WIE IS MIJN NAASTE?

27 En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven.
29 Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? verzen 27,28 en 29 uit Lukas 10 : 25-37

Een wetgeleerde stelde deze vraag aan Jezus in verband met zijn eerder gestelde vraag hoe hij eeuwig leven kon beërven. Hij had inmiddels zelf het antwoord gegeven, maar wie de naaste, met het oog op eeuwig leven was, moest hem nog duidelijk worden.

In onze tijd menen velen dat zijzelf die naaste (barmhartige Samaritaan) uit dit Schriftgedeelte zijn. Om goed duidelijk te maken wie dé Naaste is, als het om eeuwig leven gaat voor de mens die normaal gesproken onherroepelijk zijn dood tegemoet gaat, vertelt Jezus een prachtig gelijkenis. Daarmee maakt Hij snel helder dat de oude mens niet de naaste is van een ander, maar juist het slachtoffer, dat dé “Naaste” nodig heeft.

Het verhaal maakt veel bekend, bijvoorbeeld via welke weg er zeker geen eeuwig leven is. Het laat zien dat God Zelf – in de Persoon van Christus Jezus – onze Naaste is. Beiden kunnen wij dan ook, vanzelfsprekend en moeiteloos, vanuit ons hart liefhebben.


1. Inleiding  *

Iedereen schijnt te weten dat christendom in de praktijk tot uitdrukking komt in de bekende christelijke deugd van naastenliefde. Wat naastenliefde nu precies is, is bepaald niet duidelijk uit christelijke bron. Uit Bijbelse bron overigens wel, maar die heeft niet zo veel ingang gevonden. Sommigen zeggen zelfs: “Ook al geloof je niet in God, als je je naaste maar lief hebt, ben je een goed christen”. Dat is natuurlijk volstrekt onmogelijk, want als er geen God is, is er ook geen Christus en kunnen er dus ook per definitie geen christenen zijn.

Helaas denken veel christenen dat christendom een wijze van leven is, namelijk een religie. Als er al een Bijbelse religie of godsdienst bestaat, is het die van de Mozaïsche wet. Een afgeleide daarvan tot in onze dagen blijkt het judaïsme te zijn; de Joodse godsdienst. Die bestaat voor 100% uit wet. Maar christendom naar Bijbelse maatstaven is juist geen godsdienst of religie. Integendeel: christenen zijn juist degenen die verlost zijn van elke vorm van religie of godsdienst. Dat is wat de Bijbel ons leert.

We dienen wel God, maar daardoor zijn we niet godsdienstig of religieus in de taalkundige betekenis van de term, zoals we die vinden in alle woordenboeken. Wij worden namelijk niet behouden op grond van werken en dus ook niet op grond van ons praktische leven. Wij worden verlost, danwel gerechtvaardigd, danwel wedergeboren, op grond van geloof. In de praktijk betekent dat: geloof in – en dus vertrouwen op – het werk van iemand anders.

Daarna is de vraag: hoe zit het dan met naastenliefde? Naastenliefde is natuurlijk toch een wijze van leven. Het schijnt dat dit moet: je móét je naaste liefhebben. Dat mag dan zo zijn, het staat ook inderdaad in de Bijbel, maar we zouden naar Bijbels voorbeeld dan eerst eens moeten beginnen met de vraag: Wie is mijn naaste?

2. De uitgangsvraag van de wetgeleerde

De vraag: “Wie is mijn naaste?” komt aan de orde in Lukas 10.

25 En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende:
Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?
26 En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?
27 En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel
uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven.
29 Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn
naaste?
30 En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar
Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe
zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.
31 En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging
hij tegenover hem voorbij.
32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en
ging tegenover hem voorbij.
33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende,
werd hij met innerlijke ontferming bewogen.
34 En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn;
en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde
hem.
35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den
waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten
koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.
36 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder
de moordenaars gevallen was?
37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot
hem: Ga heen, en doe gij desgelijks. Lukas 10 : 25-37 

De discussie tussen de wetgeleerde en de Heere Jezus vinden we vanaf vers 25.

En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende:
Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Lukas 10 : 25

We zouden zo’n wetgeleerde tegenwoordig een “ethicus” noemen. Iemand die verstand heeft van de ethiek en dus van de wetten waaraan men zich zou moeten onderwerpen. De wetgeleerde weet wat de wet zegt. Hij werd geacht te weten wat men moest doen en vooral wat men moest laten. De wetgeleerde staat op en verzoekt de Here Jezus. Hij gaat een strijd met Hem aan. Op voorhand zijn wetgeleerden (ethici) het niet eens met de Here Jezus en meer in het bijzonder met Zijn leer. Dat is in het algemeen gesproken nu nog zo. De discussie gaat immers bij die mensen altijd over of het wel waar is wat de Bijbel zegt. Daarom heeft de apostel Paulus ook niet zoveel waardering voor schriftgeleerden.

Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer
eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt? 1 Korinthe 1 : 20

Paulus gooit alles op één hoop en zegt dat al die wijsheid hen niet heeft geleid tot Christus. En dus mankeert er wat aan. De wetgeleerde vraagt: “Wat moet ik dóen om het eeuwige leven te beërven?” Het eerste gedeelte van zijn vraag is eigenlijk niet eerlijk. Want dat veronderstelt dat hij iets moet verdienen; dat hij iets moet dóen om het eeuwige leven te beërven. Maar wij moeten juist niets doen. De apostel Paulus leert ons dat onder andere in de brief aan de Romeinen:

Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Romeinen 4 : 5

Op grond van geloof ontvangt men eeuwig leven. We hoeven geen werken te produceren om onze zaligheid te verdienen. Dezelfde gedachte wordt eveneens bevestigd in Efeze 2 : 8, 9:

8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het
is Gods gave;
9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Efeze 2 : 8, 9

Wij zijn dus niet uit werken zalig geworden, maar uit genade door het geloof en uit God. Dat wil zeggen dat God de oorsprong is van het werk Gods zoals Hij dat tot stand gebracht heeft in en door de Here Jezus.

Het tweede gedeelte van de vraag van de wetgeleerde is overigens perfect: “Wat moet
ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Het is namelijk opmerkelijk dat deze Joodse wetgeleerde nog weet dat het om “eeuwig leven” gaat. Binnen het tegenwoordige en ook binnen het orthodoxe jodendom speelt een term als “eeuwig leven” absoluut geen rol. Toekomstverwachting en leven na de dood hebben geen enkele betekenis in de Joodse traditie. Het gaat er alleen maar om dat je hier op aarde een goede Jood bent en je netjes houdt aan de wetten. Ook binnen het christendom zou men tegenwoordig vragen: “Wat moet ik doen om een goed mens te zijn, hoe moet ik in de praktijk leven om een goed christen te zijn?” Maar daar gaat het niet om. Want het maakt niets uit wat we doen; dood gaan wij toch. Het grote probleem van elk mens is dat zijn leven gebonden is aan de tijd die steeds sneller voortschrijdt. Het zandlopertje loopt leeg en het leven houdt een keer op. Het echte probleem is dus: “Hoe komt men aan onvergankelijk leven, zodat men alles kan doen wat men nog had willen doen?” Het gaat om het definitief ontvangen van eeuwig leven. Maar waar komt dat eeuwige leven vandaan? Hoe zou men dat kunnen ontvangen? Wie geeft dat eeuwige leven? Het antwoord is uiteraard: God. De vraag is dus: wat wil God dat wij doen opdat wij eeuwig leven zouden ontvangen? Het antwoord is niet: “Doe dit en doe dat”. Het antwoord staat onder andere in Handelingen 16 : 31:

[…] Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Handelingen 16 : 31

Later schrijft de apostel Paulus in de brief aan de Romeinen:

Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor
Hem; want door de wet is de kennis der zonde. Romeinen 3 : 20

Door de wet is geen eeuwig leven. Waar de mens onder wetten leeft, leert hij zijn eigen zondige natuur kennen. De wetgeleerde vraagt dus: “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” De Here Jezus, die immers verzocht werd in deze discussie, pareert gewoon en antwoordt met een tegenvraag.

[…] Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij? Lukas 10 : 26

Zo van: “Ken je de wet niet? Dat moet je toch zelf weten. Wat staat er in de wet?”
De wetgeleerde antwoordde:

[…] Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw
ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand […]. Lukas 10 : 27a

Men zou de Heer liefhebben met heel zijn wezen. Zowel in het hart en in het denken, als in het praktische leven. Men zou God liefhebben. De wetgeleerde zegt er meteen achteraan:

[…] en uw naaste als uzelven. Lukas 10 : 27b

De uitdrukking dat men zijn naaste zou liefhebben staat niet eens in de tien geboden. Dit gebod dat men zijn naaste zou liefhebben is ontleend uit een ondergeschoven tekst ergens in Leviticus.

17 Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.
18 Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar
gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE! Leviticus 19 : 17, 18

De aardigheid is nu dat juist deze tekst beschouwd wordt als de kerninhoud en samenvatting van heel de Mozaïsche wet. Dat gebod wordt ook in nieuwtestamentische brieven meerdere malen aangehaald. Er wordt zwart op wit gezegd dat het erop neerkomt dat men zijn naaste zou liefhebben. De vraag naar: “Wie is dat?” wordt in Leviticus 19 : 17, 18 meteen beantwoord.

Deze verzen laten er geen twijfel over bestaan wie geacht wordt de naaste te zijn van een willekeurige Israëliet. De gedachte is dat “kinderen uws volks” overeen komt met “naaste”. De naaste van een Israëliet is zijn broeder, namelijk een andere Israëliet. Iemand die tot hetzelfde volk behoort en daarmee ook deel uitmaakt van dezelfde cultuur en religie. “Naasten” (meervoud) zijn dus degenen die iemand het meest na staan. Maar men kan het natuurlijk ook in het enkelvoud zeggen: mijn naaste is mijn volksgenoot. Dat is in ieder geval de betekenis van de term in de wet. Dit zijn wetten die in het bijzonder golden binnen de Israëlitische samenleving. De Heer zegt vervolgens tot de wetgeleerde:

[…] Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven. Lukas 10 : 28

Wat moet de man dus doen om eeuwig leven te ontvangen? God liefhebben en zijn naaste liefhebben. Maar daar kan de man niets mee aanvangen om de eenvoudige reden dat hij God niet zo heel erg liefheeft en de naaste dikwijls helemaal niet. Dat is het christelijke probleem immers ook. Men gaat zoeken of men voor “naaste” niet ook iets anders kan invullen. In onze dagen heeft men daartoe “de verre naaste” uitgevonden. Dat zijn de mensen die hulp nodig hebben. Maar ze wonen nooit bij ons in de straat. Het zijn altijd mensen die in het één of ander ontwikkelingsland wonen. Zij zijn vooral onze naasten omdat ze zo ver weg zijn. Dat kan natuurlijk niet, want de termen “ver” en “naast” zijn immers met elkaar in tegenspraak. Wie is mijn naaste dan? Wie moet ik dan liefhebben? Dat is een heel goede vraag. In Matthéüs 22 : 36 staat dan ook min of meer dezelfde vraag:

36 Meester! welk is het grote gebod in de wet?
37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw
hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. Matthéüs 22 : 36, 37

Wanneer er nu gevraagd wordt naar het grootste gebod, worden er twee genoemd. Namelijk: God liefhebben en je naaste liefhebben. Vaak zijn wij bevooroordeeld door allerlei theologische, religieuze en ethische terminologie. Maar als wij die zinnen een paar keer onbevooroordeeld doorlezen, kan het maar één ding betekenen. Er zijn twee geboden die aan elkaar gelijk zijn, ex equo. Samen is het dus maar één gebod. Het eerste gebod: “Gij zult de Heer uw God liefhebben” is dus hetzelfde gebod als: “Gij zult uw naaste liefhebben”. Wie is die Naaste dan? Het antwoord is: de Heer uw God. Want als “je naaste liefhebben” hetzelfde is als “God liefhebben”, dan is je naaste God. God heeft ons barmhartigheid bewezen. Daarom zouden we Hem lief moeten hebben met geheel ons hart, geheel onze ziel, geheel ons verstand en geheel onze kracht. En daarna hebben we geen verstand, ziel, hart en kracht meer over om onze buurman lief te hebben. Want we hebben God lief met alles wat in ons is.

Hoe moet je dan je naaste liefhebben? De wet zegt: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”. Wel, mijn buurman is “mijzelf” niet. Maar die naaste die boven is, is “mijzelf” wel. Want mijn leven is Christus. Dat is wat het Nieuwe Testament ons leert. Ons “leven is met Christus verborgen in God”. (Kolossenzen 3 : 3) Dat is één geheel. Wij zijn leden van Zijn Lichaam. Wij zijn met Hem geïdentificeerd. Wanneer we Hem liefhebben, hebben we in feite onszelf lief. Want Zijn leven is ons leven geworden. En daarom bidt Paulus ervoor dat de gelovige mag ontvangen een geest van wijsheid en een geest van verstand om Hem te kennen. (zie Efeze 1 : 17) Om kennis van Hem te verkrijgen. Om te weten wat de heerlijkheid van Zijn erfenis en welke de grootheid van Zijn kracht zij. Het gaat erom Wie Christus is. Dan weten wij wie wij geworden zijn, want wij zijn met Hem verenigd. Dan hebben wij Hem lief als onszelf.

In Markus wordt dit herhaald.

28 En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en
wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem:
Welk is het eerste gebod van alle?
29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de
Heere, onze God, is een enig Heere.
30 En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel
uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste
gebod. Markus 12 : 28-30

Daar wordt nog een ander gebod genoemd uit Deuteronomium, uit de officiële Joodse
geloofsbelijdenis. Het eerste van al de geboden is: “Hoor, Israël! De Heere, onze God, is een enig Heere”. En: “Gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht”. Hetzelfde verhaal dus.

In Romeinen 13 wordt geen vraag gesteld, maar er komt wel commentaar op die kwestie van de naaste.

9 Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen,
gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander
gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit:
Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
10 De liefde doet den naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der
wet. Romeinen 13 : 9, 10

Al die geboden kun je samenvatten in deze ene uitdrukking: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”. De grondgedachte blijft hier ook: men zou God de Heere liefhebben en men zou de naaste liefhebben. De naaste is de Heere. En nu meteen consequent blijven. Wij kennen de Heere als de Here Jezus Christus. En vanuit Joods standpunt bezien is Hij niet alleen Jood, maar dé Jood bij uitstek. De erfgenaam namelijk van de troon van Juda. Dus zeker binnen het Joods kader geldt, als men zegt: “Men moet zijn naaste liefhebben.” Als men dan vraagt: “Wie is mijn naaste?” Dan is het antwoord nummer één: dat is het stamhoofd. Het hoofd danwel de koning van de stam van Juda. En dat is de Heere. Een volksgenoot. De belangrijkste is de koning uiteraard. De erfgenaam van de troon van David. Zo kom je daar dus ook terecht.

Maar nu terug naar Lukas 10, waar de wetgeleerde zichzelf wil rechtvaardigen. Hij moest zichzelf verdedigen, omdat hij de discussie begon te verliezen. Hij bedenkt dus een truc en stelt vervolgens de moeilijke vraag:

Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn
naaste? Lukas 10 : 29

In plaats dat de wetgeleerde vraagt: “Wie is mijn God?” vraagt hij: “Wie is mijn naaste?” Want God is meteen weer weg.

3. De Here Jezus vertelt een gelijkenis

De Here Jezus gaat serieus op de vraag van de wetgeleerde in. Dat gebeurt via een gelijkenis.

[…] Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de
moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven
hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen. Lukas 10 : 30

Het gaat hier om een “zeker mens”. Er wordt niet gezegd wie het was. Hij krijgt geen naam. U had het kunnen zijn en ik had het ook kunnen zijn. Er wordt wel gezegd wáár het was. Tussen Jeruzalem en Jericho.

Jeruzalem en Jericho

Daar staat dus dat een zeker mens afkwam van Jeruzalem naar Jericho. Het loopt lekker makkelijk van Jeruzalem naar Jericho. Daar is een goede aardrijkskundige reden voor: Jeruzalem ligt ongeveer 800 meter boven het zeeniveau en Jericho zo’n 400 meter er onder. Dat is een aflopende, neergaande weg.

In de symboliek en ook in de profetie is Jeruzalem de stad van de grote koning. Het is de stad waar de stoelen des gerichts van het huis van David gezet waren en waar die ook weer zullen staan. (zie Psalm 122) Met andere woorden: Jeruzalem zal hoofdstad zijn van het Messiaanse rijk. Met een metafoor gezegd ís Jeruzalem het Messiaanse rijk. Jeruzalem is in de typologie eigenlijk het komende koninkrijk van Christus en nog meer specifiek gewoon de nieuwe schepping. Een nieuw Jeruzalem en daarmee een nieuw verbond, een nieuw koninkrijk, een nieuw priesterschap. Jericho echter is de laagst gelegen stad ter wereld; diep gezonken.

Eigenlijk had deze stad onder de zee moeten liggen. Jericho werd eenmaal verwoest en had niet herbouwd mogen worden. De man die Jericho zou herbouwen, zou vervloekt zijn. Niettemin werd Jericho – de veroordeelde, verwoeste stad die geen bestaansrecht had – wel herbouwd in de dagen van Elia. Dat gebeurde overigens op precies dezelfde manier als dat het voorzegd was. Jericho is namelijk de uitbeelding van de wereld waarin wij vandaag de dag leven. Een wereld die oorspronkelijk geoordeeld werd in Genesis 1 : 2. Een wereld die woestheid en ledigheid geworden was. Die wereld werd hersteld en weer ingericht. Een wereld van zonde en dood. Die wereld is ook inderdaad de plaats waar de Heer doorheen gaat naar het koninkrijk toe.

De Bijbelse route zou moeten zijn van Jericho naar Jeruzalem. Die weg wordt ook uitgebreid beschreven in de Bijbel, omdat de Here Jezus die route ooit ging. In Lukas 19 vinden we de geschiedenis van de laatste dag van de 69 weken van Daniël. De dag van de zogenaamde intocht in Jeruzalem. De Here Jezus kwam van Jericho en Hij ontmoette in Jericho Zacheüs in de vijgenboom. Buiten Jericho ontmoette Hij Bartimeüs, die samen met nog een andere blinde genezen werd. Nog een eindje verder kwam de Here Jezus een ezel tegen. Op die reed Hij uiteindelijk het laatste stuk van de weg over de Olijfberg naar Jeruzalem toe. Toen Hij de stad inging, was dat in feite bedoeld om daar te lijden en te sterven. Vervolgens weende Hij over de stad, want Hij wist dat dit Jeruzalem verwoest zou worden. Het echte Jeruzalem komt pas in de toekomst.

Van Jeruzalem naar Jericho loopt men dus de verkeerde kant op en de man in deze gelijkenis deed dat precies zoals de meeste mensen die zich niet richten op de Here Jezus Christus. Zij oriënteren zich op de wereld en niet op de echte grote Koning van Jeruzalem, de Messias van het beloofde Messiaanse rijk ofwel het koninkrijk Gods of anders gezegd het koninkrijk der hemelen. In het praktische leven richt men zich niet op Jeruzalem en daar zit de fout. Men verlaat het koninkrijk en de heerlijkheid Gods. Het loopt dan misschien lekker makkelijk, maar als het in ons leven lekker loopt dan zouden we ons af moeten vragen of we wel op de goede weg zijn. En als we kunnen bewijzen dat we op de goede weg zijn, zouden we ons af moeten vragen of we die weg dan wel in de goede richting bewandelen.

Wij mensen beginnen enthousiast aan ons leven, hebben er grote verwachtingen van, het gaat allemaal lekker, het loopt voor de wind. Als men deze oude, aardse wereld zoekt en daar naartoe wil, gaat dat heel gemakkelijk. De mens en de samenleving verworden en verloederen helemaal vanzelf. Alles in deze wereld valt vanzelf na verloop van tijd uit elkaar. Als men in zijn leven gericht is naar beneden, daalt men af naar een wereld die oorspronkelijk geoordeeld was en ook in de toekomst geoordeeld zal worden. De wereld is dus per definitie tijdelijk van karakter. Een wereld die slechts tot doel heeft de verbinding te leggen tussen de oude, oorspronkelijke schepping en de nieuwe schepping waarin gerechtigheid woont. En als je gericht bent op deze wereld, op dit Jericho, dan loopt het verkeerd af. Dan komen de problemen van alle kanten. Deze man hier werd aangevallen, uitgekleed en hij kreeg zware slagen.
Hij viel dan ook onder de moordenaars. Die zijn er namelijk altijd. De wereld van Jericho is een wereld van dood. Daar word je het slachtoffer van. En daar lig je dan. Wat doet iemand, die naakt, uitgetogen en geslagen, halfdood aan de weg ligt? Wat moet hij doen om weer bij zijn positieven te komen? Wat zou hij kúnnen doen? Niets, toch? En dan? Hij was aan de hulp van anderen overgeleverd. Als hij die hulp van anderen niet onmiddellijk krijgt, zou hij ter plekke overlijden. Zelf kon hij helemaal niets aan zijn absoluut uitzichtloze positie veranderen. Hij was machteloos en gedoemd te sterven.

De priester en de Leviet

En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging
hij tegenover hem voorbij. Lukas 10 : 31

Hier staat: “een zeker priester”. Dat kan elke priester zijn. Het zal hier wel om een Levitisch priester gaan naar de Joodse of Israëlitische wet. Deze priester kwam dezelfde weg af. Hij gaat dus ook al de verkeerde kant op. Toen de priester de man zag, ging hij aan de andere kant van de weg voorbij. In deze gelijkenis gaat het niet over ethiek. Waar het over gaat is wat die priester in deze gelijkenis voorstelt. Waar hij de uitbeelding van is. Dat is niet zo moeilijk, want die priester geeft uitdrukking aan godsdienst, religie, wetten en regels. De priester staat voor godsdienstige zaken. Die worden immers door de priesters geregeld. Zij bepalen wat men moet doen en wat men moet laten. Het punt is nu dat als men niet zo lang meer te leven heeft, men aan religie helemaal niets heeft. Wat moet je dan nog? Het is allemaal van geen enkele betekenis. U kent zeker de gezegde: “Nood breekt wetten”. Aangezien wij mensen in het algemeen altijd in nood zijn, breken wij dus altijd alle wetten. En dat is precies wat de Bijbel zegt. Hoe groter de nood hoe minder de wet betekent. Als er maar druk op ons staat, dan is elk mens geneigd welke wet dan ook te overtreden.

Natuurlijk zegt de theoloog en ethicus van vandaag over dit Schriftgedeelte: “Het is helemaal fout wat die priester deed. Hij had niet aan de andere kant van de weg voorbij mogen gaan. Hij had moeten stoppen en alles moeten doen om deze man te redden.” Maar wat had de priester eraan kúnnen doen dat de mens sterfelijk is? Niets. Het uiterste probleem van de mens is altijd dat hij geen eeuwig leven heeft. Dus: wat moet die priester? Hij kán er niets aan doen en daar gaat het om. En dat is tegelijkertijd ook de enige conclusie die we mogen trekken. Niet: “Hij had er iets aan moeten doen”. Hij kán er niets aan doen. De priester loopt voorbij en er gebeurt gewoon niets. En zo is het nog steeds: godsdienst kan de mens in nood niet helpen.

En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. Lukas 10 : 32

De volgende die eraan komt is een Leviet. Het verschil is niet zo groot, want een priester was ook een Leviet. De priesters stammen net zo goed uit de stam van Levi, maar dan meer in het bijzonder uit de familie van Aäron. De Levieten worden “Levieten” genoemd, omdat ze niet waren uit het huis van Aäron en dus geen priesters waren. In de wet werden Levieten gegeven tot hulp aan de priesters. Waar de priesters in hun godsdienstige activiteiten hulp nodig
hadden, moest die hulp geleverd worden door de Levieten. Eigenlijk was heel de stam van Levi daar dus aan gewijd. Maar zover we verschil maken – en hier wordt tot op zekere hoogte even verschil gemaakt – staan de priesters voor religie en de Levieten voor de cultuur of sociale zaken. Alles wat de samenleving betreft werd geregeld via Levieten. Ze hadden heel veel verantwoordelijkheden. Levieten moesten de tabernakel dragen door de woestijn; ze moesten de wet onderwijzen en van alles regelen rondom de tempeldienst. Levieten zorgden ook voor zang en muziek bij de tempel. Zij ontvingen eveneens tienden en vervolgens moesten ze bijvoorbeeld de armenzorg regelen. Levieten woonden door heel het land om te voorzien in allerlei noden die daar waren. Daarom had de stam van Levi ook geen eigen grondgebied in de verdeling van het land. Levieten leefden verspreid onder de overige stammen van Israël, om het volk te dienen. En daar valt dus onder de rechtspraak, godsdienstonderwijs, maar ook sociale zaken. Al deze praktische zaken betreffende de godsdienst en heel het maatschappelijke leven kunnen worden samengevat met één woord: cultuur.

Dus wat vinden we hier? Een Leviet, die de traditie, cultuur en de wijze van leven vertegenwoordigt. Maar die Leviet kan ook niet helpen. Hoe goed de godsdienst misschien dan is en hoe goed ook de Israëlitische dan wel Joodse cultuur was; het maakt verder niets uit. Als iemand op sterven ligt, zijn bezittingen en uiteindelijk zijn leven kwijt raakt, kunnen religie en cultuur daar niets aan doen. De Leviet gaat gewoon aan de man voorbij. Alsof hij hem niet ziet liggen. En daarna verschijnt er een Samaritaan.

De Samaritaan

Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. Lukas 10 : 33

“Maar een zeker Samaritaan” Let op: “een zeker”. De uitdrukking is nog steeds heel vaag. Maar er wordt al iets meer gezegd. Het is niet zomaar “een zeker mens”, maar “een zeker Samaritaan”. We weten dat Joden en Samaritanen elkaar eigenlijk niet konden luchten of zien. Zij liepen met een wijde boog om elkaar heen. In Johannes 4 wordt bijvoorbeeld de ontmoeting beschreven tussen de Here Jezus en een Samaritaanse vrouw. Jezus – de Jood – vroeg aan de Samaritaanse vrouw: “Kun je me wat water geven?” En zij zegt: “Hoe kan dat nou? U bent een Jood en ik ben een Samaritaan en dat doen we zo niet. Jullie Joden gaan niet om met Samaritanen en wij Samaritanen gaan niet om met jullie Joden. We helpen elkaar niet. Dat is tegen zowel de Joodse als de Samaritaanse cultuur.”

Samaria was de hoofdstad van het tien-stammenrijk van Israël. In 722 voor onze jaartelling werden de tien stammen van Israël in Assyrische ballingschap weggevoerd. Daaruit zijn zij ook nooit teruggekomen. Er bleef toen een handjevol mensen in het inmiddels lege land achter. Maar vanuit Assur en Ninevé werden ander mensen – heidenen dus – in Kanaän gebracht. Dat wil zeggen dat zij op het grondgebied van de tien stammen gebracht zijn om het land daar te bewonen. Op deze manier was er in de toekomst geen ruimte meer voor die tien stammen in het geval dat zij hadden terug willen keren. Een klein gedeelte van de tien stammen heeft zich vermengd met de heidenen en dat zijn dus “de Samaritanen”. Ze hebben iets Israëlitisch in zich, maar ook iets heidens. Hier moet wel bij verteld worden dat het volk daar ter plekke wel degelijk werd onderwezen in de “wijze des lands”. Dat wil zeggen in de God van Israël en de God van dat land. Kennelijk zijn ze onderwezen geworden in de vijf boeken van Mozes, die al vóór de Babylonische ballingschap bestonden.

De Samaritaan wordt dus eigenlijk niet geassocieerd met de Joden, maar met de tien stammen van Israël. Het bijzondere is nu ook dat het eerstgeboorterecht onder de stammen van Israël zich bevindt bij de tien stammen. Het eerstgeboorterecht van Israël, dus de oudste rechten, maar ook de oudste plichten, is niet bij de stam van Juda en dus ook niet onder de Joden. Het is bij de stam van Efraïm, bij de erfgenaam van Jozef. De Samaritanen waren dan weliswaar veracht onder de Joden, maar de naam van Samaria is onlosmakelijk verbonden met het eerstgeboorterecht onder Israël.

Terug naar de gelijkenis in Lukas 10. Deze Samaritaan nu, van die de Jood dus helemaal niets
te verwachten had, “kwam reizende omtrent hem”. Let wel dat er nu ineens niet meer staat:
“Hij kwam of daalde af”. Eerst was het: “Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho”.

Daarna: “En bij geval kwam een zeker priester dezelfde weg af en desgelijks ook een Leviet”. Alle drie bewogen zich van Jeruzalem in de richting van Jericho. En nu ineens is de terminologie veranderd. “Een zeker Samaritaan reizende kwam omtrent hem.” In welke richting ging hij? – Van Jericho naar Jeruzalem. Anders had er gewoon kunnen staan: “En desgelijks…” of zo. Maar het staat hier uitdrukkelijk anders. Niet dat Jeruzalem zijn definitieve bestemming zou zijn, want hij was reizende. Hij zal wel niets anders gedaan hebben dan kijken of er ook slachtoffers waren op die weg. Zoeken om zalig te maken wat verloren was. Wat die priester en die Leviet deden ten opzichte van het slachtoffer zou de normale begrijpelijke en algemeen geaccepteerde handelwijze geweest zijn van een Samaritaan. En hij deed het juist anders. Hij gedroeg zich als een Leviet. Maar hij was geen priester. Hij was geen Leviet. Hij was zelfs niet eens een Jood. Hij hoorde niet bij de religieuze wereld van die dagen, laat staan dat hij daar een leidsman in zou zijn. Hij maakte geen deel uit van de culturele wereld van die dagen en ook niet van de sociale wereld. Hij stond er ver buiten. Hij kwam uit een heel andere cultuur; uit die van Samaria. Hij trok dus rond, zag de man die onder de moordenaars was gevallen al op afstand langs de kant van de weg liggen. Hij kwam in zijn buurt, “omtrent hem”. De Samaritaan ging bewust naar hem toe en werd met innerlijke ontferming bewogen.

Iedereen moet nu toch kunnen weten wie die Samaritaan voorstelt. Want als er iemand met innerlijke ontferming bewogen wordt, dan is het uiteraard de Here Jezus Zelf. Dat staat op vele plaatsen in de Schrift. Als Hij een lamme, een zieke, een kreupele of een zondaar zag, dan staat er heel dikwijls: “Jezus hem of haar ziende werd met innerlijke ontferming bewogen”. (zie Matthéüs 9 : 36, 14 : 14, 15 : 32, Markus 6 : 34, 8 : 2, 9 : 22, Lukas 7 : 13) De Heer Zelf spreekt hier over de Samaritaan en zegt: “De Samaritaan zag hem en werd met innerlijke ontferming bewogen.” Let wel: hij werd met innerlijke ontferming bewogen. Bestaat er dan ook uiterlijke ontferming? Jawel. Dan helpt men elkaar omdat het móét. Dan ontfermt men zich over elkaar, verleent men hulp, omdat de traditie dan wel de wet ons dat voorschrijft. Maar “innerlijke ontferming” wil zeggen dat men het niet doet uit traditie of omdat het moet, maar gewoon vanuit het hart, vanuit betrokkenheid. Uit liefde. Dat is een iets sterkere term natuurlijk, maar die lezen wij in elk geval op andere plaatsen met betrekking tot de Heer.

Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. Romeinen 5 : 8

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Johannes 3 : 16

Ook de term “liefde” wordt zeker gevonden als de Here Jezus spreekt over Zijn Gemeente.

En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk. Efeze 5 : 2

De Samaritaan is dus een beeld van de Here Jezus, die met innerlijke ontferming bewogen werd. Bij gelegenheid wordt de Heer door Zijn tijdgenoten zelfs “een Samaritaan” genoemd.

De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat
Gij een Samaritaan zijt, … Johannes 8 : 48

Dat de Heer Zich hier met een Samaritaan associeert, is helemaal geen vreemde gedachte. Hij is namelijk degene die ons langs die weg opgepikt heeft en ons verzorgt.

Olie, wijn en de herberg

En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn […]; Lukas 10 : 34a

Wijn ontsmet de wond. Olie is een laag vet en heeft een afsluitende, beschermende, verzachtende werking. Olie is in de Bijbel een beeld van de Heilige Geest, de onzienlijke kracht Gods, de Geest Gods. Wijn is dat in zekere zin ook. De Heer Zelf hief korte tijd later een beker wijn op en zei zoiets als: “Op het leven”. Hij zei: “Dit is het bloed, het leven van het Nieuwe Verbond.” (zie Matthéüs 26 : 27, 28) Daarmee zijn wijn en sterke drank een type van eeuwig leven. Vandaar dat de Spreukendichter al zei: “Geeft sterken drank dengene die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn.” (Spreuken 31 : 6) Degenen die verloren gaan, gaan verloren omdat ze sterven. Wat hebben ze nodig? Eeuwig leven.

34b […] en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en
verzorgde hem.
35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze
den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan
hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom. Lukas 10 : 34b, 35

Het beest zal wel een ezel geweest zijn. Kennelijk was daar langs die weg ergens een herberg. Het slachtoffer wordt compleet verzorgd achtergelaten in een huis dat daarvoor bestemd is. De Heer Zelf verzorgde hem in alle opzichten. De man had aan geen ding gebrek. Dat huis waarin hij geplaatst werd, heet overigens gewoon “het huis Gods”, namelijk de Gemeente. Dat is hier, wat de aarde betreft, een tijdelijke zaak. Daarom heet het “een herberg”. Daar is dan ook een naamloze herbergier – een waard – die voor ons zorgt. Dat is of de Heilige Geest of de hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Dat is natuurlijk in beide gevallen Christus. En hetzelfde geldt uiteraard ook voor de Geest: het is toch Christus, maar in andere hoedanigheid. Eén die niet rondreist, maar in dat huis het één en andere regelt. Denk in dit verband vooral aan de parallel met de gevangenis, waarbij Jozef aan het hoofd van de gevangenis stond en daar optrad als verzorger voor heel het huis. We moeten herkennen dat hier sprake is van wat wij noemen “tegenwoordige waarheid” . Hier wordt de situatie waarin wij nu leven uitgebeeld.

Twee penningen

De gelijkenissen in de Bijbel spreken per definitie over de tijd na de eerste komst van Christus en voorafgaande aan Zijn wederkomst. (zie o.a. Matthéüs 13) Het gaat dus om onze tijd. In vers 35 stond: “Hij gaf twee penningen aan de waard”. Hoeveel geld dat precies is, is niet zo belangrijk. Het aardige is dat die twee penningen staan voor 2000 jaren. Het woord “penning” is afkomstig van het Latijnse woord “dinarius”. Dat betekent “tien bevattend”. Het zijn munten die “tien as” bevatten. Tien as zijn één dinarius. Dus twee penningen kun je lezen als twintig, maar je kunt het ook lezen als twee. Het zijn twee muntstukken, 2000 jaar. Je kunt het ook lezen als twintig en dat getal staat nog steeds voor die 2000 jaar. Sterke argumenten zijn dit niet, maar ze vallen nu eenmaal samen met al die andere Schriftplaatsen die gelijksoortige getallen en beelden gebruiken. De gedachte is gewoon dat wij verzorgd worden gedurende 2000 jaar tot aan de wederkomst van Christus. Hij heeft ons geplaatst in een beschermde positie. En alle kosten heeft Hij in beginsel op voorhand betaald en mocht het meer kosten zal Hij betalen in de toekomst. Dat is de enige verklaring die er is. Men wordt gered van de dood en men ontvangt eeuwig leven. Niet via godsdienst, niet via traditie of cultuur, maar van iemand die verworpen werd. Die niet in aanzien is. Een Samaritaan. En wie dat is? De Here Jezus zei tegen de Zijnen in klare taal: “Ze hebben mij verworpen en ze zullen ook u verwerpen. Verwondert u daarover niet dat de wereld u haat, ze hebben mij eerst gehaat en zullen ook u haten”. (vergelijk onder andere Matthéüs 10 : 22, Johannes 15 : 18, 1 Johannes 3 : 13). Dat is de hele gelijkenis.

4. De tegenvraag van de Here Jezus

Hier komt de uiteindelijke kwestie weer aan de orde. Want het ging in eerste instantie niet eens over de betekenis van de gelijkenis. Het ging om de vraag uit Lukas 10 : 29: “Wie is mijn naaste?” Vervolgens vertelt de Here Jezus een gelijkenis en stelt daarna de tegenvraag:

Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was? Lukas 10 : 36

Wanneer tegenwoordig gesproken wordt over de naaste en liefde voor de naaste, dan denkt men aan iemand die rijk is zoals wijzelf en aan de naaste, die arm is. Wij zouden nu onze naaste liefhebben door die arme naaste iets te geven. Onze naaste is dus degene die van ons afhankelijk is en wij zouden op grond van onze liefde voor deze naaste optreden als weldoener. Maar met de uiteenzetting van de Here Jezus in deze gelijkenis voor ogen is onze naaste niet degene aan wie wij weldaden verrichten, omdat hij van ons afhankelijk is. Nee, onze Naaste is degene die aan ons weldadigheid bewijst, omdat wij van Hém afhankelijk zijn. Onze naaste is degene die ons weldadigheid en barmhartigheid gedaan heeft. En als wij onze naasten – of onze naaste – liefhebben, zouden we dus degene liefhebben die ons barmhartigheid gedaan heeft. Nou, wie heeft aan ons barmhartigheid gedaan? Wie is genadig, barmhartig, goedertieren en liefderijk?

4 Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft,
5 Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden). Efeze 2 : 4, 5

Wie is onze Naaste? God dus. Want als iemand ons barmhartigheid bewezen is, is het God. God en meer specifiek God in Zijn persoonlijke vorm. In een persoon, in een gedaante. En wie komt dan tot ons? Inderdaad de Here Jezus Christus. De christelijke traditie is dus precies andersom.

Er is geen bezwaar tegen naastenliefde maar men zou moeten begrijpen wat het in de eerste plaats is. Dat Christus onze Naaste is, is niet in strijd met de verklaring uit Leviticus 19 : 18 waar we de uitdrukking “kinderen uws volks” tegenkwamen als synoniem voor “naaste”. “Kinderen uws volks” wil zeggen “uw volksgenoten”. Want wij horen tot hetzelfde volk als waar Christus toe behoort. Dat volk is Zijn volk, het volk waar Hij het Hoofd van is, namelijk de Gemeente. De Gemeente is Zijn volk, Zijn huis. Wie zouden wij liefhebben? Onze Naaste en dat is Christus. Daarna worden al die andere wetsartikelen ineens ook wat scherper. “Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw Naaste”. (Exodus 20 : 16) Tegen Wie niet? Tegen Christus niet. Maar ze hebben valse getuigenis ingebracht tegen Christus. “Gij zult niet begeren wat uws Naasten is”. (zie Exodus 20 : 17) Wacht maar tot dat Hij het je geeft, want Hij geeft al wat wij nodig hebben. “Gij zult niet stelen”. (Exodus 20 : 15) Van Wie niet? Van uw Naaste niet uiteraard. Je zult je dus niet de goddelijke dingen eigen maken of van Hem roven.

Terug naar vers 36. In 23 van 25 vertalingen staat: “Wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn?” Maar er zijn twee uitzonderingen. De ene is Green’s Interlinear; dat is een Grieks Nieuw Testament (Textus Receptus) met daaronder een letterlijke Engelse vertaling. De andere is McReynolds Interlinear; dat is ook een Grieks Nieuw Testament (Nestlé Aland) met een letterlijke Engelse vertaling. In beide vertalingen staat: “Wie dunkt u de Naaste geworden te zijn?” Men vertaalt het Griekse woord “gínomè” wel altijd met “geweest te zijn”, maar nauwkeuriger is “geworden te zijn”. Toen heb ik nagekeken wat “gínomè” officieel volgens de handboeken betekent. Ik vond vier verschillende verklaringen: alle vier hadden dat woord vertaald met “worden” en niet met “zijn”. Natuurlijk hangen deze twee woorden wel samen, want als men iets gewórden is, dan ís men het ook. Maar in dit verband zou er echt moeten staan “geworden”. Wie van deze drie dunkt u de Naaste geworden te zijn? De Heer is onze Naaste geworden. Doordat Hij met innerlijke ontferming bewogen werd en Zich over ons ontfermd heeft. En als wij onze Naaste lief zouden hebben, is de vraag: Wie is dat? Je kunt ook vragen: Wie is het geworden? of: Wie wil het worden? Bovendien heb ik het woord voor “naaste” nagekeken. Het kan worden vertaald met “een ander” dan wel “iemand anders” of met “buurman”. Eigenaardig is dat het Hebreeuwse woord “ra” (70-200) voor “naaste” ook nog drie andere vertalingen kent.

De vier vertalingen zijn als volgt:

  1. “het kwade”, “het boze”
  2. “geschreeuw”
  3. “gedachten”
  4. “naaste”

“Geschreeuw” is in de Bijbel altijd negatief. Geschreeuw is eigenlijk de verbale opstand tegen God. Geschreeuw komt voort uit het hart en uit het hart komt het kwade en het boze voort. Dat wat een mens denkt of redeneert kan worden samengevat met “gedachten”. En ook de gedachten komen voort uit het hart. We zien dus dat de betekenis van het Hebreeuwse woord “ra” (70-200) dikwijls heel negatief is. Verder wordt het woord vaak vertaald met “naaste”. De aardigheid daarvan is dat daarmee de betekenis naar voren komt. Want wat het woord echt uitdrukt is “dat wat in het hart is”. In verband met “naaste” betekent dat “degene die ín onze harten is” en niet “degene die hier naast ons is”. Onze Naaste is Degene die in onze harten is. Hij heeft Zich daar een plaats verworven. Nu is de betekenis op eens niet meer negatief, maar positief. Hij is het Die in ons hart woont. Niet het kwade, niet onze gedachten, maar de Heer Zelf. Hem zouden wij liefhebben. En bovendien: Wat doet men met het hart?
Geloven, liefhebben en denken in het algemeen. In de Schrift heet dat dan “een verstandig hart hebben”. (zie Spreuken 16 : 20-24) Daarna is er nog een andere verklaring voor het woord “naaste”. Men zegt dat het afgeleid is van het woord “ra-ah” (5-70-200) wat met “voeden” wordt vertaald. Dan kan het betekenen: de naaste is degene die wij voeden. Maar het kan net zo goed betekenen: de Naaste is Degene die ons te eten geeft, Die ons hart voedt. Hij is Degene Die brood en wijn voortbrengt.

5. Het antwoord op de uitgangsvraag

De wetgeleerde geeft dan antwoord op Jezus’ wedervraag en Jezus op de uitgangsvraag:

[…] Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks. Lukas 10 : 37a

Wat moet men dus doen? Desgelijks! Gelijk aan wat? Hier is men de draad kwijt. Want men denkt dat er staat: “Doe net als die Samaritaan”. Daar komt vervolgens het verhaal vandaan dat wij barmhartigheid moeten bewijzen aan anderen, dat wij voor “naaste” moeten spelen. Maar dat is niet de gedachte. Als de Heer zegt: “Doe gij desgelijks” is dat niet desgelijks als wat die Naaste deed, want dat kúnnen wij niet eens. Kunnen wij ons leven geven voor een ander? Kunnen wij andere mensen eeuwig leven schenken? Volstrekt niet. Als de Heer dus zegt: “Doe gij desgelijks”, is dit het uiteindelijke antwoord op de vraag: “Wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven?”, die helemaal aan het begin van dit Schriftgedeelte gesteld werd.

Schematisch:

Schematisch:2

Vers 25 begon met: “Wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven?” Voordat de Here Jezus antwoord geeft op deze vraag, stelt de wetgeleerde een tweede vraag. Hij vraagt wie zijn naaste is. Daarna komt het antwoord wie het is, namelijk degene die barmhartigheid bewezen heeft. En vervolgens wordt teruggekomen op de oorspronkelijke vraagstelling, namelijk: “Wat moet ik doen?” En het antwoord is uiteindelijk: “Doe gij desgelijks”. “Desgelijks” duidt erop dat inmiddels is uitgelegd hoe dat zit. Wat moest men doen? God liefhebben en de Naaste liefhebben. Als men nu weet Wie het is, dan kan men het nu doen. En zodoende zal men het eeuwige leven beërven.

Als men zich bovendien bewust is dat men barmhartigheid ontvangen heeft, dan is het daarna toch niet zo moeilijk om Degene lief te hebben waarvan men die barmhartigheid heeft ontvangen.. Als wij uit de Bijbel weten wie God is, dan kennen wij die God inderdaad als een genadig, barmhartig en goedertieren God, Die ons weldadigheid bewezen heeft. Het enige probleem daarna is of wij bereid zijn om die barmhartigheid ook aan te nemen. De problemen bij de prediking van het evangelie zijn daarin gelegen dat als de Samaritaan langs komt om het slachtoffer op te rapen, het slachtoffer liever het slachtoffer blijven wil. Men is in duisternis en men kent de Heer niet. Als Hij dan bij hem komt en Zich voorstelt: “Ik ben Jezus die gij vervolgt”, dan zegt men: “Ga alsjeblieft weer weg, ik wil het niet horen, laat me met rust, ik red het zelf wel. Misschien nu nog niet, maar wel binnen afzienbare tijd.” Men wil die God niet kennen. Maar voor ons geldt: wij weten Wie ons barmhartigheid gedaan heeft. Het was een verworpene, een Samaritaan. Hem liefhebben is echt niet zo moeilijk naarmate wij begrijpen hoe groot die barmhartigheid was. Dat is een heel natuurlijke zaak. Dat is niet iets wat moeilijk is op te brengen, maar het is vanzelfsprekend. Iemand die ons goed doet, die hebben wij lief. Iemand die ons opzoekt, iemand die aandacht aan ons besteedt, wekt daardoor onze liefde op. Dat is een heel natuurlijk proces.

En dus toch: naastenliefde is kenmerkend voor de ware christen. Maar het is in eerste instantie liefde tot de Heer. Daarvan afgeleid uiteraard liefde tot onze volksgenoten. Paulus noemt ze “huisgenoten des geloofs”. (Galaten 6 : 10) Petrus noemt ze: “Degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben”. (2 Petrus 1 : 1)

Met andere woorden: onze broeders en zusters, onze medegelovigen. Wij hebben immers diezelfde Samaritaan lief. En daarom zijn wij aan elkaar verbonden en hebben we elkaar lief. Zo kunnen wij gelovigen in de Here Jezus het toch met elkaar vinden, omdat wij verbonden worden door de liefde voor Diezelfde Heer, Die Zich over ons ontfermd heeft. In diezelfde herberg wachten wij met ons allen op de inmiddels aanstaande wederkomst van de Samaritaan.

Amen


 Oorspronkelijke bijbelezingen A364 De naaste Naaste
 Aanverwant onderwerp: A001 De Naaste/

door: Ab Klein Haneveld


Dit is een bewerking van de Brochure "Wie is mijn Naaste?" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/