Tijden en gelegenheden

Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve. 1 Thessalonicenzen 5 : 1

Meestal wordt er gezegd dat wij het aanbreken van de “Dag des Heeren” niet kunnen weten. Daarvoor wordt zelfs de Bijbeltekst aangehaald: “Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.” (Matthéüs 24 : 36) Onterecht, want die uitspraak gaat over het “voorbijgaan van hemel en aarde”, ná de “Jongste Dag”. Over die tijd heeft de Heer, degenen die in Hem geloven, niet geïnformeerd. Hoe anders is het met de informatie over de gebeurtenissen verbonden aan het begin van de “Dag des Heeren”. Die informatie (o.a. door de Here Jezus zelf gegeven) is zelfs zo ruim voorhanden, dat Paulus in zijn brief aan de Thessalonicenzen kon zeggen dat het niet nodig was om daarover te schrijven. De “tijden en gelegenheden” staan vast en zijn ons bekend gemaakt in de Schrift.

De wegrukking (tot God en Zijn troon) van de Gemeente aan het eind van de huidige (vijfde) bedeling is het begin van de zesde bedeling. Die gebeurtenis betekent tevens het begin van de “zeventigste week” van Daniël 9. Deze Bijbelstudie behandelt de Schriftgedeelten die handelen over voorbije èn komende “tijden en gelegenheden” uit “Gods Plan der eeuwen”.

  1. Inleiding.
  2. Matthéüs 24 en 25.  Wie volharden zal tot het einde, zal zalig wordenConclusieDe gelijkenis van de vijgeboomDe zesde bedelingDe gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden.
  3. Parousia.
  4. De dag des HEEREN.  Joël 1.
  5. Zacharia 12 en 24.
  6. De zeventig jaarweken van Daniël.  Berekening 69 weken en zeventigste week.
  7. De zeven en 33 jaar.  Het koningschap van DavidDe dubbele getallen: veertien en 66De geboorte van een meisjeJozef in EgypteMozes op de bergDe dagen van de Here Jezus Christus, na Zijn opstanding.

1. Inleiding

Wanneer Hebreeuwse woorden zijn opgenomen, dan zijn deze op Hebreeuwse wijze (d.w.z.: van rechts naar links geschreven) weergegeven. Wanneer er getalswaarden bij worden vermeld, dan zijn deze normaal (d.w.z. van links naar rechts geschreven) weergegeven, aangezien wij normaal gesproken van links naar rechts lezen. Een voorbeeld is de schrijfwijze van Kanaän.

Dit wordt in het Hebreeuws als volgt geschreven:

Dit woord wordt in het Hebreeuws van rechts naar links gelezen. In het Hebreeuws is de de eerste letter (de ”kaf” met een getalswaarde van ”20”) en de (de ”sluit-nun” met een getalswaarde van ”50”) de laatste letter.

Wanneer de getalswaarde erbij wordt vermeld, dan staat deze als volgt geschreven: 20-50-70-50

De getalswaarde kunnen wij dus gewoon lezen, zoals wij dat altijd gewend zijn: van links naar rechts.

Voor deze studie is het van belang te weten dat een profetisch jaar in de Bijbel uit 360 dagen bestaat. Deze conclusie kunnen wij trekken op grond van de geschiedenis van de vloed in de dagen van Noach.

In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend. Genesis 7 : 11

3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.
4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Araràt. Genesis 8 : 3,4

Deze verzen leren dat deze vloed begon op de zeventiende dag van de tweede maand. De ark rustte op de bergen van Araràt op de zeventiende dag van de zevende maand. Er verliepen dus exact vijf maanden. Volgens Genesis 8 : 3 verliepen er honderdvijftig dagen. Dit betekent, dat één maand uit dertig dagen bestaat. Een jaar (twaalf maanden) bestaat dus uit twaalfmaal dertig dagen, namelijk 360 dagen.

Deze studie handelt over Matthéüs 24 en 25. Voor het goed verstaan van deze hoofdstukken is een studie van andere Bijbelgedeelten / Bijbelthema’s van groot belang.

2. Matthéüs 24 en 25

In het Oude Testament worden veel profetieën gegeven. Vele daarvan zijn op dit moment (1996) nog niet vervuld. Het is van belang deze profetieën op de juiste plaats te zetten in de heilshistorie. De Here Jezus Christus gaf Zelf hiertoe de sleutel in Matthéüs 24 en 25, waar de Heer bepaalde zaken in chronologische volgorde heeft gezet. Wij zullen deze beide hoofdstukken daarom nauwkeuriger gaan bekijken.

1 En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.
2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
3 En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld? Matthéüs 24 : 1-3

De Heer zei, dat ”al deze dingen” zullen worden afgebroken (vers 2). Dit slaat in ieder geval op de tempel (vers 1), maar in breder verband kan het ook op geheel Jeruzalem worden toegepast. De Heer had namelijk vlak daarvoor over Jeruzalem gesproken (Matthéüs 23 : 38). De discipelen wilden er méér van weten en vroegen:

Wanneer zullen deze dingen zijn?

In feite vroegen zij: Wanneer zal de tempel afgebroken worden en zal Jeruzalem worden verwoest? In het jaar 70 na Christus werden Jeruzalem en de tempel verwoest. In 135 na Christus namen terugkerende Joden een steen van de tempel-ruïne mee naar hun eigen huis. Die werden als ”heilig” beschouwd. De Joden braken dus in de praktijk hun eigen tempel af. Momenteel is er geen tempel in Jeruzalem.

Welk zal het teken zijn van Uw toekomst?

Het woord ”toekomst” is de vertaling van het Griekse woord ”parousia”, dat letterlijk ”erbij zijn” betekent. Het heeft altijd met een letterlijke aanwezigheid te maken.

En (welk zal het teken zijn) van de voleinding der wereld?

Er dient feitelijk ”het einde der eeuw” te staan. De discipelen vroegen niet naar het moment, waarop de wereld (Grieks: ”kosmos”; hemelen en aarde) zou verdwijnen. Ze vroegen naar het einde van de eeuw (Grieks: ”aion”). Er zal een einde komen aan een bepaalde eeuw. Het woord ”aion” betekent: de inrichting van een bepaalde tijd. In deze tegenwoordige, boze eeuw (Galaten 1 : 4) wordt die inrichting door de vorst van deze eeuw (de satan; 2 Korinthe 4 : 3,4) bepaald. Deze tegenwoordige, boze eeuw, staat tegenover de toekomende eeuw (Matthéüs 12 : 32), die bij de opstanding van Christus begon. De toekomende eeuw was destijds (bij de vraagstelling in Matthéüs 24) nog niet begonnen. De discipelen vroegen dan ook niet naar het einde van de toekomende eeuw – want die was er nog niet – maar naar het einde van de tegenwoordige, boze eeuw. Het einde van de tegenwoordige, boze eeuw is tevens het einde van de periode, waarin de satan vorst over deze wereld is. Dat tijdstip begint bij het binden van de satan (Openbaring 20 : 1-3). Wanneer de satan in de poel des vuurs geworpen wordt, is deze aion definitief voorbij (Openbaring 20 : 7-10). De discipelen vroegen naar het einde van de eeuw. In Matthéüs 24 : 14 staat, wanneer het einde gekomen is:

En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen. Mat. 24 : 14

”De gehele wereld” betekent: de gehele bewoonde wereld (= de beschaving). Het is het Griekse woord ”oikoumenè” (vergelijk Openbaring 12 : 9). De bewoonde wereld komt overeen met de volkeren die door de satan verleid (zullen) worden. ”Voorwaar” (Matthéüs 24 : 2) is de vertaling van het Griekse woordje ”amen”. Het wordt gebruikt om de nadruk op bepaalde zaken te leggen. De Heer zei dat geen steen op de (andere) steen gelaten zou worden, die niet zou worden afgebroken. Dit betekent dat Jeruzalem geheel verwoest zal worden.

4 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
5 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.
6 En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. Matthéüs 24 : 4-6

Het Griekse woord, dat hier vertaald is met ”verleiden”, is ”planaoö”. Het komt onder andere voor in Matthéüs 18 : 12, 12, 13 (”afdwalen”); 22 : 29 (”dwalen”); 24 : 4, 5, 11, 24. Er zullen vele verleiders komen, die zeggen, dat zij de Christus (de Messias) zijn. Dit kan uiteraard alleen binnen de Joodse natie, want alleen de Joden verwachten de Messias. Matthéüs 24 : 4-6 is derhalve aan een letterlijk Israël (Jodendom) gericht. Het is primair de omschrijving voor de eerste zeven jaar van de zesde bedeling (= de zeventigste week van Daniël 9). Ondanks deze waarschuwing van de Heer zullen vele Joden afdwalen. Er zijn allerlei aanwijzingen: oorlogen en geruchten van oorlogen. Deze dingen moeten geschieden. Oorlogen en dergelijke moéten komen; het is onvermijdelijk. De Heer zegt echter dat dit niet het einde is! Dat wil zeggen: het einde van de eeuw is nog niet gekomen. De hedendaagse oorlogen zijn géén heenwijzing naar het naderende einde. De Bijbel zegt dat het slechts het begin is (Matthéüs 24 : 8).

7 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.
8 Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten. Matthéüs 24 : 7, 8

De Heer kondigde aan dat het ene volk tegen het andere volk zal strijden. Er zal een onderlinge strijd tussen volkeren en koninkrijken zijn. Dit was vóór het einde van de 69 weken niet het geval. Vóór die tijd waren er wereldrijken, die op elkaar werden veroverd. Verder kondigde de Heer hongersnoden en aardbevingen in verscheidene plaatsen aan (vers 7). Al die dingen zijn een begin der smarten (vers 8). De discipelen vroegen naar het einde, maar de Heer begon Zijn antwoord van de vraag met het begin van de gebeurtenissen. Matthéüs 24 : 7-14 gaat over de 33 jaar, die op de eerste zeven jaar van de zesde bedeling – zijnde de zeventigste week van Daniël 9 – volgen. De volgende zaken zullen gebeuren:

  • volk (Grieks: ethnos) zal opstaan tegen volk. Dit wijst op binnenlandse oorlogen;
  • koninkrijk (Grieks: basileia) zal opstaan tegen koninkrijk. Dit wijst op de strijd van natiën onderling; –
  • hongersnoden (onder andere in Openbaring 6 : 8; 18 : 8; vergelijk Amos 8 : 11).
  • pestilentiën. Sommige Griekse handschriften laten dit weg; de betere handschriften hebben het wél. Het wijst op allerlei epidemieën.
  • aardbevingen. Grieks: seismos (o.a. in Openbaring 11 : 13, 19; 16 : 18).

”In verscheidene plaatsen” wil zeggen ”op meer dan één plaats”. Dit betekent dat er aardbevingen op meerdere plaatsen tegelijk zullen voorkomen. Het woord, dat met ”smarten” vertaald is, betekent feitelijk ”weeën”. Weeën wijzen op het einde van een zwangerschap. De vrouw staat op het punt te baren. De vrouw (in breedste zin: een type van de schepping) moet voortbrengen. Matthéüs 24 : 7, 8 bespreekt de volkeren in hun onderlinge strijd en spreekt over de rampen, die die volkeren zullen treffen.

9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.
10 En dan zullen er velen geërgerd worden (ten val komen), en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden (doen dwalen). 12 En omdat de ongerechtigheid (wetteloosheid) vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden. 13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Matthéüs 24 : 9-13

Matthéüs 24 : 9-13 geeft aan wat er met gelovigen zal gebeuren.

  • -overgeleverd tot in (=/ in) verdrukking
  • gedood (niet allen)
  • gehaat (door alle heidenen/volken; vanwege de Naam van de Heer)

Door een valse boodschap (van de valse profeet!) zullen vele gelovigen verleid worden. De wetteloosheid zal toenemen, zodat de liefde (Grieks: agapè) van de gelovigen onderling zal afnemen en zelfs zal ophouden. ”Wetteloosheid” is het principe, dat door dé wetteloze wordt bewerkt.

7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid (wetteloosheid) wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
8 En alsdan zal de ongerechtige (wetteloze) geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst;
9 Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen; 2 Thessalonicenzen 2 : 7-9

De wetteloosheid is nu nog verborgen, maar zal dán geopenbaard worden. Hij wordt nu nog wederhouden, namelijk door de aanwezigheid van de Gemeente – het lichaam van Christus – op aarde. Hij zal zich na de opname/wegrukking van de Gemeente openbaren; ook binnen groepen van gelovigen en hij zal daar afval veroorzaken. Christus is momenteel verborgen in de hemel. Hij openbaart Zich niet in/aan de wereld. Pas na de opname/wegrukking van de Gemeente zal Hij Zich (weer) met de aarde gaan bemoeien. Dán zal Hij Zich openbaren; eerst met betrekking tot Israël en daarna tot de overige volkeren. Aangezien Hij Zich verbergt, kan de wetteloze zich nu niet openbaren. Pas als Christus Zich openbaart (na de wegrukking van de Gemeente, de wederhouder), mag de wetteloze zich openlijk manifesteren. Dit neemt niet weg, dat de Heer wel degelijk werkzaam is in het leven van de gelovige Weliswaar onzichtbaar, maar evenzo wel reëel. Zo is ook de wetteloosheid reeds in het verborgene werkzaam; te midden van de kinderen der wetteloosheid (= de ongelovigen; vergelijk Romeinen 1 : 18; 1 Johannes 3 : 4; 5 : 17).

Wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden

De discipelen vroegen niet naar het einde van de zeventig weken van Daniël 9, maar zij vroegen naar het einde van de eeuw (aion). De gelovigen dienen dus te volharden tot het einde van de eeuw (aion). ”Zalig worden” is in de volgende bedeling (6) hetzelfde als ”het koninkrijk beërven”.

En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen. Matthéüs 24 : 14

Dit evangelie” wijst op:

Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matthéüs 3 : 2, 17; 10 : 7, 8). En: volharden tot het einde, om zalig te worden (Matthéüs 10 : 22; 24 : 13). ”Het evangelie van het koninkrijk” komt viermaal in het Nieuwe Testament voor: Matthéüs 4 : 23; 9 : 35; 24 : 24 en Markus 1 : 14. Het evangelie van het koninkrijk wordt gepredikt (door de 144.000 Israëlieten; Openbaring 7) tot een getuigenis voor alle volken. Dit gebeurt gedurende de 33 jaar van de zesde bedeling. Het behoort nu (gedurende de vijfde bedeling) niet te worden verkondigd! Er staat niét dat alle volken door de prediking van het evangelie van het koninkrijk tot geloof zullen komen! Als het evangelie aan alle volkeren gepredikt is, zal het einde van de aion komen (en beginnen ”de duizend jaar”). Degenen die niet tot geloof zijn gekomen, zullen worden gedood.

Wanneer zullen al deze dingen gebeuren? In Matthéüs 24 : 3-14 worden geen data genoemd. Er wordt vanaf de dood en opstanding van de Here Jezus Christus tot het begin van ”de duizend jaar” gesproken. Het is mogelijk om de zaken meer gedetailleerd te weten, want vanaf Matthéüs 24 : 15 geeft de Heer opnieuw antwoord op dezelfde vragen en Hij doet dat aan de hand van oudtestamentische profetieën.

Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Matthéüs 24 : 15

De Heer verwijst naar de profetieën van Daniël. De Heer noemt Daniël een profeet, terwijl de Joden hem helemaal niet als een profeet beschouwen. De term ”gruwel der verwoesting” komt ook voor in Markus 13 : 14 en uiteraard in het boek Daniël, namelijk in Daniël 9 : 27; 11 : 31; 12 : 11. Vanuit Daniël 9 : 27 weten wij, dat deze gruwel in het midden van de zeventigste week wordt opgericht.

Dat is in het midden van de eerste zeven jaar van de zesde bedeling:

  1. Einde van de vijfde bedeling; begin van de zesde bedeling. Moment van de opname (lett.: wegrukking) van de Gemeente; 1 Thessalonicenzen 4 : 17). Begin van de zeventigste week van Daniël 9. De zeventigste week begint met 3 1/2 jaar van ”vrede en geen gevaar” (onder andere 1 Thessalonicenzen 5 : 3).
  2. Midden van de eerste zeven jaar van de zesde bedeling. Het zijn zeven jaar van 360 dagen; vandaar, dat er in de Bijbel 1260 dagen (31/2 x 360 dagen) en ook 42 maanden worden genoemd; zie Matthéüs 24 : 15; Daniël 11 : 31. Op dit moment zal ”de gruwel der verwoesting” worden opgericht.
  3. Het eind van de eerste zeven jaar van de zesde bedeling. Het einde van de zeventigste week van Daniël 9. Aan het eind van deze zeven jaar zal de Heer voor Israël verschijnen (op de Olijfberg; Zacharia 14 : 4). De overgeblevenen van Israël zullen dan (in grote nood verkerende) de Heer aanroepen en Hij zal komen om hen te bevrijden (vergelijk Joël 2 : 32); zie Matthéüs 24 : 30; Daniël 12 : 1. De tijd tussen B en C is de tijd van de grote verdrukking voor Israël. Die verdrukking duurt 31/2 jaar (Matthéüs 24 : 21, 29).
  4. Het einde van de 33 jaar en daarmee tevens het einde van de zesde bedeling. Alle levende volkeren zijn geoordeeld. De gelovigen zijn op aarde gebleven en gaan het aardse koninkrijk binnen. De ongelovigen zijn van de aarde weggenomen. Dit vinden we bijvoorbeeld in Matthéüs 24 : 36-44; ”aangenomen” moet daar zijn ”weggenomen”; ”verlaten” moet zijn ”gelaten” (namelijk: met rust gelaten). Hier wordt ”de gruwel der verwoesting” genoemd. Sommigen vertalen dit met ”de verwoestende gruwel”. De gruwel (= afgoderij) brengt verwoesting, maar die gruwel zal zelf ook verwoest worden. De profeet Daniël sprak van deze gruwel. De Heer verwijst hier rechtstreeks naar de profetieën van Daniël; primair Daniël 9 : 27. Er zal een beeld in de heilige plaats worden opgericht. ”Staande op de heilige plaats”, slaat niet op Daniël zelf, want hij stond niet in de heilige plaats. Hij was namelijk als Jonge man naar Babel gevoerd en is daar zijn gehele leven gebleven. ”Staande in de heilige plaats” slaat op de gruwel der verwoesting, die zal worden opgericht. Deze term is vrij algemeen, omdat er gedurende de zesde bedeling (nog) geen tempel zal zijn.

16 Dat alsdan, die in Judéa zijn, vlieden op de bergen;
17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; 18 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.
19 Maar wee den bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen!
20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat. Matthéüs 24 : 16-20

In dié dagen zal men moeten vlieden (vluchten). Het oprichten van de gruwel der verwoesting komt overeen met het oprichten van een afgodsbeeld. Als de gelovige Joden dát zien, is er slechts één advies: vluchten. Het zal hun laatste kans zijn om aan de grote verdrukking (vers 21) te ontkomen. ”Juda” is de omschrijving voor het Joodse land, de Joodse staat. Als men zich in de tegenwoordige staat Israël bevindt, zal men moeten vluchten. Welke bergen hier bedoeld zijn, wordt niet gezegd, maar vanuit het Oude Testament kan men weten, dat hier het gebergte van Paran bedoeld wordt. In dit gebergte ligt de rotsvesting ”Petra” (of: Sela). Dit is het gebied van Edom (vergelijk Jesaja 63 : 1; Habakuk 3 : 3). Er is grote haast geboden; zóveel haast zelfs, dat men het huis niet meer kan binnengaan om bepaalde zaken mee te nemen. Wie op het dak van zijn huis is, heeft geen tijd om iets uit zijn huis weg te nemen. Het gaat hier om Joodse huizen, waarbij de trap buitenshuis is. Men moet uiteraard wel van het dak afkomen, maar men kan zijn/haar huis niet binnengaan. Men zal direct moeten vluchten. De tijd is zó dringend, dat nadrukkelijk wordt gezegd dat men niets uit zijn huis moet meenemen. Ditzelfde geldt voor degene, die op de akker is. Hij/zij heeft geen tijd om naar huis terug te keren en zijn/haar klederen weg te nemen. Men zal zeer snel moeten vertrekken. Er staat: ”wee de zwangeren en de zogenden”. Hun situatie zal het vluchten ernstig bemoeilijken. Dit geldt ook ten aanzien van de winter en de sabbat. In de winter zal de koude, sneeuw enzovoorts, de vlucht zeer bemoeilijken. ”Winter” is ook een beeld van verdrukking en zelfs van dood. Op de sabbat zal vluchten extra moeilijk zijn, omdat er geen enkel vervoer beschikbaar is.

21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.
22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. Matthéüs 24 : 21, 22

Als de gruwel der verwoesting – waarover door Daniël werd gesproken – wordt opgericht, begint dé grote verdrukking. Het zal de grootste verdrukking aller tijden zijn. Die verdrukking duurt 31/2 jaar voor het land Israël en haar bewoners. Na die 31/2 jaar gaat de verdrukking gewoon verder, maar dán voor de volkeren. Het grootste deel van Openbaring handelt over de grote verdrukking die over de volkeren zal komen. Voor de uitverkorenen (de gelovigen in Israël) wordt die verdrukking ingekort tot 1260 dagen. ”Uitverkorenen” zijn altijd gelovigen. Het Griekse woord is ”eklektos”. Het komt ondermeer voor in Matthéüs 24 : 24, 31; Lukas 18 : 7, 8; 23 : 35; Romeinen 8 : 33; Kolossenzen 3 : 12. Ter wille van de gelovige Joden in Judéa zal de verdrukking verkort worden tot 1260 dagen; voor anderen niet.

De zeventig weken zijn afkomstig uit Daniël 9. Daar wordt gesproken over de heilige stad (= Jeruzalem) en over het volk van Daniël (= de twee stammen). Dit betekent, dat alléén ter wille van het Joodse volk de dagen verkort zullen worden (vergelijk Daniël 12 : 1). Vanuit het boek Openbaring kunnen wij weten, dat de verdrukking óók over de overige volkeren zal komen. Voor deze volkeren zal de verdrukking niet verkort worden. De verdrukking voor de overige volkeren eindigt bij het einde van de tegenwoordige, boze eeuw. De verdrukking over de volkeren duurt 33 jaar.

Schematisch:

  1. Einde van de huidige (vijfde) bedeling: opname/wegrukking van de Gemeente, het lichaam van Christus. Begin van de zeventigste week van Daniël 9. Tevens het begin van de zesde bedeling. Dit is het moment, dat het verbond versterkt zal worden (Daniël 9 : 27).
  2. Het midden van de zeventigste week. Dit is het moment, waarop de gruwel der verwoesting (= een afgodsbeeld) zal worden opgericht. Dit is tevens het moment, waarop men voor het laatst de mogelijkheid heeft om het land uit te vluchten. Het is dus ook het moment, waarop de grote verdrukking voor Israël begint.
  3. Het einde van de zeventigste week. Op dit moment zal de Heer op de Olijfberg verschijnen. Begin van de 33 jaar van grote verdrukking voor de overige volkeren.

23 Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.
24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
25 Ziet, Ik heb het u voorzegd! 26 Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet. Matthéüs 24 : 23-26

Matthéüs 24 : 23-26 spreekt over de tijd van de grote verdrukking voor Israël. Als er tijdens die grote verdrukking iemand zal zeggen: ”Ziet, hier is de Christus, of daar”, moet men dat niet geloven, omdat Christus gedurende de tweede 31/2 jaar van de grote verdrukking niet in het land aanwezig zal zijn. In die dagen zal de Christus Zich niet aan het Joodse volk en aan Jeruzalem laten zien. Christus vertoont Zich uiteraard evenmin aan de overige volkeren. Men zal zeggen, dat de Christus in Judéa en in Jeruzalem is. De Heer Zelf is er niet, maar er zullen wel valse christussen en valse profeten zijn. Deze valse christussen en valse profeten zullen grote tekenen en wonderen doen. Ditzelfde staat ook in 2 Thessalonicenzen 2 : 19 en Openbaring 13 : 13. Wanneer men zal zeggen ”Ziet, hier is de Christus”, weten de gelovigen meteen, dat die persoon de Christus niét is. De Heer heeft het immers voorzegd! (vers 25).

Gelovigen Joden worden gewaarschuwd om niet te geloven, dat de Messias in het land (= in de binnenkameren) is. De Heer benadrukt: Geloof dat niet! Hij blijkt wel in de woestijn te zijn, maar de Heer waarschuwt, om niet uit te gaan. Gedurende de eerste helft van de zeventigste week had men de gelegenheid het land te verlaten. Bij de oprichting van de gruwel der verwoesting (= een afgodsbeeld) was de laatste mogelijkheid, om het land te verlaten. Daarná zal de Heer weliswaar in de woestijn (= buiten het land; in Petra/Sela) zijn, maar het zal dán onmogelijk zijn, om tot Hem uit te gaan. Wanneer men dán probeert het land te verlaten, zal men gedood worden.

27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.
28 Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. Matthéüs 24 : 27, 28

De Heer geeft nu antwoord op de tweede vraag van de discipelen: ”Wat zal het teken van Uw aanwezigheid zijn?”. Dit teken is de bliksem die uitgaat van het oosten (= de oorsprong) en schijnt tot het westen. Nog voordat de zichtbare komst van de Heer op de Olijfberg vermeld wordt (vers 30), voorzegt vers 27 Zijn aanwezigheid reeds. De term ”Zoon des mensen” betekent ”Erfgenaam van Adam” (zie Matthéüs 24 : 27, 30, 37, 39, 44; 25 : 31). Het woord ”toekomst” is de vertaling van het Griekse woord ”parousia”. Het Griekse woord ”parousia” (parousia) heeft in de Bijbel niet de betekenis van ”aanwezigheid”. Het gaat om Zijn toekomstige aanwezigheid. De Heer is momenteel niet aanwezig op de manier, zoals Hij in de toekomst aanwezig zal zijn. In de toekomst zal Hij zichtbaar aanwezig zijn. We leven nu in de tijd (vijfde bedeling) waarin de Heer niet zichtbaar aanwezig is. ”Parousia” wijst op de toekomstige, zichtbare aanwezigheid van Christus; in heerlijkheid (zie 1 Johannes 3 : 2)! De Heer is nu weliswaar (onzichtbaar) aanwezig, maar het woord ”parousia” wordt in dat verband door de Bijbel nooit gebruikt. ”Het dode lichaam” komen we ook in Deuteronomium 28 : 26 tegen.

25 De HEERE zal u geslagen geven voor het aangezicht uwer vijanden; door een weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en gij zult van alle koninkrijken der aarde beroerd worden.
26 En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.
27 De HEERE zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen, en met droge schurft, en met krauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.
28 De HEERE zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;
29 Dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn. Deuteronomium 28 : 25-29

Hier wordt over Israël gesproken, dat ontrouw aan de Heer was. Vergelijk:

30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in Mijn ogen, spreekt de HEERE; zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen.
31 En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal des zoons van Hinnom is, om hun zonen en hun dochteren met vuur te verbranden; hetwelk Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
32 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal des zoons van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn.
33 En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken.
34 En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 7 : 30-34

Hier wordt over ”het gevogelte des hemels”gesproken. In Matthéüs 24 : 28 wordt over ”arenden” gesproken. De arend komt evenals in Openbaring 4 : 7 en 12 : 14 voor. Arenden zijn in Matthéüs 24 : 28 een omschrijving voor vijandige machthebbers. Het wijst met name op Rusland, dat Israël zal binnenvallen (Ezechiël 39 : 1-5, 17, 18; lees ook de context). Het gehele land zal onder de voet gelopen worden. Ook in Zacharia 14 : 1, 2 vinden we dit beschreven. Slechts een klein (gelovig) overblijfsel zal de Heer (Jehovah!) aanroepen. Hij (Christus) zal op de Olijfberg verschijnen. De Olijfberg zal scheuren, zodat er een vluchtweg open komt te liggen, waardoor het overblijfsel zal kunnen vluchten. Men zal het land dus uit moeten! Men zal door de Olijfberg vluchten en via Jordanië naar Petra/Sela gaan. Enkele teksten, waar Sela ( = 60-30-70) genoemd wordt, zijn: Richteren 1 : 36; 1 Samuël 23 : 25, 28; 2 Koningen 14 : 7; Jesaja 16 : 1; Jeremia 49 : 16; Obadja :3,4; Psalm 18 : 3. Enkele teksten met Selah ( = 60-30- 5) zijn: 71 maal in de Psalmen: Psalm 3 : 3, 5, 9; 24 : 6,10; 46 : 7, 8, 12; 46 : 4; 62 : 5, 9; 85 : 2, 3; Habakuk : 3, 9, 13. Een plaats, die vlakbij Sela(h) ligt, is Bozra (Jesaja 63 : 1).

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt, dat Matthéüs 24 : 15-28 over de tweede helft van de zeventigste week spreekt. Matthéüs 24 : 15 opent met het noemen van de gruwel der verwoesting, waarvan door Daniël gesproken was. Die gruwel (= een afgodsbeeld) zal in de heilige plaats worden opgericht. Vanaf dat moment begint de grote verdrukking over de Joodse staat en over Jeruzalem. Voor de Joodse staat en voor Jeruzalem worden die dagen verkort tot 1260 dagen. Dit is de tweede helft van de zeventigste week. Als de zeventigste week voorbij is, gaat de verdrukking gewoon door; niet over het Joodse volk en over Jeruzalem, maar over de overige volkeren. De grote verdrukking van de tweede helft van de zeventigste week leidt tot de bekering van het Joodse volk (wat er nog van over is). De grote verdrukking die over de overige volkeren zal komen, zal tot de bekering van die volkeren leiden. Wie uit Israël en de overige volkeren niet tot geloof/ bekering komt, wordt uitgeroeid.

En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. Matthéüs 24 : 29

Vanaf Matthéüs 24 : 29 vinden we een beschrijving van wat ná de zeventigste week komt. We zijn hier aan het einde gekomen van de totale periode van zeventig weken die in Daniël 9 genoemd werd. ”Terstond na de verdrukking van die dagen” verwijst naar Matthéüs 24 : 22. Het wijst op de verdrukking, die over Israël zal komen. Direct na de verdrukking van 31/2 jaar (1260 dagen) voor Israël zullen er opmerkelijke zaken plaatsvinden:

De zonzal verduisterd worden
De maanzal geen schijnsel geven
De sterrenzullen van de hemel vallen
De krachten der hemelenzullen bewogen worden

Deze verschijnselen luiden de dag des HEEREN in. Het geeft tevens het einde van de zeventigste week van Daniël aan. De zon zal verduisterd worden, de maan zal haar schijnsel niet geven. De sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. Dit betekent in de praktijk dat de zon, maan en sterren geen licht zullen geven. Als de zon én de maan op één en dezelfde dag verduisterd worden, is dat geen astronomisch verschijnsel, omdat een normale zons- of maansverduistering minimaal veertien dagen van elkaar gescheiden zijn. Een zonsverduistering kan namelijk alléén bij nieuwe maan plaatsvinden, terwijl een maansverduistering alléén bij volle maan kan plaatsvinden.

Aan het einde van de zeventigste week zullen de zon en de maan op één en dezelfde dag verduisterd worden. Dit houdt in, dat het om atmosferische verschijnselen gaat. Het kan zijn, dat er dan normale wolken zijn, maar er kunnen ook wolken zijn, die uit stof en vuil bestaan. Zulke wolken zullen niet ontstaan vanwege een onzorgvuldig omgaan met het milieu, maar doordat de krachten der hemelen bewogen zullen worden (Matthéüs 24 : 29). Dit is hetzelfde als ”de krachten der aarde zullen bewogen worden” (vergelijk Joël 2 : 10; Jeremia 10 : 10). De lucht zal zodanig bedekt zijn dat de zon, maan en sterren geen licht zullen geven. Aanvankelijk zal er volkomen duisternis zijn. Daarna zal er echter Licht aan de hemel verschijnen om Jeruzalem (primair: de Olijfberg) te verlichten. Israël zal op dat moment in duisternis wandelen, maar zal een groot Licht zien (Jesaja 9 : 1). Dit Licht is de Zon der gerechtigheid (Maléachi 4 : 2), de Morgenster (Openbaring 22 : 16) De Heer zal Zelf namelijk aan de hemel verschijnen en Zijn licht geven. Hij is de Ster, Die uit Jakob zal voortkomen (Numeri 24 : 17). De Heer wordt Licht genoemd (Jesaja 60 : 1). Dit wordt allemaal aan het einde van de zeventigste week letterlijk vervuld.

De verduistering van zon, maan en sterren vindt aan het einde van de zeventigste week plaats. Dit gebeurt letterlijk, maar deze letterlijke verschijnselen zijn uitbeeldingen van onzienlijke dingen. De zon is tot heerschappij over de dag en de maan is tot heerschappij over de nacht gesteld (Genesis 1 : 16; Psalm 136 : 9). De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen (Psalm 19 : 2). De lichten in het uitspansel zijn tot tekenen en tot gezette tijden (Genesis 1 : 14). Zij zijn een beeld van het volk Israël (vergelijk Genesis 37 : 9, 10; Openbaring 12 : 4, 5), door wie tekenen (van toekomende dingen) en gezette tijden bekendgemaakt zullen worden. De sterren zullen letterlijk van de hemel vallen. Het is tevens een beeld van de vernietiging van het oude, natuurlijke Israël (vergelijk Openbaring 6:13). Het einde van de zeventigste week is namelijk tevens het moment, waarop het oude, in ongeloof gebouwde Jeruzalem, vernietigd zal worden. Het einde van de zeventigste week is het moment van de ondergang van het natuurlijke Israël en van de (tegenwoordige) Joodse staat. Alle ongelovige Joden zullen in het land en in de stad worden gedood. De verschijnselen, die in Matthéüs 24 worden genoemd, vinden we ook in: Openbaring 6 : 12-17

12 En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed. 13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. 15 En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen; 16 En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. 17 Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? Op. 6 : 12-17 

Ook hier vinden wij een omschrijving van dezelfde natuurrampen. Deze vinden plaats op het moment, waarop de verdrukking voor Israël voorbij is. De sterren des hemels vielen op de aarde als onrijpe vijgen. Dit is een omschrijving voor ongelovige Joden (= onrijpe vijgen), die zullen worden gedood. De Heer richt Zijn koninkrijk namelijk alléén op met gelovigen! Alle ongelovigen (zowel Jood als heiden) komen om. De zeventigste week is ten einde en daarmee de grote verdrukking over Israël. Vanaf dat moment gaat de verdrukking gewoon door, maar nu voor de overige volkeren. De volkeren zullen de troon zien met het Lam erop. Zij zullen echter niet tot geloof komen, maar aan de bergen vragen, om hen te bedekken (vers 16). Met andere woorden: men wordt liever levend begraven, dan dat men voor de Heer buigt. Wat een hoogmoed!

30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde (=van het land) wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.
31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen (= toevergaderen) uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve. Matthéüs 24 : 30, 31

Aan het einde van de zeventigste week zal het volkomen duister zijn geworden en zal Israël volledig van de kaart zijn geveegd (Zacharia 14 : 1, 2). Op dát moment verschijnt echter hét Licht, de Messias, Die Israël zal doen wedergeboren worden tot een levende hoop (1 Petrus 1 : 4). Zon, maan en sterren verdwijnen, maar (het teken van) de Zoon des mensen verschijnt. Vóór de Heer Zelf gezien wordt, zal men eerst het teken van de Zoon des mensen aan de hemel zien. Aan het einde van de zeventigste week zal het een normale dag zijn, maar ineens zullen de krachten van de hemel bewogen worden. Dit houdt in ieder geval in, dat er aardbevingen zullen komen, waardoor grote (stof)wolken zullen ontstaan. De hemel zal verduisterd worden, waardoor zon, maan en sterren verdwijnen. Aan de hemel verschijnt vervolgens één andere Ster (in plaats van zon, maan en sterren), namelijk de Ster der gerechtigheid, de Here Jezus Christus. De uitdrukking ”de geslachten van het land” wijst op de stammen van Israël. Het gaat in Matthéüs 24 : 30 niet om een wereldomvattende gebeurtenis. Deze gebeurtenis heeft slechts betrekking op het Joodse volk en op Jeruzalem, want het gaat hier om het einde van de zeventigste week. De uitdrukking dient daarom met ”de geslachten van het land” vertaald te worden. Het is een interne aangelegenheid, zoals bijvoorbeeld door Jozef werd geïllustreerd. Vóór hij zich aan zijn broers bekendmaakte, stuurde hij eerst alle Egyptenaren de deur uit. Toen zij alleen waren, maakte hij zich pas bekend (Genesis 45 : 1-7). Het gelovig overblijfsel van Israël zal Hem zien, komende op de wolken des hemels. Op welke plaats Hij zal neerkomen, is bekend. De Heer heeft het namelijk meegedeeld.

9 En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
10 En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
11 Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvarenHandelingen 1 : 9-11

De hemelvaart vond op de Olijfberg plaats. Dit was een demonstratieve hemelvaart, want de Heer was op de dag van Zijn opstanding reeds naar de hemel gevaren en had daar Zijn positie ontvangen (vergelijk Johannes 20 : 17 en 27). Op de dag van de opstanding is Hij naar de hemel gegaan, maar daar heeft niemand iets van gezien. Toen heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem aan Zijn rechterhand gezet. In Handelingen 1 : 9 staat er nadrukkelijk bij: ”Daar zij het zagen”. De engelen kondigden hier aan dat de Here Jezus op dezelfde wijze zal terugkeren als Hij naar de hemel is gegaan. Dit betekent dat ze Hem zullen zien terugkomen. De Heer zal op de wolken des hemels komen, zoals Hij ook naar de hemel is gegaan. Het zal ook op dezelfde plaats gebeuren, namelijk op de Olijfberg. Matthéüs 24 : 30 verwijst naar profetieën uit Zacharía. De enige manier om Matthéüs 24 : 30 te verklaren, is, door dit vers met de profetieën uit Zacharía te vergelijken (Zacharia 14 : 4).

Nadat de Heer ten behoeve van het gelovig overblijfsel van Zijn volk verschenen is, zal Hij beginnen met de terugverzameling van de gelovigen uit de twaalf stammen van Israël. De komst van de Heer op de Olijfberg is niet hetzelfde als het begin van Zijn koninkrijk over de gehele aarde. Op het moment, dat de Heer op de Olijfberg verschijnt, zal het gelovig overblijfsel worden gered, omdat het door de gespleten Olijfberg kan vluchten. Op dat moment zal Hij de vijand, die Jeruzalem tot dan toe belegert, doden. Dit houdt in dat er op dat moment geen enkele levende meer in het land aanwezig zal zijn. Degenen die vluchten, gaan naar Petra (Hebreeuws: Sela). Zij zullen, samen met de Joden, die in de eerste 31/2 jaar (direct volgend op de opname/wegrukking van de Gemeente) naar Petra zijn gevlucht, naar het land terugkeren; onder aanvoering van hun Messias, de Here Jezus Christus. Dán begint de opbouw van Zijn koninkrijk pas. Eerst wordt Israël hersteld (alleen voor het begraven van alle doden zal men al zeven maanden nodig hebben; Ezechiël 39 : 12). Vanuit een gereinigd Israël zal de boodschap over de gehele aarde worden gebracht; door 144.000 Israëlieten (Openbaring 7). Dit gebeurt gedurende 33 jaar, die volgen op de zeventigste week van Daniël 9.

32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
33 Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.
34 Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen. Matthéüs 24 : 32-36

Vanaf vers 32 worden een aantal gelijkenissen verteld:

–  Matthéüs 24 : 32-35 Gelijkenis van de vijgeboom
– Matthéüs 24 : 36-41 Gelijkenis met de dagen van Noach
– Matthéüs 24 : 42-44 Gelijkenis van de heer des huizes
– Matthéüs 24 : 45-51 Gelijkenis van de twee dienstknechten
– Matthéüs 25 : 1-13 Gelijkenis van de vijf wijze/dwaze maagden
– Matthéüs 25 : 14-30 Gelijkenis van de talenten.

De gelijkenis van de vijgeboom

De vijgeboom is een beeld van de vierde bedeling (zie Deuteronomium 8 : 8 – de vierde vrucht). De vijgeboom staat daarmee model voor de natie Israël. Vijgen zijn derhalve een beeld van individuele Israëlieten (Jeremia 8 : 13 = ongelovige Joden; Jeremia 24 : 1-10 – gelijkenis van de vijgenkorven; Matthéüs 21 : 18-22 – natie Israël = de verdorde vijgeboom). Hier zegt de Heer dat aan de vijgeboom te zien is dat de zomer (= het koninkrijk) nabij is. De Heer noemt twee kenmerken:

  1. – haar tak wordt teder (= week)
  2. – haar bladeren spruiten uit

In Matthéüs 21 werd de vijgeboom vervloekt, waardoor zij verdorde. Dit is een beeld van de terzijdestelling van de ongelovige natie Israël. Het werd een dode vijgeboom. Het werd een dode vijgeboom. Dit gebeurde aan het einde van de vierde bedeling. Het volk kwam niet tot geloof in haar Messias, de Here Jezus Christus. Ook na de opstanding van de Heer kwam het volk niet tot geloof. Dit had tot gevolg dat de vijgeboom niet alleen verdorde, maar zelfs helemaal verdween (in 70 na Chr.) Velen spreken tegenwoordig over het “wonder” van de staat Israël. Het is inderdaad waar dat er gedurende bijna tweeduizend jaar geen staat Israël is geweest. Sinds 1948 is er weliswaar een Joodse staat, maar het is slechts een dode vijgeboom. Het is niet het werk van de Heer! Het is wel in overeenstemming met hetgeen Ezechiël geprofeteerd heeft. (Ezechiël 37), maar het is niet in overeenstemming met de geopenbaarde wil van God. Het is een Joodse staat die in ongeloof is opgericht. Deze staat zal daarom vernietigd worden. De Heer heeft het volk het land uitgezet (op grond van ongeloof). Het volk heeft de brutaliteit gehad om eigenhandig terug te keren. De Heer zal het volk er opnieuw uitzetten. Pas wanneer het in geloof de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal het door de Heer Zelf in het land gebracht worden.

Wanneer men de aanwezigheid van een dode vijgeboom (= een ongelovige Joodse staat) als een wonder beschouwt, dient men méér wonderen te erkennen. Tot voor kort bestonden de meeste van de Bijbelse volkeren niet in het Midden-Oosten. Wij constateren dat er een Joodse staat is, maar tegelijkertijd dienen wij te constateren dat de (vijandige) volkeren uit de tijd van Babel óók weer aanwezig zijn. Dit is niet het werk van de Heer! Wij kunnen slechts constateren dat het “decor” in gereedheid wordt gemaakt, zodat de zeventigste week kan beginnen (na de opname/wegrukking van de Gemeente).

Matthéüs 24 : 32 spreekt niet over een dode vijgeboom, maar juist over een levende vijgeboom. De boom vertoont tekenen van leven, zoals dat in de lente gebeurt. Het is nog geen zomer, maar de zomer is wel nabij. In de zomer vindt de oogst plaats (vrucht). Hier is nog geen sprake van vrucht, maar er zit wel leven in. Dit betekent dat de Joodse staat tot leven is gekomen. Met andere woorden: men heeft de Naam des HEEREN aangeroepen (= tot geloof gekomen. De dode vijgeboom is tot leven gekomen: de wedergeboorte van de Joodse staat. Dit gebeurt aan het eind van de zeventigste week van Daniël 9. Wanneer men deze dingen ziet, kan met weten dat de zomer nabij is (= voor de deur staat). Men zal uit de tekenen die in vers 29-32 beschreven staan, kunnen opmaken dat de zomer (= het koninkrijk) nabij is (- voor de deur staat). Er gaat nog een periode van 33 jaar overheen voordat het koninkrijk in zijn geheel gevestigd zal zijn. Een geslacht komt overeen met een generatie. De generatie Israëlieten die deze tekenen zal zien, zal ook de komst van het koninkrijk zien (althans: de gelovigen daaruit). Zij zullen niet alleen dat koninkrijk zien komen, maar er ook deel van uitmaken. Het maakt daarom niet uit hoeveel jaar men voor één generatie aanhoudt. De ongelovigen van die generatie komen namelijk om en de gelovigen van die generatie leven langer dan duizend jaar. Matthéüs 24 : 3 is ten onrechte met ”de voleinding der wereld” vertaald (Grieks: kosmos). Uit deze verkeerde vertaling concludeert men meestal dat de wederkomst van de Heer (Matthéüs 24 : 30) direct gevolgd wordt door het verdwijnen van hemel en aarde (Matthéüs 24 : 35). Het gaat in Matthéüs 24 : 3 echter over het einde van de eeuw (Grieks: aion). De komst van de Heer op de Olijfberg valt helemaal niet samen met de verdwijning van hemel en aarde. Eerst volgt de periode van 33 jaar. Daarna volgen de 1000 jaar, waarin de satan gebonden zal zijn (Openbaring 20 : 1-3).Ten slotte volgt nog een korte tijd, waarin de satan weer zal worden losgelaten. Pas daarna zullen hemelen en aarde (= kosmos) verdwijnen. Dit geslacht zal niet voorbijgaan vóór al deze dingen zijn geschiedt. Vervolgens staat er dat hemel en aarde (= de oude schepping) voorbij zullen gaan, maar de woorden van de Heer niet. Er staat dus:

ditgeslachtzalnietvoorbijgaan
hemel en aarde zullenvoorbijgaan
Mijn woorden zullennietvoorbijgaan

Het voorbijgaan van de oude schepping is begonnen bij de dood en opstanding van de Heer (want ander zou de Heer geen nieuwe schepping zijn en zouden wij evenmin een nieuwe schepping kunnen zijn in Christus). De Heer is Zelf de Eerste van de nieuwe schepping. Een ieder die sinds de opstanding tot geloof komt, wordt eveneens een nieuwe schepping in Christus (= hij/zij wordt wedergeboren). De generatie, die al deze dingen ziet, zal niet voorbijgaan. Dit wijst op het feit dat zij wedergeboren wordt (de ongelovigen gaan wel voorbij; vergelijk Matthéüs 24 : 37 v.v.). De oude hemelen en aarde zullen voorbijgaan. Alleen de Vader weet, wanneer dát precies gebeurt (de dag en de ure ervan).

34 Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen. Matthéüs 24 : 34-36

Matthéüs 24 : 36 wordt vaak gebruikt, om het berekenen van bepaalde (toekomstige) gebeurtenissen in de Bijbel te bestrijden. Men zegt doorgaans dat toekomstige gebeurtenissen niet te berekenen zijn, omdat alleen God, de Vader, het uur en de dag van die gebeurtenissen kent. Uit het feit dat “het jaar” niet wordt vermeld, kan wellicht worden opgemaakt dat het jaar van het voorbijgaan van hemelen en aarde en aarde berekend kan worden. Tot op heden heb ik in de Schrift echter geen aanwijzingen in die richting gevonden. Hier staat alléén dat het exacte moment van het verdwijnen van hemel en aarde onbekend is, want dát is het onderwerp van vers 35! Dát moment is alleen bij de Vader bekend. De gelovige wordt er juist toe opgeroepen, om zaken te berekenen. Enkele Schriftplaatsen als voorbeeld:

Openbaring 13 : 16-18Het getal van het beest berekenen
Lukas 12 : 54-56Het onderkennen van de tijd
1 Thessalonicenzen 5 : 1, 2Tijden en gelegenheden weet men zeer goed
2 Thessalonicenzen 2 : 1-5Paulus sprak er herhaaldelijk over

Bovendien kunnen wij in Daniël 9 : 1, 2 concluderen dat Daniël bepaalde zaken in verband met de verwoesting van Jeruzalem had berekend. God stuurde geen engel om hem te zeggen dat hij dat niet mocht berekenen. Integendeel! God zond een engel, die Daniël ”een zeer gewenst man” noemde (Daniël 9 : 23). Vervolgens ontving Daniël een profetie over een andere tijdrekening (Daniël 9 : 24-27). God ”beloonde” hem dus feitelijk voor het nauwgezet bestuderen van Zijn Woord. Wij mogen op dezelfde wijze nauwgezet met het Woord van God bezig zijn. Daartoe heeft de Heer ons immers Zijn Woord gegeven!

37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
41 Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
42 Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure (= op welke dag) uw Heere komen zal.
43 Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.
44 Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen. Matthéüs 24 : 37-44

De Heer trekt hier een lijn naar de dagen van Noach. Men leefde in de dagen van Noach, zoals men zelf wilde; zonder God. Alleen Noach en de zijnen (slechts 8 personen!) werden bewaard. Het getal ”acht” wijst op de nieuwe schepping. Zoals het in de dagen van Noach was, zo zal het in de toekomst weer zijn. Tijdens de aanwezigheid (Grieks: parousia) van de Zoon des mensen zullen alle ongelovigen worden weggenomen. De Heer zal dán rechtstreeks ingrijpen en oordelen. Op welke wijze Hij ingrijpt, staat in vers 40 en 41.

We volgen in Matthéüs 24 het betoog van de Heer. De zaken worden door de Heer in chronologische volgorde vermeld. Dit betekent dat we hier zijn aangekomen bij een tijd die ná de wederkomst van de Heer op de Olijfberg ligt. Het is dus onmogelijk om deze verzen op de opname/wegrukking van de Gemeente te laten slaan, want die wegrukking vindt zelfs vóór het begin van de zeventigste week plaats. Er wordt hier gesproken over ”aannemen” en ”verlaten”. Dit is een interpretatie en geen vertaling. In het Grieks staat er niet ”aannemen”, maar ”wegnemen”. De ongelovigen zullen van de aarde worden weggenomen. Het Griekse woord dat met ”verlaten” is vertaald, betekent feitelijk ”vergeven” (= met rust laten). Zo wordt het bijvoorbeeld vertaald in het zogeheten ”Onze Vader”.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Matthéüs 6 : 12

Het kan daarom het beste vertaald worden met ”de ander zal gelaten worden”. De gelovige zal namelijk op de aarde gelaten worden (= in leven blijven). Vers 40 gaat over mannen (in het Grieks worden mannelijke woorden gebruikt), terwijl vers 41 over vrouwen spreekt. Er worden steeds twee personen genoemd. Dit betekent niet, dat het slechts om twee personen gaat, waarbij 50% in leven blijft en 50% niet. Er wordt alleen een bepaald principe weergegeven: de gelovigen blijven in leven en de ongelovigen worden weggenomen (= worden gedood). De gelovigen worden opgeroepen, om te waken. Men weet niet exact op welke dag de Heer zal komen. Gedurende de 33 jaar zal de Heer Zijn koninkrijk over de aarde oprichten en men zal niet exact weten, wanneer de Heer op een bepaalde plaats zal verschijnen. Op de plaats waar de Heer Zijn koninkrijk uitbreidt, vinden de oordelen plaats. Deze uitbreiding van het koninkrijk vinden we in Daniël 2 geïllustreerd.

31 Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.
32 Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
33 Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.
34 Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
35 Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar
de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde. Daniël 2 : 31-35

Door de steen die van de berg kwam rollen, werd het beeld (= alle aardse macht/koninkrijken volgens de uitleg van Daniël; Daniël 2 : 36 v.v.) vernietigd. De steen werd groter en groter, totdat hij de gehele aarde vervulde. Dit is een beeld van de Heer Die uit de hemel komt om de aarde aan Zich te onderwerpen en Zijn koninkrijk over de gehele aarde op te richten. Hij is de Steen Die zonder handen werd losgemaakt (het is namelijk Gods werk!).

De zesde bedeling

Vanaf Matthéüs 24 : 45 volgen drie gelijkenissen. Ze spreken over de 33 jaar van de volgende bedeling. De Heer is wedergekomen op de Olijfberg en heeft een aantal dienstknechten een bepaalde taak gegeven.

45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd?
46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
48 Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;
49 En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;
50 Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;
51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden. Matthéüs 24 : 45-51

Uit de gelijkenis die wij in Matthéüs 24 : 45-51 vinden, wordt duidelijk dat men trouw behoort te zijn. Dit hadden wij reeds in het begin van Matthéüs 24. Men dient trouw te zijn, namelijk te “volharden tot het einde”. Er blijken twee soorten dienstknechten te zijn: “getrouwe en voorzichtige” dienstknechten en “kwade” dienstknechten. De dienstknecht dient met de zaken van de Heer bezig te zijn tot het moment dat de Heer verschijnt. Wie dat doet, is getrouw in de zaken die hem door de Heer zijn opgedragen. Dán zal deze dienstknecht “zalig” genoemd worden. De Heer zal in de volgende (de zesde) bedeling evenals in de huidige bedeling ook ontrouwe dienstknechten (letterlijk: slaven) hebben. De ontrouwe dienstknecht denkt: “de Heer vertoeft te komen” en hij meent er op los te kunnen leven. De getrouwe en voorzichtige dienstknechten zijn bezig met de zaken die de Heer hen heeft opgedragen. Wanneer de Heer komt, zijn zij bezig met het welzijn van de dienstboden (= de medegelovigen). Zij zorgen ervoor dat de medegelovigen het voedsel krijgen dat zij nodig hebben. Dit wijst op zowel geestelijk als stoffelijk voedsel. Wanneer de Heer komt, zullen deze dienstknechten over alle goederen van de Heer gesteld worden. Zij zullen dus niet alleen het koninkrijk binnengaan, maar er ook verantwoordelijkheden dragen. Deze dienstknechten hebben uiteraard de Heer lief en dienen Hem daarom van harte (vanuit geloof). Zij worden “zalig” genoemd. Deze getrouwe dienstknechten volharden tot het einde en zullen derhalve het koninkrijk (= de duizend jaar) binnengaan.

Er is helaas ook een andere groep dienstknechten, die “kwaad” genoemd worden. Het zijn gelovigen, die eveneens een bepaalde taak van de Heer hebben opgedragen gekregen. Zij denken echter: “Mijn Heer vertoeft te komen”. Zij menen, dat de Heer niet zal komen en voeren het werk dat de Heer hen heeft opgedragen niet uit. Bovendien verdrukken zij hun mededienstknechten (dit zijn ongetwijfeld de trouwe dienstknechten) en eten en drinken zij met de dronkaards. Zij zijn dus op de aardse dingen gericht en verwaarlozen de zaken van de Heer. De Heer verschijnt op een moment, dat de ontrouwe/kwade dienstknechten Hem niet verwachten, want hij heeft totaal geen inzicht in de zaken van de Heer. De kwade dienstknecht zal plotseling door de komst van de Heer overrompeld worden. Hij waakt niet, waartoe in vers 42 werd opgeroepen. Hij zal worden afgescheiden van de trouwe dienstknechten. Hij was aanvankelijk trouw, want hij was door de Heer aangesteld. Het gaat dus om een gelovige, die ontrouw is geworden. Hij komt alsnog buiten het koninkrijk van de Heer (= de duizend jaar) te staan. De kwade dienstknechten hebben niet volhard tot het einde en gaan daarom het koninkrijk niet binnen.

Dit betekent niet, dat deze kwade dienstknecht voor eeuwig verloren gaat, want dat kan niet. Gelovigen worden in de volgende bedeling namelijk op dezelfde wijze wedergeboren als gelovigen van de huidige bedeling. Wedergeboorte kan nooit ongedaan worden gemaakt. Men wordt wedergeboren op grond van geloof; uit genade. Zoals de gelovigen van de huidige bedeling voor de rechterstoel van Christus zullen worden beoordeeld (2 Korinthe 5 : 10), zo zullen ook de gelovigen van de volgende bedeling worden beoordeeld. Wie volhardt tot het einde, zal het koninkrijk binnengaan en bovendien beloond worden (= loon ontvangen). Wie niet volhardt tot het einde, wordt afgescheiden (= wordt gedood) en gaat het koninkrijk niet binnen. Hier is sprake van een trouwe en een ontrouwe dienstknecht. Van de ontrouwe dienstknecht wordt gezegd, dat hij niet weet, op welk uur de Heer zal komen. Degenen, die in de zesde bedeling tot geloof komen, dienen getrouw te zijn tot het einde (= het einde van de aion/de zesde bedeling). Dit houdt voor hen in de praktijk in, dat zij de zaken van de Heer dienen te behartigen tot aan het moment, dat de Heer Zelf zal komen. Wie dat getrouw doet, zal het koninkrijk (= de duizend jaar) beërven. Paulus zegt tegen gelovigen van de onze (vijfde) bedeling iets geheel anders.

1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.
3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;
4 Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
5 Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
6 Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.
9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus.
10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.
11 Daarom vermaant (= vertroost) elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet. 1 Thessalonicenzen 5 : 1-11

Paulus vindt het niet nodig, om aan de gelovige Thessalonicenzen over ”de tijden en gelegenheden” te schrijven. Hij vindt dat niet nodig, omdat die bij hen reeds bekend waren! Daar begint hij in vers 2 ook mee: ”Want gij weet zelven zeer wel (= nauwkeurig), dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.” Zij wisten, dat de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht. Dit betekent niet, dat die dag voor hen als een dief in de nacht zal komen. Zij komen helemaal niet in die dag terecht. De dag des Heeren begint namelijk pas bij de komst van de Heer op de Olijfberg en dat is zeven jaar ná de opname/wegrukking van de Gemeente. Zij wisten echter dat de dag des Heeren voor degenen,die dán leven als een dief in de nacht zal komen. Vers 3 zegt: ”Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;” Hier vinden we een verwijzing naar een toekomstig Israël. Israël zal in de toekomst een verbond met de wereld aangaan (Daniël 9 : 27;). Ze zal menen, dat dát zekerheid (= vrede) geeft, maar het zal geen vrede blijken te zijn. Deze tekst verwijst naar Jeremia 6 : 9-14:

9 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtiglijk nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weder, gelijk een wijnlezer, aan de korven.
10 Tot wie zal Ik (met hoofdletter; vers 9!) spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord des HEEREN is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe.
11 Daarom ben Ik vol van des HEEREN grimmigheid, Ik ben moede geworden van inhouden; Ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien, die vol is van dagen.
12 En hun huizen zullen omgewend worden tot anderen, met te zamen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners dezes lands, spreekt de HEERE.
13 Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.
14 En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. Jer. 6 : 9-14

Het komt ook voor in: Jeremia 8 : 4-11

4 Zeg wijders tot hen: Zo zegt de HEERE: Zal men vallen, en niet weder opstaan? Zal men afkeren, en niet wederkeren?
5 Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keren.
6 Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in den strijd.
7 Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.
8 Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs en de wet des HEEREN is bij ons! Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valse pen der schriftgeleerden.
9 De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?
10 Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van den kleinste aan tot den grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.
11 En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. Jer. 8 : 4-11

Men zal menen, dat een verbond met de wereld ”vrede” zal brengen. De eerste 31/2 jaar van de zeventigste week zal er inderdaad een schijnvrede bestaan. Dan zal de “gruwel der verwoesting” worden opgericht en zal het verbond dat men gesloten heeft, waardeloos blijken te zijn. Een haastig verderf zal hen overvallen (= de grote verdrukking) en zij zullen geenszins kunnen vluchten. Het is geen verbond des vredes, maar een verbond met de dood.

14 Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!
15 Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel (= het dodenrijk) hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.
16 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.
17 En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.
18 En ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzelven vertreden worden. Jesaja 28 : 14-18

Op grond van de wijze waarop het hier in Jesaja staat geformuleerd, moeten wij concluderen dat Israël zich er terdege van bewust is dat het een verbond met de dood is.

Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. 1 Thessalonicenzen 5 : 4

Paulus zegt hier tegen broeders (= gelovigen van de huidige, vijfde bedeling) dat zij niet in duisternis zijn en dat die dag hen daarom niet als een dief zal overvallen. Dit houdt in, dat degenen, die wél in de dag des Heeren terecht zullen komen, in de duisternis zijn.

5 Gij zijt allen kinderen (= zonen) des lichts, en kinderen (= zonen) des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
6 Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.
9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus.
10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. 1 Thessalonicenzen 5 : 5-10

De gelovigen bevinden zich niet in die duisternis. Zij zijn namelijk zonen van het licht. Hét Licht is God (1 Johannes 1 : 5; ”een Licht” is onjuist. Er staat ”God is Licht”). De Heer zei Zelf: ”Ik ben het Licht …” (Johannes 8 : 12; 9 : 5; 12 : 35, 46). Wij zijn als gelovigen overgaan van de duisternis (= de dood) in het Licht (= het leven); Johannes 5 : 24; 1 Johannes 3 : 14. Enkele teksten in verband met ”Licht”: Romeinen 13 : 12; Éfeze 5 : 8, 13; Filippenzen 2 : 15; Kolossenzen 1 : 12. Gelovigen (die trouw zijn) gaan tot het Licht en leven vanuit dat Licht. Zij nemen de zaken van de Heer serieus en worden door de Heer onderwezen in de zaken van Hem. Zij zijn nuchter en leven vanuit geloof en liefde (1 Thessalonicenzen 5 : 8). Vanuit geloof bestuderen zij het Woord van God en worden daardoor onderwezen. Voor hen komen de zaken van de Heer niet onverwacht, want de Heer openbaart het aan hen. Er zijn ook gelovigen die slapen en dronken zijn. Dit wijst op gelovigen die niet getrouw zijn in de zaken van de Heer. Ook voor hen geldt dat zij tezamen met de Heer zullen leven. Dit wijst feitelijk terug naar het laatste deel van 1 Thessalonicenzen 4, waar over de opname/wegrukking van de Gemeente wordt gesproken (1 Thessalonicenzen 4 : 13-18). Alle gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling zullen deel hebben aan de opname/wegrukking van de Gemeente, het lichaam van Christus. Er zijn gelovigen die beweren dat alleen gelovigen die trouw aan de Heer geweest zijn met de opname/wegrukking zullen meegaan. Dit is onjuist.

51 Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
52 In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 1 Korinthe 15 : 51, 52

1 Korinthe 15 is hét hoofdstuk dat over de opstanding spreekt. Paulus legt hier uit dat Christus ís opgestaan. Er waren namelijk gelovigen (!) te Korinthe die de opstanding van de Here Jezus Christus in twijfel trokken. Wanneer Paulus zaken met betrekking tot de opstanding van Christus (als Eersteling; 1 Korinthe 15 : 20) en de volgorde daarna (1 Korinthe 15 : 23) heeft uiteengezet, legt hij het principe van opstanding in het algemeen uit. Er waren namelijk gelovigen te Korinthe die niets begrepen van het opwekken van doden. Dit legt Paulus in 1 Korinthe 15 : 35 (v.v.) uit. In 1 Korinthe 15 : 45-50 legt Paulus het verschil uit tussen de eerste Adam en de laatste Adam, Christus. Daarna begint hij met de uitleg van de verborgenheid van de opstanding. Zó wordt het niet genoemd, maar dit hele hoofdstuk spreekt over de opstanding. De verborgenheid die Paulus in 1 Korinthe 15 : 51, 52 noemt, blijkt óók verband te houden met de opstanding. Niet alle gelovigen zullen ontslapen (= overlijden), maar alle gelovigen zullen wel veranderd worden. Het staat dus vast dat zelfs de vleselijk levende gelovigen te Korinthe deel zullen hebben aan deze verandering! 1 Korinthe 15 : 51, 52 dient naast 1 Thessalonicenzen 4 : 13-18 gelegd te worden, want beide gedeelten spreken over hetzelfde, hoewel beide gedeelten elk een andere kant van de zaak belichten. 1 Korinthe 15 belicht het vanuit de opstanding bekeken, terwijl de eerste brief aan de Thessalonicenzen de zaak vanuit het begrip ”heiligmaking” belicht, want daarover spreken de beide brieven aan de Thessalonicenzen feitelijk.

Sommige gelovigen laten dit gedeelte van 1 Korinthe 15 niet op de gelovigen van de Gemeente (= het lichaam van Christus) slaan, maar plaatsen het op een ander tijdstip. Er zijn verschillende momenten, waarop er doden opgewekt worden, namelijk:

  1. aan het einde van de huidige, vijfde bedeling (1 thessalonicenzen 4 : 13-18)
  2. in het midden van de zeventigste week worden de twee getuigen opgewekt, waarna zij opvaren naar de hemel (Openbaring 11 : 7-12)
  3. aan het einde van de volgende, zesde bedeling (Openbaring 20 : 4)
  4. op de Jongste Dag (Openbaring 11-15)

Paulus spreekt in 1 Korinthe 15 : 51 over ”een verborgenheid”. Dit houdt in, dat de gebeurtenis die hij vervolgens beschrijft met ”dé verborgenheid” te maken moet hebben. Wanneer wij alle teksten opzoeken waar over ”verborgenheden” (en aanverwante uitdrukkingen) wordt gesproken, dan blijkt dat ”de verborgenheid” slaat op de periode tussen de opstanding en hemelvaart van de Heer en het moment waarop Hij geopenbaard wordt/is. Feitelijk beslaat ”de verborgenheid” uit twee bedelingen. In de eerste plaats is dat de huidige (vijfde) bedeling, die ”de bedeling der genade Gods” en ook ”de bedeling (niet: gemeenschap) der verborgenheid” wordt genoemd (respectievelijk Éfeze 3 : 2 en 3:9). In de tweede plaats heeft ”dé verborgenheid” met de volgende (de zesde) bedeling te maken die in de Bijbel ”de bedeling van de volheid der tijden” (Éfeze 1 : 10) wordt genoemd. ”De verborgenheid” is dus een ruimer begrip dan ”de bedeling van de verborgenheid”. De bedeling van de verborgenheid is één van de aspecten van dé verborgenheid. Aangezien Paulus de verandering in 1 Korinthe 1 5: 51, 52 ”een verborgenheid” noemt, valt de verandering die hij beschrijft binnen het tijdvak van ”de verborgenheid”. Er zijn gedurende ”de verborgenheid” drie momenten waarop er ”ontslapenen” worden opgewekt; zoals wij hierboven hebben genoemd (de punten 1 t/m 3). Hieruit volgt, dat 1 Korinthe 15 : 51, 52 niet op punt 4 kan slaan. Het heeft dus niets met het opwekken van de doden op de Jongste Dag (Openbaring 20 : 11-15) te maken. Uit het voorgaande blijkt dat er drie mogelijkheden overblijven.

Er zijn gelovigen, die 1 Korinthe 15 : 51, 52 aan het einde van de volgende (de zesde) bedeling plaatsen (punt 3). Aan het eind van de zesde bedeling worden er gelovigen opgewekt (Openbaring 20 : 4). Deze gelovigen worden vóór de aanvang van de duizend jaar opgewekt en zullen met Christus gedurende die duizend jaar regeren. Bij deze gebeurtenis is echter géén sprake van een verandering van nog levende gelovigen. De gelovigen van de volgende bedeling worden op dezelfde wijze wedergeboren als wij, gelovigen van de vijfde bedeling. De gelovigen, die aan het einde van de zesde bedeling nog in leven zijn, gaan het koninkrijk (= de duizend jaar) binnen; nog in hun sterfelijke lichamen (er vindt gedurende de duizend jaar ook voortplanting plaats, zoals dat ook tijdens onze bedeling plaatsvond). Zij worden niet veranderd en gaan niet naar de hemel. Zij gaan het aardse koninkrijk binnen.

Hieruit concluderen wij, dat 1 Korinthe 15 : 51, 52 niet op het einde van de zesde bedeling slaat. Punt 3 en 4 zijn dus niet van toepassing. Zo blijven alleen de eerste twee mogelijkheden over. Punt 2 vervalt om dezelfde reden als punt 3: er worden slechts twee getuigen opgewekt. Er zijn geen levende gelovigen, die veranderd worden. De enige mogelijkheid die overblijft, is punt 1: aan het einde van de vijfde bedeling zullen er gelovigen opgewekt worden én er zullen gelovigen veranderd worden. Beide zaken vinden inderdaad plaats. De gelovigen, behorend tot het lichaam van Christus, die nog in leven zijn op het moment van de opname/wegrukking van de Gemeente, zullen veranderd worden. De ontslapen gelovigen zullen bij die gelegenheid onverderfelijk worden opgewekt. Beide groepen zullen tezamen de Heer tegemoet gaan in de lucht en zó voor altijd met de Heer zijn. Vanuit 1 Korinthe 15 : 51, 52 en 1 Thessalonicenzen 4 : 13-18 kunnen wij slechts tot de volgende conclusies komen:

  • álle gelovigen van de huidige bedeling maken deel uit van het lichaam van Christus en hebben op grond daarvan deel aan de opname/wegrukking van de Gemeente; ongeacht de levenswandel.
  • op het moment van de opname zullen de ontslapen gelovigen onverderfelijk opgewekt worden.
  • de gelovigen die op dat moment nog in leven zijn, zullen veranderd worden; in een ondeelbaar ogenblik.
  • alle gelovigen (zij die opgewekt en zij die veranderd zijn) zullen tezamen de Heer tegemoet gaan in de lucht en zo voor altijd met Hem zijn.

De levenswandel van de gelovige van de huidige bedeling heeft geen invloed op het wel/niet deelhebben aan de opname/wegrukking van de Gemeente. Op grond van de wedergeboorte heeft de gelovige daar deel aan. De levenswandel heeft wél invloed op het loon dat de gelovige eventueel zal ontvangen (voor de rechterstoel van Christus (2 Korinthe 5 : 10). De levenswandel van de gelovige van de volgende bedeling heeft geen invloed op zijn/haar wedergeboorte. Hij/zij dient te volharden tot het einde om het koninkrijk op aarde binnen te kunnen gaan. Bovendien verschilt het loon dat de diverse gelovigen in dat aardse koninkrijk zullen ontvangen (zie o.a. de gelijkenis van de talenten; Matthéüs 25 : 14 v.v.)

De gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden

1 Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet.
2 En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.
3 Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.
4 Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.
5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.
6 En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
7 Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.
8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.
9 Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelven.
10 Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.
11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!
12 En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet.
13 Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal. Matthéüs 25 : 1-13

Deze gelijkenis slaat op de tijd die na de zeventigste week verloopt (= de 33 jaar) en handelt over de vijf wijze en de vijf dwaze maagden. Ze hadden alle tien olie. Bij alle tien raakte de olie op, maar de vijf dwaze maagden hadden alleen olie in de lampen, terwijl de vijf wijze maagden ook nog olie in een kruik hadden. De olie in de kruik konden ze gebruiken toen de olie in de lamp op was. De olie in de lamp is een beeld van het Woord van God gedurende het oude verbond, maar het is niet toereikend om de bruiloftszaal (= het koninkrijk) binnen te gaan. Vóór die tijd blijkt het op te zijn. De vijf wijze maagden hadden ook olie in kruiken, hetgeen eveneens een beeld is van het Woord van God, maar dan van het nieuwe verbond. Dit betekent dat het nieuwe verbond in het oude verbond te vinden is, want zij hadden de kruikjes altijd al bij zich. In de dagen van het oude verbond konden vele waarheden van het nieuwe verbond gekend worden; de verborgenheden die later aan Paulus werden geopenbaard, niet meegerekend. Men kon er weliswaar nog niet onder het nieuwe verbond leven, maar het verbond zelf was reeds aangekondigd. (o.a. Jeremia 31 :31-34). De vijf wijze maagden gaan, wanneer de Bruidegom verschijnt, het koninkrijk binnen. Ze worden ”maagden” genoemd, omdat ze onbesmet/onbevlekt zijn (zie Openbaring 14 : 4). Het gaat om degenen, die zich niet door de wereld hebben laten verontreinigen. Ze zijn niet aan het koninkrijk van de tegenstander (= Babel) verbonden geweest. Ze hebben het teken van het beest niet ontvangen. Ze zijn rein bewaard. Op grond daarvan gaan zij het koninkrijk (de duizend jaar) in.

14 Want het is gelijk een mens, die buiten ‘s lands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen over.
15 En den ene gaf hij vijf talenten, en den ander twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.
16 Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.
17 Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.
18 Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.
19 En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.
20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.
22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
23 Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.
24 Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heer! ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;
25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.
26 Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.
27 Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.
28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.
29 Want een ieder die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden. Matthéüs 25 : 14-30

De gelijkenis in dit gedeelte spreekt over dienstknechten die goederen toevertrouwd krijgen. Matthéüs 25 : 14 dient net zo opgevat te worden als Matthéüs 25 : 1. De strekking van vers 14 is: ”Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan een mens, die …”. Het gaat ook hier om de tijd die ná de wederkomst van de Heer op de Olijfberg verloopt. In Matthéüs 24 : 30, 31 staat reeds, dat de Heer op de Olijfberg verschenen is. Deze gelijkenis gaat dus over de 33 jaar die daarná volgen. Met ”een mens” wordt de Here Jezus Christus bedoeld. De Heer gaat buitenslands. Vóór Hij dat doet, roept Hij Zijn dienstknechten tot Zich en Hij geeft hen Zijn eigen goederen over. De dienstknechten worden geacht Hem trouw te zijn en Hem te dienen. Ze behoren de talenten te beheren, opdat zij vrucht zouden dragen.

Na de verschijning van de Heer op de Olijfberg roept de Heer de Zijnen (= Israël) tot Zich. Hij stelt hen (bijvoorbeeld) verantwoordelijk voor de prediking van het evangelie aan alle volkeren. Ze dienen Zijn ”zendingsopdracht” uit te voeren. Onder het oude verbond handelde God op dezelfde manier. Hij riep hen uit Egypte (bij de uittocht) en gaf hen Zijn goederen over; inclusief bepaalde opdrachten. Die opdrachten zijn nooit uitgevoerd. In de toekomst zal Israël tot geloof in de Here Jezus Christus komen. Ze wordt dan onder het nieuwe verbond geplaatst. De opdracht, die Hij destijds aan Israël gegeven heeft, is nooit uitgevoerd en is daarom nog steeds van kracht. De Heer geeft haar opnieuw Zijn goederen over om die te beheren. Israël zal de boodschap aan alle andere volkeren brengen. Ze zal in de eerste plaats naar de verloren schapen van het huis Israëls gaan (Matthéüs 10 : 6). Dat zijn de schapen van de ándere stal, namelijk de tien stammen (Johannes 10 : 16).

De dienstknechten dienen trouw te zijn. Wie niet trouw is aan de roeping, waarmee hij geroepen is, wordt buiten geworpen; in de buitenste duisternis (Matthéüs 25 : 30). Als iemand het Woord van God ontvangen heeft en oprecht gelooft, dan wordt dat Woord in hem tot een fontein (Johannes 4 : 14). Als iemand zégt dat hij een gelovige is, maar nooit over zijn geloof spreekt, dan is het zeer de vraag of hij wel een gelovige is. Als iemand van het water (= het Woord) dat de Heer geeft, gedronken heeft, zál dat naar buiten komen. Als Israël in de toekomst tot geloof zal zijn gekomen, zal zij vanzelfsprekend het Woord van God prediken. Ze zal door de Heer Zelf uitgezonden worden om het evangelie over de gehele wereld uit te dragen. Dát zij het Woord uitdraagt, is een vanzelfsprekende zaak. Dit geldt overigens voor elke gelovige. Deze gelijkenis is niet gelijk aan de gelijkenis van de tien ponden, die wij in Lukas 19 : 11-27 vinden. De gelijkenis van de talenten heeft betrekking op de zesde bedeling; speciaal de 33 jaar van de zesde bedeling. De gelijkenis van de ponden heeft betrekking op de huidige (de vijfde) bedeling. Er zijn enkele opmerkelijke verschillen:

De dienstknecht in de gelijkenis van de talenten zegt (Matthéüs 25 : 20): ”… Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen”. Het is de verdienste van de dienstknecht. Hij heeft er vijf talenten bij verworven. In Lukas 19 : 16 staat echter: ”… Heer, Uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen”. De Heer heeft tien ponden gewonnen. De dienstknecht is slechts een instrument geweest, waardoor de Heer heeft kunnen werken. De onnutte dienstknecht uit de gelijkenis van de talenten wordt gegrepen en in de buitenste duisternis geworpen (Matthéüs 25 : 30). Hij heeft niet volhard tot het einde en zal derhalve het (aardse) koninkrijk van de Heer niet binnengaan. De boze dienstknecht uit de gelijkenis van de ponden wordt niet gegrepen en wordt zeker niet in de buitenste duisternis geworpen. Hij blijft waar hij is, maar het pond wordt hem afgenomen. Dit betekent dat hij wel deel heeft aan het (hemelse) koninkrijk van Christus, maar daarin geen erfenis/loon zal ontvangen.

31 ¶ En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.
32 En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.
33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechter hand zetten, maar de bokken tot Zijn linker hand.
34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter hand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beerft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.
35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.
36 Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.
37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?
38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?
39 En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?
40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.
41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.
42 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;
43 Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.
44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?
45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.
46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Matthéüs 25 : 31-46 31

En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid. Matthéüs 25 : 31

In Matthéüs 24 : 30 wordt ook over de komst van de Zoon des mensen gesproken, maar dat heeft betrekking op de verschijning van de Heer op de Olijfberg; primair met betrekking tot Israël. Dit zal ertoe leiden dat Hij uiteindelijk op de troon Zijner heerlijkheid zal zitten, zoals hier in Matthéüs 25 : 31 wordt beschreven. Dat is echter 33 jaar láter. De “troon Zijner heerlijkheid” is gelijk aan de troon van David. Deze troon staat op aarde; in Jeruzalem. Dit kán dus niet aan het einde van de zeventigste week plaatsvinden, want dan is geheel Jeruzalem verwoest. Aan het einde van de zeventigste week is er geen Jeruzalem meer en dus zeker geen heerlijkheid. Aan het eind van de zeventigste week kan het gelovig overblijfsel door de gescheurde Olijfberg vluchten; naar Petra/Sela. Op dat moment is er geen enkel levend mens meer in Israël en Jeruzalem aanwezig. Op dat moment zal de Heer dus geen troon in heerlijkheid hebben. Bovendien heeft men – nadat men vanuit Petra is opgetrokken naar het land – zeven maanden nodig om het land te reinigen (Ezechiël 39 : 12, 14). Men zal zeven maanden nodig hebben om het land te ontdoen van de lijken die er dán zullen liggen. Het gaat hier in Matthéüs 25 : 31 dus niet om het einde van de zeventigste week, maar om het einde van de 33 jaar (het einde van de volgende/zesde bedeling).

32 En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.
33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechter hand zetten, maar de bokken tot Zijn linker hand. Matthéüs 25 : 32, 33

In Matthéüs 24 : 30 staat dat alle geslachten van het land zullen wenen. Dit slaat op Israël. Hier is sprake van een oordeel over álle (dán nog levende) volkeren. Zoals de Heer aan het einde van de zeventigste week Zijn uitverkorenen zal verzamelen (Matthéüs 24 : 31), zo worden aan het einde van de 33 jaar alle volkeren verzameld. De volkeren zullen door de Heer, de Koning, in twee groepen gescheiden worden: de schapen en de bokken. Deze Koning is uiteraard de Herder (Johannes 10). De schapen komen aan de rechterkant en de bokken aan de linkerkant. ”Schapen” zijn zachtmoedig en volgen de stem van de Herder. Daarom zijn schapen een beeld van gelovigen in het algemeen. Bokken zijn een uitbeelding van kracht. Hier gaat het niet om de kracht van God, maar om eigen kracht (= de kracht van de natuurlijke mens). Bokken zijn daarom een beeld van de ongelovige mens, die vanuit eigen kracht zaken probeert te realiseren.

34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter hand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging (= nederwerping) der wereld.
35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.
36 Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. Matthéüs 25 : 34-36

In Matthéüs 25 : 31 werd over ”de Zoon des mensen” gesproken. Hier wordt Hij ”de Koning” genoemd. Dit is een hele unieke uitspraak in de Schrift, want de Heer wordt bijna nooit ”Koning” genoemd. Op dit moment is Zijn koninkrijk openbaar geworden. Wij hebben in de vorige verzen reeds gezien dat wij aan het einde van de zesde bedeling zijn aangekomen. Hier vinden wij feitelijk de overgang tussen de zesde bedeling (de bedeling van de volheid der tijden) en de zevende (de duizend jaar). De schapen (= de gelovigen) beërven het (aardse) koninkrijk, dat bereid is van (= vanaf) de nederwerping der wereld. Er staat niet ”grondlegging”, maar ”nederwerping”. Het koninkrijk was reeds ”geregeld” vóórdat de aarde woestheid, ledigheid en duisternis werd (Genesis 1 : 2). Toen God Adam schiep, had Hij reeds het koninkrijk van Zijn geliefde Zoon in gedachte (Kolossenzen 1 : 13). Hij wist tevens aan Wie Hij dat koninkrijk zou geven: aan Zijn Zoon, de Here Jezus Christus. Allen die in Hem geloven, krijgen deel aan dat koninkrijk. In Matthéüs 25 zijn we aangekomen op het moment dat het koninkrijk van de Zoon volledig openbaar is geworden. Dán zullen de gezegenden (= de gelovigen) het aardse koninkrijk beërven. De zegeningen komen altijd van de Vader. Die zegeningen geeft de Vader in de eerste plaats aan Zijn Zoon. Vervolgens krijgen degenen, die in Hem geloven, deel aan dezelfde zegeningen. Dit principe legt Paulus in de brief aan Éfeze ten aanzien van de huidige (de vijfde) bedeling uit. Ditzelfde principe geldt ook voor de gelovigen van de volgende (de zesde) bedeling. Het is een principe, dat bij het nieuwe verbond hoort; zowel met betrekking tot het verborgen (hemelse) koninkrijk als met betrekking tot het geopenbaarde (aardse) koninkrijk. Iemand ontvangt het koninkrijk slechts op grond van geloof. De Koning geeft hier als reden: ”Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven …”. Er zijn mensen die menen in het koninkrijk te komen door hongerigen te eten te geven. Op zich is het – naar de mens gesproken – een heel nuttige bezigheid, maar daardoor kan men het koninkrijk niet beërven. In onze bedeling komt men er niet door in de hemel (het hemels koninkrijk) en in de volgende bedeling komt men er niet door in het (aardse) koninkrijk. Degenen die hongerigen gespijzigd hebben, deden dat vanuit geloof. Die hongerigen zijn zij die niet kunnen kopen of verkopen, omdat zij het teken van het beest niet hebben (Openbaring 13 : 17). Zij zullen in die tijd bidden:

9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
11 Geef ons heden ons dagelijks brood.
12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen. Matthéüs 6 : 9-13

In dié tijd (namelijk ná de opname/wegrukking van de Gemeente en ná het op de aarde werpen van de satan) gebeurt de wil van de Vader reeds in de hemel (vers 10). De gelovigen zouden graag zien dat dit op aarde óók zou gebeuren. Ze bidden: ”Geef ons heden ons dagelijks brood”, want zij kunnen dat zelf niet kopen, omdat zij het teken van het beest niet hebben geaccepteerd. De gelovigen, die te eten hebben, dienen uit te delen aan degenen (primair: gelovigen) die niets hebben. Dit principe geldt ook ten aanzien van dorstigen, vreemdelingen, naakten, zieken en gevangenen.

37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?
38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?
39 En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?
40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan. Matthéüs 25 : 37-40

De schapen worden hier ”rechtvaardigen” genoemd. Deze rechtvaardigen blijken niet te weten wanneer ze dergelijke dingen aan de Heer hebben gedaan. Ze hebben het aan ”deze Mijn minste broeders” gedaan. De Heer vereenzelvigt Zich met deze broeders, omdat zij één plant met Hem geworden zijn. Gelovigen van de volgende bedeling worden immers op dezelfde manier wedergeboren als gelovigen van de huidige bedeling: zij worden op dezelfde manier uit God geboren (vergelijk de brieven van Johannes). Alles wat aan hen gedaan wordt, wordt feitelijk aan Christus gedaan. Dit geldt ook nu in onze bedeling. Alles, wat men de gelovigen aandoet (positief en negatief), wordt Christus aangedaan. Hij zal dat op Zijn tijd vergelden! ”Mijn minste broeders” is een uitdrukking, die ook elders in de Schrift gebruikt wordt, bijvoorbeeld in Matthéüs 10, waar het over de uitzending van de twaalf apostelen gaat.

40 Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
41 Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.
42 En zo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. Deze kleinen worden in vers 40 ”u” genoemd. Het gaat dus over de discipelen, de leerlingen van de Heer. De Heer vereenzelvigt Zich hier met Zijn discipelen. Alles wat men aan de discipelen, de gezondenen van de Heer, deed, zou beloond worden. Matthéüs 10 : 40-42

Deze kleinen werden uitgezonden om het evangelie te prediken. Het is een type van de toekomstige uitzending; gedurende de 33 jaar. In Lukas 10 gaat het niet om de uitzending van de twaalven, maar om de uitzending van de zeventig. De Heer vereenzelvigde Zich ook met hen.

Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft. Lukas 10 : 16

In de toekomst zullen er 144.000 Israëlieten worden uitgezonden om het evangelie te prediken. Op hen zijn deze Bijbelgedeelten in het bijzonder van toepassing. Wie de boodschap van deze gezondenen accepteert, zal tevens de predikers van die boodschap ontvangen. Degenen die de boodschap prediken, zijn ongetwijfeld ook degenen die de olie aan de maagden verkopen (Matthéüs 25 : 9). Zij hebben autoriteit. Ze brengen het Woord van God en ze hebben zelfs de macht om anderen Heilige Geest te geven door middel van handoplegging. Dergelijke dingen zullen in dié tijd weer plaatsvinden.

Matthéüs 25 : 41-46 41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is. 42 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; 43 Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend? 45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit één van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan. 46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

De bokken worden hier ”vervloekten” genoemd. Zij hebben het tegenovergestelde gedaan van hetgeen de rechtvaardigen hebben gedaan. Zij hebben ten aanzien van ”deze minsten” niets gedaan en daarom hebben ze het de Heer niet gedaan. Dit principe wordt vele malen in de Bijbel beschreven, hoewel velen het op de Jongste Dag van toepassing brengen. Als men iets over bedelingen weet, past men het meestal op de dagen van de opname van de Gemeente toe. Dat is eveneens onjuist. Het gaat over de zaken, die met de aanvang van de duizend jaar te maken hebben.

De gelijkenis van het onkruid (Matthéüs 13 : 24-30 en 13 : 36-43) gaat over dezelfde periode. ”Onkruid” (= namaak-tarwe) en tarwe groeien tezamen op. In de dagen van de oogst worden ze gescheiden. De tarwe (het goede zaad) wordt in de schuur gebracht, hetgeen een beeld is van het ingaan in het koninkrijk. Het onkruid wordt gebonden en verbrand. De gelijkenis van het sleepnet (Matthéüs 13 : 47-50) gaat ook over dezelfde periode. Er wordt van alles opgevist. Het goede (= de rechtvaardigen) wordt in vaten gedaan, hetgeen eveneens een beeld is van het ingaan in het koninkrijk. Het kwade (= de bozen) wordt in de vurige oven geworpen. De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk al de ergernissen vergaderen en degenen die de ongerechtigheid (= wetteloosheid) doen (Matthéüs 13 : 41). Met andere woorden: de ongelovigen worden verwijderd. Zijn koninkrijk is op dat moment in de gehele schepping opgericht. Aan het einde van de vijfde bedeling is alles in de hemel aan Hem onderworpen; aan het einde van de zesde bedeling zal alles op aarde aan Hem onderworpen zijn. Wie zich niet vrijwillig aan Hem heeft onderworpen, komt om. Men wordt uit de schepping verwijderd.

De gehele schepping zal dán met God verzoend zijn. De ongelovigen worden uit de schepping geworpen; in de buitenste duisternis. Hetzelfde oordeel wordt in het boek Openbaring genoemd met betrekking tot de val van Babel. De stad Babel en allen, die daarbij betrokken zijn, zullen verdwijnen. Babel wordt verwoest. De verwoesting van Sódom en Gomòrra is hiervan een uitbeelding. De koning van Babel en allen die bij hem horen, worden gedood, want zij hebben het teken van het beest ontvangen. In Matthéüs 25 : 46 eindigt de rede van de Heer. Hiermee heeft Hij antwoord gegeven op de vragen die de discipelen in Matthéüs 24 : 3 stelden. Het laatste dat in de voleinding van de tegenwoordige eeuw gebeurt, is dat de ongelovigen (de bokken) van de aarde worden weggenomen. De gelovigen (de schapen) blijven over en gaan het koninkrijk binnen.

3. Parousia

Het woord ”parousia” komt 24 x in het Nieuwe Testament voor, te weten:

7 x m.b.t.personen:Stéfanus (1 Korinthe 16 :17) Titus (2 Korinthe 7 :6,7) Paulus (2 Korinthe 10 :10 Filippenzen 1 :26;2 :12) de wetteloze (2 Thessalonicenzen 2 :9)
16 x m.b.t.de Heer:Matthéüs 23 :3,27,37,39;1 Korinthe 15 :23; 1 Thessalonicenzen 2 :19;3 :13;4 :15; 5 :23; 2 Thessalonicenzen 2 :1,8; Jakobus 5 :7,8;2 Petrus 1 :16;3 :4;1 Johannes 2 :28
1 x m.b.t.de dag Gods:1 x m.b.t.de dag Gods: 2 Petrus 3 :12

Wij zullen deze 24 teksten nader gaan bekijken in de volgorde waarin wij ze in de Bijbel tegenkomen.

En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld? Matthéüs 24 : 3

”Deze dingen” zijn de dingen, die in Matthéüs 24 : 2 genoemd werden: Hier (in de tempel) zal geen steen op de andere gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. Op grond van profetieën uit het Oude Testament weten wij dat niet allen de tempel verwoest zal worden, maar ook geheel Jeruzalem (o.a. Zacharia 14 : 1, 2). Hier wordt het woord ”parousia” voor de eerste keer gebruikt en we weten dus nog niet wat dit woord betekent. Daarom wordt verklaard wat het betekent: de voleinding der eeuw (= wereld). Zijn toekomst (parousia) bewerkstelligt het einde van die tegenwoordige, boze eeuw. De toekomst van de Heer is niet exact gelijk aan (synoniem met) de voleinding van de eeuw, maar deze twee zaken vallen wel samen. Wanneer de Heer zichtbaar verschijnt, breken de laatste jaar van deze tegenwoordige, boze eeuw aan.

Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen. Matthéüs 24 : 27

”Schijnen” (Grieks: ”faino”; 31 x; bijvoorbeeld Johannes 1 : 5; Openbaring 1 : 16) wordt hier met ”parousia” in verband gebracht, waaruit blijkt dat beide woorden rechtstreeks met elkaar te maken hebben. De toekomstige openbaring van de Zoon des mensen wijst op een zichtbare aanwezigheid. Daarvan is de bliksem een beeld. De bliksem komt – zichtbaar! – vanuit het oosten en schijnt tot het westen.

37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. 38. Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;

39. En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. Matthéüs 24 : 37 en 39

Het gaat om de tijd vóór de zondvloed. Uit Matthéüs 24 : 3 weten we reeds dat de parousia gelijk is aan ”de voleinding der eeuw”. De parousia van de Zoon des mensen wordt vergeleken met de dagen van Noach. De dagen van Noach eindigden met het oordeel, de ark en daarna een ”koninkrijk” van Noach. Ditzelfde geldt voor de dagen van de Zoon des mensen. Hij zal zichtbaar verschijnen en oordelen over de dán levende mensheid en vervolgens Zijn koninkrijk oprichten. Zoals Noach de zijnen naar een ”nieuwe” aarde leidde, zo zal de Zoon des mensen, Christus, de gelovigen bij Zijn zichtbare aanwezigheid naar een nieuwe eeuw leiden. De gelovigen zullen het koninkrijk binnengaan. Noach is daar een beeld van. In Matthéüs 24 : 39 wordt het woord ”toekomst” nogmaals gebruikt, waardoor er extra de nadruk op wordt gelegd. In Matthéüs 24 wordt het woord ”parousia” totaal viermaal gebruikt.

Maar een ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst1 Korinthe 15 : 23

1 Korinthe 15 spreekt over de opstanding; in een bepaalde (volg)orde. De Eersteling is Christus. Daarna vindt de opstanding plaats van degenen, die van Christus zijn in Zijn toekomst. Ten aanzien van de toekomst van Christus (en dus de voleinding der eeuw) zijn er slechts twee groepen, die zullen opstaan: de ontslapen gelovigen van de Gemeente van de huidige (vijfde) bedeling (want daarmee begint Zijn parousia feitelijk (bij de opname/wegrukking der Gemeente; 1 Korinthe 15 : 50-52; 1 Thessalonicenzen 4 : 15) en de martelaren uit de grote verdrukking; aan het einde van de volgende (zesde) bedeling (Openbaring 20 : 4). Het woord ”parousia” heeft hier dus op zijn vroegst een toepassing met betrekking tot de opname/wegrukking van de Gemeente en daarmee met het begin van de zeventigste week van Daniël 9.

En ik verblijde mij over de aankomst van Stéfanus, en Fortunátus, en Acháïkus, want dezen hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak; 1 Korinthe 16 : 17

Het gaat hier over de letterlijke, lichamelijke en zichtbare aanwezigheid van bepaalde gelovigen. Deze tekst heeft niets met de parousia van Christus te maken en dus laten we deze tekst verder rusten. Dit geldt ook voor de teksten in de tweede brief aan de Korinthiërs en de brief aan Filippi. Die teksten volgen nu; zonder commentaar.

Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus. 2 Korinthe 7 : 6

En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uw ijver voor mij; alzo dat ik te meer verblijd ben geweest.” 2 Korinthe 7 : 7

Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig; maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak, en de rede is verachtelijk. 2 Korinthe 10 : 10

Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijn tegenwoordigheid wederom bij u. Filippenzen 1 : 26

Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen (Grieks: apousia – apousia), werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven. Filippenzen 2 : 12

Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems? Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst1 Thessalonicenzen 2 : 19

De apostel krijgt een kroon, wanneer de kronen uitgedeeld worden. Dat gebeurt niet op het moment dat een gelovige overlijdt (ontslaapt), maar pas in de parousia van Christus.

Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen. 1 Thessalonicenzen 3 : 13

De brief aan de Thessalonicenzen handelt vooral over de wegrukking van de Gemeente; met name 1 Thessalonicenzen 4 : 13-18. Feitelijk spreekt deze brief over heiligmaking. De opname/wegrukking van de Gemeente wordt beschouwd als de afsluiting van de heiligmaking van alle gelovigen van de Gemeente.

Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 1 Thessalonicenzen 4 : 15

Er zijn gelovigen, die op het moment van de opname/wegrukking van de Gemeente nog leven. Hier wordt de opname/wegrukking van de Gemeente omschreven als ”de toekomst des Heren”. Zijn parousia begint namelijk met de wegrukking van de Gemeente. Degenen, die ontslapen zijn, zullen eerst worden opgewekt. Vervolgens zullen zij samen met degenen die levend overgebleven zijn, de Heer tegemoet gaan in de lucht (1 Thessalonicenzen 4 : 17).

En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus. 1 Thessalonicenzen 5 : 23

De gehele geest, ziel en lichaam (= de gehele mens) wordt bewaard in de toekomst van onze Here Jezus Christus. Dit betekent dat de gelovigen wachten op het moment van Zijn parousia.

En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem, 2 Thessalonicenzen 2 : 1

Uit het vervolg van dit hoofdstuk blijkt duidelijk dat het om (ook nu nog; 1996) toekomende dingen gaat. De mens der zonde (= wetteloosheid), de zoon des verderfs (vers 3) moet nog steeds geopenbaard worden. In 2 Thessalonicenzen 2 : 1 wordt over de toevergadering tot Hem gesproken. Dit is de belangrijke betekenis van de parousia van de Heer voor de gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling. Uit dit vers blijkt dat de parousia des Heren samenvalt met de toevergadering tot Hem van alle gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling: de opname/wegrukking van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

En alsdan zal de ongerechtige (= wetteloze) geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst; 2 Thessalonicenzen 2 : 8

De wetteloze (= de mens der wetteloosheid uit vers 3) zal geopenbaard worden. De Heer zal de wetteloze verdoen door de Geest van Zijn mond. De Heer zal hem te niet maken door de verschijning van Zijn parousia (of: de verschijning, namelijk Zijn parousia); bij Zijn letterlijke, zichtbare verschijning op aarde.

Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen; 2 Thessalonicenzen 2 : 9

De wetteloze (2 Thessalonicenzen 2 : 3) handelt naar de werking van de satan. De satan is nu onzichtbaar werkzaam; in het verborgene (vers 7). In de toekomst zal de satan in een zichtbare en lichamelijke gedaante aanwezig zijn, namelijk in de wetteloze (= het beest uit de zee; Openbaring 13 : 1). Wanneer de parousia van de heer plaatsvindt, vindt eveneens de parousia van de wetteloze plaats. Dat is ná/vanaf de opname/wegrukking van de Gemeente (de wederhouder; 2 Thessalonicenzen 2 : 6, 7).

Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen. Jakobus 5 : 7

De gelovigen worden ertoe opgeroepen om lankmoedig (= geduldig) te zijn tot de parousia van de Heer. Hier wordt de parousia des Heren met ”de oogst” in verband gebracht. Vanuit Matthéüs 13 : 39 weten we, dat de oogst ”de voleinding der eeuw” (= wereld) is. In Matthéüs 24 : 3 werden de toekomst des Heren en de voleinding der eeuw óók met elkaar verbonden. De gelovigen van de volgende bedeling dienen lankmoedig te zijn. In Matthéüs 24 wordt dit omschreven als ”volhardt tot het einde”.

Weest gij ook lankmoedig, versterkt uw harten; want de toekomst des Heeren genaakt. Jakobus 5 : 8

Hier wordt opnieuw de lankmoedigheid genoemd in verband met de toekomst van de Heer. Die toekomst genaakt (= nadert).

Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. 2 Petrus 1 : 16

”Kunstelijk verdichte fabelen” zijn verhalen die door de mens zelf bedacht zijn. Petrus en de zijnen zijn geen fabelen nagevolgd. Hieruit dienen we te concluderen, dat er andere mensen waren, die dat wél hebben gedaan. Petrus maakte de kracht en parousia van onze Here Jezus Christus bekend. Dát zijn uiteraard geen fabelen. De kracht van de Here Jezus Christus komt tot uitdrukking in/gedurende Zijn parousia.

En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping. 2 Petrus 3 : 4

Er zijn spotters (vers 3), die zullen zeggen: ”Waar is de belofte van Zijn toekomst?” Hij heeft beloofd, dat Hij zichtbaar en in heerlijkheid zou verschijnen, maar dat is nog niet gebeurd. Spotters trekken Zijn belofte dus in twijfel. In het verleden heeft God aangekondigd dat de wereld door water geoordeeld zou worden. Dat is inderdaad gebeurd. In de dagen van Noach waren er ook spotters, die dit belachelijk vonden. Het had tot dan toe immers nog nooit geregend. Het ging in de dagen van Noach wél regenen en alle spotters kwamen om. De Heer hééft beloofd dat Hij zichtbaar en verheerlijkt zal verschijnen en dus zál het gebeuren.

Petrus legt verder uit hoe lang het zal duren voor Hij zal verschijnen. Eén dag is bij de Heer als duizend jaar en duizend jaar als één dag (vers 8). Hier worden dus twee dagen genoemd, hetgeen overeenkomt met tweeduizend jaar (vergelijk Hosea 6 : 2). Hiermee heeft Petrus feitelijk gezegd dat het (vanaf de opstanding van de Heer) 2000 jaar zal duren voor de belofte vervuld zal zijn (en de Heer opnieuw verschijnt; op de Olijfberg). Op aarde verschijnt Hij officieel aan het einde van de zeventigste week van Daniël (Daniël 9 : 24-27). Te dien dage zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg (Zacharia 14 : 4). Dat is op de Bijbelse klok exact 2000 jaar (van 360 dagen) na de dag van de opstanding van Christus. Voor de Gemeente verschijnt de Heer eerder, maar dán verschijnt Hij alléén aan de gelovigen van de Gemeente (in de lucht; niet op aarde).

Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. 2 Petrus 3 : 12

”Dag” kan ook opgevat worden als ”oordeel”. Het gaat om de zichtbare verschijning van het oordeel van God. De hemelen zullen vergaan. Dit is niet geestelijk bedoeld. Het is geen beeldspraak, maar realiteit. De hemelen zúllen vergaan.

En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst. 1 Johannes 2 : 28

Dit is de laatste tekst uit de Bijbel, waar het woord ”parousia” voorkomt. Dit houdt in dat de betekenis van het woord niet meer kan veranderen. Als deze laatste tekst een ándere betekenis zou hebben, dan moeten we een tekst hebben gemist, want een zaak staat vast op grond van twee of drie getuigen (Deuteronomium 19 : 15; Matthéüs 18 : 16).

4. De dag des HEEREN

”De dag des HEEREN” is een term die vele malen in de Bijbel voorkomt. Aangezien het erom gaat wat het Woord van God onder ”de dag des HEEREN” verstaat, zullen wij de Schriftplaatsen opzoeken waar deze term voorkomt. Hierbij nemen wij het boek Joël als uitgangspunt. Het onderwerp van het boek Joël is: de komst van de dag des HEEREN. Als de dag des HEEREN nadert, komt er veel ellende over Jeruzalem, want het zal worden verwoest. Uit deze studie weten we dat het over de gebeurtenissen aan het einde van de zeventigste week van Daniël 9 gaat en om gebeurtenissen die daarna volgen.

Joël 1

Joël 1 handelt over een sprinkhanenplaag. Bij een sprinkhanenplaag zijn er enorme wolken sprinkhanen, waardoor het zelfs duister kan worden. Ze nemen het licht van de zon weg. Het zijn zeer vraatzuchtige beesten, die in korte tijd de gehele oogst kunnen opvreten. In de dagen van Joël was er blijkbaar een zeer grote sprinkhanenplaag. Het gevolg was dat er niets eetbaars meer in het land te vinden was. Dit beeld gebruikt Joël om een gebeurtenis te omschrijven die ook voor onze dagen (1996) nog profetisch is. Joël gebruikt de sprinkhanenplaag als een beeld voor een toekomstig volk dat het land zal vernietigen.

6 Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
7 Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.
8 Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.
9 Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren.
10 Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.
11 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.
12 De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen. Joël 1 : 6-12

Er is geen spijs meer; ook niet voor de Heer. Het spijs- en drankoffer was afgesneden. Vanuit Daniël 9 : 27 weten we, dat dit in het midden van de zeventigste week zal gebeuren. In de dagen van Joël was er letterlijk geen spijs, zodat die offers toén niet konden worden gebracht. Het is echter tevens een bedekte verwijzing naar de profetie van Daniël 9. Alle gewassen, inclusief alle bomen, op het land waren verdord. In Joël 1 : 14 staat, dat er een vasten werd uitgeroepen. Men vergaderde zich tot het huis van de HEERE en men riep de HEERE aan. Hoewel dit in de dagen van Joël letterlijk is gebeurd, is ook dit profetisch voor de toekomst. Er staat beschreven, wát men tot de HEERE zal roepen.

15 Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.
16 Is niet de spijze voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods?
17 De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
18 O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.
19 Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.
20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd. Joël 1 : 15-20

”Die dag” is de dag des HEEREN. De dag des HEEREN is nabij. De sprinkhanenplaag is een beeld van de gebeurtenissen die zullen plaatsvinden als de dag des HEEREN nabij is. Die dag zal als een verwoesting komen van de Almachtige. Dit staat eveneens in Jesaja 13 : 6. De grote, definitieve, verwoesting vindt aan het einde van de zeventigste week plaats en die verwoesting wordt inderdaad door de Heer Zelf bewerkstelligd.

1 Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des HEEREN komt, want hij is nabij.
2 Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.
3 Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.
4 De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.
5 Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.
6 Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.
7 Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een ieder in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.
8 Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.
9 Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.
10 De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.
11 En de HEERE verheft Zijn stem voor Zijn heir henen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?
12 Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.
13 En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
14 Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den HEERE, uw God. Joël 2 : 1-14 

”Sion” (vers 1) is een andere naam voor Jeruzalem. ”De berg Mijner heiligheid” verwijst naar:

Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. Joël 2 : 1-14 

Het gaat om het tweede helft van de zeventigste week, want alle inwoners van het land zijn beroerd. De dag des HEEREN is nabij. Die dag is nog niet aangebroken, maar hij is wel nabij. In Joël 2 : 2 wordt de komst van de dag des HEEREN beschreven. Het zal een dag van duisternis, donkerheid, wolken en dikke duisternis zijn. Dit zijn uiteraard allemaal omschrijvingen voor één en hetzelfde. Het dag des HEEREN wordt gekenmerkt door duisternis en donkerheid. Het wordt eveneens ”dageraad” genoemd. ”Dageraad” wil dus óók zeggen dat het donker is. Het is niet de aanduiding voor de zonsopgang. Het is juist de aanduiding voor de dikste duisternis van de ”na-nacht”. Dat is vóór zonsopgang.

In die duisternis zal een groot en machtig volk komen, zoals van ouds niet is geweest (Joël 2 : 2). Het is een volk dat vroeger niet bekend is geweest. Het zal daarna (dat wil zeggen: na de gebeurtenissen waarover hier geprofeteerd wordt) in jaren van dagen evenmin bestaan. Dit wijst op de periode van het koninkrijk (= de duizend jaar). Ná de duizend jaar zal dat volk opnieuw komen. Gedurende de duizend jaar zal de satan gebonden zijn en zal hij de volkeren niet kunnen verleiden. Na die duizend jaar zal de satan voor een kleine tijd ontbonden worden (Openbaring 20 : 3) en in die tijd zal hij de volkeren verleiden. Er zal opnieuw een volk komen dat zich tegen Jeruzalem en tegen de God van Israël zal keren. Dat volk wordt Gog en Magog genoemd (= Rusland en zijn aanhangers).

7 En wanneer de duizend jaren zullen geeindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden.
8 En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden. Openbaring 20 : 7-9

De legerplaats der heiligen, geliefde stad, is Jeruzalem. Het woordje ”en” dient hier (evenals op vele andere plaatsen in de Bijbel) met ”namelijk” vertaald te worden. Het gaat slechts over één stad. De stad zal weliswaar omringd worden, maar niet ingenomen. Volgens Daniël 9 : 24 zou dat aan het einde van de zeventigste week namelijk voor het laatst plaatsvinden. God zal vuur uit de hemel laten komen, waardoor Gog en Magog verteerd zullen worden. Gog en Magog worden ook in Ezechiël 38 : 2 genoemd.

1 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, den hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,
3 En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, gij hoofdvorst van Mesech en Tubal! Ezechiël 38 : 1-3 

Letterlijk staat er in Ezechiël 38 : 2  ; Gog, het land van Magog, Rosh, Mesech en Tubal;

”Rosh” wijst op de Russen, ”Mesech” wijst op Moskou en ”Tubal” is tegenwoordig bekend als ”Tobolsk”. ”Gomer” (= Germanië) en ”Togàrma” horen daar eveneens bij.

Ezechiël 38 : 6 6 Gomer en al zijn benden, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.

De eerste keer, dat deze volkeren in de Bijbelse geschiedenis een rol spelen, is aan het einde van de zeventigste week. Deze volkeren zullen al vóór de tweede helft van de zeventigste week een rol spelen, zoals uit Daniël 9 : 27 blijkt. Daar staat dat het verbond tussen Babel en Jeruzalem in het midden van de zeventigste week verbroken zal worden, waarna een beeld zal worden opgericht. Deze gebeurtenissen zullen voor de Russen aanleiding zijn om zich met de gang van zaken te gaan bemoeien. Er komt een oordeel over het land (Joël 2 : 3). Alles wordt vernietigd. De omschrijving, die hier gegeven wordt, kan op een sprinkhanenplaag van toepassing worden gebracht. Het is tevens de omschrijving van de werking van een enorm leger. Er is geen enkele mogelijkheid om eraan te ontkomen. Wie in het midden van de zeventigste week het land niet is uitgevlucht, zal niet kunnen ontvluchten: De Russen komen vanuit de Middellandse Zee. Naar het oosten kan men evenmin vluchten, want daar ligt Babel. In Joël 2 : 4, 5 worden die ”sprinkhanen” omschreven. De omschrijving, die Joël geeft, spreekt over gemotoriseerde voertuigen (vergelijk ”een ijzeren ros”; een leger oprukkende tanks). Tanks gaan òf overal overheen, òf breken gewoon dwars door alles heen. Iedere tank gaat recht vooruit, netjes naast elkaar (Joël 2 : 6-9). Bij een sprinkhanenplaag gebeurt hetzelfde. Die beestjes vliegen niet tegen elkaar op en vallen niet in horden naar beneden.

De aarde is beroerd (Joël 2 : 10). Dit betekent dat er aardbevingen zullen zijn. Een aardbeving is hetzelfde als een ”hemelbeving”, hetgeen hier genoemd wordt. Bij die gelegenheid zullen de zon en de maan zwart worden en zullen de sterren hun glans intrekken (zie ook Handelingen 2 : 20). Deze verschijnselen hebben we reeds in verband met Matthéüs 24 : 29 besproken (zie ook Zacharia 14 : 5, 6). Dit zijn de tekenen, die het einde van de zeventigste week van Daniël aangeven. Bij die gelegenheid zal de Zoon des mensen verschijnen en Zijn voeten op de Olijfberg zetten. Hier gaat het dus over dié verwoesting van Jeruzalem. Die verwoesting wordt ook in Zacharia 14 : 1-3 aangekondigd. In 14 : 1 komt overigens ook de uitdrukking ”de dag des HEEREN” voor. Wanneer de zon en de maan zwart zullen worden, betekent dit, dat er geen licht zal zijn. Wij hebben reeds in Joël 2 : 2 gelezen dat de dag des HEEREN een dag van duisternis en donkerheid zal zijn. Dergelijke termen komen ook in Amos 5 naar voren.

18 Wee dien, die des HEEREN dag begeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht.

20 Zal dan niet des HEEREN dag duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij? Amos 5 : 18, 20

Wanneer de dag des HEEREN aanbreekt, zal er duisternis zijn en geen licht. De dag des HEEREN zal groot en zeer vreselijk zijn (Joël 2 : 11). Dit wordt ook in Maléachi 4 : 5 vermeld.

1 Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.
2 Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.
3 En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de HEERE der heirscharen.
4 Gedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans Israël, der inzettingen en rechten.
5 Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zalMaleachi 4 : 1-5

”Die dag” wijst uiteraard op de dag des HEEREN, die in vers 5 genoemd wordt. In die dag zullen alle hoogmoedigen en alle goddelozen vergaan, zoals wij ook in Jesaja 2 : 12 in verband met de dag des HEEREN vermeld vinden. Voor het gelovig overblijfsel (die de Naam des HEEREN vreest) zal de Zon der gerechtigheid opgaan. Dit is uiteraard een omschrijving voor de verschijning van de Here Jezus Christus op de Olijfberg. Voor dat gelovig overblijfsel zal er genezing zijn onder Zijn vleugelen. Vleugels wijzen bovendien op bescherming (vergelijk Matthéüs 23 : 37). Als men zich bekeert (Joël 2 : 12) en de Naam des HEEREN aanroept, zál de Heer op de Olijfberg verschijnen. Vervolgens zal men over Hem rouwklagen (Zacharia 12 : 10-14). Bij rouw scheurde men de klederen. De Heer zegt in Joël 2 : 13 dat men zijn hart moet scheuren in plaats van zijn klederen. ”Het hart scheuren” is hetzelfde als ”zich bekeren tot de HEERE”. Het is feitelijk de beschrijving van wedergeboorte. Als men zich bekeert en dus wedergeboren wordt, bewijst de Heer Zijn genade en barmhartigheid (Joël 2 : 14). Hij zal de Olijfberg doen scheuren, waardoor men zal kunnen vluchten.

15 Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.
16 Verzamelt het volk, heiligt de Gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.
17 Laat de priesters, des HEEREN dienaars, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o HEERE! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hunlieder God?
18 Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen.
19 En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend ulieden het koren, en den most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.
20 En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.
21 Vrees niet, o land! verheug u, en wees blijde; want de HEERE heeft grote dingen gedaan.
22 Vreest niet, gij beesten des velds! want de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven.
23 En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand.
24 En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.
25 Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.
26 En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des HEEREN, uw Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.
27 En gij zult weten, dat Ik in het midden van Israel ben, en dat Ik de HEERE, uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid. Joël 2 : 15-27

Wij hebben reeds gezien dat ”Sion” een andere naam is voor Jeruzalem. Wanneer men de Naam des HEEREN aanroept, zal men de Heer smeken om Zijn volk te sparen, opdat de heidenen niet zullen kunnen zeggen: ”Waar is hun God?” (Joël 2 : 15-17). Als de Heer hen niet meer overgeeft tot smaadheid onder de heidenen (Joël 2 : 17, 19), zijn de zeventig weken van Daniël 9 vervuld. Ten noorden (Joël 2 : 20) van Jeruzalem ligt Moskou (zelfs op dezelfde lengtegraad). De Oostzee is een andere omschrijving voor de Dode Zee, terwijl de achterste zee een omschrijving is voor de Middellandse Zee. Tussen die twee zeeën ligt Palestina, het land van de HEERE (Leviticus 25 : 23; Joël 2 : 18). De Heer zal de Russen naar een verre plaats laten vertrekken, terwijl ze toch in het land blijven. Dit betekent dat zij sterven. Daarom gaat hun stank op. Met andere woorden: zij zijn omgekomen en moeten begraven worden (gedurende zeven maanden; Ezechiël 39 : 12, 14). De Heer zal grote dingen doen (Joël 2 : 21). Het land zal weer vrucht dragen (vers 22). God zal de Leraar ter gerechtigheid geven (vers 23). Die Leraar is tegelijk de Priester naar de ordening van Melchizédek (brief aan de Hebreeën), de Middelaar van het nieuwe verbond, namelijk Christus. Hij zal de Leraar, Koning en Hogepriester zijn. De Heer zal weer de vroege en de spade regen geven, zoals in het eerst. ”Maand” staat cursief en staat dus niet in de Hebreeuwse grondtekst. Zoals de Heer dat vroeger deed, zal Hij dat in de toekomst opnieuw doen. Daarom werd het ”een land, overvloeiende van melk en honing” genoemd (o.a. Exodus 3 : 8; Leviticus 20 : 24; Numeri 13 : 27; Deuteronomium 6 : 3; Ezechiël 20 : 6, 15). Dit zal in de toekomst opnieuw gebeuren; ná het einde van de zeventigste week.

28 En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;
29 Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.
30 En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.
31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.
32 En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen. Joël 2 : 28-32

Dit gedeelte van Joël 2 wordt in Handelingen 2 geciteerd.

15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van de dag.
16 Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel:
17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
21 En het zal zijn, dat een ieder, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. Handelingen 2 : 15-21 

”Daarna” wordt daar uitgelegd als ”in de laatste dagen”. Het wijst in ieder geval op de laatste dagen van de zeventig weken van Daniël 9. Daarna zal Hij Zijn Geest uitgieten over alle vlees. De zonen, dochteren, ouden en jongelingen zullen profeteren. De Heer zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en rookpilaren (Joël 2 : 30). De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed (Joël 2 : 31). Hier vinden we opnieuw de kosmische verschijnselen vermeld, die aan het einde van de zeventigste week zullen plaatsvinden. Als de maan als bloed wordt, wordt ze rood. Dit is geen gevolg van een astronomisch verschijnsel, maar van een atmosferisch verschijnsel. Wanneer de lucht erg vochtig of stoffig is, wordt de maan rood; ook al staat zij hoog aan de hemel. Als de maan verduisterd wordt, wordt ze eerst rood. Dit heeft met de breking van de kleuren van het licht te maken. Bij de breking van het licht wordt de kleur blauw het eerst verstrooid. Daarom is de lucht doorgaans blauw. De kleur rood wordt het laatst verstrooid. Vandaar, dat de kleur rood als laatste overblijft. Daardoor wordt de maan rood gekleurd. In Joël 2 : 31 staan de zaken in goede volgorde. De zon wordt ”terstond na de verdrukking van die dagen” verduisterd (Matthéüs 24 : 29). Dit is aan het einde van de zeventigste week. Op dat moment zal de dag des HEEREN aanbreken. De verwoesting van Jeruzalem werd in Joël 2 reeds met het aanbreken van de dag des HEEREN in verband gebracht (Joël 2 : 1 v.v.). De dag des HEEREN begint meteen na het einde van de zeventigste week.

Schematisch:

  1. Het begin van de zeventigste week.
  2. Het midden van de zeventigste week. Op dit moment wordt de gruwel der verwoesting opgericht en begint de grote verdrukking voor Israël.
  3. Het einde van de zeventigste week. De zon, maan en sterren worden verduisterd. De Dag des HEEREN breekt aan.

Deze volgorde is nogal onbekend. Dit komt, omdat men in de Bijbel leest dat de grote verdrukking en de Dag des HEEREN op zijn minst gedeeltelijk samenvallen. Onder ”de Dag des HEEREN” verstaat men daarom meestal ”de grote verdrukking”. Onder ”de grote verdrukking” verstaat men doorgaans alle gebeurtenissen die in de tweede helft van de zeventigste week plaatsvinden. Dat is het grote probleem, want dát is de Dag des HEEREN nu juist niét. ”De grote verdrukking” is inderdaad de omschrijving voor de tweede helft van de zeventigste week. Dié grote verdrukking komt echter alléén over de (huidige) Joodse staat. De grote verdrukking is aan het einde van die tweede helft echter nog niet afgelopen. De grote verdrukking is dan alléén voor Israël voorbij. De tijd, die ná de zeventigste week verloopt, is 33 jaar. Die tijd wordt met de term ”de Dag des HEEREN” aangeduid. Gedurende de 33 jaar vallen de grote verdrukking (voor de volkeren) en de Dag des HEEREN dus samen, maar dit geldt niet voor de tweede helft van de zeventigste week. Er wordt in verband daarmee alleen gezegd dat de Dag des HEEREN nabij is. Als Israël valt en Jeruzalem verwoest wordt, breekt de Dag des HEEREN aan. De Dag des HEEREN heeft met name met de heidenen te maken.

1 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2 Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Huilt: Ach die dag!
3 Want de dag is nabij, ja, de dag des HEEREN is nabij, een wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn. Ezechiël 30 : 1-3 

De Dag des HEEREN wordt hier ”der heidenen tijd” genoemd. In Obadja wordt de Dag des HEEREN ook met heidenen in verband gebracht. Diverse verzen uit het boek Obadja:

1 Het gezicht van Obadja. Alzo zegt de Heere HEERE van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.

2 Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht.

6 Hoe zijn Ezau’s goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht!
7 Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overmocht; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.
8 Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau’s gebergte zal doen vergaan?
9 Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau’s gebergte door den moord worde uitgeroeid.
10 Om het geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.
11 Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als één van hen.
12 Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, ten dage der benauwdheid;
13 Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;
14 Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien; noch zijn overgeblevenen overgeleverd hebben, ten dage der benauwdheid.
15 Want de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen; gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren.
16 Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn als of zij er niet geweest waren.
17 Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.

Hier wordt het oordeel over Edom aangekondigd. Het is het eerste volk, dat geoordeeld zal worden. Wanneer het gelovig overblijfsel uit Jeruzalem vlucht, zal het naar Petra (Sela) vluchten. Vanuit Petra zal het volk, onder aanvoering van de Messias, de Here Jezus Christus, optrekken naar Israël. Het eerste volk dat men onderweg tegenkomt, is Edom. Dit volk zal onderworpen worden (vergelijk Jesaja 63 : 1 v.v.). Uit de omschrijving, die hier van Edom wordt gegeven, blijkt dat het zich niet om Israël (of Jeruzalem) bekommerd heeft toen dat belegerd werd. Integendeel! Toen de vijand het land en Jeruzalem veroverde, behoorde Edom tot die vijand (Obadja : 11). Hoewel Edom (Ezau!) een broedervolk is, zal het zich niets van Israëls benauwdheid aantrekken (vers 12). Daarom zal Edom verdrukt worden, want aan hen zal gedaan worden wat zij zelf gedaan heeft (vers 15). In vers 15 wordt nadrukkelijk gezegd, dat de Dag des HEEREN over alle heidenen zal komen. Dit betekent dat Edom slechts de eerste van alle heidense volkeren is dat onderworpen wordt. Israël is weliswaar in benauwdheid gebracht, maar alle andere heidense volkeren zullen eveneens in benauwdheid gebracht worden; gedurende de Dag des HEEREN.Wanneer die benauwdheid over de heidenen komt, zal er te Sion ontkoming zijn. Dáár heeft de Heer namelijk Zijn koninkrijk reeds opgericht over het gelovig overblijfsel van Israël. Dát Israël zal het hoofd der volkeren worden en de erfgoederen der volkeren erfelijk bezitten.

De Dag des HEEREN is een periode waarin de heidense volkeren aan de Heer zullen worden onderworpen. De belangrijkste betekenis van de uitdrukking is echter dat de Heer dan regeert. Tegenover ”de Dag des HEEREN” staat ”de dag des mensen”; vertaald met ”menselijk oordeel” (1 Korinthe 4 : 3). Het is goed geïnterpreteerd, maar letterlijk staat er ”menselijke dag”. ”De dag des mensen” is de tijd waarin de mens regeert. ”De dag de HEEREN” is de tijd waarin de Heer regeert. De Dag des HEEREN wijst op het koninkrijk van de Heer; op aarde. Aan het einde van de zeventigste week zal het gelovig overblijfsel in Jeruzalem (”de overgeblevenen”; Joël 2 : 32) de Naam des HEEREN aanroepen. Op grond daarvan zal de Heer op de Olijfberg verschijnen en zal er ontkoming zijn. Die ontkoming is er voor het gelovig overblijfsel dat op dat moment in Jeruzalem is.

1 Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
2 Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israel, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
3 En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
4 En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven? Maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.
5 Omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodiën in uw tempels gebracht.
6 En gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij hen verre van hun landpale mocht brengen.
7 Ziet, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarhenen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding wederbrengen op uw hoofd.
8 En Ik zal uw zonen en uw dochteren verkopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want de HEERE heeft het gesproken.
9 Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.
10 Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.
11 Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O HEERE, doe Uw helden derwaarts nederdalen!)
12 De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom. Joël 3 : 1-12

In Joël 3 : 1 worden ”Juda” en ”Jeruzalem” genoemd, namelijk ”uw volk” en ”uw heilige stad” (Daniël 9 : 24). In die dagen zal de Heer de gevangenis (= de ballingschap) van Juda en Jeruzalem wenden. Eerst vergaderde de Heer de heidenen tegen Israël en Jeruzalem om hen tot bekering te dwingen. Wanneer het gelovig overblijfsel de Naam des HEEREN aanroept, zullen de rollen omgedraaid worden. De Heer zal dan verschijnen en aan de zijde van Zijn volk (althans: wat er nog van over is!) strijden. Hij zal vervolgens de heidenen vergaderen en hen afvoeren in het dal van Jósafat (Joël 3 : 2). Het dal van Jósafat wordt alléén in Joël 3 : 2, 12 genoemd. Meestal denkt men dat hier het dal van Megiddon (Zacharia 12 :11) bedoeld wordt, waar de heidenen gericht zullen worden (Openbaring 16 : 16). Uit Joël 3 valt zo’n conclusie niet te trekken. In Joël 2 : 32 zijn we bij de val van Jeruzalem aan het einde van de zeventigste week aangekomen. ”In die dagen” uit Joël 3 : 1 wijst op dezelfde periode. Het gaat hier dus niet om de laatste dagen van de zesde bedeling (= het einde van de 33 jaar). Aan het einde van de 33 jaar zullen de heidenen namelijk in het dal van Megiddon geoordeeld worden. In Joël 3 gaat het om de heidenen die tegen Jeruzalem vergaderd zijn. Het gaat over Juda en Jeruzalem. Aan het einde van de zeventigste week is er maar één dal dat een belangrijke rol speelt. Dat is het dal dat door het scheuren van de Olijfberg zal ontstaan. Dat dal is ”de vallei Mijner bergen” (Zacharia 14 : 5). Dát dal staat niet op de kaart, omdat het nu nog niet bestaat! De vertalers hebben ”Jósafat” als naam opgevat. Het woord betekent ”de Heer zal richten”. Het is het dal, waar de Heer zal richten.

De uiteindelijke verlossing van Israël wordt altijd vergeleken met de verlossing van Israël uit Egypte. Toen Israël uit Egypte trok, kwam ze bij de Schelfzee, die in tweeën scheurde. Daardoor ontstond er middenin het water een ”vallei”. Zij vluchtte door die ”vallei” het land uit; naar de woestijn. Israël vluchtte door de gescheurde wateren. De Egyptenaren kwamen achter haar aan, maar toen klapten de wateren weer dicht en kwamen de Egyptenaren om. In de toekomst zal de Olijfberg scheuren, waardoor een dal ontstaat. Het overblijfsel van Israël zal door de gescheurde Olijfberg vluchten; naar de woestijn. De heidenen, die haar achtervolgen, zullen ook door dat dal willen trekken. De Olijfberg zal echter weer ”dichtklappen”, waardoor de vijandige legers omkomen (in een dor en woest land; Joël 2 : 20). Dit geldt uiteraard voor de legers die Israël door de gescheurde Olijfberg zullen volgen.

Joël 3 : 13-21 13 Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot. 14 Menigten, menigten in het dal des dorswagens; want de dag des HEEREN is nabij, in het dal des dorswagens. 15 De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken. 16 En de HEERE zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de HEERE zal de Toevlucht Zijns volks, en de Sterkte der kinderen Israëls zijn. 17 En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. 18 En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren. 19 Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben. 20 Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht. 21 En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.

In Joël 3 : 13, 14 wordt het oordeel van de Heer in het dal van Jósafat nogmaals omschreven. Dáár wordt hetzelfde dal genoemd, maar nu heet het ”het dal der dorswagens”. Zie in dit verband ook Zefanja 1 : 7-14, waar eveneens ”de Dag des HEEREN” genoemd wordt.

7 Zwijgt voor het aangezicht des Heeren HEEREN; want de dag des HEEREN is nabij; want de HEERE heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genoden geheiligd. 10 En er zal te dien dage, spreekt de HEERE, een stem des gekrijts zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af.

11 Huilt, gij inwoners der laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid.
12 En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.
13 Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.
14 De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen. Zefanja 1 : 7-14

Het gaat hier over het naderen van de Dag des HEEREN. Wanneer de komst van de Dag des HEEREN nabij is, is de nood voor Israël en Jeruzalem het grootst. Het gaat namelijk over de laatste dagen van de zeventigste week van Daniël 9. Op het moment dat de dag des Heeren aanbreekt, is de zeventigste week ten einde. Daarmee zal de grote verdrukking voor Israël ten einde zijn. De grote verdrukking voor de volkeren begint dan echter pas; gedurende 33 jaar. In Joël 3 : 14 wordt opnieuw de Dag des HEEREN genoemd. Ook hier vinden wij weer de markante verschijnselen: de zon en de maan worden zwart en de sterren hebben hun glans ingetrokken. Dit is dé omschrijving voor het einde van de zeventigste week. Het is hier – net als in Joël 2 : 31 – de aanduiding voor het begin van de Dag des HEEREN. In die dagen zal de Heer uit Sion brullen (Joël 3 : 16), want Hij is de Leeuw uit de stam van Juda (Openbaring 5 : 5). De Heer zal in Jeruzalem Zijn troon vestigen (Joël 3 : 17) en van daaruit de volkeren der aarde onderwerpen. Dán zal de woestijn (= Israël) bloeien als een roos (Jesaja 35 : 1). Het land was verwoest, maar het zal tot leven komen en vrucht dragen (Joël 3 : 18). Dat gebeurt wanneer het volk zich bekeerd heeft en de Heer daar Zijn koninkrijk heeft gevestigd.

Paulus haalt in 1 Thessalonicenzen 5 : 2 de uitdrukking ”de dag des HEEREN” eveneens aan.

1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.
3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;
4 Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
5 Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis. 1 Thessalonicenzen 5 : 1-5

Paulus behandelt in 1 Thessalonicenzen 4 : 13-18 de opname/wegrukking van de Gemeente. Wanneer hij dit uitgelegd heeft, gaat hij verder met wat daarna volgt. Hij vond het daarbij niet nodig om over tijden en gelegenheden te spreken (1 Thessalonicenzen 5 : 1), want hij ging ervan uit dat dit bij de Thessalonicenzen bekend was. Paulus schrijft hier over de dag des Heren. Die dag begint aan het einde van de zeventigste week. De uitdrukking ”de dag des Heren” wijst feitelijk op het gehele geopenbaarde koninkrijk van Christus; beginnend voor Israël aan het einde van de zeventigste week en lopend tot aan de Jongste Dag. Degenen, die na de opname/wegrukking van de Gemeente (die in 1 Thessalonicenzen 4 werd beschreven) leven, zullen zeggen: ”Vrede en zonder gevaar” (1 Thessalonicenzen 5 : 3). Dit zijn dezelfden als ”de velen” uit Daniël 9 : 27. Zij menen dat er vrede is, omdat zij een verbond hebben gesloten met de vorst uit de eindtijd (= het beest; Openbaring 13 : 1). Op dát moment zal een haastig verderf hen overkomen.

”Vrede en zonder gevaar” slaat op de eerste helft van de zeventigste week. ”Een haastig verderf zal hen overkomen” slaat op de tweede helft van de zeventigste week; vanaf de oprichting van de gruwel der verwoesting. Het verderf komt over Israël gedurende de 1260 dagen van de grote verdrukking, zijnde de tweede helft van de zeventigste week. Men zal menen een verbond des vredes te hebben gesloten, maar het zal een verbond met de dood blijken te zijn (Jesaja 28 : 15, 18; let op de formulering! Israël zal wéten dat het een verbond met de dood is!). ”Gij, broeders” (1 Thessalonicenzen 5 : 4) slaat op de gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling, behorend tot het lichaam van Christus. De gelovigen van de huidige bedeling zijn niet in duisternis. De dag des Heren komt als een dief in de nacht. Dit staat ook in 2 Petrus 3 : 10:

Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. 2 Pet. 3 : 10

In dit vers staat feitelijk alleen: ”Maar de dag des Heeren zal komen als een dief”. ”In den nacht” komt in de Griekse grondtekst niet voor. In sommige latere handschriften heeft men het eigenhandig toegevoegd. Men heeft dit ”geleend” uit 1 Thessalonicenzen 5 : 4: ”De dag des Heren komt als een dief”(in de nacht). Dit betekent dat men niet weet wanneer die dag komt. De gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling kùnnen het begin van die dag inderdaad weten, maar dán zijn zij zelf inmiddels weg. Degenen, die zeggen ”Vrede en zonder gevaar”, zijn ongelovigen. Ongelovigen weten niet wanneer de dag des Heren aanbreekt. De opname/wegrukking van de Gemeente vindt vóór de aanvang van de dag des Heren plaats. Dat is dus vóór dat het haastig verderf (gedurende de tweede helft van de zeventigste week) komt. De opname/wegrukking vindt zelfs vóór de ”vrede” (gedurende de eerste helft van de zeventigste week) plaats.

De roeping van de Gemeente valt in de tijd, tussen de 69-ste en de zeventigste week. De zeventig weken horen bij de tijdrekening van Israël (het volk en de stad van Daniël; Daniël 9 : 24); niet bij de tijdrekening van de Gemeente. De tijdrekening van Israël werd onderbroken en in die onderbreking wordt de Gemeente, het lichaam van Christus, geroepen. Het is daarom logisch, dat de Gemeente verdwijnt vóór de tijd voor Israël weer begint te lopen. De conclusie is derhalve, dat de Gemeente niet in de grote verdrukking terechtkomt! Bovendien heeft de zeventigste week tot gevolg dat het Joodse volk tot bekering komt (tenminste: wat ervan over is). Wanneer een Jood nu (gedurende de vijfde bedeling) tot geloof komt, maakt hij/zij deel uit van de Gemeente, het lichaam van Christus. Wanneer de Gemeente gedurende de zeventigste week nog op aarde zou zijn, zou er geen bekeerd/ wedergeboren Israël kunnen ontstaan, want de gelovige Joden zouden dan toegevoegd worden aan de Gemeente. Het is daarom noodzakelijk, dat de Gemeente vóór het begin van de zeventigste week wordt opgenomen/weggerukt.

De Gemeente wordt vóór de aanvang van de zeventigste week opgenomen/weggerukt. Op dat moment is er geen enkele gelovige meer op aarde aanwezig. Daarom stuurt God twee getuigen (Openbaring 11; Mozes en Elia; vergelijk de verheerlijking op de berg – Matthéüs 17 : 3, 4) om Zijn boodschap te verkondigen. Wanneer de Gemeente niét vóór de aanvang van de zeventigste week zou worden opgenomen, zou het niet nodig zijn om deze twee getuigen te sturen, want dan zouden er nog vele duizenden gelovigen op aarde aanwezig zijn; óók in Israël. De Heer stuurt juist deze twee getuigen, omdat de Gemeente wél vóór de aanvang van de zeventigste week is opgenomen/weggerukt en er geen enkele gelovige meer op aarde aanwezig is. In 2 Thessalonicenzen 2 : 2 gebruikt Paulus de uitdrukking ”de dag des Heren” opnieuw, hoewel de Statenvertaling hier ten onrechte ”dag van Christus” heeft vertaald.

1 En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem, 2 Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus (= de dag des Heeren) aanstaande ware. 3 Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde (= wetteloosheid), de zoon des verderfs; 4 Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is. 5 Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? 2 Thessalonicenzen 2 : 1-5

Volgens wat Paulus hier schrijft, waren er valse brieven van hem in omloop gebracht. Die brieven waren helemaal niet door Paulus geschreven. Dit soort zaken komt ook tegenwoordig nog voor. ”Door de toekomst” betekent ”wat betreft de toekomst”. Hier staat het Griekse woord ”parousia”. Dit tweede hoofdstuk van de tweede brief aan de Thessalonicenzen handelt over het openbaar worden van de mens der wetteloosheid. Een omschrijving van deze persoon vinden wij in Daniël 8:

9 En uit één van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.
10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.
11 Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.
12 En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.

23 Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;
24 En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven;
25 En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden. Daniël 8: 9-12, 23-25

Deze mens der wetteloosheid wordt hier ”kleine hoorn” genoemd. Hij is een koning, stijf van aangezicht. Hij zal veel kracht/macht hebben, maar die heeft hij niet van zichzelf. Die macht ontvangt hij namelijk van de satan.

1 En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van gods lastering.
2 En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote machtOpenbaring 13 : 1, 2

De zee is in de Bijbel onder andere een beeld van de volkeren (Openbaring 17 : 15). Deze persoon komt dus uit de volkeren; dit in tegenstelling tot het beest uit de aarde (= Israël), dat in Openbaring 13 : 11 genoemd wordt. De kleine hoorn, de mens der wetteloosheid, namelijk het beest uit de zee maakt zich groot tegen de Vorst der vorsten (Daniël 8 : 11, 25), maar zal zonder hand verbroken worden (Daniël 8 : 25). Hij zal zich verheffen tegen God en zichzelf tot god laten uitroepen, zoals in 2 Thessalonicenzen 2 staat. Het is de wereldheerser van de toekomst, die zijn macht van de satan (de draak; Openbaring 13 : 2) ontvangt. Op Gods tijd zal Hij hem echter grijpen (samen met het beest uit de aarde, namelijk de valse profeet) en hem in de poel des vuurs werpen (Openbaring 19 : 20). Er waren valse brieven in omloop, waarin verkondigd werd, dat de dag des Heren al begonnen was. Paulus legt hier nogmaals (vergelijk 2 Thessalonicenzen 2:5!) uit, dat dit onmogelijk was, omdat de Gemeente nog op aarde aanwezig was/is.

6 En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.
7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid (= wetteloosheid) wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
8 En alsdan zal de ongerechtige (= wetteloze) geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst; 2 Thessalonicenzen 2 : 6-8

Paulus herinnert de gelovigen eraan dat hij tijdens zijn aanwezigheid heeft uitgelegd, dat deze mens der wetteloosheid zich niet kan openbaren, omdat de Gemeente hem wederhoudt. Pas als de Gemeente van de aarde is opgenomen/weggerukt, zal de wetteloze zich kunnen openbaren. Dit houdt verband met de dag des Heren. De wetteloze zal echter door de Heer worden verdaan bij de verschijning van Zijn parousia. Ook uit dit gedeelte blijkt dat de opname van de Gemeente vóór de aanvang van de dag des Heeren moet plaatsvinden. Dán zal de wetteloze zich openbaren en zal hij de ongelovigen verleiden, die geen liefde tot de Waarheid hebben (2 Thessalonicenzen 2 : 10-12). De laatste tekst, waar de dag des Heren genoemd wordt, is Openbaring 1 : 10.

9 Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus.
10 En ik was in den geest op den dag des Heeren; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,
11 Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azie zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicéa. Openbaring 1 : 9-11

Johannes was op het eiland Patmos toen hij allerlei visioenen/gezichten/profetieën van de Heer ontving. Hij gebruikt hier eveneens de uitdrukking ”de dag des Heren”, omdat het boek Openbaring verband houdt met de komst en de aanwezigheid van die dag. Nadat Johannes de Heer (de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste) in Zijn heerlijkheid heeft gezien, volgen er zeven brieven aan zeven gemeenten. Daarna wordt ons een blik in de hemel gegund, waar wij de Heer opnieuw aantreffen in Zijn heerlijkheid (Openbaring 4 : 2, 3). Rondom de troon (namelijk het dichtst bij de Heer) bevinden zich vierentwintig oudsten, een beschrijving van de Gemeente (het lichaam van Christus), die zich dán ook lichamelijk in de hemel zal bevinden. In Openbaring 6 begint feitelijk de omschrijving van het oordeel dat in de volgende (de zesde) bedeling zal komen.

1 En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie!
2 En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne! Openbaring 6 : 1, 2

Het eerste zegel dat geopend wordt, geeft het begin van de zeventigste week aan. Het geeft de omschrijving van de toekomstige wereldheerser, die de macht zal krijgen. Hij heeft wel een boog (= dreiging van/met bepaalde macht), maar er is geen sprake van pijlen (= oorlog, geweld). Hij zal een (schijn)vrede tot stand brengen. Wanneer die (schijn)vrede tot stand komt (= het tekenen van het verbond; Daniël 9 : 27), begint de zeventigste week feitelijk ”te lopen”.

3 En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!
4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven. Openbaring 6 : 3,4

Het tweede zegel wijst op het midden van de zeventigste week. Op dat moment wordt de vrede van de aarde (= het land) weggenomen. Er is daarom ook sprake van een zwaard (= oorlog, geweld). Dit wijst op het verbreken van het verbond in het midden van de zeventigste week (Daniël 9 : 27).

5 En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand.
6 En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en den wijn niet.
7 En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!
8 En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde (= het land), met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde (= van het land). Openbaring 6 : 5-8

Het derde en vierde zegel geven een omschrijving van de tweede helft van de zeventigste week. Het is een omschrijving van de grote verdrukking, die over Israël zal komen. Hier is vertaald met ”aarde”, maar het Griekse woord kan ook het ”land” vertaald worden. Dit is afhankelijk van de context. Binnen het verband van dit hoofdstuk dient het hier met ”land” vertaald te worden, zoals uit de rest van beschrijving zal blijken. Het gaat namelijk over de zeventigste week van Daniël 9.

9 En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden.
10 En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
11 En aan een iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij. Openbaring 6 : 9-11

Hier vinden wij een omschrijving van degenen, die tijdens de zeventigste week zullen worden gedood vanwege het Woord van God. Het gaat dus om gelovigen. Zij ontvangen witte klederen. Zij moeten nog een kleine tijd wachten tot ook hun mededienstknechten zullen zijn gedood. Dit wijst op de gelovigen die gedurende de 33 jaar, volgend op de zeventigste week, zullen worden gedood. Aan het eind van de volgende bedeling, namelijk bij de aanvang van de duizend jaar, zullen zij worden opgewekt (Openbaring 20 : 4-6).

12 En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed.
13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt.
14 En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
15 En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;
16 En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams.
17 Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? Openbaring 6 : 12-17

Bij de opening van dit zesde zegel vinden wij weer dé kenmerken, die de aanvang van de dag des Heren markeren.Wij vinden hier de omschrijving van het einde van de zeventigste week. Er vinden grote aardbevingen plaats, de zon wordt zwart en de maan wordt als bloed. Deze omschrijving hebben wij reeds in verband met Joël behandeld. De sterren des hemels zullen op de aarde vallen. Dit is een omschrijving van de dood van ongelovige Joden in het land. Er wordt namelijk een vergelijking gemaakt met onrijpe vijgen. Aan het eind van de zeventigste week zal de Heer op de Olijfberg verschijnen (Zacharia 14 : 4). Dan begint de dag des Heeren. Uit Openbaring 6 : 15-17 moeten wij concluderen dat de (ongelovige!) mensen op aarde de Heer kunnen zien,want zij zullen zeggen dat de dag van Zijn grote toorn is gekomen. Men zal liever levend begraven worden (”bergen val op ons”), dan zich aan de Heer onderwerpen. Wat een hoogmoed! In Openbaring 7 vinden wij de verzegeling van de 144.000 Israëlieten (12.000 uit elke stam). Dit zal aan het begin van de 33 jaar gebeuren. Wanneer dit gerealiseerd is, zullen deze 144.000 Israëlieten uitgaan in de wereld om het evangelie van het koninkrijk te prediken. De rest van het boek Openbaring spreekt over de 33 jaar van grote verdrukking, die over de volkeren zal komen. Op dat moment is de Heer echter Koning over een gelovig volk Israël. De dag des Heren is derhalve voor het gelovige volk Israël niet vreselijk (Joël 2 : 31), want voor haar is dat het koninkrijk van Christus. Voor de overige (ongelovige) volkeren zal het echter wel vreselijk zijn, omdat het gepaard gaat met het omverwerpen van elk menselijk koninkrijk. In dat verband wordt de dag des Heren ”de dag Zijns toorns” genoemd (Openbaring 6 : 17). Wij hebben nu alle teksten gehad, waar de term ”de Dag des HEEREN” letterlijk genoemd wordt. ”De dag des Heren” kan (typologisch!) ook op de sabbat van toepassing worden gebracht, omdat de sabbat een beeld is van het aardse koninkrijk van de Heer. Als de dag des Heeren aanbreekt, begint voor Israël het koninkrijk.

12 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.
14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.
15 Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is den sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.
16 Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.
17 Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft. Exodus 31 : 12-17

De Israëliet, levend onder de wet, kreeg zes dagen de tijd om zijn werk te doen. In die tijd moest hij ervoor zorgen dat zijn werk klaar was. Op de zevende dag mocht hij niets meer doen. Het was de sabbat voor de Heer. De Dag des HEEREN is eveneens de zevende dag. De ”dag des mensen” kan in zes bedelingen worden onderverdeeld. De zevende bedeling is de Dag des HEEREN, het koninkrijk. Het is de dag waarop de Heer regeert. Daarvan is de sabbat de uitbeelding. Een normale Bijbelse dag (óók een normale Joodse dag) begint bij zonsopgang. Voor Israël begint de sabbat echter op vrijdagavond; bij het ondergaan van de zon. Dat is een uitzondering! De sabbat, de zaterdag, begint alléén voor Israël op vrijdagavond; wanneer de zon ondergaat. Met andere woorden: de zevende dag begint voor Israël al gedurende de zesde dag! Dit geldt eveneens voor dé sabbat: het koninkrijk. De wereld zit nog middenin ”de zesde dag”, namelijk de zesde bedeling, de bedeling van de volheid der tijden.

Daarmee staat de wereld nog steeds onder de toorn en het oordeel van de Heer. Voor Israël is de zevende dag, de zevende bedeling, echter al begonnen. Israël is reeds de rust ingegaan!

Schematisch:

  1. Het moment van de opname/wegrukking van de Gemeente (het lichaam van Christus). Het begin van de zeventigste week. Dit is tevens het begin van de zesde bedeling.
  2. Het midden van de zeventigste week. Op dit moment wordt de gruwel der verwoesting opgericht en begint de grote verdrukking voor Israël. De tijd van ”vrede en zonder gevaar” is voorbij.
  3. Het einde van de zeventigste week. De Dag des HEEREN breekt aan. Op dit moment begint voor Israël de zevende dag (de sabbat); feitelijk de zevende bedeling. Voor de wereld gaat de zesde bedeling (en daarmee de verdrukking) gewoon door.

De dag des Heren is een dag, waarin de toorn (= het oordeel) van God geopenbaard wordt over de heidenen (Ezechiël 30 : 3; Obadja 1 : 15). De Dag des HEEREN wordt in de Bijbel ook ”dag des oordeels” genoemd (Matthéüs 10 : 15; 11 : 22, 24; 12 : 36; Markus 6 : 11; Lukas 10 : 12; Romeinen 2 : 5; 2 Petrus 2 : 9; 3 : 7; 1 Johannes 4 : 17; Judas : 6). Dit oordeel komt over de volkeren om hen tot geloof te dwingen. Wie niet tot geloof komt, wordt gedood. Wie tot geloof komt en volhardt tot het einde, gaat het koninkrijk van Christus binnen.

5. Zacharia 12 en 14

1 De last van het woord des HEEREN over Israël. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.
2 Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem.
3 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.
4 Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan.
5 Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn in den HEERE der heirscharen, hun God.
6 Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechter zijde en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem.
7 En de HEERE zal de tenten van Juda ten voorste behouden, opdat de heerlijkheid van het huis Davids, en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem, zich niet verheffe tegen Juda.
8 Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis Davids zal zijn als goden; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.
9 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen. Zacharia 12 : 1-9

De last van het woord des HEEREN over Israël. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert. Zacharia 12 : 1

Wij vinden hier een uitgebreide profetie over de redding van Jeruzalem. De HEERE Zelf spreekt hier. ”HEERE” (met hoofdletters) is in de Statenvertaling altijd de aanduiding van de Naam ”Jehovah”. Hij is Degene Die de hemelen uitbreidt (= maakt). De HEERE stelt Zichzelf hier niet voor als de Heer van Israël, hoewel Hij dat is. Hij stelt Zich hier voor als de Schepper Zelf. Hij is Degene, Die deze wereld gemaakt heeft, Die ook Israël gemaakt heeft. Hij is ook Degene, Die des mensen geest in zijn binnenste formeert.

Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem. Zacharia 12 : 2

Die HEERE, Die de schepping gemaakt heeft, zal Jeruzalem stellen tot drinkschaal der zwijmeling. Men zal uit Jeruzalem drinken, maar men zal er dronken van worden. Iemand die zwijmelt, heeft ze niet allemaal meer op een rijtje. Jeruzalem zal zo’n drinkschaal der zwijmeling zijn voor alle volken. ”Allen volken” betekent ”voor alle volken”. Jeruzalem zal de schuilplaats van Juda zijn. Er staat Juda, hetgeen op het jodendom slaat. Dit betekent dat er een tijd komt, waarin Juda (= de afstammelingen van de Joden) in Jeruzalem zullen wonen, hoewel het dagen zijn waarin Jeruzalem belegerd zal worden. Het gaat hier niet over de belegering van Jeruzalem in de zeventigste week van Daniël 9. Het is de belegering van Jeruzalem ná haar bekering (zie volgende vers). Jeruzalem is namelijk gesteld tot drinkschaal der zwijmeling voor alle volken rondom; niet met betrekking tot Juda zelf. Juda zelf is tot geloof gekomen. Deze belegering vindt derhalve plaats, nadat Israël aan het eind van de zeventigste week van Daniël 9 tot geloof gekomen is. We hebben dán een gelovig Israël, levend in Palestina, terugverzameld uit de ballingschap.

En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen. Zacharia 12 : 3

Wij vinden hier de uitdrukking ”te dien dage”. Deze uitdrukking komt vele malen in het boek Zacharia voor (o.a. 12 : 4, 6, 8, 9, 11; 13 : 1, 2, 4; 14 : 4, 6, 8, 13, 20, 21). In Zacharia 14 : 1 vinden wij vermeld om welke dag het gaat: ”de dag komt den HEERE”. De uitdrukking slaat op ”de Dag des HEEREN”, welke aan het eind van de zeventigste week begint. Eerst was Jeruzalem een drinkschaal. Nu is het een steen die men als last opneemt. De steen wordt hier tevens beschouwd als een soort mes. Het Hebreeuwse woord voor steen wordt naar het Nederlands inderdaad soms vertaald met ”mes”. De zonen van Mozes werden bijvoorbeeld besneden met een steen (Exodus 4 : 25). Wie deze steen tilt, zal erdoor doorsneden worden. Hij blijkt scherp te zijn, want men wordt erdoor doorsneden. Men probeert de steen te tillen, maar hij zal een oordeel brengen. Alle volkeren zullen zich tegen Jeruzalem keren, omdat men zich niet aan Jeruzalem wil onderwerpen. In die dagen zal van Jeruzalem de wet uitgaan. Vanuit Jeruzalem wordt namelijk het koninkrijk van Christus over de aarde gevestigd. Degenen die zich daar niet aan willen onderwerpen, keren zich tegen Jeruzalem. Het is een situatie van strijd rondom een gelovig Jeruzalem, waartegen al de volken zullen optrekken. Ze zullen zich tegen haar verzamelen. Dit betekent niet dat ze gelijktijdig optrekken. Het betekent dat de volkeren het met elkaar eens worden aan de onderhandelingstafel en dat ze de oorlog verklaren aan Jeruzalem. Als in de Bijbel staat: ”Verzamelt het volk”, dan staat er dikwijls bij: ”Verzamelt de oudsten” (Jozua 24 : 1; Joël 1 : 14). Het is ondoenlijk om het gehele volk te verzamelen. Men verzamelt de oudsten, de volksvertegenwoordiging.

Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan. Zacharia 12 : 4

Het paard spreekt over koningschap en majesteit (Zacharia 10 : 3: het paard Zijner majesteit). Deze heidense volkeren, die het koningschap in hun hoogmoed aan zich trekken, zullen dat koningschap niet krijgen. De paarden worden schuw. Men krijgt de dieren niet bij het gewenste doel. De ruiters zijn de volkeren. De volkeren beraadslagen tezamen tegen God en Zijn Gezalfde (Psalm 2). De HEERE zal Zijn ogen over het huis van Juda openen. Het Hebreeuwse woord voor ”oog” betekent ook ”bron”. Als de Heer Zijn oog zal openen over Juda, zal Hij haar zegenen. De paarden der volkeren worden door de HEERE echter met blindheid geslagen.

Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn in den HEERE der heirscharen, hun God.” Zacharia 12 : 5

De leidslieden van Juda zijn de oudsten van het volk. Zij zullen zeggen: ”De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn”. Men vertrouwt op de inwoners van Jeruzalem, die een sterkte ”in de HEERE der heirscharen, hun God” zijn. Deze term geeft aan, dat de inwoners van Jeruzalem gelovigen zijn, hetgeen opnieuw aangeeft, dat het hier om Juda of Jeruzalem in de zeventigste week gaat. De kracht van Jeruzalem is gelegen in de kracht van de inwoners, de sterkte van de inwoners van Jeruzalem. De sterkte van de inwoners van Jeruzalem is gelegen in de HEERE der heirscharen, die hun God is. Het zijn gelovigen. Het is dit Jeruzalem waarvan gezegd wordt: ”Bidt voor de vrede van Jeruzalem”.

1 Een lied Hammaäloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
2 Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!
3 Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
4 Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israëls, om den Naam des HEEREN te danken.
5 Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.
6 Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen. 
Psalm 122 : 1-6

Vaak wordt tegenwoordig Psalm 122 : 6 aangehaald, waarbij de gelovigen worden opgeroepen om te bidden voor de vrede van Jeruzalem. Wanneer men een vers citeert, dient men eerst echter goed de context te bekijken, waarin dat vers staat. Psalm 122 : 1 spreekt over het huis des HEEREN. Op het moment, dat deze Psalm werkelijk is, zal er dus (weer) een huis des HEEREN (= een tempel) in Jeruzalem zijn. Vanuit Psalm 122 : 2-4 wordt duidelijk dat Jeruzalem een stad is die wel gebouwd is en waarheen de stammen van Israël zullen optrekken. Aangezien de twaalf stammen van Israël nu (1996) helemaal niet bekend zijn (slechts de stam van Juda – de Joden – is bekend), kan deze Psalm niet op onze tijd slaan. Bovendien staat er in Psalm 122 : 5 dat in Jeruzalem ”de stoelen des gerichts” gezet zijn. Het zijn de stoelen van het huis van David. Deze stoelen zijn er nu helemaal niet. Bovendien kan niemand met zekerheid aantonen, dat hij/zij van het huis van David afstamt.

Wanneer Psalm 122 : 1-5 over een toekomstig Jeruzalem spreekt, mogen wij Psalm 122 : 6 niet ineens op het huidige Jeruzalem van toepassing brengen. Daartoe geeft het Woord van God ons namelijk geen enkele aanleiding.Wij kunnen slechts tot één conclusie komen: Psalm 122 spreekt over een gelovig Jeruzalem, waarin de troon van de Zoon van David staat, waarin de vervallen hut van David weder is opgericht (Amos 9 : 11; Handelingen 15 : 16). Voor die vrede zal gebeden worden! Er wordt gebeden om vrede, omdat er in die dagen wel degelijk oorlogsdreiging is. Jeruzalem zal vrede hebben, omdat zij haar vertrouwen gesteld heeft op de HEERE der heirscharen.

Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechter zijde en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem. Zacharia 12 : 6

”Hout” is een uitbeelding van de ongelovige volkeren. Juda is de fakkel, die gebruikt wordt om dat hout te verbranden (te oordelen). De heidenen zullen optrekken tegen Juda, maar ze vertillen zich aan Jeruzalem. Ze proberen die steen te tillen, maar in plaats daarvan snijden ze zich eraan. Ze zullen opengereten worden. Men komt als een hoop hout, maar men komt bij deze vurige haard, die dat hout in brand steekt. God zal het hout (= de volkeren) in het oordeel brengen. Als de heidenen geoordeeld worden, gebeurt dat door middel van Israël. Israël is dus dat vuur of die steen of die drinkschaal. De volkeren komen van rondom, maar zullen rondom verteerd worden. Het resultaat is dat Jeruzalem alsnog zal blijven in haar plaats, namelijk te Jeruzalem. Jeruzalem betekent letterlijk ”stichting van vrede”. In de toekomst zal die vrede gesticht worden in Jeruzalem. Het betekent dat Jeruzalem hersteld zal worden.

En de HEERE zal de tenten van Juda ten voorste behouden, opdat de heerlijkheid van het huis Davids, en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem, zich niet verheffe tegen Juda. Zacharia 12 : 7

”Voorste” is hetzelfde als ”eerste”. Een tent is een woonplaats. De huisvesting/woning van Juda zal de eerste plaats innemen. Als alle volkeren een plaats hebben en hun tenten hebben, dan is de plaats van Juda de eerste. Juda is het belangrijkste volk te midden van de overige volkeren. ”Tegen” is hetzelfde als ”in de plaats van”. De heerlijkheid van het huis van David en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem zouden een andere plaats kunnen innemen dan Juda. Uiteindelijk zal er geen verschil zijn. De Heer zal Juda dezelfde plaats geven, want de heerlijkheid van het huis van David en de inwoners van Jeruzalem behoren aan Juda. De heerlijkheid van het huis van David zal de heerlijkheid van Juda zijn en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem zal de heerlijkheid van Juda zijn. Dat is niet altijd zo geweest. Met name in de huidige (vijfde) bedeling is dat niet het geval, maar in de toekomst zal dat wel zo zijn.

Zacharia 12 : 8 8 Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis Davids zal zijn als goden; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.

De HEERE, de Schepper, zal de inwoners van Jeruzalem beschutten. Letterlijk betekent dit, dat Hij er een schutting omheen zal zetten. Hij beschermt hen. Het zou kunnen gebeuren dat er iemand struikelt, maar in dat geval zal hij toch opgericht worden. Van David lezen we dat hij soms struikelde, maar hij werd opgericht. Degene die onder de inwoners van Jeruzalem (gelovigen) zou struikelen, zal te dien dage zijn als David. Het huis Davids zal zijn als goden. ”Als goden” is de vertaling van het Hebreeuwse ”ke-elohiem” . Hierin herkennen wij het woord ”Elohiem” , dat doorgaans met ”God” vertaald wordt (bijvoorbeeld Genesis 1 : 1). Het huis van David wordt gevormd door de Here Jezus Christus Zelf, want Hij is de Zoon van David. Hij is Degene, Die op de troon van David zit en Hij is God. De vertaling van ”goden” kan daarom beter vervangen worden door ”God”. Hij wordt hier tevens ”de Engel des HEEREN” genoemd. Deze uitdrukking kan ook vertaald worden met ”de Engel, namelijk de HEERE”. Het zal duidelijk zijn dat deze beschrijving een beschrijving is van de situatie na de wedergeboorte/bekering van Israël. Het slaat derhalve op een tijd, die na de opname/wegrukking van de gemeente komt. Het slaat zelfs op een tijd die ná de zeventigste week ligt.

En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen. Zacharia 12 : 9

Jeruzalem is de stad van David, want David veroverde de stad op de Jebusieten. Hij bouwde daar zijn paleis van daaruit regeerde hij over alle twaalf stammen van Israël. Het verwijst het naar de troon van David. ”Het huis van David” heeft met de inwoners van Jeruzalem te maken, want de inwoners van Jeruzalem hebben zich onderwerpen aan de Zoon van David, de Here Jezus Christus. Het gaat hier dus om gelovigen. In de toekomst zal Jeruzalem de hoofdstad van het koninkrijk van de Here Jezus Christus zijn. Er zal dus vanuit Jeruzalem geregeerd worden. De heidenen zullen tegen Jeruzalem optrekken om het te veroveren. De volkeren willen namelijk zelf de macht hebben. De volkeren wensen te regeren met voorbijzien van Jeruzalem.

10 Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt overeen eerstgeborene.
11 Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megíddon.
12 En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
13 Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simeï bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
14 Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder. Zacharia 12 : 10-14

We vinden een overgang tussen de Zacharia 12 : 9 en Zacharia 12 : 10. 12: 9 spreekt over dat de ”Heer zal zoeken te verdelgen alle heidenen”. 12 : 10 heeft betrekking op de verschijning van de Heer aan Israël. Deze verschijning vindt aan het einde van de zeventigste week plaats. Op dat moment komt Israël tot geloof en roept de Naam des Heren aan. De Heer zal dan daadwerkelijk en zichtbaar verschijnen. Wie in geloof de Here aanroept, ontvangt de Geest (in Zacharia 13 : 1 ”Fontein” genoemd; vergelijk Johannes 4 : 14; 7 : 38, 39). In Zacharia 12 : 10 is de HEERE, Jehovah, nog steeds aan het woord, zoals uit het begin van dit hoofdstuk blijkt.

1 De last van het woord des HEEREN over Israël. De HEERE (= Jehovah) spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.
2 Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem.
3 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.
4 Te dien dage, spreekt de HEERE (= Jehovah), zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan. Zacharia 12 : 1-4

Er staat in Zacharia 12 : 10, dat ze ”Mij” zullen zien en over ”Hem” zullen rouwklagen. Voor ons lijkt dat inconsequent, maar in de Bijbel komt dit verschijnsel veel vaker voor; vooral wanneer het over de Heer Zelf gaat. Sommigen hebben geprobeerd om dit verschijnsel weg te redeneren. Sommige vertalers hebben ”Mij” vertaald met ”Hem”. In het Hebreeuws staat echter ”Mij”! Uit deze tekst blijkt, dat Degene, Die zij doorstoken hebben, niet alleen ”Jezus” heette, maar ook Jehovah! De HEERE, Jehovah, haalt in Zacharia 12 : 10 even de sluier aan de kant en zegt: ”Ze zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben”. Jezus van Nazareth is niemand anders dan Jehovah, de God Die op de Sinaï aan Israël verscheen. Hij is Dezelfde Die in de toekomst op Sion zal verschijnen. Het is één Persoon: Jehovah Jezus Christus! Dit wordt meestal weggeredeneerd, omdat men niet wil geloven dat Jehovah Degene is Die aan het kruis gedood werd. Jezus is Jehovah, Die in het vlees verschenen is (vergelijk Johannes 1 : 14). Johannes legt hierop in zijn eerste brief juist de nadruk. Vanuit het Oude Testament is duidelijk dat Jehovah Dezelfde is als de Messias. Wanneer wij het Hebreeuwse woord ”mashiach” naar het Grieks, krijgen wij ”Christus”. Beide woorden betekenen ”Gezalfde”.

De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Psalm 2 : 2

Deze tekst wordt in Handelingen 4 aangehaald.

26 De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde.
27 Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Heródes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls; Handelingen 4 : 26, 27

De HEERE, de Gezalfde, wordt hier aangeduid als ”Uw heilig kind Jezus”. Ook vanuit andere teksten uit het Oude Testament wordt duidelijk, dat de HEERE Dezelfde is als de Messias. Enkele voorbeelden:

1 Samuël 2 : 10 10 Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel overhen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns gezalfden verhogen.

De Koning wordt hier aangeduid als de Gezalfde. Het is duidelijk, dat beide omschrijvingen op de Here Jezus Christus slaan.

3 Ziet hier ben ik, betuigt tegen mij, voor den HEERE, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het ulieden wedergeven. 1 Samuël 12 : 3

Hier kan evengoed vertaald worden met: “de HEEREN, namelijk Zijn Gezalfde”. Het is uitermate belangrijk om te onderkennen dat de HEERE Dezelfde is als Jezus Christus.

Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. 1 Johannes 2 : 22

Jezus is de Christus, de Messias, de Gezalfde. Wie dát loochent, is de leugenaar en de antichrist. Met andere woorden: de leer die ontkent dat Jezus is de Christus, is afkomstig van de satan (Johannes 8 : 44). Deze gedachte ligt ook ten grondslag aan 1 Johannes 4 : 2, 3:

2 Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;
3 En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld. 1 Joh. 4 : 2, 3

Er zijn veel mensen die erkennen dat Jezus van Nazareth ooit geleefd heeft. Dat wordt hier niet bedoeld. Het gaat erom dat Jezus, de Messias, in het vlees gekomen is. Vanuit het Oude Testament kan men weten dat de HEERE Dezelfde is als de Messias. Het gaat er hier dus om dat men belijdt dat de HEERE (Jehovah) in de Persoon van Jezus van Nazareth in het vlees gekomen (= geboren) is. Wie dát belijdt, is uit God. Ditzelfde wordt in 1 Johannes 5 nogmaals aangehaald, hetgeen de belangrijkheid van deze waarheid aangeeft.

Een ieder, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is. 1 Johannes 5 : 1

De HEERE spreekt en Hij zegt in Zacharia 12 : 10: ”… zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben,…”. Door Zacharía werd dus al geprofeteerd dat de HEERE doorstoken zou worden. Dit impliceert dat Hij Mens zou worden, want anders kon Hij niet doorstoken worden. Dit vers impliceert tevens dat men Hem in de toekomst letterlijk zal zien, want ”zij zullen Hem zien, Die zij doorstoken hebben”. Dit betekent niet alleen dat ze Hem zullen zien, maar het betekent ook dat aan Hem te zien zal zijn dat Hij doorstoken was. Ze zullen de littekens van Zijn wonden in Zijn handen en voeten zien.

En zo iemand tot Hem zegt: Wat zijn deze wonden in Uw handen? zo zal Hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede Ik geslagen ben, in het huis Mijner liefhebbers. Zacharia 13 : 6

In dit vers zijn de persoonsvormen in de Statenvertaling niet met hoofdletters geschreven. Dit vers beschrijft de ontmoeting tussen de gelovige Joden en de Heer. De persoonsvormen, die op de Heer van toepassing zijn, behoren dus met hoofdletters geschreven te worden, zoals in het vers hierboven wel is gebeurd. Het gelovig overblijfsel van Israël zal de Heer ontmoeten. Ze zal Zijn littekens zien en ze zal Hem vragen hoe Hij daaraan gekomen is. De Heer antwoordt: ”Het zijn de wonden, waarmede Ik geslagen ben, in het huis Mijner liefhebbers”. De liefhebber van God is in ieder geval Abraham (2 Kronieken 20 : 7; Jesaja 41 : 8). Het zaad van Abraham is Israël. Het gaat hier over het huis Israëls. De Joden zullen de Heer herkennen aan de littekens in Zijn handen. Er is aanvankelijk blijkbaar geen verheerlijkte gedaante, want zo’n verheerlijkte gedaante zou veel eerder opvallen dan de littekens in Zijn handen en voeten.

Op het moment dat Hij op de Olijfberg verschijnt, zal Hij wel een verheerlijkte gedaante hebben, omdat Hij dán in Zijn koninkrijk komt. Als Hij daarna tot de Joden uit Jeruzalem nadert, is er geen verheerlijkte gedaante meer. Op dat moment zullen zij Jezus van Nazareth zien. Ze hebben Hem verworpen en gedood, maar Hij blijkt de beloofde Messias te zijn. Zijn kenmerken zijn op dat moment de littekens in Zijn handen; niet Zijn verheerlijkte gedaante. Dat komt feitelijk pas late. Aan het einde van de 33 jaar (vergelijk Matthéüs 25 : 31). Zij zullen over Hem rouwklagen als de rouwklage over een enige Zoon. Zij zullen rouwklagen, omdat Hij de enige Zoon is. Zij zien,Wie zij doorstoken hebben, hetgeen inhoudt dat zij weten dat Hij gestorven is. Op dat moment zullen zij begrijpen dat Hij Jezus van Nazareth was, Die destijds stierf. Ze zullen alsnog (na exact 2000 jaren van 360 dagen!) rouw over Hem bedrijven.

”Enig” betekent ”uniek”. Hij is uniek, want Hij is de enige Erfgenaam van Adam, Abraham, David, van geheel Israël en zelfs van God. Men zal over Hem rouwklagen, omdat Hij de enige Zoon is en gestorven is. Hij is de Unieke, de Onvergelijkbare (vergelijk Jesaja 40 : 18, 25) en daarmee is Hij de Geliefde (Markus 1 : 11; 9 : 7; Kolossenzen 1 : 13). Hij is ook de Eerstgeborene/Erfgenaam uit het huis van David. ”Enig” geeft aan, dat die Ene met niemand anders te vergelijken is. ”Eerste” wil niet zeggen dat er nog een tweede zou zijn. Het geeft aan dat Hij het eerstgeboorterecht heeft en dus de troon erft.

Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megíddon. Zacharia 12 : 11

Er wordt hier verwezen naar een andere geschiedenis, wanneer men ook rouw bedreven heeft. Toen bedreef men rouw in Hadadrimmon, in het dal van Megíddon, over de dood van koning Josía. Josía is bekend, omdat hij de dienst aan de HEERE (Jehovah) opnieuw instelde.

2 Kronieken 34 : 1-5, 8, 14-16 1 Josía was acht jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde één en dertig jaar te Jeruzalem. 2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand. 3 Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen. 4 En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden. 5 En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem. 8 In het achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azalia, en Maäseja, den overste der stad, en Joha, den zoon van Joahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren. 2 Kronieken 34 : 1-5, 8,

14 En als zij het geld uitnamen, dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkia het wetboek des HEEREN, gegeven door de hand van Mozes. 15 En Hilkia antwoordde en zeide tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkia gaf Safan dat boek. 16 En Safan droeg dat boek tot den koning; daarbenevens bracht hij nog den koning bescheid weder, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij; 2 Kronieken 34 : 14-16 

Het resultaat is dat de wet ook werd voorgelezen (vers 29 v.v.). Josía en het gehele volk bekeerde zich tot de HEERE. Vervolgens vierde geheel Israël het paasfeest. Het paasfeest hangt samen met de verlossing uit Egypte. Deze verlossing uit Egypte is het begin van het oude verbond en is in zijn totaliteit een beeld van de totstandkoming van het nieuwe verbond. Het wijst op de dood en opstanding van de Here Jezus Christus en de daarop volgende verlossing. Josía kwam uiteindelijk om in de strijd.

20 Na dit alles, toen Josía het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josía toog uit hem tegemoet.
21 Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.
22 Doch Josía keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal van Mediddo.
23 En de schutters schoten den koning Josía. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
24 En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josía. 2 Kronieken 35 : 20-24

Josía, die de dienst van Jehovah herstelde, kwam in de strijd om. Hij is een type van de Here Jezus Christus, Die – bij wijze van spreken – het wetboek terugvond en het de wetgeleerden voorhield. Zoals in de dagen van Josía de wet werd voorgelezen, zo werd door de Here Jezus de wet voorgehouden aan Zijn tijdgenoten; met name ook aan de leidslieden van het volk. Uiteindelijk stierf Hij echter toch. De rouwklage in Jeruzalem zal groot zijn. Er zal niet alleen rouwklage zijn om de Eerstgeborene, de Messias, Die men verworpen en gedood heeft. Er zal ook rouwklage zijn, omdat Jeruzalem aan het einde van de zeventigste week volkomen verwoest zal worden (Zacharia 14 : 2). Bovendien gaat het om een gelovig overblijfsel van Israël, De meerderheid van degenen, die in het midden van de zeventigste week in het land zijn gebleven, zullen zijn gedood.

12 En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
13 Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simeï bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
14 Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder. Zacharia 12 : 12-14

”Het land zal rouwklagen” betekent dat de inwoners van dat land zullen rouwklagen. Het gaat hier uiteraard om het land Israël. In Matthéüs 24 : 30 staat dat alle geslachten van de aarde zullen wenen. ”Aarde” wijst niet op een planeet, want de planeet ”Aarde” bestaat in de Bijbel niet. Een planeet is een hemellichaam en de aarde is geen hemellichaam. ”Aarde” slaat op het land, de aardbodem. Het gaat in Matthéüs 24 : 30 niet om al het droge land, maar om het land Israël. Dit blijkt uit Zacharia 12 : 12. Het Griekse woord kan zowel met ”aardbodem” als met ”land” vertaald worden. In Zacharia 12 : 12-14 worden bepaalde geslachten apart genoemd. Ten eerste wordt het geslacht van het huis van David genoemd, want Christus is de grote Erfgenaam uit het huis van David. Ten tweede wordt het geslacht van het huis van Nathan genoemd, want de Heer stamt niet van Sálomo af, maar uit de lijn van Nathan. Vanuit Matthéüs 1 meent men, dat de Heer van Jechonia (= Jojachin, Chonia) afstamt. Van hem wordt echter gezegd dat hij geen kinderen had (Jeremia 22 : 24, 30). Hiermee stierf de lijn van David via Sálomo uit. Na de Babylonische ballingschap, wordt Saláthiël genoemd. Hij was een afstammeling van Nathan (2 Samuël 5 : 14; Haggaï 1 : 1, 14).

De Here Jezus stamt van David en Nathan af. Tot aan de ballingschap hebben nakomelingen van Sálomo op de troon gezeten. Na de ballingschap heeft er niemand meer op de troon gezeten, maar de erfgenamen, die er waren, stamden niet van Sálomo af, maar van Nathan. Van de lijn van Nathan heeft nog nooit iemand op de troon gezeten. Er zal slechts één Nakomeling van Nathan op de troon zitten, namelijk de Here Jezus Christus. N.B.: ”gewinnen” (Matthéüs 1) betekent ”een erfgenaam krijgen”. Verder worden de geslachten van het huis van Levi en het huis van Simeï genoemd. Levi staat voor het priesterschap. Christus zal verschijnen als de Hogepriester van het nieuwe verbond; naar de ordening van Melchizédek: zonder begin en zonder einde (Hebreeën 7 : 1 v.v.; vergelijk Genesis 14 : 18). Christus is tevens de Erfgenaam van Levi. In Maléachi 2 : 4, 8 wordt de Heer zelfs ”Levi” genoemd. Wat in Maléachi 2 : 4, 8 over Levi wordt gezegd, kán niet op de oudtestamentische Levi van toepassing worden gebracht. Verder wordt het geslacht van het huis van Simeï genoemd.We vinden in deze verzen een parallel. In Zacharia 12 : 12 vinden wij David en één van zijn nakomelingen. In Zacharia 12 : 13 vinden wij Levi en Simeï. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het hier om Levi en één van zijn afstammelingen gaat. Het was de kleinzoon van Levi (Exodus 6 : 16), de zoon van Gerson (zie ook Numeri 3 : 18 en 1 Kronieken 23 : 7). Al de overige geslachten zullen eveneens rouwklagen, omdat het Joodse volk uiteindelijk één grote familie is. Er staat bij: ”hunlieder vrouwen bijzonder”. Dat betekent dat het om uiterlijke dingen gaat. In het algemeen zijn het de vrouwen die rouw bedrijven. Dat is van oudsher zo geweest; óók in de Bijbel. Dat komt doordat de vrouw het meest verbonden is met de uiterlijke dingen. Hier gaat het om het zichtbaar tot stand komen van het Messiaanse Rijk. Het gaat dus om uiterlijke dingen. Het gaat ook om de uiterlijke verschijning van de Here (Jehovah) Jezus Christus Zelf. Over Hem wordt rouw bedreven. Vandaar, dat bij die geslachten de vrouwen nadrukkelijk vermeld worden.

1 Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!
2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.
3 En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.
4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.
5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, den koning van Juda; den zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!
6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis.
7 Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. Zacharia 14 : 1-7

1 Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!
2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. Zacharia 14 : 1, 2

”De dag den HEERE” betekent ”de dag voor/van de Heer”. Wat Israël (Jeruzalem) eerst geroofd heeft, zal teruggeroofd worden. Er komt vergelding voor de misdaden, die men heeft begaan. Dat wat Jeruzalem vroeger geroofd/misdaan heeft, daarvan zal het de consequenties moeten dragen. De HEERE zal dat vergelden, want Hem komt de wraak toe (Romeinen 12 : 19; Deuteronomium 32 : 35). De wraak, die God doet over Jeruzalem, wordt volbracht door de heidenen. De Heer zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen. ”O Jeruzalem” staat cursief, hetgeen betekent, dat het in de grondtekst niet voorkomt. Uit vers 2 blijkt echter dat het wel om Jeruzalem gaat.

De Heer Zelf zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen. Het gehele heidense wereldrijk zal tegen Jeruzalem ten strijde trekken en dat wordt door de Heer Zelf bewerkt! De stad zál ingenomen worden, de huizen zúllen geplunderd worden en de vrouwen zúllen geschonden worden. De Heer zal de heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen en dat zál tot de verwoesting van Jeruzalem leiden. Uit de rest van dit hoofdstuk blijkt dat deze gebeurtenis nog niet heeft plaatsgevonden. Sinds de dagen van Zacharía is Jeruzalem weliswaar verwoest geworden (in 70 A.D.), maar daar gaat deze profetie niet over (vergelijk ook Ezechiël 39; Joël 2). Heel Jeruzalem zal verwoest en de vrouwen zullen geschonden worden. De vrouwen worden speciaal genoemd, omdat het hier over het Joodse volk gaat, dat dé vrouw is. De vrouwen zijn een beeld van Israël. Dát is dé vrouw en die vrouw zal geschonden worden. Israël wordt geschonden. De Heer gebruikt ongelovige, heidense volkeren. Het is luguber, maar niettemin doet de Heer dat zo. Hij gebruikt Zijn tegenstanders om Zijn doel te bereiken. Ze willen zich niet goedschiks aan Hem onderwerpen, maar Hij gebruikt ze toch, want zo’n God hebben wij die alle dingen doet medewerken ten goede, zelfs de vijandschap (Romeinen 8 : 28).

De helft van de stad zal uitgaan in de gevangenis. Dit gaat uiteraard over de inwoners van de stad. Het gaat hier om twee delen van de stad. Het eerste deel zal uitgaan in de gevangenis en het andere deel (het overblijfsel) zal uit de stad niet uitgeroeid worden. Het gaat hier om een tegenstelling, wat inhoudt dat het eerste deel van de stad wél uitgeroeid wordt. De gevangenis is hier dus een omschrijving voor de dood (= het dodenrijk). Het overige des volks (= het overblijfsel) is altijd gelovig. Het gaat hier om het overblijfsel uit Jeruzalem. Dit overblijfsel zal niet uitgeroeid worden, maar het zal gered worden. Als Jeruzalem totaal verwoest wordt en een deel van de stad gedood wordt, waar blijft het overblijfsel dan? De stad is immers verwoest en ze kan de stad niet verlaten, omdat de heidenen zich om Jeruzalem hebben verzameld! Wat er met dat overblijfsel gebeurt, blijkt uit het vervolg van deze profetie.

En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. Zacharia 14 : 3

In Zacharia 14 : 2 staat, dat de Heer de heidenen tegen Israël zal verzamelen. Zacharia 14 : 3 zegt, dat Hij aan de kant van het overblijfsel zal strijden tégen de heidenen. Die ommekeer is er omdat Israël in de tussentijd tot geloof is gekomen. Vanuit Daniël 9 weten we dat Israël aan het einde van de zeventigste week tot geloof zal komen. In de tweede helft van de zeventigste week worden de heidenen ten strijde verzameld tegen Israël. Dit alles zal leiden tot de val en verwoesting van Israël en van Jeruzalem. In Jeruzalem zal echter een gelovig overblijfsel zijn dat de Naam des HEEREN zal aanroepen. Wie de Naam des HEEREN aanroept, zal behouden worden (o.a. Joël 2 : 32; Romeinen 10 : 13). Het gelovig overblijfsel zal de Naam Jehovah aanroepen en Hij zál verschijnen. Op dat moment zal Israël niet langer ”Lo Ammi” (= niet Mijn volk) zijn, maar ”Ammi” (= Mijn volk; Hosea 1 : 9, 10, 12; 2 : 22). Als het Gods volk is, zal God voor dat volk zorgen. Toen Israël het volk van God was, streed de Heer aan Israëls kant. De Heer zal uittrekken. Hij zal namelijk uit de hemel komen en op de Olijfberg verschijnen (vers 4). In de toekomst, wanneer Israël opnieuw het volk van God zal zijn, zal Hij uit de hemel komen en de kant van het volk Israël kiezen en voor haar strijden. Israël zal aan het einde van de zeventigste week door de Heer Zelf verlost worden! Zacharia 14 : 3 spreekt over het einde van de zeventigste week.

En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. Zacharia 14 : 4

De voeten van de Heer zullen op de Olijfberg staan. Wanneer er over ”voeten” gesproken wordt, dan zijn dat de voeten die geschoeid zijn met de bereidheid van het evangelie des vredes (Éfeze 6 : 15). Het zijn uiteindelijk de voeten van de Here Jezus Christus. In Jesaja 40 wordt over een prediking aan Israël gesproken die aan het einde van de zeventigste week tot de bekering van Israël en de vervulling van al haar strijd leidt.

1 Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen.
2 Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.

8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
9 O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God! Jesaja 40 : 1-2, 8-9

”Mijn volk” is de vertaling van het Hebreeuwse ”Ammi”. God wordt hier ”ulieder God” genoemd, want Hij zal dán de God van Israël zijn. De strijd van Jeruzalem is aan het einde van de zeventigste week vervuld. Op dat moment is haar ongerechtigheid verzoend (Daniël 9 : 24). Paulus zegt over het prediken in Romeinen 10 :

11 Want de Schrift zegt: Een ieder, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
12 Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.
13 Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?
15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen! Romeinen 10 : 11-15 

Een ieder die gelooft, zal niet beschaamd worden. Dit geldt voor een ieder, want er is geen onderscheid. De Heer is Heer over allen en Hij is rijk over alle die Hem aanroepen. Een ieder die de Naam van de Heer zal aanroepen, zal zalig worden. Dit betekent, dat Israël aan het einde van de zeventigste week de Heer (Jehovah) zal aanroepen en Hij zál komen, want Hij is rijk over allen die Hem aanroepen. Hoe zullen ze Hem aanroepen in Wie ze niet geloofd hebben? Wie de Naam van de Heer aanroept zónder in Hem te geloven, staat te vloeken. Ze kunnen alleen geloven, wanneer ze van Hem gehoord hebben, hetgeen inhoudt dat aan hen het evangelie moet worden gepredikt. Dit betekent dat het evangelie aan de Joden moet worden gepredikt, hoewel dit door velen ontkend wordt!

Gedurende onze bedeling behoort het evangelie óók aan de Joden te worden gepredikt, opdat zij tot geloof zouden kunnen komen. Een Jood die in de huidige bedeling tot geloof komt, maakt deel uit van de Gemeente, het lichaam van Christus. In de volgende bedeling, gedurende de eerste 31/2 jaar van de zeventigste week, zullen de twee getuigen (Openbaring 11 : 3 v.v.; Mozes en Elia) het Woord van God verkondigen. Op grond van hun prediking zullen Joden tot geloof komen en het land uit vluchten; naar Petra/Sela. ”Dergenen” (Romeinen 10 : 15) is een meervoud. Er zijn er meerderen, die het goede (= het evangelie des vredes) verkondigen. De goede boodschap is een boodschap van vrede en niet van strijd. Hier worden de voeten genoemd, omdat de voeten ervoor zorgen, dat de boodschap op de plaats gebracht wordt, waar die moet zijn. Het is een citaat uit Jesaja 52:

Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning. Jesaja 52 : 7

”Desgenen” betekent ”van degene” (enkelvoud!). Ook uit dit vers blijkt dat de goede boodschap een boodschap van vrede is. De goede boodschap is ”het goede”, namelijk ”het heil”. Die boodschap luidt tevens: ”Uw God is Koning”. Voor Israël geldt dat God vanaf het einde van de zeventigste week Koning is. In Zacharia 14 : 4 worden de voeten van de Here Jezus Christus nadrukkelijk genoemd. Het zijn de voeten van Degene, Die de goede boodschap van vrede en heil aan Israël doet horen. Hij roept Israël toe dat haar strijd vervuld is (Jesaja 40 : 2). De voeten van Degene, Die het goede boodschapt, zijn liefelijk. Ze waren in het huis van Lazarus gezalfd; in het huis in Bethanië, op de Olijfberg (Johannes 12 : 1-3). In de toekomst zullen diezelfde voeten weer op de Olijfberg staan. Die voeten verspreiden een lieflijke reuk. De Heer roept Israël toe: ”Troost, troost, Mijn volk” (Jesaja 40 : 1). Hij spreekt tot het hart van Jeruzalem. Te dien dage zullen Zijn voeten op de Olijfberg staan. ”Te dien dage” wijst op de Dag des HEEREN, zoals reeds in Zacharia 12 werd vermeld. Volgens Daniël 9 is dat aan het einde van de zeventigste week. Het kan eventueel ook slaan op de dag, waarop Jeruzalem verwoest zal worden. Dat is op dezelfde dag als ”de Dag des HEEREN” begint.

Zijn voeten zullen op de Olijfberg staan, die vóór (en dus ook buiten) Jeruzalem ligt; tegen het oosten. De heerlijkheid des HEEREN werd het laatst op de Olijfberg gezien (Ezechiël 11 : 23). Die heerlijkheid des HEEREN was een beeld van de opgestane, verheerlijkte en verhoogde Christus. Die heerlijkheid verdween uit Jeruzalem en rustte op de berg, die vóór Jeruzalem ligt: de Olijfberg. Jeruzalem is een beeld van het geopenbaarde koninkrijk, maar Jeruzalem ”wilde niet dat Deze over hen Koning was” (Lukas 19 : 14). Daarom trok de Heer Zich terug op de Olijfberg. In de dagen rond Zijn kruisiging sprak Hij overdag in Jeruzalem, maar elke avond trok Hij Zich terug op de Olijfberg. De Olijfberg is een beeld/type van het verborgen koninkrijk en is daarmee een beeld van de tegenwoordige (vijfde) bedeling. Als de Heer komt om Zijn zichtbare koninkrijk op te richten, gebeurt dat op de Olijfberg. De Olijfberg zal in tweeën gespleten worden. De ene helft zal naar het noorden wijken en de andere helft naar het zuiden. Daardoor ontstaat een dal, van west naar oost.

Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, den koning van Juda; den zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE! Zacharia 14 : 5

Door dit dal (deze vallei) zal het gelovig overblijfsel, dat de Naam des HEEREN heeft aangeroepen,kunnen vluchten. Het gelovig overblijfsel vlucht naar het oosten en komt dan bij de Jordaan. Men zal de Jordaan oversteken op de plaats waar de wateren van de Jordaan weken; tegenover Gilgal. De eerste keer gebeurde dit toen het volk onder aanvoering van Jozua het land binnenging (Jozua 3). Later gebeurde het bij Elia en Elisa, die het land verlieten (2 Koningen 2 : 7, 8). Korte tijd daarna kwam Elisa alleen terug met de mantel van Elia. Opnieuw weken de wateren van de Jordaan (2 Koningen 2 : 14). Op diezelfde plaats bleef eens een bijl drijven (2 Koningen 6 : 2, 6), werden stenen opgericht (Jozua 4 : 20) en werd het gehele volk besneden (Jozua 5 : 2-9). Al deze gebeurtenissen zijn in hoge mate profetisch. Ze hebben betrekking op de wederkomst van Christus. Het overblijfsel van Israël zal in de (nabije) toekomst op diezelfde plaats de Jordaan overtrekken. Ze zal naar het zuiden afbuigen en de route volgen, waarlangs Israël onder Jozua het land was binnengekomen. Ze komt dan in het gebied van Edom, waar de stad Petra ligt. Vanuit die plaats zal ze (maar minimaal één maand later) via dezelfde weg het land weer binnengaan. Zoals Elia en Elisa het land verlieten, zo zal het gelovig overblijfsel het land verlaten. Zoals Elisa het land inkwam, zo zal het gelovig overblijfsel het land binnenkomen. Het dal dat ontstaat, zal reiken tot Azal  = ”hetgeen overblijft”, ”hetgeen afgezonderd is”). Op een goede atlas zult u dit dal niet vinden, want niemand weet waar Azal ligt. ”Azal” is een vorm van het woord ”azazel”, de weggaande bok (Leviticus 16 : 8, 10, 26). Deze bok werd op de grote verzoendag de legerplaats uitgestuurd; de woestijn in. Op grote verzoendag was het offer van de twee bokken het belangrijkste offer. De ene bok werd gedood. Zijn bloed (= leven) werd in het binnenste heiligdom gesprengd; voor en op het verzoendeksel. De andere bok werd de woestijn in gestuurd. Als men met God verzoend wordt, dient men de legerplaats te verlaten. In de toekomst, als men bij de wederkomst van de Heer tot geloof komt, zal men de legerplaats – Jeruzalem – moeten verlaten. Men zal tot Hem moeten uitgaan, buiten de legerplaats.

Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Hebreeën 13 : 13

Dit betekent dat men Jeruzalem moet verlaten. Dat kan, want de Heer heeft Zelf voor een vluchtweg gezorgd; dwars door de gescheurde Olijfberg heen. Vervolgens zal men door de Heer Zelf opnieuw in de legerplaats gebracht worden. Dat zal een nieuwe legerplaats blijken te zijn. Er wordt verder verwezen naar de aardbeving in de dagen van Uzzía. Dit geeft aan dat er bij de wederkomst van Christus eveneens een aardbeving zal zijn. Als de Olijfberg scheurt, is dat uiteraard een aardbeving. In de Bijbel wordt in verband met Uzzía nog slechts eenmaal over een aardbeving gesproken.

De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzía, koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaar voor de aardbeving. Amos 1 : 1

Thekoa ligt zuidoostelijk van Jeruzalem, aan de afgang naar de Dode Zee. De profetie van Amos vond twee jaar vóór de aardbeving in de dagen van Uzzía plaats. Die aardbeving is profetisch voor de aardbeving aan het eind van de zeventigste week. De vraag die wij ons in dat verband dienen te stellen, is: ”Wat was er twee jaar vóór de aardbeving die aan het einde van de zeventigste week zal plaatsvinden?” In de Bijbel komt twee jaar (of: twee dagen, tweeduizend jaren, enz.) vaker voor (bijvoorbeeld Jozua 3: tweeduizend ellen tussen het volk en de ark, die een beeld/type van Christus is). Vaak wijst het op de tweeduizend jaren die verlopen tussen de dood en de opstanding van de Here Jezus Christus en zijn verschijning aan Israël, op de Olijfberg aan het einde van de zeventigste week. De tweeduizend jaren spreken derhalve over de tijd waarin de Here Jezus Christus, de Messias, voor Israël verborgen is. Het grootste deel van deze tweeduizend jaar (tweeduizend jaar minus de laatste zeven jaar, de zeventigste week van Daniël 9) hebben met de roeping van de Gemeente te maken. van het verborgen koninkrijk (= de vijfde bedeling). De profetie van Amos spreekt blijkbaar ook over dingen die verband houden met de roeping van de Gemeente.

6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis.
7 Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. Zacharia 14 : 6, 7

Te dien dage zal er geen kostelijk (= kostbaar) licht zijn. Eigenlijk staat er, dat het kostelijk licht (= dag) en de dikke duisternis (= nacht) elkaar niet zullen afwisselen. Het zal één dag zijn, die bij de Heer bekend zal zijn. Dat is namelijk de Dag des HEEREN. Het zal noch dag noch nacht zijn. De cyclus van zonsopgang en zonsondergang zal verdwenen zijn. De hemel zal bedekt zijn, de zon en de maan zullen hun schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen. Er zal wel licht zijn, maar dat licht komt ergens anders vandaan. Ten tijde des avonds zal het licht wezen. Op het tijdstip dat het nacht zou moeten zijn, zal het licht zijn. De normale cyclus van de natuur zal compleet verbroken zijn. Men heeft geen idee meer van tijd. De dag des mensen is voorbij en de Dag des HEEREN is aangebroken. Bij het begin van deze “dag” zal de hemel worden verduisterd. Dit zal echter van tijdelijke aard zijn, want ten tijde des avonds zal het licht zijn.

In de dagen van Jozua stond de zon stil (Jozua 10 : 12-14). Jozua kreeg de tijd om de strijd te strijden. Die strijd duurde overigens veel langer dan feitelijk nodig was. De klok (de zonnewijzer) stond stil, maar de handelingen gingen door. De strijd die toén plaatsvond, is een afbeelding van de situatie in onze bedeling, waarin de tijd voor Israël stilstaat. De negenenzestigste week is voorbij en de zeventigste week moet nog komen. De klok van Israël, die de zeventig weken ”wegtikt”, staat stil. Toen de tegenstander in de tijd van Jozua uiteindelijk verslagen werd, gebeurde dat doordat er stenen uit de hemel vielen (Jozua 10 : 11). Deze stenen waren van dezelfde soort als de steen uit Daniël 2 : 34 die op de tenen van het beeld viel en het gehele beeld vermaalde (Daniël 2 : 35). De stenen, die uit de hemel vielen en de vijand vernietigden, zijn een beeld van de wederkomst van Christus en alles wat met die wederkomst samenhangt.

In Zacharia 14 vinden we een situatie, waarbij de tijd en de normale gang van zaken op aarde worden stilgezet. Zelfs de normale tijdrekening en de jaartelling zullen op dat moment volledig bijgesteld worden. Bij de wederkomst van Christus zal de kalender een half jaar worden verschoven. De tiende dag van de eerste maand zal blijken de tiende dag van de zevende maand te zijn. Toen de kinderen Israëls uit Egypte togen, gebeurde dat op de vijftiende dag van de zevende maand. De kalender verschoof een half jaar. De zevende maand werd vanaf dat moment de eerste maand (Exodus 12 : 2). Israël viert daarom nieuwjaarsdag op de eerste dag van de zevende maand. Onder het oude verbond werd de kalender een half jaar verschoven, waarbij meerdere zaken uit elkaar werden getrokken. Er waren veel zaken die helemaal niet uitvoerbaar waren. Als Israël straks onder het nieuwe verbond geplaatst wordt, zal de kalender van Israël worden bijgesteld. Het halve jaar wordt weer gecorrigeerd. De tiende van de eerste maand, de dag van het in huis nemen van het paaslam, komt gelijk te vallen met de grote verzoendag, de dag, waarop de hogepriester met het bloed in het ware heiligdom (het heilige der heiligen) inging.

Het loofhuttenfeest (beginnend op de vijftiende dag van de zevende maand; Leviticus 23 : 34) zal dan samenvallen met het feest van de ongezuurde broden (beginnend op de vijftiende dag van de eerste maand; Leviticus 23 : 5, 6; = Pasen). De datum van de geboorte van Johannes de Doper en die van de Here Jezus blijken dan ineens dezelfde te zijn (vergelijk Lukas 1 : 26, 36). De sterfdatum van Mozes (de eerste van de elfde maand; Deuteronomium 1 : 3, 5 met Deuteronomium 34 : 1, 5) en die van Aäron (de eerste dag van de vijfde maand; Numeri 33 : 38) blijken ineens dezelfde te zijn. Johannes de Doper stond model voor de priester. De Here Jezus stond model voor de Koning. Als de kalender een half jaar verschuift, worden koningschap (van Mozes) en priesterschap (van Aäron) samengevoegd. Dan zal de Here Jezus Christus, de Koning en de Hogepriester blijken te zijn van het nieuwe verbond; naar de ordening van Melchizédek (Hebreeën 7 : 1-4). Dit halve jaar vinden we in Openbaring 8 : 1 als een half uur terug:

En toen Het (het Lam) het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur. Op. 8 : 1

Het gaat hier om hetzelfde moment, namelijk het einde van de zeventigste week. In dit visioen was het een half uur, maar in de praktijk blijkt het een half jaar te zijn. Er gebeurt iets met de tijd door een ingrijpen van God. De situatie, die in Zacharia 14 : 6 genoemd wordt, zal nog geruime tijd daarna gecontinueerd worden.

Openbaring 6 : 14 14 En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.

Dit betekent dat de functie van de hemellichamen op dat moment volledig is veranderd. [/spu][/spu] De hemel is weggeweken als een boek (= boekrol). De hemel omvat alles wat zich boven het aardoppervlak bevindt. De hemel wordt opgerold als een boek. Dit betekent dat het kleiner wordt. De zon, maan en sterren komen veel dichter bij elkaar te staan. Het licht, dat nu afgebogen wordt, zal dan rechtuit gaan. Tegelijkertijd betekent het dat de aardbodem als het ware omhoog buigt/krult; zo ziet het er althans uit. De omschrijving in Openbaring 6 geeft aan, dat de kromming van het licht ophoudt. Het licht zal niet meer afgebogen worden, maar rechtuit gaan. In de praktijk betekent dit, dat men – als men ver genoeg zou kunnen kijken – zou kunnen zien dat de aardbodem omhoog komt. Meestal kan men zover niet kijken, want men moet toch enige tientallen kilometers kunnen kijken om dat effect te kunnen zien (bij een omtrek van de aarde van 40.000 km) en dat kan men in de praktijk niet. ”De eilanden zijn bewogen in hun plaats”. Wanneer de kromming van het licht wegvalt, komen de eilanden omhoog. Wat men vroeger horizontaal in de verte zag liggen (vanwege de breking/afbuiging van het licht), blijkt ineens hoger te liggen. Bovendien zal men nog iets anders zien.

15 En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;
16 En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en (= namelijk) van den toorn des Lams.
17 Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? Openbaring 6 : 15-17

De mensen zien ineens Wie er in de hemel op de troon zit. Ze kijken vermoedelijk recht naar boven, naar de hemel zelf. Daar zien ze Iemand op de troon zitten. Wanneer de hemel weggeweken is als een boek, dat opgerold is, zal men regelrecht in de hemel kunnen kijken. Als de zaken gebeuren, zoals in Openbaring 6 staat vermeld, dan betekent dit, dat het niet meer donker wordt. In Openbaring 6 : 12 staat, dat de zon zwart wordt en dat de maan als bloed wordt. Vervolgens lezen we, dat de hemel toegerold wordt. Dat de hemel wordt toegerold, kan men alleen zien als het licht er weer is. Het veronderstelt dat het wel een poosje duister is, maar dat het daarna weer licht wordt. Als men de realiteit ziet, is dat zo omdat het licht rechtuit gaat. Wij leven aan de binnenkant van de holle aarde. Als het licht dan rechtuit gaat, midden in die holle aarde, dan gaat de zon niet meer onder. Dit betekent trouwens ook dat het in het algemeen ook veel lichter wordt dan nu het geval is.

25 En er zullen op allen hogen berg, en op allen verhevenen heuvel beekjes en watervlieten zijn, in den dag der grote slachting, wanneer de torens vallen zullen.
26 En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; ten dage als de HEERE de breuk Zijns volks zal verbinden, en de wonde, waarmede het geslagen is, genezen. Jesaja 30 : 25,26

We zijn hier op hetzelfde tijdstip aangekomen. De breuk van het volk van God zal verbonden zijn en de wond, die Hij geslagen heeft, zal genezen worden. Het gaat hier niet over de nieuwe schepping, want in een nieuwe schepping is de zon er helemaal niet meer (Openbaring 21 : 23; 22 : 5). Derhalve kan het alleen op een situatie gedurende deze oude schepping betrekking hebben. In het verleden heeft een dergelijke situatie zich niet voorgedaan, hetgeen inhoudt, dat het profetisch is voor de toekomst. Doordat het licht niet meer van de aardbodem afwijkt op bepaalde plaatsen (= de nachtzijde), maar helemaal op de aarde komt, naar alle kanten, zal er méér licht zijn dan nu het geval is. In Zacharia 14 : 7 wordt dit eveneens gesuggereerd. Ten tijde des avonds zal er licht zijn. De Dag des HEEREN is dus één dag; ononderbroken. Het blijft licht.

Hoelang deze situatie zal voortduren, is niet bekend. Vermoedelijk zal deze situatie tijdens de gehele periode van de 33 jaar voortduren en waarschijnlijk ook gedurende het aardse koninkrijk van de Heer. De duizend jaar (= de zevende bedeling), die op de 33 jaar volgen, behoren eveneens tot de Dag des HEEREN. Als de gehele Dag des HEEREN één dag is (Zacharia 14 : 7) , betekent het, dat de zon al die jaar niet ondergaat. Het blijft licht. Er staat bovendien nergens vermeld dat de hemelen, die als een boek worden opgerold, weer zullen worden “teruggerold”. De Heer kwam in de wereld, zoals het licht van de zon ‘s morgens in de wereld komt (Johannes 1 : 9; 3 : 19; 9 : 5). Hij verdween uit de wereld, het Licht ging weer weg uit de wereld (Johannes 9 : 5; 12 : 35). Dit wordt uitgebeeld in het ondergaan van de zon. Het ondergaan van de zon komt dus overeen met de dood, opstanding en hemelvaart van de Here Jezus Christus. Als de wereld tot geloof komt, aanvaart zij hét Licht der wereld. Dát licht komt in de wereld en is blijvend. Dit wordt blijkbaar ook door het fysieke licht uitgebeeld.

8 Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn.
9 En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een.
10 Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hananeël, tot aan des konings wijnbakken toe.
11 En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen. Zacharia 14 : 8-11

Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn. Zacharia 14 : 8

Het levende water stroomt naar het westen = naar de Middellandse Zee) en naar het oosten (= naar de Dode Zee). Vanuit Jeruzalem zal deze bron ontspringen. Die wateren zullen er ‘s zomers en ‘s winters zijn; zonder seizoenwerking. Zacharia 14 : 7 zegt, dat er voortdurend licht zal zijn en Zacharia 14 : 8 zegt dat er geen invloed van de seizoenen op deze wateren zal zijn. Er is een constante stroom van levend water. Dit levende water is uiteraard een beeld van het eeuwige leven, het leven van Christus Zelf, Die hét Licht is.

En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één. Zacharia 14 : 9

De HEERE, Jehovah, zal tot Koning over het ganse land zijn. In het Hebreeuws staat het woord ”erets”, dat zowel met ”aarde” als met ”land” vertaald kan worden. Wij hebben in de voorgaande verzen gezien dat het om het einde van de zeventigste week gaat. Dit vers slaat dus in de eerste plaats op het beloofde land, Palestina. De heidenen worden pas later in dit hoofdstuk genoemd. Te dien dage (namelijk bij de aanvang van de Dag des HEEREN) zal de HEERE één zijn en Zijn Naam één.

Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE! Deuteronomium 6 : 4

Letterlijk staat er: Hoor, Israël! de HEERE, onze God, de HEERE is één! Hij is één; niet verdeeld! Die ene HEERE is Dezelfde als Jezus van Nazareth. Hij is de Messias, de Zoon van David, de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Kortom: Hij is God. In de toekomst zal de HEERE één zijn en Zijn Naam één. Het verbroken Israël (de twee en de tien stammen) zullen dan eveneens één zijn; samengebracht onder één HEERE, één Herder. Het zal één kudde zijn. Dat gebeurt tijdens de 33 jaar van de Dag des HEEREN.

Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hananeël, tot aan des konings wijnbakken toe. Zacharia 14 : 10

Uit dit vers blijkt eveneens, dat Zacharia 14 : 10 betrekking heeft op het ganse land en niet op de ganse aarde. In die dagen zal er een grote vlakte zijn, groter dan het tegenwoordige Jeruzalem. Het is min of meer een hoogvlakte. Door de aardbeving is de vorm van het land veranderd. Bergen zullen verdwijnen en lage gedeelten zullen hoog (= opgevuld) worden. Als we in de laatste hoofdstukken van het boek Ezechiël over Jeruzalem ten tijde van de duizend jaar lezen, dan blijkt Jeruzalem vele malen groter te zijn dan het oude Jeruzalem. Bovendien blijkt het regelmatig van vorm te zijn. Het oude Jeruzalem werd heel grillig gebouwd over enige heuvels en op de resten van het voormalige Jebus. Het Jeruzalem, dat in de duizend jaar gebouwd wordt, zal volgens Ezechiël volgens strikte maten gebouwd worden; even lang als breed (4 x 4500 ”maten”; totaal 18.000 ”maten”. ”Zij” (Zacharia 14 : 10) slaat op de stad, Jeruzalem. Jeruzalem zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats. Er wordt een dwarsdoorsnede van de stad gegeven, maar het gaat om een Jeruzalem dat niet verdeeld zal worden. Het is één. Het is één HEERE en het is ook één groot Jeruzalem; van noord naar zuid en van oost naar west.

En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen. Zacharia 14 : 11

Men zal daarin zeker wonen. Dit wil zeggen dat men er niet meer uit verdreven zal worden. Zacharia 14 opende met een verbanning,want Jeruzalem zal verwoest worden en men zal de stad moeten ontvluchten. In de toekomst zal men daarin zéker wonen (= blijven). ”Zeker” betekent ”veilig”. Jeruzalem zal veilig wonen; definitief. Israël zal nooit meer uit het land verdreven worden en de stad Jeruzalem zal niet meer verwoest worden.

12 En dit zal de plage zijn, waarmede de HEERE al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal een ieders vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en een iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen; een eens ieders tong zal in hun mond uitteren.
13 Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruis van den HEERE onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, een eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan. Zacharia 14 : 12, 13

Tot en met Zacharia 14 : 11 gaat het over Jeruzalem en over Israël. Vanaf Zacharia 14 : 12 gaat het over de volkeren der aarde; gedurende de Dag des HEEREN. Voor Israël is het koninkrijk dan begonnen. Over de volkeren, die tegen Jeruzalem hebben gestreden, zal een oordeel komen. Aan de andere kant zullen er ook 144.000 Israëlieten worden verzegeld. Die zullen in de wereld uitgaan om het evangelie van het koninkrijk te prediken. Wie tot geloof komt uit de volkeren, gaat het koninkrijk binnen. Wie niet tot geloof komt, zal sterven.

6. De zeventig jaarweken van Daniël 9

Daniël 9 : 1 begint met het eerste jaar van Daríus de Meed. Dat was 538 vóór onze jaartelling. ”Daríus” is geen naam, maar een titel, die een soort machthebber aanduidt. Daríus werd koning gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën. Hij is de eerste machthebber van de Meden en Perzen, die over het rijk van de Babyloniërs ging regeren. Dat gebeurde nadat hij de stad Babel veroverde. Daríus was de zoon van Ahasvéros. Elke koning van de Perzen werd met ”achasvéros” aangeduid, omdat het woord ook de aanduiding van een machthebber of koning is (vergelijk het woord ”farao”). In het jaar 538 voor onze jaartelling ontving Daríus het koninkrijk. Dit is het eerste jaar van het Medo-Perzische rijk, terwijl het boek Daniël met het eerste jaar van het Babylonische rijk (606 v. Chr.) begint.

Daniël studeerde in de profetieën van Jeremía. Hij merkte dat het vervullen van de verwoestingen van Jeruzalem zeventig jaar was (Jeremia 25 : 11, 12 en 29 : 10 en vergelijk 2 Kronieken 36 : 21). Sinds de verovering van Jeruzalem door Nebukadnézar tot op het eerste jaar van Daríus waren 68 jaar verlopen (606 – 538 v. Chr.). Er waren bijna zeventig jaar voorbij, sinds Israël dienstbaar aan Babel (als stad) gemaakt werd. In het jaar 536 kreeg men toestemming om terug te keren naar Jeruzalem; onder leiding van Zerubbabel (Ezra). Er is echter geen zelfstandige staat ontstaan. Een minderheid van de Joden keerde naar het land terug. Er is nog een andere periode. Deze periode begon in het jaar 598 v. Chr. Toen werd Jeruzalem voor de tweede keer ingenomen en werd het grootste deel van de bevolking van Juda weggevoerd naar Babel. De feitelijke ballingschap begon in het jaar 598. In het jaar 606 werden enkele vooraanstaande Joden meegevoerd, waaronder Daniël en zijn drie vrienden. De ballingschap duurde eveneens tot het jaar 536, omdat toen de mogelijkheid kwam om terug te keren. De ballingschap duurde een periode van 62 jaar, van 598 tot 536 voor onze jaartelling.

Er was dus een periode van 70 jaar van dienstbaarheid, maar ook een periode van 62 jaar van ballingschap. Er was nog een derde periode. Er was nog een minderheid in Jeruzalem, toen Jeremía predikte. Hij kondigde aan dat Jeruzalem verwoest zou worden, als men zich niet aan de koning van Babel zou onderwerpen. Dit is in het jaar 587 gebeurd. In het jaar 589 werd het beleg reeds om Jeruzalem gelegd. Vanaf 589 wordt de periode van verwoesting van Jeruzalem gerekend. Die periode duurde tot het jaar 520. In het jaar 520 kreeg men toestemming om de tempel te herbouwen. Men had al eerder (in 536) toestemming gekregen om de tempel te herbouwen, maar er ontstonden nogal wat problemen met andere inwoners in het land. De herbouw werd stopgezet toen alleen het fundament was gelegd (zie het boek Ezra). De herbouw van de tempel paste in het jaar 536 nog niet in het plan van God. Dit zou moeten wachten tot de zeventig jaar van verwoesting voorbij waren.

Samengevat:

- 70 jaar van dienstbaarheid(606 - 536)
- 62 jaar van ballingschap(598 - 536)
-70 jaar van verwoesting van Jeruzalem(589 - 520)

Daniël had de periode van zeventig jaar gelezen in Jeremia 25 :

10 En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.
11 En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.
12 Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 25 : 10-12 

Hier wordt over verwoestingen gesproken, maar ook over dienstbaarheid (dienen; vers 11). Jeruzalem zou verwoest worden (vanaf 589). Hier worden zeventig jaar van dienstbaar aan Babel én zeventig jaar van verwoesting van Jeruzalem bedoeld. Jeremia 29 : 8-10 noemt zeventig jaar in verband met een terugkeer naar Jeruzalem:

Jeremia 29 : 8-10 8 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen. 9 Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE. 10 Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.

Daniël had de profetieën van Jeremía bestudeerd en zocht vervolgens het aangezicht van God (Daniël 9 : 3). Hij wendde zich tot de HEERE met gebed en smekingen; met vasten, in zak en as. Daniël was in de rouw. Vanuit die positie bad hij tot de HEERE, zijn God en deed belijdenis van de zonden van het volk. Israël was ontrouw aan het verbond van God (Daniël 9 : 5). Daniël deed belijdenis voor het volk, terwijl hij als persoon zelf niet verantwoordelijk was, want hij had God lief. Daniël nam als het ware de zonden van het volk op zich en is daarmee een type van de Here Jezus Christus. Dit gebed van Daniël staat model voor de belijdenis van het overblijfsel van Israël aan het eind van de zeventigste week. Toen de gestelde tijd van zeventig jaar voorbij was, was dit alleen tot zegen voor de Israëlieten, die de Heer liefhadden. Een ongelovige Israëliet deelt niet in Gods zegeningen. Dat principe geldt overigens voor alle tijden. Israël zal zich in de toekomst moeten bekeren en haar nationale zonden moeten belijden aan de HEERE. De toekomstige komst van de Heer op de Olijfberg zal het gevolg zijn van het aanroepen van de Naam des HEEREN door het overblijfsel.

Israël (als volk) heeft de wet van God overtreden (Daniël 9 : 11). Vanwege haar ongehoorzaamheid is de vloek, waarvan geschreven is (o.a. Deuteronomium 27 en 28), over haar uitgestort. Deze hoofdstukken zijn een beschrijving van de geschiedenis van het volk Israël. Daniël herinnerde de Heer aan de uitleiding uit de slavernij uit Egypte. Hij vroeg Hem de Joden uit de ballingschap van Babel te verlossen. Hij deed een beroep op de barmhartigheden van God (Daniël 9 : 19) en vroeg om verlossing (Daniël 9 : 17) en vergeving (Daniël 9 : 19). Hij vroeg de Heer om niet te vertragen (”vertrek” = ”vertraag”). Na dit gebed van Daniël kwam de man Gabriël (Daniël 9 : 21) om hem de profetie over de zeventig weken bekend te maken.

24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.
27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste. Daniël 9 : 24-27

Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven. Daniël 9 : 24

Er zijn zeventig weken bestemd over het volk van Daniël en over Jeruzalem (”uw heilige stad”). Letterlijk staat er ”zeventig zevens”. Het is een periode van zeventig maal zeven jaar = 490 jaar; zie Leviticus 25 : 8 en Genesis 29 : 27. Het doel is:

  • om de overtreding te sluiten
  • om de zonden te verzegelen
  • om de ongerechtigheid te verzoenen
  • om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen
  • om gezicht en profeet te verzegelen
  • om de heiligheid der heiligheden te zalven

”Verzegelen” komt overeen met ”sluiten”. De overtreding en de zonden zullen na 490 jaar verzoend zijn. ”Gezicht en profeet” is een hendiadys (= twee woorden/begrippen, die één zaak aangeven). Het gaat om het om het profetische gezicht. Daniël 12 : 4 zegt dat de woorden van het boek Daniël tot de tijd van het einde verzegeld zouden worden. Van de Here Jezus wordt in Galaten 4 : 4 gezegd dat Hij in de ”volheid des tijds” geboren is. Dat is een synonieme uitdrukking voor ”de tijd van het einde”. Sinds de eerste komst van de Heer leven we in de laatste dagen van de tegenwoordige boze eeuw. De “heiligheid der heiligheden” heeft te maken met de Allerheiligste, Die tot het volk van Daniël behoort. Het gaat hier immers om het herstel van het koningshuis van David te Jeruzalem en over het Joodse volk. In dat geval is de heiligheid der heiligheden de Kroonpretendent uit het huis van David, namelijk de Messias Zelf. De eeuwige gerechtigheid zal aangebracht worden bij de komst van de Messias. ”Zalven” is het werkwoord ”maäshach”, waarvan het woord ”mashiach” (= Messias) afgeleid is.

Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. Daniël 9 : 25

De periode van zeventig weken begon vanaf de ”uitgang des woords om te doen wederkeren en om Jeruzalem te bouwen”. Er staat niet ”vanaf het moment, dat men wederkeerde of dat men begon met Jeruzalem te bouwen”, noch ”vanaf het moment, dat men de tempel begon te bouwen/verfraaien”. In 536, in het eerste jaar van Kores, kregen de Joden toestemming om terug te keren en de tempel te herbouwen. In het jaar 520 werd de fundering van de tempel gelegd (Ezra 4 : 24 en Haggaï: op de 24e van de negende maand). Dit was het tweede jaar van Daríus, de koning van Perzië (een andere Daríus dan de Daríus uit Daniël 6). Beide situaties beantwoorden niet aan de beschrijving van Daniël 9 : 25, want er wordt niet over de tempel gesproken. Het jaar 458 voor onze jaartelling (Ezra 7), toen men toestemming kreeg om de inmiddels gebouwde tempel te verfraaien, heeft evenmin met Daniël 9 : 25 te maken. De enige juiste datum is die van het jaar 445 vóór onze jaartelling. Dit is het twintigste jaar van Artaxerxes (of: Arthasastha/Ahasvéros), in de maand nisan (de eerste maand van het Joodse godsdienstige jaar; Nehemía 2 : 1). Wanneer er geen datum van een maand wordt genoemd, dan wordt de eerste dag van de maand bedoeld.

Nehemía was treurig, want de datum bepaalde hem bij de verwoesting van Jeruzalem. Hij kreeg toestemming om naar Jeruzalem terug te keren en om de stad Jeruzalem te bouwen. In de praktijk blijkt dat de muur gebouwd werd. ”Van de uitgang des woords” heeft betrekking op de toestemming die Nehemía op de eerste van de maand nisan in het twintigste jaar van Arthasastha ontving. Er wordt niet gerekend vanaf het moment dat Nehemía vertrok, noch vanaf het moment dat hij te Jeruzalem aankwam of begon te bouwen; ook niet vanaf de voltooiing van de bouw. Toen het woord uitging, begonnen de zeventig weken. Dit was op 1 nisan van het jaar 445 vóór onze jaartelling.

En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. Daniël 9 : 26

”Tot op Messias, de Vorst” zouden 7 en 62 weken (= 69 weken) verlopen. De 69 weken worden onderverdeeld in 7 en 62 weken. In de eerste 7 weken (= 49 jaar) werd Jeruzalem als stad herbouwd. Daarna verliepen nog 62 weken (= 434 jaar) tot op Messias, de Vorst. In totaal waren dat 483 jaar. De uitgang des woord was – volgens de berekening van Sir Robert Anderson in ”The coming Prince” – op 1 nisan 445 (dit is gelijk aan -444; het jaar ”nul” bestaat niet) vóór onze jaartelling. Dit komt overeen met 14 maart. Tot op Messias, de Vorst, zijn 7 en 62 (= 69) weken. De zeventigste week is nog niet geteld. De eerste 7 weken (49 jaar) waren nodig om Jeruzalem te herbouwen. In die periode van 49 jaar traden de profeten Zacharía, Haggaï en Maleàchi op. Met die periode was tevens ons Oude Testament voltooid. De volgende 62 jaarweken vielen grotendeels in de periode tussen het Oude en het nieuwe Testament. Er bestaan geen door God geïnspireerde boeken over deze periode. Er zijn wel apocriefe boeken die over die tijd handelen (o.a. de boeken van de Makkabeeën). In Maleàchi treffen we de aankondiging van de geboorte van de Heer aan en ook de komst van Johannes de Doper. Met die gebeurtenissen begint het evangelie van Matthéüs.

”Messias” (Grieks: ”Christos”) is hetzelfde als ”Gezalfde”. Het zalven houdt verband met het koningschap van de Allerheiligste (de Messias). Daartoe zouden zeventig weken verlopen. Er verliepen echter 69 weken tot op Messias, de Vorst. Welke gebeurtenis in het leven van de Here Jezus was er, waarbij Hij ”Messias, de Vorst” genoemd kon worden? Hiervoor zijn diverse situaties voor te geven:

  • Zijn geboorte
  • toen Hij twaalf jaar was (bar mitzwah)
  • het begin van Zijn bediening op dertigjarige leeftijd
  • Zijn doop
  • de intocht in Jeruzalem
  • Zijn kruisiging
  • Zijn opstanding
  • Zijn hemelvaart
  • de uitstorting van de Heilige Geest

Het is niet zo moeilijk om de juiste gebeurtenis vast te stellen. Er staat bij Messias de toevoeging ”de Vorst”. Het is synoniem met ons woord ”kroonpretendent”. Het gaat om Degene, Die de Eerste is om als Koning gekroond te worden. Er is slechts één situatie uit het leven van de Here Jezus Christus bekend, waarop dit betrekking kan hebben en dat was de dag, waarop de Heer op een ezel naar Jeruzalem reed. Dit was op de tiende nisan; de dag, waarop Israël het paaslam in huis moest nemen (Exodus 12). Op die datum was de Heer onderweg naar Jeruzalem om het pascha te vieren. De Heer reed op de ezel vanaf de Olijfberg naar Jeruzalem. Op het moment van de tocht naar Jeruzalem waren 69 weken (= 483 jaar) voorbijgegaan. Een ezel is een beeld van vernedering; een paard is een beeld van verhoging en koningschap. De Heer weende over de stad Jeruzalem, omdat de inwoners ”deze uw dag” niet onderkend hadden.

37 En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden;
38 Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!
39 En sommigen der Farizeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.
40 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.
41 En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,
42 Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.
43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;
44 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. Lukas 19 : 37-44

De Heer naderde de stad en weende over haar, omdat zij niet wist welke dag het was. De dag, waarop deze gebeurtenis plaatsvond, was 10 nisan. Dit was de dag, waarop het paaslam in huis genomen moest worden. Volgens Sir Robert Anderson was dit tevens de laatste dag van de 69-ste week. Vandaar de woorden van de Heer: ”Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient”.De tijdgenoten van de Heer waren zich er niet van bewust, dat het de laatste dag van de 69-ste week was. Vermoedelijke kende/begreep (en geloofde!) niemand van Zijn tijdgenoten de profetie van Daniël 9. Daarom weende de Heer over de stad, want Hij wist welk oordeel over haar zou komen. Vergelijk in dit verband ook Matthéüs 23:

Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild. Matthéüs 23 : 37

De Heer had het verlangen om Zich over Jeruzalem te ontfermen, maar de inwoners van Jeruzalem wilden niet. Daarom zou hun huis woest gelaten worden (Matthéüs 23 : 38). Zij had de tijd van haar bezoeking niet onderkend. De tocht naar Jeruzalem vond op de laatste dag van de 69 weken plaats. Na die 62 (69) weken zou de Messias uitgeroeid/afgesneden worden (Hij stierf). ”En het zal niet voor Hemzelven zijn” is een onjuiste vertaling. Er staat letterlijk: ”En/maar (er) is niet voor hem”. Dat betekent: Hij zal niet hebben. Hij zou Zijn koningschap/koninkrijk niet hebben. Na de 69 weken werd de Messias gedood. Daardoor ontving Hij Zijn koninkrijk niet. De laatste week van de zeventig weken moet nog steeds komen. De laatste dag van de 69 jaarweken is exact gelijk aan de dag, waarop de Here Jezus op een ezel naar Jeruzalem reed. Vandaar de uitspraak van de Heer: ”deze uw dag”. Het was verborgen voor hun ogen. Het begrip ”verborgen” houdt verband met het verborgen koninkrijk, dat sinds de opstanding van de Here Jezus Christus is opgericht.

De zeventig weken begonnen op de eerste nisan van het jaar 445 vóór onze jaartelling (= -444). Dat was 14 maart (omgerekend door de Royal Astronomer in Engeland; ruim een eeuw geleden). Het eind van de 69-ste week was de dag van de intocht. Dit was de tiende nisan van het jaar 32 A.D. Dat is omgerekend 6 april op onze kalender.

Berekening 69 weken en zeventigste week

Hier volgt een korte berekening:

Lukas 3 : 1 spreekt over het vijftiende jaar van de regering van keizer Tibérius. Lukas 3 : 23 geeft aan dat de Here Jezus Christus ”omtrent dertig jaar oud” was toen Hij Zijn openbare optreden begon. In het vijftiende jaar van keizer Tibérius was de Here Jezus dus dertig jaar oud. Het eerste jaar van keizer Tibérius was het jaar 14 A.D. Hij werd namelijk op 19 augustus van het jaar 14 gekroond. Zijn vijftiende jaar begon dus vanaf 19 augustus van het jaar 28 en duurde tot de 19e augustus van het jaar 29 van onze jaartelling. Tibérius zat toen veertien jaar op de troon en was met zijn vijftiende jaar bezig. Toen was de Heer dertig jaar oud.

Er waren vier paasfeesten tijdens het openbare optreden van de Here Jezus. Zijn optreden eindigde met zo’n paasfeest. De tijd van het “optreden van de Heer” wordt gewoonlijk als drie jaar gerekend, maar het openbare optreden van de Heer was méér dan drie jaar. In het vijftiende jaar van Tibérius begon de Heer. Het eerste pascha was in de maand nisan van het jaar 29. Het tweede paasfeest viel in het jaar 30, het derde in 31 en het vierde en laatste pascha in het jaar 32. Op 6 april (= 10 nisan) van het jaar 32 was de zogenaamde ”intocht in Jeruzalem”. Enige dagen later, namelijk op vijftien nisan, werd de Heer gekruisigd. Het gaat om 69 x 7 (profetische) jaar van 360 dagen (12 x 30 dagen). 483 jaar van 360 dagen is totaal 173.880 dagen. Dit zijn de dagen tussen 1 nisan 445 vóór onze jaartelling en 10 nisan van het jaar 32. Er verliepen 445 jaar tot het begin van onze jaartelling. Daarna verliepen nog de jaar 1 tot en met 31 van onze jaartelling. Dat zijn 31 jaar; totaal: 476 jaar. Het jaar 32 kan niet meegeteld worden, omdat het nog niet verlopen was. Deze 476 jaar zijn verlopen van 14 maart 445 tot 14 maart 32.

476 jaar van 365 dagen = 173.740 dagen. Nu moeten nog de dagen van 14 maart 32 tot 6 april 32 erbij gerekend worden. Er komen nog 24 dagen bij. Eén op de vier jaar is een schrikkeljaar (366 dagen). Er waren 476 jaar, waarin 119 schrikkeljaren zijn geweest. Er komen dus 119 schrikkeldagen bij. De eeuwjaren zijn – normaal gesproken – geen schrikkeljaren. Als het jaartal door 4 deelbaar is, is het een schrikkeljaar. De eeuwjaren zijn ook deelbaar door vier, maar worden niet als zodanig gerekend. 1900, 1800 en 1700 waren geen schrikkeljaren. 1600 echter wel. Het jaar 2000 is ook weer een schrikkeljaar. Van de vier eeuwjaren zijn er drie geen schrikkeljaar, maar één wel. In 476 jaar waren er derhalve vier eeuwjaren, waarvan er dus maar één jaar als schrikkeljaar gerekend moet worden.We hebben ze nu alle vier gerekend, zodat er nog drie eeuwjaren afgetrokken moeten worden. Er moeten dus niet 119, maar 116 dagen bijgeteld worden. 173.740 + 24 + 116 = 173.880 dagen, hetgeen overeenkomt met de Bijbelse jaren, want 483 x 360 dagen is eveneens 173.880 dagen. Gerekend vanaf ”de uitgang des woords” tot op de dag van de zogenaamde ”intocht in Jeruzalem” verliepen dus exact 173.880 dagen. De Bijbel rekent dus tot op de dag nauwkeurig!!! Na de 62 (totaal 69) weken zou de Messias gedood worden. Er staat niet, dat dit ín de zeventigste week gebeuren zal. De zeventigste week wordt pas in Daniël 9 : 27 genoemd. Er zit een onderbreking in de tijdrekening tussen de 69-ste en de zeventigste week.

Daniël 9 : 26 spreekt over de tijd die tussen de 69 weken en de zeventigste week ligt. Daarin wordt geen tijd gerekend. De zeventig weken vormen geen tijdrekening in verband met de wereld, maar met betrekking tot het volk van Daniël. De Messias werd op 15 nisan gekruisigd. Dat was op de vijfde dag ná het verlopen van de 69 weken. Dat was niet ín de zeventigste week, maar het viel in de tijd tussen de 69 weken en de zeventigste week. De Here Jezus werd als de Koning der Joden gekruisigd; niet als de Messias, want dat geloofde men niet. De Joden geloofden wel, dat Hij de Koning der Joden was, maar ze wilden Hem niet als zodanig accepteren. De Heer werd door het Jodendom zelfs als de Erfgenaam van David erkend. Het geslachtsregister was te controleren (Matthéüs 1 en Lukas 3). De Heer werd officieel als de Koning der Joden gekruisigd. Pilatus en Heródes wisten dit ook.

Het tijdperk van zeventig jaarweken werd afgesneden, omdat de Messias afgesneden werd. ”Maar het zal niet voor Hemzelven zijn” is een interpretatie. De nieuwe vertaling heeft: ”terwijl er niets tegen Hem was”. Ook dit is een interpretatie. Men leest alsof er staat dat er geen beschuldiging tegen Hem zou zijn. In de Hebreeuwse grondtekst staat, letterlijk vertaald: ”en (er) is niet voor hem”. Het betekent, dat Hij iets niet zou hebben. De Messias zou Zijn aardse koninkrijk niet hebben, omdat Hij afgesneden zou worden. Het vers vervolgt met: ”en een volk des vorsten, hetwelk komen zal …”. Er wordt verwezen naar een vorst, die zou komen. Die vorst komt wél, maar de Messias niet, omdat Hij afgesneden werd. De vorst, die komen zal, is niet Messias, de Vorst, want Hij zou afgesneden worden. Er komt een ándere vorst, namelijk de vorst uit Daniël 7 en 8. Het gaat om de vorst, die alle volkeren aan zich zal onderwerpen, namelijk ”de koning van Babel”. Het is de kleine hoorn (Daniël 7 : 8), die grote dingen tegen de Allerhoogste zal spreken. ”Hetwelk komen zal” wijst in de vertaling van de Statenvertaling terug op ”het volk”. In het Hebreeuws van de grondtekst is het woord mannelijk en wijst op de vorst. Het volk van de vorst, die komen zou, zou verderf brengen ná de 69-ste (want er wordt gesproken over de tijd ná de 69 weken) en vóór de zeventigste week (want die wordt pas in Daniël 9 : 27 genoemd).

Het gaat dus om een gebeurtenis, die plaatsvindt in de tijd, die tussen de 69-ste en de zeventigste week verloopt. Er is maar één gebeurtenis die aan deze beschrijving voldoet, in de periode tussen de 69-ste en zeventigste week. Dat is de gebeurtenis in het jaar 70 A.D., toen de tempel verbrand en Jeruzalem verwoest werd door de legers van de Romeinen onder leiding van Titus. De legeraanvoerder Titus is een beeld van de toekomstige vorst over Babel. De verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 A.D. valt tussen de 69-ste en zeventigste week. Het kan niet in de zeventigste week gerekend worden, want tussen het jaar 32 en het jaar 70 verliepen méér dan zeven jaar. Er is dus sprake van een onderbreking in de tijdrekening. ”En zijn einde (= het einde van de vorst) zal met een overstromende vloed zijn”. Hier wordt een belofte gedaan van hetgeen er uiteindelijk met de vorst over de wereld zal gebeuren. Dat vindt uiteindelijk plaats ná de zeventigste week. Het einde van die vorst zal via strijd komen. Er staat dan ook: ”… tot het einde zal er krijg zijn, vastelijk besloten verwoestingen”. Een gesel is een werktuig voor straf en oordeel. “Overvloeiend” wijst op een vloed, op water. Een vloed heeft te maken met wateren, die een beeld zijn van volkeren (Openbaring 17 : 15). Een overstromende vloed is een uitbeelding van een veelheid van legers, die aan komen stormen. De Joden zullen door legers van volken vertreden worden (vergelijk Joël 2).

En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste. Daniël 9 : 27

Letterlijk staat er: ”En hij zal aan de velen een verbond versterken (= bekrachtigen) één week”. Met ”de velen” wordt een eenheid bedoeld; de tegenwoordige Joodse staat. Een verbond versterken is hetzelfde als een verbond bekrachtigen, waardoor het geldigheid krijgt. Dat doet men door er een handtekening onder te zetten. Vergelijk Daniël 6:

8 Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.
9 Daarom tekende de koning Daríus dat schrift en gebodDaniël 6 : 8, 9

12 Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden.
13 Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniël, één van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden ‘s daags zijn gebed. Daniël 6 : 12, 13

Een gebod sterk maken, is hetzelfde als een koninklijke ordinantie stellen. Een gebod bevestigen, doet men door het te ondertekenen. Dat verbond zal voor een periode van zeven jaar gesloten worden. De resterende zeventigste week van Daniël 9 begint met het sluiten en bekrachtigen van een verbond. De zeventig weken begonnen met het bevestigen van een koninklijk decreet door Kores om Jeruzalem te herbouwen. Aan het begin van de zeventigste week zal een verbond gesloten worden dat verband houdt met de Joodse staat en met stad Jeruzalem. Dit verbond wordt getekend door de twee beesten, die in Openbaring 13 genoemd worden. Het beest uit het land (Openbaring 13 : 11) zal de vorst in de Joodse staat zijn (= de antichrist) 1 Johannes 2 : 22; = de valse profeet; Openbaring 19 : 20). Hij zal een verbond sluiten met de vorst van Babel, het beest uit de zee (Openbaring 13 : 1). Zij zullen enerlei mening hebben. Deze twee werden in het Oude Testament reeds aangekondigd (Jesaja 1 : 31 – de sterke en zijn werkmeester; Jesaja 29 : 20 – de tiran en de bespotter). Typen van deze beide beesten vinden wij in de personen van Goliath en zijn schilddrager (1 Samuël 17).

In Jesaja 28 heet het verbond dat de Joden in de toekomst zullen sluiten ”een verbond met de dood en het dodenrijk”. (Jesaja 28 : 15-22). De Heer zal verdrukking brengen over een ontrouw volk. Dit wordt omschreven als ”de overvloeiende gesel”. De gebeurtenissen in de dagen van Jesaja zijn slechts aanleiding tot deze profetie en zijn in die dagen niet vervuld. Dat verbond wordt ”een voorzichtig verbond” genoemd (Jesaja 28 : 15). Het is een verbond met ”vooruitziende blik” (vanuit menselijk standpunt bekeken). Men wil zekerheid. De Joodse staat zal een verbond sluiten, maar het zal nutteloos blijken te zijn. Het oordeel zál komen! Alleen degene die hun vertrouwen op de Heer zullen stellen, zullen aan het oordeel kunnen ontkomen. Dat verbond zal voor de duur van zeven jaar gesloten worden. Het loopt echter fout. “In de helft van de week” (Daniël 9 : 27) kan ook vertaald worden met “in het midden van de week”. De zeventigste week van Daniël wordt in tweeën verdeeld. Daardoor ontstaan er twee periodes van 31/2 jaar. In het midden van de zeven jaar zorgt de vorst (uit Daniël 9 : 26b; = het beest uit de zee) ervoor dat de Joodse inzettingen (slacht- en spijsoffer) stopgezet worden. Slachtoffer en spijsoffer kunnen hier alleen een letterlijke betekenis hebben, omdat de rest van de zeventig weken ook letterlijk bedoeld zijn. Het kan niet slaan op de kruisiging van de Here Jezus, zoals sommigen menen. Door toedoen en invloed van die vorst zal het slachtoffer en spijsoffer gestopt worden. Dit houdt tevens in dat er weer de mogelijkheid bestaat om dergelijke offers te brengen. Die offers zullen op de heilige plaats gebracht worden. Er zal geen tempel zijn, want die wordt pas gedurende de duizend jaar gebouwd.

”En over de gruwelijke vleugel (letterlijk: de vleugel van gruwelen) zal een verwoester zijn”. Het begrip ”gruwel” heeft in de Bijbel met afgoderij te maken (o.a. Ezechiël 16 : 36). Met de “gruwelijke vleugel” wordt dus een afgodsbeeld bedoeld, precies zoals in Matthéüs 24 : 15 en Openbaring 13 beschreven is. De Joodse staat zal een verbond sluiten. Uit de geschiedenis van het volk Israël is reeds vele malen gebleken dat het steunen op andere volkeren hetzelfde is als het sluiten van een verbond met andere goden. Israël had een verbond met de HEERE. Hij beschouwt het sluiten van een verbond met andere volkeren/goden als overspel. Een vleugel staat voor ”bescherming” in het algemeen (zie bijvoorbeeld Psalm 61 : 4, 5; 63 : 8, 9 en 91 : 3, 4). De Here Jezus sprak tegen Jeruzalem in Matthéüs 23:

Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild. Matthéüs 23 : 37

Israël zou haar bescherming en toevlucht bij de Heer horen te zoeken, in plaats van bij een andere god (afgod). Over die zelf gecreëerde bescherming zal een verwoester komen. Degenen die hun toevlucht bij die god (namelijk de god dezer eeuw) gezocht hebben, zullen onder deze verwoesting terechtkomen. Die verwoesting zal zijn tot de voleinding toe. Het begrip ”voleinding” heeft in Daniël 9 : 27 met het eind van de zeventigste week te maken. Na de zeventigste week zal er ook nog verwoesting zijn, maar die heeft niet direct met de heilige stad te maken. In Matthéüs 24 staat de uitdrukking ”de voleinding der eeuw”. Dit wijst op de voleinding van de zesde bedeling, namelijk het eind van de veertig jaar. Dat is 33 jaar na het eind van de zeventigste week. Uit Zacharia 14 weten we, dat het overblijfsel van de Joden tot bekering zal komen op de dag van de verwoesting van Jeruzalem. Dat is aan het eind van de zeventigste week. Aan het begin van de zeventigste week zal Israël een verbond sluiten. Dit zal tot gevolg hebben dat er gedurende de eerste 31/2 jaar (schijn)vrede zal zijn; buiten God om (Ezechiël 13 : 10; Jeremia 6 : 14, 24; 8 : 11; 23 : 17; 1 Thessalonicenzen 5 : 3). In het midden van de zeventigste week zal die vrede worden weggenomen; bij het oprichten van de gruwel der verwoesting. Vanaf het midden van de zeventigste week begint de grote verdrukking, waarover Matthéüs 24 : 21 spreekt. De verwoesting (= de grote verdrukking) duurt van het midden van de laatste jaarweek tot het einde daarvan. Dat wil zeggen: 31/2 jaar lang verwoesting; over de Joodse staat.

”Die vastelijk besloten zijnde” kan ook vertaald worden met ”wat vast besloten is” of ”waartoe vast besloten is”. ”Over de verwoeste” kan ook zijn: ”over de verwoester”. Het kan grammaticaal slaan op degene die verwoesting brengt, maar ook op degene die verwoest wordt. Het heeft hier betrekking op ”de verwoester”, want anders zou er tweemaal hetzelfde staan. Dit betekent dat de verwoester van Jeruzalem zelf verwoest zal worden (zie in dit verband ook Zacharia 14).

7. De zeven en 33 jaar

De eerste zeven jaar van de zesde bedeling zijn ontleend aan Daniël 9, waar over zeventig weken wordt gesproken. Vanuit Daniël 9 : 27 weten wij, dat de zeventigste week in twee gelijke delen wordt verdeeld. Dit betekent, dat deze week uit twee delen van 31/2 jaar bestaat. Het gaat (rekenend met profetische jaren) om twee perioden van twaalfhonderdzestig dagen (31/2 x 360 dagen). Deze tijdsaanduiding vinden wij in Openbaring 12 : 6:

En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagenOpenbaring 12 : 6

De laatste (de zeventigste) week duurt uiteraard ook zeven jaar. Er rest (ook nu nog; 1996) een periode van zeven jaar om de ongerechtigheid te verzoenen, een eeuwige gerechtigheid aan te brengen en om de heiligheid der heiligheden te zalven. Vanuit Daniël 9 weten wij dat er een bepaalde tijd verloopt tussen het einde van de 69 weken en het begin van de zeventigste week (Daniël 9 : 26). We vinden een ”onderbreking” gedurende de zeventig weken. Deze onderbreking vinden wij op vele plaatsen in de Bijbel terug, hoewel deze onderbreking vaak ook volledig wordt overgeslagen. Als voorbeeld nemen wij de profetie, die door de Heer Zelf werd aangehaald.

Lukas 4 : 16-20 16 En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen. 17 En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was: 18 De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; 19 Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren. 20 En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen.

De Heer citeert hier Jesaja 61 : 1, 2:

1 De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;
2 Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten; Jesaja 61 : 1, 2

De Here Jezus plaatste achter ”het aangename jaar des Heeren” een punt. In Jesaja 61 : 2 staat er echter nog iets achteraan, namelijk: ”en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten”. Dit deel van het vers liet de Here Jezus achterwege. Hij deed dit, omdat dát deel van de profetie bij Zijn eerste komst niet in vervulling ging. In Jesaja 61 staan beide delen in één vers genoemd. Het eerste deel van het vers is circa 2000 jaar geleden vervuld, terwijl het tweede deel van het vers nog steeds profetisch is. Er blijkt een lange periode tussen te zitten, maar die wordt hier gewoon overgeslagen. Gedurende deze onderbreking heeft de Heer Zich voor Israël verborgen. Enkele teksten:

16 En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden der vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb.
17 Zo zal Mijn toorn te dien dage tegen hetzelve ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter spijze zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
18 Ik dan zal Mijn aangezicht te dien dage ganselijk verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden. Deuteronomium 31 : 16-18

1 Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls! Betaamt het ulieden niet het recht te weten? 2 Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen. 3 Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels. 4 Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben. Micha 3 : 1- 4 

In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser. Jesaja 54 : 8 8

De Heer heeft vele malen aangekondigd dat Hij Zich zou verbergen als het volk Hem niet gehoorzaam zou zijn. Er staat echter ook geprofeteerd dat het voor een bepaalde tijd zou zijn. Na die tijd zou de Heer Zich weer over het volk ontfermen. Dat gebeurt wanneer Israël zich in geloof tot de Heer wendt.

25 Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israëls, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;
26 Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.
27 Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;
28 Dan zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten.
29 En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEEREEzechiël 39 : 25-29

De tijd, waarin de Heer verborgen is, zal pas aan het einde van de zesde bedeling voorbij zijn. Vanaf het moment van de opname (= wegrukking) van de Gemeente begint de Heer Zich – zo nu en dan – te openbaren. De geschiedenis van Jozef in Egypte is in dit opzicht zeer profetisch. Hierover later meer. De eerste, aan wie Hij Zich bekend zal maken, is de Gemeente, Zijn lichaam. Dit is tevens het begin van de zeventigste week van Daniël 9 (bij die gelegenheid zal Israël een verbond sluiten). De zeven jaar van de zeventigste week beginnen op het moment dat de Gemeente van de aarde wordt opgenomen (weggerukt).

1 En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; 2 En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 3 En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. 4 En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben. 5 En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon. 6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 12 : 1-6

We vinden hier de omschrijving van een vrouw, die een mannelijke zoon baart. Die zoon wordt weggerukt tot God en Zijn troon. De term ”mannelijke zoon” zou in principe op Christus Zelf kunnen worden toegepast. In dit geval is dat echter niet mogelijk, omdat Hij nooit van de aarde is weggerukt. Daarom slaat dit niet op de Persoon van de Here Jezus Christus, maar op Zijn lichaam, de gemeente. De gemeente wordt wél weggerukt. Hetzelfde Griekse woord wordt in 1 Thessalonicenzen 4 : 17 met ”opgenomen” vertaald. Voor het goed begrijpen van Openbaring 12 is het nodig om Leviticus 12 : 1-4 te lezen.

1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn.
3 En op den achtsten dag zal het vlees zijner voorhuid besneden worden.
4 Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn.  Leviticus 12 : 1-4

Het gaat ook hier om een barende vrouw. Zij baart een knechtje (een mannelijk kind). Het is heel opmerkelijk dat in dit gedeelte staat dat de vrouw ”zaad” geeft. Dit komt normaal bij een vrouw niet voor. ”Zaad geven” is normaal de omschrijving voor het mannelijke deel van de gemeenschap. Normaal ontvangt de vrouw zaad van de man. ”Zaad” heeft in de eerste plaats betrekking op de Here Jezus Christus.

3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:
4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden!
5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.
6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.
7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten. Genesis 17 : 3-9

Paulus geeft hier commentaar op:

Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; hetwelk is Christus. Galaten 3 : 16

Paulus past de belofte aan Abraham en zijn zaad in de eerste plaats op Christus toe. Vervolgens slaat het op degenen die van Christus zijn. Als het namelijk op Jezus Christus slaat dan slaat het tevens op degenen die ”in Christus” zijn. Zij worden tot Christus gerekend. Degenen, die ”in Christus” zijn, behoren gedurende de huidige (vijfde) bedeling tot het lichaam van Christus, terwijl Christus Zelf het Hoofd is (Éfeze 1 : 20-23). Als een vrouw een Jongetje gebaard had, zou zij zeven dagen onrein zijn (Leviticus 12). Op de achtste dag zou het Jongetje besneden worden. Vervolgens zou de vrouw nog 33 dagen onrein zijn. Dit gedeelte is in ieder geval op de geboorte van de Here Jezus van toepassing.

21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
22 En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem den Heere voorstelden;
23 (Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.)
24 En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. Lukas 2 : 21-24

Leviticus 12 : 1-4 heeft een letterlijke vervulling gehad bij de geboorte van de Here Jezus. ”De dagen harer reiniging” (vers 22) is een omschrijving van de gehele periode van veertig dagen. Ze gingen namelijk naar de tempel. Gedurende de veertig dagen was zij onrein en mocht zij de tempel niet naderen. Vanuit Leviticus 12 weten wij dat de veertig dagen direct begonnen op het moment dat de bevalling had plaatsgevonden. Na de bevalling verliepen er eerst zeven dagen en vervolgens nog 33 dagen. Na de zevende dag (dus op de achtste dag; de eerste dag van de 33 dagen) werd het jongetje besneden. Dit beeld dienen wij voor ogen te houden bij het bestuderen van Openbaring 12. Wanneer de mannelijke zoon geboren is, wordt hij weggerukt tot God en Zijn troon. Dit wijst op de opname (= wegrukking) van de Gemeente, het Lichaam van Christus. Deze wegrukking wordt uitgebreid vermeld in 1 Thessalonicenzen 4 : 13-18.

De eerste zeven dagen uit Leviticus 12 kunnen profetisch worden toegepast op de eerste zeven jaar van de zesde bedeling. Het ligt voor de hand te concluderen dat ook de daaropvolgende 33 dagen een profetische toepassing hebben in de zesde bedeling en uiteraard ná de zeven jaar. Op grond van Leviticus 12 en Openbaring 12 kunnen wij concluderen dat de zeventigste week van Daniël 9 direct begint bij de opname (= wegrukking) van de Gemeente. De zeven jaar van de zeventigste week komen profetisch dus overeen met de eerste zeven dagen van onreinheid van de vrouw, nadat zij een zoontje heeft gebaard. In Leviticus 12 staat dat de vrouw na de geboorte van een jongetje zeven dagen onrein is. De vrouw is een omschrijving van Israël (vergelijk “zon, maan en sterren” in de droom van Jozef). De zeven dagen staan model voor de zeven jaar van de zeventigste week,volgend op de wegrukking van de mannelijke zoon (Openbaring 12). Gedurende de zeven jaar van de zeventigste week is het volk Israël onrein. De zeven jaar beginnen meteen ná de wegrukking van de Gemeente, want de zeven dagen van onreinheid van de vrouw begonnen meteen ná de geboorte van het jongetje. Tijdens de periode dat de vrouw onrein was, diende zij zich afgezonderd te houden. Op de achtste dag zou de voorhuid van de jongen besneden worden. De voorhuid is dát deel van het mannelijk voortplantingsorgaan dat over de eikel valt. Vóór de besnijdenis is de eikel verborgen. De voorhuid werd weggesneden, waardoor de eikel zichtbaar werd. Wat verborgen was, werd openbaar. Besnijdenis is een beeld van dood en opstanding. Het gaat feitelijk om een besnijdenis, die zonder mensenhanden plaatsvindt.

8 Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;
9 Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;
10 En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
11 In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam (= der zonden) des vleses, door de besnijdenis van Christus;
12 Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeftKolossenzen 2 : 8-12

Hier wordt verklaard wat de besnijdenis feitelijk uitbeeldt: met Christus begraven en opgewekt zijn; op grond van geloof. De besnijdenis van het jongetje op de achtste dag is dus feitelijk een beeld van de besnijdenis (= de wedergeboorte) van Israël. We hebben reeds gezien, dat het Zaad op Jezus Christus slaat. Hij is voor Israël verborgen ”tot de achtste dag”. Dit is in overeenstemming met de profetieën, zoals wij in het voorgaande reeds hebben gezien. In de toekomst zal Israël in grote verdrukking komen. Velen zullen omkomen, maar een overblijfsel zal tot geloof komen en de Naam des HEEREN aanroepen (Joël 2 : 32). Dán zal de Heer Zich niet langer verbergen, maar Zich aan Israël bekendmaken. Dit gebeurt aan het einde van de zeventigste week (Zacharia 14). Velen menen, dat aan het einde van de zeventigste week ”de duizend jaar” beginnen. Vanuit de profetie van Zacharia 14 weten wij dat er aan het einde van de zeventigste week geen levende ziel meer in het land aanwezig is. De Heer heeft op dat moment geen koninkrijk; niet in het beloofde land en zéker niet over de gehele wereld. Het gelovig overblijfsel is aan het einde van de zeventigste week het land uit gevlucht; naar de woestijn.

Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen. Jeremia 31 : 2

Het gelovig overblijfsel heeft genade gevonden in de woestijn. Het gaat over degenen, die van het zwaard zijn overgebleven. Zij vluchten door de gescheurde Olijfberg het land uit. In de toekomst zal de Heer na de zeven jaar van de zeventigste week op de Olijfberg verschijnen, waarna het gelovig overblijfsel naar de woestijn zal kunnen vluchten. In de woestijn bevinden zich reeds gelovigen, die gedurende de eerste 31/2 jaar van de zeventigste week naar de woestijn zijn gevlucht. Beide groepen gelovigen zullen elkaar in de woestijn (in Petra/Sela) ontmoeten. De gelovigen, die uit het verwoeste Jeruzalem zijn gevlucht, zullen daar een ontmoeting met de Here Jezus Christus hebben. Dán zullen zij ontdekken, dat hun Messias Dezelfde is als de Christus van de christenen. Na de zeventigste week bevindt het gelovig overblijfsel zich dus niet in het land, maar in de woestijn; in Petra/Sela. Deze naam is vaak vertaald met ”steenrots(en)” (bijvoorbeeld Jesaja 33 : 16). Vanuit Petra/Sela zal men – onder aanvoering van de Messias, de Here Jezus Christus – optrekken naar het beloofde land. Onderweg worden de volkeren, die daar wonen, onderworpen. Eén tekst als voorbeeld:

1 Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.
2 Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van één, die in de wijnpers treedt?
3 Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
4 Want de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen. Jesaja 63 : 1-4

Het eerste volk dat door de Heer zal worden onderworpen, is Edom (= Ezau). Dit vindt ná de zeventigste week plaats en vóór het aanbreken van ”de duizend jaar”. Wanneer men eerlijk de profetieën bestudeert, moet men tot de conclusie komen dat er een bepaalde tijd moet verlopen tussen het einde van de zeventigste week en het begin van ”de duizend jaar”, waarin de satan gebonden zal zijn (Openbaring 20 : 1, 2). Hoelang deze periode duurt, valt te concluderen uit onder andere Leviticus 12. Na de besnijdenis van het jongetje was de vrouw nog 33 dagen onrein (”in het bloed van haar reiniging”). Pas daarna zou zij tot het heiligdom kunnen komen. Aangezien de eerste zeven dagen van de onreinheid van de vrouw betrekking hebben op de eerste zeven jaar van de zesde bedeling, zijnde de zeventigste week van Daniël 9, ligt de conclusie voor de hand, dat de daarna volgende 33 dagen profetisch zijn voor de tijd die ná de zeventigste week verloopt.

Schematisch krijgen we het volgende:

  1. Het moment, waarop de gemeente (het lichaam van Christus) van de aarde wordt weggerukt tot God en Zijn troon (Openbaring 12 : 5). Op dát moment beginnen de zeven jaar van onreinheid voor de vrouw (Israël), zijnde de zeventigste week van Daniël 9.
  2. Het moment, waarop de Heer op de Olijfberg verschijnt, nadat het gelovig overblijfsel de Heer heeft aangeroepen. De Olijfberg zal scheuren, waardoor een vluchtweg voor het overblijfsel zal ontstaan. Dit moment komt overeen met de besnijdenis van het jongetje op de achtste dag. De vrouw (Israël) is daarna nog 33 jaar onrein.

In de Bijbel wordt niet ronduit gezegd, dat de periode van toorn, die ná de zeventigste week voor de volkeren begint, 33 jaar duurt. Op grond van typologie is dit echter op meerdere plaatsen duidelijk aantoonbaar. Nu volgen andere Bijbelgedeelten, waar de zeven en de 33 een grote rol spelen. Uit deze gedeelten kunnen wij slechts tot één conclusie komen: de zesde bedeling duurt veertig jaar, onderverdeeld in zeven en 33 jaar!

Het koningschap van David

Van David wordt diverse malen vermeld hoelang hij regeerde.

1 Koningen 2 : 11 11 De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.

Er wordt hier gezegd, dat David veertig jaar regeerde, maar deze periode wordt onderverdeeld in zeven en 33 jaar. David regeerde zeven jaar te Hébron en 33 jaar te Jeruzalem. Aanvankelijk was David koning te Hébron. Na zeven jaar kwamen de mannen van Juda naar hem toe, om hem te vragen ook over hén koning te willen zijn.

1 Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.
2 Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de HEERE tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israël.
3 Alzo kwamen alle oudsten van Israël tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israël.
4 Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.
5 Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israël en Juda. 2 Samuël 5 : 1-5

Hier lezen we dat álle stammen tot David kwamen.

4 Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.

11 Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. 2 Samuël 2 : 4, 11

Er wordt gezegd, dat David veertig jaar regeerde. In 1 Koningen 2 : 11 staat zeven jaar en 33 jaar. Hier staat dat hij 71/2 jaar te Hébron en 33 jaar te Jeruzalem regeerde. Er wordt dus een half jaar extra genoemd. Dit duidt op een overbruggingsperiode. Er staat namelijk niet 71/2 jaar en 321/2 jaar. In beide gevallen wordt 33 jaar genoemd. Het gaat totaal steeds om een periode van veertig jaar. Het verschil tussen zeven en 71/2 jaar wijst op een overgang. In dat halve jaar is David van Hébron naar Jeruzalem gegaan. Daar ging zoveel tijd overheen, omdat Jeruzalem eerst nog veroverd moest worden (2 Samuël 5 : 6-12). Het halve jaar wordt wel bij de 33 jaar gerekend. Deze ”halve” vinden wij terug als een half uur stilte in Openbaring 8 : 1:

En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.  Openbaring 8 : 1

In Openbaring 6 : 12 vinden wij het openen van het zesde zegel, met de bekende verschijnselen: de zon werd zwart, de maan werd als bloed. Zoals we reeds gezien hebben, zijn dit dé kenmerken die het einde van de zeventigste week van Daniël 9 aangeven. Nadat de Heer op de Olijfberg is verschenen en de gelovigen uit Jeruzalem zijn gevlucht, komt het zevende zegel (Openbaring 8 : 1). Dit gaat gepaard met een half uur stilzwijgen. Tussen het zesde en het zevende zegel staat Openbaring 7, waar we de verzegeling van de 144.000 Israëlieten vinden.

1 En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enigen boom.
2 En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, welke macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,
3 Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. Openbaring 7 : 1-3

Er wordt gezegd, dat er niets gebeurt, totdat deze dienstknechten verzegeld zijn. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dit gedurende het halve uur van stilzwijgen gebeurt. Het halve uur staat model voor een half jaar. Het is het eerste halve jaar van de 33 jaar, zoals we bij David ook een half jaar vonden. Het is een periode van overbrugging. Gedurende dat half jaar zullen er geen oordelen van God over de wereld komen. Dit stilzwijgen is er om de 144.000 te verzegelen en eropuit te zenden.

De dubbele getallen: veertien en 66
De geboorte van een meisje

In Leviticus 12 : 1-4 zagen we dat de tijd van de onreinheid van de vrouw zeven en 33 dagen was. Dit gold wanneer zij een jongetje had gebaard. Als zij een meisje gebaard had, was de vrouw geen veertig dagen onrein, maar tachtig dagen; verdeeld in veertien en zesenzestig dagen.

Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging. Leviticus 12 : 5

Wanneer een vrouw bevallen was van een meisje, was zij tweemaal zolang onrein als bij de geboorte van een jongetje. Deze dubbele aantallen hebben feitelijk niets met de vrouw zelf te maken, want zij was niet wezenlijk onreiner, omdat zij een meisje had gebaard. Er moet dus een andere reden zijn waarom de Heer dit in Zijn Woord heeft vastgelegd. Dit is een typologische reden. Bij een jongen geldt alles éénmaal en bij een meisje geldt alles tweemaal (het dubbele). Dit is een beeld van God (de Eén) tegenover de schepping (de twee). Deze wereld wordt gekenmerkt door de twee (het dualisme). In de Bijbel wordt dit typerend weergegeven in de eerste Hebreeuwse letter, waarmee de Bijbel begint.

Genesis 1 : 1 1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

In het Hebreeuws begint het eerste woord van dit vers met een extra groot geschreven letter: (”bereeshiet”) = In den beginne. Dit woord ”bereeshiet” begint met een grote ”beeth” . Deze letter is tevens het getal ”twee”. De Bijbel begint met een extra grote ”twee” om de nadruk op deze ”twee” te leggen. De schepping van Genesis 1 : 1 wordt hiermee gekenmerkt door de ”twee”, het dualisme. ”Zeven en 33” en ”veertien en 66” verhouden zich als 1 : 2. De verhouding 1 : 2 bestaat ook in de verhouding tussen Kanaän ( = 20-50-70-50 = 190) en Egypte ( = Mitsraïm = 40-90-200-10-40 = 380). Egypte is, evenals de vrouw, een beeld van de wereld. Israël werd uit Egypte (= de wereld) verlost en kwam in het beloofde land, Kanaän. Zij ging de weg van de twee (het dualisme; Egypte) naar de één (God; het beloofde land, Kanaän). Deze verlossing uit Egypte staat model voor de toekomstige verlossing uit de gehele wereld, waarvan Egypte een beeld (type) is. In Egypte wordt alles dubbel geteld. Zowel Egypte als de vrouw is een beeld van deze dualistische wereld. Daarom wordt de verlossing van Israël uit Egypte omschreven als een geboorte.

4 En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden.
5 Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart.
6 Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!
7 Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.
8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne. Ezechiël 16 : 4-8

Wij vinden hier een schitterende omschrijving van de situatie van Israël op het moment dat de Heer haar uit Egypte verloste. De Heer omschrijft het hier als een geboorte. Egypte wordt feitelijk als ”de moeder” van Israël gezien. Egypte is een beeld van de hele schepping, die vrouwelijk staat tegenover God. Zoals Israël uit Egypte verlost moest worden, zo dient ieder mens uit deze (dualistische) wereld verlost te worden. Het is frappant, dat ons taalgebruik in verband met een bevalling nog steeds over een ”verlossing” spreekt (met een verloskundige). Egypte staat model voor deze wereld (het vrouwelijke). Aangezien deze wereld gekenmerkt wordt door het dualisme, wordt alles in Egypte, dat een beeld is  van deze wereld, dubbel gerekend. Daarom is de vrouw na de geboorte van een meisje (vrouwelijk!) tweemaal zolang onrein als bij de geboorte van een jongetje.

Jozef in Egypte

Bij Jozef vinden we de getallen veertien en 66 opnieuw. In Genesis 41 staat dat hij 30 jaar was, toen hij voor het aangezicht van de farao stond.

Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao’s aangezicht, en hij toog door gans Egypteland. Genesis 41 : 46

Vervolgens kwamen er zeven jaar van overvloed (Genesis 41 : 48-53), gevolgd door de zeven jaar van honger (Genesis 41 : 54-57). In het leven van Jozef vinden wij dus tweemaal zeven jaar. Na die tweemaal zeven jaar was Jozef 44 jaar. Jozef werd 110 jaar oud.

22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren.

26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte. Genesis 50 : 22, 26

Na de zeven jaar van overvloed en de zeven jaar van honger was Jozef 44 jaar oud. Hij stierf toen hij 110 jaar oud was. Hij leefde na de tweemaal zeven jaar dus nog 66 jaar. Jozef was in Egypte. Ten opzichte van Kanaän moet in Egypte alles dubbel gerekend worden. Daarom vinden wij in het leven van Jozef in Egypte opnieuw de dubbele getallen van zeven en 33 jaar. Dit is ook de reden, waarom hij dubbele dromen kreeg. Er wordt nadrukkelijk gezegd dat het één droom is. De getallen van Jozef dienen in verband met Kanaän gehalveerd te worden. Eerst kwamen er zeven jaar van overvloed. Deze jaren staan model voor de eerste 31/2 jaar van de zeventigste week van Daniël (= ”vrede en zonder gevaar”; Ezechiël 13 : 10; Jeremia 6 : 14, 24; 8 : 11; 23 : 17; 1 Thessalonicenzen 5 : 3). Vervolgens kwamen zeven jaar van honger. Deze jaren staan model voor de tweede 31/2 jaar van de zeventigste week (= de grote verdrukking). Vervolgens leefde Jozef nog 66 jaar. Deze jaren staan model voor de 33 jaar die na de zeventigste week volgen. Gedurende die 33 jaar is er voor Israël een veilige plaats, waar zij onderhouden wordt.

Mozes op de berg

In verband met Mozes komen we de zeven en 33 eveneens tegen.

12 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Kom tot Mij op den berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen.
13 Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op den berg Gods.
14 En hij zeide tot de oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot dezelve komen.
15 Toen Mozes op den berg geklommen was, zo heeft een wolk den berg bedekt.
16 En de heerlijkheid des HEEREN woonde op den berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op den zevenden dag riep Hij Mozes uit het midden der wolk.
17 En het aanzien der heerlijkheid des HEEREN was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de ogen der kinderen Israëls.
18 En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachtenExodus 24 : 12-18

Mozes was totaal veertig dagen op de berg. Deze periode van veertig dagen wordt eveneens verdeeld in zeven en 33 dagen.

De dagen van de Here Jezus Christus, na Zijn opstanding

De Heer stond op de eerste dag van de week op.

19 Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
20 En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen. Johannes 20 : 19, 20

De Heer verscheen na Zijn opstanding niet meer aan het volk, zoals Hij dat vóór Zijn kruisiging deed. Hij verscheen na Zijn opstanding slechts aan gelovigen. Op de dag van de opstanding verscheen Hij aan de tien discipelen (Judas was dood en Thomas was niet aanwezig).

24 En Thomas, één van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.
25 De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.
26 En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!
27 Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig. Johannes 20 : 24-27

Thomas was niet aanwezig bij de verschijning van de Heer op de eerste dag der week. Acht dagen later, wederom op de eerste dag der week, verscheen de Heer opnieuw. Toen was Thomas wel aanwezig. Er waren toen zeven dagen voorbij en op de achtste dag verscheen de Heer. Na deze verschijning (op de achtste dag) duurde het nog 33 dagen tot het moment dat de Heer zichtbaar naar de hemel voer.

3 Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.

9 En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.  Handelingen 1 : 3, 9

Thomas staat in deze geschiedenis model voor het ongelovige volk Israël. Op de eerste dag der week verscheen de Heer aan gelovigen, namelijk aan de leden van Zijn lichaam, de Gemeente. De ontmoeting van de Heer met de tien discipelen staat model voor de ontmoeting van de Heer en Zijn Lichaam, de Gemeente, aan het begin van de zeventigste week (en daarmee dus aan het einde van de huidige, vijfde bedeling). Bij deze ontmoeting was het ongelovige volk Israël (waarvan Thomas een type is). niet aanwezig. De verschijning van de Heer op de achtste dag, waarbij Thomas aanwezig was, staat model voor het verschijnen van de Heer aan het einde van de zeventigste week. Pas als Israël zal ”zien”, zal zij tot geloof komen. Dit gebeurt na zeven jaar, als zij – vanwege de grote verdrukking – de Heer zal aanroepen.

Aan het eind van de zeventigste week verschijnt de Heer op de Olijfberg. Dit betekent niet dat Hij daarvóór niet verschijnt. Na de opstanding – gedurende de veertig dagen – verscheen Hij aan verschillende mensen en op verschillende tijdstippen; óók gedurende de eerste zeven dagen na Zijn opstanding. Deze verschijningen staan model voor de toekomstige verschijningen van de Heer; gedurende de gehele tijd van veertig jaar. Hij zal alléén aan gelovigen verschijnen. Zijn verschijning gedurende de zeven jaar van de zeventigste week zal niet voor iedereen zichtbaar zijn. Gedurende de zeven jaar verschijnt Hij alleen aan gelovigen. Dit vinden wij eveneens geïllustreerd in de geschiedenis van Jozef in Egypte. Gedurende de zeven jaar van hongersnood heeft hij verschillende ontmoetingen met zijn broers.

1 Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broederen bekend maakte.
2 En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao’s huis hoorde.
3 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.
4 En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.
5 Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens.
6 Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.
7 Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing. Genesis 45 : 1-7

Dat Jozef zich aan zijn broeders bekendmaakte, gebeurde twee jaar nadat de hongersnood begonnen was. Er zouden nog vijf jaar van hongersnood volgen. We hebben reeds gezien dat deze zeven jaar van hongersnood model staan voor de tweede 31/2 jaar van de zeventigste week. De jaren in Egypte zijn dubbel gerekend. Dit betekent dat wij de jaren hier moeten halveren. Jozef is een type van de Here Jezus Christus. Hij maakte zich na twee jaar van hongersnood aan zijn broeders bekend. Dit betekent, dat de Heer Zich na het eerste jaar van de grote verdrukking aan een aantal gelovigen bekend zal maken. Het is aan het einde van het eerste jaar, omdat de jaren van Egypte gehalveerd moeten worden. Nadat de Heer Zich aan deze gelovigen bekend zal hebben gemaakt, volgen nog 21/2 jaar van grote verdrukking. Op het moment, dat de Heer Zich bekendmaakt, zullen er alleen gelovigen aanwezig zijn. In de geschiedenis van Jozef lezen wij, dat Jozef alle Egyptenaren de deur uit stuurde. Op het moment, dat hij zich aan zijn broeders bekendmaakte, was hij alléén met zijn broeders. Zó zal de Heer Zich aan het einde van het eerste jaar van grote verdrukking aan een groep gelovigen bekendmaken. Daarbij zullen geen ongelovigen aanwezig zijn. Uit de geschiedenis van Jozef kunnen wij tevens concluderen dat het om gelovigen uit het volk Israël gaat. Jozef maakte zich namelijk aan zijn broeders bekend; er was een familie/ bloedband. Als de Heer Zich bekend zal maken, zal dat buiten het land gebeuren, want de geschiedenis speelde zich af in Egypte en niet in Kanaän.

Nadat wij vele Bijbelgedeelten met elkaar hebben vergeleken, kunnen we de volgende conclusies trekken:

De Gemeente wordt aan het eind van de huidige (vijfde) bedeling weggerukt (tot God en Zijn troon). Dit is het begin van de zesde bedeling.

De zeventigste week van Daniël 9 start direct na de opname/wegrukking van de Gemeente. De zeven jaar van de zeventigste week vormen derhalve de eerste zeven jaar van de volgende (zesde) bedeling. Aan het einde van de zeventigste week is de zesde bedeling niet afgelopen. Op dat moment is namelijk de gehele Joodse staat vernietigd; inclusief Jeruzalem. Het koninkrijk van de Heer is dan nog niet op aarde opgericht. Integendeel!

Na de zeventigste week volgt er een korte periode (van een half jaar), waarin de 144.000 Israëlieten verzegeld zullen worden. Vervolgens zullen zij uitgaan in de wereld om het evangelie te verkondigen. Het koninkrijk kan dus nog niet zijn aangebroken, want bij de aanvang van het koninkrijk zullen slechts gelovigen aanwezig zijn.

Vanuit de geschiedenissen, die wij besproken hebben, kunnen wij slechts concluderen, dat er na de zeventigste week nog een periode van 33 jaar verloopt tot aan het begin van de duizend jaar, waarin de satan gebonden zal zijn.

Schematisch:  

  1. Einde van de (vijfde) bedeling van de gemeente; opname/wegrukking van de gemeente, het lichaam van Christus. Begin van de zesde bedeling. Begin van de zeventigste week van Daniël 9.
  2. Einde van de zeventigste week van Daniël 9. Wedergeboorte van de staat Israël. Verschijning van de Heer op de Olijfberg. Begin van de Dag des HEEREN. Begin van de grote dag van Zijn toorn.
  3. Einde van de zesde bedeling. Binden van de satan. Oordeel over de levende volkeren (Matthéüs 25 : 31 v.v.). Begin van het eeuwige koningschap van Christus.

    
     Gerelateerde bijbelezingen o.a.:
    * Van tijden en gelegenheden
    * De dagen van Noach en de wederkomst
    * Tussen de 70ste week en 1000-jarig rijk
    * Profetisch Panorama
    * Wat verwachten wij nog?
    * De Gemeente en de Duizend jaren
    * Wat verwachten wij nog?
    
    
    * Profetisch Panorama
    * 7+33
    * Gods programma
    * De opname van de gemeente
    Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld
    
    Dit is een bewerking van de Brochure "Tijden en gelegenheden" 
    Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl