HET EERSTGEBOORTERECHT

15 Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn;
16 Zo zal het geschieden, ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is.
17 Maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is het zijne. Deuteronomium 21:15-17

In deze Bijbelstudie staat het Eerstgeboorterecht centraal. Het is een begrip dat door de gehele Bijbel een belangrijke rol speelt. Wij zijn vaak geneigd dit begrip te zien als een lijn van afstamming, maar het gaat er in wezen om Wie uiteindelijk de Erfgenaam van een nieuwe schepping zou worden. Zowel koningschap, priesterschap en eerstgeboorterecht vinden hun uiteindelijke vervulling in onze Here Jezus Christus. Bovendien wordt er uitgelegd hoe wij als Gemeente van eerstgeborenen deel zouden hebben aan dat koningschap en priesterschap. Hoe het kan dat het Eerstgeboorterecht zowel in het Oude Testament aan Israël als in het Nieuwe Testament aan de Gemeente wordt beloofd en hoe dit zijn vervulling krijgt, wordt evenzo in deze Bijbelstudie behandeld.


  1. Inleiding.
  2.  Eerstgeborene, eniggeborene en enigen zoon.
  3. Eerstgeboorterecht nader beschouwd.  HeerschappijHet dubbele deel.  Koningschap.  Eerstgeboorterecht toegepast op Christus.  Opstanding uit de doden.  Eerstgeboorterecht en hogepriesterschap.  De stam van Levi als dienaar van Aaron.  Levieten ontvangen priesterlijke verantwoordelijkheid.  Functie en verantwoordelijkheden van het Levietische priesterschap.
  4. De eerstgeborene en erfrecht.  Kind en dienstknecht onder het Oude Verbond.  Kind en dienstknecht onder het Nieuwe Verbond.
  5. Leven onder het Nieuwe Verbond.  Leven onder de heerschappij van de genade.  Leven onder de heerschappij van de Geest.  Aanstelling tot zonen.
  6. Relatie tussen Israël en de Gemeente.  De lijn van het Eerstgeboorterecht.
  7. Conclusie.

1. Inleiding

Het eerstgeboorterecht speelt in de Bijbelse geschiedenis een belangrijke rol. Het wordt in hoogste instantie met de Here Jezus Christus in verband gebracht. Hij wordt in het Nieuwe Testament bij verschillende gelegenheden uitdrukkelijk als de Eerstgeborene aangeduid. Bijvoorbeeld de Eerstgeborene van de hele schepping, de Eerstgeborene uit de doden, de eerstgeboren Zoon van God. Een andere term die voorkomt is de Eniggeboren Zoon van God. In de praktijk blijkt dat deze twee uitdrukkingen dezelfde betekenis hebben.

Er ontstaan problemen als de betekenis van de woorden “eerstgeboren” en “eniggeboren” niet duidelijk zijn en de betekenis afgeleid wordt van de etymologie (woordafleiding). Een “eerstgeborene” is dan degene die als eerste geboren werd en “eniggeborene” zou dan degene zijn die als enige geboren is, zonder dat er anderen geboren zijn. Degene die als “eerstgeborene” wordt aangeduid heeft het hoogste erfrecht onder de zonen. Hij ontvangt de ondeelbare bezittingen. In het Nederlands wordt de uitdrukking “eerstgeborene” van toepassing gebracht op degene die als eerste geboren wordt. Dat is niet helemaal verkeerd, maar waar in de Bijbel eerstgeboorterecht een rol speelt, gaat het vaak niet naar degene die als eerste geboren werd. Het oorspronkelijke woord in het Hebreeuws voor eerstgeborene houdt geen verband met degene die als eerste geboren werd. Hetzelfde geldt ook voor de meer nieuwtestamentische uitdrukking “eniggeborene”. In het Oude Testament vinden we dit woord in de vertaling niet terug maar het komt er wel in voor. Dat woord wekt de indruk dat het gaat om de “ene zoon”, waarbij er verondersteld wordt dat er helemaal geen andere zonen zijn. Als iemand in de Bijbel de enige zoon wordt genoemd, betekent het slechts dat deze ene of enige zoon degene is die de bijzondere voorkeur van de vader geniet. De term “eniggeborene” heeft de betekenis van “de unieke”, “de onvergelijkbare” of “de geliefde”. De zoon die dat is, krijgt van de vader het eerstgeboorterecht, zodat de eniggeboren zoon in de praktijk dezelfde is als de eerstgeboren zoon. Bij gelegenheid staat van de Here Jezus Christus dat Hij de eerstgeboren Zoon is (Lukas 2:7) of de “de Eerstgeborene van alle creaturen” (Kolossenzen 1:15). Er wordt ook over Hem gesproken als de eniggeboren Zoon (Johannes 3:16). Beide termen worden abusievelijk wel eens tegenover elkaar gezet. Men meent dan dat als Hij de eniggeboren Zoon is (in de betekenis van unieke), Hij niet de Eerstgeborene kan zijn, want dan moeten er minimaal twee zijn. Maar eniggeborene is in de praktijk dus dezelfde als de eerstgeborene. Met deze wetenschap zijn veel problemen opgelost die wij in het Nieuwe Testament omtrent het woord “eniggeborene” tegenkomen.

Er is in de Bijbel een doorgaande lijn te vinden vanaf Adam tot aan de Here Jezus Christus. Men is geneigd dit te zien als een afstammingslijn. Het blijkt echter een lijn te zijn die wordt bepaald door het eerstgeboorterecht. Wij zullen in deze Bijbelstudie eerst de begrippen “eerstgeboren” en “eniggeboren” onderzoeken om te weten waarop ze zijn gebaseerd. Later komen de Schriftplaatsen aan de orde waarin eerstgeboorterecht een belangrijke rol speelt. Dan zal blijken dat die schriftplaatsen onder alle omstandigheden verband houden met de Here Jezus Christus en met onze eigen positie als leden van een Gemeente van eerstgeborenen die in de Hemel is opgeschreven. (Hebreeën 12:23).

2. Eerstgeborene, eniggeborene en enigen zoon

De uitdrukking “eniggeborene” of “enigen zoon” wordt gebruikt en toegepast op Christus Zelf. In alle gevallen hangt het aan de ene kant samen met het eerstgeboorterecht, aan de andere kant met geliefd zijn. Het gaat om Degene die uniek is en die overal buiten staat. Vandaar dat het met “eenzaam” vertaald kan worden. Het gaat om degene die nergens mee te vergelijken is en juist om die reden ontvangt deze “eenzame” het eerstgeboorterecht.

Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. Zacharia 12:10 *

Dit is een uitspraak die enkel op het Joodse volk toegepast kan worden. Het slaat ook op Israël, maar in het bijzonder op het Joodse volk. Het heeft geen toepassing op de Gemeente en ook niet op de tien stammen. Het is uitdrukkelijk het huis Davids en daarmee wordt Juda bedoeld. Daarom wordt Jeruzalem ook met nadruk als hoofdstad van Juda genoemd, als plaats waar de troon van David zou moeten staan. De Geest der genade Die wordt beloofd, is de Heilige Geest der belofte De Heer komt er later op terug. Die uitstorting van de Heilige Geest is feitelijk niets anders dan een uitspraak over de wederkomst van Christus. Niet zienlijk, maar onzienlijk en ook niet bij de Zijnen maar in de Zijnen. We vinden dit terug in Johannes 14:

16 En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;
17  Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.
18 Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Johannes 14:16-18

De Heer kondigt aan dat de Geest zou komen van de Vader, waarna Hij zegt dat Hij hen geen wezen zou laten. Daarna zou moeten volgen dat Hij de Heilige Geest zou zenden, maar Hij zegt dat Hij weder tot de apostelen komt. De Heer kondigt aan dat Hij weg zou gaan, maar Hij kondigt net zo goed aan dat Hij tot aan de voleinding der eeuw bij hen zou zijn en blijven. Wij verstaan gewoonlijk onder de wederkomst van Christus Zijn verschijning aan het einde van de zeventigste week van Daniël. De Heer Zelf verschijnt dan aan degenen die zich hebben bekeerd en Zijn Naam aanroepen. Zij ontvangen bij die gelegenheid ook de Heilige Geest, zodat de Heer bij hen en in hen zou zijn. Als bovendien deze profetie uit Zacharia 12:10 en ook uit Joël 2:28 e.v. in de toekomst aan Israël en in het bijzonder aan het huis Davids zal worden vervuld, dan gebeurt dit bij de lichamelijke wederkomst van Christus. Dat er in dit vers over Zijn lichamelijke wederkomst wordt gesproken, valt ook op te maken uit dat de Heilige Geest zou komen en zij Hem zouden kunnen aanschouwen.

Vervolgens wordt hier over “een enigen zoon” gesproken. Als dit in het Nieuwe Testament zou staan, dan zou er over de “eniggeboren zoon” worden gesproken. Dit woord “enige” wordt in de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuaginta) met “prototoko” vertaald. Dat betekent “eniggeborene”. Aangezien het hier gaat om het Oude Testament dat rechtstreeks uit het Hebreeuws is vertaald, staat dat woord er niet en wordt het met “enigen zoon” vertaald. Het is echter volstrekt hetzelfde als de eniggeboren zoon. Daarvan staat in Zacharia 12:10 dat ze bij Zijn wederkomst over Hem zullen rouwklagen, waarschijnlijk ter gelegenheid van Zijn verschijning op de Olijfberg, als over een eerstgeborene. Als we nu deze twee zinnen onder elkaar zetten, zien we dat “rouwklagen” en “rouwklage” overeen komen met “bitterlijk kermen” en “bitterlijk kermt”, waarna de conclusie getrokken kan worden dat “enigen zoon” en “eerstgeborene” ook dezelfde betekenis hebben. Het zijn weliswaar andere woorden, maar bitterlijk kermen is ook een ander woord dan rouwklagen. Zo is het ook met enigen zoon en eerstgeborene. Het probleem van deze woorden is dat wij ze in onze omgangstaal niet gebruiken en daarom ontlenen we de betekenis ervan aan de samenstelling, de etymologie.

In het geval van de Here Jezus (daar gaat het hier tenslotte over) is dat een duidelijke zaak. Er waren vele mensen genoemd als kinderen of zonen Gods, in de zin dat alles wat ze zijn en hebben, ze oorspronkelijk van God hebben ontvangen. Zo werd ook Adam de zoon van God genoemd en zijn zonen eveneens. De Here Jezus wordt echter in het bijzonder de Zoon van God genoemd, omdat Hij apart is. Hij is uniek, Hij springt eruit. De reden daarvoor is Zijn volmaakte geloof. Er zal ongetwijfeld nog wel meer bijzonders over Hem te melden zijn, maar de Schrift zegt dat het om Zijn geloof gaat. Dat Hij volkomen in het Woord Gods geloofde en vertrouwde. Op grond van Zijn bijzondere geloof heeft God Hem tot Eerstgeborene gesteld en gezorgd dat Hij ook letterlijk de Eerste was Die uit de dood opstond. Hij opende de baarmoeder waardoor Hij door Zijn opstanding uit de dood de Eerstgeborene werd, het eerstgeboorterecht ontving en daarmee de eerstgeboren Zoon van God werd. Er komen er nog meer, maar Hij zou de Eerste zijn. En omdat Hij de Eerste is, is Hij de Unieke, de Onvergelijkbare, de Enige en zelfs de Geliefde, want die betekenis zit er ook aan vast.

In het Nieuwe Testament worden deze termen bij verschillende gelegenheden op Christus toegepast. De term eerstgeborene heeft een meer juridische inhoud. Het woord eniggeborene heeft in principe weliswaar dezelfde betekenis, maar heeft een gevoelswaarde die ergens anders ligt. Het is een woord dat meer spreekt over affectie, over de liefde van God voor Zijn enige Zoon. In dat verband wordt Hij de Enige genoemd in de zin van de Geliefde. Dat is ook de reden waarom Hij tot Eerstgeborene werd gesteld. In de praktijk hebben de woorden geen verschillende betekenis. Ze brengen alleen een verschillende gevoelswaarde met zich mee. Dit is onder andere terug te vinden in Genesis.

1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
2a En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt,… Genesis 22:1, 2a

Dit is de eerste plaats in de Bijbel waar de term voorkomt en het verklaart tegelijkertijd wat de betekenis is. In de eerste plaats wordt gezegd: neem uw zoon, uw enige. Daar achteraan staat dat het om Izak ging. Izak was echter niet de enige zoon van Abram en ook niet de eerste. Ismaël was de eerste en er waren dus in ieder geval twee zonen. Izak wordt niettemin de eerstgeborene genoemd, omdat hij het eerstgeboorterecht kreeg boven Ismaël. Hier wordt hij echter ook uitdrukkelijk de enige genoemd. Er staat: neem uw zoon, uw enige die gij liefhebt. Er wordt meteen de gevoelswaarde van liefhebben aan dit woord gekoppeld. Elke andere keer wanneer we de uitdrukking “de enige” tegenkomen, zeker in verband met de enige zoon, moeten we dat als de geliefde zoon lezen. In het Nieuwe Testament vinden we een paar maal de uitspraak van Godswege over de Here Jezus: “Deze is Mijn Geliefde Zoon in Wie Ik al Mijn welbehagen heb” (Matthëùs 3:17, Matthëùs 17:5, Markus 1:11, Lukas 3:22). Die uitspraak betekent niets anders dan: dit is Mijn Eerstgeboren Zoon, aan Hem geef Ik het eerstgeboorterecht. Dat is de uiteindelijke strekking ervan. Dezelfde uitspraak werd gedaan bij Zijn doop (Matthëùs 3:17), die een beeld van Zijn opstanding is. De andere gelegenheid was bij de verheerlijking op de berg (Matthëùs 17:5). Dat is eveneens een beeld van Zijn opstanding en hemelvaart. De term Geliefde Zoon heeft in de praktijk dus de betekenis van de enige zoon, maar daarmee ook van eerstgeborene, degene die het eerstgeboorterecht zou ontvangen.

Het vervolg van het verhaal is bekend. Abraham moest Izak offeren en in dat verband staat in:

Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. Genesis 22:12

Ook hier wordt weer gesproken over uw enige zoon. Hij was de enige omdat aan hem het eerstgeboorterecht was beloofd.

Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Genesis 21:12

Bij deze gelegenheid wordt Izak door God Zelf, door het uitdrijven van Ismaël, als de eerstgeboren zoon aangewezen. Izak is degene met het eerstgeboorterecht van Abraham. Daarom wordt er ook gesproken over uw zoon, uw enige. In Genesis 22 vinden we al dat die eerstgeborene voor God bestemd zou zijn. Die instelling kwam een paar honderd jaar later onder de wet en bovendien ging het daar officieel over “al wat de baarmoeder opent, de eerstgeborene uit de vrouw” (Exodus 13:2). Hier gaat het om het feit dat deze twee zonen de zonen van Abraham zijn. Izak was, hoewel hij de tweede zoon was, de eerste van Sara. Daar gaat het om. Die wet bestond nog niet, maar wordt hier wel degelijk toegepast. De Heer vraagt Abraham dan zijn zoon te offeren. Hij doet dat ook daadwerkelijk.

En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Genesis 22:16

In bovenstaande verzen is de betekenis van de term duidelijk genoeg. Die moeten we verder in de hele Bijbel vasthouden. Ook in Richteren 11:

Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit zich anders geen zoon of dochter. Richteren 11:34

39 En het geschiedde ten einde van twee maanden dat zij tot haar vader wederkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Voorts werd het een gewoonheid in Israël,
40 Dat de dochteren Israëls van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, den Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar. Richteren 11:39,40

De dochter van Jeftha was alleen, maar dat is niet de eerste betekenis. Dat is namelijk weer de geliefde. Ze was zo geliefd, omdat ze maar alleen was. U weet hoe de geschiedenis verdergaat. Jeftha zou het eerste dat hem tegemoet kwam zodra hij thuiskwam, aan de Heer geven. Dat heeft hij ook moeten doen. Zij werd aan de Heer gewijd. Hetgeen inhoudt dat zij geen man heeft bekend. Zij werd niet gedood, maar van het volk afgezonderd en heeft haar verdere leven in eenzaamheid gesleten. Het gaat hier dus om een enig kind, in dit geval een dochter, maar in dezelfde positie van eerstgeborene. Daarna komen we de term niet meer tegen tot in de Psalmen, waar het in verband wordt gebracht met de Here Jezus.

20 Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
21 Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds. Psalmen 22:20,21

Het zwaard is een beeld van de dood, evenals de hond. Het is niet voor niets dat een hond een onrein dier is. Het is een beeld van de dood. Het beest wordt Kerberos genoemd, de hellehond, die zelfs drie koppen zou hebben gehad. “Red mijn ziel van het zwaard” betekent: red mij van de dood of uit de dood. “Mijn eenzame” heeft dezelfde betekenis als “mijn ziel” en betekent “ik”. “Eenzame” is de vertaling van hetzelfde woord “enige”, zoals we dat eerder tegenkwamen. Het had hier dan ook vertaald moeten worden met: red mij, de enige, of: red mij, de geliefde, van de dood. Als hij de geliefde is of dat zou zijn, doet hij een beroep op de kracht Gods om hem van het geweld des honds, het zwaard, des leeuwen muil of de horens der eenhoornen te verlossen (vers 22). Het gaat erom dat de enige, de eenzame, de zoon, van de dood zou worden gered. Hier is de uitdrukking van toepassing op Christus. Via de Septuaginta zou het woord “eenzame” vertaald moeten worden met “eniggeborene”. Het is volstrekt hetzelfde. Dit is terug te vinden in Psalm 25:

Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Psalmen 25:16

Eenzaam wil ook hier zeggen de enige. Er is geen vergelijkbare. Voor zover het woorden van David zijn, moeten we vaststellen dat hij geen enig kind was en in die zin niet enig. Hij was van alle broers wel die ene die door God Zelf tot het koningschap werd verkoren. In tweede instantie worden de woorden, net als in Psalm 22, op de Here Jezus Zelf toegepast. Hij is Enige, Ellendig en de bedoeling is dat die Ellendige uit de dood zou worden verlost en genade zou ontvangen. Het is een volstrekt Bijbelse waarheid dat ook de Here Jezus Zelf genade ontving. Hij was voor ons tot zonde gemaakt (2 Korinthe 5:21) en de zondaar zou immers sterven (Ezechiël 18:4). Dat is normaal gesproken het einde van het verhaal, maar Hij werd begenadigd en God wekte Hem uit de dood op. Dat had echter een andere grondslag, want opstanding, wedergeboorte of eeuwig leven ontvangt men op grond van geloof. Hij droeg onze zonden en dus stierf Hij, maar Hij was een gelovige en wat voor Een! Daarom werd Hij opgewekt. Omdat Zijn geloof onvergelijkbaar was met het geloof van welk mens dan ook, was Hij de Enige en wekte God Zijn Zoon, de Enige, de Geliefde uit de dood op. Als Eerste, opdat daarmee voor altijd zou kunnen worden vastgesteld dat Hij de Eerstgeborene is. Dat wil zeggen: Degene Die uitermate werd verhoogd en aan Wie een Naam boven alle naam werd gegeven (Filippenzen 2:9). Ook Zijn opstanding was op grond van geloof en dus uit genade. Hij is daarmee vervolgens gezeten op de troon der genade en via Hem ontvangen wij genade. In Éfeze 1:3 staat dat wij gezegend zijn met elke geestelijke zegening in de hemel in Christus. Eén van die zegeningen is dat wij begenadigd zijn. Dat betekent dat Hij genade heeft ontvangen en wij, die aan Hem deel hebben gekregen, die één met Hem geworden zijn, hebben aan Zijn genade deel gekregen. In Éfeze 1:6 staat dat wij zijn begenadigd in de Geliefde. De Geliefde is een verwijzing naar de Enige en ook naar waarom Hij die Enige en Onvergelijkbare was. Dat was namelijk op grond van Zijn geloof. In de uitdrukking dat we begenadigd zijn in de Geliefde ligt vast dat we genade hebben ontvangen uit Zijn geloof. Er had ook kunnen staan dat we begenadigd zijn in de Eniggeborene, want dat heeft in de praktijk dezelfde strekking.

HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen. Psalmen 35:17

“Mijn ziel” komt overeen met “mijn eenzame” en betekent “ik”. Je kunt dus lezen: “breng mij weder van hun verwoestingen, breng mij (de enige of eniggeborene) weder van de jonge leeuwen”, waarbij de jonge leeuwen weer een beeld van de dood zijn. Hier is het weer de geliefde die bidt om verlossing en op grond van het feit dat hij de geliefde was, werd hij tot zoon gesteld. Zo worden die twee begrippen, geliefde en zoon, aan elkaar verbonden.

6 Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.
7 Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre. Psalmen 68:6,7

De vertaling “eenzamen” lijkt hier heel terecht aangezien het gaat om degenen die alleen zijn en in een huisgezin worden geplaatst. Aan de andere kant kan het net zo goed met “de geliefden” worden vertaald, namelijk God Die Zijn geliefden in een huisgezin zet en Die degenen uitvoert die in boeien gevangen (ballingschap) zijn. We herkennen twee toepassingen van deze uitspraak. De ene is de toepassing op Israël straks in de toekomst, wanneer degenen die in ballingschap zijn, die verlaten maar wel degelijk geliefd zijn, worden verzameld en in het huis Israëls, het land Kanaän worden gebracht. Aan de andere kant is het een uitspraak over de gelovigen van vandaag die eenzaam zijn, uitgegaan buiten de legerplaats, in ballingschap, gevangen en vreemd van het burgerschap Israëls (Éfeze 2:12). Zij worden gezet in een huisgezin waarbij het Huis Gods door de Gemeente wordt vormgegeven (Hebreeën 3:6 ; 1 Timótheüs 3:15). De vraag is nu of de term “eenzamen” hier weer de betekenis van eerstgeborenen heeft. Dat is inderdaad het geval. Waar het van toepassing is op de Gemeente spreken wij ook over een Gemeente van Eerstgeborenen. Waar het van toepassing op Israël wordt gebracht, is het inderdaad zo dat Israël eerstgeboorterecht zou ontvangen. De betekenis zit er dus wel degelijk achter, alhoewel ik erbij moet zeggen dat die hier niet aan de oppervlakte wordt gevonden.

Er zijn nog vier Schriftplaatsen in het Oude Testament waar de term gebruikt wordt.

1 Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2 Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
3 Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder. Spreuken 4:1-3

Er wordt gesproken over de tedere zoon en de enige zoon. De tedere wil zeggen: de zachte of de zachtmoedige. Salomo ontving dat eerstgeboorterecht vanwege het feit dat hij teder was. Wat kan dat anders betekenen dan dat hij een teder gemoed had? Hij liet zich onderwijzen. In hoogste instantie betekent dit dat wij ons zouden laten onderwijzen door het onderwijs Gods, namelijk de Torah, de wet oftewel door het Woord Gods. Waar wij ons laten onderwijzen door God, krijgen wij deel aan Christus en aan Zijn Leven, want Christus is Wijsheid Gods (1 Korinthe 1:24). Zachtmoedigheid is in de Schrift een synoniem voor de bereidheid te geloven, te luisteren of zich te onderwerpen. Zo is het met de Here Jezus. Hij was zachtmoedig, gelovig en vandaar dat Hij in het Nieuwe Testament ook de uitspraak doet: “zalig zijn de zachtmoedigen” (Matthëùs 5:5). Salomo was geen enigst kind. Hij was wel de eerste uit zijn moeder. Zijn moeder zorgde ervoor dat Salomo op de troon kwam. Hij werd echter niet de stamvader van de Here Jezus. Die gedachte is een hardnekkig misverstand. De koningen die er tot op heden uit het huis van David geweest zijn, waren allen uit Salomo. Ik bedoel daarmee het twee-stammenrijk. Dit ging tot Jechónias aan toe, maar die stierf kinderloos. Dit was in de ballingschap en daarna heeft er niemand meer op de troon gezeten. Er waren wel erfgenamen van de troon, maar die waren erfgenamen via de broer van Salomo, oom Nathan. Dat is weer een prachtige illustratie van hoe dat eerstgeboorterecht toch altijd weer ergens anders terechtkomt. Niet bij de eerste, Salomo in dit geval, maar bij de tweede.

Wat ik nu aanhaal over Salomo en Nathan is precies hetzelfde als wat er met de twee en de tien stammen gebeurde. De geschiedenis zette zich voort via Salomo en daarna verdween het koningschap en heeft er niemand meer op de troon gezeten. Het erfrecht van de troon kwam terecht bij de familie van Nathan, maar zij zaten niet op de troon. Dat gebeurt in de toekomst nog, wanneer de Here Jezus op de troon zal zitten. Hetzelfde gebeurde met de geschiedenis van Israël. Die ging verder met het twee-stammenrijk, het Joodse volk, en daarna hield de geschiedenis op. Dat liep min of meer dood bij de eerste komst van Christus en in onze dagen kennen wij geen Israël meer, althans geen ammi (mijn volk) naar het vlees. Niettemin wordt Gods werk voortgezet aan de andere tak van de familie. Dat zijn wij in onze dagen, erfgenamen van God en mede-erfgenamen met Christus (Romeinen 8:17). In de toekomst zullen wij met Christus op de troon zitten, waarbij de lijn uit Nathan en de lijn uit de tien stammen van Israël bij elkaar komen.

1 Verder zeide de koning David tot de ganse gemeente: God heeft mijn zoon Salomo alleen verkoren, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, den HEERE.
2  Ik heb nu uit al mijn kracht bereid tot het huis mijns Gods, goud tot gouden, en zilver tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten werken; sardónixstenen en vervullende stenen, versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen, en marmerstenen in menigte. 1 Kronieken 29:1,2

Het woord “alleen” in deze tekst is een ander woord dan hiervoor besproken, maar wel met dezelfde strekking. Het gaat hier over de bouw van de tempel door Salomo. Dat is een beeld van de bouw van de Gemeente in onze dagen door Christus. David kondigt hierbij ook zijn opvolger aan. Niet zozeer op de troon, want dat komt pas later.

O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enigen zoons, een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen. Jerema 6:26

Hier wordt gesproken tot het Joodse volk (eventueel tot Jeruzalem), waarbij de ondergang van Jeruzalem wordt aangekondigd. De gedachte is dat de enige zoon zal sterven. Hier wordt de term toegepast op Israël, op het volk als zodanig.

En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het landstellen in rouw, als er is over een enigen zoon, en deszelfs einde als een bitteren dag. Amos 8:10

Er zal rouw zijn vanwege de ondergang van Israël, vanwege het oordeel dat de Heer over Israël zou brengen. Dit zijn geen prettige profetieën. Niettemin wordt in de profetie niet alleen over de ondergang van het volk gesproken, maar tegelijkertijd wordt over die enige zoon gesproken. Dat was Israël onder de volkeren der aarde. Israël was namelijk geroepen tot eerstgeboorterecht.

De term “eniggeboren” vinden we voor het eerst in Lukas 7, maar niet in verband met de Here Jezus.

11 En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Nam, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare.
12 En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar. Lukas 7:11, 12

In de eerste plaats is deze jongeling van Naïn een beeld van de Here Jezus Zelf. In tweede instantie is het een beeld van hoe de Gemeente in onze dagen tot stand komt. De zoon is de zoon zijner moeder, waarbij de moeder een beeld is van Israël. De zoon is uiteindelijk, althans nadat hij opgewekt is, een beeld van de Gemeente. Voor de opwekking is hij een beeld van de tien stammen van Israël: dood, zoek, weg, ten grave gedragen. Er staat tevens dat hij een jongeling van Naïn is en die vinden we ook in het Oude Testament. Die jongeling was uit Efraïm, namelijk Jozua, de zoon van Naïn of Nun (Naïn is de Griekse versie van de naam Nun). Jozua was die jongeling, degene die Mozes zou opvolgen. Jozua uit Nun, afstammeling van Efraïm, is een beeld van Christus in het bijzonder in onze tegenwoordige tijd. Christus, de Gemeente en Efraïm worden hiermee met elkaar in verband gebracht. Uitgebeeld wordt het weer tot leven komen van de tien stammen van Israël, maar de gedachte is dat de Gemeente daaruit voortkomt. De moeder is Israël, de dode zoon is een beeld van de tien stammen die worden opgewekt en waaruit de Gemeente ontstaat. De zoon wordt genoemd als eniggeboren zoon van zijn moeder. Dat hij daarmee geliefd was, moge duidelijk zijn. In het bijzonder gaat het hier echter weer over eerstgeboorterecht, want dat zit eraan vast.

40 En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende.
41 En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.
42 Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen. Lukas 8:40-42

Deze enige dochter is een beeld van de twee stammen van Israël, het Joodse volk, de dochter van de overste van de synagoge. Het is een puur Joodse context terwijl de enige zoon uit het vorige hoofdstuk een beeld van de tien stammen is. Die tien stammen komen we hier trouwens ook weer tegen in de vrouw die twaalf jaar lang de vloed des bloeds had en werd genezen. 

28 En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij medenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op den berg, om te bidden.
29 En als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezichts veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende.
30 En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elias.
31 Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.
32 Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden.
33 En het geschiedde, als zij van Hem afscheidden, zo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elias een; niet wetende, wat hij zeide.
34 Als hij nu dit zeide, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.
35 En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem! Lukas 9:28 -35

Dit is een uitbeelding van de verheerlijking van de Gemeente samen met Christus. Vervolgens wordt de uitdrijving van die boze geest uit de maanzieke knaap beschreven. Dat is een beeld van Israël in de toekomst en meer in het bijzonder een beeld van het Joodse volk. De gedachte is dat de verheerlijking op de berg een uitbeelding is van onze bedeling en dat de genezing van de maanzieke knaap een uitbeelding is van de volgende bedeling. Onze bedeling staat in relatie tot de tien stammen (Gemeente) en de volgende bedeling tot de twee stammen (Israël). Van beide wordt gezegd dat zij eniggeborenen zijn.

En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1:14

Hier wordt de term “eniggeboren” expliciet op de Here Jezus Christus en in het bijzonder op Zijn opstanding van toepassing gebracht. Dat is niet algemeen bekend, maar het is wel zo. De uitspraak: “…wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader…” is een uitspraak over de opgewekte Christus en eventueel over de Christus die Johannes ter gelegenheid van de verheerlijking op de berg heeft gezien. Zo spreekt Petrus er namelijk over in 2 Petrus 1. Die zegt ook dat zij een verheerlijkte Christus aanschouwd hebben en dat baseert hij op de verschijning in heerlijkheid van Christus op de berg der verheerlijking. Johannes licht deze uitspraak later toe in i Johannes, zijn eerste brief. Die uitspraak over de Eniggeborene van de Vader in Johannes 1:14 is een uitspraak over de opgewekte Christus, Die bij Zijn Opstanding tot Eerstgeborene werd aangesteld. Ook hier gaan de uitdrukkingen als het ware in elkaar over. De betekenis blijft volstrekt hetzelfde.

Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon,  Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem om verklaard. Johannes 1:18

Dat is een uitspraak die overeenkomt met de andere uitspraken in de brieven, waarin wordt gezegd dat Christus het Afschijnsel van Gods Heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld van Gods Zelfstandigheid is (Hebreeën 1:3). Hier staat het met de woorden van Johannes iets anders, maar de gedachte blijft dezelfde. De onzienlijke God drukt Zich uit in de Christus, in het bijzonder in de opgewekte Christus. Hier wordt de term dan ook op gelijke wijze gebruikt. Er had ook de eerstgeboren zoon kunnen staan.

Johannes 3:14-16

14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;
15Opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Johannes 3:14-16

De bedoeling is dat wij geloven in Degene Die God uit de dood heeft opgewekt. De eniggeboren Zoon uit vers 16 is Dezelfde als de Zoon des Mensen die verhoogd werd uit vers 14 en die werd uitgebeeld door de slang in de woestijn die verhoogd werd. Daarmee wil maar gezegd zijn dat die Eniggeboren Zoon de Verhoogde is: de verhoogde Slang, de verhoogde Zoon des Mensen, de Opgewekte. Ook hier is het een uitspraak over het eerstgeboorterecht van Christus. In Romeinen 8:29 lezen we: opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. Als wij namelijk in Hem geloven, zijn wij erfgenamen van God en mede-erfgenamen met Christus en dus broeders van Christus, om welke reden Hij Zich niet schaamt ons Zijn broeders te noemen (Hebreeën 2:11). Ook hier dus een uitspraak over de Opgewekte Die de Eersteling is geworden van een nieuwe schepping.

18 Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. Johannes 3:18

Die Naam duidt op Zijn hoedanigheden. Eén van die hoedanigheden is dat Hij de Eniggeborene, namelijk de Eerstgeborene is. Hij is uitermate verhoogd en alle dingen zijn Hem onderworpen (Filippenzen 2:9; Hebreeën 2:8).

Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak  geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, Hebreeën 11:17

Het is duidelijk dat de term “eniggeborene” de betekenis heeft van eerstgeborene, want wat heeft het anders met die beloften van doen? Die zouden immers vererfd worden van Abraham via Izak naar Jakob en zo verder. Over dat erfrecht wordt gesproken. God had Izak al tot zoon, tot eerstgeborene gesteld. Als er dan ook staat dat Abraham zijn enige zoon geofferd heeft, kan dat alleen maar betekenen dat het de eerstgeborene was, ook al staat er een andere uitdrukking.

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. 1 Johannes 4:9

Bij dit vers staat de tekstverwijzing naar Johannes 3:16. De uitspraak hier is inderdaad een uitspraak over de verhoogde Christus. Dit vers zegt dat Christus nu voor ons leeft en dat is de uitdrukking van de liefde Gods.

Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. 1 Johannes 3:16

Niemand van ons gelooft hoogstwaarschijnlijk dat het tweede deel van dit vers betekent dat wij geacht worden voor onze broeders te sterven. Het eerste deel betekent in dit verband ook niet dat de Heer voor ons gestorven is. Het is precies andersom: het eerste deel van 1 Johannes 3:16 betekent dat Hij voor ons leeft. Daaruit vloeit dan voort dat wij ook schuldig zijn voor onze broeders te leven. De gedachte is namelijk dat de Here Jezus leeft om ons te dienen, om onze belangen te behartigen en te geven wat wij nodig hebben. De bedoeling is dat ook wij aan onze broeders geven wat zij nodig hebben, dat wij elkaar dienen. De uitspraak dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft, wijst terug naar Johannes 10:11, naar de goede herder die zijn leven voor de schapen stelt. Dat betekent niet dat hij voor de schapen sterft, want de schapen hebben geen baat bij een dode herder. Als de herder sterft, dwalen de schapen zonder herder rond. De Bijbelse gedachte is dat de goede herder blijft leven en zoveel levenskracht heeft dat hij de vijanden van de schapen overwint, zoals bijvoorbeeld de leeuw, de beer en de Filistijn (1 Samuël 17:36). De herder sterft niet, maar leeft voor de schapen en dus stelt hij zijn leven voor de schapen. Christus is nu onze Herder sinds Zijn opstanding. Sindsdien sterft Hij uiteraard niet, ander zou Hij geen beste Herder zijn. Dezelfde gedachte vinden wij hier ook. Dat Hij Zijn leven voor ons heeft gesteld, betekent dat Hij Zijn leven aan ons heeft gewijd. In Éfeze 5:2 staat dat Christus Zich voor ons allen heeft overgegeven. Dat is een uitspraak die nog enige malen herhaald wordt, zowel in Éfeze als in de andere brieven. In Éfeze 5:25 en 26 staat dat Christus Zich overgegeven heeft voor de Gemeente, om die te heiligen en te reinigen. Dat is hetzelfde wanneer een goede herder zijn leven voor de schapen stelt. Dat betekent in alle gevallen dat Christus leeft voor de Gemeente, de Gemeente dient en voor ons zorgt. Hij heeft Zich namelijk voor ons allen overgegeven ofwel geofferd, want dat is precies hetzelfde.

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. 1 Johannes 4:9

Dit slaat niet op Zijn geboorte in Bethlehem. Hij bevindt Zich wel in de wereld, namelijk in ons. Dit is hele gebruikelijke terminologie bij Johannes. Denk aan Johannes 14,15 en 16 waarin de Heer zegt dat Hij bij ons zou komen, in ons zou zijn, in de gelovige woning zou maken. Daarover gaat het hier. God heeft Zijn Zoon in de wereld gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. Het is trouwens dezelfde uitspraak als in Galaten 2:20, waar Paulus zegt dat Hij gestorven is met Christus en met Hem is opgewekt en leeft door het geloof des Zoons van God Die Zich voor hem heeft overgegeven. Niet Die voor hem is gestorven maar Die Zich heeft overgegeven, Die barmhartigheid en hulp verleent te bekwamer tijd (Hebreeën 4:6), Die Zijn kracht in zijn zwakheid volbrengt (2 Korinthe 12:9). Over die Zoon gaat het. De Eerstgeborene aller creaturen (Kolossenzen 1:15), Die geworden is tot Hoofd van de Gemeente (Kolossenzen 1:18). De uitermate verhoogde Christus (Filippenzen 2:9), ver boven alle overheid en macht (Éfeze 1:21), Die aan de Gemeente gegeven is tot Hoofd (Éfeze 1:22).

10 Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
11 En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon.
12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet. 1 Johannes 5:10-12

Christus woont in ons (2Timótheüs 1:14). Hij heeft Zich voor ons beperkt, Zich aan ons gewijd en Zich voor ons overgegeven (Éfeze 5:2). Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18). Daar doet Hij op dit moment niet zoveel mee. Waar Hij Zich nu in onze dagen mee bezighoudt, is de roeping van de Gemeente uit deze wereld. Hij heeft Zich dus overgegeven aan of voor de Gemeente, kortom Hij heeft Zijn leven gesteld voor ons, opdat wij zouden leven door Hem. De andere variant is dat Hij Hogepriester geworden is naar de ordening van Melchizédek naar de kracht des onvergankelijken levens (Hebreeën 7:16- 17). De bedoeling is dat wij in geloof tot Hem naderen om aan Zijn leven deel te hebben en opdat Zijn leven in ons geleefd zou worden.

3. Eerstgeboorterecht nader beschouwd

Het is een algemeen Bijbelse gedachte dat al het eerste wat de baarmoeder opent voor de Heer bestemd is. De eerste vruchten van de oogst, de eerstelingen uwer vee, de eerstelingen uwer deeg, etcetera. Dat wil zeggen dat God vanuit deze oude schepping alles wat eerstgeboren is tot Zich neemt. De Heer Zelf bepaalt wie die eerstgeborene is. Dat lijkt met elkaar in strijd, maar in Gods heilsplan komt dit wel degelijk samen. Aan de ene kant kiest God Zijn eerstgeborene uit, aan de andere kant heeft die op grond van geboorte als zodanig het eerstgeboorterecht. Een vaste uitdrukking is dat alles wat de baarmoeder opent Zijn is (Exodus 13:2). Dat is puur een kwestie van volgorde waarin de dingen gebeuren. Aan de andere kant vinden wij van de Here Jezus dat Hij tussen de mensen uit door God Zelf werd gekozen en gesteld. Dat gebeurde echter doordat God Hem uit de dood opwekte. Zo was Hij toch degene die de baarmoeder opende, maar dan in de overdrachtelijke betekenis.

Toegepast op de Here Jezus zijn dus beide ideeën waar. Hij werd door God aan de ene kant als mens gerekend en vanuit de mensen tot eerstgeborene uitverkoren en gesteld. God gaf Hem daarmee eerstgeboorterecht. Dat is een kwestie van keuze. De andere kant van het verhaal is dat de Here Jezus ook daadwerkelijk de eerste mens is. Echter niet van de oude schepping maar van de nieuwe schepping. God stelde Hem tot eerstgeborene aan en Hij deed dat door Hem als eerste uit de dood op te wekken. De normale gang van zaken is dat de mens op de Jongste Dag zou opstaan, maar voor Hem werd een uitzondering gemaakt. Hij stond ongeveer drieduizend jaar eerder uit de dood op, zodat Hij de Eerste zou zijn. Opdat Zijn eerstgeboorterecht op grond van Zijn opstanding door niemand zou kunnen worden bestreden. Voordat de Heer uit de dood opstond, waren er weliswaar al anderen uit de dood opgestaan, maar zij kwamen in deze oude schepping terug. De Here Jezus stond op met eeuwig leven en uitdrukkelijk als Eersteling van een nieuwe schepping. Daarom heet Hij triomfantelijk de Eerstgeborene uit de doden of de Eerstgeborene der doden (Kolossenzen 1:18, Openbaring 1:5). God wekte deze Mens als Eerste uit de dood op omdat Hij gehoorzaam was aan God. Hij heeft geloof – gehoorzaamheid – geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden (Hebreeën 5:8). Hij werd de Erfgenaam van God. De erfenis bestaat in de praktijk uit de nieuwe schepping, want deze oude schepping verdwijnt. Daarbij is de Heer wel degelijk de Eerste van de oude schepping, maar niet als mens. Als God was Hij natuurlijk van voor Abram, zoals Hij Zelf zegt (Johannes 8:58). Hij was zelfs van voor Adam.

Aan de ene kant is er dus sprake van keuze; de erflater bepaalt zelf wie hij tot zijn eerstgeborene aanstelt. Aan de andere kant is het een vast gegeven in de Bijbel dat alles wat als eerste uit de vrouw wordt geboren, voor de Heer is bestemd. Het komt in de Schrift nogal eens voor dat de baarmoeder wel erg gesloten is, dat er sprake is van onvruchtbaarheid. In die gevallen waarin dan alsnog iemand geboren wordt, is diegene altijd een type van Christus. De geboorte uit de onvruchtbare vrouw spreekt altijd over de opstanding van Christus uit de dood. Dat betekent ook dat God in al die gevallen Zelf gezorgd heeft dat iemand werd geboren die daarbij de baarmoeder opende.

Heerschappij

We pakken de draad op bij Genesis in de wetenschap dat de Schrift twee verschillende personen met de naam Adam kent. De eerste Adam is de Adam uit Genesis en de tweede of laatste Adam uit ondermeer i Korinthe 15:45, is de Here Jezus Christus. Daar wordt over deze twee gezegd dat niet de eerste, maar de laatste het eerstgeboorterecht zou ontvangen. Ook in Genesis speelt dit een rol, al wordt het niet uitgebreid vermeld. Er wordt gesproken over de zonen van Adam, namelijk Kaïn en Habel. Wij noemen Habel gewoonlijk Abel, maar er staat echt Habel of Hebel.

4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;
5 Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
6 En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen. Genesis 4:4-7

Het einde van vers 7 is een uitspraak over de eerstgeborene, want dat was Kaïn. De normale gang van zaken zou zijn dat Kaïn over Abel zou heersen, omdat hij nu eenmaal oudere rechten had. Van Adam werd al gezegd dat hij vruchtbaar zou zijn en zich zou vermenigvuldigen, de aarde zou “vervullen” (= vullen) en onderwerpen. Tot hem werd het volgende gezegd:

En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! Genesis 1:28

Adam zou heerschappij hebben over de gehele aarde. Hij zou een hogere positie dan elk ander schepsel op aarde innemen, zo blijkt ook uit Genesis 1:26. Bij het verschijnen van Adams zonen Kaïn en Abel is de vraag aan wie dat eerstgeboorterecht zou worden overgedragen. Wie zou de rechten van Adam erven? Het is een misverstand dat Genesis 1:28 voor de hele mensheid zou gelden. De heerschappij wordt slechts aan één mens toegewezen, namelijk aan Adam. Op het moment dat hij sterft, wordt de vraag interessant naar wie deze heerschappij moet overgaan. Genesis 4 gaat er vanuit dat Kaïn als oudste over zijn broer zou heersen. Zij waren broers van dezelfde vader, maar de één wordt geacht heerschappij over de ander te hebben. Evenals later bij de geschiedenis van Ezau en Jakob wordt gezegd dat de meerdere de mindere zal dienen (Genesis 25:23). Ook daarbij blijkt dat de oudste in de praktijk niet de meerdere zou zijn. Het zou worden omgedraaid. Dat gebeurt ook hier. Kaïn heerste niet over zijn broer, maar sloeg hem dood. Daarmee verspeelde hij kennelijk ook zijn eerstgeboorterecht.

En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen. Genesis 4:25

De geschiedenislijn die bij Adam begint, met betrekking tot heerschappij over de hele aarde, loopt dan ook niet via Kaïn, maar via Seth. De familie van Kaïn sterft overigens uit in de zondvloed. De overlevende in de zondvloed is Noach en dat is een directe afstammeling van Seth, die in de plaats van Abel werd gezet. Zodra erin de Bijbel wordt gesproken van het eerstgeboorterecht, is er al sprake van een omkering. De rechten gaan niet naar degene die als eerste geboren werd, maar naar de tweede. Van de eerste wordt gezegd dat als alles normaal zou verlopen, hij over alle anderen zou heersen. Heerschappij was aan Adam gegeven en kwam daarna terecht bij zijn erfgenaam, die op grond daarvan de eerstgeborene werd genoemd. Met volgorde heeft dat verder niets van doen. Dat de eerstgeborene heerschappij zou hebben, is ontleend aan de heerschappij van Adam zelf.

Het dubbele deel

15 Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn;
16 Zo zal het geschieden, ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is.
17 Maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is het zijne. Deuteronomium 21:15-17

De term “de gehate” betekent “de achtergestelde” of “de minder geliefde”. Dat blijkt uit ondermeer de geschiedenis met Jakob en Ezau: “…nochtans heb Ik Jakob liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat,…” (Maléachi 1:2, 3). God gaf zowel aan Jakob als aan Ezau een erfdeel, zij het wat minder aan Ezau. Die was er in ieder geval niet ontevreden mee, want hij zei dat de Heer hem veel had gegeven (Genesis 33:9). God had Jakob lief en Ezau gehaat en dus zegt Jakob dat de Heer hém alles heeft gegeven en Ezau minder, zodat er toch een verschil was. Dit betekent dat de uitdrukking “gehate” niet zo’n negatieve term is als wij in het hedendaagse Nederlands interpreteren. Uit vers 16 blijkt dat de vader zelf bepaalt hoe hij de erfenis verdeelt. Het recht der eerstgeboorte gaat naar de gehate. Hij krijgt een dubbel deel. Het eerstgeboorterecht houdt dus in dat de eerstgeborene een dubbel deel krijgt: tweemaal zoveel als de andere zonen. Als er twee zonen zijn, wordt de erfenis in drieën verdeeld. Degene met het eerstgeboorterecht krijgt twee delen en de ander één deel. Daar waar het eerstgeboorterecht in de Bijbelse geschiedenis wordt verwisseld, gebeurt dat omdat het een uitbeelding is van Gods eigen handelen met Zijn Zoon.

Koningschap

Het “dubbele deel” spreekt in verband met het eerstgeboorterecht ook over koningschap. Als de koning meerdere zonen heeft en als al die zonen een stukje van het koninkrijk zouden erven, dan is er in de praktijk geen koninkrijk meer over. Daarom wordt geregeld dat het koningschap aan slechts één van de zonen wordt gegeven. Het gaat erom dat het koninkrijk in stand gehouden moet worden en daarom wordt het slechts aan één van de zonen van de koning gegeven. Degene die het koninkrijk erft, is per definitie de eerstgeborene. Zo’n uitspraak staat ook in 2 Kronieken:

1 Daarna ontsliep Josafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
2 En hij had broederen, Josafats zonen,  Azarja, en Jehiel, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, den koning van Israël.
3 En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was. 2  Kronieken 21:1-3

Het is niet bekend of Joram echt als eerste werd geboren, maar dat betekent de uitdrukking ook niet. Hij is nu eenmaal de eerstgeborene en ontvangt het eerstgeboorterecht. Zijn vader had hem uitgekozen en hij ontvangt dus het koningschap. Hier wordt rechtstreeks het verband gelegd tussen koningschap of koninkrijk en eerstgeboorterecht. De term “eerstgeborene” wordt als een eervolle titel beschouwd vanwege het koningschap dat nu eenmaal aan dat eerstgeboorterecht vastzit.

21 En de HEERE zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.
22 Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.
23 En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden! Exodus 4:21-23

Dit is een uitspraak over het gehele volk Israël. Hoewel hier niet over koningschap wordt gesproken, wordt wel geïmpliceerd dat het koningschap te maken heeft met de positie van eerstgeborene. Dit Israël zou het volk zijn aan wie het koningschap over alle andere volken zou worden gegeven. Als van de eerstgeboren zoon gezegd kan worden dat hij een positie inneemt waardoor hij over de andere zonen heerst (Genesis 4:7), kan hetzelfde van een volk worden gezegd. God verstrekt eerstgeboorterecht aan Israël als volk en dat kan alleen maar betekenen dat alle volkeren der aarde ooit door Israël zullen worden geregeerd. Het betekent dat er in de toekomst een Israëlitisch wereldrijk wordt gevestigd.

In de Bijbel vinden we twee lijnen die het stellen van Israël als eerstgeboren volk illustreren. In de dagen van Exodus was er sprake van een Egyptisch wereldrijk. Dit Egypte speelt in de Bijbel de rol van de moeder van Israël. Op het moment dat erin de Bijbel vastgesteld wordt dat er een volk Israël bestaat, is dat volk in Egypte en wordt het als het ware uit Egypte geboren. Israël werd genomen en verlost uit Egypte om uiteindelijk in de toekomst de toenmalige positie van Egypte over te nemen. Het eerstgeboorterecht van Egypte wordt weggenomen en gegeven aan Israël. God verkiest Zich Israël als volk met eerstgeboorterecht in vergelijking tot alle andere volken.

De geschiedenis van de verlossing van Israël uit Egypte is te vergelijken met de roeping van Abram uit Babel, Ur der Chaldeeën. Babel had een ouder eerstgeboorterecht van de volkeren. Uit Babel zijn alle volkeren geboren en daarmee ook alle afgoderijen. Vandaar dat Babel ook wel de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde wordt genoemd (Openbaring 17:5). Bij de roeping van Abram is er sprake van hoe het eerstgeboorterecht van Babel werd weggenomen en via Abram aan Israël werd gegeven.

7 Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël.
8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.
9 Zij zullen komen met geween, en met smeltingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene. Jeremia 31 : 7-9

Dit hoofdstuk spreekt in het algemeen over het Nieuwe Verbond. De zaken rond het eerstgeboorterecht in oudtestamentische tijd wijzen altijd op de vervulling ervan onder het Nieuwe Verbond door de komst van Christus. De laatste twee uitspraken uit vers 9 zijn synoniem. “Ik ben Israël tot Vader” wil zeggen dat Israël dat eerstgeboorterecht boven alle volkeren heeft. Dat werd eerder in vers 7 al gezegd. “Het hoofd der heidenen” is een bevestiging van de vooraanstaande positie van Israël boven de volkeren. De laatste uitspraak in vers 9 “en Efraïm is Mijn eerstgeborene” gaat ook over die vooraanstaande positie. Het eerstgeboorterecht binnen Israël is inderdaad naar de stam van Efraïm gegaan. Waarom staat er dan niet: “Juda is Mijn eerstgeborene?” De Koning van dit Israël zou namelijk niemand anders zijn dan de Here Jezus Christus uit het zaad van Juda. Toch wordt Efraïm genoemd. Dat komt omdat deze uitspraak in Jeremia eerst wordt toegepast op de Gemeente in onze dagen en daarna alsnog op Israël in de toekomst.   Israël en Efraïm zijn grotendeels synoniem en in dat licht dient ook vers 20 gelezen te worden.

Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE. Jeremia 31:20

In de rest van het hoofdstuk wordt gesproken over het Nieuwe Verbond dat gesloten zou worden met Israël en Juda, met alle twaalf stammen. Israël zou de beloofde positie ontvangen en ook officieel en in de praktijk tot eerstgeborene over de volkeren der aarde worden aangesteld. Er mogen dan vele koninkrijken elkaar opvolgen,maar het koninkrijk zal uiteindelijk aan geen ander volk worden overgelaten (Daniël 2:44). Het gaat in Daniël om het beeld van Nebukadnezar dat de wereldrijken der aarde voorstelt. Er valt vervolgens een steen die dat hele beeld vernietigt. De steen is Christus, maar dat neemt niet weg dat het hier niet alleen gaat over Christus maar over geheel Israël. De Gemeente is daarin tevens meegenomen. Christus, de Gemeente en Israël worden allemaal in die ene steen uitgedrukt. Alle volkeren zullen daaraan worden onderworpen.

Eerstgeboorterecht toegepast op Christus

Eerstgeboorterecht houdt dus koningschap in, maar wordt uiteindelijk toegepast op de Mens met het hoogste eerstgeboorterecht dat er is. Niet alleen omdat Hij de Eerstgeborene is van Adam, maar ook de Eerstgeborene van God Zelf. Aan de ene kant is Hij Erfgenaam van Adam en aan de andere kant Erfgenaam van God. In de praktijk is het verschil niet zo groot, want ook Adam had zijn koningschap van God gekregen. Via Adam wordt het uiteindelijk vererfd naar de Zoon van Adam, namelijk Christus. Dat is de lange lijn. De korte lijn is dat de Here Jezus door God Zelf was verwekt en vervolgens door Hem als Zoon werd erkend en daarmee eerstgeboorterecht ontving.

14 In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden;
15 Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen. Kolossenzen 1 :14, 15

Dat zijn weliswaar twee uitspraken, maar de tweede is afgeleid van de eerste. Als Christus het uitgedrukte beeld van Gods Zelfstandigheid is (Hebreeën 1:3), de veruiterlijking van de onzienlijke en onkenbare God, dan is Hij de vertegenwoordiger van God en als zodanig heeft Hij de oudste rechten in de schepping. Als Hij Zich bovendien openbaart als mens, dan is Hij de mens met de hoogste rechten en per definitie de Eerstgeborene. Niet alleen onder de mensen maar onder alle creaturen. Dat is een lijn die hier vanuit God wordt getrokken. Langs de weg van Adam ligt het echter meer voor de hand. Adam zou over de mensheid heersen. Daarom profileert de Here Jezus Zich in Zijn omwandeling op aarde niet als de Zoon van God. Hij noemt Zich uitdrukkelijk en hardnekkig de Zoon van Adam, de Zoon des mensen. Het betekent eerstgeborene te midden van de mensen. Degene met de hoogste en tegelijkertijd de oudste rechten. Zijn rechten zijn nog ouder en hoger omdat Hij God is, dan wel de veruiterlijking van de Godheid. De woorden die we hier vinden komen overeen met de woorden uit Filippenzen 2.

7 Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;
8 En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.
9 Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;
10 Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Filippenzen 2:7-10

God heeft Hem een naam – een titel boven alle naam – gegeven, opdat iedereen en alles aan Hem onderworpen zouden zijn.

16 Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;
17 En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem; Kolossenzen 1: 16,17

In de schepping draait alles om Hem en de schepping is er ook terwille van Hem. Dat betekent tegelijkertijd dat alle lijnen uit de Bijbelse geschiedenis bij Hem terechtkomen. Alle dingen zijn tot Hem geschapen. We kunnen het wel over eerstgeboorterecht hebben, maar het heeft weinig zin als we niet de consequentie trekken dat het eerstgeboorterecht uiteindelijk in hoogste instantie op Christus Zelfvan toepassing is. De uitdrukking “voor alle dingen” betekent: voor in rangorde, ouder in rang. Er had net zo goed kunnen staan dat Hij boven alle dingen is.

Opstanding uit de doden

En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. Kolossenzen 1:18

Hier wordt de term eerstgeborene nog nader toegelicht. Er wordt bij gezegd dat Hij de Eerstgeborene uit de doden is. Dat wil zeggen dat Hij van tussen de doden uit, met achterlating van de overige doden, werd opgewekt. Hij werd als eerste opgewekt en op die grond, volgens de beginselen van de nieuwe schepping, is Hij Degene met het eerstgeboorterecht en is Hij daadwerkelijk de Eerste, ook chronologisch gezien. Hij is de Eerste die opgewekt werd in nieuwheid des levens, in een verheerlijkt lichaam. Daarom is Hij de Eerstgeborene. Hij was weliswaar niet de eerste mens, maar wel de eerste Mens die als nieuwe schepping uit de dood opstond. Op die grond heeft Hij het eerstgeboorterecht.

God heeft Hem opgewekt uit de doden voor de opstanding der doden, opdat Hij uitdrukkelijk in allen de Eerste zou zijn. Normaal gesproken zou die opwekking tot de Jongste Dag moeten wachten. Iets dergelijks gebeurt met de Gemeente ook. Waar wij Zijn lichaam zijn, zullen wij eveneens voor de Jongste Dag uit de doden worden opgewekt, opdat wij in Zijn Eerstgeboorterecht zouden delen. Dit heet dan ook een Gemeente van eerstgeborenen (Hebreeën 12:23).Toen de Here Jezus zijn discipelen verbood hierover te praten, totdat de Zoon des Mensen uit de dood zou zijn opgestaan, vroegen zij zich af wat opstanding uit de doden was. Uit het Oude Testament kenden zij wel de opstanding op de Jongste Dag. Martha zegt in Johannes 11:24 dat zij weet dat Lazarus in de opstanding ten laatsten dage zal opstaan. De Heer zegt ook meerdere malen dat Hij de Zijnen zou opwekken ten uitersten dage (Johannes 6:39, 40, 44, 54). De Heer spreekt nu echter over opstanding uit de doden en dat betekent opstanding met achterlating van de overige doden. Die term kenden ze niet, omdat die niet in de Bijbel gevonden wordt. Zelfs als het over de opstanding van de Messias gaat, is het niet duidelijk dat dit ongeveer 3000 jaar voor de Jongste Dag zou gebeuren. Als er dus al uit het Oude Testament geconcludeerd kan worden dat de Messias zou opstaan, dan weetje niet beter dan dat dit bij de opstanding der doden zou zijn.

Eerstgeboorterecht en hogepriesterschap

Wat ook aan de eerstgeborene gegeven wordt, is het hogepriesterschap. In Israël waren het eerstgeboorterecht, het koningschap en het priesterschap van elkaar gescheiden. Het bleken verschillende ambten te zijn en zij konden in theorie aan verschillende mensen worden gegeven. Zo gebeurde het ook onder de wet. Het eerstgeboorterecht onder alle stammen kwam bij Efraïm terecht. Het koningschap werd aan Juda gegeven en het priesterschap aan Levi. Aaron, de eerste hogepriester was de eerstgeborene uit deze stam. Voor elke hogepriester gold dat hij ongeacht de afstamming, de eerstgeborene was. Ook nu weer niet onder alle stammen, maar wel binnen de stam van Levi. In Numeri   wordt als eerste gesproken over de stam van Levi.

47 Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.
48 Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:
49 Alleen de stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israël.
50 Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren.
51 En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.
52 En de kinderen Israëls zullen zich legeren, een ieder bij zijn leger, en een ieder bij zijn banier, naar hun heiren.
53 Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israëls zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.
54 Zo deden de kinderen Israëls; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij. Numeri 1:47-54

In dit Schriftgedeelte wordt duidelijk dat de Levieten niet zonder meer bij het volk werden geteld. In Numeri 1 wordt het volk geteld, exclusief allen die tot de stam van Levi horen. Dat betekent niet dat de Levieten niet werden geteld. Zij werden wel degelijk geteld, maar als aparte groep en niet bij het volk als zodanig, omdat zij binnen het volk een aparte positie zouden innemen. Die positie wordt ook beschreven. Hen werd namelijk de zorg toevertrouwd voor alles wat met de godsdienst te maken had. In de praktijk betekende dat de zorg voor alles wat behoorde tot de tabernakel, de dienst van de tabernakel en het transport van de tabernakel. Meer in het algemeen wordt gezegd dat zij “de wacht van de tabernakel der getuigenis zouden waarnemen” (vers 53). Ze zouden die bewaken en daarmee bewaren. Daarom zouden zij ook voor het transport, het onderhoud en de dienst zorg dragen.

Wanneer het volk zich legerde, zou de tabernakel in het midden van het volk worden opgesteld. Eigenlijk was het andersom. De tabernakel werd opgesteld en het volk zou zich daaromheen legeren in vier groepen: naar het noorden, oosten, zuiden en westen. De Levieten zouden hun kamp echter opslaan rondom de tabernakel, in het midden van het volk. Van binnen naar buiten is er eerst de tabernakel, daaromheen de Levieten, dan drie stammen in het noorden, oosten, zuiden en westen. Dat betekent dat de toegang tot de tabernakel door de Levieten werd afgeschermd omdat zij nu eenmaal de wacht van de tabernakel der getuigenis zouden waarnemen. Ze namen dus een bijzondere positie in binnen het volk en in godsdienstige zin hadden ze de meest vooraanstaande positie. Over die Levieten wordt vervolgens gesproken in Numeri 3.

1 Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinaï.
2 En dit zijn de namen der zonen van Aaron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar.
3 Dit zijn de namen der zonen van Aaron,der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.
4 Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEER EN in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aaron. Numeri 3:1-4

De term: “welker hand men gevuld had” wordt speciaal bij priesters gebruikt. De familie van Aaron werd tot priesters gewijd, dan wel hun hand werd gevuld. De familie van Aaron had het eerstgeboorterecht onder de families binnen de stam van Levi. In de familie van Aaron had ook weer iemand het eerstgeboorterecht. Aanvankelijk was dat Aaron, later was dat Eleazar. Eleazar was daarmee eerstgeborene en daarmee hogepriester van Israël maar ook eerstgeborene van de stam van Levi. Hij was zowel de hoogste binnen de stam alsook binnen alle stammen.

De stam van Levi als dienaar van Aaron

5 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
6 Doe den stam Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen; Numeri 3: 5,6

De stam van Levi werd aan Aaron gegeven, opdat zij hem zou dienen. Aaron was de eerstgeborene binnen de stam van Levi en daarmee de hoogste binnen de stam. De Levieten hadden geen andere functie dan Aaron te dienen. Het werk dat Levieten deden werd dan ook altijd als werk van Aaron beschouwd. Alles wat zij deden, deden zij in dienst van Aaron en onder zijn verantwoordelijkheid. Al het Levietische werk was daarmee het werk van de hogepriester. Er valt een vergelijking te maken met de Gemeente in onze dagen. Waar wij de Heer dienen, doen wij Zijn werk. Vandaar dat het voor ons zo belangrijk is te weten wat het werk van Christus is. Als wij dat niet weten, kunnen wij Hem in de praktijk ook niet dienen. Wij zijn aan Hem gegeven om Hem te dienen. De stam van Levi in relatie met de hogepriester van het Oude Verbond is een beeld van de Gemeente in relatie met de hogepriester van het Nieuwe Verbond.

6 Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen;
7 En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht der gehele vergadering, voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen; Numeri 3: 6,7

In Numeri 1:53 staat dat zij de wacht van de tabernakel der getuigenis zouden waarnemen, terwijl hier in Numeri 3:7 staat dat zij de wacht van Aaron zouden waarnemen. Daarbij is uiteraard de gedachte dat Aaron verantwoordelijk was voor de wacht van de tabernakel en al wat daarmee en daarin gedaan zou worden. Alles wat de Levieten deden werd dan ook toegeschreven aan Aaron. Ze werden gegeven aan Aaron opdat zij hem zouden dienen. In godsdienstige zin hadden de Levieten een vooraanstaande positie in Israël, maar dat was een dienende positie.

8 En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht der kinderen Israëls waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen.
9 Gij zult dan, aan Aaron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israëls. Numeri 3: 8,9

In dit vers wordt gezegd dat de Levieten niet alleen aan Aaron worden gegeven, maar ook aan de zonen van Aaron en dus aan de priesters. Aan Aaron werd het hogepriesterschap gegeven en al zijn zonen zouden priesters zijn. De rest van de stam van Levi werd dus aan de eerstgeborene binnen de stam dienstbaar gemaakt. De gedachte die eigenlijk op het hele volk van toepassing zou moeten zijn, vinden we hier toegepast op één stam. De eerstgeborene was inderdaad hogepriester en in het vers is ook nog te lezen dat Aaron een soort koning was over heel de stam van Levi. De Levieten werden hem gegeven om hem te dienen, niet in termen van koningschap en eerstgeboorterecht in verband met het hele volk, maar wel in de beperkte toepassing van de stam van Levi. Alle Levieten waren ondergeschikt aan de familie van Aaron en de familie van Aaron zelfwas ondergeschikt aan hem.

Maar Aaron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. Numeri 3:10

De familie van Aaron krijgt het priesterschap binnen de stam van Levi. Daarom heet het priesterschap ook wel het Aaronitische priesterschap. Bij andere gelegenheden heet het het Levietische priesterschap. In de praktijk is het precies hetzelfde. Wanneer je die termen op het priesterschap toepast hebben ze geen verschillende betekenis meer. Wanneer er niet specifiek over priesterschap wordt gesproken gaat het alsnog om verschillende zaken. Een priester is weliswaar een Leviet, maar een Leviet is daarom nog geen priester. Als men Leviet is en bovendien van Aaron, dan is men ook daadwerkelijk priester. Levieten zijn allen uit de stam van Levi en de priesters zijn daarin besloten. Denk hierbij aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Een priester en een Leviet kwamen over de weg van Jeruzalem naar Jericho. Aan de ene kant is dat hetzelfde, want een priester is een Leviet. Aan de andere kant is het verschillend, omdat een priester binnen de stam van Levi een belangrijkere functie heeft dan een Leviet die geen priester is. Opvallend is dat in dit vers het woord “stellen” wordt gebruikt. Want de zoon of de eerstgeborene wordt immers gesteld. Koningen worden gesteld, maar hier worden priesters gesteld. De term stellen wordt voor alle drie de functies gebruikt.

Het woord “naderen” wordt in de Bijbel dikwijls gebruikt voor de beschrijving van het werk van een priester, namelijk het naderen vanuit het volk voor het aangezicht Gods. Ook het woord “offeren” heeft in het algemeen dezelfde betekenis als naderen. Vandaar dat dezelfde term in het Nieuwe Testament (Hebreeën in het bijzonder) voor onze tegenwoordige positie wordt gebruikt. Hiervan wordt gezegd dat de wet een aanleiding heeft tot een betere hoop door welke wij tot God naderen (Hebreeën 7:19). De term naderen impliceert dat wij priesters zijn. Dat is de praktische Bijbelse inhoud van het woord naderen. De vreemde die dus op een of andere wijze probeert het priesterschap te vervullen, zal worden gedood.

Levieten ontvangen priesterlijke verantwoordelijkheid

11  En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
12 En ik, zie, He heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israëls; en de Levieten zullen Mijne zijn. Numeri 3:10

Dit is uitverkiezing. God heeft de Levieten in plaats van alle (of elke) eerstgeborene uit het midden der kinderen Israëls genomen. De eerstgeborenen die er in de stammen en families van Israël waren, raakten hun priesterlijke verantwoordelijkheid vanaf dit moment kwijt. Die verantwoordelijkheid werd aan de Levieten gegeven. Bij deze gelegenheid wordt meteen bepaald wie de eerstgeborene zou worden, namelijk niet degene met het eerstgeboorterecht, maar degene die de baarmoeder uit de kinderen Israëls opent. Onder eerstgeborene wordt dus verstaan: de eerste man die uit de moeder wordt geboren. Van daaruit wordt uiteraard geteld. Van uit de vader kan ook, maar dan zijn er minder eerstgeborenen. De eerstgeborene van Jozef heette Jakobus, maar de eerstgeborene van Maria heette Jezus (Matthéüs 13:55). Al wat de baarmoeder opent is de eerstgeborene, maar of die eerstgeborene ook het eerstgeboorterecht krijgt, is de hele Bijbel door altijd weer de vraag. Hier dus ook, want al deze eerstgeborenen worden van al hun godsdienstige verantwoordelijkheid ontheven. In het algemeen werden de families door hoofden van de families gecontroleerd, geregeerd. Onder vele volkeren geldt dat nog zo. Een familiehoofd is lang niet altijd de oudste, maar degene die binnen de familie de hoogste rechten heeft. Het gaat er hier om dat de eerstgeborene, het hoofd van de familie, verantwoordelijk voor de familie en in het bijzonder voor godsdienstige aangelegenheden, uit die functie ontheven wordt. De functie voor wat betreft de godsdienst wordt van de eerstgeborenen weggenomen en aan de Levieten overgedragen. Dat betekent in de praktijk dat, wanneer er problemen in verband met godsdienstige zaken zijn, de Israëlieten hiermee niet naar de hoofden van de families moeten gaan, maar naar de Levieten en in het bijzonder naar Aaron, want hij is het hoofd van de hele stam.

Normaal gesproken draagt de eerstgeborene de priesterlijke verantwoordelijkheid, zodat in het algemeen niet in Israël, maar buiten Israël de koning geacht werd priester te zijn. Als hij dat al niet was in de praktijk, dan nog was hij officieel het hoofd van de priesters. We vinden dat bij meerdere gelegenheden in de Bijbel vermeld, in het bijzonder bij Jethro, de koning van Midian of de priester van Midian. Hij was het allebei. Hij was de schoonvader van Mozes. Mozes’ vader in de natuurlijke lijn was Levi, weliswaar met wat generaties ertussen. Via Levi ontving Mozes het Levietische priesterschap, althans zijn broer Aaron. Mozes was de schoonzoon en daarmee de zoon en erfgenaam van Jethro, die koning en priester was van de Midianieten. Eigenaardig genoeg was Mozes daarmee de priester der Midianieten. Meestal denken we niet zo positief over Midian omdat het zich als vijand van Israël opstelt. Ik zou in dat verband ook kunnen verwijzen naar Melchizédek. Hij was ook koning en priester. Het is echter niet helemaal terecht om die verwijzing te maken, omdat het een vergelijking naar de verkeerde kant is. Ik probeer namelijk te laten zien dat in het Oude Testament koningen gewoonlijk priesters waren, maar Melchizédek is geen oudtestamentische, maar een nieuwtestamentische figuur. Hij verscheen als aankondiger van het Nieuwe Verbond nog voordat het Oude Testament ooit bevestigd zou worden en in werking zou treden. In die functie wordt hij dan ook later in het Nieuwe Testament beschreven (Hebreeën 7:1). Melchizédek als koning en priester was niets anders dan de verschijning van de Heer Zelf.

Een ander voorbeeld: In Egypte bleek in de dagen van Jozef dat priesters in dienst van de Farao waren. Farao was in de praktijk dus hogepriester. Priesters staan onder de koning, omdat de koning niet alleen koning, maar officieel ook priester is. Hij is de eerstgeborene binnen het volk en is koning en priester op grond van zijn eerstgeboorterecht. Alleen in Israël werd het van elkaar gescheiden. Wij lezen hier over het feit dat priesterschap aan de stam van Levi gegeven werd. Wat de stammen van Israël betreft, werd al in Genesis het eerstgeboorterecht aan de stam van Efraïm gegeven (Genesis 48:20). Als priesterschap aan één van de stammen van Israël gegeven moest worden, zou het aan Efraïm gegeven worden, maar dat gebeurt niet. Hetzelfde geldt voor het koningschap.   Als koningschap aan één van de stammen van Israël gegeven moest worden, zou het aan Efraïm zijn. Het werd echter aan Juda gegeven. De stam van Levi krijgt in dit vers dus het eerstgeboorterecht, maar niet in de plaats van Efraïm en zeker niet in de plaats van Juda. Dat blijft gewoon bestaan. Het eerstgeboorterecht wordt dan ook enkel in verband met religieuze zaken aan Levi gegeven. Het aardige is dat deze zaken in Israël onder de regels van het Oude Verbond worden geregeld. Later onder het Nieuwe Verbond zou de eerstgeborene van Israël de koning zijn en die was uit de stam van Juda. Dat betekent automatisch dat er een einde aan die bijzondere positie van de stam van Levi kwam, althans zoals onder het Oude Verbond.

De eerstgeborenen worden hier als het ware gelost of verlost uit hun functie, want dat is ongeveer de term die we straks tegenkomen. Hun functie wordt overgenomen door de Levieten in het algemeen. Normaal gesproken waren de eerstgeborenen van de Heer meer dan de rest van Israël. Bij deze gelegenheid worden de Levieten daarvoor in de plaats gesteld. Het eerstgeboorterecht gaat daarmee over naar de Levieten. Het is een overgang die we de hele Bijbel door vinden.

Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen In Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE! Numeri 3 : 13

Als we die uitdrukking begrijpen, begrijpen we ook waarom van de Gemeente in het Nieuwe Testament wordt gezegd dat het een Gemeente van eerstgeborenen is, zoals onder andere in Hebreeën 12:23 wordt genoemd. De eerstgeborenen worden daar in verband met het priesterschap en het Nieuwe Verbond genoemd. De eerstgeborene is degene die de baarmoeder opent en dus wel degelijk degene die als eerste wordt geboren. Dat is voor de Here bestemd. De eerstgeborenen zijn uit de vrouw, waarbij de vrouw uiteraard het oudtestamentische Israël is, de vrouw uit Openbaringen 12. Toen werd de eerste mannelijke zoon geboren. Die werd weggerukt tot God en Zijn Troon, want al wat de baarmoeder opent is Zijn. De eerstgeborenen zijn voor de Heer en tenzij anders vermeld, geroepen tot koningschap en priesterschap. Dat geldt eveneens voor de dieren, alhoewel deze wel konden worden teruggekocht. Ze moesten dan worden betaald, worden gelost. In principe waren ze echter voor de Heer.

16 En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk als hem geboden was.
17 Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari. Numeri 3 : 16, 17

Dat zijn de drie zonen van Levi. Dat betekent dat de stam van Levi in drie families uiteenvalt. Die hebben later ook een verschillende bediening. Genoemd worden de Gersonieten, de Kohathieten en de Merarieten. Gersonieten en Merarieten zijn per definitie geen priesters omdat Aaron uit de familie van Kohath was en priesters dan ook altijd Kohathieten waren. Priesters zijn weliswaar Levieten en Kohathieten, maar niet alle Kohathieten zijn priesters. Ze moeten dan namelijk ook nog van de familie van Aaron zijn en dat geld maar voor een deel van de zonen van Kohath.

Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. Numeri 3 : 39

De twee verwijst in de Bijbel naar eerstgeboorterecht. Hoewel maar één keer wordt genoemd dat de eerstgeborene een dubbel deel ontvangt, blijft het zo dat het getal heel dikwijls wordt gebruikt om naar het dubbele deel van de eerstgeborene te verwijzen. Vandaar dat we nogal wat geschiedenissen tegenkomen, met name in het Nieuwe Testament, waarbij het volgens het ene verslag gaat om één man en volgens het andere verslag om twee. Bij het graf van de Here Jezus ziet men in het ene verhaal één engel (Markus 16 : 5), volgens het andere verhaal ziet men er twee (Lukas 24:4, Johannes 20:12). Volgens het ene verhaal was er één blinde die werd genezen, Bartiméüs (Markus 10:46), volgens het andere verslag waren het twee blinden (Matthéüs 20:30). Volgens het ene verslag was het Legio die werd genezen (Markus 5:9, Lukas 8:30), volgens het andere verslag waren het twee mannen (Matthéüs 8:28). Als het er twee zijn duidt het op het eerstgeboorterecht.

En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen Israëls, van een maand oud en daarboven; en neem het getal hunner namen op. Numeri 3:40

Als het over elke eerstgeborene gaat, zou het aardig zijn als er precies evenveel Levieten als eerstgeborenen waren. De Levieten zouden immers de eerstgeborenen moeten vervangen.

En gij zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben de HEERE!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls, en de beesten der Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israëls. Numeri 3:41

Eerder stond er dat de Heer Zelf de Levieten uit de kinderen Israëls had genomen. Dezelfde nadruk vinden we hier ook terug wanneer de Heer zegt: Ik ben de Heere. Hij maakt de dienst uit en kan dat doen. De apostel Paulus spreekt later over Gods vrijmacht. God verkiest wie Hij wil, Hij verhardt wie Hij wil, Hij ontfermt Zich over wie Hij wil (Romeinen 9:18). Zo kiest Hij hier de Levieten.

42 Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls.
43 En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.
44 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
45 Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israëls, en de beesten der Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen Mijn zijn; üc ben de HEERE!
46 Aangaande de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de kinderen Israëls;
47 Gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen; die sikkel is twintig gera.
48 En gij zult dat geld aan Aaron en zijn zonen geven, het geld der gelosten die onder hen overschieten.
49 Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.
50 Van de eerstgeborenen van de kinderen Israëls nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.
51 En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aaron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. Numeri 3:42-51

Hier wordt uitgebreid beschreven hoe elke eerstgeborene door een Leviet werd gelost, op die 273 na. Die werden met geld gelost, maar dat komt in de praktijk op precies hetzelfde neer. Hun verantwoordelijkheid wordt van hen weggenomen en aan de stam van Levi overgedragen. Diezelfde gedachtegang vinden we ook uiteengezet in Numeri 8.

13 En gij zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en gij zult hen bewegen ten beweegoffer den HEERE.
14 En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn.
15 En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen.
16 Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israëls; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israëls, heb Ik ze Mij genomen.
17 Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israëls is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.
18 En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls.
19 En Ik heb de Levieten aan Aaron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israëls, om den dienst van de kinderen Israëls in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israëls verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israëls, als de kinderen Israëls tot het heiligdom naderen zouden. Numeri 8:13-19

De Levieten worden officieel aan Aaron gegeven en feitelijk wordt die hele stam als een stam van eerstgeborenen beschouwd. Elk lid van die stam vervult de functie van een eerstgeborene, terwijl dit niet eens een stam met het eerstgeboorterecht is. Niettemin wordt het eerstgeboorterecht nadrukkelijk via deze stam met priesterschap in verband gebracht. Dat zien we het beste aan de hand van de nieuwtestamentische positie van Christus. Hij wordt ons niet alleen beschreven als Degene Die als eerste werd geboren, Die als eerste de baarmoeder opende (Jesaja 66:9). Hij werd tot eerstgeboren Zoon aangesteld met eerstgeboorterecht en Hij wordt op grond daarvan Koning en Hogepriester genoemd (Hebreeën 5:5). Eerstgeboorterecht heeft rechtstreeks met koningschap en priesterschap te maken.

Functie en verantwoordelijkheden van het Levietische priesterschap

De Levietische priesters krijgen allerlei verantwoordelijkheden, waarvan de godsdienstige aangelegenheden de belangrijkste zijn. Ze worden als bewakers en bewaarders van de tabernakel (later de tempel) en de tabernakel- en tempeldienst beschouwd. Er bestaat ook nog een onderverdeling binnen de stam van Levi – buiten de drie families die eerder zijn genoemd – waarbij bepaalde families tot dorpelwachters, zangers, muzikanten, etcetera werden aangesteld. Dat betekent dat er binnen de stam als zodanig nog een bepaalde rangorde bestond. Eén van de belangrijkste kenmerken van het Levietschap is echter, dat zij verantwoordelijk waren voor het onderhouden van de wet in het bijzonder. Zij waren daarmee tegelijkertijd de gerechtelijke macht, de politie en de sociale dienst. Dit komt allemaal neer op het handhaven van het Woord van God. Dat wordt natuurlijk al gauw het handhaven van de wet, maar het is nog veel uitgebreider. Hoewel wij gewoonlijk een opsomming van allerlei verantwoordelijkheden van priesters en Levieten vinden, is het ongetwijfeld zo dat het bewaren van Gods Woord eigenlijk een samenvatting van de hele opsomming is. Die verantwoordelijkheid wordt normaal gesproken bij de eerstgeborene gelegd, maar in dit geval bij deze stam die daartoe aangesteld wordt. Er zijn veel Schriftplaatsen die hierover gaan.

En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot; dien Gij verzocht hebt in Massa, met welleen Gij getwist hebt aan de wateren van Meriba. Deuteronomium 33:8

Mozes spreekt hier over de Here Jezus Christus Zelf, al zegt hij het allemaal tot Levi. De positie en de functie van Levi zullen uiteindelijk toekomen aan de man die in Massa en Meriba is verzocht. De positie van de stam van Levi en van Aaron in het bijzonder, zal in de toekomst door de Here Jezus Christus Zelf worden overgenomen. Het is eveneens een tekst om aan te tonen dat Christus Niemand anders is dan Jehovah.

Die tot zijn vader en tot zijn moeder zeide: Ik zie hem niet; en die zijn broederen niet leende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond. Deuteronomium 33:9

De Levieten worden geacht vader, moederen broers niette kennen, gelijk als vrouwe Justitia van een blinddoek is voorzien. Een parallel is te vinden in een uitspraak van Jezus dat wanneer men het Koninkrijk wil beërven, men vader, moeder, etcetera moet verlaten (Matthéüs 19 : 29).

Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat gans verteerd zal worden, op Uw altaar. Deuteronomium 33:10

Hier wordt de belangrijkste functie van de stam naar voren gebracht. Dat is weliswaar de dienst in de tabernakel of tempel, door het brengen van reukoffers. Maar de stam van Levi zou speciaal het Woord Gods, de wet, aan Israël onderwijzen. De Levieten werden dan ook voor de rechtspraak verantwoordelijk gehouden. Dat zij letterlijk reukwerk op het altaar zouden leggen is duidelijk. Ik hoop dat u uit deze verzen opmaakt dat het een lieflijke reuk voor de Heer is wanneer de Levieten aan Jakob dan wel aan Israël de rechten, de geboden des Heren leren. Het reukwerk is een uitbeelding van alles wat voor God aangenaam is.

7 In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot Benchaïl, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nathaneël, en tot Michaja, opdat men zou leren in de steden van juda.
8 En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asaël, en Semiramóth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tób-Adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram.
9 En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk. 2 Kronieken 17:7-9

Hier worden de priesters, maar in het bijzonder de Levieten, aangesteld om het Woord Gods aan de Israëlieten te onderwijzen. De Israëlieten werden allen geacht de wet te kennen. De Levieten hadden daartoe het wetboek, de vijf boeken van Mozes, bij zich. Een paar hoofdstukken later vinden we dat weer.

En Jehizkia sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis des HEEREN; en zij aten de offeranden des gezetten hoogtijds zeven dagen, offerende dankofferen, en lovende den HEERE, den God hunner vaderen. 2 Kronieken 30:22

Er wordt over Levieten die verstand hadden in de goede kennis des Heeren gesproken. Dat zijn de goede Levieten die de kennis des Heeren aan Israël bekend zouden maken. Ook hier gaat het over de dagen van de hervorming van Hizkia. Dat is de periode waar ineens in Israël het paasfeest gevierd werd, want dat deed men daarvoor nooit.

1 Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.
2 En hij stelde de priesters op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.
3 En hij zeide tot de Levieten, die gans Israël onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volle Israël; 2 Kronieken 35:1-3

Het is eigenaardig dat ertussen staat:die gans Israël onderwezen, die den HEERE heilig waren:…” Normaal gesproken zou dat vooralle Levieten moeten gelden en is het volstrekt overbodig om dit erbij te vermelden. Het staat er waarschijnlijk bij omdat er veel Levieten waren die Israël niet onderwezen en die de Heer niet heilig waren. Alleen tot die Levieten die gans Israël onderwezen en voor de Here heilig waren wordt gezegd dat zij de heilige ark in het huis zouden zetten. Zij deden de dienst. Hiermee wordt weer duidelijk gemaakt dat de belangrijkste verantwoordelijkheid van de Levieten het onderwijzen van Israël is en dat zij daardoor de Here heilig zouden zijn.

2 Zo verzamelde zich al het volle als een enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, den schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zou halen, die de HEERE Israël geboden had.
3 En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op den eersten dag der zevende maand. Nehemia 8:2,3

In vers 2 wordt Ezra de schriftgeleerde genoemd en in vers 3 de priester. Het één gaat nu eenmaal niet zonder het ander. De priesters moesten schriftgeleerden of wetgeleerden zijn en andersom uiteraard. De eerste dag van de zevende maand was overigens officieel het Nieuwjaar van het burgerlijk jaar.

4 En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgen licht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.
5 En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, dien zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maaséja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misaël, en Makhia, en Hasum, en Hasbaddana, Zacharja en Mesullam.
6 En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volle; en als hij het opende, stond al het volk.
7 En Ezra loofde den HEERE, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den HEERE, met de aangezichten ter aarde.
8 Jésua nu, en Bani, en Serébja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maaséja, Keh’ta, Azaria, Józabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats. Nehemía 8 : 4-8

Ezra sprak vanaf een hoge houten stoel. Daar komt onze huidige preekstoel vandaan. In principe kan net zo goed worden gezegd dat het een hoog podium was: een houten verhoging om de mensen te kunnen toespreken. Ezra onderwees hen van daaraf en het volk luisterde er staande naar. Zolang het volk wordt onderwezen in de wet, staat het volk waar het staan moet en blijft het daar ook staan. Ook waar wij luisteren naar het Woord Gods en ons daaraan onderwerpen, staan wij op de plaats waar wij moeten zijn.

9 En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.
10 En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden. Nehemia 8:9,10

Met “duidelijk” wordt bedoeld dat het op toon, op een begrijpelijke wijze zonder het af te raffelen, werd verteld. Als dat op de goede wijze gebeurt, is het meeste ook al verklaard. Er werd voorgelezen, maar de betekenis werd ook verklaard, opdat men het begreep. Men had de wet gehoord en begrepen, waarna het feest werd en men elkaar delen zond (vers 13). Delen waren geschenken. Zij hadden namelijk de blijde boodschap (het Nieuwe Verbond) gehoord: dat er verlossing zou komen, hoe heil gehoord zou worden en hoe er vrede zou komen. Denk hierbij aan Here lezus Zelf, Die beginnende bij de wet van Mozes en al de profeten uitlegde wat de Schrift over Hem zei (Lukas 24:27). Hier hadden ze officieel niets anders dan de boeken van Mozes, maar daaruit kon men het Nieuwe Verbondbekendmaken. De vreugde waarover hier wordt gesproken is uiteraard de vreugde van het Nieuwe Verbond. Het daaropvolgende Loofhuttenfeest is daar ook de uitdrukking van.

4. De eerstgeborene en erfrecht

De term “eerstgeborene” legt in het algemeen meer nadruk op het erfrecht en minder op de relatie die ermee verbonden is. In de bijbel (met name in het Nieuwe Testament) spreekt men ook wel over de zoon. Daarbij wordt dan geïmpliceerd dat het de eerstgeborene is, zonder dat de term als zodanig gebruikt wordt. Dat is altijd het geval wanneer Christus de Zoon van God genoemd wordt. Als Hij zo genoemd wordt, valt dat altijd binnen het kader van het eerstgeboorterecht zoals dat in het Oude Testament wordt aangekondigd. Hij is dan niet Eén van de velen, maar de Ene, en in het bijzonder de eerste Zoon. Wanneer in het Nieuwe Testament gesproken wordt over aanstelling of aanneming tot zonen, gaat het altijd over eerstgeboorterecht.

20 Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.
21 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet?
22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije.
23 Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis;
24 Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar;
25 Want dit, namelijk Agar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
26 Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.
27 Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft.
28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.
29 Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu.
30 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.
31 Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije. Galaten 4:20-31

In deze geschiedenis gaat het om het erfrecht, om de vraag wie de erfgenaam van Abraham zou zijn. Beide zonen kunnen hiervoor in aanmerking komen, maar aan wie van de twee wordt de voorkeur gegeven? Wie is de geliefde, de eerstgeborene die het eerstgeboorterecht zou erven? Hij zou de erfgenaam van Abraham worden en meer nog erfgenaam van de beloften aan Abraham. Galaten 3 spreekt over de twee verschillende verbonden die met Abraham danwel met zijn zaad of zaden werden gesloten. Deze twee verbonden hebben rechtstreeks van doen met Israël en de positie van Israël. Aan de ene kant hebben we het verbond der belofte, het verbond met Abraham en aan de andere kant het verbond der wet zoals dat 430 jaar later via de middelaar van het Oude Verbond aan Israël is bevestigd (Galaten 3:17).  Het eerste heeft te maken met de belofte die zo zondermeer aan Abraham en in het bijzonder aan zijn zaad wordt gedaan. Het ander heeft te maken met de wet zoals die aan Israël werd gegeven en zoals die over Israël heerste. In Galaten 4 wordt die geschiedenis uitgebreider uiteengezet. Daar wordt gesproken over de situatie zoals die bestond onder de wet. Zolang het volk onder de wet leefde, zou het in ieder geval geen erfgenaam zijn. Het was wel erfgenaam in die zin dat het eventueel zou erven, maar dat zou dan in de toekomst moeten liggen. Er is een verschil tussen wie denkt dat hij zal erven en wie uiteindelijk erft. Deze twee interpretaties van het woord erfgenaam maken het lastig om het woord te gebruiken. De Schrift doet het echter ook, dus we moeten er gewoon voorzichtig mee omgaan.

Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; Galaten 4 : 1

Zolang de erfgenaam een kind, dat wil zeggen onvolwassen is, verschilt hij niet van een lijfeigene. Dat is wat er staat.    Daarom worden kinderen ook geacht te horen en gehoorzaam te zijn, want zij zijn het bezit van hun ouders. Kinderen zowel als slaven zijn horig in die zin dat ze worden geacht te luisteren naar hun eigenaar. Vervolgens staat er dat hij een heer is van alles. Heer in de zin van eigenaar, maar dan wel in de toekomst. Het kind is nog een slaaf, hoewel het in de toekomst eigenaar van het geheel zal worden. De vader maakt uit wanneer het kind tot volwassen erfgenaam aangesteld zal worden ofwel wanneer de dienstknecht een zoon zal worden. Al eerder in de Bijbel vinden we het eigenaardige verschijnsel dat sommige zonen worden aangeduid als dienstknecht en dienstknechten als zonen. Waar een kind de vader dient en in niets verschilt van een dienstknecht om vervolgens tot zoon te worden aangesteld, is het ook niet ondenkbaar dat een slaaf die dezelfde heer naar eer en geweten dient, tot erfgenaam zal worden aangesteld. In de praktijk is het verschil niet zo groot. Datzelfde staat al in Genesis 15. Daar bevestigt de Heer Zijn beloftes aan Abraham. Abraham zegt dat het hem niet zoveel kan schelen, omdat hij geen kinderen heeft.

1 Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
2 Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?
3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! Genesis 15 : 1-3

Eliëzer, die in de praktijk de knecht van Abraham was, zou bij gebrek aan kinderen van Abraham automatisch zijn erfgenaam worden. Abraham heeft daar min of meer vrede mee en zegt dan ook dat de zoon van zijn huis zijn bezitter zal zijn. De dienstknecht zou dus tot zoon worden aangesteld als er niets zou veranderen. De Heer spreekt dat echter tegen.

En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. Genesis 15 : 4

Het is een betrekkelijk voor de hand liggende gedachte dat de uiteindelijke erfgenaam op grond van zijn trouwe dienst tot eerstgeborene wordt aangesteld. Vandaar dat erfenis in de Bijbel rechtstreeks in verband gebracht wordt met loon. Waar het kind de vader op juiste wijze dient, namelijk tot tevredenheid, zal de vader dat kind tot eerstgeboren zoon aanstellen. Ook als het iemand is die niet uit zijn lijf is voortgekomen, ligt het voor de hand dat de beste dienstknecht tot zoon zal worden aangesteld. Als een kind de vader niet gediend heeft, mag hij ook niet verwachten dat hij erfgenaam wordt. Dat is de Bijbelse gang van zaken.

Tot ons wordt gezegd dat waar wij als kinderen Gods nu God dienen, op Gode welbehagelijke wijze, Hij ons ook individueel tot zonen zal aanstellen. Daartoe zijn wij geroepen. Andersom geldt dat waar wij geroepen zijn tot aanstelling tot zonen (Éfeze 1:5), wij ook geroepen zijn om de levende God te dienen als Zijn kinderen (1 Thessalonicenzen 1:9) om in de toekomst loon of een kroon te ontvangen. Kroon staat voor koningschap en dat is voor de eerstgeborene. Eventueel kan een kroon ook aan een priester gegeven worden, maar dat blijft hetzelfde verhaal. Waar wij de Heer als priester dienen, zullen wij door Hem erkend worden in de toekomst. Kortom, wij ontvangen loon of een kroon of we worden tot eerstgeborene of zoon aangesteld. Het is onder alle omstandigheden volstrekt hetzelfde. Dat staat ook in Galaten 4:1. Zolang de erfgenaam een kind is, verschilt hij niet van een dienstknecht. De term “kind” heeft zelfs de betekenis van onmondig, iemand die nog geen recht tot spreken heeft. Hij heeft de plicht tot luisteren. Dat is ook de goede volgorde. Eerst de plicht tot luisteren en als men die plicht vervuld heeft, krijgt men waarschijnlijk het recht tot spreken. Bovendien heeft iemand die niets gehoord heeft, ook niets te zeggen.

Kind en dienstknecht onder het Oude Verbond

Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. Galaten 4:2

Dit is een beschrijving van de situatie van Israël onder de wet. Wellicht te beschouwen als kind van God maar onder het Oude Testament als dienstbaar aan en onder slavernij van de wet, tot de tijd die de Vader, God Zelf, gesteld had. De uitdrukking “tot de tijd door de vader gesteld” komt overeen met die uit Galaten 3:24. De tijd door de vader tevoren gesteld was de tijd tot de verschijning van Christus. Daarbij wordt niet gedoeld op Zijn geboorte, maar op Zijn opstanding. Op andere plaatsen leren wij dat de wet beëindigd werd door de dood van de Here Jezus en dat het Nieuwe Verbond in werking trad bij Zijn opstanding uit de dood.

Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. Galaten 4:3

“Dienstbaar gemaakt” heeft wel degelijk de betekenis van onder slavernij gebracht. Over het algemeen wordt onder de beginselen der wereld de wet verstaan. Kenmerkend voor een kind is dat het leeft onder de wet van de ouders. Vandaar dat het voor ieder mens zo problematisch is om te leven uit genade. Van kinds af aan is hij niets anders gewend geweest dan wet. De puberteit, die periode in het leven van een mens waarbij kinderen loskomen van de wet van de ouders en eigen verantwoordelijkheid dienen te gaan dragen en door de ouders losgelaten dienen te worden, komt precies overeen met deze periode uit de nieuwtestamentische geschiedenis: het einde van de wet en het begin van het Nieuwe Verbond. Zo’n periode was en is problematisch. Zoals veel mensen nooit volwassen worden, zo zijn er ook in dit opzicht velen nooit volwassen geworden. Ook in onze dagen zijn er veel mensen die leven onder de wet en tot geloof komen in de Here Jezus Christus, maar nooit leren eigen verantwoordelijkheid te dragen. Ze komen nooit vrij van de wet, hoewel zij zouden staan in de vrijheid waarmee Christus hen vrijgemaakt heeft (Galaten 5:1). Het is in principe volstrekt hetzelfde, het zijn dezelfde beginselen die daarin een rol spelen.

4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen (er staat: aanstelling tot zoon) verkrijgen zouden. Galaten 4:4,5

Uiteraard gaat het hier over de tijd die de Vader van tevoren gesteld heeft. Dat is de tijd van de komst van Christus. Het is van belang dat we vasthouden dat de Here Jezus pas bij Zijn opstanding uit de dood tot Zoon werd gesteld. Voor het zover was, is Hij geworden uit een vrouw en geworden onder de wet. Hij leefde onder de wet, opdat Hij alle anderen die onder de wet leefden van die wet zou verlossen. Hij kwam bij deze slaven die dienstbaar gemaakt waren, opdat Hij hen uit zou leiden. Denk hierbij aan de geschiedenis waarbij Mozes verscheen onder de kinderen Israëls in de slavernij opdat hij hen zou uitleiden. Maar Mozes was de middelaar van het Oude Verbond. Die geschiedenis is een type van hoe het Nieuwe Verbond zou beginnen. De Here Jezus verscheen bij degenen die in slavernij waren, onder de wet namelijk, opdat Hij hen verlossen zou. Het volk wilde Mozes niet als verlosser, zodat hij 40 jaar later pas terugkeerde om hen alsnog te verlossen. Dat is ook een beeld van onze tegenwoordige bedeling, waarin ook dezen die in slavernij waren, niet verlost wilden worden, zodat de Heer niet 40 jaar later maar 2000 jaar later opnieuw zal verschijnen om hen alsnog te verlossen.

6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus. Galaten 4:6,7

Het beginsel van het kind dat zoon zou worden, wordt op de positie van het Joodse volk toegepast. Men leeft onder de slavernij van de wet, maar wordt door de Here Jezus uit het diensthuis geleid, opdat men tot zoon zou worden gesteld. Hier worden deze dingen niet naar voren gebracht opdat men tot geloof zou komen en zich zou laten verlossen. Wat de apostel hier naar voren brengt, is dat de Galaten al gelovig en in de vrijheid geplaatst waren, maar dat zij er niet zo van hielden. Zij bleven liever slaaf op gelijksoortige wijze als de kinderen Israëls, die bij gelegenheid terugverlangden naar de slavernij in Egypte. Ze werden verzorgd (want anders konden ze niet werken) en droegen geen verantwoordelijkheid. Zo is het met vele gelovigen in onze dagen en deze Galaten ook. Zij hadden een voorkeur voor de wet in plaats van de vrijheid van het Nieuwe Verbond. Dat hadden ze gemeen met de Korinthiërs. In 2 Korinthe gaat het over dienstbaar zijn onder het Oude of het Nieuwe Verbond. Dat wil zeggen: kind zijn of zoon, slaaf zijn of vrije. Deze termen kind en zoon worden hier specifiek toegepast op Israël. Het kindschap of het slaaf-zijn wordt geacht bij het Oude Verbond te horen, en het zoonschap of het vrij-zijn bij het Nieuwe Verbond. Men is dus zoon als men vrij is.

De slavernij van de wet duurde tot de dood van de Here Jezus, waarna bij de opstanding van de Here Jezus Christus elke gelovige vrij is en dus erfgenaam. “De tijd van de vader tevoren gesteld” is dus de datum van de opstanding van Christus. Het wordt hier naar voren gebracht als historisch feit, opdat het ook in de praktijk beleefd en toegepast zou worden in het leven van deze Galaten en in het leven van gelovigen. Sinds de dood van de Here Jezus leeft niemand meer onder de wet. In de praktijk blijkt de wet te heersen over ieder die zich nog onder die wet stelt. Het is echter niet Gods bedoeling dat sinds de dood van de Here Jezus nog iemand onder de wet leeft. Geen ongelovige uiteraard, maar ook geen gelovige. Niettemin is het zo dat tot in onze dagen vele gelovigen onder de wet leven. Zij leven onder de eerste beginselen der wereld: onder wet, zónder lidwoord. Dat is de aanleiding van het schrijven van deze brief. Gelovigen zouden moeten leren te leven in de vrijheid van het Nieuwe Verbond.

Het Oude Verbond vindt zijn vervulling in het Nieuwe Verbond dat tot stand kwam door de opstanding van Christus. In het verleden was het officieel zo dat een Jood, die sinds de opstanding van Christus tot geloof kwam, in vrijheid werd gesteld. Indertijd was hij onder de wet in de ogen van God een kind, maar sinds de opstanding van Christus is diezelfde gelovige vrij van de wet en zoon van God. Hij heeft immers deel gekregen aan de beloofde erfenis en dat is niets anders dan het Nieuwe Verbond. Dat werd ook aan Abraham beloofd, al kon het niet zo heten omdat het Oude Verbond er nog niet was. Het Nieuwe Verbond is een rechtstreekse vervulling van de beloften aan Abraham. De wet die 430 jaar na die beloften kwam, moest ook weer worden opgeheven alvorens de beloften – die ouder waren – in vervulling konden gaan onder het Nieuwe Verbond. De apostel brengt dezelfde beginselen op ons van toepassing en beschrijft ons gelovigen vervolgens als kinderen. Als wij de levende God dienen (en niet de wet), dienaren zijn van het Nieuwe Verbond en ons in het leven laten leiden door de Middelaar van het Nieuwe Verbond, de Zoon van God, worden wij in de toekomst tot zonen Gods aangesteld.

22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije.
23 Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; Galaten 4:22,23

Degenen die onder de wet willen leven, worden geacht de wet en deze geschiedenis te kennen. Aan Abraham was een zoon – een erfgenaam – beloofd, waarna door zowel Abraham als Sarah wordt vastgesteld dat er wel niets meer van terecht zou komen. Sarah bleek onvruchtbaar te zijn, zodat de dienstmaagd van Sarah aan Abraham ter beschikking werd gesteld. Aangezien Hagar, de dienstmaagd, het eigendom was van Sarah, zouden de zonen van Hagar eveneens haar eigendom zijn. Omdat Sarah getrouwd was met Abraham, die de natuurlijke verwekker geweest zou zijn, zou niets hen beletten deze zoon uit de dienstmaagd tot zoon van henzelf aan te stellen. De zoon die uit Hagar wordt geboren, wordt als de erfgenaam van Abraham beschouwd, maar de Heer is het er niet mee eens. De Heer had wel degelijk Sarah in gedachten. Hij sprak tegen Abraham over een zoon die uit zijn lijf zou voortkomen, maar de Heer dacht daarbij aan Sarah (hoewel het er niet bij staat). Vandaar dat Hij daar later op terugkwam en zei dat Sarah een zoon zou krijgen en dat in Izak het zaad genoemd zou worden (Genesis 21:12). Uiteindelijk waren daar twee zonen en was er onenigheid tussen de beide moeders en beide zonen, hetgeen er toe leidde dat de dienstmaagd samen met haar zoon moest vertrekken. Sarah nam het initiatief, maar Abraham zag het niet zitten, waarna de Heer zei dat hij naar zijn vrouw moest luisteren. De Heer zei tegen Abraham dat hij de dienstmaagd en zoon uit moest drijven, want de zoon van de dienstmaagd zou niet erven met de zoon van de vrije (Galaten 4:30).

Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar; Galaten 4:24

Van die andere beduiding hadden die Galaten kennelijk nog nooit gehoord en de meeste christenen ook niet. Deze oudtestamentische geschiedenissen hebben een profetische betekenis in verband met de dagen waarin wij leven. Wij worden geacht erfgenamen van Abraham te zijn, want Abraham is de vader van alle gelovigen en die krijgen dus ook allemaal deel aan de zegeningen van Abraham (Galaten 3:7,9). Op welke manier? Als Ismaël, als slaaf van God en levend onder de slavernij van de wet of als Izak, als vrije, God dienende vanuit de vrijheid en uit eigen wil? Galaten 4 wijst erop dat wij God alleen kunnen dienen als vrijen, want daartoe heeft Hij ons vrijgemaakt en daartoe zijn wij verlost van de slavernij. Van een erfenis kan moeilijk gesproken worden als wij zelf slaven zijn, want in de geschiedenis van Abraham moest de zoon van de slavin worden uitgedreven.

En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen. Galaten 3:17

God deed een belofte aan Abraham met betrekking tot een zoon. Die belofte wordt niet tenietgedaan door de komst van Ismaël. In Galaten 4:24 wordt de overeenkomst duidelijk tussen de berg Sinaï, dienstbaarheid en Hagar. Dat rijtje kan nog aangevuld worden met wet, Oude Verbond, Ismaël, slavernij, Jeruzalem.

Want dit, (namelijk) Agar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Galaten 4:25

Ook het Jeruzalem dat nu is, is nog steeds onder de wet. Het komt nog steeds overeen met Ismaël, met slavernij. Zoals Ismaël uit Hagar niet erfde en werd uitgedreven, zo zal een Israël levend onder de slavernij van het Oude Verbond niet erven en worden uitgedreven. Hagar, Ismaël en Sinaï staan voor de wet, maar die is beëindigd en het Nieuwe Verbond is begonnen. Het tegenovergestelde van het Jeruzalem dat nu is, is een toekomstig Jeruzalem. Israël houdt nog altijd vast aan de wet, ondanks de dood en opstanding van Christus. In de toekomst, in de wederkomst van Christus, zal Israël alsnog onder het Nieuwe Verbond gebracht worden. Letterlijk zal het Jeruzalem dat nu is, aan het eind van de zeventigste week van Daniël verwoest worden. Overdrachtelijk komt er een eind aan het Judaïsme, waarvan Jeruzalem de hoofdstad is. Daarna zal een nieuw Jeruzalem letterlijk gebouwd worden op de plaats waar Jeruzalem nu is. Dit is een beeld van het Nieuwe Verbond. De gedachte is dat het Oude Verbond fundamenteel beëindigd werd in het verleden bij de eerste komst van Christus. Het Nieuwe Verbond over datzelfde Israël, dat ooit onder de wet was, zal in de toekomst over Israël en daarna over de volkeren gevestigd worden bij de wederkomst van Christus. Wat in het verleden had moeten eindigen, bestaat nog steeds en wij leven erin.

Kind en dienstknecht onder het Nieuwe Verbond

Wij verwachten voor de toekomst de openbaring van het Koninkrijk van Christus en het aanbreken van het Nieuwe Verbond over Israël en over de Gemeente in verband met het Jeruzalem wat straks zal zijn. Het Jeruzalem dat straks zal zijn bestaat al lang. Al sinds de opstanding van Christus. Het is de uitbeelding van het Nieuwe Verbond en dat is allang aangebroken. Niet zozeer in verband met aardse, maar in verband met hemelse zaken. Niet in verband met een geopenbaard koninkrijk, maar in verband met een verborgen koninkrijk. Wij leven in een tijd waarin die beide begrippen elkaar overlappen. Het Oude Verbond is nog in werking, niet van Godswege, maar de mens kiest daarvoor, en tegelijkertijd is het Nieuwe al volop begonnen. De praktische toepassing is dat wij zouden kiezen wie wij zouden dienen. Dat wij zouden kiezen of wij zouden dienen onder de wet of onder de genade van het Nieuwe Verbond. Of wij in slavernij zouden leven, omdat wij nu eenmaal christenen zijn, of dat wij in vrijheid zouden leven, om dezelfde reden. Heel de buitenwereld denkt dat christenen mensen zijn die leven in een klein wereldje met smalle patronen van wat men wel of niet mag en die geacht worden sommige dingen te moeten. Daarom willen velen geen christenen zijn, want dan moeten ze zich aan die regeltjes en wetten houden. Integendeel, christendom is juist verlossing, vrijheid. Wij zijn juist vrijgemaakt om onder leiding van de Geest Gods en onder de werking van Christus in ons de levende God, de Gemeente en elkaar te dienen door de liefde. “Want Gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde” (Galaten 5:13). Dat is de positie van de gelovige, van Izak.

Wij zouden warm moeten lopen voor het Jeruzalem wat boven is, want dat is ons aller moeder. Daar zijn wij thuis. Daar vindt ons leven, ons burgerschap de oorsprong. Het Joodse volk levend onder de wet hoort in het Jeruzalem dat nu is thuis, en de christen die onder de wet leeft eveneens. Vandaar dat zoveel christenen warmlopen voor de tegenwoordige Joodse staat. Daar horen ze thuis, onder de wet. Zoals Jeruzalem op aarde de zetel zal zijn van de hogepriester en de koning, was het ook in het verleden, zo is het Jeruzalem dat boven is de zetel van de Hogepriester en Koning van het Nieuwe Verbond.

Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was. Galaten 4:28

Izak was kind en zou erven, Ismaël niet. Wie deel uitmaakt van dat Jeruzalem dat beneden is, zal niet erven. Kortom, wie onder de wet leeft heeft geen erfenis, geen loon. Of hij nu een kind van Abraham is of een kind van God, dat maakt niet uit. Hij zal niet erven. Wij die dat hemelse Jeruzalem kennen, worden geacht in vrijheid te leven. Wij zijn de beloofde kinderen en zullen dus erven, net als Izak. Die naam betekent gelach. Dat spreekt over de blijdschap van de blijde boodschap, het evangelie, het Nieuwe Verbond. Blijdschap vanwege de vrijheid en de verlossing.

Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest (geboren was), alzo ook nu. Galaten 4:29

De geschiedenis van Genesis 21 vertelt dat Ismaël Izak plaagde. Nog steeds is het zo dat degene die onder de wet leeft sterker is dan degene die in de vrijheid leeft. Vervolging komt van degenen die onder de wet leven. Dat kan ook niet anders, want degenen die in vrijheid leven trekken zich nergens iets van aan. Waarom zouden ze vrij zijnde een ander vervolgen. Wij die zelf vrij zijn gunnen anderen ook de vrijheid. Wij zouden anderen niet vervolgen, maar juist het evangelie brengen. Dat is een boodschap van bevrijding en dus niet één van vervolging. Waar men komt met een Bijbel in de ene hand en een zwaard in de andere hand, zoals in de geschiedenis regelmatig gebruikelijk was, moet de Bijbel opengeslagen zijn geweest bij de wet en zeker niet bij het evangelie.

Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. Galaten 4:30

Deze uitspraak sluit regelrecht aan bij Galaten 5:12: “Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken!” Die “u” zijn degenen als Izak en degenen die onrustig maken zijn degenen als Ismaël. De dienstknechten, degenen die in slavernij leven onder de wet, zouden uitgedreven worden. Op een andere plaats staat dat men hen de mond moet stoppen (Titus 1:11). Let wel dat de wet zegt dat de dienstmaagd en haar zoon uitgeworpen moeten worden.

Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije. Galaten 4:31

5. Leven onder het Nieuwe Verbond

Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Galaten 5:1

Dezelfde waarheid wordt hier op zijn minst tweeledig toegepast. De ene leerstellige toepassing slaat op het Joodse volk onder de wet uit de bedeling van de wet (nr. 4). Zij staat tegenover de Gemeente uit de vijfde bedeling, levend onder het Nieuwe Verbond en dus onder de heerschappij van de genade. In deze brief wordt uiteengezet dat wij niet alleen deze waarheid kennen, maar dat wij daar ook uit zouden leven. De andere toepassing is dat het verschil dat gemaakt wordt tussen Jodendom en Christendom, ook gemaakt wordt binnen de Gemeente. Dat betekent dat wij met een situatie te maken hebben die overeenkomt met de situatie binnen Israël. Israël was oorspronkelijk geroepen tot een volk van louter priesters, een priesterlijk volk. Binnen het volk bestond echter wel degelijk onderscheid, waarbij verschil gemaakt werd tussen priesters en zij die dat niet waren. Voor degenen die geen deel uitmaakten van dat volk bestond geheel Israël uit priesters. Binnen het volk was maar een deel priester. Hetzelfde verschil wordt ook gemaakt binnen de Gemeente. De Gemeente is een volk van priesters, net als Israël. Dat neemt echter niet weg dat er binnen de Gemeente wel degelijk onderscheid bestaat, net zo goed als er verschil bestaat binnen Israël. De uitspraak dat de zoon der dienstmaagd niet zou erven met de zoon der vrije (Galaten 4:30) is een uitspraak die eerst op de Gemeente en het Joodse volk wordt toegepast, maar daarna wordt de uitspraak binnen de Gemeente toegepast op de gelovigen. De bedoeling is dat wij die deel hebben aan dat priesterlijke volk, ook daadwerkelijk als priesters zouden leven of in de toekomst daadwerkelijk als zonen en dus tot priesters en koningen zouden worden aangesteld. Individueel wel te verstaan.

Denk hierbij aan de gelijkenis van de ponden (Lukas 19:11-27). Daarin krijgen de dienstknechten verschillende verantwoordelijkheden toegewezen met de bedoeling dat zij winst zouden maken of handeling zouden doen totdat de Heer weer kwam. Het resultaat was dat sommigen er wat bijverdiend hadden met als gevolg dat zij een grotere functie in het koninkrijk kregen. De één ontving tien steden, de ander vijf en de ander werd voor straf burgemeester van Bolsward… Er was er ook één bij, en dat is natuurlijk de essentie van de gelijkenis, die helemaal geen handeling gedaan had. Hij kreeg dus ook geen loon en geen kroon, maar hij ging wel het koninkrijk binnen. Hij maakte deel uit van de dienstknechten. Alleen viel hij niet in de categorie van de goede en getrouwe dienstknechten. Hij was wel een dienstknecht, bekwaam gemaakt om dienaar van het Nieuwe Verbond te zijn, maar hij praktiseerde zijn bekwaamheid niet. Over dat soort zaken spreekt de Schrift in deze Galatenbrief. We gaan nu naar Hebreeën. Daar vinden we volstrekt dezelfde uiteenzetting in gelijksoortig verband, alleen met een paar andere uitdrukkingen.

God sprak in het verleden tot de vaderen door de profeten. Dat was onder de wet. In deze laatste dagen heeft God gesproken door de Zoon (Hebreeën 1:1), Die gezeten is op de troon der genade, door Wie wij vrijgemaakt zijn. In die vrijheid zouden wij leven. Wij leven allen onder datzelfde Nieuwe Verbond en de bedoeling is dat onder dat Nieuwe Verbond de Gemeente van vandaag verzameld en opgebouwd zou worden. Dat is de strekking van zowel Galaten als Hebreeën.

19 Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

22 Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Hebreeën 10 : 19, 22

Zoals in de voorgaande hoofdstukken te lezen is, komen wij als wij het heiligdom ingaan, terecht bij de troon der Genade. Die heet zo omdat er Iemand op zit, namelijk de Zoon, de Koning, de Eerstgeborene, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Het aardige is dat de Hogepriester natuurlijk verantwoordelijk is voor de dienst aan God, voor de officiële godsdienst. Dat was zo onder het Oude Verbond en het is ook zo onder het Nieuwe Verbond. Als wij dus opgeroepen worden om te naderen tot de troon der genade, is dat om onder heerschappij van Degene Die op de troon zit, God te dienen. Wij zouden dat met vrijmoedigheid doen, om de eenvoudige reden dat wij bekwaam gemaakt zijn om dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn. (2 Korinthe 3:6). De vraag is natuurlijk of wij van die bekwaamheid gebruik maken. Wij zijn bekwaam gemaakt om deel te hebben aan de erve, het loon der heiligen in het licht, het licht van het Nieuwe Verbond (Kolossenzen 1:12). Wij zijn wedergeboren en op grond daarvan priesters. Zoals de priester onder het Oude Verbond priester was op grond van geboorte, krachtens zijn vergankelijk leven, zijn wij priesters krachtens onvergankelijk leven (Hebreeën 7:16). Dat is op zich niet voldoende. Het gaat er niet om of wij al dan niet priesters zijn. De vraag is of wij als priesters functioneren en of wij daadwerkelijk de levende God dienen (Hebreeën 9:14). Als wij dat willen doen, naderen wij tot die Hogepriester om ons aan Hem beschikbaar te stellen of onze lichamen te stellen tot een levend, heilig, Gode welbehaaglijk offer, want dat is onze redelijke godsdienst (Romeinen 12:1). We zouden ons beschikbaar stellen als priester, dat woord staat er niet bij.

En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; Hebreeën 10 : 24

Het praktiseren van deze nieuwtestamentische priesterlijke taak brengt liefde en goede werken voort. Gebruikt de vrijheid niet als oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde (Galaten 5:13). Laat ons ingaan, onze priesterlijke taak vervullen en op elkander acht nemen tot opscherping der liefde en der goede werken. Liefde staat voor gemeenschap en goede werken kunnen alleen maar die werken zijn die de gemeenschap bevorderen. Goede werken worden in het Nieuwe Testament uitsluitend genoemd ter aanduiding van die werken die voortkomen uit geloof. Goede werken zijn de werken die bijdragen aan het werk Gods, dan wel het werk van Christus in onze dagen. Er is maar één goed werk in onze dagen en dat is het werk dat God doet, de bouw van de Gemeente, de verzameling van een volk voor Zijn Naam. Als de term dan in het meervoud staat, kan dat niets ander zijn dan werken die bijdragen aan de vorming en opbouw van de Gemeente. Dat heet dan ook in Éfeze 4:12 “het werk der bediening tot opbouwing des lichaams van Christus”. Het zal duidelijk zijn dat die werken zo zondermeer te maken hebben met de bevordering van de eenheid van de Gemeente als zodanig.

25 En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.
26 Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;
27 Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. Hebreeën 10:25-27

Het gaat hier om het naderen tot de troon der genade, want daar ontmoeten wij elkaar. Bij de Heer, bij Christus in onze dienst aan Hem. Hoe meer wij de dienst aan de Heer nastreven, hoe meer wij Hem willen dienen en hoe meer wij ons ook met elkaar verbonden weten. Sommigen laten die onderlinge bijeenkomst na. Zij zijn bekwaam gemaakt om dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn, maar maken van die bekwaamheid geen gebruik. De gedachte is dat goede werken door het vuur gaan en daaruit behouden worden. Kwade werken daarentegen zullen het vuur niet doorstaan en verbrand worden (1 Korinthe 3:15).

34 Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.
35 Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.
36 Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen; Hebreeën 10:34-36

Het gaat om de vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom, de vrijmoedigheid om te naderen tot de troon der genade. Vrijmoedigheid ondanks dat wij van nature zondaren zijn en tot op zekere hoogte blijven. Hoewel wij van nature ongetwijfeld denken dat wij God helemaal niet kunnen dienen, omdat we daar niet voor deugen, zegt God dat Hij ons bekwaam gemaakt heeft om dienaren van het Nieuwe Verbond te zijn (2 Korinthe 3:6). Daartoe heeft Hij niet onze zonden als zodanig weggenomen en Hij verhindert ze ook niet. Niet ons vlees, maar onze gewetens heeft hij gereinigd van dode werken (Hebreeën 9 :14). Als Hij het zegt, laten wij dan met vrijmoedigheid ons stellen onder de leiding van de Hogepriester en Koning. Wij weten dat als wij Hem dienen onder die leiding, wij een beter en blijvend goed, een onverderfelijke en onverwelkelijke erfenis hebben in de hemel (1 Petrus 1:4). De beloftenis bestaat uit het hiervoor genoemde beter en blijvend goed in de hemel, ofwel een grote vergelding des loons.

38 Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
39 Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel. Hebreeën 10:38,39

Leven uit het geloof betekent leven in afhankelijkheid van de Heer en Hem dienen. Het geloof waaruit de rechtvaardige zou leven, is het geloof in de beloften die God gedaan heeft voor de toekomst. Zo iemand zich onttrekt aan die toegang tot de troon der genade, aan de onderlinge bijeenkomst, is dat niet naar de wil van God.

Leven onder de heerschappij van de genade

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Hebreeën 12:1

De gedachte is dat wij door ons praktische leven de levende God zouden dienen, met als resultaat een beter en blijvend goed in de hemel, grote vergelding des loons, beloftenis, erfenis, een kroon. Dit alles gaat over het leven onder de genade, onder leiding en heerschappij van de genade onder het Nieuwe Verbond. Zoals Mozes via de wet heerste over degenen die onder de wet zijn, zo heerst Christus via de genade over degenen die onder de genade zijn. Zoals er toen mensen ongehoorzaam waren aan Mozes (Hebreeën 10:28), zo zijn er ook nu in onze dagen mensen die ongehoorzaam zijn aan Christus. Sterker nog, er zijn er die zich verbeelden gehoorzaam te zijn aan de wet van Mozes, maar daarmee ongehoorzaam zijn aan Christus. Deze gedachtegang uit Hebreeën 10 gaat direct verder in Hebreeën 12.

Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God. Hebreeën 12 : 2

Voor ieder van ons is die loopbaan anders, maar niettemin altijd een loopbaan des geloofs. Niet ziende op Mozes maar op Christus. Niet ziende op de hogepriester van het Oude Verbond maar op de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Niet ziende op al die slangen hier beneden in de woestijn waardoor wij sterven, maar ziende op de verhoogde Slang uit Johannes 3:14. Net zoals bij Jezus is ons ook vreugde voorgesteld. Het resultaat van de lijdzaamheid van Christus is dat Hij een beter en blijvend goed in de hemel heeft. Dat Hij grote vergelding des loons heeft ontvangen. Dat Hij de aan Hem gedane belofte heeft weggedragen. Hij is namelijk aangesteld tot Zoon, tot Koning, tot Priester en tot Eerstgeborene. En dus is Hij gezeten op de troon of zoals het hier staat aan de rechterhand van de troon Gods. Zijn voorbeeld zouden wij navolgen, opdat wij aan Zijn heerlijkheid deel zouden hebben.

Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. Hebreeën 12 : 3

De praktische levensinvulling – de ziel – kan bezwijken als gevolg van het tegenspreken van de zondaren. Door die ontrouw raak een gelovige het eeuwige leven niet kwijt, want dat is onvergankelijk. Het lichaam kan wel verloren gaan. Velen bezwijken door het tegenspreken van de zondaren, juist omdat ze het lichaam willen behouden.

4 Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde;
5 En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;
6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iedere zoon, dien Hij aanneemt.
7 Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?) Hebreeën 12 : 4-7

Een ieder die zich kan verheugen in de liefde van de Heer, wordt door Hem gekastijd of opgevoed. Het neemt niet weg dat juist omdat wij kinderen zijn, wij als kinderen Gods moeten leren om God onze Vader ook in de praktijk te dienen. Hij zal zonen aanstellen, maar voor het zover is moeten ze geschikt blijken te zijn, anders blijven het gewoon kinderen. Daar waar wij ons bewust zijn van Zijn kastijding, van het feit dat het niet altijd meezit, maar dat ons geloof erdoor gebouwd wordt, dienen wij ons ook bewust te zijn dat God Zich jegens ons gedraagt als zonen.

Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen. Hebreeën 12 : 8

Stel nu dat ons leven van een leien dakje ging. Waar wij geen problemen in het leven hebben gekend, hebben wij ze ook niet leren overwinnen. Ook hebben wij geen verantwoordelijkheid leren dragen en zal de Vader ons niet tot Zijn erfgenamen aanstellen. Daar komt nog bij dat de term bastaarden hier niet de uitdrukking is ter aanduiding van buitenechtelijke kinderen. Het is van oudsher de aanduiding van kinderen uit de slavin. Niet uit de echtgenote, de officiële vrouw, maar uit de slavin. De term bastaard is per definitie van toepassing op Ismaël, degene die niet erft. Zo ziet u dat het hier weer over precies dezelfde dingen gaat. Er had ook kunnen staan: zo zijt gij zonen uit de dienstmaagd en niet uit de vrije. Deze lijn wordt ook gevolgd in Galaten 4.

Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veelmeer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? Hebreeën 12:9

De bedoeling van onze vleselijke opvoeding is, dat we volwassen zouden worden en zouden kunnen dragen en verdragen. Dat we voldoende ervaring zouden opdoen in onze kinderjaren om de verantwoordelijkheid die ons wacht te kunnen dragen. Als wij kinderen Gods zijn zal Hij ons opvoeden tot zonen en dat gebeurt niet zonder vallen en opstaan of zonder kastijding. Als wij als kinderen Gods in moeilijkheden verzeild raken, op welke wijze dan ook, is het de bedoeling dat wij die moeilijkheden op Bijbelse en geestelijke wijze het hoofd bieden. Dat we onze beslissingen niet op grond van menselijke redeneringen nemen, maar op grond van het Woord en de beloften Gods. Het belangrijkste in ons leven zou zijn dat wij Hem trouw zijn. Dat moeten we leren. Trouw zijn aan de Heer betekent niets als er aan de buitenkant geen druk op ons uitgeoefend zou worden om ons te krijgen tot ontrouw. Waar wij trouw willen zijn aan de Heer, is de duivel er altijd op uit om ons tot ontrouw te brengen. Gelovigen sluiten dikwijls compromissen en dat is wellicht net zo goed ontrouw. Dat wil niet zeggen dat we geen compromissen zouden sluiten. Bij gelegenheid zal blijken dat wij niet anders kunnen. Dat moet echter niet de basis zijn van ons praktische leven. Wij zouden in de eerste plaats trouw zijn aan Hem en dat brengt ongetwijfeld met zich mee dat wij hier in de wereld geen eer zullen verzamelen. Het gaat er echter om dat wij niet door de wereld beloond zullen worden, maar dat God Degene is Die ons zal oordelen in de toekomst (i Korinthe 4:4). Daar zouden wij op zien. Het kan best zijn dat God bepaalde zaken in ons leven toelaat om ons te oefenen. Opdat wij zouden leren bepaalde dingen te overwinnen en de juiste beslissingen te nemen. Onze opvoeding houdt niet op als we officieel meerderjarig worden. We blijven leren. Wij zeker, want wij hebben eeuwig leven en dat betekent dat het grootste deel nog komt.

Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. Hebreeën 12:10

“Nut” betekent in de Bijbel altijd opbouw. De Heer kastijdt ons tot heiligmaking. Zijn wij dan niet heilig? Jawel, naar de geest zijn wij heilig, maar bij de opname van de Gemeente zullen wij heilig worden naar het

lichaam, 1 Petrus 1:15 zegt: “wordt heilig in uw wandel”. God kastijdt ons, opdat wij Zijn heiligheid deelachtig zouden worden. Opdat wij dezelfde dingen zouden beleven en ervaren en het hoofd zullen bieden als Hij. Opdat wij aan de ene kant net zo verzocht zouden worden als de Here Jezus, maar zouden leren die verzoeking te wederstaan, namelijk om het ongeloof of het tegenspreken van de zondaren te verdragen.

En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn. Hebreeën 12:11

Wij zijn onderweg naar de vreugde die de Heer ons heeft voorgesteld. Opvoeding schijnt geen zaak van vreugde te zijn, maar toch is het dat wel. Een kind realiseert zich van tevoren onvoldoende hoe het leven van een volwassene erin de toekomst uitziet, gewoon omdat hij die ervaring mist. Daarom zijn er anderen die hem moeten motiveren om te leren. Er zijn veel dingen waarvan het moeilijk is ze te leren en toch leren we ze dikwijls. Het kost ons tijd, geld en/of moeite, maar we willen graag iets bepaalds leren. Als we dat dan eenmaal geleerd hebben, zijn we er blij mee, vaak voor de rest van ons leven.

Aangezien wij niet weten hoe het er straks in de toekomst uitziet, behalve langs algemene lijnen, is het de Heer Die ons naar Zijn inzicht opvoedt voor die toekomstige bestemming. Hoe meer wij via het Woord zien op de vreugde die ons is voorgesteld, hoe meer het ons zal motiveren in ons dagelijks praktische leven en bij het niet uit de weg gaan van moeilijkheden. Om trouw te blijven aan de Heer en onder alle omstandigheden voor Hem te kiezen. Hoe moeilijk dat ook is. De kans is groot dat waar wij elkanders leven beoordelen of bekritiseren vanuit menselijke beginselen, traditie en cultuur, het ons in de meeste gevallen bij de verkeerde beslissingen brengt. Eenvoudig omdat onze levens niet hun waarde ontlenen aan de normen die in de samenleving gelden, maar aan de toekomst. We beoordelen kinderen niet op grond van het feit of ze beantwoorden aan de eisen die aan volwassen mensen gesteld moeten worden, maar of wij de verwachting hebben of ze ooit geschikt zullen blijken te zijn voor de toekomstige verantwoordelijkheid. Daar gaat het bij de gelovige om.

14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;
15a Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; Hebreeën 12:14,15a

Genade en vrede zijn de kenmerken van het Nieuwe Verbond. Waar het Oude Verbond strijd en wet is, is het Nieuwe Verbond vrede, gemeenschap en genade. De term vrede heeft in de grondtekst oorspronkelijk de betekenis van éénwording, van samenvoegen. “Jaagt dan de vrede of de gemeenschap na” (Hebreeën 12:14) of “ik bid u dat gij u benaarstigt de geestelijke eenheid te bewaren” (Éfeze 4:3). Men zou de kenmerken en hoedanigheden van het Nieuwe Verbond nastreven.

De uitdrukking: “zonder welke niemand de Here zien zal” kan verwarrend zijn. “Zien” wordt in de Bijbel ook vaak gebruikt in de betekenis van “gemeenschap hebben”. 1 Johannes 1:7 zegt: “Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is.” Deze zin zou kunnen eindigen met: “dan zien wij elkaar”. Dat staat er niet, er staat dat “wij gemeenschap met elkander hebben”. Als we geen gemeenschap met elkander hebben, zeggen wij in het Nederlands dat wij elkaar niet zien of niet zien staan. De uitdrukking “Jezus zien met heerlijkheid en eer gekroond” (Hebreeën 2:9) betekent dat wij deel aan Hem hebben. Het vers staat bovendien in de toekomende tijd. Dat wil niet zeggen dat dit vers over de toekomst gaat. Toekomende tijd wordt ook gebruikt om aan te geven dat hetgeen dat genoemd wordt uit het voorgaande voortkomt. De gedachte is dat waar die heiligmaking is, wij de Heer zullen zien. Niet in de toekomst, maar nu. Daar waar heiligmaking is hebben wij gemeenschap met Hem, hebben wij deel aan Zijn heiligheid. Daarom zegt de apostel dat het maar om één ding gaat: Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding (Filippenzen 3:10). Het gaat erom dat wij wandelen in gemeenschap met Hem.

Het gaat hierbij om praktische dingen, want hoe kan je in de praktijk van het leven wandelen in gemeenschap met iemand die je niet kent? Dat is natuurlijk erg zwart-wit gesteld. Daar waar wij Hem leren kennen uit de Schrift, zullen wij Hem ook kennen ofwel betrekken in onze wandel. De bedoeling is dat wij de Heer aan de ene kant leren kennen, doordat wij Zijn Woord leren verstaan en aan de andere kant uit ondervinding. Jakobus begint met: “acht het voor grote vreugde, wanneer gij in vele verzoekingen valt” (Jakobus 1:2). Daar komt de levenservaring uit, het leren uit de praktijk. Daar dient die beproeving of verzoeking voor. “Opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht…” (Jakobus 1:4).

En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een ieder mildelijk geeft, en niet verwijt; Jakobus 1:5a

Er staat dus niet dat men zich wijsheid in de praktijk zou verwerven. Zowel de praktische als de theoretische kennis worden in dit gedeelte genoemd. Die twee behoren één geheel te zijn. Waar wij komen tot heiligmaking, waar het werk van de Heilige Geest in ons werkt, komen wij tot kennis van Hem en zullen Hem zien. Zodat we aan Hem deel hebben, ook in de praktijk van ons leven. Het gaat erom dat wij zouden leven in gemeenschap met Hem en dat gaat samen met deze heiligmaking.

15 Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.
16 Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.
17 Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.
18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder,
19 En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden. Hebreeën 12:15-19

Galaten en Hebreeën spreken over hetzelfde. Alleen spreekt Galaten over Ismaël tegenover Izak en Hebreeën over een generatie later, namelijk Ezau tegenover Jakob. Ezau die van nature de eerstgeborene was, niet eens uit de dienstmaagd maar uit de vrije, waardeerde dat niet. Hij had geen belang bij die beloften. Ze worden tenslotte toch niet in dit leven vervuld. Hij gaf om een spijze – hetgeen met zijn aardse leven te doen heeft – het recht van zijn eerstgeboorte weg. Waar wij die onderlinge bijeenkomst nalaten, zijn wij een hoereerder of onheilige gelijk Ezau. Waar wij verzuimen om onze levens ter beschikking te stellen aan de Hogepriester, doen wij in de praktijk afstand van ons persoonlijke eerstgeboorterecht. Dan is er geen beter en blijvend goed in de hemel, geen grote vergelding des loons. Dan zullen wij de beloftenis niet wegdragen en is er geen behouding der ziel. Kortom, dan zijn we het eerstgeboorterecht kwijt. Natuurlijk werd Ezau wel gezegend. Hij was de zoon van Izak en dus ontving hij zegeningen. Het gaat echter om dat eerstgeboorterecht. Dat ging niet naar Ezau, maar naar Jakob. Deze dingen worden van toepassing gebracht op de leden van de Gemeente als individuen.

Die “tastelijken berg” is de Sinaï, de berg in Arabië uit Galaten 4, maar dan in overdrachtelijke zin. Direct achter dit vers staat dat ze de woorden der wet niet konden dragen. Dat bleek toen Mozes ze droeg en ze uit zijn handen liet vallen. Hier staat wat wij niet hebben. Niet de wet, niet Sinaï, niet onweder, niet donkerheid en geen woorden die je niet dragen.

Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Hebreeën 12:22

Wat wij wel hebben komt in dit vers aan bod. Wij zijn gekomen tot de ontastelijke berg Sion. Wij zijn niet gekomen tot het Jeruzalem dat nu is, ook niet het Jeruzalem dat in de toekomst zal zijn, maar tot het Jeruzalem dat boven is, hetwelk is ons aller moeder (Galaten 4:26). Wij hebben nu deel aan het reeds verborgen Koninkrijk. Het Koninkrijk dat in de toekomst pas geopenbaard zal worden. Wij zijn gekomen tot de stad des levenden Gods. De stad van David die dood is, is het Jeruzalem dat nu is, beneden. De stad des levenden Gods is het Jeruzalem dat boven is, waar niet de Zoon van David, maar de Zoon van God op de troon zit. Als Zoon van David zal Hij op de troon zitten in het toekomstige Jeruzalem. In het huidige Jeruzalem heerst de wet. Daarom zijn wij gezet in de hemel en hebben deel aan de stad en het Koninkrijk van de levende God, in plaats van de dode David. Wij zijn gekomen tot de vele tienduizenden engelen. Engelen zijn hemelse wezens en daar hebben wij deel aan gekregen.

23 Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; Hebreeën 12:23

De algemene vergadering is een Griekse term ter aanduiding van de volksvertegenwoordiging. Een volksvertegenwoordiging die regeringsverantwoordelijkheid draagt, bestaat uit koningen, uit zonen, uit eerstgeborenen. Onder Israël bestond ook zo’n algemene vergadering, namelijk de Joodse hoge raad onder voorzitterschap van de hogepriester. Die raad bestond uitsluitend uit priesters en omdat ze deel uitmaakten van de hoge raad, heetten ze overpriesters. In het oude Grieks is de ecclesia ofwel de gemeente hetzelfde als de volksvertegenwoordiging of de algemene vergadering. Geroepen uit het volk om deel te hebben aan de volksvergadering, is wat met ons is gebeurd. Wij zijn uitverkoren in Christus van voor de grondlegging der wereld (Éfeze 1:4) en daarmee gepredestineerd om in de toekomst tot zonen gesteld te worden.

1 Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus;
2 Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.
3 En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; Romeinen 5:1-3

Dit spreekt over onze positie als Gemeente. Wij staan in de genade omdat we uit genade zalig zijn geworden. Wij hebben ook nog steeds toegang tot diezelfde genade. Die hebben we namelijk niet alleen nodig om wedergeboren te worden, maar ook om op grond daarvan de levende God in de praktijk van ons leven te dienen (Hebreeën 9:14). Wij roemen namelijk hierin, dat die heerlijkheid van Godswege in de toekomst aan ons geopenbaard zal worden. Waar wij onze verwachting gesteld hebben op deze toekomende dingen, brengt het vanzelfsprekend lijden met zich mee. Niettemin wordt in de volgende verzen uiteengezet dat wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed (vers 9), behouden zullen worden van de toorn. Daarbij is die toorn niet alleen de toekomende toorn in de dagen van de wederkomst van Christus, maar de toorn waaronder de hele mensheid in onze dagen leeft (Romeinen 1:18). Waar wij wedergeboren zijn, namelijk de Geest van God hebben ontvangen, zullen wij in ons leven behouden worden van deze toorn waaronder de natuurlijke mens leeft. Wij worden onttrokken aan de tegenwoordige boze eeuw (Galaten 1 14) en geplaatst in de toekomende. Wij worden daaraan onttrokken omdat wij wandelen in het Licht van Gods Woord en het Licht van Gods Geest, namelijk Christus. Dat houdt in dat wij weten waar wij vandaan komen en waar wij naartoe gaan. Het is kenmerkend voor de mensheid, dat die niet weet waar ze vandaan komt en waar ze naar toe moet (Johannes 12:35).

1 Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?
2 Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? Romeinen 6:1,2

In het voorgaande vers, Romeinen 5:21, wordt vastgesteld dat wij eertijds leefden onder de heerschappij van de zonde en de dood, maar nu leven onder de heerschappij van de genade. Genade om Godzaliglijk te kunnen leven (2Timothéüs 3:12). Echter, wij zouden niet in de zonde blijven en de zonde dienen, maar wij zouden de gerechtigheid dienen. In plaats van onze lichamen te stellen tot instrumenten der ongerechtigheid, zouden wij ze stellen tot wapenen der gerechtigheid (Romeinen 6:13). De andere vraag die gesteld zou kunnen worden is of wij onder de wet zouden blijven, want de wet is tenslotte gerechtigheid, denken velen. Tot op zekere hoogte is dat ook wel zo. De gedachte is echter dat wij niet onder de wet zouden leven, omdat een leven onder de wet in de praktijk een leven is dat dienstbaar is aan de zonde. Waar de wet heerst, heerst de zonde.

14 Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.
15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre. Romeinen 6:14,15

Het dienen van de wet is dus niet het dienen van de gerechtigheid. Wat we wel zouden doen, wordt in Romeinen 8 uiteengezet. Daar wordt in het begin nog aangesloten bij Romeinen 7, namelijk dat het vlees zich aan de wet Gods niet kan onderwerpen. Dat blijkt een onmogelijkheid te zijn. Daarna wordt gezegd dat wij ons niet aan de wet zouden onderwerpen, maar aan de Geest. Dat is de term die dan geïntroduceerd wordt in vers 2. Daar wordt de wet gesteld tegenover de Geest.

Leven onder de heerschappij van de Geest

Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. Romeinen 8:2

Het betreft hier het Nieuwe Verbond, want dat is een bediening des Geestes. De korte versie van vers 2 luidt: het Nieuwe Verbond heeft mij vrijgemaakt van het Oude. Dat is vrij van de heerschappij van de wet en dus ook van de heerschappij van de zonde, want die twee dingen zijn niet van elkaar te scheiden. Het begrip Geest wordt dan verder toegelicht.

4 Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
5 Want die naar het vlees zijn, bedenken dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn bedenken, dat des Geestes is.
6 Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;
7 Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.
8 En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. Romeinen 8:4-8

Bedenk dat zonde en wet altijd gaan over vleselijke dingen, namelijk over de oude mens. Het is vijandschap tegen God. Het bedenken des Geestes is leven en vrede. Zowel leven als vrede veronderstelt gemeenschap.

9 Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
10 En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil. Romeinen 8:9,10

Dat is geen uitspraak over de praktische levenswandel van de Romeinen, maar over de positie van de gelovige, die immers de Geest Gods heeft ontvangen. Dat is hetzelfde als dat hij is wedergeboren. Hij is immers wedergeboren uit de Geest. Wat de Geest voortbrengt is geest (Johannes 3:6). Het ontvangen van de Geest is niets anders dan uit de Geest geboren worden, nieuw leven ontvangen. Het lichaam zou niet de zonde dienen, maar de Geest in ons zou de gerechtigheid dienen. Dat gebeurt overigens door het lichaam, maar het is de Geest van God Die dat bewerkstelligt.

En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. Romeinen 8:11

In verkorte versie staat er: “Indien de Geest van God in u woont, zo zal God ook uw sterfelijke lichamen levend maken.” In de tussenzinnen wordt uitgelegd dat die Geest ooit de Here Jezus opwekte uit de dood. Diezelfde God, diezelfde Geest en diezelfde kracht maakte het lichaam van Jezus levend. Welnu, zegt de apostel, als die Geest in u woont zal Die ook uw lichamen levend maken. De vraag is dan wanneer. Aangezien het geschreven staat in de toekomende tijd, zijn er altijd mensen die menen dat dit in de toekomst zal gebeuren. Ze doelen dan op de opstanding uit de dood in de toekomst. Daar zit echter een groot misverstand.    Uit het verband blijkt ook dat het om het heden gaat. Daar waar die Geest van God, Christus Zelf, in ons woont, zal die Geest ook onze sterfelijke lichamen levend maken. Dit kan bovendien niet slaan op de opstanding der doden in de toekomst, want dan had er niet kunnen staan “uw sterfelijke lichamen”. Dan had er moeten staan “uw inmiddels dode lichamen”. Sterfelijke lichamen zijn wel degelijk nog levende lichamen. De gedachte is dat onze lichamen levend gemaakt worden, terwijl ze nog sterfelijk zijn. Vooruitgrijpend op de opstanding uit de dood. Daarom gaat het over het heden. De Geest Die Christus uit de dood opwekte, wekt ook ons nu op uit de doden. Dat is ook waar Paulus het over heeft in Filippenzen 3:11,12: “Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden. …maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht,…” Men leest dat dan alsof het gaat over de Jongste Dag of de opname van de Gemeente. De apostel spreekt in werkelijkheid over de werking van het leven van Christus in hem op dat tijdstip. Terwijl hij uiteraard nog in dit sterfelijke lichaam is.

Hoe zouden wij dan leven? Onder de heerschappij van de zonde? Nee. Onder de heerschappij van de wet? Nee. Wij zouden leven onder de heerschappij van de Geest Die in ons woont. Alleen is heerschappij een sterk woord dat hier ook niet wordt gebruikt. Wel een synoniem, namelijk onder de leiding van de Geest. Dat komt op hetzelfde neer. Als iets heerst in ons leven, betekent de uitdrukking dat het de grootste macht heeft in ons leven. Heerschappij van de wet veronderstelt dat de wet de hoogste kracht is in ons leven. Heerschappij van Christus veronderstelt dat Hij de hoogste Kracht is in ons leven. Dat wil niet zeggen dat die andere er niet meer zijn, maar ze hebben niet meer de grootste kracht. Natuurlijk werkt de zonde in ons en werkt de dood in ons, maar dat wil nog niet zeggen dat de zonde of de dood in ons heerst. Wat in ons als gelovigen heersen zou, is het leven van Christus.

12 Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.
13 Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven. Romeinen 8 : 12, 13

De gedachte is dat die Geest heersend zou zijn in onze levens, waarbij de werkingen des lichaams worden genegeerd en tot op zekere hoogte op non-actief worden gezet. De bedoeling is dat niet wij dat zouden doen, maar dat de Geest dat doet. Zoals Paulus het zegt in Éfeze 5:18: “Wordt vervuld met den Geest” of in Kolossenzen 3:16 : “Het woord van Christus wone rijkelijk in u, …” De verantwoordelijkheid van de werking van de Geest ligt bij ons. Wij zouden ons aan die Geest ter beschikking stellen.

Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen  Gods. Romeinen 8 : 14

Let op dat er niet staat “zullen worden”. Het gaat om het heden. Niet geleid door wet, zonde, of vlees, maar door de Geest Gods. Zonen worden geleid door de Geest van de Vader. Het is namelijk het leven Gods in ons (de goddelijke natuur zou Petrus zeggen in 2 Petrus 1:4) dat iets met ons doet. Het is de Geest Die ons leiden wil. Waar dat gebeurt, zijn wij zonen. Dat betekent niet dat wij al tot zonen zijn aangesteld. Het betekent dat God Zich jegens ons gedraagt als zonen en dat wij als kinderen ons ook jegens God gedragen als zonen. Op grond daarvan zullen wij in de toekomst tot zonen aangesteld worden. We mogen die dingen niet door elkaar halen en voorbarige conclusies trekken uit één losse zin uit een compleet Schriftgedeelte.

Aanstelling tot zonen

Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8 : 15

De term “aanneming tot kinderen” zou hier eveneens vertaald moeten worden met zoonstelling. De Geest heeft dus van alles te maken met onze aanstelling tot zonen. Waar wij door de Geest geleid worden, zijn wij zonen Gods, en waar wij zonen Gods zijn, zullen wij in de toekomst tot zonen worden aangesteld. De Geest is er niet om ons op fatsoenlijke wijze door het leven heen te helpen, maar werkt in ons om ons te brengen tot aanstelling tot zonen.

En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8 : 17

In bovenstaand vers is het woord “kinderen” correct vertaald. Wij zijn dat nu ook nog officieel. Wij zijn erfgenamen en dus bestemd om te erven, zoals Ezau dat was (Hebreeën 12:16,17). Omdat wij kinderen zijn, zijn wij erfgenamen van God en daarmee medeërfgenamen met Christus. Hij is tot Gods Zoon aangesteld. Hij heeft het eerstgeboorterecht ontvangen en is gesteld tot Koning, Priester en Eerstgeborene. Wij zijn voor datzelfde geroepen. Daartoe zijn wij kinderen Gods geworden. Om vervolgens opgevoed te worden en om in de toekomst tot zonen te worden aangesteld. Dat opvoedingswerk doet de Geest en niet de wet.

De weg van de Here Jezus naar Zijn aanstelling tot Zoon was een weg van lijden. Een weg van leven uit geloof. Dat wordt ook van ons verwacht: trouw aan onze hemelse Vader. In die zin is er een vergelijking tussen de Here Jezus en ons. Hij was uit God geboren, leefde op aarde als Kind van God en werd op grond van gebleken trouw en gehoorzaamheid tot Zoon aangesteld. Van ons kan hetzelfde gezegd worden, al is het in de praktijk anders. Wij zijn ook kinderen Gods. We zijn ook uit God geboren. De bedoeling is dat wij na gebleken trouw ook tot zonen worden aangesteld. Zoals de Heer daarvoor geroepen was, zo zijn ook wij daartoe geroepen, want in Christus zijn wij tevoren verordineerd tot zoonstelling (Éfeze 1:5).

Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegen- woordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Romeinen 8 : 18

Letterlijk staat er: want ik reken hiermee. Het lijden van deze tegenwoordige tijd slaat uiteraard op het als kind van God Hem dienende. Het gaat om de kastijding uit Hebreeën 12:11, die geen zaak van vreugde schijnt te zijn, maar ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid werkt (2 Korinthe 4:17). Let op dat woord gewicht. In dit vers staat dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet te waarderen is, niet opweegt tegen… Waardebepaling gebeurt door weging. De term heerlijkheid is een samenvatting van al wat wij in de toekomst zullen ontvangen vanwege die aanstelling tot zonen: heerlijkheid, loon, erfenis, zoonschap, eerstgeboorterecht etcetera. Het vers spreekt hier niet over heerlijkheid die wij in de toekomst zullen ontvangen, maar dat wij nu heerlijkheid ontvangen en dat die heerlijkheid in de toekomst geopenbaard zal worden. Er kan niet iets geopenbaard worden als het er niet eerder is. Dat gebeurt bij onze aanstelling tot zonen, dus bij de verlossing van ons lichaam (Romeinen 8:23). Voor zover die heerlijkheid er is, zal die geopenbaard worden. De gedachte is dat die heerlijkheid niet alleen aan ons getoond zou worden, maar ook aan de wereld. De Schrift spreekt er ook over als een uitwendige heerlijkheid. Heerlijkheid is synoniem met licht en wij zullen een min of meer lichtgevende gedaante hebben in dat verheerlijkte lichaam. Het is een heerlijkheid die hier op aarde aan het vleselijke lichaam niet gezien wordt, maar in de toekomst zal het zichtbaar gemaakt worden.

Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. Romeinen 8 : 19

Het woord “schepsel” zou eigenlijk vertaald moeten worden met “schepping”. De schepping is vrouwelijk en staat tegenover de Man, namelijk de Schepper. De vrouw zou de Man dienen zoals de schepping de Schepper zou dienen. In dit vers staat dat de schepping wacht op het moment dat wij, zonen Gods, openbaar zullen worden in de toekomst. Dan zal de heerlijkheid aan ons door de schepping gezien worden. Dat gebeurt als zonen Gods en niet als kinderen, zoals hier vertaald is. De toelichting volgt in Romeinen 8:20 :

Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; Romeinen 8 : 20

Wie heeft die schepping aan die leegheid onderworpen? De vertalers hebben het erop gehouden dat de duivel dat gedaan heeft, anders hadden ze het woord diens wel met een hoofdletter geschreven. Het had ook wel met een hoofdletter afgedrukt kunnen worden, want God Zelf heeft het zo gewild. De schepping is aan leegheid onderworpen, wij niet. Wij zijn niet leeg (ijdel), maar gevuld met de Geest Gods. Daardoor zou ons praktische leven vrucht dragen. De oude schepping kan geen vrucht dragen. Die is onnuttig geworden en afgeweken (Romeinen 3:12).

Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Romeinen 8:21

Hier staat kinderen weer goed vertaald. Het maakt hier niet zoveel uit of er zonen of kinderen staat. De gedachte is dat wij die nu kinderen Gods zijn en leven onder de vrijheid van het Nieuwe Verbond. Niet gebonden aan de macht van de dood, de zonde of de wet, maar geplaatst in de vrijheid. In die positie ontvangen wij heerlijkheid. Beide begrippen, vrijheid en heerlijkheid, leiden ertoe dat die heerlijkheid in de toekomst geopenbaard zal worden. Dan is het niet meer de heerlijkheid van de kinderen Gods, maar van hen die vroeger kinderen Gods waren en inmiddels tot zonen zijn gesteld. Vandaar dat het hier in het vers niet meer uitmaakt. In die vrijheid leren wij te leven als zonen Gods. Het probleem van vrijheid is dat het in wezen niet bestaat. Elk mens is altijd ergens aan gebonden. Alleen wij beperken het begrip vrijheid en bedoelen dan dat waar de mens niet gebonden is aan dingen die hem opgelegd worden, aan wetten in het algemeen, de mens vrij is. Het is echter een oppervlakkige aanduiding. In werkelijkheid zijn wij allen in ieder geval gebonden aan onze eigen natuur waardoor wij dingen doen die wij niet willen en dingen niet doen die wij zo graag hadden gewild. Zo bestaan ook vrijdenkers niet. Denken is altijd gebonden aan een denkraam, aan informatie die men heeft, het milieu waarin men zich begeeft en aan de mens zelf.

Dat is precies het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Verbond. Het Oude Verbond legt wetten op en dat is zondermeer slavernij. Het Nieuwe Verbond betreft een ingeschreven wet, het leven van Christus in ons, waardoor wij vrij zijn omdat ons niets is opgelegd. Aan de buitenkant is er niets wat ons ook maar tot iets verplicht. Als kinderen Gods zijn wij vrij, maar toch gebonden door het leven van Christus in ons. Vrijheid heeft overigens geen enkele zin wanneer men geen verantwoordelijkheid wil dragen. Waar men vrij is, zal men zijn eigen beslissingen moeten nemen en daarmee zijn eigen verantwoordelijkheid moeten dragen. Veel mensen (waarmee de natuurlijke mens bedoeld wordt) zijn zo zwaar gebonden, omdat zij niet in staat zijn hun eigen verantwoordelijkheden te dragen. De beslissingen die zij in het leven moeten nemen, schuiven zij af op anderen. Het probleem van de gelovigen is dat velen onder de wet leven. Niet omdat dat in de Bijbel staat, maar omdat het hun verantwoordelijkheid wegneemt. Als je mensen vraagt wat ze geloven, zeggen ze: “Ik ben dit of ik ben dat.” Daarmee bedoelen ze dat hun naam ergens op een lijst ingeschreven staat. Wat ze dan precies geloven, kom je niet achter, want dat is in de praktijk vaak niets. Als men wat gelooft, iets voor waar houdt, is dat alleen zinnig wanneer men daar ook uit leeft. Men leeft eruit als men de dingen die men voor waar houdt ook gebruikt als normen voor het praktische leven. Dat wil zeggen dat men zijn beslissingen neemt op grond van wat men gelooft. Dat is een levend geloof zegt Jakobus. Als dat er niet is, is er misschien wel geloof, maar is dit bij zichzelven dood (Jakobus 2:17). Dan betekent het in de praktijk van het leven niets.

De gedachte is dat wij tot vrijheid geroepen zijn. Dat betekent ook dat we niet onder een wet leven die ons zegt wat we doen en laten zouden, zodat we geen eigen verantwoordelijkheid hoeven dragen. Waar we in de vrijheid staan, zullen we onze eigen beslissingen moeten nemen. Niet die ons opgelegd worden, maar die van binnenuit komen. We dienen daar ook verantwoordelijkheid voor te dragen. In de praktijk valt het wel weer mee, want als het goed is, leeft de Geest in ons en laten wij ons vullen door het Woord. Dat zal ongetwijfeld zijn uitwerking hebben op ons leven. Waar wij leren leven in die vrijheid, waar wij als kinderen Gods verantwoordelijkheid leren dragen, zijn wij geschikt om tot zonen te worden gesteld. Naarmate wij hier verantwoordelijkheid dragen, zijn wij dus zonen, alhoewel we officieel nog steeds kinderen zijn. Waar geen vrijheid is, draagt men geen verantwoordelijkheid en waar geen verantwoordelijkheid gedragen wordt, is het leven dikwijls tamelijk eenvoudig.

22 Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe.
23 En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. Romeinen 8 : 22, 23

Hier dient “kinderen” wederom met “zoon” vertaald te worden. Wij verwachten namelijk de aanstelling tot zonen. De wereld wacht daarop en in laatste instantie worden wij genoemd. De aanstelling tot zoon vindt plaats bij de verlossing van ons lichaam. De vertalers hebben niet “ter gelegenheid van” de verlossing van ons lichaam, maar “namelijk” de verlossing van ons lichaam bijgevoegd. Dat is terecht, want het betekent dat beide termen dezelfde betekenis hebben. “Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels (ons lichaam) gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen” (2 Korinthe 5:1). Daar worden wij bekleed, overkleed of naakt bevonden (2 Korinthe 5:3, 4), want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus (2 Korinthe 5:10). We hebben dus de aanstelling tot zoon, de verlossing van ons lichaam en de openbaring voor de rechterstoel van Christus. Dat is drie keer hetzelfde. Het zichtbare aan ons wordt weggedaan en het onzienlijke blijft over. Dat onzienlijke zal dan in de toekomst openbaar gemaakt worden aan de wereld. De heerlijkheid van het lichaam is/wordt nu al wel ons deel. Wij worden nu door de Geest geleid tot die aanstelling tot zoon.

Want wij zijn in hope zalig geworden. …. Romeinen 8 : 24a

Het leven van een kind is niet het normale leven van een mens. Het is gericht op de volwassenheid. Een kind moet van alles leren, met name het dragen van verantwoordelijkheid, opdat het later vrij van de heerschappij van de ouders het leven aankan. Zo is het ook met ons als gelovigen. Dit is niet het normale leven. Daar zijn wij naar onderweg. Wij worden hier in dit leven als gelovigen voorbereid op het leven dat ons is beloofd. Het dienen van God heeft in de eerste plaats onze eigen volwassenheid tot doel. Als onze dienst aan de Heer geen enkel praktisch en zichtbaar resultaat voortbrengt in de zienlijke wereld, dan nog kan onze dienst aan Hem vrucht dragen, omdat het leidt tot onze zoonstelling. Ons gaat het in ons leven niet om een zo groot mogelijk zichtbaar resultaat van onze dienst aan Hem, maar dat wij trouw leren zijn aan Hem, ongeacht de omstandigheden. Waar wij de Heer dienen en ons werk veel zichtbare vrucht draagt, is het heel wat makkelijker om trouw te zijn dan waar het werk geen zichtbare vrucht draagt. Toch gaat het juist daarom.

Samengevat gaat het in Romeinen 8 over onze toekomstige aanstelling tot zoon. En om nog maar eens een open deur in te trappen: zonen kunnen alleen aangesteld worden als ze er eerst zijn. De bedoeling is dat wij nu opgroeien tot zonen om in de toekomst tot zonen gesteld te worden. Daarom zouden wij in heel ons leven onze verwachting stellen op de wederkomst van Christus. Bij alles wat ons in het leven overkomt, zouden wij onze blik daarop gericht houden, want dat is waar het om gaat. Wij verwachten hetgeen wij niet zien en wij verwachten dat met lijdzaamheid.

24b …. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen
25 Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid.
26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Romeinen 8 : 24b-26

Het gaat erom dat wij niet leven uit de kracht van het vlees. De gedachte is dat wij als kinderen Gods zouden leven en dat kan alleen maar in de kracht van de Geest Die ons gegeven is om ons tot aanstelling tot zonen te leiden. Die komt onze natuurlijke zwakheden mede te hulp. In onze dienst onder het Nieuwe Verbond zouden wij met vrijmoedigheid naderen tot de troon der genade om te ontvangen genade, barmhartigheid en hulp (Hebreeën 4:16). In bovenstaande verzen staat dat de Geest onze zwakheden te hulp komt, maar dat gaat over precies hetzelfde. Die Geest is namelijk Christus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Van Hem zouden wij hulp ontvangen en in Zijn kracht zouden wij de levende God dienen. Vanzelfsprekend onder Zijn leiding en onder Zijn verantwoordelijkheid.

28 En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
29 Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.
30 En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. Romeinen 8 : 28-30

Wat is dat goede? Onze aanstelling tot zonen uiteraard. Daartoe moeten alle dingen meewerken. Dat is het doel van ons leven. Alle dingen zouden meewerken dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Waartoe waren we geroepen? Dat is ook weer hetzelfde antwoord: tot aanstelling tot zonen, tevoren verordineerd. De uitdrukking in het eerste gedeelte van vers 29 komt overeen met de uitspraak in Éfeze 1:4,5, waar staat dat we in Christus zijn uitverkoren en dus ook in Christus tevoren verordineerd zijn tot aanstelling tot zoon. Het resultaat is dat als wij tot zonen in de toekomst worden aangesteld, Christus uiteraard de Eerstgeborene is temidden van vele broederen. Temidden van anderen die met Hem in dat eerstgeboorterecht delen. Het volgende vers zegt dan kort samengevat: “die Hij tevoren verordineerd heeft, heeft Hij ook geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt”.

6. Relatie tussen Israël en de Gemeente

In het vorige hoofdstuk zijn wij nader ingegaan op de positie van de Gemeente. Wij hebben gezien dat wij als kinderen Gods voorbestemd zijn om tot zonen te worden aangesteld, ofwel om erfgenamen met Christus te worden en om met Hem te delen in het eerstgeboorterecht. In het Oude Testament vinden we echter dat het eerstgeboorterecht beloofd is aan Israël en niet aan de Gemeente (die daar immers een verborgenheid is). Hoe kan het dat de beloften die in het Oude Testament aan Israël zijn gedaan, in het Nieuwe Testament aan de Gemeente worden toegeschreven? Het verkeerd stellen van de vraag maakt dat deze niet goed beantwoord kan worden. Er is immers geen sprake van of het één of het ander. In onze dagen worden beloften, die inderdaad oorspronkelijk aan Israël gedaan zijn, vervuld aan de Gemeente. Dat sluit echter niet uit dat diezelfde beloften in de toekomst alsnog aan Israël vervuld worden. We blijven dan zitten met de vraag hoe het kan dat beloften die aan Israël zijn gedaan, in onze dagen aan de Gemeente vervuld worden. De ene gedachte is dat waar gesproken wordt over het eerstgeboorterecht van Israël, het over het eerstgeboorterecht van Israël temidden van de overige volken op aarde (en dus in deze oude schepping) gaat. Waar het eerstgeboorterecht toegewezen wordt aan de Gemeente, gebeurt dat niet met betrekking tot aardse omstandigheden maar in verband met hemelse omstandigheden. De Gemeente van vandaag is immers geen aards volk maar een hemels volk. De andere gedachte is, dat beloften aangaande eerstgeboorterecht niet aan Juda of aan de twee stammen van Israël zijn gedaan, maar in het bijzonder aan Efraïm en daarmee de tien stammen van Israël.

Het blijkt dat, mede naar aanleiding van Romeinen 9 t/m 11, het eerstgeboorterecht van de Gemeente wel degelijk stoelt op oudtestamentische profetieën. In deze hoofdstukken worden veel oudtestamentische profetieën aangehaald en in verband gebracht met de Gemeente in onze dagen. Dan mag het zo zijn dat de Gemeente in het Oude Testament een verborgenheid was, hier wordt ons die verborgenheid geopenbaard. Er wordt ons gedemonstreerd op welke wijze oudtestamentische en Israëlitische uitspraken Gemeentelijke uitspraken blijken te zijn. Volgens sommigen is dat een vergeestelijking van de profetie. Dat wil zeggen dat een allegorische toepassing (zinnebeeldige voorstelling) gegeven wordt aan deze oudtestamentische profetieën. Dat is weliswaar het geval, maar het sluit ook uit dat deze uitspraken ook als letterlijk beschouwd kunnen worden. Daarbij is het zo dat het volk waarover in Romeinen 9 t/m 11 gesproken wordt, niet zozeer de Gemeente is, maar Israël. Niet het bekende deel van Israël, het Joodse volk (de twee stammen), maar het onbekende deel, namelijk Efraïm of Jozef, kortom de tien stammen van Israël. Als er gesproken wordt over een ammi dat lo-ammi zal worden en een lo-ammi dat ammi zal worden, gaat het over het Joodse volk, dat niet Gods volk zou zijn én over de tien stammen, lo-ammi, die ammi zouden worden. Ze zouden het worden door geloof en daarmee komen we terecht bij de Gemeente. Dat neemt niet weg dat de historische en juridische oorsprong van de Gemeente ligt bij de tien stammen van Israël in het algemeen en kennelijk bij Efraïm in het bijzonder.

Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk lo-ammi zijn;… Romeinen 10 : 19a

Het antwoord van Mozes is het enige echte antwoord dat gegeven kan worden op de vraag. Het Joodse volk kan niet tot jaloersheid verwekt wordt door lo-ammi, als lo-ammi de Gemeente is, want de Gemeente is niet lo-ammi maar ammi. De Gemeente is wel degelijk Gods volk. Toch staat er dat Hij jaloersheid zou verwekken door lo-ammi. De enige oplossing van dat probleem is, dat lo-ammi niet de aanduiding is van de Gemeente maar van de tien stammen van Israël. Het ene deel van Israël zal tot jaloersheid verwekt worden door het Efraïmitische deel van Israël, namelijk de tien stammen. Hoe dan? Doordat God Zich uit dat deel van Israël juridisch de Gemeente verwekt. Een volk met eerstgeboorterechten, met een hemelse toekomst. Als dat geen oorzaak is om jaloers te worden.  Laat iemand maar eens zeggen hoe het Joodse volk tot jaloersheid verwekt kan worden door een volk dat niet Gods volk is. Dat kan helemaal niet. Het kan alleen tot jaloersheid verwekt worden door een volk dat wel degelijk Gods volk is. Min of meer in de plaats zelfs van dat Joodse volk. Toch staat er lo-ammi. Dat kan alleen, wanneer het een verwijzing is naar het andere deel van Israël. Beide uitspraken, ammi zowel als lo-ammi, zijn uitspraken aangaande het volk Israël en dus kan het alleen maar zo zijn dat dit lo-ammi een aanduiding is van de tien stammen van Israël waaruit de Gemeente verwekt zou worden.

En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. Romeinen 10 : 20

Dat is ook een verwijzing naar diezelfde tien stammen van Israël. Zij zochten de Heer niet en vroegen niet naar Hem. Zij waren onverstandig, omdat ze de wet niet kenden of verworpen hadden. Ze waren op grond daarvan lo-ammi, maar ze kwamen wel tot geloof in de Here Jezus Christus.

De lijn van het Eerstgeboorterecht

Langs letterlijke weg is dat eerstgeboorterecht, zoals het aan Israël beloofd werd, via Efraïm wel degelijk terechtgekomen bij de Gemeente. Dat betekent dat op letterlijke en op overdrachtelijke wijze waarheden met betrekking tot Israël terechtkomen bij de Gemeente. Ik neem u mee naar de lijn die in de Bijbel wordt getrokken. Het is een lijn met betrekking tot het eerstgeboorterecht. Hij begint in Genesis. We hebben daarvan doen met Adam van wie gezegd wordt dat hij heerschappij zou hebben.

26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 1:26

28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! Genesis 1:28

Dat betekent dat aan Adam de heerschappij over de aarde werd gegeven. Hij was de eerste en hij kreeg heerschappij over de aarde. Daarna vermenigvuldigde hij zich. Dan is de vraag aan wie van zijn zonen deze erfenis ten deel valt, namelijk het koningschap over de aarde. Wie zou degene zijn aan wie dit soort beloften zijn gedaan? We krijgen in Genesis 4 melding van twee zonen van Adam die, zoals het twee zonen wellicht betaamt, meteen ruzie krijgen. De één is jaloers op de ander en de jaloerse slaat de één dood. Dit is een voorafschaduwing van de eerste christenvervolgingen door de Joden. Het is wat voorbarig om dat zo te zeggen, maar uit het verband van wat verder volgt blijkt wel degelijk dat Kaïn een type is van het Joodse volk. Hij zou zijn broer doodslaan. Zijn broer is een type van de Here Jezus in Wie meteen de Gemeente besloten ligt. Als over Kaïn een vloek wordt uitgesproken, blijkt het een vloek te zijn die in onze dagen van toepassing is op het Joodse volk.

10 En Hij zei: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.
11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.
12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.
13 En Kain zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
15a Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! Genesis 4:10-15a

Hier vinden we de beschrijving van de positie van het Joodse volk in onze dagen. De Heer verbergt Zich voor dat volk en het volk is voor de Heer verborgen. Dit is wat later in de profetieën beschreven wordt, namelijk dat de Heer Zijn aangezicht ganselijk zou verbergen voor dit volk (Jesaja 8:17; Micha 3:4). Dat komt overeen met de profetieën die zeggen dat het Joodse volk weliswaar vervolgd zou worden in onze dagen, maar dat de Heer niettemin recht zou doen over datzelfde Joodse volk. Dat de Heer het voor Zijn aangezicht verstoten heeft, geeft de heidense volkeren nog niet het recht om daarom maar de Joden te vervolgen. De Heer zal dat Joodse volk dan ook wreken in de toekomst.

Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar. Matthéüs 23:35

Van dat Joodse volk zou het bloed van Abel geëist worden. Dat kan natuurlijk niet, omdat het Joodse volk niet schuldig is aan het bloed van Abel. Hieruit blijkt dat Kaïn een type is van dat Joodse volk.

…. En de HEERE stelde een teken aan Kaïn, opdat hem niet versloeg al wie hem vond. Genesis 4:15b

Het woord “opdat” zou vertaald moeten worden met “dat”. Kaïn werd weliswaar vervolgd, maar niet gedood. Het teken aan het Joodse volk is dat het sinds de nieuwtestamentische geschiedenis door de eeuwen heen is vervolgd, maar dat het niettemin nooit is uitgeroeid. Ondanks dat daar uitgebreide pogingen toe gedaan zijn. Dat is het meest opmerkelijke teken dat er is. Menselijkerwijs gesproken zou het volk allang niet meer bestaan. Het was of geassimileerd, ondergegaan in de andere volkeren, of het zou zijn uitgeroeid. Dat is echter niet gebeurd en dat duidt op het teken van Kaïn dat we terugvinden bij het Joodse volk. Het punt is dat Kaïn de oudste zoon was en normaal gesproken van Adam zou hebben moeten erven. Hij zou de zoon des mensen geweest zijn ofwel de zoon van Adam. In werkelijkheid werd hij dat niet, zoals de registers dat ons hier in het Oude Testament laten zien. Het werd van hem weggenomen. Als Kaïn niet de erfgenaam zou zijn, zou Abel het moeten zijn, maar die werd gedood.

En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen. Genesis 4 : 25

Abel, de gedode, wordt opgevolgd door Seth die het eerstgeboorterecht verkrijgt boven het eerstgeboorterecht van Kaïn. Dit principe blijft in de gehele Bijbel een belangrijke rol spelen. Het speelt zelfs een rol in de geschiedenis van Noach en zijn zonen. Bij hem vinden we ook een dergelijk verschijnsel.

En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth. Genesis 5 : 32

De lijn van het eerstgeboorterecht liep uiteraard via Noach, want hij was tenslotte degene die samen met zijn zonen de zondvloed overleefde. Noach is daarmee automatisch de zoon des mensen, bijgenaamd de zoon van Adam. Na Noach is Sem zijn erfgenaam. Hij bleek echter niet de oudste te zijn. Dat was Jafeth (Genesis 10 : 21). Uit Sem kwamen vervolgens Terah en daarna Abraham voort. Ook hier ontvangt niet de oudste, maar de tweede het eerstgeboorterecht. De lijn van erfgenamen van Abraham die over de aarde zouden heersen, wordt niet via de oudste zoon getrokken, maar via de tweede.

En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. Genesis 11 : 26

Abram ontving dat eerstgeboorterecht, maar hij was niet de oudste. Hij was vele tientallen jaren jonger dan zijn oudste broer.

En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. Genesis 21 : 10

Typologisch is dit een eenvoudige waarheid. De zoon van de slavin is een beeld van het Joodse volk in onze dagen, namelijk Israël levend onder de wet. Het wordt onterfd. Dat wil zeggen dat het in ieder geval niet het eerstgeboorterecht ontvangt. De gedachte is dan dat het eerstgeboorterecht in plaats daarvan bij de Gemeente terechtkomt. Maar het gaat hier toch echt om twee broers die voortkomen uit dezelfde vader. Als dat eerstgeboorterecht van de ene zoon zou worden weggenomen, lag het voor de hand dat het zou gaan naar de andere, namelijk die zoon die nooit onder de wet geleefd had en wiens moeder ook niet onder de wet geleefd heeft. Als de zoon van de slavin een beeld is van het Joodse volk of de twee stammen van Israël, dan ligt het voor de hand dat de zoon van de vrije een beeld is van de volkeren die afstammen van de tien stammen. Als de ene zoon, het Joodse volk, onterfd wordt wegens afwijzing van het evangelie (afwijzing van de opgewekte Christus), dan ligt het voor de hand dat datzelfde evangelie in de eerste plaats gebracht zou worden naar de broer, namelijk naar de tien stammen.

Izak krijgt vervolgens twee zonen, nota bene een tweeling. Niet Ezau, maar Jakob ontvangt dat eerstgeboorterecht. Daarna gaat het weer verder. Hoewel Jakob meerdere zonen had, ging het eerstgeboorterecht niet naar de oudste zoon van zijn eerste vrouw, maar naar de oudste zoon van zijn tweede vrouw.

De belangrijkste verwisseling die we nog zouden moeten noemen, is die van Izak en Laban. Als het eerstgeboorterecht door Izak aan Jakob in plaats van aan Ezau gegeven wordt, vlucht Jakob naar zijn oom uit de oudere tak van de familie. De tak die naar menselijke normen eigenlijk het eerstgeboorterecht zou moeten hebben. Hij trouwt daar met de dochter van oom Laban. Hij dacht dat hij met de jongste trouwde, maar het werd de oudste. Het aardige is dat we hier een dubbele verwisseling tegenkomen. De eerste is de verwisseling van het eerstgeboorterecht van Ezau naar Jakob. Via de vlucht van Jakob naar Laban vinden we tegelijkertijd de verwisseling van deze tak van de familie met de andere tak van de familie. Jakob werd door het huwelijk met de dochters van oom Laban de zoon van Laban, want Laban had verder geen zonen. Jakob die het eerstgeboorterecht kreeg van Izak, kreeg in de praktijk het eerstgeboorterecht van Laban. De eerstgeborene kwam hiermee toch uit die oudere tak van de familie, die eerder in de dagen van Abraham aan de kant geschoven was.

Van wie of wat zijn Ezau, Jakob en Laban een type? Elke keer als er twee zijn die worden verwisseld, is het geen enkel punt. Degene van wie het eerstgeboorterecht wordt weggenomen, is Israël. Men bedoelt daarmee het Joodse volk. Degene aan wie het eerstgeboorterecht gegeven wordt, is dan de Gemeente. Dat is de meest voor de hand liggende en oppervlakkige redenering in het Nieuwe Testament. Het Joodse volk wordt aan de kant geschoven ten behoeve van de Gemeente. Tot zekere hoogte is dat waar. Ezau is een beeld van het Joodse volk. Jakob is een beeld van de Gemeente en Laban is een beeld van de tien stammen van Israël. Dat dit een beeld is van onze bedeling wordt bevestigd door de 20 jaar waarin Jakob oom Laban diende om zich daarna alsnog te verzoenen met Ezau. Die 20 jaar zijn ongetwijfeld een uitbeelding van de 2000 jaar van onze bedeling. Na die 2000 jaar zal het Joodse volk alsnog behouden worden, namelijk tot geloof komen en zelfs verzoend worden met de Gemeente. Als we die lijn van de typologie doortrekken, betekent dit, dat na het eind van de 70-ste week verzoening tot stand zal komen tussen de Gemeente en het Joodse volk. We zullen namelijk met de Heer aan het Joodse volk verschijnen op de Olijfberg.

Via Jakob en Ezau komen wij terecht bij de volgende generatie. Daar hebben we niet te maken met twee, maar zelfs met twaalf zonen. De vraag is: wie van de twaalf zou het eerstgeboorterecht ontvangen? Dit wordt op zeer uitgebreide wijze uiteengezet in de geschiedenis van Jozef. Meer concreet vinden we dat terug in de zegeningen die aan Jozef dan wel aan zijn zoon Efraïm worden gedaan. Jakob zegent de zonen van Jozef en daarmee slaat hij een generatie over. Dat heeft alles van doen met onze bedeling, omdat alles wat Jozef heet op een of andere wijze uitdrukking geeft aan Gods werk in onze dagen. Jakob zou het eerstgeboorterecht moeten geven aan één van zijn zonen, maar in de praktijk geeft hij het aan één van zijn kleinzonen. Aangezien die kleinzoon voortkwam uit Jozef, geeft hij bij nader inzien toch het eerstgeboorterecht aan Jozef. In Genesis 48 wordt uitgebreid vermeld hoe Efraïm wordt gezegend: hoe Jakob zijn handen kruist en daarmee het eerstgeboorterecht verwisselt. Het eerstgeboorterecht zou namelijk gegeven moeten worden aan degene die onder de rechterhand staat.

14 Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
15 En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;
16 Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands! Genesis 48 : 14-16

Dezelfde zegeningen die van Abraham via Izak naar Jakob vererfd werden, worden hier door Jakob niet aan de twaalf zonen, of aan geheel Israël overgedragen, maar over het hoofd van Jozef heen aan Efraïm. De historische lijn is die van Abraham, Izak, Jakob, Jozef en Efraïm. Efraïm is mede daardoor eigenlijk de dertiende stam van Israël. Manasse was de oudste en nam de plaats in van Jozef. De stam van Manasse is dus in principe dezelfde als die van Jozef. Efraïm wordt ook een stam van Israël en dus ontstaan er dan dertien stammen. Die dertiende stam is juist de drager van de specifieke beloften aangaande het eerstgeboorterecht. De vraag is dan waar Efraïm gebleven is, want aan hem is eerstgeboorterecht gegeven. Normaal gesproken zou uit hem degene moeten voortkomen die ooit de hele aarde aan zich zou onderwerpen. Het eigenaardige is dat de Here Jezus Die dat zou doen en uitdrukkelijk de Zoon des mensen genoemd wordt, niet uit Efraïm komt, maar uit Juda. Op welke wijze komt dat eerstgeboorterecht, dat aan Efraïm gegeven wordt, toch bij de Here Jezus terecht, hoewel Hij niet eens uit Efraïm was? De gedachte is dat de Here Jezus via zijn moeder uit Juda voortkwam. Hij werd ook de Erfgenaam van Juda via zijn wettige vader, maar die heette Jozef. Deze Jezus werd inderdaad de Eerstgeborene van een nieuwe schepping, zowel Zoon des mensen, als Zoon van God. Hij zou de hele aarde aan Zich onderwerpen.

Hoe dat met Efraïm verband houdt is eenvoudig genoeg: Juda, het Joodse volk, accepteerde Hem niet als zodanig. Maar de Here Jezus als de Eerstgeborene van een nieuwe schepping werd wel degelijk aanvaard door het volk dat geacht wordt de lijnrechte afstammeling te zijn van deze Efraïm. Volgens net zo’n lijn van erfgenamen en eerstgeborenen. De gedachte is, (het is echter niet te bewijzen) dat het evangelie, dezelfde boodschap en dezelfde Christus Die door het Joodse volk werd afgewezen, aanvaard werd door de Keltische stam der Britten. Vervolgens zou de conclusie getrokken moeten worden dat deze Britten de lijnrechte afstammelingen zijn van Efraïm. Op die wijze komt de zaligheid toch terecht bij en komt ze zelfs voort uit deze Efraïm.

7. Conclusie

Er vindt in Genesis 48 dus een splitsing plaats waarbij de normale lijn van afstamming weliswaar zou lopen via Juda, maar de beloften als zodanig worden meegegeven met de stam van Efraïm. Aangezien Efraïm als eerstgeborene automatisch het hoofd werd van de tien stammen van Israël, wordt de naam van Efraïm gegeven aan alle tien stammen van Israël. Dat verklaart ook waarom de naam der Britten uiteindelijk gegeven werd aan de Angelsaksische wereld. Vervolgens zegt Jozef over Mannasse:

 ….; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden. Genesis 48 : 19b

Dat is een hele belangrijke uitspraak, omdat die later wordt aangehaald in Romeinen 11. Wat hier vertaald is met “volle menigte van volken” is oorspronkelijk een volheid der volken en wel van heidense volken. Er staat “goj”. Het is dus een volheid der heidenen. De uitdrukking die hier gebruikt wordt in verband met Efraïm komen we nog maar één keer elders in de Bijbel tegen, namelijk in Romeinen 11. Daar is die uitspraak zonder enige twijfel van toepassing op de Gemeente. Wat hier gezegd wordt over Efraïm, blijkt in Romeinen 11 van toepassing te zijn op de Gemeente. Waar men hier zou denken aan een veelheid van volkeren voortkomend uit Efraïm, denkt de apostel Paulus kennelijk aan de Gemeente. De vraag is hoe je uit een verzameling van volkeren die uit Efraïm zou komen, bij de Gemeente terechtkomt. De enige mogelijkheid die overblijft, is dat de Gemeente, althans in hoofdzaak, voortkomt uit deze volle menigte der volkeren die zou voortkomen uit Efraïm. Als we die term Efraïm zo breed mogelijk nemen, omdat het gaat om een volle menigte der volkeren, moeten we daaronder alle tien stammen van Israël verstaan. De naam van de eerstgeborene wordt namelijk gegeven aan heel de familie. Zoals de naam van Jakob (= Israël) aan de gehele familie gegeven wordt, zo worden de tien stammen aangeduid onder de naam Efraïm.

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. Romeinen 11 : 25

De verharding is over een deel van Israël gekomen. Het is het ongelovige deel, zoals uit het voorgaande blijkt. Die verharding zou tot een bepaalde gebeurtenis of tijdstip blijven bestaan. Tijdstippen zijn echter alleen aan te geven als er sprake is van een tijdrekening en dus van een kalender. Die hebben we in de Bijbel niet en daarom worden er gebeurtenissen genoemd, in dit geval de volheid der heidenen. Er staat niet: “de vervulling van de tijden der heidenen”, zoals de vertalers ons opdringen via de verwijzing naar Lukas 21:24. Daar gaat het namelijk over hele andere dingen. Hier gaat het niet om een volheid van een tijd, maar om de volheid der heidenen. Daarom staat er ook: “totdat de volheid zal ingegaan zijn”. Wat is de volheid der heidenen? Er zijn twee manieren om de betekenis van een uitdrukking te achterhalen. De ene is via de concordante methode; door te zoeken waar de term nog meer voorkomt in de Bijbel. De andere methode is het uitzoeken van de context van een Schriftgedeelte. Nagaan waarover gesproken wordt en wat de draad is van het betoog. Daarbinnen moet de betekenis van de uitdrukking passen. Als de term opgezocht wordt op andere plaatsen in de Bijbel, moet de betekenis ook te vinden zijn uit de context. Als dat in dit geval gebeurt, komen we terecht in vers 12 van ditzelfde hoofdstuk. Daar wordt gesproken over de struikeling, de val en de vermindering van het Joodse volk door hun ongeloof.

En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid! Romeinen 11 : 12

Het betreft hier de volheid van het Joodse volk. Wat de uitdrukking betekent is duidelijk genoeg. Hun volheid staat hier tegenover hun val, hun vermindering en hun struikeling. In de praktijk komt dat neer op hun ongeloof. Wat is dan hun volheid? Hun bekering uiteraard in de toekomst, het moment dat ze tot geloof komen. Hun volheid betekent dat ze vervuld of gevuld zullen worden met de Heilige Geest der belofte. Dat wil zeggen dat de term: “hun volheid” slaat op gelovige Joden. Als daarna dezelfde uitdrukking min of meer gebruikt wordt in vers 25, moet die een gelijksoortige betekenis hebben. Daar gaat het niet over de volheid der Joden zoals in vers 12, maar over de volheid der heidenen. Als de volheid der Joden bestaat uit gelovige Joden, dan bestaat de volheid der heidenen uit gelovigen uit de heidenen, namelijk de Gemeente. Het enige bezwaar dat ingebracht wordt, is dat de Gemeente niet bestaat uit heidenen maar uit gelovigen. Er staat ook niet heidenen, maar volheid der heidenen. Het zijn vervulde heidenen en daarom gelovigen uit de heidenen. De Gemeente is niet een heidens volk, maar de Gemeente is ontstaan uit heidenen. Het bestaat uit heidenen die deel hebben gekregen aan het leven van Christus. De volheid der Joden zal ingaan in het beloofde land om van daaruit het Koninkrijk van de Messias te bouwen en te brengen over de gehele aarde. De volheid der heidenen gaat ook het beloofde land in. Dat wil zeggen: het betere vaderland, namelijk de hemel, uit onder andere Hebreeën 11.

Romeinen 11:25 spreekt dus over de opname van de Gemeente, zodat we kunnen lezen dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is tot aan de opname van de Gemeente. Daarna zal die verharding worden weggenomen, als men tot geloof komt. Voor de opname van de Gemeente zal dat volk dus niet tot geloof komen. Het blijkt dat die volheid der heiden volgens de nabije context de Gemeente is (Romeinen 11:25), maar volgens de concordante methode een verzameling van volkeren die afstammen van en erfgenamen zijn van Efraïm (Genesis 48:19b).

De conclusie is dat de Gemeente op een of andere wijze erfgenaam is geworden van Efraïm. Daarmee is het eerstgeboorterecht van de Gemeente verklaard. Aan het eind van Romeinen 11 komt naar voren dat de beloften inzake het eerstgeboorterecht weliswaar gegeven waren aan Israël in het algemeen, maar in het bijzonder aan Efraïm. Efraïm was de eerste onder de tien stammen die tussen de heidenen terechtgekomen zijn en daar min of meer hun identiteit zijn kwijtgeraakt. Dat komt ook naar voren uit de bestudering van de volksverhuizingen. Al die volkeren van Noordwest-Europa komen daarvandaan, van achter de Kaukasus en de Zwarte Zee. Precies het gebied waar de tien stammen in ballingschap verdwenen zijn. Ze zijn verstrooid. Ze zijn vanuit hun ballingschap verdreven en in de praktijk hier in Noordwest-Europa terechtgekomen. De gedachte is dat het evangelie dat door de Joden afgewezen werd, terecht is gekomen en aanvaard is door deze volkeren die afstamden van de tien stammen van Israël. Daar vindt de sluiting plaats tussen een menigte van volkeren onder de naam van Efraïm en van de andere kant bezien de Gemeente, namelijk gelovigen uit de heidenen.


 Gerelateerde bijbelezingen o.a.:
* Het eerstgeboorterecht
* Eerstgeboorterecht & Koningschap
* Zoonschap en Erfrecht


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld


Dit is een bewerking van de Brochure "Het eerstgeboorterecht" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl