De genezing van de lamme te Bethesda

2 En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort, een badwater, hetwelk in
het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.
7 De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te
werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl
ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.
8 Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.
9 En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en
wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.
15 De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was,
Die hem gezond gemaakt had.Johannes 5 : 1-15  

Als men ziek is, moet men bereid zijn te willen genezen, ongeacht alle consequenties. Dat leert Johannes 5. Dan komt er Iemand langs Die ons geneest. Hij zegt: “Sta op, neem uw bed op en wandel”. Van de man werd alleen geloof verwacht. Hij geloofde in het Woord dat gesproken werd. Datzelfde wordt ook van ons verwacht: Geloven in het Woord van de Heer. Als we weten dat het God Zelf is Die spreekt, dan is er in feite geen keuze. Dan doen we gewoon wat het Woord zegt. Er is slechts één ding dat ons geneest en leven geeft. Dat is het Woord van God. De uitbeelding van deze basiswaarheid komt in dit Schriftgedeelte tot ons via de geschiedenis van de lamme en het badwater te Bethesda.

1. Inleiding

Johannes 5 : 1-15

1 Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.
2 En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.
3 In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters.
4 Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde hetwater; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.
5 En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.
6 Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?
7 De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.
8 Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.
9 En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.
10 De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u nietgeoorloofd het beddeken te dragen.
11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.
12 Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?
13 En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.
14 Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.
15 De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hemgezond gemaakt had.

2. Het hoofdonderwerp van Johannes

De geschiedenis uit Johannes 5 is zeer bekend en spreekt nogal tot de verbeelding. Wij kunnen ons een aardig beeld vormen van dit merkwaardige ziekenhuis met de meest vreemdsoortige zieken. Het waren feitelijk invaliden. Ze bevonden zich rondom het water dat op bepaalde tijden in beweging kwam, doordat er – zoals hier staat – een engel kwam. Men wachtte op genezing. Het is een merkwaardige geschiedenis, mede door de vele details die gegeven worden. Hier in het evangelie van Johannes zijn vanwege een speciale reden wonderen van de Here Jezus vermeld. De meeste van deze wonderen komen niet in de andere evangelieën voor. Ze zijn uitdrukkelijk geselecteerd door de Heilige Geest Die Johannes leidde in het beschrijven van deze wonderen. Ze zijn met een bepaald doel geselecteerd.

Johannes 20 : 30, 31

20 Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner
discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;
21 Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone
Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.

Deze geschiedenissen dienen als bewijs. De apostel Johannes blijft in dit evangelie steeds bij zijn onderwerp. De aanhef van dit hele boek is al bijzonder.

Johannes 1 : 1, 2

1 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
2 Dit was in den beginne bij God.

Het is niet alleen de aanhef van het boek, maar het is ook het opschrift van het boek. Wij zijn een ander opschrift gewend namelijk: Het heilig evangelie naar de beschrijving van Johannes. Zo’n opschrift is wel doelmatig, maar het zijn geen geïnspireerde woorden. Het opschrift is in feite: “In den beginne was het Woord”. Daarmee wordt meteen het hele karakter van dit boek bepaald. Als we met de Schrift bezig zijn, blijkt die Schrift anders gestructureerd te zijn dan normale boeken. Normaal begint men met een lange inleiding. Daarna komt men voorzichtig bij het punt waar het eigenlijk om gaat. Dat is in de Bijbel nooit zo. De Bijbel is altijd recht op de man af. Zo ook in Johannes 1 : 1: “In den beginne was het Woord”. Het is de inleiding en tevens de inhoud van het hele boek. Johannes wijkt nooit meer van dit onderwerp af. Alle hoofdstukken en details gaan over het Woord en de macht van dat Woord. Niet alleen in zeer abstracte zin, maar ook over het Woord dat God is en het Woord dat vlees geworden is.

Johannes 1 : 14

14 En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.

Het Woord

In de eerste hoofdstukken wordt het Woord steeds vergeleken met water. Johannes 1 spreekt over het Woord dat Licht is, openbaar maakt, verschijnt in de wereld en vlees geworden is. Johannes 1 gaat verder over de bediening van Johannes de Doper, die zijn bekeerlingen onderdompelde in water. Het lijkt of de apostel van onderwerp verandert, maar dat is niet zo. Het water van de doop is namelijk een illustratie van hetgeen het Woord van God feitelijk is. Water en Woord zijn in de Schrift identieke begrippen. Alle dingen zijn tot stand gekomen door het Woord; wij ook. Alle dingen zijn echter ook tot stand gekomen door water. Hoewel het zo lijkt is dit niet tegenstrijdig. Als we over de nieuwe schepping spreken, dan zijn wij wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

1 Petrus 1 : 3

Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

Wij zijn wedergeboren door onvergankelijk zaad.

1 Petrus 1 : 23

Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.

Wij zijn wedergeboren door het bad der wedergeboorte.

Titus 3 : 5

Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;

Het Woord van God wordt voorgesteld door water; óók het water van de doop in Johannes 1. In Johannes 2 staat de beroemde geschiedenis van water dat in wijn veranderd wordt. Dit is een beeld van het tot stand komen van een nieuwe schepping; uit het water. Water werd omgezet in wijn. Met andere woorden: Woord wordt omgezet in een nieuwe schepping. De tempelreiniging gebeurde niet door water, maar wel door het Woord, namelijk door de Here Jezus Zelf, het vlees geworden Woord. Daarom is Hij – net als het Woord van God – water en daarom reinigde Hij de tempel. Ook hier vinden wij dus geen verandering van onderwerp. Het gaat nog steeds over hetzelfde, namelijk over de functie van het Woord. Het Woord reinigt. In Johannes 3 lezen we over het gesprek van de Here Jezus met Nicodémus, de Schriftgeleerde. Nicodémus begreep er niet veel van. De Here Jezus wees hem erop dat Hij alles dat Hij vertelde uit het Woord geleerd had. Alle dingen die de Here Jezus aan Nicodémus uitlegde over wedergeboorte in het algemeen kwamen uit de Schriften. De Here Jezus citeerde daaruit. Dingen worden gevonden in het Woord. Men moet wedergeboren worden uit water en Geest. Het onderwerp is dus nog steeds hetzelfde.

Zo komen we terecht in Johannes 4, waar de Here Jezus de Samaritaanse vrouw ontmoette. Het was een ontmoeting, die plaatsvond bij de fontein van Jakob. De bron die Jakob zelf gegraven had. Het gesprek ging ook hier over water, namelijk over het verschil tussen het water uit de Jakobsbron en het water dat Jezus Christus geeft.

Johannes 4 : 14

Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

Hier is opnieuw sprake van het eeuwige leven, als resultaat van het water. Het onderwerp is nog steeds hetzelfde als in Johannes 1 : 1 “In den beginne was het Woord”. Het Woord brengt leven voort: het leven van de oude schepping, maar ook – en dat is veel belangrijker – het leven van de nieuwe schepping; op grond van wedergeboorte. In al deze hoofdstukken wordt gewezen op de functie van het Woord, de enige Levensbron Die er is: het Woord. Er wordt over de noodzaak van het Woord gesproken: er is alléén leven in het Woord. Als het leven gevoed en gebouwd moet worden, dan is dat via het Woord; verder niets. Christelijk leven kan alleen geopenbaard worden als dat christelijke leven gebouwd en gevoed wordt door het Woord van God. Als iemand vindt dat christenen christelijk horen te leven, dan hoeft men maar één ding te doen: hen het Woord van God voorhouden. De rest gaat dan vanzelf, want dat doet het Woord (als men zich tenminste aan dat Woord onderwerpt). Simpel dus! Dit geeft wel de noodzaak aan de Schriften te bestuderen. Men moet met de Schriften (leren) omgaan! In het laatste gedeelte van Johannes 4 wordt over de zoon van de koninklijke hoveling gesproken. Hij werd door het Woord werd genezen. De Here Jezus werd geroepen. Hij wilde meegaan, maar dat was niet nodig, want Hij hoefde slechts te spreken.

Matthéüs 8 : 8

En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

Het Woord alléén moet het doen. De Here zei: “Ga heen, uw zoon leeft”. De mens geloofde het woord dat de Here Jezus tot hem sprak en ging heen (Johannes 4 : 50). Door de kracht van het Woord werd de zoon genezen; zelfs op afstand. In Johannes 5 gaat het over een badwater in Bethesda dat een genezende werking zou hebben. Er werden mensen door genezen. Het was niet alléén een gedachte van de mensen. Er gebeurden wel meer wonderen in die dagen en het ligt voor de hand dat dit water, op deze plaats, een bijzondere werking zou hebben. Het is namelijk een bijzondere plaats en wordt nadrukkelijk omschreven.

Johannes 5 : 1

Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.

Er wordt een tijdsaanduiding gegeven. Het gaat om een datum die te maken had met een feest van de Joden dat blijkbaar in Jeruzalem gevierd werd. Er staat niet bij om welk feest het gaat. Er zijn drie mogelijkheden: het feest van de ongezuurde broden, het wekenfeest of het loofhuttenfeest. Deze drie feesten moesten volgens de wet in Jeruzalem gevierd worden.

Deuteronomium 16 : 16

Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten; maar het zal niet ledig voor het aangezicht des HEEREN verschijnen.

Het was vermoedelijk niet het feest der ongezuurde broden, want dat staat er meestal bij. Als het om het loofhuttenfeest zou gaan, had het er ook bij gestaan. Sommigen zeggen dat het om het Purimfeest (uit het boek Esther) ging en dat het er daarom niet bij staat. Het Purimfeest hoefde echter niet in Jeruzalem gevierd te worden. Bovendien maakt het geen deel uit van de wet. Het gaat waarschijnlijk om het wekenfeest, het begin van de feitelijke oogst. De dag ná het feest was de eerste dag van de oogst. Dan begon de oogst onder Israël. De oogst heeft in de Bijbel met het aanbreken van het Messiaanse rijk te maken. Er zijn speciale wetten met betrekking tot de oogst, zoals wetten over de eerstelingen-garven, de eerstelingen-broden, de oogst zelf, de nalezing en de hoeken van het veld die niet afgemaaid mochten worden. Het is een ingewikkelde zaak, omdat de oogst in alle details een beeld is van de toekomstige vestiging van het Messiaanse rijk. De oprichting van dat rijk gebeurt in fasen. Daarom moest de oogst ook in fasen gebeuren. Een natuurkundige reden is er niet voor. Alles wat in de oude schepping gebeurt is een type van de nieuwe schepping. Het was het begin van de oogst en dat is het tijdstip waarop een begin zou moeten worden gemaakt met de vestiging van het Messiaanse rijk. Als het Messiaanse rijk in de wereld opgericht/openbaar wordt, gáát de Here Jezus naar Jeruzalem als vervulling van vele profetieën en psalmen.

De bekering van Israël

De genezing van de lamme hier in Bethesda staat model voor de bekering van Israël in de toekomst. De verharding, de onwil, het onvermogen van Israël zal worden opgeheven. Het gaat om een verlamde. In de Bijbel is lam of kreupel zijn een verzachtende uitdrukking (eufemisme) voor impotentie, onvruchtbaarheid. Dat is ook zo in de geschiedenis van Jakob aan de Jabbok (Genesis 32). Een man worstelde met hem totdat de dageraad opging. Jakob werd getroffen aan de heup en liep vanaf dat moment kreupel. De betekenis daarvan is dat hij impotent werd. Zijn oude mens kon geen vrucht meer voortbrengen. Jakob werd on- vruchtbaar op het moment dat hij tot bekering kwam en hij tegen de Here zegt: “Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent”. Dat is het einde van de oude schepping. Bij onvruchtbaarheid houdt de oude schepping per definitie op. Het is slechts een kwestie van tijd.

In Johannes 5 gaat het over een man die niet kon lopen. De overdrachtelijke betekenis is niet dat hij zich niet door de ruimte kon voortbewegen, maar bovenal dat hij zich niet meer door de tijd kon voortbewegen. Zijn generatie zou de laatste zijn. Het betekent feitelijk het eind van een oude schepping. Het tijdstip waarop dit wonder plaatsvond, was het begin van de oogst. Het was de tijd waarin het koninkrijk zou moeten beginnen; het moment waarop de vrucht van het land (= Israël) ingezameld moest worden. Het was de tijd waarop de oogst in de schuur zou moeten worden verzameld (vergelijk Matthéüs 13).

Johannes 5 : 22

En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.

Voor het verhaal zouden de details weggelaten kunnen worden. Bijvoorbeeld de vermelding van de plaats waar het gebeurde. De plaats is Jeruzalem; aan de Schaaps(poort). De naam “de Schaapspoort” vindt zijn oorsprong in het feit dat de poort voor de schapen gebruikt werd. De offerdieren kwamen van buiten de stad en werden via de Schaapspoort naar binnen gebracht. Het was dus feitelijk “de deur der schapen”.

Johannes 10 : 7

Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.

“Schapen” zijn in de Bijbel een beeld van de gelovigen. In ieder geval zijn ze een beeld van het volk van God in het algemeen en heel speciaal een beeld van Israël (Psalm 100 : 3; 95 : 7). Israël is de kudde en de Koning van Israël is de goede Herder. De Schaapspoort heeft dus te maken met het ingaan van de schapen. Dan zijn wij bij dezelfde conclusie als die in vers 1. Het gaat om het aanbreken van het Messiaanse rijk, het binnengaan in het koninkrijk. Dat wordt uitgedrukt door de oogst en ook door de Schaapspoort. In Nehémia 3 staat de herbouw van de muur van Jeruzalem beschreven. De muur is het belangrijkste onderdeel van de stad. Als die wegvalt is er geen stad meer. Het gaat erom wíe eraan bouwde en wáár. Het is opvallend dat de poorten genoemd worden. Het verhaal begint en eindigt bij de Schaapspoort.

Nehemia 3 : 1, 32

1 En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hananeël.
32 En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers.

Nehemia 12 : 39

En van boven de poort van Efraim, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en den toren Hananeël, en den toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort.

De belangrijkste poort bij Nehémia is, evenals hier in Johannes 5, de Schaapspoort. Het is de poort waardoor de offerdieren binnengingen om geofferd te worden. Het is tevens de ingang waardoor Israël het koninkrijk zal binnengaan. Let wel: de schapen, die binnengingen, zouden geslacht worden. Ze gingen binnen, maar ze zouden sterven. Weer wordt hetzelfde verhaal verteld! Jakob, de stamvader van Israël die de bron uit Johannes 4 gegraven had, kwam tot bekering. Hij verwachtte de zegen voortaan van de HEERE alleen en niet meer van zijn eigen kunstgrepen. Op dat moment werd hij onvruchtbaar. Zo is het hier ook. De schapen gingen binnen, maar verloren het leven. Deze gedachtengang wordt ook weergegeven in:

Johannes 3 : 3

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worden, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

Levend Water reinigt

De verderfelijkheid erft de onverderfelijkheid niet. Men moet eerst wedergeboren worden.

1 Korinthe 15 : 50

Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.

Het koninkrijk binnengaan gaat ten koste van het (oude) leven. Zo was het met de schapen en met Jakob. Het badwater bij de Schaapspoort spreekt over de vestiging van het Messiaanse rijk, het ingaan in het koninkrijk van de Messias. Het badwater is een type van het Woord.

Éfeze 5 : 26

Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord;

Wat men met het water doet (dopen, wassen, drinken), is niet belangrijk. De betekenis blijft fundamenteel gelijk. Water is een beeld van het Woord en daarom ook van Christus Die het Woord is. Water is eveneens een type van de Heilige Geest (stromen van levend water zullen uit uw binnenste vloeien: Johannes 7 : 38, 39). In Johannes 5 is het een beeld van het Woord van God Dat iemand reinigt. Het is een badwater waarin men zich kon wassen en dat mensen zou reinigen. Het badwater is een type van het Woord. Dat badwater kwam in Johannes 2 al aan de orde. Het water dat wijn werd moest eerst nadrukkelijk in vaten worden geschonken. Die vaten stonden er “naar de reiniging der Joden”. Het was water (vanwege die vaten), waarmee men zich kon reinigen. Badwater is een type van het Woord en het reinigt bijzonder goed. Het reinigt de totale mens. Het Woord van God reinigt zó goed dat het niet alleen de zonde wegneemt, maar ook de gehele oude natuur. Daar hoeft u niet van te schrikken. Sommigen zeggen: “Als het zó moet, hoeft het voor mij niet!” Dat is kortzichtig. Als men even verder kijkt, weet men dat men die oude mens uiteindelijk tóch moet afleggen. Of het nú of stráks gebeurt, is slechts een kwestie van tijd. Naar de mens gesproken kan men de voorkeur geven aan “straks”. Echter, als het de enige manier is om behouden te worden, om bevrijd te worden van de zonde en alle consequenties daarvan, dan liever “nu”. Het is slechts een tijdsverschil. De oude schepping wordt toch vernietigd. Het Woord van God reinigt zó goed dat het ons hele lichaam wegneemt. Het Woord van God druist altijd tegen de menselijke natuur in. Ten eerste, omdat die oude natuur zondig is en ten tweede, omdat het Woord van God vergif is voor de oude mens.

Het huis der barmhartigheid

Het badwater werd “toegenaamd Bethesda”. Die bijnaam Bethesda is ook bekend met ande- re klinkers: Bethsaïda. “Beth” betekent “huis”. “Saïda” betekent “barmhartigheid”. Het is een huis der barmhartigheid. Een huis waarin men barmhartigheid verkrijgt. Bethesda is een naam die bij Israël hoort. Israël is zelf een huis waarin barmhartigheid verkregen wordt. Als gelovigen hebben wij op geestelijke wijze deel gekregen aan het burgerschap van Israël.

Éfeze 2 : 12, 16, 19

12 Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.

