LEVEN ONDER HET NIEUWE VERBOND

7 Want indien dat eerste verbond onberispelijk geweest ware, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest.
8 Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Hebreeën 8 : 7, 8

In Hebreeën worden twee verbonden beschouwd, namelijk het oude (eerste) en het nieuwe (tweede) verbond. Het nieuwe verbond vervangt een ander verbond. In Jeremia 31 wordt voor het eerst over een nieuw verbond gesproken. In Hebreeën 8 wordt dit vers geciteerd. Als wedergeboren gelovigen zouden wij ons hart laten vullen met het Woord Gods en met Zijn Geest. Dan krijgen wij de identiteit van Christus. Dan leven wij uit Christus. Dat Leven zouden wij geen opdrachten geven en geen beperkingen opleggen.

Wij zouden dat Leven léven. Helaas is dit leven uit de genade en vrijheid van het nieuwe verbond in de praktijk weinig bekend. Deze nieuwtestamentische waarheid wordt door degenen die de baas willen zijn over andere gelovigen, en daarvoor de wet weer herintroduceren, tenonder gehouden. Men neemt zo de plaats van Christus in. Dat zouden wij ons nooit laten gebeuren. Leef daarom het nieuwe leven dat ons onder het nieuwe verbond is gegeven door Christus Zelf.


Wat is een verbond?

De Bijbel gaat over niets anders dan over het nieuwe verbond. In de loop der tijd heeft men geprobeerd de diverse in de Bijbel genoemde verbonden te systematiseren. Men heeft geprobeerd de verschillen tussen al deze verbonden te laten zien. Maar al de verbonden in de Bijbel worden uiteindelijk vervuld in dat ene nieuwe verbond, dat tot stand is gekomen door de opstanding van Christus. Een verbond is een overeenkomst, een verbintenis ofwel een onderlinge afspraak tussen twee partijen. Die overeenkomst kan van één partij uitgaan en de andere partij kan daarmee akkoord gaan. De overeenkomst kan tussen twee of meer partijen gesloten worden. Het is ook een onderlinge afspraak ofwel een belofte, waaraan beide partijen zich zouden houden. Die overeenkomst wordt dan zwart op wit gesteld. Bijbelse voorbeelden van twee gelijkwaardige partijen (twee personen) die een afspraak maken:

Het verbond tussen Izak en Abimelech

26 En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste.
27 En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden?
28 En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de HEERE met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken:
29 Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt de gezegende des HEEREN!
30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken.
31 En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede. Genesis 26 : 26-31 *

In dit gedeelte komt ten eerste naar voren dat bij een verbond een eed wordt gezworen. Dit vinden we ook in Hebreeën 6 : 13-16. Ten tweede wordt duidelijk dat men een maaltijd met elkaar nuttigt. Dit is een teken van gemeenschap.

Het verbond tussen Jakob en Laban

44 Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij, dat het tot een getuigenis zij tussen mij en tussen u!
45 Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde die, tot een opgericht teken.
46 En Jakob zeide tot zijn broederen: Vergadert stenen! En zij namen stenen, en maakten een hoop; en zij aten aldaar op dien hoop.
47 En Laban noemde hem Jegar-Sahadutha; maar Jakob noemde denzelven Gilead.
48 Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead, Genesis 31 : 44-48

Uit dit gedeelte komt naar voren dat een verbond verband houdt met een getuigenis. Een verbond getuigt ergens van. De getuigenis (ad) wordt hier uitgedrukt in een hoop (gil) stenen. Bij dit verbond gebruikte men ook een maaltijd.

Het verbond tussen Jonathan en David

1 Het geschiedde nu, als hij geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.
2 En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet wederkeren tot zijns vaders huis.
3 Jonathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.
4 En Jonathan deed zijn mantel af, dien hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe. 1 Samuël 18 : 1-4

Doe dan barmhartigheid aan uw knecht, want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood gij mij; waarom zoudt gij mij toch tot uw vader brengen? 1 Samuël 20 : 8

David en Jonathan sloten een verbond met elkaar voor de Here

17 En Jonathan voer voort, met David te doen zweren, omdat hij hem liefhad; want hij had hem lief met de liefde zijner ziel. (1 Samuël 18:1-4)

42 Toen zeide Jonathan tot David: Ga in vrede; hetgeen wij beiden in den Naam des HEEREN gezworen Hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid! 1 Samuël 20 : 17, 42

David en Jonathan zwoeren elkaar dat zij eikaars nageslacht niet zouden uitroeien. David was trouw aan die belofte.

Het verbond van het volk Israël met een ander volk

32 Gij zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken.
33 Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Exodus 23 : 32, 33

Israël had een verbond met de Heer. Zij mochten geen verbond met een ander volk sluiten.

Het verbond van een mens voor het oog en aangezicht van de Here

Het eerste voorbeeld staat al in 1 Samuël 20 : 8. De Here wordt daar als Getuige aangeroepen.

De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond. 2 Koningen 23 : 3

Hier deed een gelovige koning een belofte naar de Here toe. Het volk volgde de koning daarin. Het volk beloofde de Here iets.

Het verbond van volkeren tegen Israël en tegen de Here

3 Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.
4 Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.
5 Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israëls niet meer gedacht worde.
6 Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt; Psalm 83 : 3-6

Door middel van een onderlinge afspraak willen volkeren de God van Israël overwinnen.

Het verbond van God met personen

Deze verbonden zijn zonder voorwaarde:

  • Het verbond met Noach. Zie Genesis 6 : 18 en 9 : 12.
  • Het verbond met Abraham en Zijn Zaad. Deze beloftenissen zijn de basis van het nieuwe verbond.
  • Het verbond met Levi in verband met het priesterschap (Maleachi 2 : 4)
  • Het verbond met David. (2 Samuël 7)
  • Het verbond met Abraham en David worden vervuld in Christus. Hij is de Zoon van Abraham en de Zoon van David (Matthéüs 1 : 1).

Het verbond van God met het volk Israël

Dit is een voorwaardelijk verbond. Dit verbond komt het meest voor in de Schrift. Dit verbond heet de wet ofwel het oude verbond. De voorwaarde wordt uitgedrukt door het woord “indien”. Indien gij dat en dat doet, dan zal Ik u zegenen.

5 Nu dan, INDIEN gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;
6 En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult.
7 En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.
8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE. Exodus 19 : 5-8

2. Deuteronomium 28

In de eerste veertien verzen worden de zegeningen genoemd voor het volk als zij zouden gehoorzamen. In de overige verzen (15-68) wordt de vloek genoemd als zij ongehoorzaam zouden zijn. Dit is zo gebeurd. In de Bijbel kennen we het woord “verbond”, maar ook het woord “testament”. In het Grieks zijn het dezelfde woorden. Een testament heeft te maken met een laatste wilsbeschikking en wordt pas van kracht als de testamentmaker overleden is. Hebreeën 9 : 17 zegt: “Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.” Het woord testament komt niet in het Hebreeuws voor. De indeling van het Oude- en het Nieuwe Testament in de Bijbel (van Genesis tot Maleachi en van Matthéüs tot Openbaring) klopt Bijbels gezien niet. Het Oude Verbond is pas vervuld in de dood van de Here Jezus Christus. (Romeinen 10 : 4) Hij is het einde der wet. Het Nieuwe Testament is begonnen in de opstanding van Christus (Hebreeën 9 : 15). Hij is de Middelaar van het Nieuwe Testament. Het Oude Testament loopt dus door tot en met de Evangeliën, omdat de opstanding van Christus aan het eind daarvan staat. Het Nieuwe Testament begint feitelijk bij Handelingen, waar de opstanding van Christus gepredikt wordt.

In het Hebreeuws is het woord voor verbond “berieth”. Dit woord is onder andere afgeleid van het werkwoord “barah”. Barah betekent “eten”. We hebben al gezien dat bij het sluiten van een verbond gegeten wordt. Een verbond sluiten betekent dat er gemeenschap is door middel van bepaalde afspraken. In het Engels bestaan twee uitdrukkingen voor het woord verbond. De eerste Engelse uitdrukking is “covenant” en de tweede uitdrukking is “testi- mony”. “Covenant” komt dichtbij ons Nederlandse woord convenant. Dit woord geeft een bindende toezegging van de ene partij aan de andere partij weer. Een convenant is eenzijdig. De twee partijen zijn niet gelijkwaardig. We kunnen het ook een belofte noemen. Het woord testimony betekent “getuigenis”. Testimony komt overeen met ons Nederlandse woord testament. Een testament is een toezegging van de ene partij aan de andere. Wij gebruiken het woord testament slechts in geval van een erfenis, maar dat hoeft niet noodzakelijk te zijn. De Engelse woorden geven een betere indruk van de betekenis van het woord verbond in de Bijbel. Daarin is een verbond tussen God en de mens gewoonlijk de toezegging van God aan de mens oftewel een belofte van God aan de mens. De enige uitzondering is wellicht het verbond der wet. Wij hebben immers geleerd dat het verbond der wet eisen stelt aan de mens. De mens moest toestemmen in de wet. In Exodus 19 : 8 zegt het volk Israël: “Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” Bij nader inzien kan van de wet ook gezegd worden dat God tot de mens zei: “Welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE.” (Leviticus 18 : 5) Op deze manier is het de toezegging van God aan de mens. Wat God beloofde, zou alleen gegeven worden aan degene die deze dingen zou doen. Alle andere verbonden die wij in de Bijbel kennen zijn eenzijdig. Zij zijn een toezegging van God aan de mens. God sloot een verbond met Adam. In dat verband wordt het woord verbond niet gebruikt, maar in de theologie wel. Het is de toezegging van God aan Adam dat het Zaad der vrouw zou komen (Genesis 3 : 15). Dit noemt men het proto-evangelie. God zegt wat Hij zal doen. Van Adam en Eva wordt niets verwacht. Het verbond van God met Adam is een belofte met betrekking tot de toekomst. Beter gezegd: het is een belofte met betrekking tot gaven die gegeven zouden worden. Het initiatief gaat van God uit en de mens is passief. God sloot een verbond met Abraham. Dat is het verbond der genade. Het verbond met Abraham wordt de belofte en de beloftenissen genoemd. (Galaten 3 : 16, 18) God sloot een verbond met David. (Jeremia 33 : 21; 2 Samuël 7 : 12) God gaf David een eenzijdige toezegging. Hij mocht de tempel niet bouwen, maar de zoon die uit zijn lijf voortkomen zou, zou voor Gods Naam een huis bouwen. Die Zoon zou een eeuwig koninkrijk ontvangen. David hoefde daar verder niets voor te doen.

Conclusie: Het nieuwe verbond is een toezegging, namelijk een belofte van God aan de mens Het is geen tweezijdige overeenkomst. Het is in de praktijk niets anders dan de uiteindelijke vervulling van alle beloften die in het Oude Testament gedaan zijn. Anders gezegd: het is de vervulling van alle verbonden. Alle beloften die onder het oude verbond gedaan zijn, worden vervuld onder het nieuwe verbond. Onder het nieuwe verbond worden alsnog nieuwe, namelijk betere beloftenissen gedaan. Wij leren uit de Schrift dat wij deel hebben gekregen aan de beloften die God aan de vaderen gedaan heeft. Wij leren ook dat aan ons beloften gedaan zijn die de Heer in de toekomst aan ons zal vervullen.

3. Hebreeën 8

De Waarheid in deze brief is niet afhankelijk van degene die het vertelt of schrijft, noch van degene aan wie het verteld wordt. Waarheid wordt meestal tot mensen gesproken die van nature leugenaars zijn. Waarheid staat of valt niet bij de mens, maar bij God Die de Waarheid is! Wie het Woord Gods (de Waarheid) geschreven heeft of aan wie, doet niet ter zake. In Hebreeën 8 wordt de inhoud van de brief samengevat.

De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zoda- nigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen. Hebreeën 8 : 1

De hoofdsom is de samenvatting ofwel alles bij elkaar opgeteld. Wij, zowel de afzender als de geadresseerde, hebben zo een Hogepriester Die gezeten is aan de rechterhand van God. Dit wordt in bijna alle nieuwtestamentische Bijbelboeken letterlijk geciteerd uit Psalm 110. Er zijn mensen die zeggen dat de apostel Paulus deze brief schreef op een tijdstip dat hij de volle waarheid nog niet verstond. Er zijn ook mensen die geloven dat hij deze brief aan joden en niet aan heidenen schreef. Er zijn ook mensen die beweren dat Christus niet onze Hogepriester is! Men zegt dat de Hogepriester uitsluitend aan het joodse volk werd gegeven. Wel, Paulus zegt hier duidelijk, dat wij zo’n Hogepriester hebben! Paulus is de apostel van deze tegenwoordige bedeling der genade. We vinden van hem geen tekst waarin staat dat Christus niet langer de Hogepriester van de apostel Paulus was. Moeten we dus vaststellen dat hij ongelijk had? Zulke uitspraken zijn in de theologische wereld wel aan de orde, maar wij zouden ons niet in die richting begeven. Wij hebben een Hogepriester Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen. Dit in tegenstelling tot het volk Israël. Zij hadden onder het oude verbond een Hogepriester Die sterfelijk en zwak was.

Wij hebben een Hogepriester Die meerder is dan Aaron. Onze Hogepriester is in de hemel gezeten op een troon. Hij is dus niet alleen Priester, maar ook Koning. In het Oude Testament waren priesterschap en koningschap van elkaar gescheiden. Onder het nieuwe verbond hebben wij een Hogepriester Die tegelijkertijd Koning is. Een Koning Die recht doet en Die kans ziet om op rechtvaardige grond genade te schenken. Dat is een wonder.

Een Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mens. Hebreeën 8 : 2

Christus dient in het ware heiligdom, in de ware tabernakel en tempel. Christus dient niet in de tabernakel van het oude verbond en ook niet in de tempel van het oude verbond (die van Salomo, Ezra of Herodes). De ware tempel waarin Christus dient, is de hemel zelf. De tabernakel en de tempel waren onder het oude verbond een uitdrukking van hemelse dingen. In de symboliek (typologie) van het oude testament deden Aaron en zijn opvolgers dienst in een aards en tijdelijk heiligdom. Onze Hogepriester doet dienst in de hemel zelf. De ware tabernakel is door de Here opgericht. Dat is een betere tempel, niet door mensenhanden gemaakt, zoals de tempel van Salomo, maar een werk van God.

Want indien Hij op aarde ware, zo zou Hij zelfs geen Priester zijn, dewijl er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren; Hebreeën 8 : 4a

De Here Jezus Christus kennen wij als de Hogepriester van het nieuwe verbond naar de ordening van Melchizédek. Paulus betoogt dat als Christus op aarde gebleven zou zijn, Hij dan geen Hogepriester zou zijn. In hoofdstuk 7 : 14 zegt hij: “Want het is openbaar dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.” De hogepriester van het oude verbond moest uit de stam van Levi en wel uit het huis van Aaron komen. De Here Jezus was uit de stam van Juda. Hij was geen priester en zou dat naar de wet ook niet kunnen zijn. Paulus’ uiteenzetting is een getuigenis aan het joodse volk dat de Messias niet in de eerste plaats op aarde een positie zou hebben. Hij zou een plaats in de hemel hebben. De Messias zou niet op aarde Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizédek. Op aarde zou de Messias uit de stam van Juda op de troon van zijn vader David kunnen zitten, maar Hij zou nooit de Middelaar van het nieuwe verbond kunnen zijn met het daarbij behorende hogepriesterschap. De verschijning van de Messias zou een einde maken aan het judaïsme, het wettische godsdienstige systeem en onderdeel van het oude verbond.

Want een ieder hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren. Hebreeën 8 : 3

In vers 3 staat dat de Hogepriester wat zou hebben om te offeren. Meestal denkt men dan aan Zijn lijden en aan Zijn dood. Het probleem is dat de Heer dat offer nooit gebracht kan hebben als Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Ook niet als zijnde Hogepriester naar de ordening van Aaron. Jezus Christus was niet uit Aaron en Hij was dus geen priester. In vers 3 wordt geleerd dat Hij een offer gebracht heeft in Zijn hoedanigheid van Hogepriester. Het gaat dan om een offer dat Hij bracht na Zijn opstanding. Door Zijn opstanding werd Hij tot Hogepriester en Koning oftewel tot Eerstgeborene aangesteld van het nieuwe verbond en van een nieuwe schepping. Christus moest om Middelaar van het nieuwe verbond te kunnen zijn, gesteld worden in de hemel als Hogepriester. Niet van het oude verbond der wet, maar van het nieuwe verbond der genade. In hoofdstuk 8 gaat het om de tegenwoordige positie van Christus als de Middelaar van het nieuwe verbond. De Hogepriester van het nieuwe verbond verschijnt (zoals aangekondigd in het Oude Testament) als eerst het oude verbond opgeheven dan wel vernietigd wordt. (Hebreeën 7 : 18) Paulus zet hier uiteen dat het nieuwe verbond is aangebroken door de opstanding van Christus en dat daarmee noodzakelijk een einde gemaakt is aan het oude verbond.

De vervulling van het oude verbond vond plaats door de dood van de Here Jezus. Hij heeft niet de wet gedaan, maar is der wet gestorven. De wet veroordeelt de zondaar en daarmee ieder mens ter dood. Op het moment dat de zondaar sterft is de wet vervuld. Waar Eén voor allen gestorven is, daar is de wet vervuld en dus beëindigd. De wet behoort tot het verleden. Het probleem van het joodse volk is, dat het de prediking van het Evangelie – het nieuwe verbond – verwierp. Als men tot aanvaarding van Jezus Christus wilde komen, betekende dat het eind van het jodendom. Dus als een jood tot geloof in de Here Jezus Christus komt, maakt dat een eind aan zijn joodse identiteit. Andersom geldt: wie gelooft is pas echt een jood. Van ons gelovigen uit de heidenen wordt gezegd: “die is een jood, die het in het verborgen is, en door de besnijdenis des harten, in de geest”. (Romeinen 2 : 29) Het jood zijn heeft niets met afstamming te maken, maar wel met geloof of ongeloof. Een godsdienstige jood die tot geloof in de Here Jezus Christus komt, wordt uit de synagoge gezet en dood verklaard door de familie. Men regelt zelfs een officiële begrafenis. Wij, gelovigen uit de heidenen, zouden deze dingen ook goed verstaan. Wij zijn kinderen Gods geworden niet om wat wij zijn, niet om wat wij waren, maar uitsluitend door geloof in de Here Jezus Christus. Het maakt een eind aan wat wij van nature waren. Het doet er niet toe of wij nu wel of niet onder de wet leefden. Wij zijn der wereld en der wet gestorven. Wij zijn gestorven naar het vlees. Wij leven voor God enkel en alleen op grond van het Leven dat wij in Christus door geloof en door wedergeboorte ontvangen hebben.

 … dewijl er nog priesters zijn, die naar de wet gaven offeren. Hebreeën 8 : 4b

Toen Paulus dit schreef waren er nog priesters op aarde. Hieruit maken wij op dat de brief geschreven is vóór het jaar 70 van onze jaartelling, dat is voor de verwoesting van tempel en van Jeruzalem. Sindsdien is er een einde gekomen aan de officiële priesterlijke dienst onder het jodendom. De priesters van die dagen offerden gaven.

Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den berg getoond is. Hebreeën 8 : 5

Het “voorbeeld en de schaduw van hemelse dingen” is de tempel en de tempeldienst. In het verleden was dat de tabernakel en de dienst daarin. Paulus zegt dat de dienst onder de wet en onder het judaïsme van oorsprong niets anders is dan een voorbeeld, een afbeelding, een type ofwel een schaduw van datgene waar het werkelijk om gaat. De dienst onder de wet had in zichzelf geen enkele functie. Het had slechts een profetische dan wel typologische betekenis. Waar de hemelse dingen zelf en daarmee het nieuwe verbond tot stand gebracht is, is automatisch geen plaats voor dit voorbeeld en voor de schaduw van die hemelse dingen. Daarom werd van Godswege de tempel verwoest en verbrand. God maakte een eind aan een joodse godsdienstige staat. God bracht het oordeel niet alleen over de tempel, de stad en de staat, maar ook over de min of meer joodse, eerste gemeente in Jeruzalem. Die grote gemeente met duizenden leden uit de eerste dagen van Handelingen verarmde. Deze gemeente vluchtte tijdens de verwoesting uit Jeruzalem. Dit in overeenstemming met het algemene karakter en kenmerk van onze tegenwoordige bedeling, waarbij de zaligheid (het Woord Gods) van het joodse volk weggenomen is en gegeven is aan heidenen.

Mozes was door Goddelijke aanspraak vermaand toen hij de tabernakel volmaken zou. Mozes was verantwoordelijk voor de bouw van de tabernakel. De Heer had Mozes gezegd dat hij alles zou maken naar de afbeelding die hem op de berg getoond was. Mozes moest de tabernakel bouwen aan de hand van wat hij gezien had op de Sinaï. Wij denken dat Mozes een model van de tabernakel op schaal getoond werd, dat in het groot na nagebouwd moest worden. God zou aan Mozes de bouwtekeningen hebben laten zien. Zo zit het niet in elkaar. Hier staat dat Mozes op de berg hemelse dingen heeft gezien, die hij vervolgens in de woestijn moest uitdrukken in de tabernakel. Hij moest abstracte dingen (hemelse waarheden) als beeldend kunstenaar uitdrukken in zichtbare dingen. Mozes gaf deze opdracht aan twee mannen die door de Heilige Geest waren onderwezen in hoe zij abstracte dingen gestalte zouden geven in vormen. (Exodus 35 : 30-35) Hoe wordt bijvoorbeeld eeuwig leven uitgebeeld? Leven is licht, dus maak je een lamp. Die lamp mag nooit uitgaan, omdat het om eeuwig leven gaat. Die lamp moet dus steeds door de priester bijgevuld worden. Zo kwam de menora tot stand. De menora was gemaakt in de vorm van een boom. Een boom beeldt ook leven uit. Die boom had één stam en zes takken. De zeven takken in totaal spreken van het volmaakte werk Gods. Het was een amandelboom. Dat is de eerst bloeiende boom in het land. De vorm van de amandel zelf is ook een uitdrukking van eeuwig leven. Het eeuwige leven wordt uitgebeeld door de knoppen, bloemen en noten (vruchten), die gelijktijdig aan de boom groeien. Die boom trekt zich dus niets van de seizoenen aan. Er bestaat geen zomer en winter, leven en dood meer. Zo’n menora beeld een constante stroom van leven uit. Dit is bedacht door de Heilige Geest. Dat geldt voor alle aspecten van de tabernakel. De tabernakel is één groot kunstvoorwerp. Niet omdat het technisch zo perfect in elkaar zit, want dat heeft met ambacht te maken. Het is een uitbeelding van geestelijke en anders ongrijpbare dingen.

Heel wat misverstanden ontstaan doordat wij niet begrijpen dat kennisoverdracht en het vastleggen van kennis in het verleden in het algemeen niet gebeurde via de computer of door het schrijven van boeken. De meeste mensen konden niet lezen of schrijven. Wanneer zij wel konden schrijven was er toch geen papier. Perkament is heel duur, omdat het speciaal leer is. Kleitabletten waren klein en breekbaar. Men legde kennis vast in beelden. Door beelden zou men herinnerd worden aan bepaalde waarheden of aan gebeurtenissen uit het verleden. Bij het sluiten van een verbond richtte men in de tijd van de aartsvaders een hoop stenen op. Zo bouwde men vroeger een toren op de plaats waar het Evangelie gebracht was. Als men tot geloof kwam, werd men verlost van het heidendom en van de macht van satan. Zo’n toren werd vaak de toren van St. Michaël genoemd. Michaël is Christus Die de draak verslaat. Wanneer wij westerlingen daar jaren later komen, denken we aan domme mensen die dachten dat St. Michaël daar een draak heeft verslagen. Wij vinden de beelden en we denken dat men het letterlijk bedoelde. Het is echter een uitbeelding van geestelijke waarheid. Zo vinden we nog kerken op een hoge berg, omdat die berg een plaats van afgoderij was en nu gewijd is aan de dienst van God. Deze beginselen zouden wij leren verstaan. In mijn geheugen zit heel wat met betrekking tot de Bijbel, omdat zij werden afgebeeld op grote platen. Aan de wand in het schoollokaal hingen bijvoorbeeld platen van de tabernakel.

Zo was de dienst in de tabernakel een uitbeelding van eeuwige geestelijke waarheden en een uitdrukking van de beloften die God aan de gelovigen gedaan had. Zo kennen wij in onze dagen de doop als uitbeelding van dood en opstanding. Het Avondmaal kennen wij als uitbeelding van brood en wijn, voortgebracht door Melchizédek ofwel een uitbeelding van het Leven wat er is in Christus de Middelaar van het nieuwe verbond. Via deze zichtbare tekenen worden wij bepaald bij de geestelijke waarheden. Wij hebben nu een Bijbel, maar vroeger had men die niet. De boekdrukkunst bestaat nog maar een paar eeuwen. Voor die tijd was een boek zeer zeldzaam en zeer kostbaar. Vroeger werden waarheden aan de mensen verteld via de prediking of door confrontatie via beelden. Zo kon men zijn gedachten bepalen bij geestelijke dingen. Wij protestanten hebben vaak een afkeer van de beeldende kunstwerken in de Rooms-Katholieke kerken. De functie van die ramen, schilderijen en beelden was het bewaren van de waarheden. In de loop der tijd zijn deze beelden misbruikt. Zij werden voorwerpen van afgoderij. Dat was echter niet de bedoeling. De functie die deze dingen oorspronkelijk hadden, hebben zij nog steeds. Diezelfde functie had de tabernakel in oudtestamentische tijd. Het was de uitbeelding van hemelse dingen. Het is de bedoeling dat wij de typologische betekenis van de tabernakel leren verstaan. De Geest waardoor Bezaleël en Aholiab werden geïnspireerd is dezelfde Geest Die ons in heel de waarheid zou leiden.

Paulus noemt in Hebreeën 9 de tabernakel en de voorwerpen die erin stonden. Hij zegt daarbij: “Van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niets zullen zeggen.” (Hebreeën 9 : 5) Waarom haalt Paulus dit aan? Nergens wordt erin de Bijbel een verklaring gegeven van de betekenis van deze voorwerpen. Paulus zegt er ook niets over. Toch zegt hij dat er wel wat over te zeggen valt. Wat moeten wij er dan mee? De Geest zou ons in de Waarheid leiden. In het Nieuwe Testament worden wij op de hoogte gesteld van wat Mozes heeft gezien in de hemel. Waar wij de nieuwtestamentische waarheid leren verstaan, zullen wij die herkennen in de beelden zoals wij die bijvoorbeeld in het tabernakel vinden en in de oudtestamentische typologie. Andersom geldt: Voor zover wij die typen en beelden niet verstaan en herkennen, komt dat door het niet kennen van het nieuwe verbond. Door dat gebrek aan kennis wordt er veel onzin verteld. Theologen in de vorige eeuw spraken af niet meer over typologie te spreken. Men vond dat typologie achterhaald was, omdat iedereen ervan kon maken wat hij wilde. Naarmate men kennis van Bijbelse, nieuwtestamentische, christelijke waarheden verloor, naar diezelfde mate herkende men deze waarheden ook niet in de oudtestamentische typen. Paulus laat zien dat de nieuwtestamentische waarheden al vastlagen en geïllustreerd werden in deze oudtestamentische beelden en typen. Op die manier en voor dat doel is de tabernakel in die tijd gebouwd. Mozes zag de waarheid en onder zijn verantwoordelijkheid werden deze dingen gebouwd. Paulus zet uiteen dat waar het nieuwe verbond is aangebroken en de waarheid van het nieuwe verbond openlijk gepredikt wordt, deze typen hun functie hebben gehad. De type zijn vervuld en worden daarom vernietigd.

En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 8 : 6

Christus Die geen dienaar was in de aardse tabernakel en geen priester was onder de wet, heeft sinds Zijn opstanding een zoveel uitnemender bediening gekregen. De bediening van Christus is uitnemender dan de bediening van de oudtestamentische hogepriester. Hij is dienaar van een beter verbond, hetwelk betere beloften kent. De functie van de priester is dus die van middelaar. Volgens deze gedachte was Aaron de middelaar van het oude verbond, hoewel dat ook aan Mozes wordt toegeschreven. Christus is de Middelaar en daarmee Hogepriester van een beter verbond, namelijk van het nieuwe verbond. De gedachte is dat de religieuze jood in alle vrijmoedigheid het judaïsme aan de kant zou schuiven, omdat hij er iets beters voor terugkrijgt. De tragiek van het christendom is dat het het betere verbond niet weet te waarderen en soms helemaal niet kent en dan grijpt naar het oude. Men kent de genade van het nieuwe verbond niet en grijpt in plaats daarvan terug op de wet die veel minder is. De gemiddelde christen en de gemiddelde niet-christen weet niet anders dan dat christenen geacht worden “vrijwillig” onder een uitgebreid stelsel van regels en wetten te leven. Als iemand ons verwijt dat wij geen goeie christenen zijn, dan is dat omdat wij dingen doen die zij van ons niet verwacht hadden. Zo van: “Ik had nooit gedacht dat jij als christen dat zou doen”. Die dingen hebben niets met christendom te maken. Ze liggen heel dicht in de buurt van het jodendom met hun wettische systeem.

Het nieuwe verbond is bevestigd in betere beloften. Waar het nieuwe verbond beter is dan het oude verbond, kent het nieuwe verbond betere beloften. De beloften van het oude verbond houden onder andere in dat de gelovige uit alle tijden (het individu en niet het volk) na de komst van de Messias eeuwig leven zou ontvangen. De komst van de Messias is niet Zijn geboorte in Bethlehem, maar Zijn opstanding. God heeft die belofte aan ons vervuld. De belofte van eeuwig leven is dezelfde als de belofte van de komst van de Heilige Geest. Dat blijkt uit het Oude Testament, maar ook uit de prediking van de apostelen in het Nieuwe Testament. De belofte van eeuwig leven is dezelfde als de belofte van wedergeboorte, namelijk uit de Geest geboren worden, danwel nieuw leven ontvangen. De formulering is anders maar de belofte is dezelfde. De belofte was ook dat gelovigen kinderen Gods zouden worden. (Johannes 1 : 12) Johannes zei: “Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods zouden genaamd worden. (1 Johannes 3 : 1) Dit is geredeneerd vanuit oudtestamentische tijd. Daarna zegt hij: “En wij zijn het ook. Geliefden, nu (inmiddels) zijn wij kinderen Gods.” Dit in overeenstemming met de nieuwtestamentische prediking dat God de belofte aan de vaderen gedaan vervuld heeft toen God Jezus verwekt heeft. (Handelingen 13 : 32) Het feit dat wij kinderen Gods zouden zijn, is de vervulling van de belofte die onder het oude verbond gedaan zijn. Wij zijn kinderen Gods, dus leven wij uit de vervulling van de oudtestamentische belofte. Op grond van onze wedergeboorte en ons geloof leven wij inmiddels onder het nieuwe verbond. Wij waren zondaren. Wij kwamen tot geloof in de Here Jezus Christus en ontvingen Zijn nieuwe Leven. Vanaf dat moment leven wij onder het nieuwe verbond, dat uitsluitend gesloten wordt met gelovigen. De gelovigen zijn uitverkoren op grond van hun geloof. Sinds onze wedergeboorte hebben wij dus deel aan de vervulling van de oudtestamentische beloften. Er worden ons als kinderen Gods echter opnieuw betere beloftenissen gedaan. Wat zijn die betere beloften? Oudtestamentische beloften zijn beloften aan gelovigen dat zij kinderen Gods zouden worden. Nieuwtestamentische beloften zijn beloften aan kinderen Gods dat zij zonen (erfgenamen) zouden worden. Wij zouden mede-erfgenamen met Christus zijn. (Romeinen 8 : 17) Wij – kinderen Gods – zouden tot zoon gesteld worden.  De strekking van Hebreeën 8 is dat Paulus aan degenen die onder het oude verbond leven zegt: “Kom tot het nieuwe verbond, want de Schrift leert dat dat veel beter is.”

Want indien dat eerste verbond onberispelijk geweest ware, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest. Hebreeën 8 : 7

Het eerste verbond is niet letterlijk het eerste verbond. Het oudste verbond in de Bijbel tussen God en de mens is het “verbond” met Adam. In Hebreeën worden slechts twee verbonden beschouwd, namelijk het oude en het nieuwe verbond, ofwel het eerste en het tweede verbond. Het nieuwe verbond heet niet het nieuwe verbond, omdat het nieuw is, maar omdat het een ander verbond vervangt. Alle verbonden waren ooit nieuw. De eerste keer dat van een nieuw verbond sprake is, is in Jeremia 31 en dat wordt hier in Hebreeën 8 geciteerd.

8 Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten;
9 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere. Hebreeën 8 : 8, 9

In Jeremia 31 : 32 staat letterlijk: “Welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere.” Dit nieuwe verbond heet een nieuw verbond, omdat het een oud verbond der wet vervangt. Van alle oudtestamentische verbonden is er één dat definitief beëindigd is. Het oude verbond werd vervuld in de dood (de wettige veroordeling ook van Godswege) van de Here Jezus. De Here Jezus droeg de zonden der wereld. Met name die zonden die te voren begaan waren onder de verdraagzaamheid van God. (Romeinen 3 : 25) Aan het nieuwe verbond is helemaal niets nieuws. Tot op zekere hoogte is het nieuwe verbond niets anders dan de uitwerking en vervulling van de belofte aan Adam. (Genesis 3 : 15) Bovendien was het aanbreken van het nieuwe verbond de uiteindelijke vervulling van het feit dat God zei: “Laat ons Adam (mens) maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.” Toen werd Adam geschapen, maar dat was hem niet. Adam was een voorbeeld (type) van Christus Die komen zou. (Romeinen 5 : 14) God had tot David gezegd dat niet hij, maar een zoon die uit zijn lijf voort zou komen de tempel zou bouwen. God zou Zijn koninkrijk bevestigen en Hij zou voor de Naam van de Heer een huis bouwen. De Bijbel zegt dat bouw van de tempel door Salomo de vervulling is van de beloften die God aan David gedaan had. De beloften die God aan David deed, waren op een of andere wijze van toepassing op Salomo, maar dat was niet de definitieve vervulling van de beloften aan David. De echte Salomo is Christus.

In Genesis 3 gaat het over het zaad van de vrouw. Toen Eva Kaïn kreeg, dacht zij dat hij misschien het beloofde zaad was. Kaïn was dat niet. Hij sloeg zijn broer dood. Seth die later geboren werd, wordt zo genoemd, omdat God een ander zaad gezet had voor Abel (Genesis 4 : 25). Ook Seth was niet het beloofde zaad. Het echte Zaad verscheen pas in Christus. Hij wordt in 1 Korinthe 15 : 45 de laatste Adam genoemd. Adam was de eerste en Christus is in deze vergelijking de laatste. Adam was een voorbeeld en jaren laten kwam Christus, de echte. Christus heet de laatste Adam omdat Hij vooraf werd uitgebeeld in de eerste Adam.

Toen God een verbond sloot met de mens, kwam er eerst een afbeelding, namelijk de wet en jaren later kwam het nieuwe verbond. De wet was een afbeelding van hetgeen komen zou. Zo was Adam een afbeelding van Degene Die komen zou. Dit is een Bijbels beginsel dat vaak voorkomt. Wanneer God iets doet, denken wij soms dat het de vervulling is van hetgeen God beloofd heeft. Dat is dan niet zo, omdat de uiteindelijke vervulling pas veel later komt. Er komt eerst een afbeelding ofwel een voorafschaduwing. Het nieuwe verbond heet het nieuwe verbond, omdat er een schaduw aan voorafging onder de wet. De wet heet daarom het oude verbond. Het oude verbond is een beeld, een schaduw, een type van het nieuwe verbond. Het nieuwe verbond is de voltooiing ofwel de vervulling van wat onder het oude verbond gezegd werd. Het nieuwe verbond komt in de plaats van het oude verbond. Het oude verbond bleek tot geen goed in staat. De wet bleek zwak en onprofijtelijk te zijn en werd daarom vernietigd. (Hebreeën 7 : 18) Op een andere plaats staat dat de wet zwak is, omdat hij op het vlees gelegd wordt. (Romeinen 8 : 3) De ketting is misschien wel sterk, maar de sluiting deugt niet. De wet is in zichzelf: rechtvaardig, heilig en goed. (Romeinen 7 : 12) Het juk was in orde. Het juk brak niet, maar Petrus zegt dat wij, noch onze vaders, dat juk hebben kunnen dragen. (Handelingen 15 : 10) Het zwaard van Goliath bijvoorbeeld was een prima zwaard, maar wij zouden daar niets mee kunnen, omdat het voor ons veel te groot is.

In 2 Korinthe 3 wordt het oude verbond met verschillende aanduidingen tegenover het nieuwe verbond gezet. Het oude verbond bestaat uit stenen tafelen, uit letteren, is een bediening des doods en der verdoemenis. Het nieuwe verbond is geschreven in vlesen tafelen des harten, is van de Geest, is een bediening des Geestes in heerlijkheid en rechtvaardigheid. De wet brengt de mens ter dood. Daarna heeft de wet niemand meer om over te heersen, want iedereen is gestorven. De Bijbel zegt: “Eén stierf voor allen, dus zijn allen gestorven.” (2 Korinthe 5 : 15) Want het einde der wet is Christus tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft (Romeinen 10 : 4) in Hem Die God uit de dood heeft opgewekt. Christus is de Eerstelling van het nieuwe verbond. De termen oude en nieuwe verbond hebben maar één betekenis: oud wil zeggen dat het verdwijnt en nieuw wil zeggen dat het het oude vervangt. De datum van oorsprong doet er niet toe. Het nieuwe verbond is nooit nieuw geweest, want het is niets anders dan de vervulling van de oudtestamentische beloften van God. Toen Christus als de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek verscheen, was dat ook niet nieuw. De figuur als zodanig (de man in dat ambt) verscheen al aan Abraham (Genesis 14 : 18). Abraham erkende Hem als zijn meerdere en betaalde Hem tienden. Melchizédek was een voorafschaduwing van de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek, namelijk Christus.

Het verbond genoemd in Hebreeën 8 : 8 heet nieuw, omdat het het oude verbond vervangt. Als wij zeggen dat wij onder het nieuwe verbond leven, zeggen wij dat wij niet onder het oude verbond leven. Wij hebben niet het recht om ons onder de wet te stellen wanneer wij onder het nieuwe verbond leven. Soms redeneert men het nieuwe verbond weg, omdat het niet op ons van toepassing zou zijn. Zo wordt de weg geopend om gelovigen alsnog onder de wet te plaatsen. Dit is een waarschuwing! Men zegt dat wij niet onder het nieuwe verbond leven, omdat dat bestemd zou zijn voor Israël. Dat laatste is juist, maar dat wil niet zeggen dat het nieuwe verbond niet voor ons bestemd zou zijn. Wanneer wij het Evangelie prediken zeggen wij: “Het is ook voor u.”  De Heer zegt in Hebreeën 8 : 8 dat Hij (IK) een verbond zal oprichten over het huis van Israël en over het huis van Juda. Er staat niet dat Israël en de Heer tot overeenkomst zullen komen. De Heer deed een toezegging aan Israël. Het feit, dat het oude en nieuwe verbond aan Israël worden gegeven wil niet zeggen dat het niet voor anderen dan Israël bestemd zou zijn. Een voorbeeld is Ruth. Zij was een Moabitische vrouw. Toen haar schoonmoeder Naomi uit Moab terugkeerde naar Israël, zei Ruth: “Ik ga mee, want uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.” (Ruth 1 : 16) Afkomst had daar niets mee te maken. Het ging alleen om geloof. Waar men tot geloof komt in, en waar men komt tot aanvaarding van, dus tot onderwerping komt aan de God van Israël, krijgt men deel aan het burgerschap van Israël. Elke heiden kon altijd tot geloof komen in de God van Israël en delen in de zegeningen van Israël. Dat was zo bij Kaleb, Naäman, Ruth en Cornelius. De zaak heeft ook een andere kant. Als een geboren Israëliet zich niet onderwierp aan (niet geloofde in) de God van Israël, dan werd men door God als heiden beschouwd. Dit is meerdere malen van toepassing geweest op heel het volk. Zo werd heel het volk weggevoerd in Assyrische ballingschap, dan wel in Babylonische ballingschap. De Heer zei: “Jullie hebben in Mijn land niets te zoeken. Wanneer jullie Mij niet dienen, horen jullie ook niet in Mijn land. Dan horen jullie Mijn zegeningen ook niet te ontvangen.” Daarom moest het volk uit het land. In andere gevallen trok God Zich terug uit Zijn huis. Hij beschermde het volk niet langer, maar stuurde de vijand naar het land. Dan kwamen de Filistijnen of de Amelekieten.

In deze tijd is degene die in het verborgene een jood is een echte jood. Wie besneden is aan het hart (wedergeboren) behoort tot het volk Gods, dat nu bestaat uit de Gemeente. Als in de toekomst, na de opname van de Gemeente, alsnog geheel Israël zalig zal worden (Romeinen 11 : 26); dan gebeurt dat alleen omdat dat volk tot geloof komt. Zij geloven dan in dezelfde God als wij doen. Namelijk in Degene Die God uit de dood heeft opgewekt en gesteld heeft tot Eersteling, Koning en Hogepriester van het nieuwe verbond. De prediking aan de joden en aan de heidenen is in onze dagen niet anders. Die in de toekomst aan eerst de jood en ook de Griek is dezelfde boodschap die niet van tijd afhankelijk is en ook niet van degenen tot wie die boodschap gepredikt wordt. De apostelen schrijven: “Want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4 : 12) Er wordt vastgesteld dat de heidenen net zo zalig moeten worden als de joden. Bij nader inzien wordt vastgesteld dat de joden net zo zalig moeten worden als de heidenen. (Handelingen 15 : 8-11; Galaten 3 : 7-9) De boodschap blijft altijd dezelfde. De gedachte is dat degenen die geloven in de Here Jezus Christus en komen tot aanvaarding van Hem als de Middelaar van het nieuwe verbond, het volk Gods zijn. Dat volk maakt aanspraak op de titel Israël en eventueel op de titel Juda. Zo staat dat in de Bijbel. Daarom is nooit precies te zeggen wat de Bijbel met Israël of met Juda bedoelt. Dat is afhankelijk van de plaats waar het staat. De termen worden in beginsel gebruikt ter aanduiding van een gelovig volk; dat is dan Gods volk. Als blijkt dat het volk niet gelovig is, verliest het volk zijn naam. Als blijkt dat heidenen wel gelovig zijn, krijgen zij die naam. Zo is het in onze dagen.

Hebreeën 8 : 8 zegt dat God over het huis van Israël en over het huis van Juda een nieuw verbond op zal richten. Ik kan niet nalaten erop te wijzen dat er staat: Israël en Juda. Juda staat voor de twee stammen van Israël. Israël staat voor het hele volk in het algemeen of voor slechts de tien stammen van Israël, wanneer de naam Israël naast Juda wordt genoemd. Juda en Israël bij elkaar opgeteld vormen geheel Israël, dat wil zeggen alle twaalf stammen. In Hebreeën 8 : 8 is de volgorde eerst Israël en dan Juda. Datzelfde vinden we in Jeremia 31 : 31, in grote delen van Hosea en in Jesaja. Om een of andere reden wordt gezegd dat het nieuwe verbond in de praktijk eerst bij Israël (de tien stammen) terecht zou komen en later pas bij Juda (de twee stammen). In onze dagen is het nieuwe verbond officieel niet verder gekomen dan Israël. Het nieuwe verbond is nog niet bij de twee stammen terecht gekomen. In de toekomst komt het nieuwe verbond pas bij alle twaalf stammen terecht.

De positie van de Gemeente als hemels volk, geroepen tot Zoon en Eerstgeborene, is rechtstreeks de vervulling van de beloften die God gedaan heeft aan Abraham, Izak en Jakob. Dat staat vele malen in de Bijbel en wordt niet bestreden. De volgende naam van deze rij is: Jozef. Bij Abraham, Izak en Jakob gaat het over heel Israël, maar daarna wordt het volk in twee groepen verdeeld. Het eerstgeboorterecht gaat van Abraham, Izak, Jakob via Jozef naar Efraïm. Heel de gedachte is dat deze beloften via Jozef vervuld zijn geworden aan de Gemeente in onze dagen. De Gemeente komt officieel voort uit Jozef ofwel uit Efraïm. Deze Bijbelse waarheid is onbekend. Ik beschouw het als mijn verantwoordelijkheid om u deze onbekende dingen voor te houden. Deze dingen completeren duidelijk de Bijbelse waarheid.

Men zegt vaak dat het nieuwe verbond voor Juda is, want de tien stammen zijn immers zoek? Of men zegt: “Het oude verbond werd aan het volk Israël gegeven.” Het was echter voor ieder die maar wilde zeggen dat hij zou doen wat de Here gesproken had. Vervolgens zegt men: “Welk verbond wordt er door het nieuwe verbond vervangen?” Dat is het oude verbond. De volgende vraag is dan: “Aan wie wordt het nieuwe verbond gegeven?” Dat is ook aan Israël. U wordt daarbij geacht te denken dat Israël niet de Gemeente is. De Schrift zegt echter het volgende:

Gij zult dan weten, dat de HEERE, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten. Deuteronomium 7 : 9

Aan wie geeft God Zijn verbond ofwel Zijn weldadigheid? (N.B. Verbond in het enkelvoud is voor mij op voorhand het nieuwe verbond). God geeft dat verbond aan degenen die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.

Zo zal het geschieden, omdat gij deze rechten zult horen, en houden, en dezelve doen, dat de HEERE, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft. Deuteronomium 7 : 12

De weldadigheid is voor degenen die Hem horen en het Woord houden.

En hij zeide: HEERE, God van Israël, er is geen God, gelijk Gij, boven in den hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen. 1 Koningen 8 : 23

Gelovigen wandelen voor Gods aangezicht. Dit wordt herhaald in 2 Kronieken 6 : 14. De gedachte is dat men zich aan de Here zou onderwerpen. Men zou Hem liefhebben en dienen. De Heer geeft Zijn weldadigheid aan wie in Hem gelooft. Het nieuwe verbond is voor een ieder die gelooft. Het nieuwe verbond houdt eeuwig leven in. Het oude verbond beloofde eeuwig leven; onder het nieuwe verbond komt dat eeuwige leven tot stand.

Johannes 3 : 16 zegt: “Opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar eeuwig leven hebbe.” “Hem” is de Hogepriester van het nieuwe verbond, Die God uit de doden heeft opgewekt. Het nieuwe verbond is tot stand gebracht door de opstanding van Christus. Sindsdien is het van toepassing op allen die geloven. Het heeft met bedelingen niets van doen. Het heeft wel te maken met de meest eenvoudige verdeling van de heilsgeschiedenis: vanaf Adam tot aan Christus waren er beloften, die samenkomen in, en vervuld worden in de opgewekte Christus. Sindsdien leven wij als gelovigen uit de vervulling van al deze oudtestamentische beloften. De woorden van Jeremia 31 zijn ongeveer 600 jaar voor de opstanding van de Here Jezus Christus geschreven ter gelegenheid van de verwoesting van Jeruzalem in de dagen van Nebukadnezar. Dat was in het begin van de Babylonische ballingschap van de twee stammen van Israël. Deze 600 jaar oude woorden worden door de apostel geciteerd. Feitelijk wordt gezegd dat zij vervuld zijn.

Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 8 : 10

Hier wordt een vergelijking gemaakt tussen de woorden van het oude verbond en die van het nieuwe verbond. De woorden van het oude verbond werden in stenen tafelen geschreven of anders gezegd: gegraveerd. Zowel Petrus als onze vaderen konden deze woorden niet dragen. (Handelingen 15 : 10) Mozes kon de wet ook niet dragen. Hij “liet” de stenen tafelen uit zijn handen vallen, zodat zij braken. (Exodus 32 : 19) Deze gebeurtenissen zijn een afbeelding van “toekomende goederen”. De gedachte is dat dit oude verbond geen stand zou kunnen houden. Het was een last die niemand kon dragen en het zou een zegen zijn als de stenen tafelen zouden breken. Dit gebeurde ook. Later kreeg Mozes nieuwe stenen tafelen. Deze tafelen moesten in een houten kist bewaard worden. Deze kist werd later met goud overtrokken en werd zo de ark des verbonds. Over het eerste stel stenen tafelen wordt niet meer gesproken. Zij waren een beeld van het oude verbond. Het tweede stel stenen tafelen was een beeld van het nieuwe verbond. Zij werden bewaard in de ark des verbonds, een type van Christus. Het nieuwe verbond ligt vast in Christus, zoals het nieuwe stel stenen tafelen vast lag in de ark des verbonds. De ark des verbonds met de stenen tafelen is een uitbeelding van het geloof van Jezus Christus. Het nieuwe verbond wordt geschreven in de harten ofwel in vlezen tafelen (2 Korinthe 3 : 3). Vlezen tafelen staan tegenover stenen tafelen. De stenen tafelen waren zichtbaar en die moest men dragen zoals een juk gedragen wordt. Het nieuwe verbond is geen juk, maar wordt geschreven in onze harten. Jakobus schrijft in 1 : 1 “Ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken”.

Wij die leven onder het nieuwe verbond zouden onze harten openstellen voor het Woord Gods, opdat Hij dat in onze harten zou kunnen schrijven. Gods Woord is de Waarheid en daardoor worden wij gereinigd. De Heer zei in Johannes 16 : 13 over de bediening des Geestes, ofwel over het nieuwe verbond: “De Geest der waarheid zal u in al de waarheid leiden”. Woorden van deze strekking vinden we vele malen herhaald in de nieuwtestamentische brieven. De nieuwe mens levend onder het nieuwe verbond zou vernieuwd worden tot kennis. (Kolossenzen 3 : 10) God zou ons verlichte ogen des harten, dan wel des verstands geven. (Éfeze 1 : 18) God wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der Waarheid komen. (1 Timótheüs 2 : 4) Mijns inziens onderscheidt een gelovige zich van alle andere mensen doordat hij Waarheid zoekt. Hoe komt het anders dat de ene mens tot geloof komt als hij het Evangelie hoort en de ander niet? Iemand die Waarheid zoekt, aanvaardt die Waarheid (misschien aarzelend) als hij die hoort. Een ander die de Waarheid niet zoekt moet niets van de Waarheid hebben als hij die hoort, want dat zocht hij niet. Dit is een Bijbels beginsel. Nadat wij tot geloof gekomen zijn, nadat wij het Evangelie onzer zaligheid geloofd hebben, (éfeze 1 : 13) is het de bedoeling dat wij zouden toenemen in kennis van de Waarheid. Dat is de reden van deze Bijbelstudie. Wij houden ons niet met het Woord van God bezig om vroom te worden of omdat we geen raad weten met ons leven. Ook niet omdat we een Woord van troost of bemoediging nodig hebben. Misschien krijgen we dat wel, maar dat mag niet het doel zijn. Het gaat altijd in de eerste plaats om de Waarheid! Christus is de Waarheid! Het gaat om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding (Filippenzen 3 : 10) Het gaat bij de Waarheid om de meest hoge en brede betekenis van de term en niet om een smalle en beperkte betekenis. De Waarheid gaat niet alleen over Christus, maar over alles met betrekking tot heel de schepping en de heilsgeschiedenis. Die volle Waarheid ligt vast in Christus. Wij zijn niet in staat om die volle Waarheid te vatten. God heeft ons echter wel geroepen om ons zoveel mogelijk van Zijn waarheid bekend te maken. Hij wil zoveel mogelijk van die Waarheid in onze harten schrijven. In de praktijk zouden wij uit de kennis van deze Waarheid leven. Vanuit deze Waarheid zouden wij de wereld en heel de samenleving bezien. Wij zouden alles bezien zoals God de dingen beziet. Dus als wij de wereld zien, dan beseffen wij dat die dood is. Zo ziet het er niet uit en zo beleven wij dat niet, maar die Waarheid leert de Bijbel ons. Het is de bedoeling dat wij dat zo beleven. Kennis van de Waarheid beperkt zich niet tot een deel van de Schrift. Er zijn mensen die denken dat zij in de samenkomst bemoedigd en vertroost moeten worden in het Woord. Dat is het algemene doel. Het specifieke doel van het zich stellen onder het Woord van God is om te groeien in kennis van het Woord en om gebouwd te worden in het geloof. Uit die kennis zouden wij onze zekerheid putten. Wij zouden door die kennis inzicht krijgen in het werk Gods en in de plaats die wij daarin innemen. Dat is bemoedigend. Wanneer u dat op zondag hoort, werkt dat altijd door. Het Woord is de bron waaruit wij onze moed en troost putten voor het dagelijks leven. In de allereerste plaats is het tot opbouw van ons geloof. Wij zouden volwassen worden. Paulus zegt:

Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. Galaten 2 : 20

Dit is een continue situatie waaruit wij leven. De Waarheid is altijd tot opbouw van ons geloof. Wij zouden niet zoals de wereld de Waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Wij zouden de Waarheid niet bedekken, maar onder ogen zien. Wij zouden elke dag beseffen dat wij sterfelijke mensen en van nature zondaren zijn. De werkelijkheid van elke dag leert ons dat wij dit leven zouden afleggen. Dezelfde werkelijkheid van alle dag is ook dat wij leven in Christus en dat wij geroepen zijn tot een hemelse erfenis. Dat is een vast gegeven. Hoe breder onze kennis van de Waarheid is, hoe sterker wij in dit leven zullen staan.

Gods Waarheid (Zijn wetten) zouden in onze harten geschreven worden. Zo zijn ze niet tot last in ons leven, maar zo zijn ze ons leven. Een juk is een belasting omdat het gedragen moet worden. Wanneer het Woord in je hart geschreven is, maakt het deel uit van je eigen natuur. Wanneer het Woord van God in onze harten geschreven (geplant) wordt, maakt het deel uit van ons wezen. Luther zei: “Hier sta ik, ik kan niet anders.” Hij zei niet: “Hier sta ik, ik mag niet anders, omdat het van de Heer moet.” Hij kon niet anders, omdat het een deel van zijn wezen was geworden. Wanneer hij anders gedaan had, zou het niet alleen Godsloochening geweest zijn, maar ook zelfverloochening. Het is goed om de oude mens te verloochenen, namelijk om net te doen of hij er niet is. Dat lukt niet, maar het leven van Christus is hoger. Wij zijn wie wij zijn en wij zouden daarvan niet afwijken. Wij zouden ons laten vormen door het Woord van God. Wanneer we onszelf eerlijk in de ogen kunnen kijken, kunnen we de Heer ook eerlijk in de ogen kijken. Er zit niets tussen, omdat het onderwijs van God in onze harten is.

Wanneer wij werkelijk vertrouwen stellen in wat God ons geopenbaard heeft; namelijk in de levende Christus en in Zijn werk als Hogepriester van het nieuwe verbond, dan zijn wij één plant met Hem geworden. Dat is de betekenis van het feit dat Gods wetten (Zijn Woord) in ons geplant is. Zijn Leven is in ons en wij zijn met Hem verbonden. Niet omdat wij een juk dragen, maar omdat er iets in ons wezen geplant is. Dat is ook de echte betekenis van het feit dat wij leden van het lichaam van Christus geworden zijn. Losse leden zijn samen vergroeid tot één Lichaam. Daarom bestaat Christendom niet uit leven volgens bepaalde regels die opgelegd zijn. Bijbels Christendom bestaat uit mensen die leven vanuit hun hart. Dat is mogelijk als het hart eerst gevuld wordt met de Waarheid, namelijk met het Woord Gods. Wanneer het hart daar niet mee gevuld is – en men leeft uit het hart – dan komt daaruit niet veel goeds voort. (zie Matthéüs 15 : 19) Onze harten zouden met Gods Woord gevuld worden. Wanneer men daar niets van begrijpt, zegt men dat vroeger de tien geboden op stenen tafelen geschreven werden, maar nu in het hart. In de praktijk betekent dit dat wij ons moeten houden aan diezelfde tien geboden. Wij als gelovigen worden echter niet gesteld onder regels waaraan wij ons moeten houden. Wij worden juist onder die wet vandaan gehaald, opdat wij vrij zouden kunnen zijn; zonder verplichtingen en voorschriften. De mens heeft een wet nodig, maar dat zijn niet de tien geboden. Dat is de volmaakte wet van Christus. (Jakobus 1 : 25) Op grond dat wij kinderen Gods zijn, hebben wij ander Leven in ons. Wij leven niet ónder de wetten van het nieuwe verbond, maar vanuit de wetten van het nieuwe verbond. Die wetten worden niet opgelegd, maar ingelegd in onze nieuwe natuur. Vervolgens zouden we handelen naar onze nieuwe natuur en instinctief dingen doen die in overeenstemming zijn met de wil van God. Van nature (oude natuur) zullen we instinctief dingen doen die juist in strijd zijn met de wil van God.

Het is niet de bedoeling dat wij leren volgens voorschriften te leven, want die hebben wij niet meer. Het is de bedoeling dat wij leren te leven uit het Woord van God, wat wij voor dat doel in onze harten laten planten. Degenen die de praktijk stellen vóór de leer, brengen van de praktijk per definitie niets terecht. Dat zeg ik tegen degenen die zegen: “Laten we de Bijbel maar dichtdoen en in de praktijk brengen wat wij al geleerd hebben.” Bijbelstudie zou louter theorie zijn en verder niets opleveren. Bijbelstudie zou betekenen dat je jezelf verwent. Men vindt dat consumeren niet nodig. Men wil liever activiteiten ontwikkelen. Activiteiten zijn goed wanneer zij uit een gedrevenheid voortkomen. Wanneer men niet anders kan vanwege het leven Gods wat in het hart werkt. Dat is het leven onder het nieuwe verbond. Het gaat er niet om dat wij beantwoorden aan een lange reeks van voorschriften. Het gaat erom in hoeverre wij beantwoorden aan het doel dat God Zich gesteld heeft met ons eigen individuele leven. Dat doel is voor een ieder van ons verschillend. We doen alles omdat wij niet anders kunnen en niet omdat het moet! Het advies daarbij is: Zorg dat je jezelf blijft. Wij zouden als kinderen Gods geen dingen doen die tegen onze natuur ingaan. Wij zouden als kinderen Gods onze harten vullen met het Woord der waarheid, want dat zal onze natuur veranderen. Wij zouden met volle overtuiging in de volle zekerheid des geloofs leven in afhankelijkheid van het Woord Gods en Christus. We zouden niet in onderdanigheid aan de wet leven. Dat is het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond. Onder de wet leven is dwangmatig en wordt opgelegd, terwijl de mens niet in staat is zich daaraan te houden. Het leven onder wet brengt de mens in conflict met God en met zichzelf. Onder het nieuwe verbond (waar die regels niet zijn) is er geen enkele aanleiding in conflict te raken met onszelf en met God. Integendeel, wij zijn vrij en mogen doen en laten wat wij willen. Het is niet de bedoeling dat wij dan onze eigen gang gaan. We zouden onszelf geen wetten en regels opleggen, maar ervoor zorgen dat ons leven, danwel ons denken, zodanig gericht wordt dat onze gedachten die van de Heer zijn en andersom. Dit is leven onder het nieuwe verbond.

De Heer belooft niet alleen nieuw leven onder het nieuwe verbond, maar ook Zijn Geest. De Heer zal Zijn Geest over de mensen uitgieten. (Joël 2 : 28) Door die Geest, Die heel de Schrift heeft voortgebracht, is de Bijbel geïnspireerd. Die Geest zou ons in heel de Waarheid leiden. Gods Woord zou ons Woord zijn. Dat is altijd goed voor ons. De hele Schrift is nuttig en tot opbouw. (2 Timótheüs 3 : 16) Daarbij wordt geen enkel Bijbels onderwerp uitgezonderd. Die onderwerpen die niets over ons persoonlijke leven zeggen en waar wij in de praktijk van alle dag niets aan hebben, zijn wel degelijk van belang voor de opbouw van ons geloof en voor onze geestelijke groei. Het ontstaan van de schepping is wel degelijk een Bijbels onderwerp. Het leert ons wie de Schepper is en over hoe de nieuwe schepping tot stand komt. Bovendien blijken alle wetenschappers belachelijk als we weten over het ontstaan van de schepping. Kennis van “de holle aarde” is niet van belang voor onze positie in Christus, maar het is wel van belang voor onze visie op deze wereld. Deze kennis bewijst dat de wetenschap met recht “valselijk genaamde wetenschap” is. (1 Timótheüs 6 : 20) Deze kennis is een onderdeel van het geheel en draagt bij tot onze vorming.

Wie in de Bijbel leest over het eerstgeboorterecht van de Gemeente, zal zich wellicht afvragen hoe dat eerstgeboorterecht, dat God aan Efraïm had beloofd, bij ons terechtgekomen is. Dat vinden we voor een deel in de Bijbel en voor een ander deel niet. Omdat niet alles daarover in de Bijbel staat, zouden we er niet over mogen spreken? Er zijn veel dingen die niet in de Bijbel staan die wij wel moeten geloven omdat wij anders de Bijbel niet te begrijpen. Er is zelfs Waarheid die deel uitmaakt van het werk en het plan Gods, die niet expliciet in de Bijbel vermeld wordt. Dat is niet nodig, omdat deze zaken voor iedereen zichtbaar zijn.

Sommige gelovigen hebben aan de Bijbel zelf genoeg en willen daarbuiten niets meer horen. Anderen schrikt het af dat die mensen in het Nieuwe Testament historische figuren van vlees en bloed blijken te zijn. De namen van die mensen worden ons niet voor niets aangereikt in de Bijbel. De Bijbelse geschiedenis – voor zover vermeld in de Bijbel – houdt abrupt op. Voordat dat gebeurt, worden veel namen van gelovigen in de brieven genoemd. Via die namen hebben wij de aansluiting op de kerkgeschiedenis. De kerkgeschiedenis is niet opgeschreven via geïnspireerd Woord van God, maar wel opdat wij zouden weten hoe het allemaal verder gegaan is. Mijn ervaring is dat er een groot gat bestaat tussen de Bijbel en de Bijbelse geschiedenis en de kerkgeschiedenis. De aansluiting tussen de Bijbel en de kerkgeschiedenis is moeilijk te vinden. Van de apostelen horen we opeens niets meer. De kerkgeschiedenis begint met de christenvervolgingen onder keizer Nero in Rome. De mensen die toen leefden en door de keizer vermoord zijn, kennen wij niet. Men zegt dat Petrus en Paulus de marteldood zijn gestorven, maar dat vinden we niet in de Bijbel. De kerkgeschiedenis is daar twijfelachtig over, omdat daar geen enkel bewijs voor is. Toch zijn er tientallen schrijvers in de loop van de geschiedenis die de dood van Petrus en Paulus als historisch vermeld hebben. Hun verhalen rekent men tot de overlevering en traditie, maar niet tot de historie.

Vast staat dat het nieuwe verbond door het joodse volk onder de naam Israël werd verworpen. Even vast staat dat datzelfde nieuwe verbond door een ander volk op regeringsniveau (door de koning zelf) werd aanvaard. Dat is geen legende, maar geschiedenis. Dit is beschreven door tijdgenoten en ook door de daaropvolgende generatie. Als deze dingen van belang zijn voor de heilsgeschiedenis, dan dienen wij ze te weten, hoewel ze niet in de Bijbel staan. Het maakt deel uit van de waarheid. Het is noodzakelijk om de waarheid te leren verstaan. Het is in ieder geval nuttig om vast te stellen dat God de beloften aan Abraham, Izak, Jakob, Jozef en Efraïm vervuld zijn. Het gaat om een vaste historische wettige basis van het handelen Gods in deze wereld. Wij zijn geen “kunstig verdichte fabelen nagevolgd”. (2 Petrus 1 : 16) We zouden de feiten kennen. Het gaat erom dat wij de ommekeer in de heilsgeschiedenis inzien. Want toen alle oudtestamentische verbonden hun vervulling in het nieuwe verbond vonden, raakten wij het spoor bijster. De “dwaalleren” hebben met elkaar gemeen dat ze geen idee hebben wat de Gemeente is. Men ziet de grote ommekeer en niet welke bijzondere positie wij als gelovigen van vandaag innemen. Men hult de oorsprong van onze tegenwoordige bedeling in nevelen. Men kan niet uitleggen wat er na de opstanding van Christus of bij het Pinksterfeest gebeurde. Hoe bracht God zijn werk tot stand? Hoe werd de zaligheid aan de heidenen gezonden? Deze dingen zijn nogal onbekend. We zouden onze kennis verbreden om te zien dat de Bijbelse geschiedenis deel uit maakt van een veel groter geheel. Het gaat om de waarheid van het handelen Gods in deze wereld.

Wanneer we een schema van de reizen van Paulus maken, zullen we zien dat het niet klopt. Paulus noemt bijvoorbeeld een plaats waar hij geweest is, (Romeinen 15 : 19) die we niet terugvinden in de schema’s van zijn reizen. De conclusie is dat er meer gebeurd is dan er in de Bijbel staat. De Bijbel verwijst er wel naar. De Bijbelse geschiedenis is niet afgezonderd van de algemene en kerkgeschiedenis. Het is allemaal een geheel. De Bijbel vermeldt op geïnspireerde wijze een deel. Daar kunnen we met 100% zekerheid van op aan. “Handelingen der apostelen” noemt niet veel apostelen. We kennen Jacobus, Johannes, Petrus en Paulus. Waar zijn al die andere apostelen gebleven?

Willen wij begrijpen wat God doet, dan zouden wij ons openstellen voor de Waarheid. Er zijn veel aspecten van die Waarheid bedekt; helaas ook binnen het christendom. Wij zouden niet in diezelfde fouten vallen, maar ons hart openstellen en ons laten leiden in heel de Waarheid. (Johannes 16 : 13) Dingen die we nooit eerder gehoord hebben, hoeven niet onwaar te zijn. Mijn ervaring is dat de Geest ons leidt in dingen die we helemaal niet zoeken. Hij openbaart zelfs dingen die we helemaal niet hadden willen weten. Die dingen maken het ons moeilijk en geven ons een grotere verantwoordelijkheid. Die dingen doen ons nog meer afwijken van het algemeen christelijke geloof. Zo is het bijvoorbeeld waar dat wij niet aan de buitenkant van de aarde leven, maar aan de binnenkant. Die waarheid heeft veel consequenties. Het is een omschakeling in onze gedachten. Het is u en mijn verantwoordelijkheid de waarheid te aanvaarden zoals hij is. Een van de meest simpele waarheden met betrekking tot het christendom is dat wij niet onder de wet leven. Wij leven niet onder regeltjes. Wij zijn kinderen Gods van wie verwacht mag worden dat zij hun harten openstellen voor het woord van God. Dat woord van God wordt dan in ons geplant en wordt ons eigen, met alle consequenties van dien. Vervolgens zouden we doen wat in ons hart is. Niet omdat iemand het ons opdraagt. Tischendorf zei: “Je moet niet van de Waarheid getuigen omdat het moet en omdat je moet winnen, maar vanwege je geweten.” We kunnen het tegenover onszelf en tegenover onze Heer niet verantwoorden om ons hart af te sluiten. We zouden met volle overgave leven uit wat in ons hart is. We komen dan in een strijd terecht waarin we niet de overwinning zouden behalen, maar waarin wij staande zouden blijven. Niet terwille van de strijd, maar terwille van de Heer en terwille van onszelf. Hebreeën 8 : 10 zegt: “Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls zal maken na die dagen (of: in de laatste dagen), zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten (onderwijs) in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven.” Het gaat over het denken en daarmee over het geloof. Dat zijn niet twee verschillende dingen, maar één en hetzelfde. Denken heeft alles te maken met wat wij geloven. Daar hoort geen verschil tussen te bestaan. De term “Bijbel en wetenschap” is onzin, tenzij men het bedoeld als synoniemen. De Bijbel is wetenschap. De enige wetenschap die er is, is die van het Woord Gods, de Bijbel. Die Waarheid, die enige echte wetenschap, zouden wij leren kennen. Dat is geloof. Wij geloven dat wat wij weten. Weten is wezen (zijn). Wat men weet, dat is men. Onze identiteit wordt bepaald door wat wij weten, namelijk door wat er in ons hart is. Wat wij geloven is bepalend voor ons wezen.

Als wij ons hart laten vullen met het Woord Gods en met Zijn Geest, krijgen wij de identiteit van Christus. Zo is het leven ons Christus. Dat Leven zouden wij geen opdrachten geven en geen beperkingen opleggen. Wij zouden dat Leven léven. Dat is het leven onder het nieuwe verbond. Deze dingen zijn niet erg bekend en er komt in de praktijk weinig van terecht. De oorzaak ligt erin dat er altijd mensen zijn geweest die de baas over de gelovigen wilden zijn. Zij stelden zich in de plaats van Christus. Zij willen misbruik maken van onze onderdanigheid, onwetendheid, onzekerheid en afhankelijkheid. Zij zeggen ons graag wat wij moeten doen. In die situatie heeft men er belang bij dat de echte nieuwtestamentische waarheid verborgen wordt gehouden. Leven uit geloof is onbekend. Men denkt dat dat hetzelfde is als de werken der wet volbrengen. De kans dat u hoort over het Leven onder het nieuwe verbond is gering. Onze westerse samenleving is georganiseerd en niets wordt aan het toeval overgelaten. Leven uit genade en de vrijheid van het nieuwe verbond veroorzaakt een cultuurschok. De Bijbelse waarheid is: “Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven, en (zo, op die manier) Ik zal hun tot God zijn, en (zo) zij zullen Mij tot een volk zijn.” Wij zijn niet het volk Gods omdat wij lasten van Godswege te dragen hebben gekregen. Ook niet omdat God ons geboden heeft opgelegd waaraan wij ons zouden houden. Wij zijn Gods volk omdat wij onze harten voor Hem hebben opengesteld, zodat Hij in ons midden kan wonen. God woont niet in een huis dat midden in ons dorp staat, wat wij een tempel of een kerk noemen. God woont in onze harten en daardoor zijn wij Zijn eigendom. Onze verantwoordelijkheid is om de Waarheid die de Heer ons wil openbaren te ontvangen.

“Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn”, zegt Hebreeën 8 : 10. Deze woorden worden vele malen herhaald. Zij maken deel uit van de beloften die aan Israël zijn gedaan. Exodus 19 : 5 zegt: “Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn”. Deze belofte is onderdeel van de wet. In Hebreeën 8 worden deze woorden aangehaald als onderdeel van het nieuwe verbond. De woorden die God sprak bij de komst van de wet, zouden pas hun definitieve vervulling en toepassing hebben onder het nieuwe verbond. We zijn allemaal vertrouwd met de gedachte dat Israël Gods volk is of was. Het is de vraag hoeveel jaar, volgens de Bijbelse geschiedenis, Israël echt het volk van God is geweest. De woestijnpe- riode wordt in de tijdrekening van Israël niet meegerekend. In Handelingen 13 : 18 staat dat God hen in die 40 jaar verdragen heeft. De tijd van de Richteren wordt ten dele meegerekend. Ten tijde van de koningen deed men ook wat kwaad was in de ogen des Heren. Het gevolg was dat de Heer het volk in ballingschap voerde. Een deel van het volk kwam terug uit Babel. Wat zij meebrachten uit Babel was niet goed in Gods ogen. Na de geboorte van de Messias is dat deel ook weer in ballingschap gegaan. In de praktijk is “Israël Gods volk” een holle uitdrukking. Israël zou Gods volk worden als het van harte de stem van de Heer zou gehoorzamen. Want de Heer houdt Zijn verbond en Zijn weldadigheid aan dien die Hem liefhebben. (Deuteronomium 7 : 9) Dit moet altijd nog gebeuren, want de wet heeft “een schaduw der toekomende goederen”. (Hebreeën 10 : 1) In Hebreeën 7 : 19 staat dat de wet geen ding heeft volmaakt. De gestelde idealen zijn nooit vervuld. Dat zal in de toekomst gebeuren.

“Ik zal hun tot God zijn en zij zullen Mij tot volk zijn” werd ooit tot Israël gezegd. In de praktijk is dat nooit zo geweest. In de toekomst zal dat onder het nieuwe verbond wel zo zijn. De reden dat deze uitdrukking in Hebreeën 8 staat is dat deze woorden niet beperkt worden tot het natuurlijke Israël, maar van toepassing wordt gebracht op alle gelovigen. Het nieuwe verbond is bestemd voor alle gelovigen. De beloften Gods, uit het Oude Testament, zijn en worden vervuld aan alle gelovigen. Wie vandaag tot geloof komt, krijgt vandaag nog deel aan de vervulling van die beloften. God roept de mens op om tot een keuze te komen. Wij moeten kiezen wat we geloven. Zo kunnen we ook kiezen voor een bepaalde religie. Het kiezen voor het Woord van God brengt consequenties met zich mee. God roept ons op om ons te onderwerpen aan het Woord van God. Velen zeggen dat het geloof je gegeven moet worden. Men zou niet zomaar tot geloof kunnen komen. “Tot geloof komen” is niets anders dan gehoor geven aan de roepstem van de Here Jezus. Dat tegenhouden is godslasterlijk. De Bijbel zegt: “Wie niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4 : 5) Ieder mens heeft voor zichzelf de verantwoordelijkheid te geloven en te kiezen voor de Waarheid. God roept de mens: “Kies dan heden wie gij dienen zult.” (Jozua 23 : 15) Dat geloof hoeft ons niet gegeven te zijn of daartoe hoeven wij niet uitverkoren te zijn. Dit jargon gaat geheel buiten de Bijbel om. De Bijbel zegt dat wij zouden geloven in de Here Jezus Christus. God roept de mens op om zich aan Hem te onderwerpen. Wanneer we dat doen zal Hij ons tot God zijn. Als we tot geloof komen, worden we wedergeboren, maken we deel uit van Zijn volk en woont God in ons midden. Dit is de vervulling van oudtestamentische beloften onder het nieuwe verbond.

En zij zullen niet leren, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen. Hebreeën 8 : 11

Hier staat dat “zij Mij allen zullen kennen”. Het kennen van de Heer is niet alleen weten wie Hij is, maar ook het onderwerpen aan Hem. Leven onder de wet is: doe dit en laat dat. Dat heeft meestal betrekking op anderen in plaats van op onszelf. Onder het oude verbond bekritiseert men elkaar en brengt men beschuldiging tegen elkaar in. Onder het nieuwe verbond zal men elkaar niet meer leren bekritiseren, maar zij “zullen Mij allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen”. We zouden op elkander achtnemen tot opscherping der liefde en der goede werken. (Hebreeën 10 : 24) Wij zouden elkaar tot hulp zijn! Voor zover wij met de levenswijze van een ander te maken hebben, zouden wij trouw zijn aan de Heer naar ons eigen kunnen en inzicht. We zouden daarbij onszelf en de Heer recht in de ogen kunnen kijken. Zo zouden wij anderen tot voorbeeld zijn. Niet nadrukkelijk, maar vanzelfsprekend. Dat is onze verantwoordelijkheid. Er zou gelegenheid zijn om aan ons een voorbeeld te nemen. Dat kan alleen wanneer wij als kinderen Gods onze positie daadwerkelijk kennen. Mijn verantwoordelijkheid is in de praktijk anders dan de uwe. Een ander kan, wat ik niet kan. De een spreekt en de ander dient. (1 Petrus 4 : 11) Elke gelovige heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en staat of valt zijn eigen Heer. (Romeinen 14 : 4) Een ieder van ons zal voor zichzelf rekenschap geven. (Romeinen 14 : 12) Wie zijt gij, dat gij eens anderen huisknecht oordeelt? (Romeinen 14 : 4) Dat is het mooie van het nieuwe verbond. Wij hebben geen verantwoordelijkheid af te leggen aan een ander. Wij zouden ons realiseren dat God een werk doet in eenieder van ons. Verder zijn wij broeders en zusters in eenzelfde gezin en staan wij allemaal onder dezelfde Heer. Niemand staat tussen onze relatie met onze hemelse Vader. Niemand heerst over de gelovigen. Wij zullen Hem allen kennen door het openen van de Schrift. Als wij uit de Schrift leven worden de dingen ons meer en meer eigen. “De kleine en de grote” zullen de Heer kennen. Dat betekent dat elk lid van dit volk onder het nieuwe verbond zijn eigen persoonlijke relatie heeft met de Heer. Wij zouden ons daar niet mee bemoeien. Dat is leven onder het nieuwe verbond met een rechtstreekse verbinding met onze hemelse Vader.

Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken. Hebreeën 8 : 12

God is ons genadig en gedenkt onze overtredingen op geen enkele manier (geenszins) meer. Dit vers is ook ontleend aan Jeremia 31. Het leven onder het nieuwe verbond betekent dat zonden niet gedacht worden van Godswege, dus ook niet door ons. Dit is waarschijnlijk het moeilijkste aspect van deze waarheden van het nieuwe verbond. Hier staat dat wat voor zonden u ook doet, God ze u niet toerekent. Of dacht u dat we alleen maar vergeving van zonden hebben ontvangen op het moment dat we tot geloof kwamen? Sommigen weten niet eens op welk moment dat was. Vanaf het moment dat we tot geloof gekomen zijn, zouden we op een smalle weg zitten, waar we snel buiten de lijnen zouden lopen. Want nu je een kind van God bent, zou je op zondag niet meer mogen voetballen?! Een heleboel dingen zouden we niet meer mogen. Er blijken dus veel meer mogelijkheden tot zondigen gekomen te zijn. Wanneer wij vergeving van zonden hebben ontvangen en wij leven daaruit, maar wij stellen vast dat er iets is dat niet mag en we doen het toch, wat dan? Dan geldt: “Ik zal uw zonden niet meer gedenken.” Niet nu, niet ooit, nooit! Dat betekent dat hoeveel overtredingen wij ook begaan, hoeveel zonden wij ook doen, dat dat niets uitmaakt. God heeft immers gezegd: “Ik zal uw zonden en uw overtredingen geenszins meer gedenken. Ik zal uw ongerechtigheden genadig zijn.” Men zegt dat je God niet kunt dienen als je in zonden leeft. Waar staat dat in de Bijbel? Men zegt ook dat wanneer je relatie met de Heer niet goed gaat, er zonden in je leven zijn die je nog nooit beleden hebt. Waar staat dat in de Bijbel? Ik bestrijd dit niet, omdat er veel meer aan vastzit. Het staat in ieder geval niet zo in de Bijbel geformuleerd. De Schrift leert ons dat de Heer onze zonden niet meer gedenkt. Sinds wij kinderen Gods geworden zijn en sinds wij leven onder het nieuwe verbond, gedenkt Hij onze zonden nooit meer.

De situatie onder het nieuwe verbond is: “Want ik ben verzekerd dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer.” (Romeinen 8 : 38, 39) Wij zijn één plant geworden met Hem, dat wil zeggen dat wij een levend organisme zijn. (Romeinen 6 : 5) Begrippen als zonden en overtredingen horen daar niet in thuis. Die begrippen maken deel uit van een leven onder de wet. Zij hebben te maken met het leven in een oude schepping en met de eerste beginselen der wereld. Die zonden zijn er misschien, maar zij houden geen verband met onze relatie tot de Heer. Wij zouden ons niet moeten laten wijsmaken dat dit soort dingen onze relatie met de levende God zouden verstoren. Onze relatie met God is niet tot stand gekomen door de afwezigheid van zonden in ons leven of doordat wij zo netjes wandelen. Wij hebben een relatie met God door die ene Middelaar, de Here Jezus Christus. Welke zonden er ook zijn en hoe onze levenswijze ook is; het is niet sterker dan Christus Zelf. De Schrift zegt: “God ziet ons in Christus”. God behandelt ons in Christus. God spreekt tot ons in Christus. Als iets ons zou kunnen scheiden van de liefde Gods, dan betekent dat dat de Vader en de Zoon niet meer één zijn. Dit is dus het einde van alle argumentatie. Zouden wij dus doen en laten wat wij maar willen? Ja, dat kan. Maar het is te hopen dat onze wil overeenkomst vertoont met de wil van God. Als dat niet zo is dan betekent het dat ons hart niet gevuld is met het Woord van God. Dat zeg ik zonder enig verwijt, want we zouden elkaar niets verwijten onder het nieuwe verbond.

God schonk ons geen genade opdat onze vleselijke natuur zonder enige remming zou doen waar hij zin in heeft. De genade Gods heeft dat niet als doel. Het doel is dat wij ongehinderd door onze zonden God zouden dienen. Wij zouden ongehinderd door de gedachte dat wij zondaren zijn in alle vrijmoedigheid onze harten die van nature zondig zijn openstellen voor het Woord van God. God gedenkt onze zonden niet meer. Ik zeg dit met grote stelligheid, omdat ik anders niet zou kunnen leven. Ik zou bijvoorbeeld ‘s avonds niet het lef hebben naar de Heer te gaan om Hem iets te vragen. Ik zou dan ogenblikkelijk denken aan de dag die achter me ligt en aan wat ik die dag gedaan heb. Daar is vast wel iets bij wat niet deugt. Met welk recht ga ik naar een heilig God toe? Als het waar zou zijn dat onze zonden ons zouden scheiden van God (Jesaja 59 : 2) dan zouden u noch ik ooit tot God gegaan zijn. Wij zouden wel wijzer zijn. Wanneer wij schuldig staan tegenover iemand, dan is het niet verstandig hem onder ogen te komen. Wij kunnen immers onze schuld tegenover God nooit betalen!

Onze verbinding met de levende God is niet gebaseerd op het feit dat wij bepaalde dingen doen of laten. Onze verbinding met God is gebaseerd op het werk dat Christus volbracht in het verleden en in het bijzonder op wat Hij heden doet. Christus leeft om de verbinding tussen ons en onze God in stand te houden. Dat is de functie van de Middelaar van het nieuwe verbond. Hebreeën 8 : 12 is een korte beschrijving van het werk dat Christus nu doet. Wij mogen door Hem te allen tijde met vrijmoedigheid tot God naderen, ondanks wie wij zijn en waar wij zijn. Ik zeg dat niet als excuus, opdat wij zouden kunnen doen wat wij willen. De Heer wil Zijn werk in ons doen. Wij onderwerpen ons aan Hem en wij doen wat wij willen. In de loop van ons leven verandert onze wil.  Ons als kinderen Gods is de mogelijkheid gegeven om te leven in overeenstemming met dat wat in ons hart is. God wil onze harten vullen. Hij geeft ons een andere wil; een andere dan die wij van nature hadden. God werkt in ons “beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen.” (Filippenzen 2 : 13) Wij zouden ons hart openstellen voor de Waarheid. Niet voor een kerkelijke leer of dogma. Waar die Waarheid in ons hart geplant wordt, heeft het als uitwerking dat ons denken en ons wezen veranderd wordt. Wij zouden daar geen rem opleggen, want dat doet de Heer eventueel wel. Hij zou ons in heel de Waarheid leiden en ons voor struikelen bewaren. Ik heb daar altijd op vertrouwd. Waar zouden wij anders op vertrouwen; op onszelf? De Heer doet wat Hij belooft. (2 Thessalonicenzen 5 : 24) Wij maken niet de dienst uit en wij bepalen niet wat goed voor ons en anderen is, want dat doet de Heer in alle vrijheid. Dat is Leven onder het nieuwe verbond. Wij dragen uitsluitend en in de eerste plaats verantwoordelijkheid ten opzichte van de Heer om aan Hem trouw te zijn.

Wij zouden getuigen van de Waarheid. Niet om de overwinning te behalen, want die ligt vast in Christus. Wij zouden getuigen vanwege ons geweten. Zo kunnen we recht blijven staan tegenover de Heer. Alleen onze ontrouw aan de Heer kan onze praktische relatie met de Heer verstoren. Dat is niet gelegen in een of ander wetsovertreding, maar aan onze ontrouw aan Hem. Het is gelegen in het feit dat wij onze belangen boven Zijn belangen stellen. Wanneer de Heer ons iets openbaart, zouden we dat aanvaarden. De consequentie is ook dat men ons soms voor gek verklaart. Dat maakt niets uit, want hier winnen wij het nooit. Het gaat erom dat wij onder alle omstandigheden trouw zouden zijn aan de Heer, zoals Hij trouw is aan ons. Hij gedenkt onze zonden niet meer! Wij zouden slechts luisteren naar Zijn Woord en daardoor gebouwd worden. Dat is het nieuwe verbond. Wij zijn geen dienaren van het oude testament, (2 Korinthe 3 : 7) maar van de genade. Wij zijn dienaren van Christus Zelf als verlosten uit de wereld. Wij leven niet onder het oude verbond.

Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning. Hebreeën 8 : 13

Dat oude verbond was al oud sinds de dagen van Jeremia. Wij leven onder het eeuwige verbond in de wetenschap dat Hij het werk dat Hij in ons begonnen is ook wil voleindigen tot op de dag van Christus. (Filippenzen 1 : 6)

Het eeuwige verbond vinden we in Jesaja 55 : 3; Jesaja 61 : 8; Jeremia 32 : 40; Ezechiël 16 : 20; Ezechiël 37 : 26.

Niets kan ons scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus, onze Here. Romeinen 8 : 39

Dit geeft rust.
Die rust wens ik u allen toe.

Amen.



 Gerelateerde bijbelezing:
* Het nieuwe verbond


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld




Dit is een bewerking van de Brochure "Het leven onder het nieuwe verbond" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl