12).

En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende. Lukas 2 : 46

De Heer zit in het midden (het centrum). Hij zit in het binnenste heiligdom op de troon der genade (Hebreeën 9 : 12; 4 : 16). Het is een bijzondere plaats voor een jongen van 12 jaar. Het is geen bijzondere plaats voor de Zoon van God. Hij draagt namelijk alle religieuze verantwoordelijkheid die er maar te dragen is. Hij was een echte Bar-Mitswah. Een Bar-Mitswah is een zoon van het gebod. De Heer zat al twee dagen in de tempel in het midden der leraren. Op de derde dag werd Hij pas gevonden. Israël is haar Messias kwijt. De gelovigen uit de vijfde bedeling weten waar Hij is. Die gelovigen behoren op de plaats te zijn waar de Heer is. Ze behoren te midden van de leraren in de tempel te zijn. Ze maken namelijk deel uit van die tempel. Aldaar behoren de gelovigen uit de bedeling van de genade gebouwd te worden tot een tempel (woonstede Gods in de Geest). In Éfeze 2 : 22 staat:

In Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest. Éfeze 2 : 22

Bovendien behoren ze in de tempel gebouwd te worden in kennis, wijsheid, geloof, enzovoorts. De Paulinische brieven spreken voortdurend over de opbouw in het geloof. Het gaat dan om groeien in kennis van Christus. Als een gelovige op de plaats is waar Christus is, is hij de Heer niet kwijt. Een gelovige kan weten waar de Heer is. Als hij desondanks niet de kant van de Heer, maar een andere kant op gaat, komt de Heer hem niet achterna. Veel gelovigen beschouwen de Heer als een dienstknecht, Die hen achterna komt en hen op hun wenken bedient. Een butler (dienstknecht) heet in het Engels vaak James. James is Jakob(us). Een gelovige is echter een dienstknecht van de Heer. Hij is een kind dat opgroeit tot zoonschap. De Heer is niet daar waar een gelovige is, maar een gelovige behoort te zijn waar de Heer is. De Heer is in de tempel. Hij is in het ware heiligdom ingegaan, dat niet met handen is gemaakt (Hebreeën 9 : 24). Daar zit Hij ter rechterhand Gods. Hij is Degene Die de gelovigen onderwijst. Hij geeft de gelovigen te bekwamer tijd geestelijk voedsel uit het Woord van God (Hebreeën 4 : 16). De Here Jezus deed twee dingen in de tempel. Hij luisterde en Hij vroeg. Gedurende bijbelstudies behoort men te luisteren, eventueel te vragen en daarna weer naar het antwoord te luisteren. Het gaat dan niet om te discussiëren, maar het gaat om informatie te krijgen.

En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden. Lukas 2 : 47

Terwijl de Here Jezus in de tempel luisterde en vroeg, waren er veel mensen bij. Ze ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.

En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht. Lukas 2 : 48

Israël zou ook tot haar Heer (de Messias) kunnen zeggen:”Heer, wat doet U ons aan!” De Heer doet Israël niet wat aan, maar Israël doet zichzelf iets aan. Israël is op weg gegaan naar haar huis in Galilea. Ze dachten dat de Heer wel mee zou komen. Die gedachte heerst ook bij veel christenen. Ze denken dat als zij hun werk maar doen, de Heer hen wel zal helpen. Ze noemen dat werk dan ook nog het werk van de Heer. Het gaat echter om het doen van het werk van de Heer, omdat Hij de Heer is. De gelovigen zijn de dienstknechten. Als gelovigen het werk van de Heer doen helpt Hij natuurlijk. Hij geeft de kracht en de mogelijkheden om Zijn werk te doen. Als Zijn kracht er niet was, zou Zijn werk niet eens gedaan kunnen worden. Als gelovigen hun eigen werk doen en de dingen die op aarde zijn zoeken, en niet de dingen die boven zijn kunnen ze niet verwachten dat de Heer hen zal helpen. De praktijk bevestigt dat. Als iemand de Heer nodig heeft kan hij Hem in het heiligdom (achter het voorhangsel) vinden (Hebreeën 6 : 19). Gelovigen doen de Heer tekort als ze bij Hem weglopen. Ze missen dan veel. Ook Jozef en Maria hadden betrokken kunnen zijn in het onderzoek der Schriften. Ze hadden zich ook kunnen verbazen over de antwoorden van de Here Jezus. Jozef en Maria waren echter, toen de Here Jezus in de tempel luisterde en vroeg, onderweg naar huis. Ze gingen de verkeerde weg.

3. Het Jodendom vindt haar Messias

In vers 48 wordt Jozef opeens “vader” genoemd. Jozef en Maria hebben met angst gezocht. Israël is ook haar Heer kwijt. Ze zoekt in angst. Israël vlucht over de hele aarde, omdat ze overal vervolgd wordt. Israël zoekt in angst op de verkeerde plaats.

En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? Lukas 2 : 49

De Here Jezus zei tegen Jozef en Maria: “Hoezo zoeken? Wisten jullie niet dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? Jullie hadden toch kunnen weten dat Ik hier zou zijn.” In het licht van de heilshistorie is het een duidelijk antwoord. Israël kon namelijk op grond van het Oude Testament weten, dat als de Messias zou komen, Hij niet meteen tot in eeuwigheid zou blijven. Ze konden weten dat de Messias in de eerste plaats het Koninkrijk van Zijn Vader in de Hemel zou oprichten. De troon van God in de hemel is belangrijker dan de aardse troon van David in Jeruzalem. Het Oude Testament spreekt daarover. Uit het boek Handelingen blijkt dat de apostelen ook tot die conclusie komen. De Heer zou namelijk eerst naar de hemel gaan, om daarna weder te keren en de vervallen hut van David weer op te richten. De Heer zou dan de dingen, waarvan de profeten gesproken hebben, herstellen (Amos 9 : 11; Handelingen 15 : 16). Er zou dus eerst een intermezzo komen. Daarna zou de Heer na twee dagen, op de derde dag, wederkeren (Hoséa 6 : 2). Uit Lukas 2 : 46 blijkt, dat het Jodendom haar Messias vindt. Dat zal na de vijfde bedeling aan het eind van de grote verdrukking zijn. Israël zal in die verdrukking in angst verkeerd hebben. Israël zal haar Heer dus op de derde dag terugvinden. Een teken dat hetzelfde uitdrukt als het hierboven beschrevene, staat in Johannes 2 : 19. Daar zegt de Here Jezus: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem oprichten.” Op de derde dag zal er weer een tempel zijn omdat de Heer er dan zal zijn. Als de Heer in een huis is, is dat huis een tempel. Het afbreken en opbouwen van de tempel slaat in de eerste plaats op de dood en de opstanding van de Here Jezus. In de tweede plaats slaat het op de vijfde bedeling (de tweede dag) die voorbijgaat. Op de derde dag zal de Heer opnieuw verschijnen. Hij zal dan een teken van leven aan Israël geven. Het bovenstaande wordt ook uitgedrukt in het teken van Jona. In Matthéüs 12 : 39-40 staat:

39 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet.
40 Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. Matthéüs 12 : 39-40

Het teken van Jona slaat in de eerste plaats op de dood en de opstanding van de Here Jezus. De Heer stond op de derde dag op. In de tweede plaats slaat het teken van Jona op de bedeling van de genade. In die bedeling verbergt Israël zich voor de Heer en is de Heer voor Israël verborgen. Op de derde dag (in de zesde bedeling) zal Israël haar Heer terugvinden. Op de derde dag zal er nieuw leven zijn. In Lukas 2 : 49 negeert de Here Jezus dat Jozef in vers 48 “vader” genoemd werd. De Here Jezus spreekt namelijk over Zijn hemelse Vader. De hemelse Vader en de hemelse troon zijn veel belangrijker dan de aardse vader en de aardse troon. Die waarheid maakte geen deel uit van de joodse theologie.

En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak. Lukas 2 : 50

Jozef en Maria begrepen het woord van de Here Jezus niet. De dingen waarover de Here Jezus sprak gingen namelijk over de bedeling van de verborgenheid. In de bedeling van de verborgenheid is Christus verborgen voor Israël en voor de wereld. De gelovigen uit de bedeling van de genade zijn met Christus verborgen in God (Kolossenzen 3 : 3).

En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen. Lukas 2 : 52

Vers 52 is min of meer een herhaling van vers 40. De dingen die in vers 52 beschreven zijn kenmerken niet alleen de Here Jezus, maar allen die in de bedeling van de genade vanuit Christus leven. Het kenmerkt dus die gelovigen die leven uit het door Christus geschonken leven. De bovengenoemde gelovigen nemen toe in wijsheid en grootte. “In wijsheid en in grootte” is een hendiadys. De Here Jezus nam toe in grote wijsheid. In vers 40 wies het Kind op en werd gesterkt. Daarna werd Het pas vervuld met wijsheid en was de genade Gods over Hem. In vers 52 wordt het opwassen en sterken niet meer genoemd. Voor de Gemeente speelt de lichamelijke groei geen rol. Het gaat er niet om dat de gemeenteleden groot en sterk worden. Johannes de Doper zei: “Hij moet wassen, maar ik moet minder worden” (Johannes 3 : 30). Het kenmerk van een gelovige is, dat hij in zijn zwakheden roemt (2 Korinthe 12 : 5-9,10; 2 Korinthe 13 : 4). Paulus zegt in 2 Korinthe 12 : 8 dat hij de Heer drie keer gebeden heeft. De Heer vond dat genoeg. De Heer zei tot Paulus in 2 Korinthe 12 :9: “Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Een gelovige hoeft dus niet sterk te worden naar het vlees. God volbrengt Zijn kracht in ons. Hij doet dat vanuit Zijn genade. Gods genade vervangt onze kracht. Gods genade is daar sterk waar de gelovige zwak is. “Zwak” heeft met “veroordeeld” te maken. Daar waar een mens verdord en afgesneden is komt Gods genade tot Zijn recht (Ezechiël 37 : 11). In die genade deelt God ons Zijn kracht mee.

Wijsheid, genade en verborgenheid zijn de drie belangrijkste kenmerken van de 5e bedeling. De wijsheid van God bestaat in verborgenheid (1 Korinthe 2 :7). De 5e bedeling heet de bedeling van de verborgenheid (Éfeze 3 : 9). In Éfeze 3 : 2 heet de bedeling van de verborgenheid de bedeling van de genade Gods. Verbergen houdt ook schuilen in. Wijsheid, genade en verberging zijn essentieel voor het leven van een gelovige uit de vijfde bedeling. Een gelovige leeft uit genade. Hij leeft in de schuilplaats (verborgen plaats) van de Allerhoogste (Psalmen 91 : 1). Hij leeft vanuit de verberging voor de wereld. Het leven van een gelovige is verborgen met Christus in God (Kolossenzen 3 : 3). Deze waarheid is de hoogste openbaring van Goddelijke wijsheid. Daardoor worden alle menselijke redeneringen tot dwaasheid gemaakt. Alle menselijke redeneringen zijn gericht op het ontwikkelen van de mens (Genesis 3 :4-5). Men gaat er daarbij vanuit dat de mens toch capaciteiten van God gekregen heeft. Een bepaalde aanleg moet toch tot eer van God ontwikkeld worden? God zegt echter dat dat menselijk geredeneer is. Hij doet het allemaal weg. Hij neemt al het oude weg en geeft er iets nieuws voor in de plaats. Alle menselijke wijsheden zijn dwaasheden voor God. God stelt Zijn wijsheid, die verbonden is met genade en verborgenheid, tegenover de menselijke wijsheden. Van de gelovigen wordt verwacht dat ze groeien in de wijsheid van God. Daarom is het onderzoek van de Schriften zo belangrijk. De Here Jezus heeft later, tijdens Zijn omwandelingen, altijd positief gesproken over iedereen die zich met het Woord van God bezighield. Iemand die geestelijk voedsel tot zich neemt, ontvangt het beste deel. Het Koninkrijk van God is nu verborgen in de hemel. Degene die het Koninkrijk van God zoekt zal alle dingen die nodig zijn uit de hand van de Heer ontvangen (Matthéüs 6 : 33). God handelt zo omdat Hij een goede en genadige God is.



 Gerelateerde bijbelezing:
* De 12 jarige Jezus in de tempel


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld




Dit is een bewerking van de Brochure "De 12 jarige Jezus in de tempel" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl