De “opname” van de Gemeente

Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. 1 Thessalonicenzen 4 17  *

Zondermeer is de “opname van de Gemeente” een van de meest besproken onderwerpen onder degenen die uitzien naar de “dag dat ik Hem ontmoeten mag”. Er wordt veel over “de opname” gesproken, geschreven en zelfs op film gezet. Uiteraard staat het moment van deze gebeurtenis in de belangstelling; de Bijbel laat ons immers niet in het ongewisse over de tijd waarin wij nu verkeren. Is het voor, tijdens of na de Grote Verdrukking dat wij “de Heer tegemoet zullen gaan in de lucht”? Deze discussies omtrent het hoe en het tijdstip, vertroebelen helaas vaak waar het echt over zou moeten gaan. Wat is “de opname” eigenlijk? Hoe ziet “de opname” eruit en wie zijn erbij betrokken? Waartoe dient deze gebeurtenis Deze vragen vergen Bijbelstudie, omdat er alleen in het bovenstaande vers gesproken wordt over “opgenomen worden in de wolken”. De andere Schriftgedeelten wijzen ons echter heel duidelijk waar het echt om gaat. Dat is “onze openbaring voor de rechterstoel van Christus”. Die zaligheid met eeuwige heerlijkheid, brengt met zich mee dat wij het aardse lichaam in een “flits” zullen afleggen ten gunste van een veranderd en verheerlijkt hemels lichaam. Daarmee mogen wij verder in de positie waarin wij sinds onze wedergeboorte gezet zijn. Dit onvergankelijke leven ín Christus, ín de hemel, zal bij de wederkomst van Christus uit de lucht, getoond worden aan Israël en de volken.

1. Inleiding. De hemel.
De volksvergadering.
2. Romeinen 8. Een verheerlijkt lichaam.
3. Romeinen 5 : 1 – 8.
4. Romeinen 11.
5. Romeinen 14 : 10 – 13.
6. 1 Korinthe 3 : 9 – 18.
7. 1 Korinthe 4 : 3 , 4.
8. 1 Korinthe 6 : 9, 10.
9. 1 Korinthe 15 : 38 – 58.
10. 2 Korinthe 3 :18.
11. 2 Korinthe 4 : 17 ,18.
12. 2 Korinthe 5 : 1 – 11.
13. Galaten 5 : 16 – 23.
14. Éfeze 1 : 5 – 23. Zijn en onze roeping.
15. Éfeze 4 : 29, 30.
16. Éfeze 5 : 5.
17. Filippenzen 2 : 9, 10.
18. Filippenzen 3 : 10 – 21. Praktische leven.
19. Kolossenzen 3 : 1 – 4.
20. 1 Thessalonicenzen 1 : 9, 10.
21. 1 Thessalonicenzen 2 : 12.
22. 2 Thessalonicenzen 2 :1 – 14.
23. 2 Timótheüs.
24. Titus 2 : 11 – 14.
25. Titus 3 : 7.
26. Hebreeën 2 : 10.
27. Hebreeën 10 : 19 – 39.
28. Hebreeën 12 : 6 – 29.
29. 1 Petrus 3 : 9.
30. 1 Johannes 3 : 1 – 3.
31. Openbaring 3.
32. Openbaring 12 : 5 – 7Wegrukken
33. 1 Thessalonicenzen 4.
34. 1 Thessalonicenzen 5.  De wolken. Tegemoet gaan.
De openbaring voor ChristusNederdalen.

1. Inleiding

Wat staat er in de Bijbel over de “opname van de Gemeente”?

De term “opname van de Gemeente” klinkt ons bekend in de oren. Het zal echter blijken, dat de term “opname van de Gemeente” als zodanig niet in de Bijbel en ook niet in de grondtekst van de Bijbel voorkomt! De vraag die we ons zouden stellen, is: “Welke termen worden er in de Bijbel voor deze gebeurtenis gebruikt?”

Wanneer we het onderwerp vanuit de Statenvertaling bestuderen, komen we alleen in 1 Thessalonicenzen 4 :17 de uitdrukking “opgenomen in de wolken” tegen. Omdat er alleen in deze ene Schriftplaats over “opname” gesproken wordt, bestaan er veel misverstanden over wat onze toekomstverwachting werkelijk is. In de kerken bijvoorbeeld heeft men meestal nog nooit van de opname van de Gemeente gehoord. Dat komt, omdat de uitdrukking nergens in de Bijbel staat! Bovendien komt het woord opname van het Duitse woord “Aufnahme”. Het goede Nederlandse woord is “opneming”. Het misverstand blijkt ondermeer uit een film die men jaren geleden over de “opname van de Gemeente” gemaakt heeft. Die film had als volkomen misplaatste titel “Als een dief in de nacht”. In verband met de opname van de Gemeente zegt de Bijbel, dat de Heer dan juist niet als een dief in de nacht komt. De uitdrukking “als een dief in de nacht” werd onder andere ontleend aan Matthéüs 24 en 25, 1 Thessalonicenzen 5 : 2 en 2 Petrus 3 :10. De uitspraken in Matthéüs 24 : 40 – 43 gaan helemaal niet over de opname en ook niet over de Gemeente.

40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen (weggenomen, gearresteerd), en de ander zal verlaten (gelaten, vergeven) worden.
41 Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen (weggenomen), en de andere zal verlaten (gelaten) worden. 42 Waakt dan, want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal. 43 Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Matthéüs 24 : 40 – 43

Deze Schriftplaatsen spreken over het einde van een periode van veertig jaar,die volgt ná de opname van de Gemeente. Zij hebben betrekking op het begin van de duizend jaren,wanneer het Koninkrijk van Christus over de volkeren en over alle mensen op aarde gevestigd is. Voor die gelegenheid worden alle ongelovigen van de aarde weggedaan. Degenen die weggenomen worden, gaan dood. Men gaat niet naar boven, maar naar beneden. Degenen die gelaten worden, gaan het Koninkrijk binnen. Dit doet de Heer,wanneer Hij de gehele levende mensheid vanaf de troon Zijner heerlijkheid zal oordelen (Matthéüs 25 :31 – 34).

Andere Bijbelteksten die gebruikt worden om de opname van de Gemeente aan te tonen, zijn 1 Korinthe 15 : 51 en Openbaring 12 : 5.  1 Korinthe 15 leidt tot verwarring, omdat de term “opname” daar niet voorkomt. Openbaring 12 : 5 wordt niet geaccepteerd,omdat dat een visioen is. Een eerlijke studie vanuit de Bijbel over dit onderwerp lukt niet door die ene tekst uit 1 Thessalonicenzen 4 :17 te bestuderen. Het lukt wel, als wij Schriftplaatsen over de toekomst van de Gemeente onderzoeken. Wij zouden moeten onderzoeken hoe deze bedeling afloopt. In deze periode verzamelt God een volk voor Zijn Naam, een volk meteen hemelse roeping (Handelingen 15 :14; Éfeze 2 :6; Hebreeën 3 :1). Deze tegenwoordige bedeling heet de bedeling van de genade Gods (Éfeze 3 :2).

Wanneer er over de opname van de Gemeente gesproken wordt,wordt meestal weinig aandacht aan het hoe en waarom besteed. Meestal gaat het over wanneer de opname zal plaatsvinden. Vindt de opname vóór, ín of ná de Grote Verdrukking plaats?  Wij worden geacht over het exacte tijdstip geen uitspraken te doen. Veel gelovigen protesteren tegen de gedachte dat de Grote Verdrukking zou komen. Men is van mening (men stelt zich dus boven God) dat er al genoeg verdrukking geweest is over deze wereld in het algemeen en over het Joodse volk in het bijzonder. Volgens hen spreekt de Bijbel niet over een Grote Verdrukking. Over de verwoesting van Jeruzalem in de nabije toekomst zouden wij helemaal niet mogen spreken. Men denkt, dat God er niet aan zal denken en dus niets zal doen, als wij Hem er niet aan herinneren door erover te spreken. God slaapt immers! Daarom zouden wij Hem moeten aansporen om van alles voor óns te doen.

Als wij vinden, dat Israël genoeg verdrukking heeft gehad en dat dit Jeruzalem vrede moet krijgen, dan komt er geen verdrukking, als wij dat aan God zouden vragen. Niettemin moeten wij dan een belangrijk deel uit de Bijbel bedekken, zoals de Bijbel de eeuwen door steeds bedekt is geworden. De Bijbel leert, dat de Gemeente van deze aarde wordt weggenomen, voordat de geschiedenis van het Joodse volk in de 70 ste week van Daniël wordt voortgezet. Het is vanzelfsprekend dat de Gemeente ruim (3,5 jaar) voor de Grote Verdrukking (die halverwege de 70 ste week begint) van de aarde wordt weggenomen. Verdrukking is er altijd geweest tot nut van de gelovigen (2 Timótheüs 3 : 12;  1 Petrus 4 : 12, 13).

De hemel

Het probleem met betrekking tot de opname van de Gemeente ligt niet in de oorsprong en bestemming van de Gemeente, maar in het wezen van de Gemeente. Zolang men spreekt over de kerk der eeuwen die bij Adam begon en voortduurt tot de jongste dag, heeft het geen enkele zin om over de bestemming van de Gemeente spreken. De Gemeente waarvan wij deel uitmaken, heeft een hemelse toekomstbestemming, die we niet bereiken door ons lichamelijk overlijden. Zo van:”dan gaan we naar de hemel en dan ontvangen we heerlijkheid”. We zijn immers al in de hemel! Eenmaal zal er een overgang zijn van deze zienlijke wereld naar de onzienlijke wereld. Deze overgang is geen verplaatsing over een afstand van miljarden kilometers. De hemel is in afstand niet ver weg. Er ligt wel een grote afstand tussen de zienlijke en de onzienlijke wereld, maar dat is geen afstand in kilometers. Als gelovigen maken wij deel uit van de hemelse wereld die zich uitstrekt tot op de aardbodem.

Alle oudtestamentische gelovigen van vóór onze bedeling (van vóór de dood en opstanding van Christus) zullen een toekomstbestemming hebben op de nieuwe aarde. Deze gelovigen zullen “ten uiterste (jongste) dage opstaan” (Johannes 6 : 39, 40; Johannes 11 : 24). Alle mensen die tot geloof zullen komen na onze bedeling (vanaf het begin van de 70 ste week van Daniël), hebben ook een aardse toekomstbestemming. Aan hen is het Koninkrijk op aarde beloofd. De oudtestamentische gelovigen gaan het Koninkrijk pas ná de jongste dag binnen. Op de jongste dag wordt onder andere de oude aarde door een nieuwe aarde vervangen. De nieuwtestamentische gelovigen van na de opname van de Gemeente gaan meer dan 1000 jaar voor de jongste dag het Koninkrijk binnen.

Een hemelse toekomstbestemming is dus niet de regel, maar een uitzondering. De hemel betekent niet hetzelfde als eeuwig leven of hiernamaals. De hemel is die hogere plaats, de onzienlijke (geestelijke) wereld. De regel is: Christus kwam tot de wereld, maar de wereld (de volkeren) heeft (hebben) Hem niet gekend (Johannes 1 : 10). Hij kwam tot het Zijne (het volk Israël), maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Johannes 1 : 11). De wereld en de Zijnen vormen samen alle volkeren van deze aarde. Niettemin blijkt er een gelovig overblijfsel uit de heidenen (de volkeren) en uit het Joodse volk te zijn in onze dagen. De uitzondering op de regel zijn wij, de Gemeente van Christus, die zich aan Gods Woord onderwerpen.

De volksvergadering

De mensheid in het algemeen wil niets van de God van Israël en de God der Heirscharen wil weten. Men maakt zichzelf een god en een eigengemaakte godsdienst. De wereld heeft God losgelaten. De andere kant van het verhaal is, dat God de wereld heeft losgelaten (Romeinen 1 : 26, 28). God ontfermt Zich alleen over degenen die zich in geloof aan Hem onderwerpen. Deze Gemeente van uitzonderingen vormteen volk dat de door God aangestelde Koning (Psalm 2 : 6) heeft erkend. Aangezien wij Gods eerste volk onder het nieuwe verbond zijn, zijn wij een Gemeente van eerstgeborenen (Hebreeën 12 : 23). Wij worden beschreven als de algemene vergadering ofwel de volksvergadering (de wetgevende vergadering) in het Koninkrijk van Christus dat straks over heel de aarde geopenbaard zal zijn. Wij zijn niet slechts Zijn onderdanen,maar wij zijn samen met Hem geroepen om over het Koninkrijk te regeren. De volksvertegenwoordiging bestaat uit mensen die uit het volk geselecteerd zijn om samen met de koning over de staat (stad) te heersen.

De Griekse term ekklesia (de uitgeroepenen) is een synoniem voor de volksvergadering. De ekklesia bestaat uit mensen die uit het volk uitgeroepen zijn en er boven geplaatst zijn om deel te hebben aan het werk van de koning. Daarom zijn wij niet bestemd voor de aarde, maar voor de hemel. Naar Joodse begrippen vormen die uitgeroepenen de raad van oudsten (eerstgeborenen). De oudtestamentische wet zegt immers,dat elke eerstgeborene bestemd is voor de Heer Zelf (onder andere Exodus 13 : 2; Numeri 3 : 13). De eerstgeborene was het eigendom van de Heer en zou in de tempel aan Hem geofferd moeten worden. Samuël bijvoorbeeld werd in de tempel gebracht en maakte deel uit van het huis van de hogepriester.

Een volksvertegenwoordiging of regeringsorgaan wordt ook aangeduid als een lichaam. Wij als Gemeente zijn het Lichaam van Christus (Kolossenzen 1 : 24). Wij zijn het uitvoerend orgaan van Christus Zelf. Als Hij Die ons Hoofd is, Zijn Koninkrijk zal openbaren en zal onderhouden tot in eeuwigheid, dan zal Hij dat via Zijn lichaam (door u en mij) doen. Onze echte toekomst is, dat wij zijn geroepen om vanuit een hemelse positie deel te hebben aan de heerlijkheid en heerschappij van Christus. Die toekomst zullen wij slechts binnengaan door de verandering van ons lichaam. Dat is noodzakelijk; het is geen doel in zichzelf. De Bijbel spreekt er daarom niet uitgebreid over. Door de verandering van ons lichaam worden wij van het ene op het andere moment onzienlijk. Dan maken wij, net zoals de engelen (die nu in ons midden zijn), deel uit van die onzienlijke wereld. Voor de wereld zijn wij dan opeens verdwenen.

Uit het feit, dat wij een hemelse toekomst hebben,zouden we kunnen concluderen, dat wij in de toekomst naar de hemel gaan. In de praktijk is dit de ontkenning van een veel belangrijkere Bijbelse waarheid. Voor zover wij in de toekomst naar de hemel zullen gaan, is dat omdat wij nu reeds in de hemel zijn! Hoe meer nadruk er komt te liggen op het in de toekomst naar de hemel gaan, hoe meer wij in de praktijk bezig zijn te ontkennen, dat wij al in de hemel gezet zijn (Éfeze 2 : 6)! Dat blijkt ondermeer uit de liederen die wij zingen. Waar echter vastgesteld wordt, dat wij nu reeds met Christus in de hemel gezet zijn, daar is de toekomstverwachting een vanzelfsprekende zaak. Een lichamelijke opname naar de hemel speelt dan nauwelijks een rol van betekenis. Waarom zouden wij naar de hemel gaan als wij er allang zijn? Het gaat om de positie die wij nu reeds voor God innemen. De opname van de Gemeente vloeit voort uit de tegenwoordige positie van de gelovige en van de Gemeente.

In verband met de toekomst en de eindbestemming van de Gemeente vinden we talloze Schriftplaatsen. De Schriftplaatsen die van belang zijn, spreken over:

  1. de verlossing van ons lichaam.
  2. Het behouden worden van de (toekomende) toorn.
  3. Het oordeel van onze werken.
  4. Het ontvangen van een erfenis
  5. Het ontvangen van heerlijkheid.
  6. Het openbaren van heerlijkheid.
  7. de verhoging of ergens ingaan.
  8. de aanstelling tot zoon. (= erfenis ontvangen)
  9. de zaligheid in de toekomst.
  10. Het loon, kronen ontvangen.
  11. we zullen Hem gelijk zijn (naar het lichaam, dezelfde gedaante).
  12. opgenomen in de wolken.
  13. de rechterstoel van Christus.
  14. Het openbaar worden van de zonen Gods.

De conclusie uit deze termen is op voorhand, dat wij wachten op de aanstelling tot zoon (als Gemeente en individueel) en op het ontvangen van de erfenis en onze heerlijkheid. Nadat wij officieel tot zonen Gods aangesteld zijn, zullen wij als zodanig geopenbaard worden. De schepping wacht namelijk op het openbaar worden van die zonen Gods (van de verloste Gemeente) (Romeinen 8 :19). Dat is bij de wederkomst van Christus. Zolang wij in dit lichaam zijn, zullen wij niet tot zonen Gods worden aangesteld.

De verlossing van ons lichaam vindt dus plaats, voordat de Heer in heerlijkheid zal verschijnen! Wij zullen dan met Hem (dé Zoon) geopenbaard worden in heerlijkheid (Kolossenzen 3 : 4). Daarom gaan wij Hem tegemoet (1 Thessalonicenzen 4 : 17).

2. Romeinen 8

In deze studie gaan we systematisch door de Bijbel. Het eerste Schriftgedeelte is Romeinen 8. Dit is één van de hoogtepunten van de nieuwtestamentische brieven.

Romeinen 8 : 14 – 30

Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Rom. 8 : 14

Het is de bedoeling (het is onze roeping), dat wij door de Geest Gods geleid zouden worden naar de aanstelling tot zonen.

Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! Rom. 8 : 15

In vers 15 wordt die Geest “de Geest der zoonstelling” genoemd.In de N.B.G.- vertaling heet die Geest”de Geest van het zoonschap”.

Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Rom. 8 : 16

Wij zijn nu kinderen Gods (sinds de opstanding van Christus). Dat wil zeggen,dat wij uit God geboren zijn (Johannes 1 :13).

¶ En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Rom. 8 : 17

Dat wil zeggen, dat wij bestemd zijn om in de toekomst van God en dus met Christus te erven. Christus is de Zoon en daarmee de Erfgenaam van God. Als wij erfgenamen van God zijn, is het onze roeping, dat wij net als Christus tot zonen Gods (koningen en priesters) gesteld zullen worden. Vers 17 spreekt niet alleen over kinderen zijn en erfgenaam zijn. De erfenis komt namelijk niet vanzelf. Dat was bij de Here Jezus niet zo, dus bij ons ook niet. Je kunt wel als erfgenaam geboren zijn, maar dat wil nog niet zeggen, dat je dan ook erft. Ezau was bijvoorbeeld een erfgenaam (een eerstgeborene), maar hij wordt een hoereerder genoemd (Hebreeën 12 : 16). Vers 17 spreekt ook over lijden en verheerlijkt worden met Christus.

De Here Jezus ging de weg van lijden (van vernedering en gehoorzaamheid) om uiteindelijk tot Zoon te worden gesteld ofwel om verheerlijkt te worden. “Ziende op de vreugde die Hem voorgesteld was, liep Hij de loopbaan en heeft Hij Zijn kruis gedragen” (Hebreeën 12:1,2). Het resultaat van die loopbaan is, dat Hij nu gezeten is aan de rechterhand Gods. Christus heeft nu Zijn erfenis ontvangen. Waar wij deelhebben aan diezelfde roeping, wordt van ons verwacht dat wij navolgers van Christus zijn (1 Korinthe 11 : 1). Wij zouden Zijn voetstappen navolgen, opdat wij op diezelfde bestemming zouden uitkomen (1 Petrus 2 : 21). Wij zouden leven uit geloof!  Uit Romeinen 8 :14 – 17 blijkt, dat wij tot zonen gesteld zouden worden, dat wij bestemd zijn om te erven en dat wij tot heerlijkheid bestemd zijn. Deze drie begrippen komen steeds terug in verband met de toekomst van de Gemeente.

Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Rom. 8 : 18

Vers 18 spreekt ook weer over lijden in deze tegenwoordige tijd en over heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Er is een oorzakelijk verband tussen het lijden en de heerlijkheid; precies zoals in vers 17. De heerlijkheid die wij krijgen, is evenredig met het lijden van nu. Wij lijden vanwege het feit, dat wij onszelf tot uitzonderingen gesteld hebben. Wij lijden omdat wij buiten de legerplaats zijn uitgegaan (Hebreeën 13 :13). Wij lijden, omdat wij ons in onze gedachten (in ons geloof) gedistantieerd hebben van de gangbare opvattingen in de wereld. Wij worden in dit leven, tijdens onze dienst aan de Heer, veranderd door de vernieuwing van ons denken. Wij worden nu Zijn beeld gelijkvormig. Wij ontvangen dus nu reeds heerlijkheid. Die heerlijkheid is voor ons onzienlijk. De overheden en machten in de hemel aan wie de rijkdom van Gods genade betoond zou worden, zien wél die heerlijkheid aan ons (Éfeze 2 : 7; Éfeze 3 :10). De heerlijkheid die wij ontvangen, is het resultaat van de werking en kracht van Gods genade in ons. Die heerlijkheid wordt straks aan ons geopenbaard!  Het is een Bijbels beginsel dat dingen pas geopenbaard kunnen worden, als zij er eerst al zijn. Openbaren betekent “ontsluieren”. Onder die sluier moet dan wel iets aanwezig zijn. Zo ontvangen wij nu reeds een erfenis, maar hij wordt voor ons in de hemel bewaard (1 Petrus 1 : 4).

Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. Rom. 8 : 19

Vers 19 zegt, dat het schepsel (de schepping; vrouwelijk i.p.v. onzijdig) met opgestoken hoofd (reikhalzend) de openbaring der zonen Gods verwacht. “Met opgestoken hoofde” wil zeggen, dat men in de verte probeert te kijken. De hoop van de schepping (van de wereld) is de openbaring van de zonen Gods. Die zonen Gods moeten eerst officieel aangesteld worden om geopenbaard te kunnen worden aan de schepping. De openbaring van de zonen Gods is niet de opname van de Gemeente. De openbaring vindt op zijn vroegst 7 jaren later plaats. Wij worden dan met Christus in heerlijkheid geopenbaard. Christus, de Koning, is gezalfd. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matthéüs 28 : 18). Waarom doet Hij daar nog niets mee? Het wachten is op de zonen Gods (de Gemeente). Christus is in deze tijd Zijn regering aan het vormen. Aangezien Christus al op de troon zit, heeft Hij geen enkele haast. Alles is volbracht (geregeld). De wereld wordt zolang aan haar lot overgelaten en moet nog even geduld hebben.

Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe. Rom. 8 : 22

Vers 22 zegt, dat wij weten, dat de schepping te zamen (in haar geheel) zucht, en te zamen (in haar geheel) in barensnood is tot nu toe, vanwege de openbaring van de zonen Gods.

23  En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaamsRom. 8 : 23

Vers 23 zegt, dat wijzelf, die de eerstelingen des Geest hebben/zijn (wedergeboren zijn uit de Geest), ook zuchten in onszelf (dus niet alleen de wereld), verwachtende de aanstelling tot zonen: de verlossing van ons lichaam (i.v.m. de toekomst). Voor zover de schepping op de wederkomst van Christus wacht, waarbij Hij in deze wereld orde op zaken zal stellen door de volkeren van elkander te scheiden en te onderwerpen, wacht ze eerst op onze aanstelling tot zonen. Dat is het eerste punt op Gods agenda. God doet dat niet als een dief in de nacht. God komt ons niet stelen, want wij zijn immers Zijn eigendom! Daarna zullen wij met Christus, de Zoon bij uitstek, geopenbaard worden in heerlijkheid (Kolossenzen 3 : 4). Dat gebeurt eerst aan Israël (in het bijzonder aan Juda),en vervolgens aan de volkeren. Onze verwachting zal eerst ingelost worden en dan pas de verwachting van de wereld.

De aanstelling tot zonen is de verlossing van ons lichaam. Dit is een en dezelfde gebeurtenis, net zoals bij de Heer Zelf. Hij stond op uit de dood en bij diezelfde gelegenheid werd tot Hem gezegd: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd” (Handelingen 13 : 33 , 34). Op dat moment werd Hij aangesteld tot Priester en tot Koning. Zijn aanstelling tot Zoon hield Zijn opstanding uit de dood in. Andersom: Zijn opstanding uit de dood was de basis tot Zijn aanstelling tot Zoon. Hij stond op in heerlijkheid en Hem werd een Naam gegeven boven alle naam (Filippenzen 2 : 9). De verlossing van ons lichaam is nooit de aanduiding van ons lichamelijk sterven! Deze term komt namelijk overeen met onze uitdrukking voor het sterven: “uit het lijden verlost zijn”. De verlossing van ons lichaam is niet het afleggen van het oude lichaam. Dat is dood en verderf. Dat is het werk van de vijand en dat is toch geen verlossing? De dood is de laatste vijand die tenietgedaan wordt(1 Korinthe 15 : 26). De verlossing van ons lichaam is in de Bijbel altijd de aanduiding van het einde (doel) van onze tegenwoordige bedeling der genade. Het is onze definitieve verheerlijking en aanstelling tot zonen in de toekomst. De verlossing van ons lichaam hangt samen met wat wij de opname van de Gemeente noemen, danwel met onze openbaring voor de rechterstoel van Christus.

Een verheerlijkt lichaam

Wanneer wij als gelovigen sterven, slaan wij onze ogen op in de hemel. Wij zijn altijd al in de hemel, maar dat zien wij met onze aardse ogen niet. Na ons sterven hebben wij andere ogen en een ander lichaam (een andere gedaante), een hemels lichaam. Dat hemelse lichaam kan voor ons een heerlijk vooruitzicht zijn, vooral wanneer ons aardse lichaam ons veel last bezorgt. Dat hemelse lichaam is echter nog geen verheerlijkt lichaam! Een hemels lichaam hoort niet noodzakelijk tot de nieuwe schepping. De hemel is niet de nieuwe schepping, maar de onzienlijke wereld. Die onzienlijke wereld maakt totop zekere hoogte onderdeel uit van de oude schepping. Engelen zijn hemelse wezens met een hemels lichaam. Dat hemelse lichaam behoort tot de oude schepping. In de toekomst zal blijken of het hemelse lichaam heerlijkheid heeft. Die heerlijkheid wordt dus niet openbaar bij ons lichamelijk overlijden. Bij he tLeger des Heils spreekt men over “bevordering tot heerlijkheid”. Die bevordering zou men ontvangen op het moment van het overlijden. Dat is een misverstand. Wij allen, inclusief degenen die eerder in Jezus ontslapen zijn, wachten op deze verheerlijking. Wij ontvangen pas heerlijkheid bij de zoonstelling.

Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Rom. 8 : 24

Vers 24 zegt, dat wij in hope zalig zijn geworden. Die hoop is de aanstelling tot zonen bij de verlossing van ons lichaam (vers 23). Onze hoop is dat wij bij de aanstelling tot zonen niet langer in dit oude vernederde lichaam blijven, want bij onze hemelse status past geen aards lichaam.

Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid. Rom. 8 : 25

Vers 25 zegt, dat wij met lijdzaamheid (het lijden van de tegenwoordige tijd) de heerlijkheid verwachten die aan ons beloofd is.

En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Rom. 8 : 26

Vers 26 zegt, dat wij beseffen, dat wij te zwak zijn voor zo’n hoge roeping. Wij hoeven die roeping niet in onze eigen kracht te vervullen. De Geest (de kracht Gods) komt onze zwakheden te hulp. De Geest doet Zijn werk in ons, zoals wij ook al in Romeinen 8 : 14 en 15 zagen.

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Rom. 8 : 28

Vers 28 zegt dat wij weten dat voor degenen die God liefhebben (praktisch liefhebben = dienen) álle dingen medewerken ten goede. Alle dingen in ons leven zullen altijd meewerken ten goede. Sommigen stellen daarom achteraf vast dat ook dingen waarvan zij spijt hebben, niettemin meewerkten ten goede. Dat zal ik niet ontkennen. We mogen echter niet concluderen dat de dingen die mis gingen, door God gewild zijn. Dat alle dingen medewerken ten goede, betekent, dat hoewel God bepaalde dingen niet gewild heeft, Hij juist die dingen doet medewerken ten goede. Die dingen die God wel gewild heeft, werken sowieso mee ten goede. Als wij terugkijken in ons leven, dan zien we dat. Wanneer wij op de Heer vertrouwen, zal onze weg Zijn weg zijn. Welke weg en welke richting wij dan ook inslaan, die weg is dan de weg des Heren. De Heer zal alles ten goede gebruiken voor degenen die Hem liefhebben! Het “goede” in Romeinen 8 : 28 is onze aanstelling tot zonen. Daartoe zijn we geroepen naar Zijn voornemen. God gebruikt alle dingen om ons op te voeden en ons te doen groeien in geloof. God gebruikt alles om ons geestelijk volwassen te maken, opdat wij geestelijk verantwoordelijkheid zouden dragen. Wij zouden bekwaam zijn om niet alleen in Zijn heerlijkheid te delen, maar in de toekomst ook in Zijn heerschappij. Dat is het doel Gods in ons leven. God kan daar alles voor gebruiken!

¶ Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. Rom. 8 : 29

Ter gelegenheid van de opname van de Gemeente worden wij het beeld van Gods Zoon gelijkvormig. Dat is niet bij onze dood, maar bij het einde van deze bedeling, wanneer de Gemeente definitief verhoogd wordt. 2 Korinthe 3 : 18 zegt, dat wij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. Dat is nu tijdens onze dienst aan de Heer! Bij de opname van de Gemeente wordt dit zichtbaar gemaakt. Christus zou de Eerstgeborene zijn onder (te midden van) vele broederen, onder vele mede-erfgenamen (zonen). Wij zouden delen in de zegeningen van Christus. Die zegeningen worden in Éfeze 1 genoemd. In Éfeze 1 : 19 staat, dat de kracht van Christus in ons werkt. Dat betekent, dat die kracht in ons hetzelfde bewerkstelligt als die ook in Christus bewerkstelligd heeft.Die kracht maakte ons in de eerste plaats levend en zou ons vervolgens een positie in de hemel geven, ver boven alle overheid en machten ook ver boven de engelen.

En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijktRom. 8 : 30

Als God ons tevoren gekend heeft (vers 29), dan heeft Hij ons ook gepredestineerd (verordineerd) om tot zonen gesteld te worden. Hij heeft ons dan ook geroepen. Hij heeft ons ook gerechtvaardigd. Op grond van het voorgaande zal God ons in de toekomst verheerlijken.

Vanuit Romeinen 8 wordt gedemonstreerd dat de zogeheten opname van de Gemeente plaatsvindt vóór de wederkomst van Christus. De wederkomst van Christus is echter niet hetzelfde als de jongste dag. Als men vraagt, waarom God niets doet in deze wereld,dan is het antwoord: “Dat komt, omdat wij (de gelovigen) hier nog zijn.” Wij moeten eerst verheerlijkt worden. Het is te hopen, dat wij ons daarvoor beschikbaar hebben gesteld en dat wij daarnaar jagen. Wij dienen de wereld door ons uit te strekken naar die aanstelling tot zonen in de toekomst. Dat is de enige Bijbelse manier.

3. Romeinen 5 :1 – 8

In Romeinen 5 vinden wij ook trefwoorden die betrekking hebben op onze toekomst.

1 ¶ Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus;
2  Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Rom. 5 : 1,  2

Wij staan nu in deze genade. Wij roemen nu in de hoop (in de verwachting) dat wij van God heerlijkheid zullen ontvangen en dat Hij die openbaar zal maken. Onze hoop is onze toekomstverwachting en die is bepalend voor ons heden. Ons heden is weer bepalend voor onze toekomst. Wanneer we weten, waar we zijn en waar we naar toe moeten, is onze levensweg in belangrijke mate bepaald.

En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; Rom 5 : 3

De gedachte hier is dezelfde als in Romeinen 8 :18, namelijk dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons geopenbaard zal worden. Wanneer wij in de verdrukking roemen, betekent dat niet, dat wij in de Grote Verdrukking (de tweede helft van de 70 ste week van Daniël) roemen. Wij roemen in verdrukking in het algemeen. Die verdrukking brengt lijden met zich mee. Jakobus zegt zelfs: “Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt (Jakobus 1 : 2).”

En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven. Rom 5 : 5

Dit vers komt overeen met Romeinen 8 : 14. De Geest zou ons naar onze toekomstbestemming oftewel naar onze heerlijkheid leiden.

6 ¶ Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.
7  Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.
8  Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. Rom 5 : 6-8

In deze logische uiteenzetting wordt gezegd, dat de Here Jezus voor ons gestorven is, toen wij nog krachteloos, goddeloos, zondaren en vijanden waren. Nu zijn wij kinderen Gods. Wat doet de Heer nu voor ons? Het antwoord staat in Romeinen 5 :10.

9 Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.
10 Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven Rom 5 : 9, 10

Wij zullen behouden worden van den toorn. Er staat niet:behouden worden van de Grote Verdrukking. Het gaat in vers 9 over de toorn die nu over de wereld ligt. Dat komt, omdat God deze wereld heeft losgelaten (Romeinen 1 : 18 – 32). Wij worden nu behouden van die toorn (1 Thessalonicenzen 5 : 9). 1 Thessalonicenzen 1 : 10 spreekt over de toekomende toorn. De verlossing van de toorn is onze hoop en verwachting voor nu en de toekomst.

Romeinen 5 en 8 spreken uitgebreid over onze toekomst. De term “opname” zijn we in dit verband echter niet tegengekomen. Ook niet de gedachte dat we bij de opname langzaam omhoog zouden gaan. We zouden ons dus een andere Bijbelse terminologie eigen moeten maken.

4. Romeinen 11

In Romeinen 11 staat dezelfde gedachte als in Romeinen 5 en 8.

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. Rom 11 : 25

In dit Schriftgedeelte wordt gesproken over de toekomstige bekering van Israël; meer specifiek over de bekering van het Joodse volk. De verharding over het Joodse volk wordt opgeheven, nadat de “volheid der heidenen zal zijn ingegaan”. De volheid der heidenen staat naast “hunne volheid” (de volheid van de Joden) in Romeinen 11 : 12. De volheid van het Joodse volk,is een bekeerd Joods volk. De volheid der heidenen zijn bekeerde heidenen, namelijk de Gemeente. De volheid is een vrucht, een vervulling. De Gemeente zal ergens ingaan. Waar de Gemeente ingaat en hoe dat zal gebeuren, staat hier niet bij. Dat hoort niet thuis in de Romeinenbrief, maar in de brieven aan de Éfeziërs en de Hebreeën. Hier wordt Romeinen 8 : 19 – 21 bevestigd, namelijk dat zowel het Joodse volk als de hele wereld wacht op de Gemeente, die eerst zou ingaan. Wij weten dat het Joodse volk ná de 70 ste week van Daniël tot geloof zal komen. Wij verdwijnen aan het begin van de 70 ste week van Daniël. Wij gaan in in de hemel.

5. Romeinen 14 :10 – 13

Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden. Rom 14 : 10

Romeinen 14 : 10 is niet de normale wijze waarop over de toekomst van de gelovigen uit onze bedeling gesproken wordt. De term “rechterstoel van Christus” wordt hier in een heel specifiek verband gebruikt. “Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder” geeft dit specifieke verband al aan. De grondgedachte is, dat wíj niet over onze broeders zouden oordelen. Onze broeders en wij zullen door Christus Zelf geoordeeld worden. Hoe gebeurt dat? Dat is al uiteengezet in Romeinen 5, 8, en 11. Voor zover individuele gelovigen geoordeeld zouden worden, zouden wij dat niet doen, maar de Heer!  Hier wordt dus niet over de gebeurtenis als zodanig gesproken, maar wel over het beginsel. Elkander oordelen komt ons niet toe. Dat wordt samengevat in Romeinen 14:

Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven. Rom 14 : 12

Dit geldt niet alleen voor de toekomst, maar ook nu, zegt het volgende vers.

Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft. Rom 14 : 13

Het gaat over onze persoonlijke verantwoordelijkheid als kinderen Gods. Deze dienst vervullen wij rechtstreeks onder leiding en verantwoordelijkheid van onze Hogepriester. Anders: het gaat over de dienst die wij vervullen als leden van het lichaam van Christus onder de leiding van ons Hoofd.

6. 1 Korinthe 3 : 9 – 18

1 Korinthe 3 spreekt ook over de toekomst van de Gemeente. Paulus spreekt in 1 Korinthe 3 over zijn bediening. Hij zegt dat zijn bediening rechtstreeks verband houdt met de bediening van elke gelovige. Het werk Gods in onze dagen bestaat namelijk uit de bouw van de Gemeente. Die bouw wordt aan de ene kant vergeleken met akkerbouw en aan de andere kant met de bouw van een woning (tempel) voor God Zelf (1 Korinthe 3 : 9). Hebreeën 3 : 6 zegt, dat wij het huis van Christus zijn.

Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een ieder zie toe, hoe hij daarop bouwe. 1 Kor. 3 : 10

Paulus zegt, dat hij als wijs bouwmeester het fundament van het Huis te Korinthe heeft gelegd. Die Gemeente te Korinthe is namelijk ontstaan door het evangelisatiewerk van Paulus. Een ander bouwt verder op dat fundament. Maar “…een ieder zie toe, hoe hij daarop bouwe”. Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus (1 Korinthe 3 : 11). Jezus de Mens werd uitermate verhoogd en Hij werd door God tot Heer en tot Christus gesteld (Handelingen 2 : 36). Het fundament is de dood en opstanding van Jezus Christus. Hij is het fundament en de basis van onze dienst.

12  En indien iemand op dit fondament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen;
13a  Eens iegelijks werk zal openbaar worden;…. 1 Kor. 3 : 12, 13a

Dit is ook een term in verband met onze toekomst en over het oordeel voor de rechterstoel van Christus. Ons werk is het werk dat door ons lichaam geschied is. Dat kan ons eigen werk zijn, namelijk het werk van de natuurlijke mens. Die werken worden beschouwd als hout, hooi en stoppelen (stro). Dit materiaal brandt heel goed. Het is een troost te weten, dat al onze eigen werken zullen verdwijnen. Dat is geen negatieve, maar een positieve gedachte. Het werk dat beschouwd wordt als goud,zilver en kostelijke stenen zal blijven, omdat het vuurbestendig is. Dit werk blijft over.Het is de uitbeelding van het werk van Christus in en door ons. Het oude gaat weg en het nieuwe blijft over, indien dat aanwezig is. Het resultaat van onze dienst aan de Heer zal openbaar worden aan u en mij. Dat gebeurt op het moment van onze lichamelijke verlossing oftewel op het moment van de verandering van ons lichaam. Dan zien wij de heerlijkheid die het resultaat is van onze dienst aan Hem en van onze verandering naar Zijn beeld.

13b  …..; want de dag zal het verklaren, (aan het licht brengen) dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. 1 Kor. 3 : 13b

Die dag is de dag van Christus (Filippenzen 1 : 6). Het is de dag van het oordeel van Christus i.v.m. en over de Gemeente. Vuur staat voor oordeel. Het is beeldspraak ter verduidelijking. Heel ons leven komt als het ware in het vuur (het oordeel) en alles wat uit het vlees en uit de oude mens was, verdwijnt (verbrandt). In de toekomst zal heel de oude schepping in het vuur verdwijnen (2 Petrus 3 : 7). Dat houdt ook in, dat de oude schepping van het ene op het andere moment veranderd wordt. Dit oordeel gaat niet volgens het principe van onze rechtbanken met een verdachte, een aanklager en een advocaat. In ons geval zou de advocaat de Heer Zelf zijn, Die naast ons komt staan. Dit principe is niet Bijbels. Over het oordeel van de Heer valt niet te discussiëren. Dat oordeel staat allang vast! Want het resultaat van dat oordeel is al bereikt. Bij de opname van de Gemeente wordt daar niets aan toegevoegd. Slechts ons lichaam waarvan wij gevangenen zijn, wordt van ons weggenomen. Als de omhulling (de voorhuid) wordt weggenomen, wordt openbaar water altijd al was. Het inwendige wordt dan naar buiten zichtbaar. Als het ei uitkomt, wordt de schil verbroken en wordt de heerlijkheid van het nieuwe leven openbaar. Wie wij door en in Christus geworden zijn, is na de opname van de Gemeente zondermeer (in één moment) openbaar. Wie wij door genade geworden zijn, is dan aan onze buitenkant te zien.

14  Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.
15  Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur. 1 Kor. 3 : 14, 15

In de toekomst zullen onze eigen werken verdwijnen en geoordeeld worden. Wanneer wij in ons leven alleen van uit onze eigen oude mens (onze eigen inzichten en ideeën) gewerkt hebben, blijft er van ons werk en dus van ons hele leven niets over. Maar …”al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus, dat houdt zijn waarde en zal blijven bestaan. Niets is hier blijvend; alles hoe schoon ook zal eenmaal vergaan (Lied 166 Joh.d.H)”.

16 ¶ Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont? 1 Kor. 3 : 16

Wij zijn Gods tempel, omdat de Geest Gods in ons woont.

17  Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.
18 ¶ Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden. 1 Kor. 3 : 17,18

Wij zouden ons bewust zijn, dat wij individueel, maar ook collectief als Gemeente, het bouwwerk Gods zijn. God bepaalt, hoe daaraan gebouwd zal worden. Hij zou het door ons en in ons doen. Onze eigen werken en ideeën zullen vergaan. Voor velen zal het een grote teleurstelling zijn, wanneer alles wat zij in dit leven goed bedoeld gebouwd hebben,voor God geen waarde blijkt te hebben. De brand gaat erin, ofwel van het ene op het andere moment vindt de opname van de Gemeente plaats en alle eigen werken zijn verdwenen.Dit is voor velen geen hoopvolle gedachte. Daarom hoopt men dat de opname nog heel lang zal duren.

7. 1 Korinthe 4 : 3, 4

3  Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet. 1 Kor. 4 : 3

Paulus zegt, dat hij het oordeel aan de Heer overlaat. Dat zouden wij ook moeten doen. Wij zouden ons alleen aan de Heer en aan Zijn Woord onderwerpen. Wij zouden ons beschikbaar stellen aan Zijn dienst en Hij zou het willen en het werken in ons volbrengen (Filippenzen 1 : 6 ; 2 : 13). Of de dingen die wij doen, dingen des vleses of dingen des Geestes zijn,  kunnen wijzelf niet bepalen. Dat hoeft ook niet, want alles van onszelf zal verdwijnen en alles van de Heer zal blijven.

Want ik (Paulus) ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere1 Kor. 4 : 4

Paulus is niet in staat zichzelf te beoordelen. Het werk dat wij doen, kunnen wij verklaren vanuit de oude mens, maar ook vanuit het werk van de Geest in ons (vanuit de nieuwe mens). Wij kunnen niet uitmaken wat onze beweegredenen zijn. Is Bijbelstudie geven, geldingsdrang van iemand of is het de wil van de Heer? Voor ons is slechts van belang, dat Gods Woord gepredikt wordt en dat wij dat nazoeken. Waarom dienen wij de Heer en waarom dragen wij verantwoordelijkheid in een plaatselijke gemeenschap? Uit heerszucht, hoogmoed of om de Heer te dienen? Beide dingen kunnen waar zijn. In de toekomst zal de Heer dat oordelen.

8. 1 Korinthe 6 : 9 ,10

In 1 Korinthe 6 wordt over het doen en laten (de wandel) van de gelovige in het algemeen gesproken.

9 ¶ Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?
10  Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. 1 Kor. 6 : 9, 10

Het gaat hier om een erfenis. Er wordt gezegd wie het Koninkrijk niet zullen beërven in de toekomst. Er staat niet, dat zulke mensen het Koninkrijk Gods niet zullen ingaan. Zij gaan het Koninkrijk in op grond van geloof, ondanks het feit dat zij hoereerders of iets dergelijks waren. Het gaat hier over gelovigen in Korinthe.

Erfenis en loon zijn naar Bijbelse begrippen synoniem. Iemand die niet erft in het Koninkrijk, ontvangt geen loon. Men zal in de praktijk niet delen in de heerschappij van Christus. Zie ook Galaten 5 : 21 en Éfeze 5 : 5. Wanneer de opname van de Gemeente plaatsvindt, betekent dat,dat wij eventueel onze erfenis (ons loon) zullen ontvangen. In 1 Korinthe 6 : 10 staat het in de negatieve vorm: de onrechtvaardigen zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. Wanneer wij de Heer dienen en Zijn leven in ons geleefd wordt, zullen wij dat Koninkrijk wel beërven. Beërven komt overeen met de aanstelling tot zonen en het ontvangen van heerlijkheid. Elke gelovige is het Koninkrijk ingegaan, maar of hij het beërft is nog de vraag. Wij zijn allemaal Nederlands staatsburger, maar of wij ooit koning of koningin der Nederlanden worden, is zeer de vraag.

9. 1 Korinthe 15 :38 – 58

1 Korinthe 15 spreekt verzen lang over het verschil in heerlijkheid. Er is verschil in aardse lichamen en hemelse lichamen.

38  Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.
39  Alle vlees (lichaam) is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander (allos) is het vlees der beesten, en een ander (allos) der vissen, en een ander (allos) der vogelen.
40  En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere (heteros) is de heerlijkheid der hemelse, en een andere (heteros) der aardse. 1 Kor. 15 :38 – 40

Het Griekse “allos” betekent: anders van dezelfde soort. Het Griekse “heteros” betekent: anders van een andere soort. In vers 40 wordt uitgelegd dat er verschil bestaat tussen aardse en hemelse lichamen. Alle aardse lichamen (vlees van mensen, dieren, vissen) zijn niet gelijk (1 Korinthe 15 : 39) en alle hemelse lichamen (zon, maan en sterren) zijn ook niet gelijk (1 Korinthe 15 :41). Bij nieuwe maan bijvoorbeeld is niets te zien. Bij volle maan wel. Het geoefend oog ziet, dat de ene ster in heerlijkheid verschilt van de andere ster. De kleuren en de hoeveelheid licht van alle sterren zijn verschillend. Alle hemelse lichamen zijn verschillend.

41  Een andere (allos) is de heerlijkheid der zon, en een andere (allos) is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.
42  Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
43  Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. (Dit geldt universeel) en
44  Een natuurlijk (zielijk) lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.

47  De eerste mens is uit de aarde, aards; (lichamelijk) de tweede Mens is de Heere uit den Hemel.
48  Hoedanig de aardse (Adam) is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse (Christus) is, zodanige zijn ook de hemelsen. 1 Kor. 15 :41-44. ; 47,48

In wezen zijn wij allen gelijk (Adamitisch) en toch zijn onze lichamen niet hetzelfde. Wij zien er allemaal anders uit. Er is verschil in heerlijkheid. In de opstanding krijgen wij een lichaam dat gelijkvormig is aan het opstandingslichaam van Christus. Die lichamen zijn echter verschillend door verschil in heerlijkheid. Dat blijkt onder andere uit het opstandingslichaam van Christus dat nog steeds de (lit)tekenen van Zijn kruisiging droeg. Het was hetzelfde lichaam, maar veranderd. Het opstandingslichaam van Christus draagt Zijn kenmerken (de sporen van Zijn leven en sterven). Zo zal het met ons lichaam ook zijn.

En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des Hemelsen dragen. Kor. 15 :49

Dit gaat over de verandering van het lichaam.

Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet. Kor. 15 :50

Ons vlees en bloed (onze lichamen) zijn wel het Koninkrijk binnengegaan, maar kunnen het niet beërven. Als het goed is, hebben wij onze lichamen van vlees en bloed geofferd aan de Hogepriester van het nieuwe verbond. Onze lichamen worden door Hem gebruikt als gereedschappen (wapenen, instrumenten) voor de dienst in het Koninkrijk Gods (Romeinen 6 : 13). Voordat wij tot zoon gesteld worden, ofwel de erfenis (het loon) die in de hemel voor ons bewaard wordt, ontvangen, zullen wij eerst een ander lichaam krijgen. Dat hebben wij al gelezen in Romeinen 8. Wij verwachten de aanstelling tot zonen, namelijk de verlossing van ons lichaam. De verlossing van ons lichaam is de vervanging van ons aardse lichaam voor een hemels lichaam.

¶ Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; Kor. 15 :51

De verborgenheid spreekt altijd over onze bedeling. Onze bedeling wordt onder andere “de bedeling der verborgenheid genoemd” (Éfeze 3 : 9). “Niet ontslapen” betekent dat wij wellicht levend overblijven tot de toekomst des Heren (1 Thessalonicenzen 4 : 15). In 1 Korinthe 15 gaat het over de lichamelijke opstanding uit de dood. De normale gedachte is dat het aardse lichaam sterft, maar dat het definitieve hemelse heerlijke lichaam zal worden opgewekt ter gelegenheid van de opname van de Gemeente. De vraag is: “Wat gebeurt er, als je niet lichamelijk gestorven bent en dus levend overblijft tot de toekomst des Heren?’ Paulus legt uit,dat wij dan veranderd zullen worden zonder te sterven. Die verandering wordt ook genoemd in Filippenzen 3 :21. Die verandering vindt plaats in een punt des tijds, in een ondeelbaar (Grieks:a-tomos) ogenblik.

In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. Kor. 15 :52

De bazuin is een beeld van het krachtige Woord (de stem) van God. Het blazen van de bazuin houdt altijd het verzamelen van het volk rondom de koning in. Bij de laatste bazuin wordt de Gemeente door Christus verzameld. Het is onze toevergadering tot Hem (2 Thessalonicenzen 2 : 1). De laatste bazuin houdt verband met de laatste gebeurtenis in verband met de vijfde bedeling en de Gemeente. Die laatste bazuin zal ons veranderen. Wanneer de bazuin slaat (hard klinkt), zullen de doden onverderfelijk opgewekt worden en wij die levend overgebleven zijn, zullen bij die gelegenheid eveneens een onverderfelijk lichaam ontvangen. Wij worden niet opgewekt, maar het verderfelijke lichaam dat wij nu hebben, zal van het ene op het andere moment in een onverderfelijk lichaam veranderd zijn. In ons evangelisch jargon noemen wij dit normaal gesproken de “opname van de Gemeente”. Het woord “opname’ komt echter in 1 Korinthe 15 niet voor, terwijl dit hoofdstuk een van de meest uitgebreide beschrijvingen naast 1 Thessalonicenzen 4 is.

Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. Kor. 15 :53

Er staat niet, dat ons oude lichaam van ons afvalt en dat wij in een ander lichaam verdergaan. Zo gebeurt het niet. Als wij ons hemelse lichaam zullen ontvangen, blijkt dat het veranderde lichaam wat wij nu hebben, te zijn. Wat er dan met onze kleding gebeurt, weet ik niet. De verandering heeft niets te maken met opnemen in de gebruikelijk betekenis van het woord. Na onze verandering zijn wij opeens niet meer te zien, maar we zijn gewoon waar we waren. Wij zijn nu reeds met Christus gezet in de hemel (Éfeze 2 : 6). De hemel strekt zich tot de aardbodem uit en zelfs dwars door ons heen. Wij maken deel uit van de hemelse dingen en van de hemelse wereld. Na onze verandering zijn wij “invisible men”. Over verplaatsing wordt niet gesproken. Wij zijn in de hemel en wij blijven in de hemel. In hoeverre er sprake is van verplaatsing in de hemel zelf, staat nog te bezien. Waarschijnlijk speelt afstand en daarmee ook verplaatsing in de hemel geen rol. Onze verandering is noodzakelijk om de erfenis te kunnen ontvangen. Zolang wij in dit lichaam zijn, ontvangen wij de erfenis niet, want vlees en bloed kunnen het Koninkrijk God niet beërven (1 Korinthe 15 : 50).

¶ Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. Kor. 15 :58

Met dit merkwaardige vers eindigt 1 Korinthe 15. Wij worden opgeroepen om te bouwen met goud, zilver, kostelijke stenen (1 Korinthe 3 : 12), opdat wij in de toekomst de erfenis zouden ontvangen. Dat betekent, dat onze praktische wandel en dienst (het werk des Heren) alles te maken heeft met “de opname van de Gemeente”, ofwel met onze aanstelling tot zonen en de verlossing van ons lichaam. Vers 58 wil zeggen, dat naarmate wij hier meer of minder standvastig, onbewegelijk en overvloedig zijn in het werk des Heren, wij meer of minder heerlijkheid zullen ontvangen. Volgens de Bijbel drukt die heerlijkheid zich rechtstreeks uit in het lichaam dat wij zullen ontvangen.

Wij zien niet uit naar de algemene omzetting van onze lichamen naar hemelse lichamen. Wij zien uit naar het ontvangen van loon, van een erfenis, van heerlijkheid. De gedachte dat het resultaat van ons leven hier wordt uitgedrukt in het lichaam dat wij in het hiernamaals zullen ontvangen, was de gangbare gedachte in de Griekse wereld. In het hiernamaals zou men beloond worden voor het leven hier en dat loon zou zich uitdrukken in de uiterlijke verschijning (het lichaam) die men in het hiernamaals zou hebben. Daarom is het niet noodzakelijk om dit in het Nieuwe Testament met grote nadruk uit te leggen. Het was daar een vanzelfsprekende gedachte.

10. 2 Korinthe 3 :18

In de tweede Korinthebrief wordt de voorgaande gedachte met meer nadruk besproken. 2 Korinthe 3 en 4 zeggen, dat God ons bekwaam gemaakt heeft om dienaren van het nieuwe verbond te zijn (2 Korinthe 3 : 5, 6). Wij zouden die bekwaamheid in praktijk brengen.

En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. 2 Kor. 3 :18

Dit proces vindt nu plaats. Bij Mozes was de heerlijkheid zichtbaar, maar bij ons is die heerlijkheid nog onzienlijk. Die heerlijkheid zal in de toekomst geopenbaard worden. Dat is de opname van de Gemeente. Mozes ontving de heerlijkheid des Heren en gaf die door (Exodus 34 : 29 – 35). Waar wij de heerlijkheid des Heren ontvangen en doorgeven (weerspiegelen), worden wij (die een spiegel zijn) in gedaante veranderd. Het Licht van de Heer valt als het ware op ons en wordt via ons weerspiegeld, waardoor wijzelf veranderen in gedaante. Wij zouden het aangezicht onbedekt houden, zodat wij de volle heerlijkheid ontvangen en kunnen doorgeven. Wij zouden daarin niet vertragen (2 Korinthe 4 : 1,16).

11. 2 Korinthe 4 : 17,18

Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid2 Kor. 4 :17

Onze lichte verdrukking is niet de Grote Verdrukking. Dit vers kunnen we zo naast Romeinen 8 : 18 leggen. Wij lijden met Hem, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden (Romeinen 8 : 17). Wij verwachten een gans zeer uitnemend gewicht der heerlijkheid.

18 (Wij vertragen daarom niet), dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig. 2 Kor. 4 :18

Wij hebben onze hoop op eeuwige dingen gesteld. Wij bouwen onze levens op onzienlijke dingen. Dit vers kunnen we naast Romeinen 8 : 24 leggen.

12. 2 Korinthe 5 : 1 – 11

¶ Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. 2 Kor. 5 :1

Ons aardse huis (lichaam) is een tabernakel oftewel een tent. Ons aardse huis is dus een tijdelijk huis. Een gebouw is een sterk woord voor een huis. De term “met handen gemaakt” wordt in de hele Bijbel gebruikt ter aanduiding van deze tegenwoordige oude schepping. Deze schepping is het werk Zijner handen (Psalm 8 : 7; 19 : 2). “Niet met handen gemaakt” betekent” niet van deze oude schepping”, maar van een nieuwe schepping!  In Hebreeën 9 :11 staat duidelijk:”…niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel (niet als deze oude schepping).”

In 2 Korinthe 5 : 1 staat niet alleen dat wij een eeuwig hemels lichaam verwachten,maar dat wij een lichaam verwachten dat deel uitmaakt van de nieuwe schepping. Nu is de vraag: Wanneer? Wij zijn van nature op ons zelf en op zienlijke dingen gericht. Daarom nemen wij voetstoots aan, dat het hier over ons lichamelijk overlijden gaat, namelijk als ons aardse huis wordt gebroken. Het gaat hier niet over ons lichamelijk overlijden. Paulus redeneert gewoonlijk vanuit de gedachte, dat wij levend overblijven tot de toekomst des Heren. De verwachting van een lichamelijk overlijden heeft geen enkele plaats in het christelijk leven. Paulus spreekt altijd over de opname van de Gemeente in verband met de uiteindelijke heerlijkheid die geopenbaard zal worden. Het gaat hier niet zozeer over het feit, dat wij een eeuwig gebouw bij God hebben op het moment dat wij overlijden (dat is wel zo), maar over onze toestand in de toekomst. Het gaat in vers 1 dus weer over de lichamelijke verlossing.

2  Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden.
3  Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.
4  Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. 2 Kor. 5 :2-4

Dat het sterfelijke van het leven verslonden worde, wil zeggen, dat het sterfelijke lichaam opgegeten wordt door het nieuwe lichaam dat wij zullen ontvangen. Van het oude blijft dus niets over, maar het wordt veranderd. Vergelijk 1 Korinthe 15 : 53, 54. Romeinen 8 : 23 spreekt in dit verband over de aanstelling tot zonen, namelijk de verlossing van ons lichaam. 2 Korinthe 5 spreekt niet over de verlossing van ons lichaam, maar over een verandering van onze aardse kleding.Dat is hetzelfde als een ander lichaam krijgen. 2 Korinthe 5 spreekt over ontkleed (naakt), bekleed en overkleed worden van de gelovige. In al deze drie gevallen ontvangt de gelovige wel degelijk een hemels lichaam.

De een zal in dat hemelse lichaam naakt staan en zal dat ook altijd blijven. Dat is geen zaak van vreugde, omdat dan bekend is hoe dat zo gekomen is. De ander zal bekleed of overkleed worden. Paulus zegt, dat wij allemaal overkleed willen worden (2 Korinthe 5 : 4). Wij zouden ons daarnaar uitstrekken. Het staat namelijk nog te bezien of wij een nieuw kleed oftewel een verheerlijkt lichaam zullen ontvangen in de hemel. Elke gelovige zal een hemels lichaam ontvangen, omdat hij is wedergeboren. Dat is zaligheid. Wij zijn echter bestemd tot zaligheid mét eeuwige heerlijkheid (2 Timótheüs 2 : 10). Wij hopen, dat onze kleding er zo eervol mogelijk uitziet.

Het verschil in ontkleed, bekleed en overkleed zijn van de gelovigen heeft een reden. De reden van die verschillen is uiteengezet in de 2 Korinthe 3 en 4. Die verschillen hebben te maken met de mate waarin wij onze bekwaamheid om dienaren van God onder het nieuwe verbond te zijn, gepraktiseerd hebben (vergelijk 1 Korinthe 15 : 58). Het heeft te maken met het al of niet stellen van ons aardse lichaam in de dienst onder het nieuwe verbond.

Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. 2 Kor. 5 : 5

Romeinen 8 :15 zei, dat God ons de Geest der zoonstelling gegeven heeft. Die Geest zou ons opvoeden en ons brengen naar die zoonstelling, naar onze toekomstige heerlijkheid.

6  Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere;
7  (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.)
8  Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen.
9  Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn. 2 Kor. 5 : 6-9

“Hem welbehagelijk zijn” is Hem dienen. In Romeinen 12 : 1 en 2 staat: “Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. ”Naarmate wij Hem welbehagelijk zijn, zullen wij door Hem heerlijkheid ontvangen. Waarom wordt dit vers anders in dit verband genoemd?

Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 2 Kor. 5 : 10

In Romeinen 14 : 12 staat: “Zo dan een ieder van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven voor de rechterstoel van Christus” (Romeinen 14 : 10). Christus zal ieders leven beoordelen en eventueel belonen voor datgene wat door het lichaam is geschied, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Goed staat voor het goud, zilver en kostelijke stenen (1 Korinthe 3 : 12). Zie ook Éfeze 6 : 8. Kwaad staat voor hout, hooi en stoppelen. Het kwade wordt niet beloond, maar verbrand. Wat dragen wij dus weg? Een kleed of een overkleed, dat wil zeggen: een meer of minder heerlijk kleed. Anders gezegd:wij verwachten een meer of minder heerlijk lichaam. De betekenis van een kleed of een lichaam is in de praktijk gelijk. Een mens is namelijk gekleed in zijn lichaam. Wij verwachten een ander lichaam ter vervanging van dit lichaam. De heerlijkheid van dat lichaam wordt bepaald door de mate waarin Gods genade door ons betoond is (dat is weerspiegelen van heerlijkheid) ofwel de mate waarin de veelkleurige wijsheid Gods door ons bekend gemaakt is (Éfeze 3 : 10).

2 Korinthe 5 gaat klaarblijkelijk over onze toekomstbestemming en over het ingaan in de eeuwigheid. Wij noemen dit normaal gesproken de opname van de Gemeente, maar dat woord wordt ook in dit Schriftgedeelte niet gebruikt. De opname wordt hier onze openbaring voor de rechterstoel van Christus genoemd. Op het moment, dat Hij dat recht doet (toepast) en spreekt, ontvangen wij een ander meer of minder heerlijk lichaam. Wij zullen niet in de rij voor de rechterstoel van Christus staan, zodat voor een ieder van ons persoonlijk bepaald wordt welk loon hij zal ontvangen. Dit is geen Bijbelse voorstelling van zaken. De heerlijkheid die wij nu reeds in dit leven ontvangen hebben (maar die nog onzichtbaar is), zal voor de rechterstoel van Christus aan ons zichtbaar worden en door ons gezien worden. Dit wordt binnen de hemelse dingen gezien. Waar wij ontbonden zijn van het aardse lichaam en van de beperkingen die dat lichaam met zich meebrengt, daar zullen wij niet alleen de Heer in Zijn heerlijkheid zien, maar daar zullen wij ook onszelf en elkaar in heerlijkheid zien.

Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof,….. 2 Kor. 5 : 11

“Wetende den schrik des Heeren” heeft te maken met weten dat wij geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus. Het bewegen tot geloof was een belangrijk aspect van de bediening van de apostel Paulus. Hem was de “bediening der verzoening” gegeven (2 Korinthe 5 : 18). Het is ongetwijfeld zo, dat wij door de Heer beloond zullen worden, wanneer wij anderen het Evangelie brengen. Wij worden ook beloond, wanneer wij de broeders liefhebben, als onze liefde ongeveinsd is en wanneer wij een afkeer hebben van het boze, en het goede aanhangen (Romeinen 12 : 9 – 21). Er is ook beloning, als mannen hun vrouwen liefhebben en vrouwen hun mannen onderdanig zijn; wanneer kinderen hun ouders gehoorzaam zijn en wanneer wij dienstknechten naar het vlees onze heren naar het vlees dienen (Kolossenzen 3 : 18 – 25). Kolossenzen 3 : 24 spreekt over de vergelding der erfenis. Dat is onze beloning, namelijk onze erfenis voor het dienen van de Here Christus. Dat is Gode welbehagelijk.

Het dienen van de Heer zoals onder andere genoemd in Romeinen 12, Éfeze 5 en 6 en in Kolossenzen 3 is in overeenstemming met de wil van God voor ons leven. Bovendien wordt dit beschreven als de vrucht van de Geest. Wij moeten bij “dienstknecht van de Heer zijn” niet alleen aan het Evangelie prediken denken, maar ook aan alle aspecten van ons dagelijks leven. Ons leven zou niet bepaald worden door de wet (het oude verbond), maar door de genade (het nieuwe verbond). Onder de slavernij van Egypte (onder de wet) moesten de Israëlieten met stro bouwen (Exodus 5 : 6 – 16). Leven onder de genade houdt in, dat wij elkaar vergeven. Als broeders en zusters tegen ons gezondigd hebben, kunnen wij ons loon verwerven in de hemel door hen te vergeven. Dit zijn praktische dingen uit ons dagelijks leven, waarmee wij de Heer kunnen dienen. Ook voor de manier waarop wij onze baas dienen, zullen wij in de hemel beloond worden. Waar wij trouw zijn aan onze verplichtingen, zal Hij ons loon geven. Onze praktische dienst aan de Heer wordt in verband gebracht met de erfenis die wij in de toekomst zouden ontvangen.

13. Galaten 5 : 16 – 23

In Galaten 5 wordt de negatieve redenering met betrekking tot de toekomst genoemd.

En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet. Gal. 5 :16

Het gevolg van de wandel door de Geest is, dat men de begeerlijkheden des vleses niet volbrengt.

Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo gij niet doet, hetgeen gij wildet. Gal. 5 : 17

Dat is de strijd van hout, hooi en stro tegenover goud, zilver en kostelijke stenen.

Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet. Gal. 5 :18

In Romeinen 8 :14 staat: “Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn zonen Gods.” Wie door de Geest van God geleid wordt, is dienaar van het nieuwe verbond en niet van het oude verbond. De weg naar die zoonstelling (toekomende heerlijkheid en erfenis) is geen weg onder de wet, maar de weg onder de genade (Romeinen 6 :14). In Galaten 5 :19 – 21 noemt Paulus de werken des vleses. Aan het einde van vers 21 zegt hij:

…. Van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die (gelovigen uit Galatië) zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Gal. 5 :21b

Die gelovigen zijn het Koninkrijk inmiddels wel ingegaan, maar zij zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. Wij zijn kinderen Gods. Wij zijn erfgenamen van God, maar zullen wij ook erven? Die erfenis komt niet tot ons via de werken van het vlees. Die erfenis komt via de vrucht van de Geest.

Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Gal. 5 :22

Het goede is de vrucht van de Geest en het kwade slaat op de werken van het vlees. De vrucht van de Geest is de vrucht van het nieuwe verbond en niet van het oude verbond (de wet).

Tegen zodanigen is de wet niet. Gal. 5 :23

14. Éfeze 1 : 5 – 23

In de Éfezebrief lezen we niets over de opname van de Gemeente. Dat ligt voor de hand, omdat de Éfezebrief ervan uitgaat dat wij nu reeds met Christus zijn opgewekt en met Christus in de hemel gezet zijn (Éfeze 2 : 6).

Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil. Éfeze 1 :5

In Romeinen 8 : 30 hebben we gelezen: “Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen;…” Waartoe zijn wij geroepen? Tot zoonstelling. Dat is fundamenteel hetzelfde als verordineerd tot zoonstelling. Sinds wij deelhebben aan de (uit)verkiezing van Christus, zijn wij kinderen Gods. Sinds wij getrokken (gekozen) zijn uit deze tegenwoordige boze eeuw, zijn wij kinderen Gods. De bestemming van kinderen Gods is, dat zij zonen Gods zouden worden (dat zij zouden erven).

In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Éfeze 1 :13

Wij zijn verzegeld met (hebben garantie) de Heilige Geest Die beloofd was.

Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid. Éfeze 1 :14

De Heilige Geest is niet het onderpand van onze behoudenis. De Heilige Geest ís onze behoudenis en Hij ís ons nieuwe leven. Dat staat vast. De Geest is de garantie van onze toekomende erfenis, zolang die erfenis nog niet aan ons is geopenbaard. Wanneer wij ons laten vullen met de Geest (ons overgeven, ons beschikbaar stellen), zullen wij die erfenis zeker ontvangen. Die erfenis wordt in de hemel voor ons bewaard. Wij krijgen die erfenis niet, omdat we kinderen Gods zijn. De meeste kinderen erven naar Bijbelse maatstaven niet. Alleen de Eerstgeborene erft. De Geest Zelf is onze garantie tot de verkregene verlossing, dat wil zeggen tot wij de verlossing verkrijgen.

Onze garantie is de Geest der aanstelling tot zonen (Romeinen 8 :15). De Geest leidt ons tot die aanstelling tot zonen (Romeinen 8 :14). Wij hebben die Geest ook ontvangen, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn (1 Korinthe 2 : 12). Wij hebben die Geest ontvangen, opdat Hij ons zou leiden in heel de Waarheid (Johannes 16 : 13). Wij hebben reeds de verlossing door Zijn bloed, de vergeving der misdaden (Éfeze 1 : 7). Wij verwachten nog de verlossing van ons lichaam in de toekomst (Éfeze 1 : 14; Romeinen 8 : 23). De Heilige Geest is het onderpand van onze erfenis tot prijs Zijner heerlijkheid. De heerlijkheid die wij nu ontvangen en die in de toekomst aan ons geopenbaard zal worden, is in wezen de heerlijkheid van Christus. De zoonstelling uit Éfeze 1 : 5 is de verlossing van ons lichaam uit Éfeze 1 : 14. De verkregene verlossing noemen wij de opname van de Gemeente.

Zijn en onze roeping

In Éfeze 1 :14 spreekt de apostel Paulus over onze toekomst. Het heeft echter geen zin om over onze toekomst te spreken,als wij niet beseffen wat onze tegenwoordige positie in Christus is. Waartoe zijn wij behouden? Wat wil de Heer nu met ons? Dat wordt uiteengezet in Éfeze 1 : 18 – 23. De hoop van Zijn roeping is ook de hoop van onze roeping. De rijkdom der heerlijkheid van Zijn erfenis is ook de rijkdom van de heerlijkheid van onze erfenis. De uitnemende grootheid Zijner kracht Die in Christus werkt, is ook de uitnemende grootheid van Gods kracht, Die in ons werkt.

Wij worden geïdentificeerd (vereenzelvigd) met Christus. Wij zijn gezegend met elke geestelijke zegening in de hemel in Christus (Éfeze 1 :3). Romeinen 6 : 5 zegt in dat verband, dat wij één plant (levend organisme) met Hem geworden zijn. Wanneer het Hoofd (Éfeze 1 : 22) tot een bepaald doel bestemd is, dan heeft het lichaam (hebben de leden) daar ook deel aan. Hoofd en lichaam zijn niet identiek, maar zij nemen in het geheel wel dezelfde positie in. Wanneer wij hebben leren verstaan waartoe Christus geroepen is, verstaan wij ook waartoe wijzelf geroepen zijn.

God heeft Christus uitermate verhoogd. Hij heeft Hem ver boven alle overheid en macht gesteld. Niet alleen nu in deze eeuw, maar ook in de toekomende eeuw, dus voor altijd (Éfeze 1 : 21).Kortom, alle dingen zijn aan zijn voeten onderworpen (Psalm 8 : 7; 110 : 1). Die Christus is aan de Gemeente tot Hoofd gegeven. Wij zijn het lichaam van Degene Die uitermate verhoogd is en aan Wie alle dingen onderworpen zijn. Onze positie is daarom dezelfde als die van het Hoofd. Het lichaam geeft uitvoering aan de wil van het Hoofd. Als het Hoofd straks Zijn Koninkrijk wil openbaren, laat Hij Zijn Koninkrijk openbaren door Zijn lichaam. Daarom wacht de hele schepping op het openbaar worden van de zonen Gods.

De Gemeente als lichaam van Christus is de vervulling en dus de voltooiing van Christus (Éfeze 1 : 23). We zouden dus ook kunnen zeggen, dat de schepping op de voltooiing van Christus wacht. De Christus is nog niet “compleet”. Wanneer Christus vervuld is, zullen het Hoofd en Zijn lichaam Zichzelf openbaren aan Israël en aan de volkeren. Deze gedachte is de achtergrond van 1 Thessalonicenzen 4 :17. Er staat, dat de Heer als een dief in de nacht zal verschijnen voor Israël en de volkeren (1 Thessalonicenzen 5 : 2). De Heer zal echter met Zijn Gemeente verschijnen. Dat houdt in, dat wij Hem eerst tegemoet zullen gaan. Het is een aparte formulering, omdat het in 1 Thessalonicenzen niet alleen over de Gemeente en haar bestemming gaat, maar ook over de wederkomst van Christus en alles wat daarmee samenhangt.

15. Éfeze 4 : 29, 30

Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen. Éfeze 4 :29

“Nuttige stichting” wil zeggen, dat de stichting (opbouw) tot nut is (1 Korinthe 10 : 23). Het gaat in dat verband over de opbouw van de Gemeente. Goede rede is nuttig, stichten geeft genade. Vuile rede geeft de wet. Wij zouden dus woorden spreken die opbouwend zijn voor de Gemeente. De opbouw van de Gemeente is het werk Gods. Waar wij bijdragen aan het werk Gods, zijn wij dienaren van het nieuwe verbond. Wij bouwen dan met goud, zilver en kostelijke stenen. In de toekomst zullen wij dan heerlijkheid ontvangen.

En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossingÉfeze 4 :30

De Heilige Geest Gods wil onze mond en lippen gebruiken voor het spreken van woorden tot nuttige stichting. Wanneer dat niet gebeurt, bedroeven wij de Heilige Geest Gods. Die wil ons leiden tot aanstelling tot zonen, tot het ontvangen van de erfenis. Daarom zouden wij de Geest niet bedroeven of uitblussen (1 Thessalonicenzen 5 :19). Wij bedroeven de Heilige Geest Gods door de woorden van genade niet door te geven of door de wet te prediken, terwijl wijzelf door genade zalig zijn geworden. Die verzegeling is niet alleen,opdat wij lichamelijk verlost zouden worden. Wij zijn verzegeld tot de dag der verlossing. Die Geest brengt ons bij de erfenis.

De erfenis (het loon) is er voor degenen die goede rede gesproken hebben tot nuttige stichting. De dag der verlossing spreekt van onze lichamelijke verlossing in de toekomst. Het woord dag heeft dikwijls de betekenis van “oordeel”. Denk aan dagvaarden van de rechtbank. We zouden hier ook kunnen spreken van het oordeel der verlossing of van “het verlossende oordeel”.  Bij onze openbaring voor de rechterstoel van Christus worden wij verlost van het lichaam. Het gaat niet om een dag of een datum, maar om een gebeurtenis waardoor wij voor de rechterstoel van Christus geopenbaard zullen worden. Daar zullen wij beloond worden.

16. Éfeze 5 : 5

Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Éfeze 5 : 5

In Éfeze 5 : 1 en 2 staat, dat wij navolgers Gods zouden zijn en in de liefde zouden wandelen. Dat zijn de goede dingen waarvoor wij heerlijkheid zullen ontvangen. Éfeze 5 : 5 wordt gezegd tot gelovigen die het Koninkrijk Gods zijn binnengegaan. Zij zullen geen erfenis hebben, als zij een hoereerder of iets dergelijks zijn. Zij zullen wel een hemels lichaam ontvangen en een hemelse bestemming hebben, maar zij zullen niet delen in de heerlijkheid en heerschappij van Christus. Dat is het gevolg van bouwen met hout, hooi en stoppelen.

Paulus spreekt in Filippenzen 3 uitgebreid over zijn toekomstverwachting in verband met zijn verleden en heden. Zijn toekomstverwachting is gebaseerd op de levensweg van de Here Jezus Zelf, zoals samengevat in Filippenzen 2. In Filippenzen 2 : 7 en 8 staat, dat de Heer Zichzelf vernietigd heeft, de gestaltenis van een dienstknecht heeft aangenomen en de mensen gelijk is geworden. Hij vernederde Zichzelf en is gehoorzaam (gelovig) geworden tot de dood, ja, de dood des kruises.

17. Filippenzen 2 : 9,10

9  Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;
10  Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Filip. 2 : 9,10

Filippenzen 2 : 10 is een citaat uit Jesaja 45, waarin uitgebreid wordt verteld wat dit vers betekent. Jezus Christus zou heel de schepping oordelen. Er staat niet (wat velen denken), dat heel de schepping door de Heer behouden zou worden. Oordelen is precies het tegenovergestelde van behouden. Jezus Christus heeft de allerhoogste positie in de schepping ontvangen, want Hij is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen. Dit is het resultaat van Zijn leven uit geloof en van dienstbaarheid aan Zijn hemelse Vader. De apostel Paulus is een navolger van de Here Jezus. Paulus doet precies zoals Hij deed. Paulus legde ook zijn oude leven af. Hij achtte hetgeen hem gewin was (bijvoorbeeld godsdienstige zaken) schade om Christus’ wil (Filippenzen 3  :7). Hij achtte alles schade (verlies) en drek in vergelijking met Christus. Christus zou zijn winst moeten zijn (Filippenzen 3 : 8). Paulus achtte alle dingen schade om deel te krijgen aan de heerlijkheid van Christus.

18. Filippenzen 3 :10 – 21

Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; Filip. 3 :10

Kennen is gemeenschap hebben (deelhebben aan). Door de kracht Zijner opstanding hebben we dezelfde positie als Christus (Éfeze 1 : 19, 20). De gedachte is, dat men het een zou opgeven om het andere te winnen. Paulus zou gelijkvormig worden aan de dood van de Here Jezus en aan Zijn lijden, namelijk het oude opgeven, om het nieuwe als winst (heerlijkheid) te kunnen boeken.

Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden. Filip. 3 :11

Paulus was allang wedergeboren. Hij had allang leven uit de dood ontvangen. Het gaat hier om de gedachte, dat het nieuwe leven daadwerkelijk geleefd zou worden. Wat voor zin heeft het om geboren te worden, als dat niet tot praktisch leven leidt? Wij zijn kinderen Gods. Dat is echter niet het doel, maar de basis. Het is de basis van onze weg naar de aanstelling tot zonen en onze weg naar heerlijkheid. Paulus legde die weg ook af. Hij liep de loopbaan des geloofs om een kroon te ontvangen (1 Korinthe 9 : 25; 2 Timótheüs 4 : 8; Hebreeën 12  :1). Maar hij zegt:

Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt (volwassen) ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Filip. 3 :12

Dit is geen streven van gelovigen om eeuwig leven te ontvangen, maar om het eeuwige leven te leven. Het is geen streven om een kind van God te worden, maar om een zoon van God te worden. Het is geen streven om het Koninkrijk in te gaan, maar om het Koninkrijk te erven. Paulus grijpt naar het doel, waartoe Christus hem gegrepen heeft. Dat doel is te delen in de heerlijkheid van Christus.

Maar een ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. Filip. 3 :14

Er staat geschreven: “Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods (Lukas 9 : 62).” Men zou nooit omkijken. De natuurlijke mens heeft een verleden. Dat verleden wordt steeds sterker, omdat hij, ouder wordend, steeds meer achterom kijkt. De wedergeboren mens heeft een toekomst. Hoe ouder een kind van God wordt, hoe meer hij vooruit kijkt. Een kind van God wordt zich steeds meer bewust van hetgeen hem in de toekomst te wachten staat. Hij is zich ook bewust, dat het aardse leven niets definitiefs te bieden heeft. Wij strekken ons niet uit naar de dood, want dat is niet hetgeen voor is. Paulus bedoelt altijd de toekomstige verheerlijking en nooit het lichamelijke sterven. Paulus verwacht van God een prijs. Die prijs is de vervulling van hetgeen waartoe hij gegrepen of geroepen was. Die prijs is de aanstelling tot zoon en die ontvangen wij niet van mensen, maar van God. De Here is Degene Die oordeelt (1 Korinthe 4 : 4).

¶ Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. Filip. 3 :17

Het gaat niet om het persoonlijk getuigenis dat Paulus geeft, maar om het voorbeeld voor elke gelovige. Het eerste voorbeeld was de Here Jezus Zelf (Filippenzen 2). Het tweede voorbeeld was Paulus zelf (Filippenzen 3). Beide voorbeelden zijn gericht op de uitermate verhoging in de toekomst.

18  Want velen wandelen anders; van dewelken ik u dikmaals gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn;
19  Welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelken aardse dingen bedenken. Filip. 3 :18-19

Het gaat ook hier over gelovigen die niet wandelen naar het voorbeeld van de Here Jezus en naar dat van Paulus. Zij bouwen met hout ,hooi en stro, maar daar blijft in het oordeel (vuur) niets van over. Van hun praktische leven blijft niets over. Die gelovigen die anders wandelen (zij bedenken aardse dingen), denken ook heerlijkheid te ontvangen, maar zij zullen die niet ontvangen. Hun heerlijkheid is in hun schande (naaktheid). We kunnen nu beter schande dragen dan in de toekomst. Wanneer wij in de toekomst naakt voor de Heer zullen staan, staan wij ook naakt voor elkaar. Petrus zei: “Degenen die aardse dingen bedenken, zijn degenen die zich met andermans zaken bemoeien” (1 Petrus 4 : 15). “Aardse dingen bedenken” wil zeggen, dat men zich met deze wereld bezig houdt.

Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus; Filip. 3 :20

Onze wandel is in de praktijk in de hemelen. “Onze” spreekt over de gelovigen die zich naar de heerlijkheid uitstrekken. De vertaling met wandel is heel aardig, want het gaat niet om het burgerschap, maar om de praktische wandel in de hemel. Wij gaan niet naar de hemel, want wij zijn er al. Daar hebben we onze rechten en plichten. Wij maken deel uit van hemelse dingen. Hemelse krachten werken in en door ons. Dat zien wij niet. Op grond van onze wandel in de hemel verwachten wij de Zaligmaker Die ons zal zaligmaken. Onze geest is al zalig (is verlost) door God, omdat wij het toelieten. Onze ziel wordt nu zalig (wordt verlost) door God als wij het toelaten. In de toekomst zal ons lichaam zalig gemaakt worden (zal verlost worden) door God. De zaligheid van het lichaam vloeit voort uit de zaligheid van de geest.

Praktische leven

Degenen die in de praktijk niet in de hemel wandelen, hebben gewoonlijk geen enkele toekomstverwachting. Zij kennen hooguit het Bijbelse gegeven dat de Heer ooit zal wederkomen, maar het speelt geen rol van betekenis in hun gedachten en wandel. Ons aardse leven op zich heeft geen zin. Het is ijdel volgens de Prediker. Niettemin heeft ons leven op aarde een uitwerking in de hemel. Dat geldt zeker voor de gelovigen van vandaag. Ons echte leven speelt zich af in de hemelen. Daar worden allerlei zaken in ons praktische leven veroorzaakt. Daar is ook het resultaat van ons praktische leven. Oorzaak en gevolg van ons leven zouden we niet hier in de zienlijke wereld zoeken. Onze strijd speelt zich in de praktijk zichtbaar af tegen vlees en bloed. Dat kan niemand ontkennen. Niettemin zegt de Schrift dat wij de strijd niet tegen vlees en bloed hebben (Éfeze 6 : 12). Achter vlees en bloed staan de overheden, machten en geestelijke boosheden in de lucht. Dat is de werkelijke oorzaak van de strijd waarin wij verkeren. Het resultaat van de strijd wordt in het hemelse gezien.

Die (de Zaligmaker) ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen. Filip. 3 :21

De Heer zal ons vernederd lichaam zaligmaken. Wij verwachten, dat de Heer ons vernederd lichaam zal verhogen. Adam was vóór zijn zondeval op aarde. Ná zijn zondeval viel hij geen meter naar beneden, maar bevond hij zich nog op de aarde. Het was een morele val en geen letterlijke val. Als ons vernederd lichaam verhoogd wordt, gaat het dus geen meter omhoog. Het gaat niet om plaats, maar om rangorde. De Heer zal ons vernederde, sterfelijke lichaam veranderen in een onsterfelijk lichaam. Een onsterfelijk lichaam is hoger in rangorde. We krijgen een veranderd lichaam in plaats van het oude lichaam, opdat dat lichaam gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam. Wij verwachten dus verheerlijking. De Heer doet dat naar de werking, waardoor Hij alle dingen (de hele schepping) aan Zichzelf kan onderwerpen.

Op de jongste dag wordt deze hele oude schepping veranderd in een nieuwe schepping. Deze vernederde wereld wordt dan vervangen voor een verhoogde wereld. Dit alles komt tot stand door een volkomen onderwerping. Het vlees onderwerpt zich niet aan de wet van God en kan dat ook niet (Romeinen 8 :7). Het vlees kan God niet behagen. Aan de ene kant is het vlees het instrument wat wij God ter beschikking hebben gesteld. Aan de andere kant is ons vlees een beperking. Niet elk gereedschap is geschikt voor dezelfde dingen. De Heer kan ons ondanks onze tekortkomingen toch gebruiken. Hij kan met een kromme stok een rechte slag maken. Bij onze definitieve onderwerping zullen wij een lichaam ontvangen dat zich 100% aan God onderwerpt.

In Filippenzen worden weer vele uitdrukkingen gebruikt voor wat wij de opname van de Gemeente noemen. De term opname komt echter weer niet voor. Bovendien gaat het hier niet over een verplaatsing. Het gaat om heerlijkheid, verhoging, zaligheid, gelijkvormigheid aan het beeld van Gods Zoon.

Filippenzen 3 : 20 en 21 zijn het resultaat van een lang betoog in hoofdstuk 2 en 3. In die hoofdstukken worden de gelovigen opgeroepen om eensgezind te zijn en dezelfde liefde te hebben (Filippenzen 2 : 25). Wij zouden de oude mens schade en drek achten in navolging van Paulus en van Christus. Wij zouden vooral de waardevolle dingen van het oude leven opgeven, zoals Christus Zelf deed. Als gevolg daarvan werd Hij uitermate verhoogd.

19. Kolossenzen 3 : 1 – 4

¶ Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Kol. 3 :1

Kolossenzen 3 zegt kort maar krachtig waar het om gaat. Dat is tenminste duidelijk. Sommige gelovigen komen nooit verder dan dat zij met Christus gestorven zijn. Sommigen zijn daar erg blij mee, want dan kan niemand ze wat maken. God kent, ziet en hoort hen niet, want ze zijn immers dood. Dat is een excuus voor een losbandig en goddeloos leven. Dat is geen Evangelie, hoewel het waar is. Indien het voor ons in de praktijk waar is,dat wij met Christus zijn opgewekt, dan behoren wij de dingen die boven zijn te zoeken. Daar is Christus zittend aan de rechterhand Gods, maar Hij is ook in ons hart.

Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Kol. 3 :2

Onze gedachten en onze hoop zouden uitgaan naar de dingen die boven zijn. Wij zouden het ene doen en het andere nalaten.

Want gij zijt gestorven (wat de aarde betreft), en uw leven is met Christus verborgen in God. Kol. 3 :3

Wij hebben nu een verborgen leven. Dat leven zal in de toekomst geopenbaard worden.

Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheidKol. 3 :4

Christus is ons leven, want Hij leeft in ons (Galaten 2 : 20: “niet meer wij”). Wanneer Hij aan het einde van de 70 ste week geopenbaard zal worden, zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Op die wolkige dag dat de Heer uit de hemel uit de wolken zal verschijnen, verschijnen wij met Hem uit de wolken. Dat kan alleen, wanneer wij Hem eerst in de wolken tegemoet zijn gegaan. Dit staat letterlijk in 1 Thessalonicenzen 4 : 17. We denken nu opeens aan plaats en tijd, terwijl we daar bij alle andere Schriftplaatsen hopelijk niet aan gedacht hebben. Men zal ons pas weer zien met de Heer boven de Olijfberg als een hemels heirleger. Wij zullen met de Engel des Heren verschijnen, prijzende God, zeggende: “Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde in de mensen een welbehagen” (Lukas 2 :13,14). Die vrede zal dan door de Vredevorst en door ons gerealiseerd worden. Wij zijn immers nu al dienaren van het verbond des Vredes!

De Thessalonicenzenbrieven staan, temidden van de Gemeentelijke brieven, achteraan. Dat komt, omdat deze brieven zich in belangrijke mate bezighouden met de toekomst van de Gemeente. De opname van de Gemeente staat in deze brieven centraal, hoewel het om de toekomst des Heren (wederkomst) gaat.

20. 1 Thessalonicenzen 1 : 9, 10

…. , en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen; 1 Thess. 1 :9b

Wij zijn bekeerd van de afgoden met als doel niet om in de hemel te komen, maar om de levende God te dienen. Afgoden worden beschouwd als dode afgoden. Afgoden en leugens staan tegenover één God en Waarheid.

En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn1 Thess. 1 :10

Wij zijn ook bekeerd om Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten. Jezus Christus werd de Zoon, toen Hij lichamelijk uit de doden verwekt werd. Hier staat, dat Hij ons komt verlossen van de toekomende toorn. De toekomende toorn is de Grote Verdrukking. In deze verzen gaat het over verwekking uit de doden, namelijk een lichamelijke opstanding. Wij die levend overblijven, worden lichamelijk veranderd. Het gaat hier niet over lichamelijke verplaatsing.

21. 1 Thessalonicenzen 2 : 12

En betuigden, dat gij zoudt wandelen, waardiglijk Gode, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid1 Thess. 2 :12

In 1 Thessalonicenzen 4 : 1 – 12 wordt over de heiligmaking gesproken. De heiligmaking is de praktische dienst van de gelovige. Vanaf 1 Thessalonicenzen 4 : 13 wordt over de toekomst gesproken. Wij denken dat boven vers 13 “Opname van de Gemeente” moet staan. Er staat echter “Over de wederkomst van Christus”. Dit opschrift is bij nader inzien perfect. Paulus legt in 1 Thessalonicenzen 4 uit, hoe de toekomst de Heren (1 Thessalonicenzen 4 :15) eruit zal zien. De toekomst des Heren is de aanwezigheid (parousia) des Heren. Het is de aanduiding van de gehele periode die wij aanduiden als de wederkomst van Christus. Die periode is de bedeling van de volheid der tijden en die duurt 40 jaar. Aan het einde van deze studie wordt 1 Thessalonicenzen 4 : 13 t/m 1 Thessalonicenzen 5 :11 besproken.

22. 2 Thessalonicenzen 2 : 1 – 14

¶ En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem2 Thess. 2 :1

Onze toevergadering tot Hem noemen wij de opname van de Gemeente. Onze toevergadering gaat vooraf aan de toekomst van onze Heer Jezus Christus. Hier wordt de volgorde van belangrijkheid genoemd en niet de chronologische volgorde. Het gaat om de openbaring van onze Here Jezus Christus. Voordat de Heer zichtbaar zal verschijnen, worden wij tot Hem vergaderd.

Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. 2 Thess. 2 :2

Er waren in die tijd brieven in omloop, waar ten onrechte de naam van de apostel Paulus onder stond. Zulke dingen kwamen en komen nog steeds voor. Men beweerde, dat de dag des Heeren al begonnen was. De dag des Heeren is de dag des toorns (Romeinen 2 : 5; Openbaring 6 :17) of de dag der wrake (Jesaja 34 : 8; Jeremia 46 : 10; Lukas 21 : 22) of een wolkige dag (Ezechiël 30 : 3) of een dag van dikke duisternis (Joël 2 : 2). De christenvervolgingen die er in die tijd waren, werden geïnterpreteerd alsof het al de dag des oordeels was, waarbij de profetieën in vervulling gingen. Dat kon natuurlijk niet. Voordat de dag des Heren zou aanbreken, zouden wij hier weg zijn. Dat betekent niet, dat er geen verdrukking, benauwdheid of vervolging zou zijn. Dat betekent alleen, dat de benauwdheid en dergelijke die er is, niet die van de dag des Heren is. Over ons en over de wereld komt nu niet de toorn Gods. Dat is een troost.

¶ Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs; 2 Thess. 2 :3

Men zegt, dat de afval nu duidelijk is te zien, maar dat is al honderden jaren zo. De afval (Daniël 8 : 12, 13) betekent, dat de Joodse staat (het heir des hemels) overgegeven zal worden aan een andere godsdienst. Dit zal gebeuren in het midden van de 70 ste jaarweek van Daniël, wanneer het afgodsbeeld in de heilige plaats wordt opgericht. De term “dag des Heren” is ontleend aan de oudtestamentische profetieën. De term “de afval” is ook aan oudtestamentische profetie ontleend. Wij zouden nieuwtestamentische profetie moeten lezen in het licht van de oudtestamentische profetie. Sterker, nieuwtestamentische profetie is in wezen niets anders dan een hernieuwde verwijzing naar, oftewel commentaar op de oudtestamentische profeten. In het Oude Testament staat dat de dag des Heren zou komen. In het Nieuwe Testament wordt dat herhaald. In de tijd van de afval zal de mens der zonde (wetteloosheid) geopenbaard worden/zijn.

Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is. 2 Thess. 2 :4

Dit vinden we onder andere in Daniël 7 : 25, Daniël 8 : 9 – 13, Daniël 11 : 36 en Openbaring 13 : 1 – 10.

Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? 2 Thess. 2 :5

Paulus had hen veel gezegd. Toen iemand een valse brief met een mooi eschatologisch verhaal, met Paulus handtekening eronder, in elkaar zette, vergat men wat Paulus verteld had. Men geloofde wat er zwart op wit geschreven stond.

En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. 2 Thess. 2 :6

Het gaat hier om datgene wat de openbaring van de zoon des verderfs wederhoudt. Dat zouden wij weten. God Zelf heeft de tijd gesteld, waarin deze koning van Babel niet langer verborgen zou blijven, maar openbaar zou worden. Zolang de wederhouder er is, openbaart de zoon des verderfs zich niet. Zijn eigen tijd komt,wanneer de wederhouder weg is. Dat houdt in,dat hij daar vol ongeduld naar uitziet. Zijn tijd valt natuurlijk samen met de tijd die God Zelf gesteld heeft.

Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. 2 Thess. 2 :7

De koning van Babel werkt in het verborgene. Het bijzondere van onze bedeling is, dat niet alleen het Koninkrijk Gods verborgen is, maar dat van de tegenstander (satan) ook. Jeruzalem dat boven is en Babel zijn beide verborgen. Niettemin is in onze dagen Jeruzalem de hoofdstad van de Joodse staat geworden en is Babel herbouwd. Babel zal de hoofdstad van het laatste wereldrijk zijn.

Vers 7 is geen duidelijk vers, maar alle andere verzen eromheen zijn wel duidelijk. Er is iets wat deze mens der zonde wederhoudt en dat zal zo blijven tot zijn eigen tijd. Op een gegeven moment zal die wederhouder uit het midden worden weggedaan en wordt de mens der zonde openbaar.

Wie of wat is die wederhouder? Paulus spreekt in 2 Thessalonicenzen 2 :1 over onze toevergadering tot Hem. Daarna vinden we in de hele brief geen woord over onze toevergadering tot Hem. Paulus zegt, dat hij  het over de opname van de Gemeente gaat hebben. Het enige vers waarin die opname blijkbaar genoemd wordt, is 2 Thessalonicenzen 2 : 7. Er is geen andere keus. Zo omzeilen we alle problemen.

Sommigen zeggen,dat Degene Die weggenomen wordt, de Heilige Geest is. Dat is een misverstand. Wanneer de Gemeente wordt weggenomen, verschijnen twee getuigen in de straten van Jeruzalem (Openbaring 11 : 3). Die getuigen hebben de Heilige Geest en degenen die tot geloof komen natuurlijk ook.

De gedachte is, dat zolang de Gemeente hier op aarde is, het werk Gods met betrekking tot Israël en de volkeren op geen enkele wijze gerealiseerd kan worden. God neemt eerst de Gemeente van de aarde weg om vervolgens Zijn werk op aarde te realiseren. Zo machtig is Hij. Het werk Gods aan Israël en de volkeren houdt de bekering van het overblijfsel van Israël en de volkeren in. Zolang de Gemeente hier op aarde is, wordt iedereen (Jood of heiden) die tot geloof komt, toegevoegd aan die Gemeente. Zo ontstaat er nooit een bekeerd Israël, maar wel uitbreiding van de Gemeente.

Wanneer God Zijn werk tot opbouw van de Gemeente beëindigd (vervuld, voltooid) heeft, begint Hij opnieuw met Zijn werk op aarde. Dat wil zeggen de prediking van het Evangelie aan Israël, beginnende bij Jeruzalem, dan in geheel Judea en vervolgens naar Samaria tot aan het uiterste der aarde (Handelingen 1 : 8). Volgens Daniël 9 : 24 waren 70 weken bestemd over het volk van Daniël. Na 69 weken kwam een breuk oftewel de klok werd stilgezet. Die klok staat nog steeds stil. Sindsdien wordt de Gemeente gebouwd. Voordat de heilsgeschiedenis van het Joodse volk verder gaat, moet de Gemeente weg zijn.

En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst; 2 Thess. 2 :8

De ongerechtige is de mens der zonde ofwel de zoon der verderfs. Die mens zal verdaan worden door de Geest (adem, het Woord) van de mond des Heren. De Heer zal immers spreken in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid (Psalm 2 : 5; Jeremia 30 : 24). Zijn verschijning en Zijn toekomst zijn hier synoniemen. Het betekent: Zijn verschijning, namelijk Zijn toekomst. Toekomst (parousia) betekent “aanwezigheid”. De macht van de mens der zonde zal met betrekking tot Jeruzalem en Judea teniet gedaan worden aan het einde van de 70 ste week van Daniël. Voor de overige volkeren zal hij zijn macht vestigen en uitbreiden en wordt Zijn macht nog niet tenietgedaan. Dat gebeurt pas aan het einde van de periode van veertig jaar (Openbaring 19 : 20).

2 Thessalonicenzen 2 :1 – 8 beschrijft de gebeurtenissen vóór de dag des Heren. Dat houdt dus in, dat wij nu niet in de dag des Heren kunnen leven. De verdrukking (benauwdheid, duisternis) die nu over de volkeren komt, is niet de dag des Heren.

Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen; 2 Thess. 2 :9

Wonderen en tekenen kunnen dus ook van satan zijn.
In de toekomst is dat in ieder geval zo.

En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden 2 Thess. 2 :10

Men wijst de Waarheid af en zo komt men in de macht van het beest ofwel de mens der zonde.

En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; 2 Thess. 2 :11

Wanneer men de Waarheid, de Heer Zelf, niet wil,dan zal God de leugen in overvloed zenden. Leugen is er altijd geweest, maar dan is hij er in veel sterkere mate.

Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. 2 Thess. 2 :1

Dit is de samenvatting van wat in de dag des Heren zal plaatsvinden.

¶ Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid; 2 Thess. 2 :13

God heeft ons niet verkoren tot oordeel, maar tot zaligheid in heiligmaking des Geestes. (Dit is ook het thema van de eerste Thessalonicenzenbrief.) God heeft ons verkoren tot geloof der Waarheid. Heiligmaking des Geestes en geloof der Waarheid zijn op hoog niveau hetzelfde. Waar wij de Waarheid aanvaarden en in ons hart eigen maken en daaruit leven, daar vindt deze heiligmaking door de Geest plaats. De Geest zou ons immers in heel de Waarheid leiden (Johannes 16 : 13). In de toekomst zal de mens in het algemeen echter de leugen, gepaard gaande met tekenen en wonderen, geloven.

Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus2 Thess. 2 :14

De apostel wijst op het Evangelie, zoals het door hem gepredikt werd. De consequenties van dat Evangelie zijn, dat de gelovigen nu niet alleen eeuwig leven ontvangen, maar ook gezet zijn in de hemel en daar ook hun toekomst hebben. Hier staat weer niet, dat wij opgenomen zullen worden in de toekomst. Er staat, dat wij de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus zouden verkrijgen. Wij verwachten niet de dag (het oordeel) des Heren, niet de wraak onzes Gods, maar de heerlijkheid van Christus. Daartoe zijn wij geroepen (1 Thessalonicenzen 2 : 12). Men zou niet de fout moeten maken om de omstandigheden waarin wij verkeren, toe te schrijven aan oordelen Gods. Dat is niet het geval en bovendien is het volstrekt onmogelijk.

Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief. 2 Thess. 2 :15

Dit vers komt overeen met 1 Korinthe 15 : 58.

16 ¶ En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade,
17  Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk. 2 Thess. 2 :16, 17.

Waar deze goede woorden (woorden van genade) en werken zijn, daar zal het tot heerlijkheid leiden. Die heerlijkheid zal in de toekomst aan ons geopenbaard worden. Die toekomst is ruim voor de komst van de dag des Heren. Dat zegt 2 Thessalonicenzen 2.

23. 2 Timótheüs

Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 2 Timótheüs 2 : 10

Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. 2 Timótheüs 4 : 8

24. Titus 2 : 11 – 14

In Titus vat de apostel de dingen zeer kort samen. Hij schrijft daar niet aan gelovigen in het algemeen, maar aan Titus in het bijzonder.

¶ Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. Titus 2 :11

Een groot deel van de mensen doet niets met die zaligmakende genade Gods.

En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Titus 2 :12

Naar het vlees leven wij nog in de tegenwoordige eeuw. In verwachting van (verwachtende) onze Zaligmaker zouden wij godzalig leven. Dat wordt ons onderwezen door de zaligmakende genade Gods. Godzalig leven is God op de goede manier vereren (dienen). Het resultaat van dat onderwijs is, dat wij heerlijkheid zullen ontvangen.

Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus; Titus 2 :13

Er staat niet: “Verwachtende de opname van de Gemeente”. Dat is wel zo, maar dat is in het algemeen niet de goede uitdrukking voor wat wij verwachten. Wij verwachten heerlijkheid op grond van het werk wat God nu in en aan ons doet. God werkt op grond van het onderwijs in de genade.

Die (Christus) Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons (gelovigen) zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Titus 2 :14

Christus wijdt Zijn opstandingsleven aan ons. Zijn dood was voor de gehele wereld. Hij stierf in het verleden voor alle mensen (Titus 2 : 11). Nu verlost Christus ons van alle ongerechtigheid. Zo reinigt Hij voor Zichzelf een eigen volk, ijverig in goede werken. Wij worden gereinigd van een kwaad geweten om de levende God te dienen (Hebreeën 9 : 14; 10 : 22). Ons leven, onze dienst nu, hangt rechtstreeks samen met wat wij voor de toekomst mogen en kunnen verwachten.

25. Titus 3 : 7

Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. Titus 3 :7

De Schrift spreekt dus nooit sec over dat wij als gelovigen verplaatst worden. De Schrift spreekt wel over het ontvangen en het geopenbaard worden van heerlijkheid. Het gaat niet over de opname. Wij zouden rekening houden met onze openbaring voor de rechterstoel van Christus.

26. Hebreeën 2 : 10

¶ Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.. Hebr. 2 :10

27. Hebreeën 10 : 19 – 39

¶ Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Hebr. 10 :19 

Wij zouden toegaan tot onze grote (hoge) Priester over het huis Gods (Hebreeën 10 : 21).

Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Hebr. 10 :22

De reiniging van het lichaam met rein water onder het oude verbond is een beeld van de reiniging van het geweten onder het nieuwe verbond. Kortom: Laat ons naderen tot de troon der genade om ons beschikbaar te stellen voor de dienst van en onder het nieuwe verbond. Op grond daarvan zouden wij een levende hoop (verwachting) hebben van loon, vergelding, erfenis en heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Daarom staat er in Hebreeën 10: 23:

Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw); Hebr. 10 :23

Wat heeft God ons beloofd? Dat wij naar de hemel gaan? Nee, want die belofte is al vervuld. Wij hebben eeuwig leven en wij zijn al gezet in de hemel. Wij zouden daaruit leven. Hier gaat het om de betere beloften van het nieuwe verbond (Hebreeën 8 : 6).

En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; Hebr. 10 :24

Als die liefde en goede werken er niet zijn, zal de heerlijkheid uitblijven.

En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert. Hebr. 10 :25

“Bijeenkomst” is hetzelfde Griekse woord als “toevergadering” in 2 Thessalonicenzen 2 :1. Er staat in het Grieks “episunagooge”. Het gaat hier over onze onderlinge bijeenkomst voor de troon der genade. In beide gevallen spreekt het over hoe wij naderen tot de troon en betrokken worden in het werk van Christus, onze Koning en Hogepriester. Er zijn gelovigen die niet de gewoonte hebben om tot de troon te naderen, ofwel de Heer te dienen.

26  Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;
27  Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. Hebr. 10 :26, 27.

Dit gaat niet over ongelovigen. Het gaat hier over het oordeel dat over het praktische leven van de gelovige zal komen. Van hout, hooi en stoppelen kan een groot vuur gestookt worden.

Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen. Hebr. 10 :34

Er staat: “gij hebt” en niet: “gij zult hebben”. Gij hebt ín uzelven een beter en blijvend goed (erfgoed) in de hemelen. Waar is dat erfgoed? In onszelf of in de hemel? Sinds wanneer is daar verschil tussen? Er is geen verschil tussen, want wij zijn in de hemelen en wij hebben dit goed nu reeds in onszelf. Wij hebben nu al heerlijkheid, maar die moet nog geopenbaard worden.

Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft. Hebr. 10 :35

Wij verwachten vergelding, namelijk loon.

36  Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragenHebr. 10 :36

Als wij hier lijdzaam zijn, ontvangen wij heerlijkheid (Romeinen 8 : 18). Wij zouden de wil van God doen, namelijk wandelen in goede werken welke God voorbereid heeft (Éfeze 2 : 10). Dan zou de belofte aan ons gedaan, vervuld worden. De belofte is de aanstelling tot zoon in de hemel en het ontvangen van een hemelse erfenis. Die belofte is voorwaardelijk! Niet alle gelovigen zullen daar deel aan hebben. Alle gelovigen zullen wel deel hebben aan “de opname van de Gemeente”.

37  Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.
38  Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen. Hebr. 10 :37, 38.

Wij, rechtvaardigen, zouden uit het geloof in de Waarheid en de beloften Gods leven. Als iemand dat niet doet, dan heeft God geen behagen in hem. Gods welbehagelijke wil is, dat wij onze lichamen zouden stellen tot levend, heilig,Gode welbehagelijk offer (Romeinen 12 :1).

39  Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel. Hebr. 10 :39

Wie zich niet onttrekt aan het leven uit geloof (godzalig leven) ten verderve (tot het oordeel), gelooft tot behouding der ziel. Zo iemand gelooft tot behoud van zijn praktische leven. De ziel spreekt van onze levenswandel (1 Petrus 2 :11,12). Dat praktische leven heeft alles te maken met het loon danwel de erfenis die wij zouden ontvangen in de toekomst.

28. Hebreeën 12 : 6 – 29

In Hebreeën 12 wordt gezegd, dat het de bedoeling is, dat wij, die kinderen Gods zijn, zonen Gods zouden worden (Romeinen 8). Dit alles door middel van opvoeding, tuchtiging en kastijding.

6  Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.
7  Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?) Hebr. 12 :6, 7

Waar wij van nature door onze vaders naar het vlees opgevoed worden tot volwassenheid, daar worden wij als kinderen Gods door onze geestelijke Vader opgevoed tot volwassenheid om ons als Zijn zoon (erfgenaam) te kunnen aanstellen.

En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn. Hebr. 12 :11

Die moeilijkheden in ons leven (al die dingen die we moeten leren overwinnen, die zoveel pijn doen en ons zo dwars zitten) geven later een vreedzame vrucht der gerechtigheid aan degenen die door die kastijding geoefend zijn. Wij worden dus ons leven lang geoefend. Zo worden wij getraind voor onze toekomstige positie in heerlijkheid met Christus. Als er van tevoren geen opvoeding is, dan kan het eindresultaat danwel de eindbestemming niet bereikt worden. Het blijft dan bij een hemels lichaam. Men is dan behouden als door vuur (1 Korinthe 3 : 15). Naarmate wij hier onbruikbaar zijn voor de Heer, zullen wij dat ook in de toekomst zijn. We hebben immers iets geleerd!

Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal; Hebr. 12 :14

De vrede is het nieuwe verbond, het verbond des vredes (Ezechiël 37 : 26). Die heiligmaking is de wil van God (1 Thessalonicenzen 4 : 3). Die heiligmaking is onze opvoeding. Door die opvoeding leven we nu in gemeenschap met de Heer. Dat betekent” de Heere zien”. Als wij ons nu niet laten kastijden, zullen wij nu de Heer en Zijn werk in onze levens niet zien. Als wij ons nu niets van onze geestelijke Vader aantrekken, zien wij Hem niet en Hij ons niet. Als wij Zijn dienstknechten zijn, zien wij Hem met eer en heerlijkheid gekroond (Hebreeën 2 : 9). Dan zien wij Jezus, de grote Overwinnaar Die ons nu reinigt en heiligt.

Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden. Hebr. 12 :15

De genade Gods is ook het nieuwe verbond. De hele brief gaat hierover.

Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijne eerstgeboorte weggaf. Hebr. 12 :16

Ezau gaf om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weg. Wij zijn geroepen tot aanstelling tot zoon. Dat is hetzelfde als de aanstelling tot eerstgeborene. Zonen zijn zonen, maar de eerstgeborene is de zoon die door de Vader wordt aangesteld. Wij moeten geen hoereerders zijn gelijk Ezau, die om iets aards zijn eerstgeboorterecht weg gaf. Deze opmerking betekent niets, als ons individuele eerstgeboorterecht gewoon vastligt in het feit dat wij kinderen Gods zijn. Anders gezegd: het feit dat wij kinderen Gods zijn, wil nog niet zeggen dat God ons in de toekomst tot zonen zal stellen.

Wij kunnen de erfenis die bij het eerstgeboorterecht hoort, verliezen. Ezau was op grond van zijn geboorte de eerstgeborene. Hij kreeg dat eerstgeboorterecht niet, omdat hij er weinig waarde aan hechtte. Op het moment dat hij er wel waarde aan hechtte, was het te laat. Dat voorbeeld wordt ons voorgehouden. Wij kunnen net als Ezau, terwille van het leven hier op aarde, de geestelijke dingen laten voor wat ze zijn. Onder het motto van: wij gaan toch allemaal mee met de opname van de Gemeente, dus mij kan niets gebeuren. Welnu, wij gáán allemaal mee, maar dat was niet het doel. Dat denkt u misschien, maar dat is dan een misvatting.

Het doel is: onze verheerlijking met Christus! Die verheerlijking komt tot stand op basis van dat wat aan de opname van de Gemeente vooraf gaat. Al de Schriftplaatsen die wij nu behandelen, spreken daarover. Wij worden gewaarschuwd, omdat het de vraag is of wij wel tot zonen zullen worden aangesteld, hoewel het onze roeping is. Die aanstelling hangt van onze persoonlijke relatie met de Heer af. Het hangt ervan af, of wij Hem hier dienen of niet. Het hangt af van wat wij in dit leven belangrijk vinden.

Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. (toen was het te laat!)
18 ¶ Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, Hebr. 12 :17, 18,

Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, ….. Hebr. 12 : 22.

De tastelijke berg Sinaï is een type van het oude verbond. De berg Zion is de ontastelijke berg. Dat is een type van het nieuwe verbond.

Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn,  …. Hebr. 12 :23

Wij zijn aan die Gemeente toegevoegd. Onze verantwoordelijkheid is om te wandelen waardig de roeping waarmee wij geroepen zijn (Éfeze 4 : 1). Als wij onze roeping niet waardig wandelen, zullen wij niet tot zoon gesteld worden. De hele Gemeente wordt wel collectief als volk tot Zoon gesteld, maar niet alle individuele leden. Sommigen zeggen: “Het is mij genoeg dat ik tot die Gemeente behoor”. Mijn antwoord is dan: “Daartoe heeft de Heer u niet geroepen”. Wanneer u de Heer liefhebt, dan behoort u zich aan de wil van de Heer te onderwerpen. Dan behoort u uw leven in Zijn hand te stellen, opdat Hij het zou gebruiken met als consequentie de aanstelling tot zoon.

Aan het slot van dit betoog, zegt Paulus in Hebreeën 12:

28  Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
29  Want onze God is een verterend vuur. Hebr. 12 : 28, 29

Een onbeweeglijk Koninkrijk is een eeuwig Koninkrijk, dat niet meer wankelt. Wij zouden de genade (Hebreeën 12 : 15) vasthouden en niet de wet. Wij mogen God dienen door genade. Het is niet alleen genade waardoor wij kinderen Gods werden. Het is ook genade dat wij tot zoon aangesteld zullen worden. Dat verterende vuur is het oordeel van God over onze levens en over onze werken. Als alles verbrandt, zouden we wel eens menige traan kunnen laten, zoals Ezau deed. Dan is het te laat! Zoals Hebreeën 12 eindigt, zo eindigt ook het Oude Testament. In Maleachi 4 : 6 staat:”… ; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla”. Daar wordt het oordeel aangekondigd.

29. 1 Petrus 3 : 9

Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven. 1 Pet. 3 :9

30. 1 Johannes 3 :1 – 3

1 ¶ Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. En wij zijn het (ook) 1 Joh. 3 :1

Het laatste gedeelte van dit vers is om een of andere begrijpelijke reden hier en daar uit de manuscripten verdwenen. Men dacht, dat het beter was de mensen voor te houden, dat zij nog kinderen Gods moesten worden, omdat zij dan beter hun best zouden doen. Er staat echt, dat wij al kinderen Gods zijn. Het was van tevoren aangekondigd, dat wij kinderen Gods zouden worden. In Johannes 1 : 12 staat: “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Sinds de opstanding van Christus zijn alle levende gelovigen wedergeboren. Dus zijn zij kinderen Gods geworden.

Geliefden, nu (inmiddels) zijn wij kinderen Gods en het is niet geopenbaard, wat wij zijn zullen …. 1 Joh. 3 :2a

Wij, nieuwtestamentische gelovigen, hebben deel gekregen aan de vervulling van de oudtestamentische beloften. Dat is al zo. Petrus zei op de Pinksterdag in Handelingen 2 : 39: “Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zovelen als er de Heere, onze God, toe roepen zal”. Het gaat om de belofte van eeuwig leven en van de Geest. Paulus zegt in Handelingen 13 : 32: “En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft (heeft opgewekt uit de dood).” Paulus hield dezelfde toespraak als Petrus! De inhoud is, dat de opstanding van Christus de vervulling van Gods beloften bracht, dus eeuwig leven. Elke gelovige ontvangt sinds de opstanding van Christus eeuwig leven. Hij is dus een kind van God.

De oudtestamentische beloften houden in, dat de mens die gelooft, kind van God zou worden. De nieuwtestamentische beloften houden in, dat het kind van God dat leeft uit geloof, zoon van God zou worden. Kinderen Gods zijn wij reeds, maar het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Letterlijk staat er: “Het is nog niet verschenen, wat wij zijn zullen”. Openbaren en verschijnen betekenen allebei, dat het nog niet zichtbaar is. Bij openbaren wordt de sluier weggetrokken. Bij verschijnen schijnt het licht erop. Wij zeggen: “Het is nog niet verschenen”. Dat is een prachtige uitdrukking. Naar Bijbelse norm zal die heerlijkheid zich ondermeer uitdrukken in licht (schijnsel). Het is nog niet verschenen wat wij zijn zullen. Dat betekent niet, dat nog niet bekendgemaakt is wat wij zijn zullen. Een kind van God zal een zoon worden. Dat is bekendgemaakt, maar het wacht op de verlossing van ons lichaam.

… Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn (worden), wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 1 Joh. 3 :2b

In Kolossenzen 3 : 4 staat, dat wij met Hem geopenbaard zullen worden in heerlijkheid. Onze hoop is, dat wij Hem zullen zien gelijk Hij is. Onze toekomstverwachting is, dat wij zichtbaar zullen delen in de heerlijkheid van Christus. Het is voorwaardelijk, want het is gebaseerd op leven uit geloof.

En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. 1 Joh. 3 :3

Reiniging of heiliging is een voorwaarde voor deze aanstelling tot zoon ofwel voor het ontvangen van deze heerlijkheid. Johannes stelt ons voor de keus: je kunt de zonde doen of de gerechtigheid doen. Je kunt de leugen of de waarheid dienen.  Wij zouden de Heer dienen en daardoor gereinigd worden.

In 1 Johannes 3 missen we ook weer de term “opname van de Gemeente”. We missen de verhuizing van de aarde naar de hemel. Openbaring 2 en 3 bevatten zeven brieven aan zeven Gemeenten. Deze twee hoofdstukken gaan niet over de openbaring van Jezus Christus, maar over hetgeen daaraan voorafging, namelijk de Verborgenheid. Dit lezen we in Openbaring 1 : 19 en 20. Deze verzen vormen de inleiding tot hoofdstuk 2 en 3.

In de zeven brieven aan de zeven Gemeenten is de geschiedenis van het verborgen Koninkrijk vastgelegd. Met andere woorden: de situatie die in de zeven brieven beschreven wordt, komt overeen met zeven opeenvolgende tijdperken tijdens de Verborgenheid van het Koninkrijk. De Verborgenheid beslaat de vijfde én de zesde bedeling. De zesde bedeling wordt beschreven in de zevende brief, die aan Laodicéa. De vijfde bedeling wordt dus beschreven in de zesde brief, in de brief aan Filadelfia (broederliefde).

31. Openbaring 3

Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend. Op. 3 : 8

Een geopende deur betekent, dat er in onze dagen grote vrijheid is voor de prediking van het Evangelie. In vroegere eeuwen was de prediking van het Evangelie vrijwel onmogelijk. Deze laatste eeuwen was zending en evangelisatie over de gehele wereld mogelijk. Degenen die zeggen, dat het niet overal vrij is, houden zich juist bezig om in die “gesloten” landen het Evangelie te brengen. Vroeger was dat bijvoorbeeld achter het “IJzeren Gordijn” of achter het “Bamboegordijn”. Kleine kracht betekent dat er niet zoveel mensen zijn die het Evangelie prediken. Ondanks alles wordt het toch gedaan. Het zijn er ook slechts weinigen die het Woord van de Héér bewaard hebben. Men bewaart liever het woord van de oudvaders ofwel van de kerkvaders.

Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb. Op. 3 : 9

Dit vers zegt o.a. dat de gelovigen heerlijkheid zouden ontvangen.

Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. Op. 3 : 10

Het Woord Mijner lijdzaamheid houdt in,dat wij bereid zijn om te lijden vanwege het Woord. Dit alles staat in verband met het dienen van de Heer. De ure der verzoeking die over de hele wereld komen zal, is de Grote Verdrukking over de gehele wereld. In Daniël 12 :1 staat al:

¶ En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. Daniël 12 :1

De tijd der benauwdheid ofwel de ure der verzoeking, begint bij de tweede helft van de 70 ste week van Daniël. Wij worden verlost uit de ure der verzoeking. Hier staat niet bij op welke wijze dat gebeuren zal.

Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme. Op. 3 : 11

In 2 Johannes : 8 staat:

“Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen”.  2 Johannes : 8

“Houd dat gij hebt” is hetzelfde als “niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben”. “Uw kroon” is hetzelfde als “het volle loon”. Het is mogelijk, dat een kroon genomen wordt (men kan een kroon verliezen) oftewel dat loon gederfd (gemist) wordt. Dit staat ook op andere plaatsen in de Bijbel. Die kronen zijn niet voor de gelovigen in het algemeen bestemd, maar voor degenen die uit geloof geleefd hebben (Zie 1 Korinthe 9 : 25; 2 Timótheüs 4 : 8; Jakobus 1 : 12; 1 Petrus 5 : 4; Openbaring 2 :10).

Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en de naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam. Op. 3 : 12

De overwinning is in Christus, want in Hem zijn wij meer dan overwinnaars (Romeinen 8 : 37). De pilaar in de tempel spreekt over priesterschap en koningschap. Het huis Gods, de Gemeente van de levende God, is pilaar en vastigheid der waarheid (1 Timótheüs 3 : 15). Dit is een beschrijving van de priesterlijke positie van de Gemeente. Bovendien dragen alle pilaren een kroon (kapiteel).

13 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Op. 3 : 13

Het gaat hier dus over verborgen dingen.

32. Openbaring 12 : 5 – 7

In Openbaring 12 : 5 staat dezelfde term (afgeleid van het Griekse werkwoord “arpazoo”) als in 1 Thessalonicenzen 4 :17. In Openbaring 12 : 5 is het vertaald met “weggerukt” en in Thessalonicenzen 4 met “opgenomen”. “Arpazoo” betekent letterlijk “met of door kracht wegnemen”. Het gaat in het visioen van Openbaring 12 over een vrouw. Die vrouw was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren (Openbaring 12 :2).

En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troonOp. 12 :5

De vrouw is in de eerste plaats een beeld van Israël. Zij baarde een mannelijke Zoon. (Dat is een pleonasme, want we spreken nooit over vrouwelijke zonen.) Die Zoon zou al de heidenen hoeden met een ijzeren roede. Die Zoon “zou”, dat wil zeggen dat dit van tevoren al aangekondigd was, namelijk in Psalm 2:9. In Psalm 2 gaat het over Christus, de Koning, Die gezalfd is over Zion. De Zoon uit Psalm 2 is met grote nadruk Christus. Hier in Openbaring 12 : 5 wordt dezelfde uitspraak die op Christus van toepassing was, ook van toepassing gebracht op de Gemeente.

De vrouw in Openbaring 12 is een volk. De Zoon is dan dus ook een volk. De vrouw is Israël en de Zoon Die daaruit geboren wordt, is de Gemeente. Bovendien kunnen we van de Here Jezus niet zeggen, dat Hij werd weggerukt tot God en Zijn troon. Van de Here Jezus staat in Handelingen 1 :9, dat Hij werd opgenomen. De Heer werd ook niet weggerukt voor de naderende draak. De Heer heeft juist de draak door Zijn dood en opstanding overwonnen. Hij heeft de overheden en machten (satan) openbaar tentoongesteld en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd (Kolossenzen 2 :15).

Het wegrukken tot God en Zijn troon slaat dus op Christus én de Gemeente, op het Hoofd en het Lichaam. De mannelijk zoon (de Gemeente) wordt geboren, terwijl de vrouw (het Joodse volk of Israël in het algemeen) lijdt. Dit is kenmerkend voor heel onze bedeling. Zodra de mannelijke Zoon weggerukt is tot God en Zijn troon, moet de vrouw vanwege de draak vluchten in de woestijn. Op dat moment wordt de mens der zonde, de zoon des verderfs, openbaar.

Wegrukken

Het gaat in Openbaring 12 niet over individuen, maar over de Gemeente als geheel. De gehele Gemeente wordt weggerukt tot God en Zijn troon. Het wegrukken tot God en Zijn troon houdt in, dat de Gemeente op de troon gezet wordt. Vanaf die troon zal de Gemeente de twaalf geslachten van Israël (Matthéüs 19 : 28) en de engelen oordelen (1 Korinthe 6 : 3). Die collectieve bestemming staat vast. Dezelfde woorden die bij de opstanding van Christus klonken,  klinken bij de opname van de Gemeente: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd” (Psalm 2 : 7). Dit betreft de aanstelling tot Zoon, het verkrijgen van de erfenis, het ontvangen van heerlijkheid en de aanstelling tot Koning.

De Gemeente wordt weggerukt tot God en Zijn troon. Er staat niet, dat de Gemeente wordt weggenomen van de aarde. Er staat niet bij waarvandaan. Het gaat erom waartoe die kracht leidt. De kracht Gods Die nu reeds in ons werkt, brengt ons op de troon van God en van Christus. De term “opgenomen worden” betekent niet “omhoog genomen worden”. De term “opnemen” betekent “met kracht wegnemen”. Door die kracht worden wij lichamelijk veranderd van een oude naar een nieuwe schepping. Het gaat dus nauwelijks over een verplaatsing. Verplaatsing wordt alleen genoemd in verband met onze verschijning uit de wolken boven of op de Olijfberg.

En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Op. 12 :6

Op dit moment breekt de 70 ste week van Daniël aan.

En er werd krijg in den hemel: Michael en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen. Op. 12 :7

Michaël en Zijn engelen zijn dezelfden als de mannelijke Zoon, namelijk Christus en de Gemeente in de hemel.

Tot slot behandelen we 1 Thessalonicenzen 4 en 5. In 1 Thessalonicenzen 4 worden de dingen min of meer in chronologische volgorde vermeld. Eerst wordt melding gemaakt van de opname van de Gemeente en vervolgens van de wederkomst van Christus. Dit leidt tot misverstanden, omdat we meestal bij 1 Thessalonicenzen 4 niet in de gaten hebben dat het hoofdbestanddeel niet over de opname van de Gemeente gaat, maar over de wederkomst van Christus. De wederkomst van Christus staat centraal in 1 Thessalonicenzen 4 : 13 t/m 1 Thessalonicenzen 5 : 11.

33. 1 Thessalonicenzen 4

¶ Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. 1 Thess. 4 :13

Wie zijn die anderen? Daar denken wij normaal gesproken nooit aan, omdat we dat niet belangrijk vinden. Die anderen zijn degenen die geen toekomstverwachting hebben.Zij hebben geen hoop.

Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem. 1 Thess. 4 :14

Wíj geloven, maar wie geloven er dan niet? Dat zijn die anderen uit vers 13. God heeft de Here Jezus als Eersteling op grond van Zijn geloof uit de doden opgewekt. Zo zal God ook ons op dezelfde wijze als eerstelingen op grond van ons geloof uit de dood opwekken. Christus is de Voorloper (Hebreeën 6 : 20) en het Voorbeeld (1 Petrus 2 : 21).

Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 1 Thess. 4 :15

De toekomstverwachting van Paulus is altijd: nooit te zullen sterven. Daarom schrijft hij: “Wij die levend overblijven”. Wij levenden hebben geen bevoorrechte positie. Paulus legt uit, dat de gelovigen van deze bedeling wel deel zullen hebben aan het Koninkrijk van Christus. Degenen die ontslapen zijn, zullen opstaan en wij die levend overblijven zullen hen niet voorgaan. De vraag is altijd: “Degenen die ontslapen zijn, zijn ons toch al voorgegaan? Zij zijn toch al in de hemel? ” Maar wij zijn toch ook al in de hemel? De hemel is hier.

Het gaat in deze verzen niet over het feit, dat de gelovige uit onze bedeling een hemels lichaam ontvangt ter vervanging van het oude aardse lichaam. Voor de laatste generatie geldt dat natuurlijk wel, omdat die nog een oud lichaam heeft. In het algemeen geldt, dat degenen die ontslapen zijn, in de hemel zijn en niet meer op de aarde, zoals wij. Zij hebben dus allang een hemels lichaam. De vraag is vervolgens: Wat heeft de opname van de Gemeente dan voor zin voor de ontslapenen? Er staat toch dat zij daaraan deel zullen hebben?

Alle gelovigen uit onze bedeling zullen deel hebben aan de opname. Het gaat daarbij niet om de verandering van het lichaam, maar om het ontvangen van heerlijkheid!  Vervolgens zullen wij allen met Christus in heerlijkheid geopenbaard worden (Kolossenzen 3 :4) en vanuit de hemel over de aarde regeren. Wij kunnen ons niet voorstellen, hóe ontslapen broeders en zusters deel zullen hebben aan de opname van de Gemeente. Wij zullen echter allen tegelijk heerlijkheid ontvangen. Wij zullen allen van het ene op het andere moment veranderd worden.

Degenen die ontslapen zijn, zijn wel in de hemel, maar zij hebben nog geen loon (verheerlijkt lichaam, kroon, kleed) ontvangen. Dat gebeurt collectief op een bepaalde datum. De Bijbelse gedachte is: de ontslapenen wachten op ons en wij wachten op hen. Het enige verschil is, dat wij het aardse nog moeten afleggen. De ontslapenen hoeven dat niet meer.

Paulus zegt in Filippenzen 1 : 23: “Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste”. Paulus zei dat, toen hij nog gebonden was, maar hij was allang met Christus. De gedachte is, dat je beter ontbonden met Christus kunt zijn, dan gebonden. Wij zijn nu gébonden door dit oude lichaam, maar wij zijn met Christus. Degenen die ons zijn voorgegaan, zijn óntbonden en met Christus. De uiteindelijke verheerlijking, de beloning, de rechterstoel van Christus, het uitreiken van de kronen ofwel kleden en overkleden, gebeurt collectief. Wij noemen dat vanuit onze positie in het vlees de opname van de Gemeente. De hoofdzin van 1 Thessalonicenzen 4 : 16 is: “De Heer Zelf zal nederdalen”. Wanneer dit gebeurt, staat niet in 1 Thessalonicenzen 4, maar wel in hoofdstuk 5.

34. 1 Thessalonicenzen 5

1 ¶ Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2  Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht. 1 Thess. 5 :1, 2.

Paulus schrijft dit, omdat men het had kunnen en moeten weten, maar men wist het niet. Over welke tijden en gelegenheden gaat het dan? Het gaat over de tijden en de gelegenheden van de openbaring van het Koninkrijk van Christus. Dit zijn dezelfde tijden en gelegenheden als in Handelingen 1 : 7, waar toen gezegd werd: “Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.”

Tijden en gelegenheden is hetzelfde. Tijd is het tijdstip op een klok of kalender. Het jaartal (tijdstip) is van minder belang dan de gebeurtenis als zodanig.1600 was een tijdstip en de slag bij Nieuwpoort was één van de vele gebeurtenissen van het jaar 1600. In Handelingen 1 : 7 kwam het hun niet toe de tijden en gelegenheden te weten. Dat was de situatie onder de discipelen in de eerste dagen van Handelingen. Nu staat er: “Gij hebt niet van node, dat men u schrijve, want gij weet zelven zeer wel”. Dat staat er niet, opdat zij het niet weten zouden, maar omdat zij het nu wel weten. Zij weten,dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht (1 Thessalonicenzen 5 : 2). Er staat niet, dat de Gemeente opgenomen wordt als een dief in de nacht.

De toekomst des Heren uit 1 Thessalonicenzen 4 : 15 is de periode waarin de dag des Heren aanbreekt. In die dag zal de Heer het oordeel brengen over de gehele levende mensheid en uiteindelijk over de gehele schepping (meer dan 1000 jaar later). De Heer verschijnt eerst om een oordeel over Israël (in de tweede helft van de 70 ste jaarweek) en daarna over de volkeren (in de 33 jaar) te brengen. Dit oordeel loopt uit op het wegnemen van alle ongelovigen van de aarde en het achterlaten van alle gelovigen op de aarde. Voordat de dag des Heren begint, komt eerst de Grote Verdrukking van die dagen over Israël. Dan volgt de verduistering van zon en maan en op dat moment breekt de dag des Heren aan (Joël 2 : 31; Matthéüs 24 : 29).

Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden; 1 Thess. 5 :3

Die “zij” zijn dezelfden als “de anderen” uit 1 Thessalonicenzen 4 :13. Het zijn ongelovige Joden die geen hoop hebben. Bij nazoeken binnen de Joodse godsdienst zal blijken, dat men daar inderdaad geen hoop heeft voor degenen die overleden zijn. In het jodendom gelooft men niet in een hiernamaals. Men kent de opstanding en het eeuwige leven niet. Men kent wel een duizendjarig rijk, dat wil zeggen de openbaring van het Messiaanse rijk. Verder heeft men geen hoop.

Het woordje “zij” is ook een verwijzing naar de oudtestamentische profetie. Zij is “uw volk” uit Daniël 9 : 24 – 27. Wanneer zullen zij “het is vrede” zeggen? Als het Joodse volk een verbond met de grootste vijand sluit. Dat staat in Daniël 9 : 27 in verband met de aanvang van de 70 ste week van Daniël. Die vrede slaat op de eerste helft van de 70 ste week. Daniël wijst erop, dat die vrede in de helft der week verbroken zal worden (Daniël 9 : 27). Dan zal er tot het einde van de 70 ste week van Daniël verwoesting zijn. Die verwoesting is vast besloten.

Het haastig verderf slaat op de tweede helft van de 70 ste week van Daniël. Aan het einde van de 70 ste week zal de Heer Zijn voeten op de Olijfberg zetten. Op dat moment vangt volgens vele Schriftplaatsen officieel de dag des Heren aan. Hier staat, dat zij het (verderf, oordeel) geenszins zullen ontvlieden. Al zouden miljoenen gelovigen bidden voor de vrede van Jeruzalem, dan nog zal Jeruzalem verwoest worden (Zacharia 14 : 2; Lukas 21 :20). Bovendien zegt de Heer: “Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen” (Jeremia 11 :14). Bidden voor de vrede van Jeruzalem is zinloos. Jeruzalem zal geen vrede hebben. Wij kunnen wel bidden voor de zaligheid van het volk (Romeinen 10 : 1 – 3). We zouden bidden voor hun zaligheid en tegelijkertijd bereid zijn om hun het Evangelie te prediken, zoals de apostel Paulus.

4  Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
5  Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
6 ¶ Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. 1 Thess. 5 : 4-6.

Dit zijn in het bijzonder citaten uit de profetieën van Jesaja 60. In Jesaja 60 : 1 staat: “Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op”. Deze tekst wordt ook aangehaald in Éfeze 5 : 14. Daar staat: “Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten”. Laat ons in het Licht wandelen. Laat ons waken en niet slapen. Dan zullen deze gebeurtenissen ons ook niet als een dief in de nacht overvallen. De dag des Heren kan ons niet overvallen, want wij zijn voor die tijd allang weg. De opname van de Gemeente kan ons ook niet overvallen.

Meestal zegt men, dat je niet kunt weten, wanneer deze dingen zouden plaatsvinden. Het argument is, dat zovelen het al uitgerekend hebben en dat het tot op heden niet geklopt heeft. Dat is geen wonder, want tot op heden kan het niet geklopt hebben. We weten pas zeker of het klopt,als het gebeurd is. Dat komt, omdat we geen bruikbare kalender voor dat doel hebben. Wanneer de Heer een oordeel aankondigde, zei Hij er altijd bij wanneer dat zou zijn. In de dagen van Noach zou het oordeel na 120 jaar komen.

De verwoesting van Jeruzalem werd ook altijd aangekondigd. Ezechiël moest 390 en 40 dagen op zijn linker- en rechterzijde liggen (Ezechiël 4). Daniël wist, dat Jeruzalem na 70 weken verwoest zou worden. Na 69 weken zou het oordeel over onze zonden gedragen worden. Zo staat het er niet, maar dat wordt er wel bedoeld. Alles wordt aangekondigd. De Heer Zelf kondigde ook de verwoesting van Jeruzalem aan op de laatste dag van de 69 ste week van Daniël. Hij zei,dat die verwoesting zou komen, omdat zij de tijd hunner bezoeking niet gekend hadden (Lukas 19 : 44). Dat kan alleen maar iets betekenen, als zij het hadden kunnen weten.

De Heer doet alle dingen op de door Hem bestemde tijd. Wanneer het echt gebeurt, zou ons niets uit moeten maken. Het is wel heel interessant om te weten hoe de heilsgeschiedenis in elkaar steekt. Namelijk hoe God Zijn beloften en profetieën vervult op de door Hem tevoren bestemde tijd. Als dat vaststaat, zouden wij er op zijn minst rekening mee moeten houden.

Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus. 1 Thess. 5 :9

Wij verwachten de verlossing van de toorn. Wij verwachten de verkrijging van de zaligheid, in het bijzonder die van het lichaam.

10  Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.
11 ¶ Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet. 1 Thess. 5 :10, 11.  (Vergelijk 1 Thessalonicenzen 4 : 18)

Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel;…. 1 Thess. 5 :16a

De Heer Zelf zal nederdalen. Dat betekent, dat de Heer weer op aarde aanwezig zal zijn. Hij zal nederdalen met een geroep. Hij zal nederdalen met de stem des aartsengels (de stem = de aartsengel). Dat is een krachtig spreken door Hem Die de allerhoogste Engel (Michaël) is. Dit is zondermeer een verwijzing naar Daniël 12 : 1. De aartsengel is Christus Die het Woord (het geroep, de stem) Gods is. De Heer zal nederdalen met de bazuin Gods. In Joël 2 :1 staat: “Blaast de bazuin te Zion,en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des HEEREN komt, want hij is nabij”. Dit is aan het einde van de 70 ste week van Daniël.

Wij leven nu al 1900 jaar in een tijd waarin God niet spreekt, maar zwijgt. Hij hééft gesproken en Hij hééft Zijn Woord gegeven. Het spreken van de Heer in de toekomst kunnen we in Psalm 2 vinden. Deze Psalm wordt vaak aangehaald in het Nieuwe Testament. Er staat, dat de heidenen en de volkeren zich opstellen tegen de Heer, maar dat de Heer Zich er niets van aantrekt. Hij zál lachen en Hij zál hen bespotten. De Heer heeft immers de overwinning allang behaald. De wereld weet dat echter niet.

In Psalm 2 :5 staat: “Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken”. De Bijbelse gedachte is, dat wanneer God Zich actief met de wereld gaat bezig houden, dat is om toorn (oordeel) te brengen over de levende mensheid, beginnend bij Israël. Wanneer God spreekt, verschijnt Christus Die het Woord Gods is! God spreekt officieel pas weer aan het einde van de 70 ste week van Daniël. Dat is ook het tijdstip waarop de Heer nederdaalt.

…. Want de Heere Zelf zal [……] nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 1 Thess. 5 :16b

Diegenen die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.

(Realiseert u zich, dat dit allemaal in één ogenblik gebeurt. Het wordt hier dus héééél langzaam verteld!) De Heer Zelf zal nederdalen, maar éérst zullen de gelovigen uit onze bedeling die inmiddels overleden zijn, opstaan (veranderd worden). Als er van hen nog stoffelijke resten hier op aarde in een graf zijn, dan is dat graf na de opname leeg! Misschien is het graf zelfs wel open. Zoals de levende lichamen veranderd zullen worden, zullen de eventueel aanwezige dode lichamen eveneens veranderd worden.

Precies hetzelfde gebeurde immers met de Here Jezus. De Heer had net zo goed een hemels lichaam kunnen krijgen ter vervanging van dat wat in het graf lag. Dat gebeurde niet. Het graf was leeg. Zijn lichaam was van aards omgezet naar hemels. Alleen de linnen doeken lagen er nog (Lukas 24 : 12). Dat is opstanding. Opstanding is niet alleen de vervanging van het oude, maar met nadruk de verandering van het oude. Het oude wordt nieuw gemaakt. Het nieuwe komt in de plaats van het oude, maar het oude is wel weg.

Daarna(let op de volgorde)

Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. 1 Thess. 5 :17

Letterlijk staat er: “wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen weggerukt worden in wolken tot een ontmoeting met de Heer in lucht”. “Alzo” betekent, dat wij niet in dit lichaam, maar in een hemels lichaam met de Here zullen wezen. Er staat niet: “alzo zullen wij voor altijd naar de Heer gaan.” Dat zou heel goed kunnen, maar dat staat er niet. Er staat: “en alzo zullen wij altijd (tot in lengte van jaren) met den Heere wezen”. Het gaat over het delen in de heerlijkheid van Christus. Voor zover die heerlijkheid op de aarde geopenbaard wordt, gebeurt dat vanuit de hemel en vanuit de wolken.

Wanneer hemelse dingen zichtbaar in de wereld verschijnen,gebeurt dat altijd van bovenaf. Dat is niet noodzakelijk, maar dat is wel in overeenstemming met de symboliek. “Met hen” wil zeggen, met degenen die gestorven waren en opgewekt zijn. Zij zowel als wij zijn aan het eind van deze gebeurtenis ergens in de hemel (dat is hoger dan de aarde). Satan wordt met zijn engelen op de aarde geworpen en wij als Gemeente zullen hun plaats in de hemelen innemen (Openbaring 12 : 7, 8).

Deze “bevordering tot heerlijkheid” (de opname van de Gemeente) is noodzakelijk, opdat de Gemeente met Christus in heerlijkheid geopenbaard zal worden. Dit is het werkelijke thema. Wij zullen tezamen met hen, dat is met heel de Gemeente van de afgelopen 2000 jaar, met kracht weggenomen worden. Dat is met de kracht (de werking) waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen (Filippenzen 3 : 21). Die kracht zal in ons werken en daardoor zullen wij veranderd worden en weggenomen worden van de aarde.

De wolken

Waar gaan we dan naar toe? Wij gaan met hen in de wolken de Heer tegemoet in de lucht en wij zullen met Hem wederkomen! De Heer zou komen op de wolken. Hij kan alleen op (uit) de wolken komen, als Hij eerst op (boven) de wolken is. Er zijn vele andere profetieën waarin die wolken genoemd worden (onder andere Exodus 16 : 10; 19 : 9; Ezechiël 32 : 7; 34 :12; Daniël 7 : 13). Het gaat in 1 Thessalonicenzen 4 : 17 over die wolken uit de profetieën, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld is. De wolken uit 1 Thessalonicenzen 4 : 17 verwijzen naar de dag des Heren in 1 Thessalonicenzen 5 : 1.

In Handelingen 1 : 11b zeggen de twee mannen in witte kleding: “Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren”. “Alzo” wil zeggen, dat het op de Olijfberg zal zijn. Bovendien staat er,dat een wolk Hem wegnam van hun ogen (Handelingen 1 : 9). Dat betekent, dat wanneer de Heer terugkomt, dezelfde dingen in omgekeerde volgorde zullen gebeuren. De Heer zal in de toekomst vanuit een wolk verschijnen op de Olijfberg. De zichtbare hemelvaart van Christus was Zijn laatste teken in verband met Zijn wederkomst. Dat zagen de discipelen. De echte hemelvaart van Christus vond namelijk plaats op de opstandingsdag.

In Matthéüs 24 : 30 staat: “En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van de Zoon des Mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid”. Ik geloof, dat die grote kracht en heerlijkheid op de Gemeente slaat. Vergelijk Lukas 2 : 13 en Hebreeën 12 :22 en Judas :14.

In Ezechiël 30 :3 staat: “Want de dag is nabij ,ja, de dag des HEEREN is nabij, een wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn”. De zon en de maan zijn dan bedekt (verduisterd) door de wolken vanwege de aardbevingen en de verwoesting van Jeruzalem. Het maakt toch niet uit of het wolken van stof of van waterdamp zijn? Die duisternis zal in ieder geval over geheel Israël zijn. Uit die verduisterde hemel zal de Heer (de verheerlijkte gedaante van de Heer inclusief de Gemeente)  in heerlijkheid verschijnen. Dat is dan het enige Licht dat in de wijde omgeving gezien zal worden.

In het boek Openbaring wordt eerst de Here Jezus Christus Zelf voorgesteld en meteen daaroverheen de Gemeente. Dat moet ook wel, omdat het niet anders kan. In Openbaring 1 :5b en 6 staat:

“Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid”. Op. 1 : 5b , 6

Degenen die Hij tot koningen en priesters gemaakt heeft, is de Gemeente. Sommigen zeggen, dat Openbaring over de wederkomst van Christus en over Israël en de volkeren spreekt. Men vindt dat de Gemeente niet in het boek Openbaring mag voorkomen. Men is vervolgens gedwongen om de Gemeente uit Openbaring weg te redeneren. Zo’n redenering draai ik altijd om. Aangezien de openbaring van Christus de openbaring van Christus inclusief Zijn Gemeente zal zijn, dienen wij te verwachten dat de Gemeente overal in Openbaring voorkomt.

Tegemoet gaan

Wat betekent het tegemoet gaan van de Heer in de lucht? Tegemoet gaan betekent:naar Hem toegaan en tezamen met Hem wederkomen. Tegemoet gaan wil niet zeggen ergens naar toe gaan, maar naar iemand toegaan om met die iemand terug te keren. Als wij de Heer tegemoet gaan, betekent dat, dat de Heer naar de aarde komt. Hem tegemoet gaan, hoeft niet noodzakelijk in tijd en ruimte te gebeuren. Het is daarom mogelijk om te zeggen, dat onze bevordering tot heerlijkheid in zichzelf aangeduid kan worden als het tegemoet gaan van de Heer. Als wij Hem gelijkvormig worden en zijn gelijk Hij is, dan is dat ook Hem tegemoet gaan. Je kunt elkaar ook tegemoetkomen, terwijl je op een stoel aan weerszijden van een tafel zit.

De eerste komst van de Heer was een beeld van Zijn wederkomst. De Heer zal wederkomen, maar met Hem zal van stonde aan een menigte van hemelse heirlegers verschijnen. Die heirlegers zullen God prijzen en zeggen: “Ere zij God in de hoogste, en vrede op aarde, in mensen van een welbehagen” (Lukas 2 : 13, 14). Daarom verscheen een engel des Heren en terstond een menigte van hemelse heirlegers. Lukas 2 :8 – 14 bevat dus gemeentelijke waarheid.

Wanneer wij in heerlijkheid op de Olijfberg verschijnen, is dat vanuit de velden van Efratha met groot gemak te zien. Dat is slechts een afstand van een paar kilometer. Misschien verschenen die engel des Heren en de heirlegers ook wel boven de Olijfberg. De herders konden het in ieder geval zien. De Heer zal verschijnen met Zijn tienduizenden engelen (Hebreeën 12 :22; Judas :14). De Heer zal verschijnen met Zijn lichaam. Dat is vanzelfsprekend.

De toekomst des Heren begint met het nederdalen van de Heer op de wolken op de Olijfberg. Als wij met Hem verheerlijkt zullen worden en met Hem deel zullen hebben aan de openbaring van Zijn Koninkrijk, dan moeten wij Hem tegemoet gaan in de lucht. Het één hangt dus samen met het ander .Aangezien de Heer op de wolken komt, komen wij ook op de wolken. Dat hoeft niet op de dag van wat wij de opname van de Gemeente noemen. In 1 Thessalonicenzen 4 en 5 wordt niet zozeer over de dag van de opname van de Gemeente gesproken, maar over de dag van de wederkomst van Christus, 7 jaar later.

Het tegemoet gaan van de Heer zouden we niet alleen letterlijk moeten nemen. Wij zouden naar Hem toegaan, opdat wij met Hem verheerlijkt zouden worden. Wij worden na de verlossing van ons lichaam in de hemel verzameld. Dan zullen de taken binnen de Gemeente worden verdeeld. Het is immers een regerend lichaam. Pas na 7 jaar worden wij met Christus in heerlijkheid geopenbaard. In die tussenliggende 7 jaar zijn wij in de hemel bij de Heer. We hebben dan een taak in verband met de vrouw uit Openbaring 12. De opname van de Gemeente is dus een voorbereiding van de wederkomst van Christus.

Onze toekomst wordt dus rechtstreeks in verband gebracht met de wederkomst van Christus. Als Hij zichtbaar uit de hemel verschijnt, verschijnen wij ook zichtbaar uit de hemel. De nadruk ligt niet op het naar Hem toegaan. De nadruk ligt op het met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

De openbaring voor Christus

Ik hoop, dat het nu duidelijk is, dat 1 Thessalonicenzen 4 :13 – 17 en geen enkel ander Schriftgedeelte spreekt over het idee, dat wij opgenomen zullen worden. Het spreekt niet over dat wij langzaam naar boven zullen gaan en langzaam uit het zicht verdwijnen. Dat is gebaseerd op een menselijke redenatie. Het zou best kunnen, maar als dat de Bijbelse gedachte was, zou ik niet weten hoe het mogelijk is, dat degenen die al eeuwen bij de Heer in de hemel zijn, alsnog deel zullen hebben aan de opname van de Gemeente.

Wij noemen het opname van de Gemeente. In werkelijkheid is het de openbaring voor de rechterstoel van Christus. Deze uitdrukking komt ook vaker voor in de Bijbel. Wij hebben dus een ongelukkige term ter aanduiding van deze dingen gekozen. Als gevolg daarvan ontwikkelden wij een verkeerde gedachte. Wij verwachten, dat wij straks van het ene op het andere moment ineens zien waar wij werkelijk zijn en waar wij allang waren. Dat is in de hemel, omgeven door hemelse wezens (engelen) met de Heer zichtbaar in ons midden. Afstand speelt daarin helemaal geen rol.

Bij de opname van de Gemeente gaat ons lichaam weg uit deze zichtbare wereld. Wij zien dan die andere wereld,waarvan wij al vele jaren deel uitmaakten. Dat betekent dat men ons hier op aarde niet meer ziet. In ieder geval ziet men ons niet meer in onze oude gedaante. Als men ons weer zal zien, zal men ons zien in grote kracht en heerlijkheid.

De Here Jezus zei tot zijn discipelen: “Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd,en gij zult Mij zien” (Johannes 16 :16). Het wachten is op Zijn wederkomst, waarin Hij Zich in heerlijkheid zal openbaren. Onze toekomstverwachting is, dat wij met Hem geopenbaard zullen worden in heerlijkheid. Daartoe worden wij vooraf eerst lichamelijk veranderd. Die verlossing van ons lichaam staat in verband met het resultaat van het werk van de Geest in ons. De opname is de eindafrekening met betrekking tot de Gemeente en daarmee met alle leden van de Gemeente.

Nederdalen

Het nederdalen van de Heer is dus niet een nederdalen van de Heer ter gelegenheid van de opname van de Gemeente. Het is het nederdalen, dat wij uit de profetieën kennen ter gelegenheid van de bekering van het Joodse volk aan het einde van de 70 ste week van Daniël. Dan zal men (waarschijnlijk de Joodse regering van de Joodse staat) de Naam des Heren aanroepen. Op grond van het aanroepen van Zijn Naam (Jehovah) zal de Heer nederdalen. Alles wat het Joodse volk nu in het land heeft, zal het bij die gelegenheid kwijt zijn. Het judaïsme en zionisme wordt door de Heer als hout, hooi en stro beschouwd. Al deze dingen worden weggenomen en vervangen door Zijn heerlijkheid en door Zijn erfenis en door Zijn Koninkrijk. Men rekent daar niet op, maar men had beter kunnen weten uit de Schrift.

Wij weten nu, dat al deze dingen zullen plaatsvinden. Toch weten wij, dat onze toekomst niet gelegen is in een Grote Verdrukking of in de 70 ste week van Daniël. Wij zullen precies op tijd de Heer tegemoet gaan en we zullen precies op tijd met de Heer geopenbaard worden aan het eind van de 70 ste week van Daniël. God zal de beloften en profetieën die met betrekking tot Israël en de volkeren gedaan zijn, alsnog vervullen. Velen beweren dat al die profetieën al vervuld zijn en dat Israël geen toekomst meer heeft. De vervulling van de profetieën wacht op de voltooiing, beter gezegd op de zoonstelling van de Gemeente. Daar wacht heel de wereld op. Zelfs gelovigen in onze dagen vragen: “Waar is God en waarom doet Hij niets”? In werkelijkheid treft God 2000 jaar lang in het verborgen voorbereidingen om in heerlijkheid geopenbaard te worden samen met de Gemeente.

Wij zouden blij moeten zijn, dat de Heer dit werk nu doet. Wij zijn toegevoegd aan de Gemeente Die zalig wordt. Het gaat om een zaligheid met eeuwige heerlijkheid (2 Timótheüs 2 :10). Het afleggen van ons aardse lichaam is daarbij van totaal ondergeschikt belang. Het gaat om onze openbaring met Christus in heerlijkheid, waarbij u en ik geroepen zijn om de heerlijkheid van Christus uit te stralen ofwel bekend te maken.

Dat is een logisch vervolg op onze priesterlijke functie, die wij nu reeds in het oude lichaam hebben. De dienst die wij als gelovigen nu in het vlees hebben, heeft zijn logische voortzetting na de opname van de Gemeente. Waar wij nu dienstknechten Gods zijn, zullen we dat ook in de toekomst zijn. Waar wij nu Zijn heerlijkheid, Zijn veelkleurige wijsheid, Zijn genade bekendmaken, zullen wij da tin de toekomst ook doen. Dat doen we dan ook in de hemel, maar dan in een onzichtbaar lichaam in verband met de gebeurtenissen op aarde.

 Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus; Titus 2 : 13

Laat dit onze persoonlijke verwachting zijn.

Amen


 Gerelateerde bijbelezingen: 
* Opname en Verdrukking
* Opname en wederkomst
* Aftellen voor de opname
* De opname en dan
* De opname en daarna
* Wederkomst van de Gemeente
* Wil de échte bruid opstaan?

 
* De opname van de Gemeente en de grote verdrukking
* Wat is de Hemel?

Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld:

Overige:De wereld na de opneming der Gemeente

Dit is een bewerking van de Brochure "De opname van de Gemeente" Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/