DE BETEKENIS VAN DE DOOP

3 Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?
4 Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in de nieuwigheid des levens wandelen zouden. Romeinen 6 : 3, 4

De doop in water is niet de belangrijkste doop in de Bijbel. Het grootste deel van deze Bijbelstudie gaat derhalve over de betekenis van een andere doop dan die door water. Daarna wordt stilgestaan bij de doop – in water – van de Here Jezus en ten slotte komt de doop in water van de gelovige aan bod. Doop door onderdompeling – eenwording met het water – is een beeld van dood en opstanding.

Door zich te laten dopen bevestigt de gelovige de rechtvaardigheid Gods en zijn of haar eenwording met de Here Jezus Christus. Men stelt een daad en laat zien dat men er voor God mee instemt dat men eigenlijk had moeten sterven om nieuw leven te kunnen ontvangen. De Heer ging Zelf de dood in, omdat de zondaar dient te sterven en moet opstaan om behouden te worden. Wij volgen Hem, in het teken dat bestaat uit het láten dopen, en laten daarmee zien dat wij deze weg tot behoud aanvaarden.


  1. De dood van de zondige mens. Het verschil tussen Adam en Christus. Heerschappij van de genade.
  2. Niet alleen in water gedoopt. Jezus’ doop in water. Gods rechtvaardigheid.
  3. Bijbelse argumenten voor de doop in water. De doop van de kamerling.

1. De dood van de zondige mens

1 Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te
meerder worde?
2 Dat zij verre. Wij die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve
leven?
3 Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn
dood gedoopt zijn?
4 Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook
wij in de nieuwigheid des levens wandelen zouden.
5 Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns
doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding;
6 Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam
der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.
7 Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.
8 Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met
Hem zullen leven;
9 Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood
heerst niet meer over Hem.
10 Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij
leeft, dat leeft Hij Gode.
11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar
Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.
12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams.
13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt
uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode
tot wapenen der gerechtigheid.
14 Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar
onder de genade. Romeinen 6 : 1-14

Het laatste vers sluit eigenlijk aan bij het laatste vers van hoofdstuk 5:

Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou
heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus
onzen Heere. Romeinen 5 : 21

De twee uitspraken in dit vers staan tegenover elkaar. Er wordt gesproken over de heerschappij van de zonde over de oude mens, over de natuurlijke mens. Die leidt tot de dood, want de dood is nu eenmaal het gevolg van de zonde. (Romeinen 6 : 23)

Zonde wil zeggen dat men afgesneden is van de levende God en aangezien een mens geen leven heeft in zichzelf, zal dat onvermijdelijk leiden tot de dood. De zonde heerst dus tot de dood. Vers 21 zegt dat ook de genade heerst en dat is het tegenovergestelde van de zonde alsook het tegenovergestelde van wet. Genade zou heersen over de nieuwe mens, over de mens die wedergeboren is, die door geloof deel heeft gekregen aan het leven van Christus.

Deze gedachtegang wordt in Romeinen al eerder verteld. Romeinen 5 zet in de eerste plaats uiteen dat alle mensen zondaren zijn. De argumentatie daarvoor is dat alle mensen tot op heden gestorven zijn, waaruit volgt dat alle mensen zondaren zijn. Anders zouden ze immers niet gestorven zijn. Dit staat in vers 12; al vinden we dat in de Nederlandse vertaling niet terug.

Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de
zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen
gezondigd hebben. Romeinen 5 : 12

Met wereld wordt hier kennelijk mensenwereld bedoeld en die ene mens doelt op Adam. Door één mens – Adam – kwam de zonde in de mens in het algemeen en door de zonde ook de dood. De conclusie uit dit vers is dat de zonde ook tot alle mensen doorgegaan is en dus dat alle mensen zondaren zijn. Dat staat hier, maar wordt door de vertaling niet altijd herkend.

Wat vertaald is met “in welken” betekent “uit welken”, wat wil zeggen “op grond waarvan wij besluiten”. Zo uitgebreid kun je het nauwelijks nog een vertaling noemen, maar het is wel de gedachte. Het voorzetsel “in” staat er namelijk helemaal niet. De gedachte is dat de conclusie getrokken gaat worden dat alle mensen gezondigd hebben of meer fundamenteel: dat alle mensen zondaren zijn en deel hebben aan de zonde van Adam.

Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. Romeinen 5 : 13

Ook tot de wet was de zonde in de wereld. Dat betekent dat de zonde ook onder de mensen was vóórdat de wet er was. Eerder al in Romeinen 3 : 20 werd gezegd dat door de wet de kennis der zonde is. Dat wordt later in hoofdstuk 7 en nog later in Galaten 3 verder uiteengezet. Door de wet blijkt dat de mens een zondaar is. De wet wordt namelijk gelegd op de mens, waardoor de natuurlijke mens wordt geactiveerd. Die mens verzet zich echter tegen elke vorm van wet. Dat doen kleine kinderen al, die niet eens weten wat wetten zijn. Naarmate ze ouder worden, proberen kinderen uit te vinden of de wetten en gewoonten veranderd kunnen worden. Dat doet een mens van nature. Vandaar dat het opleggen van wetten in de praktijk niets helpt. Het bewijst zelfs het tegenovergestelde, namelijk dat een mens een zondaar is. De wet leert de mens de “zonde-natuur” kennen. Die is er ook wel als er geen wet is. Ook vóór de wet en tot aan de wet was de zonde in de wereld, maar toen had men er alleen niet zoveel weet van. Want waar geen wet is, is ook geen overtreding. (Romeinen 4 : 15) Zonder wet wordt de zonde niet toegerekend. Wij moeten niet tot kennis der zonde komen, maar tot kennis van Christus.

Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die
niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een
voorbeeld is Desgenen, Die komen zou. Romeinen 5 : 14

In vers 21 staat dat de zonde geheerst heeft en hier staat dat de dood geheerst heeft. In de praktijk is dat uiteraard hetzelfde. De dood heeft geheerst over degenen die zelfs niet eens zo erg gezondigd hadden als Adam. Adam overtrad een wet die God stelde. Hij overtrad het Woord Gods. Er zijn mensen geweest die dat helemaal niet gedaan hebben, maar die wel gestorven zijn. Ook vóór de wet. Daaruit blijkt dat zij net zo goed zondaren waren. Bovendien waren er toen, maar ook nu, kinderen die al in de wieg sterven. Van hen kun je toch niet zeggen dat ze gezondigd hebben, dat wil zeggen zonden begaan hebben. Niettemin sterven zij wel.

Dat bewijst dat ze wel degelijk een zondige natuur hebben. Wat hier voorts in Romeinen 5 uiteengezet wordt, is dat door die ene mens – Adam – de zonde in de wereld kwam. Daardoor heeft de zonde geheerst en ook de dood geheerst over de mens. De enige manier om behouden te worden van de dood, is losgemaakt (verlost) worden van die oude mens. Wij zouden verlost moeten worden van de oude natuur. De enige manier waarop dat kan, is door te sterven. Zonde wil zeggen dat men is afgeweken van de levende God, met de dood als gevolg. Alles wat van God afwijkt, kan niet bestaan. Dat is aan het verderf onderworpen. God is Degene Die leven heeft in Zichzelven en Christus wordt beschreven als de levendmakende Geest. (1 Korinthe 15 : 45) De Here Jezus beschrijft Zichzelf in het Johannes-evangelie als Degene Die het leven heeft in Zichzelven. (Johannes 5 : 26)

De natuurlijke mens heeft geen leven in zichzelf. Aangezien hij ook het leven dat hij van God ontvangen heeft, afgewezen heeft door God en Zijn Woord af te wijzen, is hij sterfelijk. Er komt een eind aan zijn zondige bestaan en dat is maar goed ook. Ik moet in dit verband altijd denken aan Genesis waar de mens het Woord Gods overtrad en at van de “boom der kennis des goeds en des kwaads”. (Genesis 3 : 6) God zond vervolgens de mens uit de hof van Eden, want als die mens eveneens zou eten van de boom des levens, dan zou hij nog in eeuwigheid leven ook. Je moet er toch niet aan denken dat een zondaar eeuwig leven zou hebben. Hij werd niet voor straf uit de hof gezonden. Dat staat er ook niet. De bedoeling was dat een zondaar zou sterven en geen eeuwig leven zou hebben, aangezien hij immers tot in eeuwigheid zal blijven zondigen. Dat is uiteraard niet de bedoeling. De zonde en daarmee ook de zondaar zou uitgedelgd moeten worden en dat kan enkel en alleen door de dood. Dat staat ook in Romeinen 6 : 7:

Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.

Wie gestorven is, heeft die zondige natuur niet meer. Die is afgelegd. Het zondige vlees, het lichaam der zonde (Romeinen 6 : 6) is gestorven en zo iemand is dan geen zondaar meer. Zo zien we dat verlossing alleen tot stand kan komen via de weg van de dood. Maar daarmee is een mens niet behouden. Hij is dan weliswaar geen zondaar meer, maar hij is helemaal niets meer. Behoudenis kan dus alleen nog ontstaan door vervolgens uit de dood op te staan. Dat is de Bijbelse gedachte.

Door de dood legt men de zondige natuur af en door opstanding uit de dood, door wedergeboorte, ontvangt men (op)nieuw leven. Pas dan is men behouden. Als men dood is, is men verloren. Dat wil zeggen dat men uit deze wereld verloren raakt. Deze wereld verliest de mens. Alles wat in deze oude wereld komt, raakt de wereld ook weer kwijt. Opstanding uit de dood, op de wijze waarop de Here Jezus ook uit de dood opstond, maakt een mens tot een nieuw schepsel waarover de dood niet meer heerst. In Romeinen 6 : 9 staat dat ook. Aangezien Hij niet meer sterft, kun je ook zeggen dat de dood niet meer over Hem heerst. De dood is alle macht kwijt, want in die nieuwe schepping, aan de andere kant van de dood, is de macht van de dood tenietgedaan. Daar sterft men niet meer.

Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij
leeft, dat leeft Hij Gode. Romeinen 6 : 10

Het verschil tussen Adam en Christus

Terug naar Romeinen 5. Daar wordt vanaf vers 15 uiteengezet wat het verschil is tussen Adam en Christus. Er staat in vers 14 dat de dood ook heeft geheerst van Adam tot Mozes. Dus ook vóór de wet heerste de dood en dus de zonde. Daarbij wordt gezegd dat Adam een type is van Christus. Dat is merkwaardig, omdat we van Adam gewoonlijk alleen maar slechte dingen horen; over zijn ongehoorzaamheid, de zondeval, et cetera. Niettemin staat er dat Adam een type is van Christus.

In de komende verzen worden zeven vergelijkingen gemaakt tussen Adam en Christus. Ik zal die nu niet stuk voor stuk bespreken, maar wel een aantal algemene gedachten daaruit. De gedachte is namelijk dat door deze ene mens, deze eerste Adam, vele mensen gestorven zijn (niet alle, want sommigen leven immers nog). Door Christus echter zullen vele mensen levend gemaakt worden. Dat is het tegenovergestelde.

Een andere belangrijke tegenstelling is de ongehoorzaamheid van Adam. (vers 19) Ongehoorzaamheid in de Bijbel betekent meer ongeloof dan zonde. Het betekent het niet gehoor geven aan het Woord. Wij hebben er helaas van gemaakt: het niet doen wat het Woord zegt. Daarmee betrekken we het op werken. Dat is echter niet de betekenis. Het woord is afgeleid van het woord “horen” en niet van “doen”.

Ongehoorzaamheid is dus het niet luisteren naar hetgeen gezegd werd en dat impliceert vervolgens dat men ook niet deed wat er mogelijk opgedragen werd. Maar het gaat om ongeloof. Het was inderdaad ongeloof van Adam, want het ging er in de eerste plaats niet om dat hij iets deed dat niet mocht, maar dat hij geen vertrouwen stelde in het Woord Gods. Vervolgens kwam de tegenstander die zei dat God wel gesproken had, maar iets heel anders had bedoeld. Dat God niet letterlijk genomen moet worden; dat Hij wat verborgen houdt, et cetera.

God heeft wel gesproken dat je niet moet eten van de vrucht, maar eigenlijk is het het tegenovergestelde. Zoals satan alles ondersteboven en binnenstebuiten keert. Het was dus in de eerste plaats ongeloof van Adam en daarna inderdaad een overtreding van een wet. Net zoals door het ongeloof van die ene mens velen tot zondaars gesteld zijn, zo zullen door de gehoorzaamheid van Eén, het geloof van Christus, velen tot rechtvaardigen  gesteld worden. Door het ongeloof van één werden velen zondaren en door het geloof van Eén werden velen rechtvaardigen, waaronder wijzelf. Onze zaligheid is voortgekomen uit het geloof van Jezus Christus. Een uitspraak die alleen terug te vinden is in de grondtekst en in de Statenvertaling en verder nergens.

Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot
allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Romeinen 3 : 22

Dat de zonde geheerst heeft via Adam en dat nu de genade heerst door Jezus Christus, wordt later in hoofdstuk 6 eveneens uiteengezet.

Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar
onder de genade. Romeinen 6 : 14

Kortom, de genade heerst en niet de zonde. Vandaar dan ook dat de Hebreeënbrief spreekt over de Heer Die gezeten is aan de rechterhand Gods op de troon der genade. (Hebreeën 10 : 12)

De hoofdgedachte van Romeinen 5 vanaf vers 12 is eigenlijk de grote kern van de Romeinenbrief én van het evangelie. Helaas is dat niet zo bekend bij velen. De kern is dat de natuurlijke mens deel heeft aan de vloek die er ligt op Adam en daarmee op de gehele mensheid en dat men door wedergeboorte onttrokken wordt aan die vloek en aan die mensheid, die oude mens ofwel Adam. Zo krijgt men vervolgens deel aan die andere Mens, de laatste Adam, namelijk Christus.

De Schrift spreekt hier dus over twee soorten mensen. De ene soort is waaraan wij deel hebben door geboorte, de adamitische mens. Die wordt dan ook vaak aangeduid met “Adam”, wat men vertaalt met “mens”. De andere soort is waaraan men deel krijgt door wedergeboorte. Dat is de mensheid waarvan Christus het hoofd is. Die mensheid wordt aangeduid met de naam van Christus, namelijk christenen.

De natuurlijke mens bestaat uit adamieten en de wedergeboren mens uit christenen. Het is een hele eenvoudige doch belangrijke Bijbelse waarheid. Je hoort of bij de ene groep of bij de andere groep. Van nature, door geboorte, horen we bij Adam en leven wij onder de vloek. Door wedergeboorte horen wij bij Christus en leven wij onder de zegeningen van Christus. Door geboorte hebben wij deel aan de zonde en de dood van Adam. Door wedergeboorte hebben wij deel aan de rechtvaardigheid en het leven van Christus.

Wedergeboorte, of anders gezegd dood en opstanding, is het proces waardoor men sterft, ofwel verlost wordt van de oude mens, waarna men wordt wedergeboren en het leven van de nieuwe Mens, namelijk Christus, ontvangt. Dat is waar het fundamenteel om gaat. De dood en opstanding van de Here Jezus Zelf was precies dit. De Here Jezus werd mens “in gelijkheid des zondigen vleses”. (Romeinen 8 :3) Hij werd net als wij vlees en bloed deelachtig. (Hebreeën 12 : 4) Hij werd in zonde door Zijn moeder ontvangen. (Psalm 51 : 7) Hij was Adam, maar noemt Zichzelf bij voorbaat al de “Zoon van Adam”, wat zwak vertaald is met “Zoon des Mensen”.

Het idee is dat Hij, als Erfgenaam van Adam, eigenlijk Adam is. Hij heeft het leven van Adam in Zich en daarom zou Hij ook sterven. Dat was ook de bedoeling. Hij werd mens om te kunnen sterven. (Hebreeën 2 : 14 en Filippenzen 2 : 7, 8) Hij stierf, maar stond uit de dood op. Aan de ene kant stamde Hij van Adam af. Dat was langs de vrouwelijke, stoffelijke kant. Niettemin is Hij een nieuwe Mens geworden. Van de andere kant stamde Hij van God af en is Hij door God Zelf verwekt en uiteindelijk uit de dood verwekt. Hij werd daardoor de Eerste Mens, de Eersteling van een nieuwe schepping en kreeg daarom ook automatisch het eerstgeboorterecht van die nieuwe schepping. (1 Korinthe 15 : 20)

Vervolgens is het zo dat ieder die net zo gelooft als de Here Jezus, op precies dezelfde grond, namelijk geloof, deel krijgt aan dat leven van die nieuwe schepping. Christus is echter de Eerste Die dat leven ontvangen heeft en dus krijgen wij door geloof deel aan het leven van Christus. Precies zoals wij door natuurlijke geboorte deel hebben aan het leven van Adam. Zoals van nature Adam in ons is, en dat Christus in ons is. Daar staat tegenover dat wij van nature in Adam zijn en dat Adam in ons is. De overgang tussen die twee soorten mensen is door dood en opstanding, danwel door wedergeboorte, want dat is wat het is.

De term wedergeboorte gebruiken wij echter gewoonlijk bij de geestelijke toepassing van dit beginsel en dood en opstanding in verband met de lichamelijke toepassing ervan. Het laatste is minder belangrijk. In de grond is de betekenis echter dezelfde. De gedachte is dat wij in geestelijke zin gestorven en daarna opgewekt zijn met Christus. Uiteindelijk zal dat tot gevolg hebben dat wij dit aardse lichaam zullen afleggen en met een nieuw lichaam zullen opstaan, danwel de Heer tegemoet zullen gaan in de lucht. ( 1 Thessalonicenzen 4 : 17) Dat is de uitwerking van de wedergeboorte, waaraan wij nu reeds deel hebben.

Wedergeboorte (dood en opstanding) is het proces waarbij we losgemaakt worden van Adam en verbonden worden met Christus. Geroepen worden uit de ene mens en gezet worden in of deel krijgen aan die Andere. Dat is de kern van het evangelie.

Wij leren wel eens dat onze zonden vergeven moeten worden en dat de Here Jezus onze zonden gedragen heeft. Dat is allemaal waar, maar daardoor is men niet behouden. Men is pas behouden als men nieuw leven heeft ontvangen. Dat is heel wat anders. Vergeving van
zonde en het dragen van de straf van de zonde heeft alles te maken met de oude mens. Het is nodig om de rekening van die oude mens te vereffenen om de balans op nul te krijgen. Daarna staat men op uit de dood en ontvangt nieuw leven zonder dat men nog een schuld uit het oude heeft. Zonder dat nieuwe leven is men, theoretisch althans, niet behouden. Dat is een belangrijke waarheid. Wij leren aan de ene kant dat de Here Jezus de zonde van de hele mensheid gedragen heeft. Dat staat trouwens een paar verzen eerder vanaf vers 6.

Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. Romeinen 5 : 6

Waar het om gaat is dat de Heer voor de goddelozen gestorven is – voor iedereen (2 Korinthe 5 : 15) – en daarmee in principe de schuld van elke zondaar heeft weggenomen. Men is echter pas behouden als men nieuw leven ontvangt door geloof. Als men gelooft in het Woord Gods, dan gelooft men dus dat men van nature een zondaar is. Zonder erkenning dat men een zondaar is, zal men niet wedergeboren worden. Bovendien is geloof in het Woord Gods in het bijzonder geloof in het Werk Gods, namelijk het Werk dat de Heer via de Here Jezus Christus volbracht heeft: dat Hij stierf voor onze zonden. Als men daar dus niet in gelooft, al was het maar omdat men niet gelooft dat men zelf zondig is, dan krijgt men zeker geen deel aan Zijn opstanding.

Men wordt behouden door geloof in de opgewekte Christus. In Degene Die God uit de doden heeft opgewekt, nadat Hij eerst de reinigmaking van onze zonden teweeg gebracht heeft. (Hebreeën 1 : 3) Door geloof in Degene Die zit aan de rechterhand Gods ontvangen wij eeuwig leven. Door te naderen tot die Heer, tot die troon der genade, plaatsen wij ons onder de heerschappij van de genade, die immers heerst over de nieuwe mens. Het is echter allemaal pas nadat Hij de reinigmaking van onze zonden in Zichzelf teweeg heeft gebracht.

De Hebreeënbrief licht dat toe door te zeggen dat Hij mens geworden is om onze zonden te kunnen dragen. Bovendien zegt dezelfde brief dat Hij die weg door de dood heen gegaan is door geloof, in vertrouwen op de vreugde die Hem voorgesteld was. (Hebreeën 12 : 2) Vervolgens wordt gezegd dat Hij is opgewekt uit de dood vanwege Zijn gehoorzaamheid, namelijk vanwege Zijn geloof en dat Hij sinds die tijd oorzaak is voor eeuwige zaligheid voor een ieder die in Hem gelooft. (Hebreeën 5 : 8, 9) Om die twee soorten mensen gaat het dus en door geloof krijgt men deel aan die nieuwe Mens. Wie in Christus is, is behouden en als men niet in Christus is, is men hooguit in Adam totdat men sterft. In Romeinen 8 vinden we ook woorden van gelijke strekking:

9 Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
10 En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonde wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil. Romeinen 8 : 9b, 10

Het is of het één of het ander.

Heerschappij van de genade

Wat vrucht dan had gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzelve is de dood. Romeinen 6 : 21

Aangezien wij onder de heerschappij van de genade staan, wordt de vraag gesteld of wij in de zonde kunnen blijven? We leven immers toch onder die heerschappij van de genade? De oude mens telt voor God toch niet, want die heeft Hij immers dood verklaard. Bijna iedereen stelt deze vraag als je zegt dat we onder de heerschappij van de genade leven. Al onze zonden die we gedaan hebben, die we doen en nog zullen doen, worden vergeven. Wij leven uit de heerschappij van de genade en die is hoger dan de heerschappij van de zonde en van de wet. De vraag zou echter niet moeten zijn of we maar door kunnen blijven zondigen, maar waarom wij niet meer onder de heerschappij van de zonde leven, nu we deel hebben aan die nieuwe mensheid.

De vraag zou moeten zijn waarom wij onder de heerschappij van de genade leven? Om maar te kunnen blijven zondigen? Dat is natuurlijk een dwaze gedachte. God plaatst ons niet onder de heerschappij van de genade, opdat wij maar kunnen doorzondigen. Zondigen is toch vijandschap tegen God. Dat is dus niet het doel. Waarom plaatst Hij ons onder de heerschappij der genade? Het antwoord is heel eenvoudig. Het wordt hier in hoofdstuk 6 uitgebreid beschreven. Hebreeën 9 : 14 zegt bijvoorbeeld dat Hij door het bloed van Christus onze gewetens gereinigd heeft van dode werken. Let op dat er staat onze gewetens en niet onze lichamen of ons vlees, want dat doet wel degelijk dode werken oftewel zonden.

Aangezien wij echter leven onder de heerschappij van de genade, hoeven die zonden onze gewetens niet te belasten. Eenvoudig omdat wij weten dat wij rein staan voor God en dat wij in Christus nieuwe schepselen zijn. Die zondigen niet. Die nieuwe mens in ons zondigt niet. Wat voor zonden wij ook doen, voor God heeft het geen betekenis. Het probleem is echter dat het dat wellicht voor ons wel heeft. Wij kunnen ons dikwijls niet voorstellen dat wij last hebben van ons geweten door de zonden die we doen en dat het God niet interesseert. Toch is het zo. God heeft die zonden weggedaan. Alle zonden hebben rechtvaardige vergelding ontvangen. (Hebreeën 2 : 2)

Dat is wat de Here Jezus voor ons gedaan heeft. Wij moeten leren dit te aanvaarden. Als het zonde-probleem voor God niet meer bestaat, zou het voor ons ook niet moeten bestaan. Dikwijls redeneren wij helaas naar de natuurlijke mens, precies andersom namelijk. Het is een probleem voor ons en dus moet het voor God ook een probleem zijn. Maar dat is het niet. We moeten dus andersom redeneren. Het is voor God geen probleem en dus voor ons ook niet.

Waarom heeft God onze gewetens immers gereinigd van dode werken? (Hebreeën 9 : 14) Om de levende God te dienen! Om ons in de gelegenheid te stellen om zonder belast geweten, zonder een schuld die wij hebben of voelen tegenover God, diezelfde God te dienen. Daardoor is het mogelijk dat wij zondaren God dienen en met een zondig lichaam Zijn heilig Woord openslaan en met een zondige tong toch het Woord Gods spreken. Dat geldt voor alle gelovigen.

Wij zijn geplaatst onder de heerschappij van de genade, waardoor de mogelijkheid ontstaat dat onze zondige lichamen, die bij die oude mens horen en die eigenlijk tezamen zijn afgeweken, (Romeinen 3 : 12) toch gebruikt kunnen worden tot eer van God. Zolang wij echter een geweten hebben van zonde en ons schuldig beschouwen ten opzichte van God, is dat onmogelijk.

Sommige mensen redeneren ook zo. Men neemt ons dan kwalijk dat wij ons zo uitgebreid bezighouden met de bestudering van de Schrift, want wij doen nog zoveel verkeerd. Wij zouden eerst daar verandering in aan moeten brengen. Als ons leven wat meer beantwoordt aan de wil en werken Gods, dan zouden we altijd nog eens de tijd kunnen nemen om het Woord Gods open te slaan. Dat is echter een misverstand. Het werkt precies andersom. Wij openen het Woord van God en leren daaruit dat wij heilig, rechtvaardig en volmaakt zijn. Wij zijn volmaakt gesteld in Christus. Zijn Geest, Zijn leven, woont in ons en de bedoeling daarvan, zolang we nog in dit lichaam zijn, is dat wij met onze zondige lichamen toch die levende God dienen.

Romeinen 12 : 1 zegt dat wij onze lichamen zouden stellen tot een “levend, heilig en Gode welbehaaglijk offer”. Zolang wij denken dat ons leven niet heilig is en niet beantwoordt aan de wil van God, kunnen wij ons lichaam niet stellen tot een levend, heilig en Gode welbehaaglijk offer. Dat kan alleen als wij ons ervan bewust zijn dat Hij onze zonden  heeft weggedaan en dat wij rein staan tegenover Hem. Weliswaar misschien niet tegenover onze medemens, maar het gaat erom dat wij rein staan tegenover God.

De grote overwinning van God is dat wij die zondaren zijn, ondanks dat, toch Hem kunnen dienen. Dat is de grote overwinning op de tegenstander. Van nature zijn onze lichamen in de macht van satan, de god dezer wereld. (2 Korinthe 4 : 4) Niettemin stellen wij onze lichamen tot levend, heilig, Gode welbehaaglijk offer. Dat zijn drie bijvoeglijke naamwoorden die normaal gesproken helemaal niet van toepassing zijn op de natuurlijke mens. Wij geloven dat God éénmaal een volkomen zaligheid voor ons teweeg gebracht heeft, zodat wij geen geweten van zonden meer hebben (Hebreeën 10 : 2) en dus met vrijmoedigheid onze leden stellen, niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid maar tot wapenen der gerechtigheid. (Romeinen 6 : 13) Ook vers 22 spreekt hierover:

Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. Romeinen 6 : 22

Dat betekent niet dat we niet meer zondigen maar dat we voor God gerechtvaardigd zijn. Niet omdat Hij onze uitwendige mens gereinigd heeft, maar onze inwendige mens (Hebreeën 9 : 14) Dat wil zeggen dat Hij niet ons vlees heeft gereinigd, maar onze gewetens. En als dat geweten gereinigd is, dan heeft het vlees daarop geen invloed meer. Door zonden te doen met het vlees, worden van nature onze gewetens verontreinigd en belast. Maar God heeft onze gewetens gereinigd en houdt die gewetens ook rein. Daardoor heeft het zondige vlees daarop geen uitwerking meer. Wie wij ook zijn en wat wij ook doen, wij hebben door geloof deel aan het leven van Christus en zijn daarom in Christus en voor God volmaakt. Daarom kunnen wij onze leden stellen tot levend, heilig, Gode welbehaaglijk offer. En ons vooruitzicht, ons doel, is dat eeuwige leven. Dat alles berust op dood en opstanding, op wedergeboorte en feitelijk op de dood en opstanding van de Here Jezus Christus.

Dat is ook wat uiteengezet wordt in het gedeelte dat we tot nu toe hebben overgeslagen, namelijk de eerste helft van Romeinen 6. Namelijk dat de Here Jezus Christus gestorven, begraven en opgewekt is en daarmee van Adam tot Christus werd. Hij werd van eerste mens tot laatste mens. Wat er bovendien uiteengezet wordt is dat wij daaraan deel hebben door geloof. Zoals de Here Jezus Christus door geloof stierf en uit de dood opstond, zo hebben wij door geloof deel aan diezelfde dingen. Dat dat door geloof is staat in Romeinen 3 : 22:

Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Romeinen 3 : 22

De eenvoudige gedachte is dat God de Here Jezus, Die tot zondaar gesteld was en stierf, uit de dood opgewekt heeft op grond van Zijn geloof. Hetzelfde gebeurt ook met ons. Alleen is Hij de Eerste. Dat was ook uitdrukkelijk de bedoeling. Hij zou het Hoofd worden van die nieuwe schepping. Diezelfde waarheid wordt toegepast op allen die geloven. Wij zijn zondaren en als wij de tijd hebben zullen wij ook als zondaren sterven, van nature althans. Niettemin zal God ons lichamelijk uit de dood opwekken op grond van geloof en niet op grond van werken. Vandaar dat de zaligheid op grond van geloof is, zelfs voor de Here Jezus Christus. Ook Handelingen spreekt hierover.

30 En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
31 En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Handelingen 16 : 30, 31

Dat betekent dat de zondaar van nature nu al deel heeft aan de dood van de Here Jezus. Wat men moet doen om behouden te worden, is geloven in Hem Die God uit de dood heeft opgewekt. Vervolgens werden zij gedoopt, maar daar gaan we later nog op in.

2. Niet alleen in water gedoopt

Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn
dood gedoopt zijn? Romeinen 6 : 3

Hier komt het begrip “doop” aan de orde. De betekenis van het begrip “doop” is heel eenvoudig. Bij het begrip “doop” denken wij meteen aan water. Dat is echter een misverstand, want het heeft er niets mee van doen en het staat hier ook niet. Men kan weliswaar in water gedoopt worden, maar men kan ook door/in heel wat andere dingen gedoopt worden. In het Nederlands betekent “dopen” zoveel als “onderdompelen”. In de Bijbel heeft het echter een veel bredere betekenis. Sommigen maken van dopen zelfs besprenkelen en dat betekent het zeker niet, ook niet in het Nederlands. Heel wat andere vertalingen, met name de Engelse, vertalen deze Griekse uitdrukking “baptiso” helemaal niet.

De Engelsen hebben het woord “baptiso” niet vertaald en dus lezen we daarvoor het woord “to baptise”. Men heeft het niet vertaald, mede omdat men van mening is dat vertalen met het woord “onderdompeling” niet correct is. Het zou wel kunnen, maar in veel gevallen kan dat helemaal niet. Dat is hier ook zo in Romeinen 6. Er staat namelijk “zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn” en niet “zovelen als wij in de Naam van Christus Jezus gedoopt zijn”. Er staat zeker niet “zovelen als wij in water gedoopt zijn”. Christus Jezus is geen vloeistof en daarom kan men niet zeggen “zovelen als wij in Christus Jezus ondergedompeld zijn”. Daar komt nog bij dat de volgende zinnen spreken over dat wij in de dood gedoopt zijn (vers 3b en 4). De vraag is dan ook wat dat woord nu eigenlijk betekent. Het antwoord staat in vers 5.

Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding; Romeinen 6 : 5

Vers 3 en 4 spreken erover dat wij in Hem gedoopt zijn en vers 5 dat wij “met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods”. Daarmee is de betekenis van het woord doop of dopen verklaard. Het betekent één plant worden met, waarbij een plant doorgaat voor een levend organisme, een organische levenseenheid of gewoon eenheid. Er staat nog een andere term voor, namelijk gelijkmaking. Dat zijn twee uitdrukkingen ter verklaring van het woord “doop”. Als iets één wordt met een vloeistof, betekent dat dat het ondergedompeld wordt in die vloeistof. Eén worden met iets anders kan ook, maar daar gebruik je het woord “onderdompelen” niet. Het Grieks kent echter slechts één uitdrukking voor “opgaan in”, “één worden met” of “onderdompelen in”.

We zouden 1 Korinthe 10 ernaast moeten leggen. Daar staat dat heel Israël in Mozes gedoopt was. Het volk was namelijk één met Mozes. God verloste Mozes uit Egypte en iedereen die mee wilde kon mee. Dat wil zeggen dat iedereen die met vrijmoedigheid tot Mozes naderde daardoor deel kreeg aan de verlossing van Mozes. De verlossing van Mozes ging in het bijzonder via zijn staf, die een beeld is van de opstanding uit de dood. Het hele volk was gedoopt in Mozes en gedoopt in de wolk. De wolk ging voor hen uit in de woestijn. Wie maar wilde, kon volgen en kreeg deel aan de weg die de wolk ging. En of men nu in Mozes gedoopt was of in de wolk, dat maakte geen verschil. Waar de wolk ging, ging Mozes. Het volk bestond uit degenen die de wolk en dus Mozes volgden. Ze waren trouwens ook gedoopt in de zee. Ze waren inderdaad gedoopt in de zee, maar ze werden niet nat. Ze werden dus niet ondergedompeld in water. Ze werden één met de zee en waren daar waar de zee eigenlijk was of is. Ze gingen erin en er ook direct weer uit. Ze waren gedoopt in Mozes, in de wolk en in de zee, zonder ook zelfs maar besprenkeld te worden.

Doop is éénwording met iets of iemand. Of eventueel ergens doorheen gaan. Ergens in opgaan en er weer uit komen. De grondgedachte is echter “ergens ingaan”. Zo zegt 1 Korinthe 12 : 13 dat “wij allen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt”.

Het gaat hier wederom niet over water. In de daarop volgende verzen staat wat het betekent, namelijk dat wij allen deel hebben aan dat ene lichaam en daarmee één plant geworden zijn met alle leden van de Gemeente, Die één lichaam is. We hebben allemaal deel aan datzelfde lichaam. Het brood dat wij breken (1 Korinthe 10 : 16) is het beeld van het lichaam van Christus, waarvan gezegd wordt dat wij allen het brood deelachtig geworden zijn. Wij horen allen bij datzelfde lichaam. 1 Korinthe 12 : 13 zegt dat wij door één Geest tot één lichaam gedoopt zijn. Dopen heeft dus de betekenis van één worden met, gelijk worden aan, één plant worden met of verbonden worden met. Kortom, het is de uitdrukking van gemeenschap hebben met.

Wat in een vloeistof gedoopt wordt, wordt één met die vloeistof. Hetzelfde Bijbelgedeelte zegt niet alleen dat wij door één Geest tot één lichaam gedoopt zijn. Er staat ook dat wij allen drinken aan diezelfde Geest. De gedachte is dat wij allen één Geest in ons ontvangen. Omdat wij dezelfde Geest, hetzelfde leven in ons allen hebben, horen wij allen bij elkaar tot één lichaam. Wij zijn allen door die Geest doordrenkt. Het betreft dus niet alleen onderdompeling, in de zin dat men in een vloeistof gestopt wordt, zodat de vloeistof moet wijken. De gedachte is dat voor zover het in een vloeistof is, die vloeistof dwars door ons heen gaat. We worden ervan doordrenkt. Het mooiste wordt dat uitgebeeld als men een spons onderdompelt in water.

In Romeinen 6 gaat het over dat wij één zijn geworden met Christus. Zoals we van nature in Adam gedoopt zijn door geboorte, zo zijn we door wedergeboorte wat betreft de nieuwe natuur gedoopt in Christus. Wij hebben geen deel aan Adam zegt Romeinen 5, maar wij hebben deel aan Christus. Romeinen 6 zegt eveneens dat wij deel hebben aan Christus, want wij zijn in Hem gedoopt. Wij hebben gemeenschap aan Hem. Hij is in ons. Wij hebben dus deel aan Christus. We hebben deel aan Zijn dood, want we zijn daarin gedoopt. We hebben deel aan Zijn begrafenis en ook aan Zijn opstanding.

4 Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.
5 Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding; Het gaat hier dus echt niet over doop in water, maar over onze eenheid met Christus. Romeinen 6 : 4, 5

Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Romeinen 6 : 6

Nu wij met Christus opgewekt zijn, zouden wij de rechtvaardigheid dienen. Doop betekent dus “één worden met”. De volgende gedachte sluit hier meteen bij aan.

Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt word? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Matthéüs 20 : 22

Dit gaat ook over Zijn lijden, Zijn dood en Zijn opstanding. Daarmee loopt dit vers volkomen parallel aan Romeinen 6. Het gaat hier om de dood, de begrafenis en de opstanding van Christus. Daarmee zou de Here Jezus Zelf gedoopt worden en volgens Romeinen 6 zijn wij daar ook in gedoopt. De Here Jezus Zelf zou deel hebben aan lijden, sterven, begrafenis en opstanding en wij zouden daar ook deel aan hebben.

En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop waarmede Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linkerhand, staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader. Matthéüs 20 : 23

Ook hier kan het niet de doop met water zijn, want in water was de Heer allang gedoopt. Deze uitdrukking spreekt dus van Zijn lijden, sterven en opstanding. De vraag die aan dit vers ten grondslag lag was of de twee discipelen, de zonen van Zebedéüs, later in het Koninkrijk zouden zitten aan de rechter- en linkerhand van de Here Jezus. Die doop waarover de Heer vervolgens spreekt, is dus Zijn dood en opstanding. Via die weg zou Hij Zijn Koninkrijk binnengaan. Hij zou een nieuwe Schepping worden en op de troon terechtkomen. Dat zou zijn discipelen ook overkomen. Maar de plaatsen die zij na die doop zouden innemen in het Koninkrijk, zouden gegeven worden aan diegenen voor wie de Vader ze bereid heeft. De doop waar hier over gesproken wordt, is die van de Here Jezus alsook van Zijn discipelen. Maar het zal duidelijk zijn dat de term gebruikt wordt op dezelfde manier en met dezelfde toepassing als in Romeinen 6. Het gaat over de dood en de opstanding van de Here Jezus Christus en dus gaat het om doop in dood én in opstanding.

Jezus’ doop in water

In Matthéüs 3 vertelt Johannes de Doper dat het Koninkrijk Gods nabij gekomen is. De Here Jezus heeft het daar in hoofdstuk 20 ook over. Het Koninkrijk zou komen, een nieuwe schepping zou aanbreken. Vervolgens staat er in Matthéüs 3 : 13, 14:

13 Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden;
14 Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij? Matthéüs 3 : 13, 14

Hier gaat het om doop in water en dus onderdompeling. Het is de eerste keer dat in het
Nieuwe Testament over doop gesproken wordt.

Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af. Matthéüs 3 : 15

Waarom moest de Heer gedoopt worden? Om alle gerechtigheid te vervullen.

15 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen.
16 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Matthéüs 3 : 16, 17

Het punt is dat bij dit Schriftgedeelte altijd gevraagd wordt waarom de Here Jezus gedoopt moest worden. Er staat immers nergens in de Schrift dat het móét. Voor zover het dan toch wenselijk is, is het net zo goed wenselijk voor de Here Jezus. Doop in water vindt plaats als uitbeelding van de doop waarover we nu een paar keer gesproken hebben en die onder andere te vinden is in Romeinen 6, Matthéüs 20 en Lukas 12. Het is namelijk een uitbeelding van dood en opstanding.

Het idee van de onderdompeling in water is dat men erin gaat en er vervolgens weer uitkomt, als beeld van dood en opstanding. Men wordt geacht te verdwijnen onder het oppervlak van deze wereld, in het dodenrijk dus. Vandaar dat sommigen ook spreken van het watergraf. Het is belangrijk dat men erin gaat, maar veel belangrijker is nog dat men er ook weer uitkomt. Het gaat er niet zozeer om dat men het graf in gaat, het gaat erom dat men door de dood heen gaat en het graf weer uitkomt. Dat kan alleen als men er
eerst in gaat.

Daarmee ben ik weer terug bij wat we eerder al besproken hebben. Een mens wordt niet behouden doordat hij zijn zonden of zijn zondige natuur aflegt, maar doordat hij opstaat en het nieuwe leven, het leven van die nieuwe schepping, ontvangt. De doop zelf is een teken. Het is de uitbeelding van de dood en opstanding waardoor men een nieuwe schepping wordt. Waarin liet de Heer Zich dopen? In een doop van Zijn eigen dood en opstanding. Daartoe was Hij in de wereld gekomen. Om te sterven en vervolgens uit de dood weer op te staan. Dat Hij Zich aan het begin van Zijn openbare optreden laat dopen is daarvan een uitbeelding.

Alle andere mensen die zich lieten dopen, deden dit ook op grond van hetzelfde principe. Ook zij zouden moeten sterven en uit de dood opstaan, ofwel wedergeboren worden. Zoals de Heer tegen de discipelen zei dat zij ook met die doop gedoopt zouden worden, zegt Hij eveneens dat zij Hem zouden volgen in de wedergeboorte. (Matthéüs 19 : 28) Dat wordt uitgebeeld. Als je weet dat de doop van de Here Jezus in de eerste plaats een uitbeelding is van Zijn eigen letterlijke dood en opstanding en vervolgens van Zijn wedergeboorte, dan begrijp je ineens alles wat daar staat.

En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen. Matthéüs 3 : 16

Bij dit vers ligt de nadruk niet op het feit dat Hij uit het water kwam. Dat is immers vanzelfsprekend. Het gaat om de vermelding “terstond”. Zijn opklimmen uit het water is een beeld van de opstanding uit de dood. Waar de mens in het algemeen gesproken, met uitzondering van onze bedeling, pas opstaat op de Jongste Dag, stond de Here Jezus al op de derde dag na Zijn dood op. Dat was dus terstond, met als gevolg dat Hij de Eerste is Die uit de dood opstond. Daarmee werd Hij de Eerste van een nieuwe schepping. Daarmee werd Hij Koning, Eerstgeborene en Hogepriester van die nieuwe schepping. Dat was ook de bedoeling. De Heer wachtte niet tot de Jongste Dag. Hij stond terstond op uit de dood. De vermelding dat Hij terstond opstond is de verwijzing naar dat Hij als Eerste, als een nieuwe schepping, als nieuwe Mens, uit de dood zou opstaan. Hij zou het Hoofd van die nieuwe mensheid worden (Romeinen 5) en dus Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. (Hebreeën 5 : 10)

Toen de Here Jezus “terstond opklom” uit het water, werden de hemelen geopend. Bij de opstanding van de Heer werd de hemel geopend en is Hij vervolgens de Hemel binnengegaan. Dat leert Hebreeën en daarna ook de andere nieuwtestamentische boeken. Hij is “alle hemelen doorgegaan” zegt Hebreeën 4 : 14 en inmiddels “gezeten aan de rechterhand Gods”. (Hebreeën 1 : 3; 8 : 1; 10 : 12; 12 : 2) Bovendien scheurde ter gelegenheid van Zijn dood het voorhangsel en werd het Heilige der Heiligen geopend. (Hebreeën 9) Dat is een beeld van de hemel en van het nieuwe verbond. Dat wordt hier ook uitgebeeld. Het is een voorafschaduwing (type) van wat er bij Zijn opstanding zou gebeuren. Op dat moment zou echt de Geest worden uitgestort. Hier verscheen alleen de duif als type van de Heilige Geest. Zijn doop was een type van Zijn dood en opstanding en de duif is een type van de uitstorting van de Heilige Geest. Het is een teken, een voorafschaduwing van wat later gebeuren zou.

Toen de Heer opstond uit de dood, verscheen Hij aan Zijn discipelen, blies op hen en zei “ontvangt de Heilige Geest”. (Johannes 20 : 22) Daarbij is de Heilige Geest het opstandingsleven van Christus. Het is het leven van de laatste Adam. Bovendien werd op de dag van Zijn opstanding tot Hem gezegd: “Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” (Psalm 2 : 7, Handelingen 13 : 33, Hebreeën 1 : 5; 5 : 5) Daardoor werd Hij inderdaad tot Koning en Hogepriester aangesteld. (Psalm 2, 110 en Hebreeën 6, 7) Zo ook hier. Hij stond terstond als Eersteling op uit het water. Vervolgens daalde een type van de Geest (een duif) op Hem neder en daarna zei een stem uit de hemel: “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!” Het is een beeld van wat Hem als Eerste zou overkomen en wat daarna elke gelovige zou overkomen.

Gods rechtvaardigheid

Als de Here Jezus gevraagd wordt waarom Hij gedoopt moet worden, zegt Hij in vers 15:

Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af. Matthéüs 3 : 15

Het was nodig de gerechtigheid en dus ook de wet te vervullen. Gerechtigheid en wet zijn immers synoniem. De dood en opstanding van Christus waren noodzakelijk om de wet te vervullen, om het recht Gods te vervullen. De wet en het recht Gods schrijven voor dat de zondaar zal sterven. De Here Jezus droeg de zonden der mensheid en moest dus sterven. Dat wordt uitgedrukt in de doop. De gerechtigheid komt in de eerste plaats tot uitdrukking in de dood van de Here Jezus en niet in Zijn doop. Aangezien de doop in water een uitbeelding is van de dood en opstanding, wordt die gerechtigheid (rechtvaardigheid) Gods wel geïllustreerd in de doop. De doop is een bevestiging van Gods gerechtigheid.

Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: Romeinen 3 : 21

Gewoonlijk heeft men de gedachte dat de rechtvaardigheid Gods geopenbaard wordt in de wet. Dat is ook een logische gedachte. De wet zou een vastlegging moeten zijn van rechtvaardigheid; van wat recht is en wat niet. Hier staat echter dat uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt. In Romeinen 1 : 16, 17 wordt daarom al vermeld dat in het evangelie de rechtvaardigheid Gods wordt vermeld. Niet in de wet, hoewel dit niet te ontkennen valt, maar in het evangelie, omdat het evangelie leert dat de zonde wettige vergelding ontvangen heeft doordat de Schepper Zelf de zonden der wereld op Zich genomen heeft. (Hebreeën 2 : 2) Als Schepper heeft Hij Zich verantwoordelijk gesteld, Hij heeft de zonden der wereld op Zich genomen en weggedragen aan het hout. (1 Petrus 2 : 24) De rechtvaardigheid Gods wordt dus geopenbaard in het evangelie, dat leert dat de zonden rechtvaardige vergelding hebben ontvangen. De Here Jezus heeft die zonden gedragen. De rechtvaardigheid Gods werd gedemonstreerd en vervuld, volbracht. Via de Here Jezus hebben de zonden rechtvaardiging ontvangen.

23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;
24 En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Romeinen 3 : 23, 24

Over alle mensen komt deze rechtvaardigheid Gods, deze zaligheid door geloof. Men wordt gerechtvaardigd uit genade, niet uit wet, maar in Christus Jezus. Die gedachte staat ook in Romeinen 3 : 25:

Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Romeinen 3 : 25

Dat wil zeggen dat wij door geloof in Zijn bloed verzoening ontvangen. “Bloed” staat voor “leven”. Door geloof in de opgewekte Christus, in Hem Die God uit de dood heeft opgewekt, ontvangen wij immers datzelfde leven. In dit vers komen we het woord “verzoening” tegen maar eigenlijk staat er “verzoendeksel”. Dit woord komt nog maar één keer meer voor, namelijk in Hebreeën 9, waar over het verzoendeksel van de ark des verbonds gesproken wordt. Het verzoendeksel van de ark des verbonds is de uitbeelding van de hemelse positie van Christus nu. Een uitbeelding van de troon der genade waarop Christus gezeten is.

Op het verzoendeksel werd op de grote verzoendag het bloed van stieren en bokken gebracht. Het beeldt uit dat stieren en bokken weliswaar stierven, maar dat het bloed – ofwel het leven – ervan gesprenkeld werd onderweg naar het heilige der heiligen tot aan de ark des verbonds. Dit gebeurde door de hogepriester, die het bloed dat over was uiteindelijk op het verzoendeksel plengde. Dat betekent dat de Here Jezus leed en stierf, uitgebeeld in de dood van de stieren en bokken, maar dat Hij als de Levende, de Opgewekte, is ingegaan in de hemel. Hij ging het nieuwe verbond binnen en heeft een “verse, ware en levende weg ingeleid”. (Hebreeën 10 : 19, 20) Die leidt tot op het verzoendeksel, namelijk tot op de troon der genade in de hemel. Daar is de levende Christus gezeten. Kortom, dat bloed is een beeld van de opgewekte Christus. Dat wordt ook hier in dit vers gesuggereerd.

De Hebreeënbrief spreekt hier ook uitgebreid over. God heeft Hem voorgesteld tot een verzoendeksel door het geloof in Zijn bloed. Dat is de verwijzing naar de wetten van de Grote Verzoendag. Het gaat om de vervulling van Gods wet. Die wet wordt op de wijze van Grote Verzoendag, door de dood en opstanding van de Here Jezus, Die vervolgens het binnenst heiligdom is binnengegaan. (Hebreeën 9 : 12) God heeft Christus voorgesteld tot verzoening en men krijgt daar deel aan als men in Hem, de Levende, gelooft. Daarom staat er “door het geloof in Zijn bloed”.

De vraagt rijst waarom God Christus Jezus voorgesteld heeft tot verzoening. Met andere woorden: Waarom moest de Here Jezus Christus lijden en sterven om vervolgens de hemel binnen te gaan? Waarom heeft Hij dit oordeel gebracht over de Here Jezus Christus? Als we dit Schriftgedeelte niet voor ons zouden hebben en we zouden ons afvragen waarom het nodig was dat de Here Jezus Christus stierf, dan zouden wij vermoedelijk zeggen: “Voor onze zonden.” Dat komt omdat we bij zo’n gelegenheid eerst aan onszelf denken. Wij denken dat wij daardoor met God verzoend zijn. Onze zonden zijn weggedaan en wij zijn behouden. Dat is ook zo, maar het is niet het goede antwoord. De vraag is niet zozeer waarom de Here Jezus dat gedaan heeft, maar waarom Hij dat doen móést?

Waarom kon dat niet anders? Dan kunnen wij niet zeggen “vanwege onze zonden”, want dat is eigenlijk een leugen. Door onze zonden zou de Here Jezus niet sterven. Door onze zonden zouden wij verloren gaan! Waarom moesten wij dan sterven? Door onze zonden. Waarom moest Hij sterven? Niet vanwege onze onrechtvaardigheid, maar vanwege Gods rechtvaardigheid. God had ons ook gewoon verloren kunnen laten gaan. We zouden echter kunnen zeggen dat God toch een barmhartig God is, een goedertieren God en een God van liefde? Hij zou onze zonden toch ook door de vingers kunnen zien? Hij weet immers dat we niet anders konden, dat we van nature zondaren zijn. Hij zal ons dat dan toch ook niet kwalijk nemen. Hij zal ons het allemaal wel vergeven en dan komt het allemaal wel goed?

Wel, dat kan dus niet. God is weliswaar liefde. Hij is genadig, barmhartig en goedertieren, maar God is bovendien ook rechtvaardig. Als God goedertieren, genadig en liefde is en tegen de zondaar zou zeggen “ach laat maar zitten”, is Hij op dat moment niet rechtvaardig. Om dus toch de zondaar met Zich te kunnen verzoenen, was het noodzakelijk dat de zonden eerst rechtvaardige vergelding zouden ontvangen. Daarom heeft God Christus Jezus voorgesteld tot een verzoening. Daarom moest de Here Jezus Christus lijden, sterven en uit de dood opstaan. Opdat de zonden rechtvaardige vergelding zouden ontvangen en opdat op rechtvaardige grond een nieuwe schepping, en daarmee zaligheid in het algemeen, tot stand gebracht zou worden. God rekent ons onze zonden nu niet toe, Hij vergeeft ze, omdat Hij dat in het verleden al gedaan heeft. Hij heeft de zonden geoordeeld in het vlees. (Romeinen 8 : 3) Dat wil zeggen dat de zonden op rechtvaardige wijze zijn bestraft en daarom hoeft en kan God ze ons nu niet meer toerekenen. De straf is al gedragen, dus wij kunnen niet opnieuw veroordeeld worden. Dat is precies wat Hij wilde bereiken, namelijk dat Hij ons niet meer hoeft te veroordelen. Wij zingen van de Here Jezus: “Hij heeft de eis van Gods weg gans vervuld”. Daar wordt dit mee bedoeld. Die wet eiste dat de zonden bestraft zouden worden en de straf die ons de vrede aanbrengt, was inderdaad op Hem. (Jesaja 53 : 5)

Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Romeinen 3 : 25

God betoont Zijn rechtvaardigheid in de dood en opstanding van de Here Jezus Christus.
Daarna staat het er nog een keer in het begin van vers 26.

Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid. Romeinen 3 : 26a

Twee zinnen die beide beginnen met “tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid”. Eén in verband met de vergeving van zonden die onder het oude verbond gedaan zijn, de ander in verband met de zonden die daarna, in onze tegenwoordige tijd, begaan worden. Het gaat dus tweemaal om hetzelfde, eenmaal met de blik naar het verleden, eenmaal met de blik naar de toekomst. Hoe leren wij het recht Gods kennen en waaruit kennen wij onze ellende? Door de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. God bracht het oordeel over Hem Die in onze plaats stond. Aan het eind van vers 26 gaat de hoofdzin dan weer verder.

 … opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof
van Jezus is. Romeinen 3 : 26b

Het woordje “en” komt in de grondtekst niet voor. Korter gezegd: opdat Hij rechtvaardig zou zijn, rechtvaardigende degene die gelooft. Nog eenvoudiger: opdat God rechtvaardig zou zijn als Hij de gelovige rechtvaardigt. God verklaart ons nu rechtvaardig, zonder daarbij Zelf onrechtvaardig te worden. Dat laatste komt alleen door de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. In de wet staat:

“Gij zult de rechtvaardigen rechtvaardig verklaren en gij zult de onrechtvaardigen veroordelen”. (Deuteronomium 25 : 1)

Het oordeel dat over ons moest komen, is inmiddels gekomen over de Here Jezus, zodat Hij ons nu als rechtvaardigen kan beschouwen en ons rechtvaardig kan verklaren, want onze zonden zijn weggedaan. Waarom leed en stierf de Heer? Om de rechtvaardigheid Gods te betonen, te demonstreren, te handhaven, te vervullen en daarmee ook de wet Gods te vervullen want dat is hetzelfde. Daarom staat hier in dit Schriftgedeelte dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de wet, maar door het geloof.

Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Romeinen 3 : 28

3. Bijbelse argumenten voor de doop in water

In Matthéüs 3 ging de discussie over de vraag waarom de Heer Zich zou laten dopen. Johannes zei dat het eigenlijk andersom hoorde en daar had hij nog gelijk in ook.

Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af. Matthéüs 3 : 15

Nu kunnen we begrijpen wat dit betekent. De Heer zegt dit niet zozeer over de doop, maar in de eerste plaats over Zijn eigen dood en opstanding. Waar de Here Jezus de dood, het dodenrijk zelfs, in ging om de gerechtigheid Gods te vervullen, wordt aan de andere kant verwacht dat degene die in Hem gelooft en daardoor deel krijgt aan Zijn dood en opstanding, zich in water laat dopen. Dat hij ondergaat, niet in de dood, maar in water om daarmee ook diezelfde rechtvaardigheid Gods te betonen danwel te bevestigen. Doordat wij ons laten dopen, doen we eigenlijk hetzelfde als de Heer Zelf deed. Hij zei dat een zondaar dient te sterven en uit de dood moet opstaan om behouden te worden. Daartoe ging Hij Zelf de dood in. Wij hoeven dat niet en daarom wordt van ons verwacht dat wij het teken daarvan volgen en dat wij ter aanvaarding van deze weg van dood en opstanding, deze gerechtigheid Gods, onszelf laten dopen en dus het water in gaan en ons er door een ander weer uit laten tillen.

De uitspraak van de Heer is in de eerste plaats dus van toepassing op Zijn ondergaan in de dood en het is dus in de tweede plaats van toepassing op Zijn ondergaan in het water. Over besprenkelen wordt helemaal niet gesproken. Het gaat om eenwording met het water als teken van de dood en het opstaan daaruit. Hij liet Zich door Johannes dopen als een uitbeelding van Zijn eigen dood en opstanding en dat was weer noodzakelijk vanwege de rechtvaardigheid Gods. Door zich te laten dopen, bevestigt men als het ware deze rechtvaardigheid Gods. Voor zover ik weet is dit dan ook het enige Bijbelse argument om zich te laten dopen.

De doop van de kamerling

Dopen is niet noodzakelijk als teken aan de mensen. Hét grote voorbeeld voor de doop is de kamerling die gedoopt werd door Filippus.

26 En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op den weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.
27 En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;
28 En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.
29 En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij dezen wagen.
30 En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat
gij ook, hetgeen gij leest?
31 En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.
32 En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.
33 In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.
34 En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?
35 En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.
36 En alzo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?
37 En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.
38 En hij gebood den wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.
39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap. Handelingen 8 : 26-39

Er was niemand bij de doop van de kamerling. Er was alleen water. Er was geen gemeente, kerk, toelatingscommissie of kerkenraad. Filippus zei: “Als je van harte gelooft dan is het geoorloofd.” Wat nodig is, is geloof van de dopeling en voldoende water om in ondergedompeld te worden. Johannes doopte op een bepaalde plaats, omdat daar veel water was.

Essentieel is dat men het water in gaat en ondergedompeld wordt. Door zich te laten dopen op rituele wijze erkent men deze rechtvaardigheid Gods. Men stemt in met de weg in de dood. Men stemt er voor God mee in dat men eigenlijk had moeten sterven om nieuw leven te kunnen ontvangen. Vandaar dat het een daad is die men stelt. Er is wel een ander bij nodig, want het is een daad die we laten doen. Er staat niet voor niets: “Láát u dopen” en “láát u met God verzoenen”. (2 Korinthe 5 : 20) U moet dat laten doen door de Middelaar van het nieuwe verbond, door Christus. Er is iemand nodig die het uitvoert, maar verder is er niemand bij nodig. Het gaat om de daad die men tegenover God stelt. Dan is het historie, dan is er iets gebeurd. Het helpt iemand vaak over een drempel. Het is dan niet meer alleen iets wat in de gedachte plaatsvindt. Het is nuttig om een daad te stellen.

De Bijbelse daad die men stelt om uitdrukking te geven aan het feit dat men tot geloof komt, is de doop. De Bijbelse methode is meteen laten dopen, als iemand tot geloof komt. Om praktische redenen is dat veranderd. Later heeft men er ook doop door besprenkeling van gemaakt. Om foutieve leerstellige redenen is men ertoe overgegaan pasgeboren kinderen meteen al te dopen. Dat komt omdat men het verschil niet meer weet tussen het nieuwe en het oude verbond. Men denkt dat men bij de geboorte ingelijfd wordt in het verbond. Het is echter door wedergeboorte dat men in het verbond komt en zich zou laten dopen.

28 Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij.
29 En al het volk, Hem horende, en de tollenaars, die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God; Lukas 7 : 28, 29

Het woordje “Hem” staat niet in de grondtekst. Het woord “horende” kan evengoed vertaald worden met “gelovende”, want dat is in de Schrift hetzelfde. Het woord “en” dient u te lezen als “namelijk”, want dat is de betekenis ervan. Hoe rechtvaardigden deze mensen God? Door zich te laten dopen. Zij vervulden dus ook de gerechtigheid Gods, net als de Here Jezus.

Maar de Farizeeën en de Wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven
verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. Lukas 7 : 30

De wetgeleerden negeerden de uitspraak van Gods “rechtbank”. Het zijn mensen die verstand hebben van de wet, maar zij verwerpen het recht Gods door zich niet te laten dopen. Deze wetgeleerden hadden de wet en het recht Gods moeten aanvaarden door zich te laten dopen. Dood en opstanding hebben dus ook met de wet Gods te maken. Met de doop doen wij de wet Gods niet teniet, maar bevestigen deze juist. (Romeinen 3 : 31) Wij, die uit geloof zalig worden en deel krijgen aan de dood en opstanding van de Here Jezus Christus, accepteren die wet Gods door ons te laten dopen. Wij verklaren ook dat die wet Gods vervuld werd toen de Here Jezus leed en stierf voor onze zonden en daarmee een eind maakte aan de wet.

Amen


 Oorspronkelijke bijbelezingen C089 "De betekenis van de doop 
door: Ab Klein Haneveld 

Dit is een bewerking van de Brochure "De betekenis van de doop" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/