GODZALIGLIJK LEVEN

En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;. Titus 2 : 12

Deze studie handelt over “Godzaliglijk leven”. Dat leven is het vervolg op onze wedergeboorte. Als kinderen van God zijn wij nu al opgestaan met Christus. Wij hébben nieuw – eeuwig – leven ontvangen vér voor de dagen dat deze oude schepping verdwijnt en een nieuwe openbaar wordt. De vraag is hoe wij nu al dit nieuwe leven, levend in dit oude zondige lichaam des vleses, zouden leven. Een groot deel van de nieuwtestamentische brieven gaat over die vraag. Daarin wordt naar voren gebracht dat God er een doel mee heeft om ons nu reeds, vóór de Jongste Dag of vóór de wederkomst van Christus, nieuw leven te geven. God is de Schepper en Zijn schepping (schepsel) zou Hem dienen. God heeft ons (gelovigen) tot nieuwe schepselen gemaakt, opdat we Hem zouden danken, verheerlijken en dienen. Wij zouden nuttig voor Hem worden en dat blijven. Het is de bedoeling dat wij zouden leven en wandelen tot eer van God! Aan de hand van “waartoe-vragen” worden deze Bijbelse principes over onze praktische levenswandel als nieuwe mens in het vlees besproken. Waar wij toelaten dat de Heer – in alle facetten – onze levenswandel bepaalt, zijn wij verzekerd van een Godzaliglijk leven. Dat hoeft niet te wachten op onze verlossing van het lichaam, maar dat geldt voor elke dag dat wij nog in het vlees zijn.


  1. Waartoe zijn wij wedergeboren?
  2. Waartoe zijn wij bekwaam gemaakt?
  3. Waartoe zijn wij nederig?
  4. Waartoe zijn wij verlost van zonde, dood en wet?
  5. Waartoe weten wij en waartoe zijn wij verzekerd?
  6. Waartoe zijn we voor de oude mens gestorven?
  7. Waartoe onderwerpen wij ons aan de overheid?
  8. Waartoe zijn wij elkaar onderdanig of gehoorzaam in het huwelijk?
  9. Waartoe zijn we elkander onderdanig of gehoorzaam in het gezin?
  10. Waartoe zijn we onze werkgever gehoorzaam?

1. Waartoe zijn wij wedergeboren?

11 Mijn vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochië, in Ikonium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost.
12 En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.
13 Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid.
14 Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt;
15 En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is. 1Timótheüs 3 : 11-15 *

Deze studie handelt over “Godzaliglijk leven”. Dat leven is het vervolg op onze wedergeboorte. Wij zijn kinderen van God geworden of anders gezegd: hebben van Hem nieuw leven ontvangen. “Godzalig leven” komt ook voor in Titus 2 : 12:

En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Titus 2 : 12

Godzalig(lijk) is het Griekse woord: euseboos. Dit komt van “eu” (goed, juist) en van “sebomai” (vereren, aanbidden). Godzaliglijk leven is een leven waarin God op de goede wijze wordt vereerd. Waar wij kinderen Gods geworden zijn, zal dat ook heus niet meer veranderen, want het is nou eenmaal onmogelijk om een geboorte ongedaan te maken. Door wedergeboorte hebben wij eeuwig leven ontvangen. Dat leven kan niet sterven en dus raken wij het ook niet kwijt. Dit is tot stand gebracht door het werk dat God volbracht heeft in de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. Het is een werk waaraan wij deel hebben gekregen enkel en uitsluitend door geloof en niet uit werken. We hebben er niets voor gedaan om dat leven te ontvangen, wij kunnen er ook niets aan doen om het weer kwijt te raken. Het staat buiten ons, want het is onaantastbaar, onvergankelijk leven. Dat leven berust niet op enig werk onzerzijds.

Het punt is dat wij nu al zijn opgestaan met Christus. Wij hebben nieuw leven ontvangen vér voor de dagen dat deze oude schepping verdwijnt en een nieuwe openbaar wordt. De vraag is dan: Wat moeten wij levend in dit oude lichaam, als zondaar in een zondig lichaam des vleses, met eeuwig leven. Wat hebben wij daar nou aan?

Sommige gelovigen zien kans om de waarheid, dat we door geloof eeuwig leven hebben ontvangen, voor zich uit te schuiven. Zo van: “Ja, dat zien we in de toekomst wel en als wij eenmaal zalig sterven, dan is dat al mooi genoeg.” In afwachting daarvan, leeft men dan gewoon zijn eigen leven, dat in de praktijk nauwelijks verschilt van het praktische leven van de ongelovige en van de niet-wedergeboren mens. Zo is het dikwijls. Een groot deel van de nieuwtestamentische brieven gaat echter over de vraag waartoe wij nu reeds eeuwig leven hebben ontvangen, terwijl wij nog in dit oude zondige lichaam leven. In alle brieven wordt naar voren gebracht dat God er een doel mee heeft om ons nu reeds nieuw leven te geven, vóór de Jongste Dag of vóór de wederkomst van Christus, in ieder geval terwijl wij nog in dit lichaam zijn.

De gedachte is namelijk dat God de Schepper is en dat Zijn schepping, danwel het schepsel, Hem zou dienen. Waarom heeft God iets gemaakt? Opdat het Hem ten dienste zou staan. In Romeinen 1 staat niet alleen dat het schepsel God kan kennen, hoe dan ook, zelfs buiten de Bijbel om, maar ook dat het het schepsel kwalijk genomen moet worden dat het God weliswaar kent, maar niet tot dankzegging is gekomen. Het schepsel heeft God niet gedankt of verheerlijkt of aanbeden of wat dan ook. Daaruit is de conclusie dat het kennelijk de bedoeling is dat het schepsel in de eerste plaats de Schepper eer geeft, uiteraard in de praktijk van het leven. Het schepsel zou de Schepper eer geven, danken, verheerlijken!

18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
19 Overmits hetgeen van God kennelijk (= kenbaar) is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
20 Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien (= begrepen), (namelijk) beide Zijn eeuwige kracht (= onzienlijke kracht) en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
21 Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;
22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
23 En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
24 Daarom heeft God hen ook overgegeven (= losgelaten) in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;
25 Als die de waarheid Gods veranderd (= vervangen) hebben door de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.
26 Daarom heeft God hen overgegeven (= losgelaten) tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature (homosekssualiteit);
27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven (= losgelaten) in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
29 Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;
30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;
31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
32 Dewellken, daar zij het recht Gods weten (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen. Romeinen 1 : 18-32

De gedachte is bovendien die van Romeinen 3, waarvan diezelfde schepping gezegd wordt dat die onnut geworden is. Er wordt in vers 1 gezegd dat allen (Joden en Grieken) onder de zonde zijn. Dat betekent niet dat ze zondig zijn, maar ze worden beheerst door een macht die kennelijk boven hen staat. De mens is onder de zonde en wordt dus beheerst door de zonde. De term, dat de zonde over de natuurlijke mens heerst, komen we later ook in deze hoofdstukken tegen. Dat beheerst worden door de zonde is de grootste macht in het leven van de mens. Dat is in overeenstemming met hetgeen geschreven is in Romeinen 3:

10 Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;
11 Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.
12 Allen zijn zij afgeweken, te zamen (= allen) zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is niet tot één toe. Romeinen 3:10-12

Volgens Romeinen 1 zou men God verheerlijken of danken (vers 21), maar in Romeinen 3 wordt in deze verzen kort samengevat dat dat in de praktijk onmogelijk is, want in de mens is geen goed en er is niemand rechtvaardig. Dat wil zeggen dat de mens onnut is geworden en dus niet in staat is om God te dienen. Waarna de vraag is: Als het schepsel (de oude schepping) onnut geworden is en God niet kan dienen, waarom (met het stellen van de vraag is het antwoord gegeven) heeft God ons (gelovigen) dan gemaakt tot nieuwe schepselen? Opdat we God zouden danken en verheerlijken en zouden dienen. Het moet goed tot ons doordringen dat het de bedoeling is dat wij zouden leven en wandelen tot eer van God! Dit in tegenstelling tot de natuurlijke mens, die voor God onnut geworden is en die gewoonlijk in het gunstigste geval leeft tot eer van de mens. Vandaar dat tot gelovigen gezegd wordt, geen zoekers te zijn van ijdele eer. De natuurlijke mens zoekt eigen eer. Er zit trouwens niets anders op. Gewoonlijk erkent hij God niet en wil hij ook nauwelijks bekennen dat er een God bestaat. Waar die mens dan automatisch zelfde hoogste is in de wereld, in de schepping (“de kroon der schepping” is zo de vaste uitdrukking) daar leeft hij tot eer van zichzelf.

De Schrift zegt dat wij niet zoekers van ijdele eer zouden zijn, maar dat we God de eer zouden geven, nu wij daartoe bekwaam gemaakt zijn als nieuwe schepselen. De enige reden waarom wij wedergeboren zijn (nieuwe schepselen zijn geworden), is dat wij God zouden dienen. U zou kunnen zeggen: “la, dat komt dan straks in de toekomst wel, nadat wij verlost zijn van dat zondige lichaam, want wij zijn en blijven zondaren.” Maar de gedachte is juist dat wij zijn wedergeboren, ogenblikkelijk nadat wij tot geloof kwamen, opdat wij vanaf dat moment zouden leren God te dienen. Als ik het heel systematisch zeg, is het eigenlijk zo, dat wij nu nog in het vlees, als wedergeboren mensen zouden leren God te dienen en we zouden dat leren, opdat we dat in de toekomst ook zouden doen. Ook, nadat wij verlost zijn van dit vernederde lichaam.

Deze waarheid staat op vele plaatsen. Bijvoorbeeld in Romeinen 5 : 1: “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde (niet zullen worden) uit het geloof (en dus niet uit werken, opdat niemand roeme), hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus”. Niet, omdat we daar om vragen of ons best voor zouden doen. Nee, wij hébben vrede bij God. Het is niet een vrede die wij tot stand brengen of moeten brengen of gebracht hebben. Het is een vrede die Hij tot stand gebracht heeft en wij dienen slechts te geloven wat hier staat. Als wij geloven wat hier staat, hébben wij wat er staat. “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God.” Wij hebben vrede bij God en wij staan in de genade. Dat is onze positie, daar leven wij uit. Wij roemen in onze toekomst. Wij hebben in het verleden vrede met God gekregen. In het heden leven wij onder de genade en wat de toekomst betreft verwachten wij dat aan ons heerlijkheid geopenbaard zal worden. Wij staan in de genade en leven daar ook uit. Die genade hebben we hard nodig, omdat wij nog zondaren zijn naar de oude mens (waar zouden we anders genade voor nodig hebben?). Door die heerschappij van de genade over ons wordt die oude mens en die zondaar niet gerekend. Door God worden zelfs de zonden niet gerekend, opdat die zonden en die zonde ons niet onbekwaam zouden maken om de levende God te dienen.

Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levende God te dienen? Hebreeën 9 : 14

Dit vers moet je gewoon uit je hoofd leren. Daarna komen wij terecht aan het einde van Romeinen 5, waar staat dat de zonde niet meer over ons heerst.

Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere. Romeinen 5 : 21

De genade zou heersen, zodat we niet meer allen te zamen onnut en afgeweken zijn en de zonde niet meer over ons zou heersen. Dat betekent niet dat de zonde niet meer actief in ons is, maar dat de zonde niet heerst. Dat de zonde niet de grootste kracht is in ons leven. Misschien is de macht van de zonde niet eens minder geworden toen wij tot geloof kwamen, maar er is een veel grotere macht dan die van de zonde in ons leven gekomen en dat is de macht van de genade. Waar genade heerst, kan de zonde op geen enkele wijze ons onbekwaam maken om de levende God te dienen. Wij denken soms dat we daardoor onbekwaam worden. Het staat in mijn Bijbel dat het niet zo is. God rekent de zonde niet toe! Genade heerst! Daar gaat Romeinen 6 over.

In Romeinen 6 : 1 staat: “Zullen wij in de zonde blijven?” De apostel Paulus zegt: “Dat zij verre!”. Wij immers (en dan volgt de apostel de Bijbelse gedachte) hebben deel aan de dood van de Here Jezus, Die voor ons gestorven is. Onze oude mens wordt geacht voor God dood te zijn, dus voor God als zodanig kun je het niet verantwoorden om in die oude mens en naar die oude mens te blijven leven, laat staan, dat je het kunt verantwoorden om de eer van die oude mens te zoeken. Dat kan wel, maar het is niet de bedoeling. Volgens de apostel Paulus is het de bedoeling, voor zover we deel hebben aan Christus Jezus (in Hem gedoopt zijn; vers 3), dat we deel hebben aan Zijn dood en dat wij met Hem begraven zijn (vers 4a). In vers 4b staat het doel: “Opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij.” Christus wordt hier als voorbeeld gegeven. Er staat dat Christus is opgewekt tot de heerlijkheid des Vaders. De Here Jezus Christus leeft om vanaf Zijn opstanding Zijn Vader te verheerlijken (men leze het Johannesevangelie). Tot in onze dagen verricht Hij werk tot eer van God en dient Hij de Vader. Dat mag verwacht worden van de Zoon. Maar er staat: gelijkerwijs alzo ook wij. Als er staat dat Christus is opgewekt uit de doden tot heerlijkheid des Vaders, dan zal het de bedoeling zijn dat wij ook opgewekt worden tot heerlijkheid des Vaders om God te dienen. Daartoe zijn wij geroepen. Sinds onze wedergeboorte ziet (als het goed is) ons leven er heel anders uit. Wij zijn met Christus opgewekt om in nieuwheid des levens te wandelen. Dat heeft met de besteding, de invulling van ons leven of nog concreter met de invulling van onze tijd te maken. Zijn we alleen christenen op zondag of alleen in de kerk of in het Rode Kruis gebouw of ook op maandag?

5 Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.
6 Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is. Romeinen 6 : 5, 6

God rekent onze oude mens niet meer. Hij acht die dood te zijn. Dat is een belangrijke waarheid, omdat nog vele ongelovigen, maar helaas ook vele gelovigen menen dat de Heer er is om hen door het leven heen te helpen. Wat men godsdienst noemt blijkt in de praktijk precies het tegenovergestelde te zijn. Het blijkt in de praktijk dikwijls in te houden dat God ons zou moeten dienen nu wij Zijn kinderen geworden zijn. Hij is nu verplicht ons een beetje gemakkelijker door de moeilijkheden van het bestaan heen te leiden, is de gedachte. Hetgeen zeer inconsequent is, omdat wij voor Hem allang gestorven zijn en als wij tot geloof zijn gekomen, hebben wij formeel afstand gedaan van ons aardse leven hier.

De Heer zou ons niet dienen. De Heer heeft niet gezegd dat Hij voor Zijn kinderen zou zorgen, maar dat Hij zou zorgen voor degenen die Hem dienen. Niet voor Zijn kinderen, maar voor Zijn dienstknechten. Het verschil is weliswaar subtiel, want een kind verschilt in niets van een dienstknecht volgens Galaten 4, maar het neemt niet weg dat er een belangrijk verschil is. Alleen daar waar wij de Heer dienen, zou Hij ons hulp geven, zou Hij ons door het leven heen helpen. Beter gezegd, dan blijf ik dichter bij de Bijbel, dan weet Hij in ieder geval wat wij nodig hebben en Hij zal ons geven wat wij volgens Hem nodig hebben. Hetgeen gemakkelijk is, want dan hoeven wij ons niet te verdiepen in wat wij nodig hebben. Onze Vader in de hemel weet wat wij nodig hebben. Hij heeft beloofd ons te zullen geven wat wij nodig hebben. In Matthéüs 6 :33 staat er ook bij op voorwaarde waarvan. Er staat dat wij in de allereerste plaats het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid zouden zoeken (niet onze gerechtigheid). Wij spannen maar al te gemakkelijk de Heer voor het karretje van onze gerechtigheid, maar het is de bedoeling dat wij Zijn gerechtigheid zoeken. Waar wij ons gedragen als Zijn dienstknechten, gedraagt Hij Zich als onze Heer.

Hij heeft er geen enkel belang bij om ons vlees, onze oude mens, in stand te houden of te helpen, waar die oude mens van ons Hem niet ten dienste wordt gesteld. Het enige waar Hij belang bij heeft is de dood van onze oude natuur en van onze oude mens, van onze gezindheid naar het vlees. Voor dat doel is de Heer Jezus voor ons gestorven. Daarna gaf Hij ons nieuw leven, opdat dat nieuwe leven geleefd zou worden in dit oude lichaam als instrument, ondanks dat het oude lichaam van nature beheerst wordt door de zonde. Zo komt Hij toch tot Zijn doel in deze oude schepping, in dit oude zondige lichaam. Als wij ons onderwerpen aan de Heer dan betekent het dat we zeggen: “Doe maar met mij, wat U wilt.” Het zou eigenlijk het eerste gebed van een gelovige moeten zijn. Als wij “het eigendom des Heren” zijn, dan zit er maar één ding op: niet om Hem te vragen om ons te helpen, maar ons te stellen in Zijn dienst. Waar het om gaat is dat wij onze levens aan Hem geven, wie we ook zijn. We komen tot overgave, we staken de strijd en geven heel ons leven over.

Omdat we onnuttig waren, heeft God ons wedergeboren tot een levende hoop, opdat wij nuttig zouden zijn voor Hem. De rest van het verhaal heeft wel degelijk te maken met, hoe wij de rest van ons leven besteden. Het heeft te maken met wat er in ons hart is, eventueel hoe onze dag wordt ingedeeld, wat er op onze agenda staat. Het kan er allemaal mee te maken hebben, want daarvoor zullen wij loon ontvangen. Dat loon is niet dat wij in de hemel zullen komen, want daar waren wij al. We zijn niet alleen met Christus gestorven, begraven en opgewekt, maar ook met Hem in de hemel gezet of we dat nou begrijpen of geloven of niet. Het gaat erom of wij Hem dienen. Niet alleen of wij nuttig gemaakt zijn als zodanig, maar of we ook in de praktijk tot nut zijn voor Hem. Wie dat nut bepaalt is Hij uiteraard. En wat van ons verwacht wordt of mag worden, is dat wij Hem bidden en zeggen: “Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zal?” Maar vergis u niet, als u dat echt meent en dat zo tot Hem uitspreekt, dan is dat riskant. Het heeft consequenties. Dat kun je niet vrijblijvend doen, want dat is echt in dienst stellen van. De Heer houdt je daaraan. Hij wil en Hij kan ons gebruiken en Hij heeft ons daar fundamenteel toe bekwaam gemaakt.

De boodschap van het dienen is onderdeel van het Evangelie. Waar men tot de Heer Jezus en tot aanvaarding van Zijn verzoeningswerk komt, waar wij Zijn leven ontvangen is het toch vanzelfsprekend dat Zijn leven in de praktijk in ons ook geleefd zou worden? Het is niet maar een theoretische waarheid. We hebben leven ontvangen; wat betekent het dan? Het gaat erom dat wij dat leven wat Hij ons aanreikt (Zijn onuitsprekelijke gave of de genadegift Gods hier uit vers 23) aanvaarden. Waar wij de Zoon aanvaarden en in Hem geloven is het de bedoeling dat dat leven in ons geleefd zou worden. Het betekent alleen wat als het inhoudt dat Hij onze lichamen gebruikt in Zijn dienst. Hij is er niet om ons kracht te geven om ons rijbewijs te halen. De bedoeling is namelijk, dat wij onze lichamen ter beschikking stellen. Niet meer dan dat. Ongeveer op de manier van Abraham. Abraham geloofde God en het werd hem gerekend tot gerechtigheid. Nu was Hij voor God gerechtvaardigd. Hij geloofde God en God zei: “Abraham ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uw vaders huis.” Daar had hij even niet mee gerekend, vrees ik. Toen moest hij ineens ergens naar toe; waarheen? Eigenlijk nergens heen, heb ik het idee, maar hij moest daar gewoon zijn. De Heer wilde hem daar hebben en daarmee uit. Abraham wist niet waar hij komen zou, maar de Heer zei: “Ik zal u dat land geven en aan uw nageslacht.” Als de Heer het tegen iemand van ons zou zeggen: “Dit zal ik jou en je nageslacht geven”, zouden wij daar dan wakker van liggen? Hoezo ons nageslacht? Waarom moet ik er dan al wezen? Je kunt beter thuis blijven, toch? Maar dat is de consequentie van God dienen. Hij deed wat God zei en hij ging zonder te weten waar hij komen zou. De Heer zou er wel een bedoeling mee hebben. Als de Heer het zo concreet zegt, valt er weinig tegenin te brengen. Dat ging met zovelen zo in de oudtestamentische geschiedenis en ook in de nieuwtestamentische geschiedenis.

De genade zou over ons heersen. Het betekent in de eerste plaats dat we zouden leren leven uit de genade en zouden voorbijzien aan onze zondige natuur. Vervolgens betekent dit dat wij diezelfde genade ook zouden bekend maken aan anderen en ook zouden toedienen aan anderen. Dat is in ieder geval de wil van God en het werk Gods, zeker in onze dagen. In Romeinen 6 : 21 staat dat ons leven vroeger helemaal geen vrucht had. Romeinen 6 : 22: “Maar nu (= opgewekt met Christus) van de zonde vrijgemaakt zijnde (in de zin dat die niet meer over ons heerst), en Gode dienstbaar gemaakt zijnde (dat is onze positie als wedergeborene, levend gemaakt met Christus. We zijn Gode dienstbaar, dat is onze plaats. We zijn fundamenteel ter beschikking voor de dienst aan God en we zouden daar privé mee moeten instemmen), hebt gij uw vrucht (van dat leven van Christus in ons) tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.” Weet u hoe vrucht tot stand komt? Het gaat vanzelf. Daar kun je zelf weinig aan doen. Vrucht is het resultaat van leven. Overal waar leven is, is per definitie vrucht. Het is de normale gang van zaken. Er komt in deze oude schepping uiteindelijk weinig van terecht. De vrucht groeit vanzelf, de plant dient alleen gevoed te worden. Zo is het ook met ons geestelijk leven. Het zou gevoed moeten worden en als niemand het tegenhoudt en als niemand het bestrijdt, komt er vanzelf vrucht. Het is het werk Gods in ons. Het is zelfs een eeuwige vrucht.

Het heet ook heiligmaking. Want het werk van de Geest in ons is dat we aan de ene kant afgezonderd worden van de wereld, los gemaakt worden van de oude schepping in het algemeen en aan de andere kant in ons denken verbonden worden, ook in de praktijk van ons leven, met de levende God. Maakt u zich er geen zorgen over, dat gaat vanzelf, wanneer wij ons tenminste stellen tot “wapenen ter gerechtigheid”. Wanneer wij de Heer vragen of Hij Zijn werk in ons wil doen, zal Hij het doen. Je hoeft het verder ook niet te beïnvloeden. De Heer doet dat. Alle beïnvloeding onzerzijds kan alleen maar nadelig zijn. Het doel van die dienstbaarheid aan God is eeuwig leven. Het is een vers wat velen op het verkeerde been zet, want dit vers kun je natuurlijk gebruiken en zeggen: “Je moet Gode dienstbaar zijn, je moet God dienen, je moet geheiligd worden, er moet van alles in je leven gebeuren en als het mee zit ontvang je uiteindelijk (want dat staat hier dan) als resultaat daarvan eeuwig leven.” Dat is een misverstand, want wij hebben eeuwig leven. Dat staat al in het begin van dit hoofdstuk. Het probleem is dat velen niet eens zeker zijn of zij zelf dan wel anderen eeuwig leven hebben ontvangen. Het staat heus duidelijk in de Bijbel. Als men gelooft dan heeft men eeuwig leven.

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Johannes 6:47

Waarom is men dan toch niet zeker? Heel eenvoudig, omdat men er niets mee doet. Omdat men niet de consequenties trekt en zegt: “Ik heb het leven Gods ontvangen, ik ben der Goddelijke natuur deelachtig geworden.” (zie 1 Petrus 1: 4) Het is de bedoeling dat wij dat leven gebruiken in dienst van de Vader, zodat het kind, als het tenminste van het mannelijk geslacht is, het leven dat het ontvangen heeft, zal gebruiken tot heerlijkheid des Vaders. Zodat het als zoon zou opgroeien en verder leven. Daartoe zijn wij kinderen Gods geworden, zijn wij wedergeboren, opdat wij met dat leven wat we van Hem hebben ontvangen Hem ook zouden dienen. Paulus zegt: “Mij is uit genade gegeven om de Heer te dienen, om voor Hem te lijden, om apostel der heidenen te zijn.” Woorden van gelijke strekking vindt u op vele plaatsen. Wij leven dagelijks uit de genade Gods. Niet om onze zonden weg te nemen, want als dat eenmaal aan het eind van ons leven gebeurt, is het ook wel genoeg. Maar wij ontvangen alle dagen genade, opdat we alle dagen vanuit die genade dat eeuwige leven zouden leven. En dat is wat Romeinen 6 : 23 zegt: “Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven (te leven), door Jezus Christus, onze Heere”.

De genadegift Gods betekent, met de woorden van het voorgaande gedeelte, de gerechtigheid dienen. De genadegift Gods is, dat we ons nu kunnen stellen als wapenen der gerechtigheid. Genade is niet alleen dat we behouden worden, maar ook dat we nu ondanks onze tekortkomingen toch in staat gesteld zijn om dagelijks deze levende God te dienen. Niet onder de wet, zoals Romeinen 7 zegt, maar onder de leiding van de Heilige Geest. (Romeinen 8) Nu lezen we Romeinen 7 : 4, waar woorden van gelijke strekking staan, maar nu in verband met de wet: “Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet (niet alleen der zonde) gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen (= van een Ander), namelijk Desgenen (= van Degene), Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” “Die van de doden opgewekt is”, is niet het einde van de zin, maar het gaat gewoon door. De bedoeling is dat wij vrijgemaakt zijn van de wet, en vrijgemaakt zijn van de zonde, opdat wij van Christus zouden worden, Zijn Eigendom zouden worden. “Dat wij zouden worden Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat (nu komt het doel! Niet opdat gij zoudt behouden worden? Of opdat gij in de hemel zoudt komen en dat soort dingen) wij Gode vruchten dragen zouden.” Niet opdat Hij vrucht zou dragen in ons. Hoewel dat niet helemaal on-Bijbels is, maar opdat wij voor Hém vrucht dragen zouden. Dat is het doel.

God dienen onder de wet bestaat niet, want God dienen onder de wet kan nooit Gode vrucht dragen betekenen. Hier staat juist dat wij zijn verlost van de wet, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. En niet andersom! Niet, we zijn verlost van de wet en nu kunnen we Gode geen vrucht meer dragen. Er staat: “We zijn verlost van de wet, opdat wij Gode vrucht zouden dragen”. Dat kan niet zijn onder het Oude Verbond, dat is synoniem met wet, dus is het onder het Nieuwe Verbond, waar Christus de Middelaar is, namelijk de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Toen wij in het vlees waren, en dus onder de wet, droegen wij vruchten voor de dood, staat in Romeinen 7:5. In Romeinen 7 :6 staat: “Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, (of doordat wij dien gestorven zijn), onder welken wij gevangen gehouden (bedwongen) waren (door de wet); alzo dat wij nu (nu we daarvan vrij zijn) dienen.” Let op: dienen, niet slechts werken. Dienen is een heel belangrijke term, want het betekent dat wij een ondergeschikte positie innemen, ook in de praktijk van ons leven. Het is dienstwerk, het is iets nederigs, opdat wij dienen zouden in nieuwheid des geestes (een prachtige term voor het Nieuwe Verbond). U weet dat Hij ons bekwaam gemaakt heeft dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn, niet der letter, maar des geestes. (2 Korinthe 3 : 6) Hier staat volstrekt hetzelfde. Dus alzo, dat wij dienen in nieuwheid des geestes en niet in oudheid der letter. Opdat wij dienen onder het Nieuwe Verbond en niet onder het Oude Verbond of dat wij dienen onder Christus en niet onder Aaäron.

Daarna is het interessant om te zien wat Romeinen 8 dan zegt over volgens welke beginselen wij dan wel zouden leven. Begrijp mij goed, er is nog geen woord gesproken over enige praktische zaak in ons leven; over wat we wel of niet zouden doen. Of hoe we wel of niet zouden zijn. Het gaat hoofdstukken lang alleen maar over de beginselen, opdat we zouden weten wat onze positie is nu wij kinderen Gods zijn. En voordat gezegd wordt: “Hoe nu verder?” wordt gezegd wat onze positie is. In welke relatie wij tot God staan, tot de wereld en tot de wet. In welke relatie staan wij tot de wereld? In geen enkele. Gestorven, dood. In welke relatie staan we tot de wet? Gestorven. In welke relatie staan we tot de natuurlijke mens? Gestorven. Wij rekenen daar niet mee.

In welke relatie staan wij tot God? We zijn Zijn kinderen en verschillen in niets van een dienstknecht (Galaten 4). Het is de bedoeling dat we op zouden groeien tot zonen. Hij is onze Meester, wij zijn Zijn eigendom, Zijn slaaf dus. Dat is onze positie. Van ons wordt verwacht dat we onze Heer dienen, want wij zijn slaven (niet van de wet). We hebben immers in vrijheid voor Hem gekozen om Hem de rest van ons leven te dienen. Het is een troost om dat te weten. Waar een mens hoogmoedig is, zal hij toch niet geneigd zijn om tot geloof te komen en waar hij zodanig nederig is, dat hij geneigd is om de Heer Jezus Christus en Zijn Woord te aanvaarden, zal hij vermoedelijk ook geneigd zijn om Zijn leven in Zijn hand te stellen. Ik denk niet dat het problemen zal opleveren. Die problemen zullen pas later ontstaan, omdat men deze dingen gemakkelijk weer vergeet en loslaat en toch maar weer zijn eigen gang gaat.

Het is in de eerste plaats van belang, dat wij ons bewust zijn wat het werk (de bediening) van onze hemelse Vader is of wat de opdracht is die onze hemelse Vader verstrekt heeft aan Zijn Zoon, Die Hij tot Middelaar gesteld heeft van dat Nieuwe Verbond waaronder wij leven. Wat Hem als opdracht verschaft is, is eventueel ook op ons van toepassing. Daarop zouden wij ons moeten richten. Als ik het in het kort moet zeggen en alle discussies buiten moet sluiten, dan zeg ik: Het enige werk Gods in onze dagen is de verzameling, de roeping, de opbouw van de Gemeente (in kwantitatieve en kwalitatieve zin). Als wij al betrokken zijn in het werk des Heeren en dus als wij de Heer dienen, dan kan het alleen maar zijn een werk der bediening (= dienstwerk) tot opbouwing des Lichaams van Christus. (Efeze 4 :12)

Maar hoe bouw je het Lichaam van Christus op? Het is de Heer Die Zelf gezegd heeft dat Hij de Gemeente zou bouwen, dat Hij in ons zou wonen, dat Hij in ons zou werken het willen en het werken (Filippenzen 2 :1), dat Hij ons zou leiden in Zijn dienst onder dit Nieuwe Verbond. Het enige dat wij zouden doen is onze levens aan Hem ter beschikking stellen, nu wij vrij zijn van de wet en die problemen dus niet meer hebben en vrij zijn van de heerschappij van de zonde. Die zondige natuur kan ons niets meer maken. Wij zondigen wel, maar het heeft verder geen consequenties. We zijn gerechtvaardigd, we hebben vrede bij God, we staan in de genade, dus daar hoeven wij ons geen zorgen over te maken. We hoeven ons geen zorgen te maken of wij met vrijmoedigheid tot Hem kunnen naderen. Dat is geen enkel probleem, dat kan. Het is niet gebaseerd op wie wij zijn of wat wij gedaan hebben de afgelopen 24 uur, maar het is gewoon gebaseerd op onze wedergeboorte als zodanig. Dus wij stellen in alle vrijmoedigheid onze levens ter beschikking.

Het probleem is dat wij mensen toch wel een beetje willen weten welke kant het dan op gaat. Dan legt de apostel eerst uit hoe die Gemeente in elkaar steekt. Dat staat onder andere in Romeinen 9-11. Uiteindelijk kom je in Romeinen 12 en daar neemt de apostel de draad op die hij losgelaten heeft aan het eind van Romeinen 8. Na Romeinen 8 schreef hij een hele lange voetnoot van drie hoofdstukken, omdat hij het nodig vond dat wij eerst moesten weten hoe het zit met onze tegenwoordige bedeling en de positie van Israël. Dan zegt hij in Romeinen 12:

Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke gods dienst. Romeinen 12 : 1

Dit in tegenstelling tot de dienst van de natuurlijke mens of van Israël, of van het joodse volk. Het zal toch duidelijk zijn dat deze uitspraak gewoon dezelfde is als die we tegen kwamen in Romeinen 6, namelijk dat wij onze leden zouden stellen tot wapenen der gerechtigheid. Het is volstrekt hetzelfde. In die tussentijd heeft hij ons van alles verteld over God en Zijn werk in onze dagen en ook over hoe ons leven in elkaar steekt; dat wil zeggen in welke relatie wij tot de Heer staan, Die in ons woont. Of in relatie tot de Geest, Die in ons werkt en Die ons leiden zou. Pas dan zegt hij dat wij onze lichamen zouden stellen (= ter beschikking stellen) tot levend Gode welbehagelijke offerande.

En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. Romeinen 12 : 2

Als je je ter beschikking hebt gesteld dan moet je weten dat je eerst omgeturnd wordt (= ‘gehersenspoeld’). Je moet hervormd worden, vrijgemaakt worden. In hoeverre is uw denken veranderd sinds u tot geloof gekomen bent? Sinds dat u uw lichamen gesteld hebt tot levend, heilig Gode welbehagelijk offer? Hoe komt het dat er mensen hun leven lang bezig zijn met de Bijbel en Bijbelstudies volgen en toch niet veranderen in hun denken? Dat hangt af van het feit of men zijn leven gesteld heeft tot levend, heilig Gode welbehagelijk offer. Als u zegt: Heer, wilt U mij gebruiken? Dan zegt Hij: Dat kan, dan moet ik eerst wat aan je denken omschakelen, er iets aan veranderen. Je moet leren verstaan, dat het niet gaat om de mens en eigen eer. Dat het niet gaat om zienlijke dingen.

Het is onzin te denken dat je langs organisatorische weg een plaatselijke gemeente zou kunnen bouwen. Dat moet je allemaal afleren! Je moet leren dat het Gods Geest is, Die het zal doen. Leren afhankelijk te zijn van Hem. We moeten de dingen niet te beoordelen op hun uiterlijk en we moeten vooral leren om ons van al die uiterlijke dingen niets aan te trekken, omdat het geen rol van enige betekenis speelt. Wij zouden anders moeten leren denken. Door je te vullen met andere informatie, door andere dingen te leren. Door ogen en oren en hart open te stellen voor de Bijbel, het Woord Gods. Want naarmate we Zijn werk zoeken en de dingen zoeken die boven zijn of de dingen van het Koninkrijk, naar die mate zal dat ons denken beïnvloeden en daarmee zal het ons wezen (onze geest, ons hart) veranderen.

Dan pas staat er in Romeinen 12 : 3b: “Opdat gij moogt beproeven (= proeven, = uit ervaring leren), welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij”. Waarom zegt de apostel niet wat de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God is? Dat spaart ons jaren uit. Heel eenvoudig, omdat hij het niet heeft over de wil van God in het algemeen en in onze bedeling of iets dergelijks, maar hij heeft het over de wil van God met betrekking tot ons individuele leven. Dat zal altijd een individueel leven blijven, waarmee Paulus zich niet bemoeit en een ander kan dat ook niet. Dus zit er niets anders op dan dat we uit die Geest, Die in ons werkt, leren begrijpen en verstaan en ook in de praktijk ervaren en ondervinden wat God van ons wil.

Waar wij ons aan Hem ter beschikking stellen, zal Hij in ons gaan werken, ons denken omturnen. Waar ons denken veranderd wordt, wordt onze wil veranderd en werkt Hij Zijn wil en daarmee Zijn werk in ons. Als u vandaag uw leven ter beschikking stelt, wil dat niet zeggen dat u morgen weet wat de Heer precies van u wil. Die haast moet je ook helemaal niet hebben. Als je je ter beschikking heb gesteld, moet Hij maar zien. Als Hij wat wil, dan zal Hij het wel vertellen. Maar ik garandeer dat Hij het wel doet. Alleen op een moment dat het u verschrikkelijk ongelegen komt. Dan vraagt Hij iets van u, waarvan u denkt: moet ik dat nou doen? Zijn er geen anderen? Maar daar is die kans, dus je moet wel als je consequent bent. Zo gaat zo iets. Het is heus niet zo simpel, want dat grijpt rechtstreeks in. Het stelt prioriteiten in je leven. Daar gaat het hier over. De Heer dienen zal de prioriteit moeten zijn. Dat betekent dat op de meest onverwachte momenten van de dag of van je leven ineens de dingen – je programma – veranderd moeten worden. Datje wat moet laten vallen om iets anders. Het beginsel is dat wij zouden proeven en ervaren wat de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God is voor ons leven.

Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een ieder, die onder u is (= iedereen in uw midden, ieder onder de gelovige), dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zijt tot matigheid, gelijk als God een ieder de mate des geloofs gedeeld heeft. Romeinen 12:3

Waar wij ons aan de Heer ter beschikking stellen betekent het niet dat wij ons gereed houden voor een of andere vooraanstaande functie. Het betekent dat je beschikbaar bent om de meest smerige klusjes op te knappen, om oneervolle baantjes te verrichten als dat gebeuren moet. Het betekent niet dat wij zeggen: “Nu zullen wij het de mensen moeten vertellen, want wij zijn dienstknechten van God.” Dat zijn wij allen als gelovigen. Er is dus niks om ons op te beroemen of om ons te verheffen en ook niks om het beter te weten. Het gaat erom dat we leven uit Zijn genade. God geeft ons de genade om de afwas te doen, de toiletten schoon te maken, de zaal aan te vegen, de stoelen klaar te zetten en zelfs om met andere mensen te gaan praten. We hebben geen excuus dat we niet sterk genoeg zijn, want Hij heeft gezegd dat Hij Zijn kracht in ons zal volbrengen. Hij heeft gezegd: “Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in uw zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12 :9)

Zeg niet: “Ik ben niet bekwaam.” Want God zegt: “Ik heb je bekwaam gemaakt om dienaar van het Nieuwe Verbond te zijn.” Zodat als het daarna nog wat wordt, dan weet jij in ieder geval zeker dat het niet de eigen oude mens is, maar de kracht van de Geest, van Christus, in ons leven. Ik geloof dat de Heer ons bij gelegenheid duidelijk laat voelen dat het zo is. “Opdat het zij, gelijk geschreven is, wie roemt, roeme in den Heere!” (2 Korinthe 10 :17)

Als wij wedergeboren worden, aanvaarden wij Zijn verzoeningswerk, wat inhoudt dat wij in beginsel werkelijk ons leven opgeven. Het gevolg daarvan is niet dat wij het leven kwijt zijn, maar dat de Heer er beschikking over heeft onder alle omstandigheden en op de meest ongelegen momenten. Dat is waar het over gaat. Voor zover je wat mag houden, is ook dat genade. Zo hoort elke gelovige (elk kind van God) te leven in het bewustzijn van volledige afhankelijkheid van Hem. Al wat wij hebben, hebben we niet omdat wij gevraagd hebben, maar omdat Hij ons dat in genade geeft. Soms laat Hij ons wat voortsukkelen en soms geeft Hij ons grote kracht, maar Hij heeft in ieder geval beloofd dat wij ontvangen wat wij nodig hebben. Hij zal aan de ene kant zorgen dat we ons werk in Zijn dienst kunnen doen. Hij zal aan de andere kant zorgen dat wij gewone kleine zondaartjes blijven en ik hoop ook altijd maar dat op het moment dat we hoogmoedig gaan worden, Hij ons een kopje kleiner maakt. Opdat we ons bewust zouden blijven wie wij zijn geworden toen wij wedergeboren werden en wie wij ook altijd zullen blijven, zeker zo lang wij in dit leven en in dit lichaam wandelen. Hem dienend in alle onderdanigheid en nederigheid en levend uit de rijkdom Zijner genade.

Een beter leven is er niet. Dat klinkt heel negatief, maar er is niks zo positief als dat, want wij zijn van een heleboel zorg verlost, van alles waar de natuurlijke mens zich zorgen over maakt, zijn wij af. Wij laten het aan Hem over. We zijn Zijn dienstknechten (slaven) en dus zorgt Hij voor ons. Dat is de beste levensverzekering die je sluiten kunt en die kost niets.

2. Waartoe zijn wij bekwaam gemaakt?

Onze dienst aan Hem, nu in dit leven, sinds dat wij wedergeboren zijn, is niet vruchteloos. Als er gesproken wordt over de vrucht en het uiteindelijke resultaat daarvan, gaat het over loon. Die beloning zullen wij in de toekomst van de Heer Zelf, Die wij immers dienen, ontvangen. De gedachte is, dat nu wij Hem als Zijn dienstknechten dienen, in de toekomst door Hem beloond en beoordeeld zullen worden. Niet door elkaar, we zouden anderen immers niet oordelen. (Romeinen 14 :10) Integendeel, een ieder zal voor zichzelf Gode rekenschap geven.

De heerlijkheid Gods zal aan ons in de toekomst geopenbaard worden. Deze waarheid komt in bijna alle nieuwtestamentische brieven voor. Misschien niet in Filémon, hoewel het daar gaat over de onnuttige slaaf, die nuttig geworden is. Misschien ook niet in de brief van Judas, maar in het algemeen is het zo dat deze zelfde gedachte systematisch uiteengezet wordt in de brieven. In de ene brief krijgt het wat meer nadruk dan in de andere, maar het neemt niet weg dat het gebeurt.

In de eerste Korinthebrief wordt gesproken over de praktische positie van de Korinthiërs, die leefden alsof zij nog in een oude schepping leefden. Zij kenden een verdeeldheid die kenmerkend is voor een oude schepping en voor het vlees in het algemeen. Die verdeeldheid was zodanig dat ook onder de gelovigen verdeeldheid bestond. Het is min of meer de aanleiding voor deze brief, waar de apostel uiteenzet dat in de Gemeente geen verdeeldheid kan zijn en dus ook in de praktijk niet behoort te zijn. De Gemeente is namelijk één Lichaam, zoals in de latere hoofdstukken uiteengezet wordt, of de Gemeente is een bouwwerk, zoals in de eerste hoofdstukken uiteengezet wordt. De Gemeente is één bouwwerk, gebouwd op één en hetzelfde fundament, namelijk Christus.

9 Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.
10 Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een ieder zie toe, hoe hij daarop bouwe.
11 Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. 1Korinthe 3:9-11

De bouw van de Gemeente is het werk Gods in onze dagen. Wat de apostel met name in 1 Korinthe 3, maar ook in heel de Korinthebrief uiteenzet is, dat die Gemeente maar één Gemeente is. Verdeeldheid zou dus niet moeten bestaan. Er is maar één Gemeente gebouwd op één en hetzelfde fundament. Voor zover wij daarop zelf bouwen, zouden wij bouwen op dat fundament en met de juiste bouwmaterialen.

En die plant, en die nat maakt, zijn één; maar een ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn werken. 1 Korinthe 3:8

De gedachte daarbij is dat hier weliswaar primair over Paulus en Apollos gesproken wordt, omdat zij bijdragen tot de bouw van de Gemeente op de manier die in de voorgaande verzen beschreven staat. Van hen wordt gezegd dat zij loon zullen ontvangen voor hun arbeid. Niet van de Korinthiërs, want het is ook niet aan de Korinthiërs om die arbeid te beoordelen. Integendeel, zij zijn Gods medearbeiders en dus zullen zij loon ontvangen van God. (vers 9) Het sluit dus ogenblikkelijk aan bij wat in Romeinen 14 staat, namelijk dat we zouden bouwen op het fundament. Bouwen aan de Gemeente, betrokken zijn in het werk Gods in onze dagen en in de toekomst van Hem loon ontvangen. In onze dagen kunnen we een bijdrage ontvangen in dat werk Gods, maar dat is wat anders dan loon ontvangen.

Daarna wordt vanaf 1 Korinthe 3 :12 niet alleen gesproken over Paulus en Apollos, maar over de Korinthiërs in het algemeen. Er wordt gezegd dat op dat fundament niet gebouwd zou moeten worden met hout, hooi en stro (= werken der wet en werken van het vlees). Hout, hooi en stro gebruikten ze voor het bakken van tichelstenen, die weer een beeld zijn van de werken der wet en van de oude mens. Men zou niet bijdragen aan het werk Gods in eigen kracht en met eigen middelen, maar men zou het doen met goud, zilver, en kostelijke stenen. Met onvergankelijke dingen en eigenlijk gaat het erom, dat wij onze geestelijke gaven zouden gebruiken om bij te dragen aan dit werk Gods, zoals later uiteengezet in 1 Korinthe 12 en zoals eerder uiteengezet in Romeinen 12.

13 Eens ieders werk zal openbaar worden (= zal blijken)-, want de dag zal het verklaren (= de dag van Christus), dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens ieders werk is, zal het vuur beproeven.
14  Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft (= op dat fundament), die zal loon ontvangen.
15 Zo iemands werk zal verbrand worden, (omdat het bestond uit, hout, hooi en stro, uit werken van de oude mens), die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur. 1 Korinthe 3:13-15

Op andere plaatsen staat: hij zal geen vol loon ontvangen (2 Johannes : 8) of zelfs helemaal geen loon. Hij zal misschien wel naakt staan. Dat is de term uit 2 Korinthe 5 : 3: “Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden”. In de toekomst zal blijken wat het resultaat is van onze arbeid. Of het voortkwam uit onze oude mens of dat het voortkwam uit het werk Gods of het werk van de Geest in ons. Hier wordt met grote nadruk gewezen op het loon. Dat zal wel zo zijn, omdat die Korinthiërs voor die argumentatie nog gevoelig waren. Sommigen zijn er helemaal niet gevoelig voor, die zeggen: “Wat maakt mij dat uit of ik loon ontvang of niet?” Of het u wat uitmaakt, geeft niets hoor, als u de Heer maar dient, want daar gaat het om. Sommigen moeten een betere motivatie hebben en die motivatie wordt hier aangereikt aan de Korinthiërs, namelijk: wij zullen loon ontvangen. Dat willen wij toch allemaal? Bouwen aan iets wat we in de toekomst blijvend zullen hebben en zullen ontvangen van de Heer Zelf. Welnu dat kan naarmate wij Hem hier dienen, zoals in deze termen uiteengezet wordt. Aan de andere kant wordt ook uitdrukkelijk gezegd in 1 Korinthe 3:

17 Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. 1 Korinthe 3:17

Schenden ofwel schade toebrengen. Het werk Gods is de bouw van deze tempel, namelijk de Gemeente. Wie dat werk Gods tegenhoudt, in de weg staat of er gewoon niet aan bijdraagt in de praktijk, omdat hij de Heer niet dient, zal God schenden. Wat dat betekent werd in de voorgaande verzen uiteengezet. Men zal dus geen loon ontvangen. Men wordt wel behouden. Wedergeboorte is op grond van geloof en niet op grond van werken en dus eenmaal wedergeboren is altijd wedergeboren, maar of men loon zal ontvangen of heerlijkheid zal blijken te hebben in de toekomst, is nog maar zeer de vraag.

In 1 Korinthe 4 zegt de apostel, sprekend over zichzelf en over Apollos, die ooit zijn mededienstknecht in Korinthe was, dat het hem niet uitmaakt hoe de Korinthiërs hem beoordelen. Wij zetten er altijd een klein vraagteken bij, omdat dat oordeel van de Korinthiërs over de apostel Paulus kennelijk toch de aanleiding is geweest tot twee van deze lange brieven aan de Korinthiërs. Niettemin zegt Paulus in 1 Korinthe 4:

Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel, ja, ik oordeel ook mijzelven niet. 1 Korinthe 4:3

Wie van ons kan nou echt in alle eerlijkheid zichzelf recht in de spiegel aankijken en met zekerheid vaststellen uit welke grond hij de Heer dient? Is het het werk van de Geest of van Christus in mij? Of is het gewoon het streven van de oude mens? Wie zal dat met 100% zekerheid kunnen vaststellen? Waarom doen wij bepaalde dingen? Doen wij ze uitsluitend uit geestelijke motieven of spelen er nog andere dingen een rol? Ik denk niet dat wij dat kunnen vaststellen. Sommige mensen zijn heel simpel van gedachte, die hebben daar geen moeite mee. Ik persoonlijk heb daar altijd moeite mee, want ik weet dat in ieder geval niet zeker. Paulus zegt ook dat het hem helemaal niets kan schelen.

4 Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.
5 Zo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht (= aan de dag) zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God. 1 Korinthe 4:4,5

Het gaat niet om lof van mensen of van de Korinthiërs, maar van God. 1 Korinthe 3 :13: “De dag zal het verklaren”. Romeinen 14 :10: “Wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus”. Het gaat om wat ons in de toekomst wacht, namelijk onze openbaring voor de rechterstoel van Christus. Het oordeel komt namelijk niet over ons, maar over onze werken (onze dienst) aan Hem. Dat is wat wij verwachten in de toekomst en dat is wat de Korinthiërs zouden moeten verwachten en waarmee ze rekening zouden moeten houden. In 1 Korinthe 9 zegt de apostel dat hem de nood is opgelegd om het Woord Gods, namelijk het Evangelie te prediken (vers 16). Hij heeft beproefd welke de goede en welbehagelijke wil van God was voor zijn leven. Die wil was dat hij het Evangelie zou prediken. Hij zegt dus: “Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!” Niet omdat hij dat moest, maar omdat de Heer hem daartoe geroepen had. Dat is het werk dat de Heer hem toevertrouwd had. “Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig, want indien ik dat gewillig doe, (u weet wel, welke de goede en welbehagelijke wil van God zij ofwel onze eigen wil aan Zijn wil onderwerpen ofwel met onze wil met Zijn wil instemmen), zo heb ik loon (de apostel zag daar ook op. Er is niks verkeerd aan loon. Het is heel normaal dat men dient om loon. Het is een Bijbels begrip), maar indien onwillig (dat levert alleen problemen voor zichzelf op, want of hij het nou gewillig of onwillig doet) de uitdeling (= het beheer) is mij toebetrouwd.”

Men kan in de dienst van de Heer maar beter de dingen gewillig doen. Dat wil zeggen: vol overgave, want daarvoor zal men beloond worden, zegt de apostel. Er zit niks anders op, voor hem ook niet. Hij excuseert zich twee brieven lang bij de Korinthiërs voor zijn dienst, voor de prediking van het Evangelie en voor het schrijven van deze twee lange brieven. Hij zegt dat het eigenlijk voor hem niet leuk is en voor de Korinthiërs ook niet, maar het is nou eenmaal zijn dienst. “Ik ben daartoe geroepen en dat moet je dan maar van mij verdragen.” In de tweede Korinthebrief zegt hij die dingen letterlijk.

En een ieder, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 1 Korinthe 9:25

De kroon is een krans van laurierbladeren, een lauwerkrans. Wij, gelovigen onthouden ons in alle dingen. Wij worden geacht ons beperkingen op te leggen, niet omdat we iets niet mogen, niet omdat we onder de wet leven, maar omdat wij dingen opgeven ten einde de Heer beter te kunnen dienen. Waarom zou je lasten op je rug nemen als je een loopbaan moet lopen? Men zou die lasten juist afleggen om in vrijheid, door zo min mogelijk dingen gehinderd, deze renbaan of loopbaan te rennen. De natuurlijke mens die strijdt, onthoudt zich in alles, opdat hij een verderfelijke kroon zou ontvangen, maar wij ontvangen een onverderfelijke kroon. De gedachte is, zoals eerder in dit hoofdstuk, dat wij loon zouden ontvangen. Hier heet het loon een kroon. Het loon bestaat eruit dat wij met Christus heerlijkheid hebben en in de toekomst zullen heersen in Zijn eeuwig Koninkrijk. Dit is een begerenswaardige zaak en een duidelijke Bijbelse zaak. Dus daar kunnen we ons beter ook maar aan onderwerpen.

Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde. 1 Korinthe 9:27

Paulus brengt zijn lichaam tot dienstbaarheid, tot slavernij, maar niet tot de slavernij van de wet uiteraard. Hij brengt zijn lichaam tot dienstbaarheid aan Degene, Wiens Eigendom wij zijn. Je vindt hier volstrekt dezelfde dingen terug als in de Romeinenbrief.

1 Korinthe 15 spreekt over de toekomst in het algemeen en over de opstanding in het bijzonder. Het gaat ook over onze opstanding, dus wordt daarbij onze openbaring voor de rechterstoel van Christus voorgesteld. De gedachte is immers dat wij het Koninkrijk Gods niet zouden ingaan, want wij zijn het al ingegaan toen wij tot geloof gekomen zijn, ofwel toen wij wedergeboren werden. De gedachte is dat wij het Koninkrijk zouden beërven, ofwel een kroon zouden ontvangen.

49 En gelijkerwijs wij het beeld der aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen.
50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet. 1 Korinthe 15:49,50

Het ingaan in het Koninkrijk en het erven van het Koninkrijk zijn twee totaal verschillende dingen. Er komen tegenwoordig legio mensen het Koninkrijk der Nederlanden binnen, maar ik ken er maar één die erin geboren is en die het hoopte te erven. Dat was Willem Alexander. Menselijkerwijs gesproken dan. Dat is heel wat anders dan het Koninkrijk ingaan. Het Koninkrijk erven wil zeggen dat men over het Koninkrijk regeert op welke wijze dan ook. Wij zijn het Koninkrijk ingegaan, maar of wij het ook erven is afhankelijk van of wij een kroon ontvangen. Wij zouden dat Koninkrijk erven, maar dat gebeurt niet voordat wij verlost zijn van dit aardse vernederde zondige lichaam.

Na vers 50 wordt, wat wij de opname van de Gemeente noemen, beschreven. Wij zouden dit aardse lichaam afleggen, opdat we het Koninkrijk zouden beërven, een kroon of loon zouden ontvangen. (1 Korinthe 3 en 9) Aangezien dat zo is kan het hoofdstuk eindigen met een tekst die ik vroeger wel begreep, maar waarvan ik niet begreep waarom hij hier stond.

Zo dan (= op grond van al het voorgaande, wat vooraf besproken is) mijn geliefde broeders! (broeders zijn degenen, die het verborgen Koninkrijk al ingegaan zijn) Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde (niet een klein beetje) in het werk des Heeren (= in de opbouw van de Gemeente. Zie 1 Korinthe 12, 13 en een deel van 14 ), als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. 1 Korinthe 15:58

IJdel wil zeggen dat uw arbeid niet leeg, niet zonder resultaat, is. En wij maar evangeliseren terwijl nooit iemand tot geloof komt. Laatst moesten we zingen: “Moet ik gaan met lege handen, zo mijn Heiland tegemoet. Zonder één verloste zondaar neer te leggen aan Zijn voet?” Zo van: het is toch triest dat we niet iemand tot geloof hebben kunnen brengen. Maar vandaag ben ik het eens met Hall Lindsey die schreef in zijn nieuwste boek dat het resultaat van de evangelieprediking niet afhankelijk is van de wijze waarop wij het doen, maar het is afhankelijk van de vraag of het Evangelie in goede aarde (in toebereide aarde) valt. Het ligt niet aan ons. Het kan best zijn dat we veel werk des Heeren doen of letterlijk het Evangelie prediken, want iedereen denkt daar altijd het eerst aan om een of andere reden. En het kan best zijn dat we dat doen en toch nooit enig resultaat zien. Toch staat hier: “Als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere”.

Dus waarom dienen wij de Heer? Niet in de eerste plaats om mensen tot geloof te brengen. Alles wat wij doen in dienst van de Heer, heeft als eerste doel onze geestelijke groei, het leren dragen van verantwoordelijkheid, opdat wij in de toekomst zouden heersen met Christus en daadwerkelijk die kroon zouden ontvangen. Het gaat er niet om of het naar de mens gesproken zichtbaar praktisch resultaat gehad heeft. Het gaat erom of het ons wat geleerd heeft en of het ons veranderd heeft naar Zijn beeld; (Romeinen 8 :29) naar het beeld van Gods Zoon. Het gaat erom of we geleerd hebben trouw te zijn aan deze goddelijke beginselen van een nieuwe schepping.

Onze arbeid is niet ijdel als we overvloedig zijn in het werk des Here, want wij zullen dan in de toekomst ter gelegenheid van de opname van de Gemeente (want daar gaat het hier over) het Koninkrijk beërven. Niet ingaan, want dat was al gebeurd, maar we zullen dan een kroon ontvangen, danwel loon ontvangen. Dat staat hier. Het is hier op een betrekkelijk aardse gemakkelijke begrijpelijke wijze uiteengezet. Er wordt gewoon gezegd: “Wij zullen loon ontvangen in de toekomst”. De hele Korinthebrief gaat daar feitelijk over, opdat we zouden verstaan dat wij Hem nu zouden dienen, opdat wij in de toekomst met Hem verheerlijkt zouden worden. De Korinthiërs moesten leren wat de Romeinen moesten leren, namelijk dat het lijden van de tegenwoordige tijd in dienst van het werk des Heren niet is te waarderen (= niet opweegt) tegen de heerlijkheid (het loon, de kroon, de erfenis), die aan ons geopenbaard zal worden. (Romeinen 8 :18)

Hoofdstuk 3, 4 en 5 van de tweede Korinthebrief zijn ongetwijfeld de meest fundamentele hoofdstukken van deze brief. De apostel doet zijn beklag al aan het einde van 2 Korinthe 2 117. Hij zegt dat er zovelen zijn die het Woord Gods versjacheren. Dat is vervalsen, maar de vertalers hebben het helaas wat weg vertaald. Zij vertalen het met: “Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.” Daarna stelt de apostel vast dat hij en de zijnen, en als het goed is ook de Korinthiërs, bekwaam zijn gemaakt om dienaars te zijn, niet der letter, maar des Geestes. Niet van de wet, het Oude Verbond, maar van het Nieuwe Verbond, zoals in de rest van dit hoofdstuk uiteengezet wordt.

5b …. maar onze bekwaamheid is uit God;
6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments
(dit is hetzelfde in de grondtekst), niet der letter (in stenen ingedrukt, vers 7), maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthe 3:5b, 6

Het Nieuwe Verbond is een bediening des Geestes. Dat betekent dat het Nieuwe Verbond een bediening van Christus is, want Christus is de Geest. Zo kennen we Christus als de Middelaar, de Hogepriester. Hij is de Eersteling en de Koning van het Nieuwe Verbond. De Geest is de Heer en de Heer is de Geest, zodat we zouden dienen onder dat Nieuwe Verbond. Begrijpt u mij goed, de apostel zegt in vers 5 en 6: “Die (God) heeft ons óók bekwaam gemaakt om dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn.” Wie dan nog meer? Ook die velen uit 2 Korinthe 2 117, die het Woord Gods vervalsen, verbasteren, water bij de wijn doen of verdunnen. De gedachte is dat allen die wedergeboren zijn, bekwaam zijn gemaakt om dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn. De natuurlijke mens is niet nut, ze zijn tezamen afgeweken. Dat wil zeggen dat de natuurlijke mens onnut en dus onbekwaam is. Daar waar wij wedergeboren zijn, zijn wij nuttig geworden en bekwaam om God te dienen. Niet onder de wet, want dat is een onmogelijkheid, maar wel degelijk onder het Nieuwe Verbond.

De vraag is niet of we bekwaam zijn, maar of wij die bekwaamheid ook daadwerkelijk praktiseren? Het is leuk als je iets kunt, maar als je het niet doet, is er geen loon. God is er niet mee gediend dat wij bekwaam zijn om Hem te dienen. God is ermee gediend als wij Hem dienen op grond van onze bekwaamheid. Wij allen zijn bekwaam gemaakt om God te dienen. We zouden dat met oprechtheid en onbeweeglijk, standvastig en met overvloed doen, met de woorden die we al besproken hebben. Wat de apostel hier in 2 Korinthe 3 met grote nadruk naar voren brengt is, dat wij bekwaam zijn gemaakt als dienaren Gods (niet onder de wet, de duisternis, het Oude Verbond) van het Nieuwe Verbond, dienaren des Geestes, dienaar van de Heer, Die de Geest is. Het is een dienst in vrijheid. Het is een vrijwillige dienst. De Here nu die Geest is, Die wij zouden dienen.

De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. 2 Korinthe 3 : 17

Niet de slavernij van het Oude Verbond, maar de vrijheid van het Nieuwe Verbond en dus ook de vrijwillige dienst onder het Nieuwe Verbond, waartoe wij bekwaam gemaakt zijn.

Daarna zegt de apostel in vers 18: “En wij allen (niet alleen Paulus, Apollos en Timótheüs, maar ook de Korinthiërs, ook die velen, die het Woord Gods verbasteren), met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren weerspiegelende. Want de gedachte is dat onze dienst aan Hem er een is van het weerspiegelen (= doorgeven) van de heerlijkheid van Christus. Het weerspiegelen van Degene, Die met eer en heerlijkheid gekroond is en gezeten is aan de rechterhand der Majesteit in de hemel”. (Hebreeën 1 : 3) Wij allen (voor zover wij die heerlijkheid des Heeren weerspiegelen) worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid. Waar wij de heerlijkheid des Heeren ontvangen en doorgeven, heeft dat een uitwerking op onszelf. Het gaat erom dat wij die heerlijkheid zouden weerspiegelen (= doorgeven). Dan komt wat in ons is er ook weer uit. Overigens niet alleen in woorden, maar ook in onze praktische levenswandel. Het wordt verwerkt; het krijgt resultaat naar buiten. Zo worden wij in gedaante veranderd. Dat is wat Romeinen 8 ook al zei, in precies hetzelfde verband, namelijk dat wij het beeld van Gods Zoon gelijkvormig zouden worden.

Toen Mozes de heerlijkheid des Heeren gezien had, kwam hij van de berg af. Daarna straalde zijn aangezicht. De heerlijkheid des Heeren was als het ware op hem overgeslagen (afgestraald). Toen Mozes bij het volk kwam, bleek dat diezelfde heerlijkheid des Heeren van het aangezicht van Mozes weer afstraalde in de richting van het volk. Een volk overigens wat er niets van moest hebben. Waar het primair om gaat is dat wij, die net als Mozes deel krijgen aan de heerlijkheid, maar nu van het Nieuwe Verbond, die heerlijkheid niet alleen ontvangen, maar ook uitstralen of afstralen. Dat het gestalte krijgt in de praktijk van ons leven. Zodoende worden wij inwendig veranderd. Het gaat over deel hebben aan de Heer, deel hebben aan Zijn werk en daardoor wordt ons wezen veranderd, zodanig dat wij beelddragers Gods worden. Dit is in tegenspraak van degenen die denken dat ze altijd al beelddragers Gods waren. Hoewel ik daar nu helaas nu niet op in kan gaan, kan ik wel zeggen dat dat een verkeerde gedachte is.

De tweede Korinthebrief spreekt over het feit dat wij allen bekwaam zijn, niet alleen om die heerlijkheid te ontvangen, want dat gebeurt, maar we zijn ook bekwaam om die heerlijkheid te weerspiegelen. In 2 Korinthe 4 : 2 zegt Paulus dat hij de bedekking, die Mozes over zijn aangezicht zou leggen en die een uitdrukking is van de wet in het algemeen, dat hij die “bedekselen der schande” (schandelijke bedekking) verworpen heeft. Hij doet ze weg, want als er een bedekking over je ligt, als je onder de wet leeft, ben je in de eerste plaats niet in staat om die heerlijkheid te ontvangen, maar in de tweede plaats ben je dan niet meer in staat om het door te geven. Het werkt naar twee kanten. Dus zegt de apostel:

2 Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.
3  Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;
4 In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is. 2 Korinthe 4 : 2-4

Wij hebben die schandelijke bedekselen (de wet, de dienst onder het Oude Verbond) verworpen en wij spreken in alle openbaarheid zonder enige bedekking het Woord Gods, het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het beeld Gods is. Hij heeft het niet alleen ontvangen in zijn hart, maar hij geeft het ook weer door. En God schijnt met dat licht in onze harten. Het is de bedoeling dat dit via onze harten ook weer naar buiten komt. Of Hij geeft die heerlijkheid in ons wezen (in onze inwendige mens. Dat is een term die in vers 16 gebruikt wordt). Het is de bedoeling dat het niet alleen erin gaat, maar het van daaruit zich ook weer verbreid. Dat niet door onze kracht, maar door de uitnemendheid der kracht Gods. (vers 7)

Het dienen van de Heer kan ons heel wat kosten, maar niettemin zegt de apostel in 1 Korinthe 4 :1 en 16: “Daarom vertragen wij niet.” Wij bezwijken niet. Wij doen niet minder, zegt de apostel. Wij blijven volharden in het weerspiegelen van de heerlijkheid des Heeren. Dat leidt weliswaar tot verderf van onze uitwendige mens, maar onze inwendige mens wordt vernieuwd van dag tot dag. Ik persoonlijk lees altijd vanuit vers 1 door naar vers 16.

1 Dáárom, dewijl wij deze bediening hebben (onder het Nieuwe Verbond), naar de barmhartigheid (= genade), die ons geschied is, zo vertragen (= bezwijken) wij niet;
16 maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.

Als ik vers 16 koppel aan vers 1, zoals de Schrift Zelf aangeeft  dan blijkt 2 Korinthe 4 :16 bijna ogenblikkelijk achter 2 Korinthe 3 :18 te staan. Dan begrijpt u meteen waarover vers 16 spreekt. De vernieuwing van de inwendige mens is hetzelfde als het in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, uit 2 Korinthe 3 :18. Dat gebeurt er met ons.

Het geeft mij de gelegenheid even te stoppen en stil te staan bij die vraag die sommigen stellen: “Ik ben al zolang een kind van God, waarom gebeurt er nou niets met mij. Waarom groei ik niet?” Men heeft het idee dat het altijd maar hetzelfde blijft. Dat komt omdat u uw lichaam niet gesteld hebt tot een levend, heilig Gode welbehagelijke offerande. Pas daarna zou die verandering van het gemoed plaatsvinden. Waarom is die verandering er niet? Omdat die heerlijkheid des Heeren niet weerspiegeld wordt. Wel ontvangen, maar niet weerspiegeld. Daartoe is men kennelijk niet bereid of men gooit er een bedekking over. Letterlijk is dat moeilijk, maar overdrachtelijk kan het wel, omdat men zichzelf onder de wet plaatst door te zeggen: “Ik moet dit en ik moet dat en ik mag niet zo en ik mag niet zus.” Dat is een bedekking waardoor het licht van het Nieuwe Verbond, de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond niet alleen wordt tegengehouden, zodanig dat het nauwelijks meer ontvangen wordt, maar het wordt ook tegengehouden, zodat we het nauwelijks meer doorgeven of misschien wel helemaal niet.

Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat (= die zeer voorbij haast), (be)werkt (voor) ons een gans (= alles)zeer uitnemend eeuwig gewicht (= hoeveelheid, het wordt gewogen) der heerlijkheid.2 Korinthe 4:17

Hier wordt over loon gesproken, over onze arbeid die niet ijdel is in den Heere. Het berust op dat wij niet letten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; we leven niet uit zichtbare dingen. We laten ons niet door zichtbare dingen leiden, maar wij leven uit onzienlijke dingen, uit geestelijke dingen. Meer concreet: wij leven uit het Woord Gods en dus door het werk Gods in ons. Het resultaat daarvan is dat wij niet vertragen (vers 16), want… (vers 17) en dan nog een keer: “Want (2 Korinthe 5 :1) wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.” In dit vers wordt gesproken over een verheerlijkt lichaam dat wij zullen ontvangen. Die heerlijkheid is evenredig met de mate, waarin wij in dit vernederde lichaam deze Heer, danwel deze Geest, gediend hebben. Er worden daarnaast nog twee andere termen in dit Schriftgedeelte gebruikt. De ene, de goede, is “overkleed worden” (een extra kleed). Dat is extra heerlijkheid. De negatieve term is “naakt bevonden worden” (vers 3). Men kan een vol loon ontvangen, dan is men kennelijk overkleed. Men kan ook helemaal geen loon ontvangen, omdat men de Heer in de praktijk niet gediend heeft. Men bouwde met hout, hooi, en stro. Dat verbrandt allemaal, dus lijdt men schade en zal men naakt staan. Men ontvangt weliswaar een eeuwig lichaam, een onvergankelijk lichaam, maar of dat een verheerlijkt lichaam genoemd zou moeten worden is nog maar zeer de vraag, want zoveel heerlijkheid is daar niet aan. Het is in ieder geval heerlijker dan wat we hier hebben.

…. Opdat het sterfelijke van (= door) het leven verslonden worde. 2 Korinthe 5:4b

Dat komt overeen met 1 Korinthe 15. Het verderfelijke moet afgelegd worden. Het onverderfelijke moet aangedaan worden, want het verderfelijke erft de onverderfelijkheid immers niet?

Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn, dienaars des Nieuwen Testament, niet der letter, maar des Geestes. 2 Korinthe 3:6

Daarnaast zegt 2 Korinthe 5:

Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand namelijk de Geest gegeven heeft. 2 Korinthe 5:5

In beide Schriftplaatsen gaat het om volstrekt hetzelfde, want de enige weg tot deze overkleding met heerlijkheid, de erfenis, het loon, is de weg die leidt via de dienst onder het Nieuwe Verbond. Het gaat dus om het praktiseren van deze bekwaamheid die wij ontvangen hebben. Waardoor zijn wij dan bekwaam gemaakt? God heeft ons Zijn Geest gegeven, Die in ons zou werken. Omdat wij die Geest in ons hebben, omdat wij wedergeboren zijn, zijn wij bekwaam om God te dienen onder het Nieuwe Verbond. Daarom hebben wij altijd goede moed en wandelen wij door geloof en niet door aanschouwen. (2 Korinthe 5 :7, 8) Wij aanmerken dus onzienlijke dingen, zoals in 2 Korinthe 4 al stond en wij zien uit naar de toekomst om bekleed te worden, zelfs eventueel overkleed te worden met deze heerlijkheid.

Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 2 Korinthe 5:10

“Opdat een ieder wegdrage”. Dat is definitief loon ontvangen of een kroon ontvangen. “Geschiedt” valt weg. Aan de ene kant wordt gesuggereerd dat deze dingen door het lichaam tot stand gebracht zijn. Aan de andere kant is het resultaat van het werk van de Geest in ons wel degelijk een lichamelijke aangelegenheid. Volgens de voorgaande verzen is het resultaat van onze dienst aan Hem nu, een meer of minder heerlijk lichaam. In het lichaam dat wij in de toekomst ontvangen, wordt ons loon uitgedrukt. Ik zeg niet dat dat ons loon is, maar ons loon komt in ons lichaam tot uitdrukking. In de toekomst, na de opname van de Gemeente, zal een ieder aan ons tot in eeuwigheid kunnen zien, in welke mate wij hier in dit oude lichaam de Heer gediend hebben.

De gemiddelde Calvinist (met excuses voor de uitdrukking) denkt bij goed en kwaad aan de wet. Maar als je dit Schriftgedeelte volgt, heb je eerst 2 Korinthe 3 gelezen. Dan weet je, dat het juist niet om de wet gaat. Waar gaat het dan wel om? Wat is goed? Waarvoor ontvangt men loon, ofwel heerlijkheid? Voor het weerspiegelen van de heerlijkheid des Heeren. Voor het praktiseren van onze bekwaamheid om dienaren des Geestes, danwel dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn. Waar wij gemeend hebben het Oude Verbond te moeten dienen, leidt dat tot stro en dat verbrandt. Dat kan nooit het goede zijn. Het goede kan dus alleen maar zijn de dienst onder het Nieuwe Verbond. Wat is dan het kwade? Hout, hooi en stro is de dienst onder het Oude Verbond, het leven onder de wet. Of helemaal geen dienst, wat trouwens hetzelfde is. Er is maar één ding goed en dat is de dienst aan de Heer onder de genade en in de vrijheid van het Nieuwe Verbond. Waarbij God Zelf, danwel de Geest Zelf, danwel Christus Zelf Zijn werk in ons zou volbrengen.

Galaten

Deze brief behoeft nauwelijks enige toelichting. De titel zegt het altijd al: niet ga doen, maar ga laten (Galaten). In deze brief wordt gesproken over de kwestie van Oude tegenover Nieuwe Verbond. Het gaat om de tegenstelling tussen wet en genade. De termen Oud en Nieuw Verbond worden in Galaten bepaald niet veel gebruikt. In de zes hoofdstukken van de Galatenbrief wordt uitdrukkelijk, met zeer sterke termen, naar voren gebracht dat de gelovige niet onder de wet leeft. Hij heeft zelfs met die wet (de bediening des doods) niets van doen. De gelovige heeft te maken met de vrijheid waarin hij geplaatst is, met de genade waaronder hij zou leven. De gelovigen worden in Galaten 5 :1 opgeroepen om “te staan in de vrijheid (niet die hij zichzelf verworven heeft), met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der slavernij (= de wet) bevangen (= vangen)”. Er staat tweemaal dat het om vrijheid gaat. Er staat bovendien dat het een vrijheid is die Christus ons gebracht heeft. Wij waren slaven onder de wet, maar we staan nu in de vrijheid van het Nieuwe Verbond. De gedachte is dat men gevangen zou worden en dan weer zou leven in de gevangenschap van de wet als zodanig.

In Galaten 4:30 en 31 zet de apostel het volgende uiteen (het is typologie en daarom is het lastig zo gauw uit te leggen): “Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije”. “Erven” staat voor loon ontvangen in de toekomst, onze toekomende hemelse erfenis, onze heerlijkheid en kroon. De zoon van de dienstmaagd – de slavin – is letterlijk Ismaël. Hij is een type van degenen die onder de wet leven. De zoon der vrije is letterlijk Izak. Hij is een type van degenen die onder het Nieuwe Verbond leven in de vrijheid van de genade Gods, waarin wij staan en waardoor wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. (Romeinen 5 : 1) Ook hier is de gedachte dat, waar men onder de wet leeft, men in slavernij is. Men zal naar Bijbels voorbeeld niet erven en dus geen loon ontvangen. Waar wij leren leven onder het Nieuwe Verbond en onder de leiding van de Geest, zullen wij net als Izak erven en dus eventueel een kroon ontvangen. In dat verband wordt gezegd dat wij zouden leven door de Geest.

Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid. Galaten 5:5

Galaten 5 :1-4 spreekt over onze relatie tot de wet. Vers 5 zegt dat het zo niet moet, want wij verwachten door den Geest en uit het geloof (en niet uit de werken der wet) de hoop der rechtvaardigheid. Het gaat daarbij om het resultaat van ons leven straks in de toekomst. In dat verband zegt Galaten 5 :13: “Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders”. Hier staat de vrijheid tegenover de slavernij van de wet. Precies zoals de tegenstellingen in 2 Korinthe 3. Er staat ook bij waartoe wij die vrijheid zouden gebruiken: “alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander en in het bijzonder dient de Heer door de liefde”. Bovendien wordt in Galaten 5 : 22 over de vrucht van dat leven van Christus in ons gesproken. De vrucht van de Geest, die wij hebben ontvangen als onderpand van de toekomende erfenis, de Geest van dat Verbond des Geestes. Daar gaat het om. De vrucht daarvan is niet dat wij mensen voor Christus zouden winnen en zondaren aan Zijn voeten zouden nederleggen (lied 151 uit de bundel). De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Dat zijn de kenmerken van het leven van Christus. Het zijn evenzo kenmerken van het leven van de Geest, de Heere. Waar de Heer in ons werkt, heeft dat niet zozeer tot resultaat dat we anderen bereiken met het Evangelie om ze tot geloof te brengen. De vrucht van de Geest is liefde. Waar wij de heerlijkheid des Heeren weerspiegelen, ontstaat in ons die vrucht van de Geest. De deugden van Christus worden dan in ons openbaar. Ze komen tot activiteit, tot ontwikkeling ofwel wij worden veranderd naar Zijn Beeld. Daarbij gaat het om de kenmerken van het Wezen Gods.

De vraag is: “Hoe komt het dat er zo weinig liefde is onder de gelovigen?” Omdat men niet in de vrijheid van het Nieuwe Verbond staat. Men leeft onder de wet van het Oude Verbond. Een leven onder de wet is per definitie een leven van dood, duisternis, strijd, en nijd. Als er problemen zijn binnen de Gemeente, in de “Tempel”, terwijl wij nog op aarde zijn, dan is dat negen van de tien keer ingegeven door onderlinge nijd en afgunst, dus door jaloezie. In de toekomst is dat er niet meer en naarmate we hier naar Gods beeld veranderd worden, naarmate we hier de Heer leren dienen, houdt dat hier ook op. De vrucht van de Geest is niet nijd en twist.

19 De werken des vleses nu zijn openbaar (vlees draagt nooit vrucht. Vlees kent alleen werken); welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,
20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,
21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen het Koninkrijk Gods (weliswaar ingaan op grond van geloof, maar) niet zullen beërven. Galaten 5:19-21

Door werken wordt men niet behouden. Men wordt door geloof behouden, ook de gelovigen wier leven zich kenmerkt door vers 19-20. Maar van hen wordt wel gezegd: “Zij zijn weliswaar het Koninkrijk ingegaan, maar daarom zullen ze het nog niet beërven!” Daar gaat het hier juist om. Wie beërft het Koninkrijk wel en ontvangt een kroon? Diegenen waarbij de vrucht van de Geest aanwezig is erven het Koninkrijk. Die vrucht ontstaat alleen naarmate wij de Heer dienen ofwel Zijn heerlijkheid weerspiegelen. Waar die wisselwerking bestaat, waar wij nu leren verantwoordelijkheid te dragen, trouw te zijn aan de Heer, zullen wij met Hem erven in de toekomst. Naarmate wij dat leren, ontstaan in ons hart (in ons wezen; geest) de deugden van liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Naarmate wij de Heer dienen, zullen wij met Hem verheerlijkt worden en het Koninkrijk beërven. En: naarmate deze vrucht van de Geest in ons openbaar wordt, zullen wij met de Heer verheerlijkt worden en met Hem het Koninkrijk erven. Deze twee dingen zitten aan elkaar vast. Waar het één gebeurt, gebeurt het andere ook. Deze vrucht wordt in ons leven niet openbaar op grond van dat wij wedergeboren zijn, maar doordat wij de Heer dienen op Zijn manier. Niet onder de wet uiteraard, maar onder het Nieuwe Verbond, onder de genade, in de vrijheid en door de Geest.

Galaten 5 : 25 zegt: “Indien wij door de Geest leven (zijn wedergeboren), zo laat ons ook door den Geest wandelen”. Of anders: “Indien wij door die Geest als onderpand bekwaam gemaakt zijn om dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn, laat ons dat dan doen in de praktijk”. Het is precies dezelfde gedachte als in voorgaande brieven.

Galaten 5 : 26 zegt: “Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende”. Zo leeft de natuurlijke mens. Als wij iemand betrappen op een zonde zegt Galaten 6 :1: “Broeders, indien ook een mens overvallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt de zodanige te recht met de geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.” Onder de wet zouden wij zo iemand beschuldigen en veroordelen. Welnu, waar wij onder de vrijheid en onder de genade leven en waar wij iemand betrappen op enige misdaad en wij geestelijk zijn, wat doen wij dan? We wijzen zo iemand de goede weg en vergeven hem. Ongevraagd. Dat is wat de Heer ook deed. Hij zei: “Uw zonden zijn u vergeven.” De vrouw in dit verhaal had er helemaal niet om gevraagd. (Lukas 7 :48) Waar de dienst van de Heer bestaat uit vergeven, daar bestaat onze dienst uit vergeven. Ongevraagd. Dat brengt Galaten 6 naar voren.

Die Hij gewrocht (= ingewerkt) heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet aan Zijn rechter hand in den hemel. Efeze 1:20

In Éfeze 2 : 6 staat ook dat wij met Hem zijn opgewekt en gezet zijn aan Zijn rechterhand. Het betekent dat wij een positie hebben ontvangen in dat hemelse Koninkrijk van Christus.

1 En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;
2 In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid;
3 Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen; Éfeze 2:1-3

Wij deden de wil van onze vleselijke gedachten (de wil van de natuurlijke mens, van ons oude denken). Dat was vroeger zo, maar nu wij met Christus levend gemaakt zijn en uit genade zalig geworden (vers 5) door de grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, (vers 4) Nu zijn wij mede opgewekt (vers 6) en met Christus gezet in de hemel, opdat Hij ons zou gebruiken voor het een en ander. Hij zou door ons Zijn genade demonstreren, want daartoe zijn wij uit genade zalig geworden. Niet uit werken, maar door geloof, (vers 8 en 9) Sinds wij wedergeboren zijn (vers 10), zijn wij Zijn maaksel (Zijn schepping, het werk Zijner handen) geschapen (niet in Adam, dat was vroeger zo, toen wij dood waren door de misdaden en zonden, in dewelke wij eertijds gewandeld hebben, naar de eeuw dezer wereld en naar de overste van de macht der lucht) in Christus en dus een nieuwe schepping. Als oude schepping wandelden we naar de wil des vleses. Nu zijn wij Zijn maaksel in Christus Jezus en wat doen we dus nu? Nu doen we de wil des Geestes.

Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. Efeze 2:10

Er staat niet dat wij door goede werken zalig zouden worden! Het staat er andersom. Wij zijn zalig geworden tót goede werken. Goede werken, die God voorbereid heeft en niet wij. Goede werken die dus te voren bepaald zijn. Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken die God voorbereid heeft en niet wij, opdat wij daarin zouden wandelen, in plaats van in de misdaden en in de zonden in welke wij eertijds gewandeld hebben (vers 1 en 2). Leg vooral Efeze 2 :1 en 2 naast vers 10. Als je dat door hebt, dan valt het tussenliggende Schriftgedeelte vanzelf op zijn plek. Eertijds hebben wij gewandeld in de misdaden en de zonde, maar toen waren wij dood naar de oude mens. Nu zijn wij levend gemaakt in Christus en nu is het de bedoeling dat wij wandelen in deze goede werken. Dat zijn altijd die goede werken, die in overeenstemming zijn en deel uitmaken van het werk Gods in onze dagen. Dat is de opbouw van de Gemeente in het algemeen. Dat staat ook in Efeze 4 :1. Dit vers staat op dezelfde plek in deze brief als dat Romeinen 12 :1-3 in de Romeinenbrief staat. Beide verzen staan aan het begin van de puur praktische toepassing van al het voorafgaande. “Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt”. (Efeze 4 : 1) Wij zijn geroepen tot zoonschap of tot heerlijkheid. (1 Thessalonicenzen 2 :12) Beide termen zeggen hetzelfde. We zijn geroepen te erven. We zijn geroepen om met Christus tot zonen te worden aangesteld. Wij zijn nu kinderen Gods en het is de bedoeling (want daartoe zijn wij geroepen), dat we tot zonen Gods worden aangesteld in de toekomst. Als wij wandelen waardig de roeping, zullen wij inderdaad in de toekomst aan de vervulling van die roeping deelhebben. Dus, hoe ziet zo’n wandel er dan uit? Met liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, en goedertierenheid.

Hier in Efeze 4 : 2 en 3 staat: “Met ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde; U benaarstigende (dat is waar we allen naar zouden streven dus) te behouden (niet tot stand te brengen, maar in stand te houden, d.w.z. te bewaren in de praktijk) de geestelijke eenheid (eenheid die door de Geest tot stand gebracht is). Het gaat om een dienst onder het Nieuwe Verbond, die gericht zou zijn op de eenheid in de Gemeente. (Romeinen 12,13,14, en 15 en in 1 Korinthe 12,13 en 14) Het gaat om de eenheid van de Gemeente, want dat is het werk Gods. Daarna wordt gezegd waaruit het werk in het algemeen bestaat. Volgens Efeze 4 :12 is dat een werk der bediening (= dienstwerk), met de nadruk op dienst (geen heersend werk) tot opbouw (van die geestelijke tempel uit 2 Korinthe 3) van het Lichaam van Christus (de Gemeente). Een dienstwerk tot opbouw van het Lichaam van Christus. Het is het enige werk dat God in onze dagen doet en alle goede werken hebben daarmee van doen. Alle goede werken maken deel uit van dit dienstwerk tot opbouw van het Lichaam van Christus. Zo zouden wij leven.

Wordt niet dronken van wijn, maar wordt vervuld met den Geest. Efeze 5:18

Dat kan alleen maar betekenen dat die Geest in ons zo actief wordt dat wij de heerlijkheid des Heeren weerspiegelen. Dan worden wij veranderd naar Zijn beeld en krijgen deel aan de vervulling van deze hemelse roeping en aan de vrucht van de Geest. Dit sluit aan bij 2 Korinthe 3. De vrucht des Lichts, is de vrucht van die heerlijkheid, die wij weerspiegelen volgens 2 Korinthe 3. De vrucht des Lichts (van de Geest) is in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid (Efeze 5 : 9) beproevende, welke de volmaakte wil van God zij. (Romeinen 12 : 2) En in Efeze 5 :10 wordt gezegd: “Beproevende wat de Heere welbehagelijk zij”. Efeze 5 : 11: “En hebt geen gemeenschap (in de praktijk) met onvruchtbare werken der duisternis, maar…. wordt vervuld met de Geest. Zingende onder elkander. (Efeze 5 :18,19) De term zingen veronderstelt eenheid, gemeenschap. De gedachte is dat wij gezamenlijk dezelfde woorden spreken. Als we allemaal hetzelfde spreken, doen we ook allemaal hetzelfde.

In Filippenzen krijgen we hetzelfde verhaal. In 1 : 6 staat dat de apostel vertrouwt dat “Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft (= de opbouw van de Gemeente en onze verandering naar Zijn beeld) dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus”. Dat gebeurt niet alleen, omdat de dag van Jezus Christus de laatste dag is van het aardse bestaan van de Gemeente of de laatste dag van onze bedeling. De dag van de Heer Jezus Christus is hetzelfde als het oordeel. Dag betekent oordeel. De dag van Jezus Christus is onze openbaring voor de rechterstoel van Christus. Waarom houdt het werk Gods in ons daar op? Wel, omdat het werk wat God nu in ons begonnen is, ook voleindigd wordt. Dat werk, wat God door ons heen deed, zal in de toekomst beoordeeld worden voor de rechterstoel van Christus of gewoon in de dag van onze Heer Jezus Christus. Het werk Gods wordt hier rechtstreeks in verband gebracht met onze toekomstige openbaring voor die rechterstoel van Christus.

Daarna wordt in Filippenzen 1:11  gesproken over: “Vervuld met vruchten der gerechtigheid.” Wij zouden immers vrucht dragen, danwel onze leden stellen tot wapenen der gerechtigheid, volgens Romeinen 6. Hier staat: “Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn (die niet door ons zijn, maar die door Hem en door Zijn leven in ons tot stand gebracht worden) tot heerlijkheid en prijs van God.” Wij zouden in nieuwheid des levens en tot heerlijkheid des Vaders wandelen. (Romeinen 6) Hier staat precies hetzelfde met dezelfde uitdrukkingen, namelijk “vruchten der gerechtigheid.”

Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus. Filippenzen 1:27

Zo zouden wij Hem dienen.

Wandelt waardiglijk de roeping, waarmee gij geroepen zijt. Efeze 4:1

Filippenzen 2 :13b: “Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; (het gaat niet om onze wedergeboorte, die wij zouden bewerken, maar het gaat om het loon dat wij in de toekomst zouden ontvangen). In de voorgaande verzen van Filippenzen 2, de beroemdste verzen uit Filippenzen, wordt gesproken over de Heer Jezus Zelf, Die Zijn Vader diende en inmiddels beloond is. Hij werd immers als Zoon aangesteld, als de Eersteling van de nieuwe schepping en van Zijn Koninkrijk. Zoals Hij die zaligheid bewerkt heeft met vrezen en beven in onderwerping aan Zijn hemelse Vader en doende de wil en de werken van Zijn hemelse Vader, zo zouden wij dat voorbeeld navolgen. Datzelfde gevoelen zou ook in ons zijn. (Filippenzen 2 :5) Dus zegt Filippenzen 2:

12 Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven;
13 Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Filippenzen 2:12,13

Wij zouden toch proeven welke de goede en welbehagelijke wil van God was? God zal ons die wil kenbaar maken. Niet alleen zal Hij ons die wil geven, wanneer wij ons daarvoor openstellen, hij zal ons ook dat werken geven naar Zijn welbehagen. Want Hij zal niet alleen in ons die wil leggen om op bepaalde specifieke wijze Hem te dienen, Hij zal ons ook de gelegenheid geven en de kracht geven. Hij zal ons de hulp geven (Hebreeën 4 :16) om dat ook daadwerkelijk te doen. Zo staat het in de Bijbel en zo zijn er vele kinderen Gods die precies hetzelfde beleven ofwel ervaren hebben. Hij zou in ons werken. Hij zou een bepaalde wil in ons leggen, Hij zou ons ook de gelegenheid geven om die wil ten uitvoer te brengen en waar Hij die gelegenheid niet geeft, was het Zijn wil niet, dus daar hebben wij geen problemen mee. Achteraf zal blijken Wiens wil het was. Het veronderstelt gewoon overgave aan Hem. Dat staat hier. Waar dat zo is, doen wij alle dingen (Filippenzen 2 :14) zonder murmureren en tegenspreken. Dan zijn wij (waar dat ideaalbeeld voor 100% aanwezig is) onberispelijk en oprecht. Daarin zijn wij kinderen Gods, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht. Dat kromme, verdraaide geslacht is tezamen afgeweken en onnut geworden en niet bekwaam om de Heer te dienen. Dus zijn wij lichten temidden van een duistere wereld. Daar weerspiegelen wij de heerlijkheid des Heeren.

Daarna komen we in Filippenzen 3, waar de apostel vertelt over zijn opleiding en zijn religieuze achtergrond. Hij zegt: “Ik heb al die dingen schade gerekend, acht die drek (afval, ballast dus) te zijn, opdat ik Christus moge (ge)winnen.” De Schrift zegt in de eerste plaats dat je juist die religieuze dingen zou moeten afleggen. Hebreeën 13 :13 zegt: “Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats”. Welke legerplaats? Dat is Jeruzalem, dat staat voor religie, voor godsdienst en voor wet in het bijzonder. Paulus heeft “een Israëliet, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar den ijver een vervolger van de Gemeente; en naar de rechtvaardigheid, die inde wet is onberispelijk”, schade en drek geacht. (Filippenzen 3 :5 en 6) Hij gooide het weg. Het is niet het hoogste christelijke ideaal om naar de wet onberispelijk te zijn, maar het is juist schade. Het maakt het des te moeilijker om uit genade te leven. Paulus zegt: “Ik heb alles schade en drek geacht. Hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil (niet voor mij zelf) schade (afval) geacht (vers 7).

Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen (hij noemde religieuze zaken) schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis (gemeenschap met) van Christus Jezus, mijn Heere; (let op, niet de Here Jezus Christus, maar Christus Jezus, mijn Heere, mijn Meester, Die ik dien) om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. Filippenzen 3:8

Paulus rekent alle religieuze zaken schade, opdat Christus in hem gestalte zou krijgen.

Maar een ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. Filippenzen 3:14

Het wit is het doel(wit) van met Christus verheerlijkt te worden, om met Hem het Koninkrijk te beërven, om met Hem tot zoon te worden aangesteld, om met Hem een kroon te ontvangen, om met Hem loon te ontvangen. Hier staat: “tot den prijs der roeping Gods”. Dat is de “aanstelling tot zoon”, het ontvangen van een kroon. Die prijs is van boven, want wij zijn van én naar boven geroepen. In Filippenzen 3 : 17 zegt hij: “Weest mede mijn navolgers.” In vers 20: “Maar onze wandel (ons leven, ons burgerschap) is in de hemelen, waaruit (= op grond waarvan) wij ook den Zaligmaker verwachten, den Heere Jezus Christus”. Hij komt zaligmaken, maar wat dan? Wij waren toch zalig? Nee, ons lichaam is nog niet zalig. Wanneer Christus komt zal Hij ons vernederd lichaam veranderen, want wij weten, zo ons aardse huis dezes tabernakels verbroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. (Filippenzen 3 : 21; 2 Korinthe 5 :1)

3. Waartoe zijn wij nederig?

De nieuwtestamentische brieven spreken over de positie van de gelovige in het algemeen en over wat de Heer van ons verwacht. Wij zijn in een positie terechtgekomen waarin wij God zouden dienen. Met de nadruk op dienen. Daarna blijkt dat God dienen betekent dat wij ook elkander (elkander) zouden dienen. Elkander zijn de huisgenoten des geloofs. Een dienende taak betekent dat wij in een nederige positie, een onderdanige, een onderworpen positie terecht zijn gekomen. Dat is een positie waarin van ons gehoorzaamheid (= geloof) verwacht wordt.

Voordat ik ook maar één Schriftgedeelte noem, wil ik er toch eerst iets algemeens over zeggen. Het blijkt namelijk zo te zijn dat de bekende ellende in de wereld in het algemeen uit hoogmoed voortkomt. Uit de gezindheid van de mens, waarbij die niet of zo min mogelijk bereid is om anderen te dienen of een dienende positie in te nemen. Zeker niet uit vrije wil. De zonde, zoals die in de wereld nu eenmaal is, vindt voor zover wij het kunnen nazoeken in de Bijbel zijn oorsprong in de gezindheid van satan. Hij heeft de zonde van hoogmoed uitgevonden. Hij is degene die zich boven God zou stellen, die God zijn Schepper niet wilde dienen en die zich uitstrekte om een positie boven God te krijgen, omdat hij geen genoegen nam met zijn onderhorige positie. De mens is ook niet bereid zich te onderwerpen aan iets of iemand anders. Dat is dus hoogmoed. Er staat in de Bijbel: “Want de geldgierigheid is wortel van alle kwaad”, (1 Timótheüs 6 :10) Ik denk dat geldgierigheid voortkomt uit hoogmoed als de wortel van alle kwaad.

Het gaat erom dat wij van deze eerste beginselen der wereld verlost zijn, dat wij nieuwe schepselen geworden zijn in Christus. Als schepselen Gods in deze oude schepping waren wij afgeweken. Die onnuttigheid van de wereld komt door de zonde en dus door die hoogmoed, die nou eenmaal in de mens heerst. Waar wij nuttig geworden en bekwaam gemaakt zijn om God te dienen onder het Nieuwe Verbond zal nederigheid zijn. Als wij gelovigen zijn hebben wij ons in ieder geval aan God en Zijn Woord onderworpen, zijn wij het Evangelie gehoorzaam geweest en hebben wij de genade aangenomen. Als je hoogmoedig bent, kun je geen genade aannemen. Van een gelovige mag dus verwacht worden dat, waar hij nieuw leven ontvangt op grond van zijn onderwerping aan het Woord Gods, dat dat leven daarna in de eerste plaats gekenmerkt wordt door onderwerping aan God en Zijn Woord.

In het algemeen geldt dat wij een dienende positie zouden innemen en dus een positie van nederigheid. Probeer u eens voor te stellen dat alle mensen in de wereld nederig waren en dat de een de ander uitnemender achte dan zichzelf! Dat staat immers in de Schrift. Waar wij bereid zijn te dienen, zal ellende uit de wereld verdwijnen. De weg door vernedering of nederigheid leidt tot verhoging. De Bijbelse gedachte is dat wij zouden dienen zolang wij in een nederig en dus dienstbaar lichaam zijn. Ons lichaam heet immers een vernederd lichaam. Zolang wij daarin wonen past ons die nederige taak van dienstbaarheid. Daar is ons lichaam uitermate geschikt voor. Vervolgens verwachten wij voor de toekomst de verschijning van onze Zaligmaker, Die onze vernederde lichamen veranderen zal. Hij zal ons verhogen tot in de hemel, zelfs onze lichamen.

In Johannes 13 gaat het over de voetwassing. Tijdens de maaltijd staat de Heer op, legt Zijn klederen af en omgordt Zich met een linnen doek. Hij demonstreert daar Zijn opstanding en het werk dat Hij na Zijn opstanding zou doen. Hij zou namelijk een dienstwerk (een nederig werk) vervullen, Hij zou namelijk de Zijnen reinigen. Deze gedachte komen we daarna op vele plaatsen in de brieven tegen. De Heer zou Zijn Gemeente reinigen. Dat wordt geïllustreerd in Johannes 13, doordat de Heer de voeten van Zijn discipelen wast. Hij deed dat ongevraagd, want de discipelen hadden daar helemaal niet om gevraagd. De Heer deed het gewoon. Overdrachtelijk gesproken had Iemand wel aan de Heer gevraagd dat te doen. Die Iemand had gevraagd of Hij Zijn Gemeente wilde reinigen en heiligen en zonder vlek of rimpel voorstellen. Het was Zijn hemelse Vader, Die dat vroeg. De Here Jezus vervult dus sinds Zijn opstanding een dienende taak. Hij vervult een dienende functie aan de Gemeente in dienst van Degene Die Hem gesteld heeft. Zoals ook Hebreeën 3 zegt dat de Here Jezus als Hogepriester van Zijn Eigen Huis trouw is aan Degene Die Hem gesteld heeft.

Nadat de Heer de voeten van de discipelen heeft gewassen, zegt de Heer: “Jullie noemen Mij Meester en Heer. Maar aangezien een dienstknecht niet meerder is dan zijn Heer, hebben jullie net zo’n dienende taak.” Als ik het uitgebreid en het zo breed mogelijk toepas, is de gedachte dat de Heer Jezus Zichzelf in onze dagen aan de bouw van de Gemeente (de stichting van de Gemeente) wijdt. In dat dienende werk tot opbouw van de Gemeente zouden ook wij betrokken zijn. Wij zouden net zo’n dienende taak hebben en dus dienaren zijn van de Gemeente. Paulus zegt over zichzelf, dat hij een dienaar is van de Gemeente. Kolossenzen 1 : 25: “Welker dienaar ik geworden ben, naar (= in overeenstemming met) de bedeling van God (genade), die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods.” Paulus is niet in dienst van de Gemeente, maar wel in dienst van God Zelf. Het is een belangrijke waarheid voor een ieder van ons. Niet voor degene die geacht worden langs officiële weg de Gemeente te dienen. We hebben het hier niet over voorgangers, maar gewoon over de gelovige die slechts één roeping heeft sinds hij wedergeboren is, namelijk bij te dragen aan dit dienstwerk tot opbouw van het Lichaam van Christus. Dat is het werk dat de Heer in nederigheid en in dienstbaarheid doet. Dat werk zouden wij ook doen in diezelfde nederigheid en dienstbaarheid. Dat werk wordt genoemd in Efeze 4:

Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouw des Lichaams van Christus, (de Gemeente) Efeze 4:12

Het gaat erom dat wij in nederigheid de Gemeente dienen. Een dienst, niet van de Gemeente, ook niet in opdracht van de Gemeente, maar in dienst van God en eventueel in opdracht van God. Vervolgens verwachten wij dat wij als dienstknechten, en dus als arbeiders, ook loon voor de arbeid zouden ontvangen, want de arbeider is zijn loon waardig. Dat loon zouden we niet van de Gemeente ontvangen. De Heer Zelf zal een ieder van ons belonen voor wat wij bijgedragen hebben in Zijn werk. Dus zegt de apostel: “Ik dien jullie – Korinthiërs – maar als jullie maar niet denken, dat ik werkelijk geïnteresseerd ben in het oordeel wat jullie over mij hebben, want wie mij oordeelt is God.” (1 Korinthe 4 :4) Dat is fundamentele waarheid voor u en voor mij. Van ons wordt onderwerping en dienstbaarheid verwacht. Het is noodzakelijk dat wij een dergelijke gezindheid hebben. Dat bevordert de eenheid in de Gemeente.

9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.
10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.
11 Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.
12 Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.
13 Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid.
14 Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.
15 Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.
16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
18 Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.
19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Romeinen 12: 9-19

Het zijn allemaal uitspraken die verband houden met die eenheid en de opbouw van de Gemeente. Uiteindelijk wordt het samengevat in vers 16: “Weest eensgezind onder elkander”. Over deze gezindheid wordt later in Romeinen 15 nog uitgebreider gesproken. In één van die korte zinnen staat: “tracht niet naar de hoge dingen”. Wij hoeven niet zo hoog mogelijk op de maatschappelijke ladder te eindigen. Dat blijft een advies, een raad, een aanwijzing, die ons gegeven wordt voor heel de praktijk van ons christelijke en ook geestelijke leven. “Voegt u tot de nederige”, (vers 16) Dus juist geen hoogmoed. U kent toch de gelijkenis uit Lukas 14 : 7- 11? Daarin staat wanneer iemand je uitgenodigd bij een maaltijd, dat je dan achteraan moet gaan zitten, volgens de gedachte van de Heer. Op de minst eervolle plaats. We zouden niet trachten naar de hoge, maar naar de nederige dingen. We gaan dus achteraan zitten. Als we vooraan moeten zitten, dan weet de Heer ons wel te vinden. Hij zou verhogen en dat is een eervolle zaak.

De Heer zei tot Zijn dienstknecht: “Gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig (niet over veel) zijt gij getrouw geweest.” Het resultaat was: “Over veel zal Ik u zetten.” (Matthéüs 25 : 21) Dat is in de toekomst, dus tracht niet naar de hoge dingen. Daar waar blijkt dat wij als dienstknechten trouw zijn in het nederige, zal de Heer als een goede Werkgever ons vanzelfsprekend op een hogere positie brengen. Wij hoeven er niet naar te streven. Wij zouden trouw zijn aan Hem en ons richten op het nederige en voor zover er verhoogd zal moeten worden, zal Hij het doen.

Doch God, Die de nederigen vertroost (= bemoedigen, ondersteunen, kracht geven, helpen) heeft ons vertroost. (door de komst van Titus) 2 Korinthe 7:6

Als er gebrek is aan troost en aan bemoediging, zou gebrek aan nederigheid een van de oorzaken kunnen zijn. Als men hoogmoedig is en meent het allemaal zelf te kunnen, dan krijgt men toch geen troost? Dan hoeven wij ook helemaal niet te verwachten dat wij bemoedigd zullen worden of hulp zouden ontvangen. Daar waar wij nederig zijn, waar wij dienen, kunnen wij ook verwachten vertroost te zullen worden.

In de tweede Korinthebrief spreekt Paulus in het algemeen over zijn merkwaardige bediening. Paulus predikte lange tijd in Korinthe en al die tijd hebben die Korinthiërs niets bijgedragen ter ondersteuning van zijn arbeid en zelfs niet tot instandhouding van zijn eigen leven. Hij werd door die Korinthiërs niet serieus genomen. Hij was immers tentenmaker en had een baantje bij Aquila en daar verdiende Paulus de kost mee. In zijn vrije tijd predikte hij in Korinthe. Zo’n man hoefje niet serieus te nemen, want hij was ook maar een gewone arbeider die voor zijn eigen centen werkt. Dus maakt het niet zoveel uit wat hij zegt.

Heb ik zonde gedaan (het doel gemist, een fout gemaakt), als ik mijzelven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden? overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb? 2 Korinthe 11:7

Paulus zegt: “Was het een fout van mij dat ik u het Evangelie gratis (op eigen kosten) gepredikt heb?” In vers 8 zegt hij: “Ik heb andere Gemeenten beroofd, bezoldiging nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen. Paulus heeft in Korinthe gratis gewerkt voor die Korinthiërs en heeft zich daarmee vernederd. Hij beschouwt het als een vernedering. Wij, als gelovigen, zouden er dus een eer in moeten stellen om alles wat wij doen, zeker in dienst van de Heer, voor zover mogelijk op eigen kosten te doen. Als wij onze levens stellen in Zijn dienst, als wij Zijn eigendom zijn, hoezo zouden wij geld moeten vragen voor enig werk dat wij doen in dienst van de Heer? De apostel zegt gewoon: “Ik heb het een eer gevonden om u Korinthiërs op deze wijze te bedienen.” Hij herhaalt dat vaker in deze Korinthebrief. Paulus stelt er een eer in om zich voor die onedele, zwakke Korinthiërs in te zetten.

Efeze 5 : 21: “Wij zouden elkander onderdanig zijn in de vreze van Christus;” (dat is wat er letterlijk staat). Dat wil zeggen dat wij elkander zouden dienen. In de volgende verzen wordt onder andere uiteengezet hoe die onderdanigheid dan tot uitdrukking komt, zelfs in de meest elementaire aspecten van ons persoonlijk aardse leven, in onze familieverhoudingen en in onze maatschappelijke verhoudingen. Dat neemt niet weg dat van te voren eerst gezegd wordt dat het er om gaat dat wij onderdanig zouden zijn en niemand van ons komt daar onderuit. Want hoewel sommigen op grond van hun positie wellicht onderdanig zouden zijn aan ons, is het niettemin zo dat wij op onze beurt altijd weer onderdanig zijn aan de Heer en Hem zouden dienen. Met andere woorden: het maakt echt niets uit. Wij zouden zondermeer onderdanig zijn. Opdat op grond van die uitspraak in Efeze 5:21 niet ons hele sociale, maatschappelijke en familieleven door elkaar zou worden gegooid, volgen daarna enige aanwijzingen die spreken over verhoudingen die wel degelijk in stand gehouden zouden worden. In het familieleven en ook in het maatschappelijke leven is het nou eenmaal zo dat niet iedereen onderdanig kan zijn aan iedereen.

De belangrijkste gedachte vinden we wellicht in Filippenzen 2, waar ons het leven van de Here Jezus als voorbeeld gegeven wordt. Eigenlijk gaat de hele Filippenzenbrief over niets anders dan dit thema: dat wij zouden dienen en dat wij onderdanig zouden zijn aan wie dan ook. In dat verband staat in Filippenzen 2 :3: “Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid (nederigheid) achte de één den ander uitnemender dan zichzelven”. Dat is hetzelfde als “elkander onderdanig zijn in de vreze van Christus” uit Efeze 5. Wat betekent “de vreze van Christus?” Die vraag wordt hier beantwoord, want er staat in Filippenzen 2 :4: “Een ieder zie niet (slechts) op het zijne, maar een ieder zie ook op hetgeen der anderen is.” (We zouden elk ander dienen).

Vers 5: “Want dat gevoelen (= die gezindheid, die levensinstelling) zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was”. Christus wordt ons hier als voorbeeld voorgehouden. In de vreze van Christus en daardoor en daarom in navolging van Christus zouden wij dit gevoelen, deze gezindheid ontwikkelen en in ons hebben. Vers 6: “Die in de gestaltenis Gods zijnde en Gode even gelijk zijnde (Ik lees de zin met opzet niet zoals hij daar staat. De zin loopt zeer ongelukkig, dus verklaar ik hem meteen). De gedachte is, dat de Heer Jezus was in de gestaltenis Gods en dat Hij Gode even was, dat Hij Gode gelijk was, maar Hij heeft het geen roof geacht Zichzelven te vernietigen (vers 7). Vernietigen is letterlijk: Zich ledigen; dat betekent ook: Zich tot niets maken. In Kolossenzen staat Zijn lediging tegenover Zijn vervulling of Zijn volheid. (Kolossenzen 2 :9) De vertaling met vernietiging is niet zo gek. Hij heeft Zichzelven tot niets gemaakt. Wat heeft Hij dan gedaan? Hij, Die in de gestaltenis Gods was, Hij, Die Gode even (gelijk) was. Even is niet een korte tijd, maar even is vlak, gelijk, egaal. Hij, Die gelijk stond aan God, Hij, Die God was, Hij heeft Zichzelven tot niets gemaakt door de gestalte van een dienstknecht aan te nemen. Hij werd een dienstknecht van God, hetgeen niet wegneemt dat God Hem dan een verantwoordelijkheid kan opleggen van waaruit Hij anderen en zelfs mensen en in ieder geval ook ons zou dienen, maar niet in onze dienst.

Hij heeft de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen en is de mensen gelijk geworden. Hij was de gestaltenis Gods en Hij werd de gestaltenis van een dienstknecht. Hij was Gode gelijk en Hij werd de mensen gelijk. De mens is per definitie een dienstknecht en geschapen om God te dienen. God werd mens in de Persoon van de Here Jezus Christus. Wat deed die mens Jezus Christus? Zijn hemelse Vader dienen door de woorden van Zijn Vader te spreken en door Zijn werken te doen (zegt het Johannes Evangelie). Elk mens zou als dienstknecht Gods het Woord Gods moeten spreken en het werk Gods doen. Van nature konden wij dat niet, maar nu wij een nieuwe schepping geworden zijn en een nieuwe natuur hebben ontvangen, zijn we daartoe bekwaam gemaakt, opdat wij het Woord Gods zouden spreken en het werk Gods zouden doen.

Maar wat staat er geschreven over de Here Jezus, Die immers ons voorbeeld is en Wiens gevoelen (gezindheid) wij zouden hebben? Hij heeft de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen, hij is de mensen gelijk geworden en in de gedaante als mens heeft Hij Zich ook te midden van die mensen vernederd. In tweede instantie wordt over vernedering gesproken. Hij is niet alleen vernederd van God naar de mens of vernederd vanuit de hemel naar de aarde. Zijn geboorte in Bethlehem was een vernedering, maar ook in Zijn leven daarna, te midden van de mensen, in de gedaante van een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, zodat Hij automatisch terecht kwam in een positie waarin Hij alle mensen diende, in de dienst van Zijn hemelse Vader. Wat heeft Hij gedaan in dienst van de mensen? Het schijnt heel verschillend te zijn. In de Evangeliën lees ik altijd over de Heer Die alle mensen diende, wat Hij ook deed. Hier staat dat Hij om anderen te dienen, Zichzelf tot het uiterste vernederd heeft en zelfs zo letterlijk mogelijk. Als een mens ten uiterste vernederd wordt, komt hij in de dood terecht.

In gedaante gevonden als mens heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden tot den dood, ja den dood des kruises. Filippenzen 2:8

Gehoorzaam is gelovig onderworpen aan het Woord Gods. Gehoorzaam is ook trouw. Gelovig is horig. Wij kennen dat woord niet meer, omdat het in onze maatschappij niet meer voorkomt. Maar Hij was horig en daarmee ook trouw geworden aan Zijn hemelse Vader, trouw tot de dood, ja zelfs nog verder dan de dood, tot de dood des kruises. Waarna wij altijd lezen uit Galaten 3 :13: “Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt”. Dat is aangehaald uit de wet. (Deuteronomium 21 : 23) Hij is niet alleen maar gestorven! Hij is zelfs een schandelijke, smadelijke, een vernederende dood gestorven. Een verdere vernedering kan niet.

Dan staat er in Filippenzen 2 :9: “Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd”. Het is God Die Hem vernederd heeft, maar het is Diezelfde God Die Hem ook inmiddels verhoogd heeft. Wij verwachten voor de toekomst, omdat wij nu een dienende taak vervullen, dat wij in de toekomst verhoogd zullen worden. Dat is een Bijbelse waarheid. Het kan helpen als wij ons bewust zijn dat die verhoging wel komt, maar niet wat betreft de tegenwoordige wereld of deze oude mensheid. Wij zouden datzelfde gevoelen in ons hebben. Uitermate vernedering leidt tot uitermate verhoging. Zo was het bij de Heer Jezus, de Mens, Die ons dat voorbeeld heeft nagelaten. De bedoeling is dat wij dat voorbeeld zouden navolgen, ook in de praktijk van ons leven. (1 Petrus 2 : 21)

Zo komen wij terecht in Filippenzen 4 :12 waar de apostel zegt: “Ik weet vernederd te worden.” Dat wil zeggen dat hij weet hoe dat gebeurd. Hij kan het dus ook, want dat is wat de term betekent. Weten is in dit geval synoniem met kennen, in de zin van: ik heb het ervaren. Het wordt wat zwak uitgedrukt. Hij zegt dus: “Ik kan het, want dat heb ik al eens eerder bij de hand gehad: “Ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden, (want over deze dingen zegt de apostel dan) ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.” Dit is een vers dat gewoonlijk uit zijn verband gerukt wordt. Het spreekt in het bijzonder over deze dienende positie, over dit dienende werk in de dienst aan onze hemelse Vader. Dat leidt tot verdrukking en vernedering. Dat wordt ook in Filippenzen 1 : 29 gezegd: “Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden”. Natuurlijk is ons uit genade gegeven in Hem te geloven, maar de consequentie daarvan is: om Hem te dienen. Wij ontvangen genade, opdat wij uit die genade Hem zouden dienen. Wij zouden naderen tot de troon der genade om te ontvangen genade, barmhartigheid en hulp ter bekwamer tijd, (Hebreeën 4 : 16) om dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn onder leiding van de Hogepriester van dat Nieuwe Verbond. (2 Korinthe 3 : 6) De nederigen geeft Hij genade. (Jakobus 4 :6) Het gaat om precies dezelfde gezindheid.

Zo onderwerpt u dan aan God. Wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. Jakobus 4:7

Niet alleen maar: gelooft in God of iets dergelijks, maar veel meer dan dat en dan staat er: “Wederstaat de duivel en hij zal van u vlieden”. Hoe wedersta je de duivel wederstaan? Door:”Onderwerpt u dan Gode!” Want wat wil de duivel? Hij wilde Zich boven God stellen en hij wil dus dat wij precies hetzelfde doen. Hij wil dat wij onszelf zouden stellen boven God en boven Zijn Woord. Het aanpassen van de Bijbel aan ons denken is in feite niks anders dan dat, want we stellen ons woord boven het Woord Gods. De duivel wederstaan gebeurt niet uit hoogmoedigheid, de duivel wederstaan doen wij door ons aan God te onderwerpen.

Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen! Jakobus 4:8

Eerst moet ik het woord “naken” in deze uitspraak uitleggen. Zeker, waar het geschreven wordt door een jood en in de eerste plaats door joodse danwel Israëlitische gelovigen. Het woord “naken” (naderen) is een synoniem voor “offeren”. “Naderen” is hetzelfde als “aan God offeren”, niet omdat het technisch gesproken hetzelfde is, maar wel omdat het theologisch of Bijbels hetzelfde is. Waar men tot God nadert, kan dat alleen maar zijn om zichzelf aan God te offeren, om zich in Zijn dienst te stellen of om zich aan Hem te onderwerpen. Waar de mens zover van God afstaat is er niettemin de mogelijkheid om tot Hem te naderen, doordat wij namelijk onze levens aan Hem ter beschikking stellen als levend heilig Gode welbehagelijk offer. (Romeinen 12) Onderwerpt u dan Gode en nadert tot God is precies hetzelfde. Ze staan tegenover elkaar, omdat het ene vers zegt: “Onderwerpt u dan Gode; wedersta de duivel en hij zal van u vlieden.” En het andere vers: “Nadert tot God en God zal tot u naderen.” Dus wat zouden wij doen? Ons onderwerpen aan God, onszelf aan Hem ter beschikking stellen. Dan komt God bij ons en gaat de duivel van ons.

Bij “Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!” gaat het om de reiniging van het hart, de inwendige mens. Het hart heeft met ons denken te maken en de handen met ons doen en laten. Dus niet alleen hoorders des Woords, maar ook daders, zoals de termen gebruikt worden in Jakobus 1 : 22: “En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende”. Jakobus 4 : 9: “Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren en uw blijdschap in bedroefdheid”. Dat betekent niet dat we treurig moeten zijn, maar dat wij onze ingebeelde hoge en heerlijke positie zouden loslaten en ons in alle nederigheid aan de Heer zouden onderwerpen. Dat zegt ook Jakobus 4 : 10: “Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen”. “Vernedert u voor de Heere,” is de herhaling van vers 6: “Ja, Hij geeft meerdere genade.” Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade”.

1 Petrus 5 : 1-4 spreekt over de oudsten, de herders, de voorgangers, de leraars. Er wordt tegen die oudsten gezegd dat zij niet over de kudde heersen, maar dat zij de kudde zouden dienen en een voorbeeld der kudde zouden zijn en gij zult de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. (vers 4) In vers 5 gaat het niet meer zozeer over de oudsten, maar meer over de jongen. Er staat: “Desgelijks (let op desgelijks) gij jongen, zijt den ouden onderdanig; (maar de gedachte blijft dezelfde, de ouden zijn namelijk net zo goed onderdanig. Daarom zijn het oudsten en voorbeelden) en zijt allen elkander onderdanig” (dit schijnt er niet te moeten staan). Er staat: “Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed”. Ootmoedigheid is nederigheid. Zoals hovaardigheid hoogmoedigheid betekent. De jongen moeten niet alleen ootmoedig in het hart (aan de binnenkant) zijn, maar daadwerkelijk ootmoedig en nederig ook aan de buitenkant. Zij behoren daarmee bekleed te zijn, dat wil zeggen dat dat de uiterlijke kenmerken zijn. Het heeft te maken met wat zichtbaar is van de wandel van de mens.

Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zacht- moedigen zal Hij genade geven. Spreuken 3 : 34

Deze uitspraak uit Spreuken 3 : 34 hebben we net gelezen in Jakobus. Jakobus en Petrus citeren precies dezelfde uitdrukking uit Spreuken 3. Omdat deze tekst herhaald wordt, wordt het een belangrijke uitspraak in de nieuwtestamentische brieven. Er zijn maar weinig teksten uit het Oude Testament, die in het Nieuwe Testament twee keer of meer geciteerd worden. Normaal zijn dat de teksten over de verhoging van Christus tot aan de rechterhand Gods. Een andere gelijkluidende uitspraak, zoals in Jakobus 5 : 6 staat in 1 Petrus 5 : 6: “Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd”. Als wij tot God naderen en met vrijmoedigheid naderen tot de troon der genade, dan dienen wij rekening te houden met die krachtige hand Gods, die ons zou vernederen. Waarna je dus zelfs kunt zeggen dat de uitspraak “Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods” dezelfde is, als “Laat ons met vrijmoedigheid naderen tot de troon der genade.” Of dat “wij onze lichamen stellen tot een levend heilig Gode welbehagelijk offer”. Maar waarom moet “de krachtige hand Gods” er zo nodig bijstaan? Wel, vanwege wat er verder volgt. Want diezelfde krachtige hand Gods onder welke wij ons zouden laten vernederen, is diezelfde hand Gods Die ons ook zou verhogen! Als wij niet bereid zijn om ons te vernederen onder die krachtige hand Gods, dan zal diezelfde krachtige hand Gods ons ook niet verhogen. Dat is precies wat die hand Gods gedaan heeft met de Heer Jezus.

4. Waartoe zijn wij verlost van zonde, dood en wet?

De gelovige van vandaag wordt weliswaar geacht de Heer te dienen, maar niet op de wijze die godsdienst in het algemeen voorschrijft.

Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon. Matthéüs 6:24

Mammon is de god van de heidenen, van de on rechtvaardigen die niet onder de wet leven (de 10 stammen), maar onder de genade. Zij leven dus onder het nieuwe verbond. Mammon is een beeld van het nieuwe verbond en het God dienen is een beeld van het oude verbond. Die twee heren zijn dus het oude en het nieuwe verbond. Het hele punt is dat godsdienst naar Bijbelse begrippen, maar ook naar gewoon algemeen erkende Nederlandse begrippen bestaat uit een leven vol wetten en regels, waaraan men zich zou houden. In mijn woordenboek staat dat godsdienst bestaat uit het leven volgens bepaalde wetten en regels en inzettingen. Als men godsdienstig is wordt men geacht zich daaraan te houden. Dat is ook de algemene gedachte van de niet godsdienstige mens. Men denkt dat wij christenen allerlei wetten en regels kennen waaraan wij ons zouden houden en waaronder wij zouden leven. Velen die christenen zijn, denken dat dat inderdaad zo is. Maar dat is het meest storende misverstand dat er bestaat. Storend, omdat het ons praktische leven en onze praktische dienst aan de Heer definitief verstoort. Het punt is juist dat wij van godsdienst – in die betekenis van de term en dat is de normale – zijn vrijgemaakt. Wij kennen maar één Bijbelse godsdienst. We moeten dat woord niet letterlijk nemen en zeggen: “Godsdienst zal wel dienst aan God zijn!” Dat betekent de term nou eenmaal niet in de Bijbel. De enige Bijbelse verantwoorde godsdienst of religie is die van de wet. Die godsdienst van de Mozaïsche wet, die aan Israël werd voorgeschreven ter gelegenheid van de uittocht uit Egypte. Vervolgens werd de wet verbasterd bekend onder de naam judaïsme (= de joodse godsdienst), dat is Bijbelse godsdienst. Wij zijn daarjuist van verlost! Petrus zei: “Dat was een juk, wat wij noch onze vaders hebben kunnen dragen.” (Handelingen 15 :10)

Wij zijn van dat juk verlost. De Here Jezus zegt: “Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.” (Matthéüs 11 : 28) Waarmee zijn wij dan belast? Niet met de last van de zondeschuld, want de meerderheid van de mensheid is daar absoluut niet mee belast. Dat moeten wij hen dan eerst aanpraten. In evangelisatiesamenkomsten gebeurt dat soms dan ook. Het is niet als kritiek bedoeld, maar als vaststelling van een feit. Eerst wordt hen een zondelast aangepraat en daarna wordt hen verteld dat zij met die zondelast tot de Heer Jezus kunnen komen. Daar is weinig tegenin te brengen. De uitspraak in de Bijbel over die last die de mens draagt en die hij zou opgeven, die hij niet hoeft te dragen, is niet de last van de zonde, maar de last van de wet. Het gaat om de verplichtingen die gelegd werden op de mens in het algemeen, maar in het bijzonder uiteraard op Israël of moet ik zeggen, in het bijzonder op het volk Gods. Wij zijn weliswaar het volk Gods, niet op grond van onze afstamming, maar op grond van geloof, door wedergeboorte. Als volk Gods zijn wij niet gebracht onder die wet, onder die religie van het oude verbond, maar voor zover wij daaronder leefden, voor zover wij daarmee belast waren, zijn wij juist daarvan verlost en vrijgesteld. Dat is die rust waarin wij leven; die de Heer ook beloofde aan degenen die tot Hem zouden komen, omdat zij juist die last niet meer konden dragen.

Dit is misschien een wat ingewikkelde manier om het te vertellen, maar het komt er op neer dat de Schrift leert dat we vrij zijn van de wet. Dat is een belangrijke waarheid, omdat in de praktijk zal blijken dat veruit de grootste meerderheid van het zogeheten christendom onder wet leeft. Niet onder dé wet, het gaat eigenlijk nooit om de wet van Mozes, maar in vele gevallen is het dan een wet die daar min of meer van afgeleid heet te zijn. De zogeheten christelijke wet is altijd te herleiden tot de joodse wet en die is op een of andere wijze te herleiden tot de Mozaïsche wet. Over het algemeen wordt het als één geheel beschouwd. Het verschil dat ik nu maak wordt in het algemeen in het publiek niet genoemd. Het is er wel, het is een belangwekkend verschil, maar in de praktijk wordt het dikwijls niet genoemd. Als christenen beweren dat wij onder de wet moeten leven, hebben ze heus niet de Mozaïsche wet in gedachte, al wordt de naam van Mozes dan toch dikwijls in dat verband genoemd. In de praktijk gelooft men daar ook niet in. Hoewel men bijvoorbeeld de mond vol heeft over de Sabbat, gedenkt men die dag niet, maar de dag daarna. Met andere woorden: die wet waaronder men meent te moeten leven, blijkt een verbastering te zijn van wat ons in de Bijbel aan wet wordt voorgesteld. De wet speelt helemaal geen rol, ook de discussie daarover niet, om de doodeenvoudige reden dat wij niet onder de wet zijn, omdat wij der wet gestorven zijn.

Dat is wat de Schrift ons leert. Dat is niet zomaar een gedachte die in de een of andere tekst naar voren komt, integendeel, het is een gedachtegang die wij feitelijk in alle nieuwtestamentische brieven zo zondermeer terugvinden. Het thema van al die nieuwtestamentische brieven is dat wij niet leven onder het oude verbond (testament). Het zijn niet voor niets nieuwtestamentische brieven. Waar de mens geneigd is zich te laten belasten met allerlei wetten en regels, daar is het noodzakelijk om uitgebreid en bij grote regelmaat stil te staan bij het bijzondere Bijbelse feit dat wij verlost zijn van die wetten en regels.

Ik ben van mening dat wanneer wij niet werkelijk verstaan wat het betekent om vrij van de wet te zijn, het voor ons niet eens mogelijk is om op Bijbelse, op Gode welbehagelijke wijze, God te dienen. Van de wet is Hij niet gediend, integendeel. Zijn verlossingswerk, dat Hij in Christus tot stand bracht, omvatte juist en vooral verlossing van de wet. Het vreemde is dat wij leren verlost te zijn van zonde en wet en daarna leggen wij elkaar als gelovigen wetten op. We stellen elkaar eisen, op straffe van: de Heer ziet het! De Heer hoort het! Denk erom: de Heer zal oordelen! We dreigen elkaar met van alles en nog wat, terwijl wij eerst van mening waren dat wij verlost waren van zonde. We houden vast aan het feit dat we verlost zijn van de zonde, maar nu mogen we niet meer zondigen. Beide uitdrukkingen betekenen nu niets meer. Het is één grote chaos.

De gedachte is namelijk niet zozeer dat wij verlost zijn van zonde, maar dat wij verlost zijn van de macht der zonde. Dat wil echter niet zeggen dat de zonde geen invloed meer heeft in ons leven. De formulering moet dus nog nauwkeuriger. Wij zijn verlost van de heerschappij van de zonde, waarbij heerschappij veronderstelt de grootste macht te zijn. Vroeger was de zonde de grootste macht in ons leven, wij waren immers zondaren. Van die macht zijn wij verlost. Niet eens omdat de macht van de zonde minder geworden is, want dat is nog niet eens de strekking van de uitdrukking. De gedachte is namelijk dat er een hogere macht gekomen is in ons leven. Een macht, die sterker is dan de zonde en die heeft dus automatisch de heerschappij in ons overgenomen. De zonde heeft nu niet langer heerschappij in ons leven. Het is een heel eenvoudige waarheid. Die grotere macht heet Heilige Geest. De macht van Christus, want de Heilige Geest is Christus. We zouden niet geleid worden door de macht van de zonde, niet geleid worden door de macht van de wet, maar geleid worden door de macht van de Heilige Geest. Dat is de gedachte. Toen wij wedergeboren werden, ontvingen wij de Heilige Geest, Die sterker is dan de macht van de zonde en Die heerschappij heeft in ons leven.

Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere. Romeinen 5 : 21

Zonde heerst altijd tot de dood. Zonde leidt tot de dood. Hier wordt zo zondermeer gezegd dat de zonde geheerst heeft tot de dood. Dat is de gedachte van de voorgaande hoofdstukken en ook die van het eerste deel van Romeinen 6. Wij worden geacht met Christus gestorven te zijn en waar Eén voor allen gestorven is (2 Korinthe 5) en wij dus allen gestorven zijn, heeft de zonde geen heerschappij meer in ons leven. Het is ook eenvoudig uit te leggen, want dit vers is nog niet zo verstrekkend. Later in Romeinen 6 en 7 gaat dat veel verder.

12 Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
13 Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.
14 Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou. Romeinen 5 : 12-14

De tweede helft van Romeinen 5 zet uiteen dat alle mensen tot op heden blijkbaar zondaren waren en dat de zonde over al die mensen geheerst heeft. Het blijkt uit het feit dat al die mensen overleden zijn. Zonde en dood zijn niet van elkaar te scheiden begrippen. Je kunt ook zeggen: “Zonde is een dodelijke ziekte”. Waar de dood geen definitieve dood meer is, kan de zonde niet meer heersen, want de zonde doet dan niet meer zijn volledige werk. Het kan niet meer doen wat het geacht wordt te doen. Dat betekent dat sinds de Heer Jezus Christus uit de dood is opgestaan, zodanig dat Hij niet meer sterft en zodanig dat de dood niet meer heerst over Hem. En waar Hij is opgestaan in een eeuwig leven, daar is de heerschappij van de dood verbroken. (Romeinen 6 : 9)

14 Overmits (= aangezien) dan de kinderen (= zonen) des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door (= er doorheen, erin en eruit. Niet: door middel van) den dood (= door Zijn dood en opstanding) te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;
15 En (= zo doende) verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven (= hun leven lang), der dienstbaarheid (= de slavernij van de dood) onderworpen waren. Hebreeën 2 : 14, 15

Sinds de opstanding van Christus is de dood overwonnen en daarmee ook de macht van de zonde. Dit betekent niet dat de zonde ons niet meer doet zondigen, maar dat de zonde zijn uiteindelijke doel in ons niet bereiken kan, omdat er sinds de opstanding van Christus ergens een uitgang uit de dood is. Dood is alleen dood als men erin gaat en er niet meer uit terugkeert. Dood naar Bijbelse begrippen betekent een definitieve scheiding. Waar het niet definitief is, heeft het zijn werking verloren. Dat is een heel belangrijke waarheid. Wij hebben immers nieuw leven ontvangen in Christus door geloof en uit genade en daarom is wat ons betreft de dood in ons reeds overwonnen.

Waar we nu reeds eeuwig leven hebben ontvangen, kan de dood van ons sterfelijk lichaam niets meer afdoen. Integendeel, wij hebben vooruitgrijpend op het afleggen van deze aardse tabernakel reeds nieuw leven (eeuwig leven) ontvangen. Volgens Romeinen 6 vanaf vers 1 zijn wij niet alleen met Hem gestorven, maar worden we ook geacht met Christus nieuw leven te hebben ontvangen. We zijn één plant met Hem in de gelijkmaking Zijns doods (vers 5) en dus ook in de gelijkmaking Zijner opstanding. Ik heb het woordje “dus” gebruikt, maar de Statenvertaling gebruikt het werkwoord “zullen” in precies dezelfde betekenis. Niet in de betekenis dat het pas in de toekomst gebeurt, maar in de betekenis dat het dus zo is. Als het één waar is, dan is dus het andere ook waar. Als we met Christus gestorven zijn, zijn we dus ook met Hem opgewekt. De consequentie van dat we deel hebben aan de dood en opstanding van Christus is dat wij geen relatie meer hebben met de dood. Wij zien niet vooruit naar hoelang wij nog te leven hebben. Het graf is toch niet ons vooruitzicht? We hebben een toekomst die daar ver voorbij ligt. Het gaat veel verder dan die ene generatie waarvan wij deel uit maken. Dat is zeer bepalend voor ons denken, ook voor onze praktische dienst.

Het betekent ook dat de zonde en de wet geen heerschappij meer hebben in ons leven. De zonde zowel als de wet zijn slechts werkzaam in de oude, natuurlijke, niet wedergeboren mens. Dan kunnen wij toch niet meer onder de heerschappij van de zonde en de wet leven? Je kunt aan de ene kant niet prediken datje verlost bent en aan de andere kant daar zelf niet de consequentie uit trekken. Als het de bedoeling was dat de schepping zou worden weggedaan en definitief zou verdwijnen in de dood, waarom heeft God dan indertijd die hele oude wereld geoordeeld en toen opnieuw uit de wateren (uit de afgrond) de tegenwoordige wereld tot stand gebracht? Andere vraag: “Waarom heeft God niet meteen na de zondeval van Adam een einde aan de schepping gemaakt?” Of waarom gaf God Kaïn, die zijn broeder doodsloeg, de garantie dat Hij er hoogst Persoonlijk voor zou zorgen dat Kaïn niet in moordenaarshanden zou vallen, hoewel hij naar normen van de wet ter plekke gestenigd had moeten worden. Maar we lezen in Genesis dat de wet er toen nog niet was. God liet hem heel bewust in leven. Hij beschermde hem tegen zelfs een toepassing van wat later wet zou blijken te zijn.

Waarom maakte God geen eind aan deze schepping? Of: was het niet makkelijker geweest als gewoon ter gelegenheid van het sterven van de Here Jezus meteen deze hele oude schepping vernietigd werd, zodat via de opstanding van Christus meteen die nieuwe schepping kon verschijnen. Dan was het ook geregeld geweest. Maar Hij deed het zo niet. Hij liet het nog even voortbestaan. De bedoeling was dat God deze oude wereld in stand zou houden. Door de dood, de zonde en de wet te overwinnen, zou ons, nog levend in deze oude schepping, een mogelijkheid geboden worden om alsnog ondanks de zonde en ondanks het verderf in de wereld de levende God te dienen. Daar gaat het om. Wij zouden onszelf als gelovigen moeten beschouwen, niet als mensen die zondaars zijn, maar nu eenmaal vergeving hebben ontvangen. De Bijbelse waarheid is dat wij zondaren waren, dat God ons vergeving geschonken heeft en dat wij nu kinderen Gods zijn, opdat wij niet meer zouden leven onder de beginselen van die oude schepping, waarvan we van Godswege geen deel meer uitmaken. Wij zouden leren leven onder andere beginselen dan die van de zonde en de wet. We zouden onszelf in de eerste plaats leren zien als nieuwe schepselen, die niet zouden leven volgens normen die in de wereld gelden, maar volgens normen (beginselen) van een nieuwe schepping. Met die oude schepping is van alles mis; vandaar dat verlossingswerk. Het gaat niet aan om beginselen, die in een mislukte, zondige, gevallen wereld gelden, toe te passen op ons die deel uit maken van een nieuwe schepping. Op ons die deel hebben aan de verlossing, die in Christus tot stand gekomen is. Het zijn twee dingen, die absoluut niet bij elkaar passen. Daarover wordt uitgebreid gesproken in de Schrift, omdat wij op alle momenten van de dag geconfronteerd worden met het verschijnsel dat wij arme, zwakke, misschien goedwillende, maar niettemin arme zondaren zijn.

We hebben met vlees te maken. Daarom beginnen we ogenblikkelijk van alles te regelen en maatregelen te treffen naar beginselen die in de wereld ook gelden. We stellen dus regels en wetten op, waar iedereen zich aan zal moeten houden, want dat doet de wereld ook. Daarbij ontkennen we in de praktijk de macht van Christus in ons leven. Waar wij ons stellen onder de wet, daar onttrekken wij ons aan de werkzaamheid van Christus in ons leven. Wij zouden leren verstaan dat het in strijd is met de wet als wij ons onder de wet stellen. De wet werkt slechts zo lange tijd als de mens leeft en wij zijn gestorven. Dus zijn wij ook der wet gestorven, zoals het bij gelegenheid gezegd wordt in de Galatenbrief. Pas als wij leren verstaan dat wij niet onder de wet leven zijn wij vrij om ons te stellen onder de leiding en werking van de Heilige Geest. (Galaten 2 : 19) Dat is wat hier in Romeinen gezegd wordt.

11 Alzo ook gijlieden houdt het er voor, dat gij weliswaar der zonde dood zijt (dwz. dood vanwege de zonde of dood in relatie tot de zonde. Het betekent in elk geval, want dat blijkt uit het verband, dat de zonde over ons niet zou heersen, omdat we zijn gestorven), maar dat gij Gode (= voor God, in dienst van God) levend zijt in Christus Jezus, onze Here.
12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. Romeinen 6 : 11, 12

Dat is de wens van de Apostel. Hij weet best dat wij nog een sterfelijk lichaam hebben en dat daar de zonde in woont. Dat dan de zónde niet heerse in uw lichaam om haar te gehoorzamen, maar de gerechtigheid! Hoe zouden we dat bereiken? Dezelfde gedachte van vers 12 wordt met andere woorden herhaald in Romeinen 6 : 13:

13   En (= namelijk) stelt uw leden (= uw lichaamsdelen en dus uw lichaam) niet der zonde tot gereedschappen (wapenen) der ongerechtigheid, maar stelt u zelf Gode als uit de dood levend geworden zijnde en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. Romeinen 6 : 13

Hoe zou de zonde niet heersen in de praktijk van ons leven? Wel eenvoudig, doordat wij onze lichamen aan God ter beschikking stellen, opdat Hij onze lichamen als Zijn gereedschap zou gebruiken om de gerechtigheid te dienen. Dat staat ook in Romeinen 12: “Stel uw lichamen tot een levend, heilig, Gode welbehagelijk offer”. Dat doen wij terwijl wij leven in de bedeling der genade Gods, onder de heerschappij van de genade, bij de troon der genade.

Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. Romeinen 6 : 14

Romeinen 6 : 14 betekent dat op de wijze van vers 12 en 13 de zonde niet over ons zou heersen. Officieel niet, maar ook in de praktijk niet. Dat wordt later op andere plaatsen vele malen herhaald. “Want” betekent in dit geval “op grond van het voorgaande” (zodoende). Want waar wij onze leden Gode tot wapenen der gerechtigheid stellen, daar zou de zonde over ons niet heersen, want wij zijn niet onder de wet. Het is maar theorie te zeggen: “Wij zijn gestorven en opgestaan met Christus en dus zijn wij niet onder de wet.” In de praktijk zal blijken dat velen die ons dat nazeggen, wel onder de wet leven. Hoewel men soms zegt van niet, gebeurt het wel. In de praktijk kan men pas zeggen, niet onder de wet te zijn als men onder de leiding van de Geest van God leeft. (Galaten 5 : 18) Als men zijn “leden Gode gesteld heeft tot wapenen der gerechtigheid”. Daar waar wij de Heer dienen op Zijn wijze, pas daar zijn wij ook in de praktijk van ons persoonlijke leven niet meer onder de wet.

Want de wet des Geestes des levens (= het nieuwe verbond, zie 2 Korinthe 3) in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. Romeinen 8 : 2

Onder het nieuwe verbond heerst niet de wet, maar de Geest. Het Woord, en dus de Geest, is geschreven danwel uitgestort in onze harten. Maar de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij in de praktijk van mijn leven (dit is geen theorie) vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. De wet der zonde en des doods is nadrukkelijk het oude verbond. Daar gaat heel Romeinen 7 over. In Romeinen 5 en 6 en in het eerste gedeelte van Romeinen 7 zet Paulus uiteen dat wij fundamenteel, officieel en juridisch vrijgesteld zijn van de wet door onze dood en opstanding met Christus. In Romeinen 8 : 2 zegt Paulus dat hij in de praktijk van zijn leven pas vrij geworden is van die wet, doordat hij heeft geleerd om God te dienen onder dat nieuwe verbond. Ook ik ben gerechtvaardigd van de zonde en ik ben volmaakt gesteld in Hem. (Kolossenzen 2 : 10) In Kolossenzen 2 staat ook dat we ons op grond daarvan dus niet zouden stellen onder de wet, want de wet wordt gelegd op zondaren, dus op onvolmaakten. Het zich stellen onder de wet is dus in de praktijk de ontkenning van de verlossing, die we hebben ontvangen door het verzoeningswerk van onze Heer Jezus Christus.

Het wordt nu langzamerhand heel moeilijk om te praten over een christen als iemand die leeft volgens bepaalde wetten en regels. Als we praten over praktisch christendom dan betekent dit dat een christen juist niet leeft onder wetten en regels. Een christen is iemand die bevrijd geworden is. Een christen is niet bandeloos, maar heeft zijn leven gesteld in de hand van zijn Heer, opdat die Heer hem gebruiken zou. Dat is een Christen in de praktijk van het leven.

En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid. Romeinen 6 : 18

Er staat niet dat wij niet zondigen. Maar er staat dat we vrijgemaakt zijn van de zonde. We zijn niet langer slaven, lijfeigenen dus of dienstknechten van de zonde. We zijn van Iemand anders. We zijn geworden slaven ofwel dienstknechten der gerechtigheid. Slaven van de Heer Zelf. Dienstknechten onder het nieuwe verbond.

Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre. Romeinen 6 : 15

Kunnen wij en mogen wij dan alles doen? Ja, wij mogen alles. (1 Korinthe 6 : 12; 1 Korinthe 10 : 23) De vraag is of wij het ook doen zouden? Alleen al de vraag mag dit? is er één van wet. Het veronderstelt dat wij onder de wet leven, maar wij zijn niet onder de wet. Nemen wij de verantwoordelijkheid op ons om iets te doen of te laten? Alles mag, die vrijheid hebben we, want dat is de consequentie van verlossing. Dan dragen wij onze eigen verantwoordelijkheid. De vraag is wel of de Heer ermee gediend is of niet. Het antwoord daarop hangt van de omstandigheden af. Wij kunnen zondigen, omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade. Het heeft ook geen enkele consequentie. Waar wij de wet overtreden, zullen wij daar nooit van Godswege voor veroordeeld worden. Al was het alleen maar, omdat God die wet niet op ons gelegd heeft, maar ons er juist van heeft verlost. Als wij dan met schuldgevoelens rondlopen, ligt dat aan onze verkeerde wijze van denken. Daar moeten we hoognodig van af. Ik heb daar ook last van. De Bijbelse waarheid staat of valt niet met onze gevoelens. Het is nou eenmaal een belangrijk juridisch feit in de eerste plaats en ook een praktische waarheid.

4 Zo dan, (= de consequenties van dat wij gestorven zijn), mijn broeders gij zijt ook der wet gedood (= niet alleen der zonde gedood, Romeinen 6, maar ook der wet gedood, Romeinen 7) door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen (= van een Ander; opdat (wat is het doel daarvan?) wij onze leden zouden stellen in dienst van een Ander dan de wet of de zonde), namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden. Romeinen 7 : 4

Hier staat dat men onder de wet Gode dus geen vrucht kan dragen. Wij zouden Gode vruchten dragen nadat wij in de eerste plaats verlost zijn van de wet. En ten tweede, nadat wij vrijgemaakt zijnde ons ter beschikking gesteld hebben. Nu kon het immers, want nu waren wij vrij om een keuze te maken. Wij hebben ons verbonden aan die Ander, namelijk aan Degene Die van de doden opgewekt is. Op grond van die opstanding van Christus is het mogelijk om Gode vruchten te dragen. Het leven onder de wet is per definitie vruchtloos.

Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen. Romeinen 7 : 5

De wet activeert de zonde en doet die toenemen. Men draagt onder de wet vruchten voor de dood. Het is geen vrucht! Dat leidt tot niets.

Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn (= omdat wij gestorven zijn voor de wet), onder welken wij gehouden (gevangen, beperkt) waren; alzo dat wij (= nu wij vrij zijn) dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter. Romeinen 7 : 6

Als natuurlijke mensen dient men de letter, namelijk de wet. Zo was het in ieder geval onder de joden, maar nu wij wedergeboren zijn, dienen wij de Geest. Wij kijken nog dagelijks tegen het oude aan. Maar het gaat niet om uiterlijke dingen, maar om innerlijke dingen. Het gaat om de levenswijze, de gezindheid. Daarom wordt in 2 Korinthe 5 gezegd: “Het oude is voorbij gegaan, ziet het is alles nieuw geworden!” Paulus zegt er meteen achteraan: “Al deze dingen zijn uit God.” Bovendien zegt hij dat wij deze bediening der verzoening ontvangen hebben. Dat wij dienstknechten zijn van Christus en van het nieuwe verbond. Zo eindigt 2 Korinthe 5. Het is precies dezelfde waarheid als in Romeinen.

Toen ooit aan bijbelschoolstudenten de vraag gesteld werd in het tentamen: “Wat is de basis voor de christelijke ethiek?”, was het antwoord: “De tien geboden.” De grondslag van de christelijke ethiek is toch niet de wet! De grondslag van christelijke ethiek is genade! Precies het tegenovergestelde. Al die mensen die zich tegenwoordig ethicus noemen op basis van de wet doen dat ten onrechte, want christelijke ethiek is gebaseerd op genade, op het nieuwe verbond. Op de gedachte “Ik zal uw zonden niet meer gedenken.” Christelijke ethiek is gebaseerd op het feit, dat wij nieuwe schepselen zijn geworden in Christus Jezus en dat De Heilige Geest in ons woont.

Meestal zeg ik er maar achteraan: “Christelijke ethiek bestaat dus niet.” Waarom zou ik mij bemoeien met hoe wij als gelovigen zouden leven, terwijl de Geest, Die in onze harten woont, ons leiden zou? Daar is niet alles mee gezegd, anders zouden wij geen Bijbelstudie over dit onderwerp hoeven te ontvangen. Het is wel de samenvatting van het thema als zodanig: de Geest zou ons leven leiden! Waar men niet weet wat de Geest is en waar men bij voorkeur de werking van de Geest ontkent of de werking van de Geest op een andere plaats zoekt, vult men de leegte gewoon weer op met de wet, maar dan volgens een moderne interpretatie. Zo gaat het altijd. Daarom loopt Nederland vol met theologen en met ethici die ons zullen vertellen hoe het moet in ons leven. Komt er wat van terecht? Helemaal niets. Dat kan ook niet; het leidt alleen tot de dood. De statistieken stellen vast dat juist onder die ethici, juist onder degenen die onder de wet leven, de meest gore zaken voorkomen. Ik wil niemand veroordelen, maar ik stel alleen vast dat waar men zich onder een wet stelt het in de praktijk alleen maar zal leiden tot bandeloosheid en dus tot huichelarij. Wij zijn van die wet verlost, opdat wij vrij zouden zijn. Opdat niet “mag het wel of mag het niet?” onze levens zou beheersen. Opdat niet een dreigende God, een boeman, over onze schouders zou meekijken en wij bang zouden zijn voor elke stap die wij zetten om in het geniep toch te doen wat we zelf willen. Dat is niet de bedoeling, dat is ook geen leven. Daartoe heeft God ons niet geroepen. God is Degene Die ons juist verlost heeft van deze instrumenten van de satan. Het gaat er juist om dat wij zouden leven in vrijheid van het nieuwe verbond en in afhankelijkheid van Hem uit de rijkdom van Zijn genade.

Mocht u nu zeggen: “Ze hebben toch anderhalfduizend jaar onder die wet moeten leven?” Dan zeg ik dat dat een vergissing is, want dat was niet verplicht. Niemand hoefde daaronder te leven. Integendeel, men kon in de dagen van de wet net zo leven als wij, namelijk uit de rijkdom van Gods genade. Zelfs vóór de wet was het al zo dat God geloof rekende tot gerechtigheid en dat God beloften deed aangaande eeuwig leven aan degenen die geloofden. Dat is ook sinds de wet altijd zo geweest. De wet heeft daar niets aan veranderd, schrijft de apostel in Galaten 3. Maar de hoogmoedige zondaar, de mens die gelooft in zichzelf, heeft inderdaad gezegd: Dat varkentje zullen wij wel even wassen.” Men zei: “Al wat God gesproken heeft zullen wij doen.” Als je zulke dingen zegt heb je toch niet nagedacht. Maar Israël zei het wel. Nou, doe het dan maar, dan kom je jezelf wel tegen. Dan zie je wat ervan hoogmoed terecht komt. Wij zouden geen vragen stellen als: “Mag het wel of mag het niet; is het zonde of is het geen zonde?” Wat wel kan is: “Dienen wij de Heer of niet. Of doen wij iets wat in strijd is met de dienst aan de Heer?” Er zijn verschillende mogelijkheden waardoor wij de Heer wel of niet dienen. Als de dingen die wij doen niet rechtstreeks gericht zijn tegen de dienst aan de Heer (als ze er niet strijdig mee zijn), dan hoeven wij er verder geen enkel probleem mee te hebben.

De volgende vraag werd gesteld: “Als we geen wet hebben, hoe weten we dan of iets zonde is?” Dat weten we gelukkig niet en dat hoeven wij ook helemaal niet te weten. Wij zijn juist verlost van de zonde. Wij moeten alleen weten of we de Heer dienen of niet, hoewel wij dat nooit precies weten. Waar wij ons aan Hem ter beschikking gesteld hebben, mogen wij vertrouwen dat Hij ons gebruikt. Zo zijn we van de meest elementaire problemen des levens verlost. Wij zouden (dit is beeldspraak) niet van de boom der kennis des goeds en des kwaads eten, maar van de boom des Levens. De volgende vraag is dan: “Hoe weten we dan, hoe het kwaad smaakt?” Dat hoeven wij niet te weten. We zouden alleen maar eten van de boom des Levens! Deze twee bomen zijn in de Bijbel typen van het oude en het nieuwe verbond. De boom der kennis des goeds en des kwaads is de wet. Dat is een bediening des doods: “Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven”. (Genesis 2 :17) Wie onder de wet leeft, draagt vrucht voor de dood. (Romeinen 7 : 5) De betekenis van de boom der kennis des goeds en des kwaads is de wet. Als men daarvan eet, ofwel wanneer men onder de wet leeft, zal men sterven, omdat de wet een bediening des doods is. (2 Korinthe 3 :7) Dat zouden wij dus niet doen. De boom des Levens is het nieuwe verbond, namelijk van de wet der vrijheid. Wij zouden het leven van Christus in ons leven.

Er staat in 1 Korinthe 6 : 12 en 10 : 23: “Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar (nuttig); alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet (bouwen niet op).” Wanneer je dat netjes leest, begrijp je meteen, dat ons alle dingen geoorloofd zijn, opdat die dingen door ons gebruikt zouden worden tot stichting (opbouw) van de Gemeente. Al die dingen die ons geoorloofd zijn, zouden bijdragen in het werk Gods. Daar gaat het om. Daartoe hebben wij vrijheid ontvangen. Daartoe zijn wij der wet gestorven en verlost van de vloek van de wet. De wet was weliswaar ooit een tuchtmeester tot “de tijd van de Vader tevoren gesteld”, namelijk tot de komst van Christus. (Galaten 4 : 2 en 3 : 24) Toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou. (Galaten 4 :4, 5)

Paulus zegt dat wij inderdaad door de wet voor de wet gestorven zijn. (Galaten 2 :19, 20) De markantste uitspraak is wellicht die aan het einde van Galaten 6.

14 Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.
15 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. Galaten 6:14,15

De natuurlijke mens kan zich dat niet voorstellen. Hij weet niet wat dat is. Hij zegt: “Je kunt toch niet zonder wetten en regels door het leven gaan. Een mens heeft ze toch nodig?” Zij begrijpen niet dat wij wel regels hebben. Het is echter één regel, namelijk dat wij onze lichamen zouden stellen tot een levend, heilig, Gode welbehagelijk offer. Wij zouden onze levens in Zijn hand stellen, opdat Hij Zijn leven in ons en door ons zou leven. Hij zou Zijn werk doen en ons daarbij gebruiken. Of wij ons van dat werk in de praktijk bewust zijn of niet heeft daar niets mee te maken. Het gaat om onze bereidheid en om onze gezindheid.

Wij zouden in de eerste plaats afleren onszelf en anderen te meten naar normen van de wereld of van de wet of van de samenleving. Dat heeft geen enkel nut. Die normen zijn zo vergankelijk als maar kan. Zij zijn binnen de kortste keren achterhaald. De normen van de samenleving worden ons tegenwoordig door reclamebureaus aangepraat. Waar die normen vroeger vandaan kwamen, weet ik ook niet. Door al die veranderingen van normen worden wij afgeleid van de dingen waar het werkelijk om gaat. Wij worden niet geacht mee bewogen te worden met al die stromingen in de maatschappij of in de godsdienstige wereld. Wij hebben een onfeilbaar, onwankelbaar Woord van God. “Wij hebben het profetisch Woord dat zeer vast is”. (2 Petrus 1 :19) Daar leven wij uit. Voor ons geldt dat we een beetje netjes door het leven gaan. Een beetje vrolijk en ervan maken wat ervan te maken is. Daarbij zouden wij in de eerste plaats beschikbaar zijn voor het werk des Heren. Dat is een volstrekt Bijbels verantwoorde levensbeschouwing. We zouden matig leven in de tegenwoordige eeuw. We zouden leven uit de hand van God en daarvan genieten. Dat schrijft de apostel in 1 Timótheüs 6 :17. Het siert een christen zo te leven. Hij heeft immers de blijde boodschap ontvangen, namelijk dat hij verlost is van zonden, van dood en van wet. Hij is geen slaaf meer. Hij is in vrijheid gesteld en bovendien dienstbaar gemaakt aan een zaak van eeuwigheidswaarde. Een christen is betrokken bij een werk dat deze wereld zal overleven. Dat is toch een geweldige boodschap!

Wij zouden niet in de bekrompenheid van een christelijk wereldje leven, maar in de vrijheid van de kinderen Gods. Zo staat het in Romeinen 8 : 21. De Schrift leert het ons. Aan de ene kant zijn wij vrij en aan de andere kant zijn wij gelukkig verbonden met die levende God, Die Zijn werk in ons zou doen. Die God zegt dat de last van het nieuwe verbond licht is en het juk zacht. Het mag aan de ene kant alarmerend klinken als we lezen dat we onze lichamen (levens) in Gods hand zouden stellen; aan de andere kant is er niets mooiers dan de levende God te dienen. Moet je je eens voorstellen dat wij die God, de Schepper van hemel en aarde kunnen dienen. We hoeven ons alleen maar beschikbaar te stellen. Hij verwacht verder niets van ons. We moeten wel onder alle omstandigheden gereed zijn. Maar wij krijgen een goed salaris. Gelukkig krijgen we dat salaris pas in de toekomst, zodat we het er nu niet doorheen kunnen jagen. Ja, ik meen dat oprecht. Een mooiere levenswijze en levensbeschouwing bestaat er niet.

5. Waartoe weten wij en waartoe zijn wij verzekerd?

Eén bijzonder aspect met betrekking tot het dienen van de Heer wil ik graag nader toelichten. In de praktijk is daartoe alle reden. Vanuit evangelische kringen wordt ons wel eens voorgehouden dat er zaken zijn die ons op een of andere wijze geestelijk zouden beschadigen. Dat zou door onreine dingen, die met de duivel en zijn macht van doen hebben, gebeuren. Er worden ons in dat verband vele termen voorgehouden. Niet alleen in het spreken, maar ook in de lectuur. Waar men het zicht verliest op de werkelijke positie van de gelovige en ook op de positie van de Heer in relatie tot Wie wij staan, daar moeten wij zo nodig beziggehouden worden met allerlei zaken die ons helemaal niet aangaan. Met dingen waarvan wij ons waarschijnlijk van nature verre zouden houden, maar waarvoor wij door hen uitgebreid gewaarschuwd worden. Ze zouden zo gevaarlijk voor ons zijn. Maar hoe zouden wij van bepaalde dingen weten of ze van de duivel zijn of niet? Dat weten wij niet. Dat gaat ons in het algemeen ook niet aan. Er zijn uitzonderingen, maar die licht ik niet toe. Het blijkt in de praktijk vanzelf waar we mee te maken hebben. Het bezwaar tegen dit soort verhalen is dat ze niet tot eer van de Heer zijn. Bovendien dragen ze op geen enkele wijze bij tot onze lichamelijke of geestelijke gezondheid. Het belangrijkste is wel, dat het in strijd met de Schrift is dat wij elkaar dit soort zaken voorhouden. Op die manier wordt in de praktijk de macht (kracht; Geest) ontkent die in ons is en werkt.

De Schrift leert ons niet zoveel over dit thema. Die reden is ongetwijfeld dat het niet de bedoeling is dat wij in de Bijbel worden onderwezen in de werking van de tegenstander. In de Schrift wordt ons de werking Gods voorgehouden, namelijk het werk wat God gedaan heeft en het werk wat God nu doet door de inwoning van de Geest in ons. Daar zouden wij op vertrouwen en niet op woorden of lectuur die ons onder wetten plaatst. De Schrift houdt ons in de eerste plaats voor dat wij niet onder de wet zijn. In de tweede plaats houdt de Schrift ons voor dat er niets bestaat wat werkelijk onrein voor ons is. Dat hele idee van reine en onreine dingen bestaat feitelijk alleen in onze gedachten. Wij zouden leren dat er niets onrein is. Dat is een kwestie van hoe wij in ons hart tegenover die dingen staan. Het probleem van die bewuste literatuur is dat ons voorgehouden wordt dat dit onrein is en dat dat onrein is. In werkelijkheid zouden wij (althans volgens de Schrift) precies het tegenovergestelde leren, namelijk dat er niets onrein is in zichzelf. (Romeinen 14 :14)

De Schrift leert ons dat reinheid en onreinheid bestaat, maar niet als objectieve waarheid. Rein en onrein bestaat alleen maar subjectief. Dat wil zeggen: iets is onrein in onze gedachten. Wij zouden uit de Schrift leren dat dingen die volgens de wet en naar de beginselen van de oude mens onrein zijn, voor ons juist niet meer onrein zijn. Zo kunnen we niet meer onder een wet geplaatst worden. Het gaat om onze gedachten, ons hart en feitelijk dus ook om ons geloof.

In Romeinen 14 :13 staat (in aansluiting op de gedachte dat wij nederig zouden zijn): “Laat ons dan elkander niet meer oordelen (als we nederig zijn, dan oordelen wij elkaar niet); maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft”. Het is in de praktijk onmogelijk om niemand aanstoot te geven. Er lopen teveel mensen rond die eropuit zijn aanstoot te nemen. Met een beetje vindingrijkheid kunnen ze aan ons namelijk altijd aanstoot nemen. Het aanstoot geven voorkomen, lukt dus nooit helemaal. Niettemin zou dit ons streven zijn: elkander geen aanstoot of ergernis geven. In Romeinen 14 :14 staat: “Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus,…” “Ik weet en ben verzekerd” is twee keer hetzelfde. Bovendien is dat “in de Heere Jezus”. Het is dus niet alleen maar een gedachte van de apostel Paulus zelf, maar het is er één die hij voor de Heer volledig kan verantwoorden. “Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus”, zou je kunnen vertalen met: “vanwege mijn gemeenschap met de Heere Jezus”. Hier wordt uiteraard over wedergeboren mensen gesproken.

Dat geen ding onrein is in zichzelf wil zeggen dat er niets naar objectieve maatstaven onrein is. Wat wie dan ook ervan zegt, maakt niet uit. Naar Bijbelse begrippen is niets onrein. Als u zegt: “Maar er zijn toch dingen die ik niet verdraag”, dan ligt dat aan u en niet aan die dingen. Wat voor de één onverdraaglijk is, kan voor de ander wel goed te verdragen zijn. Achter: “In zichzelf is niets onrein”, staat meteen: “dan die acht iets onrein te zijn”. Voor diegene is het onrein. Als iemand iets onrein acht, als iemand iets onrein verklaart, dan is dat iets voor hem of haar persoonlijk onrein. Dat is het probleem wat ik persoonlijk heb tegen al die waarschuwingen die ons bereiken. Waarschuwingen tegen dit en waarschuwingen tegen dat. Ik zeg niet dat al die dingen wél goed zijn; ik zeg alleen dat het er niet om gaat of iets rein of onrein is. We hebben juist uit de Schrift geleerd dat alle dingen rein zijn. Bovendien is dat zo omdat wij de inwoning van de Geest hebben. Voor een niet-wedergeborene hebben wij een andere boodschap. Die boodschap gaat niet over reine of onreine dingen. Voor ons geldt: er is niets onrein in zichzelven. Als het om geestelijke dingen gaat, heeft het altijd met ons denken te maken. Het hangt er maar vanaf hoe wij de dingen bezien. De apostel zegt dat als wij iets onrein achten, het dan onrein is. Hoe meer ons aangepraat wordt: “Dit is onrein en dat is onrein”, hoe meer dingen voor ons onrein wórden. Het gevolg is dat wij hoe langer hoe meer onder wetten geplaatst worden.

Voor zover wj dingen als onrein beschouwen, zijn ze op die grond onrein. Als wij deel hebben aan dingen die wij zelf onrein beschouwen, verontreinigt dat vanzelfsprekend ons geweten. Het hangt er vanaf hoe wij tegenover de dingen staan. Dat staat heel duidelijk in Romeinen 14 : 14. In Romeinen 14 : 20 wordt de praktische kant ervan belicht:

Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mens, die met aanstoot eet. Romeinen 14 : 20

We mogen alles eten, omdat het niet onrein is. Het kan wel zijn dat we daardoor aanstoot geven aan anderen die die dingen onrein achten. In dat geval zegt de Schrift (niet alleen in Romeinen, maar ook in de eerste Korinthebrief), is het beter om die dingen te laten. Als wij eerlijk staan tegenover de Heer en Hem kunnen danken voor wat Hij ons geeft en voor de dingen waarvan wij gebruik kunnen maken, is er niks mis. Dat anderen niet verzekerd zijn in de Heere, dat geen ding onrein is, is in de eerste plaats hun eigen verantwoordelijkheid. Wij willen liever geen risico nemen en geen aanstoot geven. Het neemt niet weg dat de objectieve waarheid blijft dat geen ding onrein is in zichzelven.

Dat wil niet zeggen dat wij ons rustig, zonder enig gewetensbezwaar, zouden richten op dingen waarvan wij stellig overtuigd zijn dat ze van de duivel zijn. Als wij daar stellig van overtuigd zijn, zouden wij dat vanzelfsprekend niet moeten doen. Dat kan alleen maar een negatieve uitwerking hebben op ons hart en op ons geweten. Ik zeg alleen dat we anders tegenover de dingen staan. We zouden dus niet aan bewuste afgoderij doen. Daar is de Heer niet mee gediend. Ik heb het echter nu niet over bewuste, maar over onbewuste dingen. De Bijbel leert ons dat we deze dingen beter helemaal niet zouden kennen. Wanneer we onzeker van bepaalde dingen zijn, dan blijven we er natuurlijk verre van. We zouden ons echter ook niet onzeker moeten laten maken door allerlei alarmerende verhalen.

In Romeinen 14 en 1 Korinthe 8 en 10 gaat het niet zozeer over genezing, maar over voedsel. Als je naar de dokter gaat, geeft hij je iets te eten of iets te drinken. Eten en drinken verbreedt zich in de Bijbel al heel gauw tot alles in het leven. Achter de gedachte van eten zit de gedachte van het praktische leven als zodanig. Heel dat praktische leven bestaat uit dingen tot ons nemen en eventueel dingen weer afscheiden. Dat bouwt ons op of niet. Het aanzitten aan een maaltijd in de Bijbel is heel dikwijls de uitbeelding van wedergeboorte. De zingende zusjes zongen vroeger: “Er is plaats aan het bruiloftsmaal. Gij die wilt, mag komen, gaat in de Koningszaal. Komt, zwakken en vermoeiden, daar is plaats aan het bruiloftsmaal.” Dit lied had alleen de strekking dat men tot geloof zou komen in de Here Jezus Christus en dus deel zou krijgen aan het leven wat Hij aanreikt. Zoals Hij brood aanreikt, zo nodigt Hij ons om tot Hem te komen en deel te hebben aan Zijn leven, dus aan Zijn maaltijd. Zijn maaltijd is Zijn feestmaal ofwel het Nieuwe Verbond. Onze avondmaalsviering is daar nog steeds (als het goed is) de uitdrukking van.

De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. Romeinen 14 : 2

De vraag in verband met dit vers is: “Mag men wel vlees kopen in het vleeshuis, want dat vlees werd toch eerst aan de afgoden geofferd?” Dat vlees is volgens de schrijver van het boek onrein en dat mogen wij christenen niet eten. Omdat we dat vlees niet eten mogen, zouden we vervolgens alleen moeskruiden eten. Dat staat in Romeinen 14 : 2. Die zwak is gelooft in de eerste plaats dat hij geen vlees eten mag, omdat het vlees nou eenmaal eerst aan de afgoden geofferd is door middel van de rituele slachting en door middel van het huisaltaar. Degene die wel gelooft dat hij alles eten mag is dus niet de zwakke, maar de sterke.

Achter wat we wel of niet eten zit een godsdienstige aangelegenheid. Dat blijkt nog veel duidelijker in 1 Korinthe 8. De Korinthiërs die van geestelijke dingen zo goed als niets begrepen, krijgen het uitgebreide verhaal van de apostel Paulus te horen. Hij zegt in 1 Korinthe 8 : 1:

Aangaande nu de dingen, die aan de afgoden geofferd zijn (het vlees dus), wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. 1 Korinthe 8 : 1

Wij allen hebben tezamen kennis. Wij weten en zijn verzekerd dat niets onrein is in zichzelven. Dit vers van 1 Korinthe 8 : 1 zou je naast Romeinen 14 : 14 moeten leggen. Wij weten dat wij allen tezamen kennis hebben en dat we dus alles mogen eten. Er staat: “De kennis maakt opgeblazen en de liefde sticht”. Dat betekent dat wij geloven dat wij alles mogen eten, maar daarom hoeven wij niet alles te eten. Je kunt je ter wille van een ander in acht nemen.

Aangaande dan het eten der dingen, die aan de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan Eén. 1 Korinthe 8 : 4

Wij kennen geen afgoden; wij kennen maar één God. Al die anderen die voor afgoden doorgaan erkennen wij niet als zodanig. Deze redenering hebben wij in ons hart of in onze gedachten. Heel het verhaal dat bepaalde dingen aan de afgoden geofferd zijn accepteren wij gewoon niet, omdat wij geen afgoden kennen. Op het moment dat wij zeggen dat iets niet gegeten mag worden, omdat het aan de afgoden geofferd is, erkennen wij die afgoden als god. De vraag is bijvoorbeeld: Mogen wij vlees eten, dat volgens de Islamitische wet ritueel geslacht is? Mijn antwoord is: Ik ken geen allah. Ik ben allah namelijk niet in de Bijbel tegengekomen. Bovendien ben ik geen mohammedaan. Ik ken alleen vlees, meer niet. Vlees is vlees. Op het moment dat ik zeg: dit is aan de afgoden geofferd, erken ik die afgoden. Daarom zeg ik: Ik ken ze niet, ik erken ze niet. Paulus zegt: “Ze zijn er niet.” Ze bestaan wel. Natuurlijk bestaan ze, maar wij negeren ze. Ze dienen geen rol te spelen in ons leven. Dus staat er: “Wij weten dat een afgod niets is”.

Wij erkennen de boze machten niet en dan hebben wij er ook niets meer mee te maken. Ze zijn er wel, maar ze zouden geen rol in onze gedachten spelen. Dat leert de Schrift ons. Wanneer we bij gelegenheid met de duivel te maken krijgen, is de enige manier om dat te overleven (te overwinnen) door die duivel niet te bestrijden. Of de duivel ons nou aanvalt of niet of dat we omringt worden door demonen of niet, dat heeft er niets mee te maken. Wij zouden trouw blijven aan de Heer en Hij zal voor ons zorgen. Dat is glasharde Bijbelse Waarheid. Wat zouden we doen om de duivel te bestrijden? “Wreekt uw zelven niet beminden” en “geeft de duivel geen plaats”. (Romeinen 12 : 19 en Efeze 4 : 27) Wat zouden we doen tegen de listige omleidingen des duivels? (Efeze 6 : 11) Wij zouden gewoon onze geestelijke wapenrusting aan hebben. De helm der zaligheid en het schild des geloofs nemen; de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het Evangelie des vredes. Er verandert niets, als wij gewoon trouw blijven aan de Heer. Wij moeten blijven staan waar wij staan, in de zekerheid van de dingen die wij in Christus ontvangen hebben. We zijn wat dat betreft verder onkwetsbaar. Dat wil niet zeggen dat de duivel niet tekeer gaat. Begrijpt u mij goed, wij nemen hem wel serieus, maar daarom negeren wij hem juist. Als je bang bent dat de mensen je aanspreken, dan moet je ze vooral niet aankijken. Als je met de duivel dus niks te maken wil hebben, dan moet je hem niet aankijken en hem zeker niet gaan zoeken. Op het moment dat je actief bezig bent de duivel te bestrijden (stel dat dat kon, ik geloof er niet in), dan ben je meteen zijn prooi. Het gaat de duivel erom dat we alles doen, alles dienen, behalve de Heer. Zolang wij bezig zijn spoken te verjagen (geestuitdrijverij heet zoiets plechtig), zijn we in de ogen van satan precies met de goede dingen bezig. We vechten dan tegen hem. Dat is nergens voor nodig en het dient tot niets. Het houdt ons bezig, zodat wij in de praktijk zijn dienstknechten zijn in plaats van dienstknechten van de Heer!

Let erop dat er in 1 Korinthe 8 : 4 niet bijstaat welke dingen aan de afgoden gewijd zijn. Dat maakt namelijk niets uit. Ik ken iemand die altijd bepaalde medicijnen gebruikte. Diegene kwam erachter dat die medicijnen van Dr. Vogel kwamen. Toen bekend werd dat Vogel Jehovah Getuige was of was geweest, was het medicijn ineens niet goed meer. Toen was het ineens van de duivel. Verandert het spul door die kennis? Ik zeg altijd: Als het van de duivel is, dan is het des te beter, want wij danken de Heer ervoor. Er is niks verkeerd, niks onrein, wanneer het met dankzegging genomen wordt. Hier in 1 Korinthe 8 : 4 staat gewoon dat een afgod niets is in de wereld en dat er geen ander God is dan Eén. Dat is wat wij weten. Het is niet een beschrijving van objectieve waarheid. Het is wat wij weten, omdat wij dat geloven. Wij geloven maar in één God, wij vertrouwen maar op één God en al die anderen kunnen ons gestolen worden.

Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn), 1 Korinthe 8 : 5

Goden zijn alleen goden als ze als goden aangeduid worden, als ze goden genaamd worden. Goden zijn pas goden als we ze als zodanig erkennen. Afgoden zijn volgens de Schrift demonen.

Ja, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen (= demonen) offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen (= demonen) gemeenschap hebt. 1 Korinthe 10 : 20

Het zijn gewoon demonen (let er op hoe ik het zeg) niet omdat ze zo gewoon zijn, maar om ze geen eer te geven die hen niet toekomt. Ik heb u bij een andere gelegenheid weleens uitgelegd dat demonen naar Bijbelse begrippen veruit de laagste geestelijke wezens zijn die er zijn. Dus objectief bezien zijn zij verre van góden. Omdat ze geen zichtbaar, d.w.z. geen stoffelijk lichaam hebben, beschouwen wij ze als hoger dan de mens. Daarom worden ze meteen als góden aangeduid. Bovendien geldt dat, waar een mens in zijn gedachte een god uitvindt en die god gaat dienen, zal zo’n demon ongetwijfeld na verloop van tijd de plaats van die zelfbedachte god innemen. Er is dan wel sprake van een afgod. Zulke afgoden kennen wij niet. Wij doen daar ook niks tegen. Wij negeren ze volkomen. Wij geloven dat ze bestaan, maar wij geloven er niet in. Wij worden geacht deel uit te maken van een nieuwe schepping en in een nieuwe schepping zijn er geen afgoden meer.

Nochtans hebben wij maar een God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar een Heere Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem. 1 Korinthe 8:6

Daar leven wij uit. Niettemin staat er meteen achter in vers 7:

Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten (= gewoonte) des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt (= besmet). 1 Korinthe 8:7

Ze waren gewoon de afgoden te dienen, totdat ze tot geloof kwamen in de Heere Jezus Christus. Zulke mensen hebben er moeite mee om vlees te eten. Zij zijn net van de afgoden bekeerd om de levende God te dienen. Zij eten dus meteen geen vlees meer wat aan de afgoden geofferd is, die ze tot dan toe altijd erkend hadden. De overstap maken van afgoden kennen en dienen tot het volkomen negeren van afgoden, is inderdaad een moeilijke geestelijke oefening. Dat gaat niet van de ene dag op de andere dag. Bovendien, dat wat wij dikwijls aanzien voor geweten is in de praktijk een gewoonte. Dat staat hier ook. Wat wij aanzien voor geweten is voor een ieder van ons verschillend. Dat is namelijk afhankelijk van het milieu waaruit wij komen en van de wijze waarop wij opgevoed zijn. Het heeft te maken met een levenswijze die men gehad heeft. Men is daar misschien van verlost, maar men heeft zich erin gedachten nog niet volkomen van kunnen losmaken. Men is dan kwetsbaar en zwak. Wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen. (Romeinen 15 :1)

Let op wat er staat in 1 Korinthe 8 : 7. Het is een kwestie van een zwak geloof. Een geloof dat niet geoefend is. Het is een geloof dat deze dingen in de praktijk nog niet geleerd heeft. Dan staat er in 1 Korinthe 8:

De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek. 1 Korinthe 8:8

Wanneer wij alle dingen eten maakt ons dat voor God niet aangenaam, evenmin geldt dat voor het eten van aan de afgoden geofferd vlees. Als wij het laten ook niet, tenzij wij het laten voor het goede doel. Dat wil zeggen dat wij het laten om de broeder of zuster geen aanstoot te geven. Bepalend voor ons leven is: is het tot eer van de Heer of niet? Is de Gemeente ermee gediend of niet? Daar zouden we rekening mee houden. Als dus door bepaalde publicaties bepaalde dingen, die wij vroeger allemaal mochten, ineens niet meer mogen, omdat iemand ze niet begrijpt en zegt dat ze van de duivel zijn, dan ga ik (dat meen ik echt) geen meter achteruit. Dat is namelijk niet tot opbouw van geloof, maar tot afbraak van geloof. Dan wordt een sterk geloof juist zwak gemaakt. Ik houd geen rekening met zulke publicaties, integendeel. Het veroverde gebied geven wij niet prijs. De bedoeling is namelijk dat degenen die zwak zijn sterk zouden worden. Om die reden zouden we eventueel bepaalde dingen terwille van de zwakke broeder of zuster laten. Hopelijk wijzen we er bij gelegenheid op dat het een zwakheid is. Ik waarschuw u dat u zich niet iets laat ontnemen wat wij in Christus ontvangen hebben.

Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is? (= nee niks) Ja, dat hetgeen de heidenen offeren, zij de demonen offeren, en niet Gode; (= hier vind je het woord demonen ter aanduiding van afgoden. Die vinden het niet prettig demonen genoemd te worden, maar meer zijn ze niet) en ik wil niet dat gij met de demonen gemeenschap hebt. 1 Korinthe 10:19,20

De gedachte is dat men maar Eén kan dienen, óf de Heer óf de afgoden.

23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar (= nuttig); alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet (=bouwen niet op). 1 Korinthe 10:23

Alle dingen zijn geoorloofd. Of we ze begrijpen of niet, dat heeft er niets mee te maken. Of ze occult zijn of niet, of de duivel er iets mee te maken heeft of niet, ook dat heeft er niets mee te maken. Alle dingen zijn ons geoorloofd, want wij zijn verzekerd, dat niets onrein is in zichzelven.

Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil; 1 Korinthe 10:25

Op het moment datje gaat vragen of iets aan de afgoden geofferd wordt, reken je ermee. Je zou er niet mee rekenen. Op het moment datje ernaar vraagt, erken je ze als zodanig. Dan krijg je fundamenteel al problemen.

Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve (al wat daarin is). 1 Korinthe 10:26

Wanneer wij, om wat voor reden dan ook, menen dingen te laten ter wille van de broeder of zuster, dan zou het zijn om het geweten van die ander (die broeder of zuster). We laten het niet om ons geweten. Als we sterk zijn zouden we er geen last van hebben. Dat staat in 1 Korinthe 10:29:

Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen. 1 Korinthe 10:29

Onze zorg zou niet zijn of we misschien met de duivel in aanraking komen. Onze zorg zou voor onze zwakke broeders en zusters zijn. De bedoeling is dat zij opgebouwd zouden worden en sterker zouden worden. Dat is de reden waarom ik nogal tekeer ga tegen die bewuste publicaties. Ze doen precies het tegenovergestelde. Ze maken de gelovige zwak en geven de duivel eer. Dat zouden ze nou precies niet moeten doen. Daarom: niets ondervragende, zegt 1 Korinthe 10 : 27.

En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil. 1 Korinthe 10:27

We vinden uitspraken van die strekking ook in 1Timótheüs 4:1:

1 Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden (die duren al 2000 jaar) sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten namelijk leringen der demonen. 1Timótheüs 4:1

Afvallen van het geloof wil nog niet meteen zeggen dat ze echt ongelovig worden, maar het wil wel zeggen dat ze niet meer sterk zijn in het geloof en dus zwak zijn of zwak gemaakt worden. Daarom begeven zij zichzelf tot verleidende geesten. Die verleidende geesten begeven zich niet tot hen, dat staat er ook niet. Het initiatief gaat van deze mensen zelf uit. Zij begeven zichzelf tot verleidelijke geesten. Wat verleidende geesten zijn, staat er achteraan; al zegt de apostel er eigenlijk niet veel over. Hij zegt alleen: “Het gaat over leringen der demonen, waardoor men verleid wordt.” Het zijn diezelfde demonen (die afgoden) uit de eerste Korinthebrief die verleiden. Hier staat niet dat gelovigen buiten hun wil of buiten hun weten, vanwege onkunde of bij gebrek aan wetenschappelijke kennis, in handen van kwakzalvers vallen. Er staat dat gelovigen het zelf zoeken en vervolgens verleid worden. Waaruit bestaat die verleiding? Wat doen die verleidende geesten? Dat staat in 1Timótheüs 4:3.

Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging voor de gelovigen, en die de waarheid bekend hebben. 1Timótheüs 4:3

“Verbiedende te huwelijken” is een hele nette term. Het betekent dat geslachtsgemeenschap verboden zou worden. In “christelijk” Nederland vond of vindt men dit “huwelijken” ook helemaal niet goed. Het mocht of mag alleen om kinderen te verwekken. Dat was enige tientallen jaren geleden zo. Men moest kinderen krijgen tot meerdere eer en glorie van de kerk. Kinderen krijgen moet men sowieso, want anders sterft de mensheid uit. Maar eigenlijk is het zonde. Zelfs ongelovigen hebben het idee dat de verboden vrucht waarvan Adam danwel Eva at, niets anders is dan geslachtsgemeenschap. Geslachtsgemeenschap is spreekwoordelijk de verboden vrucht. Het is een tamelijk naïeve gedachte om te denken dat het een appel of een peerwas. Iedereen weet immers dat het de vrucht van de boom der kennis des goeds en des kwaads was. Het gaat om de betekenis van de vrucht. Men zegt dat het een eufemisme van geslachtsgemeenschap is. Hoe komt men erbij dat het zonde zou zijn en dus niet zou mogen? Dat staat hier: “Het komt van verleidende geesten, namelijk van leringen der demonen.” Zij verbieden te huwelijken en zich van spijzen te onthouden. Niet van alle spijzen, want dan sterft de mens. Men zou zich onthouden van bepaalde spijzen die God geschapen heeft. Wij, kinderen Gods, zouden echter sterk zijn in het geloof. We zouden opgroeien tot zonen Gods. We zouden in de eerste plaats weten dat deze dingen helemaal niet verboden zijn.

Waar wij God voor het eten dankzeggen, kan niemand ons ervoor veroordelen. Het gaat niet om het ritueel of iets dergelijks, maar gewoon om de concrete aangelegenheid. Alles wat wij tot ons nemen in ons leven (ik bedoel dus nu niet alleen voedsel) en wat deel wordt van ons leven, aanvaarden wij uit de hand van God. De maaltijd is een goede gelegenheid om dat uit te drukken. Hoe ver dat gaat, weet ik niet. Het gaat om het beginsel dat wij de Heer voor alles danken. Of het van een ongelovige komt of van een gelovige, maakt ons niets uit. Als zo iemand kans ziet ons van een lichamelijke kwaal af te helpen? Dan dank je de Heer daar toch voor? Als je niet zeker bent van dit soort dingen, dank dan sowieso altijd de Heer ervoor. Zo danken we bijvoorbeeld elke dag de Heer voor de vergeving van onze zonden. Het is immers niet de bedoeling dat we onze zonden elke dag zouden belijden. Wij zouden uit de vergeving van zonden leven en danken de Heer alle dagen daarvoor. Wij danken ook voor de rijkdom van Zijn genade. De Waarheid die wij weten is dat er maar één God is. Uit Zijn genade leven wij.

Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde. 1 Timótheüs 4 : 4

Alle schepsel Gods is goed, al zijn het brandnetels die geplukt zijn bij volle maan. Ik hoorde eens dat je bij volle maan niet mocht plukken, omdat dat occult zou zijn. Volle maan betekent volle vrucht. Daar is toch niets mis mee? Als er iets mis is, dan komt dat door de gedachten van de mens.

Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed. 1 Timótheüs 4 : 5

Alles wordt geheiligd door het Woord van God en onze verbondenheid (gebed) met Hem. Wie sterk staat in het geloof, weet dat. Weet u wie zich onthouden van gemeenschap en geen vlees (alleen vegetarisch) eten? De Schrift zegt dat dat degenen zijn die zwak zijn in het geloof. Maar wie zijn degenen in de wereld die geen vlees eten en zich onthouden? En waarom doet men dat dan? Men doet dat om spiritist te worden. Men zoekt dan het occulte, omdat men in contact wil treden met afgoden (met boze geesten of wat dan ook). Als je dat soort ervaringen of belevingen wilt ondergaan, dan is dit punt één: eet geen vlees! Je mag dan alleen vegetarisch eten. Je moet zo armoedig mogelijk eten, zodat het lichaam flink verzwakt. De duivel wil dat het lichaam verzwakt wordt. Waar het lichaam verzwakt wordt, grijpt hij zijn kans. Dan is het beschikbaar voor demonen.

De vraag is: “Waarom mochten ze vóór de zondvloed geen vlees eten?” of: “Waarom mochten ze na de zondvloed ineens wél vlees eten?” De enige verklaring die ik ervoor heb (die staat niet in de Bijbel) is dat volgens de Bijbel dit soort demonie in zeer sterke mate onder de mensheid van die tijd in gebruik was. Vlees eten heeft daar kennelijk een beschermende uitwerking op. De demonische invloed was toen zo groot dat de zonen Gods ingingen tot de dochteren der mensen. (Genesis 6 : 1-8) Let op hoe dat in bedekte taal staat. Om die reden werd het menu na de zondvloed uitgebreid met vlees als afweermiddel tegen deze vormen van demonie. (Genesis 9 : 2-4) Waar men dus inderdaad huwelijken verbiedt, zoals in 1 Timótheüs 4 : 3 en waar men bepaalde spijzen verbiedt, is de kans groot dat het leringen der demonen zijn. Die demonen hebben er namelijk zelf belang bij om op deze manier de mens als woonplaats geschikt te maken. De gedachte is dat zij de mens willen bezetten. Daar is niets christelijks aan. Waar een mens zich vermagert (anorexia), gaat hij vroeg of laat hallucineren (= zinsverbijstering / droomgezicht). Wij zouden ons daar niet mee inlaten. Wij zouden namelijk van het leven genieten, maar dan wel in nederigheid, in afhankelijkheid van de Heer en onder dankzegging. Dat is de eerlijke uitdrukking van onze afhankelijkheid van Hem. Zo zouden wij leven en dat zouden wij ons door niemand laten ontnemen.

Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt. 1 Timótheüs 4 : 6

Zo kan heel wat lectuur afgekeurd worden, omdat het niet voortkomt uit een goed dienen van Jezus Christus. Dat staat hier glashelder. We vinden zulke uitspraken ook in de brief aan Titus. Titus 1 :12 gaat over kwade beesten en luie buiken. Dat zijn dwaalleraars volgens het opschrift boven Titus 1:10:

Ongeregelden, ijdelsprekers en verleiders van zinnen… Titus 1:10

Titus zou de gelovigen voor deze figuren waarschuwen.

13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.
14 En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden der mensen, die hen van de waarheid afkeren. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof. Titus 1:13, 14

“Gezond in het geloof’ is sterk in het geloof. Dat die geboden eventueel zelfs geboden van demonen zijn, hebben we zojuist gelezen in de brief aan Timótheüs.Titus  1 : 15 zegt dan meteen:

Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt. Titus 1:15

Dat is een heel aardige en zeer korte wijze om deze dingen naar voren te brengen. Voor zover dingen onrein zijn, is dat zo omdat degene die ze als zodanig beschouwt onrein is. Dus als iemand ons komt vertellen: “Dit en dat is onrein”, dan zegt hij dus: “Ik ben onrein, ik heb een zwak geloof en ik heb een zwak geweten.” Zo zouden wij dat dus ook moeten interpreteren. De Bijbel zegt het gewoon zo. Voor de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en hun geweten zijn bevlekt en dus onrein. Die onreinheid zit niet in de dingen die als onrein beschouwd worden, maar de onreinheid zit in de persoon in kwestie. Hoe komt het dat zij bevlekt zijn? Omdat ze ongelovig zijn. Voor ongelovig kun je natuurlijk voor de gelegenheid invullen: zwakke gelovigen. Dat is de praktijk. Ze zullen niet 100% bevlekt zijn en dus ook niet 100% ongelovig zijn of andersom. Zij zijn voor een deel bevlekt en voor een deel ongelovig. Zij hebben een zwak geloof en dus zijn zij bevlekt. Daar gaat het om.

Waar ons geloof zwak is zullen wij moeite hebben te aanvaarden dat wij, ondanks de zonden die wij misschien dagelijks doen, rein staan voor God. We zullen dan moeite hebben te leven uit de vergeving van zonden, die wij hebben ontvangen. Als ons geloof zwak is, is het moeilijk om dat soort dingen vast te houden. Dan zijn wij bang en kwetsbaar, althans dat denken wij en daarom is het zo. Dat is psychologie: wij denken dat en dus is het zo. Waar wij zwak en kwetsbaar in het geloof zijn, laten wij ons voor alles en nog wat waarschuwen.

Het hele probleem van dit waarschuwen is angst voor van alles en nog wat. Dit komt in de praktijk alleen maar voort uit zwakte. Er zijn bepaalde kringen waar je als gelovige niet voor vol aangezien wordt. Je moet dan eerst bewijzen of je wel goed genoeg bent. Er zijn zelfs kringen waar je niet zomaar aan het avondmaal mag. Dat weren van mensen is niks anders dan de uitdrukking van zwakte. Men is bang verontreinigd te worden. Door ons bijvoorbeeld! Wat is er dan mis met die mensen? Als zij zo goed zijn en zich tegen ons moeten beschermen, is dat toch een uitdrukking van zwakte? Op het moment dat wij bang zijn voor van alles en nog wat, zijn wij zwak. Hoe banger wij zijn voor van alles en nog wat, hoe zwakker wij zijn. Maar wij zijn niet zwak, wij zijn sterk, want onze kracht is die van het Woord. Wij weten (dat is de concrete manier om het te zeggen) dat onze kracht Christus in ons is. Wij vertrouwen op de werking van de Geest in ons en daarom zijn wij dus nergens bang voor.

“Maar beide hun verstand (dat heeft te maken met het weten) en hun geweten zijn bevlekt”: In het Nederlands zijn verstand en geweten van oorsprong bijna synoniem. Hun verstand (= hun denken) is bevlekt, dus krijgen zij last van het geweten. Ze zijn zelf bevlekt. Daarna staat er een glasharde uitspraak (niet van mij, maar van de Schrift).

Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo (of omdat) zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt. Titus 1:16

Hier ziet u dat het niet echt om ongelovigen gaat. Het gaat niet om niet-wedergeboren mensen. Het gaat om gelovigen die ook door ons als zodanig erkend worden. Zij belijden dat zij in gemeenschap met God leven. Waarom zijn ze dan bang voor een demon of voor de duivel? Gruwelijk betekent altijd afgodisch. Een gruwel is een afgod. Zij zijn afgodendienaars. In de Statenvertaling gaan gruwelijke dingen altijd over afgoden.

Waar men ons zo nodig op het werk van satan moet wijzen, opdat we daar uit de buurt zouden blijven, omdat het zo gevaarlijk is, daar dient men niet de Heer, maar dient men in werkelijkheid deze tegenstander. Het enige wat de tegenstander in ons kan bereiken is dat wij ons richten op hem. Dat wij hem proberen te bestrijden, maar dat lukt ons toch niet. Hij probeert te bereiken dat wij hem proberen te bestrijden, zodat wij de Heer niet dienen. Of opdat wij ons met de verkeerde dingen zouden bezighouden. Het zijn allemaal afleidingsmanoeuvres. Het gaat erom dat onze aandacht afgeleid wordt van de dingen waar het werkelijk om gaat. Dat maakt ons zwak.

“Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam,…” Ongehoorzaam is ongelovig. Men kent het Woord niet en men hoort niet naar het Woord. In die literatuur waar ik het nu al een paar keer over gehad heb, komt over het algemeen heel weinig uit de Bijbel voor. Daarin worden wel wereldse zaken en achtergronden van bepaalde zaken uiteengezet. Vroeger kon je een half uur op je hoofd gaan staan. Tegenwoordig heet dat yoga en is het occult. Daarom mag het niet meer. Vroeger waren dat goede lichaamsoefeningen. Het hoorde bij de lichamelijke opvoeding van de Christelijke Gereformeerde school. Vroeger moesten wij leren zolang mogelijk onze adem in te houden. Is dat ook yoga? Dan is dat ook occult. Wij deden vroeger worstel partijtjes. Dat heet tegenwoordig Oosterse gevechtssport. Het is volgens die bepaalde lectuur allemaal occult, dus mag het niet. Hoezo? Er is toch niets aan veranderd? Het zit alleen maar in het denken. Het is alleen maar afleiding. Hier staat gewoon: “Zij belijden dat zij God kennen.” Dat zijn degenen die dat soort dingen leren. Zij zeggen: “Wees hier bang voor en daarvoor. Houd je verre van dit en van dat. Dat mag niet en dat is gevaarlijk.” Zij belijden dat zij God kennen. Natuurlijk! Maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk ongeschikt.

“Ze zijn tot alle goed werk ongeschikt” is een krachtige uitspraak. Als men de Heer wil dienen wil men immers goede werken doen? Als men de Heer wil dienen, zou men wandelen in goede werken, die Hij voorbereid heeft. (Efeze 2 :10) Als men alleen maar angst heeft voor allerlei zaken waarvan we verre zouden moeten blijven, is men voor alle goed werk ongeschikt. Dat kan ook niet missen. Mensen die angst hebben, kunnen niets meer. Echte angst heeft al heel gauw tot gevolg dat men compleet verstijft en niks meer kan doen. Als je denkt dat je zwak bent (als die gedachte tussen je oortjes zit), dan durf je niks en dan komt er van het leven ook niks terecht. Dan kun je niet leven. Wij zouden leven. Niet in overmoed en niet in hoogmoed, maar in afhankelijkheid van de Heer. Hij zal ons bewaren. “Hij zal ons niet begeven”. (Hebreeën 13 : 5) Hij zal ons niet verlaten al is de wereld ook vol gevaren. Natuurlijk kunnen die gevaren ons treffen. Maar als we met dat soort angst door het leven zouden gaan, komt er van ons leven niets terecht. Dat geldt op het aardse niveau, maar ook op het geestelijke niveau. Waar wij bang zijn voor de tegenstander (dat hij op ons in zou werken), daar zijn wij ongeschikt tot alle goed werk. Dat kan niet missen.

Het goede werk is juist het werk in dienst van de Heer. Het is een werk tot opbouw van de Gemeente en juist plaatsvindt ten koste van de tegenstander. Het is een werk waarbij inderdaad onderdanen van deze tegenstander aan hem onttrokken worden en geplaatst worden in de vrijheid. Daar gaat het niet alleen om bij de prediking van het Evangelie, maar ook bij de opbouw van de Gemeente als zodanig en bij het leven van de gelovige. Elke groei van ons geloof is een fase waarin wij meer onttrokken worden aan de machten. Aan de praktische macht van de wereld, van de zonde, van de wet en van de tegenstander in het algemeen. Met dat goede werk zouden wij ons bezighouden. Gewoon doorgaan met de Heer te dienen. Wat er ook om ons heen gebeurt; wij zouden ons er niets van aan trekken. Het enige dat wij wel aan zouden trekken, is de geestelijke wapenrusting uit Efeze 6. Die geestelijke wapenrusting betekent dat we zouden leven uit geloof. We zouden weten (zeker zijn) van wat wij in Christus ontvangen hebben. We zouden er zeker van zijn dat Hij ons geeft wat wij nodig hebben en dat Hij voor ons zorgt.

Het eerste dat wij als gelovigen zouden leren, is, dat wij volmaakt gesteld zijn in Christus. (Kolossenzen 2 : 10) Dat wij bekrachtigd zijn met die opstandingskracht van Christus. (Efeze 1: ig) Dat we in Christus meer dan overwinnaars geworden zijn. (Romeinen 8 : 37) Over wie dan? Over de tegenstander (ook afgoden en demonen) vanzelfsprekend. Wij hebben namelijk ook een hogere positie dan die van de wereld als zodanig. Satan is de overste van deze wereld. (Efeze 2 :2) Wij maken echter geen deel uit van deze wereld. Voor zover God een werk in ons doet, is dat een werk waarbij Hij ons verlost van de tegenwoordige wereld in de praktische zin, maar vooral in de geestelijke zin. (Galaten 1 : 4) Hij verlost ons denken, opdat ons denken niet meer het denken van de wereld is. (Romeinen 12 : 2) De Schrift leert toch dat we in Christus ofwel met Christus in de hemel gezet zijn? (Efeze 2 : 6) Over de opstanding van Christus wordt in Kolossenzen 2 :15 gezegd: “(Hij heeft) de overheden en de machten uitgetogen, en Hij heeft ze in het openbaar tentoongesteld, en heeft zo over hen getriomfeerd”. In die overwinning delen wij. De prediking zou moeten zijn dat, hoewel wij weten dat satan om ons heen is (misschien in ons midden wel degelijk tekeergaat en zijn werk doet en ons probeert af te leiden), wij ons niet zouden laten afleiden. Wij zouden slechts onze blik op de Heer Jezus Christus richten. De bedoeling is dat hij getrokken wordt uit deze tegenwoordige wereld. (Galaten i: 4) We zouden ons richten op dat goede werk. Of zoals het op andere plaatsen staat: wij zouden de ons voorgestelde loopbaan lopen. (Hebreeën 12 : 1) We zouden ons oriënteren op de Heer en leven in afhankelijkheid van Hem. We zouden ons bewust zijn van eigen zwakheid, van eigen falen, omdat wij niks kunnen. Tegelijkertijd zouden we leven in het bewustzijn dat de Heer beloofd heeft Zijn kracht in onze zwakheid te volbrengen. (2 Korinthe 12 :9)

Het is van belang dat we die hele wereld met al zijn organisaties en angsten zouden vergeten. Wij zouden gewoon de Heer dienen. Wij hebben niets met omstandigheden in de maatschappij te maken. Wij staan daarbuiten. Wij zijn eerstelingen van een nieuwe schepping. (Romeinen 8 : 23) God heeft ons geschikt gemaakt tot alle goed werk. Dat goede werk heeft niets met de wereld als zodanig te maken. Het gaat er zelfs volstrekt tegenin. Het goede werk dat wij in dienst van de Heer zouden doen houdt juist in dat mensen onttrokken worden aan deze vergankelijke dingen. We zouden ons als gelovigen op grond van ons geloof, niet of zo min mogelijk bezighouden met die dingen die in de wereld belangrijk zijn. Hoe belangrijker ze in de wereld zijn, hoe gevaarlijker ze voor ons zijn, want wij zijn geneigd daar naar te luisteren. We zijn geneigd de gedachten van de wereld te volgen. Wij zouden dat niet doen, wij zouden vasthouden aan het Woord van God.

In de praktijk hebben we natuurlijk met allerlei dingen om ons heen te maken. Dat betreft ons werk, ons gezin en dat soort zaken meer. Veel verder gaat dat niet. Onze gedachten, onze ambities, zouden uitgaan naar het dienen van de Heer en daartoe stellen wij ons beschikbaar. Daaraan geven wij ons over. Wij vertrouwen erop dat de Heer ons voor al die andere dingen (gevaarlijke dingen eventueel) zal bewaren. De bescherming tegen de boze hoort daar wel degelijk bij. Dat staat in Johannes 17:15.

Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze. Johannes 17:15

6. Waartoe zijn we voor de oude mens gestorven?

Eén is voor ons gestorven, ja, zelfs voor allen. Wij zijn door de dood van de Heer Jezus ontrukt aan de macht van de zonde, aan de macht van de wet, maar daarmee zelfs aan heel de tegenwoordige wereld. De Schrift leert ook dat wij gestorven zijn voor de oude mens. Dat is een vanzelfsprekende conclusie na de eerste opmerkingen over dat wij gestorven zijn voor de zonde, de wet en de wereld. Heel die oude wereld waarvan wij van nature ook deel uit maken, heeft voor God geen enkel bestaansrecht. God rekent de zonde niet. God rekent de wet niet. God kent geen onreine dingen op de manier die wij reeds besproken hebben. God rekent zelfs onze oude mens niet. Het is wat moeilijk om die uitspraak te doen, omdat er ook Schriftplaatsen zijn waaruit blijkt dat God die oude mens wél rekent. Voor zover God rekening houdt met onze oude natuur is dat omdat wat van die oude natuur nog bestaat, dienstbaar gemaakt is of dienstbaar gemaakt wordt aan het werk dat God in en door ons doet. Dit gebeurt op grond van dat wij nieuwe scheppingen geworden zijn in Christus. Wij worden geacht onze lichamen (dat is wel degelijk onze oude mens) en al wat daarmee samenhangt, ofwel ons leven, te stellen tot een levend Gode welbehagelijk offer. Het is de bedoeling dat God die oude mens in zichzelf niet rekent, maar wel degelijk gebruikt in Zijn dienst.

In Romeinen 6 : 6 staat dat wij met Christus gekruist zijn: “Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is”. Wie zegt: “Die oude mens van mij leeft nog,” heeft gelijk, maar God rekent die oude mens niet! God kent ons slechts, houdt rekening en handelt met ons, op grond van dat wij één plant geworden zijn met de Here Jezus Christus “in de gelijkmaking Zijns doods en in de gelijkmaking Zijner opstanding”. (Romeinen 6 : 5) God rekent met ons op grond van dat wij Zijn kinderen geworden zijn; wedergeboren zijn. Hij acht die oude mens voor gestorven. Hier hebben wij te maken met een juridische aangelegenheid. Dat betekent dat geen enkele beschuldiging ingebracht kan worden, voor God althans, tegen onze oude mens, onze oude zondige natuur. Naar Zijn normen, naar Zijn wet, naar Zijn rekenwijze (allemaal Bijbelse termen) is die oude mens met Christus gestorven. Dat betekent dat geen beschuldiging tegen die oude mens voor de hoogste rechtbank ontvankelijk is. (Romeinen 8 : 33) Dat zijn zeer elementaire dingen die aan de basis van ons praktische leven (en dienst) als christenen liggen.

Zolang wij rondlopen met het idee dat wij arme zondaars zijn en niet met God in contact kunnen treden, zijn wij ongeschikt en onbekwaam voor alle goed werk ofwel voor het dienen onder het nieuwe verbond. Wij dienen ons bewust te zijn dat God onze oude mens niet telt, hoe zondig hij ook is. Waar wij dat weten en geloven en daaruit leven, daar is ook in de praktijk ons geweten gereinigd van dode werken. Dat moest gebeuren (Hebreeën 9 :14) om ons bekwaam te maken de levende God te dienen.

Het lichaam van een wedergeboren mens is niet zondig meer. De zonde woont daar nog wel in, maar het heet niet meer het lichaam der zonde, omdat er een hogere macht in ons leven, in ons lichaam, is gekomen. Ons lichaam is niet meer onderworpen aan de heerschappij van de zonde. Ons lichaam is tot op zekere hoogte nog steeds onderworpen aan de macht van de zonde, maar niet aan de allesoverheersende heerschappij van de zonde. Dat wordt hier gezegd. Dat blijkt ook uit de volgende hoofdstukken van Romeinen. Wij zijn en blijven zondaren naar gewone normale maatstaven, maar wat eraan toegevoegd wordt is dat door de inwoning van Christus in ons of door de inwoning van de Geest in ons, ons lichaam niet zondermeer is uitgeleverd aan de heerschappij van de zonde in ons. Daarom wordt het niet meer het lichaam der zonde genoemd en daarom staat er: “Opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde”. De consequentie daarvan is: “Opdat wij niet meer de zonde dienen”.

We zouden de zonde niet meer als slaven dienen, zoals blijkt uit de rest van dit hoofdstuk. We moeten goed begrijpen dat ons lichaam een zondig lichaam blijft en ook wel zal blijven zondigen. Die zonde-natuur is daar nog steeds in. Het is onvermijdelijk dat die zonde uitwerking in ons heeft. Zo is het nou eenmaal. Dat doet niets af aan het feit, dat naar Gods begrippen die zonde dood is. Dat zelfs dat lichaam dood is, nl. der zonde gestorven. Langs de andere weg, is dat levende lichaam levend, omdat Gods Geest daarin woont. Daarom heeft de zonde geen heerschappij meer in ons lichaam, maar de Geest van God wel.

De oude mens, inclusief zijn mogelijkheden en zijn onmogelijkheden, inclusief de krachten die in hem werken, is met de Here Jezus gekruist! Die kruisiging is niet alleen een historisch feit, maar ook een juridisch feit met juridische consequenties. Dat Eén voor allen gestorven is, leidt tot de conclusie die de apostel Paulus trekt: God telt (rekent) die oude mens niet meer. De omstandigheden van die oude mens als zodanig kunnen dus ook niet van invloed zijn op onze relatie tot die God waaruit wij zijn wedergeboren. De gedachtegang is dat onze zonden, voor zover die er zijn (misschien zijn ze in grote getale aanwezig) onze relatie met de levende God niet kunnen verbreken. Ze bevorderen die relatie niet, maar ze verbreken die ook niet. Wij zijn bovendien volgens Romeinen 8 :38, 39 ervan “verzekerd dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heer”. Dat is geen uitspraak over na de opname van de Gemeente, maar over na onze wedergeboorte.

De harten gereinigd zijnde van een kwaad geweten en in volle verzekerdheid des geloofs. Hebreeën 10:22

Waar het hart gereinigd is van een kwaad geweten en waar wij in volle verzekerdheid des geloofs zijn, zouden wij met vrijmoedigheid naderen tot de troon der genade om onze levens ter beschikking te stellen van Degene Die op de troon zit. Het is een duidelijke zaak dat onze lichamen niet gereinigd zijn van de zonde. Dat staat ook nergens in de Bijbel. Dat onze gewetens gereinigd zijn van zonde en van dode werken staat wél in de Bijbel. Onze gewetens zijn pas werkelijk gereinigd wanneer wij deze waarheid kennen en geloven. Wanneer wij de Heer Jezus kennen en begrijpen. Wanneer wij begrijpen wat de consequentie is van het verzoeningswerk dat Hij in het verleden tot stand gebracht heeft. Het gaat erom, dat wij deze waarheden leren verstaan: dat wij der zonde gestorven zijn, dat wij der wet gestorven zijn, dat niets onrein is, dat alles ons geoorloofd is, dat wij der wereld gestorven zijn en dat onze oude mens gestorven is. Het kan allemaal zo gezegd worden, want het vloeit allemaal voort uit één en dezelfde waarheid: Eén is voor allen gestorven. Voor zover wij leven voor God, is dat op grond van onze wedergeboorte. Al dat andere wordt niet geteld, wordt niet gerekend, heeft geen wets- geldigheid voor God.

In Romeinen 7 wordt dezelfde uitspraak als in Romeinen 6 :6 gedaan, nu niet zozeer in verband met de zonde, maar in verband met de wet.

En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. Romeinen 7:9

Waar men onder de wet leeft of onder het gebod leeft, wordt de zonde levend en actief. De wet prikkelt de mens immers en waar de mens geprikkeld wordt, wordt hij actief. Als een zondaar actief wordt, wat gaat hij dan doen? Zondigen! Dat is de ellende van de wet. Het werkt de zonde in de hand. Dat staat op vele plaatsen in de Romeinenbrief en in Galaten. Wij zouden ook leren, dat wij veranderd zouden worden in de vernieuwing van ons gemoed. Dat wij niet deze wereld gelijkvormig zouden zijn of worden, maar dat wij veranderd zouden worden door de vernieuwing van ons denken. (Romeinen 12 : 2) Al die menselijke overwegingen en overleggingen spelen als het goed is geen rol in het leven van de gelovige. Het beeld dat ons in de Schrift wordt voorgehouden is dat wij onze beslissingen in het leven niet op grond van menselijke overleggingen nemen, maar op grond van Gods overleggingen en dus op grond van Gods Woord, op grond van de beginselen van het nieuwe verbond. Eerst worden wij andere mensen in ons denken en daarna ook in de praktijk van ons leven. Onze oude mens is dood, God heeft daar niets aan en Hij wil er ook niets mee doen. Het enige dat Hij gebruiken wil is dat uitwendige instrument, dat wij het lichaam noemen. Hij wil dat tot levend heilig Gode welbehagelijk offer stellen. Ons lichaam is een stuk gereedschap dat gebruikt zou worden door de Geest Gods, danwel door het Woord Gods, danwel door Christus in ons of door de Hogepriester van het nieuwe verbond.

De vraag is niet hoever we in deze wereld komen. Het gaat om in welke mate wij de Heer dienen. We dienen de Heer juist door dit soort dingen te doen, die zo strijdig zijn met onze eigen natuur, met ons eigen menselijk denken en zelfs met ons eigen menselijke instinct. Dat zouden we leren. Al dat andere is bedenken des vleses. Heel het denken van de wet die gelegd is op het vlees, is dus een bedenken des vleses en dat is in de praktijk vijandschap tegen God. Voor degenen die van korte argumenten houden: degenen die onder de wet leven, zijn juist degenen die de Heer Jezus verwierpen. Juist de wet bracht hen zelfs tegen God in opstand. Vanaf Romeinen 12 wordt de meer concrete en meer praktische toepassing van deze beginselen genoemd.

Maar doet aan (= bekleedt u met) de Heere Jezus Christus (ofwel de Geest) en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. Romeinen 13:14

De Heer Jezus Christus is in de praktijk Dezelfde als de Geest. Vlees en Geest staan tegenover elkaar. Waar het vlees (de oude mens) wordt verzorgd en gesterkt, worden, vooral in zijn overleggingen (in zijn denken), begeerlijkheden gewekt. Dat leidt tot zonde, zoals niet alleen door de apostel Paulus, maar in het bijzonder ook door Jakobus naar voren gebracht wordt. De oude mens wordt onder andere verzorgd (gekoesterd) door de wet. Het hoeft niet noodzakelijk, maar dat is de meest voor de hand liggende manier. Waar die oude mens gekoesterd wordt, ontstaan die begeerlijkheden en daaruit ontstaat zonde en daaruit ontstaat in de eerste plaats jaloezie, afgunst en nijd. Dat is uitgevonden door de duivel en door dat beginsel wordt in de praktijk heel de oude schepping beheerst.

Dus: doet aan de Heer Jezus Christus. Let op de volgorde. Het is niet: eerst het vlees niet verzorgen en dan eens een keer komen tot het aandoen van de Heer Jezus Christus. Het staat altijd in deze volgorde: eerst het nieuwe aandoen en dan zal het oude vanzelf verdwijnen. Johannes de Doper zei: “Hij moet wassen en ik moet minder worden”. (Johannes 3 : 30) Het is datzelfde beginsel van Romeinen 8 : 2: “De wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt”. Dat wil zeggen dat het nieuwe verbond mij in de praktijk heeft vrijgemaakt van het oude verbond. De volgorde is: eerst het nieuwe en dan verdwijnt het oude. Zo staat het hier in Romeinen 13 :14, maar ook in Galaten 5:16:

En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet. Galaten 5:16

In die volgorde. De iets vrijere vertaling: “Wandelt door den Geest (en als gevolg daarvan) zult gij de begeerlijkheden niet volbrengen” (niet vól brengen is de gedachte).

Maar die van Christus zijn (dat eerst), hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Galaten 5:24

Alles wat het vlees beweegt, is in de eerste plaats het denken. Het begint in de praktijk met die van Christus zijn. Degenen die Hem dienen, hebben in de praktijk van hun leven het vlees gekruist. Ze verzorgen het vlees dus niet, want het vlees is gestorven. Voor zover wij leven, leven wij op grond van die nieuwe mens, op grond van Christus, op grond van de Geest in ons. In Korinthe staat ook van die kernachtige uitspraken. In 2 Korinthe 5 :14 zegt de apostel: “Want de liefde van Christus dringt ons om het Evangelie te prediken.” In 2 Korinthe 2, 3, 4 en 5 en tenslotte in 2 Korinthe 5 :11 zegt Paulus: “Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn.” In 2 Korinthe 3 : 6 zei de apostel dat wij bekwaam gemaakt zijn om dienaren van het nieuwe verbond te zijn. Dat houdt in de eerste plaats in dat dat nieuwe verbond ook gepredikt wordt. Dan zegt hij in 2 Korinthe 5 :14: “De liefde van Christus dringt ons, als die dit oordelen (als die van mening zijn) dat, indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn.” Allen zijn gestorven! “En Hij is voor allen gestorven, opdat (dat is het doel. Niet opdat hun zonden vergeven zouden worden of dat de zonde uitgedelgd zou worden of dat er een eind zou komen aan de wet, maar opdat) degenen die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien Die voor hen gestorven en opgewekt is.” Wie zijn degenen die leven als Eén voor allen gestorven is en zij dus allen gestorven zijn? Dat zijn alleen degenen die door geloof deel hebben gekregen aan de opstanding van Christus. Dat zijn de gelovigen. Hij stierf voor allen, maar Hij werd opgewekt voor de gelovigen. Het betekent dat allen daar deel aan kunnen krijgen op voorwaarde van geloof. Het is net zoiets als in Johannes 3 :16: “Alzo lief heeft God de wereld gehad (dat zijn allen), dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft (dat is de beperking) niet verderve, maar eeuwig leven hebbe”.

Hier vind je dezelfde gedachte: Eén is voor allen gestorven, dat was inderdaad voor de wereld. Dat staat ook in 2 Korinthe 5 :19. Degenen die leven, is de beperking. Dat is een selecte groep, de uitverkorenen in de Bijbelse betekenis van de term. De gelovigen zijn namelijk degenen die Leven; zij hebben eeuwig Leven ontvangen. Daarvan staat: “Opdat degenen, die leven, niet meer zichzelf zouden leven (vierde naamval, dat wil zeggen niet meer hun eigen leven zouden leven), maar Dien (ook vierde naamval, namelijk lijdend voorwerp), Die voor hen gestorven en opgewekt is”. Eigenlijk staat er: “Zij zouden Christus leven”. Er staat niet: voor Christus leven, hoewel dat best zou kunnen. Zij zouden niet hun eigen leven leven, namelijk zichzelven leven, maar zij zouden het leven van Christus leven. Wij zouden leren verstaan Wie de Here Jezus was en hoe Hij leefde. Aan Hem zouden wij een voorbeeld nemen. Het belangrijkste voorbeeld dat wij van Hem leren is dat Hij niet leefde onder de wet. Hij werd geboren onder de wet, in de bedeling van de wet, maar opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou. (Galaten 4) In Zijn gedrag en prediking leefde Hij niet onder de wet. Hij predikte de wet niet, maar genade. Hij predikte vergeving. Men bracht de ergste zondaren tot Hem en Hij veroordeelde hen niet. Dat zouden wij ook doen. Als we dus een voorbeeld zouden vinden in het leven van de Heer Jezus, dan is het dit.

Een abstracter en meer voor de hand liggend voorbeeld is natuurlijk het voorbeeld van Zijn geloof. Dat is een volstrekt Bijbels voorbeeld. Het voorbeeld dat Hij ons heeft nagelaten, is het voorbeeld van trouw aan Zijn hemelse Vader, maar meer in het algemeen van trouw aan het Woord van God. Geloof in het Woord van God met alle consequenties van dien. Zelfs tot in de dood, ja, de dood des kruises. Dat zegt de Schrift er uitgebreid over en waarlijk niet alleen in Filippenzen 2. God zou voor de Heer Jezus zorgen en voor ons zorgen. Zijn voetstappen, Zijn voorbeeld, zouden wij navolgen. (1 Petrus 2 :21) Het was niet een voorbeeld van opstand tegen de gevestigde orde, noch tegen de politieke, noch tegen de godsdienstige orde. Het was een voorbeeld van trouw aan het Woord van God en als dat conflicten met de gevestigde godsdienstige orde meebracht, dan waren ze er maar; dan moest dat maar. Het ging om trouw aan het Woord van God en om het dienen van Zijn hemelse Vader. Dat zouden wij ook doen! Wij zouden daarbij, onder alle omstandigheden, niet op het onmiddellijke zichtbare resultaat zien, maar slechts op de vreugde die Hem voorgesteld was. (Hebreeën 12 : 2) De Heer deed dat zo.

Het is de moeite waard de Schriftplaatsen op een rij te zetten waar staat dat ook wij de Heer zouden dienen tot op de dag van Christus, tot op onze openbaring voor de rechterstoel van Christus (2 Korinthe 5 : 10) om van Hem loon te ontvangen en om geen lof te hebben van mensen, maar van God. Dat is het voorbeeld dat de Heere Jezus gegeven heeft en dat is het enige echte voorbeeld dat wij zouden navolgen met alle consequenties. 2 Korinthe 5 : 15 zegt dat wij die leven niet ons eigen leven zouden leven, maar het leven zouden leven van Christus. Er staat letterlijk dat zij die leven niet meer zichzelf zouden leven, maar Degene Die voor hen gestorven en opgewekt is. Die hele uitdrukking: “Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is”, kan vervangen worden door “Christus”. Er staat dus gewoon: “niet meer zichzelven zouden leven, maar Christus.” In Galaten 2 : 19 staat: “Ik ben door de wet (in overeenstemming met de wet) der wet (voor de wet) gestorven. Als wij door de wet veroordeeld zijn en geëxecuteerd zijn, dan leven wij daarna niet meer voor de wet. We zijn zowel dóór als vóór de wet gestorven. Er staat bij waartoe. Niet opdat wij de vrijheid zouden hebben om te zondigen. Niet eens tot vergeving van zonde, maar “opdat ik Gode (voor God, tot Zijn eer en in Zijn dienst) leven zou”. Hij was niet langer dienaar der wet, want hij is der wet gestorven. In tegenstelling tot dienaar van de wet zou hij dienaar Gods zijn. Paulus herhaalt de gedachte in Galaten 2 : 20:

Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij heeft liefgehad, en Zichzelven voor mij heeft overgegeven. Galaten 2 : 20

Hij zegt: “Christus leeft in mij.” Christus zou in hem gestalte krijgen. Daarvan zegt hij later: “Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht.” (Filippenzen 3 : 12) Het gaat hier niet over het leven onder de wet, maar onder de heerschappij van de genade. De hele Galatenbrief gaat daarover.

Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees. 2 Korinthe 5 : 16

Wij zien elkaar alleen naar het vlees, maar kennen elkaar niet naar het vlees. Het is gemeenschap – contact – dat wij met elkaar hebben, omdat wij nu eenmaal datzelfde Leven in ons ontvangen hebben. Het leven van Christus in ons verbindt ons aan elkaar. Als mensen die van nature waarschijnlijk nauwelijks iets met elkaar gemeen hebben, maar die het met elkaar kunnen uithouden op grond van de gemeenschap die we met elkaar in Christus en in de Geest hebben. Gemeenschap (kennen) is niet op grond van een vleselijke band of een natuurlijke band. Soms is er echter niet aan te ontkomen, vooral naarmate wij langer met elkaar omgaan, dat we elkaar wel naar het vlees leren kennen. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, zolang onze gemeenschap als zodanig niet gebaseerd is op een vleselijke overeenkomst, maar op een geestelijke overeenkomst. Daar gaat het om. Het is echt mogelijk om over alle vleselijke omstandigheden heen en ondanks die omstandigheden deze geestelijke gemeenschap te beleven. Van een gelovige wordt in zijn dienst onder het nieuwe verbond verwacht dat hij zich benaarstigt de geestelijke eenheid te bewaren. (Efeze 4 : 3) “Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde (in eenheid)”. (Efeze 4 : 2)

Al die dingen die verder ter sprake komen zijn aan dat doel onderworpen. Heel Gods heilswerk bestaat uit niets anders dan: het tot stand brengen van eenheid en dus van leven (gemeenschap, het zijn synoniemen). Hij doet dat juist waar de wereld wordt beheerst door dood en dus door scheiding en verdeeldheid en door strijd. Waar wij dienaren zijn van het nieuwe verbond, worden wij dus geacht in die dienst van die eenheid (die eenwording) betrokken te zijn. Dat kan niet waar onze gemeenschap is gebaseerd op het vlees, op onze oude mens. Het kan alleen daar waar wij ons bewust zijn van onze gemeenschap in Christus. Waar u geleerd hebt hoe een grote zondaar u bent en dat de Heer u niettemin liefheeft en dat Hij u getrokken heeft uit de duisternis tot Zijn licht, daar moet het toch niet moeilijk zijn te beseffen dat al die andere broeders en zusters die misschien net zulke grote zondaren zijn als uzelf, ook door de Heer worden geliefd. Hij trekt ook hen uit de duisternis tot Zijn licht.

Paulus heeft Christus niet naar het vlees gekend. Op de achtergrond van deze beide Korinthe-brieven vinden wij echter ene Cefas, die de Heer wel degelijk naar het vlees gekend had. Cefas (Petrus) vermengde wet met genade en wat van het oude verbond met het nieuwe verbond. “Wij die Christus naar het vlees gekend hebben”, geldt in ieder geval voor de twaalf discipelen die apostel werden. Voor hen geldt: “Nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees”. Wij prediken niet Jezus, maar Christus. Degene Die de dood heeft overwonnen. Die gezeten is aan Gods rechterhand. Die geworden is tot Hoofd van de nieuwe schepping, tot Eersteling en vanzelfsprekend ook tot Hogepriester van het nieuwe verbond. Hem zouden we kennen en in gemeenschap met Hem zouden wij leven. Waar dat gebeurt, naderen wij tot de troon der genade en stellen wij ons Gode tot levend, heilig Gode welbehagelijk offer. (Romeinen 12) Wij kennen Hem als Degene Die overwonnen heeft. Op Christus zouden wij ons oriënteren en aan Hem zouden wij een voorbeeld nemen.

Vandaar dat ik altijd een beetje allergisch ben voor het gebruik van de Naam van Jezus zonder enige verdere toevoeging of titel. Ik gebruik de naam Jezus alleen heel uitdrukkelijk om de mens Jezus te duiden zoals Hij op aarde leefde, want zo wordt Hij in de Bijbel ook genoemd. Sinds Zijn opstanding heet Hij niet meer Jezus, maar de Heere Jezus of Jezus Christus. In ieder geval de Heere, danwel de Christus. Eén van die namen komt er meestal wel bij. Als dat niet zo is, is dat met een speciaal doel. Wij zijn geen Jezuïeten, maar Christenen. Zo kennen wij elkaar niet naar het vlees, want wij kennen ook Christus niet naar het vlees. Wij kennen Hem naar de Geest als de Opgewekte. Zo zouden wij elkaar zien als Eerstelingen van een nieuwe schepping. We hebben weliswaar nog wat eigenaardigheden die nou eenmaal bij onze oude natuur horen. Niettemin zouden wij dat niet rekenen, net zomin als de Heer dat rekent.

Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Korinthe 5:17

Dat mag de facto (= feitelijk) onjuist zijn, maar de jure (= wettelijk) is het juist. Volgens Gods wet is het juist: het oude is voorbij gegaan. Eén is voor allen gestorven, dus zijn zij allen gestorven. Als wij gelovigen zijn, zijn wij nieuwe schepselen in Christus. Van ons staat niet alleen: “het oude is voorbij gegaan, maar er staat met nadruk achter, ziet, het is alles nieuw geworden.” Ziet is de nadruk, dat is in plaats van een onderstreping. Het is niet meer “stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw.” Hemel en aarde worden nieuw, maar daar wachten wij niet op. Het gaat erom dat wijzelf nieuwe schepselen geworden zijn en dat onze broeders en zusters nieuwe schepselen geworden zijn. Wij zouden elkander dus benaderen volgens de beginselen van een nieuwe schepping en niet van de oude. Niet via vleselijk denken, maar via geestelijk denken.

En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. 2 Korinthe 5:18

Met andere woorden staat er: “Al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus en ons bekwaam gemaakt heeft om dienaren van het nieuwe verbond te zijn”. In 2 Korinthe 3 : 6 stond namelijk: “Die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” In 2 Korinthe 5 :18 wordt hetzelfde nog een keer met andere woorden gezegd: “Hij heeft ons de bediening der verzoening gegeven.” Die bediening der verzoening is de bediening niet van de letter, maar van de Geest uit 2 Korinthe 3 : 6, niet de bediening van de wet, maar de bediening van de genade. Niet die van het oude verbond, maar die van het nieuwe verbond. Zo is het verhaal in dit Schriftgedeelte rond. De conclusie moet daarom luiden dat, waar wij deze dingen niet verstaan, waar wij niet beseffen dat wij nieuwe schepselen in Christus zijn en dat wij elkander niet zouden kennen naar de oude mens, maar alleen volgens Gods beginselen, daar zijn we in de praktijk onbekwaam om dienaren van het nieuwe verbond te zijn. Daarom moeten wij deze dingen leren.

Maar die van Christus zijn, hebben het vlees (= de oude mens, inclusief het vleselijk denken) gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Galaten 5:24

Ik heb dat al genoemd in verband met Galaten 5 :16 “En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.”

Indien wij door den Geest leven (= wedergeboren zijn en leven hebben ontvangen), zo laat ons ook door den Geest wandelen. Galaten 5:25

Dat betekent: in de praktijk volgens dezelfde beginselen wandelen. Waar we uit genade zalig geworden zijn, zouden wij uit genade wandelen. Waar wij kinderen Gods zijn geworden en leven hebben ontvangen, nadat wij vergeving van zonden hebben ontvangen, zouden wij, levend uit die beginselen, elkander ook vergeving schenken. Moeilijker is het niet.

Het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus. Galaten 6 : 14

Er had best kunnen staan: het kruis van Jezus, maar het staat er uitgebreider. Het gaat om het kruis van Degene Die weliswaar aan dat kruis gestorven is, maar daardoor en sindsdien tot Heer en Christus gesteld is. Daarom heet het: het kruis van onze Here Jezus Christus. In dat kruis zouden wij roemen. De apostel Paulus doet dat in elk geval. “… door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld”. Je kunt zeggen dat de wereld gekruisigd is, maar je kunt ook zeggen dat ik gekruisigd ben. In beide gevallen hebben wij met die wereld niets meer te maken. Het is beide waar: de één is dood voor de ander en de ander is dood voor de een. Daarna zegt Paulus in Galaten 6 : 15:

In Christus Jezus (= in die nieuwe Schepping) heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. Galaten 6 : 15

Besnijdenis had sowieso geen kracht. Voorhuid ook niet. Over welke soort kracht gaat het? Over de kracht van wet. Dit is zeker zo binnen het kader van de Galatenbrief. Het gaat om wetskracht, ofwel wetsgeldigheid. Er staat gewoon: “In Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.” Het enige dat juridisch rechtsgeldig voor God iets betekent, is de nieuw schepping. Wij zijn dat geworden en die nieuwe schepping zou geleefd en beleefd worden. Daarmee dienen wij de Heer. Voor zover wij aanspraak zouden kunnen maken op loon, zou dat moeten zijn op grond van dingen die wij in dienst van de Heer gedaan hebben. Het kunnen nooit zaken zijn, die deel uit maken van een oude schepping, want dat heeft voor Hem geen geldigheid, geen kracht. Hebt u zich laten besnijden of juist niet? Het maakt niets uit. Het heeft geen kracht staat hier. Het heeft met de wet en de oude schepping te maken en dat heeft geen enkele waarde. In een enkel geval kan besnijdenis bijdragen aan het tot stand brengen, danwel bewaren van de geestelijke eenheid. Daarom werd Timótheüs besneden. (Handelingen 16 : 3) Dat was echter niet om hem onder de wet te brengen.

In Christus Jezus heeft alleen een nieuw schepsel enige rechtskracht. Daarna staat er: “En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen”. Regel is hetzelfde als wet. Het is een synoniem. Het gaat om de regel van het nieuwe verbond; “… over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.” Vrede en barmhartigheid zijn een aanduiding van het nieuwe verbond. Men zou wandelen naar deze regel, namelijk dat besnijdenis of voorhuid geen kracht heeft. Wanneer men wandelt naar de regel dat men der wereld gekruisigd is en dat alleen een nieuw schepsel voor God enige kracht en rechtsgeldigheid heeft, zal men deel hebben aan de zegeningen van dit nieuwe verbond: aan vrede en barmhartigheid. De Heer zal ons onder dat nieuwe verbond genade en barmhartigheid en hulp ter bekwamer tijd geven. Dat is ontleend aan Hebreeën 4 : 16:

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Hebreeën 4 : 16

Tot geloof komen betekent volgens de Schrift niets anders dan ons vertrouwen op de oude schepping en alles wat erbij hoort opzij zetten en het inruilen voor ons vertrouwen op dat Woord wat God gesproken heeft. Wij zouden in het bijzonder vertrouwen op de beloften die Hij gedaan heeft, die Hij in de toekomst nog zal vervullen, ja, zelfs op de beloften die Hij in het verleden al vervuld heeft. Zo zouden wij leven. Dat dit niet eenvoudig is, is een duidelijke zaak. Het is echter zondermeer het Bijbelse credo met betrekking tot het praktische leven van de gelovige. Hij zal moeten leren verstaan dat al die dingen van de oude mens en van de oude schepping voor God geen enkele waarde hebben. Ons denken zou veranderen door de werkzaamheid van de Geest, van Christus in ons. Die Geest zou onze lichamen gebruiken, ondanks de zonde die in ons woont. Hij zal onze lichamen gebruiken tot Zijn eer en van ons wordt slechts verwacht onderwerping aan Hem en aan Zijn Woord en aan Zijn wil.

1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:
2 Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. Efeze 4 : 1, 2

Dat heeft allemaal te maken met nederigheid en een dienstbare positie.

U benaarstigende te behouden de eenheid des Geestes door den band des vredes. Efeze 4 : 3

Die Geestelijke eenheid kunnen we niet tot stand brengen, maar we zouden die behouden. Die eenheid is tot stand gebracht onder het nieuwe verbond. In de eerste helft van Efeze 4 wordt gesproken over het werk der bediening tot opbouw van het Lichaam van Christus (vers 12). Vanaf vers 17 wordt eerst over de positie van de natuurlijke mens gesproken. Wij zijn misschien niet geneigd dat te herkennen, niettemin is het een volstrekt Bijbelse beschrijving van de situatie van de natuurlijke mens die wandelt in de ijdelheid van zijn gemoed. Van die mensen wordt gezegd dat ze verduisterd zijn in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten. (vers 18) Wat wij voor kennis en wetenschap verslijten, noemt de Bijbel gewoon onwetendheid. In de praktijk is het gewoon zo dat al die zogenaamde wetenschap maar één doel heeft, namelijk de waarheid ten onder te houden. (Zie Romeinen 2) Men is verduisterd geworden in het verstand (dat is onwetendheid) door de verharding van het harten.

Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd. Efeze 4 : 20

Wij hebben namelijk Christus geleerd. Wij zijn door Christus onderwezen. Dat is de zwakkere versie van de uitdrukking, want in werkelijkheid staat er natuurlijk dat Christus ons onderwijs is. Hij is niet alleen Degene Die ons onderwezen heeft. Hij is het onderwijs dat wij hebben ontvangen. Het gaat erom dat Christus in ons zou wonen, dat “wij Christus zouden leven”, volgens de woorden uit 2 Korinthe 5 : 15. Hier staat dat de kenmerken van de oude mens niet overeenkomen met Christus. Wat wij geleerd hebben staat in Efeze 4 : 22:

Te weten dat gij zoudt afleggen, (is hetzelfde als uitdoen) aangaande de vorige wandeling, (ziel is hetzelfde) den ouden mens, (de oude mens is sowieso ziel) die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding; Efeze 4 : 22

We zouden die wandeling in duisternis door onwetendheid en door verharding des harten afleggen. (vers 17, 18) We zouden de oude mens afleggen, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding. Het gaat niet alleen om het afleggen, maar het gaat juist om wat wij zouden aandoen. Het één zou verdwijnen en het andere komt ervoor in de plaats.

En dat gij zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds. Efeze 4 : 23

Dat is geestelijk vernieuwd worden, ofwel vernieuwd worden in uw denken. Het is dezelfde gedachte als uit Romeinen 12 : 2: “En wordt dezer eeuw niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds (denken), opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij”. We zouden die oude mens afleggen en dus het denken van die oude mens, want wij zouden de nieuwe mens aandoen. (vers 24) In vers 23 staat dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds. De vertalers hebben geest gelukkig met een kleine letter gezet. Die nieuwe mens is Geest en die nieuwe mens manifesteert zich in de eerste plaats in ons denken, in onze overleggingen, in dat wat in ons hart is. In het hart zetelt het geloof. Het hart is immers het lichaamsdeel waarmee wij geloven, waarin het Woord woont, waarin de Geest woont, waarin Christus woont. Dat hart zou veranderd worden. Dat is de verandering van ons gemoed.

En de nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Efeze 4 : 24

De nieuwe mens aandoen wil zeggen dat we zouden leren denken volgens die regel van een nieuwe schepping en van een nieuw verbond. “Die naar God geschapen is”. “Naar” betekent naar voorbeeld van of naar analogie van. Dé Mens Die geschapen is naar Gods beeld (en naar Gods gelijkenis) is de Here Jezus “In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. (Kolossenzen 2 : 9) “Die het uitgedrukte Beeld van Gods Wezen is”. (Hebreeën 1 : 3) De eerste Adam is dat niet; Christus, de laatste Adam, is de Eerste Mens naar Gods Beeld. Wij zijn Beelddragers Gods in Christus. Wij zijn dat geworden doordat de oude mens is afgelegd en de nieuwe wordt aangedaan. Die nieuwe mens is Goddelijk. Naar dat Voorbeeld worden wij veranderd naar het Beeld van Gods Zoon. Zoals de Vader het Voorbeeld was van de Heer Jezus Zelf, zo is de Here Jezus het Voorbeeld voor ons. Wij zouden die Mens aandoen. Juist omdat wij geen Beelddragers Gods zijn, zouden wij deel krijgen aan Christus Die het Beeld Gods is, opdat wij alsnog Beelddragers Gods zouden worden. (Galaten 4 : 19; Romeinen 8 : 29)

De praktische consequentie daarvan staat in Efeze 4:25.

Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een ieder met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden. Efeze 4:25

De hele mensheid liegt. Men noemt het alleen niet zo. Wat je zou zeggen en watje zou zwijgen, heeft niets met waarheid te maken. Het heeft te maken met of je je doel kunt bereiken of niet en hoe je je doel zal bereiken. Woorden worden niet gebruikt om gedachten over te brengen, maar om ze te verbergen. Dat is de natuurlijke mens. Natuurlijk zeggen wij: “Spreek het Woord Gods met elkaar”, want dat is de Waarheid. Spreek over Christus, want Hij is de Waarheid. Ik zou niet weten, waarom je niet op alle terreinen van het leven de waarheid zou spreken! Als je de waarheid niet wilt zeggen, dan kun je er nog altijd voor kiezen je mond te houden. Als je dan zo nodig wat zeggen moet, als het niet anders kan, dan zul je de waarheid moeten spreken.

De Bijbel is er duidelijk genoeg over. Zover het over iemand anders gaat dan de Naaste met een hoofdletter, namelijk de Here Jezus, wordt het woord “naaste” toegepast op onze broeders en zusters. Voor zover het in het enkelvoud staat, is onze Naaste niemand anders dan Christus. Die Samaritaan was de Here Jezus Zelf. Het woord naaste in het Oude Testament betekent de andere leden van hetzelfde volk en van hetzelfde bloed, de bloedverwanten dus. (Leviticus 19 :18) In dit verband zijn onze bloedverwanten onze broeders en zusters. Hoe wij met de wereld spreken is hier gewoon niet aan de orde. In Efeze 4 : 25 wordt gesproken over de eenheid van de Gemeente. Als wij elkaar wat voorliegen, brengt het altijd verdeeldheid. Dat kan niet missen. Wij zouden dat niet doen. Dan hoeven wij er ook nooit meer op terug te komen. Laten we de waarheid spreken, naar eer en geweten. Want wij zijn elkanders leden. Waar het ene lid liegt tegen het andere ontstaat scheiding. Dan is men in de praktijk niet meer elkanders lid! Dan wordt de eenheid geweld aangedaan.

26 Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
27 En geeft den duivel geen plaats. Efeze 4:26,27

Dit is een citaat uit Psalm 4 : 5. Men kan wel toornig worden, maar het moet ook weer overgaan. Het kan niet langer duren dan tot zonsondergang. Dan geven wij de duivel geen plaats en werken wij niet met de beginselen van die oude mens.

Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft. Efeze 4:28

Ga daar maar aan staan. Er staat niet alleen “wie niet werkt, zal ook niet eten”. (2 Thessalonicenzen 3 :10) Er staat dat onze motivatie om te werken, gewoon ambachtelijk handwerk voor het dagelijkse brood, niet eens zou zijn om onszelf in leven te houden of om ons lichaam in leven te houden, maar zelfs ook om onze broeders en zusters in leven te houden. Het gaat om gemeenschap en eenheid. Wij zouden zorg dragen voor elkaar is de gedachte.

Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen. Efeze 4:29

Want het goede woord (de goede rede) is een woord tot stichting, tot opbouw van de Gemeente. Deze termen “nut” en “stichting” vinden we naast elkaar in 1 Korinthe 10:23.

Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar (= nuttig); alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 1 Korinthe 10:23

In beide gevallen gaat het om de opbouw van de Gemeente. De woorden versterken elkaar. Woorden die wij zouden spreken zouden in de eerste plaats tot doel hebben de opbouw van de Gemeente in het algemeen en het bewaren van de geestelijke eenheid in het bijzonder. Alle andere woord heet “vuile rede”. Dat wordt echter niet verklaard. Van goede rede staat er zelfs bij wat het is: “Opdat zij genade geve dien, die dezelve horen”. Goede rede zijn dus woorden die genade geven. Wat zijn dan de vuile woorden? Het zijn woorden die afbreken, woorden die niet nuttig zijn, die geen genade geven. Wat geven ze dan wel? Wet! Het kan niet missen. Onder vuile rede verstaat de Schrift: woord van de oude mens, woord dat niet tot stichting is. Het is de leugen uit de voorgaande verzen. Het is die toorn die maar blijft en die afgunst. Dat politieke spel om elkaar dwars te zitten en zich boven elkaar te kunnen verheffen. Onze woorden zouden woorden tot nut zijn. Woorden van genade en dus woorden met betrekking tot het nieuwe verbond. Waar het anders is bedroeven wij de Heilige Geest Gods.

En (= namelijk) bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. Efeze 4 : 30

De dag der verlossing is de dag van de verlossing van ons lichaam. Het is tegelijkertijd de dag van Christus en dus de dag van onze openbaring voor de rechterstoel van Christus, waar wij eventueel loon zouden ontvangen. De dingen die wij zouden doen en de dingen die wij zouden laten, zouden leiden tot lof, die wij straks van de Heer in de dag der verlossing zullen hebben. Als u zegt: “Ik kan dat niet wat hier staat”, dan zegt de apostel: “Gij hebt toch ontvangen de Heilige Geest Gods door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.” Of: “Gij hebt ontvangen de Heilige Geest der belofte, Die het onderpand is van onze (toekomende) erfenis tot de verkregene verlossing.” (Efeze 1 : 13, 14) Die dingen kunnen wel. Misschien niet van de ene dag op de andere, maar de mogelijkheid, de bekwaamheid, om God zo te dienen onder het nieuwe verbond, is in ieder van ons gelegd. Wij hebben de Geest ontvangen. Het is wel zo dat het werk van de Geest in ons niet met objectieve maten gemeten zou worden. Het gaat erom in hoeverre de Geest Gods in ons gewerkt heeft en ons ontrukt heeft aan de macht van de boze, de macht van de wereld, de macht van de zonde, de macht van dat oude menselijke denken. In hoe verre Hij ons geschikt gemaakt heeft voor die dienst aan het nieuwe verbond. Ik moet u zeggen dat sommige gelovigen, doordat ze van nature een erg grote achterstand hebben een hele lange weg te gaan hebben. Bij andere gelovigen ligt dat allemaal zo moeilijk niet.

Wij allen, wie wij ook waren, hoe slecht wij ook waren en welke voorsprong wij misschien ook hadden, wij zijn bekwaam gemaakt om dienaren van het nieuwe verbond te zijn door de Geest Die wij hebben ontvangen. Niemand van ons heeft een excuus. Je kunt wel zeggen: “De één heeft een voorsprong en de ander een achterstand”, naar begrippen van de oude mens. Wij zouden die maatstaven niet aanleggen. Het gaat erom in hoe verre het leven van Christus in ons, ons oude leven overwint. Hoe dat er aan de buitenkant uitziet, is voor ieder van ons verschillend. Het gaat erom dat we ons aan dat werk zouden overgeven en dat we naar onze broeders en zusters toe tolerant zouden zijn. We zouden hen aanvaarden en tot ons nemen, zoals de Heer dat ook gedaan heeft. (Romeinen 14 : 1)

Het hele punt is dat we niet het leven van een ander zouden navolgen. Wij zouden niet wachten waar anderen op hebben zitten wachten. Wij zouden niet beleven, wat een ander heeft beleefd. Wij zouden ons onderwerpen aan het Woord Gods en daarmee uit. Het doet er niet toe hoe anderen dat hebben. Andere mensen hebben een andere achtergrond, een andere instelling, een ander karakter. Dat is voor iedereen verschillend. Wij zouden onze eigen weg gaan. Het enige dat we naar anderen toe zouden doen, is eventueel getuigen van de hoop die in ons is. We moeten niet onszelf ten voorbeeld stellen. Wij zouden getuigen van het feit dat wij zondaren waren en dat wij dienstknechten der zonde waren en misschien zelfs ook wel van de wet. Wij zouden getuigen dat wij verlost zijn door de Here Jezus Christus, Die ons geplaatst heeft in de vrijheid. Naar de mate wij ons onderwerpen aan Zijn Woord, naar diezelfde mate worden wij in de vrijheid geplaatst en worden wij geschikt ofwel bekwaam om ook in de praktijk dienaren van dat nieuwe verbond te zijn. Niet door de werking van broeders en zusters in of aan ons, maar door de werking van de Geest in of aan ons. De apostel besluit hier niet alleen met te zeggen dat wij verzegeld zijn door die Heilige Geest en dus inderdaad deze dingen zouden kunnen opbrengen. Er staat vervolgens in Efeze 4 : 31, 32:

31 Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;
32 Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft. Efeze 4 : 31, 32

God is jegens ons goedertieren, barmhartig, ons vergevende en wij zouden navolgers Gods zijn en navolgers van Christus door zo tegenover elkaar te staan. Wij zouden niet tegenover elkaar, maar naast elkaar staan. Zo zouden we met elkaar omgaan, ondanks alles, ondanks wie wij waren. God heeft onze oude mens veroordeeld en wij zouden dat aanvaarden. Wij zouden die dingen van die oude mens over het hoofd zien en elkaar in Christus kennen. Dat zijn de beginselen waardoor een nieuwe schepping tot stand kon komen en waardoor wij nieuwe schepselen geworden zijn. Daarom zouden wij die oude wereld en die oude mens niet tellen. Wij zouden ons met Christus bekleden (Hem aandoen) in onze wandel, namelijk in onze uitwendige contacten. In onze openbaring, in onze manifestatie naar buiten zouden wij ons gedragen als Hij. Het wordt ons niet als wet opgelegd, dat kan niet, maar er wordt wel gezegd dat het eigenlijk zo hoort. Dat zijn de kenmerken van een nieuwe schepping en die zouden we niet onderdrukken.

7. Waartoe onderwerpen wij ons aan de overheid?

Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd. Romeinen 13:1

Dit Schriftgedeelte valt onder het kopje “onderwerping aan de overheid”. Dat staat er in mijn Bijbel duidelijk boven, maar hier worden geen richtlijnen gegeven aan de natuurlijke mens zich te onderwerpen aan de overheden die van God gegeven zijn en die in de wereld macht uitoefenen. Dat kan dit Schriftgedeelte nooit betekenen, want wij worden juist geacht van die wereld verlost te zijn. Dit zijn geen wetten die ons opgelegd worden, omdat dat naar de wil van God is. Het gaat in de eerste plaats om de uitspraken uit Romeinen 12. In Romeinen 12 :3-8 wordt gesproken over de individuele gaven die gelovigen geacht worden te hebben en te gebruiken onder de dienst van het nieuwe verbond. Daarna volgen de bekende korte zinnetjes in Romeinen 12.

9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt een af keer van het boze, en hangt het goede aan.
10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.
11 Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.
12 Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.
13 Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid.
14 Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.
15 Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.
16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
18 Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.
19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
20 Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.
21 Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede. Romeinen 12:9-21

Deze zinnetjes spreken in het algemeen over de relatie van gelovigen onderling. Zij gaan over de gang van zaken binnen de Gemeente. Daarna komen we in Romeinen 13. Je moet erg vreemd redeneren om te denken dat wat in hoofdstuk 13 volgt ineens richtlijnen voor de natuurlijke mens zouden zijn. Dat het zou gaan over de plaats die de natuurlijke mens in de maatschappij of in de samenleving zou innemen. Dat is uiteraard niet zo. Het gaat over onze dienst onder het nieuwe verbond met betrekking tot ons oude leven. Er worden richtlijnen gegeven voor ons sociale leven hier op aarde. Met andere woorden: wij zijn verlost van deze wereld, niettemin leven wij nog in een vernederd lichaam. Ons dilemma is: wat moeten we met ons lichaam, als we van de wereld verlost zijn en er toch deel van uitmaken? Het is bedoeling dat de gelovige zich onderwerpt aan de menselijke overheid in het algemeen. In de wereld zou hij een zo bescheiden mogelijke, zo terughoudend mogelijke, zo matig mogelijke plaats innemen.

Deze gedachte staat in Titus 1 :12. De bedoeling is dat we zomin mogelijk te maken zouden hebben met de gang van zaken in de wereld. De beste houding is een onopvallende plaats in te nemen. De natuurlijke mens kan gelegenheid en reden genoeg vinden om zich bij gelegenheid tegen de maatschappelijke en politieke gang van zaken te verzetten. Die reden hebben wij als gelovigen niet. In de eerste plaats niet omdat wij volgens onze eigen overtuiging (het Woord Gods) in die wereld geen plaats innemen. In de tweede plaats niet omdat God Zelf beloofd heeft onze belangen te zullen behartigen. Wij zouden slechts in zeer geringe mate afhankelijk zijn van de gang van zaken op aarde en van de gang van zaken in de maatschappij. Daarom is het naar de wil van God dat wij in de samenleving (maatschappij) een plaats innemen waardoor we zomin mogelijk problemen ondervinden. Het is de bedoeling dat wij met rust gelaten zouden worden, opdat wij ons in het bijzonder met geestelijke zaken zouden bezighouden, namelijk met de opbouw van de Gemeente. Waar wij in ons sociale en maatschappelijke leven problemen hebben, kan dat alleen maar een nadelige invloed hebben. Daarom wordt gezegd dat wij een onderworpen positie zouden innemen. We hebben al besproken dat de gelovige ootmoedig, nederig en bescheiden zou zijn. Hij zou zich bewust zijn dat hij uit genade leeft. Kortom, hij zou niet hoogmoedig zijn.

Alle ziel zij de machten, over haar gesteld, onderworpen; …. Romeinen 13:1a

Er staat niet: “Alle ziel zij de machten over haar gesteld gehoorzaam.” Hier staat niet dat de gelovige de overheid zal moeten gehoorzamen. U zegt: “Onderwerpen is toch hetzelfde als gehoorzamen?” Er is een belangrijk, hoewel subtiel, verschil. Onderdanig of onderworpen zijn wil zeggen dat wij de overheid als zodanig zouden erkennen, opdat wij niet in conflict zouden komen met die overheid. Het blijft natuurlijk een vast gegeven dat onder bepaalde omstandigheden het ons onmogelijk is om de overheid gehoorzaam te zijn. Stel dat er geen godsdienstvrijheid is, dan wordt het voor de gelovige onder die omstandigheden heel moeilijk om de overheid gehoorzaam te zijn. Het neemt niet weg dat men desondanks de overheid wel degelijk onderworpen kan zijn. Met alle respect voor de overheid kan men onder bepaalde voorwaarden toch tegen de overheid in opstand zijn. Gewoon omdat men volgens de apostelen Gode meer gehoorzaam (niet meer onderdanig) zou zijn dan de mensen. (Handelingen 5 :29)

In Handelingen 4 moesten Petrus en Johannes voor het sanhedrin verschijnen. Petrus en Johannes werden scherpelijk gedreigd (vers 17), dat zij niet meer tot enig mens in dezen Naam van de Here Jezus zouden spreken. Dat staat ook in Handelingen 4:18:

En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus. Handelingen 4:18

Petrus en Johannes antwoordden tot deze menselijke overheid: Handelingen 4:19,20

19   … Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God.

20   Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.

Dat is precies wat zij deden. Ze erkenden weliswaar de menselijke overheid als zodanig en hadden zelfs respect voor het sanhedrin. De apostel Paulus drukt dat later nog eens een keer uit, als hij in Handelingen 23 voor het sanhedrin verschijnt. (Handelingen 23 : 5) Het neemt niet weg dat deze apostelen weliswaar onderdanig zijn zelfs aan deze overheid, maar dat wil nog niet zeggen dat zij in alles aan hen gehoorzaam waren. Dat is een ander verhaal. De bedoeling is dat wij de menselijke overheid als zodanig zouden erkennen. In Romeinen 13 :1 staat niet “alle geest” en ook niet “alle mens”, want daar zou eventueel geest bij ingesloten zijn. Er staat: “Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen”. Het gaat over de zichtbare mens met betrekking tot zijn levenswandel. Het woord “ziel” heeft te maken met de wandel. De overheid bemoeit zich daar bij gelegenheid mee. In die omstandigheden zou men zich aan de overheid onderwerpen. Over wat men met de geest doet, of dat nu met een kleine g of met een grote G geschreven wordt, heeft de overheid geen enkele zeggenschap. In ons denken hoeven wij ons aan geen enkele overheid te onderwerpen.

De ziel (de zichtbare mens in zijn vernederde lichaam en in zijn wandel) zou in beginsel onderworpen zijn aan de menselijke overheid, maar de geest uiteraard niet. Er zijn omstandigheden waarin die onderworpenheid niet zover voert dat men ook daadwerkelijk de overheid zou gehoorzamen. In het algemeen gaat het erom dat wij deze menselijke overheid als zodanig zouden erkennen. Er staat ook bij waarom. De overheid wordt geacht een ordinantie Gods te zijn. Zo wordt het altijd plechtig genoemd. Het is een instelling Gods. Er is altijd veel discussie over dat de overheid een door God gewilde instelling is. Het is echter een Bijbels gegeven. Dat betekent niet dat God de uitslag van onze laatste verkiezingen bepaald heeft. Het betekent dat God de mensheid in volkeren verdeeld heeft. Hij heeft aan die volkeren een eigen regering, een eigen overheid gegeven. Dat gebeurde na de zondvloed. Eigenlijk is het een bedelingenkwestie, want na de zondvloed begon de zogenaamde bedeling van het menselijk bestuur. Dat is geen Bijbelse uitdrukking, maar de gedachte is wel degelijk Bijbels. God verdeelde de mensheid in volkeren die van elkaar gescheiden werden in verschillende landen met grenzen ertussen. (Genesis 10) De bedoeling is dat volkeren met een verschillende geaardheid van elkaar gescheiden (afgezonderd) zouden leven, met een eigen overheid en een bestuur in overeenstemming met het volkskarakter.

De overheid staat onder God en is door God als zodanig aangesteld. Waarschijnlijk zijn wij bekend met de gedachte dat de overheid verantwoording aan het volk zou moeten afleggen. Bijbels gezien is het nog altijd zo dat de overheid verantwoording verschuldigd is aan God en niet aan het volk. Het is dus andersom: het volk is verantwoording schuldig aan de overheid en de overheid aan God. Democratie is verbazend on-Bijbels. Het ligt voor de hand dat waar mensen onder de directe invloed van boze machten staan, deze boze machten van democratie gebruik maken.

Het lijkt mij een duidelijke zaak dat de Heer Zich niet met de verkiezingen bemoeit. Het Koninkrijk van Christus komt langs theocratische weg. Het komt aan de ene kant tot stand door de prediking van het Evangelie. Aan de andere kant door het oordeel over ongelovigen. Met andere woorden: als je wat christelijks wilt doen, bestaat dat niet uit het uitbrengen van een stem vanwege democratische verkiezingen, maar uit het brengen van het Evangelie. Wij kennen maar Eén waarachtige Heerser, Die vindt en wil dat wij als Zijn onderdanen onderworpen zouden zijn aan de menselijke overheid. Wij blijven echter altijd een minderheid. Als we een beetje rust en vrijheid willen hebben, zouden wij ons niet teweer moeten stellen tegen een overheid die het naar onze begrippen niet goed doet. Daar krijg je alleen maar ruzie en onenigheid van. En spanningen en leugens niet te vergeten, want zo hoort dat bij de politiek. Dat is allemaal niet de bedoeling. Het gaat er in de eerste plaats om dat wij burgers zijn van dat Rijk in de hemel. Op grond van dat hemelse Koninkrijk, waarvan wij deel uitmaken, zouden wij hier beneden de overheid onderdanig zijn. Daar kan weinig mee mis zijn, want de Heer zou voor ons zorgen. Niet door ons een andere overheid te geven, maar misschien wel door ons in een uitzonderingspositie te plaatsen.

Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. Romeinen 13:2

Hier ligt het probleem. Waar men zich niet aan de overheid onderwerpt, mag men verwachten dat men onder een oordeel terechtkomt dat door diezelfde overheid gebracht wordt. Als men tot onderwerping aan de Heer Jezus Christus, de enige waarachtige Heerser, komt, stort men zich niet in de politiek, maar in de opbouw van de Gemeente. Wij maken deel uit van dat hemelse Koninkrijk. Als iemand zegt dat we toch deel uitmaken van die maatschappij, dan zegt de Bijbel: “Iemand kan het beste aan de overheden en de machten onderdanig zijn”. Dat is naar de wil van God. Het is de wil van God niet voor de natuurlijke mens, maar voor de gelovige. Leeft hij bij wijze van spreken onder een communistisch systeem, dan leeft hij maar onder een communistisch systeem. Als je er als mens wat tegen hebt, dan heb je er als mens wat tegen maar niet als christen. Als christen zou men zich aan het systeem onderwerpen en binnen het gegeven kader de Heer dienen. Dat is heel goed mogelijk. Op het moment dat men niet meer alleen de Heer dient, maar zich met religie en vervolgens ook politiek bezig houdt, krijgt men problemen. Dat een overheid dat bestrijdt is logisch. Een christen zou zich niet met politiek bezighouden. Niet omdat men christen is en zeker niet, omdat men daarmee de Heer zou dienen. Daar dient men de Heer niet mee. Men zou zich aan die overheid onderwerpen. Natuurlijk komen daarna de moeilijke vragen. Wat nu als een hooggeplaatst figuur tot geloof komt en die iemand is toevallig rentmeester der stad of een of andere stadhouder? Er staat toch niet in de Bijbel dat hij zijn ambt moet opgeven. Ik ben van mening dat als die man zijn ambt goed wil blijven uitoefenen, ook in de Bijbelse tijd binnen het Romeinse rijk, hij binnen de kortste keren in de grootst mogelijke problemen komt. Hij kan het beste een andere baan zoeken. Daar kom je als gelovige wel achter. Het hoeft niet natuurlijk, maar het is zeker geen dienst aan de Heer om zich bezig te houden met de overheid of om de overheid te bestrijden.

De Heer wil dat wij de overheid onderworpen (onderdanig) zijn. Dat is best te doen, omdat onze dienst aan de Heer in de eerste plaats in ons denken (in onze geest) zit. Onze geest is niet aan de overheid onderworpen. Waar onze dienst aan Hem verder in ons leven tot uitdrukking komt, zal de overheid daar in het algemeen weinig bezwaar tegen hebben. Als wij deze vrucht van de Geest manifesteren of openbaren kan de overheid daar toch nooit bezwaar tegen maken? Als wij werken aan de bevordering van de eenheid van de gelovigen, dan kan dat toch nooit in strijd zijn met de belangen van het land, de natie of de regering? Waar men zich niet met dit soort maatschappelijke en politieke aangelegenheden bemoeit en waar men onderdanig is, zal men geen problemen met de overheid hebben. Wie de overheid wederstaat, wederstaat niet alleen de ordinantie van God, maar hij zal ook over zichzelf een oordeel halen. Dat geldt binnen een oude schepping, maar niettemin is het naar de wil van God. Wij dienen als gelovigen de Heer (niet de wereld, niet het land of de politiek) door onderdanig te zijn aan die overheid. Het dienen van de Heer bestaat niet alleen uit het prediken van het Evangelie. Integendeel, het dienen van de Heer komt tot uitdrukking in die vrucht en van de Geest die in onze levens zou openbaar worden, onder andere liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid. Het heeft alles met ons dagelijks leven te maken sinds dat wij kinderen van God geworden zijn. Het heeft dus in de eerste plaats te maken met onze positie in de wereld. Juist omdat we van de wereld verlost zijn zouden wij een zeer bescheiden plaats innemen binnen het volk en dus de overheid onderdanig zijn. Dat staat hier niet alleen, maar ook nog op een paar andere plaatsen in de Bijbel.

1 Ik vermaan dan voor alle dingen (in de eerste plaats), dat gedaan worden smekingen (1), gebeden (2), voorbiddingen (3), dankzeggingen (4), voor alle mensen;
2 Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij (niet zij) een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.
3 Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker; 1Timótheüs 2: 1-3

In vers 1 staan vier synoniemen. Dat geeft de grote nadruk aan. Wij zouden bidden voor koningen. Niet opdat het hun welgaat of omdat het tot zegen voor het volk zou zijn. Let op: Wij zouden voorbiddingen doen voor alle mensen (dat is de maatschappij, de gehele samenleving) en voor koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven zouden hebben. Wij als gelovigen hebben er dus belang bij dat de overheid ons met rust laat. Wij hebben er belang bij dat het land waarin wij leven, met rust gelaten wordt. Ook vanuit het buitenland, opdat wij niet in allerlei problematiek betrokken zouden zijn. Zodat wij bijvoorbeeld niet opeens allemaal gemobiliseerd moeten worden, omdat er weer een of andere oorlog dreigt uit te breken. De bedoeling is dat ons dat niet zou raken en dat wij een gerust en stil leven zouden leiden. Voor zover wij zouden bidden voor de overheid, zou dat niet zijn ten behoeve van het nationale welzijn of zoiets. Zeker niet ten behoeve van de uitslag van de verkiezingen, hoewel het er een rol in kan en zal spelen. Het gaat erom dat wij met rust gelaten zouden worden. In het algemeen betekent dit dat wij belang hebben bij vrijheid. In politieke termen is dat liberalisme (liberté = vrijheid in het Frans).Wij hebben belang bij een tolerante maatschappij. Daar hebben wij in Nederland nooit over te klagen gehad.

Stel je voor, dat de politie of het leger hier langskomt om eens na te gaan wat wij hier binnen allemaal doen. Dat verstoort onze rust. We hebben het liefst dat ze ons niet opmerken. Vaak klagen wij daarover, omdat niemand iets wil weten of er geen belang in stelt. Aan de andere kant is het zo dat waar men ons negeert, wij vrijheid hebben om te doen wat wij willen en om de dingen te doen, zoals wij ze het liefst zouden doen. Ik ben daar persoonlijk zeer dankbaar voor. Ik heb gelukkig nooit anders meegemaakt. Wij hebben belang bij vrijheid en bij zomin mogelijk overheidsbemoeienis. Wij hebben belang bij een gerust en stil leven, opdat wij dat leven zouden leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. Dat staat in één zin. Waarom zouden wij een gerust en stil leven hebben zonder veel problemen? Opdat wij Godzaliglijk zouden wandelen. Opdat wij ons bezig zouden kunnen houden met de dingen van de Heer, zonder ons om andere zaken te bekommeren. Ik persoonlijk ben altijd blij dat er voldoende ongelovigen danwel niet godsdienstige mensen zijn die zich bezighouden met het nationale bestuur. Wij hoeven dat dan niet te doen. Ik zou mij geen raad weten als het waar was dat je de Heer moet dienen door in de politiek te gaan. Ik ben blij dat ik daarvan verlost ben.

In Titus staan instructies met betrekking tot het opzienersambt.

Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn. Titus 3:1

“Hen” zijn niet ongelovigen, want daar heeft hij niets over te vertellen. Aan ongelovigen predikt hij gewoon het Evangelie. Hen zijn de gelovigen. “Hun” staat schuin gedrukt. Dat kunnen we dus doorstrepen en zijn we van een probleem verlost. Anders zou hier namelijk staan dat men de overheid moet gehoorzamen. Het is wel de bedoeling dat we zoveel mogelijk zouden gehoorzamen, voortvloeiend uit onze onderdanigheid, maar niet voor 100%. Dat kan in veel gevallen niet. Dat “goed werk” waartoe men bereid zou zijn, is niet goed werk dat door de overheid wordt opgedragen. Dat gehoorzaam zijn gaat evenmin over de overheid. Men zou namelijk de overheden en machten onderdanig zijn en Gode gehoorzaam. Men zou bereid zijn tot alle goed werk, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. (Efeze 2 :10) Hem zouden wij gehoorzaam zijn en de overheid zouden wij (iets minder dus) onderdanig zijn. Meer staat er niet. Onderdanig zijn aan de overheid valt niet mee voor mensen die de reputatie hebben “luie buiken, leugenachtig en kwade beesten” te zijn. (Titus 1 :12) Zo schrijft Paulus over de inwoners van Kreta (de Kretenzen), waar Titus zijn bediening had. De apostel geeft hier een karakterschets van het volk als zodanig, waarmee niet elke Kretens veroordeeld wordt. Deze Kretenzen zouden de overheden ook onderdanig zijn. Zij zouden Gode gehoorzaam zijn en bereid zijn tot alle goed werk. Een belangrijk deel van de Titusbrief gaat daarover. Het gaat om het goede werk, namelijk de praktische dienst aan de Heer.

Daarna hebben we nog de uitspraak in 1 Petrus 2. Diezelfde Petrus die voor het sanhedrin (de joodse overheid) zei: “Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen.” (Handelingen 5 : 29) Petrus zei in Handelingen 4 niet: “Wij zijn verlost van de wereld en van het jodendom en we hebben met u niets te maken, want we erkennen er maar Eén.” Hij zei: “Wij kunnen niet laten te spreken!” (Handelingen 4 : 20) Het hele punt is dat het leven Gods, de Geest Gods, het leven van Christus, de Heilige Geest in hen en door hen werkte en daarom spraken zij. Daarmee waren zij ongehoorzaam aan de overheid, maar het neemt niet weg dat ze daarmee hun respect voor de overheid niet verloren en aan de overheid onderdanig waren en bleven. De overheid onderdanig zijn wil bijvoorbeeld zeggen datje niet door het rode verkeerslicht mag rijden. Als je Gode meer gehoorzaam moet zijn dan mensen, dan betekent het datje wellicht ergens het Evangelie gaat staan prediken, terwijl het daar verboden is. De apostelen handelden bij gelegenheid ook zo en mopperden niet als zij gevangen werden gezet.

En houdt uw wandel eerlijk (= met ere, eerbaar) onder (= temidden van) de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners (= dat doen ze sowieso), zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking. 1 Petrus 2:12

Dat wil zeggen dat die heidenen eens zichzelf tegen zullen komen en wellicht komen zij Diezelfde Heer tegen. Hopelijk maken ze dan de goede keuze op grond van de goede werken die ze in de gelovigen gezien hebben. Eén van die goede werken van de gelovige wordt genoemd:

13 Zijt dan (= dus, op die grond) alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;
14 Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen. 1 Petrus 2:13,14

Men zou onderdanig zijn, niet om uwszelfs wil, niet om uws lands wil, niet om des overheids wil, maar om des Heren wil. Men dient daarmee de Heer. Stadhouders zijn vertegenwoordigers van de koning. Paulus schreef precies hetzelfde in Romeinen 13. Het is naar de wil van de Heer dat wij die hier op aarde eigenlijk vreemdelingen en bijwoners zijn en ons onderdanig opstellen. We moeten niet proberen op te vallen, maar zo bescheiden en matig mogelijk leven in de wereld. Niet in de eerste plaats een bijdrage leverend aan de maatschappij, maar vrij om bij te dragen aan de opbouw van de Gemeente. Waar het werk van de Geest (de vrucht van de Geest) in ons openbaar wordt is dat tot zegen van de Gemeente in het algemeen en heeft het een uitstraling in het maatschappelijke leven. Bovendien is het een goed getuigenis ten opzichte van de Heer.

9 Vermaan den dienstknechten, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende;
10 Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onzen Zaligmaker, in alles mogen versieren.
11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. Titus 2:9-11

Wij zouden in het bijzonder aan onze Zaligmaker goede trouw bewijzen, (vers 10) De zaligmakende genade is bestemd voor alle mensen. Wij leren daarvan, want dat zegt het volgende vers:

En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Titus 2:12

Er staat niet: “En onderwijst hen”. Je kunt, als je voegwoorden invult, lezen: “Hoewel de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen, worden niet alle mensen, maar wij wel, door die zaligmakende genade Gods onderwezen”. Het gaat om een onderwijs door de genade Gods met betrekking tot onze praktische wandel. Onze praktische wandel valt onder de heerschappij der genade of onder het nieuwe verbond, dus onder het Hoofd van het nieuwe verbond, namelijk de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Dus de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen en onderwijst ons. Het onderwijs (kort samengevat) is dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende (dit is de tussenzin), matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld (dat is de hoofdzin). In deze tegenwoordige wereld. In Kolossenzen 2 :20b staat: “Wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast?” Leven wij nu wel of niet in de wereld? Onze officiële status is niet in de wereld, maar in de praktijk leven wij wel in de wereld. Met andere woorden: onze officiële status heeft te maken met het Rijk waarvan wij deel uitmaken. Wij hebben een hemels paspoort, maar in het lichaam zijn we hierin het buitenland. Het is de wil van onze hemelse overheid, van het land en het volk waarvan wij deel uitmaken, dat wij nu reizende in het buitenland ons zo bescheiden en onopvallend mogelijk opstellen. Rechten en plichten hebben wij hier niet. De enige verantwoordelijkheid die wij hebben, is onderdanig zijn.

Er staat ook dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden zouden verzaken. Een klaverjasser weet wel wat verzaken is. Verzaken betekent niet meedoen, passen, voorbij laten gaan. Wij zouden niet meedoen aan die wereldse begeerlijkheden. De hele wereld zoekt macht. Waarom wij dan ook? De hele wereld wil een hoge positie, geld en macht. Waarom zouden wij meedoen aan wereldse begeerlijkheden? Wij zouden die wereldse begeerlijkheden die worden aangeduid als goddeloosheid, verzaken. Wij zouden die dingen voorbij laten gaan en matig, (= met mate) beperkt, binnen zekere grenzen, niet overdadig, leven. Er moet ergens een grens getrokken worden. Waar, zegt de Bijbel ons niet. Die grens is onze persoonlijke verantwoordelijkheid.

Wij zouden matig en rechtvaardig leven. Kunt u zich dat voorstellen? Je zult als christen maar rechter wezen. Dan is rechtvaardig zijn een probleem. Of niet? Je zult maar huisvader wezen. Het is dan al moeilijk genoeg om rechtvaardig te zijn. Daar heb je je handen al vol aan. Matig, rechtvaardig én godzalig. Godzalig betekent de Heer dienen. Wij zouden de Heer dienen binnen deze tegenwoordige wereld. Wij kunnen ons daar niet aan onttrekken. De Heer Jezus in Zijn positie als Hogepriester van het nieuwe verbond bad voor de Zijnen tot Zijn hemelse Vader en zei: “Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij ze bewaart van de boze.” (Johannes 17 : 15) De boze is degene die in de wereld heerst. Daar ligt dus die overgang. Wij maken aan één kant deel uit van de wereld, maar op het moment dat wij dat gaan benadrukken (daarover gaan discussiëren) wordt het levensgevaarlijk. We leven in de wereld, maar we zijn gestorven. Wij hebben geen rechten in deze wereld, want wij maken deel uit van een ander volk, van een andere wereld, van een andere natie. Voor zover wij ons niet aan die wereld kunnen onttrekken, hebben wij bepaalde richtlijnen die Gode welbehagelijk zijn. We zouden dus matig en rechtvaardig en Godzalig leven in deze tegenwoordige wereld met allerlei beperkingen. Dat is niet het eind van het verhaal, want dat is op zich haast niet te doen. Daarna staat er:

Verwachtende (wij zijn altijd bezig te verwachten) de zalige hoop en (= namelijk) verschijning der heerlijkheid van den groten God en (= namelijk) onzen Zaligmaker Christus Jezus; Titus 2 : 13

Onze zalige hoop is onze toekomstverwachting. De politicus is bezig met verbetering van de wereld, van het land en van het dorp. Dat heeft geen enkele zin, want dat wordt toch niet beter, leert de geschiedenis ons. Wij zouden onze verwachting stellen op iets wat voorbij dit aardse leven ligt. Wij verwachten de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Christus Jezus. Wij verwachten Degene Die Zichzelven voor ons gegeven heeft.

Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Titus 2 : 14

Dat is voltooid tegenwoordige tijd. Dat wil zeggen dat het gebeurd is. Het is voltooid, maar het is nog steeds van toepassing. Wat hier beschreven wordt, is heden actueel. Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons nu zou verlossen van alle ongerechtigheid. Wij zouden immers hier rechtvaardig leven. Hij zal voor Zichzelf een eigen volk reinigen, ijverig in goede werken. Hij wil dat wij ijverig zijn in goede werken. Daartoe reinigt Hij ons. Het werk van de Heer in onze dagen is de opbouw van de Gemeente als collectief en natuurlijk de opbouw van een ieder van ons. Wij verwachten die Heer in de toekomst. Wat het heden betreft, zouden wij onze omgang met de wereld beperken en ons overgeven aan die Heer Die Zich voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van die dingen waarvan wij verlost moeten worden. Wij hoeven daarom die strijd niet te strijden. Wij hoeven die idealen niet te bewerkstelligen. Laat staan dat wij onszelf zouden reinigen. Er staat uitdrukkelijk dat dat niet de bedoeling is. Hij zou dat doen en wij zouden afstand bewaren van de wereld als zodanig. Je kunt ernaar kijken, je kunt je gedachten erover hebben, maar je moet je als gelovige altijd bewust zijn, dat je weliswaar in die wereld leeft, maar dat je er geen deel van uitmaakt. Eerlijk gezegd lijkt het mij de enige manier om een beetje fatsoenlijk door het leven heen te komen. Ik moet er niet aan denken dat die wereld om mij heen mijn wereld is. Wij als gelovigen weten hoe het afloopt. Wij weten wat onze toekomst is. We kennen onze positie hier. Wij weten dat de Heer voor ons zorgt. Wij hebben een bediening die niet in de wereld ligt, maar die er juist op gericht is dat zondaren uit de wereld getrokken worden en deel krijgen aan de Gemeente en aan het hemelse Koninkrijk. Dat is de gedachte. Dus laat die wereld en die overheid maar een beetje. Laten wij wat afstand bewaren, want dat is de bedoeling. Er staat dan ook prompt in Titus 2 : 15: “Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst”.

8. Waartoe zijn wij elkaar onderdanig
of gehoorzaam in het huwelijk?

Onze relatie binnen het huwelijk, het gezin (ouders – kinderen) en onze relatie tot de werkgever of werknemer zijn de dingen die het grootste deel van ons leven bepalen. Bovendien moeten we op voorhand vaststellen dat het zaken zijn die deel uitmaken van de oude schepping. Zo is het huwelijk in de eerste plaats vleselijk. Het huwelijk kan ideaal zijn. Het is de meest ideale en natuurlijke vorm van de samenleving die er bestaat. Het huwelijk is waarschijnlijk de meest fundamentele instelling binnen de oude schepping. Naar orthodoxe norm heeft het huwelijk niet tot doel dat man en vrouw elkaar aanvullen en ondersteunen. Het heeft daar in de eerste plaats tot doel dat men kinderen krijgt om het menselijk ras in stand te houden. Het huwelijk heeft alles met voortplanting te maken. De voortplanting is er om één reden, namelijk vanwege de heerschappij van de dood in deze oude schepping. De Heer Jezus zei van de opstanding: “Maar die waardig zijn die (toekomende) eeuw te verwerven en (= namelijk) de opstanding uit de doden, die huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven”. (Lukas 20 :35) De dood is daar niet meer dus hoeft er ook niet steeds nieuw leven tot stand gebracht te worden. Het huwelijk is in de schepping officieel een uitbeelding (een type) van de eenheid van Schepper en schepping, zich uitdrukkend in de eenheid van man en vrouw. De eenheid van Schepper en schepping is een nogal vruchtbare gemeenschap. Dat is de eenheid van man en vrouw in principe ook. Waar de verhouding tussen schepping en Schepper in hoge mate problematisch is, daar is dat gewoonlijk in de verhouding tussen man en vrouw ook zo. Het hoeft niet, maar het is dikwijls wel zo. Het huwelijk kan ideaal zijn. Het hoort ook ideaal te zijn, maar in de praktijk is dat lang niet altijd zo. Het huwelijk behoort zondermeer bij de oude schepping. De apostel geeft bij gelegenheid aan een gelovige het advies om maar niet te trouwen. 1 Korinthe 7 gaat daar zeer uitgebreid over.

Zijt gij aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding (= je moet dat niet zoeken); zijt gij ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw. 1 Korinthe 7:27

Men zoekt geen vrouw, maar men vindt er wel één en men zoekt geen ontbinding, maar men vindt er wel één. Dat gebeurt ook. Men zou het niet zoeken, maar men komt het gewoon tegen. Deze dingen horen bij de oude mens en bij het vlees. Het vlees is in beperkte mate onder controle te houden. Dat staat hier trouwens ook. Dan staat er vervolgens:

Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare ulieden. 1 Korinthe 7:28

Trouwen wordt niet als verkeerd of zondig beschouwd, maar het advies is om het niet te doen. “Maar indien gij” wordt gezegd tegen iemand van het mannelijk geslacht. Daarna wordt het ook nog tot het vrouwelijk geslacht gezegd. Een maagd is in principe gewoon een ongetrouwde vrouw. De apostel hoopt juist dat wij niet die verdrukking in het vlees zullen hebben. Dan zullen we namelijk vrij zijn van dat soort zaken, zodat we de Heer kunnen dienen. Dat is de fundamentele gedachte.

Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 1 Korinthe 7:29

Het advies kan natuurlijk te laat zijn, omdat men al getrouwd was. De dienst aan de Heer is echter belangrijker dan het huwelijk. Wat is er belangrijker dan vleselijke dingen? Geestelijke dingen! Met andere woorden: in het leven van een gelovige is het huwelijk bijzaak. Ik zeg niet dat het onbelangrijk is. Natuurlijk is het belangrijk. Voor mij in ieder geval wel, maar niettemin is het een bijzaak.

En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; 1 Korinthe 7:30

Dat wenen komt voort uit dat men een vrouw heeft. Ik kan het ook niet helpen dat het van de mannelijke kant beschreven wordt. Pas in tweede instantie staat er dat het hebben van een vrouw ook oorzaak tot blijdschap kan zijn. Of het kopen over het kopen van een vrouw gaat, weet ik niet. Er zijn nog culturen waarbij dat nog wel gebeurt.

En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. 1 Korinthe 7:31

“Deze wereld gebruiken” kan in het verband van dit hele hoofdstuk maar één ding betekenen. Het voorgaande deel van dit hoofdstuk gaat over het huwelijk en al wat daarmee samenhangt. De rest van dit hoofdstuk gaat over seksualiteit en wat daarmee samenhangt. Als hier dus staat “die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende”, gaat het wel degelijk over het gebruiken van het huwelijk. Men zou er geen misbruik van moeten maken. “Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij”. Het huwelijk dus ook, want daar gaat het immers over? Het huwelijk als inzetting gaat voorbij. In een nieuwe schepping bestaat het huwelijk niet. Niet op die manier in ieder geval. In de nieuwe schepping wordt wel over twee-een- heid gesproken, maar daar gaat het in het algemeen gesproken over de eenheid tussen Schepper en schepping. Het gaat vanzelfsprekend over gemeenschap en eenheid onder het nieuwe verbond.

En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt. …. 1 Korinthe 7:32a

Het huwelijk schijnt tot bekommernis te leiden. Men zegt dan: “Paulus heeft negatieve ervaringen met het huwelijk, danwel met het huwelijk van een ander.” Laten wij alstublieft eerlijk zijn en niet de schijn blijven ophouden. Niet meedoen aan het idealiseren van dingen die helemaal niet ideaal zijn. Die bekommernis komt voort uit het huwelijk. Door te trouwen laadt men verantwoordelijkheden op zichzelf en als gevolg daarvan zou men zich moeten bekommeren. Je moet niet voor niets van alles beloven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Sommigen beloven elkaar in de kerk ook nog eens een keer van alles. Denken wij dat de Heer het de eerste keer niet gehoord heeft en dat het daarom in de kerk overgedaan moet worden of zoiets? Ik zie die dingen het liefst zo realistisch mogelijk. Als je daarna aan de mensen vraagt wat ze beloofd hebben, weten ze het gewoonlijk niet meer. Dat is maar goed ook, anders begin je er niet aan. Er staat dus: “Ik wil dat gij zonder bekommernis zijt”. Dit moeten we wel in het licht van geheel vers 32 zien.

….De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen; 1 Korinthe 7:32b

Was dat in het algemeen maar waar. Van een ongetrouwde gelovige mag verwacht worden, dat hij zich bekommert met de dingen des Heren, namelijk hoe hij de Here zal behagen. Als men wel getrouwd is, zou het behagen van de Heer eveneens het eerste en het belangrijkste zijn.

Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld (= van de oude schepping), hoe hij de vrouw zal behagen. 1 Korinthe 7:33

Dat staat er nou eenmaal. Je kunt het ook uitdrukken in de zin van tijd. Het huwelijk kost tijd. Tijd die je niet aan de Heer kunt wijden, omdat je je huwelijk in stand dient te houden. Zo zit het ongeveer. De apostel zegt hier dat het huwelijk lang niet zo ideaal is als wat men later in christelijke kringen zou prediken. In beginsel is het natuurlijk zo dat het huwelijk bestaat uit de samenleving van man en vrouw. De seksuele samenleving wordt daar vanzelfsprekend ook mee bedoeld. De bedoeling is echt (dat is een Bijbelse gedachte) dat er kinderen uit het huwelijk geboren zouden worden. De eenheid van man en vrouw drukt zich bij gelegenheid uit in het kind wat uit de man en de vrouw geboren wordt. Een kind heeft eigenschappen en kenmerken van de beide ouders. In het kind worden de beide ouders verenigd. Een kind kan best gezien worden als de bekroning van het huwelijk. We weten echter allemaal, dat er zoveel mis is en gaat met de mens, met de man, met de vrouw en met het huwelijk. Dat maakt het lastig om in algemene termen over het huwelijk te praten.

Het huwelijk bestaat in de eerste plaats uit het samenleven (samenwonen) van man en vrouw. Meer niet. Denkt u, dat Abraham en Sara naar de burgerlijke stand zijn geweest? Izak en Rebekka hadden daar niet eens de tijd voor. Rebekka viel van haar kameel af en daarna verdwenen ze in de tent van Izaks overleden moeder Sara. Hij nam Rebekka en zij werd hem tot vrouw en hij had haar lief. (Genesis 24:64-67) Dat was het dan. Hoezo burgerlijke stand? Het neemt natuurlijk niet weg dat het huwelijk ook een wettige aangelegenheid is. De wet regelt de verplichtingen van echtelieden aan elkaar. Daarom moet zo’n samenwoning (het huwelijk) bij de burgerlijke stand opgegeven worden. Dat is het ongeveer. Als iemand overlijdt, moet je dat ook opgeven. Als je gaat trouwen (samenwonen), zou je dat ook op moeten geven. Je moet je laten registreren, met alle consequenties van dien. Dat is de normale gang van zaken. Sommigen denken echter dat het huwelijk bestaat uit het ergens hebben liggen van een trouwboekje. Dat is een misverstand. De wijze van samenwonen die de Bijbel beschrijft, beschouwen de meeste mensen als ideaal, totdat ze erachter komen dat het in de praktijk niet zo ideaal is. Het gaat om de praktijk, niet om het papiertje. Een huwelijk bestaat niet uit een papiertje. Het huwelijk zou een samenwoning en een eenwording zijn. Zoveel als mogelijk is. Dat gaat niet vanzelf. Daarom zegt de apostel: “Ik wil je die bekommernis besparen.”

Aan de andere kant zegt de apostel: “Ik wilde wel dat alle mensen waren, gelijk als ik zelf. (1 Korinthe 7 :7) Dat wil niet zeggen dat hij ongetrouwd was. Hij leefde in ieder geval wel zonder vrouw. Ik moet u zeggen dat ik het niet kan. Ik ken ook vrouwen die niet zonder man kunnen leven. Het hoort bij de menselijke natuur, maar het is problematisch als men de Heer wil dienen. Het huwelijk is fundamenteel een belemmering. Niettemin, waar mensen getrouwd zijn, geven zij, als het goed is in hun huwelijk, uitdrukking aan de gemeenschap tussen Schepper en schepping. Meer speciaal is het zo dat het huwelijk van een gelovige man en vrouw in ieder geval een uitbeelding (een type) is van de eenheid van Christus en de Gemeente. Zo staat het in het bijzonder in Efeze 5. Het ideale aan het huwelijk is niet zozeer de praktijk op zich, maar de fundamentele achtergrond ervan. De typologie is die achtergrond van het huwelijk. Waar het huwelijk in het algemeen de uitdrukking behoort te zijn van de gemeenschap tussen Schepper en schepping, zal het duidelijk zijn dat de regels die van Godswege gelden voor de verhouding tussen Hem en Zijn schepping, van toepassing zouden zijn op man en vrouw in het huwelijk. Duidelijker kan ik het niet zeggen.

Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is van een ieder man, en de man is het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus. 1 Korinthe 11:3

Christus is niet het Hoofd van de mannen (meervoud), maar Christus is het Hoofd van een ieder man. Dat wil zeggen dat Christus het Hoofd van elke gelovige man in het bijzonder is. Elke man staat individueel rechtstreeks onder Christus en is verantwoordelijkheid verschuldigd aan Hem. Het gaat om een persoonlijke relatie. Zoals Christus het Hoofd is van de man (enkelvoud), zo is de man het hoofd van die vrouw (enkelvoud). Als je dit helemaal in rangorde vertelt, dan is God het Hoofd van Christus, Christus het Hoofd van de man en de man het hoofd van de vrouw. Aan deze volgorde valt niets toe te voegen. Het meeste wat eraan toegevoegd wordt, doet afbreuk aan wat hier glashard naar voren gebracht wordt. Hoe God het Hoofd van Christus is, staat bijvoorbeeld in het Johannesevangelie. Daar lezen wij hoe de Here Jezus Christus onderworpen was aan God (Zijn hemelse Vader), hoe Hij de woorden van Zijn Vader sprak, hoe Hij de werken van Zijn Vader deed en hoe Hij zegt dat Hij buiten Hem helemaal niets kan doen. Zo sterk was en is God het Hoofd van Christus. Hetzelfde geldt in onze dagen nog. Christus is nog steeds onder God gesteld. Hij voert een ambt uit, waarin Hij door God Zelf is aangesteld en waarin Hij trouw is. Dat is het ambt van Hogepriester van het nieuwe verbond. (Hebreeën 3:1,2) Zoals Christus onder God staat, zo staat de gelovige man hier in de Gemeente van Korinthe onder Christus. Het is bedoeling, dat de man de werken van Christus doet. Het leven van Christus zou immers in ons openbaar worden?

De gedachte in 1 Korinthe 11 is dat er niets tussen de man en Christus staat. Vroeger was dat wel zo, want toen stond de wet tussen de man en de Heer. Als uitbeelding van de wet droeg de man binnen godsdienstige aangelegenheden een hoofddeksel. Dat hoofddeksel gaf uitdrukking aan de wet. De bedekking van Mozes was ook een uitbeelding van de wet. (2 Korinthe 3) Een jood met een bedekt hoofd geeft uitdrukking aan de macht (namelijk de wet) waaronder hij staat.

Een ieder man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; 1 Korinthe 11:4

Het hoofddeksel is verdwenen. Er staat niets tussen de Heer en de gelovige man. Integendeel hij staat rechtstreeks onder Christus. De gelovige man is dus in de eerste plaats gehoorzaamheid, onderdanigheid verschuldigd aan Degene Die zijn Hoofd is, namelijk Christus. In 1 Korinthe 11 : 3 staat dat de man het hoofd der vrouw is. Dat betekent dat al wat op de man van toepassing is in relatie tot Christus, op de vrouw (de echtgenote) van toepassing is in relatie tot haar man. Een vrouw zei eens tot haar man: “Ik onderwerp mij wel aan de Heer, maar niet aan jou.” Dat is een contradictio in terminis (tegenstrijdigheid in de gebruikte woorden). Het is juist in overeenstemming met Gods wil dat de gelovige vrouw (want over andere dingen gaat het hier niet) zodanig aan haar man onderworpen (onderdanig) is, zoals haar man onderdanig aan Christus is (daaraan mankeert nog weleens wat) en zoals ook Christus onderdanig aan God Zelf is. Aan het laatste mankeert niets. Dat is de norm. Voor zover Christus dingen kan doen en laten buiten Zijn Vader om, zo kan de gelovige man dingen doen en laten buiten Christus om. Zo kan de gelovige vrouw ook dingen doen en laten buiten haar man om. U hoort toch dat dit bijna godslasterlijk klinkt, als ik dat zo zeg. Dat kan helemaal niet en dat is ook niet de bedoeling. Het gaat hier immers niet om wet. Het zijn adviezen voor het leven van de gelovige, opdat hij Gode welbehagelijk en Godzaliglijk zou wandelen. Er wordt dus gezegd dat de vrouw onderdanig zou zijn aan haar man. Dat staat niet op zichzelf, want vervolgens zou die man onderdanig zijn aan Christus. Christus is op precies dezelfde wijze onderdanig aan God. Het zijn ook volstrekt dezelfde termen en er worden helemaal geen uitzonderingen gemaakt.

Vervolgens gaat het over een tamelijk cultuurgebonden gedachte. De vrouw was in het algemeen in het publiek niet alleen gekleed, maar zij had bovendien een bedekking op het hoofd (het gelaat was bedekt). Vrouwen gingen toen altijd gesluierd door het leven. De apostel zegt: “Zo moet het ook blijven.” (1 Korinthe 11 : 5, 6) De man moest zijn hoofddeksel wel afzetten, omdat dat een uitbeelding van de wet was en daar is hij van verlost. De vrouw moest haar hoofddeksel ophouden, zoals toen gebruikelijk was, omdat dat altijd al een uitdrukking was van het feit dat de vrouw aan een man gebonden was. Tegenwoordig beperken wij dat tot een ring aan de vinger. In sommige culturen gaat de vrouw gesluierd, zodra zij trouwt. Zij loopt tien passen achter haar man in de richting van de supermarkt en zit achterin de auto in plaats van voorin. Zo was een sluier toen normaal. Vanuit die normen wordt hier in 1 Korinthe 11 gesproken. Als een vrouw met een onbedekt hoofd in publiek verscheen, werd ze geacht een hoer te zijn. Daarom mochten die vrouwen blij zijn dat niet zij, maar slechts hun mannen hun hoed zouden afzetten. Bovendien staan de vrouwen nog steeds onder de man. Dat is een rangorde die nog steeds bestaat. Het is de bedoeling dat elke vrouw haar man zou dienen, zolang hij leeft. De vervulling van haar leven zou zij daarin vinden. Op grond daarvan zou zij ook haar loon ontvangen. Niet eens van haar man, hoewel dat zeker niet uit te sluiten is, maar in de eerste plaats van de Heer. Het gaat om dienen!

Is dat achterhaald? Als u vindt dat die vrouw in dat geval alles van haar eigen leven moet opgeven om haar man dienen, dan zet ik daar een heel groot vraagteken bij. Ik vraag mij af, hoeveel ze dan van haar eigen leven opgeeft en hoeveel ze overhoudt. Is het dienen van haar man niet precies heel haar eigen leven? Dat staat allemaal ter discussie. Een gelovige man wordt ook geacht zijn eigen leven op te geven en de Heer dienen. Daar is niets bijzonders aan. Dat is precies hetzelfde in een bepaalde rangorde. De Heer wil dat de vrouw haar man dient en de Heer wil dat die man de Heer dient. Ik persoonlijk zou de Heer niet kunnen dienen op de wijze waarop ik het nu doe, als ik niet een vrouw had die mij diende. Ik ben niet als Paulus. Aan de andere kant (dat is de omgekeerde wereld dan) zijn mannen dikwijls niet in staat om te doen wat ze moeten doen, juist omdat ze een vrouw hebben, die ook niet doet wat ze moet doen. Beiden zijn dan ontevreden. Natuurlijk, wij moeten allemaal in ons leven leren om dingen op te geven, omdat dat wellicht onbereikbare idealen zijn. Gelovigen moeten allemaal leren hun eigen oude leven, hun eigen oude ambities op te geven. Ze zouden ze achteruit zetten terwille van de dienst aan de Heer. Dat geldt niet alleen voor mij, omdat ik dat tegenwoordig beroepshalve doe, maar het geldt voor elke gelovige. Dat is altijd zo geweest.

Vrouwen zouden hun man dienen. Dat is nog niet zo gek, want wij leven in een maatschappij waar vrouwen over het algemeen hun eigen man kunnen uitkiezen. Bovendien hebben vrouwen gaven genoeg om het hun man naar de zin te maken. Op het moment dat vrouwen denken dat ze een ondergeschikte positie hebben en zichzelf als sloofje gaan beschouwen, gaat het helaas verkeerd. Op het moment dat mannen zichzelf als slaven gaan beschouwen, gaat het net zo goed verkeerd. Niet alleen in hun huwelijk, maar ook in hun werk en in hun dagelijkse bezigheden. Die rangorde moet er zijn. Die rangorde loopt in de natuurlijke wereld (in de oude schepping) absoluut stuk, omdat je daar niet kunt zeggen dat de vrouw de man moet dienen, zoals de man zichzelf, de zaak en allerlei idealen dient. Dat is een doodlopend spoor. Dan is de man zelfstandig en de vrouw aan hem onderworpen. Zo hoort het niet te zijn. Deze beginselen zijn in een oude schepping niet toe te passen, zoals wij allen weten. Binnen het leven van gelovigen (bij een gelovig echtpaar) mag je aannemen dat dit in beginsel wel mogelijk is, omdat man en vrouw zich in een gelijksoortige positie bevinden. Weliswaar is de vrouw ondergeschikt aan de man, dus in een bepaalde rangorde, maar de positie van de man is volledig vergelijkbaar met die van de vrouw. Hij is namelijk ook onderdanig aan Iemand Die hij dient. Liefst 100%. Dat is het ideaal. Hetzelfde geldt voor de vrouw. Zij zou haar man liefst 100% dienen. Het is de wil van God dat de vrouw de man dient en dat de man de Heer dient. In het algemeen kun je dan rustig zeggen dat man en vrouw samen de Heer dienen. Ieder op zijn of haar specifieke wijze.

De algemene gedachte is dat de man zich in de eerste plaats zou bezighouden met meer geestelijke dingen (ik bedoel zaken met een kleine g). De vrouw zou in het algemeen een verzorgende functie vervullen. Hoe dat er in de praktijk uitziet, is zeer cultuurgebonden. Wat de Bijbel daarover zegt, is in ieder geval duidelijk genoeg. Wij zouden als gelovigen ootmoedig, nederig en onderdanig zijn. Voor ons huwelijk en gezin geldt ook een bepaalde functieverdeling, waarbij de vrouw onderdanig is aan de man en waarbij de man de verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van de vrouw. Bijbels gezien is de vrouw de hulpe. Een fase hoger geldt precies hetzelfde verhaal. De gelovige man wordt geacht zoveel mogelijk (liefst 100%) de Heer te dienen, namelijk bezig te zijn in het werk des Heren. De Heer is Degene Die ons liefheeft. Hij is Degene Die voor ons zorgt en ons op Zijn tijd eens knuffelt. Waar de man de Heer dient, zal de Heer voor die man zorgen als een vanzelfsprekende zaak en als een belofte. Waar het gaat om twee oprecht gelovige mensen zal het ongetwijfeld net zo werken. Waar de vrouw de man dient, zal de man zijn vrouw liefhebben en voor haar zorgen.

In Efeze 2 wordt uiteengezet dat wij vroeger gewandeld hebben in de misdaden en de zonden. Daardoor waren wij dood voor God. Sinds wij met Christus opgewekt zijn en gezet zijn in de hemel, zijn wij Zijn maaksel. (Efeze 2 : 10) Wij zijn dan niet meer geschapen in Adam, maar in Christus Jezus. We zijn nu geen oude schepselen, maar nieuwe schepselen, geschapen tot goede werken in plaats van tot boze werken, danwel de misdaden en de zonden. (Efeze 2 :1) Die goede werken heeft God voorbereid, in tegenstelling tot de werken die voorbereid waren door de eeuw dezer wereld, de overste van de macht der lucht en de geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. (Efeze 2 : 2) Wij zouden wandelen in die goede werken (Efeze 2 : 10) in plaats van in de misdaden en de zonden, waarin wij wandelden. In de rest van Efeze 2 en in Efeze 3 wordt uiteengezet hoe het met de Gemeente in onze dagen zit. De opbouw van de Gemeente is Gods werk in deze tegenwoordige bedeling. Hoofdstuk 4 begint met te zeggen dat wij zouden wandelen waardig de roeping, waarmee wij geroepen zijn. (Efeze 4 :1) Wij zouden ons benaarstigen te behouden de geestelijke eenheid door te wandelen in ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, verdragende elkander in de liefde. (Efeze 4:2,3) De eerste helft van hoofdstuk 4 spreekt over die goede werken waarin wij zouden wandelen. Ze bestaan uit dienstwerk, namelijk het werk der bediening tot opbouw van het Lichaam van Christus. (Efeze 4:12) Voor zover wij in goede werken wandelen, is het dus een wandel die aan de opbouw van het Lichaam van Christus bijdraagt. De eenheid van de Gemeente is ver en veruit het belangrijkste. Daarover spreekt Efeze 4 : 1-16 in elk geval.

De tweede helft van Efeze 4 spreekt over het feit dat men in de praktijk van het leven de oude mens zou afleggen en de nieuwe mens zou aandoen. Met andere woorden: de oude Adam afleggen en Christus aandoen. We zijn immers niet in Adam (de oude mens), maar in Christus Jezus (de nieuwe mens) geschapen! Die nieuwe mens zouden wij aandoen. We zouden navolgers Gods zijn. (Efeze 5 :1) In de praktijk betekent dit dat we navolgers van Christus zouden zijn en zouden wandelen in Zijn voetstappen. We zouden Zijn voorbeeld navolgen in onderdanigheid, in onderworpenheid aan de Vader van onze Heere Jezus Christus. Wij zouden niet wandelen zoals de wereld, namelijk in onreinigheid, hoererij, gierigheid of in oneerbaarheid, zot geklap of gekkernij. (Efeze 5 : 4) Wij zouden niet in de duisternis van de wereld wandelen, maar in het licht. De vrucht van het Licht (dat staat er letterlijk in Efeze 5 : 9, namelijk de vrucht des Geestes) is in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid. Beproevende wat de Heere welbehagelijk zij. (Efeze 5 :10) Het gaat om het leren verstaan van de goede en welbehagelijke wil van God voor ons persoonlijke leven. (Romeinen 12 :1-3)

Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten. Efeze 5:14

Dit is een citaat uit het Oude Testament met betrekking tot de Gemeente. Het staat in Jesaja 60 : 1-3. Wij zouden dat nieuwe opgewekte leven van Christus leven en wandelen in het Licht.

Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij. Efeze 5:17

Dit geldt uiteraard voor ons individuele leven. De wil des Heren met betrekking tot de tijd waarin wij leven (met betrekking tot deze tegenwoordige bedeling) is in de voorgaande hoofdstukken uiteengezet. Daar is de wil des Heren de opbouw van de Gemeente. Hier wordt gezegd dat wij de wil des Heren zouden verstaan met betrekking tot ons persoonlijke leven en met betrekking tot onze persoonlijke bediening. Het gaat dus ook om de bediening van onze persoonlijke gaven. (Romeinen 12:4-8)

En wordt niet dronken in wijn (= brasserijen en dronken- schappen), waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest (waarin kennelijk ook overdaad is). Efeze 5:18

Dit is trouwens geen negatieve uitspraak over wijn. Sommigen lezen dat zo. Het is een positieve uitspraak over de Geest. De wijn is een beeld van de Geest. Vervuld worden met de Geest klinkt nogal mystiek. Zodra je beseft dat het daarbij gewoon om het Woord Gods gaat, is het duidelijk genoeg. Het Woord is Geest. (Johannes 6 :63) Wij zouden vervuld worden met het Woord Gods. De volgende zin is dan ook beter te verklaren.

Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart; Efeze 5:19

De woordenpsalmen, lofzangen, liederen, zingende en psalmende, betekenen natuurlijk alle vijf hetzelfde. De grondgedachte van al die vijf woorden is dat wij dezelfde gedachten en dezelfde woorden hebben. Als men samen zingt is het de bedoeling dat men ook ongeveer hetzelfde zingt. Het hoeven niet eens exact dezelfde woorden te zijn, als het maar in dezelfde melodie of in dezelfde akkoorden wordt gezongen. In ieder geval gaat het om iets gemeenschappelijks. Dat is de gedachte van zingen. Waar de Geest Gods in ons is, zullen we dezelfde dingen denken en spreken. Dat zal tot resultaat hebben dat wij God te allen tijde zouden danken over alle dingen. Per slot van rekening zijn wij van nature dood en leven we nu uit genade. Daarom hebben we reden genoeg om God te danken voor alle dingen. Niet alleen voor de dingen, waarvan wij zeker weten dat Hij ze ons geeft, maar voor alle dingen, omdat wij nergens recht op hebben. Wij zijn veroordeelde zondaren die uit genade leven, zodat alles wat wij ontvangen uit Zijn hand komt.

Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus; Efeze 5:20

Wij danken Hem dus over alle dingen in de Naam van onze Here lezus Christus. Dat is de eerste uitwerking van de Geest of het Woord Gods in ons. Wij zouden de Heer dienen en Hem groot maken. Het eerste praktische punt dat vervolgens wordt genoemd is de zichtbare uitwerking van de Geest Gods in ons. Vervuld zijnde met de Geest zouden we spreken onder elkander in lofzangen, psalmen en geestelijke liederen.

Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods. Efeze 5:21

In mijn Bijbel staat boven het volgende vers “Huiselijke plichten” en in de N.B.G. staat “Het huwelijksleven”. Je zou op voorhand denken dat het in dit volgende Schriftgedeelte (vanaf Efeze 5 :22) over iets heel anders gaat. Zo’n nieuwe kop boven vers 22 staat er opdat Schriftgedeelten gemakkelijk terug te vinden zijn Je zou echter gewoon door moeten lezen: “Wordt vervuld met den Geest” (vers 18), “dankende te allen tijde over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus; Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods”, (vers 21) Dat is nog steeds het resultaat van “wordt vervuld met den Geest”. Aan wie zouden we onderdanig zijn? Dat staat er ogenblikkelijk achter: “Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods. Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere”. (Efeze 5 : 22) Het kan niet missen. Vers 21 en 22 horen gewoon bij elkaar. Dat is geen verandering van onderwerp.

Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere; Efeze 5:22

Waar de vrouw vervuld is met de Geest ofwel waar de Geest Gods in de vrouw werkt, zal zij haar eigen man (let op “eigen”) onderdanig zijn, gelijk aan den Here. Ik ben in het verleden altijd geneigd geweest om dat “gelijk aan den Heere” wat te verzwakken. Niet dat het er niet zou staan, maar zo van: het is een ideaal, maar dat zal wel niet bereikbaar zijn. Niettemin staat er wel: “Gelijk aan den Heere.” De conclusie die je kunt trekken is dat waar de getrouwde vrouw haar Heer wil dienen, ze in de eerste plaats haar eigen man zou dienen. Onderdanig zijn heeft van alles met dienen te maken.

Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams. Efeze 5:23

Dit is net zo’n verklaring als in 1 Korinthe 11. Het woord hoofd heeft heel de Bijbel door en ook in het Nederlands de betekenis van de eerste, de hoogste of de eerste in rangorde. Op het moment dat wij iets kunnen afdoen aan het feit dat Christus het Hoofd van de Gemeente is, kunnen we ook iets afdoen aan het feit dat de man het hoofd der vrouw is. Waar wij er van uitgaan dat de Gemeente onderdanig zou zijn (fundamenteel onderdanig is) aan Christus Die het Hoofd is van de Gemeente, daar zouden wij meteen moeten besluiten, dat op dezelfde wijze de vrouw onderdanig is aan de man. De man is dus het hoofd van de vrouw. Dat is precies, waar we het over hadden naar aanleiding van 1 Korinthe 11: 3. Daar staat, dat God het Hoofd van Christus is, Christus het Hoofd van de man en de man het hoofd van de vrouw. De apostel zet bij deze gelegenheid de meest fundamentele verhouding in de schepping uiteen. Dat is de verhouding tussen God en Christus en tussen Schepper en schepping. Die verhouding staat per definitie model voor alle verhoudingen (zeker waar het rangorden betreft) die binnen de schepping gelden. In Efeze 5 wordt zelfs helemaal teruggegrepen op Genesis. In Genesis 2 wordt gesproken over de schepping van Eva. Zij werd gemaakt uit Adam. Dat feit bepaalt automatisch dat Adam het hoofd (zelfs in letterlijke zin) van Eva was. Eva was en bleef het lichaam, danwel een deel van het lichaam van Adam. Adam bleef het hoofd van Eva, want dat was hij al voordat zij er was. Die hele uitspraak over “en zij twee (man en vrouw) zullen tot één vlees wezen” (Efeze 5 : 31) is alleen te verklaren vanuit de gedachte dat Adam en Eva één vlees waren, zelfs voordat zij Adam en Eva waren.

In dit Schriftgedeelte wordt gesproken over de Gemeente als Lichaam van Christus. Dit Schriftgedeelte wordt dikwijls misbruikt om te argumenteren dat de Gemeente zoiets zou zijn als de Bruid van Christus. Dat kan nooit, want dit Schriftgedeelte wordt ontleend aan Genesis. De eerste echtgenote onder de mensen is nooit bruid geweest. Zij was altijd al één vlees met haar man. Toen Eva haar ogen opsloeg, hoefde ze niet tot eenheid met de man te komen. Zij was zijn lichaam, danwel een lid van zijn lichaam (een deel van zijn lichaam). Zo is het met de Gemeente ook. Het Leven dat wij ontvangen hebben, is uit Christus. Wij zijn als Gemeente of als leden van de Gemeente niet ooit met Christus verbonden. Integendeel, we zijn op een of andere wijze naast Hem komen te staan, maar niettemin zijn en blijven wij één vlees (één Lichaam) met Christus. Dat is de gedachte. De Gemeente was niet Bruid en werd toen Vrouw. De Gemeente is ook niet Bruid en zal ook niet Vrouw worden. De Gemeente ís immers het Lichaam van Christus. Daar is altijd gemeenschap geweest en voor de Gemeente er was, was er niet iets anders. De Gemeente is nooit aan Christus toegevoegd. De Bijbelse gedachte is net andersom: de Gemeente is uit Christus genomen, maar bleef met Christus verbonden. Toen de Heer de komst van de Gemeente aankondigde, zei Hij tegen Zijn discipelen dat de Geest zou komen en dat Die Hem verheerlijken zou. Hij zei: “Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” (Johannes 16 :14) Dat gebeurt in onze dagen.

De eenheid van Schepper en schepping functioneert niet als een ideaal voorbeeld, omdat de eenheid van Schepper en schepping nu eenmaal verbroken is. De eenheid van Christus en de Gemeente is het ideale voorbeeld. In de eerste plaats omdat wij zelfvan die Gemeente deel uitmaken en omdat het daarbij gaat om een eenheid die niet eens verbroken kan worden. Die eenheid is er altijd geweest. Die eenheid (die gemeenschap) wordt als voorbeeld gesteld voor de gelovige man en vrouw. Voor de gelovigen gelden deze beginselen. De gelovige vrouw dient haar Heer (de Here Jezus Christus) in de eerste plaats door haar man onderdanig te zijn. Gehoorzaam zijn is wat anders, maar dat heb ik u al in een ander verband uitgelegd. Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen, maar men zou de overheid wel degelijk onderdanig zijn. Iets dergelijks geldt voor de gelovige vrouw tegenover een ongelovige man. Zij zou haar man onderdanig zijn, maar zij zou Gode meer gehoorzaam zijn. Dat kan problemen opleveren, maar dat hoeft niet noodzakelijk. Toch staat hier: “Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere; Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams”. (Efeze 5 : 22, 23) Let op “gelijk”. Er wordt een parallel gemaakt. Waar wij deze Geestelijke eenheid van Christus en de Gemeente leren verstaan, leren we ook de eenheid van man en vrouw verstaan.

Christus is de Behouder des Lichaams. Dat betekent dat Hij de Heelmaker en de Heelhouder is. Heel de gedachte is dat het Lichaam één is en niet tot ontbinding overgaat. Het Lichaam valt niet uit elkaar vanwege de levende gemeenschap van al die leden van het Lichaam met dat ene Hoofd. Dat is in ieder geval de Bijbelse gedachte die ook in 1 Korinthe 11 en in Efeze 4 uiteengezet wordt. De Gemeente is een levende eenheid. Dat betekent dat de leden van het Lichaam in leven gehouden worden en bovendien bij elkaar gehouden worden in één Lichaam vanuit, of door het Hoofd. Het Lichaam staat in verbinding met het Hoofd. Als soldaat moesten wij leren dat de dood was ingetreden, wanneer het hoofd van het lichaam gescheiden was. Het Hoofd houdt het Lichaam in stand. Dat is ook hier de grondgedachte. Dat geldt voor de Gemeente als zodanig, maar de toepassing vindt u hier op man en vrouw inde echt. Christus is de Behouder des Lichaam en op dezelfde wijze zou de man zijn vrouw behouden (onderhouden). Sprekend over de Gemeente zouden wij ons als leden van de Gemeente onderwerpen aan de Here Jezus Christus. We zouden Hem zoveel mogelijk gehoorzaam zijn en in ieder geval zouden we Hem onderdanig zijn. Dan zal Hij op grond daarvan voor ons zorgen. Dat is de grondgedachte. Dat komt in alle brieven terug. Zelfs in de Evangeliën wordt het al uitgebreid gezegd.

De Kolossenzenbrief is de paraIlelbrief van de Efezebrief. In Kolossenzen 3 :1 staat: “Zoekt de dingen, die boven zijn”. Al dat andere wat we dan nodig hebben, zullen wij van Hem ontvangen. Het geheim van een goed huwelijk is: de onderdanigheid van de vrouw aan de man en de zorg van de man voor de vrouw. Wij zouden hier vanuit leren leven. Het probleem is dat het beginselen zijn die nu niet meer gangbaar zijn. Misschien zijn ze ook wel nooit gangbaar geweest. Dat neemt niet weg dat wanneer wij ons laten vullen met het Woord (de Geest Gods), de uitwerking in ons huwelijk ook merkbaar zou moeten zijn.

Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles. Efeze 5:24

De onderdanigheid van de vrouw aan de man wordt hiervoor de tweede keer genoemd. Het eerste probleem in het huwelijk is het gebrek aan onderdanigheid van de vrouw aan de man. Timótheüs had er een brief van Paulus over gekregen. Dus het moet kloppen. Onderhouden en onderdanig zijn heeft van alles met elkaar te maken. Waar wij de Heer onderdanig zijn, waar wij ons onder de Heer houden of waar Hij kans ziet ons onder te houden, zal Hij ons onderhouden. Die gedachte wordt net zo goed op man en vrouw toegepast. Door de ontwikkelingen in de samenleving geeft dat problemen. In een oud boek uit de vorige eeuw stond dat waarde opstand van de mens tegen God steeds sterker wordt, tegelijkertijd in het algemeen de opstand van de vrouw tegen de man plaatsvindt. Dat is de oorsprong van de opkomst van de vrouwenbeweging. De opkomst van de moderne theologie, waarbij de mens zich aan het gezag van de Schrift onttrekt en zich boven de Schrift plaatst (iets wat allang gebeurt in de theologische wereld), is in wezen precies hetzelfde als de vrouwenbeweging die zich stelt boven de man in plaats van daaronder. Ik denk dat er voor die parallel wat te zeggen is. Ik blijf erbij dat dit soort ontwikkelingen gewoonlijk geen menselijke oorsprong hebben, maar ergens anders vandaan gestuurd worden. De god dezer eeuw (2 Korinthe 4 : 4), de overste dezer wereld (Johannes 12 : 31), de geest die werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid (Efeze 2 : 2) stuurt dat. De opstand van de vrouw tegen de man is dezelfde als de opstand van de schepping tegen de Schepper.

Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven. Efeze 5:25

In dit Schriftgedeelte staat niet eens dat de vrouw haar man zou liefhebben. Dat is toch eigenaardig? Het staat één keer in Titus 2 14. De uitspraak dat de vrouw haar man onderdanig zou zijn staat er vele malen. In Efeze 5, het Bijbelgedeelte dat er het uitgebreidst over spreekt, staat uitdrukkelijk dat de vrouwen hun eigen mannen onderdanig zouden zijn. De mannen zouden hun eigen vrouwen liefhebben. Daarvan afgeleid zouden de mannen de vrouwen onderhouden (met de goede klemtoon, maar onderhouden mag ook). Bovendien zouden de mannen hun vrouwen heiligen en heerlijk voor zich stellen. Dat legt de verantwoordelijkheid bij beide kanten. Ik weet wat het probleem is. Als je als echtgenoot van goede wil bent, maar de andere partij misschien niet, dan lukt het niet. De meesten willen meteen Bijbelse richtlijnen in verband met huwelijksmoeilijkheden. Die richtlijnen heb ik niet, want dat is heel moeilijk. De Schrift houdt ons alleen het ideaal voor en daar zouden wij naar streven.

Er staat dus: “Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente (precies eender) liefgehad heeft. Dat slaat niet op het verleden, want het is nog steeds tegenwoordige tijd. Christus had de Gemeente lief vanaf het begin en heeft haar nog steeds lief. Waaruit blijkt dat dan? Dat blijkt uit het feit, dat Hij Zichzelf voor haar heeft overgegeven. Dat is een prachtige uitspraak. Het spreekt over de positie van Christus nu. Het spreekt over de Christus, de Opgewekte uit de dood, Die Zich nu wijdt aan (Zich heeft overgegeven voor) de roeping, namelijk de opbouw van de Gemeente. Hier staat niet dat de Here Jezus Zich heeft laten kruisigen en de dood is ingegaan. Dat was niet alleen voor de Gemeente, maar voor alle mensen. Hij stierf voor allen (voor de wereld, voor zondaren, voor goddelozen, voor krachtelozen). Dat staat bijvoorbeeld in Romeinen 5 : 6-8 en in 2 Korinthe 5 :15. Hier staat dat Hij Zich heeft overgegeven voor de Gemeente. De gedachte is dat Hij aan Wie alle macht in hemelen en op aarde gegeven is (Matthéüs 28 :18) en Die met eer en heerlijkheid gekroond is (Hebreeën 2 : 9) en gezeten is op de allerhoogste troon (Hebreeën 1 :3), die heerlijkheid als het ware opgeeft. Dat wil zeggen dat Hij die heerlijkheid niet openbaart. Hij manifesteert Zich niet als de Verheerlijkte. Hij vestigt Zijn Koninkrijk dat Hij ontvangen heeft niet in de wereld. Integendeel, Hij heeft Zich als het ware teruggetrokken. Hij heeft Zich tot op heden beperkt tot het werk aan de Gemeente. De rest komt in de toekomst.

Het kenmerkende van onze bedeling is dat Hij Zijn Koninkrijk niet openbaart, maar Zich beperkt tot een geheim werk. Hij doet het als het ware incognito. Ongekend door de wereld, zonder Zich te manifesteren,zonder Zijn heerlijkheid te openbaren, houdt Hij Zich bezig met de roeping van de Gemeente. Dat staat hier in Efeze 5. Hij heeft bepaalde andere zaken voorlopig opgegeven. Sprekend over onze bedeling hoef ik dat er niet bij te zeggen. Christus heeft Zich nu voor haar, namelijk voor de Gemeente, overgegeven. Wat doet Hij dan voor de Gemeente? Hij doet iets waarvan vele Gemeenteleden denken dat zij dat zelf moeten doen. Wij denken altijd dat wij onszelf moeten reinigen en dat wij de Gemeente moeten reinigen. Dat is geen Bijbelse waarheid. De Bijbelse waarheid is dat Hij ons reinigen zal. Deze gedachte is vrij onbekend. Hoe reinigt Hij ons?

Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; Efeze 5:26

Het bad des waters is een beeld van het Woord Gods. Wij worden gereinigd door het Woord Gods. Wij zouden ons overgeven aan het Woord Gods en daarmee aan de reinigende werking van het Woord Gods. Aangezien dat Woord Gods niets anders is dan Christus, is het dus Christus Die ons reinigt en heiligt. De tragiek is dat leden van de Gemeente altijd maar bezig zijn zichzelf te reinigen. Ze komen van kwaad tot erger en het wordt nooit wat. Waar men zichzelf rein genoeg acht in vergelijking met anderen gaat men ertoe over om anderen, dus de Gemeente, te reinigen. Daar komt helemaal niets van terecht. Ik denk weleens dat de Heer Degene is Die zorgt dat er niets van terecht komt. Hij heeft er belang bij dat er niets van terecht komt, opdat wij zouden leren onszelf aan Hem over te geven, aan Zijn Woord en dus aan Zijn reinigende werking. Hij is Degene Die van Zijn heerlijkheid, van Zijn erkenning en verhoging in de wereld afgezien heeft, opdat Hij ons zou reinigen. Opdat Hij ons als Zijn volk, als Zijn Lichaam, als Zijn vrouw, zou reinigen en heerlijk voor Zich stellen. Het is dus in wezen godslasterlijk dat wij bezig zijn onszelf, danwel de Gemeente te reinigen. Het is godslasterlijk dat wij iets doen waarvan de Heer gezegd heeft dat Hij het zou doen.

Als wij begrijpen wat de Heer voor de Gemeente doet, dan begrijpen wij ook wat de man voor zijn vrouw zou doen. Nu ligt het probleem ineens bij de mannen. Aangezien er maar weinigen zijn die begrijpen wat de Heer voor de Gemeente doet, mag ik aannemen dat er nog minder zijn die begrijpen wat de man voor zijn vrouw zal doen. De problemen liggen nu opeens aan beide zijden. Waar wij het werk Gods, het werk van Christus in onze dagen leren verstaan, waar wij de identiteit en de hoedanigheid van de Gemeente leren verstaan, weten wij ineens hoe wijzelf zouden leven. Sterker nog, wij weten dat niet alleen, wij zullen geneigd zijn om dat ook daadwerkelijk op dezelfde wijze in praktijk te brengen. Ik geloof ook niet dat het zin heeft om gelovigen te vertellen hoe ze hun leven, hun gezin en hun huwelijk zouden moeten indelen. Dat kunnen ze toch niet. Het heeft zin dat wij leren verstaan wie Christus is en wat Hij doet. Daaruit vloeit onze praktische levenswandel voort.

Ik hoop dat uit dit Schriftgedeelte duidelijk is geworden dat waar wij de Heer zouden dienen, wij dat in de eerste plaats binnen ons huwelijk zouden doen. Met excuses aan de ongetrouwden onder ons. Niettemin is dat wel de gedachte. Niet omdat het voor de vrouw of voor de man het beste zou zijn. Niet omdat het leven dan zo gemakkelijk verloopt, maar wel omdat het in overeenstemming is met de wil Gods. Bovendien is het zo’n fraaie afspiegeling van deze veel hogere geestelijke waarheid. Waar wij de Heer dienen, is Hij Degene Die voor ons zou zorgen en ons genade, barmhartigheid en hulp te bekwamer tijd zou geven. (Hebreeën 4:16) Waar wij deze dingen nastreven, is Hij Degene Die ons hulp en dus genade geeft om tot deze dingen te komen.

Er staat toch: “Wordt vervuld met de Geest”. (Efeze 5 :18) Als gevolg daarvan werden deze dingen meteen beschreven. Waar de Geest Gods kracht van omhoog of kracht Gods is, zal het zo zijn dat die Geest ons de kracht geeft om te komen tot die dingen die in Efeze 5 :19 en verder beschreven zijn. Waar wij de Heer willen dienen, wordt vastgesteld dat wij dat niet kunnen. Toch kunnen wij dat wel, omdat Hij ons daartoe Zijn Geest, Zijn kracht, heeft gegeven.

De Heer zei tegen Paulus: “Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in (uw) zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12 : 9) Dat wij dit soort zaken niet in eigen kracht kunnen, ligt natuurlijk zeer voor de hand. Dat hoeft niemand te zeggen. Het hele punt is dat de Heer ons kracht zal geven. Dat betekent dat deze dingen in de eerste plaats juist dingen zijn waarmee of waarvan of waardoor de Heer gediend wordt. Pas daarna wordt over bredere zaken gesproken. De vrouw zou een deel van haar leven opgeven om haar man te dienen. De man zou ook een deel van zijn leven opgeven om zijn vrouw te dienen. In dat verband wordt niet het woord dienen, maar liefhebben gebruikt. Dienen veronderstelt rangorde. Daarom wordt dienen niet in verband met de man gebruikt. Het is niet zo dat de Heer óns dient. De Heer verzorgt en reinigt Zijn Gemeente. Dat heeft de Gemeente nodig. Wij noemen dat dienen, maar dat is ten onrechte. Hij geeft ons wat wij nodig hebben, opdat wij Hem zouden dienen. Zo stelt een eventuele baas (werkgever) ons in staat om het werk te doen wat hij gedaan wil hebben. Daarmee dient hij ons niet! Hij stelt ons in staat om hem te dienen. Deze gedachte wordt hier naar voren gebracht in verband met de Gemeente. Tegelijkertijd wordt die gedachte toegepast op man en vrouw. De vrouw zou aan de man onderdanig zijn en de man dienen. De man zou voor de vrouw zorgen en is in beginsel voor haar verantwoordelijk.

Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. Efeze 5:27

Ik denk dat mannen er belang bij hebben dat hun vrouw heilig, rein en in ieder geval heerlijk en zonder vlek of rimpel is. Sommigen halen daar de schouders over op. Het is wel een betrekkelijk normale en Bijbelse gedachte. Ik denk dat de schoonheid van de vrouw (heilig, rein, heerlijk, zonder vlek of rimpel) voor een groot deel door de man bepaald wordt. De man kan zorgen dat de vrouw een goed leven heeft. Dat heeft een uitwerking op heel haar doen en laten, op haar gedrag, op haar uiterlijk.

Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief. Efeze 5 : 28

Er staat niet dat de mannen schuldig zijn hun eigen vrouwen lief te hebben. Dat kun je ze wel zeggen, maar hoe doen ze dat? “Liefde kun je niet dwingen,” zeggen ze altijd. Er staat niet dat het moet. Er staat: “Alzo (op deze wijze) zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen, want zo heeft Christus Zijn Gemeente, namelijk Zijn Lichaam lief’. Bovendien staat erbij: “Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelve lief.” Het schijnt zo te zijn dat mannen in beginsel hun eigen lichaam liefhebben. Er wordt namelijk gewoon gezegd, dat die vrouw het eigen lichaam is. Zij worden geacht één lichaam te zijn. Wij lezen één vlees. Bij vlees hebben we ineens een heel beperkt bevattingsvermogen. Vlees staat gewoon voor lichaam. Een lichaam is hetzelfde als een organisme. De getrouwde man en vrouw zijn een organische, danwel een organisatorische en volgens sommigen met grote nadruk een wettige eenheid. Het is dus één lichaam. Waar de vrouw de man onderdanig is, is de vrouw het lichaam van de man. Zo zit dat gewoon. Dat de man die vrouw zou liefhebben, is dan ook een betrekkelijk vanzelfsprekende zaak.

In onze tegenwoordige samenleving, voor zover die nog bestaat, denken wij dat een huwelijk op basis van liefde gesloten zou moeten worden. Ik zal dat niet bestrijden. Het eigenaardige is dat dat in de Schrift en ook in andere culturen, lang niet altijd zo is. In Hooglied is dat natuurlijk wel zo. Het is zelfs een Bijbelse aangelegenheid dat de ouders de echtelieden voor hun kinderen uitzochten. Dat werd al betrekkelijk vroeg geregeld. Als het goed is, hebben de ouders een beter inzicht in de karakters van hun kinderen dan hun kinderen zelf. Welke jongen of meisje kent zichzelf? De ouders doorzien, als het goed is, veel beter welke karakters overeenstemmen. Ze hebben daar veel beter inzicht in. Op die grond zouden zij beter in staat zijn om een echtgenoot of echtgenote voor hun kinderen te zoeken. Waar de aanstaande echtgenoot (echtgenote) die door de ouders is uitgezocht, qua karakter en aard redelijk met de andere partij overeenkomt en waar de twee partijen bovendien beiden van goede wil zijn om de functie in het huwelijk te vervullen, zoals het hier van Godswege verwacht wordt, daar ontstaat liefde.  Daar is liefde niet de basis van het huwelijk, maar daar is de liefde de vrucht van het huwelijk. Dit past niet in onze cultuur, maar het is een volstrekt Bijbelse gang van zaken.

Toen ik tot geloof kwam, was dat niet omdat ik de Heer zo liefhad. Ik kende de Heer niet eens. Als wij tot geloof komen, dan nemen wij onze plaats in. Dan erkennen wij de Schepper als Schepper. Dan erkennen wij de Heer als Heer. Dan erkennen wij onze Verlosser als Degene Die recht heeft op ons leven. Of dat nou liefde in de meer emotionele betekenis van het woord is, waag ik nog te betwijfelen. Als u het mij vraagt ontstaat liefde pas later, doordat wij de Heer beter leren kennen. Naarmate wij de Heer leren kennen, leren wij de Heer liefhebben. Daarom zeg ik ook zo vaak: “Kennen is eigenlijk liefhebben.” Daar is maar een heel subtiel verschil tussen, maar fundamenteel is het hetzelfde. Waar we elkaar leren kennen, leren we elkaar liefhebben. Zo zou het tussen man en vrouw eigenlijk ook zijn, met instandhouding van het wederzijdse respect. Liefde zou groeien. Zo is het in ons geestelijk leven, waarin onze liefde voor de Heer groeit. Zo zou het ook in het huwelijk zijn. Zo was het al bij onze aartsvaders. Izak en Rebekka werden eerst man en vrouw, daarna kreeg hij haar lief. In die volgorde. In veel gevallen komt er geen liefde door een verkeerde keuze. Daar is weinig meer aan te doen.

De grondgedachte blijft dat wij in een bepaalde relatie tot elkaar zouden staan. Man en vrouw zouden hun plaats innemen. Het is een plaats overeenkomstig de positie die nu eenmaal aan de echtgenoot en de echtgenote is en was toegewezen. Dat is de gang van zaken. Daarmee wordt de Heer gediend en slechts daarin zal de Heer eventueel genade, barmhartigheid en hulp geven, waar dat nodig is. Dat is de Bijbelse gedachte. Dat is heel wat meer dan wat men een scheppingsorde noemt. Wij praten niet over man en vrouw. Wij praten over wedergeboren mensen. Het gaat over leden van het Lichaam van Christus. Over degenen die zich onderworpen hebben aan Degene aan Wie gegeven is alle macht in hemel en op aarde. Het gaat over degenen die leven uit de heerschappij van Gods genade. We hebben het niet over hoe we door het leven zouden gaan. Het is geen voorlichtingspraatje of iets dergelijks. We hebben het erover hoe we de Heer zouden dienen. We zouden ons laten vullen met het Woord, namelijk met de Geest. Het gaat om de uitwerking in ons persoonlijke leven.

9. Waartoe zijn we elkander onderdanig
of gehoorzaam in het gezin?

Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht. Efeze 6:1

Let op het verschil met Efeze 5 : 22. Daar staat: “Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig.” Efeze 6 :1 zegt: “Gij kinderen, weest uw ouderen gehoorzaam.” Kinderen zouden niet alleen onderdanig zijn, maar ook in alles gehoorzaam zijn. Kinderen zijn onvolwassen. Zij worden op die grond en volgens Bijbelse beginselen geïdentificeerd met de ouders. Ze worden geacht één te zijn met de ouders. De gedachte is dat die kinderen van gelovige ouders deel uitmaken van de Gemeente met al de consequenties (gevolgen) van dien. Dat betekent ook dat als morgen “de opname” van de Gemeente is, de kinderen mee “naar boven gaan”. De ouders maken deel uit van de Gemeente, dus die kinderen ook. Als die kinderen beoordeeld zouden worden op grond van of ze al of niet gelovig zijn, dan zijn ze geen kinderen meer. Dan worden ze geoordeeld op persoonlijke titel. Dan worden ze geacht verantwoordelijkheden te dragen, danwel te kunnen dragen en dan zijn ze in die zin volwassen. Zolang ze aangesproken worden als kinderen, is dat niet op grond van hun geloof, maar op grond van het gezin waarvan ze deel uitmaken. Het gezin wordt beheerst door gelovige ouders. Die kinderen van gelovige ouders worden opgevoed in de vreze des Heren, want dat staat in Efeze 6 :4. Daar staat: “In de lering en vermaning des Heeren.” Tot die kinderen wordt gezegd: “Zijt uw ouderen gehoorzaam.” Dat is ook de bedoeling in een ongelovige wereld, maar het heeft natuurlijk geen enkele zin om dat in zo’n briefte schrijven. Die brief komt toch niet bij hen terecht. Het gehoorzaam zijn aan de ouders is recht voor God.

2 Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte),
3 Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde. Efeze 6:2,3

Dit is een citaat uit de wet. Maar wij zijn toch niet onder de wet? Wat moeten wij nu met de wet? Daar kan maar één antwoord op zijn. Het gaat niet om de wet, maar om de belofte die eraan hangt. Bovendien heeft het geen enkele zin om die belofte te vermelden als deze belofte niet meer van kracht zou zijn. Die belofte uit Exodus 20 :12 wordt hier herhaald. Waar kinderen hun vader en moeder eren, daar zal het hun welgaan. In die zin dat ze lang zouden leven op aarde. Dat staat hier. Dat is de belofte die ook aan kinderen beloofd wordt. Ze zouden de ouderen gehoorzaam zijn en vader en moeder eren. Er staat meteen bij: “Hetwelk het eerste gebod is met een belofte”. Die belofte blijft nog steeds in stand en is nog steeds van kracht. Ik ben van mening dat kinderen normaal gesproken hun ouders zouden navolgen. Dat is de wijze waarop ze die ouders zouden eren. Ouders willen het liefst dat hun kinderen hun voorbeeld navolgen. Wat voor doel heeft hun opvoeding anders? Wat is opvoeding trouwens? Het goede voorbeeld geven is de enige opvoeding die er bestaat. Al dat andere heet onderwijs en dat heeft met lesgeven te maken. Opvoeding is het voorbeeld wat de ouders geven in de hoop dat hun kinderen het zullen navolgen. Dat weten de ouders meestal wel, maar de kinderen niet. Als de kinderen hun ouders navolgen is dat populair gezegd goed voor hun gezondheid. Als het goed is voor hun gezondheid zullen ze lang leven. Nog afgezien van het feit dat het een belofte Gods is. Ik zie het zelf in het algemeen als een wetmatigheid, uitzonderingen daar gelaten. Ik denk dat het heel gezond is als kinderen het voorbeeld van hun ouders volgen. Lees de Bijbelse geschiedenis maar.

De normale gedachte is dat de kinderen het goede voorbeeld van de ouders zouden volgen. Gelovige ouders geven per definitie het goede voorbeeld, al was het maar door hun geloof en hun wandel uit geloof. Dat voorbeeld is in overeenstemming met de wil van God met een belofte. De Heer Jezus Zelf volgde het voorbeeld van Zijn Vader en het goede voorbeeld van Zijn moeder. Zijn moeder is Zijn volk of beter gezegd Abraham, Izak, Jakob. Zij wandelden in geloof en daarop volgde die belofte. Dat de Heer op grond van Zijn geloof (gehoorzaamheid aan de Vader) eeuwig leven heeft ontvangen, lijkt mij een duidelijke zaak.

En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren. Efeze 6:4

Waar vaders geneigd zijn met geweld (met toorn) hun kinderen op te voeden, zal dat niet veel effect hebben. Dat heeft geen zin. De Bijbel zegt echter wel: “Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven. Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden”. (Spreuken 23 :13,14) Zie ook Spreuken 13 : 24 en 29 :15,17. De andere kant van het verhaal is dat men de kinderen niet zou opwekken tot toorn. Men zou ze niet ontmoedigen, maar in de eerste plaats opvoeden in de lering en vermaning des Heren, namelijk in het Woord des Heren. Als wij onze kinderen al iets kunnen meegeven, dan zou het juist het Woord Gods zijn: de lering en vermaning des Heren. Hoe verschillend de karakters van de kinderen wellicht ook zijn, het Woord Gods is het belangrijkste wat de mens in zijn leven kan meekrijgen. Zo zou het dus moeten gaan.

Dit alles is een uiteenzetting aangaande de inleidende opmerking van Efeze 5 : 21. Daar staat: “Elkander onderdanig zijnde in de vreze van Christus”. Het gaat om de verhoudingen tussen gelovigen onderling. Het gaat om de plaats die de gelovige zou innemen. Dat is het belangrijkste dat er is. Sommige mensen menen te moeten zoeken naar hun eigen identiteit. Die bestaat niet. Wij zouden naar onze eigen plaats zoeken en op het moment dat wij die plaats innemen, hebben wij die identiteit. Als kind (als baby) hebben wij niets en zijn wij niets. Wij zijn leeg en moeten ergens mee gevuld worden. We hebben als kind alleen een naam gekregen. Het is de bedoeling dat wij onze plaats innemen in overeenstemming met de wil van God. Aan het innemen van die plaats ontlenen wij onze identiteit. Pas dan zijn wij iets. Als kind van God geldt precies hetzelfde. Kind van God zijn betekent in de praktijk van ons leven niets als wij niet de plaats innemen die God ons als Zijn kind toegewezen heeft. Hetzelfde geldt voor de Heer Jezus. Hij was een Kind van God. Hij was uit God geboren. Dat zou niets betekend hebben als Hij niet Zijn overeenkomstige positie had ingenomen of, nog breder: als Hij niet de loopbaan gelopen had die God voor Hem bestemd had. (Hebreeën 12 :1)

God heeft ons ook een plaats gegeven. God heeft ons een loopbaan voorgesteld die wij zouden lopen en daaraan ontlenen wij onze identiteit. Van Paulus weten wij eigenlijk niets. Wij weten slechts één ding van hem. Hij was een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel. Als we praten over wie hij was, over zijn leven als zodanig en over hoe hij dacht, dan heeft dat niets met Paulus te maken, maar met Christus in hem. Wij kennen Paulus’ identiteit niet en die hoeven wij ook niet te kennen. Met betrekking tot de Here Jezus geldt hetzelfde. Wij weten welke positie Hij innam en inneemt. Wij weten welke weg Hij is gegaan. Wij weten een klein beetje over Zijn overleggingen en emoties. Het voorbeeld dat Hij geeft is dat Hij de plaats innam die God voor Hem bestemd had. Hij ging die weg. Waarheen die weg ook zou leiden. In Hebreeën 11 : 8 staat van Abraham: “Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.” Als je gelooft in God ben je volgens de zingende zusjes een zwerver op reis naar de feestzaal. Je ontleent je identiteit aan het feit datje een kind van God bent en uit genade zalig geworden bent en nu de Heer dient. Dat komt tot uitdrukking in alle facetten van ons leven, hoewel die facetten van dat leven van nature wellicht gewoon naar het vlees waren. Ik zei al dat er niets zo vleselijk is als een huwelijk, een gezin, kinderen krijgen en opvoeden. Het is puur vlees en van de oude mens. Het neemt niet weg, dat ze voor een gelovige op een veel hoger plan gebracht worden. Het gaat erom dat wij als gelovigen eerst dat leven leren leven. Pas daarna wordt over meer geestelijke zaken gesproken. Het gaat erom dat we die dingen doen en die dingen leven vanuit de Geest en in de kracht van de Geest. Dat is de enige manier waarop je eventueel over het huwelijk kunt spreken als een geestelijke zaak. Voor de natuurlijke mens is het gewoon vlees. Dat blijft in alle brieven zo. We zouden niet in de kracht van het vlees, maar in de kracht van de Geest leven. Dat is de wil van God.

10.  Waartoe zijn we onze werkgever gehoorzaam?

Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam (= niet onderdanig) uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Efeze 6:5

Uw heren naar het vlees zijn uw werkgevers. Zoals men aan Christus gehoorzaam zou zijn, zo zou men zijn heer (of haar heer) naar het vlees ook gehoorzaam zijn. Precies op dezelfde wijze. Er staat bij: “In eenvoudigheid uws harten.” Dat wil zeggen met een enkelvoudig hart. Een enkelvoudig hart is een hart zonder bijbedoelingen. Het hart zou zich maar met één ding (één doel) bezighouden, zodat het denken maar op één ding gericht is, namelijk op het dienen van deze heer naar het vlees. Zonder bijbedoelingen. Dit wordt in het volgende vers uitgelegd.

Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte; Efeze 6:6

Men zou zijn heer niet dienen om mensen te behagen, danwel die heer naar het vlees te behagen. We zouden dienen als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte. Het is dus de wil van God dat men als werknemer de werkgever zou dienen. Dat is zwak uitgedrukt. In de eerste plaats wordt niet alleen aan de werkgever gedacht, maar aan een heer naar het vlees. De werknemer is feitelijk de slaaf (de lijfeigene). Slaaf is niet zo’n zwaar begrip als in de dagen van de slavernij. In de oudheid was men als werknemer in werkelijkheid lijfeigene van een heer. Dat was de normale gang van zaken. Die heer zou men dus dienen, omdat dat de wil van God is. Hier in deze hoofdstukken en in andere brieven staat precies hetzelfde. Al deze uitspraken wijzen in de eerste plaats op de plaats die de gelovige zou innemen. Hij of zij zou zijn of haar positie kennen en dienovereenkomstig leven. Het is tamelijk strijdig met de tegenwoordige gangbare opvattingen, waarbij er gewoonlijk naar gestreefd wordt om die positie te verbeteren of om verandering te brengen in die positie. Wij lezen in de Schrift dat het de wil van God is dat wij de positie die wij hebben ook naar behoren zouden vervullen. We zouden daarin trouw zijn, zonder naar het hogere te zoeken (Romeinen 12 :16) en zonder naar verbetering van die positie te zoeken. De duivel zocht naar verbetering van positie. De duivel was niet tevreden met zijn positie. Dat was en is de oorzaak van de zonde. Sommigen weigeren om dat letterlijk te nemen, maar ook als je het overdrachtelijk neemt, verandert er niets. Stel dat het geen letterlijke historie is, dan is het streven naar hoger en hoger nog altijd een streven tegen God in. Het schepsel (de schepping), maar ook de individuele leden van de schepping zouden zich onderwerpen aan de Schepper en de plaats innemen die hen kennelijk van bovenaf geschonken is. Ik bedoel het positief.

In Filippenzen 2 : 6, 7 wordt gesproken over de Here Jezus Christus in Zijn menswording. Hij Die de gedaante (gestaltenis) Gods was, Hij Die Gode even gelijk was, heeft Zichzelven geledigd (vernietigd). Hij heeft de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen. Hij was God en dus Heer. Het tegenovergestelde van Heer is dienstknecht. Hij was de gestaltenis Gods en nam de gestaltenis van een dienstknecht aan. Hoe ziet een dienstknecht er dan uit? Dat staat erachter, namelijk als een mens. Hij heeft de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen en is de mensen gelijk geworden. Het zijn geen twee dingen. Over welk verschil gaat het hier anders? God is die Heer (de Baas) en Hij werd mens. Dus werd Hij per definitie een dienstknecht. Dat betekent tegelijkertijd dat de mens per definitie een dienstknecht is. De mens moet dus altijd leren dienen. Het is moeilijk om te leren dienen, om altijd maar te moeten doen wat er gezegd wordt. Het is moeilijk om niet de vrijheid te hebben je eigen leven in te richten. Het belangrijkste is dat een mens en dus ook een kind leert om een onderdanige positie in te nemen, waarin hij maar tot op zekere hoogte vrij is. Hij is in ieder geval vrij om te denken wat hij wil, maar niet vrij om te doen wat hij wil en dus ook niet vrij om te gaan en staan waar hij wil. Het leven kent verplichtingen. Een mens moet dienen. Een mens is niet onafhankelijk, maar onderdanig. Dat is de gedachte.

Als wij vroeg leren onderdanig te zijn (te dienen) is dat zeer bevordelijk voor de rest van ons leven. Daarom zouden kinderen leren hun ouders te gehoorzamen en hun ouders te eren. Als zij vroeg discipline (volgzaamheid) leren, hebben ze daar hun hele leven profijt van. leder van ons (maar het geldt ook voor een ongelovige) komt op een bepaald moment in het leven tot de ontdekking dat hij aan het einde van zijn rit nog steeds anderen boven zich heeft die zijn leven bepalen. Al ben je nog zozeer zelfstandig ondernemer en al ben je nog zo’n groot zakenman, als je geen afzet (markt) hebt, vallen er geen zaken meer te doen, want je bent van die markt afhankelijk. Op alle terreinen van het leven, ook in het economische, maatschappelijke en politieke leven geldt dan men altijd afhankelijk is. Men is altijd onderworpen aan de eigen beperkingen van de eigen natuur, van het eigen leven en van het eigen lichaam niet te vergeten. Uiteindelijk is men onderworpen aan de dood. Dat is een kwestie van tijd en dan kom je daar ook achter. Men is nooit vrij. Men is altijd ergens aan onderworpen. Als men dat nu zo vroeg mogelijk leert, dan heeft men de rest van zijn leven ter beschikking om het zo goed mogelijk in te richten en daaruit te leven. Dan hoeft men niet meer te strijden tegen al die machten en invloeden en al die mensen, vooral die hoger geplaatst zijn. Dat blijft altijd zo. Hoe hoog je ook op de maatschappelijke ladder komt. Waar men zo vroeg mogelijk leert vanuit die onderdanige positie te leven, zal men het in het leven nog ver brengen. Dat meen ik echt. Ik heb jaren geleden bij een baas in de fabriek gewerkt. Ik heb heel goed gezien en ervaren dat als je zelf probeert hogerop te komen (een hogere positie, een hogere inschaling, een groter salaris of chef worden), het je niet lukt. Als het je wel lukt, kom je vervolgens in een psychiatrische inrichting terecht, omdat je op een positie terecht bent gekomen die je niet eens aankunt. Je hebt met je grote mond iets voor elkaar gekregen wat je later niet waar kunt maken. Daar wordt je overspannen van. Waar een werknemer gewoon doet wat van hem verwacht wordt, maakt hij een aardige kans om een beetje hogerop te komen. Dan loopt hij niet de kans zichzelf voorbij te lopen.

In Efeze 6 :5 staat niet dat dit onderdanig zijn aan je heer naar het vlees de beste manier is om carrière te maken. De Schrift zegt gewoon dat dit naar de wil van God is. Het Zijn wil dat we zouden leren onderdanig te zijn. In al die dingen die van nature gewoon vleselijke zaken zijn, zouden we in de eerste plaats de Heer dienen. Dat is helemaal niet hoog gegrepen. Het gaat niet om een hoge verantwoordelijkheid in de Gemeente of om een dienstknecht van God met hoofdletters te zijn. Het gaat gewoon eerst om het eenvoudige aardse maatschappelijke leven. Hoe dient de werknemer de Here Jezus Christus? Door zijn werkgever onderdanig te zijn. Zo werkt het. Dat is de wil van God. Hoe zou hij dat doen? Niet naar ogendienst, niet als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte. (Efeze 6 : 6) Voor een beter salaris en om te promoveren? Het antwoord is: Ja en nee. Wel voor een beter salaris, maar niet van je aardse baas.

Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen; Efeze 6:7

Als men de Heer zo dient, mag men verwachten, dat men door de Heer zal worden onderhouden. Van Hem zullen we loon ontvangen. Waar men zich zo onderwerpt aan een heer naar het vlees, daar is men ook de Heer Jezus Christus onderdanig en Hij zal belonen. Zeg nou niet dat u daar geen brood voor kunt kopen, want dat kan wel als het nodig mocht zijn. Dat meen ik. Er staat nergens dat het pas in de toekomst zal komen. Dat staat er ook, maar niet uitsluitend.

8 Wetende (in de wetenschap), dat zo wat goed een ieder gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije.
9 En gij heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat geen aanneming des persoons bij Hem is. Efeze 6:8,9

Iedereen is uiteindelijk dienstknecht en bevindt zich in een onderdanige positie ten opzichte van iemand anders die hoger is. God is de Hoogste, dus geldt dit voor alle mensen. Wij zouden in die onderdanige positie moeten leven en daarin trouw zijn, om van de Heer loon te ontvangen. Voor de gelovige moet dat een steekhoudend argument zijn. Waar wij zo door het leven gaan, zullen wij door de Heer beloond worden. Aan de ene kant nu en voor een belangrijk deel straks in de toekomst. Diezelfde waarheid vinden we ook in Kolossenzen.

Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. Kolossenzen 3:16

Het resultaat van dat het Woord van Christus rijkelijk in ons woont, is dat we het Woord Gods spreken en dat we allen dezelfde dingen spreken.

En al wat gij doet met woorden of met werken (= allebei), doet het alles in den Naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem. Kolossenzen 3:17

Geldt dat voor alles? Jawel.
In Kolossenzen 3 :18-24 staat dan meteen:

18 Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.
19 Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.
20 Gij kinderen zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehagelijk. Kolossenzen 3:18-20

Het is de ouders natuurlijk ook behaaglijk, maar het is in de eerste plaats de Here welbehaaglijk! Een dienstknecht zou zijn Heer naar het vlees dienen. Niet omdat het die heer welbehagelijk is, maar omdat het de Here in de hemel welbehagelijk is.

Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. Kolossenzen 3:21

Dat is duidelijker dan in Efeze 6 14. Daar staat: “Verwekt uw kinderen niet tot toorn”.

Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God. Kolossenzen 3:22

Het blijft altijd gelden dat men Gode meer gehoorzaam moet zijn dan mensen. Dit is het beginsel.
We zouden niet de heer naar het vlees vrezen, maar God!

En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere, en niet den mensen; Kolossenzen 3:23

Je kunt alles van harte doen, ook al is het voor een ongelovige heer. Dat maakt niet uit. Het gaat erom dat wij de Heer zouden dienen en betrouwbaar (trouw) zouden zijn in elke verantwoordelijkheid die wij om wat voor reden dan ook zouden dragen. Dat geldt in ons aardse leven.

Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus. Kolossenzen 3:24

Hier wordt zowel de term vergelding als erfenis gebruikt. Het betekent dat we in de toekomst beloond zullen worden en wel voor de rechterstoel van Christus. Weet u wel dat u voor de rechterstoel van Christus beloond zult worden voor uw dienst aan uw aardse werkgever? Dat gaat nota bene buiten de vakbond om. Dat is Bijbels, want er staat: “Gij dient den Heere Christus”. Dat maakt een einde aan het verhaal dat wij lid zouden zijn van een vakbond, omdat we nog een dienstbetrekking hebben. Er zijn beroepen, waarvoor het echt verplicht is en er zijn landen waar men geen werk krijgt zonder lid te zijn van een vakbond. In de Schrift wordt gezegd dat al deze dingen voor gelovigen niet beschouwd worden als vlees, maar als geestelijke dingen. Het is dienst aan de Heer. Je kunt je niet voorstellen dat de Heer gebaat of gediend is bij het schroeven van een “nippeltje aan een transistortje”. Daar gaat het ook niet om. Het gaat erom dat wij trouw zouden zijn in de dienst waarin wij geplaatst zijn.

God verwacht van de mens in het algemeen (van de schepping, van het schepsel), dat hij niet naar het hogere zou zoeken. Hij zou zich voegen naar het nederige. (Romeinen 12 :16) Hij zou vergenoegd zijn (tevreden zijn). Hij zou vrede hebben met de situatie waarin hij zich bevindt. Hij zou betrouwbaar, standvastig en onveranderlijk zijn. Paulus schreef aan Timótheüs: “Maak dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij. (2 Timótheüs 4 : 5)” Dat geldt voor elke gelovige. Onze baas naar het vlees zou van onze dienst ten volle verzekerd moeten zijn. Het is naar de wil van God dat we trouw zijn in de positie of in de functie waarin wij geplaatst zijn. Als er in die positie of functie verandering zou moeten komen, zou die verandering niet moeten ontstaan op initiatief van onszelf, maar op initiatief van de Heer Zelf. Wij zouden in de eerste plaats trouw zijn. Of dat nu in het grote of in het kleine is, doet allemaal niets terzake. Uiteindelijk blijft het verhoudingsgewijs altijd klein. Dus wordt van de gelovige verwacht dat hij over dat weinige trouw is. Daarvoor zal hij beloond worden door de Heer. Wij zijn als gelovigen allemaal fulltimers. Wij zijn toch allemaal met heel ons leven Zijn eigendom? Wij zouden toch met heel ons leven Hem dienen? Dat u en ik dat op verschillende manieren doen, verandert daar helemaal niets aan. Alles wat wij doen, zou een dienst aan de Heer zijn. In alles wat wij doen, zouden wij trouw zijn, in elk aspect van ons leven.

Een van de merkwaardigste dingen, misschien wel geheimen, van onze bedeling (de tijd vanaf de opstanding van Christus tot aan de Jongste Dag) is dat de nieuwe schepping al tot stand gekomen is, maar dat die oude nog bestaat. De bedoeling is dat het nieuwe leven (het leven van Christus) nu in dit oude leven geleefd zou worden. Het nieuwe leven zou in dit vlees geleefd worden als een demonstratie, als bewijs van Godswege dat het leven van Christus krachtiger is dan alle krachten van deze oude schepping. Waar de mens van nature geneigd is zichzelf te ontwikkelen, te strijden in dit leven, zichzelf te verhogen ten koste van anderen, daar is het de bedoeling dat wij, die het leven van Christus deelachtig zijn geworden, leren leven uit genade en uit de hand Gods. Niets meer en niets minder. Dat heeft in de eerste plaats betrekking op dit oude leven.

Ik had nog graag uitgebreid gesproken over de verhoudingen binnen de Gemeente als zodanig en over de gelovigen onderling. Over meer geestelijke zaken, namelijk hoe wij met elkaar zouden omgaan. Misschien is het wel goed dat we daar nu niet eens aan toekomen. We zouden namelijk eerst leren verstaan dat wij met heel ons leven, ook in al onze maatschappelijke verhoudingen en relaties, trouw zouden zijn aan de Heer. Niet omdat het gaat om het leven uit beginselen van een oude schepping, hoewel het dat zijn, maar opdat wij zouden leren leven uit de hand Gods en uit de kracht van Gods Geest. God zou ons geven wat wij nodig hebben. Het blijft zo dat wij leven in de bedeling der verborgenheid (Efeze 3 :9) en dat de Heer in het verborgene werkt. Je kunt om die reden overal vraagtekens bijzetten. Ik bedoel dit: Je doet misschien heel goed je best op je werk om een beetje vooruit te komen en een beetje hoger te komen op de maatschappelijke ladder. Misschien komt er niets van terecht. Hoe komt dat nou? Ben je niet goed genoeg? Het zou kunnen. Doe je niet goed genoeg je best? Het zou kunnen. Zijn de maatschappelijke of economische omstandigheden zodanig dat er geen ruimte voor is? Dat zou ook kunnen. Het zou ook kunnen dat de Heer zegt: “Laat hij al dat streberige gedoe maar eens afleren. Laat hij maar leren tevreden te zijn met wie hij is en met zijn omstandigheden.” Dat kan toch heel goed? Het kan net zo goed andersom zijn. Mensen die weinig moeite doen, kunnen naar onze aardse begrippen wel degelijk vooruitkomen in het leven. Hoe komt dat? Omdat zij voor het geluk geboren zijn? Omdat zij zulke grote capaciteiten hebben? Het zou best kunnen. Het kan net zo goed zijn, omdat ze trouw zijn aan de Heer en Hem dienen. De Heer zorgt in dat geval dat het zo goed gaat. Dat kunnen u en ik niet bewijzen. Ik kan wel bewijzen dat de Heer zulke dingen zo zondermeer in het algemeen doet. Hij werkt in het verborgene.

Ik heb iemand gekend die een goed bedrijf had. Hij hield glashard vol dat hij er niet zoveel aan deed. Uit dat bedrijf moesten echter wel de plaatselijke kerk, een belangrijk deel van het salaris van de dominee en een bejaardencentrum betaald worden. Dat werd allemaal door die ene man uit dat bedrijf betaald. Toch zei hij: “Het gaat mij goed.” Hij beweerde eigenlijk dat het zo goed ging, omdat een belangrijk deel van de opbrengst van het bedrijf naar het werk van de Heer ging. De Heer zorgde dat het bedrijf draaide. Is dat een mooi vroom verhaal? Ik acht zoiets wel mogelijk. De kans is groot dat op het moment dat de Heer niet meer op die wijze gediend wordt, het daarna met het bedrijf ook slecht gaat. Ik acht die kans heel erg groot. Het is geen garantie dat als je nou maar veel geeft voor het werk van de Heer, het dan verder wel goed gaat. Dat is geen economisch beginsel. Zo ligt het natuurlijk niet. Het heeft te maken met de individuele instelling, met geloof en trouw aan de Heer.

Ons grote voorbeeld is onze Here Jezus Christus. Hij vernederde Zichzelf uitermate en juist daarom werd Hij uitermate verhoogd. (Filippenzen 2 : 6-9) Laten wij ons onder de krachtige hand Gods vernederen, opdat Hij ons verhoge te Zijner tijd. (1 Petrus 5 : 6) Laten wij al onze bekommernissen op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons. (1 Petrus 5 :7)

Zo mogen we uitzien naar de dag van onze verhoging (verheerlijking). Die dag is zeer nabij. Dat is de dag dat wij geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus. Nu is ons leven met Christus verborgen in God. (Kolossenzen 3 : 3) In de nabije toekomst wordt ons lichaam ook verborgen, namelijk op de dag van de verlossing van ons lichaam. (Romeinen 8 : 23) Wanneer Christus geopenbaard zal worden, zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. (Kolossenzen 3 :4)

Het verborgen leven dat wij nu nog leven zou een Godzalig leven zijn. Een leven waarin we onze Heer dienen, want daartoe zijn we:

  • gestorven
  • verlost
  • wedergeboren
  • verzekerd
  • nederig
  • gehoorzaam en onderdanig
  • bekwaam gemaakt.

Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; Filippenzen 2:5

Amen



 Gerelateerde bijbelezing:
*   Godzaliglijk leven


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld




Dit is een bewerking van de Brochure "Godzaliglijk leven" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl