Wat is de hemel?

En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus; Efeze 2 : 6

De eenvoudige waarheid is dat alle gelovigen zullen opgewekt worden op de jongste dag en als gelovigen zullen leven op een nieuwe aarde.De ene grote uitzondering vormen de gelovigen van deze bedeling. Als gelovige is hetgeen kwestie van naar de hemel gaan op het moment van overlijden of op het moment van de opname van de Gemeente. Wij zijn nu reeds gezet in de hemel met Christus, opdat wij als eerstelingen zouden delen in Zijn heerlijkheid. Als dit lichaam wegvalt, zijn we derhalve nog steeds in de hemel.

“Wat is de hemel?” is geen Bijbelstudie over het”hiernamaals”.Het handelt over onze (gelovigen) huidige en toekomstige positie in Christus in de hemel. Misverstanden over de hemel en wie daar zijn of zullen zijn, worden uit de weg geruimd. De hemel is niet ver weg. De gelovige hier op aarde bevindt zich elke dag in die hemel, in afwachting van het moment dat wij Christus niet alleen met ogen des geloofs,maar ook van “aangezicht tot aangezicht” mogen aanschouwen.


1. Inleiding.  
2. Waar gaan de doden naartoe?  De “tussenstaat“.  Het hiernamaalsDe hemelen en de aardeDe derde hemel.  Een “gat in de hemel”.  De hemel als tempel.
3. Het koninkrijk der hemelenHet eerstgeboorterecht en de hemel. Hemels burgerschap. Van tussen de doden uit. Plaats bereiden in het “huis van Mijn Vader”. Welkom in de hemel. Het nieuwe Jeruzalem. Het hedendaagse leven in de hemel.  Ultradispensationalisten en de hemel. 


1. Inleiding.

Wat is de hemel? Ik zal u proberen te laten zien wat de Bijbel over de hemel leert en tegelijkertijd proberen te laten zien waarom daar zoveel misverstand over bestaat. Eén van de problemen is dat men de vraag niet goed verstaat. Men denkt dikwijls dat er gevraagd wordt naar het hiernamaals. Dat is een misverstand. Ik zoek daar nu geen Schriftplaatsen bij op, want die komen we in de loop van de studie vanzelf tegen. Het onderwerp is niet wat het hiernamaals is, maar wat de hemel is. Het hiernamaals is niet de hemel. Het hiernamaals is een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Daarmee wordt niet een nieuwe hemel waar God woont of waar wij naartoe gaan, bedoeld, maar echt nieuwe twee hemelen als onderdeel van de nieuwe schepping.

De term “het hiernamaals” wordt niet goed begrepen. Uitgaand van de Griekse opvatting komt een gestorven mens in het dodenrijk (de hades). Dat leert de Bijbel overigens ook. Die mens moet dan voorbij de hellehond, in de Bijbel onder andere terug te vinden in Psalm 22. Eenmaal in de hades komt de persoon op een kruispunt. Wij christenen komen daar al eerder, in ons leven namelijk. De Grieken kwamen na hun leven pas op een kruising en wel in het dodenrijk. Als ze netjes geleefd hadden, gingen ze rechtsaf en als ze het slecht gedaan hadden, gingen ze linksaf. Er waren twee plaatsen in het dodenrijk: een plaats voor de goeden en een andere plaats voor de slechten. Standsverschil moest nu eenmaal ook na de dood in stand gehouden worden. De christelijke variant is in de loop van de tijd dusdanig versleten dat die volledig overeenkomt met de Griekse oorspronkelijke variant. Met dit verschil dat het niet meer linksaf en rechtsaf is, maar naar beneden of naar boven. De algemene gedachte schijnt te zijn, dat wie netjes geleefd heeft en ieder het zijne heeft gegeven, naar boven, naar de hemel gaat (overeenkomend met rechtsaf voor de Grieken). Wie dat niet gedaan heeft, gaat niet naar de hemel maar naar de hel. Men heeft in de christelijke traditie gewoon de Griekse variant overgenomen en is de Bijbelse waarheid kwijtgeraakt. Het idee is eigenlijk al wordt het er niet bij gezegd – dat deze wereld blijft voortsukkelen. De hemel en de hel zijn dan de twee mogelijkheden voor degenen die overlijden en die uit deze wereld verdwijnen.

Het is zoals countryzanger Hank Williams dichtte: “I’ll never get out of this world alive”. Ik kom hier nooit levend uit, zei hij over het leven en dat is natuurlijk ook zo. Het wordt dus of de hemel of de hel en dat is het dan. Daarna vraagt iemand wat de hemel is en daar begint het misverstand. Het blijkt dat de hemel in de betekenis van hiernamaals helemaal niet in de Bijbel voorkomt. Begrijp mij goed, u en ik zullen ooit onze ogen in de hemel opslaan. Als wij gelovigen zijn, zijn wij hierna in ieder geval in de hemel. Maar voordat het zover is, zijn we ook al in de hemel. Het mag dan zo zijn dat in zekere zin de hemel het hiernamaals is van gelovigen van vandaag, het neemt niet weg dat de hemel helemaal niet als hiernamaals zou fungeren.

2. Waar gaan de doden naartoe?

Als van nature een mens overlijdt, verdwijnt hij naar hades (Grieks) of sheool (Hebreeuws), kortom: naar de hel, want dat is de standaardvertaling in het Nederlands in de Statenvertaling. Als alternatieve uitdrukking hebben we nog het dodenrijk, maar dat is hetzelfde als hel. Hel betekent lage plaats, een soort kelder. Het komt overheen met del of dal. Helmond is niet de mond van het dodenrijk, maar je gaat er een dal in. Het is niet de plaats van het eeuwig oordeel naar Bijbelse maatstaven en ook niet het hiernamaals. Het is de plaats waar de mensen heengaan als zij overlijden. Dat is niet definitief. Als een mens sterft, gaat hij niet zo zonder meer de eeuwigheid in. Dat is een heidense gedachte en niet een Bijbelse. De Bijbelse gedachte is dat er eenmaal een dag komt waarop alle doden, dat wil zeggen allen die ooit geleefd hebben, voor God zullen staan en dan pas geoordeeld zullen worden. Wij zijn daar uitzonderingen op, maar ik heb het nu over de algemene gedachte. De mens verdwijnt als hij sterft naar het dodenrijk en wacht daar op de Jongste Dag. Dat geldt ook voor levende christenen. Op de Jongste Dag zou er pas een oordeel zijn. Er is dan geen sprake van een kruispunt; men staat dan voor de Rechter. De gedachte dat een overledene direct voor zijn Rechter staat, is dan ook een misverstand. Dat komt pas later. Het kan wel zijn dat iemand in “voorarrest” zit, maar “voor zijn Rechter staan” is niet aan de orde.

In het Nieuwe Testament komt het woord hemel in 391 Schriftplaatsen voor. Dan heb ik het niet over de term “ontbonden te worden en met Christus te zijn”, want daar staat het woord hemel niet eens in. Het Oude Testament kent zeker ook zo’n aantal. Ik kan Prediker 12 : 7 citeren. Daar staat dat als de mens overlijdt, zijn geest terugkeert naar God, Die hem geschapen heeft. Sommige mensen concluderen hieruit dat ze naar de hemel gaan na overlijden. De alverzoening concludeert dat er geen uitzondering gemaakt wordt tussen gelovigen en ongelovigen. Dat is een misverstand. Er staat niet dat de geest naar de hemel gaat, er staat alleen dat de geest terugkeert tot God. Dit betekent dat daar waar de mens zich in zijn leven onttrekt aan God en gebod, hij na dit leven niettemin onder de volledige jurisdictie en macht van God terugkomt. Als het om ongelovigen gaat, betekent het in elk geval dat Hij hen ogenblikkelijk gevangen zet in het dodenrijk. Daar zwaait niet de duivel de scepter, maar is men gevangene van Christus, danwel van God Zelf, en wacht men op het oordeel. Terugkeren tot God wil niet zeggen dat men naar de hemel gaat, maar alsnog onder de macht van God komt. Waar men nu God heeft losgelaten en andersom, neemt dat niet weg dat diezelfde mens te doen krijgt met de levende God (vergelijk Hebreeën 4). De duivel zwaait niet de scepter in het dodenrijk, maar zal daarin zelf zeker 1000 jaar lang gebonden zijn, eveneens in afwachting van de Jongste Dag. Dan zal hij pas definitief geoordeeld worden en dan is er pas sprake van een hiernamaals. Er is pas een hiernamaals na de Jongste Dag en niet eerder.

De “tussenstaat”

Dat betekent automatisch dat er zoiets bestaat als wat de Engelsen noemen een “intermediate state”. In  het Nederlands noemen wij dat “tussenstaat”. Dat is een positie waarin men zich bevindt na het overlijden, maar in afwachting van het oordeel. Zoiets bestaat in elk geval. Het merendeel van de gelovigen gelooft dat men zal sterven en op de Jongste Dag geoordeeld zal worden en dus bestaat er altijd zoiets als een tussenstaat. Rooms-Katholieken noemen dat het vagevuur. Ik heb mijn uiterste best gedaan om te vinden op welke Bijbelteksten het vagevuur gebaseerd is en tot mijn verbijstering is het helemaal niet gebaseerd op een Bijbeltekst. Het is de leer van de Rooms-Katholieke kerk. Er is geen Bijbeltekst voor aan te voeren en men doet dat ook niet. Ik ken mensen die geloven dat wanneer zondaren geworpen worden in de poel des vuurs, dit een reinigende werking op hen heeft, zodat ze alsnog levend, gereinigd en wel, uit het vuur tevoorschijn komen en alsnog behouden worden. Dat is één van de varianten van de leer van alverzoening. De Rooms-Katholieke leer van het vagevuur is ongeveer hetzelfde. Men wordt in het vuur geworpen en daarin gelouterd en gereinigd. Er moet wel bij gebeden worden en kaarsen worden gebrand, maar dan komt het wel goed. Vagevuur in de zin van reiniging hierna, leert de Bijbel niet.

De Bijbel leert wat wij in het Nederlands “tussenstaat” noemen. Dat wil zeggen een positie tussen na het sterven en de Jongste Dag. Voor gelovigen geldt eventueel ook zo’n tussenstaat, mochten wij in Jezus ontslapen zijn vóór de opname van de Gemeente. Degenen die ons hierin voorgingen wachten net zo goed op het oordeel dat komt bij de opname van de Gemeente. Alle gelovigen van onze bedeling zullen deelhebben aan de opname van de Gemeente. Het is de gelegenheid waarbij ieder van ons zijn loon zal ontvangen. Het is de officiële aanstelling van de Gemeente tot Zoon waarbij wij de erfenis zullen ontvangen die in de hemel voor ons bewaard wordt (1 Petrus 1 : 4). De opname van de Gemeente is een gebeurtenis die van doen heeft met elke gelovige van onze bedeling. Ook dat lijdt in de Bijbel geen twijfel. Zij die in Christus ontslapen zijn, zullen eerst in Christus opstaan en daarna wij die levend overgebleven zijn. We zullen samen met Hem opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet in de lucht (1 Thessalonicenzen 4 : 14-17). Ook daar is sprake van een tussenstaat. Er is nog een variant op de lering over de tussenstaat die van doen heeft met de leer van alverzoening. Die leer zegt dat de overleden mens in die tussenstaat alsnog de kans krijgt om tot bekering te komen. Dat vindt men wel wenselijk, want er zijn altijd wel theorieën over mensen die het niet geweten hebben. Na het overlijden komen die in het dodenrijk en daar horen ze alsnog het evangelie prediken. Dat is een evangelische alverzoenings variant. Een positievere variant dan die van het vagevuur, gebaseerd op 1 Petrus 3 : 19. Daar staat: “In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft”. Men concludeert dat in het dodenrijk het evangelie gepredikt wordt en zelfs dat de Here Jezus dat Zelf gedaan zou hebben. Uit dit Schriftgedeelte kan niet zondermeer geconcludeerd worden dat het evangelie in het dodenrijk gepredikt wordt. Er mag dan wat gepredikt zijn, maar er staat niet bij dat het gaat om het evangelie. Er zijn Schriftplaatsen genoeg die aangeven dat een mens zijn beslissingen hier op aarde moet nemen en dat bij zijn overlijden de rest van zijn toekomst volledig gefixeerd is. Het tijdstip waarop dat officieel uitgevoerd wordt, laat echter nog even op zich wachten. De toekomst van de gelovige is in ieder geval vastgezet in Christus.

Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Korinthe 5 : 17

Wij hebben daar al deel aan. Wij leven in de “toekomende eeuw”. We leven al bijna 2000 jaar in de toekomende eeuw. Wij hebben deel aan de toekomende dingen en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt en zijn hopelijk niet afvallig geworden (Hebreeën 6).

Het hiernamaals

De hemel is dus niet hetzelfde als het hiernamaals. Als u toch wilt weten wat het hiernamaals is, neem ik u mee naar Jesaja 65.

Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Jesaja 65 : 17

Dit lijkt toch erg veel op 2 Korinthe 5

Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees2 Korinthe 5 : 16

Wij hebben Christus niet naar het vlees gekend en kennen Hem uiteraard ook niet naar het vlees. “Van Hem weten” is natuurlijk toch anders dan er deel aan hebben. De Bijbel vergelijkt onze positie weliswaar met die van de Here Jezus Christus op aarde, maar uiteindelijk is er één heel belangrijk verschil: de Here Jezus leefde ín en maakte deel uit van de oude schepping en de oude mensheid. Hij leefde namelijk in het vlees en ook Hij zou Zijn vlees moeten afleggen. Hij was de Eerste Die dat deed en Hij ontving een nieuw leven en een nieuw lichaam. Hij zou de Eersteling zijn. Van ons wordt gezegd dat wij een nieuw schepsel zijn. Onze positie is niet gebaseerd op de geboorte van de Here Jezus maar op de opgewekte Christus. Wij hebben deel aan Zijn opstanding. De Here Jezus leefde op aarde in, en als deel van, de oude schepping die Hij vertegenwoordigde en waarvan Hij de zonden droeg. Wij hebben deel aan een nieuwe schepping en worden geïdentificeerd met Christus’ leven in de hemel en niet met Jezus’ leven op aarde. Dat is het hiernamaals naar Bijbelse maatstaven.

De hemelen en de aarde

In Jesaja 65 : 17 staat “hemelen”, in meervoud. Dit woord “hemelen” wordt in het algemeen gelezen, ook volgens de Masoretische tekst, als twee, namelijk “shamajim”. Die uitgang “ajim” wil zeggen dat het er twee zijn. Als we ze naar Bijbelse maatstaven moeten specificeren, komen we niet verder dan twee. Er bestaat wel een derde hemel, maar daar hebben we het nog over. Als we het hebben over een geschapen wereld en hemelen en ook als het gaat over nieuwe hemelen ter vervanging van de oude, zijn het er twee. Voor het gemak noem ik ze de hemel van de vogelen des hemels en de hemel van de sterren des hemels. In den beginne schiep God de beide hemelen. Omdat wij in het Nederlands geen tweevoudsvorm (dualis) hebben, staat het woord soms in het meervoud en soms in het enkelvoud. Het zijn echter twee hemelen en één aarde en zo staat het er ook. Het wordt in de Bijbel, daar waar het nodig is, ook duidelijk onderscheiden. De nieuwe schepping zal volgens Jesaja 65 dus bestaan uit twee nieuwe hemelen. Zo lezen we het in het Nieuwe Testament. Het is een nieuwe schepping waarvan Christus de Eersteling is. Daarnaast zegt Jesaja 66:

Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. Jesaja 66 : 22

Het betreft hier net zo goed twee hemelen. We kunnen dat weliswaar in de vertaling niet terugzien, maar het is echt zo. De Levieten waarover hier gesproken wordt, zullen ook op die nieuwe aarde zijn, dat wil zeggen in de nieuwe schepping. Schriftplaatsen die zeggen dat God de aarde gemaakt heeft voor de mens opdat de mens daarop zou wonen en dat God de mens heeft gemaakt voor de aarde opdat hij op de aarde zou wonen, dat Hij Zijn Koninkrijk zou hebben op aarde als herstel van de troon van David, gaan allemaal over de aarde. Dat is ook wat men zou verwachten. Dat brengt echter ook een misverstand met zich mee. Men heeft gelezen dat de mens die zalig wordt, na de Jongste Dag zal leven op de nieuwe aarde en in het nieuwe Jeruzalem, maar men heeft ook gelezen dat de gelovige mens naar de hemel gaat. Dat wordt een probleem als je geen bedelingen onderscheidt en het verschil niet kent tussen Israël en de Gemeente. Als er iets is wat men moet weten, is het wat de Gemeente is. Als dat niet goed tot ons doordringt, weten we van de rest van de Bijbel eigenlijk ook niets. Men leest dat de mens na de Jongste Dag – als hij behouden is – zal wonen op de nieuwe aarde in een nieuw Jeruzalem. Men heeft ook gelezen dat hij in de hemel is, een hemelse toekomst, een hemelse roeping en een erfenis in de hemel heeft. Men trekt dan de conclusie dat de hemel geen plaats is, maar een toestand, een soort sfeer waarin men bij gelegenheid verkeert. Zo komt men erbij dat men een hemel op aarde zal hebben, waarbij men denkt aan een ideale toestand. Een soort utopie, een eldorado. Men maakt van de hemel hetzelfde wat in andere religies, culturen en mythologieën een situatie van welbevinden ofwel een ideale toestand is. Of men vergelijkt het met het nirwana van de boeddhisten. Dat wordt geacht een soort hiernamaals te zijn, dat hier ook al bereikt kan worden als men goed oefent. Het is een soort ideale toestand. De hemel is niet zomaar een toestand, een gevoel van welbevinden of een bepaalde ervaring. Integendeel, in de Bijbel wordt de hemel voorgesteld als een plaats. Het punt is dat het daarbij niet eens gaat om hemel nummer 1 en 2, de zienlijke wereld, maar om hemel nummer 3. Dat is dan ook de laatste die we in de Bijbel tegenkomen. Hemel 1 en 2 maken deel uit van de zienlijke en stoffelijke wereld en zullen samen met de aarde vervangen worden. Wij lezen dat ook in Openbaring 20 : 11

En ik zag een groten witte troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden. Openbaring 20 : 11

Dat wil zeggen dat ze er daarna niet meer waren. In het niets verdwenen. Het boeddhistische ideaal. Het Bijbelse ideaal is dat de oude wereld verdwijnt en dat er een nieuwe wereld voor in de plaats komt. Dat staat vervolgens in, wat ongelukkigerwijs geworden is, hoofdstuk 21 : 1. Als ik het over mocht doen, zou ik het hoofdstuk 20 : 16 genoemd hebben.

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. Openbaring 21 : 1

De eerste hemel is de hemel van deze wereld, dus toch twee bij elkaar. Ze worden vervangen door wat erop volgt: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Als het Hebreeuws was, zou er nieuwe hemelen en nieuwe aarde moeten staan. In de Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament staat het ook. Hier wordt gesproken over een oude schepping – bestaande uit twee hemelen en een aarde – die verdwijnt en een nieuwe schepping die verschijnt. Die nieuwe schepping bestaat uit twee hemelen en één aarde. Het probleem is dat, waar wij over de hemel spreken, wij meestal niet de eerste en de tweede hemel bedoelen. Behalve als we omhoog naar de hemel staren of wat zien in de hemel. Normaal gesproken hebben we het daar echter niet over, ook niet over de geschapen wereld of een onderdeel daarvan. Die hemel, namelijk de plaats die in de Bijbel beschreven wordt als de plaats waar God, de engelen en de duivel wonen, onttrekt zich aan onze waarneming, is onzienlijk. Het is echter wel degelijk een plaats. Het gaat erom dat de Bijbel spreekt over een derde hemel, een plaats waar leven is en van alles gebeurt. Er wordt gesproken over dingen die op de aarde gebeuren en die men dus kennelijk in de hemel weet.

De derde hemel

Terug naar de hemel. De hemel is een plaats, maar één die zich aan onze waarneming onttrekt en die ook geen deel uitmaakt van de schepping. Dat is wat de Bijbel erover leert. Die hemel, de plaats waar God woont, maakt geen deel uit van de schepping. Wij denken dat als het er is, het ook gemaakt moet zijn. Wij zijn fanatieke creationisten, in tegenstelling tot de evolutionisten. Die zeggen dat als het bestaat, het vanzelf ontstaan moet zijn. De enige reden waarom ze dit beweren, is dat ze anders een Schepper moeten erkennen. Het is veel rationeler te geloven in een schepper dan te geloven dat alle dingen vanzelf ontstaan. Dan beweert men ook nog dat het ontstaat in slowmotion. De Bijbel spreekt over een hemel die hoger is dan de hemelen. De term hemel impliceert dat het gaat om iets dat hoger is dan de aarde. Daarom heet het hemel. Dat is ook de betekenis van de term. Hemel tegenover hel. In het Nederlands lijken die woorden ook nog op elkaar, omdat ze aan elkaar verwant zijn. Hemel is omhoog en hel is naar beneden. Het punt is dat de Bijbel zegt dat er nog een hemel is die niet alleen hoger is dan de aarde, maar ook hoger dan de beide geschapen hemelen. In de beginne schiep God twee hemelen en zette daarin de sterren en daarna de vogels. Er is echter een derde hemel, waar God woont en waar hemelse wezens ofwel engelen zijn. Alle hemelse wezens heten per definitie engelen. Omdat u en ik een hemelse positie en ook een hemelse toekomst hebben, worden wij in de Bijbel ook beschreven als engelen.

29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.
30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel. Matthéüs 22 : 29, 30

Jezus zei dus dat zij naar de hemel zouden gaan. Dat lag echter niet voor de hand, want er staat nergens anders in de Bijbel dat ooit een mens naar de hemel zou gaan, op die Ene na dan uit Psalm 68 : 19. Daarvan zei Johannes later dat Iemand wel op zou varen naar de hemel, omdat Hij eerst uit de hemel is nedergedaald. Dat iemand naar de hemel zou gaan, is nooit beloofd. Er is een nieuwe schepping beloofd, een Koninkrijk. Niet de “1000 jaar”, maar het hiernamaals, na de Jongste Dag. Dat is nog steeds het eeuwige Koninkrijk van Christus. De Heer sprak hier dus al over Gemeentelijke waarheid en zei dat zij de engelen gelijk zouden zijn. Dat men het goed begreep, blijkt uit wat er daarna achter staat.

En de scharen, dit horende, werden verslagen over Zijn leer. Matthéüs 22 : 33

Die derde hemel maakt dus niet deel uit van de geschapen wereld, maar is daarboven. Dat wil zeggen dat als wij het aanwijzen, wij naar boven wijzen. Ik moet daarbij zeggen dat die hemel der hemelen van andere orde is dan die eerste twee hemelen en de aarde. De Bijbelse gedachte blijkt in de eerste plaats te zijn, dat die derde hemel hoger is dan die eerste twee, waarbij het idee is dat men door de eerste twee hemelen heen moet om er te komen. Bij nader inzien wordt er echter gezegd dat die derde hemel weliswaar hoger is dan de eerste twee, maar niet noodzakelijk wat betreft de coördinaten. Het blijkt zo te zijn dat die derde hemel niet vele duizenden kilometers weg is, ergens in het heelal. Die derde hemel vult deze hele schepping, heel deze wereld. Als ik zeg dat het de hele wereld vult, dan heb ik de aarde voor me als een mooie globe, maar dan binnenstebuiten gekeerd. Daar binnenin wonen wij, met onze voeten naar buiten en onze hoofden naar binnen gekeerd. Daarbinnen bevindt zich de hemel. Het zijn twee hemelen die wij kunnen zien, maar die derde hemel vult net zo goed de hele schepping. U weet hoe het ging in Genesis 1. God schiep twee hemelen en één aarde. Er was allemaal water en God maakte een uitspansel – een luchtbel in het water – en dat heet hemel. Hij spande de water naar alle kanten weg, waardoor een holle ruimte, een bel ontstond. Dat is de hemel. De oppervlakten van het water in die bel zijn onze oceaanoppervlakten. Daarna kwam het droge land uit het water omhoog. Zo wordt het beschreven in de Bijbel en dat is de enige manier om het te kunnen tekenen en te begrijpen.

Zoals het er nu staat, is het meer dan voldoende. Iedereen kan eruit opmaken dat “de holle aarde” het enige echte Bijbelse wereldbeeld is. Al die andere wereldbeelden die men bedacht heeft, zijn niet Bijbels. Men neemt een tekst die spreekt over pilaren of fundamenten en maakt daar een hele filosofie over. Dat is volstrekte onzin. Dit is wat het is: God maakte een bel, een uitspansel, drong de wateren terug en vormde daarmee een bel met een diameter van ± 7000 km en een omtrek van ± 40.000 km. Ik heb daar geen moeite mee, zeker niet sinds meneer Einstein zei dat alles betrekkelijk is. Sindsdien weten wij ook dat het licht er miljarden jaren over doet om van de ene kant naar de andere te komen en dat dat dus wel heel langzaam gaat. Als we aan de andere kant bekijken wat de wetenschap aan theorieën en filosofieën produceert over holle gekromde uitzettende ruimte, komt dat volstrekt niet overeen met het Bijbelse wereldbeeld. Het punt is dat die aarde de buitenkant van die bel is, evenals het zeeoppervlak. Dat heeft met een planeet niets van doen. De aarde is dus tegelijkertijd het uiterste van de hemel. Die bel daar binnenin is volgens de Bijbel de hemel. Het einde van de hemel is gewoon de aarde. Wie uit de hemel – die “bel” – geworpen wordt of eruit nederdaalt, komt altijd op de aarde terecht. Waar denkt u dat God woont Als we allemaal op heel de aarde met onze vingers omhoog wijzen, wijzen wij precies naar het centrum van het heelal. Naar het centrum van de schepping. Waar dacht u dat God anders zou wonen dan in het midden van Zijn schepping. Evenals Hij in het midden van Israël woont, in het midden van de tabernakel, in het midden van Jeruzalem of in het midden van de aarde. Net zoals de boom des levens in het midden van de hof stond of de troon in het midden des hemels. De schepping wordt omhuld en begrensd door de aarde. Ónder de aardbodem, waar het dodenrijk is, is buiten de schepping. Boven de twee hemelen, danwel hoger dan in rangorde, kan eigenlijk niet. We komen dan in het centrum van wat het heelal zou zijn. Als we voorbij die twee hemelen gaan, zijn we gewoon weer terug op aarde. Of – die kans is het grootst – zijn we bij de wateren die boven de hemel zijn, aan de andere kant van de hemel. Dat is ongeveer in Nieuw Zeeland. Er bestaat dus nog een andere hemel, die geen deel uitmaakt van deze schepping, maar die wel heel de schepping vult. “De aarde en al wat daarin is” is een vaste uitdrukking in de Bijbel. Het impliceert dat de aarde en alles wat op aarde is, datgene is wat in de hemel is én wat in de hemel der hemelen is. Die derde hemel is van hogere orde. Het is een geestelijke wereld, net zo goed als “alles wat onder de aarde” is, in het dodenrijk (hades, sheool) is. Waar het over het stoffelijke gaat, wordt niet het dodenrijk bedoeld, maar het graf. Het onstoffelijke heet niet het graf (keber) maar hel (sheool). Beide zijn echter wel dezelfde kant op en daarom worden ze soms in de vertaling met elkaar verward.

Zie, des HEEREN, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde,
en al wat daarin is. Deuteronomium 10 : 14

Het woord “hemel” zou hier vertaald moeten worden met “hemelen”. Het eerste woord hemel en het laatste woord hemelen duiden op precies hetzelfde, namelijk de twee hemelen. Het middelste woord hemel duidt op een hemel die hoger is. Die is echter niet hoger in plaats binnen deze schepping, maar wel in rangorde, omdat die hoger is dan deze wereld. Het is de eeuwige plaats waar God en de engelen wonen. In deze tekst vinden we ook het woord “daarin” terug. Dat is niet omdat het een of ander Hebreeuws taalgebruik is. Het gaat precies over wat er in de aarde is, namelijk dat wat erop woont, maar ook de twee hemelen en zelfs de derde hemel, al is die van andere aard. Van de Here Jezus Christus lezen wij dat Hij is opgevaren in de hemel, dat is de derde hemel overigens, daar waar Zijn troon staat en waar Hij op de troon zit aan de rechter(hand) Gods. Niettemin woont Hij in u en mij. Die derde hemel is niet aan locatie gebonden. Hij is van zoveel hogere orde dan ons bestaan hier en daarmee ver weg in de zin dat een mens daar ook niet komen kan. Paulus zegt daarover dat de bedoeling is dat de mens God zou zoeken, opdat hij Hem vinden mocht en tasten mocht. Hij voegt daar meteen aan toe dat Hij niet verre is van een ieder van ons (Handelingen 17 : 27). Daarom kun je Hem nog niet aanraken en in die zin is Hij toch onbereikbaar, ontastbaar en onzienlijk. In werkelijkheid is Hij niet ver weg. Hij is in de derde hemel, maar daar zijn wij immers ook. Die derde hemel strekt zich uit tot minimaal op de aardbodem. Die derde hemel is hoog en wij
(de gelovigen) dus ook. Hij is echter meer hoger in rangorde dan hoger in plaats.

Een “gat in de hemel”

Sommigen denken dat toen de Heer ten hemel voer, men Hem ten hemel zag varen achter de wolken en dus dat de derde hemel zich uitstrekt tot aan de wolken maar niet verder. Bovendien gaan wij Hem tegemoet in de wolken en dat is naar de hemel toe. Dat zijn echter slechts tekenen. Het is symboliek, geen realiteit. Of dacht u dat de Heer in de hemel is en hooguit tot de wolken kan komen? Als wij dan met een vliegtuig boven de wolken vliegen, zijn wij dan dichter bij de Heer? Dat kan niet, want wij zijn gezet in de hemel (Éfeze 2 :6) en maken deel uit van de hemelse dingen. De hemel strekt zich uit tot de aarde.Waar een ongelovige of een gelovige over de aarde loopt,maakt hij een gat in de hemel, want die hemel gaat dwars door ons heen. Dat is de beste voorstelling van zaken. Wij maken deel uit van die hemelse dingen. Voor zover God de wereld heeft losgelaten ,betekent het dat God niet naar de mens omkijkt. Wij die deel uitmaken van de hemelse dingen, worden waargenomen door hemelse wezens en hebben ook een functie in die hemelse dingen. Onze wandel is in de hemel (Filippenzen 3 : 20). De zin van ons leven als gelovigen moeten we ook niet zoeken hier op aarde. Een uitwerking is er weliswaar wel, maar dat is niet de zin of het doel. Wij zien die hemelse wandel weliswaar niet, maar als wij hier overlijden, zien wij ineens wat er altijd al om ons heen was. We kunnen moeilijk zeggen dat wij naar de hemel gaan. Dat lees je in de Bijbel ook niet. Omdat men het niet leest en niet begrijpt, wordt de hemel vaak gezien als een toestand. Dat berust op misverstanden, omdat men niet begrijpt wat de Gemeente is. De Gemeente is een hemels volk dat tot op heden niet de hemelse dingen ziet. Zodra definitief onze aardse ogen dichtgaan, zullen we die hemelse dingen zien.

De hemel als tempel

In 2 Kronieken 2 gaat het om uitspraken in verband met de tempelbouw door Salomo. Daar wordt bij herhaling gezegd dat de tempel weliswaar het huis Gods zou zijn, maar dat “Hij niet woont in een tempel met handen gebouwd” (Hebreeën 9 : 24). Het is uitsluitend symboliek. Hoewel de Bijbel zegt dat de Heer zou wonen in de tempel, zegt diezelfde Heer dat dit niet zo is. Hij woont in een andere tempel, maar dat is er één die niet met handen is gemaakt. Dat is de hemel zelf.

Doch wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, dewijl de hemelen, ja, de hemel der hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, ten ware om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken? 2 Kronieken 2 : 6

Het woord “ja” had gewoon moeten zijn “en”. Daaruit ziet u dat het woord “en” ook de betekenis kan hebben van “namelijk”, zoals dit woord “ja” in de vertaling ook de betekenis krijgt van “namelijk”. Hier is het echter een misverstand, want het gaat hier niet om hetzelfde, maar om twee verschillende dingen. De grootheid Gods is zodanig, dat je eigenlijk ook niet goed kunt zeggen dat de hemel der hemelen de Godheid bevat. God als zodanig is een dermate abstract begrip dat je dat niet kunt omschrijven. Je kunt niet zeggen dat het ergens door gevangen wordt of door iets of iemand omvangen wordt. Wij stellen ons God voor in de persoon van de Here Jezus en dat is ook de bedoeling. Hij is immers de Persoon waarin de
onzienlijke en abstracte Godheid Zich manifesteert. Dat is voor ons meer dan voldoende. Hij woont inderdaad in de hemel. Paulus zegt hier later van dat God inderdaad niet met mensenhanden gediend kan worden. Hij heeft namelijk niets nodig. Wij hebben van Hem wat nodig. Hij is Degene Die ons het leven en de adem en alle dingen geeft (Handelingen 17 : 25). De uitdrukking “hemel der hemelen” vinden we ook nog terug in Nehemia en in de Psalmen.

Gij zijt die HEERE, alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U. Nehemia 9 : 6

Hier is opnieuw sprake van “hemel”. Het had vertaald moeten zijn met “hemelen”.

Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; Psalm 68 : 34a

Het is in de praktijk een soort pleonasme (= uitdrukking waarin een zelfde begrip tweemaal wordt gebruikt), maar de gedachte is dat de hemel der hemelen inderdaad van ouds is en niet deel uit maakt van de schepping. Die was er altijd al. Als het in de Bijbel gaat om dingen die van ouds zijn, gaat het in elk geval om dingen van vóór Adam. Dat wil zeggen van die oude schepping die indertijd in water vergaan is, “de wereld die toen was” uit 2 Petrus 3, of eventueel om dingen die altijd al waren. God bijvoorbeeld. Hij is ook van ouds. Hij was altijd al. Zo gaat het hier over de hemel der hemelen.

1 Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
2 Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!
3 Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!
4 Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt! Psalm 148 : 1-4

Hier staat ineens “hemelen der hemelen”, maar de eerste keer staat het nu echt in het enkelvoud. In het Nieuwe Testament staat dus soms hemelen en soms hemel, maar uit het verband blijkt toch altijd wel over welke hemel het gaat. Deze Schriftplaatsen heb ik u laten zien om aan te tonen dat de Bijbel wel degelijk onderscheid maakt. Als de Here Jezus is opgevaren ten hemel, is het niet de eerste of de tweede, maar dan is Hij in die onzienlijke wereld en daarmee in onze nabijheid. Die onzienlijke wereld strekt zich namelijk uit tot ons aan toe, hier op aarde. Zo zijn we de hele schepping doorgegaan, van de ene kant naar de andere kant. Er is één Schriftplaats die een andere term gebruikt, namelijk 2 Korinthe 12. Daar staat “de derde hemel”. Paulus zegt dat hem van Godswege het één en ander geopenbaard is en dat hij voor dat doel opgetrokken is geweest tot in de derde hemel. Hij is dus niet ver weg geweest, maar wel ver heen. zijlijn 4

3. Het koninkrijk der hemelen

De hemel is dus een geestelijke wereld. Anderen prefereren de term “een geestenwereld”. Het gaat om de onzienlijke dingen die wel degelijk niet alleen bestaan, maar ook in hoge mate bepalend zijn voor het leven in deze zienlijke wereld. De Bijbel gebruikt de term hemel in vele gevallen ook als synoniem voor God. De term hemel als oorsprong van alles. Niet omdat de hemel dat als plaats per definitie is, maar omdat God daar woont. Dat is ook de zin van de uitdrukking “koninkrijk der hemelen”. Het is niet noodzakelijk een hemels koninkrijk. Het is ook niet noodzakelijk een koninkrijk in de hemel, maar het is wel noodzakelijk een koninkrijk dat zijn oorsprong vindt in de hemel zelf. Vandaar dat de andere uitdrukking voor “koninkrijk der hemelen” “koninkrijk Gods” is. Het evangelie van Matthéüs en van Markus lopen parallel, vaak vele verzen achterelkaar. Waar in Matthéüs sprake is van het “koninkrijk der hemelen”, is in Markus sprake van het “koninkrijk Gods”. Het betreft echter hetzelfde koninkrijk. Een koninkrijk gesticht van Godswege en daarom een koninkrijk dat zijn oorsprong en domicilie heeft in de hemel zelf. Dat het koninkrijk in de toekomst naar de aarde komt, zich vanuit de hemel uitbreiden zal naar de aarde, is de oorzaak van de term koninkrijk der hemelen. Het is een koninkrijk der hemelen omdat het uit de hemelen naar de aarde komt. Daarbij verlaat het de hemelen niet. De hemel is de plaats waar God woont, van waaruit de wereld bestuurd danwel beïnvloed wordt. Ik moet daar meteen bij zeggen dat diezelfde hemel der hemelen waar God woont,
dezelfde hemel is als waarin satan woont. Voor even weliswaar. Daarom spreekt de Bijbel over overheden, machten en geestelijke boosheden in de hemel. In Éfeze 6 : 12 staat “in de lucht”. Merkwaardigerwijs, want hier staat hetzelfde woord dat we verder ook in de brief tegenkomen: de hemel of het hemelse. Het is hetzelfde “hemelse” als in Éfeze 1 : 20 en 21, waar Christus gezeten is aan de rechterhand Gods, ver boven alle overheden en machten. Dat neemt niet weg dat die overheden, machten en geestelijke boosheden wel degelijk in diezelfde hemel zijn. Omdat de vertalers er toch wat problemen mee hadden, hebben ze het kennelijk vertaald met “in de lucht”.

De hemel is de plaats van waaruit de gang van zaken op de aarde minimaal beïnvloed wordt, maar in de praktijk bestuurd wordt of bestuurd zou moeten worden. Het probleem is dat in die hemel twee tegenovergestelde machten zijn. In de toekomst zal dat veranderen. Als de duivel – met zijn personeel – uit de hemel geworpen wordt, komt hij logischerwijs op de aarde terecht. Er zit niets anders op, want hij wordt uit de hemel geworpen en als je vanuit de hemel naar buiten gaat, kom je vanzelf op de aarde terecht. Ook daar blijkt hij op den duur niet veilig te zijn en dus verdwijnt hij na verloop van tijd alsnog ónder de aarde. Hij komt eerst voor een periode van 1000 jaar in het dodenrijk en uiteindelijk zal hij in de poel des vuurs geworpen worden. Dat is zijn hiernamaals en het hiernamaals van velen. Dat is echter pas na de Jongste Dag. Het punt is dat van ons als Gemeente in de Bijbel geleerd wordt dat wij met Christus gezet zijn in de hemel, een hemelse positie en erfenis hebben ontvangen en een hemelse roeping deelachtig zijn geworden. Wat wij in de eerste plaats zouden begrijpen, is dat dit een uitzonderlijke situatie is. Ik kan niet op alle details ingaan. De vraag en het onderwerp van deze Bijbelstudie was ook niet “wat is de hel?”

De algemene gedachte is dat de mens die sterft, verdwijnt naar het dodenrijk in afwachting van het oordeel op de Jongste Dag. Dat geld voor iedereen, behalve de Gemeente uit onze dagen en dus de gelovigen van onze tegenwoordige bedeling. Dat is de uitzondering en absoluut niet de regel. Daarom protesteer ik ook altijd als men onder de hemel het hiernamaals verstaat. Dat is het niet. De hemel is de plaats waar God woont en van waaruit de aarde bestuurd zou worden. Dat wij er naar toe gaan, is omdat wij van Gods-wege zijn toegevoegd aan een Gemeente, een volksvergadering, een “ekklesia”, een vergadering van uitgeroepenen, aan een vergadering van eerstgeborenen, aan een raad van oudsten/ouderlingen. Heel de Gemeente is dat. In Openbaring wordt dat voorgesteld door 24 ouderlingen (Openbaring 4 : 4, 10). Wij worden toegevoegd aan een Gemeente van eerstelingen, die gezegend wordt met elke geestelijke zegening in Christus en met grote nadruk ook in de hemel (Éfeze 1 : 3).

Het idee is dat wat wij dikwijls voor algemene waarheid houden, in werkelijkheid hoogst uitzonderlijke waarheid is. Onze hemelse positie is rechtstreeks gebaseerd op onze positie als volk van eerstgeborenen. Wij zijn de eersten die deel hebben gekregen aan het opstandingsleven van Christus en wij konden dat pas krijgen na Zijn opstanding. Als wij geleefd hadden voor de opstanding van Christus, konden wij nooit eerstelingen zijn die dat opstandingsleven hebben ontvangen, want dat was er nog niet eens. Bovendien zou de Heer Zelf de Eersteling zijn dergenen die ontslapen zijn (1 Korinthe 15 :20) en daarmee de Eerstgeborene met eerstgeboorterecht zijn. Daarmee ontving hij dus koningschap en priesterschap van die nieuwe schepping en dat nieuwe verbond. Wij zijn een Gemeente van eerstelingen en op die grond hebben wij een hemelse bestemming. Zo vat Johannes het samen. Hij zegt dat het in oudtestamentische tijd zo was, dat degenen die geloofden, het recht ontvingen om ooit kinderen Gods te worden. (Johannes 1 : 12). Zij zouden ooit wedergeboren worden. Die gelovigen konden geen eeuwig leven krijgen, in elk geval niet zolang de Here Jezus niet de Eersteling was en dus niet wedergeboren danwel opgestaan was uit de dood. Al die oudtestamentische gelovigen waren inderdaad ook niet wedergeboren. Hen was beloofd dat ze zouden wedergeboren worden op de Jongste Dag. Martha spreekt daarover wanneer ze zegt: “… Ik weet dat hij (Lázarus) opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage”. (Johannes 11 : 24) De levenden en doden zouden daar geoordeeld worden uit de boeken en met name uit het boek des levens. Wie daarin niet gevonden zou worden, wordt geworpen in de poel des vuurs. Wie wel in dat boek staat, komt terecht op de nieuwe aarde. Dat is de normale gang van zaken. De uitzondering is de Gemeente van vandaag. Wij leven namelijk in de dagen waarin dat opstandingsleven van Christus beschikbaar is. Daarom krijgen wij het meteen. Als wij tot geloof komen, ontvangen wij dat leven en worden wij wedergeboren, uit de Geest of uit God geboren. Wij worden de Goddelijke natuur deelachtig. Dat was vroeger niet zo, maar sinds de
opstanding van Christus is dat wel het geval. Deze oudtestamentische gelovigen waren dus niet wedergeboren en ze zullen dan ook niet naar de hemel gaan. Ze zijn wel behouden en zullen wel wedergeboren worden. Daar wachten zij ook op.

De oudtestamentische gelovigen wachten op het hiernamaals dat bestaat uit die nieuwe hemelen en die nieuwe aarde. Zij zullen wonen op de nieuwe aarde. Dat zal pas na de Jongste Dag zijn en dus pas na het duizendjarige rijk. Daar wordt in de Bijbel weliswaar niet al te veel over gezegd. Het is een vast gegeven dat God de wereld – allen die ooit geleefd hebben – zal oordelen. Hij zal dat doen op de beruchte Jongste Dag. Tegelijkertijd lezen we ook, zelfs vier keer achterelkaar in het Johannes-evangelie, dat ook gelovigen opgewekt zullen worden op de Jongste Dag Johannes 6 : 39. Het zijn degenen die in Hem geloven, die Hem kennen, waarvan Hij zegt dat Hij ze zou bewaren en zou “opwekken ten uitersten dage”. Hetgeen betekent dat er inderdaad gelovigen worden opgewekt op de Jongste Dag. Ik zeg dat met nadruk, omdat binnen de leer van de bedelingen dat niet geloofd of geleerd wordt. De standaardleer is daar, dat alle gelovigen vóór die tijd al in de hemel zijn, dikwijls zelfs oudtestamentische gelovigen. In beide gevallen is het een misverstand. Men beweert dan dat op de Jongste Dag alleen nog ongelovigen voor de Heer zullen staan. Het enige argument daarvoor is dat er staat: “En ik zag de doden,… staande voor God.” (Openbaring 20 : 12) Dat is echter een slecht argument. Ik heb daar vier argumenten tegenover, waar de Heer zegt dat Hij hen zal opwekken ten uitersten dagen (Johannes 6). Hij spreekt daar wel degelijk over gelovigen. Als er staat: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding” (Openbaring 20 : 6) en die eerste opstanding zou de opname van de Gemeente zijn, betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat alleen die deelhebben aan de tweede opstanding, niet zalig zijn. Daar wordt een denkfout gemaakt. In die eerste opstanding zijn het alleen gelovigen, in de tweede opstanding zijn het gelovigen en ongelovigen uit andere bedelingen.

Het eerstgeboorterecht en de hemel

De Gemeente als zodanig heeft eerstgeboorterecht en op grond daarvan heeft zij een hemelse bestemming, zoals in het Oude Testament de wet leert dat elke eerstgeborene voor de Heere is. In de praktijk betekent dit, dat men het terug kon kopen van de Heer, men kon “lossen”. Dat deed Hanna met haar zoon Samuël door hem in te leveren bij de hogepriester, de beheerder van de tempel. De tempel was de plaats waar de Heer geacht werd te wonen. Ze kon hem moeilijk naar de hemel zenden en als alternatief daarvoor komt de tempel als eerste in aanmerking, omdat die nu eenmaal een beeld is van de hemel waar God woont. Dat gebeurde ook met Maria. Zij baarde haar eerstgeboren zoon en toen “de dagen van haar reiniging voorbij waren” (Lukas 2), bracht zij Hem naar de tempel om Hem als eerstgeborene te wijden aan God. Omdat wij Gemeente van eerstgeborenen zijn, wacht ons hetzelfde. Wij zijn eerstgeborenen en bestemd voor de Heer en daarmee voor de hemel. Als dat te ver weg is, zijn wij een tempel, want daar maken wij deel van uit. Onze hemelse positie hangt rechtstreeks af van ons eerstgeboorterecht.  Het gaat om het principe dat de Gemeente van de aarde werd, wordt of zal worden weggenomen, omdat ze eerstgeboorterecht heeft. Op die grond wordt de Gemeente geplaatst in de hemel. Anders gezegd: op die grond wordt de Gemeente opgeleid, opgevoed voor een hemelse toekomst. In de hemel zullen wij namelijk delen in de heerschappij en daarmee de heerlijkheid van Christus. Zoals nu de aarde geregeerd wordt vanuit de hemel, zal in de toekomst ook de nieuwe aarde vanuit de hemel geregeerd worden, maar dan door Christus en Zijn Lichaam. Daartoe worden wij opgeleid en daarom hebben wij nu al een hemelse wandel. Kortom: alleen de Gemeente van vandaag gaat naar de hemel. Daar kunnen wij niets aan doen. Dat heeft God zo bepaald.

Er zijn diverse Schriftplaatsen die spreken over onze hemelse situatie. Allereerst Psalm 89. Een prachtige Messiaanse Psalm over David, danwel over de Zoon van David. We zouden die Psalm eigenlijk moeten lezen naast 2 Samuël 7. Dat is het hoofdstuk waarin tegen David gezegd wordt dat Iemand uit zijn zaad na hem zou opstaan. Dat is de Here Jezus, zegt Petrus in Handelingen 2. Over die Zoon staat dat Hij een onwankelbaar koninkrijk zou hebben. De stoel Zijns koninkrijks zou bevestigd worden tot in eeuwigheid. De Heer zegt van Hem dat hij Hem tot Zoon zal zijn. Impliciet zal Hij Hem tot Eerstgeborene zijn en dus ook met een hemelse troon en niet alleen een troon van Zijn vader David in Jeruzalem. Parallel daaraan vinden we deze Psalm die spreekt over David en over de Zoon van David.

28 Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningender aarde.
29 Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.
30 En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen. Psalm 89 : 28-30

Waarom hier consequent met kleine letters geschreven is, ontgaat mij. Hij zou heerschappij hebben over alle volkeren en niet alleen over Israël. Het Nieuwe Testament zegt van dit verbond dat het het nieuwe verbond is, gebaseerd op geloof en uit genade en daarom is het vast (Galaten 3). De dagen der hemelen wil zeggen onwankelbaar en ook zonder einde. Hier is dus sprake van een mens, de Zoon van David, waarvan gezegd wordt, dat Hij een troon zal hebben in de hemel, als de Zoon van God. De Mens als Beelddrager Gods, als Beeld Gods, als Afschijnsel van Gods heerlijkheid en als uitgedrukt Beeld van Gods zelfstandigheid zou uit de mensen genomen worden en gesteld worden bij God in de hemel voor de zaken die daar voor de mens te doen zijn (Hebreeën 5 : 1) . Dat is ongehoord, want op een enkele Psalm na, spreekt het hele Oude Testament daar niet over. Dan moet je echter wel willen zien dat het gaat over de Messias. Kennelijk hebben de vertalers daar toch problemen mee gehad. Daarom staan die woorden ook met kleine letters.

Men beweert dat de profetie uit 2 Samuël 7 slaat op Salomo. Daar is wel wat voor te zeggen, al was het maar omdat de Bijbel zelf ook zegt dat die profetie op Salomo van toepassing is. Dat neemt niet weg dat Salomo net als David gestorven is. Het heeft dus geen zin om tegen David te zeggen dat iemand uit zijn lijf zou voortkomen wiens troon bevestigd zou worden tot in eeuwigheid. Salomo regeerde net als David 40 jaar. De profetie was aanvankelijk weliswaar in zekere zin van toepassing op Salomo, maar hij is een voorbeeld van Degene Die komen zou. Later werd van de Heer gezegd: meer dan Salomo is hier. (Matthéüs 12 : 42) Uiteindelijk zijn deze woorden van toepassing op de Here Jezus Zelf, Die als mens uit de mensen genomen werd en de hemel inging. Ik ontken Zijn Godheid niet, maar ik heb het over wat de Bijbel ook leert. “De mens uit de mensen genomen”. De mens zou heerschappij hebben over heel de aarde (Genesis 1) en over de volkeren der aarde. Deze profetieën worden vervuld aan deze Mens, Die zou opvaren naar de hemel (Psalm 68 : 19). Dat is inmiddels ook gebeurd, zoals Johannes in Johannes 3 : 13 eraan toevoegt. Hij schreef dat uiteraard na de hemelvaart van Christus.

Mijn vader heeft ooit eens gepredikt dat al wat de Bijbel aankondigt aan eigenschappen, zegeningen en dergelijke van de Messias in het Oude Testament, met hetzelfde recht en onverkort net zo goed van toepassing zijn op heel de Gemeente Die Zijn lichaam is. Mocht er iemand zeggen dat de profetieën over Zijn lijden en Zijn dood daar ook van toepassing op zijn, dan klopt dat. De Schrift spreekt echter niet over het lijden en de dood van de Messias. Wel over het lijden en de dood van Iemand Die daarna, in Zijn opstanding, de Messias zou worden. Het lijden van Hem Die later daardoor ook de Christus zou zijn. De Gezalfde is Degene Die uit de dood opstond. Dat betekent dat alle Messiaanse profetieën net zo goed van toepassing zijn op heel de Gemeente. Hij zou namelijk de Eerstgeborene zijn temidden van, samen met of onder (Romeinen 8 : 29) vele broederen. In Hebreeën 2 : 10 staat dat die Ene vele zonen tot heerlijkheid zou leiden. Hij en die vele zonen zijn allen uit één. Ze zijn één Volk, één Lichaam, één Huis, één Gemeente, waarvan Hij overigens weer het Hoofd is. Verschil is er dus wel. Dat neemt echter niet weg dat wij als leden van dit Lichaam delen in de heerlijkheid van dit Hoofd. Dat is ook de opening van de éfezebrief, waar staat dat “God ons gezegend heeft met elke geestelijke zegening in Christus in de hemel”, danwel in het hemelse, of beter nog in de hemelse dingen.

Wat in Psalm 89 gezegd wordt over Christus, wordt in 2 Korinthe 5 gezegd over de Gemeente.

Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. 2 Korinthe 5 : 1

De uitdrukking “niet met handen gemaakt” wil zeggen dat het geen deel uitmaakt van deze schepping. De hemel der hemelen maakt ook geen deel uit van deze schepping. Het is een heiligdom waarvan in Hebreeën 9 : 11 staat dat het niet met handen gemaakt is en niet is van dit maaksel. In die hemel hebben wij een huis. “Niet met handen gemaakt” wil niet zeggen “niet door mensen gemaakt” of “niet deel van een zienlijke wereld”. Het wil zeggen dat het eigenlijk hoort bij een wereld die niet bij de schepping hoort, een wereld die daarboven is. Wij worden gepromoveerd naar een huis – niet met handen gemaakt – eeuwig in de hemelen. Wat gezegd wordt over Christus, over Zijn troon, als de dagen der hemelen en in de hemel zelf, wordt hier gezegd over de Gemeente. Onze erfenis zou toch ook bestaan uit kronen, een erfenis die voor ons bewaard wordt in de hemel, in een koninkrijk. Een gebouw is hier een blijvend huis. Dat staat er ook achter. Het is namelijk eeuwig en in de hemelen. Ik moet daaraan toevoegen, dat de apostel hier niet uitgaat van ons overlijden, hoewel het woord “gebroken” wellicht die indruk wekt. Hij spreekt over wat wij noemen de opname van de Gemeente en wat ik liever noem onze openbaring voor de rechterstoel van Christus. Dat zegt ook vers 10.

Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 2 Korinthe 5 : 10

De apostel spreekt hier niet over ons lichamelijk sterven, maar over de opname van de Gemeente. Dat is namelijk de oordeelsdag voor ons, waar wij wellicht schade lijden, omdat onze werken bestonden uit hout, hooi en stro. Of waar wij loon ontvangen omdat de werken bestonden uit goud, zilver en kostelijke stenen (1 Korinthe 3 : 15). Dat is wat de opname van de Gemeente werkelijk is: onze verandering, zodanig dat wij meteen ons loon en daarmee onze heerlijkheid ontvangen. Dat is een heerlijkheid die ook tot uitdrukking komt in het lichaam dat wij dan zullen hebben. In 1 Korinthe 15 zegt de apostel dat wij weliswaar een hemels lichaam zullen krijgen, maar dat niet alle hemellichamen even heerlijk zijn. De ene ster verschilt in heerlijkheid van de ander. In de catalogi van de sterren staat ook altijd vermeld welke helderheid ze hebben, dat wil zeggen hoeveel licht ze geven en eventueel welk licht ze geven. Dat neemt niet weg dat alle sterren hemellichamen zijn, maar ze zijn niet allemaal gelijk. Ook in de hemel zijn wij niet allemaal gelijk. Hier gaat het niet om de gedachte dat wij na ons overlijden in de hemel een ander en beter lichaam hebben. Dat is wel zo, maar daar gaat het hier niet over. Het hoofdstuk begint met “want”. Het is de toelichting op het voorgaande. Daarin zegt de apostel meer dan eens dat wij “niet vertragen”. Wij blijven trouw aan het nieuwe verbond en daarmee aan Christus en aan de heerlijkheid van het nieuwe verbond. Wij laten ons niet onder de wet plaatsen en willen die ook niet prediken. Wij zijn bekwaam gemaakt om dienaren van het nieuwe verbond te zijn en wij vertragen daarin niet.

Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. 2 Korinthe 4 : 17

Als wij hier trouw zijn, lijden wij weliswaar verdrukking. Het gaat echter niet om het resultaat hier, maar “om een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht (het wordt uitgewogen) der heerlijkheid”.

Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. 2 Korinthe 5 : 1

“Want” is hier hetzelfde als in hoofdstuk 4 : 17. Het is allebei commentaar op vers 16. De gedachte is, dat ons loon in de hemel wel degelijk tot uitdrukking komt in ons lichaam, onze verschijning die we daar hebben. Daarom zouden wij daar rekening mee houden. De Bijbelse boodschap is dat wij zouden leren de Heer hier te dienen, opdat we dáár ons loon zouden ontvangen. Wij worden weliswaar niet uit werken wedergeboren, maar zonder werken ontvang je geen erfenis. En dus: “… werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken,..” (Filippenzen 2 : 12, 13). Wij zouden de Heer Zijn werk in en aan ons laten doen. Wij zouden Hem daartoe de ruimte geven. Indien we dat niet doen, zal dat in de toekomst blijken en de hele eeuwigheid door te zien zijn. Of de één nu een grotere kroon heeft dan de ander, weet ik niet, maar dat het ook uitwendig is, is waar. Het heeft rechtstreeks van doen met de verantwoordelijkheden, de functie die wij in de toekomst in de hemel zullen hebben. Ik heb nergens gelezen dat we daar nog carrière kunnen maken. Er staat dat we hier die carrière zouden maken, dat wij hier de Heer zouden dienen. Op het moment van ons sterven wordt die carrière gefixeerd.

Dat de apostel het niet heeft over ons lichamelijk overlijden, blijkt ook uit de rest van het verhaal. Wij ontvangen namelijk ons loon niet bij ons overlijden. Integendeel, wij ontvangen dat allemaal tegelijk op dezelfde dag. Dat is de opname van de Gemeente, danwel onze openbaring voor de rechterstoel van Christus. Wij die in het vlees zijn, worden daarbij van het ene op het andere moment veranderd in ons definitieve heerlijke lichaam. Degenen die overleden zijn en dus inmiddels bij de Heer in de hemel zijn, worden daarbij net zo goed van het ene op het andere moment veranderd en ontvangen hun definitieve lichaam. Dat is het einde van hun zogenaamde “intermediate state”, hun “tussenstaat”. Ook zij wachten, net als zij die hier nog zijn, op de vaste gebeurtenissen die God bepaald heeft.   Niettemin kunnen wij zeggen dat zij ons zijn voorgegaan. Zij hebben een heerlijker lichaam dan wij hier, maar het is nog niet definitief. De toekomstverwachting van een christen is nooit lichamelijk overlijden. Het is altijd de verheerlijking in de toekomst. Wij begrijpen dat, omdat wij daar naartoe leven. Omdat wij ons bewust zijn dat ons hele leven als kinderen Gods gericht is op het verkrijgen van die heerlijkheid. Het is gericht op de openbaring van die heerlijkheid als compensatie of loon voor het lijden ten gevolge van onze dienst aan Hem in “deze tegenwoordige tijd”.

Waar wij Hem dienen, zullen wij ons dit altijd bewust zijn. Wij hebben dan geen enkel probleem met de gedachte dat wij niet uitzien naar het moment dat ons lichaam het begeeft, zodat wij ophouden de Heer te dienen hier op aarde. Wij zien uit naar het moment dat wij voor de Heer zullen staan en van Hem loon zullen ontvangen. Daar ging het tenslotte allemaal om. Dat is onze toekomstverwachting. Heel het idee, ook in ultradispensationalistische kring, dat die eerste Christenen allemaal dachten dat in hun dagen de wederkomst, danwel de opname van de Gemeente zou plaatsvinden, is echt een misverstand. Dat dachten ze niet, zij leefden uit de gedachte aan de wederkomst van Christus en daarmee de opname van de Gemeente en het loon dat zij zouden krijgen. Dat bepaalde hun leven. Het feit dat hun leven gebaseerd was op de “vergelding des loons”, wil niet zeggen dat ze dachten dat ze dat binnen afzienbare tijd zouden ontvangen. Wij verwachten in het algemeen de wederkomst van Christus en de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Hoeveel duizenden jaren dat nog duurt, heeft daar niets mee te maken. Wij zien ernaar uit en als u het mij vraagt de Heer Zelf ook. Het is namelijk meteen het begin van de openbaring van Zijn Heerlijkheid aan de wereld en dus aan Israël en de volken. Zelfs van de Heer zouden we kunnen zeggen dat Hij Zich in een “intermediate state” bevindt. Hij heeft Zijn heerlijkheid ontvangen, maar op aarde ziet niemand het. Het zal duidelijk zijn dat het ook voor Hem erom zal gaan dat de tijd komt dat Zijn Heerlijkheid geopenbaard zal worden. Dan zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kolossenzen 3 : 4, 1 Johannes 3 : 2, Romeinen 8 :18). Daarom vertragen wij niet.

Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden. 2 Korinthe 5 : 2

Het werkwoord “zuchten” is het woord ter aanduiding voor het woord “kreunen” danwel “schreeuwen” van de kraamvrouw. Het is dezelfde term als in Romeinen 8 : 19, 22. Daar staat dat heel de schepping zucht en in barensnood is tot nu toe en wacht op de openbaring van de zonen Gods. In 2 Korinthe 5 : 1 wordt gesproken over een gebouw uit God. Men heeft het helaas vertaald met “van God”. Hier in vers 2 heet het “uit de hemel”. Dat is natuurlijk hetzelfde.

Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. 2 Korinthe 5 : 3

Zo’n hemels lichaam zullen wij zo zondermeer ontvangen. Hoe dat eruit ziet is een ander verhaal. Het kon wel eens zijn dat je je daarna de hele eeuwigheid loopt te schamen voor je kostuum, omdat het een weergave is van wat je – als kind van God – was hier op aarde. Er is dan aan de buitenkant te zien of je echt geleefd hebt in afhankelijkheid van Hem, uit het Woord en uit de beloften Gods. Wij willen niet alleen die woning ontvangen. Wij willen niet naakt staan of enkel bekleed zijn, maar wij willen zelfs overkleed worden.

4 Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.
5 Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. 2 Korinthe 5 : 4, 5

God heeft ons – iedere gelovige – hiervoor geroepen en Hij heeft ons ook het onderpand des Geestes gegeven. Die laatste zin is van belang. De gedachte is dat wij garantie hebben op die overkleding, doordat wij die Geest hebben ontvangen. Romeinen 8 : 23 zegt daarover dat die Geest ons zou leiden naar onze aanstelling tot zonen. Daarom heet de Heilige Geest bij gelegenheid de “Geest van zoonstelling”. Het gaat niet om onze eigen activiteit, ons eigen streven, ons eigen kunnen, onze eigen ontwikkeling of onze eigen werken. Het gaat om wat de Geest Gods in ons zou doen. Of dat veel of weinig is, is niet aan ons om te beoordelen. Het gaat erom dat we die Geest dat werk ook laten doen. Wanneer we dat doen, zullen wij overkleed worden. Meestal gebruik ik het Bijbelse beeld dat wij aarden vaten   zijn en gevuld zouden worden met een schat (2 Korinthe 4 : 7). Op andere plaatsen gaat het om olie danwel water dat weer in wijn verandert. De gedachte is dat wij als kinderen Gods, van Godswege gevuld zouden worden en dat de Geest dat zou doen. Die Geest heet niet alleen hier “het onderpand”, maar ook in Éfeze 1 : 13, 14. Daar staat dat de Heilige Geest der belofte, het onderpand is van onze erfenis. De erfenis is het loon, de kroon, de troon en de heerlijkheid. De Heilige Geest is daarvan het onderpand. De Geest Gods zou dat in ons doen en wij zouden ons laten vullen met die Geest. Daar is niets mystiek aan. Het is heel gemakkelijk, want wij zouden ons namelijk laten vullen met het Woord Gods. Dat is namelijk de Geest Gods in de praktijk. Het gaat om het Woord Gods waarmee wij onze harten zouden vullen, danwel de Geest Gods waarmee wij vervuld zouden zijn. Het is hetzelfde, het één staat echter in Éfeze 5 : 18 en het andere in Kolossenzen 3 : 16. Kortom, we zouden loon ontvangen in de hemel zelf, namelijk pas in de toekomst.

6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere;
7 (Want wij wandelen door geloof /en/ niet door aanschouwen.) 2 Korinthe 5 : 6, 7

Wij weten dat, want wij wandelen door geloof. Wij zien de Heer niet, noch de hemelse dingen. Dat maakt echter niet uit, want wij “aanmerken de dingen die men niet ziet en die eeuwig zijn” (2 Korinthe 4 : 18). Het gaat allemaal over precies hetzelfde.

Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen. 2 Korinthe 5 : 8

Liever hier uit en bij de Heer zijn. Als er zoiets zou bestaan als een zogenaamde “zieleslaap” of “geestesslaap”, waarbij de gestorven mens er niet meer is tot hetzij de opname van de Gemeente of tot aan de Jongste Dag, dan moet dit vers de Bijbel uit. Hier staat namelijk dat wij meer behagen hebben om “uit dit lichaam uit te wonen en bij de Heer in te wonen”. Wat voor zin heeft het om uit het lichaam uit te wonen als men dan volstrekt buiten bewustzijn is en als men dan ook nog moet wachten tot aan het inwonen bij de Heer straks bij de opname van de Gemeente. Dat is een misverstand. Het is hetzelfde verhaal als van Paulus, wanneer hij zegt dat “ontbonden te worden en met Christus te zijn” hem zeer verreweg het beste zou zijn (Filippenzen 1 : 23). Als er een zieleslaap tussen zou zitten, zou hij zolang mogelijk willen leven en het liefst meer dan 2000 jaar oud worden. Al die tijd zou hij dan de Heer kunnen dienen. Dat is tenslotte beter dan slapen. Men is in die tijd dus wel degelijk bij bewustzijn.

Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van
Christus, opdat een ieder wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 2 Korinthe 5 : 10

De apostel ziet uit naar het inwonen bij de Heer. Hij heeft het niet over lichamelijk sterven, maar over de opname van de Gemeente. Daar zou men geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus en daar zou men van de Heer loon ontvangen voor de dienst aan de Heer onder het nieuwe verbond. Daar gaan 2 Korinthe 3, 4 en 5 over.

Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Korinthe 5 : 17

Hemels burgerschap

Ik wil u eerst meenemen naar Lukas 10. De aardigheid is dat deze “hemelse” waarheden wel degelijk al voor de opstanding van de Here Jezus Christus zijn vastgelegd in de Schrift. We citeerden eerst Psalm 89 en toen pas 2 Korinthe 5. We citeren nu eerst Lukas 10. Dat is nog oudtestamentische tijd, al werd het Nieuwe Testament gepredikt.

19 Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.
20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Lukas 10 : 19, 20

Zo’n vers kun je wegredeneren door te zeggen dat God er een boekhouding op na houdt, waarin de namen staan van al degenen die behouden worden. De discipelen tot wie dit gezegd wordt, zouden behouden worden en hun namen staan dus opgeschreven in de hemel in het Boek des levens. Nu is het vers weggeredeneerd, want waar het werkelijk om gaat in zo’n uitdrukking is niet om het opgeschreven zijn in de hemel, maar om het ingeschreven zijn in de hemel. Het gaat namelijk om hemels burgerschap. Dan heeft men een positie aan de rechterhand Gods, samen met Christus, ver boven alle overheid en macht. Dat wil zeggen boven de geesten en in elk geval boven deze geesten waar het hierover gaat, want dat zijn in de eerste plaats demonen. De Heer zegt echter dat wij niet blij zouden zijn dat die geesten aan ons onderworpen zijn. Het is veel meer dan dat. Waar het om gaat, is dat onze namen geschreven zijn in de hemelen, dat we hemels burgerschap hebben ontvangen. Daarom zijn de geesten ons onderworpen. We hebben een hogere positie dan zij.

Geesten, demonen, worden in het algemeen gezien als hoger dan de mens. Ze zijn echter lager dan de mens. Om één of andere reden zijn ze niet in het dodenrijk, waar ze zouden moeten zijn. Omdat ze geen lichaam hebben en dus onstoffelijk en onzienlijk zijn, worden ze door de mens abusievelijk beschouwd als hoger dan de mens en daar maken de demonen dan ook dankbaar gebruik van. De behoefte aan het dienen van allerlei soorten goden wordt door hen aardig ingevuld. Paulus zegt dat mensen die aan goden offeren, aan de demonen offeren (1 Korinthe 10 : 20). Demonen kunnen inderdaad wat kunstjes die mensen niet begrijpen, omdat het met de onstoffelijke wereld van doen heeft. De Heer zegt hier dat het helemaal niet zo bijzonder is dat zij ons onderworpen zijn. Het bijzondere is dat de discipelen een positie (hemels burgerschap) zullen ontvangen in de hemelen, vooruit grijpend op de nieuwe bedeling. Misschien begrepen de discipelen dat niet, maar dat zou later wel komen. Het gaat er maar om dat al deze gemeentelijke waarheden fundamenteel voor het eerst geopenbaard zijn door de Here Jezus. Gemeentelijke waarheid is daarmee dus niet gebaseerd op nieuwe leringen van de apostelen, maar op uitspraken van de Here Jezus. Hebreeën 2 : 3 zegt dat ook: “Een grote zaligheid waaraan wij deel hebben gekregen, die begonnen is verkondigd te worden door de Heer Zelf en daarna aan ons bevestigd is geworden door de discipelen”. Dat men het in de dagen van de Here Jezus niet begreep, zei Hij ook Zelf en evenzo zei Hij dat dit nog niet de bedoeling was, maar dat ze zich later zouden herinneren en “na dezen” (na de opstanding van Christus) zouden verstaan.

Via de uitspraak “namen opgeschreven in de hemel” komen we automatisch terecht in Hebreeën 12.

22 Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Hebreeën 12 : 22

Het gaat om de ontastelijke berg, in tegenstelling tot de tastelijke berg uit vers 18. “De stad des levenden Gods” is het koninkrijk Gods. Zo is ook het hemelse Jeruzalem het koninkrijk der hemelen. Aan die engelen zijn of worden wij toegevoegd en wij zouden hen gelijk zijn. Als het Oude Testament zegt dat de Heer zou komen met Zijn vele tienduizenden engelen of heiligen, gaat het echt om de Gemeente (Deuteronomium 33 : 2). Het gaat om hemelse wezens. Het hemelse heirleger prijzende God en zeggende: “Ere zij God en vrede op aarde” (Lukas 2 :14). Dat is de Gemeente en wij zijn aan die hemel toegevoegd.

Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen. Hebreeën 12 : 23

De algemene vergadering is de volksvertegenwoordiging. Wij noemen dat de Staten-Generaal. Bij de Grieken heette dat de algemene vergadering. Dat is de wetgevende vergadering, ook aangeduid als de “ekklesia”. Dit woord is afkomstig van “ek kaleo”, “geroepen uit”, of van het Hebreeuwse “kahal”, “to call” in het Engels. Het betekent “geroepen uit het volk” of “uit de mensen genomen en gesteld bij God in de zaken die daar voor de mensen te doen zijn” Hebreeën 5 : 1. Dat geldt namelijk voor de Here Jezus Christus. Hij is echter lid van de Gemeente. Hij is de belangrijkste, het Hoofd. Het hoofd van de algemene vergadering van de Grieken, was de koning. Als Christus als Eersteling genomen is uit het volk om de zaken voor het volk te regelen en wij deel uitmaken van Zijn ekklesia, zijn wij net zo goed genomen uit de mensen en gesteld in de hemel bij God in de zaken die voor de mens te doen zijn. Daarna zouden wij gepast afsluiten met:

5b …Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
6 En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 1 : 5b, 6

Wij zijn door de Here Jezus Christus tot koningen en priesters gemaakt. Hij zou vele zonen tot heerlijkheid leiden (Hebreeën 2 : 10). Hij zou Eerstgeborene zijn samen met en behorende tot vele broederen (Romeinen 8 : 29). Ieder die in onze dagen tot geloof komt, wordt zalig en als zodanig toegevoegd aan de Gemeente. Er is slechts één gelovige uit onze bedeling die niet is toegevoegd aan de Gemeente en dat is de Heer Zelf. Hij wérd de Gemeente in Zijn opstanding. Vervolgens heeft Hij Zich een raad van oudsten aangesteld, bestaande uit mensen uit het volk. U weet dat Mozes de berg Sinaï opging met de 70 oudsten. Hier staat dat wij niet gekomen zijn tot dié berg, maar tot de ontastelijke berg Sion. Mozes is Christus en die raad van oudsten is de Gemeente. Daarvan staat vervolgens dat zij in de hemelen opgeschreven zijn. Allen die behouden worden, zijn als zodanig in de hemelen opgeschreven. Dat is echter niet de betekenis van de term. De betekenis is dat wij ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de hemel zelf. We zijn ingeschreven als hemelburgers. Ons burgerschap, onze wandel, ons doen en laten en alles wat daarmee samenhangt, is in de hemel. Daarom verwachten wij de Zaligmaker, Die onze vernederde lichamen veranderen zal (Filippenzen 3 : 20, 21). Dat is echter pas in de toekomst. Wij gaan niet naar de hemel, maar omdat wij al in de hemel zijn, zullen onze lichamen overgezet of “getransfigureerd” worden. Deze lichamen worden omgezet naar een substantie van die andere wereld, van de hemel. We noemen dat “opgenomen worden”, wat evengoed betekent “opgelost worden” of “opgaan in”, de Heer tegemoet. Daarna zullen wij in een verheerlijkt lichaam samen met de Heer geopenbaard worden in heerlijkheid.

Daarom alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehagelijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. Hebreeën 12 : 28

Deze woorden komen overeen met 2 Korinthe 5 en 1 Korinthe 15. Dit is het koninkrijk wat in 2 Samuël 7 beloofd werd aan David en dus aan de Zoon van David. Aangezien wij “gezegend zijn met elke geestelijke zegening in de hemel in Christus”, krijgen wij daar ook deel aan. Ook wij ontvangen dat onwankelbare koninkrijk. Het gaat hier niet over de genade door welke wij behouden of wedergeboren worden. Dat is wel zo, maar daar gaat het hier niet om. Wij mogen uit die genade God dienen met eerbied en godsvrucht. Het enig alternatief is, dat onze God een verterend vuur is (vers 29). Vers 28 gaat om dat goud, zilver en kostelijke stenen uit 1 Korinthe 3 :12. Dat verterende vuur gaat over hout, hooi en stro. “Goud, zilver en kostelijke stenen”, is in 2 Korinthe 5 : 10 de benaming voor dat wat iemand goed gedaan heeft. Wat iemand kwaad heeft gedaan, heet hout, hooi en stro. Want onze God is een verterend vuur. In hetzelfde Bijbelboek staat dat het voor een gelovige “vreselijk is te vallen in de handen van een levende God” (Hebreeën 10 : 31). Wij zouden trouw zijn in onze roeping en onze bediening. Wij zouden ons bewust zijn dat wij de hemel niet moeten zien als ons hiernamaals, maar als de sfeer waarin wij nu leven.

Van tussen de doden uit

In Éfeze 1 : 19, 20 wordt gezegd dat “God de werking Zijner kracht gebruikt heeft om Christus uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan Zijn rechter hand in de hemel”. Uit de doden opwekken impliceert dat Hij de eerste dode is die is opgewekt. De opstanding van de Here Jezus Christus is niet ten laatsten dage, hoewel dat in zekere zin vroeg genoeg geweest zou zijn. Het is echter veel eerder “van tussen de doden uit”, opdat Hij zonder enige twijfel de Eerste zou zijn Die dit leven van de nieuwe schepping zou ontvangen. Op die grond heeft Hij eerstgeboorterecht ontvangen en is Hij Koning en Priester naar de ordening van Melchizédek. Van die kracht waarmee God dat gedaan heeft, staat in vers 19, dat wij zouden weten “welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven”. Die kracht waarmee Hij Christus uit de doden heeft opgewekt, is dezelfde als waarmee Hij ons als gelovigen heeft opgewekt. Hij heeft ook ons met Hem gezet in de hemel. Dat ligt dus al opgesloten in Éfeze 1 vers 19, maar wordt later uitgebreid en expliciet gezegd.

1a En u heeft Hij mede levend gemaakt, …4 Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft,
5 Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)
6 En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus; Éfeze 2 : 1a, 4-6

Als wij dus wedergeboren zijn en dus deel hebben aan het opstandingsleven van Christus, dan hebben wij deze hemelse positie ontvangen. Dat volgt er niet op, maar is één geheel. Kinderen Gods uit deze bedeling zijn gezet in de hemel. Alle gelovigen vanaf de opstanding van Christus delen in Zijn eerstgeboorterecht, tot aan de definitieve opname van de Gemeente danwel de aanstelling van de Gemeente tot Zoon. Wie daarna tot geloof komt, wordt wel een kind van God, maar is niet geroepen tot dit Zoonschap en zeker niet tot een hemelse bestemming. Zijn of haar toekomst ligt in het koninkrijk op aarde en uiteindelijk op de nieuwe aarde.

20 Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker
verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;
21a Die ons vernederd lichaam veranderen zal,… Filippenzen 3 : 20, 21a

In de Statenvertaling staat “wandel” en ik lees dus altijd meteen “burgerschap”. In de nieuwe vertaling staat dat wij burgers zijn en als ik dat lees, zeg ik er meteen bij dat het gaat om onze wandel. Het is namelijk één geheel. Het gaat om ons leven als zodanig. Dat is niet alleen maar het paspoort, maar het is heel ons doen en laten. Dat maakt deel uit van de gang van zaken in de hemel. Het zijn hemelse dingen waarin wij betrokken zijn. Vandaar die term ook in de Éfezebrief, die we in de Statenvertaling niet echt terug vinden. Elke keer als daar “de hemel” of “de lucht” staat, staat er “het hemelse”. Het gaat niet alleen maar om de plaats als zodanig, maar om heel ons handelen. Heel onze wandel is een hemelse. Nogmaals, dat geldt alleen voor ons in onze tegenwoordige bedeling. Het woord “waaruit” heeft de betekenis van “op grond van”. Op grond van het feit dat onze wandel in de hemelen is, verwachten wij dus de Zaligmaker, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, namelijk gelijkvormig maken zal aan Zijn heerlijk lichaam. In Filippenzen komen we straks nog terug.  We gaan eerst nog naar Hebreeën 1. Hebreeën spreekt net als Éfeze in de eerste plaats over de positie van Christus aan de rechterhand Gods en stelt dat Hij een positie heeft ontvangen bóven de engelen.

Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft. Hebreeën 1 : 4

Dit betekent dat Hij die naam niet had, maar kreeg ter gelegenheid van Zijn opstanding en hemelvaart. Bij die gelegenheid is Hij gesteld boven de engelen. Dat was Hij daarvoor niet. Het wordt nog expliciet vermeld in Hebreeën 2 : 7, aangehaald uit Psalm 8 : 6. Daar staat dat Hij “een weinig”, namelijk voor korte tijd, minder gemaakt was dan de engelen. In Zijn opstanding en hemelvaart is Hij boven de engelen geplaatst en heeft een uitnemender naam boven de engelen geërfd. Filippenzen 2 : 9, 10 zegt dat “Hij uitermate verhoogd is geworden en een Naam boven alle naam heeft ontvangen, opdat in die Naam zich alle knie zou buigen” (zie ook Jesaja 45 : 23). In het vervolg hiervan lezen we in Hebreeën dezelfde dingen als in Éfeze. Éfeze 1 zegt dat God Christus aan Zijn rechter(hand) heeft gezet, ver boven de engelen of boven overheden en machten en dat Hij ons mét Hem heeft opgewekt en mét Hem gezet heeft in de hemel. Hier in Hebreeën 2 lezen we hetzelfde, maar van een heel andere kant belicht. In vers 10 staat dat God vele zonen tot heerlijkheid, dat wil zeggen tot eerstgeboorterecht en daarmee tot de hemel, zou leiden. Niet alleen die Ene (Christus), maar vele zonen, namelijk de hele Gemeente, waarvan Christus de Eerste is en het Hoofd. Daarvoor was het nodig dat de overste Leidsman onzer zaligheid door lijden geheiligd zou worden.

Want én Hij die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; Hebreeën 2 : 11a

Christus en die vele broederen zijn één Gemeente en erven ook hetzelfde eerstgeboorterecht. Het is makkelijk om te zeggen dat Christus eerstgeboorterecht heeft boven ons, maar dat is niet de goede formulering. Wat het eerstgeboorterecht betreft, heeft de Gemeente precies datzelfde eerstgeboorterecht. Alleen binnen de Gemeente is Hij niet zo zeer Eerstgeborene maar Hoofd. Kolossenzen gebruikt woorden van diezelfde strekking, maar je moet het onderscheid wel blijven maken.

 …; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen. Hebreeën 2 : 11b

Zoon betekent erfgenaam en broeders betekent mede-erfgenamen. Hij schaamt Zich niet ons Zijn broeders te noemen, ontleend aan Psalm 22 : 23. De gedachte is dat wij daardoor deel hebben aan Christus en aan Zijn hemelse positie. Dat staat vervolgens expliciet in hoofdstuk 3.

Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus; Hebreeën 3 : 1

Daarna gaat de hele brief verder over onze relatie tot Christus. De gedachte is dat waar Christus Zelf in de hemel is ingegaan, in het heiligdom, tot de troon der genade waarop Hij gezeten is, wij ook met vrijmoedigheid achter Hem aan de hemel zouden binnenwandelen. “Hij is daartoe de Weg, de Waarheid en het Leven en niemand komt tot de Vader dan door Hem” (Johannes 14 : 6). We zouden achter Hem aan het heiligdom binnengaan, op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft (Hebreeën 10 : 19, 20). Dat wil zeggen: ons stellen onder dat nieuwe verbond, maar tegelijkertijd ons stellen in die hemelse positie en daaruit leven. Dat moet men bewust doen. Wij moeten afstand nemen van al die aardse maatstaven, normen, filosofieën, leringen en dergelijke en beseffen dat wij deel uitmaken van hemelse dingen. Wij zien die niet en daarom valt er ook weinig over te filosoferen en dus leggen we onze levens gewoon in Zijn hand. Hij zou Zijn werk in ons doen en wij zouden niet vragen naar de uitwerking van ons leven in onze omgeving, maar wij zouden die uitwerking daarvan zoeken in ons eigen denken. Want wij zouden veranderd worden in ons denken, naar Zijn beeld (Romeinen 12 : 2). Wij zouden het beeld van Gods Zoon gelijkvormig worden (Romeinen 8 : 29). Het heeft rechtstreeks van doen met onze hemelse positie. Ons naderen tot de troon der genade, (Hebreeën 4 :16 en 10 : 19) is niet maar onze ogen sluiten, handen vouwen en bidden – hoewel het onderdeel daarvan is – maar primair onze lichamen stellen tot een “levend, heilig, Gode welbehaaglijk offer” (Romeinen 12 : 1). We zouden ons beschikbaar stellen voor de dienst aan Hem, namelijk voor een hemelse wandel. De uitwerking daarvan zullen wij in de toekomst zien, want dat drukt zich uit in de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.

Plaats bereiden in het “huis van Mijn Vader”

Johannes 14 is een heel populair Schriftgedeelte in verband met onze hemelse bestemming. Het is namelijk de enige Schriftplaats waarin staat dat we naar de hemel zullen gaan. Al moet ik eraan toevoegen dat het woord “hemel” er niet bij staat, dus het blijft toch wat twijfelachtig.

2 In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
3 En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben. Johannes 14 : 2, 3

Dit zegt de Heer tot Zijn discipelen in de opperzaal, in de nacht dat Hij verraden werd. Gewoonlijk leest men in deze verzen de hemelvaart van de Here Jezus naar het Vaderhuis, de hemel zelf, waar Hij ons nu plaats bereidt. Als Hij daar straks mee klaar is, komt Hij terug om ons tot Zich te nemen om zo te zijn waar Hij is. Dat lijkt veel op 1 Thessalonicenzen 4 : 17, waar staat dat wij “altijd bij de Heer zullen wezen wanneer wij Hem tegemoet gaan in de lucht”. Daarom steek ik mijn nek uit als ik zeg, dat het daar toch niet over gaat. Dat laat zich ook betrekkelijk eenvoudig verklaren, want wij zouden moeten vragen wat de Heer dan in de hemel doet om ons daar plaats te bereiden. Hij zegt immers dat er vele woningen zijn en dat Hij gaat om ons plaats te bereiden. Het hele punt is dat Hij allang heengegaan is om ons plaats te bereiden en dat Hij daar ook heel snel mee klaar was. Al het nodige was feitelijk al gedaan. Toen Hij terugkwam dezelfde dag nog – op de avond van de dag van Zijn opstanding, was Hij klaar met het plaats bereiden. Hij nam toen de Zijnen tot Zich en sindsdien zijn de Zijnen waar Hij is. U en ik hebben net in Éfeze en Hebreeën gelezen dat wij in de hemel zijn. Wij gaan er niet naartoe, wij zijn er al in gezet op het moment dat wij tot geloof kwamen en wedergeboren werden. Waaruit bestond Zijn plaats bereiden in de hemel dan? Hebreeën legt dat uitgebreid uit. Vanuit Johannes kom je altijd onvermijdelijk in Hebreeën terecht, omdat Johannes ons de Here Jezus op voorhand schildert als de Hogepriester van het nieuwe verbond. Vandaar ook het beroemde hogepriesterlijk gebed uit hoofdstuk 17.

Welkom in de hemel

Hebreeën legt uit dat de Here Jezus Christus is ingegaan in de hemel zelf, daar welkom bleek te zijn en daardoor inging tot in de hemel der hemelen. Er wordt ook gezegd dat Hij daar Hogepriester is voor Zijn volk, voor degenen die de hemelse roeping deelachtig zijn en deze belijdenis vasthouden. U en ik worden opgeroepen om in de praktijk van ons leven deze “verse en levende weg” in te gaan. Waar wij het leven van Christus hebben ontvangen, waar Hij ons Hoofd is, ons vertegenwoordigt, en waar Hij als onze vertegenwoordiger welkom is in de hemel, zijn ook wij welkom. Dat Hij plaats ging bereiden wil zeggen dat Hij Zijn opwachting bij de Vader maakte.   Het was voltooid, daar was Hij dan. God wekte Hem op, nam Hem uit de mensen, stelde Hem in de hemel in de zaken die daar te doen zijn voor de mens; als vertegenwoordiger van de mens en als eerste lid van de volksvertegenwoordiging, namelijk de ekklesia. Sindsdien is ons daar een plaats bereid. Zijn “plaats bereiden in de hemel” bestond uit Zijn hemelvaart op eerste Paasdag. Die dag zei Hij tot Maria Magdalena dat zij Hem niet aan moest raken, omdat Hij nog niet opgevaren was tot Zijn Vader. Later op de dag mochten ze Hem gerust aanraken en Hij nodigde hen daar zelfs toe uit. Daaruit kunnen we concluderen dat Hij inmiddels was opgevaren naar Zijn Vader. Of het ver weg was? Ik denk het niet. Waaruit het precies bestond, weet ik ook niet. Toen Hij de avond van dezelfde dag verscheen, zei Hij ook tegen Zijn discipelen “ontvang de Heilige Geest” en blies op hen. Ik geloof dus ook, dat ze toen de Heilige Geest ontvingen. Daar hebben ze weinig van gemerkt, maar dat hebben wij ook niet toen we de Heilige Geest ontvingen. Niettemin is het wel gebeurd en vanaf dat moment hebben de discipelen en daarmee alle gelovigen hemels burgerschap – een hemelse positie – en maken ze deel uit van hemelse dingen. In de Johannes 13 t/m 15 wordt uitgebreid en meerdere malen de aankondiging van de uitstorting van de Heilige Geest gedaan. Daar gaat het nu juist over. De Heer zou de Vader bidden (Johannes 14 : 16). Die zou hen een andere Trooster geven. Kennelijk een Trooster in een andere hoedanigheid, namelijk als de onzienlijke en Die zou bij hen blijven tot in eeuwigheid.

Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet,…. Johannes 14 : 17a

Zien wij of zagen de discipelen die Heilige Geest dan wel? Zij zagen de Here Jezus. Hij is de Heilige Geest. Hij is de Trooster! Hij zou als “andere Trooster” – in andere hoedanigheid – niet alleen bij hen zijn, maar ook ín hen zijn.

17b …; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.
18 Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Johannes 14 : 17b, 18

Er staat niet dat Hij bij hen zál blijven. Hij bleef al bij Zijn discipelen, dat was al jaren zo. In duidelijke taal staat erachter dat Hij hen niet alleen zal laten, maar tot hen komt. Het woordje “weder” kan weggestreept worden, omdat dat erin gezet is om aan te geven dat de Heer hier ineens over Zijn wederkomst spreekt. Dat is niet zo, want Hij spreekt over de uitstorting van de Heilige Geest. Ieder zondagschoolkind weet dat, omdat daar immers geleerd wordt dat de Here Jezus in onze harten woont. Dat is wat de Heer hier aankondigt. Hij zal bij hen en in hen zijn en daarom zegt Hij: “Ik kom tot u”. Hij zou heengaan om plaats te bereiden en daarna zou Hij weer tot hen komen en hen tot Zich nemen. Dat is wat wij noemen de uitstorting van de Heilige Geest. Het gaat niet over de opname van de Gemeente, maar het “zetten” van de Gemeente. Dat is al lang gebeurd. Sindsdien maken wij deel uit van die hemelse dingen. Deze hoofdstukken spreken over de verbondenheid met Christus in onze dagen. Wij zijn ín de wijnstok, wij zijn de ranken en dus dragen wij vrucht. Die levensgemeenschap is er. Wij zijn waar Hij is en Hij is in ieder geval waar wij zijn. Dat is in de hemel. Dáár zijn wij nu al en in die positie zouden wij leven en wandelen.

Er bestaan veel mensen die niet geloven in de wederkomst van Christus. Zij leren dat de beloften van Zijn wederkomst reeds vervuld zijn, namelijk in de uitstorting van de Heilige Geest. Daarmee halen ze hun eigen leer van de drie-eenheid ook onderuit. Men stelt verschillende leringen samen, maar die blijken strijdig met elkaar te zijn. Dat is van jongs af aan mijn probleem geweest. Hier zegt de Heer dat Hij tot hen zou komen, waarbij duidelijk is dat het gaat om de uitstorting van de Heilige Geest. En dus zegt men dat de wederkomst al heeft plaatsgevonden en wij sindsdien wachten op de Jongste Dag. Niettemin zit daar een kern van waarheid in. Als Hij hier zegt “Ik kom tot u”, dan gaat het om de uitstorting van de Heilige Geest en niet eens op de Pinksterdag maar gewoon op de Paasdag. Op de Pinksterdag werd de “Geest vaardig over hen” en manifesteerde Zich in tekenen. Dat is wat anders dan dat ze simpel de Geest ontvingen. Dat gebeurde namelijk veel eerder: op de dag van Zijn opstanding. Sindsdien hebben zij – en ook wij – een plaats, een woning in dat Vaderhuis. Dan wijs ik er nog maar op dat in 2 Korinthe 5 : 1 niet staat dat wij een gebouw zullen ontvangen bij God, maar een gebouw hébben. Ik denk dat wij dat hemelse lichaam al lang hebben. Niet zullen krijgen, maar het reeds hébben. Het wordt alleen verborgen door deze aardse omhulling. Daarmee kom ik weer in Filippenzen terecht bij de woorden van Paulus.

Volgens mijn ernstige verwachting en hoop, dat ik in geen zaak zal beschaamd worden, maar dat in alle vrijmoedigheid, te allen tijd, alzo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door den dood. Filippenzen 1 : 20

Er staat niet dat Christus groot gemaakt zal worden door te leven, maar dóór het leven. In het Vlaams: “doorheen het leven”; in het Nederlands: “door het leven heen”. Dat geldt ook voor “hetzij door den dood”. Er staat niet door te sterven, net zo min als door te leven. Er staat “door den dood heen”. Door de dood heen is in de opstanding. Daarin zou Hij verheerlijkt worden. Het is namelijk niet tot Gods heerlijkheid dat christenen sterven. Dat is strijdig met dat ze al leven hadden ontvangen. Als een kind van God – levend in dit lichaam – ontbonden wordt van dit lichaam is dat tot Gods heerlijkheid. Evenzo is dat het geval als het kind van God, met een wandel in de hemel, ook lichamelijk veranderd wordt, zodat zijn lichaam gelijkvormig wordt aan het verheerlijkt lichaam van Christus.

Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. Filippenzen 1 : 21

Als er zoiets zou bestaan als een zieleslaap van gelovigen, is het sterven geen gewin, maar verlies. Door te sterven houdt men namelijk op met het dienen van de Heer. Dat kan dus niet.

22 Maar of te leven in het vlees, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet.
23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om, ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.
24 Maar in het vlees te blijven, is nodiger om uwentwil. Filippenzen 1 : 22-24

Er zijn maar twee opties. Een zieleslaap past daar niet in. De ene optie is in het vlees te blijven terwille van de Gemeente en dus tot eer van de Heer. De andere is “ontbonden te worden en met Christus te zijn”. Men zou de tekst niet lezen alsof daar staat “ontbonden te worden en naar Christus te gaan”. Dat staat er niet. Er staat “ontbonden te worden en met Christus te zijn, is verre het beste”. Maar gebonden te blijven en met Christus te zijn, is beter om uwentwil. Paulus is met Christus en zo ook wij. Wij zijn mét Christus en ín Christus en Hij is ín ons en mét ons, alle dagen tot aan de “voleinding der eeuw” (Matthéüs 28 : 20). De apostel zegt niet dat hij, als hij ontbonden wordt, naar Christus toe gaat. Hij zegt dat je beter met Christus ontbonden kunt zijn van dit lichaam dan nog gebonden in dit lichaam. De gedachte is dat er niets verandert. Het enige dat verandert, is dat de band die ons lichaam nu eenmaal is, waarin wij nu eenmaal leven en waardoor wij beperkt worden in velerlei opzichten, zou worden weggenomen. Als dit lichaam wegvalt, zijn we nog steeds in de hemel. Daar waren we al, alleen zijn we dan vrij en worden niet meer gehinderd door alle tekortkomingen van dit aardse lichaam waaraan we gebonden zijn. Daarom is sterven gewin, omdat het de vrijheid die we hebben aanzienlijk vergroot. Wij zullen onze geliefden daar ook weer zien en in het bijzonder de Heer Zelf.

Het nieuwe Jeruzalem

De uitspraak in Openbaring 21 en 22 gaat over het nieuwe Jeruzalem. Dat “de Heer daar de tranen van de ogen zal wissen” (Openbaring 21 : 4), gaat niet over de hemel, maar over het nieuwe Jeruzalem. Dat nieuwe Jeruzalem is niet een stad die na de Jongste Dag uit de hemel nederdaalt op de aarde en dan onderweg ook nog een tijdje blijft zweven. Het is een visioen, een symbolische voorstelling van zaken. Dat doet Johannes in heel Openbaring en ik zou niet weten waarom dan op hoofdstuk 21 en 22 een uitzondering gemaakt zou worden. De gedachte is dat het nieuwe Jeruzalem een voorstelling is van het koninkrijk van Christus en dus een stad. Een stad beeldt namelijk een koninkrijk uit. Niet het duizendjarig rijk. Het is het koninkrijk van Christus zoals dat tot stand gekomen is in de hemel, op grond van en door de opstanding van Christus. Waar wij hemels burgerschap hebben ontvangen en met Hem gezet zijn in de hemel, zijn wij burgers van dat nieuwe Jeruzalem. Wij wachten daar niet op. Wij leven nu in die stad die nog uitsluitend in de hemel is. In de toekomst zal dat koninkrijk – die stad – ook nederdalen op de aarde en dus uitgebreid worden naar de aarde. Overigens zonder de hemel te verlaten, als u begrijpt wat ik bedoel. In het visioen wordt de complete nieuwtestamentische geschiedenis uitgebeeld. Beginnend met een koninkrijk in de hemel en voltooid in een koninkrijk dat heel de schepping, heel de aarde vult. De uitspraken over dat nieuwe Jeruzalem zijn dus geen uitspraken over de hemel, maar over het koninkrijk van Christus. Waar dat koninkrijk in de hemel gevestigd is, is het wel degelijk een verhaal over de hemel. Niet pas in de toekomst, maar nu. De uitspraak dat “God de tranen van de ogen zal afwissen” is niet een uitspraak over het hiernamaals, maar over de situatie waarin wij als kinderen Gods leven. Nu reeds wordt het verdriet weggenomen en leren wij ermee te leven, omdat de Heer als de Trooster ons kracht geeft. Dat was aangekondigd in het Oude Testament. In het Nieuwe Testament is het van kracht geworden in de persoon van de Here Jezus Christus. Hij bemoedigt ons zodanig, dat we er niet aan onderdoor gaan. Ongetwijfeld komt de tijd dat die tranen er echt niet meer zullen zijn. Maar ik zou niet graag willen beweren dat de Heer pas als wij bij Hem in de hemel zijn de tranen van onze ogen afwist. Hij doet dat nu al. Wij kennen de dood ook niet meer en zullen die ook nooit kennen of zien. Wij zullen wel sterven in de zin dat wij dit lichaam zullen afleggen. In de Bijbel wil sterven zeggen dat men de dood binnengaat en dat doen wij niet. De dood is het dodenrijk, de hel, maar u en ik zijn al met Christus opgewekt en gezet in de hemel. Wij zullen de dood niet zien.

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn Woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. Johannes 8 : 51

Deze dood waar Johannes het over heeft, is alleen het “ontbonden worden in het vlees”. Als letterlijke ogen dichtgaan, gaan de ogen van dat andere lichaam definitief open. Wij slaan dan niet – zoals eens de rijke man – onze ogen op in het dodenrijk, maar in de hemel. Dit Schriftgedeelte spreekt over mensen die wedergeboren zijn. Dat waren ze toen nog niet, maar ze zouden het worden door de opstanding van Christus. Als ze daarna zouden sterven, zouden ze inderdaad de dood niet zien. Woorden van die strekking vinden we in Johannes 12.

24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.
25 Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.
26a Zo iemand Mij dient, die volge Mij, en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. Johannes 12 : 24, 25

Wij zijn dus waar Hij is en Hij is waar wij zijn. Hij is in de hemel en daarmee wij ook.

Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; Johannes 11 : 25

Dat heeft dezelfde betekenis als “zal de dood niet zien in der eeuwigheid (Johannes 8 : 51). Wie in Hem gelooft zal eventueel wel sterven (lichaam afleggen), maar niettemin toch leven.

En een ieder, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Johannes 11 : 26a

Hier wordt zelfs gezegd dat hij niet zou sterven. Sterven betekent normaal gesproken “ingaan in de dood”. Als sterven dat betekent, zal dat niet gebeuren. Men gaat de dood niet in, want men zou de dood niet zien. Men zou de ogen opslaan in de hemel zelf. We hadden het er even over of wij elkaar in de hemel zullen kennen  en of we zullen weten wat er zich op aarde afspeelt. Daar zijn helemaal geen Schriftplaatsen voor. Er zijn wel teksten die makkelijk weg te redeneren zijn. Eén ervan is dat men de Here Jezus herkende in Zijn hemelse lichaam aan Zijn handen en voeten. Dat is geen sterk argument, omdat wij meer Schrift-plaatsen kennen waarin vermeld staat dat ze Hem niet herkenden. De Bijbel spreekt niet werkelijk over herkenning in de hemel. Het is namelijk volledig vanzelfsprekend dat dit zo is. Ook is het 100% zeker en vanzelfsprekend dat wij ons leven op aarde zullen herinneren. Sommigen schrikken daarvan, want die hoopten dat ze alles vergeten zouden zijn. Dat zijn de mensen die geen last hebben van hun geweten, omdat ze een slecht geheugen hebben. Zij schrikken zich wezenloos als ze weten dat hun geheugen daar nog uitstekend functioneert, sterker nog, dat zij zich daar zullen herinneren, wat ze hier allang vergeten waren. Wanneer ze bijvoorbeeld zullen zeggen: “Wanneer hebben wij U hongerig gezien en wanneer hebben wij U dorstig gezien, geherbergd, gekleed” (Matthéüs 25 : 37, 38) weten ze daar niets meer van. Maar de Heer Zelf weet het nog. Dit Schriftgedeelte gaat echter niet over de hemel, maar wel over iets gelijksoortigs. Natuurlijk herinneren wij ons de dingen die in ons leven gepasseerd zijn.

De Schrift leert dat we veranderd moeten worden in ons denken. Dat we de Heer moeten leren kennen en opgevoed moeten worden tot het zoonschap in de toekomst. Stel je voor dat je dan als zoon aangesteld wordt en je ineens je hele opvoeding vergeten bent. Dan ben je alles wat je geleerd hebt weer kwijt! Dat kan natuurlijk niet. Wij zouden hier leren en met heel die bagage de hemel ingaan. Wat wil het anders zeggen dat de Heer ons geroepen heeft als “betoning van Zijn genade”, als wij in de hemel helemaal niet eens meer weten dat we zondaren waren (Romeinen 3 : 25, 26). Hoezo zouden wij een betoning van Zijn genade kunnen zijn? Als ze in de hemel aan ons vragen wat wij daar doen, antwoorden wij: “Vanwege de rijkdom van Gods genade” (Éfeze 1 : 7; 2 : 7). Wij waren zondaren, deugden tot niets, maar God wilde ons Zijn genade bewijzen en heeft ons getrokken uit de duisternis en gezet in het Licht. Dat is niet onze verdienste, maar alles wat Hij gedaan heeft. Ik persoonlijk heb heus wel dingen waar ik mij achteraf zwaar voor schaam, maar ik zou ze niet graag willen vergeten, want ze hebben me gemaakt tot wie ik ben. Een mens wordt door struikelen groot. Hij leert van zijn fouten en zonder vallen wordt hij niet groot. Wij worden ook van Godswege gekastijd, wat dat ook wezen mag. Het schijnt in ieder geval geen zaak van vreugde te zijn, maar een zaak van droefheid (Hebreeën 12 : 11). Dat zijn toch zaken die je niet wilt vergeten. Je wilt toch weten wat de Heer in je leven gedaan heeft. Ik ben er stellig van overtuigd dat Hij heel wat meer gedaan heeft dan ik nu voor mogelijk houd. Daarom moeten we dat weten en zullen we dat onthouden. Als we alles kwijt zouden zijn, maakt ook alles wat wij hier doen niet uit. Je weet dan ook niet hoe je aan “die kroon” gekomen bent. Dat is absurd. Ik hoef hier dan ook geen Bijbelteksten voor te hebben.

Toch zullen we elkaar kennen. U denkt toch niet dat wij in de hemel komen en niets meer weten. Ik hoop zelfs dat mijn geheugen met terugwerkende kracht beter werkt dan nu. Ik vergeet namelijk niet alleen slechte dingen, maar helaas ook goede dingen. Stel je voor dat het waar is dat we dat in de hemel niet meer weten. Dan zou de Here Jezus niet eens meer weten dat Hij gekruisigd is. De andere vraag is altijd of wij vanuit de hemel zien wat er op de aarde gebeurt.   Men bedoelt dan of onze geliefden, die wij gekend hebben maar inmiddels in de hemel zijn, ons kunnen zien. Dat zou best kunnen, maar daar zegt de Bijbel niets over. Wat ik in de Bijbel lees is dat men in de hemel weet wat er op aarde gebeurt. Of men dat ziet danwel of iedereen dat ziet waag ik te betwijfelen. Zij waren namelijk al in de hemel, ook toen zij nog op aarde leefden. En toen zagen ze ook niet alles wat er gebeurde en dat is maar goed ook. Zoveel zin heeft dat ook niet. Dat ze weten wat er gebeurt, is een ander verhaal. Er is maar één Bijbels argument dat ik ooit heb horen aanhalen, waaruit zou moeten blijken dat zij ons zien. Het aan Hebreeën 12 ontleende argument is echter absoluut ongepast.

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende,… Hebreeën 12 : 1a

Die getuigen zijn dan de geloofshelden uit Hebreeën 11. Men zegt dan dat wij die als getuigen rondom ons hebben en dat zij dan ook naar ons kijken. In de eerste plaats zijn zij echter niet in de hemel. Het zijn allemaal oudtestamentische gelovigen en die bevinden zich in het dodenrijk. Van daaruit ziet men ons in geen geval, omdat de Bijbel ons dat zwart op wit zegt. Daar zien en horen ze niet wat er op de aarde gebeurt. In de tweede plaats staat er “een wolk der getuigen”. Getuigen betekent in het Nederlands “zij staan erbij en zij kijken ernaar”. Dat is echter niet wat het woord betekent. Een getuige is niet iemand die kijkt, maar iemand die spreekt omdat hij iets gezien heeft. Niet omdat hij getuige ergens van was, maar omdat hij eerder iets gezien, gehoord, ervaren of beleefd heeft. Hij wordt voor de rechtbank geroepen om daar verslag van te doen. Op het moment dat hij verslag uitbrengt, is hij bezig te getuigen. Op het moment dat hij ernaar keek was hij niet bezig te getuigen, maar was hij aan het kijken. Wij hebben getuigen om ons heen. Dat zijn niet degenen die naar ons kijken, maar tot ons spreken, ook nadat ze gestorven zijn. Daar begint het hoofdstuk ook mee als het een opsomming geeft van al die geloofshelden.

Door het geloof heeft Abel eene meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; Hebreeën 11 : 4a

God getuigde van Abel, sprak tot Abel en demonstreerde de rechtvaardigheid van Abel, alzo God over zijn gave getuigenis gaf. God stak namelijk zijn offer in brand en op deze wijze sprak Hij tot Abel dat Hij zijn offer aanvaardde. Zo gaf God getuigenis.

 …; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. Hebreeën 11 : 4b

Zijn geschiedenis is nog steeds een les voor ons. Abel spreekt nog steeds tot ons. Hetzelfde geldt voor Henoch, Noach, Abraham, Sara en de anderen. Zij kijken niet naar ons. Dat kan niet, want ze zijn allemaal (op Henoch na, denk ik) in het dodenrijk. Ze spreken echter wel tot ons. Hoewel niet expliciet in de Bijbel staat dat degenen die in de hemel zijn ons zien, geloof ik wel dat het zo is, omdat in het algemeen in de Bijbel staat dat men in de hemel uitstekend op de hoogte is van wat er op de aarde gebeurt. Hoe men op de hoogte gehouden wordt weet ik niet. Ik weet niet of ze ons letterlijk zien, maar ik denk wel dat ze weten hoe het met ons gaat. Ik denk niet dat ze wat voor ons doen. Hun taak in verband met de aardse dingen zit erop. Maar je kunt er wel aan toevoegen dat wij straks niet alleen voor de Heer zullen staan en door Hem geoordeeld zullen worden. Wij staan straks ook weer oog in oog met onze broeders en zusters die we hier kwijt zijn. Dan zullen we elkaar kennen. Wij hen, maar zij ons ook. Ik denk dat wij ook onze broeders en zusters die ons voorgegaan zijn, niet teleurstellen. Ik denk wel dat ze heel benieuwd zijn naar hoe wij het er uiteindelijk afbrengen. Ik denk ook dat ze aardig op de hoogte zijn hoe het hier met ons gaat en we voldoen aan de verwachtingen van de Heer. Relaties, kennissen, familie, broeders en zusters zullen wij daar weer ontmoeten. We dienen dezelfde Heer, zo goed en zo kwaad als het gaat. In de toekomst is daar dan die reünie en dat zou een blijde reünie zijn. De bedoeling is dat we daar bekleed en bij voorkeur overkleed zouden staan.

Ik krijg regelmatig de vraag over degenen die opgewekt werden op het moment dat de Here Jezus stierf (Matthéüs 27 : 52). Ik las laatst dat zij ongetwijfeld in de hemel zijn. Dat is ook zo. Ik denk dat ze later alsnog weer lichamelijk gestorven zijn en niet op dat moment met de Heer zijn opgevaren naar de hemel. Dat staat nergens, dus waarom zou ik dat geloven. De normale gang van zaken was – tot dat moment – dat als er al iemand uit de dood opstond, hij ook weer stierf. Ze hebben nog geleefd. Ze zijn namelijk levend gezien na de opstanding van Christus. Hoe lang daarna, doet niets terzake. Het staat er ook niet. Ze hebben geleefd na de opstanding van Christus, al was het maar een uur. Als gevolg daarvan werden zij van oudtestamentische gelovigen omgevormd tot nieuwtestamentische gelovigen. Zij hebben daarmee een hemels burgerschap ontvangen in plaats van een burgerschap in de toekomst op de nieuwe aarde. Voor hen was het dan ook zeer essentieel. Het heeft echter niets te maken met de gedachte dat alle oudtestamentische gelovigen, inclusief degenen die opgewekt werden toen de Heer stierf, naar de hemel zouden zijn gegaan ter gelegenheid van de opstanding van de Here Jezus Christus. Dat lezen wij namelijk niet in de Bijbel. Het hele Bijbelse systeem is veel simpeler. De eenvoudige waarheid is dat alle gelovigen opgewekt zullen worden op de Jongste Dag en als gelovigen zullen leven op een nieuwe aarde. De ene grote uitzondering zijn wij. Wij gaan niet naar de hemel, maar zijn reeds gezet in de hemel met Christus, opdat wij als eerstelingen zouden delen in Zijn heerlijkheid. Daartoe worden wij hier opgeleid en in de toekomst zullen we met datzelfde doel met elkaar samenwerken. Dat zal gebeuren in de openbaring van het koninkrijk van Christus. Als hemelse wezens en der engelen gelijk. Dat is onze toekomst, waarnaar wij uitzien.

Het hedendaagse leven in de hemel

Het voorgaande is in zeer belangrijke mate ook ons hedendaagse leven in de hemel. Onze wandel en onze belangen zijn in de hemel. Alles wat aan ons en in ons gebeurt, heeft belang voor de hemelse dingen.  We zijn door dit lichaam aan de aarde gebonden. Waar we dat goed begrijpen, zal het onze zielen zalig maken. Het gaat niet om het hier en nu, maar om datgene dat bij de Heer is. Daar is ons huis en daar hebben wij onze belangen. Hoe ouder wij worden, hoe meer van onze broeders en zusters zich daar bevinden en hoe meer ons verlangen zou zijn om hen weder te ontmoeten. Niet opdat we alles vergeten zouden zijn, maar opdat we nog eens lekker zullen kunnen napraten over alles wat de Heer indertijd in ons aardse leven gedaan heeft, waardoor wij geworden zijn wat wij zijn. Ik persoonlijk heb nog steeds helemaal geen haast, maar als het nu zou gebeuren, zou ik daar niet de minste problemen mee hebben. Wij hebben het hier op aarde zo slecht nog niet, maar het neemt niet weg dat het onze wereld niet is. Wij horen er niet thuis. Daarom zien wij uit naar de door de Heer beloofde toekomst. Wij zien in de eerste plaats uit naar de “verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Zaligmaker” (Titus 2 : 13) en vervolgens naar het weerzien met onze broeders en zusters.


 Oorspronkelijke bijbelezingen C169 Wat is de hemel?
door: Ab Klein Haneveld

Dit is een bewerking van de Brochure "Wat is de hemel?" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/