DE TOORN VAN GOD

5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
6 Welke een ieder vergelden zal naar zijn werken;
7 Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven;
8 Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden; Romeinen 2 : 5-8

Ieder mens moet uiteindelijk tegenover de Allerhoogste verantwoording afleggen over zijn leven. De in het vlees geboren mens (gestorven of levend) zal het oordeel Gods niet ontvlieden. Dat komt echter niet in deze tijd, want God demonstreert zijn toorn nu niet. God is al 2000 jaar lankmoedig en verdraagzaam. Hij geeft de mens voortdurend de gelegenheid zich te bekeren en tot geloof te komen in de Heer. God’s genade, die in Christus ontvangen is, doet de gelovige wedergeboren worden tot nieuwe schepping in Christus. Alleen om die reden komt een gelovige – een lid van de Gemeente – niet in het oordeel!

Deze boodschap is “kracht Gods tot zaligheid” en destemeer reden om tot geloof te komen. Aanvaard Zijn genade in Christus, want wie het afwijst zal de toorn van God niet ontvlieden.


1. Inleiding

1 Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.
2 En wij weten dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke
dingen doen.
3 En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?
4 Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?
5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
6 Welke een ieder vergelden zal naar zijn werken;
7 Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onver-
derfelijkheid zoeken, het eeuwige leven;
8 Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden;
9 Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;
10 Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een ieder, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek.
11 Want er is geen aanneming des persoons bij God. Romeinen 2 : 1-11 *

Dit Schriftgedeelte spreekt over de situatie van de natuurlijke mens in deze wereld, zoals die tot op heden existeert en waarin de waarheid in ongerechtigheid ten onder wordt gehouden.

Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Romeinen 1 : 18

Het meest opvallende in de wereld is dat de waarheid daarin gevonden kan worden. We hebben altijd geleefd zoals het ons goeddunkt. We hébben niet te leven zoals het ons goeddunkt. Dat is (hopelijk) ook het eerste wat we onze kinderen bijbrengen. Men hoort wel eens opmerkingen die op het eerste gezicht erg filosofisch lijken, maar die dat achteraf niet blijken te zijn. Bijvoorbeeld: “Kinderen moeten zelf maar bepalen wat goed voor ze is”. Men zegt dat niet alleen in verband met de wereld, maar ook in verband met geestelijke dingen. Er zijn mensen die denken dat kinderen op een bepaald moment zelf wel naar God zullen gaan vragen. Ze laten hun kinderen volkomen vrij, zodat die kinderen zelf de waarheid kunnen ontdekken. Echter: Als wj het ze niet vertellen, wie zal het hun dan meedelen? De school? In de praktijk werkt het vaak andersom! De dingen die wij onze kinderen meegeven worden er op school weer uitgepraat. Daar gelooft bijna niemand in Gods Woord; ook al is het een christelijke school. Daar accepteert men het Woord van God niet, maar heeft men eigen regels. Daar leeft men zoals het hen goeddunkt.

Ieder doet wat goed is in eigen ogen. Dat is ook de prediking van tegenwoordig: doen wat goed is in eigen ogen. Dat is nooit goed en kan nooit goed zijn. Wij hebben ons leven niet van onszelf ontvangen. Wij hebben geen leven uit onszelf. Wij danken ons leven altijd aan anderen. Het gevolg is dat we altijd ondergeschikt zijn aan anderen; wie het ook is. We hebben dus altijd aan iemand verantwoording af te leggen over ons leven; uiteindelijk tegenover de Allerhoogste, namelijk God Zelf. Dat komt in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen naar voren. Deze brief spreekt immers over het evangelie als een kracht Gods tot zaligheid.

Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. Romeinen 1 : 16

Voordat op de details van het evangelie wordt ingegaan, wordt eerst uiteengezet waarom zo’n evangelie noodzakelijk is. De mens heeft behoefte aan een blijde boodschap, want oorspronkelijk was er slechts een kwade boodschap voor de mens, namelijk: ieder mens zal verantwoording af moeten leggen over zijn leven. Dat lijkt neutraal, maar het is natuurlijk negatief. Het is slecht nieuws, want Romeinen 3 leert dat de mens van nature een zondaar is. In Romeinen 1 : 29 wordt vervolgens gezegd:

Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; Romeinen 1 : 29

De mens is vervuld van dergelijke zaken. Paulus zegt in Romeinen 2 : 1 dat we zulke dingen veroordelen. We doen dergelijke zaken echter zelf ook!

Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen. Romeinen 2 : 1

De dingen waarvan ons verstand ons zegt dat ze onjuist zijn, veroordelen wij in een ander. Datzelfde verstand zou echter ook onszelf moeten veroordelen, want wij doen dezelfde dingen. De mens is zéér vindingrijk om een dubbele moraal toe te passen. Men veroordeelt iets in een ander en doet het vervolgens zelf. Wij stemmen van harte in met het veroordelen van anderen. Velen vinden de straffen die de rechtbank geeft veel te laag. Dat die mensen veroordeeld worden, is echter toeval of pech voor hen; niet vanwege hetgeen ze gedaan hebben, maar vanwege het feit dat ze gepakt zijn. De Schrift zegt namelijk dat wij precies dezelfde dingen doen. Gewoonlijk doen we het in daden en soms alleen maar in gedachten. De Schrift veroordeelt beide. Als een man een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft hij al overspel gepleegd. (Matthéüs 5 : 28) Wij veroordelen overspel, maar op dezelfde grond zouden we de gedachte eraan moeten veroordelen. We nemen het een ander kwalijk, maar doen zelf fundamenteel dezelfde dingen. De Schrift stemt ermee in dat zulke dingen veroordeeld moeten worden. Het gaat om een rechtvaardig oordeel over de daden van de mens. Wij, die anderen oordelen, vallen in feite onder hetzelfde oordeel. Als we anderen (ver)oordelen, veroordelen wij daarmee onszelf. Dat we in de praktijk zo weinig geoordeeld worden en zo weinig voor de rechtbank verschijnen, komt omdat we niet betrapt worden of omdat de rechtbank zich met bepaalde zaken niet meer bezighoudt omdat ze veel te gewoon geworden zijn. Ze zijn inmiddels geaccepteerd. De Almachtige is de Alwetende en Hij oordeelt naar waarheid over degenen die zulke dingen doen, ongeacht of wij ze veroordelen of niet. God veroordeelt ze.

En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden? Romeinen 2 : 3

Dat wij anderen oordelen is nog geen garantie dat wijzelf niet in het oordeel zullen komen. Er zijn mensen die denken dat, als ze de wereld om zich heen veroordelen, ze dan zelf niet in het oordeel komen. Als wij zeggen dat het fout gaat, zal men misschien van ons zeggen dat wij het goed doen. Dat is niet zo! Wij hebben deel aan dezelfde dingen. Ook al veroordelen wij de zonde/zonden, dan nog blijven wij zondaar. Daar verandert niets aan. Een natuurlijk mens – ook als hij erkent dat hij een zondaar is – zal het oordeel Gods niet ontvlieden.

4 Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?
5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. Romeinen 2 : 4, 5

In deze verzen wordt uitgegaan van een hele speciale Bijbelse waarheid: God oordeelt nu niets. God heeft Zijn handen van deze wereld afgetrokken. Dat is ook de strekking van Romeinen 1.

Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren; Romeinen 1 : 24

Letterlijk staat er: “Daarom heeft God hen ook losgelaten …”. De mens koos zijn eigen weg en God zei: “Ga dan maar”. De mens liet God los en wilde niets te maken hebben met Gods werk en Gods weg. God liet de mens los en liet hem zijn eigen gang gaan. Dat gebeurde toen God de wereld oordeelde in de Persoon van de Here Jezus.

En het was kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook. Genesis 38 : 10

De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaanietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem. 1 Kronieken 2 : 3

God “regeerde” destijds tot op zekere hoogte over deze wereld. God greep in. Hij oordeelde. God oordeelt echter al bijna 2000 jaar niet meer en Hij grijpt niet in. De geschiedenis bewijst dat. Tijdens de kerkhervorming streden mensen voor de waarheid, maar ze kwamen op de brandstapel. God greep niet in. In de tweede wereldoorlog werden zes miljoen Joden uitgeroeid omdat ze Jood waren. De Joden worden geacht Gods volk te zijn, maar God greep niet in! God grijpt al bijna 2000 jaar niet meer in. Hij heeft de wereld veroordeeld. Hij heeft de zonde veroordeeld in het vlees.

Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Romeinen 8 : 3

God heeft de wereld losgelaten en de wereld heeft zelf een weg gekozen. De wereld neemt het God nog kwalijk ook: “Als er een God is, waar is Hij dan?”. De mens wil zijn eigen weg gaan, krijgt vervolgens de gelegenheid daartoe en neemt het God dan kwalijk dat Hij de mens heeft losgelaten. God heeft de mens losgelaten.

24 Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;
25 Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen. Romeinen 1 : 24, 25

Wanneer de Messias komt zal Hij de volkeren oordelen. Hij zal wraak doen over de vijanden van Israël. Dat is waar. Waarom doet Hij dat nu niet? Waarom heeft Hij dat al bijna 2000 jaar niet gedaan? Om te demonstreren dat Hij verdraagzaam, goedertieren en lankmoedig is. Zijn Wézen komt hierin tot uitdrukking! God verdraagt het optreden van de mens. Hij tolereert de eigenwijze weg van de mens. Niet omdat Hij dat de mens gunt, maar omdat Hij Zijn lankmoedigheid en verdraagzaamheid wil demonstreren. Er wordt op gewezen dat God nu niet oordeelt, omdat God verdraagzaam en lankmoedig is. De lankmoedigheid Gods geeft ons de gelegenheid tot bekering te komen. Iemand kan God vandaag vloeken. Elke dag opnieuw heeft hij echter de gelegenheid zich te wenden tot (terug te keren tot) de Heer en te zeggen: “O God, wees mij zondaar genadig!” (Lukas 18 : 13) Als hij dat doet, zal hij genade ontvangen! Vroeger handelde de Heer anders. Als iemand destijds wederspannig tegen de Heer was, opende de aarde zich en zonk hij levend naar het dodenrijk. (Numeri 16 : 31-35) Destijds geloofde men tenminste nog dat daar het dodenrijk is. Zo’n persoon kreeg niet langer de kans tot bekering te komen en hij viel niet onder de lankmoedigheid van God. God is al 2000 jaar lankmoedig/verdraagzaam en Hij geeft de mens voortdurend de gelegenheid zich alsnog te bekeren/tot geloof te komen in de Heer. God is genadig!

De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. 2 Petrus 3 : 9

De Heer is lankmoedig. Hij stelt “bij wijze van spreken” de komst om te oordelen uit. Het is een doelbewuste demonstratie van Zijn lankmoedigheid.

En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft; 2 Petrus 3 : 15

De toorn is in de loop van ongeveer 2000 jaar opgebouwd/verzameld en wordt dan uitgegoten. Wanneer komt die toorn van God? Dat staat erbij in Romeinen 2:

…. vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, …. Romeinen 2 : 5b

“Dag” is in ieder geval een tijdsaanduiding. Er komt een periode waarin de toorn van God wordt geopenbaard. Het is toorn die is opgehoopt/verzameld, maar die dan in één keer uitgegoten wordt. De Schrift zegt dan ook dat er in die dagen grote verdrukking zal zijn.

Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. Matthéüs 24 : 21

Die verdrukking zal zo groot zijn, omdat het de toorn is van zo’n 2000 jaar menselijke historie. Die wordt alsnog uitgegoten, want God is rechtvaardig! Als het nu uitgesteld wordt, betekent dit dat het straks allemaal tegelijk komt. Dat is niet te onderschatten. Het gebeurt in de dag des toorns, de dag van de wraak van onze God.

Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten; Jesaja 61 : 2

Wraak staat niet voor een gebrek aan zelfbeheersing, maar staat voor vergelding. Die vergelding komt in de dag des toorns. Die dag des toorns wordt ook nadrukkelijk in de Bijbel aangekondigd.

Enkele teksten:

Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns. Jesaja 13 : 13

Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des HEEREN toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des HEEREN over ulieden nog niet komt. Zefanja 2 : 2

Een andere moeilijkheid is het vluchtelingenprobleem. In ons land wonen groepen mensen die hier – vanwege hun etnologische achtergrond – helemaal niet thuishoren. Ze hoeven niet weg, maar het brengt wel onoplosbare problemen met zich mee. Mensen met een verschillende achtergrond en cultuur kunnen niet op één stukje grond wonen. Hun verschillen verdragen elkaar niet. Dat geldt net zo goed voor Nederlanders die uit verschillende milieu’s komen (denk aan verschil in stand). Dat verdraagt elkaar evenmin. De enige oplossing is ook de meest rigoureuze en deze zal ook inderdaad volvoerd worden! Elk volk zal namelijk teruggestuurd worden naar het grondgebied dat God oorspronkelijk (Genesis 10) voor dat volk bestemd heeft. God heeft voor Israël een stuk land bestemd. Toen de aarde onder de volkeren werd verdeeld (Genesis 10) heeft God er rekening mee gehouden dat er later nog het volk Israël bij zou komen. Daar werd een stuk grond voor vrijgehouden. Later moesten de Kanaanieten eruit verjaagd worden. Ze woonden er ten onrechte.

In de (nabije) toekomst worden de volkeren niet alleen aan de Heer onderworpen door middel van oorlog en toorn. De overgebleven gelovigen uit de volkeren zullen bovendien daar geplaatst worden, waar ze geestelijk en geografisch thuis horen. Men moet zijn positie leren kennen onder de Schepper, Die hen gemaakt heeft. De volkeren zullen de Heer ook als Schepper moeten erkennen. Hij heeft de volkeren gemaakt. Volkeren hebben daarom ook verantwoording af te leggen. Dat gebeurt in de dag des toorns. Dan wordt hersteld wat er in minstens 2000 jaar fout is gegaan. De toorn, die nu uitblijft, wordt straks alsnog over de mensheid uitgegoten. Die toorn heeft in de eerste plaats te maken met de dan levende mensheid. Dat op zich zou een verzwakking zijn van het betoog van Paulus in deze hoofdstukken. Men zou dan namelijk kunnen zeggen dat men er niets mee te maken heeft, omdat de kans het grootst is dat men niet in dié dagen leeft. Deze brief werd zo’n 1900 jaar geleden geschreven. De mensen van toen leven allang niet meer. Ze komen niet in die toorn. Daarom is er ook nog een andere waarheid van kracht.

5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
11 Want er is geen aanneming des persoons bij God. Romeinen 2 : 5, 11

Er zijn uitzonderingen. Er zijn personen die niet op de jongste dag voor God zullen verschijnen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de gelovigen van de Gemeente, het Lichaam van Christus (de gelovigen van de huidige/vijfde bedeling). Dit betekent niét dat er sprake zou zijn van aanneming des persoons bij God. God maakt geen uitzonderingen met betrekking tot deze waarheid. Dit is een opmerkelijke gedachte, die dikwijls in de Bijbel voorkomt.

Enkele teksten:

Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. 2 Kronieken 19 : 7

En Petrus, den mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; Handelingen 10 : 34

Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming des persoons. Kolossenzen 3 : 25

God oordeelt zonder onderscheid des persoons. Dit is een belangrijke waarheid! Er zijn mensen – ook christenen – die denken dat de Joden er véél beter voor staan dan de heidenen. “Als iemand Jood is, oordeelt God heel anders over hem”, vinden zij. Er zijn mensen die menen dat Joden automatisch behouden zijn. Op grond waarvan? Omdat zij uitverkoren zijn? Dat kan niet! Er is geen aanneming des persoons bij God. God verkiest geen personen, maar geloof.

Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. Romeinen 1 : 16

Er komt een oordeel over ieder mens; eerst over de Jood en ook over de Griek. Al wordt iemand als Israëliet geboren, als hij sterft houdt hij op een Israëliet te zijn en wordt hij uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Dat is bij ons ook zo. De Bijbel onderschrijft dit volledig. Een volk bestaat niet uit doden, maar uit levende mensen. Ook al is het volk Israël uitverkoren, dan nog heeft dat geen enkele betekenis meer voor alle Israëlieten die in de loop der eeuwen overleden zijn. God kiest een volk slechts uit op grond van geloof. Het volk dat God Zich tot Zijn volk gemaakt heeft, is een volk dat bestaat uit gelovigen. Daarom werd Israël door de eeuwen heen voortdurend opgeroepen tot bekering en geloof in de Heer. Als geheel Israël in de toekomst opnieuw Gods volk wordt – en alzo zalig wordt – dan is dat op grond van geloof.

En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. Romeinen 11 : 26

Israël zal niet in haar ongeloof blijven. De Heer zal haar weer aannemen.

Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten. Romeinen 11 : 23

Israël zal op grond van geloof opnieuw worden geënt. God verkiest geloof en geen mensen. Dit is een belangrijke waarheid. De universele waarheid uit Romeinen 2 : 5 en 6 heeft betrekking op de oude schepping; geldt voor elk lid van die oude schepping door alle eeuwen heen. Men komt wellicht niet onder de toorn van God, maar het is een vaststaand feit dat men wel onder het oordeel van God komt. Deze waarheid geldt echter niet voor degenen die in deze (vijfde) bedeling tot geloof komen. Als gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling ooit voor God komen te staan, dan staan ze daar als leden van het Lichaam van Christus. Als God hen ziet, dan zegt Hij: “Ik vind geen schuld in hen”. Dat is niet dan pas. Dat is nu al zo!

9 Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;
10 En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; Kolossenzen 2 : 9, 10

Aan de nieuwe mens van de gelovige valt niets te corrigeren. Daarom komt hij niet in het oordeel. Er valt ook niets te oordelen, want wat in het oordeel komt is een oude schepping. De gelovige is voor God echter geen oude schepping meer, want die oude mens is met Christus gekruisigd en begraven. Op de Jongste Dag wordt geoordeeld wat er nog van de oude schepping over is. Daarom verdwijnen daar de oude hemelen en de oude aarde. Wat nog overblijft zijn de doden en die worden dan geoordeeld. Dat is alles. Daar kunnen gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling nooit deel aan krijgen, omdat zij in Christus een nieuwe schepping zijn. Het oude van hen is al afgelegd. Dit is één van de aspecten van het evangelie, namelijk dat er een oordeel komt over de oude mens, over de oude schepping. De gelovige die het evangelie – dat een kracht Gods is tot behoud voor een ieder die gelooft – aanvaardt en gelooft, komt niet in het oordeel omdat hij gerechtvaardigd is in Christus. De Schrift leert dat het oordeel dat over hem zou moeten komen allang uitgevoerd is. Het is voltooid(!) verleden tijd. Hij kan niet meer geoordeeld worden, omdat hij al geoordeeld is.

Juridisch is het zo dat iemand die terecht heeft gestaan voor een bepaalde zaak, nooit voor een tweede maal voor diezelfde zaak terecht kan staan; zelfs niet als de uitspraak verkeerd is geweest. In het licht van de Schrift is dit principe uitstekend te begrijpen. Gelovigen (sinds de opstanding van Christus) hebben al terecht gestaan. Het vonnis is allang voltrokken. Zj zien niet uit naar de Jongste Dag. Zij zijn die in feite allang voorbij. Hun oude mens is al geoordeeld. Zij kijken helaas teveel achterom. Dat is niet goed. Het is slecht voor het zoutgehalte (vergelijk de vrouw van Lot!). Ze zouden vooruit moeten kijken. Hij zal toorn openbaren over deze tegenwoordige boze eeuw/wereld. Dan komt Hij om de volkeren aan Zich te onderwerpen. Als Hij komt, komt Hij om Zijn Lichaam (de gelovigen van de vijfde bedeling) te verlossen van die toorn. Het gaat daarbij niet over het oordeel op de Jongste Dag. Dit is het grote misverstand dat zijn oorzaak vindt in het feit dat men alle nog onvervulde profetieën heeft willen betrekken op de Jongste Dag. Men laat alle verzen op de Jongste Dag slaan (d.w.z. aan het eind van de Bijbelse geschiedenis) en men hoopt dat het nog héél lang duurt voordat die dag komt. Daar gaat het hier echter niet over! Het gaat over de toekomende toorn van God, die zal geopenbaard worden. Daar zullen de gelovigen, behorend tot het Lichaam van Christus, van verlost worden bij de wederkomst van Christus. Die verlossing hoeft/kan niet eerder plaatsvinden, omdat die toorn pas bij de wederkomst van Christus komt. Als de Heer komt om Zijn toorn te openbaren, dan zal Hij die gelovigen tegelijk van de toekomende toorn verlossen. Waarom? Omdat zij niet in deze wereld thuis horen, hoewel ze er momenteel nog wel in aanwezig zijn. Ze horen hier echter helemaal niet.

Als de Heer komt om deze tegenwoordige wereld aan Zich te onderwerpen en Zijn toorn daarover te openbaren, houdt dat in dat degenen die hier niet thuishoren, daar éérst uit moeten verdwijnen. Aangezien Zijn toorn over de hele aarde zal komen, moeten ze dus van de aarde worden weggenomen. Dat is logisch, want aan de andere kant horen ze in de hemel thuis. Daar hebben ze nu – tijdens hun leven op aarde – reeds een hemels burgerschap. (Filippenzen 3 : 20) In werkelijkheid krijgt dus elk mens zijn juiste plaats toegewezen. Alle volkeren worden op de plaats gezet waar ze thuis horen; te beginnen met de Gemeente (het Lichaam van Christus). Het gebied waar zij (gelovigen van de huidige/vijfde bedeling; het Lichaam van Christus) thuis horen, is niet op aarde, maar in de hemel. Eerst gaan zj naar huis, daarna Israël, nadat het tot geloof gekomen is. Het wordt naar haar huis gebracht, omdat dat het huis, oftewel het land, van de Heer is. (vergelijk Hoséa 9 : 3)

Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt. Leviticus 25 : 23

8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.
9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus; 1 Thessalonicenzen 5 : 8, 9

God heeft ons met gesteld tot toorn. Er is echter nog een andere groep, die in iThessalonicenzen 5 : 3 met “zij” worden aangeduid:

Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen …. 1 Thessalonicenzen 5 : 3a

Hoe komen ze bij zo’n opmerking: “Het is vrede en geen gevaar”? Dat komt, omdat het donker is en zij slapen. Bovendien zijn ze nog dronken ook. Dan schijnt men dingen te zien die er helemaal niet zijn. Die vrede kunnen ze wel vergeten, want een haastig verderf zal hun overkomen. Dit was in het Oude Testament reeds voorzegd door Jeremia en Ezechiël.

En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. Jeremia 6 : 14

Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. Jeremia 23 : 17

Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de één een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen denzelven pleisteren met loze kalk. Ezechiël 13 : 10

Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. 1 Thessalonicenzen 5 : 10

Gelovigen leven niet in die nacht! De zaligheid is niet afhankelijk van de levenswandel van de gelovige, maar van hetgeen de Heer doet. Het is afhankelijk van de plannen die Hij gemaakt heeft. Of wij als gelovigen waken of slapen, wij zullen met Hem leven! “Waken of slapen” betekent hier hetzelfde als in vers 5 en 6. Daar gaat het over geestelijk slapen en geestelijk in duisternis zijn. In vers 10 staat dat wij met Hem zullen leven; ongeacht of wij waken of slapen. Aan het einde van de dag der genade zullen wij de Heer tegemoet gaan in de lucht. De Heer heeft namelijk bepaald dat gelovigen geen kinderen des toorns zijn, maar kinderen des lichts. Wij zijn niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging van zaligheid. De tijd waarin de Heer komt om de volkeren te richten/te oordelen, begint met de volledige “regering” over de Gemeente.

2. De waarheid ten onder gehouden

Gewoonlijk is het echter zo dat de waarheid – als deze ontdekt wordt – binnen zéér korte tijd ten onder wordt gehouden. Zodra de waarheid wordt ontdekt, probeert men op alle mogelijke manieren ervoor te zorgen dat die waarheid niet uitlekt. Zelfs als we niets op ons geweten hebben, hebben we als mens toch de gewoonte de dingen anders voor te stellen dan ze zijn. Het is een soort tweede natuur. Dat is ook wat we hebben kunnen lezen in Romeinen 1 : 18.

Romeinen 1 leert dat de mensheid, de mens in het algemeen, God wel degelijk kan kennen. Soms wil hij Hem niet kennen, maar dat maakt voor God natuurlijk geen verschil. God hééft Zichzelf aan de wereld en aan de mensheid geopenbaard. De verantwoording ligt verder uiteraard bij de mens. God heeft Zich op verschillende manieren geopenbaard. Wij kennen het Woord van God, waarin God Zich openbaart. In de schepping heeft God Zich ook geopenbaard. Dat is volgens het principe dat men aan de vruchten de boom herkent. Anders gezegd: aan de werken herkent men de kunstenaar. Zo herkent men aan de schepping de Schepper; zelfs zo duidelijk dat de verantwoordelijkheid verder bij de mens ligt.

Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Romeinen 1 : 20

Daarom opent Romeinen 2 : 1 met:

Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, …. Romeinen 2 : 1a

Wie u ook bent, u bent voor God niet te verontschuldigen. U kunt nooit zeggen: “Ik heb het niet geweten”. Als u het écht niet weet, is dat uw eigen schuld, want God hééft Zich geopenbaard. De Schrift zegt: “Zoekt en gij zult vinden”. (Matthéüs 7 : 7) Wie naar de waarheid op zoek is, zal die waarheid vroeg of laat ontdekken. Feitelijk is het anders. De mens ontdekt de waarheid niet. Hij bédekt die hooguit. God Zelf ontdekt/openbaart de waarheid.

Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Romeinen 1 : 19

De mens heeft nooit een excuus door te zeggen: “We hebben het niet geweten.

Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods; Romeinen 3 : 23

Velen begrijpen dat tegenwoordig niet meer. Zoals een appelboom echter alleen appels voortbrengt, zo brengt een zondaar slechts zonden voort. Als we daarover verantwoording zullen moeten afleggen, staan we er slecht voor. Daarom is die boodschap niet geliefd. Men schuift die boodschap voor zich uit en men houdt elkaar voor, dat men moet doen wat goed is in eigen ogen. “We weten niet beter, dus we doen maar zoals het ons goeddunkt. We hopen erop dat, als we ooit voor God komen te staan, we dat dan nog kunnen zeggen”, zegt/denkt men. De natuurlijke mens probeert voortdurend de waarheid in ongerechtigheid ten onder te houden, zodat hij eventueel in de toekomst kan zeggen dat hij van niets wist. “Als er een waarheid was, was hij in ieder geval bedekt”. De Schrift leert echter dat de mens niet te verontschuldigen is. Niemand! Wij stellen de hypothetische vraag: “Wat gebeurt er met mensen, die nooit gehoord hebben van …?”. De vraag moet zijn: “Zijn er zulke mensen?”.

Het was de bedoeling dat iedereen in Nederland het afgelopen jaar bereikt werd met het evangelie. Het jaar daarvoor bestond echter hetzelfde streven. En het jaar daarvoor ook! Dit jaar staat weer precies hetzelfde op het programma. Het helpt niets! De mensen wéten het! Als u tegenwoordig naar een willekeurig cabaretprogramma gaat, wordt u precies verteld hoe het evangelie in elkaar zit; door de spottende liederen die erover gezongen worden. Men kent het evangelie, maar men wil het niet aanvaarden. Men weet best dat de mens afhankelijk is van de liefde en de genade van God. Men accepteert het alleen niet, omdat men te hoogmoedig is om te leven uit genade. Men wil zich niet afhankelijk stellen van Iemand Die hoger is dan de mens zelf. Men erkent geen hógere meer. Men is echter niet te verontschuldigen; wie men ook is. Dan volgt er een argumentatie die nóg verder gaat! In Romeinen 1 staat dat men God kan kennen, al was het maar uit de schepping. Daarom is de mens nooit te verontschuldigen. Wij veroordelen bepaalde zaken, omdat het inderdaad zondig is, maar daardoor veroordelen we ook onszelf. (Romeinen 2 : 1) Paulus kent ons niet, maar hij kent het Woord van God. Hij kent het universele principe dat er in de mens geen goed woont. (Romeinen 3 : 11, 12) Hij citeert daar het Oude Testament.

2 De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
3 Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een. Psalm 14 : 2, 3

In Romeinen 3 wordt een oordeel uitgesproken over de natuurlijke mens. Wat de oude mens aangaat is er totaal geen verschil. Voor iedereen geldt wat in Romeinen 3 staat:

Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een; Romeinen 3 : 10

In Romeinen 2 wordt naar voren gebracht dat het oordeel dat we over anderen uitspreken, uitgesproken wordt over onszelf. Dat niet alleen! Het oordeel dat we over onszelf uitspreken, is een zwak oordeel. Het oordeel van God is echter naar waarheid en komt over degenen die zulke dingen doen.

En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen. Romeinen 2 : 2

Het gaat hier over het oordeel Gods en niet over het oordeel der mensen. Zijn oordeel is naar waarheid. Het oordeel van de rechtbank is in het algemeen niet naar waarheid, maar naar wat men vermoedt, naar wat men bewezen acht. Het gebeurt vaak genoeg dat dingen bewezen geacht worden, terwijl ze helemaal niet waar zijn. Met véél kunst en vliegwerk worden bewijzen in elkaar gezet. Dat is onze rechtspraak. Zo werkt het over de gehele wereld. Wie relaties, geld en invloed heeft, kan heel veel bereiken; zelfs nog legaal ook. Dat is geen oordeel naar waarheid. Het oordeel van God is naar waarheid. Voor een rechter kunt u nog wel wat weglaten en kunt u dingen anders voorstellen dan ze waren. Voor God kunt u dat niet.

Allen zijn gestorven

Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. 2 Korinthe 5 : 15

Eén is voor allen gestorven en dus zijn zij allen gestorven. God heeft de wereld losgelaten (dood verklaard). Dat betekent slechts dat God niet (meer) met de wereld communiceert. God bemoeit Zich niet met de gang van zaken in de wereld. Het enige wat God doet in verband met de wereld is dat Hij mensen uit die wereld trekt. Als iemand tot geloof komt, wordt hij uit deze tegenwoordige, boze, wereld getrokken en in een ander koninkrijk (in Christus in de hemel) geplaatst.

Enkele teksten:

Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde; Kolossenzen 1 : 13

Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader; Galaten 1 : 4

En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus; Efeze 2 : 6

God heeft de wereld losgelaten. Wat vroeger gebeurde, gebeurt nu niet meer. Vroeger greep God namelijk “af en toe” in in de gang van zaken in de wereld. Als iemand een weg insloeg die niet naar de wil van God was, zei God op een bepaald moment: “Nu is het genoeg!” en nam Hij hem weg. Vaak lezen we dat iemand niet wandelde naar Gods wil/welbehagen en daarom door God werd weggenomen. Hij deed wat kwaad was in de ogen des Heren.

Enkele teksten:

26 Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen; Romeinen 1 : 26-28

God heeft de mens losgelaten; naar lichaam, ziel en geest. Dit slaat op de gehele mens/ mensheid. De mensheid is de weg gegaan van hun eigen verwerpelijk denken, waarin God geen plaats heeft. Men heeft God daarin vervangen.

En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. Romeinen 1 : 23

God oordeelt nu niet. Als in de Schrift gesproken wordt over de goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid van God, dan gaat het maar om één ding: God grijpt niet in deze aardse gang van zaken in; niet in politieke aangelegenheden, noch in het leven van de individuele zondaar. God grijpt (nog) niet in, om te oordelen. Men kan vandaag God vloeken of uitdagen, maar er gebeurt niets. De hemel blijft gesloten. God is lankmoedig en verdraagzaam. Hij verdraagt al zo’n 2000 jaar menselijke historie, waarin Hij feitelijk geen rol gespeeld heeft. God is goedertieren. Wat verwacht moést worden – op grond van de profetie- en uit het Oude Testament – was dat de Messias, als Hij zou komen, de volkeren aan Zich zou onderwerpen. Hij zou komen om te oordelen. Er zijn Psalmen, waarin God uitgenodigd wordt om wraak te nemen op de volkeren, de vijanden van Israël (niet van de kerk!). God neemt nu (nog) geen wraak. Het is nu niet de dag der wraak. (o.a. Jesaja 34 : 8) Het is nu (nog) de dag der genade! God is lankmoedig en goedertieren. De lankmoedigheid van God is tot zaligheid en leidt tot bekering. Het feit dat God niet oordeelt, geeft de mens de gelegenheid zich alsnog te bekeren tot de Heer. Dat is de éne kant van het verhaal. Dat is de positieve waarheid in verband met dit principe. De andere kant van het verhaal wordt genoemd in:

5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
6 Welke een ieder vergelden zal naar zijn werken; Romeinen 2 : 5, 6

God oordeelt vandaag weliswaar niet en grijpt niet in, maar er komt een moment dat God wel zal ingrijpen en oordelen. Hij zal ook oordelen over dié dingen waarover Hij nu niét oordeelt. Iemand kan God vloeken en hij valt niet dood neer. Dat neemt echter niet weg dat die vloek aan het eind van de heilsgeschiedenis wel degelijk verantwoord moet worden. De Heer komt met een rechtvaardig oordeel over degenen die zulke dingen doen. Daar is het nu de tijd echter nog niet voor. Er wordt een schildering gegeven van de huidige situatie en de relatie (of het ontbreken ervan) van God tot deze wereld. Dit betekent enerzijds dat God nu niet oordeelt, maar lankmoedig is. Aan de andere kant wordt gezegd dat het oordeel in de toekomst alsnog komt. De Heer zal een ieder vergelden naar zijn werken. (Romeinen 2 : 6) Een ieder! Daar is geen uitzondering op. Er is een bepaald tijdstip vastgesteld waarop de Heer zal ingrijpen in de gang van zaken in deze wereld. Er is een tijdstip bepaald waarop God ieder mens individueel zal oordelen. (Romeinen 2 : 5) De mens vergadert zich toorn. Die komt niet terstond, maar wordt bewaard en verzameld voor de toekomst. In Openbaring 16 staat dat de schalen/fiolen van Gods toorn worden uitgegoten. Daarin is het één en ander verzameld.

