PROFETISCH PANORAMA


1. InleidingDe Bijbel spreekt over Christus.
2. De profetie van DaniëlSlachtoffer en spijsoffer.
3. Profetie in MatthéüsIsraël en de verkondiging van het EvangelieMatthéüs 24 : 45 tot 25 : 30.
4. Profetie in Joël.
5. De profetie over de opname van de Gemeente.
6. Openbaring en de 70-ste week. Bazuinen en fiolen.
7. Berekeningen. Twee dagen. Babel. Mené, mené, tekél, upharsin.
8. De wereldrijken in het boek Daniël. Conclusie.
9. De wereldrijken in het boek Openbaring. Openbaring 17.
10. Slot. De antichrist.
11. Chronologische tafel.


1. Inleiding

Deze studie gaat over de Bijbelse profetieën. Gezien de tijd waarin wij leven kunnen die profetieën ons zeer bemoedigen. Het is daarbij natuurlijk wel noodzakelijk het profetische Woord te kennen. We leven nu in een tijd waarin de zaken die in het Woord van God werden aangekondigd ook inderdaad staan te gebeuren. Deze tijd komt in hoge mate overeen met de tijd van de eerste komst van de Here Jezus. In die dagen kwam de Zoon des mensen naar de aarde. Hij leed, stierf en stond op. Vervolgens verdween Hij weer. Hij kwam, maar Hij werd afgesneden. (Daniël 9 : 26) Wat over Hem was aangekondigd kreeg Hij niet. De huidige tijd leidt naar de wederkomst van Christus. Hij zal komen, zien, overwinnen en niét verdwijnen! De afgesneden zaak die Hij in het verleden gedaan heeft, (Romeinen 9 : 28) zal Hij voltooien. Dit betekent dat het wereldrijk dat dan op aarde is zal verdwijnen en dat Christus Zijn koninkrijk daadwerkelijk op aarde zal openbaren. De Bijbelse profetieën moeten nog in vervulling gaan. De zaken die eraan vooraf moeten gaan om de vervulling van de profetieën mogelijk te maken vinden echter in onze dagen plaats. Dit is dus een extra bewijs van de betrouwbaarheid van het Woord van God. We hebben dat bewijs (hopelijk) niet nodig, maar het is er wel degelijk.

Het is de bedoeling de profetieën die een uitgebreid verslag geven van bepaalde komende gebeurtenissen systematisch te bestuderen. Daardoor zal een bepaalde lijn ontstaan die houvast geeft in de bestudering van de profetieën. Het Woord geeft namelijk duidelijk aan dat er een bepaalde volgorde in de gebeurtenissen bestaat. Er zijn verschillende profetieën die met name over de wederkomst van Christus handelen. Omdat deze profetieën in elkaar schuiven/passen zullen met elkaar vergeleken worden. De verschillende profetieën vullen elkaar aan, waardoor het mogelijk is een nauwgezet beeld te krijgen van de gebeurtenissen die de wereld te wachten staat. Vanuit de Bijbel wordt de samenhang in welke volgorde de gebeurtenissen zullen plaatsvinden en in welke samenhang duidelijk, waardoor er tevens nieuw licht valt op de gebeurtenissen zelf. Deze studie gaat over de toekomst. De toekomst laat zich echter alleen verklaren wanneer de achtergronden uit het verleden bekend zijn. Er staan geweldige dingen te gebeuren die God van oudsher aangekondigd en beloofd heeft. In oudtestamentische tijden heeft Hij ze aan de mens en via het geschreven woord meegedeeld. Dit betekent dat de Bijbel vanaf de eerste mens Adam over profetieën spreekt die tot in onze dagen nog steeds niet vervuld zijn. Sommige profetieën zijn gedeeltelijk vervuld, maar de uiteindelijke vervulling van alle profetieën vindt in de toekomst plaats. Wij verwachten terecht de openbaring van Jezus Christus, de Zoon des mensen, de Koning der koningen en de Heer der heren.

Genesis 1 : 26 – 2 : 4  *

26 En God zeide: laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerp haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze!
30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.
31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.

1 Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.
2 Als nu God op den zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.
3 En God heeft den zevende dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.
4 Dit zijn de geboorten des hemels en er aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en de hemel maakte.

Dit gedeelte is het laatste deel van “het eerste scheppingsverhaal”. In Genesis 2 : 4 vinden we de “ondertekening” van het eerste deel (de eerste perikoop). Dit eerste gedeelte is door de Heer Zelf geschreven. Het volgende gedeelte, beginnend bij Genesis 2 : 4b, is door Adam geschreven. Het eindigt in Genesis 5 : 1a. Het stuk dat daarna volgt is door Noach geschreven (t/m Genesis 6 : 9a). Het eerste gedeelte wordt “ondertekend” zonder dat er een naam bij genoemd wordt. Hieruit dienen we te concluderen dat het door de Heer Zelf is opgeschreven. Hij geeft hier een verslag van Zijn Eigen werk. Het laatste gedeelte van deze eerste perikoop spreekt over de schepping van de mens. Dit gedeelte heeft tot veel misverstanden geleid. In dit gedeelte wordt weliswaar over mensen gesproken die God zou maken, maar het zal duidelijk zijn dat de mens in het algemeen niet voldoet aan de omschrijving die God hier van de mens geeft. (Genesis 1 : 27) De mens die God zegt te zullen maken is een ándere mens dan de mens zoals u en ik. Daarvoor zijn meerdere argumenten:

1. De mens lijkt niet op God en is geen beelddrager Gods. In het Nieuwe Testament wordt daarom meermalen gezegd dat de mens beelddrager Gods moet worden. (Romeinen 8 : 29; 2 Korinthe 3 : 18) Dat kan uiteraard alleen als hij dat nog niet is! Meestal wordt hier tegen ingebracht dat de mens vóór de zondeval naar het beeld van God geschapen was. Ná de zondeval was hij niet langer naar het beeld van God geschapen. Vervolgens moet hij weer beelddrager Gods worden. Nergens in de Bijbel staat dat de mens beelddrager Gods ís. Sommige mensen worden in de Bijbel als “goden” aangeduid, (o.a. Exodus 4 : 16; 7 : 1; 21 : 6; 22 : 8, 9) maar dat wil nog niet zeggen dat zij daarmee beelddragers Gods zijn. De mens is geen afbeelding van Gods wezen.

2. De mens is niet het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid. (Hebreeën 1 : 3) Noch woont al de volheid der Godheid in de mens. (Kolossenzen 2 : 9) Deze dingen worden wel in de Bijbel genoemd, maar daarbij wordt slechts over één Mens gesproken, namelijk over de Here Jezus Christus. Het wordt juist van Hem gezegd, omdat dat hét onderscheid is tussen Hem en de mensheid in het algemeen. Hij is het Beeld Gods. (2 Korinthe 4 : 4) Hij is het Beeld van de onzienlijke God. (Kolossenzen 1 : 15)

3. In de Bijbel staat nergens dat de mens dé beelddrager Gods was. Dat wordt vóór zijn zondeval ook niet van Adam gezegd. God schiep de mens en God zag dat het “goed” was. Iets kan wel “goed” zijn, maar God heeft iets op het oog dat “beter” is. De mens stemt niet overeen met het uiteindelijke plan van God. Dit blijkt uit het feit dat de mens Adam zondigde. God zondigt niet. Hij kán het niet! Adam kon het wél, waaruit blijkt dat hij niet het beeld van God is.

Van Christus wordt gezegd dat Hij het Beeld van God is. (2 Korinthe 4 : 4) Dit betekent onder andere dat de dood Hem niet kan houden. Er staat zelfs dat Hij niet kán sterven. (Romeinen 6 : 9) Van Christus wordt gezegd dat Hij het Beeld Gods is. Dit wordt niet gezegd in verband met Zijn menswording en ook niet in verband met Zijn preëxistentie. Het wordt gezegd in verband met Degene Die uit de doden opstond. Hij is eenmaal voor de zonde gestorven, maar Hij leeft voor God. (Romeinen 6 : 10) Van de opgestane Christus wordt gezegd dat Hij het Beeld van God is. Hij is het afschijnsel van Gods heerlijkheid. (Hebreeën 1 : 3) In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. (Kolossenzen 2 : 9) Het wordt dus gezegd van Degene Die niet aan de dood onderworpen is. (vergelijk 2 Timótheüs 1 : 10; Hebreeën 2 : 14; Openbaring 1 : 18) Christus is Beelddrager Gods.

Tegen Adam werd gezegd dat hij zou sterven wanneer hij van de boom van kennis van goed en kwaad zou eten. (Genesis 2 : 17) Hij kón dus sterven. Later werd hij de hof uitgezet omdat hij anders van de boom des levens zou eten. Dat was niet de bedoeling, want dan zou hij blijven leven. (Genesis 3 : 22-24) Dit betekent dat hij de vrucht van de boom des levens nodig had om in leven te blijven. Hij had namelijk geen leven in zichzelf. (vergelijk Johannes 6 : 53) Van de Zoon des mensen staat dat Hij leven heeft in Zichzelf. (Johannes 5 : 26) Dat leven deelt Hij uit. (Johannes 5 : 40; 6 : 33, 51; 10 : 10; 20 : 31; 1 Johannes 5 : 11, 12) De natuurlijke mens is niet in staat zulk leven te geven. Adam is daar ook nooit toe in staat geweest. Meestal haalt men Genesis 9 : 6 aan: “Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt”. Dit vers geeft alleen een bepaald principe aan. Het was de bedoeling dat de mens Gods beeld gelijkvormig zou zijn en dienovereenkomstig heerschappij zou hebben. De mens bleek daartoe echter niet in staat te zijn, zoals uit de rest van de Bijbel blijkt. Het was Gods bedoeling dat de mens naar Zijn beeld geschapen zou worden. In Genesis 1 : 26 staat dat God mensen (letterlijk: mens) ging maken naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis. We dienen ons af te vragen: Wanneer komt dié mens? Het bleek Adam niet te zijn, want hij zondigde. Adam was wel een type van Degene Die komen zou. (Romeinen 5 : 14) De volgende mens was Kaïn en hij was evenmin naar Gods beeld en gelijkenis. Abel dan? Hij was wel een voorafschaduwing van Degene Die werkelijk Beelddrager Gods zou zijn. Vervolgens kwam Seth in de plaats van Abel. Ook hij is een type van de Here Jezus Christus, maar hij was niet de Christus Zelf. Zo kunnen we doorgaan en we kunnen slechts vaststellen, dat zij allen tekortschoten, ook al werd iemand “een man naar Gods hart” genoemd. (1 Samuël 13 : 14; Handelingen 13 : 22) Het gaat zo door tot Matthéüs 1 : 1 1:

Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van David, den Zoon van Abraham. Matthéüs 1 : 1 1

“Het boek des geslachts” is het Griekse equivalent van de Hebreeuwse uitdrukking waarmee de verschillende delen van Genesis zijn ondertekend. Jezus Christus is de beloofde Messias, de Erfgenaam van alle beloften die in het Oude Testament gegeven zijn. Hij werd in Genesis 1 : 26 werd aangekondigd. Hij is de eerste Mens Die aan het Beeld van God beantwoordt. Hoe is Hij dat geworden? Dat legt Matthéüs vervolgens in zijn evangelie uit. Het evangelie van Matthéüs eindigt met Hem:

En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (= eeuw). Amen. Matthéüs 28 : 20

Genesis 1 : 26 spreekt over de Mens Die naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is. Vervolgens zijn er ook mensen die beelddragers van God kunnen worden. De Zoon des mensen is het ware Tarwegraan (Johannes 12 : 24) Dat in de aarde viel en stierf zodat Het veel vrucht draagt. Dit zei de Heer in verband met Zijn verheerlijking. (Johannes 12 : 23) Die vrucht bestaat uit mensen naar Gods beeld en Gods gelijkenis. Het opstandingsleven wordt gegeven aan een ieder die gelooft. Wie wedergeboren wordt deelt in Zijn opstanding en wordt/is beelddrager Gods. “Mensen naar Gods beeld en gelijkenis” zijn degenen die uit God geboren zijn; niet door de wil van de mens, maar door de wil van God. (Johannes 1 : 13)

De Bijbel spreekt over Christus

Alle Bijbelse profetie heeft slechts één onderwerp, namelijk de komst in heerlijkheid van de Mens naar Gods beeld en naar Gods gelijkenis. God beloofde dié Mens te maken/formeren/scheppen, ofwel: God beloofde Zijn Zoon in de wereld te zullen zenden. Elke Bijbelse profetie geeft op de één of andere manier licht over de komst in heerlijkheid van die Zoon van God, Die ook Zoon des mensen is. Ook de Bijbelse geschiedenis spreekt over de Here Jezus Christus. De Bijbel spreekt slechts over God, want de Bijbel is de Zelfopenbaring van God. De openbaring van God is niemand anders dan de Here Jezus Christus. De profetieën gaan in de eerste plaats over de Eerstgeborene, die daarom het hoogste erfrecht heeft. Hij blijkt de verheerlijkte Christus te zijn waarop vanaf Genesis 1 : 26 gewacht werd. Alles wijst op Hem. De Bijbel spreekt al in Genesis 1 : 3 over de Here Jezus Christus: “God zei: Daar zij licht en daar wérd licht.” Wat dat licht is vinden we in 2 Korinthe 4 : 6:

Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. 2 Korinthe 4 : 6

Het licht dat kwam, was van God afkomstig. Als dat licht van God in ons komt dan zien wij dat Licht, namelijk God, (1 Johannes 1 : 5) namelijk Jezus Christus. (Johannes 8 : 12) Het maakt niet uit van welke kant dat licht tot ons komt, want het is Gods licht en dus wijst het op Christus. In Genesis 1 : 3 sprak God: “Daar zij licht”. Diezelfde God heeft in onze harten geschenen om ons te verlichten met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. Dit betekent dat beide teksten over Christus spreken. Als God Zijn licht laat schijnen dan verschijnt Christus. Genesis 1 : 3 is dus feitelijk al een profetie over de komst van Christus in heerlijkheid. De gehele Bijbel spreekt dus over wat God gedaan heeft en zal doen. Hij bracht Licht in de duisternis, ofwel Hij openbaart Zichzelf in heerlijkheid in de Persoon van de Here Jezus Christus. Daartoe is Christus mens geworden opdat de schepping aan Hem onderworpen zou worden. De natuurlijke mens was en is daartoe niet in staat.

Ook Noach is een type van Christus. Hij is de gemeenschappelijke stamvader van de gehele mensheid. Aan Noach worden de Adamietische belofte en het verbond herhaald. (Genesis 9 : 1-3) Noach was zelf niet de beloofde Messias, maar was wel een type van Degene Die komen zou. Noach werd met zijn familie behouden. (1 Petrus 3 : 20; 2 Petrus 2 : 5) Zij kwamen na de zondvloed op een “nieuwe” aarde te leven. Dit is uiteraard een beeld van de verlossing en van de nieuwe schepping die Christus tot stand zou brengen. Abraham is een type van Christus. Abraham staat centraal in de oudtestamentische geschiedenis. Van hem wordt gezegd dat zijn geloof gerekend werd tot rechtvaardigheid. (Genesis 15 : 6; Romeinen 4 : 3; Galaten 3 : 6; Jakobus 2 : 23) Dit is ook de grondslag van onze behoudenis (=zaligheid). “Geloof” wil zeggen: Vertrouwen op hetgeen God beloofd heeft te zullen doen. Dat geloof wordt gerekend tot gerechtigheid. Men hoeft slechts zijn vertrouwen op God te stellen; niet in het wilde weg, maar op grond van hetgeen Hij gezegd en beloofd heeft. Wie dat gelooft krijgt deel aan hetgeen Hij gezegd en beloofd heeft. Aan Abraham werd beloofd dat het land (Kanaän) aan hem en aan zijn nageslacht zou worden gegeven tot een eeuwige bezitting. (Genesis 12 : 7; 13 : 15; 15 : 18; 17 : 7, 8) In het Nieuwe Testament wordt deze belofte samengevat:

Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs. Romeinen 4 : 13

Paulus zegt dat Abraham erfgenaam der wereld zou zijn. Dat was hem beloofd. Dit was op grond van geloof. Op grond van geloof erven wij de wereld. De wereld heerst over de mens, maar de gelovige zal over de wereld heersen. (vergelijk Matthéüs 5 : 5; 1 Korinthe 6 : 2; 2 Timótheüs 2 : 12) De gelovige heeft deel gekregen aan het leven van de opgestane Christus. Hij zal het oude leven op de één of andere manier afleggen, maar de dood heerst niet over hem. Hij is namelijk overgegaan in het leven (Johannes 5 : 24; 1 Johannes 3 : 14) Als de gelovige lichamelijk komt te overlijden zal hij de dood niet zien, maar de Heer. Hij was tijdens zijn leven één met Christus en het overlijden brengt daar geen verandering in. (Romeinen 8 : 38, 39) De gelovige maakt geen deel meer uit van de oude schepping. Hij maakt in Christus deel uit van de nieuwe schepping. De oude schepping verdwijnt, (1 Johannes 2 : 17; Openbaring 20 : 11) maar de gelovige heeft eeuwig leven omdat hij deel uitmaakt van de nieuwe schepping. Hij ziet uit naar de komst van de nieuwe schepping! De belofte werd aan Abraham en zijn zaad gegeven. Dat Zaad is Christus, (Galaten 3 : 16) waarvan Izak een type was.

Een ander type van Christus is David, aan wie ook beloften werden gegeven. In het Oude Testament komt het genade-verbond, het verbond der belofte, voor. Dat verbond is in de eerste plaats het verbond met Abraham. In het Nieuwe Testament wordt echter over de verbonden (meervoud) der belofte gesproken. (Romeinen 9 : 4; 15 : 8; Éfeze 2 : 12) Er moet dus nog minstens één ander verbond zijn naast het verbond met Abraham. Dat andere verbond is het verbond met David. Dat is eveneens met zijn zaad gesloten. Hij zou eveneens een erfgenaam der wereld zijn. Dit betekent niet dat er twee erfgenamen der wereld zijn. In de eerste plaats is David zaad van Abraham en in de tweede plaats zijn zij beide een type van Christus. Christus is het Zaad van Abraham en het Zaad van David. Dit betekent niet dat beide verbonden hetzelfde zijn. Ze zijn wel op Dezelfde Persoon van toepassing, namelijk op de Here Jezus Christus. Het verbond met David staat in 2 Samuël 7 : 12-16:

12 Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.
13 Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.
14 Ik zal hem zijn tot een vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen.
15 Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, dien Ik van

voor uw aangezicht heb weggenomen.
16 Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 2 Samuël 7 : 12-16

Hier wordt tegen David gezegd dat hij een zoon zou hebben. Daarvan wordt gezegd dat God zijn koninkrijk zal bevestigen. Het koninkrijk van David werd niet bevestigd, want David stierf. Hij werd door de dood verhinderd te blijven. Hier wordt over het zaad van David gesproken dat niét zou sterven. Zijn koninkrijk zou immers bevestigd worden! Als dat zaad namelijk óók zou sterven, zou er geen verschil bestaan tussen David en zijn zaad na hem. Als zij beide zouden sterven heeft het geen zin om verschil te maken. De Zoon over Wie hier gesproken wordt, sterft niet en is dus Erfgenaam der wereld. Hieruit volgt dat Hij Dezelfde moet zijn als “de Zoon van Abraham”, want Die zou de wereld erven. Het gaat eveneens om een Messiaanse profetie over de komst van de Here Jezus Christus. Het is belangrijk dit te weten omdat deze profetie later wordt aangehaald en op Sálomo wordt toegepast. (1 Koningen 5 : 5; 6 : 12; 8 : 20) Dit is juist, maar het was niet de uiteindelijke vervulling van de profetie uit 2 Samuël 7. Izak was niet de vervulling van de belofte aan Abraham. Het was wel in overeenstemming met de belofte en het was ook een toepassing van de belofte. Het was echter niet de uiteindelijke vervulling ervan. Izak was een type van de Zoon van Abraham, namelijk van de Here Jezus Christus. Ditzelfde geldt ook voor Sálomo. Hij is een type van de Zone Davids.

Uit 2 Samuël 7 blijkt dat deze profetie niet in alle facetten letterlijk op Sálomo kan worden toegepast. In 2 Samuël 7 : 12 staat dat het zaad van David ná zijn dood zou opstaan. Dit kan niet op Sálomo van toepassing worden gebracht, want Sálomo stond reeds vóór het ontslapen van David op. Het gaat dus over Iemand uit het nageslacht van David Die pas ná de dood van David geboren zou worden. Het is Degene Die méér is dan Sálomo. (Matthéüs 12 : 42; Lukas 11 : 31) De Heer zei dat de profetieën die op Sálomo van toepassing werden gebracht feitelijk in Hemzelf vervuld werden. Dit geldt voor álle Bijbelse profetieën! In 2 Samuël 7 : 13 wordt de bouw van de tempel aangekondigd. Dit is in eerste instantie op Sálomo van toepassing, maar de vervulling ervan is Christus. Hij breekt eerst de oude af en bouwt in drie dagen een nieuwe. (Johannes 2 : 19; Matthéüs 26 : 61; 27 : 40) Hij zei dit van de tempel Zijns lichaams, (Johannes 2 : 21) hetwelk is de Gemeente. (Éfeze 1 : 22, 23; 2 : 16, 21) Het letterlijke huis dat Sálomo bouwde is dus een beeld/type van een geestelijk huis. De stoel (= troon) zijns koninkrijks zal tot in eeuwigheid bevestigd worden. (2 Samuël 7 : 13) Zijn troon zal niet vallen. Dit betekent dat zijn koninkrijk niet zal wankelen. Het gaat er hier om dat zijn koninkrijk altijd zal blijven. Dat betekent de uitdrukking “tot in eeuwigheid” dus ook. Het gaat hier om tijd, want het koninkrijk van David zou beëindigd worden. Als “tot in eeuwigheid” niet op “tijd”, maar op “ruimte” zou slaan, betekent het dat dit koninkrijk overal gevestigd zal worden. Deze betekenis is eveneens juist. “Tot in eeuwigheid” heeft hier beide betekenissen omdat dit ook voor het koninkrijk van David gold. Het koninkrijk/koningschap van David had zowel met “tijd” als met “ruimte” te maken. Het koninkrijk van David had namelijk bepaalde grenzen. Een koninkrijk dat tot in eeuwigheid bevestigd wordt heeft geen grenzen; noch in de ruimte noch in de tijd. 2 Samuël 7 : 14 is één van de belangrijkere teksten uit het Oude Testament. Deze tekst dient bijvoorbeeld naast Psalm 2 : 6, 7 gelegd te worden.

6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
7 Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd. (= verwekt) Psalm 2 : 6, 7

Op het moment dat de Here Jezus Christus door God officieel tot Zoon werd aangesteld, stelde God Zichzelf aan tot Vader. In 2 Samuël 7 : 14 staat het dus feitelijk dubbel: Als God Hem tot Vader is, is Hij Hem automatisch tot Zoon. Vanuit Psalm 2 weten we wanneer deze profetie in vervulling zou gaan. De profetie is vervuld op de dag van de opstanding van Christus. (Handelingen 13 : 33, 34) Toen werd de Here Jezus tot Zoon (= Erfgenaam) aangesteld. Dit houdt tevens in dat Hij een onwankelbaar koninkrijk heeft ontvangen. De Here Jezus Christus werd tot Zoon aangesteld in overeenstemming met de belofte aan David. Het is een vervulling van Psalm 2. Dit gebeurde op de dag van Zijn opstanding uit de doden. Op die dag werd Hij als de Erfgenaam aangewezen. Gelovigen kunnen dit weten, maar de wereld weet dat niet. Aan de wereld is dat besluit namelijk nog niet verhaald. (Psalm 2 : 7) Christus zit op de troon en Hij heeft een koninkrijk ontvangen. Het wachten is nu op het moment dat de Zoon zal eisen. (Psalm 2 : 8) Nu zit Hij ter rechterhand Gods en wacht. (Psalm 110 : 1)

De Heer is de rust ingegaan (Hebreeën 4 : 10) en zit op de troon der genade. (Hebreeën 4 : 16) Gelovigen zijn in Hem geplaatst en bevinden zich in dezelfde positie als Hij. Zij dienen eveneens te wachten op de dingen die komen gaan. De gelovige behoort zijn gedachten te richten op de dingen die komen gaan. Hij hoort zijn gedachten op de toekomst van de Here Jezus Christus te richten, omdat het in overeenstemming is met de gehele Bijbelse geschiedenis en profetie.

In de eerste helft van 2 Samuël 7 : 14 wordt over de opstanding van Christus gesproken. De tweede helft van 2 Samuël 7 : 14 is eveneens op de Here Jezus Christus van toepassing. Hij heeft de straf reeds gedragen. Had Hij iets misdaan? Juridisch gezien heeft Hij inderdaad iets misdaan. Hij heeft geen zonde gekend, maar is tot zonde gemaakt. (2 Korinthe 5 : 21) Dit houdt in dat de zonde(n) van de mensheid op de Here Jezus gelegd werd(en) en door Hem gedragen is/zijn. Hij heeft Zichzelf verantwoordelijk gesteld voor de zonde(n) van de gehele mensheid. Hij heeft de zonde(n) op Zich genomen en Hem is/zijn ze daarom toegerekend. Hij heeft die verantwoordelijkheid op Zich genomen. Daartoe had Hij het recht, want Hij is de Schepper. Hij heeft de straf gedragen en is geslagen. De goedertierenheid van God (2 Samuël 7 : 15) is niet van de Here Jezus geweken. Het geloof van de Here Jezus werd namelijk tot gerechtigheid gerekend en werd Hij uit de doden opgewekt en uitermate verhoogd. Bij Zijn opstanding werd Hij tot Zoon aangesteld. Vanaf dat moment heeft Hij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen waarover 2 Samuël 7 : 16 spreekt. Deze dingen zijn momenteel niet te zien, omdat die Koning het (nog) niet nodig vindt om het te laten zien. Wij wachten sinds de opstanding van Christus op de openbaring van Zijn koninkrijk. Sinds de opstanding is er slechts één boodschap: Er is een Heiland, Die een troon in de hemel heeft ontvangen. Die troon raakt Hij nooit meer kwijt. Hij heeft een onwankelbaar koninkrijk.

De gelovige wacht op de openbaring van de reeds verheerlijkte Christus. De verheerlijking van de Here Jezus op de berg (Matthéüs 17; Markus 9; Lukas 9) is een uitbeelding van de positie van de Heer in onze dagen. Het zitten aan de rechterhand Gods wordt uitgebeeld door de berg. Op die hoge berg zagen de discipelen de Heer in verheerlijkte gedaante. Ná de verheerlijking op de berg volgt het verhaal van de maanzieke knaap. (zie Matthéüs 17 : 14-21) De discipelen konden hem niet genezen, maar de Heer wél. De duivel (letterlijk: demon) ging van hem uit. Dit gebeurde nádat de Heer op de berg in verheerlijkte gedaante was gezien. Het is een heenwijzing naar het verslaan van de duivel bij de wederkomst van Christus. Zolang de Heer boven is gebeurt het hier beneden niet. Als de gelovige de Bijbelse profetieën bestudeert wordt hij bepaald bij de verschijning in heerlijkheid van Christus. Christus zal in de toekomst op aarde aan de mensheid verschijnen. Hij zal over die mensheid Zijn koninkrijk oprichten. Dat zal een letterlijk koninkrijk zijn zoals het koningschap van David letterlijk was. Hij zal letterlijk op de troon van Zijn vader David zitten.

De profetie van 2 Samuël 7 : 14 is bij de opstanding van Christus in vervulling gegaan. Sommigen zeggen dat het geestelijk vervuld is (bijvoorbeeld: vervuld in de kerk), maar in 2 Samuël 7 : 16 staat “uw huis en uw koninkrijk”. Dit betekent dat ook David zelf Zijn vader zou/zal zijn, waaruit volgt dat het om een letterlijk koninkrijk op aarde gaat. Christus zou niet alleen op de troon van Zijn Vader in de hemel zitten, maar óók op de troon van Zijn vader David. Die troon staat op aarde. De naam van David wordt nooit op God – de Vader – van toepassing gebracht. De Zoon van David wordt wel als “Jehovah” of “de God van Israël” aangeduid, maar dat is heel iets anders. In verband met de eerste komst van de Heer wordt Hij als “de Zoon van David” aangeduid. (Matthéüs 1 : 1; Lukas 1 : 31, 32; vergelijk Johannes 7 : 42; Handelingen 13 : 22, 23) Dit betekent dat Hij op de troon van Zijn vader David zal zitten; in Jeruzalem. Dit moet nog gebeuren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen Degene, Die het paleis (= de troon, het koninkrijk) bouwt en Degene, Die de tempel bouwt. Beide zaken spreken weliswaar over de Here Jezus Christus, maar ze worden nadrukkelijk gesplitst. Veel functies die wij aan de koning toeschrijven zijn feitelijk functies van de hogepriester, zoals bijvoorbeeld de rechtspraak. Met name van Sálomo wordt nadrukkelijk over zijn rechtspraak gesproken. (1 Koningen 3 : 16 v.v.) Hij was koning, maar als zoon van David en daarmee als type van Christus sprak hij recht. Sálomo bouwde de tempel, hoewel dat feitelijk de taak van de hogepriester was. De gelovigen kennen de Here Jezus Christus als Degene, Die als de Koning van Israël en de volkeren zou komen. Hij is daadwerkelijk gekomen, maar Israël en de volkeren beliefden Hem niet. Daarom is Hij nu gezeten op de troon in de hemel, oorzaak van eeuwige zaligheid geworden zijnde. (Hebreeën 5 : 9) Hierdoor heeft de gelovige niet alleen deel gekregen aan Zijn koningschap, maar zelfs aan Zijn hemelse koningschap; niet alleen aan Zijn koninkrijk, maar zelfs aan Zijn hemelse koninkrijk. De gelovige van de huidige bedeling heeft niet alleen deel gekregen aan het erfrecht van de nieuwe schepping, maar zelfs aan het eerstgeboorterecht van de nieuwe schepping.

Psalm 2 Vanuit 2 Samuël 7 hebben we reeds een link naar Psalm 2 gelegd. We zullen deze psalm nu nader gaan bekijken.

1 Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:

3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
4 Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
7 Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd.
8 Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
10 Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
11 Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. Psalm 2 : 1-12

Deze psalm is in onze tijd actueler dan ooit omdat de beschrijving die in vers 1-3 gegeven wordt in de omstandigheden past waarin wij nu leven. Dat zijn de omstandigheden waarin de heidenen woeden, de volkeren ijdelheid bedenken en de koningen der aarde zich opstellen en beraadslagen tegen de Heer en Zijn Gezalfde. Ze doen dat nog niet samen, maar men is druk bezig een “wereld-eenheid” te vormen. Deze omstandigheden zijn nu actueel in de wereld. Dat is niet altijd zo geweest. In onze dagen maken we mee dat de volkeren der aarde tot elkaar komen. Ze hebben feitelijk slechts één doel: zich ontdoen van de God van Israël en de God van de christenen. Met andere woorden: men probeert zich te ontdoen van de God van de Bijbel. Men probeert het Woord van God, de profetieën en de beloften Gods te doorbreken en de macht aan zichzelf te trekken. Dat geldt niet zozeer voor de volkeren zelf, maar speciaal voor “de god van deze eeuw”, namelijk de satan. (2 Korinthe 4 : 4; Éfeze 2 : 2)

De omstandigheden die in Psalm 2 beschreven staan, zullen uiteindelijk hun hoogtepunt vinden in de dagen waarover het in deze studie zal gaan. Het zijn dagen waarin de heidenen tot een eenheid (= een wereldrijk) zullen komen. De Joodse staat zal daar zelfs onderdeel van uitmaken. Niet alleen de heidenen, maar ook de volken Israëls beraadslagen tegen God en tegen Zijn Gezalfde:

24 En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn.
25 Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
26 De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde.
27 Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Heródes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls; Handelingen 4 : 24-27

God heeft hemel en aarde gemaakt. Hij sprak ook tot David. Er volgt dan een citaat uit Psalm 2. Hoewel God de hemel en de aarde gemaakt heeft, zal Hij door Zijn eigen schepselen bestreden worden. “Gezalfde” is in het Grieks: “Christus”. Zij zijn bijeenvergaderd tegen de Here en tegen Zijn Christus. Jezus is de Gezalfde. Hij is de beloofde Messias, want “Messias” is hetzelfde als “Gezalfde”. Heródes was de koning van Judéa en daarmee de koning der Joden. Het was daarom wel vermakelijk dat Pilatus de Here Jezus naar Heródes stuurde, want tot Pilatus was gezegd dat de Here Jezus Zichzelf de Koning der Joden noemde. De koning der Joden van dat moment – Heródes – was een grote vijand van Pilatus. Vanaf het moment dat de Here Jezus door Pilatus naar Heródes werd gestuurd, werden beide vrienden. (Lukas 23 : 12) Zij vonden een gezamenlijke vijand. In Handelingen 4 wordt gezegd dat de samenzwering van Pilatus en Heródes tegen de Here en Zijn Gezalfde beschouwd moet worden als een vervulling van wat in Psalm 2 geschreven staat. Wat op Heródes en Pilatus van toepassing was zal in de toekomst opnieuw toegepast worden op de leider in Jeruzalem (= het beest uit het land) en de leider in Babel (= het beest uit de zee). Er zal in het Midden-Oosten een Arabische eenheid ontstaan waardoor het oude rijk van Alexander de Grote zal herleven. Het oude ideaal van Alexander de Grote zal gerealiseerd worden, namelijk het herstel van Babel als hoofdstad van een wereldrijk. Wat in Psalm 2 staat is dus nog niet definitief voltooid.

De heidenen uit Handelingen 4 : 27 zijn dezelfde heidenen als uit Psalm 2 : 1. De volken uit Psalm 2 : 1 worden hier “de volken Israëls” genoemd. Dit blijkt trouwens ook uit het Hebreeuws, want het woord “gojiem”, dat in Psalm 2 : 1 voor “volken” gebruikt wordt, is het woord dat ook voor de (ongelovige) stammen van Israël wordt gebruikt. Zonder het Hebreeuws is er ook achter te komen door Schrift met Schrift te vergelijken.

Psalm 2 spreekt nadrukkelijk over een éénwording van heidenen die een wereldrijk stichten, maar spreekt ook van Joden. Het gaat uiteraard over de ongelovige Joodse staat die heden ten dage bestaat (anno 1990). De Arabieren streven nu naar een Arabische eenheid. Wat ze niet weten is dat de huidige Joodse staat deel zal uitmaken van die eenheid. Dit blijkt ondermeer uit het beeld van Daniël. Het laatste rijk wordt omschreven als “voeten eensdeels van ijzer en eensdeels van leem”. (Daniël 2 : 33, 41) “Leem” (pottenbakkersleem) is in de Bijbel een beeld van de mensheid in het algemeen, maar van Israël in het bijzonder. “IJzer” is hier en beeld van de heidenen. Israël zal officieel deel uitmaken van die toekomstige eenheid. De Bijbel zegt dat het zal gebeuren en dus kunnen gelovigen dit weten. Het is niet naar Gods wil, maar Hij heeft het wel in Zijn Woord geprofeteerd. Het is niet in overeenstemming met Gods beloften, maar het is wel in overeenstemming met Gods Woord.

Wanneer we weten dat Psalm 2 sinds de dagen van Pilatus en Heródes actueel is, wordt het van belang om te bestuderen wat er in deze psalm staat. De koningen der aarde stellen zich op. (Psalm 2 : 2) God heeft echter Zijn Zoon gesteld. (Hebreeën 2 : 7b) In Psalm 2 : 6 staat dat de Koning over Sion gezalfd is. Als een koning gezalfd is, wordt hij tevens als koning gesteld. De Gezalfde heeft Zijn positie van God – de Vader – ontvangen. De koningen der aarde bepalen/veroveren zelf hun positie. In Psalm 2 : 3 staat: “Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen”. Zowel de politieke als de godsdienstige wereld heeft dit geprobeerd. Dit vers is met gemak op de politieke wereld toe te passen. Het is echter nog veel makkelijker om dit vers op de goddienstige wereld toe te passen. Voor beide geldt dit voor de afgelopen 2000 jaar. De mensheid wil de banden en touwen waarmee zij aan God verbonden is, verscheuren. Dit lijkt een ernstige situatie, maar vanuit Psalm 2 : 4 blijkt dat dit niet zo ernstig is. Psalm 2 : 4 geeft aan op welke manier God Zelf tegen de zaken aankijkt: “Die in de hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten”. Als Psalm 2 : 1-3 in vervulling gaat zal Degene Die in de hemel woont lachen. Aangezien Psalm 2 : 1-3 vanaf de dagen van Pilatus en Heródes van toepassing is, hebben wij de Heer in de hemel Die lacht. De Heer lacht niet alleen. Hij bespot de volkeren zelfs!

Gelovigen leven op deze oude aarde en in een oud lichaam en kunnen daarom makkelijk slachtoffer worden van het “woeden der heidenen”. Dat kan hen beangstigen. Wanneer de gelovige daar op afstand tegenaan kijkt past hem slechts één reactie: zolang hij niet zelf onmiddellijk bedreigd wordt, behoort hij om de hele situatie te lachen. Hij kan lachen omdat de volkeren zich voor een strijd opmaken die reeds gestreden is! De Overwinnaar is allang te voorschijn gekomen. De gelovige kan erom lachen omdat hij die Overwinnaar kent. De Schrift leert bovendien dat hij aan die overwinning deel heeft gekregen. Van gelovigen wordt zelfs gezegd dat zij méér dan overwinnaars geworden zijn. (Romeinen 8 : 37) De Bijbel leert dat de gelovige uit deze tegenwoordige, boze eeuw getrokken is. (Galaten 1 : 4) Hij is met Christus in de hemel (= het hemelse) gezet. (Éfeze 2 : 6) Wat positie betreft is de afstand tussen de hemel en de aarde enorm groot. Dit betekent dat de gelovige op een enorme afstand geplaatst is van de gebeurtenissen die in deze wereld plaatsvinden. Daardor kan de gelovige lachen. Degene Die in de hemel woont, lacht, maar Hij bespot hen ook. Als men in het Midden-Oosten aan het rommelen is, kunnen we er als gelovigen eveneens om lachen. De gelovige beziet de zaken vanuit de positie die hem in Christus geschonken is. Vanuit die positie vallen de zaken mee. De ontwikkeling in de wereld is in strijd met de wil van God. Toch is het voor de gelovige verheugend, omdat die ontwikkeling in overeenstemming is met het Woord van God. Als het in overeenstemming met het Woord van God is (na zoveel duizend jaar), dan is er alle reden om vertrouwen te hebben in de toekomst. De gelovige hoeft zich niet ongerust te maken. Hij heeft het Woord van God ontvangen om over zijn eigen omstandigheden heen te zien, opdat hij uitzicht zou hebben op dingen die zijn deel zijn in Christus.

Waarom de Heer hen zal bespotten (= uitlachen) staat in Psalm 2 : 5. Het woordje “dan”, waarmee het vers begint, wijst naar een bepaald tijdstip. In de toekomst (“dán”) zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn. In Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken. God zal spreken en dat zal bij die gelegenheid een hete adem opleveren. Hij zal hen verdoen door de adem Zijns monds. (Job 4 : 9; Jesaja 11 : 4) In dié dagen zal Hij spreken in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid. Dit kan twee dingen betekenen: óf Hij spreekt in de dagen daarvóór niet, óf Hij spreekt wel, maar niet in toorn en grimmigheid. Beide dingen zijn waar. In onze dagen (sinds de dagen van Pilatus en Heródes) spreekt Hij niet meer op de wijze zoals Hij vroeger sprak. Zijn Woord is voltooid. Vroeger sprak Hij door de profeten. In de laatste dagen heeft Hij door de Zoon gesproken. (Hebreeën 1 : 1) Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alles. (Hebreeën 1 : 2) De Heer spreekt via Zijn complete Woord, de Bijbel. Hij benadert de mensen nu niet rechtstreeks zoals Hij dat vroeger deed via de profeten. Hij heeft Zijn Woord gegeven en op die manier spreekt Hij toch. Wanneer God in Zijn toorn gaat spreken zijn de dagen van de wederkomst van Christus aangebroken. In die dagen zullen de heidenen, volken, koningen en vorsten die in Psalm 2 genoemd worden, aan Hem onderworpen worden. De overwinning over hen is reeds behaald, maar dat weten zij nog niet. Ze kúnnen het wel weten, maar zij wíllen het niet weten. In de toekomst zal Hij spreken in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken. Er wordt in Psalm 2 : 6 echter aan toegevoegd wat de positie van de Heer sinds de dagen van Pilatus en Heródes is. De Heer is als Koning gesteld over Sion. “Sion” wijst op een opgericht teken (“Sion” is van een werkwoord afgeleid dat o.a. “oprichten” betekent), hetgeen uiteraard op Christus Zelf wijst (Jeremia 31 : 21; Ezechiël 39 : 15; vertaald met “merkteken; hier staat “Sion”). Sion is de berg Zijner heiligheid. De Heilige Israëls zal daar Zijn troon over Israël en de volkeren hebben. (vergelijk Psalm 48; Jesaja 11 : 9; 56 : 7; 66 : 20)

In Psalm 2 : 7 staat: “Ik zal van het besluit verhalen”. Dit betekent dat achteraf aan de wereld bekendgemaakt zal worden hoe het wás (en dus: hoe het in onze dagen ís). Wát er gezegd zal worden staat er meteen achter: “De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd (= “verwekt”). Hier staat eigenlijk tweemaal hetzelfde. “Heden heb Ik U gegenereerd” betekent hetzelfde als “Gij zijt Mijn Zoon”. Het werkwoord “verwekken” omvat in de Bijbel het gehele proces vanaf de verwekking van het nageslacht tot en met de officiële aanstelling (van hetgeen geboren werd) tot zoon. “Verwekken” slaat niet alleen op de verwekking of de geboorte, maar het wijst op het totale proces van het verkrijgen van een erfgenaam. In de praktijk gaat dat in de Bijbel lang niet altijd via voortplanting, maar dan nog noemt de Bijbel het “verwekken”. Deze gebeurtenis zal verhaald worden betekent dat na een bepaalde tijd bekendgemaakt zal worden dát het gebeurd is. Dit komt in de Bijbel vaker voor. Saul was bijvoorbeeld al gezalfd, maar het werd pas later bekendgemaakt. Ditzelfde geldt voor David. “Heden” betekent “vandaag”. Er is dus een dag geweest waarop de Heer officieel als Erfgenaam werd aangewezen. Dit gebeurde tijdens Zijn eerste komst, namelijk op de dag van Zijn opstanding. Van de Zoon wordt gezegd dat Hij tot Zoon aangesteld is op het moment dat Hij uit de doden opstond. (Romeinen 1 : 4) In Handelingen 13 wordt een uitgebreid commentaar op Psalm 2 : 7 gegeven. In Handelingen 13 wordt uitgebreid over de veroordeling en executie van de Here Jezus gesproken. Vervolgens zegt Paulus:

29 En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.
30 Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;
31 Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk
32 En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.
33 Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;
35 Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.
36 Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;
37 Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.
38 Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt; Handelingen 13 : 29-38

Zij namen Hem van het hout en zij legden Hem in het graf, maar God wekte Hem uit de doden op. De opgestane Heer is vele dagen gezien door degenen die Zijn getuigen zijn bij het volk. Hiermee is de opstanding een bewezen feit, want er zijn vele getuigen van. De belofte, aan de vaderen gedaan, is vervuld geworden. Dit slaat in ieder geval op de belofte aan Abraham en de belofte aan David. Die belofte hield in dat het Zaad van Abraham Erfgenaam der wereld zou zijn en dat het Zaad van David een onwankelbaar koninkrijk zou ontvangen. God heeft die belofte vervuld toen Hij Jezus verwekt heeft. Dat was niet bij de geboorte uit Maria, maar toen Hij uit de doden verwekt is. (1 Thessalonicenzen 1 : 10) De geboorte uit Maria is wel een type van Zijn verwekking uit de doden. Een vrouw kan niet zwanger worden, tenzij de levenskracht van de man tot haar komt. Bij Maria kwam de levenskracht niet van een gewone man, maar van de Geest. Wie niet gelooft in de maagdelijke geboorte van de Heer uit Maria, gelooft evenmin in de opstanding van de Here Jezus Christus uit de doden, want het één is een beeld van het ander. Als iemand in de opstanding uit de doden gelooft, is er geen enkele reden om niet in de maagdelijke geboorte te geloven, want dat is eigenlijk precies hetzelfde.

God heeft de belofte vervuld toen de Here Jezus werd verwekt. Hiervoor wordt Psalm 2 : 7 aangehaald: “Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd”. Normaal citeert de Bijbel zichzelf zónder te vermelden waar het staat. Hier wordt nadrukkelijk gezegd dat het in de tweede psalm staat. Iedereen kan het dus terugvinden. Het vers wordt in Handelingen 13 : 34 verklaard. “Genereren” (= verwekken) houdt in dat Hij uit de doden is opgewekt. God heeft Zijn Zoon gegenereerd toen Hij Hem uit de doden heeft opgewekt. Psalm 2 : 7 wijst dus op de dag dat de Zoon werd aangewezen en aangesteld en dat was de dag van de opstanding van Christus. Er was een troon over de gehele schepping te vererven. Op de dag van Zijn opstanding werd Hem die troon gegeven. Sinds de dag van de opstanding zit Hij op die troon aan de rechterhand Gods. (Psalm 110 : 1) Bij die gelegenheid nam de Here Jezus Christus die positie in en werd Hij tot Koning gesteld. Hij is nu Koning, zij het in het verborgene.

God heeft alles tot stand gebracht. Van de mens word slechts verwacht, dat hij het in geloof aanvaard. Vervolgens kan hij in de Schrift onderzoeken wat het betekent dat Christus Koning is en ter rechterhand Gods zit. Een andere volgorde is niet mogelijk. Het is onmogelijk om alles eerst te begrijpen en pas dan te geloven. God heeft in Zijn Woord laten opschrijven wát Hij tot stand gebracht heeft en ook op welke manier Hij alles tot stand gebracht heeft. De mens moet eerst aanvaarden dát Hij alles tot stand gebracht heeft en Hem daarvoor danken. Pas daarna kan hij Zijn Woord onderzoeken om te zien op welke manier dat gebeurd is. De mens hoeft niet te weten hóe het gebeurd is, maar hij zal moeten erkennen en geloven dát het gebeurd is. Het “hoe” en “waarom” komt daarna pas.

Psalm 2 : 8 gaat verder met: “Eis van Mij en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uw bezitting”. Eerst werd de Zoon gesteld en vervolgens werd tot Hem gesproken: “Eis van Mij en Ik zal U geven”. Vervolgens bleef het stil. Die stilte duurt al bijna 2000 jaar, want de Zoon eist nog steeds niets op. De enige Erfgenaam eist Zijn erfenis nog steeds niet op omdat Hij lankmoedig is. (2 Petrus 3 : 9) Als de Heer zal eisen zal Hij spreken in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid. Hij zal dan Zijn oordeel over de levende mensheid brengen, die tegen Hem samenspant. Hij heeft de overwinning echter al behaald, zodat Hij helemaal geen haast meer heeft. De Koning zit nu op de troon, maar Hij heeft geen haast om Zich als de Koning aan de wereld bekend te maken. David is daar een goed voorbeeld van. David was tot koning gezalfd, maar hij had geen haast om dat koningschap op te eisen. De Heer had hem het koningschap beloofd en daar wachtte hij op. Wij leven nu in de tijd waarin de Koning op de troon zit. Die Koning zegt tot ons: “Hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.” (Johannes 16 : 33) De gelovige heeft goede moed nodig, want het duurt hier op aarde nog wel even voor Hij Zijn koninkrijk zal oprichten. Er is ook reden om goede moed te hebben, want Hij hééft de wereld overwonnen. De gelovige wacht lankmoedig op de openbaring ervan. De gelovige is in Christus méér dan overwinnaar. Hij heeft dus goede moed, want hij mag delen in de overwinning van Christus. Christus heeft geen haast en daarom behoort de gelovige evenmin haast te maken. (vergelijk Jesaja 28 : 16) De overwinning van Christus blijkt nu niet in de wereld. Daarom blijkt nu in de wereld ook niet dat de gelovige meer dan overwinnaar is. Nadat de strijd volbracht is, is de Christus gezeten aan de rechterhand Gods en is daar de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. (Hebreeën 7 : 17, 21) Deze Melchizédek verschijnt voor het eerst in de Bijbel nádat de strijd gestreden is. Na het slaan der koningen (Genesis 14 : 17) verscheen hij aan Abraham (Genesis 14 : 18, 19; Hebreeën 7 : 1) Deze Melchizédek is de Heer Zelf Die aan Abraham verscheen. Hij is zonder begin en zonder einde. Melchizédek was er al in Genesis 14 en Hij zal er zijn tot in alle eeuwigheid.

Christus is de Koning en Hogepriester van de gehele schepping. Niet alle schepselen erkennen Hem als zodanig, maar Zijn positie is niet afhankelijk van de erkenning daarvan door Zijn schepselen. Israël heeft Hem tot op heden niet aanvaard. De gelovigen hebben Hem wel aanvaard en daarom zijn zij feitelijk het enige echte Israël. Zij zijn tot de God van Israël toegetreden en daarom zijn zij aan Israël toegevoegd. Gelovigen zijn daarmee de erfgenamen geworden van de beloften die God aan Abraham, Izak en Jakob gedaan heeft. Daarmee zijn zij erfgenamen van het nieuwe verbond geworden. Bovendien zijn zij erfgenamen van God en mede-erfgenamen met Christus. (Romeinen 8 : 17) Gelovigen hebben leven in Hem Die aan de rechterhand Gods zit. In de praktijk betekent dit dat de gelovigen met Hem vereenzelvigd worden. Gelovigen zijn gezegend met de zegeningen waarmee Hij gezegend is. Toen God Christus opwekte, verhoogde en aan Zijn rechterhand zette, werden de gelovigen mét Hem opgewekt en aan Gods rechterhand in de hemel gezet. (Éfeze 2 : 4-6; Kolossenzen 3 : 3) Dit is een zekerheid en het ligt vast in Hem.

2. De profetie van Daniël

24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.
27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste. Daniël 9 : 24-27

In dit Schriftgedeelte zijn zaken wat cryptisch en in onduidelijke taal opgeschreven. Dit ligt niet aan de vertaling, maar vooral aan de Hebreeuwse grondtekst. Dit gedeelte spreekt over toekomstige gebeurtenissen die tot de verschijning van de Messias zullen leiden. Hij is het Zaad van Abraham en Hij zal op de troon van David zitten. Hij zal Zijn aardse koninkrijk in de eerste plaats over Israël oprichten, maar vervolgens ook over de volkeren. In Daniël 9 worden een aantal zaken concreet genoemd, hoewel er een sluier over ligt. De inhoud van dit gedeelte is heel concreet, want er worden hier nauwgezet gemeten perioden genoemd. Die perioden zullen leiden tot de komst van de Messias. “70 weken” is uiteraard een tijdsaanduiding. Aan het begin van dit gedeelte wordt reeds meegedeeld hoelang de zaken, die vervolgens genoemd worden, zullen gaan duren. Wanneer bekend is hoelang die zaken zullen duren en wanneer die periode begint, dan is ook bekend wanneer die periode zal zijn afgelopen en deze profetieën vervuld zullen zijn. Het is dus nodig te weten hoelang “70 weken” duren en wanneer ze beginnen. Vaak wordt gezegd dat de gelovige niet kan weten wanneer bepaalde zaken zullen geschieden. Dit wordt ten onrechte gezegd. Als iemand zegt dat het niet geweten kan worden dan zegt hij feitelijk alleen dat hij het zelf niet weet en dat hij evenmin weet op welke manier hij er achter kan komen. Of iets bekend kan zijn is afhankelijk van het feit of iemand er weet van heeft. Als iemand het weet kan het bekend zijn. De woorden van Daniël 9 staan niet voor niets in de Bijbel. Het kan zijn dat iemand niet begrijpt wat er staat, maar dit betekent niet dat niemand in staat zou zijn om het te begrijpen. Er ligt weliswaar een sluier over dit gedeelte omdat de openbaring van het koninkrijk van Christus niet zomaar aan iedereen bekend zal worden gemaakt. Het staat wel in de Bijbel, maar op zo’n manier dat men er alleen door studie achter kan komen.

God heeft zaken niet cryptisch laten opschrijven opdat het alleen voor intelligente gelovigen zou kunnen worden begrepen, maar opdat het alléén door gelóvigen zal worden begrepen. Iemand die niet gelooft zal de Bijbel niet bestuderen. Er zijn wel mensen die niet geloven en zich toch met de Bijbel bezighouden. Ze geloven niet en hebben geen inzicht in hetgeen er staat. Zij zeggen daarom dat bepaalde zaken niet kunnen worden gekend. De dingen die in de Bijbel staan, zijn te begrijpen. Daartoe is het nodig om (zo vroeg mogelijk te beginnen met) te geloven in ál wat God gesproken heeft en vervolgens dat Woord van God ook te onderzoeken en te bestuderen. Het gaat alleen in die volgorde! Er zal eerst geloof moeten zijn, namelijk vertrouwen in God en in hetgeen Hij gesproken heeft. Vervolgens kan de gelovige onderzoeken wát Hij gesproken heeft. De gelovige gaat er in dat geval vanuit dát de Bijbel het Woord van God ís. Wie met de Bijbel bezig is en zich afvraagt of het überhaupt wel het Woord van God is, gelooft niet en zal van de Bijbel niets begrijpen. Hij is belemmerd en komt niet tot kennis van de Schrift. Wie niet gelooft, komt nooit tot kennis van de Schrift. Wie in geloof het Woord van God bestudeert, leert dat Woord begrijpen. Dit geldt ook voor Daniël 9. Over de inhoud ligt een sluier, maar wie in geloof dit gedeelte onderzoekt en bestudeert zal de inhoud toch kunnen begrijpen. Hier in Daniël 9 wordt vooraf een bepaalde tijd vastgelegd. Dit is een Bijbels principe. Enkele voorbeelden:

In Genesis 6 : 3 werd tegen Noach gezegd dat hij in 120 jaar de ark moest bouwen. Na die 120 jaar zou het gaan regenen en zou God Zijn oordeel over de mensheid zenden. Dit wordt meestal niet geloofd. Men zegt dat het betekent dat de mens voortaan niet ouder dan 120 jaar zou worden. Dit is onjuist, want Noach werd veel ouder dan 120 en dat geldt ook voor vele van zijn nakomelingen. God kondigde Zijn oordeel aan, maar Hij was lankmoedig, niet willende dat enigen verloren zouden gaan. (2 Petrus 3 : 9) Hij gaf de mensheid daarom 120 jaar de tijd. Noach heeft Gods oordeel uiteraard aan zijn tijdgenoten meegedeeld. Hij wordt daarom “de prediker der gerechtigheid” genoemd. (2 Petrus 2 : 5) Noach bracht in zijn dagen het evangelie dat er weliswaar een zondvloed zou komen, maar dat een ieder die geloofde in de ark zou kunnen gaan. Iedereen die wilde kon met Noach in de ark gaan. Dat diende wel op tijd te gebeuren. De datum was door God bekendgemaakt. Vóór die datum diende men in de ark te zijn. God zei tegen Abraham dat hij en zijn zaad 400 jaar vreemdelingen zouden zijn en verdrukt zouden worden. Na die 400 jaar zou het volk met grote have uittrekken. (Genesis 15 : 13, 14) Het blijkt exact 400 jaar na de spening van Izak en de uitdrijving van Ismaël te zijn, hetgeen vanuit de Schrift is na te rekenen. Abraham en de zijnen waren vreemdeling; eerst in Kanaän (Hebreeën 11 : 9) en daarna in Egypte. Na 400 jaar trokken zij uit. Ze gingen ook door de wateren (van de Schelfzee) heen, zoals Noach. Het blijkt bovendien exact 430 jaar te zijn na de dag waarop Abraham en de zijnen oorspronkelijk in Kanaän aankwamen; tot op de dag nauwkeurig. (Exodus 12 : 40, 41; Galaten 3 : 17)

Als de Messias zal komen zal Hij Zijn volk verlossen en naar het beloofde land brengen. Hij zal een oordeel over de volkeren der aarde brengen. Deze zaken zijn in het Woord van God vastgelegd en er is eveneens een datum bij gegeven. In Daniël 9 : 24-27 wordt een profetie gegeven met betrekking tot de tijd die zou verlopen tot aan het definitief aanbreken van het koninkrijk van de Messias. Deze profetie kreeg Daniël niet zomaar. De reden daarvoor staat in Daniël 9 : 1-3:

1 In het eerste jaar van Daríus, den zoon van Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeën;
2 In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaar, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremía geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, 70 jaar was.
3 En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as. Daniël 9 : 1-3

In Daniël 9 : 1 gaat het om Daríus, de Meder. Deze persoon is niet Daríus de Grote. Daríus, de Meder, wordt ook wel “Gobryas” genoemd. Hij veroverde Babylon namens de Meden en Perzen. Hij was de legeraanvoerder van Kores, de Pers. Daríus veroverde Babel. De koning van Babel, Bélsazar, werd gedood. (Daniël 5 : 30) Daniël 6 : 1 begint met de nieuwe koning: Daríus. Daniël 9 : 1 spreekt over het jaar waarin Babel veroverd werd (538 voor Chr.). Babel werd niet verwoest, maar wel veroverd. In het jaar waarin het Babylonische rijk ten onder ging werd Daríus, de Meder, koning. Hij was twee jaar koning. Na twee jaar (in 536 voor Chr.) gaf hij zijn koningschap over aan zijn “baas”: Kores, de Pers. Kores de Pers was reeds door Jesaja aangekondigd als degene die Israël zou verlossen. (Jesaja 44 : 28) Hij kwam in de dagen van Daniël. Deze Kores is een type van Christus Die Israël uiteindelijk zal verlossen. Daniël heeft de verovering van Babel door Daríus, de Meder, meegemaakt. Hij was één van de hoogste mannen van het rijk. Daniël wist dat Daríus slechts de legeraanvoerder van Kores was. Hij had niet alleen het boek Jeremía gelezen, maar waarschijnlijk ook dat van Jesaja. Hij wist dat Kores in aantocht was. Babel was door de Meden en Perzen veroverd. Jesaja had de komst van Kores aangekondigd. Daniël wist dus dat de verlossing van Israël aanstaande moest zijn. In het eerste jaar van de regering van Daríus (538 voor Chr.) merkte Daniël in de boeken dat de jaar van het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem 70 waren. Daniël had in het boek Jeremía gelezen dat de dagen van de dienstbaarheid aan Babel gemeten waren. (Jeremia 25 : 11, 12; 29 : 10) Die dagen waren vóór het begin van die dienstbaarheid al gemeten. De Heer had vooraf aangekondigd dat het land en Jeruzalem verwoest zouden worden. De Heer had aangekondigd dat de dienstbaarheid 70 jaar zou duren. Als men weet wanneer die dienstbaarheid begon, dan weet men ook wanneer die zal ophouden.

De eerste verovering van Jeruzalem vond in 606 voor Chr. plaats. Sommige jaartabellen geven het jaar 605 voor Chr. aan. Dit komt omdat de chronologen problemen hebben met het jaar nul en het jaar één. Een wiskundige rekent met het getal nul en dus met het jaar nul, maar het jaar nul bestaat niet. Het jaar 606 voor Chr. wordt door sommigen het jaar -605 (een minteken ervoor) genoemd. Deze eerste verovering gebeurde door Nebukadnézar. Bij die gelegenheid werd onder andere Daniël meegenomen naar Babel. Sinds deze eerste verovering heeft er geen zelfstandige koning meer over Israël geregeerd. 70 jaar na 606 valt in 536 voor Chr. Dit was het eerste jaar van Kores, de Pers. In dat jaar kreeg Israël toestemming om uit ballingschap terug te keren. Daniël had in Jeremia 25 : 11, 12 en in Jeremia 29 : 10 over de 70 jaar van dienstbaarheid gelezen. Er komt nóg een periode van 70 jaar voor. Er waren in die tijd twee perioden van 70 jaar en één periode van 62 jaar. De 62 jaar slaan op de ballingschap (van 598 tot 536 voor Chr.). De verwoesting duurde 70 jaar (van 589 tot 520 voor Chr.; 2 Kronieken 36 : 20, 21). De 70 jaar van 606 tot 536 gaan feitelijk over de dienstbaarheid van Jeruzalem aan Babel. Daniël was aan het rekenen geslagen.

Men heeft er over het algemeen grote moeite mee te aanvaarden dat God de data van de heilsgebeurtenissen bekend heeft gemaakt. Een reden is dat Gods zegeningen niet op een bepaalde datum komen, maar ze komen voor een ieder die gelooft. Men kan op elk moment tot geloof komen, zodat dat niet aan een datum gebonden is. Wat het persoonlijke geloof van de individuele mens betreft, is dit juist. Voor de bekering van Israël en het aanbreken van het Messiaanse rijk over Israël worden in de Bijbel twee voorwaarden gesteld: Er is een bepaalde datum voor bepaald én Israël zal tot geloof moeten komen. Dit principe hebben we reeds met betrekking tot Noach besproken. God had bepaalde zegeningen en een bepaald oordeel aangekondigd. Ook hier golden twee voorwaarden: God had een bepaalde datum vastgesteld én men moest in de ark zijn (uiteraard vóór die vastgestelde datum). Met betrekking tot de belofte omtrent het koninkrijk van de Zoon van David aan Israël geldt hetzelfde principe. Als de datum aanbreekt waarop God Zijn koninkrijk over Israël zal oprichten, dan moet men tot geloof gekomen zijn. Israëlieten die niet tot geloof gekomen zijn worden omgebracht. Ditzelfde geldt ten aanzien van de openbaring van het koninkrijk van Christus over de heidense volkeren. Daar staat eveneens een tijd voor. Wie op die datum niet tot geloof gekomen is, komt om. Een ongelovige heeft vanaf dat moment geen recht (meer) om op de aarde te leven, want die aarde maakt op dat moment deel uit van het geopenbaarde koninkrijk van Christus. In de hemel heeft men geen rechten. Op de aarde heeft men dan evenmin rechten. Men verdwijnt daarom onder de aarde.

Daniël ging er vanuit dat er in zijn dagen een periode van 70 jaar van dienstbaarheid zou verlopen. Gerekend vanaf 606 waren die 70 jaar bijna om. Hij dacht niet: “Hah fijn, nu gaat het gebeuren”, want hij wist heel goed dat iemand die niet gelooft geen deel krijgt aan zegeningen van God. In Daniël 9 : 3-23 staat wat hij wél deed. Hij ging in rouw en hij beleed de zonden van het volk. Hij zei: “Wij hebben gezondigd … Wij zijn van Uw geboden afgeweken … Wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten.” (Daniël 9 : 5, 6) Dit was niet op Daniël zelf van toepassing. Daniël had wél naar de profeten gehoord. Hij trad echter als vertegenwoordiger (= middelaar) van het volk op en is daarmee een type van de Here Jezus Christus, Die onze zonden heeft gedragen. De datum van het einde van de 70 jaar was aanstaande. Daniël nam de plaats in van het volk Israël en beleed de zonden van dat volk. Daarmee deed hij een beroep op de genade en barmhartigheid van God:

17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des HEEREN wil.
18 Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.

19 Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd. Daniël 9 : 17-19

Daniël deed geen beroep op eigen werken, maar hij op de grote barmhartigheden van God. Daniël wist heel goed dat God Zijn koninkrijk met slechts één Israëliet kon beginnen. (Exodus 32 : 9, 10) Dit spreekt uiteraard eveneens over Christus: Het gehele natuurlijke volk zal worden uitgeroeid en God verwekt Zich een nieuw volk uit Christus. Dit geldt niet alleen voor Israël, maar zelfs voor alle volkeren der aarde. Daniël nam de plaats van het volk in als voorloper van de Here Jezus Christus. Hij deed belijdenis van de zonden van het volk en hij rekende zichzelf die zonden toe. Hij stelde zich verantwoordelijk voor de zonden van het volk. Vervolgens deed hij een beroep op de genade van God. Veel christenen menen dat de Heer binnen afzienbare tijd zal wederkeren om Israël van de Palestijnen te verlossen. Zonder geloof in de Here Jezus Christus krijgt niemand echter deel aan enige verlossing! Dit geldt ook voor Israël en daarom dient ook aan Israël het evangelie te worden gepredikt. De prediking verandert nooit. Er is altijd slechts één boodschap: Iemand zal slechts zegeningen van de Messias ontvangen op grond van geloof in Hem. Er zijn dus twee voorwaarden: Geloof in hetgeen God gesproken heeft; geloof in de Zoon, Die door God tot Heer en tot Christus gesteld is. (Handelingen 2 : 36) Voorwaarde twee: De door God Zelf bepaalde tijd moet zijn aangebroken. De tweede voorwaarde is niet de belangrijkste. De gelovige van onze tijd wacht niet op een bepaalde datum. Hij is gewoon tot geloof in de Here Jezus Christus gekomen en wanneer Hij precies wederkomt is daarbij van ondergeschikt belang. Daniël wist dat de juiste datum naderde. Hij nam de plaats van het volk in, deed belijdenis van de zonden van het volk en kwam, namens het volk, tot bekering. Hij ging in de juiste positie tegenover God staan. Dit werd door God gehonoreerd:

20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;
21 Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, dien ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.
22 En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniël! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.
23 In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en

ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht. Daniël 9 : 20-23

Daniël eindigde zijn gebed tot God met “… doe het en vertraag niet”. Vertraagt de Heer dan wel eens bepaalde zaken? Dat doet de Heer inderdaad en Daniël wist dat. Petrus beziet dat echter als iets positiefs: “De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.” (2 Petrus 3 : 6) Terwijl Daniël nog sprak, kwam Gabriël en raakte hem aan. Daniël werd door Gabriël onderricht. Gabriël was uitgegaan om aan Daniël de zin (= het begrip, de inhoud) te doen verstaan. Toen Daniël zijn smekingen begon was het woord uitgegaan. Aan Daniël werd niet de profetie van de 70 jaar van verwoesting van Jeruzalem uitgelegd. In plaats daarvan kreeg hij een andere profetie die op een periode van zevenmaal 70 jaar betrekking zou hebben. Daniël ging in gebed in verband met de profetie van 70 jaar. Deze periode wordt hier verder niet besproken. Er wordt overgesprongen naar een veel langere periode van 490 jaar. Als die periode van 490 jaar voorbij zal zijn, zal het volk niet alleen uit ballingschap terugkeren, maar zal het koninkrijk van het huis van David hersteld worden, zal de Messias verschijnen en zal een eeuwige gerechtigheid over Israël aangebracht worden. (Daniël 9 : 24)

Daniël kreeg deze profetie niet toevallig en deze profetie staat ook niet op zichzelf. Het is een prachtige illustratie van de wijze waarop de bestudering van de Schrift werkt. Wie de eenvoudige Bijbelse waarheden (zoals de weg van wedergeboorte, uitgebeeld in de doop) niet gelooft, zal de meer ingewikkelde Bijbelse waarheden (zoals het profetische Woord) nooit begrijpen. Daniël had de profetieën bestudeerd en geloofd. Hij ging in gebed tot God en hij beriep zich op Gods belofte/Woord. Dienovereenkomstig kwam hij bijtijds (twee jaar vóór de datum) namens het volk tot bekering. Dit was een uitdrukking van zijn geloof, hetgeen door God beloond werd: Hij gaf hem een nieuwe profetie. Daniël kreeg een profetie over 70 weken, hetgeen overeenkomt met 70 maal zeven jaar (vergelijk Genesis 29 : 18, 27-30). De periode van 70 jaar, die Daniël bestudeerd had, was dus een periode van tien weken (tienmaal zeven jaar). Het gaat hier om een periode van 70 zevens. Wat dit betekent blijkt uit de Schrift. Het kunnen geen normale weken zijn, want in dat geval zou het over 490 dagen gaan en zou deze profetie allang vervuld zijn. Het gaat hier over 70 weken van zeven jaar. In ons taalgebruik kennen wij het begrip “week” niet als “zeven jaar”. De Bijbel kent het begrip “week” wél in die betekenis.

Leviticus 25 : 8 8 Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaar; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaar zullen zijn.

De Nederlandse taal dankt haar oorsprong en ontwikkeling aan de Statenvertaling. Over het algemeen wordt gedacht dat het noodzakelijk is om de Bijbel naar het hedendaagse Nederlands te vertalen. Aangezien het Nederlands en ook de inzichten in de Bijbels steeds veranderen heeft men steeds vaker behoefte aan een nieuwe Nederlandse vertaling. De woorden die in het Nederlands bestaan zijn grotendeels aan de Statenvertaling ontleend. Veel woorden in de Bijbel zijn namelijk ter gelegenheid van de vertaling van de Bijbel “uitgevonden”. Dit betekent dat de Bijbel niet aan het Nederlands moet worden aangepast, maar dat de taal aan de Bijbel aangepast zou moeten worden. In de praktijk zouden we dus niet alleen “een week van dagen” moeten erkennen, maar ook “een week van maanden” en speciaal “een week van een jaar”. In de omgangstaal komt het woord “week” in die betekenis niet voor, maar dat komt omdat er in de omgangstaal niet over Bijbelse aangelegenheden wordt gesproken. Als dat wel zou gebeuren zou het jargon dat daarbij gebruikt wordt vanzelf als erkend Nederlands worden beschouwd.

In Daniël 9 : 24 gaat het om een periode van 70 maal zeven jaar. In Daniël 10 : 2 worden er weer weken genoemd: “In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken der dagen”. Er wordt nadrukkelijk “weken van dagen” genoemd, omdat er ook weken van jaar bestaan en die waren enkele verzen daarvoor nog genoemd. Er wordt hier nadrukkelijk gezegd dat het nu weer over weken van dagen gaat. Er zijn 490 jaar bestemd over het volk van Daniël. Deze periode is niet bijzonder, want de gehele geschiedenis van Israël blijkt uit perioden van 490 jaar te bestaan. Zevenmaal zeven is 49. Na de 49 behoort de 50 te komen. Het getal 50 heeft met het nieuwe verbond en met de nieuwe schepping te maken. Daarom breekt die 50 voor Israël niet aan, maar wordt er steeds met een nieuwe cyclus van 49 (of 490) jaar begonnen. Typologisch gezien, is “50” niet van deze wereld. 50 hoort niet in deze wereld thuis en maakt geen deel uit van de zienlijke dingen. Daarom wordt er steeds slechts tot 49 geteld, waarna het verhaal weer opnieuw begint. De geschiedenis van Israël is niet ingedeeld in perioden van 50 jaar. Er staat weliswaar in de Bijbel dat na 49 jaar het jubeljaar moest worden gevierd, maar dat jubeljaar is nog nooit gevierd. Bovendien begint het jubeljaar, volgens Bijbels voorschrift, halverwege het 49-ste jaar en het eindigt halverwege het eerste jaar van de volgens cyclus van 49 jaar. (Leviticus 25 : 8-13) Men zou officieel een 50-ste jaar moeten kennen, maar in de praktijk blijkt het een overlapping van twee cycli te zijn. Het gaat dus om cycli van 49 jaar. Israël heeft het jubeljaar nooit gevierd. Het staat in de Bijbel vermeld omdat het jubeljaar (en ook het sabbatsjaar) in het geopenbaarde koninkrijk van Christus zal worden gevierd. Die wetten zullen dán alsnog worden toegepast. Dit houdt tevens in dat het koninkrijk van Christus inderdaad letterlijk op aarde zal worden gevestigd, want anders zouden er vele wetten en beloften in de Bijbel staan die nooit werden toegepast. Er zál op deze oude aarde een periode komen waarin die wetten en beloften alsnog zullen worden toegepast.

Hier wordt een periode van 490 jaar genoemd en er wordt gezegd wat er in die 490 jaar allemaal zou en zal gebeuren. Er wordt over “uw volk” gesproken. Dit wijst op het volk van Daniël, namelijk het volk Israël en meer speciaal: het Joodse volk. Daniël behoorde namelijk tot het rijk van de twee stammen. Deze tijdrekening dient dus op de twee stammen te worden toegepast, tenzij er elders in de Bijbel nog iets anders over geschreven staat. Ik heb dat nooit gevonden en ga er dus vanuit dat de uitspraken die hier zijn gedaan slechts op de twee stammen van Israël van toepassing zijn. Deze profetie spreekt dus over de Joden. 70 weken zijn bestemd over het Joodse volk en over “uw heilige stad”. De heilige stad van het Joodse volk is uiteraard Jeruzalem. Deze 70 weken worden alléén gerekend met betrekking tot het Joodse volk en tot Jeruzalem.

Het zou 490 jaar duren “om de overtreding te sluiten”. Het gaat hier om de overtredingen, die door het Joodse volk en door Jeruzalem zijn begaan. Het gaat ook om de zonden van het Joodse volk en Jeruzalem. Die zonden zullen verzegeld worden. “Verzegelen” betekent “voltooien”, “afronden” en zelfs “wegdoen”. “De overtreding sluiten” en “de zonden verzegelen” zijn synonieme uitdrukkingen. Beide uitdrukkingen bevestigen elkaar. Dit geldt ook voor de uitdrukking die erop volgt: “de ongerechtigheid verzoenen”. “Overtreding”, “zonden” en “ongerechtigheid” zijn begrippen die elkaar overlappen. Dit geldt ook voor “sluiten”, “verzegelen” en “verzoenen”. Hier wordt hetzelfde op drie verschillende manieren gezegd. Het wordt driemaal gezegd, omdat het getal drie op de belofte wijst. Er zal een eeuwige gerechtigheid worden aangebracht. Dit betekent dat er een gerechtigheid zal komen die altijd zal blijven. Deze gerechtigheid zal over het gehele Joodse volk en over de gehele stad Jeruzalem komen. Deze gerechtigheid zal óók over de gehele wereld komen, maar dat staat hiér niet. Het gezicht en de profeet zullen verzegeld worden. “Het gezicht” komt overeen met “de profeet”. “Het gezicht” is een omschrijving voor het visioen. “De profeet” is de omschrijving voor de profetie. Als er over “Daniël” gesproken wordt kan daarmee Daniël, de profeet, bedoeld worden, maar er kan tevens het profetische boek van Daniël bedoeld worden. “Verzegelen” wijst erop dat het gezicht en de profetie vervuld (= bekrachtigd) zullen worden.

“De heiligheid der heiligheden” zal gezalfd worden. Dit gaat over de Gezalfde, namelijk de Messias. In het Grieks is dat “de Christus”. Hij is de Heilige (Leviticus 11 : 44, 45; 19 : 2; Jozua 24 : 19; Psalm 99 : 5, 9; Jesaja 43 : 15), de Heilige Israëls. (Jesaja 10 : 20; 12 : 6; 29 : 19), de Verlosser (Jesaja 41 : 14; 43 : 3, 14; 47 : 4; 48 : 17; 49 : 7) Na 490 jaar zal de Messias verschijnen. Hij zal de overtreding, zonden enzovoorts wegnemen en Zijn eeuwige gerechtigheid aanbrengen. Dit betekent dat Hij op dat moment Zijn eeuwig koninkrijk over hen zal oprichten. De belangrijkste achtergrond van het boek Daniël is dat Jeruzalem veroverd werd. (Daniël 1 : 1-3) Daarmee werd het Davidisch koningshuis aan Babel onderworpen. Sindsdien heeft er nooit meer een koning van het huis van David zelfstandig geregeerd. Aan David werd echter beloofd dat een zoon van hem een onwankelbaar en eeuwig koninkrijk zou ontvangen. (2 Samuël 7) Het boek Daniël begint met de omverwerping van die troon en de ballingschap. De 70 jaar die tot de terugkeer uit die ballingschap zouden leiden zijn aanleiding om over de definitieve terugkeer uit ballingschap te spreken. Die definitieve terugkeer uit ballingschap heeft nog steeds niet plaatsgevonden. Dié terugkeer zal niet door Kores – de Pers – bewerkstelligd worden, maar door Christus Zelf. Daniël 1 begint met de mededeling dat het koningschap van het huis van David werd weggenomen en bij Babel terechtkwam. In de volgende hoofdstukken van Daniël wordt over allerlei wereldrijken gesproken, die zouden/zullen komen vóór het koninkrijk van de Messias zal verschijnen. Het laatste koninkrijk zal aan geen ander volk worden overgelaten (Daniël 2 : 4) Het koningschap zál bij het huis van David (het Joodse volk) terugkomen en van daaruit over alle twaalf stammen van Israël worden gevestigd. Op grond van de voorgaande hoofdstukken van Daniël moet verwacht worden dat de komst van de Messias uit het huis van Juda, Die de troon van David zal herstellen, zal worden aangekondigd. In Daniël 9 : 24 staat hoelang het zal duren voor dat koninkrijk over het Joodse volk en over Jeruzalem zal aanbreken. Dit is het begin, want het koninkrijk begint bij het Joodse volk. Daarna zal het koninkrijk over geheel Israël worden opgericht en daarna over alle andere volkeren.

Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. Daniël 9 : 25

In dit vers volgt een nadere uitleg in verband met de 490 jaar die in vers 24 werden genoemd. “Weet dan en versta” lijkt tweemaal hetzelfde. Het wordt op deze wijze gezegd om aan te geven dat de zaken niet zo eenvoudig zijn als ze lijken. We leven als gelovigen nu meer dan 2000 jaar later en wij weten dat het koninkrijk bij de komst de Messias niet direct openbaar werd. Het koninkrijk is weliswaar gekomen, maar in een verborgen vorm. Dit wordt door Paulus “de verborgenheid” genoemd. De komst van een verborgen koninkrijk was in het Oude Testament verborgen, maar er moest wel ruimte voor opengelaten worden. Die ruimte wordt ook in Daniël 9 gegeven.

“Van de uitgangs des woords” begon de tijd te lopen. De hoofdzin is: “Van de uitgangs des woords … tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken en 62 weken”. De tussenzin geeft aan over welk woord het gaat. Het gaat om het woord om weder te keren en Jeruzalem te bouwen. Er staat niét: “Vanaf de terugkeer uit de ballingschap”, hoewel sommigen het wel zo lezen. Er staat evenmin: “Vanaf de bouw van Jeruzalem”. De tijd begon te lopen op het moment dat “het woord uitging”. Het gaat hier om een toestemming om terug te keren uit ballingschap én om een toestemming om Jeruzalem te herbouwen. Dit zijn twee verschillende zaken. De eerste toestemming wijst op de terugkeer naar het land. De tweede toestemming gaat over de herbouw van de stad. Daarbij is de bouw van huizen niet het belangrijkste. Het belangrijkste bij de herbouw is de bouw van de muur om de stad heen. De tijd begon te lopen op het moment dat die toestemming kwam. Het wijst niet op het moment dat men terugkeerde, noch op het moment waarop men met het werk begon. Het wijst zeker niet op de voltooiing van de herbouw. Het gaat om het moment waarop het woord gesproken (en zwart op wit gezet) werd om terug te mogen keren. Vanaf dat moment tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken (= 49 jaar) en 62 weken (= 434 jaar). Het gaat hier in totaal om 69 (7 + 62) weken. Er werd in Daniël 9 : 24 over 70 weken gesproken. Er ontbreekt dus nog één week. Het is bekend wanneer het woord is uitgegaan om terug te keren en de stad te herbouwen. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Het staat in het boek Nehemía (Nehemía 1 : 1 en 2 : 1) vermeld. Nehemía, de Jood, vervulde en belangrijke positie aan het of van het Medo-Perzische rijk.

De geschiedenissen van Nehemía, zoon van Hachálja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; Nehemía 1 : 1

Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. Nehemía 2 : 1

Arthahsasta is een andere naam voor Ahasvéros. Het twintigste jaar van deze koning is het jaar 445 voor Chr. (of -444). De maand “nisan” is de eerste maand van het jaar. Als er alleen een jaar genoemd wordt en geen maand dan wordt er in de Bijbel vanaf de maand “nisan” gerekend. Als er geen datum genoemd wordt, maar alleen de maand dan wordt in de Bijbel vanaf de eerste dag van die maand gerekend. Nehemía was erg droevig. (Nehemía 1 : 4) Het was de eerste nisan, het begin van een nieuw jaar op de Joodse kalender. In de dagen van Ezra en Zerubbabel waren er weliswaar Joden teruggekeerd, maar Jeruzalem was nog steeds niet herbouwd. De uitdrukking “stad” slaat in de Bijbel altijd op een serie huizen met een muur eromheen. Een stad is een woonplaats met verdedigingswerken. Men heeft vaak een verkeerd beeld van het begrip “stad”. Daardoor komt men ertoe om te zeggen dat de geschiedenissen uit het boek Nehemía eerder plaatsvonden dan die uit het boek Ezra. Daarmee wordt de Bijbelse geschiedenis echter door elkaar gegooid. Men zegt: “In de dagen van Nehemía was de stad niet herbouwd en in de dagen van Ezra wel, want toen woonden er mensen. Eerst komen dus de dagen van Nehemía en pas daarna de dagen van Ezra”. Hieruit concludeert men ten onrechte dat deze boeken in een verkeerde volgorde in de Bijbel staan.In de dagen van Ezra bouwde men huizen waarin men woonde. Dit is echter niet voldoende om het de term “stad” toe te kennen. Daartoe zou namelijk eerst de muur gebouwd moeten worden, hetgeen pas in het boek Nehemía wordt beschreven. Nehemía meldde zich bij de koning:

2 Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gans zeer.
3 En ik zeide tot den koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn?
4 En de koning zeide tot mij: Wat zoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel.
5 En ik zeide tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.
6 Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den koning, dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had
7 Voorts zeide ik tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn;
8 Ook een brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot den stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij. Nehemía 2 : 2-8

Nehemía was treurig. De koning vroeg naar de reden omdat Nehemía niet ziek was. Nehemía begon met: “De koning leve in eeuwigheid”. Hij wist ook wel dat die koning niet eeuwig zou leven. Het geeft aan dat een koning feitelijk eeuwig leven zou behoren te hebben. De Koning Die eeuwig leeft, is de enige echte Koning. Elke andere koning is slechts een voorloper van die ene echte Koning Die in eeuwigheid leeft! Nehemía is bedroefd omdat de stad verwoest is en de poorten verbrand zijn. (Nehemía 2 : 3) Hier wordt bij “stad” meteen een link gelegd naar de muren (met poorten). De koning vroeg wat Nehemía exact wilde. Nehemía bad God in de hemel en antwoordde de koning. (Nehemía 2 : 3, 4) Nehemía vroeg of hij de stad mocht bouwen. (Nehemía 2 : 5) Uit de rest van dit gedeelte blijkt dat Nehemía toestemming kreeg. Hij kreeg alles zelfs zwart op wit mee. Nehemía is daadwerkelijk naar Jeruzalem gegaan. Vervolgens werden de taken verdeeld. Er werd geïnventariseerd en de stad werd gebouwd. De herbouw werd enige jaren uitgesteld vanwege een samenzwering van de Samaritanen (Nehemía 4). De wet van Meden en Perzen, op grond waarvan Nehemía de stad zou bouwen, werd een tijd tegengehouden. Uiteindelijk werd de stad toch gebouwd. Dit is een beeld van het uitblijven van de openbaring van het koninkrijk. Men kreeg toestemming om de stad te bouwen, (= Eis van Mij en Ik zal U geven; Psalm 2 : 8) maar de bouw werd uitgesteld omdat er iets met Samaritanen gebeurde. Samaritanen worden beschouwd als de afstammelingen (erfgenamen) van de tien stammen. Zolang de Samaritanen er zijn kan Juda (de twee stammen) niet gebouwd worden. De Samaritanen zijn de erfgenamen van het tien-stammenrijk, maar zij zijn tevens een uitbeelding van de Gemeente in onze tijd. Zolang de Gemeente er is wordt het Joodse volk niet hersteld. In 445 voor Chr. ontving Nehemía het woord om terug te keren en Jeruzalem te bouwen. Dit was in het twintigste jaar van Arthahsasta. Vanaf dat moment begon de tijd (genoemd in Daniël 9 : 25) te lopen. Vanaf 445 voor Chr. zouden er 49 en 434 jaar verlopen tot op Messias, de Vorst. De straten (= “breedten”; kan ook muren zijn) en grachten zouden gebouwd worden, maar in benauwdheid der tijden. De tijd wordt in zeven en 62 weken onderverdeeld. Eerst wordt de herbouw van Jeruzalem beschreven, hetgeen in de eerste zeven weken (49 jaar) gebeurde. Deze 49 jaar leidden meteen tot het einde van de oudtestamentische geschiedenis. In deze 49 jaar vielen dan ook de jaren van Haggaï, Zacharía en Maleáchi, de profeten van ná de ballingschap.

Na de zeven weken (49 jaar) volgen er nog 62. Na die 62 weken zou de Messias uitgeroeid worden. Over die 62 weken (= 434 jaar) wordt verder niets meegedeeld, want dit zijn de jaren die tussen Maleáchi en Matthéüs liggen. God had het Oude Testament voltooid. Er werden geen profeten meer gezonden. Deze periode staat bekend als de “inter-testamentaire periode”. Het eerste wat er daarna gebeurde was de verschijning van de engel aan Maria. (Matthéüs 1) De 62 weken lopen tot op Messias, de Vorst. In de praktijk blijkt dit de aanduiding te zijn van de zogenaamde “intocht in Jeruzalem”. (Matthéüs 21 : 1 e.v.) De nieuwtestamentische boeken (vanaf Matthéüs) zijn pas ruim ná die 62 weken geschreven, waaruit blijkt dat er in die 62 weken niets noemenswaardigs is gebeurd. In Daniël 9 : 26 staat “na die 62 weken”. Eerst kwamen de zeven weken, gevolgd door de 62 weken. Het einde van de 62 weken valt dus op hetzelfde moment als het einde van de 69 weken. Aan het einde van 62 weken zal de Messias uitgeroeid worden. Hier wordt het getal 69 niet genoemd. Het getal 62 kwam reeds voor in Daniël 6 : 1:

Daríus, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaar oud zijnde. Daniël 6 : 1 

Het woord “omtrent” geeft niet aan dat het ongeveer zijn leeftijd was. Het geeft zijn exacte leeftijd aan, maar die is van ondergeschikt belang. Het verhaal van Daniël in de leeuwekuil begint met het noemen van 62 jaar. Daniël werd in de leeuwekuil geworpen, er werd een steen voor gerold en de steen werd verzegeld. (Daniël 6 : 17, 18) De volgende morgen vroeg werd het zegel verbroken, de steen weggerold en Daniël werd uit de kuil opgetrokken. Ditzelfde vinden we in Psalm 22 : 22: “Verlos mij uit des leeuwen muil;…”, hetgeen op de Here Jezus van toepassing was. De geschiedenis van Daniël in de leeuwekuil is daarmee in ieder geval een beeld van de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. De geschiedenis van “de dood en opstanding van Daniël” begint met het noemen van 62 jaar. Bij de 62 weken van Daniël 9 worden we bij de dood (en opstanding) van de Here Jezus bepaald. Het staat hier in zeer verborgen vorm, maar alle zaken met betrekking tot de dood en opstanding van de Here Jezus Christus zijn in het Oude Testament verborgen. De 62 weken van Daniël 9 leidden tot de uitroeiing van de Messias. Hij werd gedood, hoewel het Hebreeuwse werkwoord (“kaarath”), dat hier met “uitroeien” is vertaald, niet noodzakelijk op “gedood worden” hoeft te slaan. Het werkwoord wordt bijvoorbeeld ook gebruikt voor het “maken” van een verbond. Het wordt ook vaak met “afsnijden” vertaald. (Numeri 13 : 23; Jozua 4 : 7) Hier in Daniël 9 staat wel dat de Messias uitgeroeid zou worden, maar het staat er min of meer in een verborgen vorm.

In Daniël 9 : 25 stond al dat er een periode van zeven en 62 weken zou verlopen tot op Messias, de Vorst. Na die 62 weken was de Messias er, maar Hij werd uitgeroeid (= afgesneden). De lijn van de komst van de Messias in heerlijkheid, aan het einde van de 70 weken, werd na 69 weken afgesneden. Daniël 9 : 26 vervolgt met “maar het zal niet voor Hemzelf zijn”. Dit is een slechte vertaling. “Het zal niet voor Hemzelf zijn” is op zich wel een juiste uitspraak, maar het is niet de vertaling van de Hebreeuwse woorden die hier staan. Letterlijk staat er: “Er is niet voor Hem” (= maar Hij zal niet hebben). Dit betekent niet “Hij zal sterven” of “Hij zal zijn leven verliezen”. Wie de Bijbelse profetie goed bestudeerd heeft kan de vraag: “Wat zal Hij niet hebben?” meteen beantwoorden. Messias – de Vorst – zou komen. Er wordt op het beloofde Zaad van David gewacht in overeenstemming met de beloften die God gedaan heeft. Aan het einde van de 69 weken verscheen dat Zaad eindelijk. Er hoefde nog slechts zeven jaar te verlopen tot aan de officiële oprichting van Zijn koninkrijk. Aan het eind van de 62 weken werd Hij echter afgesneden. De Messias werd afgesneden en Hij had Zijn koninkrijk dus niet. Het woord “koninkrijk” kan rustig weggelaten worden omdat men geacht wordt te weten dat het daarover gaat.

Hij wordt hier “Messias, de Vorst” genoemd. “Messias” betekent “Gezalfde”. David werd gezalfd en daarom zou hij een koninkrijk krijgen. Priesters en profeten werden ook gezalfd, maar “zalven” wijst meestal op koningschap. Hij werd afgesneden en kreeg Zijn koninkrijk (nog) niet. Het woord “vorst” betekent “(kroon)prins”. “Vorst” en “prins” geven beide hetzelfde aan, namelijk dat het om “de eerste” gaat. De vorst is de voorste (= the first), hetgeen eveneens voor een prins geldt. Het gaat om Messias, de Vorst. Het wijst op de Messias, Die de troon zal beërven. In het Oude Testament waren er de koning en de vorsten. (o.a. 1 Kronieken 13 : 1) David is hier in 1 Kronieken 13 de koning en de vorsten zijn de eventuele rechthebbers op de troon. Messias, de Vorst, is niet de Koning. Hij is weliswaar tot Koning gezalfd, maar Hij zou Zijn koninkrijk pas later openbaren. Van God uit gezien ís Hij gezalfd en hééft Hij het koningschap ontvangen. De opstanding van Christus is hetzelfde als de zalving van Christus. Op dat moment werd Hij gesteld. Vanaf dat moment duurt het nog eeuwen vóór Hij Zijn koninkrijk zal openbaren. Toch is Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven. (Matthéüs 28 : 18) David is hier een voorbeeld van. Hij was van Godswege tot koning gezalfd. Het duurde echter een tijd vóór zijn koninkrijk openbaar werd. David had zelf geen haast om dat koningschap op te eisen. In onze dagen is de situatie in verband met Christus precies hetzelfde. Na 70 weken zal het koninkrijk van de Messias openbaar worden. Op dat moment zal het niet “Messias, de Vorst” zijn, maar “Messias, de Koning”. Dit is hetzelfde als “Christus, de Koning”. In Daniël 9 wordt over “Messias, de Vorst” gesproken. Hij is als Erfgenaam aangewezen, maar Hij neemt de troon in de praktijk nog niet in bezit. De totale periode van 69 weken leidde tot de dagen van de eerste komst van de Here Jezus. Wanneer het nauwkeurig wordt berekend blijkt dat de 69 weken exact eindigden op de dag van de zogenaamde “intocht in Jeruzalem”. Dit was de zondag voorafgaande aan de dood van de Here Jezus. Het was precies één week (van dagen) vóór Zijn opstanding. De berekening begint op 1 nisan van het jaar 445 voor Chr., hetgeen overeenkomt met 14 maart 445. De “intocht in Jeruzalem” was op 10 nisan van het jaar 32, hetgeen overeenkomt met 6 april.

De berekening is als volgt:

kalenderjaar vóór Chr.445
kalenderjaar A.D.31
476 jaar x 365 dagen=173.740 dagen
14 maart - 6 april=24 dagen
schrikkeldagen: 476 : 4 = 119 - 3=116 dagen
--------------
Totaal=173.880 dagen

Van de schrikkeldagen moeten drie dagen worden afgetrokken, omdat er drie eeuwjaar waren die niet door 400 deelbaar zijn. Het aantal dagen vanaf de uitgang des woords tot aan de dag van de intocht in Jeruzalem is 173880 dagen. Dit is exact gelijk aan het aantal dagen van de 69 weken (= 69 x 7 jaar = 483 x 360 dagen = 173880 dagen). De laatste week (van zeven jaar) uit Daniël 9 moet nog steeds verlopen. Na de 69 weken verliep er wel een week (van dagen), waarna de Here Jezus Christus opstond uit de doden. Bij Zijn opstanding werd Hij officieel tot Koning aangesteld. Zijn koninkrijk werd niet openbaar. De week (van dagen) die verliep tussen de intocht in Jeruzalem en de opstanding van Christus is in hoge mate profetisch. Aan het einde van de 69 weken vond de intocht in Jeruzalem plaats. Na de 62 (en dus na de 69) weken zou de Messias uitgeroeid worden. De Messias zou sterven, hetgeen daadwerkelijk is gebeurd. Vijf dagen na de intocht werd Hij gekruisigd. De intocht staat onder andere in Lukas 19 vermeld en er staan opmerkelijke uitspraken bij.

En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem. 29 En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fagé en Bethanië gekomen was, aan den berg, genaamd den Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond, 30 Zeggende: Gaat henen in dat vlek, dat tegenover is; in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbindt hetzelve, en brengt het. 31 En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat, zo zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat het de Heere van node heeft. 32 En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen? 34 En zij zeiden: De Heere heeft het van node. 35 En zij brachten hetzelve tot Jezus. En hun klederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop. 36 En als Hij voort reisde, spreidden zij hun klederen onder Hem op den weg. 37 En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden; 38 Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen! 39 En sommigen der Farizeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen. 40 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen. 41 En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, 42 Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.
43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; 44 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij dentijd uwer bezoeking niet bekend heb. Lukas 19 : 28-44

In de Statenvertaling staat boven dit gedeelte: “Jezus’ intocht in Jeruzalem”. Dit opschrift is onjuist. Het was geen intocht! Het was een tocht náár Jeruzalem. Toen de Heer Jeruzalem zag eindigde de tocht. Hij is daarna wel in Jeruzalem geweest, maar dat was geen intocht. Deze feestelijke gebeurtenis eindigde bij “de afgang des Olijfbergs”. (Lukas 19 : 37) Men ging niet feestelijk de stad binnen, want het feest eindigde in een anticlimax. In Lukas 19 staat dat de Here Jezus op een veulen ging zitten. In Matthéüs 21 : 1 v.v. wordt over een ezelin en haar veulen gesproken. Dit is in overeenstemming met Zacharía 9 : 9

Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen. Zacharía 9 : 9

De Here Jezus ging op het ezelsveulen zitten en werd op die manier met het dier verbonden (werd er één mee). De Here Jezus reisde en men spreidde hun klederen op de weg. (Lukas 19 : 36) Toen Hij de afgang van de Olijfberg naderde begon al de menigte van de discipelen zich te verblijden. (Lukas 19 : 37) Hier staat niet dat al de menigte zich verblijdde. Alléén de discipelen begonnen zich te verblijden. Ze loofden God en zeiden: “Gezegend de Koning”. Die Koning kwam niet alleen in de Naam des Heren, maar Hij droeg die Naam Zelf. Hij is Zelf de Here. Hij is de Christus der Schriften. “In de Naam des Heren” betekent “in overeenstemming met alles wat over de Heer is gezegd”. “In de naam van iemand” geeft aan wie die iemand is. Verder zeiden ze: “Vrede in de hemel en heerlijkheid in de hoogste plaatsen”. Ze wisten blijkbaar dat de vrede en de heerlijkheid in de eerste plaats in de hemel zouden worden gevestigd en pas daarna op de aarde. De Farizeeërs wilden dat de Heer Zijn discipelen bestrafte. De Heer antwoordde dat de stenen dan haast (= spoedig) in hun plaats zouden roepen. Volgens Lukas 19 : 44 zijn dat de stenen van de tempel. Die zijn daarmee een beeld van de gelovigen
van de huidige bedeling, die levende stenen van een geestelijke tempel zijn. (Éfeze 2 : 19-22; 1 Petrus 2 : 5) De stenen van Jeruzalem en van de tempel zouden afgebroken worden. Daarmee spreken die stenen van de verstrooiing van Israël. De positieve kant is dat er levende stenen worden samengevoegd tot een tempel Gods. Die stenen vormen de huidige Gemeente en die stenen spreken uiteraard ook. Toen de Heer de stad naderde en de stad zag, weende Hij over de stad. (Lukas 19 : 41) Hij zei:

Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Lukas 19 : 42

Hier wordt tot Jeruzalem gesproken. Het was de bedoeling dat Jeruzalem óók zou bekennen (en erkennen) hetgeen tot haar vrede diende. De discipelen bekenden het wel en zij verblijdden zich. (Lukas 19 : 37) Het was de bedoeling dat Jeruzalem zich daarbij aan zou sluiten, zich ook zou verblijden en zou roepen: “Gezegend de Koning, Die daar komt in de Naam des Heren”. Jeruzalem deed dat echter niet. De Heer zegt daarna iets heel speciaals: “Ook nog in deze uw dag”. Hier wordt de nadruk gelegd op deze speciale dag, hoewel er geen datum wordt genoemd. Jeruzalem diende Hem te erkennen, maar dat moest op die speciale dag gebeuren. Er staat niet alleen “uw dag”, maar het wordt nog versterkt doordat het woordje “deze” ervoor wordt gezet: “deze uw dag”. Het is dus een hele speciale dag. Door de herhaling van het woordje “ook” aan het begin van deze tussenzin wordt het nog eens extra versterkt. Deze speciale dag was de tiende nisan, de dag na de sabbat, de zondag. Het was de zondag vóór Pasen, de dag van de opstanding. Deze dag staat bij ons bekend als “Palmpasen”. Op deze tiende nisan moest het paaslam in huis genomen worden. (Exodus 12 : 3) Het lam moest aan de huishouding worden toegevoegd. Het wáre Paaslam – Christus – (1 Korinthe 5 : 7) verscheen hier voor de poorten van Jeruzalem, het huis van Juda. Het ware Paaslam werd op deze tiende nisan in huis genomen.

Het gaat bij “deze uw dag” niet alleen om de exacte dag, maar ook om die dag in dát jaar. Het blijkt op de dag nauwkeurig 69 x 7 jaar (van 360 dagen) na “de uitgang des woords” te zijn. “Deze uw dag” was de laatste dag van de 69-ste week. Aan het eind van de 70 weken zou de Messias in heerlijkheid komen om Zijn koninkrijk te openbaren. Aan het eind van de 69 weken verscheen Hij. Jeruzalem wilde Hem niet als Koning accepteren. Dit had tot gevolg dat het koninkrijk niet openbaar werd. Integendeel! Het koninkrijk verdween. Messias de Vorst kreeg geen koninkrijk op aarde. Zijn discipelen riepen Hem tot Koning uit, maar Jeruzalem wilde Hem niet. Ná Zijn opstanding wilde Jeruzalem Hem nog steeds niet als Koning accepteren. Er werd rechtstreeks aan Israël gepredikt dat Jezus de beloofde Christus (Messias) was, Die leed en stierf om de zonden van het volk weg te nemen. (Handelingen 2 : 22-36; 3 : 12-26) Hij stond uit de doden op om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen. (Daniël 9 : 24; 2 Korinthe 9 : 9) Hij werd door de opstanding een oorzaak van eeuwige zaligheid voor degenen die in Hem geloven. (Hebreeën 5 : 9) Israël wilde Hem echter niet. Omdat Israël Hem ná de opstanding niet heeft geaccepteerd werd Zijn koninkrijk van haar weggenomen. (Matthéüs 21 : 43) Het was de bedoeling dat het koninkrijk aan het einde van de 70-ste week openbaar zou worden. Aan het einde van de 69 weken werd het koninkrijk echter van Israël weggenomen. Hoe ging het dan verder? Het antwoord geeft de Heer in Lukas 19 : 42: “Maar nu is het verborgen voor uw ogen”. De Heer zei niet dat de Koning of het koninkrijk niet zouden komen! Hij zei alleen dat het voor Israël verborgen zou worden.

Johannes 18 : 33-37 33 Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? 34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van Mij gezegd? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan? 36 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier. 37 Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een ieder, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.

De Heer werd door de Joden overgeleverd. Hij werd door hen dus niet als de Koning der Joden erkend. Daarom zei de Heer: “Nú is Mijn koninkrijk niet van hier (= van deze wereld)”. Dit betekent dat het straks wel “van hier” zal zijn. Het koninkrijk is er nú wel, maar dat koninkrijk is nu niet “van hier”. Het koninkrijk kwam niet met uiterlijk vertoon (gelaat), hetgeen door de Heer reeds was voorzegd. (Lukas 17 : 20) Heeft het koninkrijk dan geen gelaat? Kan dat koninkrijk dan niet gekend worden? Jawel! Er staat dat het koninkrijk niet met een uiterlijk gelaat komt, hetgeen betekent dat het koninkrijk in verborgen vorm zou komen. Het koninkrijk is nu niet van hier (= niet van deze wereld). In de toekomst zal het wel in deze uiterlijke wereld openbaar worden, maar nu nog niet. Voor Israël, maar ook voor elke ongelovige, is het koninkrijk van Christus verborgen. Bij degenen die onder de wet willen leven is weliswaar bekend dat de Heer Koning is, maar het is voor hen toch verborgen, omdat zij er in de praktijk part noch deel aan hebben. Men ziet de Heer wel als Koning, maar in de praktijk van het leven leeft men er niet uit.

De Heer kondigde aan dat vijanden een begraving (= een wal waarachter men ligt) zouden opwerpen, hen omsingelen en van alle kanten zouden benauwen. (Lukas 19 : 43) Het gaat hier om een beleg dat om de stad zou worden gelegd. Men zou tot de grond neergeworpen worden. (Lukas 19 : 44) Dit komt overeen met hetgeen tegen Adam werd gezegd: “tot de aarde zult gij wederkeren, omdat gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren.” (Genesis 3 : 19) Hij kwam uit de aarde en het zou tot de aarde terugkeren. Met andere woorden: Er zou niets van overblijven. Hier wordt het op de stad Jeruzalem toegepast. Vanuit de profetie uit Daniël 9 is dit begrijpelijk, want die profetie gaat met name over het Joodse volk en over Jeruzalem. De 70 weken begonnen immers op het moment dat men toestemming kreeg om terug te keren en de stad te herbouwen. Aan het eind van de eerste zeven weken was de stad herbouwd. Hier in Lukas 19 verscheen de Koning voor de stad en kondigde haar vernietiging aan. Die Koning wilde Zijn troon in het midden van Jeruzalem oprichten, maar Jeruzalem wilde Hem niet. In plaats daarvan zouden vijanden een begraving rondom haar opwerpen. De stad zou worden verwoest, omdat zij de tijd van haar bezoeking niet onderkend heeft. (Lukas 19 : 44) Er staat niet dat zij de bezoeking niet onderkend heeft, maar dat zij de tijd van haar bezoeking niet onderkende. De Heer verweet de inwoners van Jeruzalem dat zij de datum niet kenden. Zij hadden die datum dus kunnen weten! De Heer deelt Zijn plannen nadrukkelijk mee opdat men vóór de gestelde datum beantwoordt aan Gods eis: geloven in Gods Woord en de Here Jezus Christus aanvaarden als de Messias. Men kende de tijd niet. Daarom is Zijn koninkrijk niet zichtbaar over Israël opgericht. In plaats daarvan werd er een beleg rondom Jeruzalem geslagen dat leidde tot de totale verwoesting.

We keren nu terug naar Daniël 9. Dan weten we dat de 69 weken voorbij zijn. Na die 69 weken verscheen Messias, de Vorst. Hij ontving geen koninkrijk. In Lukas 19 kondigde de Heer het beleg om de stad en haar vernietiging aan. Dit betekent dat in de ene resterende week een beleg om de stad zal moeten worden gelegd, de stad zal moeten worden ingenomen en vervolgens verwoest. Uiteindelijk zal het volk alsnog tot geloof moeten komen, want vanuit Daniël 9 : 24 weten we dat het koninkrijk van de Messias na 70 weken over een gelovig Israël en over een gelovig Jeruzalem zal aanbreken. Na 69 weken, na de zogenaamde “intocht in Jeruzalem”, zou Jeruzalem worden verwoest. Dit zou binnen de 70-ste week gebeuren. Het zou tevens tot de bekering van Jeruzalem moeten leiden, opdat het koninkrijk zou kunnen aanbreken. Dat koninkrijk wórdt aan het eind van de 70 weken opgericht. Nu komt er een probleem: het is niet gebeurd! In het jaar 70 A.D. werd de stad Jeruzalem inderdaad verwoest en de stad werd ingenomen. Er werd geen steen op de ander gelaten. Het stukje klaagmuur dat er nog staat kan niet tot de oorspronkelijke tempel worden gerekend. Jeruzalem werd verwoest, maar niet gedurende de zeven jaar die na de 69 weken verliepen. Vanuit Daniël 9 blijkt dat de 70-ste week in het verleden niet vervuld is. Als die week wel zou zijn vervuld, zou het koninkrijk van Christus inmiddels openbaar zijn geworden. Vanuit de brieven van het Nieuwe Testament is duidelijk dat Zijn koninkrijk in onze dagen niet openbaar is. De 70-ste week heeft niet tot de openbaring van het koninkrijk geleid. Toch zegt de Bijbel dat er 70 weken (= 490 jaar) zouden verlopen tot aan het openbaar worden van dat koninkrijk. Hieruit kan slechts geconcludeerd worden dat de 70-ste week niet meteen na de 69 weken begonnen is.

Sommigen zeggen dat Israël na de 69 weken niet heeft gewild en dat de 70-ste week daarom is komen te vervallen. Dit is onjuist. De gebeurtenissen die in verband met de 70-ste week staan vermeld hébben in het verleden plaatsgevonden. Dat was echter niet dé 70-ste week. Om Jeruzalem wérd een beleg geslagen. Dat beleg werd opgebroken waardoor men de gelegenheid had de stad te verlaten. Vanuit de profetieën had men kunnen weten dat er weer een beleg zou worden geslagen, waarna de stad verwoest zou worden. De meeste mensen luisterden destijds echter naar valse profeten en niet naar het profetische Woord van God. De valse profeten zeiden dat de stad gered zou worden. De meeste mensen luisterden naar deze profeten, bleven in de stad en werden vermoord. Zo ging het in de tijd van Nebukadnézar en zo gebeurde het ook in het jaar 70 van onze jaartelling. Het is bekend dat, na het opheffen van het eerste beleg, veel gelovigen de stad zijn ontvlucht. Zij hebben hun toevlucht genomen in de stad Petra (= Sela). Na enige tijd kwamen de legers van de Romeinen terug. De stad werd verwoest en alle inwoners van Jeruzalem werden vermoord. Zij werden buiten de stad gekruisigd. Dit was niet de vervulling van de profetie van Daniël 9. De gebeurtenissen waren in overeenstemming met die profetie. Het was echter niet in overeenstemming met de tijd die God bepaald had. Die verwoesting heeft niet geleid tot de bekering van Israël en het openbaar worden van het koninkrijk van de Messias. De laatste week van zeven jaar volgde niet meteen op de 69 weken. In de Bijbel staat dat er 70 weken zullen verlopen. Aangezien de 70-ste week nog niet verlopen is zal die week in de toekomst nog komen. De gelovige gelooft dit omdat het in Gods Woord staat.

De profetie van Daniël 9 kent een onderbreking. Daniël 9 : 26 begint niet met “In de 70-ste week”, maar met: “Na die 62 weken”. “Na de 62ste week” kán betekenen “in de 70-ste week”. Of het inderdaad in de 70-ste week zou zijn hing af van of Israël tot aanvaarding van de Here Jezus Christus als de Messias zou komen. Dat gebeurde niet en daarom volgde de 70-ste week niet meteen na de 69 weken. Pas in Daniël 9 : 27 wordt over de laatste week gesproken. Sommigen zeggen dat dit niet de 70-ste week kan zijn, omdat die 70-ste week al in Daniël 9 : 26 zou zijn genoemd. Men legt “na de 69 weken” uit als “in de 70-ste week”. Daniël 9 : 27 kan dan niet over de 70-ste week spreken. Vervolgens zegt men dat de heilsgeschiedenis blijkbaar in perioden van zeven jaar kan worden ingedeeld, zoals bijvoorbeeld uit de “sabbatsjaar” blijkt. (Leviticus 25 : 2-4) Dit “sabbatsjaar” heeft men overigens nooit gehouden. Er zijn anderen die op bovenstaande gedachte varianten hebben bedacht. Zij maken er een periode van 2520 jaar van (7 jaar van 360 dagen is 2520 dagen). Sommigen maken er perioden van 1260 jaar van, omdat de 70-ste week in tweeën gedeeld kan worden. (o.a. volgens Daniël 9 : 27) Weer anderen nemen perioden van 1260 dagen. Sommigen gaan zelfs zover dat ze dergelijke berekeningen door de tijd van de kruistochten heen trekken, waarbij elke periode tot een speciale gebeurtenis zou leiden. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van menselijke gedachten die niets met de Bijbel te maken hebben.

In Daniël 9 : 26 staat dat de Messias na 69 weken zou worden afgesneden. Dit is vijf dagen na het beëindigen van de 69 weken gebeurd. De 69 weken eindigden op de tiende nisan en op de vijftiende nisan (de vrijdag daarna) werd de Heer gekruisigd. De Heer heeft het paaslam nog gegeten (op 14 nisan) en stierf Zelf op 15 nisan. De Heer stierf op de zesde dag van de week (de vrijdag). De mens verscheen op de zesde dag om de aarde te onderwerpen. (Genesis 1 : 26-31) Op de zesde dag zou de Zoon des mensen moeten verschijnen om de aarde aan Zich te onderwerpen, maar Hij werd gekruisigd. In plaats van de aarde te onderwerpen en tot Koning uitgeroepen te worden werd Hij gedood. Vóór Hij in de zesde bedeling (waarvan de zesde dag een type is) opnieuw verschijnt, zal er eerst een ander mens verschijnen die door 666 gekenmerkt zal worden. De Messias werd na de 69 weken afgesneden en Hij zou niet hebben. Vervolgens staat er: “En een volk van een vorst, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed en tot het einde toe zal er krijg zijn en vastelijk besloten verwoestingen”. “Hetwelk” slaat op een volk. Er zal een volk komen en daarbij een vorst. Het zal geen koning zijn, maar wel iemand die leiding aan dat volk geeft. De stad en het heiligdom zullen verdorven worden. (Lukas 19) Men heeft de tijd van de bezoeking niet gekend. Daarom werd Jeruzalem omsingeld en vervolgens verwoest. Ditzelfde staat hier in Daniël 9 : 26. Na de totale 69 weken zou er een vorst van een volk komen. Deze vorst zou de stad en het heiligdom verderven (= tot de grond toe neerwerpen). Het einde van die vorst zal met een overstromende vloed zijn. Tot het einde toe zal er oorlog zijn en vastelijk besloten verwoesting. Dit betekent dat die verwoestingen ná de 69 weken zouden komen.

In Daniël 9 : 27 staat dat die vorst “velen het verbond zal versterken een week”. In Daniël 9 : 25 staat de periode van 69 weken en in Daniël 9 : 27 staat de 70-ste week. In Daniël 9 : 26 vinden we dus een onderbreking tussen de 69 weken en de 70-ste week. Dit is een beetje té zwart-wit geredeneerd, want Daniël 9 : 26 leidt wel degelijk ook tot het einde van de 70-ste week. Er staat namelijk: “Tot het einde toe zal er krijg zijn en vastelijk besloten verwoestingen”. Waar wijst “tot het einde toe” in dit vers op? “Tot het einde toe” wijst op het einde van de 70 weken, want deze profetie spreekt over 70 weken. Tot het einde van de 70 weken zal er krijg zijn en zullen er verwoestingen zijn. “Verwoestingen” geeft aan dat er minstens twee verwoestingen moeten zijn. De eerste verwoesting was in het jaar 70 van onze jaartelling. De tweede verwoesting moet nog komen. De eerste verwoesting viel niet in de 70-ste week, maar wel ná de 69-ste week. De tweede verwoesting valt in de 70-ste week. In Daniël 9 : 26 staat dat die verwoestingen tot het einde zullen zijn. Hieruit dient geconcludeerd te worden dat de tweede verwoesting pas aan het einde van de 70-ste week zal vallen. De Bijbel bevestigt dat. De tragiek hiervan is dat de verwoestingen sinds de 69-ste week zijn begonnen terwijl de 70-ste week nog niet is aangebroken. De zaken die kenmerkend zijn voor de 70-ste week, zijn reeds na de 69-ste week begonnen. Die verwoestingen zijn er heden ten dage ook. Er is momenteel weliswaar een kleine opleving in het land Israël, maar dit is slechts van korte duur. Sinds de 69ste week is het land nauwelijks iets anders geweest dan een woestijn.

En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste. Daniël 9 : 27 27

De “hij” uit Daniël 9 : 27 is de vorst uit 9 : 26. Dit wil niet zeggen dat het dezelfde persoon is die destijds optrad. Een vorst is de rechthebber op de troon. Als hij sterft komt er meteen een ander in zijn plaats. “Vorst” is geen naam, maar een titel. Ditzelfde geldt voor het volk dat in Daniël 9 : 26 genoemd wordt. Met “het volk” dat komen zou wordt het volk van het wereldrijk van die dagen bedoeld. Het gaat om de beheersers van de wereld van die dagen. Dit volk bestond in de tijd van de eerste komst van de Heer uit Romeinen. Hun vorst bleek de legeraanvoerder te zijn door wie Jeruzalem werd ingenomen. In de toekomst zal er wéér zo’n wereldrijk zijn. Dit staat in de voorgaande hoofdstukken van het boek Daniël. Er staat niet bij dat dit het Romeinse rijk zal zijn, hoewel velen dat denken. Dat toekomstige wereldrijk zal ook een vorst hebben. Deze profetie gebruikt dezelfde woorden voor dezelfde omstandigheden, hoewel diezelfde omstandigheden zich soms in totaal verschillende tijden afspelen en ook onder totaal verschillende namen. Bij de eerste verwoesting bestond het volk uit Romeinen, met Titus als vorst (70 A.D.). Deze profetie zou echter ook op de Syriërs onder aanvoering van Antiochus Epiphanes kunnen slaan, die in 170 voor Chr. Jeruzalem veroverde. In de toekomst zal er opnieuw een wereldrijk met een vorst zijn. Hoe die man heet is (nog) niet bekend. Deze vorst wordt wel op verschillende manieren in de Bijbel omschreven, maar zijn exacte naam wordt niet vermeld. Het zal geen Romein zijn en dat volk zal niet het Romeinse volk zijn. Hij zal de officiële vertegenwoordiger van de heidenen blijken te zijn.

De vorst die komen zal, zal velen het verbond versterken. Letterlijk staat er “de velen”. De vertalers hebben het lidwoord bij “verbond” geplaatst, maar het hoort bij “velen” te staan. Er staat: “En hij zal (met) de velen …”. Het gaat hier over de heidenen met hun vorst. Die heidenen sluiten met “de velen” een verbond. Buiten de heidenen bestaat slechts één volk: Israël. “De velen” wijst dus op Israël, de Joodse staat. De Joodse staat sluit een verbond met de heidenen, waaruit volgt dat het een ongelovige staat is. Dit verbond wordt gedurende de 70-ste week gesloten. De staat Israël is ongelovig. Zodra de Joodse staat namelijk tot geloof komt, verschijnt de Messias. Er staat “de velen”, omdat bekend is wie die velen zijn. Het gaat om een verbond tussen de heidenen en de ongelovige Joodse staat. Dit verbond zal met de ongelovige Joodse staat worden gesloten; niet met alle Joden. In de dagen die hier genoemd worden behoort een deel van de Joden tot de Joodse staat. Een ander deel heeft geen deel aan die Joodse staat. Dit laatste deel is momenteel het grootste. Slechts een minderheid van de Joden maakt nu deel uit van de Joodse staat. De meeste Joden maken geen deel uit van de Joodse staat en velen van hen willen dat ook bewust niet. De Joodse staat zal een verbond met de heidenen sluiten, maar het zal op een fiasco uitlopen.

Het initiatief tot dit verbond gaat van de heidense vorst uit. Die vorst zal met de velen een verbond versterken. Het lidwoord “het”, dat voor “verbond” is geplaatst, hoort bij “velen” Er staat feitelijk alleen: “En hij zal de velen verbond versterken”. Voor de leesbaarheid wordt het lidwoord “een” in het Nederlands toegevoegd, maar dit lidwoord bestaat in het Hebreeuws niet. Velen denken bij “het verbond” aan het verbond van de wet. Zij denken dat met “hij” niet een persoon, maar God Zelf bedoeld wordt. Zij menen dat God in de toekomst opnieuw het verbond van de wet met Israël zal bekrachtigen. Dit is onjuist want het einde van de wet is Christus tot rechtvaardiging voor een ieder die gelooft. (Romeinen 10 : 4) De wet werd door de dood van de Here Jezus voltooid. De Heer, Die Zelf door Zijn dood de wet vervuld heeft, (Matthéüs 5 : 17) legt die wet niet opnieuw op het volk, omdat zij dat juk in het verleden ook niet hebben kunnen dragen. (Handelingen 15 : 10) Degene die hier “hij” genoemd wordt is de tegenstander van de Heer. Hij wordt in Openbaring 13 “het beest uit de zee” genoemd. In het boek Daniël wordt hij “het beest” of “de kleine hoorn” (Daniël 8 : 9) genoemd (voor nadere uitleg zie hoofdstuk 5 en 7). Met deze persoon zal de Joodse staat een verbond sluiten, namelijk een verbond met de dood, (Jesaja 28 : 15, 18) zoals het verbond met Egypte wordt genoemd. Destijds sloot Israël een verbond met Egypte dat toén het machtigste rijk was. De Heer zei dat het een verbond met de dood was waaraan Israël ten gronde zou gaan.

Vele gelovigen beginnen “Hallelujah” te roepen zodra Israël een (vredes) verbond sluit. Zij gunnen het Israël van harte, maar het is een gruwel in de ogen van de Heer. De Heer noemt dat namelijk afgoderij. Daarom wordt in Daniël 9 : 27 ook over een gruwel (= een afgodsbeeld) gesproken. Het woord “vleugel” wijst eveneens op een afgodsbeeld waaronder men bescherming zoekt. (vergelijk Hoséa 4 : 19) In verband met dit toekomstige verbond zal er zelfs letterlijk een afgodsbeeld worden opgericht ten teken van dat verbond. De vorst met wie Israël dat verbond zal sluiten zal een Palestijn (= Filistijn) blijken te zijn. Aangezien dit verbond met een Palestijnse vorst gesloten zal worden zal dat afgodsbeeld ongetwijfeld gewijd worden aan Dagon, de god der Filistijnen. Vervolgens zal de Heer Zelf in die tempel van Dagon verschijnen, waarvan de ark des verbonds een beeld is. (1 Samuël 5 : 2-7) De geschiedenis uit 1 Samuël 5 is dus profetisch. “Versterken” wordt in Daniël 6 uitgelegd.

7 Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Daríus, leef in eeuwigheid!
8 Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de

raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.
9 Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.
10 Daarom tekende de koning Daríus dat schrift en gebod. Daniël 6 : 7-10

In Daniël 6 : 8 wordt van “een gebod sterk maken” gesproken. In 6 : 9 gaat het over “een verbond bevestigen”. Dit betekent hetzelfde. “Een schrift tekenen” is hetzelfde als een gebod ondertekenen. Daríus ondertekende dit gebod. Er worden drie dingen gezegd: “een gebod sterk maken”, “een gebod bevestigen” en “een schrift tekenen”. Een gebod wordt dus bevestigd (of: versterkt) door het te ondertekenen. Eerst werd het gebod opgeschreven, maar dat gebod werd pas van kracht nadat er een datum en een handtekening onder werd geplaatst. Zo’n wet/gebod kon niet herroepen worden. (Daniël 6 : 9) Daarom tekende Daríus dat schrift/gebod. (Daniël 6 : 10) Dat het ondertekend werd, wordt nog enkele malen herhaald. (Daniël 6 : 11, 13, 14) De 70-ste week begint op de dag dat het verbond met de “velen” wordt ondertekend. Als Israël een verbond met deze heidense vorst sluit, zal het nog precies zeven jaar duren vóór Degene verschijnt met Wie Israël al veel langer een verbond had. Die laatste zeven jaar zullen leiden tot de oprichting en het openbaar worden van het koninkrijk van de Messias over het Joodse volk en over Jeruzalem. Aan het einde van die zeven jaar is voltooid wat in Daniël 9 : 24 staat. Daarmee is deze profetie vervuld en dus ook bekend. Als de laatste zeven jaar beginnen is er een einde gekomen aan de lankmoedigheid van God. Het sluiten van dit verbond geeft tevens het einde van onze bedeling aan, ofwel de dag dat dit verbond gesloten wordt is dezelfde dag waarop de Gemeente naar de hemel wordt opgenomen. Op de dag dat de twee beesten uit Openbaring 13 een verbond met elkaar sluiten worden degenen die niet tot toorn maar tot zaligheid geroepen zijn “geëvacueerd”. De heidense leider van de toekomst zal met de ongelovige staat Israël een verbond sluiten. Op het moment dat dit verbond ondertekend wordt, begint de 70-ste week. Dat verbond zal voor “een week” zijn. Het verbond kán niet langer dan een week (= zeven jaar) duren, omdat de Messias aan het eind van die zeven jaar Zijn rijk over Israël zal hebben opgericht. Dan zal Hij Zijn verbond met Israël gedenken. In het midden van de 70-ste week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden. (Daniël 9 : 27) De 70-ste week wordt daarmee in tweeën gedeeld.

Slachtoffer en spijsoffer

Tot het midden van de week zal er sprake zijn van een slacht- en spijsoffer. Deze profetie gaat over het Joodse volk en over Jeruzalem. Dit betekent dat het Joodse volk het slacht- en spijsoffer weer zal hebben ingesteld. De conclusie die ik hieruit trek is dat het verbond tussen de Joodse staat en de heidense machthebber in een (gedeeltelijk) herstel van de Joodse eredienst zal voorzien. Die eredienst zal op de heilige plaats worden hersteld. De Bijbel geeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat er tijdens de 70-ste week een tempel op de heilige plaats zal staan. Er wordt over “de heilige plaats” gesproken. (Matthéüs 24 : 15) Er wordt ook over “het heiligdom” gesproken. (Daniël 8 : 13; 11 : 31) Een tempel is inderdaad een heiligdom, maar een heiligdom is nog geen tempel. Het slacht- en spijsoffer wijst op een letterlijk slacht- en spijsoffer. Het ophouden ervan wordt soms verklaard als zijnde een beeld van de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. Dit is een misverstand dat berust op de gedachte dat de 70-ste week bij het begin van het openbare optreden van de Heer begon. Circa 3,5 jaar later werd Hij inderdaad gekruisigd. Deze uitleg geeft men omdat men meent dat de 70-ste week allang vervuld is. Het beëindigen van Zijn openbare optreden betekende juist het einde van de 69 weken. De 69 weken eindigden niet bij de doop van de Here Jezus, aan het begin van Zijn optreden, maar vijf dagen vóór het leven van de Here Jezus eindigde. De 70-ste week ligt nog in de toekomst. De eerste zeven weken waren letterlijke weken van zeven jaar en spreken over een letterlijke herbouw van Jeruzalem. De overige weken hebben eveneens een letterlijke betekenis. Het is daarom niet juist om de overige weken alléén een geestelijke betekenis te geven. Het gaat hier om de letterlijke verklaring van deze profetie en dat geldt dus ook voor de 70-ste week. De 70-ste week begint letterlijk bij het letterlijk ondertekenen van een verbond. Dit heeft blijkbaar met een letterlijk (gedeeltelijk) herstel van de eredienst te maken.

De Joodse staat zal met een heidense macht een verbond sluiten. Die heidense macht zal een Arabische macht blijken te zijn, namelijk Irak. Als de Joodse staat een verbond zal sluiten, zal ze voor allerlei zaken ruimte krijgen, waaronder een gedeeltelijk herstel van de eredienst (= de eigen Joodse rituelen) in Jeruzalem. Dit is trouwens het ideaal van de Verenigde Naties. Jeruzalem zou een internationale stad moeten zijn en blijven. Jeruzalem moet de stad van de christenen, de Joden en de Mohammedanen zijn, omdat het voor hen allen de heilige stad is. Dit streven zal in de toekomst worden verwezenlijkt. Na 3,5 jaar zal dat verbond echter verbroken worden, want verbonden tussen volkeren zijn onbetrouwbaar. De heidense wereldmacht zal de volledige macht over de Joodse staat krijgen. Slacht- en spijsoffer zal ophouden. Bovendien staat er dat over de gruwelijke vleugel een verwoester zal zijn. Deze term wijst terug naar het vorige hoofdstuk van Daniël en er wordt ook in Daniël 11 : 31 en in 12 : 11 naar verwezen. In Daniël 8 wordt aangekondigd dat een toekomstig vorst het heiligdom zal ontheiligen. (Daniël 8 : 11) Deze vorst wordt in Daniël 8 : 9 “de kleine hoorn” genoemd. Het gaat hier om een visioen en er is dus sprake van beeldspraak. In Daniël 8 : 10 wordt over “het heir des hemels” gesproken. In Daniël 8 : 10 wordt dit heir als “de sterren” omschreven. “Sterren” zijn een omschrijving voor het nageslacht (zaad) van Abraham, (Genesis 15 : 5) namelijk de zonen van Jakob. (Genesis 37 : 9, 10) De sterren zijn dus in ieder geval een beeld van Israël. Er zal in de toekomst een vorst komen die zich groot zal maken tegen Israël (zie hoofdstuk 7). Sommigen van het heir, namelijk van de sterren, zullen ter aarde neergeworpen en vertreden worden. Hier is het woordje “en” terecht met “namelijk” vertaald. De sterren zullen worden vernederd en vertreden. Deze kleine hoorn zal zich zelfs grootmaken tegen de Vorst van dat heir, namelijk God. Van die Vorst zal het gedurig offer en Zijn woning, namelijk Zijn heiligdom, worden neergeworpen.

Wat in Daniël 8 beschreven staat wordt in de eerste plaats toegepast op een gebeurtenis die gedurende de 62 weken plaatsvond. Deze gebeurtenis zelf staat niet in de Bijbel vermeld. Het is in de eerste plaats op Antiochus Epiphanes van toepassing, die de Joden onderdrukte. Hij deed de eredienst in de tempel ophouden (168 voor Chr.). Hij verplichtte de Joden om varkens aan een beeld te offeren. Dat beeld was in de tempel opgericht ter ere van Jupiter (= Zeus). Deze gebeurtenis staat model voor toekomstige gebeurtenissen. Daniël 8 spreekt over de gebeurtenissen ten tijde van Antiochus Epiphanes. Gebeurtenissen van dezelfde aard zullen later herhaald worden in de 70-ste week. In Daniël 9 wordt over de oprichting van een gruwel der verwoesting gesproken en in Daniël 8 over de ontwijding van de tempel (het heiligdom). Het gaat daarbij om de oprichting van een beeld dat aan de god van deze eeuw (= de satan) is gewijd. De oprichting van een beeld staat ook in Daniël 2 en 3. Een “gruwel” is een afgod of een afgodsbeeld. Een “vleugel” wijst op bescherming. Dat wijst in dit verband eveneens op een afgod, omdat men de bescherming niet van God verwacht. Zo’n afgodsbeeld werd in de dagen van Antiochus Epiphanes opgericht en zo’n beeld zal in de toekomst opnieuw worden opgericht. Dit gebeurt op de helft van de 70-ste week.

In Openbaring 13 vinden we de oprichting van een beeld ter ere van het beest uit de zee. Vanuit de profetie van Daniël 9 weten we dat dit in het midden van de 70-ste week zal gebeuren. Vanaf het moment dat dit beeld wordt opgericht zal er verwoesting zijn. Dit betekent niet dat die verwoesting dán pas komt. Vanuit Daniël 9 : 26 weten we dat de Messias na de 62-ste week zou worden uitgeroeid en er een vorst zou komen. Er staat bij dat er tot het einde toe (= einde van de 70 weken) “krijg” zal zijn en vastelijk besloten “verwoestingen”. Dit betekent dat er vanaf het einde van de 62-ste week tot het einde van de 70-ste week verwoesting zal zijn. In Daniël 9 : 27 wordt gezegd dat de verwoester in de tweede helft van de 70-ste week (vanaf het midden van de 70-ste week) zal optreden. Dit betekent dat er dán een grotere verwoesting zal zijn dan ooit tevoren. Hoe het verder afloopt wordt niet meer vermeld; dit was reeds in Daniël 9 : 24 meegedeeld. Aan het einde van de 70 weken begint het koninkrijk over Juda en Jeruzalem. Dit koninkrijk zal weliswaar over alle volkeren worden opgericht, maar daarover wordt in deze profetie niet gesproken. Het gaat hier alléén over Jeruzalem en het Joodse volk.

Als de tijd van (delen van) de 70-ste week gemeten wordt, worden er verschillende uitdrukkingen gebruikt:

  1. tijd, tijden en een halve tijd. (Openbaring 12 : 14; Daniël 7 : 25; 12 : 7)
    “Tijden” is een “dualis”, hetgeen met “dubbele tijd” vertaald zou behoren te worden. Het gaat hier om “3,5 tijd”. “Tijd” geeft een periode aan. Dit wijst op één helft van de 70-ste week.
  2. 42 maanden. (Openbaring 11 : 2; 13 : 5)
    De 42 maanden komen overeen met 3,5 jaar (3,5 x 12 maanden).
  3. 1260 dagen. (Openbaring 11 : 3; 12 : 6)

Wanneer we een kleine deling maken, blijkt dat een maand in de Bijbel uit dertig dagen bestaat (1260 : 42 = 30). Een jaar bestaat uit twaalf maanden, hetgeen inhoudt dat een jaar uit 360 dagen bestaat. Dit valt ook op te maken uit Genesis 7 : 11 en Genesis 8 : 3, 4, waar blijkt dat 150 dagen gelijk is aan vijf maanden.

Bij de berekening van Bijbelse profetieën dienen we er steeds rekening mee te houden dat een jaar in de Bijbel uit 365 dagen bestaat, terwijl een jaar op onze kalender 365,2424 dagen duurt. Voor zeer nauwkeurige berekeningen is het daarom noodzakelijk om met dagen in plaats van met jaren te rekenen.

3. Profetie in Matthéüs

1 En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.
2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
3 En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld? Matthéüs 24 : 1-3

Na de zogenaamde “intocht in Jeruzalem” ging de Heer Jeruzalem binnen. Hij heeft er echter nooit meer de nacht doorgebracht. Iedere avond ging Hij terug naar de Olijfberg, in het huis van Lazarus, Maria en Martha. Op de achtste nisan kwam Hij in Bethanië en Hij overnachtte aldaar. (Johannes 12 : 1) De volgende dag, de sabbat (= 9 nisan), kwamen er zieken bij Hem en Hij genas hen. (Johannes 12 : 9) Er staat niet dat het de volgende dag was, maar dat valt op te maken uit Johannes 12 : 12, waar “des anderen daags” staat. Dat blijkt 10 nisan te zijn; de dag van de zogeheten “intocht”. Op de Olijfberg sprak Hij over de zaken die met Jeruzalem zouden gebeuren. Hij begon daarmee op de dag van de “intocht”. Het meest uitgebreide verslag van Zijn redevoeringen staat in het evangelie van Matthéüs. In hoofdstuk 24 en 25 staat de redevoering die de Heer op de Olijfberg hield en die een samenvatting van meerdere redevoeringen is. Dit blijkt uit de andere twee verslagen van deze redevoering, waarbij hele andere accenten worden gelegd. In die verslagen worden nagenoeg dezelfde woorden gebruikt, hoewel die op andere zaken van toepassing worden gebracht. Daarnaast worden ook hele andere woorden gebruikt, terwijl over dezelfde zaken gesproken wordt.

De Heer vertrok uit de tempel en uit Jeruzalem. Zijn discipelen kwamen bij Hem om Hem de gebouwen van de tempel te tonen. Dit was de vierde tempel, de tempel van Heródes. Alles wat “vier” is, is tijdelijk en gaat voorbij. “Voorwaar” is de vertaling van het Griekse woordje “amen”. Het wordt gebruikt om de nadruk op bepaalde zaken te leggen. De Heer zei dat geen steen op de (andere) steen gelaten zou worden, die niet zou worden afgebroken. De Olijfberg is feitelijk een type van de dagen waarin wij nu leven. Het is een type van het verborgen koninkrijk van de Heer. Het koninkrijk is niet geopenbaard en dus niet in Jeruzalem. Het is verbogen en dus buiten Jeruzalem. De Heer zat op de Olijfberg. Er staat niet bij dat Hij in een huis zat, maar áls Hij in een huis was, was dat het huis van Lazarus, die dood geweest was en weer opgewekt. Alleen de discipelen kwamen tot de Heer. De discipelen zijn daarmee een beeld van de Gemeente. Als alleen de discipelen met de Heer spreken is dat altijd een beeld van de Gemeente. De discipelen vroegen de Heer: “Wanneer zullen deze dingen zijn, wat zal het teken zijn van Uw toekomst en van de voleinding der wereld?” De discipelen stelden drie vragen. “Deze dingen” wijst terug naar het vorige vers. De discipelen vroegen wanneer de tempel zou worden afgebroken en naar het teken van de toekomst (Grieks: parousia = aanwezigheid) van de Heer. De verwoestingen zullen voortduren tot het einde van de 70-ste week. Aan het einde van die 70ste week zal de definitieve verwoesting plaatsvinden, waarna de Christus in heerlijkheid zal verschijnen. Op de laatste dag van de 70-ste week zal de verwoesting voltooid worden én zal de Christus verschijnen. De discipelen vroegen dus feitelijk naar het einde van de 70-ste week.

De laatste vraag was: Wat zal het teken zijn van de voleinding der wereld (Grieks: aioon = eeuw). Het gaat hier niet om de kosmos (= de wereld), maar om de aioon (= de eeuw). “Aioon” is de aanduiding voor een machthebber. De Bijbel gebruikt bijvoorbeeld de uitdrukking “Koning der aionen”. (1 Timótheüs 1 : 17) Dit betekent niet “eeuwige Koning”, maar “Koning over de aionen”. De Bijbel gebruikt ook de uitdrukking “de eeuw dezer wereld (= de aioon dezer kosmos; Éfeze 2). Er staat bij wie dat is, namelijk “de overste van de macht der lucht”. De aioon blijkt hier satan als machthebber van de kosmos te zijn. Aan het einde van de eeuw zal de satan voor een periode van duizend jaar worden gebonden. (Openbaring 20 : 1-3) N.B.: “het einde van de eeuw” is niet hetzelfde als “het einde van de 70-ste week”! Deze vragen van de discipelen zijn feitelijk slechts één vraag. De verwoesting van de tempel en de verschijning van de Heer in heerlijkheid vormen de overgang van de 70-ste week naar het geopenbaarde koninkrijk. De Heer gaat deze vragen vanaf Matthéüs 24 : 3 beantwoorden. In Matthéüs 24 : 4-14 geeft de Heer een eerste antwoord op de vragen van de discipelen. In Matthéüs 24 : 14 staat de aankondiging van de prediking van het evangelie en van het einde van de eeuw.

Matthéüs 24 : 15 tot 25 : 46 geeft een tweede, gedetailleerder antwoord op dezelfde vragen. Het laatste gedeelte van dit tweede antwoord spreekt óók over de prediking van het evangelie en het einde van de eeuw. Dat einde blijkt vanaf Matthéüs 25 : 14, waar eerst de dienstknechten ter verantwoording worden geroepen. (vanaf Matthéüs 25 : 19) Vervolgens worden alle volken door de Heer (de Koning!) ter verantwoording geroepen. (vanaf Matthéüs 25 : 32)

4 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. 5 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.
6 En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
7 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pesilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.
8 Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.
9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.
10 En dan zullen er velen geërgerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.
12 En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.
13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
14 En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen. Matthéüs 24 : 4-14

Aan het einde van Matthéüs 24 : 6 staat: “… maar nog is het einde niet”. Dit betekent dat de oorlogen die er heden ten dage zijn géén heenwijzing zijn naar het naderende einde, want de Bijbel zegt hier dat het dat niét is. De Heer kondigt aan dat het ene volk tegen het andere volk zal strijden. Er zal een onderlinge strijd tussen volkeren en koninkrijken zijn. Dit was vóór het einde van de 69 weken niet het geval. Voor die tijd waren er wereldrijken die op elkaar werden veroverd. Verder kondigt de Heer hongersnoden en aardbevingen in verscheidene plaatsen aan. (vers 7). Het woord “pestilentiën” komt in de Griekse grondtekst niet voor. Al die dingen zijn een begin der smarten. (vers 8) De discipelen vroegen naar het einde, maar de Heer begon Zijn antwoord van de vraag aan het begin. In vers 9 wordt over “verdrukking” gesproken, maar dat is niet de grote verdrukking, want die wordt pas in vers 21 genoemd. Wie volharden zal tot het einde zal zalig worden. (vers 13) Waarin dient hij te volharden? Hij dient te volharden in het geloof! De mens wordt altijd op grond van geloof gerechtvaardigd en dat geldt in dit gedeelte dus ook. Degene die volhardt tot het einde wordt niet verleid (waarvoor de Heer in vers 4 waarschuwde). Degene die niet verleid wordt blijft trouw aan hetgeen oorspronkelijk gepredikt is. Degene die volhardt tot het einde gelooft hetgeen God gesproken heeft. Hij zal vasthouden aan het profetisch Woord dat zeer vast is en schijnt als licht in een duistere plaats. (2 Petrus 1 : 19) Wie niet volhardt, laat het Woord van God los en geeft er een eigen invulling aan.

Het evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis aan alle volken en dán zal het einde komen. (vers 14) Het einde van wat? Dan zal het einde van de eeuw (uit vers 3) gekomen zijn. De discipelen vroegen namelijk naar het einde van de eeuw. Het gaat hier niét om het einde van de 70 weken. Het gaat om het einde van de eeuw. Het einde van de eeuw valt voor Jeruzalem en voor het Joodse volk aan het einde van de 70-ste week, zoals we reeds in Daniël 9 hebben gezien. In Matthéüs 24 wordt echter niet over Jeruzalem en Juda gesproken, maar over alle volken. Aangezien het koninkrijk bij Israël begint, ligt het einde van de eeuw voor de volkeren láter dan voor Israël. Voor de volkeren ligt het einde van de eeuw ná de 70-ste week. In Matthéüs 24 wordt gesproken over hetgeen ná de 69 weken zal gebeuren. De 69 weken waren op dat moment vervuld. De Heer kondigde in Matthéüs 24 en 25 de verwoesting van Jeruzalem, het einde van de eeuw en de verschijning van de Heer in heerlijkheid aan. Er zouden valse christussen opstaan. Er zouden oorlogen, hongersnoden en aardbevingen komen, maar dat zou slechts het begin der smarten zijn. De Heer sprak namelijk over de huidige bedeling. Uit deze beschrijving valt de christenvervolging uit de eerste eeuwen van onze jaartelling te herkennen. Het is allemaal het begin der smarten en niet het einde. De val van Jeruzalem in 70 A.D. geeft dus niét het einde van de 70-ste week aan. De profetieën uit Matthéüs 24 zijn daarom niet in 70 A.D. vervuld (N.B.: Lukas 21 : 20 spreekt wél over 70 A.D.). Men zal dus moeten volharden tot het einde. Men zal trouw moeten blijven aan hetgeen God gesproken heeft. Degenen die dat niet doen worden in 2 Petrus 3 : 3 “spotters” genoemd.

3 Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen,
4 En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping. 2 Petrus 3 : 3, 4

Die spotters zullen zeggen: “Waar is de belofte van Zijn toekomst (Grieks: parousia)?” Ze geloven dus niet wat God gezegd heeft. Er wordt een beloning in het vooruitzicht gesteld voor degenen die trouw blijven aan de beloften van Zijn wederkomst in heerlijkheid om op aarde Zijn koninkrijk op te richten. (2 Timótheüs 4 : 8; Openbaring 3 : 10) Wie zal volharden tot het einde van de eeuw zal zalig worden. (Matthéüs 24 : 13) De eeuw eindigt voor de Joden in Jeruzalem aan het einde van de 70-ste week van Daniël. In Matthéüs 24 gaat het veel verder, want het evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot getuigenis aan alle volken. (Matthéüs 24 : 14) Deze prediking wordt niet aan de Gemeente opgedragen, maar aan Israël.

Israël en de verkondiging van het Evangelie

God heeft Israël als Zijn persoonlijk eigendom geroepen. (Exodus 19 : 5) Israël was een priesterlijk koninkrijk. (Exodus 19 : 6) Petrus haalt dit in zijn brief aan (1 Petrus 2 : 9) en voegt eraan toe: “opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht”. De taak van de koning (en het koninkrijk) en van de priester (en het priesterdom) is: het verkondigen van het Woord van God. Het Hebreeuwse woord voor “koning” is “mèleg”. Dit woord is verwant met “mal’aag”, hetgeen “engel” of “boodschapper” betekent. De koning behoorde een boodschapper te zijn. De koning werd geacht de boodschap van God (Zijn Woord) aan het volk, waarover hij gesteld was, door te geven. De koning is een beeld van de Here Jezus, Die (als het Woord Gods) dé Boodschapper bij uitstek is. God had Israël verkoren. Hij had Zijn Woord aan Israël toebetrouwd. (Romeinen 3 : 1, 2) Israël had het Woord van God in beheer gekregen en was er verantwoordelijk voor. Ze diende dat Woord van God niet voor zichzelf te houden, maar het aan alle volken bekend te maken. Matthéüs 24 : 14 zegt dat het evangelie van het koninkrijk tot getuigenis aan alle volken zal worden gepredikt. Dit zal door Israël gebeuren, wat inhoudt dat Israël dán tot geloof gekomen zal zijn.

Israël zal pas aan het eind van de 70-ste week (van Daniël 9) tot geloof komen. Dit betekent dat deze prediking van het evangelie aan alle volken pas ná de 70-ste week plaatsvindt. (zie hoofdstuk 5) Het is in dit verband niet verwonderlijk dat de uitdrukking “het evangelie van het koninkrijk” gebruikt wordt. Na de 70-ste week gaat het namelijk om de uitbreiding van het koninkrijk van Israël naar de volkeren. Na de 70-ste week is het koninkrijk voor Israël begonnen, maar voor de overige volkeren nog niet. Na de 70-ste week zal het evangelie van het koninkrijk aan alle volkeren gepredikt worden. Dit zal leiden tot de onderwerping van alle volkeren aan Christus. Wie niet tot geloof komt zal omkomen.

De grote zendingsopdracht is aan Israël gegeven en zij zal die opdracht in de toekomst vervullen. Voor de Gemeente van de vijfde bedeling is er sprake van evangelisatie, maar dat is niet op grond van teksten uit de evangeliën. Als het evangelie van het koninkrijk aan alle volken gepredikt is zal het einde komen. Wanneer zullen al deze dingen gebeuren? In Matthéüs 24 : 3-14 worden geen data genoemd. Er wordt vanaf de dood en opstanding van de Here Jezus Christus tot het begin van “de duizend jaar” gesproken. Het is mogelijk om de zaken meer gedetailleerd te weten, want vanaf Matthéüs 24 : 15 geeft de Heer opnieuw antwoord op dezelfde vragen aan de hand van oudtestamentische profetieën.

15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!). Matthéüs 24 : 15

Hier wordt “de gruwel der verwoesting” genoemd. Sommigen vertalen dit met “de verwoestende gruwel”. De gruwel (= afgoderij) brengt verwoesting, maar die gruwel zal zelf ook verwoest worden. De profeet Daniël heeft van deze gruwel gesproken. De Heer verwijst hier rechtstreeks naar de profetieën van Daniël. Primair gaat het over Daniël 9 : 27, hetgeen in het voorgaande reeds is behandeld. In Daniël 8 : 13 en Daniël 11 : 31 wordt het eveneens genoemd. Er zal een beeld in de heilige plaats worden opgericht. “Staande op de heilige plaats” slaat niet op Daniël zelf, want hij stond niet in de heilige plaats. Hij was namelijk als jonge man naar Babel gevoerd en is daar zijn gehele leven gebleven. “Staande in de heilige plaats” slaat op de gruwel der verwoesting. In Daniël 8 : 11 wordt over “de woning Zijns heiligdoms” gesproken. In de toepassing van Daniël 8 op de dagen van Antiochus Epiphanes kan nog over “de woning Zijns heiligdoms” worden gesproken. Matthéüs 24 : 15 is niet op de dagen van Antiochus Epiphanes van toepassing, want die dagen waren toen allang voorbijgegaan. In Matthéüs 24 : 15 staat alleen “de heilige plaats”. Op die heilige plaats zal in de toekomst een gruwel worden opgericht.

16 Dat alsdan, die in Judéa zijn, vlieden op de bergen.
17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;
18 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen. Matthéüs 24 : 16-18

Als men zal zien dat dit afgodsbeeld in de heilige plaats wordt opgericht zal men moeten vluchten. “Juda” is de omschrijving voor het Joodse land, de Joodse staat. Als men zich in de tegenwoordige staat Israël bevindt zal men moeten vluchten. Welke bergen hier bedoeld zijn wordt niet gezegd, maar vanuit het Oude Testament kan men weten dat hier het gebergte van Paran bedoeld wordt. In dit gebergte ligt de rotsvesting “Petra” (of: Sela). Dit is het gebied van Edom. (Jesaja 63 : 1; Habakuk 3 : 3) Wie op het dak is, heeft geen tijd om iets uit zijn huis weg te nemen. Het gaat hier om Joodse huizen waarbij de trap buitenshuis is. Hij moet uiteraard wel van het dak afkomen, maar hij kan zijn huis niet binnengaan. Hij zal direct moeten vluchten. De tijd is zó dringend dat nadrukkelijk wordt gezegd dat men niets uit zijn huis moet meenemen. Ditzelfde geldt voor degene die op de akker is. Hij heeft geen tijd om naar huis terug te keren en zijn klederen weg te nemen. Hij zal zeer snel moeten vertrekken.

19 Maar wee de bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen!
20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat. Matthéüs 24 : 19, 20

Op een sabbat is er geen openbaar vervoer, zodat men te voet zal moeten vluchten. Zeker voor zwangere vrouwen zal dit tot grote problemen leiden; met name wanneer het winter is. Men zal met grote haast het land moeten verlaten. Zwangerschap, winter en sabbat zijn in dat geval grote handicaps.

Matthéüs 24 : 21, 22 21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. 22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.
Het gaat hier om dé grote verdrukking. Die verdrukking is zeer groot. Zo’n verdrukking is er sinds het begin van de wereld (Grieks: kosmos) nog nooit geweest en zal er ook niet meer komen. Het is de grootste verdrukking die er denkbaar is. De grote verdrukking zal “alsdan” beginnen, namelijk wanneer de gruwel der verwoesting zal worden opgericht. Dit zal in het midden van de 70-ste week gebeuren. Er wordt gezegd dat de grote verdrukking in het midden van de 70-ste week begint. Dit betekent dat die grote verdrukking 3,5 jaar duurt, namelijk tot aan het einde van de 70-ste week. Dit slaat uiteraard alleen op de Joden en op Jeruzalem, want over hen sprak de profetie van de 70 weken. In Matthéüs 24 wordt namelijk niet over 3,5 jaar gesproken. Deze 3,5 jaar komen uit Daniël 9. De grote verdrukking begint in het midden van de 70-ste week en duurt tot het einde van de 70-ste week. Die grote verdrukking duurt dus 3,5 jaar. Dit geldt voor het Joodse volk en voor Jeruzalem. Het gaat hier alléén over de Joodse staat! Het gaat zelfs niet over Joden die elders in de wereld verstrooid zijn. Verder staat er “… hoedanige niet is geweest van het begin der wereld …”. Dit betekent dat deze verdrukking niet alleen over de Joodse staat en over Jeruzalem zal komen, maar eveneens over de wereld. Dit blijkt ook uit:

1 En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelve tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. Daniël 12 : 1

Er wordt tot Daniël gesproken. Zijn volk is het Joodse volk. De grote Vorst, Die voor het Joodse volk staat is uiteraard Messias, de Vorst. (Daniël 9 : 25) Die Vorst wordt hier “Michaël” genoemd. Dit is slechts één van de vele Namen die de Here Jezus Christus heeft. “Benauwdheid” is synoniem aan “verdrukking”. Zo’n verdrukking is er niet geweest sinds er een volk is geweest. Te dier tijd zal uw volk verlost worden. De andere volkeren worden op dat moment niet verlost, maar pas op een later tijdstip. Het Joodse volk zal verlost worden. Er staat bij: “al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek”. Er zijn mensen die menen dat iedere Jood (op grond van zijn afkomst) verlost zal worden. Dit is een groot misverstand. In de eerste plaats kunnen zij die afkomst niet bewijzen. In de tweede plaats zegt de Bijbel hier dat alléén degenen die in het boek (= het boek des levens) geschreven staan verlost worden. In Romeinen 11 : 26 staat: “alzo zal geheel Israël zalig worden”. Dit betekent niet dat iedere Israëliet zalig zal worden, want uit Romeinen 11 : 23 blijkt dat alleen degenen die niet in hun ongeloof blijven zullen worden ingeënt in de goede olijfboom. Elke Israëliet die in zijn ongeloof blijft zal worden gedood.

Vanuit Openbaring blijkt dat de verdrukking ook over de overige volkeren zal komen. Vanuit Matthéüs 24 : 22 is dat ook duidelijk. Daar staat dat de dagen van de verdrukking voor de uitverkorenen zullen worden verkort. Dit betekent niet dat de dagen korter zullen zijn. Een dag zal ook dán gewoon 24 uur duren. “Verkorten” heeft hier de betekenis van “verminderen”. Het aantal dagen van de grote verdrukking zal voor de uitverkorenen minder zijn dan voor de anderen. “De uitverkorenen” is een omschrijving voor het uitverkoren volk, namelijk (de gelovigen uit) Israël. Dit betekent dat de verdrukking voor het Joodse volk verkort zal worden. Voor de overige volken zal de verdrukking niet verkort worden. Dit was feitelijk al bekend, want voor het Joodse volk duurt die verdrukking 3,5 jaar (= 1260 dagen, 42 maanden). Voor de volkeren duurt de verdrukking langer, want die verdrukking eindigt in de openbaring van het koninkrijk. Die verdrukking eindigt met het einde van de tegenwoordige boze eeuw. Voor het Joodse volk in Jeruzalem is dat einde aan het einde van de 70ste week. Voor de overige volken duurt die verdrukking aanmerkelijk langer, namelijk 33 jaar (zie hoofdstuk 5). Aan het einde van de 70-ste week is de verdrukking voor het Joodse volk ten einde. Op dat moment zal Israël tot geloof gekomen zijn. Dat gelovige Israël (144.000 officiële gezanten) zal gedurende 33 jaar het evangelie van het koninkrijk aan de overige volken prediken.

Gedurende de 33 jaar van de zesde bedeling zal het koninkrijk gepredikt en uitgebreid worden. Het koninkrijk begint bij het Joodse volk en bij Jeruzalem en wordt van daaruit tot de einden der aarde uitgebreid. Wie gedurende die 33 jaar niet tot geloof komt, hoewel hij de boodschap gehoord heeft, zal gedood worden. Aan het einde van de 33 jaar zullen er alleen gelovigen over zijn en zij zullen het koninkrijk binnen gaan. De grote verdrukking duurt in totaal 36,5 jaar. Die verdrukking begint halverwege de 70-ste week van Daniël 9. Die verdrukking duurt voor Israël tot het einde van de 70-ste week, maar voor de volkeren begint de verdrukking dan eigenlijk pas en duurt 33 jaar. Na de 70-ste week zullen de 144.000 Israëlieten (Openbaring 7 : 1-8) als de officiële gezanten van Jehovah (= de God van Israël) door de opgestane Christus worden uitgezonden. Ze zullen tot alle volkeren gaan om de God van Israël bekend te maken.

Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Matthéüs 24 : 23

De dagen van de grote verdrukking worden voor de uitverkorenen verkort tot 1260 dagen. Matthéüs 24 : 23-26 spreekt over de tijd van de grote verdrukking voor Israël. Als er tijdens die grote verdrukking iemand zal zeggen: “Ziet, hier is de Christus, of daar”, moet men dat niet geloven, omdat Christus er in de grote verdrukking niet zal zijn. In die dagen zal de Christus Zich niet aan het Joodse volk en aan Jeruzalem laten zien. Christus vertoont Zich uiteraard evenmin aan de overige volkeren. Tot aan het midden van de 70-ste week worden gelovigen opgeroepen Judéa en Jeruzalem te verlaten. In het midden van de 70-ste week is daartoe de laatste mogelijkheid en het dient dan met zeer grote spoed te gebeuren. Men dient bijtijds uit te gaan buiten de legerplaats. (Hebreeën 13 : 13)

De gelovigen die gehoor geven aan de oproep, zullen het land uitvluchten en naar Petra (= Sela) gaan. In Hebreeën 13 : 13 staat niet “Zo laat ons uitgaan buiten de legerplaats”, maar “Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats”. Toen de mensen in de dagen van Saul vluchtten gingen zij tot David. Ze vluchtten niet in de eerste plaats naar een bepaalde plek/plaats, maar naar een persoon. In de eerste helft van de 70-ste week geldt dit zeer letterlijk. Men zal Jeruzalem moeten ontvluchten en naar Petra moeten gaan, want dáár zal de Heer dán zijn. Bij de tocht van het volk Israël door de woestijn is het volk tweemaal in Paran geweest. De eerste keer was na twee jaar. Vanuit Paran werden de verspieders naar het beloofde land gestuurd. (Numeri 12 : 16 – 13 : 3) Aan het einde van de veertig jaar kwamen ze opnieuw door Paran. Wie in Jeruzalem zit moet niet geloven dat de Heer dáár is. Dáár is Hij namelijk niet. “Alsdan” is een tijdsaanduiding en wijst op de tijd van de grote verdrukking voor het Joodse volk en voor Jeruzalem. “Hier” en “daar” zijn plaatsaanduidingen en wijzen op de plaats waar de grote verdrukking is, namelijk Judéa en Jeruzalem.

Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Matthéüs 24 : 24

Men zal zeggen dat de Christus in Judéa en in Jeruzalem is. De Heer Zelf is er niet, maar er zullen wel valse christussen en valse profeten zijn. Deze valse christussen en valse profeten zullen grote tekenen en wonderen doen. Ditzelfde staat in 2 Thessalonicenzen 2 : 19 en Openbaring 13 : 13. Wanneer men zal zeggen “Ziet, hier is de Christus” weten de gelovigen meteen dat die persoon de Christus niét is.

Ziet, Ik heb het u voorzegd! Matthéüs 24 : 25

De Heer heeft het vooraf gezegd opdat de gelovigen het zouden weten en het uiteraard zouden geloven. Zij dienen in dat geloof te volharden.

Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet. Matthéüs 24 : 26

Wanneer men zal zeggen: “Ziet, Hij is in de woestijn”, zal men niet uit moeten gaan. Wanneer men zal zeggen: “Ziet, Hij is in de binnenkameren”, zal men dat niet moeten geloven. In vers 23 stond ook “gelooft het niet”. In vers 26 staat eenmaal “gelooft het niet” en eenmaal “gaat niet uit”. Als men zal zeggen dat de Christus in de woestijn is moet men niet uitgaan. Er staat niét dat gelovigen dat niet moeten geloven! Vanuit het Woord kunnen de gelovigen weten dat Hij in de woestijn ís, maar zij kunnen niet tot Hem uitgaan. Zij kunnen Hem in de tweede helft van de 70ste week, tijdens de grote verdrukking, niet bereiken omdat de grenzen van het land in het midden van de week zijn dichtgegaan. Gedurende de eerste helft van de 70-ste week heeft men de gelegenheid gehad om het land te verlaten. In het midden van de week, bij de oprichting van de gruwel der verwoesting, was de laatste mogelijkheid het land met grote haast te verlaten. Wie er toén geen gehoor aan heeft gegeven kan het land niet meer uit. Gedurende de tweede helft van de 70-ste week zal men niet uit kunnen gaan. De Christus is dán inderdaad in de woestijn, maar men zal niet tot Hem uit kunnen gaan. De Heer zal niet in de binnenkameren zijn en men moet dat dus niet geloven.

Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen. Matthéüs 24 : 27

De toekomst (Grieks: parousia) van de Heer wordt hier met de bliksem vergeleken. De bliksem is razendsnel.

Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. Matthéüs 24 : 28

Het dode lichaam werd reeds in Deuteronomium 28 : 26 genoemd: “En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.” Het gaat over een ongelovig Israël. Dit dode lichaam wordt ook genoemd in Ezechiël 37 : 1, 2, 11:

1 De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.

2 En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.

11 Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Ezechiël 37 : 1, 2, 11

De Heer vroeg aan Ezechiël of de beenderen levend zouden worden. Er wordt dan verteld op welke wijze ze levend zullen worden. Aanvankelijk zouden ze echter een dood lichaam vormen zónder levend te worden. Dit is een beeld van het herstel van de Joodse staat, maar in ongeloof. Er is geen Geest in. (Ezechiël 37 : 8) Daarover komt het oordeel van de Heer.

En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. Matthéüs 24 : 29

Vanaf Matthéüs 24 : 29 vinden we een beschrijving van hetgeen ná de 70-ste week komt. Dit vers begint met “terstond (= onmiddellijk, direct) na de verdrukking van die dagen”. Er staat nadrukkelijk “de verdrukking van dié dagen”. Dit wijst op de dagen die in Matthéüs 24 : 22 werden genoemd. Het gaat over de verkorte dagen, namelijk de 1260 dagen van de tweede helft van de 70-ste week. Matthéüs 24 : 29 spreekt dus over het einde van de 70-ste week en hetgeen daarna zal volgen. Het gaat hier niet over de totale tijd van de verdrukking, want die duurt 33 jaar langer. In Matthéüs 24 : 29 zijn we aan het einde gekomen van de totale periode van 70 weken uit Daniël 9. Vanuit Daniël 9 is bekend wat er aan het einde van de 70 weken zal gebeuren. Op dat moment zal de Here Jezus Christus in heerlijkheid aan Israël verschijnen. Er wordt een opsomming gegeven van allerlei natuurverschijnselen die dán zullen plaatsvinden. Zonder er op in te gaan verwijst dit vers naar teksten uit het Oude Testament, waar deze natuurverschijnselen ook worden vermeld. Voor het verband had er kunnen staan: “En terstond na de verdrukking van die dagen zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen”. De zon zal verduisterd worden, de maan zal haar schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen. Dit betekent in de praktijk dat de zon, maan en sterren geen licht zullen geven. Als de zon én de maan op één en dezelfde dag verduisterd worden, is dat geen astronomisch verschijnsel, omdat een normale zons- of maansverduistering minimaal veertien dagen van elkaar gescheiden zijn. Een zonsverduistering kan namelijk alléén bij nieuwe maan plaatsvinden, terwijl een maansverduistering alléén bij volle maan kan plaatsvinden. Aan het einde van de 70-ste week zullen de zon en de maan op één en dezelfde dag verduisterd worden. Dit houdt in dat het om atmosferische verschijnselen gaat. Het kan zijn dat er dan normale wolken zijn, maar er kunnen ook wolken zijn die uit stof en vuil bestaan. Zulke wolken zullen niet ontstaan vanwege een onzorgvuldig omgaan met het milieu, maar doordat de krachten der hemelen bewogen zullen worden. (Matthéüs 24 : 29) Dit is hetzelfde als “de krachten der aarde zullen bewogen worden”. (vergelijk Joël 2 : 10; Jeremia 10 : 10) De lucht zal zodanig bedekt zijn dat de zon, maan en sterren geen licht zullen geven. Aanvankelijk zal er een volkomen duisternis zijn. Daarna zal er echter Licht aan de hemel verschijnen om Jeruzalem (primair: de Olijfberg) te verlichten. Israël zal op dat moment in duisternis wandelen, maar zij zal een groot Licht zien. (Jesaja 9 : 1) Dit Licht is de Zon der gerechtigheid, (Maléachi 4 : 2) de Morgenster. (Openbaring 22 : 16) De Heer zal Zelf aan de hemel verschijnen en Zijn licht geven. Hij is de Ster Die uit Jakob zal voortkomen. (Numeri 24 : 17) De Heer wordt Licht genoemd. (Jesaja 60 : 1) Dit wordt allemaal aan het einde van de 70-ste week letterlijk vervuld.

De verduistering van zon, maan en sterren vindt aan het einde van de 70ste week plaats. Dit gebeurt letterlijk, maar deze letterlijke verschijnselen zijn uitbeeldingen van onzienlijke dingen. Zon, maan en sterren zijn een beeld van het volk Israël. (vergelijk Genesis 37 : 9,10; Openbaring 12 : 4, 5) Israël is geroepen tot een koninklijk priesterdom. Een koninkrijk heeft met heerschappij te maken. De zon is tot heerschappij over de dag en de maan is tot heerschappij over de nacht gesteld. (Genesis 1 : 16; Psalm 136 : 9) Priesterschap wijst op het verkondigen van het Woord Gods. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen. (Psalm 19 : 2) De lichten in het uitspansel zijn tot tekenen en tot gezette tijden. (Genesis 1 : 14) Zij zijn een beeld van het volk Israël, door wie tekenen (van toekomende dingen) en gezette tijden bekendgemaakt zullen worden. Als er staat dat de sterren van de hemel zullen vallen, zal dat letterlijk gebeuren. Het is tevens een beeld van de vernietiging van het oude, natuurlijke Israël. (Openbaring 6 : 13) Het einde van de 70ste week is namelijk tevens het moment waarop het oude, in ongeloof gebouwde Jeruzalem vernietigd zal worden. Het einde van de 70-ste week is tevens het moment van de ondergang van het natuurlijke Israël en van de (tegenwoordige) Joodse staat.

En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zij zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid. Matthéüs 24 : 30

Aan het einde van de 70-ste week zal het volkomen duister zijn geworden en zal Israël volledig van de kaart zijn geveegd. Op dát moment verschijnt echter het Licht, de Messias, Die Israël zal doen wedergeboren worden tot een levende hoop. (1 Petrus 1 : 4) Zon, maan en sterren verdwijnen, maar het teken van de Zoon des mensen verschijnt. Uit de rest van dit vers blijkt dat de Zoon des mensen Zelf verschijnt. Vóór de Heer Zelf gezien wordt zal men eerst het teken van de Zoon des mensen aan de hemel zien. Zon, maan en sterren zijn tot tekenen, maar wanneer dé tekenen verdwijnen verschijnt er een ánder teken, namelijk het teken van de Zoon des mensen. Het gebeurt lettelijk, maar het is tevens symbolisch. Aan het einde van de 70-ste week zal het een normale dag zijn, maar ineens zullen de krachten van de hemel bewogen worden. Dit houdt in ieder geval in dat er aardbevingen zullen komen, waardoor grote (stof)wolken zullen ontstaan. De hemel zal verduisterd worden waardoor zon, maan en sterren verdwijnen. Aan de hemel verschijnt vervolgens één andere ster (in plaats van zon, maan en sterren). Hoewel de Bijbel er niets over vermeld kán het mijns inziens alleen de davidster zijn! Men denkt vaak dat het teken van de Zoon des mensen een kruis is. Constantijn de Grote meende dat ook en verkondigde zelfs dat hij zo’n kruis gezien had. Het kruis is echter geen teken van de Zoon des mensen, maar van de dood. Het kruis is feitelijk een vier. “Vier” staat voor alles, wat voorbijgaat). Het kruis is een teken van de dood. Het is een vloek. (Galaten 3 : 13) De Zoon des mensen is niet Degene Die dood is. Hij is de Erfgenaam van Adam (letterlijk vertaald vanuit het Hebreeuws). Adam zou over de aarde moeten heersen en de aarde moeten onderwerpen.

De Zoon van Adam, de Zoon des mensen, zal de gehele aarde aan Zich onderwerpen. Deze Zoon des mensen verschijnt aan het einde van de 70ste week. Zijn teken zal dán aan de hemel verschijnen. De tweede, laatste Adam is uit de hemel (1 Korinthe 15 : 47; “de Here” komt in de grondtekst niet voor). De eerste mens is uit de aarde (Hebreeuws: “adamah” = aardbodem) en is dus aards (letterlijk: stoffelijk). De tweede mens is uit de hemel. Dat is de Heer. Aan de hemel zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen. Hij is de Erfgenaam van Adam. Eén van de belangrijkste erfgenamen van Adam was David. Het teken van David was de davidster. Dit teken kwam later bij Sálomo terecht (“het zegel van Sálomo”). De davidster is een zespuntige ster. Het is een ster omdat het aangeeft dat Hij uit de hemel komt. De ster is zespuntig omdat “zes” het getal van de mens is. De davidster wijst op de Zoon des mensen Die uit de hemel komt. Hij is niet alleen Zoon des mensen, maar ook Zoon van God.

Als het teken van de Zoon des mensen in de hemel verschijnt zullen de geslachten van het land wenen. Vervolgens zullen ze de Zoon des mensen Zelf zien. Eerst verschijnt het teken, waarna de Heer Zelf met grote kracht en heerlijkheid verschijnt. Ze zullen Hem letterlijk zien komen. Het kan zijn dat ze Hem aanvankelijk in de gedaante zien zoals Hij naar de hemel is gegaan. (Handelingen 1 : 9) Het is heel goed mogelijk dat Hij pas later (wellicht pas aan het einde van de 33 jaar) met grote kracht en heerlijkheid verschijnt. Het kan ook zijn dat de Heer Zich aan het einde van de 70-ste week met grote kracht en heerlijkheid vertoont, maar daarna zal die grote kracht en heerlijkheid voorlopig niet meer gezien worden. Deze gedachte is gebaseerd op het feit dat dit Schriftgedeelte niet slechts een beschrijving van één bepaalde gebeurtenis is. Het is een beschrijving van het gehele proces van gebeurtenissen in samenhang met de wederkomst van Christus. Dit kan op de periode van 33 jaar slaan, maar zelfs ook op de periode van 1033 jaar (inclusief de duizend jaar, waarin de satan gebonden zal zijn; Openbaring 20 : 1-3).

De uitdrukking “de geslachten van het land” wijst op de stammen van Israël. Het gaat in Matthéüs 24 : 30 niet om een wereldomvattende gebeurtenis. Deze gebeurtenis heeft slechts betrekking op het Joodse volk en op Jeruzalem, want het gaat hier om het einde van de 70-ste week. Het is een interne aangelegenheid, zoals bijvoorbeeld door Jozef werd geïllustreerd. Vóór hij zich aan zijn broers bekendmaakte stuurde hij eerst alle Egyptenaren de deur uit. Toen zij alleen waren maakte hij zich pas bekend. Ze zullen Hem zien komende op de wolken des hemels. Er staat niet dat ze Hem zullen zien nadat Hij gekomen is. Ze zullen Hem zien terwijl Hij komt. Ze zien Hem dus neerdalen. Op welke plaats Hij zal neerkomen is bekend. De Heer heeft het namelijk meegedeeld.

9 En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. 10 En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; 11 Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren. Handelingen 1 : 9-11

De hemelvaart vond op de Olijfberg plaats. Dit was een demonstratieve hemelvaart, want de Heer was allang naar de hemel gevaren en had daar allang Zijn positie ontvangen. (Johannes 20 : 17, 27) Dat was op de dag van Zijn opstanding. Toen heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem aan Zijn rechterhand gezet. In Handelingen 1 : 9 staat er nadrukkelijk bij: “daar zij het zagen”. Op de dag van de opstanding is Hij naar de hemel gegaan, maar daar heeft niemand iets van gezien. De engelen kondigden hier aan dat de Here Jezus op dezelfde wijze zal terugkeren als Hij naar de hemel is gegaan. Dit betekent dat ze Hem zullen zien terugkomen. De Heer zal op de wolken des hemels komen zoals Hij ook naar de hemel is gegaan. Het zal ook op dezelfde plaats gebeuren, namelijk op de Olijfberg. (Zacharía 14 : 4) Matthéüs 24 : 30 verwijst naar profetieën uit Zacharía. De enige manier om Matthéüs 24 : 30 te verklaren is door dit vers met de profetieën uit Zacharía te vergelijken.

Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. Zacharía 12 : 10

Dit heeft betrekking op de verschijning van de Heer aan Israël. Die vindt aan het einde van de 70-ste week plaats. Op dat moment komt Israël tot geloof en roept de Naam des Heren aan. De Heer zal dan daadwerkelijk verschijnen. Wie in geloof de Here aanroept ontvangt de Geest. (in Zacharía 13 : 1 “Fontein” genoemd; Johannes 4:14 7 : 38, 39) De Heer zegt hier dat ze Hem zullen zien Die zij doorstoken hebben. Dit betekent niet alleen dát ze Hem zullen zien, maar het zal aan Hem te zien zijn dat Hij doorstoken was. Ze zullen de littekens van Zijn wonden zien.

En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers. Zacharía 13 : 6

Dit vers beschrijft de ontmoeting tussen de Joden en de Heer. Ze zien Zijn littekens en vragen Hem hoe Hij daaraan komt. De Heer antwoordt: “Het zijn de wonden waarmede Ik geslagen ben in het huis Mijner liefhebbers”. De liefhebber van God is in ieder geval Abraham. (2 Kronieken 20 : 7; Jesaja 41 : 8) Het zaad van Abraham is Israël. Het gaat hier over het huis Israëls. De Joden zullen de Heer herkennen aan de littekens in Zijn handen. Er is dan blijkbaar geen verheerlijkte gedaante, want zo’n gedaante zou veel eerder opvallen dan de littekens in Zijn handen en voeten. Op het moment dat Hij op de Olijfberg verschijnt zal Hij waarschijnlijk wel een verheerlijkte gedaante hebben, omdat Hij dán in Zijn koninkrijk komt. Als Hij daarna tot de Joden uit Jeruzalem nadert is er geen verheerlijkte gedaante meer. Op dat moment zullen zij Jezus van Nazareth zien. Ze hebben Hem verworpen en gedood, maar Hij blijkt de beloofde Messias te zijn. Zijn kenmerken zijn op dat moment de littekens in Zijn handen; niet Zijn verheerlijkte gedaante. Zijn verheerlijkte gedaante komt feitelijk pas later, aan het einde van de 33 jaar. (vergelijk Matthéüs 25 : 31) Zij zullen over Hem rouwklagen als de rouwklage over een enige Zoon. Zij zullen rouwklagen omdat Hij de enige Zoon is. Zij zien Wie zij doorstoken hebben, wat inhoudt dat zij weten dat Hij gestorven is. Op dat moment zullen zij begrijpen dat Jezus van Nazareth destijds stierf. “Enig” betekent “uniek”. Hij is uniek, want Hij is de enige Erfgenaam van Adam, Abraham, David, van geheel Israël en zelfs van God. Ze zullen alsnog (na exact 2000 jaar!) rouw over Hem bedrijven. Er staat dat ze “Mij” zullen zien en over “Hem” zullen rouwklagen. Voor ons lijkt dat inconsequent, maar in de Bijbel komt dit verschijnsel heel vaak voor; vooral wanneer het over de Heer Zelf gaat. Sommigen zeggen dat voor “Mij” Jezus ingevuld moet worden en voor “Hem” Christus. Dit is onjuist. Anderen hebben geprobeerd om dit verschijnsel weg te redeneren. Sommige vertalers hebben “Mij” vertaald met “Hem”. In het Hebreeuws staat “Mij”! Uit deze tekst blijkt dat Degene Die zij doorstoken hebben niet Jezus is, maar Jehovah! Daarom heeft men het weg willen redeneren.

Zacharía 12 : 1 1 De last van het woord des HEEREN (= van Jehovah) over Israël. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.

Die HEERE – Jehovah – ligt in Zacharía 12 : 10 even de sluier op en zegt: “Ze zullen Mij aanschouwen Die zij doorstoken hebben”. Jezus van Nazareth is niemand anders dan Jehovah, de God, Die op de Sinaï aan Israël verscheen. Hij is Dezelfde Die in de toekomst op Sion zal verschijnen. Het is één Persoon: Jehovah Jezus Christus! Dit wordt meestal weggeredeneerd omdat men niet wil geloven dat Jehovah Degene is Die aan het kruis gedood werd. Jezus is Jehovah Die in het vlees verschenen is. (vergelijk Johannes : 1) Men zal over Hem rouwklagen omdat Hij de enige Zoon is en gestorven is. Hij is de Unieke, de Onvergelijkbare (vergelijk Jesaja 40 : 18, 25) en daarmee is Hij de Geliefde. (Markus 1 : 11; 9 : 7; Kolossenzen 1 : 13) Hij is ook de Eerstgeborene/Erfgenaam uit het huis van David.

Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrímmon, in het dal van Megíddon. Zacharía 12 : 11

De rouwklage in Jeruzalem zal groot zijn. Er zal niet alleen rouwklage zijn om de Eerstgeborene, de Messias, Die men verworpen en gedood heeft. Er zal ook rouwklage zijn omdat Jeruzalem aan het einde van de 70-ste week verwoest zal worden. (Zacharía 14 : 2) Bovendien gaat het om een overblijfsel van Israël. De meerderheid van degenen die in het midden van de 70-ste week in het land zijn gebleven zullen zijn gedood.

En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; Zacharía 12 : 12

“Het land zal rouwklagen” betekent dat de inwoners van dat land zullen rouwklagen. Het gaat hier uiteraard om het land Israël. In Matthéüs 24 : 30 staat dat alle geslachten van de aarde zullen wenen. “Aarde” wijst niet op een planeet, want de planeet “Aarde” bestaat in de Bijbel niet. Een planeet is een hemellichaam en de aarde is geen hemellichaam. “Aarde” slaat op het land, de aardbodem. Het gaat in Matthéüs 24 : 30 niet om al het droge land, maar om het land Israël. Dit blijkt uit Zacharía 12 : 12. Het Griekse woord kan zowel met “aardbodem” als met “land” vertaald worden. In Zacharía 12 : 12-14 worden bepaalde geslachten apart genoemd. Ten eerste wordt het geslacht van het huis van David genoemd, want Christus is de grote Erfgenaam uit het huis van David. Ten tweede wordt het geslacht van het huis van Nathan genoemd, want de Heer stamt niet van Sálomo af. Vanuit Matthéüs 1 meent men dat de Heer van Jechonia (= Jojachin, Chonia) afstamt. Van hem wordt echter gezegd dat hij geen kinderen had. (Jeremia 22 : 24, 30) Hiermee stierf de lijn van David via Sálomo uit. Na de Babylonische ballingschap wordt Saláthiël genoemd. Hij was een afstammeling van Nathan. (2 Samuël 5 : 14; Haggaï 1 : 1, 14) De Here Jezus stamt van David en Nathan af. Tot aan de ballingschap hebben nakomelingen van Sálomo op de troon gezeten. Na de ballingschap heeft er niemand meer op de troon gezeten, maar de erfgenamen die er waren stamden niet van Sálomo af, maar van Nathan. Van de lijn van Nathan heeft nog nooit iemand op de troon gezeten. Er zal slechts één Nakomeling van Nathan op de troon zitten, namelijk de Here Jezus Christus. N.B.: “gewinnen” (Matthéüs 1) betekent “een erfgenaam krijgen”. Voor verdere uitleg zie de brochure “De dynastie van Adam”.

13 Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simeï bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
14 Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder. Zacharía 12 : 13, 14

De geslachten van het huis van Levi en het huis van Simeï worden genoemd. Levi staat voor het priesterschap. Als Christus, de Hogepriester van het nieuwe verbond, verschijnt, is het priesterschap van het oude verbond geëindigd. Christus is de Erfgenaam van Levi, omdat Hij het priesterschap erft. In Maleachi 2 : 4, 8 wordt de Heer zelfs “Levi” genoemd. Wat hier van Levi wordt gezegd kán niet op de oudtestamentische Levi van toepassing worden gebracht. Simeï is een zeer omstreden persoon, die we hier nu niet bespreken. Al de overige geslachten zullen eveneens rouwklagen, omdat het Joodse volk uiteindelijk één grote familie is.

Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! Zacharía 14 : 1

“De dag den HEERE” betekent “de dag voor/van de Heer”. Het is een andere omschrijving voor “de dag des Heren”. Wat men eerst geroofd heeft, zal teruggeroofd worden. Er komt vergelding voor de misdaden. “O Jeruzalem” staat cursief. Dit betekent dat het in de grondtekst niet voorkomt. Uit vers 2 blijkt echter dat het wel om Jeruzalem gaat.

Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar (= en) het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. Zacharía 14 : 2

De Heer Zelf zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen. Het gehele heidense wereldrijk zal tegen Jeruzalem ten strijde trekken. De stad zál ingenomen worden, de huizen zúllen geplunderd worden en de vrouwen zúllen geschonden worden. De Heer zal de heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen en dat zál tot de verwoesting van Jeruzalem leiden. Uit de rest van dit hoofdstuk blijkt dat deze gebeurtenis nog niet heeft plaatsgevonden. Sinds de dagen van Zacharía is Jeruzalem weliswaar verwoest geworden (in 70 A.D.), maar daar gaat deze profetie niet over. De helft (= een deel) van de stad zal uitgaan in de gevangenis. Dit gaat uiteraard over de inwoners van de stad. Het gaat hier om twee delen van de stad. Het eerste deel zal uitgaan in de gevangenis en het andere deel (het overblijfsel) zal uit de stad niet uitgeroeid worden. Het eerste deel wordt wél uitgeroeid. De gevangenis is hier dus een omschrijving voor de dood (het dodenrijk). Het overige des volks (= het overblijfsel) is altijd gelovig. Het gaat hier om het overblijfsel uit Jeruzalem. Dit overblijfsel zal niet uitgeroeid worden, maar zal gered worden. Als Jeruzalem totaal verwoest wordt en een deel van de stad gedood wordt, waar blijft dan het overblijfsel? De stad is immers verwoest en ze kunnen de stad niet verlaten, omdat de heidenen zich om Jeruzalem hebben verzameld! Wat er met dat overblijfsel gebeurt blijkt uit het vervolg van deze profetie.

3 En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.
4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. Zacharía 14 : 3, 4

De Heer zal uittrekken uit de hemel en op de Olijfberg verschijnen. (vers 4) Israël zal aan het einde van de 70-ste week verlost worden. Zacharía 14 : 3 spreekt over het einde van de 70-ste week. Dan zal de Heer uit de hemel komen om tégen de heidenen te strijden. In Zacharía 14 : 2 staat dat de Heer de heidenen tegen Israël zal verzamelen. Hier staat dat Hij aan de kant van het overblijfsel zal strijden tégen de heidenen. Vanwaar die ommekeer? Omdat Israël in de tussentijd tot geloof is gekomen! Vanuit Daniël 9 weten we dat Israël aan het einde van de 70-ste week tot geloof zal komen. In de 70-ste week worden de heidenen ten strijde verzameld tegen Israël; met name in de tweede helft van de 70-ste week, tijdens de grote verdrukking. Dit alles zal leiden tot de val en verwoesting van Jeruzalem. In Jeruzalem zal echter een gelovig overblijfsel zijn dat de Naam des Heren zal aanroepen. Wie de Naam des Heren aanroept, zal behouden worden. (o.a. Joël 2 : 32; Romeinen 10 : 13) Ze zullen de Naam Jehovah aanroepen en Hij zál verschijnen. Op dat moment zal Israël niet langer “Lo Ammi” (= niet Mijn volk) zijn, maar “ammi” (= Mijn volk; Hoséa 1 : 9, 10, 12; 2 : 22) Als het Gods volk is zal God voor dat volk zorgen. Toen Israël het volk van God was streed de Heer aan de kant van Israël. In de toekomst, wanneer Israël opnieuw het volk van God zal zijn, zal Hij opnieuw de kant van het volk Israël kiezen en voor haar strijden.

De voeten van de Heer zullen op de Olijfberg staan. Waarom worden speciaal Zijn voeten genoemd? Er had toch ook kunnen staan dat Hij te dien dage op de Olijfberg zal staan? Hiervoor gaan we naar Jesaja 40.

1 Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. 2 Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden. 9 O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God! Jesaja 40 : 1, 2, 9

“Mijn volk” is de vertaling van het Hebreeuwse “ammi”. God wordt hier “ulieder God” genoemd, want Hij zal dán de God van Israël zijn. De strijd van Jeruzalem is aan het einde van de 70-ste week vervuld. Op dat moment is haar ongerechtigheid verzoend. (Daniël 9 : 2) In Jesaja 40 : 3 staat dat er iemand zou komen om tot Israël te roepen. Hij zal roepen: “het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid”. (Jesaja 40 : 8) De Trooster Die hier aan Israël verschijnt is de Heer Zelf, Die de goede boodschap (Jesaja 40 : 9; in het Grieks: het evangelie) aan Israël verkondigt. Wanneer er over “voeten” gesproken wordt, dan zijn dat de voeten die geschoeid zijn met de bereidheid van het evangelie des vredes. (Éfeze 6 : 15) Het zijn uiteindelijk de voeten van de Here Jezus Christus. In Jesaja 40 wordt over een prediking aan Israël gesproken die aan het einde van de 70-ste week tot de bekering van Israël en de vervulling van al haar strijd leidt. Paulus zegt over het prediken in Romeinen 10 : 11-15:

11 Want de Schrift zegt: Een ieder, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
12 Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.
13 Want een ieder, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?
15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen! Romeinen 10 : 11-15

Een ieder (er is geen onderscheid!) die gelooft zal niet beschaamd worden. De Heer is Heer over allen en Hij is rijk over allen die Hem aanroepen. Een ieder die de Naam van de Heer zal aanroepen, zal zalig worden. Dit betekent dat Israël aan het einde van de 70-ste week de Heer zal aanroepen en Hij zál komen, want Hij is rijk over allen die Hem aanroepen. Hoe zullen ze Hem aanroepen in Wie ze niet geloofd hebben? Wie de Naam van de Heer aanroept zónder in Hem te geloven staat te vloeken. Ze kunnen alleen geloven wanneer ze van Hem gehoord hebben. Dit houdt in dat aan hen het evangelie moet worden gepredikt en dat het wel degelijk de bedoeling is dat het evangelie aan de Joden wordt gepredikt, hoewel dit door velen ontkend wordt! Het gebed van Paulus in Romeinen 10 : 1 houdt in dat hij God vraagt om predikers naar Israël te zenden, opdat aan hen het evangelie zou worden gepredikt. Een zondaar kan namelijk alleen met God verzoend worden door hem het evangelie te brengen, hetgeen hij vervolgens kan aannemen of afwijzen. Paulus bad speciaal voor het Joodse volk, hetgeen blijkt uit Romeinen 11 : 13, 14:

13 Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk; 14 Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht. Romeinen 11 : 13, 14

Paulus was weliswaar de apostel der heidenen, maar hij maakte zich grote zorgen over het Joodse volk (= mijn vlees). Zijn gebed was of hij zelf naar Israël gezonden mocht worden om het evangelie te brengen. “Dergenen” (Romeinen 10 : 15) is meervoud. Er zijn er meerderen die het goede (het evangelie des vredes) verkondigen. De goede boodschap is een boodschap van vrede en niet van strijd. Hier worden de voeten genoemd omdat de voeten ervoor zorgen dat de boodschap op de plaats gebracht wordt waar die moet zijn. Het is een citaat uit Jesaja 5 : 7:

Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning. Jesaja 5 : 7

“Desgenen” is “van degene” (enkelvoud!). Ook nu blijkt dat “de goede boodschap” een boodschap van vrede is. De goede boodschap is “het goede”, ofwel “het heil”. Die boodschap luidt tevens: “Uw God is Koning”. Voor Israël geldt dat God vanaf het einde van de 70-ste week Koning is.

In Zacharía 14 : 4 worden de voeten van de Here Jezus Christus nadrukkelijk genoemd. Het zijn de voeten van Degene Die de goede boodschap van vrede en heil aan Israël doet horen. Hij roept Israël toe dat haar strijd vervuld is. (Jesaja 40 : 2) Het betekent ook dat de stem van de roepende in de woestijn primair de stem van de Heer Zelf is. Hij is Degene Die riep, maar Hij was in de woestijn en niemand wilde horen. De voeten van Degene Die het goede boodschapt zijn liefelijk. Ze waren in het huis van Lazarus gezalfd; in het huis in Bethanië, op de Olijfberg. (Johannes 12 : 1-3) In de toekomst zullen diezelfde voeten op de Olijfberg staan. Die voeten verspreiden een liefelijke reuk die het gehele huis vervult. De Heer roept Israël toe: “Troost, troost, Mijn volk”. (Jesaja 40 : 1) Hij spreekt tot het hart van Jeruzalem. Te dien dage zullen Zijn voeten op de Olijfberg staan. “Te dien dage” wijst op de dag des Heren. Volgens Daniël 9 is dat aan het einde van de 70-ste week. Johannes zag Hem als het Lam, staande als geslacht, (Openbaring 5 : 6) met de littekens van de slachting aan Zijn lichaam. De Olijfberg ligt vóór Jeruzalem, tegen het oosten. Hij verschijnt niet in Jeruzalem, maar buiten Jeruzalem. Bij de zogenaamde “intocht in Jeruzalem” naderde de Heer Jeruzalem, maar Hij bracht er de nacht niet meer door. Zijn positie is nu, maar ook dán, buiten Jeruzalem. De Heer verbleef op de Olijfberg, in het huis van Lazarus. Van daaruit wordt het evangelie gepredikt. In dat huis waren twee vrouwen. De ene was hard aan het werk en de ander zat aan de voeten van de Heer en luisterde. (Lukas 10 : 38-42) Maria luisterde en zalfde de voeten van de Heer. Ze hadden een meningsverschil over wie het goede deel gekozen had. Wij zouden misschien zeggen dat beide dingen nodig zijn. De Heer zei echter dat slechts één ding nodig is. Hij citeerde daarbij Psalm 27 : 4:

Eén ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Psalm 27 : 4

De Heer verwees naar dit vers en daarmee zei Hij dat het huis waarin Hij Zich toen bevond (het huis van Lazarus) een uitbeelding was van de hemel zelf en van de tempel en daarmee zelfs van de Gemeente. Er is slechts één doelstelling voor elke gelovige: rusten in het volbrachte werk van Christus, aan Zij voeten zitten en naar Zijn Woord luisteren. Zijn voeten zullen op de Olijfberg staan die vóór Jeruzalem ligt, tegen het oosten. De heerlijkheid des Heren werd het laatst op de Olijfberg gezien. (Ezechiël 11 : 23) Die heerlijkheid des Heren was een beeld van de opgestane, verheerlijkte en verhoogde Christus. Die heerlijkheid verdween uit Jeruzalem en rustte op de berg die vóór Jeruzalem ligt. Dat is de Olijfberg wordt in Zacharía 14 : 4 uitgelegd. Als de Heer komt gebeurt dat op de Olijfberg. Pas later zal Hij in Jeruzalem komen. De Olijfberg is een beeld van het verborgen koninkrijk en van de verborgen heerlijkheid van Christus. Jeruzalem is een beeld van het geopenbaarde koninkrijk en van de geopenbaarde heerlijkheid van Christus. De Olijfberg zal in tweeën gespleten worden. De ene helft zal naar het noorden wijken en de andere helft naar het zuiden. Daardoor ontstaat een dal van west naar oost.

5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE! Zacharía 14 : 5

Door dit dal (deze vallei) zal het gelovig overblijfsel, dat de Naam des Heren heeft aangeroepen, kunnen vluchten. Het gelovig overblijfsel vlucht naar het oosten en komt dan bij de Jordaan. Men zal de Jordaan op de bekende plaats oversteken waar men altijd de Jordaan overstak. Het is de plaats waar de wateren van de Jordaan weken; tegenover Gilgal. De eerste keer gebeurde dit toen het volk onder aanvoering van Jozua het land binnenging. (Jozua 3) Later gebeurde het bij Elia en Elisa, die het land verlieten. (2 Koningen 2 : 7, 8) Korte tijd daarna kwam Elisa alleen terug met de mantel van Elia. Opnieuw weken de wateren van de Jordaan. (2 Koningen 2 : 14) Op diezelfde plaats bleef eens een bijl drijven. (2 Koningen 6 : 2, 6) Op diezelfde plaats werden stenen opgericht (Jozua 4 : 20) en op die plaats werd het gehele volk besneden. (Jozua 5 : 2-9) Al deze gebeurtenissen zijn in hoge mate profetisch. Ze hebben betrekking op de wederkomst van Christus.

Het overblijfsel van Israël zal op diezelfde plaats de Jordaan overtrekken. Ze zal naar het zuiden afbuigen en de route volgen waarlangs Israël onder Jozua het land was binnengekomen. Ze komt dan in het gebied van Edom, waar de stad Petra ligt. Vanuit die plaats zal ze (minimaal één maand later) via dezelfde weg het land weer binnengaan. Zoals Elia en Elisa het land verlieten, zo zal het gelovig overblijfsel het land verlaten. Zoals Elia het land inkwam, zo zal het gelovig overblijfsel het land binnenkomen. Zoals Elia bij die gelegenheid door Elisa werd opgevolgd, zo zal Jezus door de Christus worden opgevolgd. Elisa had het dubbele deel van de geest van Elia. Dit geldt ook voor Christus, want Hij verschijnt als de Eerstgeborene Die altijd een dubbel deel krijgt. Het dal dat ontstaat zal reiken tot Azal (= “hetgeen overblijft”, “hetgeen afgezonderd is”). Op een goede atlas zult u dit dal niet vinden, want niemand weet waar Azal ligt. “Azal” is een uitgebreide vorm van het woord “azazel”, de weggaande bok. (Leviticus 16 : 8, 10, 26) Deze bok werd op de grote verzoendag de legerplaats uitgestuurd; de woestijn in. Op grote verzoendag was het offer van de twee bokken het belangrijkste offer. De ene bok werd gedood. Zijn bloed (= leven) werd in het binnenste heiligdom gesprengd; voor en op de troon der genade (= het verzoendeksel). De andere bok werd de woestijn ingestuurd. Als men met God verzoend wordt dient men de legerplaats te verlaten. In de toekomst, als men bij de wederkomst van de Heer tot geloof komt, zal men alsnog de legerplaats, Jeruzalem, moeten verlaten. Men zal tot Hem moeten uitgaan, buiten de legerplaats. (Hebreeën 13 : 13) Vervolgens zal men door Hemzelf opnieuw in een nieuwe legerplaats gebracht worden. Er wordt verder verwezen naar de aardbeving in de dagen van Uzzía. Dit geeft aan dat er bij de wederkomst van Christus eveneens een aardbeving zal zijn. Als de Olijfberg scheurt is dat uiteraard een aardbeving.

6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijke licht, en de dikke duisternis. 7 Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. Zacharía 14 : 6, 7

Te dien dage zal er geen kostelijk (= kostbaar) licht zijn. Eigenlijk staat er dat het kostelijk licht en de dikke duisternis elkaar niet zullen afwisselen. Dag en nacht zullen elkaar ineens niet meer afwisselen. Het zal één dag zijn die bij de Heer bekend zal zijn. Dat is namelijk de dag des Heren. Het zal noch dag noch nacht zijn. De cyclus van zonsopgang en zonsondergang zal verdwenen zijn. De hemel zal bedekt zijn, de zon en de maan zullen hun schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen. Er zal wel licht zijn, maar dat licht komt ergens anders vandaan. Ten tijde des avonds zal het licht wezen. Op het tijdstip dat het nacht zou moeten zijn, zal het licht zijn. De normale cyclus van de natuur zal compleet verbroken zijn. Men heeft geen idee meer van tijd. De dag des mensen is voorbij en de dag des Heren is aangebroken. Als teken daarvan wordt de hemel verduisterd en geeft de Heer Zelf licht. Hoelang deze situatie zal voortduren is mij niet bekend. Ik vermoed tijdens de gehele periode van 33 jaar. De eerste dagen na de verschijning van de Heer op de Olijfberg is het in ieder geval wel zo. De normale cyclus zal in ieder geval voor enkele dagen worden onderbroken.

De verschijning van de Heer zal (waarschijnlijk) op de tiende dag van de eerste maand (10 nisan) plaatsvinden. De 69-ste week eindigde namelijk op de tiende dag van de eerste maand. Hieruit concludeer ik dat de 70ste week eveneens op 10 nisan eindigt. De tiende nisan is de dag waarop het paaslam in huis genomen moest worden. (Exodus 12 : 3) De Heer verschijnt dan opnieuw op de Olijfberg zoals de Heer aan het einde van de 69-ste week, op de tiende nisan, op de Olijfberg was. Aan het einde van de 70-ste week zal Hij daar opnieuw verschijnen en dán zal er verlossing voor het overblijfsel van Israël zijn. Bij die gelegenheid zal de Olijfberg scheuren. In Zacharía 14 vinden we een situatie waarbij de tijd en de normale gang van zaken op aarde worden stilgezet. Zelfs de normale tijdrekening en de jaartelling zullen op dat moment volledig bijgesteld worden. Bij de wederkomst van Christus zal er een half jaar op de kalender worden overgeslagen. De tiende dag van de eerste maand zal blijken de tiende dag van de zevende maand te zijn. Toen de kinderen Israëls uit Egypte togen gebeurde dat op de vijftiende dag van de zevende maand. Ze sloegen een half jaar over (eigenlijk werden ze een half jaar terug
geplaatst). De zevende maand werd vanaf dat moment de eerste maand. (Exodus 12 : 2) Israël viert daarom nieuwjaarsdag op de eerste dag van de zevende maand.

Onder het oude verbond werd de kalender een half jaar verschoven. Als Israël straks onder het nieuwe verbond geplaatst wordt zal de kalender van Israël worden bijgesteld. Het halve jaar wordt weer teruggezet. De tiende van de eerste maand, de dag van het in huis nemen van het paaslam, komt gelijk te vallen met de grote verzoendag, de dag waarop de hogepriester met het bloed in het ware heiligdom (het heilige der heiligen) inging. Het loofhuttenfeest (beginnend op de vijftiende dag van de zevende maand; Leviticus 23 : 34) zal dan samenvallen met het feest van de ongezuurde broden (beginnend op de vijftiende dag van de eerste maand; Leviticus 23 : 5, 6; = Pasen). De datum van de geboorte van Johannes de Doper en die van de Here Jezus blijken dan ineens dezelfde te zijn. (vergelijk Lukas 1 : 26, 36) De sterfdatum van Mozes (de eerste van de elfde maand; Deuteronomium 1 : 3, 5 met 34 : 1, 5) en die van Aäron (de eerste dag van de vijfde maand; Numeri 33 : 38) blijken ineens dezelfde te zijn. Johannes de Doper stond model voor de priester. De Here Jezus stond model voor de Koning. Als de kalender een half jaar verschuift, worden koningschap (van Mozes) en priesterschap (van Aäron) samengevoegd. Dit halve jaar vinden we in Openbaring 8 : 1 als een half uur terug: “En toen Het (het Lam) het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.” Het gaat hier om hetzelfde moment, namelijk het einde van de 70-ste week. In dit visioen was het een half uur, in de praktijk is dat een half jaar. Er zal een half jaar “zoek” zijn. Er gebeurt iets met de tijd door een ingrijpen van God.

Zacharía 14 : 8-10 spreekt over hetgeen in de jaren na de 70-ste week zal plaatsvinden. Hieruit concludeer ik dat de situatie die in Zacharía 14 : 6 genoemd wordt nog geruime tijd daarna voortgezet zal worden. In Openbaring 6 : 14 staat dat de hemel is weggeweken als een boek, dat toegerold wordt. Dit betekent dat de functie van de hemellichamen op dat moment volledig is afgebroken. Het is een beeld van het nieuwe Jeruzalem, waar het Lam, namelijk Christus Zelf, het licht zal zijn. (Openbaring 21 : 23)

Zacharía 14 : 11 en verder spreekt over hoe het koninkrijk er zelf zal uitzien. Er wordt niet over een periode van 33 jaar gesproken en ook niet over de duizend jaar die daarna volgen. Het wordt allemaal bij elkaar gerekend. Na de 70-ste week is het koninkrijk over Israël aangebroken. Dat is voor Israël het einde van de geschiedenis. De andere aspecten worden hier in Zacharía niet genoemd.

We keren nu terug naar Matthéüs 24. In Matthéüs 24 : 30 staat dat het teken van de Zoon des mensen in de hemel zal verschijnen. De normale sterren zullen niet te zien zijn, maar de davidster wel. De Heer verschijnt daar Zelf op de Olijfberg.

En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen, tot het andere uiterste derzelve. Matthéüs 24 : 31

In dit vers wordt beschreven wat de Heer ná de 70-ste week zal gaan doen. Wat na Matthéüs 24 : 30 volgt wordt niet meer in de profetieën van Daniël gevonden. In het boek Daniël wordt de geschiedenis slechts tot aan het einde van de 70-ste week verteld. Het gaat daar om het koninkrijk van Juda en Jeruzalem. Daarna zal het koninkrijk ook over de heidenen gevestigd worden, maar daarover spreekt Daniël niet. De enige verwijzing die er in Daniël te vinden is staat in Daniël 12, waar perioden van 1290 dagen (Daniël 12 : 11) en 1335 dagen (Daniël 12 : 12) genoemd worden. Deze dagen zijn gerekend vanaf het midden van de 70-ste week, maar er wordt niet vermeld wat er op die data (respectievelijk 30 en 45 dagen ná de 70-ste week) zal gebeuren. Deze data spreken over iets dat zal plaatsvinden in het koninkrijk dat dán over Israël is opgericht. De inhoud van de boeken Daniël en Openbaring komt in grote lijnen overeen. Waar Daniël echter ophoudt gaat Openbaring verder. Het boek Openbaring citeert veel uit het boek Daniël. Het boek Daniël houdt aan het einde van de 70-ste week op, terwijl het boek Openbaring dáár eigenlijk pas begint. Hiermee zeg ik niet dat er niets in het boek Openbaring staat dat vóór het einde van de 70-ste week zal plaatsvinden. Als er iets vermeldt staat over de tijd vóór het einde van de 70-ste week, dan wordt dat slechts vermeld om het verband aan te geven met hetgeen daarna zal gebeuren. De zaken die in het boek Openbaring staan vermeld spreken met name over de volkeren, omdat de zaken van Israël op dát moment al zijn geregeld. Zacharía 14 leert dat de Heer bij Zijn verschijning op de Olijfberg een mogelijkheid geeft te vluchten. Het overblijfsel van Israël zal naar Petra (Sela) vluchten. Op dat moment is er dus geen enkele levende persoon meer in Kanaän. (Jesaja 24; Jeremia 4 : 23) De vijand die er was is namelijk omgekomen. De ongelovige Israëlieten die er waren zijn omgekomen. De gelovige Israëlieten zijn het land uitgevlucht door de gescheurde Olijfberg. Na de 70-ste week zal de Heer Zijn engelen (= boodschappers) uitzenden. Het woord “engel” is geen vertaling, maar het woord is rechtstreeks uit het Grieks overgenomen (Grieks: “angelos”). “Angelos” betekent “boodschapper”. Het kán op geestelijke wezens van toepassing worden gebracht, maar evengoed op mensen die een bepaalde boodschap brengen. Het kan uiteraard eveneens op beide slaan.

Een bazuin is in de Bijbel altijd een ramshoorn. De gedachte hierbij is dat de ram weliswaar dood was, maar nu weer leeft want hij brengt geluid (adem) voort; hij spreekt. Een hoorn staat voor koningschap. Als de bazuin klinkt wordt dus de Koning gepredikt. In dit geval gaat het zelfs om de prediking van het evangelie van het koninkrijk. De bazuin klinkt om het volk op te roepen zich te verzamelen. Vandaar dat er in 1 Thessalonicenzen 4 : 16 in verband met de opname van de Gemeente over een bazuin wordt gesproken: “Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan”. Het gaat om het verzamelen tot de grote Koning. Het geklank van de bazuin is feitelijk hetzelfde als het klinken van de stem van Christus. De Heer is God en Hij is ook de Aartsengel. Zijn stem is hetzelfde als het geklank van de bazuin. Het betekent dat het koninkrijk van Christus openbaar gemaakt gaat worden. De eerstelingen (= de familie van de Koning) worden dan verzameld. In het boek Openbaring wordt over zeven bazuinen gesproken. Het spreekt daar over de wijze, waarop het evangelie van het koninkrijk aan alle volkeren der aarde gepredikt zal worden. In Matthéüs 24 : 31 gaat het over hetzelfde. De bazuin klinkt. Er wordt een bepaalde boodschap verkondigd. Die boodschap is afkomstig van de Koning, Die weliswaar gestorven was, maar weer leeft. Die bazuin klinkt met groot geluid, wat betekent dat de boodschap met grote kracht wordt gepredikt.

Welke boodschap verkondigd wordt blijkt uit de rest van dit vers: zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden. De uitverkorenen werden reeds in Matthéüs 24 : 22 genoemd. Het gaat over het Joodse volk en, in het algemeen genomen, over Israël. Dit betekent dat Israël naar het land wordt terugverzameld. Dit is ook noodzakelijk omdat er op dát moment geen enkele Israëliet meer in het land is. De Heer zal hen Zelf naar het land terug verzamelen. Dat gebeurt pas in de toekomst, ná de verschijning van de Heer op de Olijfberg. Het gaat om gelovige Israëlieten. Of er ook ongelovige Israëlieten zijn valt nog te bezien. Als ze er zijn gaan ze niet naar het beloofde land, want ongelovige Israëlieten hebben nooit het recht gehad om in het land te leven. Bovendien zijn aan hen nooit beloften gedaan. De beloften van God ontvangt men slechts op grond van geloof. Het gelovig overblijfsel wordt door de Heer Zelf naar het land terugverzameld. Het gaat hierbij niet alleen om de Joden, want dat betreft slechts twee stammen van Israël. Alle twaalf stammen van Israël zullen terugverzameld worden. Het zal de nodige problemen opleveren om bepaalde mensen te overtuigen dat ze deel uitmaken van Israël en bijvoorbeeld tot de stam van Zebulon behoren (hiertoe worden de Nederlanders geacht te behoren). Bij de zendingsopdracht in Handelingen 1 : 8 worden eerst Jeruzalem en Judéa genoemd. Dit is een omschrijving voor de twee stammen. Vervolgens wordt Samaria genoemd, dat voor de tien stammen staat. Tenslotte wordt het uiterste van de aarde genoemd, hetgeen op de heidenen slaat. Het evangelie zal het eerst aan Israël bekendgemaakt worden. Vervolgens zal dat evangelie door de Joden (= de boodschappers) aan de tien stammen gepredikt worden (= een bazuin van groot geluid).

De Joden zullen in de toekomst het evangelie verkondigen. Ze zullen dat in dezelfde volgorde doen als in Handelingen 1 : 8 beschreven staat. Vanuit Israël zal het evangelie weer éérst aan de Angelsaksische volkeren gepredikt worden. Het gelovig overblijfsel van de Joden zal het evangelie in de eerste plaats aan Samaria (overdrachtelijk gezien) prediken. Ze zullen het dus aan de afstammelingen van de tien stammen prediken. Het koninkrijk moet namelijk éérst over alle twaalf stammen van Israël worden opgericht. Pas daarna zal het evangelie door de twaalf stammen van Israël aan de overige volkeren gepredikt worden. De uitverkorenen zullen vergaderd worden van het ene uiterste der hemelen tot aan het andere uiterste. Hier staat niet dat deze uitverkorenen in de hemelen wonen. Ze worden niet uit de hemelen verzameld, maar vanuit de uitersten der hemelen. In de Bijbel is “het uiterste van de hemel” gelijk aan de aarde. De aarde is de begrenzing van de hemel. Deze uitdrukking betekent uiteraard dat men vanover de gehele aarde verzameld zal worden. Hét volk dat al eeuwen lang over de gehele wereld verspreid is en daar haar eigen cultuur handhaaft is het Angelsaksische volk; de Engels sprekende volkeren. Ze zijn altijd de gehele wereld over getrokken, op zoek naar een plek waar ze thuis hoorden. Dit geldt uiteraard ook voor de Joden. Zoals eens aan de Joden het Woord Gods was toevertrouwd (Romeinen 3 : 2) om dat te beheren, zo waren het later de Britten die het Woord Gods beheerden. Alles wat wij nu aan “Bijbel” hebben (onze versies van de Bijbel; de “herstelde” grondteksten van de Bijbel) is uit Brittannië afkomstig. De twaalf stammen van Israël zullen naar het land worden terugverzameld om het land te herbouwen. Dit is de wedergeboorte van Israël. De twee en de tien stammen zullen weer één gemaakt worden. Het zal één volk zijn dat in één huis (= één vaderland) – Kanaän – zal wonen.

En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is. Matthéüs 24 : 32

Een boom is in de Bijbel een beeld van een volk. De vijgeboom is een beeld van de Israëlietische staat. In Matthéüs 21 : 18-22 lezen we dat de vijgeboom verdorde:

18 En des morgens vroeg, als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem.
19 En ziende, een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.
20 En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo terstond verdord?
21 Doch Jezus, antwoordende: zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen, hetgeen den vijgeboom is geschied; maar indien gij ook tot deze berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden.
22 En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen. Matthéüs 21 : 18-22

De vijgeboom is een beeld van de staat Israël. De vijgeboom verdorde, omdat de staat weliswaar veel uiterlijk vertoon had (= bladeren), maar geen vrucht. Het is een beeld van het natuurlijke Israël dat uiterlijk veel voor scheen te stellen, maar geen vrucht (= leven) voortbracht. De Heer heeft die vijgeboom vervloekt. (Markus 11 : 21) Dit gebeurde na de opstanding van Christus, toen het volk niet tot geloof wilde komen. In Matthéüs 21 : 18 staat dat Hij naar de stad terugkeerde. De Heer kwam na Zijn opstanding opnieuw tot Israël en aan haar werd ronduit het evangelie en het nieuwe verbond gepredikt. Er kwam echter geen bekering en dus ook geen vrucht. (vergelijk Matthéüs 3 : 8; Lukas 3 : 8) De Heer vervloekte de staat Israël en Jeruzalem werd zelfs letterlijk verwoest (in 70 A.D.). Het wonder van Matthéüs 24 : 32 is dat de takken van de verdorde vijgeboom teder worden. “Teder” betekent “zacht”. Dit houdt in dat er leven in aanwezig is. Het gevolg is dat de bladeren uitspruiten. Het uitspruiten van de vijgeboom is uiteraard een beeld van het weer tot leven komen van de Joodse staat. Dit gebeurt aan het einde van de 70-ste week; op grond van haar bekering. Het volk Israël ontvangt pas nieuw leven wanneer ze tot bekering komt. Het gelovig overblijfsel van Israël zal de Heer aanroepen en Hij zál verschijnen. Vanaf dat moment worden de gelovigen terug verzameld om het land opnieuw op te bouwen (en te reinigen). Dát is het uitspruiten van de vijgeboom. Velen menen dat de huidige staat Israël die uitspruitende vijgeboom is. Dit is onjuist. Het is inderdaad een vijgeboom. Er staat nu na bijna 2000 jaar weliswaar een vijgeboom, maar het is een dode vijgeboom. De vijgeboom die er momenteel is (= de huidige staat Israël) zal echter verdwijnen. De prediking was immers:

2 … Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

10 En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Matthéüs 3 : 2, 10

Dit predikte Johannes de Doper destijds. In de toekomst zullen de twee getuigen, (Openbaring 11 : 1 e.v.) eveneens aan een ongelovige, Joodse staat, ongetwijfeld hetzelfde prediken. Niet alleen de ongelovige, Joodse staat komt in het oordeel, maar ook alle ongelovige volkeren. Vandaar dat er in Matthéüs 3 : 10 over “bomen” wordt gesproken. Zoals Israël op grond van geloof zal worden wedergeboren, zo zullen alle volkeren op grond van geloof wedergeboren worden. Het gebeurt op dezelfde manier: alléén de gelovigen van een volk zullen overblijven en dat is dan het gehele volk. Het is wel een minderheid. Wanneer de takken van de vijgeboom teder worden (= wanneer de gelovige Israëlieten terugverzameld worden en de staat weer zal worden opgebouwd) zal men weten dat de zomer (= het koninkrijk) nabij is. Dit betekent dat het nog geen zomer is. Er is nog een bepaalde tijd te gaan. Na het einde van de 70-ste week wordt er een begin gemaakt met het herstel van de Israëlitische staat. De prediking van het evangelie door de twaalf stammen van Israël aan alle andere volkeren dient echter eerst plaats te vinden vóórdat de zomer is aangebroken. Dit duurt in totaal 33 jaar.

Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur. Matthéüs 24 : 33

Wanneer men het ontstaan van de staat Israël ziet plaatsvinden, dan weet men dat het koninkrijk aanstaande is. Het koninkrijk is aanstaande, want dat koninkrijk is reeds over Israël gevestigd. Van daaruit zal het over de gehele wereld worden opgericht. Men moet nog een korte tijd volharden, maar het einde van de tegenwoordige, boze eeuw is nabij.

Voorwaar, Ik zeg u, Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. 35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Matthéüs 24 : 34

“Voorwaar” wijst op een garantie. Het is een zékere belofte. “Dit geslacht” is hetzelfde als “deze generatie”. De herleving van de staat Israël is zojuist beschreven, inclusief de terugverzameling van de tien stammen. De generatie die dát meemaakt, maakt ook het einde van “al deze dingen” mee. “Al deze dingen” slaat niet op de duizend jaar waarin de satan gebonden zal zijn (Openbaring 20 : 2, 3), maar op het tot stand komen van het koninkrijk. Het geslacht dat bij de verschijning van de Heer op de Olijfberg leeft zal niet voorbijgaan. Er gaat wel wat voorbij, namelijk de hemel en de aarde, (Matthéüs 24 : 35) maar dat geslacht niet. Er zal gepredikt worden dat men zich moet bekeren omdat het koninkrijk nabijgekomen is. Het wordt ook aan de heidenen gepredikt. Er is geen heiden die kan denken: “Dat maak ik toch niet meer mee”, want het gebeurt in dié generatie, namelijk binnen 33 jaar. Het voorbijgaan van de hemel en de aarde vindt niet aan het begin van de duizend jaar plaats, maar pas enige tijd ná de duizend jaar. In Matthéüs 24 : 34 stond dat “dit geslacht” niet voorbij zou gaan. Dit betekent dat “dit geslacht” dus minimaal duizend én 33 jaar blijft. Die generatie zal het aanbreken van de duizend jaar meemaken. De gelovige in die duizend jaar zal niet sterven. Er wordt hier feitelijk meteen overgesprongen naar de Jongste Dag. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar het Woord van God zal niet voorbijgaan. Dat Woord spreekt over nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Het oude gaat voorbij, maar God stelt er iets nieuws voor in de plaats. Het Woord van God is levend en eeuwig blijvend. (1 Petrus 1 : 23)

Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen. Matthéüs 24 : 36

Dit vers is helaas onder een nieuwe perikoop geplaatst. In Matthéüs 24 gaat het over gebeurtenissen en de tijdstippen waarop die gebeurtenissen zullen plaatsvinden. Men gebruikt dit vers om te beweren dat men de tijd en de volgorde van die gebeurtenissen niet kan kennen. Daarbij slaat men het woordje “doch” over. Het woordje “doch” geeft echter de tegenstelling met het vorige vers aan. In Markus 13 : 31, 32 staan beide verzen zonder onderbreking bij elkaar. Men gaat er gewoonlijk vanuit dat “die dag en die ure” op de dag en ure van de wederkomst van Christus slaat. Dat is onjuist. In Matthéüs 24 : 35 wordt over het voorbijgaan van de hemel en de aarde gesproken. Van dié dag en dié ure weet niemand. Dit betekent dat het bij niemand bekend is wanneer de hemel en de aarde zullen voorbijgaan. Dit betekent tevens dat alle andere dagen en uren (= tijden en gelegenheden; 1 Thessalonicenzen 5 : 1) wél bekend kunnen zijn. De dag waarop hemel en aarde voorbijgaan is de Jongste Dag. Die dag ligt enige tijd voorbij de duizend jaar. Wanneer de datum van het aanbreken van de 70-ste week van Daniël bekend is kan eenvoudig uitgerekend worden wanneer het midden en het einde van die week is. Tevens is dan bekend wanneer de duizend jaar beginnen, want dat is 33 jaar na de 70-ste week. Van de Jongste Dag is de datum niet bekend. Na de duizend jaar zal de satan voor een korte tijd worden losgelaten. (Openbaring 20 : 3) Er staat echter niet vermeld hoelang die korte tijd zal duren. In die korte tijd zal hij de volkeren opnieuw verleiden, waarna er opnieuw een oordeel over de volkeren zal komen. (Openbaring 20 : 7-9) De dag waarop hemel en aarde zullen voorbijgaan is niet bekend. Alle andere data zijn vanuit het Woord van God wél te berekenen. Paulus zegt daarom in 1 Thessalonicenzen 5 : 1, 2:

1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht. 1 Thessalonicenzen 5 : 1, 2

Paulus vond het niet nodig om over de tijden en gelegenheden te schrijven, omdat hij ervan uitging dat zij die “zeer wel” kenden. De Thessalonicenzen werden geacht daarvan op de hoogte te zijn. Paulus ging daar ook vanuit. Doordat de gelovige de tijden en gelegenheden kent heeft hij een zékere kijk op toekomstige dingen. Hoe zekerder hij is omtrent de dingen van de toekomst, des te zekerder is hij ten aanzien van de dingen van het heden. Hij gaat geen onbekende toekomst tegemoet, maar een bekende. Dát geeft basis en vastigheid in zijn geestelijk leven.

En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. Matthéüs 24 : 37

Bij Matthéüs 24 : 37 begint feitelijk een nieuwe perikoop. In dit gedeelte wordt de tijd van het uitbotten van de vijgeboom vergeleken met de dagen van Noach. In de dagen van Noach wist men exact wanneer de zondvloed zou komen (na 120 jaar). Zo zal men in de toekomst weten wanneer het oordeel over alle volkeren zal komen. Zoals in de dagen van Noach gepredikt werd, zo zal in de toekomst gepredikt worden. Er wordt gepredikt dat er alleen redding is door de Ark: Christus. “Toekomst” is de vertaling van het Griekse woord “parousia”. Dit woord betekent “aanwezigheid”. Zoals de dagen van Noach waren, zo zullen de dagen van de toekomst van de Zoon des mensen zijn. Het gaat hier over de dagen van de aanwezigheid van de Zoon des mensen; niet over de dagen die vóór Zijn aanwezigheid zullen verlopen.

38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen alle wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. Matthéüs 24 : 38, 39

De parousia van de Zoon des mensen beslaat in ieder geval de periode van 33 jaar van de volgende (de zesde) bedeling. Die tijd wordt met de dagen van Noach vergeleken. In de dagen van Noach werd er gepredikt, maar niemand luisterde. Op de dag dat Noach in de ark ging was het te laat. Het oordeel (= de zondvloed) kwam en alle ongelovigen werden weggenomen. In de dagen van de parousia van de Zoon des mensen zal het evangelie vanuit Israël aan alle volkeren worden gepredikt. Het grootste deel van de mensheid zal de prediking afwijzen. Wat gebeurt er met die ongelovigen? Zij worden weggenomen. Met andere woorden: zij sterven, zoals dat ook in de dagen van Noach gebeurde.

Deze verzen zijn onjuist vertaald. De vertaling luidt:

40 Alsdan, zullen er twee op de akker zijn, de één zal weggenomen en de ander zal gelaten worden.
41 Er zullen twee vrouwen malen in de molen, de één zal weggenomen en de andere zal gelaten worden. Matthéüs 24 : 40, 41

“Wegnemen” (Grieks: “para-lambano”) betekent letterlijk “terzijde nemen” (Matthéüs 4 : 5, 8; meenemen; Johannes 19 : 16; nemen). Het heeft vaak een negatieve betekenis. Het Griekse woord (“afièmi”), dat hier met “gelaten” vertaald is, wordt normaal met “vergeven” vertaald. (Matthéüs 6 : 12) Het betekent “met rust laten”. (Matthéüs 4 : 11; 13 : 30; 19 : 14) De één wordt weggenomen en sterft. De ander wordt gelaten, hetgeen inhoudt dat hij gewoon op de akker blijft. “De akker” kan als de wereld worden beschouwd, (Matthéüs 13 : 38) maar dat verandert niets aan het verhaal. In dat geval wordt er één van de aarde weggenomen en komt in het dodenrijk, terwijl de ander gewoon in de wereld blijft. Degenen die in de dagen van Noach weggenomen werden waren slecht af. Dit geldt eveneens voor de toekomst. Degene die in de zesde bedeling wordt weggenomen is slecht af. Het gaat in deze verzen niét over de opname van de Gemeente. Degenen die hier weggenomen worden gaan niet naar de hemel, maar naar het dodenrijk. Bovendien wordt deze gebeurtenis vergeleken met de dagen van Noach. Degenen die niet in de ark waren werden weggenomen (= stierven), hetgeen uiteraard negatief is. Degene die gelaten wordt, ontvangt vergeving. Dit is uiteraard op grond van geloof, want slechts door geloof ontvangt iemand vergeving. Hij blijft op aarde en gaat het koninkrijk binnen. Deze gebeurtenis vindt op de laatste dag van de 33 jaar plaats. Wie dán op aarde gelaten wordt gaat het koninkrijk binnen.

Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Here komen zal. Matthéüs 24 : 42

Iemand die wakker is wordt geacht te weten wanneer zijn Heer komt. “Waakt dan” wordt gezegd tot degene die slaapt. Hij slaapt en daarom weet hij niet in welke ure de Heer komt. Als hij wakker zou zijn, zou hij het wél weten. De gelovige kan nú berekenen wanneer de Heer komt. In de volgende bedeling kan een gelovige dat óók berekenen. Hij zal zich rekenschap moeten geven van de tijd waarin hij leeft.

Matthéüs 24 : 45 tot 25 : 30

Vanaf Matthéüs 24 : 45 volgen drie gelijkenissen. Uit de eerste gelijkenis wordt duidelijk dat men trouw behoort te zijn. De twee dienstknechten zijn een beeld van de gelovige onder het oude verbond, levend onder de wet (= de kwade dienstknecht) en van de gelovige onder het nieuwe verbond (= de getrouwe en voorzichtige dienstknecht). De oproep is uiteraard dat men niet onder het oude, maar onder het nieuwe verbond behoort te leven. De tweede gelijkenis (Matthéüs 25 : 1-13) handelt over de vijf wijze en de vijf dwaze maagden. Ze hebben alle tien olie. Bij alle tien raakt de olie op, maar de vijf dwaze maagden hebben alleen olie in de lampen. De vijf wijze maagden hebben ook nog olie in een kruik, die ze kunnen gebruiken als de oude olie op is. De olie in de lampen is een beeld van het oude verbond. Het is Woord van God, maar het is niet toereikend om de bruiloftszaal (= het koninkrijk) binnen te gaan. Vóór die tijd blijkt het op te zijn. De vijf wijze maagden gaan, als de Bruidegom verschijnt, het koninkrijk binnen. Ze worden “maagden” genoemd omdat ze onbesmet/onbevlekt zijn. Het gaat om degenen die zich niet door de wereld hebben laten verontreinigen. Ze zijn niet aan het koninkrijk van de tegenstander (= Babel) verbonden geweest. Ze hebben het teken van het beest niet ontvangen. Ze zijn rein bewaard.

De derde gelijkenis (Matthéüs 25 : 14-30) spreekt over dienstknechten, die goederen toevertrouwd krijgen. Matthéüs 25 : 14 dient net zo opgevat te worden als Matthéüs 25 : 1. De strekking van vers 14 is: “Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan een mens, die …”. Het gaat ook hier om de tijd die ná de wederkomst van de Heer op de Olijfberg verloopt. In Matthéüs 24 : 30, 31 staat reeds dat de Heer op de Olijfberg verschenen is. Deze gelijkenis gaat dus over de tijd die daarná volgt. Met “een mens” wordt de Here Jezus Christus bedoeld. Dit geldt overigens voor álle gelijkenissen! De Heer gaat buitenslands. Vóór Hij dat doet roept Hij Zijn dienstknechten tot Zich en Hij geeft hen Zijn eigen goederen over. De dienstknechten worden geacht Hem trouw te zijn en Hem te dienen. Ze behoren de talenten te beheren opdat zij vrucht zouden dragen. Na de verschijning van de Heer op de Olijfberg roept de Heer de zijnen (= Israël) tot Zich. Hij stelt hen (bijvoorbeeld) verantwoordelijk voor de prediking van het evangelie aan alle volkeren. Ze dienen Zijn “zendingsopdracht” uit te voeren. Onder het oude verbond handelde God op dezelfde manier. Hij riep hen uit Egypte (bij de uittocht) en gaf hen Zijn goederen over, inclusief bepaalde opdrachten. Die opdrachten zijn nooit uitgevoerd. In de toekomst zal Israël tot geloof in de Here Jezus Christus komen. Ze wordt dan onder het nieuwe verbond geplaatst. De opdracht die Hij destijds aan Israël gaf is nooit uitgevoerd en is daarom nog steeds van kracht. De Heer geeft haar opnieuw Zijn goederen over om die te beheren. Israël zal de boodschap aan alle andere volkeren brengen. Ze zal in de eerste plaats naar de verloren schapen van het huis Israëls gaan. (Matthéüs 10 : 6) Dat zijn de schapen van de ándere stal; de tien stammen. (Johannes 10 : 16)

De dienstknechten dienen trouw te zijn. Wie niet trouw is aan de roeping waarmee hij geroepen is, wordt buiten geworpen in de buitenste duisternis. (Matthéüs 25 : 30) Als iemand het Woord van God ontvangen heeft en oprecht gelooft, dan wordt dat Woord in hem tot een fontein. (Johannes 4 : 14) Als iemand zégt dat hij een gelovige is, maar nooit over zijn geloof spreekt, dan is het zeer de vraag of hij wel een gelovige is. Als iemand van het water (= het Woord) dat de Heer geeft gedronken heeft, zál dat naar buiten komen. Als Israël in de toekomst tot geloof zal zijn gekomen, zal zij vanzelfsprekend het Woord van God prediken. Ze zal door de Heer Zelf uitgezonden worden om het evangelie over de gehele wereld uit te dragen. Dát zij het Woord uitdraagt is een vanzelfsprekende zaak. Dit geldt overigens voor elke gelovige.

En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid. Matthéüs 25 : 31

In dit vers gaat het niet over wat in Matthéüs 24 : 30 beschreven staat. In dat vers wordt over de verschijning van de Heer op de Olijfberg gesproken; primair met betrekking tot Israël. Dit zal ertoe leiden dat Hij uiteindelijk op de troon Zijner heerlijkheid zal zitten, maar dat is 33 jaar láter. De troon Zijner heerlijkheid is gelijk aan de troon van David. Deze troon staat op aarde, in Jeruzalem. Dit kán dus niet aan het einde van de 70-ste week plaatsvinden, want dan is geheel Jeruzalem verwoest. Aan het einde van de 70-ste week is er geen Jeruzalem meer en dus zeker geen heerlijkheid. Bovendien heeft men zeven maanden nodig om het land te reinigen. (Ezechiël 39 : 12, 14) Men zal zeven maanden nodig hebben om het land te ontdoen van de lijken die er dan zullen liggen. In Matthéüs 25 : 31 zijn we aan het einde van de 33 jaar aangekomen.

32 En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.
33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand. Matthéüs 25 : 32, 33

In Matthéüs 24 : 30 staat dat alle geslachten van het land zullen wenen. Dit slaat op Israël. Hier is sprake van een oordeel over álle volkeren. Zoals de Heer aan het einde van de 70-ste week Zijn uitverkorenen zal verzamelen, (Matthéüs 24 : 31) zo worden aan het einde van de 33 jaar alle volkeren verzameld. De volkeren zullen door de Heer – de Koning – in twee groepen gescheiden worden: de schapen en de bokken. Deze Koning is uiteraard de Herder. (Johannes 10) De schapen komen aan de rechterkant en de bokken aan de linkerkant. “Schapen” zijn zachtmoedig en volgen de stem van de Herder. Daarom zijn schapen een beeld van gelovigen in het algemeen. Bokken zijn een uitbeelding van kracht. Hier gaat het niet om de kracht van God, maar om eigen kracht (= de kracht van de natuurlijke mens).

34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging (= nederwerping) der wereld.
35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.
36 Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. Matthéüs 25 : 34-36

In Matthéüs 25 : 31 werd over “de Zoon des mensen” gesproken. Hier wordt Hij “de Koning” genoemd. Dit is een hele unieke uitspraak in de Schrift. Op dit moment is Zijn koninkrijk openbaar. We zijn hier dus aan het begin van de duizend jaar aangekomen. De schapen beërven het koninkrijk dat bereid is van de nederwerping der wereld. Dit betekent dat het koninkrijk voordat de aarde woestheid, ledigheid en duisternis werd (in Genesis 1 : 2) al “geregeld” was. Toen God Adam schiep had Hij reeds het koninkrijk van Zijn geliefde Zoon in gedachte. (Kolossenzen 1 : 13) Hij wist tevens aan Wie Hij dat koninkrijk zou geven: aan Zijn Zoon, de Here Jezus Christus en vervolgens aan alle gelovigen. In Matthéüs 25 zijn we aangekomen op het moment dat het koninkrijk van de Zoon volledig openbaar is geworden. Dán zullen de gezegenden dat koninkrijk beërven. De zegeningen komen altijd van de Vader en geeft Hij in de eerste plaats aan Zijn Zoon. Vervolgens krijgen degenen die in Hem zijn deel aan dezelfde zegeningen. Dit principe legt Paulus in verban met onze bedeling in de brief aan Éfeze uit. Ditzelfde principe geldt ook voor de gelovigen van de volgende bedeling, zoals hier blijkt. Het is een principe dat bij het nieuwe verbond hoort; zowel ten aanzien van het verborgen koninkrijk als van het geopenbaarde koninkrijk. Iemand ontvangt het koninkrijk slechts op grond van geloof. De Koning geeft hier als reden: “Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven …”. Er zijn mensen die menen in het koninkrijk te komen door hongerigen te eten te geven. Op zich is het een heel nuttige bezigheid, maar daardoor kan men het koninkrijk niet beërven. In onze bedeling komt men er niet door in de hemel en in de volgende bedeling komt men er niet door in het koninkrijk. Degenen die hongerigen gespijzigd hebben deden dat vanuit geloof. Die hongerigen zijn degenen die niet kunnen kopen of verkopen, omdat zij het teken van het beest niet hebben. (Openbaring 13 : 17) Zij zullen in die tijd bidden:

9 … Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
11 Geef ons heden ons dagelijks brood.
12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen. Matthéüs 6 : 9-13

In dié tijd gebeurt de wil van de Vader reeds in de hemel en de gelovigen zouden graag zien dat dit op aarde óók zou gebeuren. Ze bidden: “Geef ons heden ons dagelijks brood”, want zij kunnen dat zelf niet kopen. “Hun schuldenaren” zijn degenen die hen dat brood niet willen verkopen. De gelovigen die te eten hebben dienen uit te delen aan degenen die niets hebben; met name aan “de huisgenoten des geloofs”. (Galaten 6 : 10) Dit geldt ook voor dorstigen, vreemdelingen, naakten, zieken en gevangenen.

37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig, en te drinken gegeven?
38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?
39 En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?
40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan. Matthéüs 25 : 37-40

De schapen worden hier “rechtvaardigen” genoemd. Deze rechtvaardigen blijken niet te weten wanneer ze dergelijke dingen aan de Heer hebben gedaan. Ze hebben het aan “deze Mijn minste broeders” gedaan. De Heer vereenzelvigt Zich met deze broeders omdat zij één plant met Hem geworden zijn. Alles wat aan hen gedaan wordt, wordt feitelijk aan Christus gedaan. Dit geldt nu ook. Alles wat men nu de gelovigen aandoet (positief en negatief), wordt Christus aangedaan. “Mijn minste broeders” is een uitdrukking die ook elders in de Schrift gebruikt wordt. Bijvoorbeeld waar het over de uitzending van de twaalf apostelen gaat:

40 Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
41 Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.
42 En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. Matthéüs 10 : 40-42

Deze kleinen worden in vers 40 “u” genoemd. Het gaat dus over de discipelen, Zijn leerlingen. De Heer vereenzelvigt Zich ook hier met Zijn discipelen. Alles wat men aan de discipelen, de gezondenen van de Heer, doet zou beloond worden. Deze kleinen werden uitgezonden om het evangelie te prediken. In Lukas 10 gaat het niet om de uitzending van de twaalven, maar om die van de 70. De Heer vereenzelvigde Zich ook met hen: “Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.” In de toekomst zullen er 144.000 worden uitgezonden om het evangelie te prediken. Op hen zijn deze Bijbelgedeelten in het bijzonder van toepassing. Wie de boodschap van deze gezondenen accepteert zal de predikers van die boodschap ontvangen. Degenen die de boodschap prediken zijn ongetwijfeld ook degenen die de olie aan de maagden verkopen. (Matthéüs 25 : 9) Zij hebben autoriteit. Ze brengen het Woord van God en ze hebben zelfs de macht om anderen Heilige Geest te geven door middel van handoplegging. Die dingen zullen in dié tijd weer plaatsvinden.

41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.
42 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;
43 Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht.
44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende, Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?

45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt het Mij ook niet gedaan.
46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Matthéüs 25 : 41-46 

De bokken worden hier “vervloekten” genoemd. Zij hebben het tegenovergestelde gedaan van hetgeen de rechtvaardigen hebben gedaan. Zij hebben voor “deze minsten” niets gedaan en daarom hebben ze het de Heer niet gedaan. Deze geschiedenis van de scheiding van de schapen en de bokken werd al in Matthéüs 24 : 37-44 vermeld. Daar werd het vergeleken met de dagen van Noach. De één zal weggenomen worden en de ander zal gelaten worden. Degene die weggenomen wordt is een bok. Degene die gelaten wordt is een schaap. Dit principe wordt trouwens vele malen in de Bijbel beschreven, hoewel velen het op de Jongste Dag van toepassing brengen. Als men iets over bedelingen weet past men het meestal op de dagen van de opname van de Gemeente toe en dat is eveneens onjuist. Het gaat over de zaken die met de aanvang van de duizend jaar te maken hebben. De gelijkenis van het onkruid (Matthéüs 13 : 24-30 en 13 : 36-43) gaat over dezelfde periode. “Onkruid” (= namaaktarwe) en tarwe groeien samen op. In de dagen van de oogst worden ze gescheiden. De tarwe wordt in de schuur gebracht, wat een beeld is van het ingaan in het koninkrijk. Het onkruid wordt gebonden en verbrand. De gelijkenis van het sleepnet (Matthéüs 13 : 47-50) gaat ook over dezelfde periode. Er wordt van alles opgevist. Het goede wordt in vaten gedaan. Dat is eveneens een beeld van het ingaan in het koninkrijk. Het kwade wordt weggeworpen. De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk al de ergernissen vergaderen en degenen die de ongerechtigheid = wetteloosheid) doen. (Matthéüs 13 : 41) Met andere woorden: de ongelovigen worden verwijderd. Zijn koninkrijk is uiteindelijk de gehele schepping. Die er niet in thuis horen worden uit de schepping verwijderd. De gehele schepping zal dan met God verzoend zijn. De ongelovigen worden uit de schepping geworpen in de buitenste duisternis. Hetzelfde oordeel wordt in het boek Openbaring genoemd met betrekking tot de val van Babel.

In Matthéüs 25 : 46 eindigt de rede van de Heer. Hiermee heeft Hij antwoord gegeven op de vragen die de discipelen in Matthéüs 24 : 3 stelden. Het laatste dat in de voleinding van de tegenwoordige eeuw gebeurt is dat de ongelovigen (de bokken) van de aarde worden weggenomen. De gelovigen (de schapen) blijven over en gaan het koninkrijk binnen.

4. Profetie in Joël

Het onderwerp van het boek Joël is: de komst van de dag des Heren. Als de dag des Heren nadert komt er veel ellende over Jeruzalem. Het zal worden verwoest. Uit de voorgaande studies weten we dat het dus over de gebeurtenissen aan het einde van de 70-ste week van Daniël 9 gaat.

1 Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joël, den zoon van Pethuël:
2 Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen?
3 Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.
4 Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
5 Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden.
6 Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
7 Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.
8 Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.
9 Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren.
10 Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.
11 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.
12 De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.
13 Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.
14 Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE.
15 Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.
16 Is niet de spijze voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods?
17 De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
18 O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.
19 Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.
20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd. Joël 1 : 1- 20

Bij een sprinkhanenplaag zijn er enorme wolken sprinkhanen, waardoor het zelfs duister kan worden. Het zijn zeer vraatzuchtige beesten, die in zeer korte tijd de gehele oogst opvreten. Zo’n sprinkhanenplaag wordt hier als voorbeeld genomen voor gebeurtenissen die láter zullen plaatsvinden. In de dagen van Joël was er blijkbaar zo’n sprinkhanenplaag. Het was zelfs een zeer grote. Het gevolg was dat er niets eetbaars meer in het land te vinden was. (Joël 1 : 7-12) Er is geen spijs meer; ook niet voor de Heer. Het spijs- en drankoffer was afgesneden. Vanuit Daniël 9 : 27 weten we dat dit in het midden van de 70-ste week zal gebeuren. In de dagen van Joël was er letterlijk geen spijs, zodat die offers toen niet konden worden gebracht. Het is echter tevens een bedekte verwijzing naar de profetie van Daniël 9. Alle gewassen op het land waren verdord. Alle bomen waren eveneens verdord. In Joël 1 : 14 staat dat er een vasten werd uitgeroepen. Men vergaderde zich tot het huis van de Heer en men riep de Here aan. In Joël 1 : 15-20 staat beschreven wát men tot de Here zal roepen. Joël 1 : 15 zegt: “Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.” “Die dag” is de dag des Heren. De dag des Heren is nabij. De sprinkhanenplaag is een beeld van de gebeurtenissen die zullen plaatsvinden als de dag des Heren nabij is. Die dag zal als een verwoesting komen van de Almachtige. De grote, definitieve verwoesting vindt aan het einde van de 70-ste week plaats.

1 Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des Heren komt, want hij is nabij.
2 Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaar van vele geslachten.
3 Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.
4 De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.
5 Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.
6 Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.
7 Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een ieder in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.
8 Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.
9 Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.
10 De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.
11 En de HEERE verheft Zijn stem voor Zijn heir henen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?
12 Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.

13 En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
14 Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den HEERE, uw God. Joël 2 : 1-14

“Sion” (vers 1) is een andere naam voor Jeruzalem. “De berg Mijner heiligheid” verwijst naar Psalm 2 : 6: “Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.” De bazuin wordt geblazen omdat de komst van de Koning aangekondigd wordt. Er wordt aangekondigd dat Israël verzameld zal moeten worden. Het slaat dus op het einde van de 70-ste week, want daarna wordt Israël verzameld. De dag des Heren is nog niet aangebroken, maar wel nabij. In Joël 2 : 2 wordt de komst van de dag des Heren beschreven. Het zal een dag van duisternis, donkerheid, wolken en dikke duisternis zijn. Dit zijn uiteraard allemaal omschrijvingen voor één en hetzelfde. Het wordt eveneens “dageraad” genoemd. “Dageraad” wil dus óók zeggen dat het donker is. Het is niet de aanduiding voor de zonsopgang. Het is juist de aanduiding voor de dikste duisternis van de “na-nacht”. Dat is vóór zonsopgang. Het is overigens de tijd waarin de meeste mensen overlijden en geboren worden. In die duisternis zal een groot en machtig volk komen zoals van ouds niet is geweest. (vers 2) Het is een volk dat vroeger niet bekend is geweest. Het zal daarna in jaren van dagen evenmin bestaan. Dit wijst op de periode van de duizend jaar. Ná de duizend jaar zal dat volk opnieuw komen. Tijdens de duizend jaar zal de satan gebonden zijn en zal hij de volkeren niet kunnen verleiden. Daarna zal de satan voor een kleine tijd ontbonden worden (Openbaring 20 : 3) en in die tijd zal hij de volkeren verleiden. Er zal opnieuw een volk komen dat zich tegen Jeruzalem en tegen de God van Israël zal keren. Dat volk wordt Gog en Magog genoemd (= Rusland en zijn aanhangers).

7 En wanneer de duizend jaar zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden.
8 En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden. Openbaring 20 : 7-9 

De heilige, geliefde stad is Jeruzalem. Ze zal weliswaar omringd worden, maar niet ingenomen. Volgens Daniël 9 : 24 zou dat aan het einde van de 70-ste week namelijk voor het laatst plaatsvinden. God zal vuur uit de hemel laten komen, waardoor Gog en Magog verteerd zullen worden. Na de duizend jaar zullen de volkeren komen. Ze worden Gog en Magog genoemd. In Ezechiël 38 : 2 worden ze ook vermeld: “Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, Rosh (= den hoofdvorst van), Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem”. “Rosh” wijst op Russen, “Mesech” wijst op Moskou en “Tubal” is vandaag bekend als “Tobolsk”. “Togárma” en “Gomer” (= Germanië) horen daar eveneens bij. (Ezechiël 38 : 6) De eerste keer dat deze volkeren in de Bijbelse geschiedenis een rol spelen is aan het einde van de 70-ste week. De volkeren zullen al vóór de tweede helft van de 70-ste week een rol spelen, zoals uit Daniël 9 : 27 blijkt. In Daniël 9 : 27 staat dat het verbond tussen Babel en Jeruzalem verbroken wordt, waarna een beeld zal worden opgericht. Deze gebeurtenissen zullen voor de Russen aanleiding zijn om zich met de gang van zaken te gaan bemoeien. Er komt een oordeel over het land. (Joël 2 : 3) Alles wordt vernietigd. De omschrijving die hier gegeven wordt kan op een sprinkhanenplaag van toepassing worden gebracht. Het is tevens de omschrijving van de werking van een enorm leger. Er is geen mogelijkheid om eraan te ontkomen. De Heer heeft immers aangekondigd dat in het midden van de 70-ste week de laatste mogelijkheid bestond om het land uit te vluchten! Wie dán niet gevlucht is, zal niet kunnen ontvluchten. De Russen komen vanuit de Middellandse Zee. Naar het oosten kan men niet vluchten, want daar ligt Babel. In Joël 2 : 4, 5 worden die “sprinkhanen” omschreven. De omschrijving die Joël hier geeft spreekt over gemotoriseerde voertuigen (“ijzeren ros”). Wie dit vers leest ziet in gedachte een leger tanks oprukken. Tanks gaan óf overal overheen, óf breken gewoon dwars door alles heen. Iedere tank gaat recht vooruit, netjes naast elkaar. (vers 6-8) Bij een sprinkhanenplaag gebeurt hetzelfde.

De aarde is beroerd. (vers 10) Dit betekent dat er aardbevingen plaatsvinden. Dat is hetzelfde als een “hemelbeving”, dat hier dan ook genoemd wordt. Bij die gelegenheid zullen de zon en de maan zwart worden en zullen de sterren hun glans intrekken. Deze verschijnselen hebben we reeds in verband met Matthéüs 24 : 29 en Zacharía 4 : 5, 6 besproken. Dit zijn de tekenen die het einde van de 70-ste week van Daniël aangeven. Bij die gelegenheid zal de Zoon des mensen verschijnen en Zijn voeten op de Olijfberg zetten. Hier gaat het dus over dié verwoesting van Jeruzalem. Die verwoesting wordt ook in Zacharía 14 : 1-3 aangekondigd, zoals reeds is besproken. Als men zich bekeert (vers 12) en de Naam des Heren aanroept zál de Heer op de Olijfberg verschijnen. Vervolgens zal men over Hem rouwklagen. (Zacharía 12 : 10-14) Bij rouw scheurde men de klederen. De Heer zegt (vers 13) dat men zijn hart moet scheuren in plaats van zijn klederen. Dat is hetzelfde als “zich bekeren tot de Here”. Als men zich bekeert bewijst de Heer Zijn genade en barmhartigheid. Hij zal de Olijfberg doen scheuren waardoor men zal kunnen vluchten.

18 Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen.
19 En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend ulieden het koren, en den most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.
20 En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.
21 Vrees niet, o land! verheug u, en wees blijde; want de HEERE heeft grote dingen gedaan.
22 Vreest niet, gij beesten des velds! want de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven.
23 En gij, zonen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand.
24 En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen. Joël 2 : 18-24

Als de Heer hen niet meer overgeeft tot smaadheid onder de heidenen (vers 19), zijn de 70 weken van Daniël 9 vervuld. Ten noorden (vers 20) van Jeruzalem ligt Moskou (zelfs op dezelfde lengtegraad). De Oostzee is de Dode Zee en de achterste zee is de Middellandse Zee. Tussen die twee zeeën ligt Palestina. De Heer zal de Russen dus verre van hen laten vertrekken, terwijl ze toch in het land blijven. Dit betekent dat zij sterven. Daarom gaat hun stank op. Met andere woorden: alle “sprinkhanen” zijn omgekomen en moeten begraven worden. (gedurende zeven maanden; Ezechiël 39 : 12, 14) De Heer zal grote dingen doen. (vers 21) Het land zal weer vrucht dragen. (vers 22) De Heer zal de Leraar ter gerechtigheid geven. (vers 23) De leraar is tegelijk de priester. Dé Leraar is uiteraard dé Hogepriester. Het gaat hier over het einde van de 70-ste week. Dat valt dus onder het nieuwe verbond, waaruit volgt dat het hier over de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek gaat, de Middelaar van het nieuwe verbond, namelijk Christus. De Heer zal weer de vroege en de spade regen geven, zoals eerst. “Maand” staat cursief en staat dus niet in de Hebreeuwse grondtekst. Zoals de Heer dat vroeger deed zal Hij dat in de toekomst opnieuw doen. Daarom werd het “een land, overvloeiende van melk en honing” genoemd. (o.a. Exodus 3 : 8; Leviticus 20 : 24; Numeri 13 : 2; Deuteronomium 6 : 3; Ezechiël 20 : 6, 15) Dit zal in de toekomst opnieuw gebeuren; ná het einde van de 70-ste week.

28 En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, en uw jongelingen zullen gezichten zien;
29 Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.
30 En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.
31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.
32 En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen. Joël 2 : 28-32

Joël 2 : 28 wordt in Handelingen 2 : 17 geciteerd. “Daarna” wordt daar uitgelegd als “in de laatste dagen”. Het wijst in ieder geval op de laatste dagen van de 70 weken van Daniël 9. Daarna zal Hij Zijn Geest uitgieten over alle vlees. De zonen, dochteren, ouden en jongelingen zullen tot een koninklijk priesterdom worden aangesteld. (1 Petrus 2 : 9) Ze worden eerst zelf onderwezen in de dingen des Heren. Ze krijgen allerlei prediking mee en hen wordt meegedeeld aan wie zij de prediking moeten brengen. De Heer zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en rookpilaren. (vers 30) De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed. (vers 31) Hier vinden we opnieuw de kosmische verschijnselen vermeld die aan het einde van de 70-ste week zullen plaatsvinden. Als de maan als bloed wordt, wordt ze rood. In Joël 2 : 31 staan de zaken in goede volgorde. De zon wordt “terstond na de verdrukking van die dagen” verduisterd. (Matthéüs 24 : 29) Dit is aan het einde van de 70-ste week. Op dat moment zal de dag des Heren aanbreken. De verwoesting van Jeruzalem werd in Joël 2 reeds met het aanbreken van de dag des Heren in verband gebracht. (Joël 2 : 1 e.v.) De dag des Heren begint dus meteen na het einde van de 70-ste week. Deze volgorde is nogal onbekend, omdat men uit de Bijbel leest dat de grote verdrukking en de dag des Heren op zijn minst gedeeltelijk samenvallen. Onder “de dag des Heren” verstaat men daarom meestal “de grote verdrukking”. Onder “de grote verdrukking” verstaat men doorgaans alle gebeurtenissen die in de tweede helft van de 70-ste week plaatsvinden. Dat is het grote probleem, want dát is de dag des Heren nu juist niét. “De grote verdrukking” is inderdaad de omschrijving voor de tweede helft van de 70-ste week. Die grote verdrukking is aan het einde van die tweede helft echter nog niet afgelopen. De tijd ná de 70-ste week duurt 33 jaar. Die tijd wordt met de term “de dag des Heren” aangeduid. Gedurende de 33 jaar vallen de grote verdrukking en de dag des Heren dus samen, maar dit geldt niet voor de tweede helft van de 70-ste week. Er wordt in verband daarmee alleen gezegd dat de dag des Heren nabij is. Als Israël valt en Jeruzalem verwoest wordt breekt de dag des Heren aan.

“Dag” geeft een bepaalde periode aan. Het geeft tevens aan dat bepaalde dingen aan het licht gebracht worden. Wij kennen het nog in de uitdrukking “dagvaarden”. “Dag” staat tevens voor “oordelen” of “richten”. De dag des Heren is een periode, maar de belangrijkste betekenis van de uitdrukking is dat de Heer dan regeert. Hij zal de dingen aan het licht brengen. Tegenover de dag des Heren staat “de dag des mensen”, vertaald met “menselijk oordeel”. (1 Korinthe 4 : 3) Het is goed geïnterpreteerd, maar letterlijk staat er “menselijke dag”. “De dag des mensen” is de tijd waarin de mens regeert. “De dag de Heren” is de tijd waarin de Heer regeert. De dag des mensen wijst op het koninkrijk van de mens, terwijl de dag des Heren op het koninkrijk van de Heer wijst. Het is dus een andere naam voor “het koninkrijk van Christus” of “het koninkrijk Gods”. “De dag des Heren” kan ook op de sabbat van toepassing worden gebracht.

12 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.
14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.

15 Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.
16 Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.
17 Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft. Exodus 31 : 12-17

De mens krijgt zes dagen de tijd om zijn werk te doen. In die tijd moet hij ervoor zorgen dat hij zijn werk klaar heeft. Op de zevende dag mag hij niets meer doen. Het is de sabbat voor de Heer. De dag des Heren is eveneens de zevende dag. De dag des mensen kan in zes bedelingen worden onderverdeeld. De zevende bedeling is de dag des Heren, het koninkrijk. Daarvan is de sabbat de uitbeelding. Een normale Bijbelse dag (óók een normale Joods dag) begint bij zonsopgang. Voor Israël begint de sabbat echter op vrijdagavond, bij het ondergaan van de zon. Dat is een uitzondering! De sabbat, de zaterdag, begint alléén voor Israël op vrijdagavond, wanneer de zon ondergaat. Met andere woorden: de zevende dag begint voor Israël gedurende de zesde dag. Dit geldt eveneens voor dé sabbat: het koninkrijk. De wereld zit nog middenin de zesde dag, namelijk de zesde bedeling, de bedeling van de volheid der tijden. (Éfeze 1 : 10) Voor Israël is de zevende dag, de zevende bedeling, echter al begonnen. De dag des Heren is niet vreselijk, (Joël 2 : 31) want het is het koninkrijk van Christus. Als die dag kómt is dat echter wel vreselijk, omdat het gepaard gaat met het omverwerpen van elk menselijk koninkrijk. De dag des Heren wordt ook “de dag Zijns toorns” genoemd. (Openbaring 6 : 17)

Wie de Naam van de Heer (Jehovah) zal aanroepen zal behouden worden. (Joël 2 : 32) Men zal Zijn Naam inderdaad aanroepen. Hier wordt zelfs gezegd wáár dat zal gebeuren, namelijk op de berg Sion. Het gaat hier om de gebeurtenissen aan het einde van de 70-ste week. Het gaat dus over “uw volk en uw heilige stad”. (Daniël 9 : 24) Het gaat dus over Juda en Jeruzalem. “Behouden worden” wijst hier op de redding van de legers die Jeruzalem verwoesten. Men zal de Heer aanroepen en Hij zal op de Olijfberg verschijnen. De Olijfberg zal scheuren en men zal door de gescheurde Olijfberg kunnen vluchten. Dát is “behouden worden”. Hier in Joël 2 : 32 staat dat feitelijk ook. Op de berg Sion, namelijk in Jeruzalem, zal ontkoming zijn. Jeruzalem zal niet worden gespaard, maar men zal uit Jeruzalem kunnen ontkomen. “Het ontkomene” is hetzelfde als “het overblijfsel”. (Jesaja 37 : 32) De overgeblevenen worden door de Heer geroepen. De Heer roept alléén gelovigen. Wie tot geloof komt wordt door de Vader getrokken, (Johannes 6 : 44) in Christus gedoopt (Galaten 3 : 27) en wordt één plant met Hem. (Romeinen 6 : 5) Deze waarheden worden ook op de overgeblevenen van Jeruzalem toegepast. Men zal de Naam van de Heer aanroepen en dus behouden worden. Men zal door de Herder geroepen worden (Johannes 10 : 3) en door de Olijfberg kunnen vluchten. Joël 2 : 28 wordt in Handelingen 2 : 17 aangehaald, omdat daar in het midden gelaten wordt of het koninkrijk openbaar zou worden of verborgen zou blijven. Dat was afhankelijk van of men de Naam van de Heer zou aanroepen of niet. In Joël 2 : 32 staat niet vermeld dat de ontkoming mogelijk zal zijn via de gescheurde Olijferg. Dat komt omdat dit vers óók op de totstandkoming van de Gemeente aan het begin van de vijfde bedeling van toepassing wordt gebracht. Wie de Heer aanroept wordt behouden. Dat geldt nu ook. (Romeinen 10 : 13) De gelovigen van de vijfde bedelig zullen óók worden geroepen, namelijk op de dag van de opname. (1 Thessalonicenzen 4 : 16)

1 Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden; 2 Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;

12 De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Jósafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom. Joël 3 : 1, 2, 12

In Joël 3 : 1 worden “Juda” en “Jeruzalem” genoemd, namelijk “uw volk” en “uw heilige stad”. (Daniël 9 : 24) Hier wordt dus met ándere woorden precies hetzelfde gezegd. In die dagen zal de Heer de gevangenis van Juda en Jeruzalem wenden. Hij zal de heidenen vergaderen en hen afvoeren in het dal van Jósafat. (Joël 3 : 2) Op een slechte atlas wordt dit dal ten onrechte aangegeven. Niemand weet namelijk waar dat dal ooit gelegen zou hebben. “Het dal van Jósafat” wordt alléén in Joël 3 : 2, 12 genoemd. Meestal denkt men dat hier het dal van Megiddon (Zacharía 12 : 11) bedoeld wordt, waar de heidenen gericht zullen worden. (Openbaring 16 : 16) Uit Joël valt zo’n conclusie niet te trekken. In Joël 2 : 32 zijn we bij de val van Jeruzalem aan het einde van de 70-ste week aangekomen. “In die dagen” uit Joël 3 : 1 wijst dus op de laatste dagen van de 70-ste week en niet op de laatste dagen van de 33 jaar. (Aan het einde van de 33 jaar worden de heidenen in het dal van Megiddon geoordeeld). Hier in Joël gaat het om de heidenen, die tegen Jeruzalem vergaderd zijn. Het gaat over Juda en Jeruzalem. Aan het einde van de 70-ste week is er maar één dal dat een belangrijke rol speelt. Dat is het dal dat door het scheuren van de Olijfberg zal ontstaan. Dat dal is “de vallei Mijner bergen”. (Zacharía 14 : 5) Dat dal staat niet op de kaart omdat het nu nog niet bestaat. De vertalers hebben “Jósafat” als naam opgevat. Het woord betekent “de Heer zal richten”. Het is dus het dal waar de Heer zal richten.

De uiteindelijke verlossing van Israël wordt altijd vergeleken met de verlossing van Israël uit Egypte. Toen Israël uit Egypte trok kwam ze bij de Schelfzee, die in tweeën scheurde. Daardoor ontstond er middenin het water een vallei. Zij vluchtte door dat dal het land uit naar de woestijn. Israël vluchtte door de gescheurde wateren. De Egyptenaren kwamen achter haar aan, maar toen klapten de wateren weer dicht en kwamen de Egyptenaren om. In de toekomst zal de Olijfberg scheuren, waardoor een dal ontstaat. Het overblijfsel van Israël zal door die gescheurde Olijfberg naar de woestijn vluchten. De heidenen die haar achtervolgen zullen ook door dat dal willen trekken. De Olijfberg zal weer dichtklappen, waardoor de vijandige legers omkomen (in een dor en woest land; Joël 2 : 20). Dit geldt uiteraard voor de legers die Israël door de gescheurde Olijfberg zullen volgen. In Joël 3 : 15 worden zon en maan nogmaals genoemd.

15 De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
16 En de HEERE zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de HEERE zal de Toevlucht Zijns volks, en de Sterkte der kinderen Israëls zijn.
17 En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.
18 En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren. Joël 3 : 15-18 

De maan wordt eerst rood en daarna zwart. In die dagen zal de Heer uit Sion brullen, want Hij is de Leeuw uit de stam van Juda. (Openbaring 5 : 5) De Heer zal in Jeruzalem Zijn troon vestigen (Joël 3 : 17) en van daaruit de volkeren der aarde onderwerpen. Dán zal de woestijn (= Israël) bloeien als een roos. (Jesaja 35 : 1) Het land was verwoest, maar het zal tot leven komen en vrucht dragen (Joël 3 : 18) als het volk zich bekeerd heeft en de Heer daar Zijn koninkrijk heeft gevestigd.

5. De profetie over de opname van de Gemeente

Het Schriftgedeelte in 1 Thessalonicenzen 5 : 1-11 volgt op een uiteenzetting aangaande de zogeheten “opname van de Gemeente”.

13 Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.
14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem.
15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst (Grieks: parousia = aanwezigheid) des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen (= weggerukt) worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.
18 Zo dan, vertroost elkander met deze woorden. 1 Thessalonicenzen 4 : 13-18

Het gaat hier om een gebeurtenis waarbij de gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling gezamenlijk zullen opgenomen worden, de Heer tegemoet in de lucht. Hier wordt niet in de eerste plaats geleerd dat ons een opname te wachten staat. In de eerste plaats wordt hier geleerd dat de toekomst van de Gemeente in de hemel ligt (en dus niet op de aarde). Er wordt in 1 Thessalonicenzen 4 : 13 over gelovigen gesproken die ontslapen zijn. In de dagen van het boek Handelingen werd niet alleen gepredikt dat het koninkrijk der hemelen nabij was gekomen, maar ook dat het binnen afzienbare tijd zou verschijnen. Als Israël tot geloof zou komen en de Naam van de Heer zou aanroepen, dan zou de Heer uit de hemel terugkomen. (Handelingen 3 : 20, 21) Dit zou gebeuren als Israël zich als volk zou bekeren. Op grond hiervan verwachtte men dat het koninkrijk binnen één generatie zou worden opgericht. Men verwachtte dus de openbaring van het koninkrijk van Christus op aarde. Het was uiteraard de bedoeling dat diezelfde generatie dat koninkrijk binnen zou gaan. Het bleek tamelijk lang te duren en er overleden gelovigen. De overige gelovigen maakten zich zorgen over de gelovigen die inmiddels ontslapen waren. Zij waren immers overleden en gingen dus het aardse koninkrijk niet binnen. Men wist toen slechts dat zij op de Jongste Dag zouden worden opgewekt. De gelovigen zouden bedroefd kunnen zijn/worden, vanwege de gelovigen die ontslapen waren.

Paulus geeft in 1 Thessalonicenzen 4 : 13-18 antwoord op dit probleem. Die nog leven hebben niets vóór ten opzichte van degenen die ontslapen zijn. (1 Thessalonicenzen 4 : 15) Die levend overblijven worden niet voorgetrokken ten opzichte van degenen die ontslapen zijn. Die ontslapen zijn zullen opgewekt worden. Het gaat hier niet over de Jongste Dag. Bovendien gaat het niet over de openbaring van het koninkrijk op aarde. Het gaat om een gebeurtenis die tot dán toe onbekend was, omdat de hemelse roeping en bestemming van de Gemeente nog onbekend was. De gelovigen van dié dagen verwachtten het aardse koninkrijk. Sinds het definitief terzijde stellen van Israël (vanwege het in ongeloof afwijzen van de Messias), werd bekendgemaakt wat God met de gelovigen van deze (vijfde) bedeling van plan is. Dat plan was vóór die tijd allang bij God bekend, maar Hij had het nog niet bekendgemaakt. (Éfeze 3 : 5) Paulus legt hier in 1 Thessalonicenzen 4 uit dat de gelovigen van onze bedeling niet op de openbaring van het koninkrijk wachten, want dan zouden degenen die levend overbleven vóór komen degenen die ontslapen waren. De gelovigen van onze bedeling verwachten een hemelse toekomst. Zij wachten niet op het openbaar worden van het koninkrijk op aarde, maar op het moment dat zij dat hemelse koninkrijk óók lichamelijk zullen binnen gaan.

De Mens Jezus is gestorven en opgestaan. (1 Thessalonicenzen 4 : 14) Bij Zijn opstanding werd Hij weliswaar tot Christus aangesteld, maar bij de opstanding was het graf leeg. Jezus, Die in het graf gelegd werd, is opgestaan! God heeft Jezus opgewekt. (Handelingen 2 : 32) God heeft Hem tot Here en tot Christus gemaakt. (Handelingen 2 : 36) De Here Jezus stierf, stond op en werd in de hemel aan Gods rechterhand gesteld. (o.a. Markus 16 : 19; Romeinen 8 : 34; Hebreeën 1 : 3) Wie gelooft dat Jezus is begraven en opgestaan, zal (als hij gestorven is) door God op dezelfde manier (= alzo) in Jezus gebracht worden met Hem. (1 Thessalonicenzen 4 : 14) De komma staat in dit vers op de verkeerde plaats. De komma hoort achter “ontslapen zijn” te staan.

1 Thessalonicenzen 4 : 14 (met de juiste leestekens)
14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen die ontslapen zijn, in Jezus (weder) brengen met Hem.

“In Jezus ontslapen” kan niet. De gelovigen zijn “in Christus” ontslapen. (= gestorven; 1 Thessalonicenzen 4 : 16) Zoals Jezus uit de dood werd opgewekt en aan Gods rechterhand werd gesteld, zo zullen de gelovigen van de huidige bedeling óók worden opgewekt (indien nodig) en in de hemel worden gesteld. Het gaat niet alleen om de feiten, maar ook om de manier waarop die feiten plaatsvonden en plaats zullen vinden. Het gaat bovendien om de consequenties van die feiten. Zoals God de Here Jezus heeft opgewekt, zo zal Hij dat ook met de gelovigen doen. Het gaat hier uiteraard om het feit dat de gelovigen een positie in de hemel hebben. In 1 Thessalonicenzen 4 : 14 wordt “alzo” gebruikt. In 1 Thessalonicenzen 4 : 17 komt het opnieuw voor. Deze zinnen staan weliswaar niet achter elkaar, maar ze kunnen prima naast elkaar worden geplaatst. Het kan zelfs opgevat worden als: “Want indien wij geloven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zullen wij altijd met de Here wezen”. Zoals Jezus gestorven is en opgestaan, alzo ook wij. Zoals God de ontslapenen zal brengen met Hem, alzo zullen zij altijd met de Here wezen. “Alzo” wijst dus op de manier waarop de zaken gebeuren. Die manier heeft niet alleen met de opstanding te maken, maar zelfs met de hemelvaart. Het gaat om “verhoging”. Christus hééft dat ontvangen en de Gemeente van Jezus Christus, Zijn Lichaam, zal datzelfde in Hem ontvangen. De Heer zal Zelf roepen. (1 Thessalonicenzen 4 : 16) “Aartsengel” betekent “eerste engel”. Aangezien de Heer Zelf in de Bijbel als “de engel des Heren” wordt aangeduid (Exodus 3 : 2, 4, 7; de HEERE is Jehovah, hetgeen eveneens op de Here Jezus wijst) is Hij dus de Aartsengel. In Daniël 12 : 1 wordt Hij “Michaël, de grote Vorst” genoemd. Michaël betekent “Wie is als God?”. Dé Mens naar Gods beeld en gelijkenis is de Here Jezus Christus. (Judas : 9) De Heer roept met de stem van de Aartsengel en met de bazuin van God. (1 Thessalonicenzen 4 : 16) “De bazuin van God” is feitelijk óók een omschrijving van de Here Jezus Christus. Hij is het Woord van God. De bazuin is de sjofar, de ramshoorn. Een hoorn wijst in de Bijbel altijd op de koning. Het geluid van de bazuin komt overeen met het spreken van die Koning.

Als de Heer uit de hemel nederdaalt gaat Hij naar de aarde. Er staat niét dat Hij op aarde komt. Er staat alleen dat Hij nederdaalt. Die in Christus waren en vervolgens gestorven zijn zullen eerst opstaan. “Opstanding” geeft aan dat de graven (voor zover die er nog zijn) opengaan. Die begraven zijn staan op en zijn dan dus op aarde. In de Bijbel worden bij een opstanding altijd de graven geopend. Een gelovige waarvan het graf niet meer bestaat, omdat alles inmiddels vergaan is, staat uiteraard wél op. God heeft het stoffelijk overschot helemaal niet nodig om iemand op te laten staan. God heeft dat stof niet nodig, maar als het er nog is blijft het niet liggen. Alle zegeningen die de gelovige heeft ontvangen zijn aan Christus ontleend. Het zijn de zegeningen van Christus. Toen de Here Jezus uit het graf opstond was het graf leeg. Als er ten tijde van de opname van de Gemeente graven van gelovigen zijn, zullen die graven open gaan. De ontslapen gelovigen zullen opstaan en zijn dan op aarde, evenals de gelovigen die nog in leven zijn. Gezamenlijk zullen zij de Heer tegemoet gaan in de lucht. (1 Thessalonicenzen 4 : 17) Meestal komen er nu problemen. Men zegt vaak: “Als een gelovige overlijdt gaat hij toch naar de hemel? Gaat hij dan eerst terug naar de aarde om vervolgens wéér naar de hemel te gaan?” Dit soort vragen komen voort uit onwetendheid. In de regel weet men niet wat onder “hemel” moet worden verstaan. De hemel der hemelen strekt zich uit tot aan de aardbodem. Dit betekent dat wij ons nú in de hemel der hemelen bevinden. God is in de hemel én Hij is in ons. Wij zijn in de hemel, terwijl we ook nog op aarde zijn. Het is geen ruimtelijk probleem, want de hemel strekt zich uit tot aan de aardbodem. Die hemel is onzienlijk, maar daarom wel realiteit. Er bestaat geen afstand tussen hier (de aarde) en de hemel der hemelen en andersom dus evenmin. Er was een zichtbare hemelvaart van de Here Jezus. De feitelijke hemelvaart vond op de dag van de opstanding plaats. (Johannes 20 : 17 met Johannes 20 : 27) De zichtbare hemelvaart van de Heer (Handelingen 1 : 9) was slechts een teken waarbij op demonstratieve wijze de positie van Christus in onze dagen geïllustreerd werd. Daarom verscheen Hij bijvoorbeeld ook in een zichtbare, verheerlijkte gedaante op de berg der verheerlijking. Als Hij in de toekomst zichtbaar zal verschijnen op de Olijfberg is dat eveneens een demonstratie.

De Gemeente zal op dezelfde manier als de Heer worden opgenomen (weggerukt); lichamelijk! “Opstanding” heeft altijd met het lichaam te maken, want geestelijk zijn ze helemaal niet dood. Het lichaam staat op. De graven gaan open, hetgeen voor de mensheid te zien zal zijn. Alle gelovigen van de vijfde bedeling zullen de Heer tegemoet gaan in de lucht. Het gebeurt gezamenlijk vanwege de eenheid die de Gemeente is. De Gemeente is één. Iedere gelovige van de huidige bedeling zál deel hebben aan de opname van de gemeente! Dit is niet afhankelijk van of men van die opname af weet of niet. Alle gelovigen van de vijfde bedeling zullen in wolken opgenomen worden. (1 Thessalonicenzen 4 : 17) Dit is létterlijk, zoals ook de hemelvaart van Christus (Handelingen 1 : 9) letterlijk plaatsvond. In verband met Zijn hemelvaart werd óók over een wolk gesproken. De opname van de Gemeente is een letterlijke en zichtbare zaak! In de lucht zullen de Heer en de Gemeente verenigd worden. Vanaf dat moment maken de gelovigen van de Gemeente geen deel meer uit van de aarde, maar alléén van de hemel waarvan zij sinds hun wedergeboorte reeds deel uitmaakten. Paulus spreekt hier over “wij, die levend overgebleven zijn”. Paulus zegt “wij”, omdat hij zich met de gelovigen vereenzelvigt. De hoop van elke gelovige is niét dat hij zal sterven en daarna opstaan, hoewel dat met de meeste gelovigen gebeurd is. Een gelovige ziet niet uit naar zijn overlijden, maar hij ziet uit naar de opname van de Gemeente. De Here Jezus zag niet uit naar Zijn kruisiging, maar naar Zijn verheerlijking. (Lukas 24 : 26; Hebreeën 12 : 2) Dit geldt eveneens voor de gelovige. Dáár hoort de gelovige op gericht te zijn. Zijn zalige hoop (Titus 2 : 13) is dat hij deel heeft aan de opname van de Gemeente.

Sommigen menen dat Paulus op het moment dat hij deze brief schreef, niet op de hoogte was van de positie van de Gemeente. Dit is onjuist. Hij schreef hier dat de Gemeente de Heer tegemoet zal gaan in de lucht. Paulus schreef bovendien in Éfeze 3 : 3 dat hij tevoren over deze dingen gesproken heeft. Paulus kende de verborgenheid van Christus (Éfeze 3 : 4) en alles wat daarmee te maken heeft. Vóór hij aan zijn openbare optreden begon was hij in Arabië geweest. Hij heeft daar alles gezien wat hij later bekend heeft gemaakt. Paulus schreef over de opname van de Gemeente en daartoe rekende hij zichzelf uiteraard ook. Wij leven nu in een tijd waarin we in staat zijn de zaken nauwkeurig te berekenen, omdat we alle gegevens die we daartoe nodig hebben tot onze beschikking hebben. In de dagen van Paulus waren die gegevens niet voorhanden. Daardoor hebben de gelovigen door alle eeuwen heen als verwachting gehad: de komst van Christus en de daarmee gepaard gaande opname van de Gemeente. Dáár hebben alle oprechte gelovigen door de eeuwen heen naar uitgezien en dat was juist. De gelovige hoort daarop gericht te zijn en daardoor zijn gedachten te laten bepalen. Paulus roept de gelovigen op om elkaar met die woorden te vertroosten. (1 Thessalonicenzen 4 : 18) De troost is dat de ontslapen gelovigen, die we lief hebben gehad, zullen opstaan, waarna we gezamenlijk de Heer tegemoet zullen gaan in de lucht om zo voor altijd met Hem te zijn.

1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht. 1 Thessalonicenzen 5 : 1, 2

Paulus vond het niet nodig om nog over tijden en gelegenheden te spreken, want hij ging ervan uit dat dit bij de Thessalonicenzen bekend was. Paulus schrijft hier over de dag des Heren. Die begint aan het einde van de 70-ste week. De uitdrukking “de dag des Heren” wijst feitelijk op het gehele geopenbaarde koninkrijk van Christus, tot aan de Jongste Dag.

Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins onvlieden. 1 Thessalonicenzen 5 : 3

Paulus spreekt hier niet over “wij”, maar over “zij”. Het gaat dus niet over de gelovigen die nog leven en ook niet over de gelovigen die reeds ontslapen zijn. Het gaat over degenen die in dié dagen zullen leven. Dat zijn niet de gelovigen van de vijfde bedeling, want die zijn dán al opgenomen naar de hemel. De opname van de Gemeente vindt vóór de dag des Heren plaats, namelijk bij het begin van de 70-ste week. Degenen die dán leven zullen zeggen: “Vrede en zonder gevaar”. Dit zijn dezelfden als “de velen” uit Daniël 9 : 27. Zij menen dat er vrede is omdat zij een verbond hebben gesloten met de vorst (= het beest). Op dát moment zal een haastig verderf hen overkomen. “Vrede en zonder gevaar” slaat op de eerste helft van de 70-ste week. “Een haastig verderf zal hen overkomen” slaat op de tweede helft van de 70-ste week, vanaf de oprichting van de gruwel der verwoesting. Het verderf komt in de 1260 dagen van de grote verdrukking. Uit de voorgaande profetie hebben we gezien dat na de 70/ste week de dag des Heren begint. Die dag komt dus ná de 70-ste week.

In 1 Thessalonicenzen 5 : 3 wordt dit verderf vergeleken met de barensnood van een bevruchte vrouw. De Here Jezus sprak in Matthéüs 24 : 19 eveneens over een bevruchte vrouw: “Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!” Het gaat in beide teksten over het midden van de 70-ste week. In de tweede helft van de 70-ste week zal men het land niet meer kunnen verlaten. Er is geen mogelijkheid om aan het verderf te ontkomen, hetgeen Paulus hier eveneens zegt: “Zij zullen het (= het verderf) geenszins ontvlieden”. Men zal de 1260 dagen van de grote verdrukking moeten doormaken, tot en met de verwoesting van Jeruzalem en het verschijnen van de Heer op de Olijfberg.

4 Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
5 Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis. 1 Thessalonicenzen 5 : 4, 5

“Gij, broeders” slaat op de gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling. De gelovigen van de huidige bedeling zijn niet in duisternis. De dag des Heren komt als een dief in de nacht. Men weet niet wanneer die dag komt. De gelovigen van de huidige bedeling kúnnen het begin van die dag inderdaad weten, maar dán zijn zij weg. Degenen die zeggen “Vrede en zonder gevaar”, zijn ongelovigen. Ongelovigen weten niet wanneer de dag des Heren aanbreekt. Paulus zegt dat gelovigen niet in duisternis wandelen, omdat zij állen kinderen des lichts zijn en kinderen des daags. Gelovigen behoren niet bij de nacht, noch bij de duisternis.

6 Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nacht dronken.
8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid. 1 Thessalonicenzen 5 : 6-8

Omdat gelovigen niet bij de nacht en niet bij de duisternis horen, worden zij opgeroepen te waken en nuchter te zijn. De gelovige draagt het schild des geloofs. (Éfeze 6 : 16) Het geloof zetelt in het hart. (Romeinen 10 : 10) Hij draagt als helm de hoop der zaligheid. (Éfeze 6 : 17) De hoop van de gelovige is niet om zalig te sterven, maar om zalig te leven. De zaligheid waarop hij hoopt bestaat uit de opname van de Gemeente, waar Paulus zojuist over geschreven heeft.

9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;
10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.
11 Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet. 1 Thessalonicenzen 5 : 9-11

Vóór de toekomende toorn worden de gelovigen van de huidige bedeling opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht. Bij die gelegenheid ontvangen zij zaligheid. Zij zijn niét tot toorn gesteld. Wie zijn dan wél tot toorn gesteld? De vaten des toorns vallen onder de toorn van God, want zij zijn tot het verderf toebereid. (Romeinen 9 : 22) “Vaten des toorns” is een uitdrukking die op ongelovigen van toepassing is en met name op het ongelovige Israël, want daarover spreekt Romeinen 9. Uit 1 Thessalonicenzen 5 blijkt dat de opname van de Gemeente vóór het midden van de 70-ste week plaatsvindt. De toorn (= de grote verdrukking) begint immers in het midden van de 70-ste week! Vóór die tijd wordt de Gemeente opgenomen op de dag dat de ongelovige staat Israël een verbond sluit met het beest. De tien-statenbond zal in de dagen vóór de opname eveneens bestaan. De vorst die zich bóven die tien-statenbond zal plaatsen (= de elfde hoorn) zal met Israël dat verbond sluiten.

De opname van de Gemeente is vóór de aanvang van de dag des Heren. Dus vóór het haastig verderf en zelfs vóór de “vrede”. De roeping van de Gemeente valt in de tijd tussen de 69-ste en 70-ste week. De 70 weken horen bij de tijdrekening van Israël. Die werd onderbroken en in die tijd wordt de Gemeente geroepen. Het is logisch dat de Gemeente verdwijnt vóór de tijd voor Israël weer begint te lopen. De datering van de opname van de Gemeente is vanuit het verleden niet te geven. De opname is niet ná een bepaalde tijd, maar vóór een bepaalde gebeurtenis. Bij de berekening wordt altijd vanaf het einde van de 70-ste week gerekend. Hét aanknopingspunt is de verduistering van zon, maan en sterren. Daarom wordt deze gebeurtenis ook zo vaak in de Bijbel vermeld. Alle profetieën kunnen aan de hand van die gebeurtenis “over elkaar worden gelegd”. De gelovigen ontvangen zaligheid door de Here Jezus Christus en niet door zichzelf. “Zaligheid” staat hier niet voor de zaligheid in het algemeen (= eeuwig leven). Het gaat hier specifiek om de opname van de Gemeente als zalige hoop van de gelovigen. (1 Thessalonicenzen 5 : 8) “Zaligheid” staat voor het geheel van Gods zegeningen. Het wordt ook voor delen van die zegeningen gebruikt. Zaligheid kan op eeuwig leven slaan. Hier slaat het op de opname van de Gemeente. Het kan ook op het loon slaan dat gelovigen ontvangen voor de werken des geloofs.

12 Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veel meer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven;
13 Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Filippenzen 2 : 12, 13

Dit vers zegt niét dat iemand door (hard te) werken behouden kan worden! Slechts door geloof ontvangt men zaligheid. Het gaat hier om de werken des geloofs die God in/door de gelovige kan doen. Het gaat hier dus om het loon dat een gelovige kan ontvangen. De opname van de Gemeente is geen loon. Het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5 : 9) komt overeen met “in Jezus brengen met Hem” (1 Thessalonicenzen 4 : 14) Zoals de Here Jezus is gestorven, opgewekt en in de hemel geplaatst, zo zal dat ook met de gelovigen van de Gemeente gebeuren. In 1 Thessalonicenzen 5 : 11 staat “vermaant”. Beter vertaald is dat “vertroost”. Hier staat hetzelfde Griekse woord als in 1 Thessalonicenzen 4 : 18. “Stichten” betekent “opbouwen”. De opname van de Gemeente wordt ook in 1 Korinthe 15 vermeld.

51 Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 52 In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. 55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning. 56 De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. 58 Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. 1 Korinthe 15 : 51-58

Geheel hoofdstuk 15 spreekt over de lichamelijke opstanding. Dat is de inhoud van het evangelie. De blijde boodschap is dat er leven is uit de dood. De Eersteling, Christus, is de Erfgenaam van Adam, Abraham, David en God geworden. Door de opstanding werd Hij gesteld tot Heer en tot Christus. (Handelingen 2 : 36) Christus is de beloofde Koning, de Messias, de Trooster, de Vertroosting Israëls. (Lukas 2 : 25) Hij ís opgestaan en er zijn velen getuigen van geweest. (1 Korinthe 15 : 5-8) Alle gelovigen zullen deel krijgen aan die opstanding. De opstanding vindt op verschillende tijdstippen plaats. Christus, de Eersteling, is als Eerste opgestaan. Daarna zullen degenen die van Christus zijn in Zijn toekomst (= parousia), opstaan. De laatste opstanding vindt plaats wanneer Hij het koninkrijk aan God zal overgeven. (1 Korinthe 15 : 23, 24) De opstanding wordt hier in drie fasen onderverdeeld. Paulus legt vanaf 1 Korinthe 15 : 37 uit dat het lichaam dat opstaat ánders is dan het lichaam dat begraven werd. Het opstandingslichaam is een andersoortig lichaam dan het lichaam dat stierf. Vervolgens gaat hij vanaf 1 Korinthe 15 : 51 uitleggen dat er nog een geheel ándere opstanding is, waarover hij tot dan toe in dit hoofdstuk nog niet gesproken had, namelijk: de opname van de gemeente.

Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 1 Korinthe 15 : 51

“Verborgenheid” (Grieks: mustèrion) is in de Bijbel altijd de uitdrukking voor de gebeurtenissen tussen de 69-ste en de 70-ste week. Met name de zaken ten aanzien van de Koning en het koninkrijk zijn verborgen. “Verborgenheid” geeft niet alleen aan dát er iets verborgen is, het geeft tevens aan wát er verborgen is. De Koning is verborgen en daarom ook het koninkrijk. Alle waarheden aangaande het verborgen koninkrijk en de roeping van de Gemeente in de huidige (vijfde) bedeling worden met de term “verborgenheid” aangeduid. Paulus gebruikt hier het begrip “verborgenheid”, hetgeen inhoudt dat hij Gemeentelijke waarheid gaat noemen. “Wel” heeft hier de betekenis van “weliswaar”. Dit geeft een tegenstelling met iets anders aan. Die tegenstelling volgt na het woordje “maar”. We zullen weliswaar niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden. Dit sluit dus volkomen aan bij 1 Thessalonicenzen 4. Die levend overblijven sterven niet. Die ontslapen zijn zullen opstaan en die levend overblijven zullen te zamen met hen veranderd worden. Tezamen zullen alle gelovigen in een veranderd lichaam de Heer tegemoet gaan in de lucht. Als iemand gestorven is en opstaat, staat hij in een andersoortig lichaam op dan waarin hij begraven werd. Degenen die op het moment van de opname niet gestorven zijn, ontvangen eveneens zo’n andersoortig lichaam.

In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 1 Korinthe 15 : 52

Bijbelstudie – Profetisch panorama 57

“Een punt des tijds” wil zeggen “een ondeelbaar ogenblik”. Het is tijd die niet gedeeld kan worden. Het Griekse woord is “atomos”, dat “ondeelbaar” betekent. “In een ogenblik” betekent letterlijk “in een oogwenk” en dat geeft aan dat het razendsnel gebeurt.

Paulus citeert in 1 Korinthe 15 : 53, 54 Jesaja 25 : 8 en Hoséa 13 : 14. Deze teksten hebben dáár betrekking op de opstanding op de Jongste Dag. Het gaat in 1 Korinthe 15 : 53, 54 niet over de opstanding op de Jongste Dag, maar over de opstanding van de gelovigen van de vijfde bedeling. Paulus gebruikt dezelfde teksten, want voor hen is de dood al overwonnen.

55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning.
56 De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.
57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.
58 Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. 1 Korinthe 15 : 55-58

De gelovigen hébben de overwinning. Zij hoeven er niet voor te strijden, want de Heer gééft de overwinning. De gelovigen hoeven er niet naar te streven om aan de opname deel te hebben. Ze hébben deel aan de opname omdat God het hen geeft door de Here Jezus Christus. Paulus schreef in 1 Thessalonicenzen 5 : 9 hetzelfde: “God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging van zaligheid”.

Paulus sloot in 1 Thessalonicenzen 5 : 11 af met een vertroosting. Dat doet hij hier eveneens: “Wees standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer”. De gelovige kan dit zijn omdat hij weet dat zijn arbeid niet ijdel is in de Heer. Dit betekent dat de arbeid niet in de dood eindigt, maar in de opname van de Gemeente, waarna de openbaring voor de rechterstoel van Christus volgt. Het loon is niet de opname. Het loon wordt ná de opname gegeven, voor de rechterstoel van Christus. (2 Korinthe 5 : 10)

6. Openbaring en de 70-ste week

In hoofdstuk 6 van het boek Openbaring wordt voor het eerst over zaken gesproken die ook nu nog toekomst zijn. In de eerste vijf hoofdstukken wordt over Christus gesproken en over het verborgen koninkrijk, zoals wij dat in onze dagen kennen. Er is er slechts Eén Die waardig is om het koninkrijk te ontvangen en te openbaren: de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel Davids, (Openbaring 5 : 5) namelijk: het Lam, staande als geslacht. (Openbaring 5 : 6) In Openbaring 6 staan de eerste visioenen met betrekking tot de toekomstige openbaring van het koninkrijk van Christus.

En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie! Openbaring 6 : 1

Het Lam zit op de troon. (Openbaring 5 : 6) Hij opent hier het eerste zegel, waarna Johannes een visioen zag. In Openbaring 6 zijn we in de 70-ste week van Daniël 9 aangekomen. Het is logisch te verwachten dat de zaken aangaande de 70-ste week opgepakt worden. De geschiedenis stopte aan het einde van de 69-ste week en gaat hier bij de aanvang van de 70-ste week verder met de toekomende dingen.

En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne! Openbaring 6 : 2

Een paard is een beeld van koningschap, macht, waardigheid. Degene die op het witte paard zit wordt niet genoemd. Er staat van hem dat hij een boog heeft. “Hem is een kroon gegeven” geeft aan dat het een bepaalde leider is. “Hij ging uit, overwinnende en opdat hij overwon.” Dit betekent dat hij bezig is een rijk op te bouwen en dat lukt hem. Deze persoon komt ook in het Oude Testament voor, namelijk in het boek Daniël. In Daniël 8 : 9 wordt hij “de kleine hoorn” genoemd. Het is de machthebber van het laatste wereldrijk. Hier in Openbaring 6 : 2 is hij dat nog niet. Daarom wordt hij ook niet als zodanig beschreven. Hier vinden de oprichting van een rijk door iemand die een boog heeft. Het is merkwaardig dat er niet bij staat dat hij pijlen heeft. Dit geeft aan dat hij weliswaar grote macht heeft, maar dat zijn rijk niet door militair geweld tot stand komt. Er zal ongetwijfeld militaire dreiging zijn, maar het is zeer de vraag of er inderdaad op grote schaal militair geweld gebruikt zal worden.

Deze persoon zal een kroon ontvangen. Meestal némen dergelijke personen een kroon, maar hij ontvangt er één. Er wordt hem een kroon aangeboden. Dit betekent dat hij eigenlijk niet voor een kroon in aanmerking komt, maar hij krijgt er toch één. Degene die hiér op een wit paard zit, is niet de Christus! In Openbaring 19 : 11 rijdt dé Christus, het Woord Gods (19 : 13) op een wit paard. Hij wordt Getrouw en Waarachtig, (19 : 11) Koning der koningen en Here der heren genoemd. (19 : 16) In Openbaring 6 : 2 gaat het niet om Christus, maar om de tegenstander.

3 En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!
4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven. Openbaring 6 : 3, 4

“Het” (met een hoofdletter) slaat op het Lam uit Openbaring 6 : 1. Bij het tweede zegel wordt de vrede van de aarde weggenomen. Dit betekent dat er onder het eerste zegel “vrede” was. Dit hebben we in Thessalonicenzen 5 reeds gezien. Eerst is er 3,5 jaar “vrede, zonder gevaar”, maar een haastig verderf zal hen overkomen, hetgeen op de tweede 3,5 jaar van de 70-ste week slaat. De overgang van de “vrede” naar “het verderf” valt in het midden van de 70-ste week. De vier ruiters op vier verschillende paarden hoeven niet vier verschillende mensen voor te stellen. Het is een visioen en het gaat dus om symboliek. Die op het paard zit is de macht(hebber). Eerst zorgt een macht voor vrede. Als er vrede tot stand wordt gebracht, komt er vanzelfsprekend een vereniging van volkeren tot stand. Er worden over en weer verbonden gesloten. Vanuit Daniël 9 : 27 weten we dat er aan het begin van de 70-ste week een verbond met de Joodse staat zal worden gesloten. Bij de eerste ruiter gaat het om gebeurtenissen die in de eerste helft van de 70-ste week zullen plaatsvinden. Theoretisch zou het ook over gebeurtenissen kunnen gaan die aan de 70-ste week voorafgaan. Het slaat in ieder geval op de eerste helft van de 70-ste week. De tweede ruiter neemt de vrede van de aarde weg. Men zal elkaar doden. Deze ruiter heeft een groot zwaard, hetgeen een symbool van oorlog is.

5 En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn Handelingen
6 En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en den wijn niet. Openbaring 6 : 5, 6

Het Lam opent het derde zegel, waarna een zwart paard gezien wordt. De ruiter op het zwarte paard heeft een weegschaal in zijn hand. Er moet nauwkeurig gewogen worden, hetgeen aangeeft dat er weinig is. Er zal een distributiesysteem komen. Als er oorlog is, is er tevens hongersnood. Voedsel zal erg schaars zijn en daarom ontzettend duur. Normaal werkt de mens voor zijn eten. De mens is altijd bezig om zijn eten te bereiden. Als de oogst rijp is, is er niemand om die binnen te halen, waardoor die oogst verloren gaat. Dat hebben we in Joël ook reeds gezien, waar het door sprinkhanenplagen werd voorgesteld. Ook dit slaat op de tweede helft van de 70-ste week. Vanuit andere profetieën, die reeds zijn aangehaald, weten we dat deze dingen zullen plaatsvinden. Hier in Openbaring 6 worden de zaken in de exacte volgorde genoemd.

7 En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!
8 En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel (= het dodenrijk) volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde. Openbaring 6 : 7, 8

Als het Lam het vierde zegel opent wordt er een vaal paard gezien. De ruiter op het vale (= kleurloze) paard heet “de dood”. Het dodenrijk volgt hem. “De aarde” kan hier beter met “het land” vertaald worden. Het gaat hier over de 70-ste week en dus over het land Israël, de Joodse staat. Het kan zijn dat dergelijke dingen ook ná de 70-ste week plaatsvinden, maar dat wordt hiér niet genoemd. Hun wordt macht gegeven om het vierde (deel) van de aarde te doden. “Hun” (Openbaring 6 : 8) slaat niet alleen op de ruiter op het vale paard, maar op de drie ruiters, namelijk die op het rode, het zwarte en het vale paard. Zij doden door middel van het zwaard (= oorlog), honger en dood. Er worden ook wilde dieren genoemd. Dit is merkwaardig, want in de Joodse staat komen vrijwel geen wilde dieren voor. Het gaat ook hierbij om symboliek. De beesten die hier bedoeld worden komen pas in Openbaring 13 aan de orde. De ruiter op het eerste paard wijst op de eerste helft van de 70-ste week. De tweede, derde en vierde ruiter komen in de tweede helft van de 70-ste week. De drie ruiters worden hier samengevat, wat aangeeft dat de reeks compleet is. De omschrijving van de paarden is compleet, omdat de beschrijving van de 70-ste week compleet is. Hetgeen vanaf Openbaring 6 : 9 volgt, beschrijft niet hetgeen in de 70-ste week zal plaatsvinden. Het spreekt over hetgeen aan het einde van de 70-ste week gebeurt.

9 En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden.
10 En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen.
11 En aan een ieder werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij. Openbaring 6 : 9-11

Als het Lam het vijfde zegel opent wordt er een altaar gezien waaronder zich de zielen bevinden van degenen die gedood waren om het Woord van God en om de getuigenis die zij hadden. Het gaat hier nog steeds om een visioen. Er staat in de hemel geen letterlijk altaar waaronder zich zielen bevinden. Johannes ziet zielen. “Zielen” zijn mensen en die zijn dus zichtbaar. Het altaar staat (neutraal gezien) voor religiositeit. Meer gespecificeerd staat het altaar model voor de dienst aan God. De zielen liggen onder het altaar en dat betekent dat die zielen de dupe van het altaar zijn geworden. Ze zijn slachtoffer geworden van hun dienst aan God. Het gaat hier dus om martelaren. “Martelaar” betekent letterlijk “een getuige”. Getuigen werden gewoonlijk gedood om hun getuigenis. Daardoor heeft het woord “martelaar” in het Nederlands de betekenis van “een gedode getuige” gekregen. Deze martelaren werden vanwege het Woord van God en hun getuigenis gedood. Zij zijn in de tweede helft van de 70-ste week gedood omdat zij het evangelie predikten. “Heilige en waarachtige Heerser” is de omschrijving van Christus. Christus is de enige heilige en waarachtige Heerser. De martelaren spreken Christus toe. Ze vragen Hem hoelang Hij niet oordeelt en hun bloed niet wreekt van degenen die op de aarde wonen. Aan hen worden witte klederen gegeven. Tegen deze martelaren wordt gezegd dat zij nog een kleine tijd moeten rusten totdat hun mededienstknechten en broeders gedood zullen zijn.

Het einde van de 70-ste week valt gelijk met het einde van de 1260 dagen van verdrukking over Israël. Er zijn martelaren die vanwege hun getuigenis gedood zijn. Op de laatste dag van de 70-ste week zal de Messias op de Olijfberg verschijnen. Deze martelaren vragen dán hoelang het nog duurt voordat zij op zullen staan, want dat was hen beloofd. Ze moeten nog een kleine tijd rusten, want er zullen er nog meer gedood worden. Er volgt namelijk nog een periode van verdrukking die 33 jaar zal duren. Die verdrukking komt over de overige volkeren. In die 33 jaar zullen er ook gelovigen gedood worden vanwege het getuigenis dat zij hebben. Aan het einde van de 70-ste week is de verzameling van de martelaren uit de grote verdrukking dus nog niet compleet, omdat de grote verdrukking nog lang niet is afgelopen. Die verdrukking is alléén voor de uitverkorenen verkort. (Matthéüs 24 : 22)

Er moet nog worden opgemerkt dat gelovigen na de 70-ste week niet ziek hoeven te zijn. Als iemand toch ziek wordt, dient hij de oudsten te roepen om hem te zalven (Jakobus 5 : 14-16) De zieke zál genezen. In verband met de openbaring van het koninkrijk zei de Heer:

17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken,
18 Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat al hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden. Markus 16 : 17, 18

Degenen die de boodschap in geloof aanvaarden, zullen deelhebben aan de aangekondigde zegeningen. Zij zullen het koninkrijk (= de duizend jaar) ingaan. Het is niet de bedoeling dat de gelovigen vóór die tijd overlijden. Degenen (uitgezonderd de 144.000) die de boodschap brengen, behoren niet te sterven. Als iemand met geweld gedood wordt zal hij worden opgewekt om het koninkrijk binnen te gaan. Deze verzen uit Openbaring 6 vinden hun vervolg in Openbaring 20, waar het aanbreken van de duizend jaar wordt beschreven.

4 En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaar.
5 Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaar geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
6 Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaar. Openbaring 20 : 4-6

Hier worden opnieuw martelaren genoemd. Het gaat hier om het begin van de duizend jaar. Het is dus niet het einde van de 70-ste week, maar het einde van de 33 jaar. Ze worden opgewekt en leven en heersen als koningen met Christus gedurende de duizend jaar. Zij worden aan het einde van de 33 jaar opgewekt, hetgeen uitzonderlijk is. Alle doden, behalve die van de Gemeente van de vijfde bedeling, worden namelijk pas op de Jongste Dag opgewekt. Deze zielen behoren niet bij de Gemeente, want die is dán allang opgenomen naar de hemel. Zij worden opgewekt en zullen gedurende de duizend jaar met Christus heersen. De gelovigen die levend overblijven zullen niet voorkomen degenen die ontslapen zijn. Dit principe geldt óók ten aanzien van het ingaan in het koninkrijk. De gelovigen die in de tweede helft van de 70-ste week zijn gedood, worden pas aan het eind van de 33 jaar opgewekt en gaan dán het koninkrijk binnen. Ze staan dus niet op bij het begin, maar pas bij de voltooiing van de openbaring van het koninkrijk op aarde. Het gaat hier uitsluitend om gelovigen die in de zesde bedeling gedood worden. Zij zijn martelaren en zullen aan het begin van de duizend jaar worden opgewekt en het koninkrijk ingaan.

12 En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed. 13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. Openbaring 6 : 12-14

Het Lam opent het zesde zegel aan het einde van de 70-ste week. Er vindt een aardbeving plaats zoals in de dagen van Uzzía. (Amos 1 : 1; Zacharía 14 : 5) Bij die gelegenheid wordt de zon zwart als een haren zak. Een haren zak is een beeld van rouw. Het licht verdwijnt, het wordt duister en er zal rouw worden bedreven. De maan wordt als bloed. De sterren des hemels vallen op de aarde, zoals een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt. Elders staat dat de sterren geen licht geven. (Jesaja 13 : 10) Hier wordt het anders geformuleerd, omdat er meteen een typologische betekenis aan gegeven wordt. Als de vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, vallen ze uiteraard op de aarde. Dit gebeurt wanneer hij door een grote wind geschud wordt. “Wind” is een beeld van de Geest. De vijgeboom is een beeld van de Joodse staat. De onrijpe vijgen zijn een beeld van de ongelovige leden van de Joodse staat. Dat kunnen best heidenen zijn. Zij zullen sterven. Dit alles gebeurt aan het einde van de 70-ste week. De hemel is weggeweken als een boek dat toegerold wordt. Men zegt ten onrechte dat het licht zich rechtlijnig en met dezelfde snelheid door de ruimte voortbeweegt. Als de hemel wegwijkt zal dat wél gebeuren. Daardoor kan men rechtstreeks in de hemel kijken. Als dit gebeurt ziet de mens hoe de schepping werkelijk in elkaar zit. Men zal zien dat de aarde hol is. Dat is voor de mensheid zeer bedreigend. Als het licht zich rechtlijnig en met dezelfde snelheid voortplant wordt het op aarde niet meer donker. De zon gaat niet meer onder zoals reeds in Zacharía 14 : 7 staat.

15 En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten, over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;
16 En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. 17 Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? Openbaring 6 : 15-17

“Valt op ons en verberg ons” geeft tweemaal hetzelfde aan. Zij zijn niet van plan om zelfmoord te plegen. Het geeft aan dat zij zich willen verbergen. Ze willen zich verbergen voor Degene Die op de troon zit. Het Lam zit op de troon (Openbaring 5 : 6) zoals ook in Openbaring 6 : 16 staat. Ze willen zich verbergen voor de toorn van het Lam. Het Lam Dat op de troon zit is toornig geworden. Het gaat hier om het einde van de 70-ste week. De grote verdrukking is nog lang niet afgelopen. Integendeel! De grote verdrukking is dan voor de volkeren net begonnen. Door de 3,5 jaar van verdrukking en door de prediking van de boodschap is Israël tot bekering gebracht. Na die 3,5 jaar breekt de verdrukking pas goed los, namelijk over de volkeren der aarde. Dán begint namelijk de grote dag van Zijn toorn. (vers 17) De grote dag van Zijn toorn begint na de 70-ste week. Die dag duurt (hooguit) tot aan het eind van de 33 jaar, want dan beginnen de duizend jaar. Volgens Joël 2 begint de dag des Heren na de verduistering van zon, maan en sterren. Hier in Openbaring 6 wordt gezegd dat bij de verduistering van zon, maan en sterren de dag van Zijn toon begint. Het begin van de dag des Heren en het begin van de dag Zijns toorns vallen dus samen. Er is verschil tussen beide dagen. De dag des Heren is niet alleen de aanduiding van de 33 jaar, maar ook van de zevende bedeling. De dag des Heren, de sabbat, slaat op het gehele geopenbaarde koninkrijk van Christus. De dag Zijns toorns is de eerste 33 jaar van de dag des Heren. De dag des toorns is dus feitelijk de komst (= het aanbreken) van de dag des Heren. De dag van Zijn toorn is niet gelijk aan “de tijd der benauwdheid van Jakob”. (Jeremia 30 : 7) De tijd der benauwdheid van Jakob is de tweede helft van de 70-ste week. Ná de tijd der benauwdheid van Jakob begint de dag van Zijn toorn. Dat is aan het einde van de 70-ste week. Het slaat niet op de grote verdrukking die aan de verduistering van de zon, maan en sterren voorafgaat. De grote dag van Zijn toorn begint bij die verduistering. De grote verdrukking, die aan die verduistering voorafgaat, geldt slechts voor de Joodse staat.

En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken de aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enigen boom. Openbaring 7 : 1 1

Een hoek geeft een richting aan. Het is een bepaalde kant en daarmee ook een richting. De vier engelen houden de vier winden der aarde. Die wind heeft inmiddels de vijgenboom geschud, waardoor de onrijpe vijgen eraf zijn gevallen. Die wind gaat vervolgens de overige bomen (= volkeren) schudden, opdat ook daar de onrijpe vruchten vanaf zullen vallen. De vier engelen houden de winden vast. Er is even rust.

2 En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, welken macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen.
3 Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. Openbaring 7 : 2, 3

“De opgang der zon” wijst op het oosten. De zon komt op vanuit het oosten (= de oorsprong van alle dingen). Deze engel heeft het zegel van de levende God. Hij heeft een waarmerk bij zich om mensen te verzegelen, te “merken”. Deze engel roept de vier engelen toe dat zij de aarde nog niet moeten beschadigen. “Aarde” kan ook met “land” worden vertaald, maar omdat er “zee” achter staat wijst het hier op de volkeren. (de volkerenzee; Openbaring 17 : 15) Het gaat hier dus om “aarde” in de brede betekenis van het woord, namelijk de gehele wereld. Zoals de bijl aan de wortel van de vijgenboom lag, zo ligt die ook aan de wortel van de overige bomen. Het gaat om de vijgenboom én de andere bomen. (Lukas 21 : 29) Israël is geoordeeld, maar de andere volkeren zullen ook geoordeeld worden. De vier engelen zullen de aarde en de bomen beschadigen omdat de grote dag van Zijn toorn is aangebroken. Vóór de verdrukking over de overige volkeren komt is er eerst een korte pauze opdat de dienstknechten van God verzegeld kunnen worden. Veel gelovigen zijn bang voor pincodes en voor het teken van het beest, (Openbaring 13 : 16) maar God werkt Zelf met “tekens”. Het teken van God heeft niets met computers te maken en dus het teken van het beest evenmin. De dienstknechten van God ontvangen een teken aan hun voorhoofden. Dit zegel komt ook in Ezechiël 9 : 4 voor: “En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden”.

4 En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls.
5 Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld;
6 Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld;
7 Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;
8 Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld. Openbaring 7 : 4-8

Eerst wordt gezegd hoeveel dienstknechten verzegeld worden. Vervolgens wordt gezegd wie er verzegeld worden. De grote verdrukking gaat hier beginnen. De zaligheid is echter niet uit verdrukking, maar uit het geloof (Éfeze 2 : 8) Het geloof is door het gehoor. (Romeinen 10 : 17) Verdrukking kán ertoe leiden dat men naar het Woord van God gaat luisteren. Verdrukking is echter geen kracht tot zaligheid. Het evangelie is een kracht Gods tot zaligheid. (Romeinen 1 : 16) De verdrukking is dus niet het belangrijkste. Het belangrijkste is dat het evangelie gepredikt wordt.

13 Want een ieder, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? Romeinen 10 : 13, 14

Als de Heer gepredikt wordt zal men in Hem kunnen geloven. Wie in Hem gelooft zal Hem aanroepen; zéker als er verdrukking is. Er worden 144.000 dienstknechten verzegeld. Dit zijn ongetwijfeld dezelfden als degenen die olie verkopen. (Matthéüs 25 : 9, 10) Zij prediken het evangelie, niet tijdens de 70-ste week, maar daarna. Het gaat hier om 144.000 dienstknechten. Dit behoort niet overdrachtelijk te worden gezien, zoals sommigen beweren. Zij bedoelen hiermee dat het om erg veel dienstknechten gaat. Het zijn 144.000 dienstknechten, zo blijkt uit de onderverdeling. Het gaat om twaalf stammen van Israël. Het getal “twaalf” staat voor heerschappij, het uitoefenen van macht. Die heerschappij is aan Israël gegeven, want “Israël” betekent “strijder/heerser met God”. Daarom waren er twaalf discipelen. Zij predikten (aanvankelijk) het evangelie van het koninkrijk. Die heerschappij blijkt bijvoorbeeld uit de twaalf uren van een dag. De mens wordt door de tijd beheerst en die tijd is ingedeeld in twaalf. Het blijkt eveneens uit de twaalf maanden van een jaar en de twaalf tekens van de dierenriem. Dit is de overdrachtelijke betekenis van het getal twaalf. Het kan echter alleen een overdrachtelijke betekenis hebben als het letterlijk 12 x 12.000 dienstknechten zijn. Het is 12 x 12 (x 1000), hetgeen aangeeft dat de heerschappij vervuld wordt. Het gaat om 12 x 12.000. Dit geeft de garantie dat het koninkrijk gepredikt zál worden en ook openbaar zál worden. Het evangelie van het koninkrijk moet over de gehele wereld worden gepredikt tot een getuigenis aan alle volkeren. (Matthéüs 24 : 14) Het gaat hier inderdaad om 144.000 getuigen van Jehovah. Dit gebeurt ná de 70-ste week! Na de 70-ste week zal de zendingsopdracht (Markus 16 : 15) worden vervuld. De 12.000 dienstknechten worden verzegeld uit alle twaalf stammen. Dit betekent dat zowel de twee stammen als de tien stammen zullen worden aangewezen. Dit gebeurt nádat de twee stammen tot geloof zijn gekomen. Eerst komen de twee stammen (= uw volk en uw heilige stad) tot geloof. Daarna komt Samaria (= de tien stammen) tot geloof. Na de 70-ste week is het overblijfsel van de twee stammen tot geloof gekomen. Vervolgens wordt de boodschap aan de tien stammen, het huis van Efraïm, gepredikt. Als zij het evangelie hebben gehoord zullen uit de twaalf stammen 144.000 dienstknechten worden verzegeld. Het zijn mannen, want zij hebben zich niet met vrouwen bevlekt. (Openbaring 14 : 4) Geheel Israël is geroepen tot koninklijk priesterdom. (1 Petrus 2 : 9) De 144.000 zijn officiële gezanten van de Israëlitische, Messiaanse staat. Zij prediken het evangelie over de gehele wereld.

9 Na dezen zag ik, en ziet, een grote schaar, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palmtakken waren in hun handen.
10 En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam. Openbaring 7 : 9, 10

Het resultaat van de prediking van de 144.000, de grote schare, komt uit álle volkeren! De volkeren komen dan wél tot geloof. In het verleden werd het evangelie ook aan alle volkeren gepredikt, (in de dagen van het boek Handelingen) maar toen kwamen ze niet tot geloof. Het resultaat van de prediking van de 144.000 blijkt pas aan het eind van de 33 jaar, bij het begin van de duizend jaar. Gedurende de 33 jaar prediken de 144.000 dienstknechten het evangelie. Het resultaat is een grote schare die niemand tellen kan. Die schare staat voor de troon. Dit betekent dat zij aan de Koning onderworpen is. Ze maakt deel uit van het koninkrijk van Christus. Ze erkent Degene Die op de troon zit als de Koning, als God en als Zaligmaker.

Openbaring 7 : 11, 12 11 En al de engelen stonden rondom den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor en troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God, 12 Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.

Hier vinden we de aanbidding van God, Die alleen alle eer en heerlijkheid toekomt.

13 En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?
14 En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.
15 Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen.
16 Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.
17 Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Openbaring 7 : 13-17 

Eén van de oudsten vraagt waar deze grote schare vandaan komt. De schare bestaat uit degenen die uit de grote verdrukking komen. Het gaat over de totale verdrukking van 3,5 en 33 jaar. Zij hebben lange witte klederen die gewassen zijn in het bloed van het Lam. Het Lam zal hen wijden. Zij komen dus in het koninkrijk van de Heer terecht. Het gaat niet om degenen die gedurende de verdrukking omgebracht zijn. Deze gelovigen zullen tijdens de grote verdrukking op aarde leven. Aan het eind van de verdrukking gaan zij het koninkrijk binnen. De beschrijving die in Openbaring 7 : 15-17 gegeven wordt slaat niet alleen op de duizend jaar, maar ook op wat na die duizend jaar volgt. Het koninkrijk duurt geen duizend jaar. Het koninkrijk van Christus duurt eeuwig.

Bazuinen en fiolen

In Openbaring 8 : 1 wordt het zevende zegel genoemd. Het zesde zegel werd in Openbaring 6 : 12 genoemd. Hier vindt de overgang plaats van de 70-ste week naar de dag van Zijn toorn. Bij het zevende zegel zijn we nog steeds aan het einde van de 70-ste week. Er kwam een stilzwijgen in de hemel van een half uur. Dit halve uur staat in ieder geval model voor het verzetten van de kalender met een half jaar. Het stilzwijgen heeft vermoedelijk óók te maken met het verzegelen van de 144.000 dienstknechten. In Openbaring 8 is sprake van zeven bazuinen, (Openbaring 8 : 2) die “oordeel” brengen. Het gaat over verdrukking voor alle volkeren der aarde. De zeven bazuinen zullen in de 33 jaar bazuinen. De zegels uit Openbaring 6 hebben met de 70-ste week te maken. Het openen van het eerste zegel wijst op de eerste helft van de 70-ste week. Het openen van het tweede, derde en vierde zegel wijst op de tweede helft van de 70ste week. Het vijfde en zesde zegel markeren de overgang van de 70-ste week naar de 33 jaar. Onder het zevende zegel vallen de zeven bazuinen van Openbaring 8. De zeven bazuinen omschrijven gebeurtenissen die in de 33 jaar plaatsvinden. De bazuinen spreken dus niet over Juda en Jeruzalem, maar over de volkeren. Hetzelfde verhaal wordt met andere woorden nogmaals verteld. Het zijn dan geen bazuinen, maar fiolen. (= schalen; Openbaring 16) De inhoud van de zeven bazuinen en fiolen is gelijk. Beide reeksen eindigen met vast te stellen dat het koninkrijk over de gehele aarde inmiddels aan Christus is gegeven. Aan het eind van de zeven bazuinen/fiolen (aan het eind van de 33 jaar) wordt de val van Babel beschreven. Alle zaken moeten minimaal tweemaal in de Bijbel staan, want op de getuigenis van twee of drie staat een zaak vast. (Deuteronomium 17 : 6) Dit geldt ook voor de woorden Gods. Openbaring 10 spreekt over de verborgenheid die vervuld zal worden. (Openbaring 10 : 7) Het spreekt over het verborgen koninkrijk dat openbaar zal worden. Het koninkrijk was uitgesteld, maar kan dán niet langer uitgesteld worden. (Openbaring 10 : 6) Er zal geen uitstel meer zijn, zoals de nieuwe vertaling heeft vertaald. Als de zevende engel met de bazuin zal bazuinen, zal de verborgenheid van God vervuld worden. (Openbaring 10:7). Dit betekent dat het verborgen koninkrijk voltooid is en geopenbaard is. Als de zevende bazuin klinkt aan het einde van de 33 jaar dan zal het koninkrijk openbaar worden. Dit staat in Openbaring 11 : 15-17:

15 En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
16 En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neder op hun aangezichten, en aanbaden God,
17 Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst; Openbaring 11 : 15-17 

Christus zal in alle eeuwigheid heersen. Als de zevende bazuin klinkt is het eeuwige, onwankelbare koninkrijk van de Zoon van David tot stand gekomen. Vóór die tijd is dat koninkrijk verborgen. Als die zevende bazuin zal klinken is de verborgenheid van God vervuld. Hoe dat verborgen koninkrijk openbaar wordt staat in Openbaring 11.

1 En mij werd een rietstok gegeven, een meetroede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden.
2 En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden. Openbaring 11 : 1, 2

De roede wordt hier als meetstok gebruikt. De maat voor de tempel is de roede, namelijk die van (weder)geboorte/opstanding. Men moet deel krijgen aan het opstandingsleven van Christus. Het is een visioen en het heeft dus niets met een letterlijke tempel te maken. Dit betekent niet dat er dán een tempel moet zijn, omdat die anders niet gemeten zou kunnen worden. De tempel en het altaar wijzen op godsdienstige dingen. Ze moeten gemeten worden, evenals degenen die erin aanbidden. Als het eigendom wordt bepaald, wordt het tevens opgemeten. De voorhof wordt niet gemeten. Dat is de ruimte om de tempel heen. Het hoort bij de tempel, maar het is buiten de tempel. De voorhof is aan de heidenen gegeven. Zij zullen de heilige stad 42 maanden vertreden. Hier is de voorhof dus een beeld van de heilige stad, Jeruzalem. Als de voorhof een beeld is van Jeruzalem, dat in Israël ligt, dan moet de tempel een beeld zijn van iets dat nóg centraler/hoger is dan Jeruzalem. De tempel is daarom een beeld van de Gemeente van de huidige (vijfde) bedeling. Die wordt door Paulus ook “tempel” genoemd. (1 Korinthe 3 : 16; Éfeze 2 : 21) De tempel wordt gemeten en daarmee wordt het eigendom vastgesteld. Het meten van de tempel is een beeld van de opname van de Gemeente. De voorhof, namelijk Jeruzalem, wordt niet gemeten, want die is aan de heidenen gegeven. De heidenen zullen de heilige stad 42 maanden vertreden. Na de opname van de Gemeente volgt een periode van 42 maanden (= 3,5 jaar) waarin heidenen Jeruzalem zullen vertreden. Dat gebeurt nu ook overigens. Zelfs de Joden zelf zijn als “heidenen” aan te duiden, want ze zijn “lo ammi” (= niet Mijn volk). In die dagen zal men een verbond gesloten hebben met de heidense volkeren. De Joden zullen vermoedelijk de mogelijkheid hebben om op de tempelberg (de berg Moria) offers te brengen, maar dat zal tevens voor de Mohammedanen gelden.

3 En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.
4 Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan. Openbaring 11 : 3, 4

De 1260 dagen waarin deze getuigen zullen getuigen kunnen op de tweede helft van de 70-ste week betrekking hebben. Dan zouden deze 1260 dagen op de 42 maanden uit Openbaring 11 : 2 volgen. Het gaat echter niet om de tweede helft, maar om de eerste helft van de 70-ste week. Hiervoor zijn twee redenen te geven. De eerste reden is dat hier wordt gezegd op welke manier die 1260 dagen zullen eindigen, met de executie van deze twee getuigen. Als ze in de tweede helft van de 70-ste zouden optreden, zouden deze 1260 dagen eindigen met de verwoesting van Jeruzalem en de komst van de Heer op de Olijfberg. Dat gebeurt niet. Deze getuigen zullen worden vermoord en hun lichamen zullen drie dagen in Jeruzalem liggen. (Openbaring 11 : 7, 8) Dat kán niet op het einde van de 70-ste week slaan. Er blijft maar één andere mogelijkheid over: het slaat op het midden van de 70-ste week. De twee getuigen dus in de eerste helft van de 70-ste week. Deze 1260 dagen komen overeen met de 42 maanden uit Openbaring 11.

Het tweede argument is een afgeleide. Bij de opname van de Gemeente gaan alle gelovigen naar de hemel. Bij de aanvang van de 70-ste week is er geen enkele gelovige meer op aarde. Dit is in strijd met de Bijbelse waarheid dat er altijd een gelovig overblijfsel op aarde is. (Romeinen 11 : 5) Eén gelovige is te weinig voor een krachtige prediking. Er moeten twee of drie getuigen zijn. (Deuteronomium 17 : 6) Na de opname van de Gemeente moeten er dus minimaal twee getuigen optreden. Die twee getuigen kunnen uiteraard geen deel uitmaken van de Gemeente, want die heeft een andere taak. Die twee getuigen moeten daarom uit voorgaande bedelingen afkomstig zijn. Het gaat hier dus om twee oudtestamentische gelovigen. Eén van de twee getuigen is makkelijk te vinden, want het Oude Testament eindigt met deze getuige: “Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elía, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal”. (Maleachi 4 : 5) De andere getuige is Mozes. Mozes en Elia waren de twee grote profeten van het Oude Testament. De grote tijden, die een afspiegeling waren van de komst van Christus, waren de tijden van Mozes en Elia. In die tijden gebeurden er wonderen. In het Oude Testament waren er slechts twee tijden waarin wonderen gebeurden. De eerste tijd was de tijd van Mozes en zijn opvolger Jozua. De tweede tijd was die van Elia en zijn opvolger Elisa. Elia en Mozes verschenen met de Heer op de berg der verheerlijking. (Matthéüs 17 : 3, 4; Markus 9 : 4, 5; Lukas 9 : 30, 33) De Heer verscheen daar aan sommige van de discipelen als beeld van Zijn toekomstige verschijning in Zijn koninkrijk. Uiteindelijk zagen zij echter alleen de Here Jezus. In Judas : 9 staat dat de aartsengel Michaël twistte met de duivel om het lichaam van Mozes. Michaël heeft het lichaam van Mozes nodig omdat Mozes in de volgende (zesde) bedeling opnieuw zal optreden. Deze twee getuigen zijn dus Mozes en Elia. Ze zijn met zakken bekleed, want ze zijn in rouw. Zij prediken namelijk de dood van de Messias, de Gekruisigde. Zij zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren die voor de God der aarde staan.

1 En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt.
2 En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;
3 En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde. Zacharía 4 : 1-3

12 En andermaal antwoordende, zo zeide ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes der olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten?
13 En Hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet, wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!
14 Toen zeide Hij: Deze zijn de twee olietakke, welke voor den Heere der ganse aarde staan. Zacharía 4 :12-14

5 En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden.
6 Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen. Openbaring 11 : 5, 6

Het vuur dat uit hun mond uitgaat is een beeld van een oordelend woord. Ze kunnen niet beschadigd worden. Ze zijn onschendbaar. Dit is heel begrijpelijk, want er zijn slechts twee getuigen. Er moet dus zuinig met hen worden omgegaan. Wie hen wil beschadigen zal door het vuur uit hun mond (= door de kracht van het Woord) gedood worden. Ze hebben macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen komt. Dit is een omschrijving van Elia die in zijn dagen de hemel sloot. Hij bad en het regende niet. (1 Koningen 17 : 1) In Lukas 4 : 25 en Jakobus 5 : 17 staat dat het 3,5 jaar niet regende. De 3,5 jaar in de tijd van Elia zijn een beeld van de eerste 3,5 jaar van de 70-ste week. Er is weliswaar vrede, maar het regent niet en dat zal tot hongersnoden leiden. Er staat niet dat Elia de hemel zal sluiten, hoewel dat wel zou kunnen. Ze hebben eveneens macht om de wateren in bloed te veranderen. Dit is de omschrijving van Mozes. (Exodus 7 : 20) Mozes en Elia zullen het evangelie verkondigen. Degenen die op grond van hun prediking tot geloof komen zullen gedoopt worden en meteen het land verlaten. Mozes en Elia zullen hen ongetwijfeld naar de woestijn sturen, naar de stad Petra (= Sela). Dáár zal men de Heer ontmoeten. Door de prediking van Mozes en Elia zal Jeruzalem dus niet tot geloof komen, maar enkelingen uit Jeruzalem. Zij zullen de legerplaats (= Jeruzalem) verlaten en tot Hem uitgaan. (vergelijk Hebreeën 13 : 13) Zij zullen in Petra wachten tot de 70-ste week voorbij zal zijn gegaan.

7 En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.
8 En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sódoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is. Openbaring 11 : 7, 8

Na de 1260 dagen is de taak van Mozes en Elia volbracht. Zij zullen worden gedood. Dit valt samen met de oprichting van de gruwel der verwoesting. Het is tevens het moment waarop men voor het laatst de kans krijgt om het land te verlaten, omdat de grote verdrukking begint. De lichamen van Mozes en Elía zullen 3,5 dag op de straten van Jeruzalem liggen. (Openbaring 11 : 9) De mensheid zal feestvieren omdat Mozes en Elía eindelijk gedood zijn. (Openbaring 11 : 10)

1 En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. 2 En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. Openbaring 12 : 1, 2

Er wordt een teken in de hemel gezien. Dit betekent niet dat alle dingen die nu genoemd worden zich in de hemel zullen afspelen. Het betekent dat de gang van zaken alleen in de hemel bekend is. Het visioen werd in de hemel gezien. De gelovigen van de huidige bedeling zijn met Christus in de hemel (het hemelse) gesteld. (Éfeze 2 : 6) Zij worden daarom van dit visioen op de hoogte gebracht. De vrouw is bekleed met de zon, maan en sterren. De omschrijving maakt duidelijk dat deze vrouw Israël is. (Genesis 37 : 9, 10) Zij was zwanger.

En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. Openbaring 12 : 3

Er werd nog een ander teken gezien dat tegenover het eerste teken geplaatst moet worden. Dat was een grote, rode draak met zeven koninklijke hoeden. Hier staat niet het normale woord voor “kroon”. Deze draak wordt ook in Daniël 7 (het vierde dier) en Openbaring 13 (het beest uit de zee) genoemd. Deze draak is een weergave van de tijden der heidenen; van de wereldrijken uit de heidenen die achtereenvolgens aan de macht geweest zijn sinds de dagen van de eerste verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar in -606. Sinds die dagen is de macht van het huis van David weggenomen en aan Babel gegeven. Bij Babel werd de mensheid in volkeren verdeeld. (Genesis 11 : 6-9) Alle volkeren hebben hun oorsprong in Babel. Toen het koninkrijk van Israël werd weggenomen, werd het teruggegeven aan degene die er de meeste rechten op kon laten gelden, namelijk aan Babel. De nadruk komt hier op het laatste wereldrijk te liggen. Via de tien hoornen wordt de nadruk op het zevende wereldrijk gelegd. De draak heeft daarom ook zeven hoofden. De tien hoornen horen op het zevende hoofd thuis. Het zevende wereldrijk zal tot aan het begin van de duizend jaar blijven bestaan. Het is een vereniging van tien staten, een tien-statenbond, die zich in het Midden-Oosten bevindt.

4 En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben.
5 En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon. Openbaring 12 : 4, 5

Het gaat hier om het laatste wereldrijk zoals het zich in de laatste dagen zal voordoen. Dit slaat op de tijd waarin het koninkrijk van Christus op aarde openbaar zal worden. De staart van de draak trekt een derde deel der sterren des hemels en werpt ze op de aarde. We weten reeds dat de sterren een beeld van Israël zijn. Israël zal verdrukt worden. De draak en de vrouw zijn beide overdrachtelijk te bezien. Dit geldt ook voor de sterren. De twee tekenen worden in Openbaring 12 : 4 samengevoegd. De draak uit het tweede teken staat voor de vrouw uit het eerste teken. De draak heeft in eerste instantie niet zoveel tegen de vrouw, maar des te meer tegen het kind dat geboren zal worden. De vrouw baart een mannelijke zoon, waarna deze weggerukt wordt tot God en Zijn troon. De draak heeft het nakijken! De mannelijke zoon wordt geboren en meteen weggerukt. De vrouw is Israël. Die mannelijke zoon is Degene Die alle heidenen met een ijzeren roede zal hoeden. Dat maakt deze mannelijke zoon herkenbaar als de Koning Die gezalfd is over Sion. (Psalm 2 : 9) De mannelijke Zoon is Christus. (Openbaring 19 : 13-15) Openbaring 12 : 5 zegt echter dat het kind wordt weggerukt tot God en Zijn troon. Dit kan niet op Christus van toepassing zijn, omdat Hij de draak hééft overwonnen. Hij hoeft voor hem niet weg te gaan. Bovendien kan de hemelvaart van Christus op de eerste paasdag (Johannes 20 : 17 met 20 : 27) of op hemelvaartsdag (Handelingen 1 : 9) moeilijk een wegrukking worden genoemd. Zijn hemelvaart gebeurde in alle rust en vrede. Deze wegrukking heeft geen betrekking op het Hoofd, Jezus Christus, maar op Zijn Lichaam, de Gemeente. (Éfeze 1 : 22, 23) Het wijst dus op de opname van de Gemeente. De mannelijke zoon is niet alleen de Here Jezus Christus (het Hoofd), maar óók de Gemeente (het Lichaam). Het gaat hier niet om de hemelse positie die de Gemeente sinds de opstanding van Christus heeft. Het gaat hier om de draak, de tien-statenbond. Die tien-statenbond bestaat dus op het moment van deze wegrukking. Als dat wereldrijk aanwezig is zal de geboorte van de Gemeente pas voltooid zijn.

Bij een normale geboorte wordt eerst het hoofd geboren en daarna het lichaam. Dit geldt ook voor deze geboorte. Eerst het Hoofd, Christus en daarna het lichaam, de Gemeente. Als het hoofd eenmaal geboren is, volgt het lichaam doorgaans vanzelf. Christus is opgestaan (= geboren) en de Gemeente komt daar vanzelfsprekend achteraan. De gelovigen van de Gemeente leven alsof de bevalling reeds achter de rug is. In werkelijkheid is de bevalling pas bij de opname van de Gemeente voltooid. Het gaat hier over de wedergeboorte van de gehele Gemeente en niet over de individuele gelovige. Die geboorte is op de door God gestelde datum voltooid. Dán zal de draak ook aanwezig zijn. Bij die geboorte wordt het kind weggerukt tot God en Zijn troon. Hier staat dus nadrukkelijk dat de Gemeente vóór de tweede helft van de 70-ste week wordt weggerukt. Dat is vóór het moment waarop de draak gevaarlijk wordt. De Gemeente wordt zelfs vóór de eerste helft van de 70-ste week weggerukt. Het kind wordt weggerukt tot God en Zijn troon. Over dat kind wordt hier verder niet meer gesproken. Het verhaal gaat verder met de dingen die ná de wegrukking zullen plaatsvinden. Deze wegrukking kan dus prima naast Openbaring 11 : 1, 2 gelegd worden, want daar begint het verhaal óók met de opname van de Gemeente. Dat is het begin van de gebeurtenissen. Hier worden dezelfde waarheden van een andere kant belicht. De vrouw baart een mannelijke zoon. Deze zoon is een omschrijving van de Gemeente. De Gemeente is de eerstgeborene.

Wanneer een vrouw een mannelijke zoon baart zal zij zeven dagen onrein zijn. (Leviticus 12 : 2) De vrouw is Israël. Zij bevalt van een knechtje, waarna zij zeven dagen onrein is. Het gaat hier om de typologische betekenis. De vrouw is Israël, het knechtje is de Gemeente en de zeven dagen staan model voor de zeven jaar die op de opname van de Gemeente volgen. De zeven dagen van de onreinheid van de kraamvrouw zijn dus een type van de 70-ste week. In de 70-ste week is Israël onrein. Ze is ongelovig en nog niet in het koninkrijk geplaatst. Op de achtste dag zal het knechtje besneden worden. (Leviticus 12: 3) Bij de besnijdenis wordt de omhulling (de voorhuid) weggenomen. Hetgeen onder de voorhuid verborgen was wordt openbaar gemaakt. De besnijdenis is daarom een beeld van de openbaring van Christus, de Opgestane. Normaal is de voorhuid alleen weg bij “opstanding”. Israël werd geacht bij de uittocht uit Egypte reeds leven te hebben ontvangen en daarom was bij hen de voorhuid altijd weg. Als Israël ongelovig is, heeft de besnijdenis geen enkele betekenis. De besnijdenis is ook een beeld van de kruisiging. Bij de besnijdenis wordt de voorhuid, het vlees, weggenomen. Daarmee is het een beeld van de dood en van de kruisiging van de Here Jezus. Dit is slechts de helft van het verhaal. De andere helft van het verhaal is dat door het wegnemen van het vlees iets openbaar wordt dat tot dan toe verborgen was geweest. De besnijdenis wijst daarom niet alleen op de kruisiging, maar óók op de opstanding. Het wijst op het wegnemen van het oude leven (= de buitenkant, de uitwendige mens) en het openbaar worden van het nieuwe leven. De besnijdenis is dus een beeld van dood én opstanding. De besnijdenis is een beeld van wedergeboorte. Het wijst op de wederkomst van de Heer, want bij Zijn wederkomst wordt alles wat verborgen was en beloofd was openbaar gemaakt. Na zeven jaar (aan het einde van de 70-ste week) wordt de omhulling weggenomen en openbaart Christus Zich aan Israël.

Te dien dage zal Hij op de Olijfberg staan. Bij die gelegenheid zal Hij Zijn klederen wegdoen en de wonden in Zijn handen en in Zijn zijde laten zien. Met andere woorden.: Hij maakt Zichzelf openbaar. Deze achtste dag komt overeen met de achtste dag ná de opstanding van Christus. Op die achtste dag verscheen de Heer aan Thomas. Thomas was de zeven dagen daarvoor ongelovig. Op de achtste dag verscheen Christus op dezelfde wijze aan de discipelen, maar bij die gelegenheid was Thomas eveneens aanwezig. (Johannes 20 : 24-28) Daarna verstreken er nog 33 dagen voordat de Heer zichtbaar naar de hemel voer. Thomas is een beeld van Israël, aan wie de Heer aan het einde van de 70-ste week zal verschijnen. Israël zal dán tot geloof komen; één week te laat! Daarna verstrijken er nog 33 jaar tot aan de aanvang van de duizend jaar. Na de besnijdenis zal de vrouw nog 33 dagen onrein zijn. Zij mag niets heiligs aanraken en ze mag niet tot het heiligdom komen. (Leviticus 12 : 4) Dit betekent dat de situatie van de 70-ste week ná die 70-ste week nog voortduurt. De zeven dagen van onreinheid uit Leviticus 12 : 2 staan model voor de zeven jaar van de 70-ste week. Dit betekent dat de 33 dagen die erop volgen model staan voor 33 jaar die uiteraard ná de zeven jaar van de 70-ste week verlopen.

De 70 weken zijn alléén bestemd voor “uw volk en uw heilige stad”. (Daniël 9 : 24) Aan het eind van die 70 weken zal Israël tot geloof zijn gekomen. Aan het begin van de duizend jaar zullen alle volkeren tot geloof zijn gekomen. Dit betekent dat er tussen de 70-ste week en het aanbreken van de duizend jaar een bepaalde tijd moet verlopen, waarin de overige volken tot geloof zullen komen. Vanuit de typologie van Leviticus 12 valt te concluderen dat die periode 33 jaar zal duren. Alle zaken die bij de tijd van het verborgen koninkrijk horen worden doorgaans door middel van typologie weergegeven. Gedurende die 33 jaar zullen de 144.000 Israëlieten het evangelie aan ale volkeren prediken. Dit kunnen zij uiteraard pas doen als zij zelf tot geloof gekomen zijn. Dat gebeurt pas aan het einde van de 70-ste week, wat inhoudt dat de 144.000 ná de 70-ste week zullen prediken en voor de duizend jaar beginnen. Er zit dus ruimte tussen de 70-ste week en de duizend jaar. Gedurende de 33 jaar zal Israël onrein zijn. Zij zal niets heiligs aanraken en tot het heiligdom zal zij niet komen. Dit betekent dat de tempel gedurende de 33 jaar niet gebouwd zal worden. De tempel wordt pas gedurende de duizend jaar gebouwd. De 7 en 33 jaar komen vaker in de Bijbel voor. In de serie “Bijbelstudie” is een uitgave over dit onderwerp beschikbaar. In de typologie van teksten over “7 en 33” is de lengte van de zesde bedeling te ontdekken.

En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zou voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 12 : 6

Na de wegrukking vlucht de vrouw de woestijn in. Een beeld hiervan vinden we in de vlucht van Hagar. (Genesis 21 : 14-21) Hagar ging naar de woestijn Paran. (Genesis 21 : 21) Ze vluchtte naar de woestijn waar zij een plaats had door God bereid. Zij kreeg van de Heer water. De stad Petra is tot grote bloei gekomen omdat er veel water was. De toegang naar Petra is “de Sicq”. Deze 1,5 km lange toegang is de bodem van een beekje. Slechts zelden staat er water in. “Water” is een beeld van het Woord van God. In de toekomst zal het Wood van God daar weer aanwezig zijn. De vrouw zal naar de woestijn vluchten en daar worden gevoed. Wie die “zij” zijn die haar zullen voeden staat er niet bij. “Zij” is een meervoudsvorm. Aangezien er niet vermeld wordt wie deze “zij” zijn is het dus verborgen. Daarmee wijst het naar de Gemeente. De vrouw zal 1260 dagen gevoed worden. Het gaat in het boek Openbaring altijd om aanvullingen op hetgeen uit de rest van de Schrift reeds bekend is. De vrouw vlucht naar de woestijn. Dit staat direct ná het noemen van de wegrukking van de Gemeente. De 1260 dagen die hier genoemd worden slaan daarom op de eerste helft van de 70-ste week. In die 3,5 jaar zullen de gelovigen uit Israël naar de woestijn vluchten. Daartoe wordt in Matthéüs 24 : 16 opgeroepen en de twee getuigen zullen dit ongetwijfeld prediken.

1 Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
2 Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen. Jeremia 31 : 1, 2

“Heeft genade gevonden” kan vanuit het Hebreeuws eveneens vertaald worden met “zal genade vinden”. Het gelovig overblijfsel van Israël zal niet in Israël te vinden zijn, maar in de woestijn; buiten het land. Dáár heeft God voor hen een plaats bereid. De plaats wordt in het Oude Testament vele malen genoemd. Het is de rotsvesting Petra (= Sela). In de tijd van het Oude Testament vluchtten de gelovigen daar meermalen naar toe. Halverwege de 70-ste week, wanneer de gruwel der verwoesting zal worden opgericht, zal men voor het laatst naar de woestijn kunnen vluchten. Aan het einde van de 70-ste week zal de Olijfberg scheuren en zal men opnieuw het land kunnen ontvluchten. Men zal naar de woestijn vluchten. Gedurende de gehele eerste helft van de 70-ste week zullen gelovigen echter óók naar de woestijn vluchten. In Petra zal water genoeg zijn. Voedsel krijgt men door de Gemeente. Bij het aanbreken van het oude verbond kwam er manna uit de hemel. Bij het aanbreken van het nieuwe verbond zal dat ook zo zijn. In het Oude Testament wist men niet wat het was. Mozes legt uit dat het uit de hemel komt en een beeld is van het Woord Gods.

Het verhaal begint met de opname van de Gemeente. Daarna vluchten de gelovigen van Israël naar de woestijn; in de eerste helft van de 70-ste week. In de tweede helft van de 70-ste week worden ze daar gevoed, wanneer de tijd van de benauwdheid van Jakob over Israël komt. (Jeremia 30 : 7) Als de 1260 dagen van de tweede helft van de 70-ste week voorbij zijn, zal zich nóg een groep gelovigen uit Jeruzalem in Petra melden. Dat zijn degenen die de grote verdrukking, die over Juda en Jeruzalem komt, hebben overleefd en de Naam des Heren hebben aangeroepen. Zij zijn door de gescheurde Olijfberg gevlucht; naar Petra. Degenen die in de eerste helft van de 70-ste week naar Petra zullen vluchten, geloven dat Jezus van Nazareth de beloofde Messias/Christus is. Wie dát niet gelooft is geen gelovige. Ze geloven dat Hij Zijn leven aan het kruis heeft gegeven en door Israël werd verworpen. Aan het einde van de 70-ste week zal men niet de Naam van de Here Jezus aanroepen, maar de Naam van Jehovah. Men zal in de grootste benauwdheid de God van het Oude Testament aanroepen. Dit betekent dat men Zijn Naam (Jehovah) zal uitspreken, hetgeen een wonder genoemd kan worden. Een Jood weigert namelijk de Naam Jehovah uit te spreken. Als het overblijfsel in Jeruzalem de Naam van Jehovah zal aanroepen zal Hij op de Olijfberg verschijnen. De overgeblevenen weten dat Hij Jehovah is, maar zij weten niet dat Hij tevens Jezus van Nazareth is. Daarom vragen zij Hem naar de littekenen in Zijn handen. (Zacharía 13 : 6) Zij roepen Jehovah aan, zonder te geloven dat Jezus de Christus is. (1 Johannes 5 : 1) Zij bekeren zich dus tot de HEERE, Jehovah, waarna Hij zal verschijnen. Dan zullen zij Hem aan Zijn littekenen herkennen als Jezus van Nazareth. Met andere woorden: zij zullen eerst zien en dán geloven. (Johannes 20 : 29) Zij bekeren zich eerst tot Jehovah, de God van het oude verbond. Daarna verschijnt Hij en zien zij Hem, waarna zij tot geloof komen. De volgorde is dus: eerst bekering en daarná geloof! Velen begrijpen dit verschil niet, omdat zij “bekeren” en “geloven” als synonieme begrippen hanteren. Zij denken dat Israël zich zal bekeren op het moment dat de Heer aan hen verschijnt. Dit is onjuist. Zij zal zich eerst moeten bekeren. Daarná verschijnt de Heer pas.

Het is zeer waarschijnlijk dat zij Hem niet op de Olijfberg zullen herkennen als Jezus van Nazareth, maar pas in Petra. In Petra vindt de ontmoeting plaats tussen de Heer en deze gelovigen die de grote verdrukking hebben overleefd. Bovendien vindt in Petra een ontmoeting plaats tussen hen en de gelovigen die reeds in de eerste helft van de 70-ste week zijn gevlucht. Deze twee groepen zullen elkaar in Petra ontmoeten. De ene groep gelooft in Jezus van Nazareth als de Messias. De andere groep gelooft alleen in Jehovah. Als beide groepen Jezus van Nazareth als de Messias hebben geaccepteerd zullen zij pas nader tot elkaar komen. Beide groepen staan aanvankelijk vijandig tegenover elkaar. Dit wordt onder andere uitgebeeld in de geschiedenis van David en Absalom. Absalom is een beeld van Jehovah, terwijl David een beeld is van Jezus Christus. De ene helft van het volk loopt achter de één aan en de andere helft van het volk loopt achter de ander aan. Aan het einde van het verhaal is alles één geworden. Slechts David blijft over. In de geschiedenis van David en Absalom verlaat men het land. Later, als Absalom dood is, keert men terug naar het land. (2 Samuël 19 : 15) Daarna ontstaat er een twist tussen Israël (= de tien stammen) en Juda (= de twee stammen; 2 Samuël 19 : 41 – 20 : 22). Deze oudtestamentische geschiedenissen zijn een voorafspiegeling van de gebeurtenissen aan het einde van de 70-ste week.

7 En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.
8 En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.
9 En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen. Openbaring 12 : 7-9

Hier vinden we Michaël Die met de draak strijdt. In Daniël 12 : 1 staat dat Michaël in de toekomst zal opstaan als er grote verdrukking zal zijn. Michaël zal opstaan en aan de verlossing van Israël werken. De strijd van Michaël tegen de draak speelt zich niet in het midden van de 70-ste week af, maar aan het begin van de 70-ste week. Eerst wordt in Openbaring 12 verteld wat er met de mannelijke zoon gebeurt. Dit is een omschrijving van de opname van de Gemeente. Vanaf dat moment vlucht de vrouw naar de woestijn. De derde partij in de twee tekenen van Openbaring 12 : 1-3 is de draak. In Openbaring 12 e.v. wordt verteld wat er met die draak gebeurt. Michaël (= Christus) strijdt tegen de draak (= de satan). De draak en zijn engelen hebben niet “overmocht”. Hun plaats is niet meer gevonden in de hemel. De draak wordt gegrepen en op de aarde geworpen. Het staat hier meteen achter elkaar, wat inhoudt dat deze dingen bij dezelfde gelegenheid plaatsvinden. Ter gelegenheid van de opname van de Gemeente zullen de satan en zijn engelen uit de hemel geworpen worden. De satan is dan niet langer een hemels wezen. Hij neemt op aarde een gestalte aan op de wijze waarop boze geesten dat gewoonlijk doen. Dit betekent dat hij in een mens “kruipt”. De satan gebruikt daarvoor uiteraard een mens die de meeste kans op macht en invloed heeft. Dat zal de koning van Babel blijken te zijn. De koning van Babel is dus de personificatie van de satan op aarde.

10 En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.
11 En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. Openbaring 12 : 10, 11

“Zaligheid” wijst in vele gevallen op het koninkrijk. Het koninkrijk is van onze God geworden en de macht van Zijn Christus. Dat komt omdat de verklager van onze broederen is neergeworpen. Als de verklager uit de hemel geworpen is, is het koninkrijk van God. Op aarde is dat dán nog niet gerealiseerd, maar dat is nog slechts een kwestie van tijd.

7. Berekeningen

Twee dagen

De 69-ste week uit Daniël 9 eindigt bij de opstanding van Christus. De 70-ste week bij de opstanding van Israël. Er bestaat verband tussen beide waardoor de tijd tussen de 69-ste en 70-ste week berekend kan worden. Tussen de opstanding van Christus en het einde van de 70-ste week passeren 2000 jaar. In de Bijbel wordt herhaaldelijk gezegd dat de opstanding van Christus na twee dagen (op de derde dag) plaatsvindt (Matthéüs 16 : 21; Lukas 18 : 33; 1 Korinthe 15 : 4) Die twee dagen zijn eveneens op Israël van toepassing, dat op de derde dag tot leven zal komen.

1 Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.
2 Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. Hoséa 6 : 1, 2

Als Israël in het verleden tot geloof zou zijn gekomen zouden deze twee dagen dezelfde zijn geweest als de twee dagen waarna de Here Jezus Christus opstond. Israël is toen niet tot geloof gekomen. Die twee dagen zijn daarom geen letterlijke dagen, maar twee dagen van elk duizend jaar.

Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden! dat één dag bij den Heere is als duizend jaar, en duizend jaar als één dag. 2 Petrus 3 : 8

Eén dag is bij de Heer als duizend jaar. Dit betekent niet dat het heel lang kan duren. Petrus vervolgt namelijk met de mededeling dat duizend jaar bij de Heer als één dag is. Dit zou namelijk moeten betekenen dat het heel kort kan duren. Petrus noemt hier feitelijk twee dagen die elk duizend jaar duren. Het Hebreeuwse woord voor “dag” is “jom”. Dit woord kan op verschillende perioden van toepassing worden gebracht. Het kan op een lange, maar ook een korte periode betrekking hebben. Er verlopen twee dagen van duizend jaar tot aan de wederkomst van Christus en de bekering van Israël. Deze “twee” dagen komen ook bij Paulus voor.

28 Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.
29 En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbenden onder elkander.
30 En Paulus bleef twee gehele jaar in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen; Handelingen 28 : 28-30

Paulus zat twee jaar in Rome gevangen. Deze gevangenis komt overeen met de gevangenis van Jozef. Beide zijn een beeld van de Gemeente. Die bestaat uit gevangenen van Christus (Éfeze 4 : 1; Filémon : 9) Paulus predikte in die twee jaar ongehinderd het evangelie aan allen die tot hem kwamen. De twee jaar staan model voor de 2000 jaar van de Gemeente. De 2000 jaar wijzen op vertraging. Er zullen eerst 2000 jaar voorbijgaan voordat Israël tot leven zal komen. De 2000 jaar slaan dus mede op de tijd van het ongeloof van Israël. Deze 2000 komen in Jozua 3 nadrukkelijk naar voren.

3 En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, ziet, en de Levietische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na;
4 Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren. Jozua 3 : 3, 4

Israël moest door de Jordaan trekken, van Sittim naar Gilgal. Toen het volk de ark des Heren zag moest zij de ark navolgen. Er moest echter een ruimte van 2000 ellen tussen de ark en het volk zijn. Een “el” geeft een bepaalde maat aan. De ark is een type van Christus. Strikt genomen is de ark feitelijk een beeld van de opstanding van Christus. Het is namelijk een uitbeelding van Zijn troon. Het verzoendeksel is een beeld van de troon der genade. (Hebreeën 4 : 16) De ark daalde af in de Jordaan, waardoor het volk de ark niet langer kon zien. Israël bevond zich op een afstand van 2000 ellen. Israël moest 2000 ellen “inlopen” om op dezelfde hoogte als de ark te komen. De Here Jezus stierf en stond op uit de doden. Pas 2000 jaar later zal Israël zich in diezelfde positie bevinden en met Christus verenigd worden. De 2000 jaar slaan dus op de tijd waarin de Ark, Christus, voor Israël verborgen is. De berekening van de 2000 jaar is niet eenvoudig. In de eerste plaats moet de opstanding van Christus bekend zijn. Naar mijn beste inzichten was dat in het jaar 32. Vanaf de opstanding verlopen 2000 jaar tot aan het einde van de 70-ste week. Het gaat om profetische jaar van 360 dagen. Voor een nauwkeurige berekening moet niet met jaar, maar met dagen worden gerekend. Vanaf de opstanding verlopen dus 2000 x 360 = 720.000 dagen tot aan het einde van de 70-ste week van Daniël 9. Die 720.000 dagen moeten door 365,24 dagen worden gedeeld (= 1971,3065 jaar) om het om te zetten naar onze tijdrekening. Het jaartal dat hier uitkomt is nooit te bewijzen omdat het niet in de Bijbel voorkomt. Van het jaartal moeten 7 x 360 dagen (= 2520 dagen) worden afgetrokken om aan het begin van de 70-ste week uit te komen. Vanaf de opstanding van Christus verlopen dus 1993 x 360 dagen tot aan het begin van de 70-ste week.

Het begin van de 70-ste week valt gelijk met het moment van de opname van de Gemeente. De vrouw is na de bevalling meteen 7 en 33 dagen onrein. Na de geboorte van de Gemeente beginnen meteen de zeven jaar van de 70-ste week, gevolgd door de 33 jaar. In hetzelfde jaar van de opname van de Gemeente begint ook de 70-ste week. In het midden van de 70-ste week worden de twee getuigen uit Openbaring 11 gedood en wordt de gruwel der verwoesting opgericht. (Daniël 9 : 27)

Babel

Daniël 4 spreekt over Babel. Velen menen dat deze profetie reeds vervuld is. Alle profetieën lijken reeds vervuld te zijn, maar die “vervulling” uit het verleden staat model voor de uiteindelijke vervulling in de toekomst. Daniël 4 spreekt over een droom van Nebukadnézar, de heerser van het toenmalige wereldrijk. Hij droomde over een boom. De omschrijving van die boom verwijst naar de mosterdboom uit Matthéüs 13 : 31.

10 De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.
11 De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde;
12 Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan denzelve voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in haar takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
13 Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel,
14 Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijn takken;
15 Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde.
16 Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.
17 Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wien Hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de mensen. Daniël 4 : 10-17

De boom werd omgehakt. De stam met zijn wortelen bleef echter in de aarde. Er wordt een periode van zeven tijden genoemd. Hoelang duurt één tijd? Er staat niet vermeld hoelang één tijd duurt, omdat er meerdere toepassingen zijn. In Daniël 4 wordt deze droom op Nebukadnézar zelf toegepast. (Daniël 4 : 24-34) Toen hij zei: “Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb!”, bewees hij daarmee dat hij gek was en daarom werd hij het ook. Hij was zeven tijden gek. Dit was geen periode van 2520 jaar (7 x 360 jaar), want zolang heeft hij niet geleefd. Het is vermoedelijk ook geen 2520 dagen (7 x 360 dagen) geweest, want dan was het zeker in de ongewijde geschiedenis vermeld geworden. Hieruit moet geconcludeerd worden dat het zeven weken of maanden heeft geduurd. Zeven dagen is te kort, want zijn haar en zijn nagels werden lang. (Daniël 4 : 33)

Als deze droom alléén op Nebukadnézar vervuld is, staat het volkomen overbodig in de Bijbel. De profetie en de vervulling zouden dan in één hoofdstuk vermeld staan. De toepassing op Nebukadnézar staat model voor een veel grotere toepassing. Het slaat namelijk niet alleen op Nebukadnézar, die voor zeven tijden van het toneel verdween, maar het slaat óók op Babel, waarvan hij zei dat hij die stad gebouwd had. Babel zelf zal gedurende zeven tijden haar koninklijke waardigheid verliezen. Die zeven tijden staan niet voor zeven dagen, weken, maanden of jaren. Babel verloor haar koninklijke waardigheid en heeft die nooit terug gekregen. Er zijn reeds meer dan 2000 jaar voorbij. Elders in het boek Daniël staat één tijd voor één jaar van 360 dagen. (Daniël 7 : 25; 12 : 7) Deze zeven tijden staan niet voor zevenmaal 360 dagen, maar voor zevenmaal 360 jaar. Zeven tijden duren in dit geval 2520 jaar. Deze 2520 jaar moeten gerekend worden vanaf de val van Babel. Het gaat niet om de verwoesting of de verovering van Babel, maar om de val van Babel in haar koninklijke waardigheid. Babel was de hoofdstad van de toenmalige wereld tijdens het Babylonische wereldrijk. Babel was dat echter ook nog in de eerste jaren van het Medo-Perzische rijk. Aan het einde van Daniël 5 vinden we de dood van Bélsazar, de koning van de Chaldeeën. Hij was de laatste koning van het Babylonische rijk voordat het overging naar de Meden en de Perzen. Daniël bleef in Babel, dat de hoofdstad van het Medo-Perzische wereldrijk was geworden. Dit gebeurde in -538. Babel bleef de officiële hoofdstad van het rijk tot -482. Toen kregen de Perzen zo’n last met de bevolking van Babel dat ze Babel “ontluisterd” hebben. Enkele muren en gebouwen werden gesloopt. De regering zetelde toen reeds geruime tijd in Susan. Babel werd nog later verlaten en geruïneerd. De stenen van Babel zijn gebruikt voor de bouw van de stad Seleucia.

Voor de berekening van de 2520 jaar moeten die jaren met 360 vermenigvuldigd worden om het aantal dagen te weten. Dit zijn 907.200 dagen. Deze dagen moeten door 365,24 worden gedeeld om het aantal jaar volgens onze tijdrekening te krijgen. Dit zijn 2483,8462 jaar. Deze jaren moeten gerekend worden vanaf 482 voor onze jaartelling. Er moet geen jaar “nul” gerekend worden, want dat bestaat niet. De berekening leidt naar het jaar waarin Babel weer de hoofdstad van de wereld zal zijn. Aan het einde van de 70-ste week valt Jeruzalem en daarmee ook Moskou en zijn satellietstaten, want die komen in Jeruzalem eveneens aan hun eind. De Angelsaksische volkeren zullen de tien stammen van Israël blijken te zijn. Dit heeft tot gevolg dat er dan slechts één grote macht overblijft, namelijk de Arabische tien-statenbond. Na het succes dat twee vijanden van Babel elkaar hebben vernietigd, zal de Filistijn zichzelf laten uitroepen tot koning van Babel. Daarbij zal hij de stad Babel laten uitroepen tot hoofdstad van de wereld. Deze Filistijn zal in de 70ste week reeds de macht hebben. Aan het einde van de 70-ste week zal hij zich in Babel vestigen.

Mené, mené, tekél, upharsin

In Daniël 4 staat de profetie over de zeven tijden. In Daniël 5 staat beschreven dat er een handschrift op de muur verscheen. (Daniël 5 : 5 e.v.) Dit gebeurde in dezelfde nacht waarin Bélsazar gedood werd (Daniël 5 : 30) en Babel door de Meden en Perzen veroverd werd. Op de muur verschenen de woorden: “Mené, mené, tekél, upharsin”. (Daniël 5 : 25) Deze woorden worden vertaald met tellen (vers 26), wegen (vers 27) en verdelen. (vers 28) Er zit echter nog een andere waarheid achter. “Mené” is hetzelfde als een “mina”, vertaald met pond (= een bepaald aantal “sikkelen”; Ezechiël 45 : 12). Het woord “mené” wordt tweemaal geschreven, waardoor er tweemaal dat aantal “sikkelen” zijn. “Tekél” betekent feitelijk “sikkel” (shèkèl), hetgeen overeenkomt met twintig “gera”. (o.a. Exodus 30 : 13; Leviticus 27 : 25) Het komt meermalen in de Bijbel voor dat een woord in het Hebreeuws met een “s” geschreven wordt, terwijl de Chaldeeuwse versie met een “t” geschreven wordt. “Upharsin” is hetzelfde als “perés”, dat hetzelfde is als een halve “mina”. Er stonden dus een aantal gewichten op de muur. Eén “mina” is duizend “gera”. Twee “mina” is dan 2000 “gera”. Eén sikkel is twintig “gera”. “Peres” is een verdeling en wijst dus op een halve “mina”, hetgeen vijfhonderd “gera” is. Totaal is dat 2520 “gera”. Dit schrift verscheen in 538 voor onze jaartelling op de muur. Op dat moment ging die profetie nog niet in vervulling. Dat gebeurde pas 56 jaar later in 482, toen Babel ontluisterd werd.

8. De wereldrijken in het boek Daniël

31 Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.
32 Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
33 Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.
34 Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
35 Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.
36 Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor de koning zeggen.
37 Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;
38 En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.
39 En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde.
40 En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken.
41 En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;
42 En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.
43 En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.
44 Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
45 Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, het koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker. Daniël 2 : 31-45

Deze profetie spreekt over Nebukadnézar die vlak daarvoor in -606, Jeruzalem veroverd had. Hij was de eerste koning van “de tijden der heidenen”. (Lukas 21 : 24) Nebukadnézar droomde een droom waar hij niets van begreep. Hij droomde over een beeld. Daniël verklaarde de droom. Het beeld was volgens die verklaring een uitbeelding van de achtereenvolgende wereldrijken. Vanaf Nebukadnézar zouden diverse wereldrijken bestaan, totdat het koninkrijk weer aan het huis van David zal worden teruggegeven. Achtereenvolgens worden er verschillende metalen genoemd: goud, zilver, koper, ijzer en ijzer, vermengd met leem. (Daniël 2 : 32, 33) In Daniël 2 : 38 staat dat het gouden hoofd een beeld is van Nebukadnézar zelf. Na hem zouden andere koninkrijken opstaan. Die koninkrijken zijn achtereenvolgens: Babel (= goud), het rijk van de Meden en Perzen (= zilver), het koninkrijk van de Grieken (= koper) en het koninkrijk van de Romeinen (= ijzer). Daarna komt er iets dat geen naam heeft. Ter herkenning noemen we het “de tien-statenbond” (= ijzer, vermengd met leem). De tien-statenbond wordt hier uitgebeeld door tien tenen. Elders wordt het als “tien horens” omschreven. (Openbaring 13 : 1) Dat koninkrijk zal tot het einde aan toe bestaan. In die dagen zal het koninkrijk aan geen ander volk worden overgelaten, (Daniël 2 : 44) want het zal aan Israël worden gegeven. De Steen, Die zonder handen afgehouwen zal worden, is de omschrijving van Christus Zelf. Hij zal Zijn koninkrijk oprichten. Het zal een eeuwig koninkrijk zijn dat in der eeuwigheid niet zal worden verstoord. Daarna komt er een grote Steen van de berg gerold, zonder handen afgehouwen. (Daniël 2 : 45) Het beeld wordt door die Steen vermalen; te beginnen met de voeten. In de praktijk blijkt van deze wereldrijken niets terecht te komen. Ze worden door de komst van Christus, de Steen, vernietigd. Dit houdt uiteraard ook verband met de wedergeboorte van de staat Israël. Niet alleen het ijzer, vermengd met leem, zal worden vermalen. Ook het ijzer, koper, zilver en goud zal worden vermalen. Dit betekent dat al die rijken in de dagen van de wederkomst van Christus op de één of andere manier zullen bestaan. Ze zullen op de én of andere manier herkenbaar zijn. Het gaat hier dus niet alleen om een opsomming van de achtereenvolgende rijken. Het rijk van het gouden hoofd (= Babel) zal ook in de dagen van het rijk van de tien tenen bestaan. Dit geldt tevens voor het Medo-Perzische, het Griekse en het Romeinse rijk.

1 In het eerste jaar van Bélsazar, den koning van Babel, zag Daniël een droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken.
2 Daniël antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.
3 En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.
4 Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.
5 Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.
6 Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.
7 Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.
8 Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.

9 Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.
10 Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
11 Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.
12 Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.
13 Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.
14 En Hem werd gegeven heerschappij en eer en het Konink- rijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. Daniël 7 : 1-14

Daniël zag in zijn droom de vier winden des hemels. Deze winden hebben we reeds met betrekking tot Openbaring 7 : 1 besproken. De winden staan voor de werking van “geest” onder de volkeren. Ze braken voort op de grote zee, waardoor die zee enorm tekeerging. Dit komt overeen met Psalm 2 : 1: “Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?” “Woeden” wordt normaal gebruikt in verband met de zeeën die tekeergaan. Zeeën (= wateren) zijn een beeld van volkeren. (o.a. Openbaring 17 : 15) Uit de zee kwamen vier grote dieren die alle vier verschillend waren. (Daniël 7 : 3) Dit betekent dat uit de zee (= de volkeren) vier verschillende wereldrijken op zouden komen. Het eerste dier (Daniël 7 : 4) komt overeen met Babel. De gouden, gevleugelde leeuw is sinds de dagen van Nebukadnézar de uitbeelding van Babel. De vleugelen zijn arendsvleugelen. De arend wordt geacht de koning van de hemel te zijn. De leeuw wordt geacht de koning van de aarde te zijn. Beide zijn een uitbeelding van Christus, de Koning van hemel en aarde. Hij is de Mens Die Beelddrager Gods is. (2 Korinthe 4 : 4; Kolossenzen 1 : 15; Hebreeën 1 : 3) Met name de koning van Babel heeft dit altijd op zichzelf van toepassing gebracht. Dat was al zo in de dagen van Nimrod (Genesis 10 : 8-10) en Nebukadnézar. De vleugelen van dit eerste dier worden uitgeplukt, hij wordt van de aarde opgeheven en op de voeten gesteld. Dit betekent dat hij op zijn achterpoten ging staan. Deze leeuw veranderde als het ware in een mens en hem werd bovendien het hart van een mens gegeven. Dit is een uitbeelding van de toekomst van Babel en van de toekomstige koning van Babel. Deze leeuw krijgt gestalte in de laatste koning van Babel, die nog moet komen. In Daniël 4 en 5 wordt niet alleen over de vernietiging van Babel in het verleden gesproken, maar ook over het herstel van Babel in de toekomst. Vanuit het verleden van Nebukadnézar wordt de lijn hier doorgetrokken naar de toekomst waarin Babel wéér de hoofdstad van de wereld zal zijn. Het gouden hoofd zal in de dagen van de tien tenen vernietigd worden. De vleugelen van de leeuw zullen worden uitgeplukt. Dit wijst op de nederwerping van de satan uit de hemel. In de hemel heeft hij dán geen macht meer, maar alleen nog op de aarde. Op aarde neemt hij de gedaante van een mens aan. De mens die in deze droom ontstaat, is de allerlaatste koning van Babel.

Het tweede dier leek op een beer. (Daniël 7 : 5) Dit is een omschrijving voor het Medo-Perzische rijk. Dit dier stelde zich aan zijn ene zijde. Het Medo-Perzische rijk begon met de twee jaar van Darius, de Meder. Hij regeerde in Babel. Vervolgens kwam Kores, de Pers. Hij stelde zich dus aan de zijde van de Perzen; niet van de Meden. De Meden spelen geen noemenswaardige rol. Het dier had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden. Dit spreekt over wat aan dit rijk voorafging, namelijk wat de beer heeft opgegeten. De drie ribben komen overeen met de wereldrijken van Egypte, Assur en Babel. Egypte en Assur bestonden in de dagen waarin Israël zelfstandigheid bezat. Daarom worden die rijken hier in Daniël niet meegerekend. In het boek Openbaring gaat het over een totaal van zeven wereldrijken: Egypte, Assur, Babel, Meden en Perzen, Griekenland, Rome en de tien-statenbond. Wat in het boek Daniël verborgen is, wordt in het boek Openbaring alsnog geopenbaard en aangevuld. In Daniël zijn de drie ribben verborgen. In Openbaring wordt met zeven wereldrijken geteld. Het eerste rijk dat niet in het boek Daniël genoemd wordt, is Egypte, waaruit Israël geboren werd. Het tweede rijk was Assur, waarheen de tien stammen zijn verstrooid. Het derde rijk was Babel, waarheen de twee stammen verstrooid werden. Egypte was de oorsprong, terwijl Assur en Babel de rijken waren waarheen Israël verstrooid werd. Deze drie ribben geven tevens de oorsprong en het einde van Israël weer.

Het derde dier (Daniël 7 : 6) leek op een luipaard. Dit dier is erg belangrijk. Het had vier vleugels van een vogel op zijn rug. Het had vier hoofden. Dit slaat op het Griekse wereldrijk onder aanvoering van Alexander de Grote. Hij veroverde in vliegende vaart (= met vleugels) het toenmalige wereldrijk (naar het oosten toe). Alexander de Grote kwam uit Macedonië. Op zeer jonge leeftijd heeft hij Griekenland verlaten en hij is er nooit teruggekeerd. Toch wordt dit rijk het Griekse rijk genoemd, omdat hij de Griekse taal sprak en de Griekse cultuur (en daarmee de Griekse godsdienst) wilde verspreiden. De vier vleugels zijn een uitbeelding van zijn vier generaals: Ptolemeüs, Seleucus, Lysimachus en Cassander. Vervolgens wordt er over vier hoofden gesproken. Zij zijn een uitbeelding van dezelfde generaals; niet als de generaals van Alexander de Grote, maar als zijn opvolgers. Terwijl Alexander Babel aan het bouwen was tot hoofdstad van zijn koninkrijk, stierf hij. Zijn rijk werd onder zijn generaals verdeeld. Twee van hen worden in de Bijbel genoemd als “de koning van het noorden” en “de koning van het zuiden”. De andere twee, de koning van het oosten en de koning van het westen, spelen in de Bijbel geen rol en worden niet genoemd. Het Griekse rijk werd in vieren gedeeld. De twee belangrijkste rijken, die eruit ontstonden, waren Egypte met de dynastie van de Ptolemeeën en in het noorden, bij Syrië en Klein-Azië, het rijk van de Seleuciden. Ptolemeüs was de koning van het zuiden. Seleucus was de koning van het noorden.

Het Babylonische rijk dankt zijn naam aan de stad Babel. Het was het rijk van de Chaldeeën. Babel was aanvankelijk ook de hoofdstad van het Medo-Perzische rijk (tot 482 v. Chr.). Het Griekse rijk heeft nooit een hoofdstad gekend. Alexander wilde Babel tot hoofdstad van zijn rijk uitroepen, maar tijdens de herbouw van Babel stierf hij. De herbouw werd gestopt. Ook Napoleon heeft Babel willen herbouwen om het tot hoofdstad van zijn rijk te maken. Hier is nooit iets van terechtgekomen, hoewel er tekeningen voor de herbouw zijn gemaakt. In onze dagen is/wordt Babel weer herbouwd. Men begon met de herbouw van gebouwen die destijds door Alexander de Grote waren gebouwd om aan te geven dat Babel niet alleen de hoofdstad van het Babylonische rijk geweest was. Het vierde dier was afschrikwekkend en gruwelijk. (Daniël 7 : 7) Het had grote ijzeren tanden. Het at, verbrijzelde en vertrad het overige met zijn voeten. Het was anders dan al de dieren die ervoor waren geweest. Het had tien hoornen. Het is de omschrijving van het Romeinse rijk. Dit rijk wordt door een monster uitgebeeld, omdat het Romeinse rijk monsterlijk was. Het had geen eigen cultuur of taal. Het rijk kwam tot stand op grond van militair geweld. Het visioen ging over slechts vier dieren, Dit visioen spreekt echter over alle wereldrijken tot aan de komst van Christus. Hier wordt het door vier dieren voorgesteld. “Vier” geeft aan dat het van voorbijgaande aard is. Er komt minstens nog één rijk, maar dit rijk wordt beschreven als onderdeel van het vierde dier. Dit betekent niet dat beide rijken hetzelfde zijn. Het wil zeggen dat er bepaalde overeenkomsten bestaan.

Het vierde dier had tien hoornen. Deze tien hoornen komen overeen met de tien tenen uit de droom van het beeld van Nebukadnézar. (Daniël 2 : 34) Tussen de tien hoornen kwam een kleine hoorn (de elfde) tevoorschijn. Drie van de tien hoornen werden ervoor uitgerukt. De kleine hoorn had mensenogen en sprak grote dingen. De tien hoornen zijn, evenals de tien tenen, een uitbeelding van het wereldrijk dat tot het einde aan toe zal bestaan. Het verhaal gaat echter nog verder, want er blijkt nóg een hoorn te verschijnen. In de dagen van de tien-statenbond verschijnt er een andere macht, die uit de tien voortkomt. Hij is niet één van de tien, maar komt wel uit hen voort! Die elfde hoorn onderwerpt de tien hoornen aan zich. Deze laatste hoorn is dezelfde als de leeuw die op zijn voeten gesteld werd en aan wie een mensenhart werd gegeven. (Daniël 7 : 4) Het gaat dus om de laatste koning van Babel. Als de Steen op de tenen van het beeld valt zal óók het gouden hoofd vermalen worden. (Daniël 2 : 45) De tien-statenbond zal uit landen uit het Midden-Oosten bestaan. De tien-statenbond zal tot aan het einde toe blijven bestaan. Voor het einde aanbreekt zal die tien-statenbond door een ander worden geregeerd. Hij is niet één van de tien, maar komt wel uit de tien voort. Hij komt tussen die tien uit omhoog. Voor ons is het niet moeilijk om deze kleine hoorn aan te wijzen. Het is de leider van de Palestijnen. De Palestijnen komen in alle Arabische landen voor en hebben nooit een eigen land gehad. Ze zullen ook nooit een eigen land hebben, maar ze zullen wel de macht over de Arabische wereld krijgen. Palestijnen worden in de Bijbel Filistijnen genoemd. Zij spelen met name in de dagen van David en de oprichting van zijn koninkrijk een grote rol.

In Daniël 7:9,10 wordt God gezien, zittend op de troon. Als men God ziet, ziet men echter de Here Jezus Christus, het Beeld Gods. (Kolossenzen 1 : 15; Hebreeën 1 : 3) In Daniël 7 : 11 gaat het visioen weer verder met de kleine hoorn. Hij zal grote dingen spreken, zoals Goliath destijds ook grote woorden van godslastering durfde uit te spreken. Hij beledigde de God van Israël. Het dier zal echter gedood worden. De heerschappij van de overige dieren werd eveneens weggenomen, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe. (Daniël 7 : 12) Dit betekent dat álle wereldrijken een bepaalde macht houden tot in de dagen dat Christus wederkomt en op de troon Zijner heerlijkheid zal zitten. (Matthéüs 25 : 31) De kenmerken van álle wereldrijken zullen in de dagen van de wederkomst van Christus duidelijk terug te vinden zijn. Het visioen van Daniël ging nog verder. Hij zag Eén, komende met de wolken des hemels. (Matthéüs 24 : 30) Deze Zoon des mensen is uiteraard Christus. Aan Hem werd de heerschappij en het koninkrijk gegeven. (Daniël 7 : 13, 14) De Eeuwige en de Zoon (Degene Die vernederd en verhoogd werd) naderen hier tot elkaar. (Psalm 110 : 1) Het gaat niet over twee “Personen”, maar om Eén en Dezelfde! Het ene aspect (= de Oude van dagen) is, dat Christus gisteren en heden Dezelfde is en tot in alle eeuwigheid. (Hebreeën 13 : 8) Het andere aspect (= de Zoon des mensen) is dat Hij Zich vernederd heeft, maar vervolgens uitermate verhoogd werd. (Filippenzen 2 : 5-9) Hij kwam uit de hemel, nam de gedaante van een mens aan en heeft Zichzelf vernederd. Hij werd vervolgens uitermate verhoogd! Hij is altijd Dezelfde, maar niet altijd hetzelfde. De Bijbel geeft zelf een verklaring van dit visioen:

17 Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.
18 Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.
19 Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.
20 En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.
21 Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht,
22 Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.
23 Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen.
24 Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.
25 En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.

26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.
27 Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.
28 Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniël aangaat, mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dat woord in mijn hart. Daniël 7 : 17-28

De vier dieren zijn koningen die uit de aarde zullen opstaan. (Daniël 7 : 17) Daarmee zijn de vier dieren meteen een uitbeelding van vier koninkrijken. Daniël 7 : 18 verwijst uiteraard naar de Steen uit Daniël 2 : 45. Het verwijst dus ook naar Israël. Het vierde dier valt feitelijk in drie delen uiteen. Daniël had het visioen van het vierde dier niet goed begrepen. (Daniël 7 : 19-22) Daarom wordt het vierde dier apart uitgelegd. Het Romeinse rijk (= ijzer) en het Griekse rijk (= koper) worden in Daniël 7 : 19 genoemd. Ze hadden bepaalde overeenkomsten. Eén van de methodes waarop het Romeinse rijk verbreid werd was het overnemen van de Griekse cultuur. De Romeinen hadden zelf geen cultuur en daarom hebben ze die van de Grieken “geleend”. De Grieken hadden zelf overigens evenmin een eigen cultuur. Zij hebben hun cultuur uit Egypte gehaald. De Romeinen hebben de Griekse cultuur en godsdienst overgenomen en gaven de Griekse goden andere namen. Het vierde dier had tien hoornen op zijn hoofd. (Daniël 7 : 20) Uit het ijzeren rijk zullen tien andere rijken (tien-statenbond) voortkomen. Zij zullen een eenheid zijn. De ene hoorn, die tussen de tien hoornen opkomt, zal van oorsprong kleiner zijn. Uiteindelijk zal hij echter vér boven de anderen uitgroeien. Zijn aanzien zal groter zijn dan het aanzien van de andere tien hoornen. De (kleine) hoorn voerde krijg tegen de heiligen en hij heeft hen overmocht. (Daniël 7 : 21) Deze heiligen zijn geen gelovigen van de Gemeente, want die zijn er in die dagen niet meer. Het slaat op Israël, de heiligen van de hoge plaatsen. (Daniël 7 : 18) Hij zal tegen Israël strijden en haar onderwerpen. Dit duurt totdat het koninkrijk aan Israël zal worden gegeven. (Daniël 7 : 22)

Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn. (Daniël 7 : 23) Het zal de gehele aarde opeten, wat inhoudt dat het heerschappij over de gehele aarde zal hebben. De tien hoornen wijzen op tien koningen die uit het vierde rijk zullen opstaan. (Daniël 7 : 24) Na hen zal er nog een ander opstaan die ánders zal zijn dan de tien. De tien tenen uit Daniël 2 bestaan tot het einde aan toe. De tien-statenbond bestaat dus tot aan het begin van de duizend jaar. Terwijl de tien-statenbond er is, zal er een andere macht omhoogkomen en zal de tien-statenbond aan zich onderwerpen. Dat is overigens hét kenmerk van Filistijnen! Ze komen nooit alleen en maken altijd gebruik van andere volkeren om de macht te grijpen/houden. Dit principe gold in Bijbelse tijden, maar ook nu.

De Filistijnse vluchtelingen hebben zichzelf tot volk uitgeroepen. Aangezien zij een volk zijn menen ze recht te hebben op een eigen land. Ze hebben inmiddels reeds een officiële afvaardiging in de Verenigde Naties. Het wordt als volk erkend, hoewel het op zeer kunstmatige wijze ontstaan is. Het is uiteraard opmerkelijk dat er heden ten dage weer een Filistijns volk is zoals in de dagen van David. De rol van de Filistijnen in het verleden is in hoge mate profetisch. In de toekomst zal er opnieuw een Filistijns volk zijn dat een grote rol zal spelen in de laatste dagen van “de tijden der heidenen”. (Lukas 21 : 24) De opvolger van Yassar Arafat zal de macht krijgen over de gehele Arabische wereld en over de gehele wereld. Hij zal zijn troon in Babel vestigen. De heerser van Irak zal verdreven worden. Met andere woorden: zijn hoorn zal uitvallen. De Filistijn zal zijn plaats innemen. De tien-statenbond zal ontstaan. Uit hen zal een ander aan de macht komen. Hij zal gelijktijdig met de andere tien aan de macht zijn. Hij zal ánders zijn dan de tien. Hij zal drie koningen vernederen. (Daniël 7 : 24) Hij zal die rijken niet vernietigen, maar met geweld aan zich onderwerpen. De overige zeven zullen zich vervolgens vrijwillig aan hem onderwerpen. Deze laatste machthebber zal woorden tegen de Allerhoogste spreken. (Openbaring 13 : 5)

Hij zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren en menen de tijden en de wet te kunnen veranderen. (Daniël 7 : 25) Dit betekent niet dat hij de wetten zal veranderen. Het heeft met tijden en gebod te maken. Hij zal proberen om Gods wet met betrekking tot de tijden te verstoren. God heeft bepaald in welk jaar Hij Zijn koninkrijk op aarde zal vestigen. Deze laatste machthebber zal proberen om dát te voorkomen. Hij zal eveneens proberen om de heiligen van de hoge plaatsen uit te roeien, maar hij zal dat niet blijken te kunnen. De heiligen van de hoge plaatsen zullen in zijn hand overgegeven worden gedurende een tijd, een dubbele tijd en een gedeelte van een tijd. (Daniël 7 : 25) Dit zijn weer de bekende 3,5 jaar (= 42 maanden, of 1260 dagen), namelijk de tweede helft van de 70-ste week. Dit betekent dat de machthebber, die uit de tien zal voortkomen, reeds vóór de tweede helft van de 70-ste week aan de macht is. Er wordt in Daniël 9 : 27 gezegd dat hij met de velen een verbond zal versterken. Dit betekent dat hij reeds bij het begin van de 70-ste week aan de macht is. De 70-ste week begint direct na de opname van de Gemeente. Dit betekent dat wij tegen die tijd precies zullen weten wie deze machthebber is. Daarna zal het gericht zitten en men zal zijn heerschappij wegnemen. (Daniël 7 : 26) Dit gericht begint na de 70-ste week. Hij komt dán weliswaar op het toppunt van zijn macht, maar vanaf dat moment wordt die macht minder. Aan het einde van de 70-ste week zal hij Babel uitroepen tot hoofdstad van de wereld. Terwijl dat gebeurt wordt er in de woestijn een volk verzameld en door dat volk zal hij ten onder gaan. Aan dat volk zal het koninkrijk gegeven worden. Hij zal verdelgd worden tot het einde aan toe. Dit wijst uiteraard op de periode van 33 jaar. Vanaf het einde van de 70-ste week zal hij verdelgd en verdaan worden. Dit gebeurt gedurende een bepaalde tijd en niet op één moment. Het is een periode waarin zijn macht weggenomen wordt. Dit gebeurt in de dag Zijns toorns. (Openbaring 6 : 17) Het beslaat de 33 jaar tussen het einde van de 70-ste week en het begin van de duizend jaar.

Het rijk, de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen van de hoge plaatsen. Dat rijk zal een eeuwig rijk zijn. Alle heerschappijen zullen Christus eren en gehoorzamen. (Daniël 7 : 18) Dit is een omschrijving van het koninkrijk van Christus, de Zoon des mensen. Uit dit visioen zijn de koperen klauwen van het ijzeren dier nog niet duidelijk geworden. De conclusie die getrokken kan worden is dat het koper in de tijd van het ijzer en van het ijzer, vermengd met leem, óók een rol speelt. De persoon van Goliath was bovendien geheel in koper gehuld. Er is dus iets met dat koper aan de hand. “Koper” is de uitbeelding van het Griekse rijk. Het laatste wereldrijk zal vanuit Babel geregeerd worden. De Perzen zijn makkelijk aan te wijzen, want hun land staat in iedere atlas (= Iran). Het mohammedanisme is daar erg sterk. Het zal straks een belangrijke rol gaan spelen, hoewel het een aangepaste versie zal zijn. Er zal namelijk een andere “Mohammed” opstaan, een andere profeet, die grote dingen zal spreken tegen de God van Israël. IJzer is een uitbeelding van het Romeinse rijk. Dit ijzer zal ook tot aan het einde toe aanwezig zijn. Het is een uitbeelding van het westen en de westerse beschaving, hoewel ijzer weinig met “beschaving” te maken heeft. Het koper wordt verklaard in Daniël 8 : 1-26:

1 In het derde jaar des koninkrijks van den koning Bélsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniël, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.
2 En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed U’lai was.

3 En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.
4 Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.
5 Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.
6 En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht.
7 En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.
8 En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels.
9 En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.
10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.
11 Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.
12 En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.
13 Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?

14 En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.
15 En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniël, zo zocht ik het verstand deszelven, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans.
16 En ik hoorde tussen U’lai eens mensen stem, die riep en zeide: Gabriël! geef dezen het gezicht te verstaan.
17 En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.
18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.
19 En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.
20 De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.
21 Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
22 Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.
23 Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;
24 En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven:
25 En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.
26 Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe. Daniël 8 : 1-26

Daniël kreeg opnieuw een visioen, waarin hij een ram zag. Deze ram had twee hoge hoornen. De één was hoger dan de andere en de hoogste kwam het laatste op. (Daniël 8 : 3) Deze omschrijving wijst uiteraard op het Medo-Perzische rijk. De ram heeft namelijk twee hoornen, waarvan de één hoger is dan de ander. De kleinste hoorn (= de Meden) kwam eerst, maar dit duurde slechts twee jaar. Vervolgens kwam de grootste hoorn (= de Perzen). Bij de uitleg van dit visioen wordt dit overigens gewoon meegedeeld. (Daniël 8 : 20) De ram stiet tegen het westen, noorden en zuiden. (Daniël 8 : 4) De ram kwam zelf uit het oosten. Geen ander dier kon voor hem bestaan en er was niemand die uit zijn hand verloste. Hij deed wat hij wilde en maakte zich groot. Er ontstond dus een wereldrijk. Terwijl Daniël dit alles overlegde, kwam er een geitenbok uit het westen. Hij kwam over de ganse aardbodem, maar raakte de aarde niet aan. Deze geitenbok had een aanzienlijke hoorn tussen zijn ogen. (Daniël 8 : 5) Dit is een omschrijving van het daaropvolgende Griekse wereldrijk van Alexander de Grote, zoals Daniël 8 : 21 ons meedeelt. Hij raakte de aardbodem niet aan. Dit wordt in Daniël 7 : 6 weergegeven door vier vleugelen. Het suggereert tevens een hoge snelheid, hetgeen in Daniël 7 : 6 door het luipaard wordt weergegeven. De aanzienlijke hoorn is een omschrijving van Alexander de Grote. De geitenbok kwam tot de ram en hij liep op hem aan in de grimmigheid van zijn kracht. De geitenbok verbitterde zich tegen de ram. Hij brak de beide hoornen van de ram die geen kracht had. De ram werd vertreden. (Daniël 8 : 6, 7) Het Medo-Perzische rijk ging ten onder en werd opgevolgd door het Griekse rijk van Alexander de Grote.

De geitenbok maakte zich uitermate groot, maar toen brak de grote hoorn en er kwamen vier andere hoornen voor in de plaats. (Daniël 8 : 8) Alexander de Grote was groot. Hij wilde zelfs Babel herbouwen, maar hij stierf. In zijn plaats kwamen vier andere vorsten. Uit één van de vier hoornen kwam een kleine hoorn die uitnemend groot werd tegen het zuiden, het oosten en tegen het sierlijke land. (Daniël 8 : 9) Het sierlijke land is Palestina. (Ezechiël 20 : 6 = het westen) Hij streed tegen het zuiden, oosten en westen, wat inhoudt dat hijzelf uit het noorden kwam. Hij kwam zelf dus uit Syrië en kwam dus voort uit de Seleuciden. Deze kleine hoorn werd groot tot aan het heir des hemels. (Daniël 8 : 10) Dit hebben we reeds besproken. De sterren zijn een omschrijving van Israël. Hij maakte zich zelfs groot tegen de Vorst van Israël, de Messias. (Daniël 8 : 11) Deze profetie spreekt over zaken, die in het verleden reeds vervuld zijn, in de persoon van Antiochus Epiphanes. Hij ontheiligde Jeruzalem en de tempel. Hij liet een beeld van Zeus/Jupiter oprichten. Hij liet varkens offeren en verbood de besnijdenis. Hij deed de meest gruwelijke dingen met degenen die zich daar niet aan hielden. Hij bracht een grote verdrukking over Israël. De grootste verdrukking over Israël aller tijden moet echter nog komen. Deze profetie springt van Antiochus Epiphanes meteen over naar de tijden van de eindtijd. In het verleden was Antiochus Epiphanes degen die uit één van de vier hoornen van het Griekse rijk voortkwam. De kleine hoorn zal de laatste koning van Babel blijken te zijn. Tussen Antiochus Epiphanes en de toekomstige koning van Babel zit echter niets. De lijn van het Griekse rijk wordt meteen doorgetrokken naar de tijd van het einde. Het heir werd in de afval overgeven. (Daniël 8 : 12) De Joodse godsdienst werd verboden. Dit gebeurde inderdaad in de dagen van Antiochus Epiphanes. Dezelfde situatie zal zich echter in het midden van de 70-ste week herhalen. Ditzelfde wordt overigens ook uitgebeeld door de oprichting van een beeld door Nebukadnézar. (Daniël 3 : 1, 2) Hij zal de waarheid ter aarde werpen. Hierbij behoort meteen aan de twee getuigen – Mozes en Elia – gedacht te worden. Zij zullen bij die gelegenheid, in het midden van de 70-ste week, gedood worden. (Openbaring 11 : 7)

Er zal een tijd gesteld worden waarin het heiligdom en het volk ter vertreding zal worden overgegeven. (Daniël 8 : 13, 14) Volgens Openbaring 11 : 2 en Daniël 7 : 25 duurt die periode 3,5 jaar (42 maanden). Het zal 1260 dagen duren. Hier staat echter 2300 avonden en morgens. In de dagen van de toekomende hoorn zal de verdrukking voor Israël uiteraard 1260 dagen duren. Het verschil tussen deze 2300 dagen en de 1260 dagen, die elders genoemd worden, zijn de dagen, waarin het heiligdom en het volk in het verleden werden overgegeven (2300 – 1260 = 1040 dagen). Het is echter niet na te gaan hoelang de ontwijding van de tempel in de dagen van Antiochus Epiphanes precies heeft geduurd. Die tijd wordt in de boeken van de Makkabeeën en van Flavius Josephus beschreven. Flavius Josephus rekent met twee verschillende tijden. Hij meet dezelfde tijd, maar komt tot twee verschillende tijden. De ene berekening geeft exact drie jaar aan. Na drie jaar werd de tempel heringewijd. Dit werd en wordt op het Chanoekafeest herdacht. De andere berekening geeft 3,5 jaar. Daarbij wordt vermeld dat het in overeenstemming is met wat in het boek Daniël voorspeld werd. Dit betekent echter dat hij de zaken “kloppend” heeft willen maken. Het heeft geen 3 of 3,5 jaar geduurd, maar 2300 – 1260 = 1040 dagen. Hij heeft “ongeveer drie jaar” veranderd in “exact drie jaar” (= 1080 dagen), omdat het zo mooi overeenkomt met het verschijnsel dat “vernieuwing” zou plaatsvinden op de derde. (o.a. Hoséa 6 : 2) Later vond hij dat het met Daniël 8 overeen moest komen, waarna hij er 3,5 jaar van heeft gemaakt.

De 2300 dagen zijn een samenvoeging van de beide perioden van de ontwijding van de tempel. De eerste periode was die ten tijde van Antiochus Epiphanes (1040 dagen; ca. 170 tot 167 v. Chr.). De tweede periode ligt nog in de toekomst en zal 1260 dagen in beslag nemen (= de tweede helft van de 70-ste week). Daarom staat er in Daniël 8 : 14 geen 2300 dagen, maar 2300 avonden en morgens. Dit geeft aan dat deze 2300 in twee verschillende tijden moeten worden geplaatst. De ene tijd wordt als “avonden” omschreven en de andere tijd als “morgens”. Hiermee wordt dus een verband gelegd tussen de ontwijding in de dagen van Antiochus Epiphanes en de toekomstige ontwijding in de tweede helft van de 70ste week. Daniël begreep dit visioen niet. Gabriël wordt gestuurd om hem het gezicht te verklaren en hij zegt dat het gezicht zal zijn tot de tijd van het einde. (Daniël 8 : 15-17) Het visioen ging over de overgang van het Medo-Perzische rijk naar het Griekse wereldrijk en zal tot het einde aan toe voortduren. In het einde moet dus sprake zijn van een Grieks wereldrijk. Het is een voortzetting of een herstel van het Griekse wereldrijk. We weten dat er in de laatste dagen een hersteld Babel zal zijn (na zeven tijden; 2520 jaar). Dit gaat alleen over een stad en niet over een rijk. Hier wordt duidelijk dat het om een Grieks rijk zal gaan. De hoofdstad van het Griekse rijk had eveneens Babel moeten zijn. In de toekomst dienen we dus een hersteld Grieks rijk te verwachten. Dat rijk lag in het Midden-Oosten en had niets met Europa te maken. Zo’n rijk zal er in de toekomst opnieuw zijn, met Babel als hoofdstad.

Toen Gabriël met Daniël sprak viel Daniël in een diepe slaap en werd weer wakker. (Daniël 8 : 18) Dit is een omschrijving van de dood. Zo’n slaap kwam destijds ook over Adam toen zijn vrouw uit hem genomen werd. (Genesis 2 : 21) Het is een beeld van de dood waaruit nieuw leven te voorschijn komt. De diepe slaap van Adam is een beeld van de huidige (vijfde) bedeling. Er is een onderbreking waarin de Heer dood is voor Israël. Ondertussen wordt de vrouw (= de Gemeente) eruit genomen. De slaap van Daniël wijst eveneens op een onderbreking, namelijk de onderbreking tussen de 1040 en de 1260 dagen. Grof genomen kan de slaap opgevat worden als een onderbreking tussen de 69-ste en de 70ste week. Op de bestemde tijd zal het einde zijn. (Daniël 8 : 19) Op de door God bepaalde tijd zal het einde der heidenen zijn. In Daniël 8 : 20-22 wordt verklaard wie de bok en de geitenbok zijn. De grote hoorn is de eerste koning van het Griekse rijk, Alexander de Grote. In zijn plaats zullen er vier koninkrijken ontstaan, hoewel ze zwakker zullen zijn. Vanaf Daniël 8 : 23 wordt niet meer over Antiochus Epiphanes gesproken. Er wordt over het laatste van hun koninkrijk gesproken, wat samenvalt met de tijd van het einde. (Daniël 8 : 17) Het gaat dus over de kleine hoorn, de laatste koning van Babel. Hij zal grote dingen spreken tegen God. (Openbaring 13 : 5, 6) “Stijf van aangezicht” betekent dat hij onvermurwbaar zal zijn. Zijn kracht zal sterk zijn, maar het zal niet zijn eigen kracht zijn. (Daniël 8 : 24)

Aan het begin van de 70-ste week zal de satan uit de hemel worden geworpen. De satan (= de draak) zal aan deze koning zijn kracht geven. (Openbaring 13 : 2) Hij is daarmee te bezien als de personificatie van de satan, zoals dat ook voor Goliath gold. Deze koning zal op onverklaarbare wijze verderf brengen. (Daniël 8 : 24) Hij zal geluk hebben en zal de sterken (= het heilige volk) verderven. Door zijn kloekheid zal hij de bedriegerij doen gedijen. (Daniël 8 : 25) Hij zal de leugen prediken, de geest der dwaling. Hij zal zich, evenals Nebukadnézar, in zijn hart verheffen. Hij zal in stille rust velen verderven. Dit betekent dat hij vrede zal sluiten, (Daniël 9 : 27) maar juist door die vrede zal het verderf komen en zullen de volkeren der aarde misleid worden. Hij zal tegen de Vorst der vorsten (Christus) staan, maar hij zal zonder hand worden verbroken. De aarde zal zich openen en hem opeten. (Openbaring 19 : 20) De Steen (Daniël 2 : 35) zal de gehele aarde vullen, waaruit volgt dat deze koning naar onder de aarde verdwijnt. Het gezicht van avond en morgen is de waarheid. Daniël moest dit visioen sluiten omdat er nog vele dagen te gaan waren. (Daniël 8 : 26)

Conclusie

In de Arabische wereld zal in de toekomst een tien-statenbond ontstaan. Daartussenuit zal iemand opstaan die beschouwd moet worden als de voortzetter van het oude Griekse rijk van Alexander de Grote. Hij zal zijn residentie in Babel vestigen. Vanuit de analogie van de Bijbelse geschiedenis valt op te maken dat dit een Palestijn/Filistijn zal zijn. Het gaat dus om een hersteld Grieks wereldrijk! Filistijnen hebben geen vaste woon- of verblijfplaats. In de reeks van volkeren van Genesis 10 worden ze wel genoemd, (Genesis 10 : 14) maar niet meegeteld. Ze horen dus niet bij de 70 volkeren die in Genesis 10 genoemd worden. Hun oorsprong is officieel onbekend. Het is daarom nog niet duidelijk van wie deze vorst zal afstammen. Vanuit andere Schriftplaatsen is dat echter wél duidelijk. God heeft namelijk een strijd met Amalek van geslacht tot geslacht. (Exodus 17 : 16) De lijn van Amalek begon bij Ezau. (Genesis 36 : 12; 1 Kronieken 1 : 36) Uit het koningshuis van de Amalek kwam Agag voort. (1 Samuël 15 : 8, 20, 32) Agag had nageslacht, namelijk Haman. (Esther 3 : 1, 10; 8 : 3, 5; 9 : 24) Haman was een Agagiet en dus een Amalekiet en een Edomiet. Haman was de grote jodenhater in de dagen van Esther. Hij was een voorloper van de laatste wereldheerser, het beest, de kleine hoorn. Mordechai is een beeld van de Messias, de Gezalfde. De toekomstige koning van Babel zal tot de Filistijnen behoren, maar qua afstamming zal hij een Hamaniet/Agagiet/Amalekiet/Edomiet blijken te zijn. Als het koningschap niet bij Israël is (= bij Jakob), dan is het in Babel (= bij Ezau). Deze laatste erfgenaam uit het huis van Ezau zal gedood worden door de laatste Erfgenaam uit het huis van David, namelijk Christus.

9. De wereldrijken in het boek Openbaring

1 En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
2 En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht.
3 En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest.
4 En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve?
5 En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.
6 En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen.
7 En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.
8 En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.
9 Indien iemand oren heeft, die hore. Openbaring 13 : 1-9

Deze profetie lijkt erg veel op de uitspraken in Daniël 7 en 8. In Daniël 7 is óók sprake van beesten die uit de zee opkomen. (Daniël 7 : 2, 3) Deze dieren stellen vier achtereenvolgende wereldrijken voor. Het gaat hier in Openbaring 13 om een gelijksoortige profetie.

Er komt een beest uit de zee op. (Openbaring 13 : 1) Het gaat dus opnieuw om een wereldmacht die uit de zee (= de volkeren; Openbaring 17 : 15) opkomt. Dit beest heeft zeven hoofden en tien hoornen. De zeven hoofden werden in Daniël 7 niet genoemd. De zeven hoofden stellen de zeven achtereenvolgende wereldrijken voor, namelijk:

  1. Egypte.
  2. het Assyrische rijk.
  3. het Babylonische rijk.
  4. het Medo-Perzische rijk.
  5. het Griekse rijk.
  6. het Romeinse rijk.
  7. de tien-statenbond.

De tien hoornen staan uiteraard op het zevende hoofd, zoals uit de profetieën van Daniël blijkt. De tien hoornen zijn een uitbeelding van het laatste wereldijk. In Daniël is er eveneens sprake van tien hoornen, maar die hoornen worden daar op het vierde beest gezien. Een hoorn staat voor macht en koningschap. Een koninklijke hoed (Openbaring 13 : 1) beeldt uiteraard hetzelfde uit. Dezelfde waarheid wordt hier dus op verschillende manieren naar voren gebracht. Dit verschijnsel komt in de Bijbel zeer veelvuldig voor; met name met betrekking tot visioenen en profetieën. Ik zeg dit als waarschuwing. Velen menen dat elk verschillend detail van een visioen of profetie een ándere betekenis moet hebben. Vaak wordt dezelfde waarheid echter in een andere vorm herhaald. Op zijn hoofden was een naam van lastering. Het gaat hier om een beest met zeven hoofden en dat wijst op de zeven wereldrijken. De tien hoornen brengen ons bij het laatste wereldrijk, de tien-statenbond. De lastering verwijst weer naar Daniël 7 : 25, waar over de kleine hoorn gesproken wordt. Die hoorn komt uit de tien hoornen voort en lastert God. De omschrijving in Openbaring 13 wijst in het bijzonder op het laatste wereldrijk, maar daarmee ook op alle wereldrijken, omdat zij hun hoogtepunt in het laatste wereldrijk vinden. Het gaat uiteraard om het laatste wereldrijk, maar het is tevens het hoogtepunt van alle voorgaande rijken. Het wordt hier als één geheel (één beest) voorgesteld. In Openbaring 13 : 2 wordt een omschrijving van het beest gegeven. Het beest lijkt op een pardel, hoewel het ook kenmerken van andere beesten blijkt te hebben. Een pardel is een luipaard. Daarmee is reeds bekend wat dit beest voorstelt. Het luipaard is namelijk reeds bekend uit Daniël 7 : 6, waar het de uitbeelding was van het Griekse rijk van Alexander de Grote.

Het beest ziet er uit als een luipaard. De beschrijving die vervolgens gegeven wordt, maakt duidelijk dat het er helemaal niet als een luipaard uitziet. Het is het geïnspireerde Woord van God en zó behoren we het te lezen. Het Woord zegt dat het een luipaard is en dus is het een luipaard. Daarnaast heeft het voeten van een beer (= het Medo-Perzische rijk) en de mond van een leeuw (= het Babylonische rijk). Het is logisch dat de mond een beeld is van het Babylonische rijk. De hoofdstad zal namelijk Babel zijn. De mond is de plaats waar vanuit het woord (= de macht) komt en dat wijst uiteraard op de hoofdstad van het rijk. De voeten zijn een beeld van het Medo-Perzische rijk, waarvan Babel óók de hoofdstad was. Ondanks deze kenmerken blijft het een luipaard! Het beest is dus een verwijzing naar het Griekse rijk. Dit betekent dat het Griekse rijk zijn stempel zal drukken op het toekomstige laatste wereldrijk. Het lijkt een beetje op de andere rijken, maar het is het herstelde Griekse rijk! De draak gaf hem zijn kracht. Dit wijst naar de ijzeren kracht van het Romeinse rijk dat in Daniël 7 : 7 door een monster wordt uitgebeeld. De draak is geen uitbeelding van dat Romeinse rijk, maar hij is de aanduiding van de satan. (Openbaring 12 : 9) De kracht van het laatste wereldrijk komt rechtstreeks van “de god dezer eeuw” (2 Korinthe 4 : 4) De satan is momenteel een hemels wezen en hij heeft meer belang bij geestelijke dan bij stoffelijke dingen. In de toekomst zal hij op de aarde geworpen worden. (Openbaring 12 : 9) De satan zal dán zijn kracht geven aan de koning van het laatste wereldrijk. Het beest heeft zeven koppen. Eén van die koppen werd dodelijk verwond, maar die wond werd genezen. De gehele aarde (= het gehele land) verbaasde zich en zij aanbaden de draak. (Openbaring 13 : 3, 4) Als men dat rijk met dat beest aanbidt en bewondert, dan aanbidt men feitelijk degene die dat rijk tot stand gebracht heeft, namelijk de satan. Deze situatie vinden we meermalen onder het oude verbond terug. Israël liet zich in met andere volkeren. De Heer noemde dat echter afgoderij. Men liet zich namelijk niet in met dat andere volk, maar met de god van dat andere volk. De god van het toekomstige rijk is de satan.

Welk van de zeven koppen is verwond, maar wordt genezen? Dat is de vijfde kop, het Griekse rijk. De “vijf” heeft altijd de neiging om zich te verbergen en uiteindelijk weer te voorschijn te komen. Dan blijkt het een “acht” te zijn. Gelovigen leven momenteel in de vijfde bedeling, waarin het koninkrijk verborgen is. Als het koninkrijk openbaar wordt zal het de “acht” blijken te zijn, namelijk de nieuwe schepping. Het vijfde rijk was het Griekse rijk. Dat rijk “verbergt” zich, maar wordt in de toekomst weer openbaar. Dán zal het het achtste rijk blijken te zijn. De tien-statenbond is het zevende rijk en bestaat tot het eind aan toe. Gedurende de tijd van de tien-statenbond verschijnt de kleine hoorn, de koning van Babel. Dat is de achtste! Hij komt uit het zevende rijk, is er gelijktijdig met het zevende rijk en zal samen met het zevende rijk ter verderve gaan. (Openbaring 17 : 11) Men zal de draak aanbidden, maar ook het beest. (Openbaring 13 : 4) Het is onwaarschijnlijk dat men bewust de satan zal aanbidden. Men zal het beest aanbidden en daarmee de satan. Het woordje “en” dat in dit vers staat dient dus als “namelijk” te worden opgevat. Ze aanbidden de satan doordat zij het beest aanbidden.

Wat momenteel (1990) in het Midden-Oosten plaatsvindt is het herstel van het Griekse rijk. Hoe snel dat zal gebeuren wordt in de Bijbel niet vermeld, maar de eerste stappen zijn nu gezet. Eerst zal de tien-statenbond ontstaan, waarna er een Palestijn zal opstaan die alle macht naar zich toe zal trekken. Op dát moment is het herstelde Griekse rijk een feit. De wereld kijkt met verwondering toe. Tot één á twee jaar geleden waren aller ogen op Rusland en Amerika gericht en speelden de Arabieren geen enkele rol. De problemen in het Midden-Oosten werden als plaatselijke problemen opgevat. De situatie is in zeer korte tijd totaal veranderd. Aan het beest werd een mond gegeven om grote dingen en lasteringen te spreken. (Openbaring 13 : 5) Ditzelfde lazen we reeds in Daniël 7 : 25 en Daniël 8 : 25. Dit beest is in de praktijk dezelfde als de ene hoorn uit Daniël 7 en 8. Het is een uitbeelding van het laatste wereldrijk. Het is de achtste, die alle zeven wereldrijken in zich bergt en er de climax van is. Het beest krijgt 42 maanden de tijd om zulke dingen te doen. Hij lastert God, Zijn Naam, Zijn tabernakel en die in de hemel wonen. (Openbaring 13 : 6) Hem wordt macht gegeven om de heiligen krijg aan te doen en hen te overwinnen. Hem wordt bovendien macht gegeven over elk geslacht, taal en volk. (Openbaring 13 : 7)

De heiligen zullen krijg aangedaan worden en zullen worden overwonnen. Dit is uiteraard de omschrijving voor de tweede helft van de 70-ste week. Het slaat op de 3,5 jaar van grote verdrukking. De heiligen is een omschrijving voor Israël. In de tweede helft van de 70-ste week strijdt het beest alleen tegen Juda en Jeruzalem. Hij zal hen overwinnen. De Russen spelen daarbij ook nog een rol. Vervolgens zal het beest over alle geslachten en volken heersen. Dit slaat op de 33 jaar die na de 70-ste week verlopen. Na de 70-ste week wordt Babel de hoofdstad van de wereld. Babel zal dan de macht hebben over alle geslacht, taal en volk. Openbaring 13 : 7 spreekt over de tweede helft van de 70-ste week en de 33 jaar die daarop volgen. Hieruit concludeer ik dat Openbaring 13 : 5 de omschrijving is voor de eerste helft van de 70-ste week. Hij krijgt macht om “te doen”. Dit wijst niet op het spreken van lasteringen. Het geeft aan dat hij zijn gang kan gaan. Hij brengt namelijk vrede over de aarde en met name in Juda en Jeruzalem. Ditzelfde hebben we reeds met betrekking tot Openbaring 6 : 2 besproken. Die vrede zal 42 maanden duren. Dit zijn dezelfde 42 maanden waarin de twee getuigen in de straten van Jeruzalem zullen optreden.

In Openbaring 13 : 6 staat dat hij zijn mond zal openen tot lasteringen tegen God, Zijn Naam, Zijn tabernakel en die in de hemel wonen. “Die in de hemel wonen” is mijns inziens geen aanduiding van de Gemeente, maar van “het heir des hemels”, (Daniël 8 : 10) namelijk “de sterren des hemels”. (Openbaring 6 : 13) Het gaat dus over Israël. Wat hier in Openbaring 13 : 6 beschreven staat is kenmerkend voor het midden van de 70-ste week. De gruwel der verwoesting zal op de heilige plaats worden opgericht. (Daniël 9 : 27) Er wordt hier dus een chronologische volgorde aangegeven:

Openbaring 13 : 5De eerste helft van de 70-ste week.
Openbaring 13 : 6Het midden van de 70-ste week.
Openbaring 13 : 7aDe tweede helft van de 70-ste week.
Openbaring 13 : 7bDe 33 jaar die op de 70-ste week volgen.

Deze zaken zijn uiteraard moeilijk uit alléén deze verzen te concluderen. Vóór men aan deze verzen begint wordt men echter geacht de profetieën van Daniël te hebben bestudeerd, evenals het evangelie van Matthéüs. Degenen die niet geschreven staan in het boek des levens zullen het beest aanbidden. (Openbaring 13 : 8) Iedereen op aarde zal het beest aanbidden, behalve de gelovigen. Er zijn slechts twee mogelijkheden: óf men is een gelovige óf men is onderworpen aan het beest in Babel. Openbaring 13 : 9 zegt: “Indien iemand oren heeft, die hore”. Dit betekent dat het allemaal niet zo eenvoudig te begrijpen is. Men zal er moeite voor moeten doen om goed naar deze woorden te horen.

11 En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak.
12 En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was.
13 En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.
14 En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken.
15 En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.
16 En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkte

ken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;
17 En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.
18 Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig. Openbaring 13 : 11-18

Hier wordt een ánder beest gezien. Dit betekent dat er twee beesten zijn! In de toekomst zullen er twee machten zijn die hier naast elkaar gezet worden; niet tegenover elkaar. Ze zijn van dezelfde aard. Het eerste beest komt uit de zee op. De zee wijst op de heidenen/volkeren. (Openbaring 17 : 15) Dit beest komt uit de aarde (= het land) op. Het land staat model voor Israël. Vanaf Openbaring 13 : 11 gaat het over de machthebber in Israël, de ongelovige Joodse staat. Dit beest heeft twee hoornen die op de hoornen van het Lam lijken. Dit betekent dat dit beest op Christus lijkt, Die op de troon zit. Hij lijkt op Christus, maar hij is het niet want hij spreekt als de draak. Christus, het Lam, is het Woord Gods (Openbaring 19 : 13) en spreekt dus de woorden Gods (Lukas 5 : 1; Johannes 8 : 42, 43, 47; 17 : 8, 14). Christus spreekt als God. Dit beest lijkt op Hem, maar spreekt als de draak (= de satan). Het beest lijkt op de Christus, maar hij is iemand anders. Hij zal de politieke en godsdienstige leider van Israël zijn. Hij heeft twee hoornen. Als in verband met Israël over twee hoornen (= koninkrijken) gesproken wordt, wijst dat op de twee koninkrijken van Israël, namelijk de twee (= Juda) en de tien stammen (= Efraïm).

Deze machthebber zal niet alleen macht hebben in de Joodse staat, maar óók over de Angelsaksische volkeren. Dit is niet zo verwonderlijk omdat iedereen weet dat de Joodse staat niets kan beginnen zonder de steun van de Verenigde Staten van Amerika. De stam die hierbij gezet behoort te worden is die van Manasse. Manasse was de oudere broer van Efraïm, de zonen van Jozef. Efraïm kreeg het eerstgeboorterecht. De naam Efraïm hoort bij Groot Brittannië. De Verenigde Staten van Amerika (= Jozef) heeft een directe band met de Joodse staat (= Juda). Het is ondenkbaar dat Israël een politiek verbond aangaat, zónder dat de Verenigde Staten daar hun goedkeuring aan geeft. In de praktijk maakt het niet uit of dit beest een Jood uit de staat Israël is of een Amerikaan. Dit beest is de omschrijving voor degene die de macht heeft. Hij zal mijns inziens wel in Jeruzalem zitten. De twee hoornen geven dus aan dat het niet alleen om de Joodse staat gaat, maar óók om de ondersteuning van die staat door de Angelsaksische wereld. Daarmee gaat het verhaal dus over alle wereldmachten in de dagen van de eindtijd. Dit tweede beest oefent alle macht van het eerste beest. (Openbaring 13 : 12) Dit betekent dat ze beide dezelfde macht hebben. De macht van het eerste beest wordt ook door het tweede beest uitgeoefend. Er bestaat dus een grote overeenkomst tussen beide beesten, wat bevestigd wordt door het verbond dat aan het begin van de 70-ste week tussen beide gesloten wordt. (Daniël 9 : 27) Het eerste beest is de koning van Babel. Het tweede beest is de “koning” van Jeruzalem. Beide treden tegelijkertijd op. Ze hebben samen een verbond gesloten en strijden te zamen tegen de Here en tegen Zijn gezalfde. Ze gaan tekeer zoals de zeeën tekeergaan. (Psalm 2 : 1, 2) Pilatus en Heródes hebben met elkaar een verbond gesloten en waren eendrachtig in hun vijandschap tegen Christus (Handelingen 4 : 24-27) In de toekomst gebeurt hetzelfde. Het tweede beest zorgt ervoor dat het land en die daarin wonen het eerste beest zullen aanbidden. (Openbaring 13 : 12) Het herstelde Griekse rijk had een dodelijke wond die genezen was. De leider van het Joodse volk zal ervoor zorgen dat met de heerser van dat rijk een verbond gesloten wordt. Het tweede beest, de leider van de Joodse staat, zal tekenen doen zodat er voor de mensen op de aarde ook vuur uit de hemel komt. (Openbaring 13 : 13) Dit verwijst in de eerste plaats naar Elia op de Karmel. (1 Koningen 18 : 18-40) Er stonden twee altaren, één voor Jehovah en één voor Baäl. De priesters van Baäl mochten eerst tot hun god bidden, maar er kwam geen antwoord. Het was de bedoeling dat Baäl vuur uit de hemel zou laten komen om het offer aan te steken. Dat is de enige echte manier waarop een god zijn aanwezigheid kenbaar kan maken. Tevens geeft hij daarmee aan dat hij het offer dat de mens hem aanbiedt accepteert. Bij Baäl werkte dat absoluut niet. Vervolgens kwam Elia aan de beurt. Hij sprak tot Jehovah en er kwam vuur uit de hemel, dat niet alleen het offer verbrandde, maar ook het altaar en alles wat er omheen was. Ditzelfde vond overigens plaats toen Abel en Kaïn offerden. (Genesis 4 : 3-5) De Heer nam het offer van Kaïn niet aan. Het offer van Abel nam Hij wel aan. Dat betekent dat de Heer vuur uit de hemel liet komen om het offer aan te steken. Hetzelfde gebeurde bij de inwijding van de tabernakel (Leviticus 9 : 24) en de tempel. (2 Kronieken 7 : 1)

Het tweede beest zal grote tekenen doen en vuur uit de hemel laten komen. Daarmee zal bewezen zijn (meent men) dat degene die zij aanbidden de ware God is. We hebben in verband met Daniël 9 reeds gesproken over een gedeeltelijk herstel van de eredienst (slachtoffer en spijsoffer). Als de twee beesten aan het begin van de 70-ste week een verbond sluiten wordt er een soort van dienst aan Jehovah ingesteld. Bij die gelegenheid zal er een altaar worden opgericht. Men zal het offer erop leggen en tot God in de hemel bidden om vuur te zenden. Dat vuur komt echter niet bij God vandaan, maar is van de tegenstander (de satan) afkomstig. Op die manier zullen de Joden worden verleid. Het gaat dus niet om technische kunstjes, maar om de occulte macht van de satan. Het is geen beeldspraak. Er zal letterlijk vuur uit de hemel komen en het offer aansteken. Het tweede beest verleidt degenen die in het land wonen. Hij doet dat door tekenen en hij doet die tekenen in de aanwezigheid van het eerste beest. (Openbaring 13 : 14) Terwijl er een Arabische macht is doet het tweede beest deze dingen in de Joodse staat. Het tweede beest zal grote tekenen doen, zodat hij, indien dat mogelijk zou zijn, ook de uitverkorenen zou verleiden. (Matthéüs 24 : 24) In Matthéüs 24 : 24 wordt gezegd dat er valse christussen en valse profeten zullen opstaan. Een valse christus ís een valse profeet. De wáre Christus is de wáre Profeet, want Hij is het Woord Gods. De twee getuigen (uit Openbaring 11) zullen in de eerste helft van de 70-ste week optreden. Zij zullen ongetwijfeld Matthéüs 24 : 24 aanhalen en erop wijzen dat de Messias deze zaken reeds heeft voorzegd.

Bij de beschrijving van dit tweede beest wordt geen nadruk op zijn politieke macht gelegd, maar wél op zijn religieuze, godsdienstige invloed. Hij vertelt dat men het beest moet aanbidden. Hij laat vuur uit de hemel komen en zegt dat men voor het eerste beest een beeld moeten oprichten. (Openbaring 13 : 14) Hij verkondigt valse dingen en is dus een valse profeet. Aangezien dit in de 70-ste week plaatsvindt gaat het niet om een valse profeet, maar om dé valse profeet. (Openbaring 19 : 20) Dé valse profeet is dé valse christus. De valse christus wordt “antichrist” genoemd (= een christus in plaats van de Christus; “anti” betekent “in plaats van”). De antichrist is degene die zich in de plaats van de Christus stelt. Het tweede beest, de leider over de ongelovige Joodse staat, heeft een enorme religieuze invloed. Die politieke en religieuze invloed tezamen maken hem tot degene die zich in plaats van de Christus stelt. Christus is Degene Die Zijn koninkrijk over Israël zou oprichten. Christus is Degene Die het Woord Gods zou brengen als de grote Profeet van het nieuwe verbond. Het tweede beest wil Zijn plaats innemen en is dus dé antichrist, dé valse profeet! Beide termen slaan op dezelfde persoon! Hij is tevens de valse koning van Israël. In Openbaring 13 : 14 wordt over het oprichten van een beeld gesproken. In Jeruzalem, in de heilige plaats, zal een beeld opgericht worden dat aan het eerste beest (uit de zee), de koning van Babel, is gewijd. Aan dat beeld zal een geest worden gegeven. (Openbaring 13 : 15) Dit beeld komt qua betekenis overeen met het beeld uit de droom van Nebukadnézar uit Daniël 2, maar ook met het letterlijke beeld uit Daniël 3, dat zestig ellen hoog was. Wie niet voor dat beeld boog werd in de vurige oven geworpen. Dit beeld komt uit Openbaring 13 overeen met de toren van Babel. (Genesis 11 : 3, 4) Het komt overeen met de boom uit Daniël 4. Dit beeld is “de gruwel der verwoesting”, waarvan Daniël gesproken heeft. (Daniël 9 : 27; Matthéüs 24 : 15) In dit verband behoort ook 2 Thessalonicenzen 2 : 1-12 genoemd te worden.

1 En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem,
2 Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.
3 Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;
4 Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.
5 Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?
6 En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.
7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
8 En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst;
9 Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen.
10 En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
11 En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
12 Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. 2 Thessalonicenzen 2 : 1-12

In 2 Thessalonicenzen 2 : 2 wordt in de Statenvertaling abusievelijk over “de dag van Christus” gesproken. Dit behoort “de dag des Heren” te zijn. Die komt na de 70-ste week, zoals reeds besproken is. De dag des Heren komt niet vóórdat de afval gekomen is. (2 Thessalonicenzen 2 : 3) Vanuit Daniël 8 : 12 is bekend dat “het heir des hemels” in de afval zal worden overgegeven. “Afval” wijst op de afvalligen: degenen die de God van Israël niet dienen. Zij zullen het beeld aanbidden. De offerdienst aan Jehovah zal worden opgeheven. In de plaats daarvan zal het beeld voor het beest worden opgericht en dát zal aanbeden worden. Men zal ongetwijfeld allerlei schriftverklaringen geven om dit goed te praten. De dag des Heren begint aan het einde van de 70-ste week en de afval begint heel nadrukkelijk in het midden van de 70-ste week, bij de oprichting van de gruwel der verwoesting.

“De mens der zonde” behoort eigenlijk vertaald te worden met “de mens der wetteloosheid”. (2 Thessalonicenzen 2 : 3) Wetteloosheid wil niet zeggen dat hij een zondaar is. Het geeft aan dat hij de wet Gods (= het Woord Gods) niet kent of erkent. Hij houdt totaal geen rekening met het Woord van God. Hij zal eerst geopenbaard moeten worden vóór de dag des Heren begint. Hij wordt tevens “de zoon des verderfs” genoemd. Deze wetteloze verheft zich boven alles wat God genoemd wordt of als God vereerd wordt. (2 Thessalonicenzen 2 : 4) Hij zal in de tempel van god als god zitten en zal zichzelf tot god uitroepen. Als er slechts één is die zichzelf tot god maakt, is dat de satan. Als de satan op de aarde geworpen wordt zal hij in het eerste beest (uit de zee) “verschijnen”, de machthebber over alle volkeren. Hier staat dat hij in de tempel gods als god zal zitten. Dit is vreemd omdat reeds is vastgesteld dat er geen tempel zal zijn. Bovendien staat er achter dat hij zichzelf zal vertonen dat hij god is, wat precies hetzelfde betekent. In dat geval zou dit er overbodig aan zijn toegevoegd. De tempel gods die het eerst genoemd wordt is mijns inziens de vertaling van de naam “Babel”. Bab-el betekent poort/tempel van god. “Poort” wijst op de plaats van waaruit heerschappij uitgeoefend wordt. Als een god heerschappij uitoefent, wordt het “tempel” genoemd. Dit is de Chaldeeuwse betekenis. “Babel” betekent in het Hebreeuws “verwarring”. Deze wetteloze zal dus in de eerste plaats in Babel zitten en dáár zichzelf als god vertonen. Zo ging het ook bij Nimrod en Nebukadnézar.

Voor zover hij in Jeruzalem een plaats heeft en zich daar als god vertoont, zal hij dat op de gebruikelijke wijze doen. Een god vertoont zich namelijk in de gedaante van een beeld. Wie als god aanbeden wil worden moet een beeld voor zichzelf laten oprichten. Hij is zelf immers veel te hoog om zomaar aan “het gewone volk” te verschijnen! In alle grote steden van de wereld zullen daarom zulke beelden worden opgericht, concludeer ik mede op grond van Daniël 11. Zo’n beeld zal dus niet alleen in Babel en Jeruzalem worden opgericht, maar in ale grote steden. Men zal hem als god aanbidden door tot zijn beeld te naderen. Dit is de gebruikelijke manier. In de tijd van het Griekse rijk stonden in alle grote steden beelden van Zeus. In alle Filistijnse steden stonden beelden van Dagon. Dergelijke zaken zijn ook uit Rusland en China bekend en in alle steden in de Arabische landen staan beeltenissen van de plaatselijke leiders.

Deze wetteloze, de zoon des verderfs, is niemand anders dan de koning van Babel, het beest uit de zee. Hij zal zichzelf in Babel als god laten aanbidden. Hij zal zich ook in Jeruzalem als god vertonen door voor zichzelf een beeld te laten oprichten door de leider van de Joodse staat, de antichrist, het beest uit het land. In 2 Thessalonicenzen 2 : 6 wordt vervolgens gezegd dat hij zich nog niet openbaart. Zolang de Gemeente nog op aarde is kan de normale afwikkeling van de heilshistorie geen voortgang vinden. Dit betekent dat er van de vervulling van profetieën en beloften in onze dagen nauwelijks sprake kan zijn. De wetteloze kan zich nog niet openbaren omdat er iets is wat hem wederhoudt. (2 Thessalonicenzen 2 : 7) Die “wederhouder” is uiteraard de Gemeente. Als die is “weggedaan” (opgenomen) zal de wetteloze, die in vers 8 “de ongerechtige” genoemd wordt, geopenbaard worden. De Heer zal die ongerechtige verdoen door de Geest van Zijn mond en Hij zal hem te niet maken door Zijn parousia. De aanwezigheid van de ongerechtige is naar de werking van de satan, in alle kracht, tekenen en wonderen van de leugen. (2 Thessalonicenzen 2 : 9) Er zullen tekenen en wonderen worden gedaan om de leugen onder de mensen te krijgen. Tekenen en wonderen zeggen op zichzelf niets. Het hangt af van de aard van die tekenen en wonderen, maar méér nog van hetgeen er gepredikt wordt: is dat het Woord van God of zijn dat woorden van mensen! Het is zeer gevaarlijk om zaken te beoordelen op grond van tekenen en wonderen. Het is nóg gevaarlijker om zaken buiten de Bijbel om te beoordelen. De ongerechtige (= wetteloze) zal komen met alle verleiding der ongerechtigheid in degenen die verloren gaan. (2 Thessalonicenzen 2 : 10) Wie niet in het boek des levens geschreven staat valt ten prooi aan deze verleiding. Zij hebben de liefde der waarheid namelijk niet aangenomen om zalig te worden. Dáárom zal God hen zenden een kracht der dwaling zodat zij de leugen zullen geloven. (2 Thessalonicenzen 2 : 11) Allen die de waarheid niet hebben geloofd zullen veroordeeld worden. Zij hebben een welbehagen in de ongerechtigheid gehad. (2 Thessalonicenzen 2 : 12)

Dit gaat over de tijd ná de opname van de Gemeente. Degenen die in dié dagen het evangelie afwijzen zijn daarna kansloos. Dit betekent dat zij hun kans hebben gehad, maar die hebben verspeeld. God geeft hen over aan de macht der leugen. De vader der leugen is de satan. (Johannes 8 : 44) In die tijd zal zijn macht worden uitgeoefend. Het zal voor een korte tijd zijn, maar het zal in alle hevigheid gebeuren. Dit geldt zowel voor de verdrukking als voor de prediking van het evangelie. Als iemand het evangelie afwijst is hij verloren. Het beest uit Jeruzalem zal voor het beest van Babel (de wetteloze) een beeld laten oprichten, hetgeen met wonderen en tekenen gepaard zal gaan. Men zal verleid worden door de tekenen en wonderen van de antichrist, de valse profeet. Aan het beest van Jeruzalem werd gegeven om aan het beeld van het beest (uit de zee) een geest te geven. (Openbaring 13 : 15) “Geest” zou ook “adem”, “kracht” of “leven” hebben kunnen zijn, want dit wijst allemaal op hetzelfde. Het beeld van het beest zal een geest krijgen, waardoor het zal kunnen spreken. Dit is één van de wonderen en tekenen die gedaan zullen worden. Iedereen die het beeld van het beest niet aanbidt zal worden gedood. Van dit beeld gaat een geestelijke werking uit. Het spreekt en oefent macht uit. Het moet echter duidelijk zijn dat degene die écht spreekt niet dat beeld is, maar de geest van dat beeld. Uiteindelijk is dat de satan (of één van zijn engelen). In alle grote steden zal de satan enkele van zijn engelen gestationeerd hebben. Dit gedeelte verwijst naar Daniël 3, waar eveneens een beeld voor de koning van Babel werd opgericht. Wie niet voor dat beeld knielde werd in de vurige oven geworpen. (Daniël 3 : 4-6) Drie Joodse mannen, Sadrach, Mesach en Abédnego, weigerden te knielen en werden in de vurige oven geworpen. Hen overkwam echter niets. (Daniël 3 : 21-27) Die geschiedenis is een uitbeelding van de grote verdrukking waaruit en waar doorheen de gelovigen die dán op aarde zullen zijn bewaard zullen worden. Allen die zich aan het beest hebben onderworpen zullen als bewijs daarvan een teken aan hun rechterhand of voorhoofd ontvangen. (Openbaring 13 : 16) Wie dat teken niet heeft zal niet kunnen kopen of verkopen. Dat teken komt overeen met de naam van het beest of met het getal van zijn naam. (Openbaring 13 : 17) Wie niet voor het beeld van het beest wil knielen wordt uit het wereldrijk uitgestoten en kan niet deelnemen aan het economisch verkeer. Daarom zullen de gelovigen in die dagen bidden:

9 … Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
11 Geef ons heden ons dagelijks brood.
12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen. Matthéüs 6 : 9-13 

In die dagen bidden de gelovigen of de Naam van de Vader geheiligd wordt. Op dat moment wordt er namelijk een ándere naam geheiligd. Zij willen dat Gods koninkrijk komt, want dán wordt er een ánder koninkrijk opgericht. De wil van de Vader gebeurt dán in de hemel, want de satan is dan uit de hemel geworpen. Gelovigen bidden dat Zijn wil óók op aarde geschiedt. Zij vragen om hun dagelijks brood, want ze hebben het teken van het beest niet en kunnen dus niet kopen of verkopen. Het merkteken is de naam van het beest of het getal van zijn naam. Een merkteken is een logo, een beeldmerk, waarin de kenmerken van iets of iemand worden uitgedrukt. De Zoon des mensen heeft een teken, namelijk de davidster. Het is óók een getal, namelijk “zes” (de zes-puntige ster). Het is de blinkende Morgenster, (Openbaring 22 : 16) de Ster uit Jakob. (Numeri 24 : 17) Over het beest wordt hetzelfde gezegd. Hij is te herkennen aan een merkteken. Elke letter of groep van letters is een merkteken. Dit beest kan dus ook gewoon zijn naam opschrijven.

Het getal zes is het getal van de mens. Daarom verscheen de mens op de zesde dag. (Genesis 1 : 26-31) Degene die graag de macht over de mensheid heeft zal dit getal gebruiken. Nebukadnézar deed dat bijvoorbeeld door een beeld op te richten van zestig ellen. Goliath was zes ellen hoog en nog een beetje, want hij wilde graag méér zijn dan een mens. De laatste koning van Babel zal het getal 666 gebruiken. Het getal 666 is het driehoeksgetal van 36. Het getal 36 is het kwadraat van zes. Op alle mogelijke manieren blijft het dus een zes. Het getal 666 is de hoogste mogelijkheid van de zes. Wat hier plaatsvindt is ook het hoogste wat een mens kan bereiken. Dit beest is de hoogste mens aller tijden. Er is echter een ándere Mens Die hóger is. Aan Hem komt écht de 666 toe. Het getal 666 is feitelijk namelijk het getal van de Here Jezus Christus. Het getal 666 komt ook voor met betrekking tot de schat van Sálomo: “Het gewicht nu van het goud, dat voor Sálomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;”. (1 Koningen 10 : 14) Ditzelfde staat in 2 Kronieken 9 : 13. Sálomo is een beeld van Jehovah, de Heer. De hoogste mens is Jezus Christus. Het beest meent dat hij Christus is en hij eigent zich dit getal wederrechtelijk toe. Het teken van de Zoon des mensen is de zespuntige ster, de zes. Het beest overtreft dit echter en maakt er drie zessen van. “Zes” is het getal van een mens en daarom in de eerste plaats het getal van dé Mens, Jezus Christus, de Zoon des mensen. (1 Timótheüs 2 : 5)

In voorgaande profetieën werden twee machthebbers naast elkaar geplaatst. Zij gaan aan het begin van de 70-ste week een verbond met elkaar aan. Het is een verbond voor 7 jaar, zoals uit Daniël 9 : 27 blijkt. In het midden van de 70-ste week zal het beest uit het land een beeld oprichten voor het beest uit de zee. Aan het einde van de 70-ste week zal het beest uit de zee blijkbaar ontkomen. Hij wordt 33 jaar later, samen met het beest uit het land, gegrepen en levend in de poel des vuurs geworpen.

En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt. Openbaring 19 : 20

“Het beest” is de omschrijving voor het beest uit de zee. “De valse profeet” is de omschrijving voor het beest uit het land. Beide beesten worden levend in de poel des vuurs geworpen. Zij werden dus niet eerst gedood. De aarde zal zich openen en zij zullen daarin verdwijnen. Ditzelfde wordt in Openbaring 18 over Babel gezegd. Jeruzalem zal aan het einde van de 70-ste week het laatste bolwerk van de Joodse staat zijn. Babel zal 33 jaar later het laatste bolwerk van het koninkrijk van het beest zijn. Het beest uit het land heeft blijkbaar zijn toevlucht bij het beest uit de zee gevonden, want zij worden aan het einde van de 33 jaar tegelijk in de poel des vuurs geworpen. Zij gaan met de stad ten onder.

Openbaring 17

Eén van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam tot Johannes. (Openbaring 17 : 1) Een fiool komt het meest overeen met een langgerekte fles (de “f” en de “l” zitten ook in dit woord). Er wordt een schaal uitgegoten over de stad Babylon. (Openbaring 16 : 19) Aan Johannes wordt het oordeel getoond over/van de grote hoer die op vele wateren zit. De hoer is een type van Babel. Babel is niet alleen een stad en een wereldrijk, maar het is ook een principe. Het is een vereniging van godsdienst (religie) en politiek buiten God om. De hoer is de afvallige die de verkeerde mannen (afgoden) dient. Zij oefent geen gemeenschap met de enige ware God. In Openbaring 17 wordt het oordeel over Babel aangekondigd. De hoer zit op vele wateren. Dit wordt in Openbaring 17 : 15 verklaard: de wateren zijn volken (Grieks: laos), scharen, natiën (Grieks: ethnos) en tongen. Wateren of zeeën zijn een beeld van volkeren. De hoer Babylon zit op de wateren. Dat betekent dat Babylon de volkeren regeert. De koningen der aarde zullen met de hoer Babylon hoereren. (Openbaring 17 : 2) Degenen die op de aarde wonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij. Babel heeft met de koningen der aarde gehoereerd, namelijk met andere goden. De koningen der aarde zijn niet in de eerste plaats mensen, maar engelenvorsten die over de volkeren regeren. (Daniël 10; vorsten van Perzië, Griekenland) In de hemelen zijn (gevallen) engelenvorsten die over de volkeren der aarde regeren en ook over de koningen van die volkeren heersen. De koningen der aarde staan tegenover degenen die op de aarde wonen. Zij zijn in de eerste plaats een beeld van de vorsten in de hemelen. De mensheid op de aarde is dronken geworden van de wijn. De invloed van Babel is over de hele aarde verspreid geworden. Deze wijn doet dronken worden. “Wijn” komt overeen met “geest” en is derhalve een beeld van leringen die niet naar God leiden en niet van Hem afkomstig zijn. Johannes wordt in de geest weggevoerd in een woestijn. (Openbaring 17 : 3) Het gaat om een visioen. Johannes zag een vrouw: Babel, de hoer. (vers 5) Die vrouw zit op een scharlakenrood beest. Het scharlakenrode beest is gelijk aan de “vele wateren”. (uit Openbaring 17 : 1) Als we dit alleen letterlijk nemen is het tegenstrijdig. Het gaat om een visioen en daarom om de geestelijke betekenis. De wateren zijn de volkeren der aarde. (vers 15) Het scharlakenrode beest is hetzelfde beest als in Openbaring 13. Het is het toekomstige wereldrijk waarin de volkeren verenigd zijn. Het scharlakenrode beest is gelijk aan de volkeren die onder de vorst van Babel zullen staan.

Als iemand óp de wateren zit geeft dat de heerschappij erover aan. Datzelfde geldt voor het zitten op een beest. De vrouw regeert over de volkeren der aarde, maar is niet gelijk aan het beest. De vrouw zit óp het beest. Het beest is het wereldrijk van de laatste dagen. De vrouw is een beeld van de stad die het koningschap heeft over de koningen der aarde. Dit blijkt uit de uitleg in Openbaring 7 : 18: “de vrouw … is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde”. Dit is het grote Babylon. Het beest is scharlakenrood. Rood is de kleur van koningschap en heerschappij. De Here Jezus droeg een rode mantel als uitbeelding van Zijn koningschap over de Joden. Een grote rode draak duidt op de heerschappij van de satan. “Rood” staat voor (het uitoefenen van) macht en potentie. Het houdt verband met hetgeen van de mens uitgaat. Het scharlakenrood beest staat voor de hoogste aardse macht. Het beest was vol van namen van lastering. Daarnaast had het zeven hoofden en tien hoornen. Dit komt weer overeen met het eerste beest uit Openbaring 13. Het scharlakenrode beest is “een scharlakenrood luipaard”. De vrouw was bekleed met purper en scharlaken. (Openbaring 17 : 4) In de Bijbel komt de combinatie hemelsblauw, purper en scharlaken vaak met betrekking tot de tabernakel voor. Hemelsblauw ontbreekt hier. Hemelsblauw is de kleur van de hemel. Scharlaken is een rode kleur en heeft met de macht van de mens te maken. De mens (Adam = rood) zou heerschappij hebben over de aarde (de aardbodem). Daartegenover staat de kleur van de hemel. Purper (paars) is een vermenging van rood en blauw. Het is de kleur van de Middelaar Die hemel en aarde verbindt. Purper is de kleur van de Middelaar van het nieuwe verbond, Die de mens (rood) met God (Die in de hemel woont = blauw) verzoent. Jezus Christus is de laatste Adam (rood), maar tevens uit de hemel. (1 Korinthe 15 : 45-47) Jezus Christus was God en mens. Hemel en aarde waren in Hem vertegenwoordigd. Hij richt het koninkrijk der hemel (ook) op aarde op. Deze vrouw is met purper bekleed. Zij claimt de middellaarsfunctie tussen hemel en aarde te bezitten. Scharlaken wijst op de heerschappij op de aarde. De kleur blauw ontbreekt, omdat de hemel niet werkelijk bereikt wordt. De vrouw is met goud, kostelijke gesteente en paarlen versierd. Deze zijn een uitbeelding van de eeuwigheid (de nieuwe schepping). Ze komen in Openbaring 21 en 22 voor in verband met het nieuwe Jeruzalem. Een gouden drinkbeker was in haar handen. Deze was vol van gruwelen en van onreinheid (= de onreine dingen) van haar hoererij. De drinkbeker hoort gevuld te zijn met de wijn, namelijk het leven van het nieuwe verbond. Gruwelen houden verband met “afgoderij” en met alles wat bij de mens in hoog aanzien staat. Iedereen die uit haar beker drinkt krijgt deel aan de hoererij van Babel. Gelovigen drinken uit de drinkbeker van het nieuwe verbond en hebben gemeenschap met Christus.

Op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid (Grieks: “mustèrion”), het grote Babylon, de moeder der hoererijen (= der hoeren) en der gruwelen der aarde. (Openbaring 17 : 5) Het woord verborgenheid staat er eigenlijk teveel, want het is geen (eigen)naam. Dit woord werd al in de brief aan de Thessalonicenzen genoemd.

Want de verborgenheid der ongerechtigheid (= wetteloosheid) wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. 2 Thessalonicenzen 2 : 7

Deze wetteloosheid wordt geopenbaard door de wetteloze (de ongerechtige; 2 Thessalonicenzen 2 : 8), namelijk de zoon des verderfs of de mens der zonde. (2 Thessalonicenzen 2 : 3) De wetteloosheid die komen zal is reeds in het verborgen werkzaam. Als die werking openbaar wordt, blijkt het “Babylon” te heten. Babylon is de moeder van de hoeren en gruwelen van de aarde. De vaderlijke (gevende) kant wordt bij de satan en zijn engelen gevonden. Babylon is de ontvangende kant. De vrouw was dronken van het bloed van de heiligen en de getuigen van Jezus. (Openbaring 17 : 6) De heiligen en getuigen werden vervolgd en gedood. In Daniël 7 en 8 werd ook over de bestrijding van de heiligen gesproken. Het beest uit de zee zou de heiligen de krijg aandoen en hen overwinnen. (Openbaring 13 : 8) Het gaat hier over de heiligen en (namelijk) de getuigen van Jezus van de volgende (zesde) bedeling. Het heeft geen betrekking op de gelovigen van de Gemeente. Het gaat in eerste instantie om gelovigen uit Israël en later om gelovigen uit de heidenen. Zij getuigen dat Jezus de Messias is en dat Hij de enige Rechthebber is op de troon over de koninkrijken der aarde. De engel verklaarde aan Johannes de verborgenheid van de vrouw en van het beest dat haar draagt. (Openbaring 17 : 7) De vrouw en het beest worden als één geheel gezien, want er staat “verborgenheid” (enkelvoud). Het gaat om de macht onder de naam Babylon. Het beest dat Johannes zag, was en is niet en het zal opkomen uit de afgrond en ten verderve gaan (Openbaring 17 : 8) Johannes leefde in de dagen van het Romeinse rijk. “Het beest was”, kan één van de rijken zijn die aan Babel voorafgingen. “Het is niet” geeft aan dat het rijk dat hier bedoeld wordt niet het Romeinse rijk kan zijn, want dat bestond juist wél. Het zal opkomen uit de afgrond.

Openbaring 17 : 8 eindigt met: “het beest, dat was en niet is, hoewel het is”. Het laatste gedeelte is “hoewel het is”. De werkwoorden “zijn” en “worden” zijn gelijk. Het kan ook vertaald worden met “hoewel het wordt”. Het kan prima worden vertaald met: “en het zal aanwezig zijn”. Dit komt ook overeen met: “en het zal opkomen”. “Hoewel het wordt” of “en het zal aanwezig zijn” duidt dus op het beest. Het kan geen betrekking hebben op een herstel van het Romeinse rijk. Het rijk van het beest is het laatste rijk dat komen zal, want het beest gaat ten verderve. De afgrond komt overeen met de wateren of de zeeën. Het beest uit de afgrond is dus het beest uit de zee. Degenen die op de aarde wonen zullen verwonderd zijn. (Openbaring 13 : 3) Hun namen zijn niet in het boek des levens geschreven. De zeven hoofden zijn zeven bergen (Openbaring 17 : 9). De vrouw zit op deze zeven bergen. Een berg is een beeld van een koninkrijk. (Daniël 2) Zeven bergen zijn zeven koninkrijken. Openbaring 17 : 10 voegt eraan toe dat de zeven hoofden eveneens zeven koningen zijn. Het gaat dus om zeven koninkrijken onder leiding van zeven koningen. De vijf zijn gevallen. Dit zijn de rijken van Assyrië tot en met Griekenland. “De één is” wijst op het Romeinse rijk (in de tijd van Johannes) en is dus de zesde uit de reeks. “De ander” is nog niet gekomen. Wanneer hij komt (zal gekomen zijn), moet hij een weinig blijven. Dit heeft betrekking op de tien-statenbond.

Het beest dat was en niet is, is ook (de) achtste, is uit de zeven en gaat ten verderve. (Openbaring 17 : 11) Het beest zelf is niet één van die koppen, maar komt erna. Het “beest dat was” wijst op het Griekse rijk. Dat beest “is niet”, zodat het niet het Romeinse rijk kan zijn. Het wijst op het beest uit de zee, de kleine hoorn, die uit de zeven rijken voortgekomen is. Eén van de eerste vijf rijken zal zich zodanig herstellen dat het de achtste wordt. Uit Daniël 8 blijkt dat dit het rijk van de Grieken, het vijfde rijk, was. De vijfde wordt ook een achtste. In het Hebreeuws lijken de vijfde letter en de achtste letter veel op elkaar. Hier gaat het om een negatieve toepassing van deze getallen. De geitenbok, (Daniël 8 : 5) het luipaard, (Daniël 7 : 6) zal zich herstellen en het beest zal daarover heersen. In Openbaring 17 gaat het niet om zeven (of acht) rijken, maar om slechts één rijk, het achtste. Het beest heeft kenmerken van de voorgaande zeven rijken. Dat beest is niet de tien-statenbond. Hij komt daar wel uit voort, maar is zelf de achtste.

De tien hoornen zijn tien koningen. (Openbaring 17 : 12) Zij hebben het koninkrijk nog niet ontvangen. In de dagen van Johannes hadden zij hun macht nog niet verkregen. Deze tien-statenbond moest dus ná het Romeinse rijk opkomen. Deze tien-statenbond verschijnt in de toekomst. Die tien koningen zullen hun macht op één ure ontvangen, samen met het beest. Aan het eind van “de tijden der heidenen” (Lukas 21 : 24) zal die tien-statenbond bestaan, terwijl deze door het beest geregeerd wordt. Het zevende en achtste rijk bestaan gelijktijdig, maar de volgorde in opkomst is verschillend. De tien-statenbond bestaat reeds. Daarna komt het beest en trekt de macht naar zich toe. De tien koningen zijn tegelijk met het beest aan de macht. In de Griekse grondtekst staat niet “op één ure”, maar “één ure”. De tijd van hun macht is dus één uur. Er wordt niet gezegd dat ze die macht gelijktijdig met het beest zullen ontvangen. Er staat dat ze (slechts) gedurende één uur macht met het beest zullen ontvangen. “Eén uur” kan een periode zijn. De tien-statenbond zal vermoedelijk 40 jaar bestaan en zij zal gedurende de laatste 33 jaar aan het beest ondergeschikt zijn. Na zeven jaar trekt het beest uit de zee de macht naar zich toe.

Dezen (= de tien koningen) hebben enerlei mening. (Openbaring 17 : 13) De tien hebben zich verenigd in een verbond (= één mening). Ze zullen zich aan het beest onderwerpen. In Daniël 7 werd hetzelfde gezegd. Van de tien koningen worden er drie vernederd, maar het blijven er tien. De kleine hoorn is gelijk aan het beest. Dezen (= deze tien koningen) zullen tegen het Lam oorlogvoeren en het Lam zal hen overwinnen. (Openbaring 17 : 14) Het Lam is gelijk aan de Leeuw uit de stam van Juda. (Openbaring 5 : 5) Dit is het Lam, staande als geslacht. (Openbaring 5 : 6) Het heeft betrekking op de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. Het Lam zal deze koningen overwinnen. Het Lam is Here der heren en Koning der koningen. (Openbaring 17 : 14) Die met het Lam zijn zullen de koningen overwinnen. Zij worden aangeduid als geroepenen, uitverkorenen en gelovigen. Deze drie vormen samen één groep. Het wijst in de eerste plaats op de Gemeente (en vervolgens op de gelovigen uit Israël en de volkeren).

Openbaring 17 : 15-18 geeft commentaar op het gezicht. De wateren zijn gelijk aan de volken, scharen, natiën en tongen. (vers 15) De hoer zit op die wateren, namelijk op dat beest. De hoer zit op de volkeren. Zij bestuurt hen. De tien hoornen op het beest zullen de hoer haten. (vers 16) De tien hoornen maken deel uit van het zevende rijk. Het beest zelf is de achtste. Het zevende rijk (de tien-statenbond) is aan het achtste onderworpen. De eenheid zal verbroken worden. De tien-statenbond, die zich aan het beest onderworpen had, zal tegen hem in opstand komen. De tien koningen zullen Babylon haten en woest en naakt maken. “Naakt maken” betekent dat de macht en praal weggeroofd wordt. De tien-statenbond zal haar vlees (letterlijk: haar vlezen) eten en haar met vuur verbranden. De reden van de opstand van de tien koningen wordt in vers 17 vermeld. In vers 13 staat dat de tien koningen enerlei mening hebben en zich aan het beest onderwerpen. Hier komen zij echter in opstand omdat God ervoor zorgt dat zij Zíjn mening doen. Hij legt dat in hun harten om te doen. De tien-statenbond komt tegen Babel in opstand en de stad wordt verwoest. God laat toe dat de tien-statenbond één mening toegedaan is en aan het beest ondergeschikt wordt. Dit duurt totdat Zijn woorden voleindigd zijn. De tien-statenbond wordt door God gebruikt om Babel te vernietigen. De val van Babel geschiedt zo’n veertig jaar na de opname van de Gemeente. Het beest zal aan het einde van de zesde bedeling levend gevangen genomen worden en in de poel des vuurs geworpen worden. (Openbaring 19 : 20) God gebruikt de heidense volkeren om Zijn wil ten uitvoer te brengen. De vrouw is de grote stad die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde. (Openbaring 17 : 18) Er staat “de grote stad”. Dit betekent dat het om de stad Babel gaat en niet zozeer om het principe dat Babel vertegenwoordigt. De grote stad is het grote Babylon, als hoofdstad van de wereld.

En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; Openbaring 18 : 2

In Openbaring 18 en 19 wordt de val van Babylon beschreven. Dat kan alleen als die stad weer herbouwd zal zijn. De profetieën omtrent de ondergang van Babel zijn nog niet vervuld. De stad is wel veroverd en stelselmatig afgebroken, maar niet rechtstreeks verwoest, zoals de profetieën vermelden. Dit betekent dat de profetieën omtrent de verwoesting van Babel nog in vervulling moeten gaan.

10. Slot

De antichrist

De term “antichrist” komt in de profetieën niet voor. De term wordt alléén door de apostel Johannes gebruikt en alléén in zijn brieven. In Openbaring wordt deze persoon omschreven als “het beest uit de aarde/ het land” of “de valse profeet”. In zijn brieven noemt Johannes hem óók “valse profeet”, maar ook “valse christus” en “antichrist”. Sprekend over de profetieën zouden we de term “antichrist” behoren over te slaan, omdat de uitdrukking in de profetische boeken niet genoemd wordt. Velen hebben bovendien een totaal verkeerd beeld van deze persoon en velen weten niet op wie de uitdrukking van toepassing is. In 1 Johannes 2 komt de term “antichrist” voor het eerst voor.

18 Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.

22 Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.
23 Een ieder, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. 1 Johannes 2 : 18, 22, 23 

Dé antichrist zal komen, maar er zijn ook vele antichristen. Matthéüs 24 : 24 spreekt over “valse christussen”. “Anti” betekent “in de plaats van”. Het gaat om iemand die zich voor de Christus uitgeeft. Dé leugenaar is de satan, want hij is de vader der leugen. (Johannes 8 : 44) De klemtoon hoort in 1 Johannes 1 : 22 op Jezus te liggen. “De Christus” wil men wel, maar men wil Jézus niet als de Christus. De satan loochent dat Jezus de Christus is. Als Jezus de Christus niét is, is er een “vacature”, zodat iemand anders op Zijn plaats kan gaan zitten. Als Jezus de Christus niet is kan de mens er zelf immers in voorzien! Degene die het hardst roept dat Jezus de Christus niet is, is tevens degene die het liefst zelf Zijn positie in wil nemen. Dat is de antichrist. Hij ontkent de positie van de Here Jezus Christus. Hij is de valse profeet en wil uiteraard zelf de positie innemen die aan Christus toekomt. Johannes herhaalt alles minstens éénmaal met andere woorden. Dat doet hij hier ook. De leugenaar is degene die loochent dat Jezus is de Christus. De antichrist is degene die de Vader en de Zoon loochent. Hieruit volgt dat dé antichrist de leugenaar is. Hij is de verleider, de valse profeet.

De termen “Vader” en “Zoon” geven aan dat er een Erfgenaam moet zijn. De Vader is Degene Die een erfenis heeft weg te geven. De Zoon is Degene Die de erfenis zou moeten ontvangen. De antichrist, de leugenaar, ontkent dat Jezus die Erfgenaam is. Hij ontkent dat Jezus de Christus is. Hij ontkent daarmee dat Jezus de Zoon is. “Wie de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet”. (1 Johannes 1 : 23) Wie de Here Jezus loochent en afwijst, wijst daarmee God, de Vader, af. Het is dus onmogelijk dat iemand in God gelooft, maar niet in Jezus Christus. Wie in God gelooft, gelooft in de Here Jezus Christus, want God spreekt slechts over Hem! Wie niet in de Here Jezus Christus gelooft maakt God tot leugenaar en gelooft dus niet in God. De Heer zei Zelf: “… gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. (Johannes 14 : 1) Wie in God gelooft en Hem neemt op Zijn Woord, gelooft óók in de Here Jezus Christus.

Johannes leert hier dat de antichrist dezelfde is als de valse profeet, de grote verleider. Hij ontkent de positie van Christus. In de praktijk geeft hij de positie van Christus, de Koning, aan de koning van Babel. De koning van Israël zou de koning over de gehele wereld zijn. In Jeruzalem zal iemand verschijnen die verkondigt dat Jezus de Christus niet is. Hij vertelt er meteen bij wie het wél is. Hij verklaart zichzelf tot de grote profeet, waarvan Mozes geprofeteerd heeft. (Deuteronomium 18 : 15-19) Hij zal verklaren dat de koning van Babel de Christus is, waarmee het volk een verbond moet sluiten. Dat verbond zal “het nieuwe verbond” genoemd worden. Er zal “vrede” zijn. De antichrist zorgt ervoor dat men de koning van Babel aanbidt. Daarmee aanbidt men feitelijk de satan. De Heer heeft dat reeds voorzegd.

Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen. Johannes 5 : 43 

De Heer kwam namens Zijn Vader en men geloofde Hem niet. In de toekomst zal iemand namens zichzelf komen en men zal hem geloven. De Vorst des levens heeft men gedood en men verkoos de moordenaar. (Handelingen 3 : 14, 15) In 1 Johannes 4 gebruikt Johannes de term “antichrist” eveneens.

1 Geliefden, gelooft niet een iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
2 Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;
3 En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld. 1 Johannes 4 : 1-3

Er zijn vele valse profeten in de wereld uitgegaan. Elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God. Hier staat niet dat Jezus Christus in het vlees komt of zal komen. Er staat dat Hij in het vlees gekomen is. In het Grieks staat een voltooid tegenwoordige tijd (een perfectum). Elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is niet uit God. Wie dat ontkent, is (de geest) van de antichrist. De geest van de antichrist is reeds in de wereld. Dit wil zeggen dat in bedekte termen reeds overal verkondigd wordt dat Jezus de Christus niet is. Soms wordt Hij wel “de Christus” genoemd, maar in dat geval wordt de inhoud van die term leeggemaakt. Men gelooft in dat geval niet dat Christus een troon in Jeruzalem zal hebben en letterlijk zal heersen over alle volkeren. Ook in dat geval gaat het om valse profeten. De geest van de antichrist is reeds werkzaam in de wereld. Paulus schrijft daarvan in 2 Thessalonicenzen 2 : 7: “De verborgenheid der ongerechtigheid (= wetteloosheid) wordt alrede gewrocht”. In de toekomst zal hij openbaar worden. Hij verkondigt de leugen en loochent de Christus. Hét kenmerk van de Bijbelse boodschap is juist dat Christus centraal staat! De gehele Bijbel speekt over Christus. Als u niet zeker bent van hetgeen er gepredikt wordt, let er dan op of Christus gepredikt wordt. De boodschap hoort slechts één onderwerp te hebben: Jezus, Die dé Christus is en door God tot Zoon is aangesteld en is verheerlijkt. De werking van de antichrist is het loochenen dat Jezus is dé Christus. Dit gebeurt nu (nog) in het verborgene. In de toekomst zal het in het openbaar gebeuren. Dán zal gepredikt worden dat Jezus niet de Christus is, maar iemand anders. De leider van de Joodse staat zal daartoe de leider van Babel aanwijzen. De term “antichrist” komt tenslotte voor in:

Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist. 2 Johannes : 7

“Verleiders” zijn dezelfde personen die in 1 Johannes 4 : 1 “valse profeten” werden genoemd.

1 Een ieder, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een ieder, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.
2 Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren.
3 Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.
4 Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 1 Johannes 5 : 1-4

Wie gelooft dat Jezus is de Christus, is geen antichrist. Wie dat gelooft is uit God geboren. Wie gelooft dat Christus de grote Erfgenaam is van Adam, Abraham, David en bovenal van God Zelf, die is uit God geboren. Een ieder die God liefheeft heeft ook degene lief die uit God geboren is. Wie in de Zoon van God gelooft en Hem liefheeft, die gelooft ook in de Vader van onze Here Jezus Christus en heeft ook Hem lief. Wie de Vader en de Zoon liefheeft heeft óók degenen lief die uit God geboren zijn. Het eerste kenmerk van het leven dat uit God geboren is (het geestelijk leven) is: liefde voor degenen die uit God geboren zijn (de broeders en zusters). “Liefde” wil niet zeggen dat u alles accepteert en nooit boos wordt. Als u boos wordt dient dat altijd tot opbouw te zijn. Het kan soms heel goed zijn om een gelovige de waarheid te zeggen. Gelovigen hebben de Waarheid lief en daarom is het goed om medegelovigen die waarheid voor te houden, opdat zij die leren kennen. Niet alle gelovigen willen die waarheid graag horen. Zulke gelovigen voelen zich “op de tenen getrapt”. Dat wil echter niet zeggen dat degene die de waarheid vertelde de medegelovige niet liefheeft. Wie zijn zoon liefheeft kastijdt hem. (Hebreeën 12 : 5-8) Wie zijn broeder liefheeft wijst hem terecht en zegt hem de waarheid. Wie de broeder liefheeft geeft hem geen aai over de bol en accepteert vervolgens alles van hem, want dat heeft niets met “liefde” te maken.

Het is noodzakelijk om elkaar gedrongen door de liefde Gods, de waarheid te prediken. Paulus predikte het evangelie, het Woord der Waarheid. (Éfeze 1 : 13; Kolossenzen 1 : 5) Paulus werd door de liefde van Christus gedrongen. (2 Korinthe 5 : 14) Hij predikte dat geen mens rechtvaardig is en dat er in hem geen goed woont. (Romeinen 3 : 9 e.v.) Dit is geen haat of vijandigheid, maar liefde! God had de wereld zo lief dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebben. (Johannes 3 : 6) De beste manier van liefhebben is om te proberen elkaar op te bouwen in geloof. Dit betekent dat we tegen het (gedeeltelijke) ongeloof van medegelovigen oplopen. De verantwoordelijkheid voor dat ongeloof ligt niet bij ons. Het is wel onze verantwoordelijkheid dat we hen met de waarheid confronteren. De waarheid is dat de gelovige door God gekocht is. Hij is uit God geboren en is Zijn eigendom. In Hem heeft hij de overwinning over alle omstandigheden. Die overwinning wordt doorgaans niet gezien, maar de gelovige kan die overwinning wel degelijk zelf ervaren. Over die overwinning spreekt Johannes hier in zijn brief. De gelovige heeft degene lief die eveneens uit God geboren is. (1 Johannes 5 : 1) Wie de kinderen Gods liefheeft, heeft God lief en bewaart Zijn geboden. Met “Zijn geboden” bedoelt Johannes de gehele Bijbel. (1 Johannes 2 : 3-5) De gelovige leeft vanuit álles wat God gesproken heeft. Wie dát doet heeft óók de broeders en zusters lief. In onze relatie met broeders en zusters maken we fouten, maar dat komt door ons menselijk onvermogen. Dat is echter geen bewijs van een gebrek aan liefde. Al wat uit God geboren is, overwint de wereld. (1 Johannes 5 : 4) Ons geloof overwint de wereld. Johannes legt uit dat het geloof in het Woord van God ons de zekerheden geeft die wij in het leven nodig hebben. Die zekerheden krijgen we vanuit het Woord van God en door die zekerheden staan we bóven de onzekerheden van de wereld. Wanneer we dát geleerd hebben zijn we in staat om anderen liefde te geven. Wie zwak/onzeker is kan geen liefde geven en zoekt iets van anderen te krijgen. Hij trekt de dingen naar zichzelf toe. Wie geen aandacht krijgt zegt al gauw dat er weinig liefde is. Liefde zoekt zichzelf echter niet, (1 Korinthe 13 : 5) maar gééft.

Wie vanuit het Woord van God leeft wordt krachtig in de Heer. (Éfeze 6 : 10) Hij leeft vanuit de zekerheden die hij uit het Woord van God heeft leren kennen. Daardoor weet hij welke positie hij in Christus heeft. Van daaruit is hij in staat om liefde te geven. Dan is het probleem niet meer dat hij weinig liefde ontvangt. Het probleem is dan dat hij wel liefde wil geven, maar dat hij die liefde niet kwijt kan. Hij wil medegelovigen graag helpen, maar zij willen niet geholpen worden. We verkeren in de bevoorrechte positie dat we (verhoudingsgewijs) veel weten van de Bijbelse profetieën en van het Woord van God in het algemeen. Dit legt echter zeer veel verplichtingen op ons. Het dient niet slechts tot bevrediging van onze nieuwsgierigheid te zijn. Doordat we de Bijbelse profetieën leren verstaan worden we (als het goed is) opgebouwd in ons geloof. We hebben een zalige hoop, een levende toekomstverwachting. Door onze geestelijke groei hebben we een grotere verantwoordelijkheid ten aanzien van medegelovigen. We behoren niet alleen zorg te hebben voor onszelf, maar juist voor onze medegelovigen. We dienen in alle bescheidenheid en dienstbaarheid het Woord van God door te geven. Wie meent dat hij sterk is in het geloof, die dient degenen die zwak zijn aan te nemen en zorg voor hen te dragen. Hij dient te verdragen. Van de andere kant dient er ook heel wat verdragen te worden. Wanneer we met het Woord van God komen en vertellen hoe de zaken in elkaar zitten zal degene die luistert ook moeten verdragen, ondanks dat het niet wordt begrepen. We dienen elkaar te verdragen. Dan zijn we in staat om de Heer te dienen, Zijn Woord uit te dragen en Hem groot te maken in ons leven. In dat geval kunnen we met één mond de Naam van de Heer grootmaken.

Het gaat slechts om één ding, namelijk om de liefde Gods die ons met elkaar verbonden heeft. Van ons wordt verwacht dat we de eenheid van de gelovigen bewaren. Onze eenheid met Christus staat boven alles. Van daaruit dienen we de verantwoording op ons te nemen zorg te dragen voor en liefde te hebben voor onze broeders en zusters.

11. Chronologische tafel

4120Eerste dag
3990Geboorte van Seth(na 130 jaar)
3885Geboorte van Enos(na 105 jaar
3795Geboorte van Kenan(na 90 jaar)
3725Geboorte van Mahallal-El(na 70 jaar
3660Geboorte van Jered(na 65 jaar)
3498Geboorte van Henoch(na 162 jaar)
3433Geboorte van Methusalach(na 65 jaar)
3246Geboorte van Lamech(na 187 jaar)
3064Geboorte van Noach(na 182 jaar)
2564Geboorte van Jafeth(na 500 jaar)
2562Geboorte van Sem(na 2 jaar)
2464Zondvloed(na 98 jaar)
Totaal1656 jaar

2242Geboorte van Terah (Genesis 11 : 26, 32; 12 : 4)
2112Geboorte van Abraham
2037Verbond met Abraham
1822Jakob naar Egypte
1607Uittocht uit Egypte
1567Intocht in Kanaän - 10 Nisan: Doortocht door de Jordaan (Jozua 4 : 19)
1096 - 1056Saul koning
1056 - 1016David koning
1016 - 976Salomo koning
1013Fundering van de tempel
1006Inwijding van de tempel
976Splitsing tussen twee en tien stammen
976 - 587390 jaar van Ezechiël 4:5
976 -Rehabeam (twee stammen)
976 -Jerobeam (tien stammen)
776Begin tijdperk van de olympiaden
753Begin tijdrekening van Rome (A.U.C.)
747Begin tijdperk van Nabonasser
726 - 697Hizkia (twee stammen)
721Begin Assyrische ballingschap van Israël (10 stammen)
697 - 642Manasse (twee stammen)
642 - 640Amon (twee stammen)
640 - 609Josia (twee stammen)
627Dertiende jaar van Josia (Jeremia 1 : 2); begin optreden van Jeremia
627 - 587Veertig jaar van Ezechiël 4 : 5,6 (Jeremia 1 : 22, 23)
626 - 606Nabopolasser van Babel
622Josia’s Paasfeest (2 Koningen 2: 32)
608 - 598Jojakim (Eljakim) van Juda; door farao Necho (2 Koningen 23 : 33-35; 2 Kronieken 36 : 3,4)
606Eerste verovering van Jeruzalem door Nebukadnézar Derde jaar van Jojakim (2 Koningen 24 : 1; 2 Kronieken 36 : 6; Vierde jaar van Jojakim = eerste jaar van Nebukadnézar (Jeremia 25 : 1) Wegvoering van o.a. Daniël (Daniël 1 : 1, 2) BEGIN BABYLONISCHE RIJK
606 - 561Nebukadnézar van Babel
606 - 536PERIODE VAN DIENSTBAARHEID; 70 jaar (Jeremia 29 : 10)
603 Jojakim in opstand tegen Babel (2 Koningen 24 : 1)
598 - 598Jojachin (Choniah, Jechonias) van Juda; 18 jaar oud; regeerde drie maanden
598Tweede wegvoering van Jeruzalem door Babyloniërs Wegvoering van Jojachin (2 Koningen 24 : 12-17; Ezechiël 1 : 2)
598 - 536PERIODE VAN BALLINGSCHAP; 62 jaar
598 - 587Zedekiah van Juda; aangesteld door Nebukadnézar
594Begin profetieën van Ezechiël (2 Koningen 23 : 23; Ezechiël 1 : 2
589Derde beleg van Jeruzalem door Babel; 10 Thebet (10); 2 Koningen 25 : 1; Jeremia 34 : 1
589 - 520PERIODE VAN VERWOESTING; 70 jaar; 2 Kronieken 36 : 21; Daniël 9 : 2; Jeremia 25 : 11, 12; Zacharía 1 : 12; 7 : 5; Begin: 10 Thebat (10) = 13 december (2 Koningen 25 : 1; Jeremia 39 : 1) Einde: 24 Kislev (9) = 17 december (Haggaï 2 : 18, 19) Totaal 2520 dagen (Gregoriaans) = 70 x 360 dagen.
588Tiende jaar van Zedekiah, 18e jaar van Nebukadnézar (Jeremia 32 : 1)
587Derde verovering van Jeruzalem door Babyloniërs Einde 40 en 390 jaar van Ezechiël 4 : 5 Verwoesting van de tempel. Ingenomen: 9 Tammuz (4); 2 Koningen 25 : 2, 3, 8, 9; Jeremia 39 : 2 Verbrand: 7 Ab (5). Bericht bereikt de ballingen: 5 Tebet (10); Ezechiël 33 : 21
57425e jaar der ballingschap = 14e jaar sinds verwoes ting van Jeruzalem (Ezechiël 40 : 1) Gezicht van de nieuwe tempel; 10 Nisan (1); Ezechiël 40 : 1
561Dood van Nebukadnézar
561 - 559Evil-Merodach (Iluoradam) van Babel; (11 jan. 561 v.Chr. = 562 volgens de Joodse telling!!!) Jeremia 52 : 31; 25 Adar (twaalfde maand) 2 Koningen 25 : 27 27 Adar (twaalfde maand
559Kores begint te regeren in Perzië
559 - 555Neriglissar (Nergal-sherazer) ban Babel
555 - 538Nabonidus van Babel. In de laatste jaar was zijn zoon Belsazar mede-regent. Daniël was 3e in het rijk! Nabonides = Nabunnahit = Balynetus
541Uiterlijk dit jaar werd Belsazar mederegent met zijn vader Nabonides Zie eerste en derde jaar van Belsazar in Daniël 7 en 8
538Babel ingenomen door de Meden en Perzen (Babel bleef hoofdstad tot 482) BEGIN MEDO-PERZISCHE RIJK Visioen van de 70 weken Daniël 9
538 - 536Darius de Meed (Gobryas) regeert in Babel "Koning gemaakt" door en onder Kores (Daniël 9 : 1)
536"Pensionering" van Daniël (Daniël 1 : 21; 6 : 29)
536 - 529Kores van Perzië Toestemming tot terugkeer; herbouw van de tempel onder Zerubbabel; Ezra 1 : 1; 6 : 3 Bouw gestopt (Ezra 4 : 24) Einde DIENSTBAARHEID en BALLINGSCHAP 70-ste jaar van DIENSTBAARHEID tot 1 Nisan 536
534Daniëls laatste visioen (Daniël 10 - 12)
529 - 521Cambyses II van Perzië (gevestigd in Egypte)
521 - 485Darius I Hystaspes van Perzië
520 Fundering van de tempel (tweede jaar van Darius); Ezra 4 : 24 Einde VERWOESTING 6e maand, 1 - 24, 1e profetie van Haggaï; 1 : 1 - 2 : 1 7e maand, 21, 2e profetie van Haggaï; 2 : 2 8e maand, 1, begin profetieën van Zacharía; 1 : 1 9e maand, 24, 3e profetie van Haggaï; 2 : 11, 19 9e maand, 24, 4e profetie van Haggaï; 2 : 21 11e maand, 24, vervolg profetieën van Zacharía; 1 : 7
5189e maand, 4, vervolg profetieën van Zacharía, 7 : 1 (vierde jaar van Darius)
516De tempel gereed op 3 Adar (12); Ezra 6 : 15
515Inwijding van de tempel op 14 Nisan (1); Ezra 6 : 15-22
490Slag bij Marathon
485 - 465Xerxes I van Perzië (Ahasveros uit Esther)
484Herodes geboren
483Derde jaar van Xerxes I (Ahasveros); Esther 1 : 3 Derde jaar van Xerxes I (Ahasveros); Esther 1 : 3
482Babel ontmandeld; vierde jaar van Xerxes I Begin van de zeven tijden (= 2520 jaar); Daniël 4 en 5
480Slag bij Thermopilae; slag bij Salamis; Xerxes door Grieken verslagen
479Zevende jaar van Ahasveros (Esther 2:16)
474Twaalfde jaar van Ahasveros (Esther 3:7)
471Themistocles (Atheens staatsman) verbannen
468 - 399Socrates
466Themistocles vlucht naar Perzië
465 - 424Artaxerxes I Longimanus van Perzië (Ezra/Nehemía) Zoon van vermoorde Xerxes
458Toestemming tot verfraaiing van de tempel o.l.v. Ezra (Ezra 7 : 8)
449 Perzen verslagen door Atheners bij Salamis, Cyprus
445Toestemming tot herbouw van Jeruzalem door Nehemía (Nehemía 2 : 1). 1 Nisan = 14 maart BEGIN VAN DE PERIODE VAN 70 WEKEN (Daniël 9 : 24-27) Herodes begint aan zijn "Historieën"
429 - 347Plato
424 - 424Xerxes II van Perzië; na 45 dagen vermoord Zoon van Artaxerxes I
424 - 404Darius II Nothus van Perzië (Nehemía 12 : 22)
404 - 358Artaxerxes II Mnemonvan Perzië; zoo van DaiusI
397Profetie van Maleachi. Einde eerste 7 weken van de 70 weken (Daniël 9)
358-338Artaxerxes III Ochus v. Perzië. Zoon van Artaxerxes II; onderwierp Cyprus
336 - 330Darius III Codomanus van Perzië
334Slag bij Granicus (Alexander verslaat Darius)
333Slag bij Issus (Alexander verslaat Darius) BEGIN GRIEKSE RIJK
331Slag bij Arbela
323Dood van Alexander de Grote
312Begin tijdperk van de Seluciden
301Slag bij Ipsus
170Jeruzalem veroverd door Antiochus Epiphanes
168De tempel ontheiligd door Antiochus Epiphanes
165Jeruzalem veroverd door Judas Makkabeüs Tempel ingewijd op 25 Kislev (9) Chanoekah (Johannes 10 : 22)
63Jeruzalem ingenomen door Pompejus BEGIN ROMEINSE RIJK
40 Herodes de Grote aangesteld als koning over Judea
37 Herodes verovert Jeruzalem en wordt geaccepteerd
31Slag bij Actium
31 - 14 ADAugustus van Rom
4Geboorte van Jezus; 15 Tisri (= 6 okt.) op 1e dag Loofhuttenfeest
3Dood van Herodes de Grote. Archelaüs wordt aangesteld over Judea Herodes Antipas wordt aangesteld over Galilea ANNO DOMINI
14 - 37Tiberias van Rome (vanaf 19 augustus 14 AD)
28Vijftiende jaar van Tiberias; 19 augustus 28 tot 19 augustus 29. Jezus 30 jaar oud. (Lukas 3 : 1, 23) Tijdstip: tussen 28 augustus en 6 oktober
29Eerste Pascha tijdens de omwandeling van de Here Jezus
32Vierde Pascha tijdens de omwandeling van de Here Jezus Intocht in Jeruzalem op 10 Nisan (6 april); Lukas 19 Leeftijd van de Here Jezus: 12.601 dagen Einde van de eerste 69 weken van de 70 weken (Daniël 9) "Laatste avondmaal" op 14 Nisan (10 april) Kruisiging van de Here Jezus Christus op 15 Nisan (11 april) Opstanding van Christus op 17 Nisan (13 april)
37 - 41Caligula van Rome
41 - 54Claudius van Rome
54 - 68Nero van Rome
70Verwoesting van Jeruzalem door Titu
1948Oprichting van de staat Israël (15 mei)
????Opname van de Gemeente
7 jaar laterEinde van de 2520 jaar van ontluistering van Babel (begon in 482 v. Chr.) Herstel van Babel Einde 2000 jaar sinds de opstanding van Christus (Jozua 3; 2 Petrus 3) Einde van de 70-ste week van Daniël 9 Verwoesting van Jeruzalem



  Oorspronkelijke bijbelezingen C063 door: Ab Klein Haneveld 


Dit is een bewerking van de Brochure "Profetisch panorama" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/