16 En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.

19 Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods;

Gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling zijn in geestelijk opzicht uit hetzelfde volk geworden. Zij hebben deel gekregen aan het huis der barmhartigheid, Bethesda. In dit huis verkrijgt men barmhartigheid. Er zijn zegeningen te ontvangen die allemaal afkomstig zijn van de Here Jezus Christus. Dit blijkt ook wel, want er staat dat het vijf zalen had. Er wordt niet gezegd in welke zaal die man lag. Hij zal ongetwijfeld in de vijfde zaal gelegen hebben. Dit houdt verband met de betekenis van het getal “vijf”, het getal van de genade. Het getal “vijf” staat voor datgene dat God doet; van buitenaf. Het slaat op de manier waarop God in deze zichtbare wereld ingrijpt. Het getal “vier” wijst op de zichtbare, oude wereld. Het getal “vijf” komt overeen met de onzienlijke dingen en wijst daarom op genade. Wij hebben de genade te verwachten van de onzienlijke – de Here – te verwachten. Het getal “vijf” slaat op het verlossingswerk van de Here Zelf, dat bij de aanvang van de huidige, vijfde bedeling van kracht werd; door de dood en opstanding van Jezus Christus. Vandaar dat dit huis der barmhartigheid vijf zalen heeft. Er zijn allerlei toepassingen te geven.

Johannes 5 : 3, 4

3 In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters.
4 Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.

Deze ziekten (vers 3) worden elders in de evangeliën ook genoemd: blinden die genezen worden; kreupelen die weer lopen; melaatsen die gezond worden en een man met een verdorde hand die genezen werd. Een verdorde hand houdt verband met “vijf” (vijf vingers). Er was iets mis met de hand die het beeld is van de genade van God. Die hand was verdord. De hand was niet uitgestrekt, zoals in het Oude Testament (Exodus 3 : 20, 21; Jesaja 10 : 4; 31 : 3).

Jesaja 5 : 25

Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden der straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.

Spreuken 1 : 24

Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;

De verdorde hand is een beeld van het “blinde” Israël. Israël was niet in staat de hand van de Here te grijpen en dus niet in staat genade aan te pakken. De hand was ziek. Daarom kan men Israël – historisch gezien – ook niets verwijten. Men was tot niets anders in staat.

Jeremia 5 : 21

Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.

Daarom kwam de Here Jezus om blinden te genezen; niet alleen lichamelijk blinden, maar juist en bovenal geestelijke blinden. Datzelfde geldt voor kreupelen die genezen werden. Van Israël wordt geleerd dat ze kreupel, onvruchtbaar was en niet wandelde naar de eis van God. Daarom kwam de Here Jezus om kreupelen te genezen. Zo was het ook met de verdorde hand. Er zat geen kracht meer in. De hand was vergroeid en niet tot normale handelingen in staat. Juist die dingen werden door de Here genezen en ze worden genoemd, omdat ze van zo’n grote typologische betekenis zijn. De wonderen die de Here Jezus deed, worden in het evangelie van Johannes geen “wonderen”, maar “tekenen” genoemd.

Johannes 4 : 54

Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.

Het eerste teken wordt genoemd in:

Johannes 2 : 11

Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.

De Here Jezus deed wonderen, namelijk tekenen. Naar onze normen waren het wonderen. Het zijn wonderen die een betekenis hebben. Het wijst op andere zaken. In deze geschiedenis (en in vele andere) wordt verteld over een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen en verdorden (Johannes 5 : 3). De Here Jezus kwam als de Heelmeester.

Exodus 15 : 26

En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!

Jezus kwam binnen en selecteerde één van de zieken. Na afloop was er een wonder gebeurd. Er was een man genezen, maar er bleef een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen en verdorden achter. Ze wachtten nog steeds op de beroering van het water, maar ze werden niet genezen. Dat is het bijzondere. Het ging niet in eerste instantie om die zieke als zodanig, maar om geestelijke zaken. De Here stelde een – voor ons – absurde vraag: “Wilt gij gezond worden?” Als de man niet wilde, gebeurde het niet. De eigenlijke vraag is: “Wilt u eigenlijk wel?” Dat is niet zo gek, want de situatie van deze menigte in Bethesda, in dit huis der barmhartigheid, is de situatie van Israël. Israël had de vijf boeken van Mozes, de wet. Aan Israël waren de Woorden Gods toebetrouwd.

Romeinen 3 : 1, 2

1 Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis?
2 Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.

Israël leefde in een speciale relatie met de Here en in een huis der barmhartigheid, maar was ziek, blind, kreupel en verdord. In het algemeen gesproken was ze ook dood. Toch wilde Israël niet genezen. Dat is niets bijzonders. Zo is de situatie van ieder natuurlijk mens. Men is ziek en men weet het ook. Men wil echter niet genezen. De weg van genezing is de weg van het afleggen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe mens.

Éfeze 4 : 21-24

21 Indien gij naar Hem gehoord hebt, en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid
in Jezus is;
22 Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden
mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;
23 En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds,
24 En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

Hoe ziek de oude mens ook is, men wil hem gewoonlijk niet kwijt. Als iemand ziek is, zal hij zich meestal tot het uiterste verzetten. Hij blijft vechten tegen een ziekte waarvan hij weet dat hij eraan zal sterven. Dat is de natuur. Eén ding is zeker: de oude mens moét weg; hoe dan ook. Hij gaat voorbij. De vraag is dus: “Wilt gij gezond worden?” Het antwoord is: “Já”. De enige reden dat de overigen niet genezen werden, was dat ze niet naar de Here Jezus kwamen en om genezing vroegen. Er wordt verder niet meer over de menigte gesproken. Het initiatief ging van de Here Jezus uit. Hij vond deze man. Hij stelde de vraag. Wij vinden dit ook in:

Lukas 19 : 10

Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.

Johannes 12 : 47

En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.

De Here is Degene Die de wereld – de mensheid – met God verzoend heeft.

2 Korinthe 5 : 19

Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.

Romeinen 5 : 10, 11

10 Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns
Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
11 En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus
Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben.

Hij is Degene Die binnenkwam. Het initiatief van de genezing ging van Hem uit. Waarom was dat nodig? De lamme hoefde toch alleen maar te wachten op de beweging van het water? Hij had alleen iemand nodig om hem op de juiste tijd in het water te gooien. Hiermee zijn we precies bij de situatie van Israël aangekomen. Er wás water en dat water hád een genezende werking. Er werd immers een genezende werking aan dit badwater toegeschreven. De genezende werking was er echter alleen op een bepaald tijdstip. Die genezende werking was er normaal niet. Alleen als het water in beweging gebracht werd door een engel, dan had het een genezende werking. Daarmee is dat water een type van het Woord van God en speciaal van de wet. Het was stilstaand water waar geen beweging in zat. Het was het Woord van God dat met een vinger in stenen tafelen geschreven was (keihard, vastgelegd, star, strak). De rechtvaardige wet, waarin geen beweging zat, werd krachteloos door het vlees.

Romeinen 7 : 12, 14

12 Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
14 Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder
de zonde.

De wet was niet fout, maar het vlees. De wet was krachteloos, omdat hij voor het vlees gold.

Romeinen 8 : 3

Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.

Het was het onvermogen van de oude mens en niet van de wet. Het Woord van God wordt hier voorgesteld als stilstaand water. Men kan zijn lichaam wel met dit badwater wassen, maar daarmee wordt men niet verlost van de ziekten die ín het lichaam zitten. Alleen als het water in beroering kwam (= als het water levend werd), had het een genezende werking. Water is een beeld van het Woord van God. Daarmee zijn wij terug in Johannes 4. Het gaat niet om het stilstaande water uit de Jakobsbron, maar om het levende water dat in beweging blijft. Het gaat niet om het geschreven Woord van God als zodanig (= de wet), maar om het levende Woord van God Dat in de wereld kwam. Het water in Bethesda was een type van het tot dán toe geschreven Woord van God; een type van het Oude Testament. Het water dat in beweging kwam, is een type van het vlees geworden Woord Dat in de wereld kwam en onder ons heeft gewoond. Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd.

Johannes 1 : 14

En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.

De roering van het water is een type van de komst in de wereld van de Here Jezus, het Levende Woord. Christus alleen kan genezing brengen. Het maakt geen verschil of men in dat in beweging zijnde water geworpen werd of dat men een ontmoeting met de Here had.

Johannes 5 : 5-7

5 En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.
6 Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had,
zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?
7 De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in
het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt
een ander voor mij neder.

De noodzaak van een Middelaar

 De mensen die bij het water lagen hadden hulp nodig om in dat water terecht te komen. Van nature waren ze daar niet toe in staat. Ze hadden een Middelaar nodig: de Mens Christus Jezus (1 Timothéüs 2 : 5). Hij is niet alleen het levende Water, maar Hij is bovendien Degene Die hulp geeft. Hij kwam naar deze zieke en vroeg: “Wilt gij gezond worden?” Hij helpt! De zieke antwoordde: “Ik heb geen mens om mij te werpen in het badwater…” Dit is precies de weergave van de positie van Israël. Het is een erkenning dat men het zelf niet kan en hulp nodig heeft. Dat zei de man! Hij zei niet gewoon: “Ja”. Hij zei dat hij niemand had om hem erin te werpen. Hij erkende dat hij hulp nodig had. Dit is een beeld van Israël onder de wet. De wet is krachteloos. Men heeft hulp nodig! Het is dezelfde situatie als in de geschiedenis van de man die op de weg van Jeruzalem naar Jericho in de handen van moordenaars viel. Hij lag daar voor dood langs de weg. De Heer vertelde deze gelijkenis naar aanleiding van een vraag van een wetgeleerde: “Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?” (Lukas 10 : 25). Als men bijna dood langs de weg ligt, kan men niets doen! Men heeft hulp nodig, want de mens is dood in zonden en misdaden. Zo was ook de situatie van de zieke man bij het badwater. Hij kon zich niet bewegen. Juist door die kwaal kon hij niet genezen worden. Hij kon het water niet bereiken. Er was wel genezing in de buurt, maar het vlees kon niet bij die genezing komen. Er was een Middelaar nodig. Dat legt Paulus uit in Hebreeën. Hij betoogt daar dat Israël een middelaar nodig had: Mozes, Jozua, Aäron. Hij betoogt vervolgens dat al deze typen vervuld zijn in de Middelaar, Christus, de Hogepriester naar de ordening van Melchizédek (Hebreeën 7 : 17). Hij is de Middelaar van het nieuwe verbond (Hebreeën 12 : 24); niet van het oude wetsverbond. Hij wordt nadrukkelijk Middelaar genoemd.

Hebreeën 8 : 6

En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.

Hij bemiddelt tussen God en de mens. Hij bemiddelt en geneest de mens. Deze man erkende dat hij hulp nodig had, maar die niet had. “Als het water beroerd wordt,” zei hij, “is een ander mij voor.” Men trekt hieruit de conclusie dat er slechts voor één persoon genezing was. Dit soort conclusies zou men niet trekken, want het leidt ons af van de werkelijke bedoeling van de woorden. Deze man is een type van het hele volk Israël in de loop der eeuwen. Op het moment dat water levend wordt (= op het moment dat de opgestane Christus verschijnt in deze wereld), is er genezing voor een ieder die zich in Christus “werpt”. Iemand anders blijkt de verlamde vóór te zijn. Dit is een beeld van een ánder volk dat Israël vóór is. Toen de opgewekte Heer als het levende Water verscheen, als de Koning van het Messiaanse rijk, was een ander volk Israël vóór. Israël kon niet bij de Here komen. Er lag teveel tussen (de wet). Dat was de handicap. Israël moest dat opgeven om zich te kunnen verbinden met de opgestane Here Jezus Christus. Dat zegt de apostel Paulus ook uitgebreid in Romeinen 7, 10 en 11 en in Hebreeën. Als men bij de opgewekte Christus komt en door Hem wordt, verliest men op dat moment zijn natuurlijke afstamming. Men wordt genezen, maar men is zijn oude leven kwijt. Op dat moment is men geen Jood meer, want de afstamming maakt voor God niets meer uit. Als de man bij het water kwam, nadat een engel was gekomen, bleek een ander hem vóór te zijn. Dat is precies wat de Here Jezus elders vertelde toen Hij zei dat vele eersten de laatsten zullen zijn en vele laatsten de eersten (Matthéüs 19 : 30; Markus 10 : 31). Wat voor Israël bestemd was, heeft Israël niet ontvangen. Deze man lag reeds 38 jaar ziek. Al die tijd had hij gewacht. Na 38 jaar heeft deze man een ontmoeting met het levende Water, met Christus. Het getal “38” komt alleen nog voor in de Bijbel in de geschiedenis van Israël in de woestijn.

Exodus 16 : 35

En de kinderen Israëls aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaän.

38 jaar

Israël was 40 jaar onderweg van Egypte naar Kanaän. Dat kan alleen als men een vreselijke omweg maakt en bovendien geen haast heeft, want anders is men er binnen een paar dagen; ook als men loopt. Israël kwam na twee jaar bij het beloofde land aan. Zelfs dat duurde erg lang. Ze hadden blijkbaar geen haast. Na twee jaar kwamen ze bij Kanaän.

Numeri 1 : 1

Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, …

Ze moesten het beloofde land verkennen en daarna in bezit nemen.

Numeri 13 : 1-3

1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
2 Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, hetwelk Ik den kinderen
Israëls geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden,
zijnde ieder een overste onder hen.
3 Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN;
al die mannen waren hoofden der kinderen Israëls.

Men had namelijk ook gewoon door kunnen lopen, want de HEERE had hun het land beloofd. Men stuurde twaalf verspieders/spionnen op onderzoek uit. Toen ze terugkwamen werden die twaalf gesplitst in twee en tien! Slechts twee van de twaalf zeiden dat het een goed land was. Die twee, Jozua en Kaleb, vertelden dat er reuzen woonden waar tegenstand van te verwachten was, maar dat maakte niet uit, want de Here had het land aan Israël beloofd.

Numeri 14 : 6-9

6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen,
die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.
7 En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Het
land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate
goed land.
8 Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen,
en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honing is vloeiende.
9 Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het volk
dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de
HEERE is met ons; vreest hen niet!

Tien verspieders geloofden niet dat men in staat was dat land te veroveren. Israël als volk geloofde deze tien verspieders.

Numeri 14 : 1-4

1 Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het
volk weende in dienzelven nacht.
2 En al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron; en de
gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren!
of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!
3 En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen,
en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet
goed zijn naar Egypte weder te keren?
4 En zij zeiden de één tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren
naar Egypte!

In de praktijk betekende het dat het volk niet geloofde dat de HEERE in staat was haar dat land te geven. Ze geloofde helemaal niet dat de HEERE het haar al beloofd had. Het resultaat daarvan was dat Israël weer rechtsomkeerd maakte. In ongeloof heeft ze nog 38 jaar door de woestijn gezworven en kwam in de woestijn om. Degenen die na twee jaar ongelovig waren, zijn het beloofde land niet ingegaan. De nieuwe generatie heeft zich aan de grenzen van het land gemeld en zij heeft het land veroverd. De 38 jaren van Israël in de woestijn zijn jaren van omzwervingen geweest; in ongeloof. Slechts degenen die geloofden dat de HEERE hen dat land zou geven ontvingen het. Dat waren er slechts twee!

Numeri 14 : 26-35

26 Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
27 Hoe lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende?
Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israëls, waarmede zij
tegen Mij zijn murmurerende.
28 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo
niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!
29 Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw
gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd
hebt.
30 Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u
daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon
van Nun.
31 En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik
daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen
hebt.
32 Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen!
33 En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen
uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.
34 Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen,
elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en
gij zult gewaar worden Mijn afbreking.
35 Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen,
die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn
te niet worden, en zullen daar sterven!

Deze geschiedenis is een beeld van de geschiedenis die Israël veel later zou ondergaan. Op het vastgestelde tijdstip, namelijk na twee dagen (= op de derde dag, de dag van de opstanding van Christus), verwierp Israël Hem bij de verschijning van Christus Die Zijn Koninkrijk over Israël zou oprichten. Daarna begon er een periode die uitgebeeld wordt in deze geschiedenis van 38 jaar. De 38 jaar worden genoemd in:

Deuteronomium 2 : 14

De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-Barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht der krijgslieden uit het midden der heirlegers verteerd was, gelijk de HEERE hun gezworen had.

Kaleb zei dat hij in die tijd niet verouderd was. Hij was nog even krachtig als in de tijd dat hij het land verspied had.

Jozua 14 : 6-11

6 Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van
Jefunne, de Keneziet, zeide tot hem: Gij weet het woord, dat de HEERE tot
Mozes, den man Gods, gesproken heeft te Kades-Barnea, ter oorzake van mij,
en ter oorzake van u.
7 Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht des HEEREN, mij uitgezonden
heeft van Kades-Barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht,
gelijk als het in mijn hart was.
8 Maar mijn broeders, die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks
smelten; doch ik volhardde den HEERE, mijn God, na te volgen.
9 Toen zwoer Mozes te dien zelven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop
uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid,
dewijl gij volhard hebt den HEERE, mijn God, na te volgen.
10 En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken
heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot Mozes
gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden
vijf en tachtig jaren oud.
11 Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond;
gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, tot den oorlog, en om uit
te gaan, en om in te gaan.

Jozua en Kaleb waren gedurende zo’n 45 jaar helemaal niet ouder geworden. Hun geschiedenis, hun verouderingsproces, ging pas weer verder nadat ze het land definitief in bezit kregen. Kaleb was 40 jaar oud toen hij het land verspiedde. 45 jaar later was hij eigenlijk nog steeds als toen hij 40 jaar oud was. Na twee jaar zwerven door de woestijn, toen ze bij Kades- Barnea aangekomen waren, verwierp Israël de verlossing en het ingaan in Kanaän.

Johannes 1 : 10-12

10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft
Hem niet gekend.
11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12 Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen
Gods te worden, [namelijk] die in Zijn Naam geloven;

Er waren in Mozes’ tijd slechts twee mannen die geloofden. Op grond daarvan gingen zij het beloofde land binnen. De 38 jaar van Israël in de woestijn waren jaren van ongeloof. Ze eindigden in de dood. De volgende generatie ging na 38 jaar Kanaän binnen. Die 38 jaar worden in Johannes 5 in herinnering gebracht door deze man die 38 jaar ziek was. Er wordt niet bij gezegd waarom deze man ziek was. Dat is ook niet van belang. De 38 jaar van ziekte van deze man eindigden in zijn genezing. Er werd een einde gemaakt aan zijn oude historie. Hij werd een nieuw mens. Hij stond op en liep. De 38 jaar van ziekte staan voor ongeloof. Die periode eindigt op twee manieren: door behouden te worden en door dood te gaan. Dat is precies hetzelfde. De ongelovige mannen van Israël stierven gedurende de 38 jaar in de woestijn. De nieuwe generatie ging het land in. Na 38 jaar vond de verlossing plaats. Die verlossing is in feite het wegnemen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe mens (Éfeze 4 : 22-24).

Johannes 5 : 8, 9

8 Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.
9 En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En
het was sabbat op denzelven dag.

Zoals in Johannes 2 en 3 al is uitgebeeld gaat het om wedergeboorte. Dat gebeurt na 38 jaar. Het gaat hier in de eerste plaats om de positie van Israël. Tot deze man – en overdrachtelijk tegen Israël – werd gezegd: “Sta op, neem uw beddeken op en wandel”. Er werd niet eens over genezing gesproken. Dat is een vanzelfsprekende zaak. De Here gaf gewoon een opdracht: “Sta op, neem uw bed op en wandel”. Als God zegt: “Er zij licht”, dan ís er licht. Als de Here zegt: “Sta op”, dan doet men dat! De Here sprak ooit ongeveer dezelfde woorden tegen de gestorven Lazarus (Johannes 11 : 43, 44). Het Woord van God kwam tot hem en bracht leven. Lazarus stond op (uit de doden). Deze man werd genezen door het Woord van de Here Jezus, waarvan de beroering van het water een beeld is. Het Woord geneest, net als bij de zoon van de koninklijke hoveling in Johannes 4. De man moest zijn bed meenemen. Wij zouden zeggen: Laat dat bed maar liggen. Het is 38 jaar oud en zal dus wel versleten zijn. Bovendien wist de man niet hoever hij zou komen. Als hij terug zou moeten naar het water zou het makkelijk zijn als zijn bed er nog lag. Hij moest gaan wandelen en zijn bed meenemen, want hij had het niet meer nodig. Hij werd op pad gestuurd, zodat er voorlopig niets te rusten viel. Dit is precies de situatie die voor Israël zal gelden als zij tot geloof zal zijn gekomen. De man dééd het ook: “En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde”. Als Israël opstaat, het bed opneemt en gaat wandelen, zal het sabbat zijn. Als het geen sabbat was, zou het op dát moment sabbat worden! De sabbat is immers een beeld van het Messiaanse rijk! Dit geldt speciaal voor Israël, omdat de sabbat in de eerste plaats een Joodse feestdag is. Hoewel het sabbat zal zijn, begint Israël te werken. Men nam de man in de eerste plaats kwalijk dat hij genezen was. In plaats dat men de Here prees over het feit dat deze man in staat was zijn bed te dragen, werd hij bekritiseerd, omdat hij op de sábbat zijn bed droeg. Het onderhouden van de sabbat was belangrijker dan de genezing van iemand die 38 jaar ziek was geweest. Absurd! Dit bewijst hoe krachteloos de wet was en hoe krachteloos het Judaïsme was. Men was niet meer in staat de dingen op hun juiste waarde te taxeren.

Johannes 5 : 10

De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet
geoorloofd het beddeken te dragen.

Volgens de Joodse traditie was het verboden. De man werd ter verantwoording geroepen. In de wet staat: “Geen dienstwerk zult gij doen”.

Leviticus 23 : 7-8

7 Op den eersten dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk
zult gij doen.
8 Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den HEERE offeren; en op den zevenden
dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult gij doen.

Exodus 20 : 10

Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;

De positie van Israël onder de wet heeft met “slavernij” te maken. Het is een positie van lijfeigenen. De positie van Israël in slavernij in Egypte staat model voor (een type van) de bedeling der wet die later begon. Als van de sabbat gezegd wordt “geen dienstwerk zult gij doen”, dan moet dat geïnterpreteerd worden als “de slavernij wordt opgeheven”. Dit betekent niet dat men niet meer mag werken. Het betekent dat men niet meer in dienst is van een ander. Men is vrij om te doen en laten wat men wil. Deze man droeg zijn bed niet, omdat hij daar opdracht voor gekregen had. Hij deed het evenmin in slavendienst. Hij deed dat omdat hij vrij was. Zó vrij dat hij zelfs kon gaan en staan waar hij wilde. Hij nam zijn bed/rustplaats mee. Wat ligt er nu meer voor de hand om mee te nemen op de sabbat dan zijn rustplaats? Het enige dat iemand op de sabbat nodig heeft, is zijn bed. De sabbat is immers een sabbat der rust!

Johannes 5 : 11, 12

11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.
12 Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?

Het was sabbat. De mensen vroegen hem waarom hij met zijn bed liep. Hij zei dat tot hem gezegd was: “Sta op, neem uw bed op en wandel”. De Heer had niet gezegd: “Ik genees u”. De Here sloeg die fase gewoon over. Als de man gezond wilde worden, moest hij opstaan, zijn bed opnemen en wandelen. Hij had geen andere keus. Er wordt geen woord aan zijn genezing besteed. Men vroeg: “Wie is de mens, die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op en wandel?” Er werd naar een mens gevraagd. Het gaat over dé Mens: de Zoon des mensen, de Zoon van God, Die mens geworden is en vlees en bloed aangenomen heeft.

Filippenzen 2 : 7-8

7 Maar (Christus Jezus) heeft Zichzelven vernietigd (= ontledigd), de gestaltenis eens
dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;
8 En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam
geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.

Hebreeën 2 : 14

Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;

Jezus Christus is de Zoon des mensen, de Erfgenaam van Adam, Die het koninkrijk van Adam zou oprichten. Het ging om dié Mens en om Zijn koninkrijk.

Johannes 5 : 13

En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.

De naam des HEEREN aanroepen

De man wist niet Wie de Man was die tot hem gesproken had. Hij was genezen en wist niet door Wie. Dit is typerend voor Israël, zo blijkt ook uit de profetieën. Als Israël straks in de toekomst geneest, weet zij niet door Wie. Ze wordt genezen, omdat ze de Naam des HEEREN, de Naam Jehovah, zal aanroepen.

Joël 2 : 32

En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.

Romeinen 10 : 13

Want een ieder, die den Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig worden.

Als er gevraagd wordt: “Wie is de Mens, Die dat gezegd heeft”, dan weet Israël het niet. Was het een mens? Deze man zei niet “de mens”, maar: “Die mij gezond gemaakt heeft Die heeft mij gezegd: neem uw beddeken op en wandel” (vers 11). Hij wist niet eens of het wel een mens was. De tegenvraag is dan: “Wie is de Mens, Die u gezegd heeft…” Men wist ineens dat het een mens was. Achteraf zal in de toekomst blijken dat Israël genezen is door Jehovah, de HEERE. Jehovah zal Niemand anders blijken te zijn dan de Here Jezus, Die dé Mens, namelijk de Zoon des mensen is. Het is de Méns Christus Jezus Die de Heelmeester van Israël zal zijn. Dat is de ontmoeting die ná haar genezing zal plaatsvinden. Dat wordt hier uitgebeeld. Degene die gezond gemaakt was, wist niet Wie Hij was; want Jezus was ontweken. Dat is de situatie zoals die straks op de Olijfberg zal zijn. Wanneer de Heer op de Olijfberg zal zijn verschenen, verdwijnt Hij weer. Niemand weet op dat moment Wie Hij eigenlijk was. Als het een mens is weten ze in ieder geval niet welke mens. Daarná komt de ontmoeting, nadat het gelovig overblijfsel het land uit zal zijn gevlucht. Zo’n situatie vond ook bij deze man plaats.

Johannes 5 : 14, 15

14 Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond
geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.
15 De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hem
gezond gemaakt had.

Het was opnieuw de Heer Die hem voor de tweede keer vond; nádat hij genezen was en zich ín de tempel, in de heilige plaats, bevond. Men concludeert hieruit dat de man ziek was, omdat hij gezondigd had. Dat staat er niet. Er staat alleen dat hij niet meer moest zondigen. De geschiedenis in Johannes 5 is besproken in verband met Israël. Hierbij zijn de eerste hoofdstukken van de brief aan de Hebreeën aangehaald. In die hoofdstukken waarin gesproken wordt over de 38 jaar van Israël in de woestijn, wordt gezegd dat Israël niet heeft kunnen ingaan vanwege haar zonde, ofwel vanwege haar ongehoorzaamheid, ofwel vanwege haar ongeloof. Hieruit kunnen wij slechts één conclusie trekken: Zonde is dus ongeloof! Er was maar één zonde op grond waarvan Israël niet inging. Dat was de zonde van ongeloof. “Ongeloof” is de enige zonde op grond waarvan de mens verloren gaat.

Hebreeën 3 : 17-19

17 Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen,
die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn?
18 En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders
dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren?
19 En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.

Toen tegen deze gezond geworden man gezegd werd: “Zondig niet meer”, werd er verwezen naar zijn geloof. Zoals de Here Jezus zo vaak zei: “Uw geloof heeft u behouden” (vergelijk Matthéüs 9 : 22; Markus 10 : 52; Lukas 18 : 42), of: “Zo’n groot geloof heb Ik zelfs onder Israël niet gevonden” (Matthéüs 8 : 10; Lukas 7 : 9). Hier wordt met andere woorden precies hetzelfde gezegd: “Zondig niet meer”. Men kan tot iemand zeggen: “Zondig niet meer”, want geloven kan ieder mens. Als deze man eerder geloofd had, was hij eerder genezen. In verband met de typologie is dat in ieder geval zo. Het kan vandaag tegen Israël gezegd worden, maar net zo goed tegen elke andere heiden! Door geloof gaat men het Koninkrijk in.

Alleen geloof

Als men ziek is, moet men bereid zijn te willen genezen, ongeacht alle consequenties, leert Johannes 5. Dan komt er Iemand langs Die geneest. Hij zegt: “Sta op, neem uw bed op en wandel”. Van de man werd alleen geloof verwacht. Hij geloofde in het Woord dat gesproken werd. Van ons wordt ook verwacht dat wij geloven in Zijn Woord. Als we weten dat het God Zelf is Die spreekt, dan is er geen keuze. Dan doen we gewoon wat het Woord zegt. Alleen dat geneest en geeft leven. Het gaat hedentendage niet om letterlijke genezingen. Als u kreupel bent en tot geloof komt, blijft u kreupel. Laat u dat niet ontmoedigen! De essentie van onze genezing is juist dat het niet om het verbeteren van de oude mens gaat, maar om het inruilen van de oude mens voor een nieuwe mens. Wij zijn door geloof het verborgen hemelse koninkrijk binnengegaan. We mogen nu in gemeenschap met onze Heelmeester leven. In Zijn barmhartigheid schenkt Hij ons alle dingen die wij nodig hebben. Van ons wordt slechts verwacht dat we niet meer zondigen, dat wil zeggen dat we geloven! Wij horen in geloof te wandelen. De rechtvaardige zal immers uit het gelóóf leven (Hebreeën 10 : 38). Neem “uw bed” maar mee. Waar naar toe wordt niet gezegd. Toch kwam de man in de tempel. In de geestelijke tempel (Éfeze 2 : 18-22) ofwel in het hemels Jeruzalem ofwel in het hemelse beloofde land dat we eerst niet konden bereiken, vinden wij de Here. Wij bereiken het door te doen wat het Woord ons opdraagt: “Geloof in den Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden” (Handelingen 16 : 31) en: “De rechtvaardige zal uit het geloof leven” (Romeinen 1 : 17).


 Oorspronkelijke bijbellezing: Bethesda

Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld
Dit is een bewerking van de Brochure "De genezing van de lamme te Bethesda" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/