En ik hoorde een grote stem uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat henen, en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde. Openbaring 16 : 1

Zoekt den HEERE, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN. Zefanja 2 : 3

De dag des toorns komt zéér spoedig; in ieder geval direct bij de wederkomst van Christus op de Olijfberg.

Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? Openbaring 6 : 17

“Toorn” heeft niets met de Jongste Dag te maken. Toorn wordt geopenbaard over deze tegenwoordige, bestaande wereld. Dat is niet aan het eind van de Bijbelse historie, maar na het verstrijken van de bedeling van de genade (de vijfde bedeling). Als de lankmoedigheid van God ten einde is, wordt de dag des toorns geopenbaard (in de zesde bedeling). De dag des toorns heeft te maken met het oordeel dat over de volkeren komt. Het heeft te maken met het oprichten van het koninkrijk van de Messias – van Christus – over de volkeren. Vóórdat Zijn koninkrijk begint, wordt de toorn van God geopenbaard. Alle dingen die in 2000 jaar menselijke historie (sinds de opstanding van Christus) zijn scheef gegroeid, worden weer recht getrokken. Dat wordt zo langzamerhand ook wel tijd. Wie de politiek een beetje volgt, moet concluderen dat er – naar de mens gesproken – geen oplossingen voor de werkelijke problemen zijn. Hét grote probleem is dat de mens naar eigen goeddunken wandelt/handelt. Hij begeeft zich naar dié plek op aarde waar nog wat te halen valt en verdwijnt van dié plekken op aarde waar het slecht gaat. Het gevolg is dat er op bepaalde plaatsen op aarde opeenhopingen van mensen zijn ontstaan; van allerlei afkomst en ras door elkaar. Op andere plaatsen is er een woestijn ontstaan en daar woont nagenoeg niemand meer. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de mensheid zich over de aarde zou verdelen. Elk volk zou zijn eigen land hebben. Zó zou de aarde onderworpen en gebouwd worden. Daar is niets van terechtgekomen. De wereld kent grote problemen. Eén ervan is de honger. We hebben niet genoeg bouwgrond. Waar mensen wonen is het zó vol dat men er niets kan verbouwen. Voedsel verbouwen op plaatsen waar geen mensen wonen kan ook niet. Het groeit niet vanzelf!

Welke een ieder vergelden zal naar zijn werken; Romeinen 2 : 6

Het gaat niet alleen om de toekomstige dag des toorn. Het gaat bovendien over de dag van het rechtvaardige oordeel van God. Dat oordeel is inderdaad een eindafrekening; aan het einde van de heilshistorie, op de Jongste Dag. Het is de dag waarop alle mensen zullen opstaan. Alle mensen die ooit hebben geleefd, zullen voor God verschijnen; enkele uitzonderingen daar gelaten. Elk mens zal verantwoording af moeten leggen van zijn werken.

En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. Openbaring 20 : 12

Het oordeel dat hier genoemd wordt, heeft te maken met de wijze waarop iemand geleefd heeft. Dat is niet erg hoopgevend! In de praktijk betekent dit namelijk dat elk mens geoordeeld wordt op grond van zijn zonden. Er zijn geen andere werken! God oordeelt nu het individu niet en het volk niet. Er is echter een dag bepaald, waarop die toorn over de levende mensheid komt (gedurende, en aan het einde van de volgende – de zesde – bedeling). Daarna zal het koninkrijk van de Messias (de zevende bedeling) over de hele wereld en over alle volkeren gevestigd worden, te beginnen bij Israël. Dat is niet op de Jongste Dag, maar minstens duizend jaar daarvóór. Elk mens heeft echter uiteindelijk verantwoording af te leggen tegenover God, voor de grote witte troon.

11 En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.
12 En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
13 En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.
14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.
15 En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs. Openbaring 20 : 11-15

Er is dus sprake van twee verschillende dingen. Aan de ene kant de toorn, die over deze tijdelijke wereld komt. Aan de andere kant het oordeel op de Jongste Dag, bij het verdwijnen van deze wereld. Dat is een universeel principe en het heeft niets met afstamming of uitverkiezing te maken.

9 Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;
10 Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een ieder, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek.
11 Want er is geen aanneming des persoons bij God. Romeinen 2 : 9-11

Ze hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Ze worden echter om niet gerechtvaardigd.

23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;
24  En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Romeinen 3 : 23, 24

Welk verschil is er tussen een Jood en een Griek (heiden)? Geen enkel! God neemt geen enkele persoon aan. God neemt slechts geloof aan. (Romeinen 3 en 4) God verkiest geloof en daarom verkoos Hij de gelovige Abraham. Het geloof van Abraham werd hem tot rechtvaardigheid gerekend.

Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. Romeinen 4 : 3

“Geloof” wordt nog steeds gerekend tot gerechtigheid. God verkiest geloof! In het evangelie wordt de rechtvaardigheid Gods geopenbaard uit geloof tot geloof.

Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Romeinen 1 : 17

Het geloof komt niet tot een zondaar of tot iemand die uitverkoren is. Nee, de rechtvaardigheid Gods komt tot een ieder, die gelooft. Een gelovige wordt door God rechtvaardig gerekend. God verkiest geloof; geen individuen. Deze waarheid geldt voor ieder mens. Daarom wordt het evangelie aan ieder mens gepredikt; éérst de Jood en ook de Griek. Aan beiden dient het evangelie verkondigd te worden, want er is geen onderscheid. Er wordt een volgorde aangegeven, omdat het evangelie het eerst aan Israël beloofd werd. Van daaruit kwam het ook bij de heidenen terecht. Het is een verschil in volgorde; niet in niveau of rangorde. Er is geen aanneming des persoons bij God. Er is tot op zekere hoogte wel aanneming van een volk. God heeft het volk Israël uitverkoren. (Exodus 19) Als iemand echter overlijdt, maakt hij geen deel meer uit van het volk.

5 Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;
6 En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult. Exodus 19 : 5, 6

Degenen, die tot geloof komen sinds de opstanding van Christus en vóór Zijn wederkomst, maken deel uit van het lichaam van Christus. Ze behoren tot een speciaal volk dat eigenlijk geen volk is.

Enkele teksten:

Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam. Handelingen 15 : 14

Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. Deuteronomium 32 : 21

Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken. Romeinen 10 : 19

Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. Johannes 3:18

Er wordt geleerd dat de gelovige niet in het oordeel komt en ook niet veroordeeld kan worden. Daar is een heel eenvoudige reden voor. God kent de gelovige, heeft gemeenschap met hem en houdt Zich bezig met het leven van die gelovige. God kent echter niet zijn oude mens. Hij heeft slechts gemeenschap met zijn nieuwe mens. Die nieuwe mens maakt geen deel uit van deze wereld. God bemoeit Zich niet met deze wereld, maar uitsluitend met hetgeen van Hem afkomstig is. God bemoeit Zich niet met de oude mens/zondaar. God bemoeit Zich met degenen die uit Hem geboren zijn. Dat wijst op het nieuwe leven dat iedere gelovige sinds de opstanding van Jezus Christus ontvangt.

Maar een ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. Filippenzen 3 : 14

Gelovigen maken deel uit van de nieuwe schepping en komen niet in het oordeel.

Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Korinthe 5 : 17

Die waarheid heeft dus met de gelovige van de huidige (vijfde) bedeling te maken. Om dezelfde reden waarom zij op de Jongste Dag niet meer in het oordeel kunnen komen, vallen zij evenmin onder de toorn van God. Die komt over een oude schepping; over deze tegenwoordige wereld. Die wordt geopenbaard over de ongerechtigheid der mensen.

Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Romeinen 1 : 18

Gelovigen hebben geen deel aan die toorn, omdat ze niet bij die onrechtvaardige mensheid horen en er zelfs geen deel meer van uitmaken.

9 Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen;
10 En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn. 1 Thessalonicenzen 1 : 9, 10

Wanneer verlost Hij de gelovigen van die toekomende toorn? Als die toorn komt! Bij Zijn wederkomst! Als de Heer zal verschijnen uit de hemel, zal Hij komen om te oordelen. (2 Thessalonicenzen 1 : 7-9) Als Israël naar haar land is terugverzameld, gebeurt ditzelfde met de overige volkeren. Zij zullen naar de plaats gaan, waar ze zich volgens hun Schepper dienen te bevinden. Gelovigen van de vijfde bedeling worden verlost van de toekomende toorn.

1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht. 1 Thessalonicenzen 5 : 1, 2

Er staat niet wat men zo vaak zegt: “Het komt u niet toe, te weten de tijden en gelegenheden, die de Vader in Zijn Eigen macht gesteld heeft”. (Handelingen 1 : 7)

De dag des Heren komt als een dief in de nacht, maar …

Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. 1 Thessalonicenzen 5 : 4

Er staat dat die dag ons (de gelovigen van het lichaam van Christus) niet overvalt, omdat wij die dag verwachten. Er staat dat die dag niet komt zolang wij op aarde zijn! Wij leven niet in duisternis. Aangezien de dag des Heeren een dag van dikke duisternis is (Joël 2 : 1, 2), komt die als het nacht is. Die dag komt dus niet zolang wij op aarde zijn. Zolang wij hier zijn, is het dag. Wij zijn kinderen des daags en kinderen des lichts.

5 Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
6  Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken; 1 Thessalonicenzen 5 : 5-7

Paulus zegt hier dat wij dienen te waken, want het is dag. De gelovigen van de huidige bedeling krijgen wat hen toekomt. De volkeren krijgen wat hen toekomt: toorn. Wat de Gemeente (het Lichaam van Christus) toekomt is zaligheid. Het is derhalve onjuist te stellen dat de Gemeente door de grote verdrukking zal gaan. Die leer gaat van geen enkel Bijbelgedeelte uit. Het is een leer die nergens op stoelt. Zij is een bewijs van volkomen onbegrip van de zaligheid die in Christus ontvangen is. Gelovigen van de Gemeente zijn een nieuwe schepping in Christus. Zij kunnen dus nooit in het oordeel komen; dat is onmogelijk!

Als u nog niet tot geloof gekomen bent, bedenk dan dat God nog steeds lankmoedig is, opdat u Zijn genade in Christus zou kunnen aanvaarden. Wie echter Gods genade afwijst, zal Gods oordeel niet ontvlieden.

3  En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?
4 Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? Romeinen 2 : 3, 4

Amen



 Gerelateerde bijbelezing:
* De toorn van God




Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld.
Dit is een bewerking van de Brochure "De toorn van God" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl