HET BOEK OPENBARINGEN

Het bijbelboek Openbaring is precies wat het voorgeeft te zijn. Maar dan in de bijbelse betekenis van de uitdrukking: een openbaring (ontsluiering) van wat in voorgaande, oud-testamentische, profetieën nog verborgen (versluierd) was. In zichzelf blijft Openbaring in strijd met zijn titel het spreekwoordelijk gesloten boek. Maar als men erkent dat het als het ware het sluitstuk is van alle bijbelse profetie, en daarmee van de heilsgeschiedenis, blijkt het werkelijk een openbaring te zijn. Een goed begrip van deze laatste hoofdstukken van de Bijbel gaat daarom samen met een brede kennis van de Schrift als zodanig. “Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.”


1. OPENBARING 1

Openbaring begint met: “De openbaring van Jezus Christus”, hoewel het opschrift zegt: “De openbaring van Johannes”. Dit Bijbelboek is geschreven door de bekende apostel Johannes, maar de inhoud gaat over de openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft.

1 De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft; Openbaring 1 : 1 *

Het woordje “hem” zou met een hoofd letter geschreven moeten zijn, omdat het een openbaring is aan de Here Jezus Zelf. Er wordt wat bekend gemaakt en in die zin is het een openbaring. Anders gezegd: wie wordt er geopenbaard? Dat is de Here Jezus Christus. Deze openbaring wordt ook wel de “wederkomst van Christus genoemd”. “Openbaring” betekent letterlijk: onthulling. De uitdrukking houdt tegelijkertijd in dat Hij, Degene Die geopenbaard wordt, vóór die tijd verborgen was. Dat dringt niet altijd tot ons door, maar het is van het grootste belang om die betekenis te kennen. Dingen die geopenbaard worden, zijn dingen die daarvóór verborgen waren. Onder een bedekking, een omhulling. Men wist dat er wat was, maar men wist niet wat het was. Onthulling of openbaring wil zeggen dat nu iedereen kan zien wat het is. Openbaring van Jezus Christus zou nergens voor nodig zijn als Hij niet te voren verborgen was. En dat is de essentie van het verhaal, want wij weten dat Jezus Christus is verschenen in Zijn opstanding uit de dood, waarvan Petrus zei in zijn grote toespraak in Handelingen 2: “God heeft deze Jezus, Die gij gekruist hebt, gesteld tot Heere en tot Christus.” Daar verscheen de Messias (Christus in een andere taal) alleen openbaarde Hij Zich niet, hoewel hij wel aan velen verscheen. (o.a. 1 Korinthe 15) Hij vertoonde Zich niet openlijk op bijvoorbeeld het tempelplein, aan het Sanhedrin, aan Herodus of aan het hele volk. Voor zover Hij verscheen, was het aan een enkeling en alleen aan gelovigen en daarna verdween Hij. De opgestane Here Jezus Christus openbaarde Zich niet, maar hield en houdt Zich nog steeds verborgen. Precies zoals Hij op symbolische wijze had aangekondigd.  Dat is de situatie sinds de opstanding van Christus tot aan het einde van de 70-ste week van Daniël, waar we het later over zullen hebben. Tot aan Zijn wederkomst verbergt Hij Zich. Ook in het Oude Testament (OT) lezen we al dat de Heer zei dat Hij Israël zou verlaten en Zijn aangezicht voor hen zou verbergen. (Deuteronomium 31 : 17) Zij zouden Hem niet zien. Op veel meer plaatsen in het OT wordt die verberging genoemd. Bijvoorbeeld Psalm 13 : 2: “Hoelang o Here zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?” Jesaja 45 : 15: “Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland”. Het is profetisch de beschrijving van de situatie in onze tijd. In Jesaja 54 en 57 zegt de Heer:

8 In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; … Jesaja 54 : 8

17 Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig henen in den weg huns harten. Jesaja 57 : 17

Ook in Ezechiël 39 wordt tot drie keer gezegd dat de Heer Zijn aangezicht voor Israël verborgen heeft, maar ook dat hij dat uiteindelijk niet meer voor hen zal doen bij de wederkomst van Christus.

Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben. Micha 3 : 4

Er is zelfs een heel Bijbelboek dat verberging heet: Esther. Van het woord “satar”. Dat kwam voor in de genoemde Schriftplaatsen. Esther is het meest bekend, omdat de Naam van de Heer in heel het boek niet letterlijk genoemd wordt. De Heer komt er wel in voor, maar niet openlijk. Er wordt ook nergens gezegd dat de Heer iets doet. Zijn Naam wordt niet genoemd. Het is de beschrijving van de situatie in onze bedeling, die heet, volgens een gecorrigeerde vertaling van Efeze 3 : 9: “de bedeling der verborgenheid”. De verberging van de Here Jezus is kenmerkend voor onze bedeling, geheel conform Romeinen, de eerste nieuwtestamentische brief. In de tweede helft van dat hoofdstuk wordt uiteengezet dat de Heer niet alleen Israël, maar heel de mensheid, heel de wereld, heeft losgelaten. Hij verbergt Zich voor de wereld en dat is de grote verklaring voor de verschijnselen van vandaag. Het is het antwoord op bekende vragen: Als er dan een God is, waarom doet Hij niets? Als God mij dan hoort, waarom hoor ik niets terug? En waarom verhoort Hij mijn gebeden niet? Dit is de normale situatie in onze bedeling, maar dat is niet altijd zo geweest en het zal ook niet altijd zo blijven. Robert Anderson schreef het boek “The silence of God” en zei: “Het grote wonder is niet dat God Zich bij gelegenheid openbaart of bekend maakt, daar is niets bijzonders aan. Je mag van een God verwachten dat Hij dat doet. Dat Hij Zich manifesteert, dat Hij verschijnt aan de mens, dat Hij spreekt tot de mens. Maar het bijzondere, het grote wonder, is eigenlijk dat Hij zich niet openbaart.” Anderson legde aan de hand van de Bijbel uit dat daar niets vreemds aan is, omdat het al ruim aangekondigd was.

Het Nieuwe Testament begint te spreken over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen of over de verborgenheid van het Koninkrijk Gods. (Matthéüs 13, Markus 4 en Lukas 8) Dat is naar aanleiding van de gelijkenissen, waarin de Heer uitlegt dat deze gaan over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. De opgestane Here Jezus Christus is daar de Koning van. Dat Messiaanse rijk, dat Koninkrijk, is begonnen, maar waarom merken we er niets van? Omdat de Koning Zich verbergt. Het gaat zelfs zover dat van gelovigen gezegd wordt, in Kolossenzen 3, “dat ons leven met Christus verborgen is bij God”. En het volgende vers zegt “dat wij weten dat wanneer Hij zal geopenbaard worden, wij met Hem geopenbaard zullen worden in heerlijkheid”. Dit is ook een aardige tekst om te demonstreren dat verberging of verborgenheid staat tegenover openbaring. Ons leven is verborgen bij God en wij weten dat wij met Hem geopenbaard zullen worden in de toekomst, wanneer Hij geopenbaard wordt in de toekomst. Alles wat van doen heeft met Gods werk, want de Heer doet Zijn werk in onze tegenwoordige tijd, sinds de opstanding van Christus en in afwachting van de wederkomst van Christus, wordt aangeduid als verborgenheid.

In 1 Korinthe 15, waar de “opname” van de Gemeente beschreven wordt, staat: “Zie ik vertel u een verborgenheid, wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen wel allen veranderd worden”. Dit zijn zaken die niet bekend zijn aan de wereld en die ook niet in het Oude Testament geopenbaard zijn. Die dingen zijn wel vastgelegd, maar met een bedekking er overheen. Het Nieuwe Testament trekt de bedekking eraf en zegt: kijk, daar gaat het over, maar het zijn verborgenheden. Wat God doet kan niet als zodanig door de wereld worden waargenomen. Wij weten het alleen uit de Bijbel, maar aan de buitenkant is het niet te zien. We doen er goed aan ons dat te realiseren, omdat veel prediking er toch op gericht is dat wij zonodig wat aan de wereld moeten laten zien. Dat zou je misschien wel willen, maar dat kan nou eenmaal niet, want de Heer werkt in het verborgene. Hij werkt door Zijn Geest,niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden”. (Zacharia 4 : 6) God doet onzienlijke dingen. Wij weten daar iets van omdat de Schrift het ons leert. Daarom herkennen wij het ook, maar zichtbaar als zodanig is het niet. Als er wat zichtbaars gebeurt, dan zal het de wederkomst van Christus zijn, aan het eind van de 70-ste week op de Olijfberg. Dat is de meest letterlijke openbaring van Jezus Christus.

De gedachte is dat de inhoud van dit boek door de Here Jezus te kennen gegeven wordt aan Johannes, dan wel aan zijn engel. In de praktijk is daar helemaal geen verschil tussen. Zijn gezonden engel is Johannes, want men heeft het woord engel laten staan. Engel is een Grieks woord, maar met onze letters opgeschreven. “Engel” betekent: boodschapper. En die boodschapper hier is geen hemels wezen; het is Johannes zelf. Hij is van Godswege gezonden, waarbij het woord “zenden” het woord is voor “apostel”. De Heer maakt deze dingen bekend aan Zijn boodschapper, die Hij uitzendt aan Zijn dienstknecht, want een boodschapper is altijd een dienstknecht, zodat Johannes deze dingen zou kennen. “Te kennen geven” betekent uiteraard dat degene die het ontvangt het daarna zou kennen, zou weten.

Dewelke het woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. Openbaring 1:2

Dit vers is een verwijzing naar 1 Johannes 1. Daar zegt dezelfde Johannes dat hij dat woord Gods betuigd heeft, dat hij getuigt heeft wat hij gezien; getast, gehoord en aanschouwd heeft van het Woord, dan wel van het Leven dat geopenbaard is en dus van Jezus Christus.

Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij. Openbaring 1:3

Het gemiddelde christelijke, orthodoxe of vrijzinnige commentaar op dit Bijbelboek is, dat het niet zoveel zin heeft om het te openen, te lezen ofte bestuderen. Dat staat in bijna alle commentaren op Openbaring. Meestal wordt gesteld dat men er toch niet wijzer van wordt. Het zou allemaal symboliek of typologie of zelfs Joodse symboliek of typologie zijn. Ze bedoelen: je kunt er niets mee, omdat het symboliek is. Maar dit vers zegt dat je leert uit de profetische woorden over wat de Heer in de toekomst zou doen. De symboliek of typologie zouden we, tegen dat we op bladzijde 1179 van onze Bijbel zijn, toch een beetje hebben leren verstaan. Het is dezelfde uitspraak als die van Petrus: “En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1 : 19) God heeft ons tevoren aangekondigd wat er zou gaan gebeuren. Dat is ons uitzicht en we zouden daarmee leren leven. Je hebt alleen maar toekomst, het verleden is al voorbij en dat zogenaamde “vandaag” is dit moment van het heden. De essentie van het Woord van God is dat Hij ons op voorhand de toekomst verkondigt.

Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn; Openbaring 1 : 4

Met “Johannes aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn”, blijkt Openbaring toch een brief te zijn. Johannes is de afzender van het boek. Of anders gezegd: van een brief, want die wordt geschreven aan de adressering.  Een boek is voor iedereen, maar een brief is in principe niet bestemd voor iedereen, doch alleen voor geadresseerden. De inhoud wordt geacht alleen voor hen te zijn. Omdat God weliswaar wat bekend maakt, niet zozeer aan de wereld, maar aan de gelovigen. De Zijnen. Wij behoren niet tot de wereld en we behoren ook niet tot diegenen voor wie de Heer Zich verbergt. Integendeel: Hij maakt Zich aan ons openbaar. Niet alleen pas in Zijn wederkomst, maar nu al. Want alhoewel de term openbaring in het algemeen in verband gebracht wordt met de wederkomst van Christus, zijn er heus Schriftplaatsen (o.a. 1 Petrus 1) over de openbaring van de Here Jezus en dan niet over Zijn wederkomst, maar over wat Hij nu aan ons doet. Het gaat er over dat Hij Zich nu aan ons bekend maakt. Niet zichtbaar, maar toch nog wel zodanig dat de apostel kan zeggen: “Wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond”. (Hebreeën 2 : 9) Of hij zegt: “Wij zouden onze loopbaan lopen, ziende op Jezus”. (Hebreeën 12 : 1, 2) Of dat er staat: “Wij kennen Hem Die gezegd heeft…,”. (Hebreeën 10 : 30) Of: “Opdat wij Hem kennen en de kracht Zijner opstanding.” (Filippenzen 3 : 10) Hoewel we met onze fysieke ogen niet zien, worden wij toch geacht op andere wijze Hem te zien, Hem te kennen. Hij maakt Zich aan ons bekend voor zover wij dat toelaten en onze geestelijke ogen openhouden en eigenlijk ons hart openhouden.

Het boek Openbaring is een brief. Eén van de belangrijkste redenen van het niet begrijpen van dit boek, is vanwege het feit dat men niet gelooft. Naar mate men gelooft zal men begrijpen wat er staat. De Heer maakt Zich bekend voor zover wij ons leven daarvoor openstellen, niet ons geheugen of onze intelligentie of iets dergelijks, daar gaat het niet om. Daar heeft de Heer totaal geen belang bij. Waar Hij belang bij heeft, is dat wij inderdaad leven in dienst van Hem en voor zover wij dat willen en ons aan Hem onderwerpen en dus geloven – want dat is hetzelfde – zal Hij Zich aan ons bekend maken. Door niet te geloven (onderwerpen) komt men aan het boek Openbaring nooit toe. Men komt die Bijbel niet door, schuift het aan de kant en dan zegt men: Openbaring, daar kun je niets mee. In dat geval is en blijft het een gesloten boek. Maar dat hoeft het niet te zijn. Het heet niet voor niets “de openbaring van Jezus Christus”. Het is wel zo dat men het voorgaande in de Bijbel in het algemeen redelijk begrepen moet hebben, anders kan men met het Bijbelboek inderdaad geen kant op.

De brief begint met een groet: “genade zij u en vrede van Hem.” Genade en vrede zijn de kenmerken van het Nieuwe Verbond, waaronder wij leven. Niet van het oude, dan had het moeten zijn: wet en oorlog. Dat is het tegenovergestelde. Wet en strijd. Onder de wet heeft men een strijd. Maar wij leven niet onder de wet, maar onder de genade en dus hebben wij vrede. Het wordt ons toegewenst. Het is het Nieuwe Verbond der genade of het Verbond des Vredes. Deze twee woorden zijn in de Bijbel dikwijls de aanduiding van heel het Nieuwe Verbond, omdat het de kenmerken daarvan zijn. Daarom beginnen de meeste brieven met deze groet. Genade zij u en vrede, van God, namelijk Van Hem Die is, ondanks dat Hij Zich verbergt, Die was, hetgeen uit de Bijbelse geschiedenis blijkt, en Die wel degelijk komen zal in de toekomst. Dat is het onderwerp van het boek. Die is, Die was en Die komen zal.

Vers 4 spreekt over zeven geesten die voor Zijn troon zijn. Wie dat zijn weten wij niet. Dat kom je in de Bijbel niet tegen.  Je vindt wel iets dat er op lijkt in Jesaja 11, waar in vers 2 gesproken wordt over de Geest des Heeren, de Geest der Wijsheid en des Verstands, de Geest des Raads en der Sterkte, de Geest der Kennis en de Vreze des Heere. Het is de enige tekst waar je iets terugvindt dat lijkt op: 7 geesten. In werkelijkheid zijn het niet 7 geesten, maar is het één en dezelfde Geest, Die hier in beginsel dan ook wordt aangeduid als de Geest des Heeren, de Geest van Jehovah. En Jehovah is God, dus de Geest Gods. We vinden hier iets dat er op lijkt en anders weten we absoluut niet waar het over gaat. Dit vers leggen we naast openbaring 1. De gedachte is namelijk dat dit vers zevenvoudig over die ene Geest spreekt. De reden is dat het verwijst naar het werk Gods in onze dagen. Een werk niet door kracht noch door geweld, (Zacharia 4 : 6) maar inderdaad door Zijn Geest. Het spreekt over het onzienlijke werk van Christus nu en dat is waarom openbaring 1 zegt: “de genade en vrede zij u van onze Here Jezus Christus” en daarna van de zeven geesten die voor Zijn troon zijn. Het is de verwijzing naar Jesaja 11 en daarmee naar het tegenwoordige werk van Christus aan en in de gelovigen. We hebben de Geest gekregen, wij hebben de Geest Gods, opdat wij God zouden kennen. We hebben de Geest van Christus ontvangen, opdat wij Christus zouden kennen. Die Geest zou ons in heel de Waarheid leiden. Kortom, het gaat allemaal om hetzelfde.

Alle nieuwtestamentische uitspraken beginnen bij Matthéüs 1 : 1 en zijn altijd gebaseerd op het Oude Testament. In vele gevallen wordt het Oude Testament zelfs letterlijk geciteerd. Het Nieuwe Testament openbaart ons niet werkelijk nieuwe dingen. Het trekt de bedekking weg van oudtestamentische uitspraken. Verborgenheden openbaren dus. En het aardige is dat we dat overal terugvinden. Het staat er soms bij: “gelijk geschreven is”. En: “hiermee stemmen overeen de woorden der profeten”. En: “opdat hetgeen vervuld wordt hetgeen door de profeten gesproken is”. Of: “iemand heeft ergens betuigd, zeggende”. Of er staat: “Gelijk hij ook in de tweede psalm heeft gezegd”. En een andere keer staat er: “… en zo zegt Jesaja wederom”. Dat zijn duidelijke verwijzingen. In veel gevallen staat het er niet bij, dan moet je het zelf maar begrijpen en dit is er kennelijk één van.

Jesaja 11 geeft een prachtige opsomming van de nieuwtestamentische geschiedenis. Die begint bij de opstanding van Christus en is vervolgens eeuwig. De opstanding eerst, vers 2 en 3 en halfvers 4 over onze tegenwoordige bedeling. De tweede helft van vers 4 en vers 5 spreken over Zijn wederkomst en het oordeel dat Hij dan brengt. Vers 6 tot en met 9 gaat over Zijn eeuwig Koninkrijk, dat dan inmiddels gevestigd is. En daarna, vanuit die toepassing, terug weer naar Openbaring: de zeven geesten die voor Zijn troon zijn. Dit is de verwijzing naar Jesaja 11 : 2 en daarmee naar het tegenwoordige werk van Christus aan en in de Gemeente.

En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. Openbaring 1:5

Genade en vrede ook van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is en in de eerste plaats de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Deze Getuige blijft wel, in tegenstelling tot de getuigen uit het Oude Testament. Daarom heet Hij: de getrouwe Getuige. Want getrouw wil zeggen dat Hij betrouwbaar is, dat Hij blijft. Christus is de getrouwe Getuige. Daarna staat er ook waarom dat zo is of er worden synoniemen voor getrouwe Getuige gegeven. Hij is namelijk de Eerstgeborene uit de doden. Dat is een pleonasme (twee keer hetzelfde met verschillende woorden), want toen Hij uit de doden opstond, was Hij per definitie de Eerstgeborene. De gedachte is dat opstanding uit de doden, opstanding van tussen de overige doden uit is. Dat betekent de uitdrukking en dus gaat het om een opstanding als eersteling. Een eerste opstanding en die is van belang omdat daar het eerstgeboorterecht aan verbonden is. Dat is de Here Jezus Christus, de Eerstgeborene uit de doden en dus erft Hij Hogepriesterschap en Koningschap en is Hij verantwoordelijk voor die mensheid waarvan Hij het Hoofd is. De uitdrukking “de Overste der koningen der aarde” ondersteunt dat Hij de hoogst geplaatste is. Het is een andere manier om te zeggen dat Jezus Christus gezeten is aan de rechterhand Gods, ver boven alle overheid en macht en heerschappij en troon en alle naam, die genaamd wordt. Niet alleen in deze eeuw maar ook in de toekomende. (Efeze 1 : 21) Kortom, God heeft Hem alle dingen aan Zijn voeten onderworpen. En daarna staat er van Hem: “… en Hij heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot Hoofd”. Christus, in die verhoogde positie, is aan de Gemeente gegeven tot Hoofd. In Zijn bediening, in Zijn praktische werk, beperkt Hij Zich, of wordt Hij beperkt, tot een werk aan de Gemeente waarvan Hij het Hoofd geworden is. Dat is het tegenwoordige werk van Christus als Hoofd van de Gemeente.

En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 1:6

De Bijbel leert dat we gereinigd worden door het Woord. Stel u onder het Woord en het zal u reinigen. Want het openbaart het leven van Christus aan u en u wordt door Hem de Levende Christus gereinigd. Johannes gaat kort door de bocht, als hij zegt: Hij heeft ons van onze zonden gewassen in Zijn bloed en Hij heeft ons gemaakt tot koningen en priesters. Want waartoe werden wij ook al weer gereinigd? Opdat we de levende God zouden dienen. (Hebreeën 9 :14) Maar hoe heet een dienstknecht van God in het Oude Testament, onder de wet? Een priester en dus worden wij gereinigd om priester te zijn. Hoe werd de priester aangesteld? Doordat de hogepriester hem in bad stopte. Ze moesten gereinigd worden. Eenmaal helemaal en daarna, als ze dienst deden, alleen handen en voeten wassen en het gezicht. Ze waren priesters, niet vanwege dat ze gereinigd of ingewijd werden, maar op grond van geboorte. Precies hetzelfde geldt voor ons. Wij zijn wedergeboren als eerstelingen, we hebben deel aan de opstanding van Christus en daarom zijn wij priesters en daarom worden wij geacht ons te laten reinigen, opdat wij ook daadwerkelijk dat priesterlijke werk zouden kunnen verrichten. En Openbaring zegt dan: Hij reinigt en maakt ons tot priesters van het Nieuwe Verbond. Tot koningen en priesters naar de ordening van Melchizédek.

Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen. Openbaring 1:7

“Hij komt met de wolken” is een verwijzing naar Handelingen 2 en ook de verwijzing naar alle Schriftplaatsen over de dag des Heeren in het Oude Testament, want het heet een “wolkige dag” en een “verduisterde hemel”. Wolken verwijzen naar geestelijke dingen. Ze kunnen nog net gezien worden, maar je kunt ze niet pakken, ook al zijn ze dichtbij. Het is ongrijpbaar, ontastbaar. Ze lossen zo maar weer op. Geest spreekt ook over het geestelijke werk. Dat is heel de Bijbel door zo, denk maar aan de wolkkolom in de tabernakel, een beeld van de Heilige Geest in onze bedeling. Het onzienlijke werk van Christus. “Ziet Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien”, is de verwijzing naar Zacharia 12 : 10, want daar staat letterlijk dat alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. Dat zal bij de verschijning van de Here Jezus op de Olijfberg voor Jeruzalem zijn. En in Zacharia staat ook, net als in Openbaring 1 : 7 dat alle geslachten der aarde over Hem rouw zullen bedrijven. Het eerste echte punt op Gods kalender is namelijk niet de opname van de Gemeente, hoewel dat ook gebeuren moet, maar de verschijning van de Here Jezus Christus, mét de Gemeente, op de Olijfberg. Dat is aan het einde van de 70-ste week van Daniël. Voor dat doel gaan wij Hem tegemoet en dat heet de opname van de Gemeente. Hier gaat het om de openbaring van Christus en de Gemeente op de Olijfberg. Er wordt verwezen naar Zacharia 12 : 14. Hij komt op de wolken, alle oog zal Hem zien, ook die Hem doorstoken hebben.

“Alle geslachten der aarde” moet eigenlijk zijn: alle geslachten des lands. Land is aarde; het gaat om het land Israël. Waarom zullen alle geslachten van het land rouw over Hem bedrijven? Omdat Hij hun Eerstgeborene is. Dat staat er bij in Zacharia 12. Dit de verwijzing naar de verschijning van de Heer op de Olijfberg bij het oordeel over de Joodse staat en stad. Dit is aan het begin van de periode van het antichristelijke rijk over de wereld, maar ook het begin van de periode waarin de Heer Zijn eigen rijk op aarde zal openbaren. Zowel de beschrijving van Gods werk in onze bedeling, in vers 6, als ook de beschrijving van de Heer in Zijn wederkomst, worden afgesloten met “amen”. Daarna volgt de algemene uitdrukking:

Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 1 : 8

Omega is de laatste letter van het Griekse alfabet. Dus wij lezen dan eigenlijk: Ik ben de A en de Z, of de aleph en de taf, in het Hebreeuws. Ik ben de Alpha en de Omega, namelijk het Begin en het Einde, zegt de Here, Die is en Die was en Die komen zal.  Heere is in het Hebreeuws “Jehovah”, want zo staat het in Jesaja, waar het aan ontleend is. Dit zijn nadrukkelijk verwijzingen naar het Oude Testament waarin Jehovah zegt: Ik ben de Eerste en de Laatste, Ik ben de Verlosser, Ik ben het Begin en het Einde, buiten Mij is er niemand, Ik ben de Heiland. Om Hem gaat het en de Here Jezus Christus is de Vervuller van al die beloften die in het Oude Testament gedaan zijn onder de naam Jehovah. Ter versterking daarvan krijgen we nu vanaf vers 9 t/m 18 een beschrijving van een verschijning van de Heer aan Johannes.

Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus. Openbaring 1 : 9

Meer weten we niet over Johannes onder deze omstandigheden. Er staat alleen dat Johannes behoort bij die broeders en dat hij deel heeft aan de Here Jezus Christus, namelijk dat hij deel heeft aan Zijn verdrukking, zoals dat van alle gelovigen feitelijk gezegd wordt. Dat hij ook deel heeft aan Zijn Koninkrijk, al is dat dan nog verborgen, en ook deel heeft aan de lijdzaamheid, de passie, het lijden, maar ook de gedrevenheid van Jezus Christus. Gelovigen worden geacht in alle omstandigheden deel te hebben aan de Heer. Aan Zijn zegeningen, maar ook eventueel aan de dingen die minder prettig zijn. Heerlijkheid zou in de toekomst geopenbaard worden en daar gaat de rest van het Bijbelboek over. Johannes was op Patmos, één van de vele eilanden tussen Griekenland en Turkije. In de Bijbel fungeren ze als een type van de eilanden der zee, zoals die in het Oude Testament genoemd worden. Dat zijn de kustlanden hier in Noordwest Europa. Patmos is de verwijzing naar de situatie en de landen van de 10 stammen van Israël en dat heeft alles van doen met de achtergronden van dit Bijbelboek, waarbij het gaat over openbaring als vervolg op verberging. De positie van Johannes op het eiland, als een soort balling, is de aanduiding van de 10 stammen van Israël in ballingschap op de eilanden der zee, dan wel de kustlanden in het westen. “Zee” wordt ook vertaald met “westen”. “Eilanden der zee” is een pleonasme en een verkeerde vertaling, want eilanden liggen altijd in de zee. Als het tenminste letterlijk bedoeld is en daarom betekent het woord zee daar dus niets meer. Het had vertaald moeten worden met de andere vertaling van het woord: het westen. De eilanden in het westen. Deze Griekse eilanden lagen, van Israël uit gezien, in het westen, vandaar dat ze fungeren als een type van de positie van de 10 stammen in ballingschap.

De uitdrukking “om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus” komen we later in Openbaring nog tegen, als Johannes gevangen genomen, gedeporteerd en in ballingschap gebracht is, omdat hij teveel van zijn Heer sprak. Hij was terzijde gesteld.

En ik was in den geest op den dag des Heeren; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin, Openbaring 1 : 10

“In de geest” is de vaste uitdrukking in het Oude Testament voor profeten die ineens in vervoering van zinnen raakten. Zij zagen dan geestelijke dingen die er niet letterlijk waren. Ze kregen visioenen en daar gaat het hele Bijbelboek over. Wat beschreven wordt is in hoge mate visionair, het heeft een typologische, danwel symbolische, betekenis. Het is maar hoogst zelden dat er iets staat dat letterlijk waar is. Dat komt wel voor, als toelichting. Het zijn visioenen met een overdrachtelijke betekenis. Als er staat: “Johannes zag een tempel”, dan weet u dat er niet letterlijk een tempel staat, want daar gaat het niet over. Het gaat er om wat een tempel voorstelt. “Op de dag des Heeren”  is de aanduiding van de tijd van de wederkomst van Christus en al wat daarmee samenhangt. De dag des Heeren is de periode waarin Jehovah zou oordelen. Dag impliceert licht en daarmee oordeel, want dingen worden door het licht geoordeeld, beoordeeld, veroordeeld, danwel bestraft. Ook in het Nederlands is het woord dag de aanduiding van oordeel. Denk maar aan dagen en dagvaarden. Dag des Heeren staat naast “dag van Christus”, wanneer wij geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus en dat staat naast de uitdrukking “dag Gods”, uit 2 Petrus 3, waarin God de Schepper de hele oude schepping wegdoet en vervangt door een nieuwe. Jehovah brengt geen oordeel over de schepping, want dan heet het “dag Gods”, maar over de levende mensheid. De naam Jehovah staat in de eerste plaats in relatie tot Israël en via Israël tot heel de mensheid. Alles op aarde zal hij oordelen. Dat begint officieel bij Zijn verschijning op de Olijfberg, de verwoesting van Jeruzalem en het duurt tot aan het begin van de duizend jaren. Dat is de periode van de dag des Heeren naar Bijbelse maatstaven.

Met “ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin”, begint de symboliek. Een stem als van een bazuin. Bazuin in de Bijbel staat voor sjofar, de ramshoorn. Een trompet is een instrument van koper. Een bazuin van ramshoorn, van dierlijke afkomst. Het idee is dat het beest dood is en toch brengt hij nog geluid voort. Dus is hij opgestaan uit de dood. Het geluid van de bazuin is de stem van de levende Christus. De Ram, het Lam, dat dood is geweest, maar niettemin leeft en spreekt. Daar was de bazuin in het Oude Testament al lang en vaak een beeld van. Als de bazuin klinkt, is er een koning en moet men verzamelen tot de koning, tot de strijd. De bazuin is de uitbeelding van de stem, het Woord van Christus. Hij is Die opgewekte. Hij is die Koning, dus je hoort een stem als een bazuin en dan weet je meteen wie er spreekt. Christus Zelf. Daarom is het bij de opname van de Gemeente uiteraard ook zo dat de Bazuin – de Heer – spreekt.

Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea. Openbaring 1 : 11

“Ik ben de Alpha en Omega”, is Grieks. De eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet. Ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en laatste letter van alles wat God te zeggen heeft. Alle dingen zijn uit Hem en door Hem en tot Hem. (Romeinen 11 : 36) De uitdrukking “Ik ben de Eerste en de Laatste” is in het Oude Testament van toepassing op Jehovah, maar hier op Christus. Openbaring is specifiek gericht aan de genoemde zeven Gemeenten in Klein Azië. Deze zeven Gemeenten hebben ook een typologische betekenis, zoals later zal blijken.

12 En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren;
13 En in het midden van de zeven kandelaren Een, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; Openbaring 1 : 12, 13

De Stem is de Here Jezus Christus, want Hij is het Woord. Hier zijn de kandelaren blijkbaar nog belangrijker dan de Zoon des mensen zelf. Er zijn eerst zeven kandelaren, daarna zag hij Een, den Zoon des mensen gelijk. Als Hij den Zoon des mensen gelijk is, wie is Hij dan? De Zoon des mensen, tenzij anders vermeld. “En de Zoon des mensen gelijk zijnde” kennen wij uit Hebreeën 7 : 3: “De Zoon van God gelijk geworden, zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende, maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde”. Het gaat hier over de Zoon van God of anders gezegd de hogepriester naar de ordening van Melchizédek, maar dat is de Zoon van God, volgens Psalm 110. De Zoon des mensen is de Zoon van Adam, letterlijk, de Erfgenaam. De Zoon des mensen is ook de Goël, hoofd van de menselijke familie en daarmee de Verlosser en juridisch Vervuller van al Gods beloften. Een lang kleed is een beeld van het Koningschap van de Here Jezus. “Tot aan de voeten” wil zeggen dat het niet groter kan. Het is uitgebreid, zover mogelijk.  De zomen tot aan de grond drukt uit dat Zijn heerlijkheid in de hele schepping geopenbaard wordt. Groter kan het kleed niet zijn. Het is omgord aan de borsten met een gouden gordel, daar waar het hart zich bevindt. Hart is de zetel van geloof. Hart en geloof vormen de bron van eeuwig leven. Geloof is de basis op grond waarvan men eeuwig leven ontvangt. Eeuwig leven wordt uitgedrukt in goud en dus een gouden gordel om de borst. Dé gelovige is de Here Jezus Christus.

En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; Openbaring 1 : 14

In Daniël 7 : 9-14 staat voor het eerst in dit verband “Zoon des mensen”. Aan de ene kant is de Zoon des mensen, aan de andere kant is Hij God, maar Hij is dezelfde uiteraard. Wit haar spreekt over reinheid, volmaaktheid en rechtvaardigheid. Hoofdhaar is de uitdrukking van iemands denken, zijn overleggingen, zijn oordelen. Dus haar als witte wol is de uitdrukking van iemand die rechtvaardig oordeelt en daarmee van God Zelf. Een vlam vuurs is van oudsher de bron van licht. Ogen en licht zijn synonieme begrippen. Met de ogen neemt men het licht waar. Die vlam vuurs in Zijn ogen is niet de uitdrukking dat Zijn ogen vuur schieten, in de zin van oordeel brengen, maar dat ze alles zien. Als een vlam des vuurs Zijn mond uitgaat, dan is het een ander verhaal, maar als de vlam des vuurs in de ogen gezien wordt, dan zijn het verlichte ogen. Zijn ogen doorlopen de ganse aarde. God ziet alles, ook het inwendige.

En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Openbaring 1 : 15

Hier staat twee keer hetzelfde. Zijn voeten gloeien als in een oven, want blinkend koper heeft van doen met een oven met vuur. Koper is de kleur van vuur. Denk maar aan het koperen brandofferaltaar. Koper verwijst naar oordeel. De gedachte is namelijk dat via oordeel en via vuur dingen gereinigd, gezuiverd en gelouterd worden. Daardoor komt gemeenschap tot stand. Koper is altijd een beeld van gemeenschap, want communicatie gaat via koper. Denk aan koperen elektriciteits- en, telefoonleidingen en koperen waterleidingen. Koperen deurknoppen en koperen scharnieren brengen verbinding tot stand. Inclusief de roodkoperen schuiftrompetten.  De gedachte is dat de Heer met die koperen voeten toen als het ware door het vuur gegaan is; het oordeel heeft verdragen.

“Zijn stem als een stem van vele wateren”, is aan de ene kant een beeld van het Woord van God, zeker bij Johannes. Maar “vele wateren” kan ons ook leiden naar de volkerenzeeën. De gedachte is namelijk dat in onze dagen, waarin de Heer Zich nog niet openbaart, het evangelie door de heidenen gepredikt wordt en niet door de Joden. Die vele wateren kunnen heel goed de uitdrukking zijn van die vele volkeren. Daar is het Woord Gods. Daar vindt men de Heer. Als je de Heer zoekt, zoek dan niet onder de Joden, zoek onder de heidenen, zegt de Bijbel. De Heer verbergt Zijn aangezicht voor de Joden, maar openbaart Zich aan een volk dat in duisternis wandelde. Paulus zegt tot de Joden: “De zaligheid is van u weggenomen en is gegeven aan de heidenen”. (Handelingen 28 : 28) De Heer zegt: “Het Koninkrijk zal van u worden weggenomen en gegeven aan een ander volk”. (Matthéüs 21 : 43)

En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht. Openbaring 1 : 16

Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en stond te midden van de zeven kandelaren, die licht geven. Uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard, het beeld van het Woord van God. Een tweesnijdend scherp zwaard uit Hebreeën 4 : 12 en Efeze 6 : 17, waar het gaat over het “zwaard des Geestes”, het Woord Gods. Tweesnijdend betekent dat het scheiding maakt. Tussen ziel en geest, zegt Hebreeën. Ziel staat voor oude schepping en geest voor nieuwe schepping. Het Woord Gods brengt een oordeel over de oude schepping, maar genereert ook een nieuwe schepping. En naarmate wij het Woord Gods leren verstaan, begrijpen wij ook die strijd en het verschil tussen oude en nieuwe mens, tussen oude en nieuwe schepping en tussen tegenwoordige en toekomende eeuw. Het Woord verbindt ons aan elkaar, brengt gemeenschap, maar juist ook doordat het scheiding maakt. Het zondert ons af van de wereld en van de oude schepping en zorgt ervoor dat er gemeenschap is in die nieuwe schepping, in Christus. Dat de Bijbel scheiding maakt, is dus wel degelijk de bedoeling. Daardoor worden de oprechten openbaar. Dat is wat het Woord van God inderdaad doet. Een tweesnijdend scherp zwaard is vooral van toepassing in de toekomst wanneer dat werk van het Woord Gods ook in de wereld als zodanig zal plaatsvinden. Nu worden wij als gelovigen uit deze wereld getrokken en afgezonderd van de wereld. In de toekomst, in de dagen van de “dag des Heeren”, zal dat scheidende en oordelende werk van het Woord van God plaatsvinden in de wereld. Het gaat uit Zijn mond uit; het is het Woord van God.

Er is vervolgens een verblindende gestalte te zien. In 2 Korinthe 4 : 4, wordt gesproken over het licht, de verlichting van het evangelie der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Christus. Hebreeën 1 : 3 zegt dat de Here Jezus Christus het afschijnsel, de uitstraling, is van Gods heerlijkheid. Psalm 19 : 2: “De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk”. Daarna wordt gesproken over de zon, die de Heer Zelf blijkt te zijn. De Here Jezus is een lichtende gedaante en de openbaring van de onzienlijke God.

En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; Openbaring 1 : 17

Het eerste deel van dit vers hoeft ons niet te alarmeren. In het Oude Testament gebeurt dat ook, het meest bij Daniël. Als de Heer aan hem verschijnt, valt hij als dood aan Zijn voeten. In Daniël 10 zakt Daniël in elkaar, zoals bij zoveel gelegenheden. Dat is niet de uitbeelding van “niemand kan God zien en leven”. (Exodus 33 : 20) Het is de uitdrukking van het verschijnsel dat in onze dagen, in onze bedeling, de mens waarin het werk Gods gedaan wordt, geacht wordt te slapen. Ook de Heer Zelf wordt geacht te slapen. Die verborgenheid, en daar moeten we nu het verder over hebben, komt tot uitdrukking in slaap. Adam, een type van Christus, viel in een diepe slaap en toen hij weer wakker werd was daar die vrouw. Het is een beeld van de Heer Zelf die Zich verbergt, maar in die tijd wordt de vrouw – Zijn Lichaam – de vrouw, die vlees is van zijn vlees en been van zijn been, gevormd. Dat legt Paulus uit in Efeze 5. Bij de Oudtestamentische profeten vind je vaker dat, zodra er profetieën komen over de tegenwoordige tijd, ze in elkaar sukkelen en zwak, ziek en misselijk worden of bijna dood zijn; of ze slapen en dan moet de Heer hen wakker maken. Vervolgens gaat het verhaal verder. Er is altijd een stukje dat de profeet niet gehoord heeft. Dat gaat over onze bedeling.

En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Openbaring 1 : 18

De Eerste en de Laatste heeft de sleutels van de uitgang van de hel en de dood. Daarmee kan Hij het Leven geven aan wie Hij wil en daarmee ook het Koninkrijk aan wie Hij wil.

Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen: Openbaring 1 : 19

Sommigen hebben, in hun ijver om te systematiseren, in dit vers drie perioden gelegd. “Schrijf hetgeen gij gezien hebt” is de eerste. “Hetgeen is” de volgende, “en hetgeen geschieden zal”, de derde periode. Ik persoonlijk geloof dat niet. Ik denk dat die drie uitspraken over precies hetzelfde gaan. Hetgeen gij gezien hebt – hier – kortom hetgeen is, maar wat is en wat hij hier ziet, moet uiteraard geschieden “na dezen”. Iedereen die enigszins vertrouwd is met de boeken van Johannes, ik bedoel de brieven en ook het Johannes-evangelie, begrijpt dat het drie keer hetzelfde is. Johannes verandert nooit van onderwerp. Hij kan een heel Bijbelboek lang over dezelfde dingen spreken. In andere termen, met een andere benadering, maar het is hetzelfde. Dat gebeurt hier ook. Wat hij hier ziet kan hij alleen opschrijven omdat hij het gezien heeft. Dat is wat het is, op dat moment. Op de dag des Heeren. Het gaat echter over hetgeen geschieden zal “na dezen”. In Openbaring vind je vanzelfsprekend dingen uit verleden, uit heden en toekomst, maar in het algemeen dingen die na de dagen van Johannes zouden plaatsvinden. Die hebben van doen met:

De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechter hand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten. Openbaring 1 : 20

De zeven sterren zijn de engelen der Gemeente. In de Bijbel is er verband tussen engelen en sterren. Zij zijn allebei hemellichamen, hemelse lichamen, hemelse wezens, behorende tot het “heir des Heeren”. Wat in de Bijbel over sterren wordt gezegd, wordt over engelen gezegd en andersom. Het heir des hemels blijkt in de Bijbel soms te zijn: de engelen, en soms: de sterren.  Het heeft een symbolische betekenis. Er is maar één manier om het goed te zeggen en die is heel kort. Deze zeven kandelaren, zeven sterren, zeven engelen en zeven Gemeenten moet je naast elkaar of onder elkaar schrijven. Het is hetzelfde. Ze hebben allemaal een geestelijke betekenis.

2. Openbaring 2

In hoofdstuk 2 en 3 volgen zeven brieven aan zeven Gemeenten. In feite wordt de hele kerkgeschiedenis beschreven. Korter en beter kan ik het niet zeggen. Het is niet de geschiedenis van de Gemeente. Niet die van de gelovigen en ook niet van de prediking van het evangelie. Het is wat wij noemen de kerkgeschiedenis, waarbij kerk een verzamelbegrip is. Je kunt het ook uitgebreider zeggen: Het is de geschiedenis van het verborgen Koninkrijk, maar dan op aarde. Er zit in de Bijbelse geschiedenis een gat tussen de eerste en tweede komst van Christus. Dat heet “de bedeling der verborgenheid”, “de Verborgenheid” of uitgebreider: “de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen”. In de Bijbel wordt deze periode niet in klare taal beschreven. Een symbolische beschrijving van die geschiedenis staat hier in Openbaring 2 en 3, geschreven in de dagen van Handelingen, het begin van onze bedeling. Vóór Hij lijfelijk zal wederkomen en zichtbaar zal verschijnen in heerlijkheid in deze wereld, wordt de langste periode uit de heilsgeschiedenis beschreven. Daarbij gaat niet om de geschiedenis van de wereld als zodanig, die is voor God helemaal niet van belang. Per slot heeft Hij de wereld in onze dagen losgelaten en verbergt Hij Zich er voor. Maar wij vinden wel de geschiedenis van het verborgen Koninkrijk, zoals zich dat eventueel op aarde manifesteert. Niet dat de aardse manifestatie van de Gemeente Gods bedoeling is, want het is andersom. Wij hebben als kinderen Gods in deze bedeling een hemels burgerschap, een hemelse wandel. Het neemt niet weg dat er iets daarvan op aarde gezien wordt. Met alle consequenties van dien. Dat wordt in deze brieven uiteengezet. Vanaf Openbaring 4 gaat het verder naar wat heet de opname van de Gemeente en daarna komt de openbaring van het Koninkrijk van Christus aan Israël en op aarde aan de orde.

Schrijf aan den engel der Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechter hand houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt: Openbaring 2:1

“Hij” is de Here Jezus Zelf, Die Zich in het begin van al deze brieven op verschillende wijze identificeert. Hier associeert Hij Zichzelf met de zeven sterren en de zeven gouden kandelaren, precies zoals in de verzen aan het eind van hoofdstuk 1. Het gaat erom dat er inderdaad in deze eerste periode van deze bedeling het evangelie gepredikt werd en dat er dus een Licht scheen in de wereld, zodanig dat het evangelie gepredikt is onder alle volkeren dan wel over heel de wereld, (o.a. Romeinen 10 : 18) Want dat is wat we op andere plaatsen lezen. Je vraagt je af hoe die mensen dat gedaan hebben en daar is maar één antwoord op: door hard te werken. Het evangelie prediken en niets anders. Flink doorreizen. Precies zoals de Here Jezus gezegd had dat ze zouden doen. Zo is het evangelie gepredikt aan de toenmalige hele wereldbevolking. En vandaar dat het hier geassocieerd wordt met sterren en kandelaren, de lichtdragers namelijk.

2 Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;
3 En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden. Openbaring 2:2,3

Dat het hier handelt over de kerkgeschiedenis is geen algemeen bekende gedachte en dat is te verklaren, wantje zal maar behoren tot de reformatie en lezen: “Ik weet uw werken dat gij de naam hebt dat gij leeft en gij zijt dood. Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.” Dat wil je als Calvinist of Lutheraan niet lezen. Als reformatorisch christen wil je ook niet lezen over Filadelfia: “Ik weet uw werken, zie Ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand sluit, want gij hebt kleine kracht en gij hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend”. Dat staat alleen over de Gemeente te Filadelfia, de zesde brief. Die tijd is allang voorbij. Dat begon zo’n beetje in de 18e eeuw met de prediking van het evangelie door allerlei figuren, die zich van kerkelijke organisatie niets aantrokken. Die op een paard stapten en van de ene plaats naarde andere trokken om hagenpreken te houden. Gewoon het evangelie prediken, zonder zich iets aan te trekken van enig kerkelijk gezag. Dat is evangelisch, maar wordt niet in ere gehouden. Dat heeft namelijk geen aanzien, niet in de wereld en zeker niet in de kerken. Die tijd is voorbij, maar men wil in het algemeen niet accepteren dat dit zo is en dat deze brieven die toepassing hebben. Persoonlijk heb ik daar niet de minste moeite mee. Eenvoudig omdat ik me niet beschouw als onderdeel van de kerk in die betekenis van het woord. Daar sta ik helemaal buiten. Vandaar dat deze brieven ook niet werkelijk geschreven zijn aan de zeven Gemeenten. Het Bijbelboek Openbaring zelf ging er naartoe.

Al deze brieven beginnen ongeveer met: “Ik weet uw werken”. De Heer zegt eerst: “Ik weet hoe het bij u toegaat”. Dan volgt de beschrijving van een bepaalde periode. Daarna komt er ook commentaar: “Dit heb Ik tegen u” en wordt er beschreven wat er aan mankeert. Vervolgens de oproep: “Doe er wat aan” en daarna eindigen al die brieven met: “En Ik zal u belonen”. Je zult moeten begrijpen dat God nooit van gedachten verandert en dat Zijn werk in onze bedeling niet gebonden is aan bepaalde perioden of onderverdelingen. Het loon dat hij geeft, en waarover al die andere brieven spreken, is altijd hetzelfde. Het gaat over een erfenis in de toekomst, loon, een kroon en een troon. Dat vind je aan het eind van deze brieven terug in verschillende bewoordingen, die toch hetzelfde zeggen.

Wat in vers 2 en 3 beschreven wordt is herkenbaar in Handelingen en ook in de brieven van het Nieuwe Testament. We vinden in ieder geval dat het evangelie zeer actief verspreid is en dat er Bijbelstudie gegeven werd. Vooral in de arbeid en de geschiedenis van de apostel Paulus is dat te vinden en daar is een goede reden voor. De Bijbel houdt zich namelijk specifiek met Paulus bezig in die geschiedenis, maar ook anderen hebben brieven geschreven met daarin uitgebreide Bijbelse uiteenzettingen. “Ik weet uw werken en uw arbeid en uw lijdzaamheid”. Lijdzaamheid wil zeggen passie, gedrevenheid. Men heeft met grote inzet, met passie, met gedrevenheid, met volle overgave, het werk des Heeren gedaan. Men heeft het evangelie gepredikt. Mannen als Paulus, Petrus en Jakobus lieten zich niet tegenhouden door tegenstanders. Zij waren van mening: wij moeten dit werk doen. We gaan er mee door of u het nou leuk vindt of niet. Dat is gedrevenheid.

“Dat gij de kwaden niet kunt dragen”. Ook daarvan lezen we het een en ander in de diverse brieven. Zodanig zelfs dat soms de tegenstanders met name genoemd worden, bijvoorbeeld Hymeneus en Alexander. (1 Timóthéüs 1 : 20) Waar het om gaat is dat er heel nauwkeurig opgelet werd in die tijd. Denk erom dat we bij het Woord Gods blijven en niets anders. Niet bij menselijke traditie, niet bij compromissen of iets dergelijks, maar bij het Woord Gods. En dus: “Ik weet dat gij de kwaden niet kunt dragen”. Bovendien: “Dat gij beproefd hebt degenen die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden”. In de dagen van de apostelen  waren er ook die zich voor apostelen uitgaven, al predikende wellicht, maar zij waren het niet. Het waren valse apostelen. (2 Korinthe 11 : 13) Daar was de duivel, die probeerde het leggen van het fundament  te verstoren. “En gij hebt verdragen en gij hebt geduld en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden”. Dat is het positieve. Ze hebben geduld moeten oefenen, maar ze hebben gearbeid om de Naam des Heeren Zelf en daarom zijn ze niet moede geworden. Dat gaf hen de kracht. Deze dingen gebeuren niet in de kracht van de mens, maar in de kracht Gods. De kracht van Gods Geest, de kracht van Zijn genade. Eerst wordt er gesproken over het goede en daarna komt de kritiek van de Heer. Mensen zijn geneigd normen te verleggen naar de omstandigheden. De Heer doet dat nooit. Hoe goed het allemaal was in de eerste periode, de Heer heeft vanuit Zijn standpunt er toch kritiek op en zegt:

Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten. Openbaring 2 : 4

Dit is een verwijzing naar de naam Efeze, die vertaald is met “de verlangde” of “de geliefde”. Liefhebben in de Bijbel is een volstrekt praktisch begrip. Het meest gebruikelijke woord voor liefde is niet de aanduiding van een bepaalde emotie of emotionele verbondenheid, maar een praktisch begrip. Het staat voor een praktische relatie. Liefhebben is identiek aan dienen. De Heer liefhebben wil zeggen de Heer dienen. Liefde is een bepaalde verbondenheid, die zich uitdrukt in het praktische leven. De Bijbel kent voor het woord liefde als emotionele band, zonder dat die gezien kan worden, het woord “philadelphia”. Dat wordt gebruikt in hoofdstuk 3 : 7. “Delphia” slaat op broeders en “philio” is het andere woord voor liefde, een uitdrukking van emotionele verbondenheid, maar dat komt heel weinig voor in de Bijbel. Het meest voorkomende woord in het Grieks, maar ook in het Hebreeuws, is “agapè en drukt een dienstverband uit. Een verbondenheid waarin sprake is van een wederzijdse relatie – en dus het liefhebben van de Heer – is het dienen van de Heer.

Vers 4 zegt dat langzamerhand de dienst aan de Heer minder werd. Dat komt ook nu voor. Men is in het begin enthousiast, maar op den duur verliest men dat. Omdat het teveel moeite kost wellicht of omdat men moedeloos wordt of vanwege weinig motivatie, lijdzaamheid of passie. Dat is gebeurd met het Christendom als zodanig. De Heer geeft het als kritiek. “Ik heb tegen u dat gij uw eerste liefde hebt verlaten”.

Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert. Openbaring 2 : 5

Het verlaten van die eerste liefde wordt als val beschreven. Daarvan zouden zij zich bekeren; omdraaien en terugkeren naar de oorspronkelijke werken. In de praktijk vond die bekering niet plaats, maar wel het “weren van uw kandelaar”. Want van al die eerste Christengemeenten in de eerste tientallen jaren van onze bedeling is in de praktijk niets overgebleven, ook niet die in Jeruzalem, die in Handelingen 2 genoemd wordt. Uiteindelijk is zelfs Jeruzalem verwoest. Voor zover er christenen waren, hebben ze de stad moeten verlaten. Van al die gemeenten in Klein Azië is in de praktijk evenmin iets overgebleven. Men was niet trouw aan de Heer en dus ging de kandelaar uit.

Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nikolaieten haat, welke Ik ook haat. Openbaring 2 : 6

In tegenstelling tot allerlei vreemde verklaringen is het bekend wie de Nikolaiten waren, omdat deze dingen nou eenmaal niet letterlijk zijn. Al wat in deze brieven beschreven wordt, heeft slechts een overdrachtelijke betekenis. Achter de naam Nikolaus gaan bepaalde beginselen schuil. Er was geen Nikolaus, geen volgelingen en geen leer. We kennen die uitdrukking alleen in dit vers en in vers 15. Daar heet het “de lering der Nikolaieten”. “Nekao” betekent: de macht hebben en is bekend uit Nicodémus waarbij “démus” vertaald is met “volk”. “Laos” van Nikolaus betekent evenzo volk. Het gaat om de macht van het volk. In de christengemeenten, in de kerk, komt de macht terecht bij het volk (de leken). Dat “laos”wordt beschouwd als synoniem met ons woord “leken”. De leiding in de christengemeenten van die dagen dreigde terecht te komen bij diegenen die geen idee hadden waar het over ging. Democratie, bij ons geïdealiseerd als de meest ideale regeringsvorm, in onze verenigingen, in het bedrijfsleven en ook in onze kerken en kringen. We laten iedereen stemmen, terwijl niemand weet waar het over gaat. Niemand weet wat de Gemeente is, maar we laten ze wel inspraak hebben. Ze moeten mee kunnen praten en dat neemt zoveel tijd, dat men aan niets anders meer toe komt. Dat is precies wat de duivel wil. Voor zover er leiding is, sturing, richting aangeven in de Gemeente, zou het moeten komen van Christus Zelf. Niet de vingers, niet de handen en voeten bepalen de richting, maar het Hoofd! Dat is het meest eenvoudige statement over deze dingen. De Heer geeft aan bepaalde mensen opdrachten. De apostel Paulus ging voort op die weg en gaf in die zin leiding. Op zijn beurt onderwees hij bijvoorbeeld iemand als Timótheüs in dezelfde bezigheid, Timótheüs  kreeg zijn opdrachten, zijn aanwijzingen, van bovenaf. De gelovigen zouden onderwezen worden. In de eerste plaats vanuit de Schrift en anderzijds door degenen die voor dat doel door God zijn aangesteld.

Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is. Openbaring 2 : 7

Zo eindigen al de zeven brieven, want het gaat om verborgene dingen. “Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeente zegt”, want de Geest zal ons in heel de Waarheid leiden. Dat gebeurt in het verborgene en is het werk van de Heer Zelf. Als wij in de overwinning staan, dus niet leven onder de wet of naar de eerste beginselen dezer wereld, maar onder het Nieuwe Verbond uit de genade, dan eten wij nu van de boom des Levens. Voor zover wij overwinnen door ons geloof, voor zover wij uit geloof leven, eten wij in de praktijk van de boom des Levens en zegent de Heer ons. God geeft ons vandaag, op grond van onze dienstbaarheid aan Hem, Leven en alles wat daar bij hoort. Het is het resultaat van onze onderwerping aan Hem. Wij leven in het paradijs Gods, want wij zijn als wedergeboren nieuw schepsel gezet in de hemel.

En schrijf aan den engel der Gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en weder levend is geworden: Openbaring 2 : 8

Hier begint de tweede brief, die aan de Gemeente van Smyrna. Smyrna betekent bitterheid en vinden we ook terug in het “mirre”, dat is bitter. Mirre werd eigenlijk alleen gebruikt voor het balsemen van lijken en daarom duidt het op wedergeboorte; op dood en opstanding. Goud, wierook en mirre. Goud is een beeld van eeuwige dingen, in het bijzonder van koningschap. Dat hoort eeuwig te zijn, daarom onverderfelijk goud. Wierook hoort daarbij, maar is meer een beeld van eeuwig priesterschap. Met goud en wierook samen heb je de hogepriester naar de ordening van Melchizédek, de koning en hogepriester. Mirre conserveert en dat is opstanding uit dood. Bij elkaar is dat: Koning en Priester in eeuwigheid. Goud wierook, mirre. Dat vind je hier ook terug, want deze brief met de naam van Smyrna beschrijft het christendom na het slot van de Bijbelse geschiedenis tot aan Constantijn de Grote, van ongeveer het jaar 100 tot rond het jaar 300. Deze periode met grote christenvervolgingen is het belangrijkste onderwerp van deze brief.

Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans. Openbaring 2 : 9

Men werd verdrukt en vervolgd en dat houdt je vanzelf arm. Lastering in de Bijbel betekent belasten, iemand een last opleggen. Dat is wat het echt betekent. Belasteren. In modern Nederlands niet meer, maar in oud Nederlands nog wel. In de praktijk gaat het gewoonlijk over het opleggen van een juk, namelijk de wet, via religie. Dit komt van degenen die zeggen dat ze Joden zijn, maar het niet zijn. Dat is overdrachtelijk. Het gaat om degenen die beweren dat men onder de wet moet leven, terwijl dat christenen dat juist niet zouden doen. Ze worden een synagoge des satans genoemd, want satan bedient zich van de wet. De wet werkt zonde en daarmee de dood en degene die het geweld des doods heeft, dat is de duivel. (Hebreeën 2 : 14) De prediking van religie en wet is de meest bedreigende prediking; het gaat in tegen het evangelie. Het leven onder de wet was daarom een van de grootste bedreigingen voor de eerste christengemeenten.

Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens. Openbaring 2:10

Dit is overdrachtelijk en in die betekenis zijn er twee verklaringen voor. Het kan de verwijzing zijn naar de laatste tien jaar van verdrukking. Dat zou dan geweest moeten zijn vanaf het edict van Diocletianus op 23 februari 303 tot aan 313, toen de Romeinse keizer Constantijn officieel tot het christendom overging. Ik persoonlijk denk dat dit verhaal wel klopt, maar dat die 10 dagen niet slaat op deze 10 jaar. Er is nog een ander idee, dat nog veel meer voor de hand ligt. In een uitgebreid kerkgeschiede- nisboek lees je over de eerste, de tweede, de derde, de vierde, de vijfde, zesde, zevende, achtste, negende tot en met tiende vervolging. Die vervolgingen kwamen bij vlagen. Het werkte niet en dan hield het vanzelf op. De perioden van christenvervolging duurden elk enkele tientallen jaren; officieel vanaf 54 (Nero). Het is goed gedocumenteerd en genummerd. De verdrukking van tien dagen zijn dus tien perioden van christenvervolging. Deze waren zeer hevig. Mensen werden bij duizenden vermoord. Maar hoe meer er gedood werden, hoe meer er bij kwamen. “Zijt getrouw tot de dood de kroon des levens”, is de aansporing. Dat loon is toch wat altijd beloofd is? Wij zouden in ons leven Gods wil volbrengen en dan zal Hij ons de bekroning van dat leven geven.

Aan de grote christenvervolging kwam een eind toen de Romeinse keizer Constantijn de Grote overging tot het christendom. Of hij ook tot geloof kwam betwijfel ik, maar in elk geval wordt die periode beschreven vanaf vers 12, onder de naam van Pergamus. “Per” betekent zwaar en “gamus” is een huwelijk. Het gaat dus over een zwaar huwelijk. Een zware last en dus een huwelijk dat eigenlijk niet kon: het huwelijktussen Kerk en Staat. Nederland kent de volstrekte scheiding van Kerk en Staat. Dat is pas sinds de grondwet in 1814. Nu worden die beschouwd als twee verschillende dingen, terwijl in de dagen van Pergamus Kerk en Staat één werden. Voor die tijd was het christendom een vervolgde godsdienst. Vanaf de kerstening van Constantijn werd het christendom staatsgodsdienst en was het helemaal in. Het was zelfs modieus om christen te zijn; het was eigenlijk verplicht. Die verandering was echter een zware slag voor de kerk, die de kerk als zodanig nooit meer te boven gekomen is. De kerk werd ingepakt om tot de wereldgodsdienst van die dagen gemaakt te worden.

12 En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pergamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:
13 Ik weet uw werken, en waar gij woont; namelijk daar de troon des satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de satan woont. Openbaring 2:12,13

Het tweesnijdend scherp zwaard is het Woord van God en dat was men door de veranderingen juist kwijt geraakt in de kerk. Vanaf dit moment werden beslissingen niet genomen op basis van wat de Bijbel zegt, maar op basis van meeste stemmen gelden, in de regering. In Pergamus stond de troon van Zeus. De oppergod van de oude Grieken. Later bij de Romeinen werd dat Jupiter. Het ding staat tegenwoordig in Berlijn. Zeus is de satan zelf. De god dezer wereld, de overste dezer wereld. De Bijbel maakt hier diezelfde zinspeling. Toch is er ook de positief nieuws: “Gij houdt Mijn Naam”, want getrouwe gelovigen zijn er door de eeuwen heen altijd geweest, ook in deze periode van Pergamus.

De enige Antipas die we kennen is Herodus Antipas. Antipas was de bijnaam van Herodus. Anti is “in plaats van” en “pas” is “de vader” of “de mens” eventueel. Herodus Antipas was koning in plaats van zijn vader. De Antipas uit dit vers kennen wij niet en toch wordt hij hier genoemd “de getrouwe getuige, welke gedood is bij ulieden”. In Pergamus. Dit is wat mij betreft historisch niet letterlijk, maar profetie en symboliek. Het is een verwijzing naarde Schriftuurlijke, de Bijbelse prediking. Die is niet naar de mens, maar komt in plaats van de mens. Dus in plaats van de menselijke leringen, overleggingen, filosofieën, en dergelijke. De Bijbelse prediking is niet bedoeld om de mens op te bouwen of om van iemand een betere mens te maken. Integendeel, het komt in de plaats van. De Bijbelse lering is dat de mens gestorven is en dood is voor God. (Efeze 2 : 1, 5) Als een mens tot geloof komt, wordt hij wedergeboren en komt er een nieuwe mens in plaats van (“anti”) de oude mens (“pas”). Die prediking werd min of meer definitief de nek omgedraaid vanaf Constantijn de Grote. Waar het christendom officieel erkend is en dus een plaats in de wereld inneemt, is het niet meer in plaats van de mens, maar ten behoeve van de mens. Daarom wordt hier gesproken over Antipas, Mijn getrouwe getuige, die bij ulieden gedood is. De duivel is uit op verbetering van de mens. God is uit op vervanging van de mens, op wedergeboorte. Hij vervangt ook het menselijk denken, de menselijke wijsheid en filosofie. Leven uit geloof komt in de plaats van religie, ook de christelijke, want die bestaat volgens de Bijbel niet eens. Aan de prediking om te leven uit geloof kwam toen een eind aan en dat is officieel eigenlijk altijd zo gebleven. Er zijn er in de loop van de eeuwen altijd geweest die als gelovigen trouw bleven aan het Woord van God. Die mensen hebben de kerkgeschiedenis echter niet bepaald en komen er dus niet in voor. Behalve een enkeling, maar daar hebben we het nog over.

Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaam houden, die Balak leerde den kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren. Openbaring 2 : 14

Men leze de geschiedenis van Bileam. Balaam in het Grieks. Die zei tegen Balak, de vijand van Israël: Je moet een beetje aanpappen met dat volk. Een beetje associëren; een verbond met ze sluiten, dan gaan ze vanzelf jouw goden dienen. Dan krijgen jouw filosofieën en ideeën vanzelf invloed onder Israël. Ze kunnen dan niet goed meer het onderscheid maken. Dat is precies wat in die dagen gebeurde. De christenen werden geassocieerd met de wereld, met het Romeinse Rijk. Zij maakten daar deel van uit en andersom. Romeinen werden zogenaamd christenen en christenen waren Romeinen en samen runden ze het Rijk, onder leiding van de zogenaamde christelijke leider Constantijn. Daardoor ontstaat vanzelf verwarring en verdwijnt het onderscheid tussen het grote wereldrijk, onder leiding van de duivel, en het Rijk van Christus. Die verwarring bestaat nog steeds. Het grote voorbeeld daarvan is de Roomskatholieke Kerk. Aan de ene kant religieus en godsdienstig, maar aan de andere kant een wereldsysteem met wereldse macht. In het verleden nog veel meer dan in onze dagen. De politieke macht van Rome is nog steeds groot. De leer van Bileam is de dingen met elkaar verwarren en er één brei van maken en dan neemt de vijand vanzelf de macht over.

Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaieten houden; hetwelk Ik haat. Openbaring 2 : 15

In vers 6 waren het nog de werken, hier gaat het om de lering. Dus niet wat iemand doet, maar wat vastgelegd is in leringen en in regels. Die lering der Nikolaieten gaat over het kerkelijk systeem. De christen, de kerk als zodanig, wordt geregeerd door een systeem van machthebbers en ambtenaren. Zij hebben geen idee waar het werkelijk om gaat, maar zijn wel aan de macht. Sommige werden door de keizer zelf aangesteld en tot bisschoppen gemaakt. Het bekende concilie van Nicea (325 A.D.), waarin allerlei kerkelijke leerstukken zijn vastgelegd, waaronder die van de drie-eenheid, was een volstrekt politieke aangelegenheid. De vestiging van de macht in de kerk was daar het thema en niet het zoeken naar waarheid. Over waarheid stem je niet en dat deed men daar juist wel. Dat is wat we zouden leren uit de lering der Nikolaieten.

Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds. Openbaring 2 : 16

Terwijl het Woord – de Bijbel zelf – betrekkelijk systematisch aan de kant wordt geschoven, zegt de Heer: Ik zal me er mee bezig houden, Ik zal tot u komen en krijg voeren met het zwaard Mijns monds. Dat is ook gebeurd, maar niet meer in deze periode. Daarna volgt de brief aan Thyatire, de zwaarste periode uit de kerkgeschiedenis. Dat is de periode van de complete vestiging van de Rooms-katholieke kerk. Het primaat werd gegeven aan de bisschop van Rome, die tot opper-bisschop (opper-vader, paus) werd gemaakt. Het is de zware periode van de duistere middeleeuwen, waarin de Bijbel bovendien op de zwarte lijst stond. Een christen mocht geen Bijbel lezen, want het ging om de leer van de kerk. De Bijbel was een verboden boek.  Dat was toen niet zo moeilijk, zoveel Bijbels waren er niet in omloop. Het was vóór de tijd van de boekdrukkunst.

En schrijf aan den engel der Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk: Openbaring 2 : 18

Dit heeft met oordeel te maken en met een God Die alles ziet. Ogen als een vlam vuurs hebben we al besproken in hoofdstuk 1 en voeten als blinkend koper ook. Hij ziet alles en zal oordelen.

19 Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste.
20 Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten. Openbaring 2 : 19, 20

De dingen uit vers 19 had je ook wel nodig als oprechte gelovige, want je had alles tegen. De eersten werken zijn werken samen met liefde en dienst en geloof en lijdzaamheid. En de laatste werken zijn gewoon werken. Dat is wat er dan overblijft, zo gaat het vaak. Vers 20 stond ook al in de vorige brief, maar hier nog veel sterker. Izébel kennen wij uit de Bijbelse geschiedenis. Dat was de vrouw van koning Achab. Als koningin stond zij aan het hoofd van honderden Baalpriesters en daarmee aan het hoofd van de afgoderij in Israël. Als je de profetes Jezabel laat leren, kom je vanzelf terecht bij afgodendienst. De profeten die trouw waren aan de Heer Jehovah werden gedood door haar, zoals te lezen staat in de geschiedenis van Elia. (o.a. 1 Koningen 16-20; 2 Koningen 9) In de praktijk wordt hier beschreven hoe men in de kerk overgaat tot afgoderij. De geschiedenis herhaalt zich. Toen de Romeinen de wereld veroverden hadden zij behoefte aan een religie. Dus namen ze die van de Grieken over, inclusief de góden. Men gaf ze alleen nieuwe Latijnse namen. Vandaar dat die oude góden twee namen hebben. De Griekse eerst en daarna de Romeinse. Zeus was Grieks, maar de Romeinen noemden hem Jupiter. En toen hadden de Romeinen een eigen godsdienst en later hadden ze ineens weer een andere godsdienst, toen ze het christendom aanvaardden. Maar die had maar één God en sommigen hadden meer behoefte aan een speciale god voor dit of voor dat. Daar heeft men vervolgens in voorzien. Afgoderij dus. Figuren uit de christelijke geschiedenis werden tot heiligen verklaard. Die namen vervolgens de hoogste plaats in van de oude – eerst Romeinse – en verder terug, de oude Griekse góden. Sindsdien heeft men niet de god van die of de god van dat, maar de heilige en beschermheilige. De god van het verkeer en transport was bijvoorbeeld Mercurius. Die heeft men vervangen door de heilige Christoforus. Een beschermheilige erkennen in die positie is niets anders dan afgoderij. Sint Nikolaas is ook een afgod, maar wij kennen geen afgoden, erkennen ze niet en dus hebben wij er geen problemen mee.

21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.
22 Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken.
23 En haar kinderen zal Ik door den dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een ieder naar uw werken. Openbaring 2:21-23

Nieren en harten, ga ik niet uitleggen, maar dit is de beschrijving van de omvangrijke rampen die uiteindelijk over dat christelijke Europa gekomen zijn. Hongersnoden, overstromingen, pestilentiën. De bevolking van Europa is in die duistere Middeleeuwen gedecimeerd. Maar God bracht er een oordeel over om orde op zaken te stellen, om te zorgen dat er nog wat overbleef van de gelovigen als zodanig.

24 Doch Ik zeg ulieden, en tot de anderen, die te Thyatire zijn, zovelen, als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen anderen last opleggen;
25 Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.
26 En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen;
27 En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
28 En Ik zal hem de morgenster geven.
29 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Openbaring 2:24-29

Vers 24: De “diepten des satans”, was de Rooms-katholieke Kerk, maar ook toen bleven mensen trouw aan Gods Woord. Ze zijn er altijd geweest. Vers 26: Dat is die heerlijkheid van Christus waar wij deel aan zouden hebben. Vers 28: De morgenster zou opgaan in onze harten, wanneer wij acht geven op het profetisch woord. (2 Petrus 1 :19) Dat schijnt als Licht in een duistere plaats, dat is ons hart, totdat de morgenster, die Licht geeft, opgaat in onze harten en Christus in ons gestalte krijgt.

3. Openbaring 3

Daarna komen we in een periode waarin wel degelijk de getrouwen aan de oppervlakte van de kerkgeschiedenis kwamen. De brief aan Sardis beschrijft de periode van de kerkhervorming in de 16e eeuw. 1517, toen Luther 90 stellingen aan de deur van de kerk in Wittenberg spijkerde, staat officieel voor de kerkhervorming. Als reactie op verwereldlijking van de kerk ontstond een sterke reactionaire beweging en die mondde uit in de kerkhervorming. Dat vind je terug in de brief van Sardis. Thyatire betekent geur van droefheid, leed, dieptepunt in de geschiedenis. Sardis wordt vertaald met: ontkomenen. De ontsnapten. Het hangt samen met het gelovig overblijfsel. Hier is sprake van een overblijfsel uit de kerk.

En schrijf aan den engel der Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood. Openbaring 3:1

Hier komt ineens getuigenis weer boven. Het werk van de Geest. Maar nu: “Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood”. Hoe positief wij dan achteraf die kerkhervorming waarderen, de Bijbel is er niet al te positief over.

Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. Openbaring 3 : 2

Het begin was goed, een redelijke vorm van herstel, maar het is niet vol. Lang niet zelfs. Men heeft heel wat verzuimd in die dagen. De reformatie, de kerkhervorming, kwam in de greep van de politiek en dus van de wereld. Het belang van de kerkgeschiedenis is in de eerste plaats een politiek belang. Het heeft Europa, en daarmee de hele wereld van die dagen, op z’n kop gezet. Met alle politieke consequenties van dien. De kerkhervormers stonden in de praktijk onder de bescherming van de wereldlijke overheid, in de vorm van hertogen, prinsen en koningen.

Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. Openbaring 3 : 3

Dat werkt nog zo, want in kringen van de reformatie heeft men geen idee over de wederkomst van Christus. Daar wordt hier naar verwezen. Sinds de kerk op aarde een rijk werd, is men de verwachting van de komst van Christus kwijt. Logischerwijze, want de wederkomst van Christus impliceert dat Hij Zijn Rijk op aarde zou oprichten. Maar als de kerk dat al is, dan kan de Heer dat in de toekomst niet alsnog komen doen. En dus is men dat kwijt. Men kent alleen nog de Jongste Dag en noemt dat onterecht de wederkomst van Christus. De reformatie heeft verzuimd om deze dingen alsnog hun herstel te geven, dat wil zeggen om ze te geloven vanuit de Bijbel en ze een plaats te geven in hun leringen. De kerk is in die kringen nog steeds dat bruidje, dat smacht naar de bruidegom in de toekomst, ooit een keer. De doop is in de reformatie een besprenkeling geworden en dat is heel wat anders dan het was. Men heeft ook verzuimd om dat te herstellen. Het is allemaal niet vol gevonden voor God. Wat men terugvond in die dagen, met dank aan Luther, is dat de mens gerechtvaardigd wordt uit geloof alleen. Maar je mag blij zijn als je die waarheid onder reformatorische christenen vandaag nog terugvindt. Van heel de rest weet men nagenoeg niets. Van de heerlijkheid van Christus, van de verheerlijkte positie van de Gemeente, inclusief de opname van de Gemeente, heeft men geen flauw idee. De meest elementaire Gemeentelijke waarheden kennen reformatorische gelovigen niet. De protestantse kerken zijn uit de Rooms-katholieke kerk gekomen. Men heeft daarna de dingen “bevroren”, vastgelegd in allerlei geschriften. In onze dagen beroept men zich nog steeds op de oudvaders uit de generatie na de kerkhervormers en daar is het bij gebleven. Men is in politieke handen terechtgekomen, want sindsdien zitten we met God, Neerland en Oranje.

4 Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.
5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het Boek des Levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Openbaring 3 : 4, 5

“Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen” is een bekende belofte en betekent ook “deel hebben aan de heerlijkheid van Christus”. “Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het Boek des Levens en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen”, laat zien dat men beloond zal worden.

De mooiste periode uit heel de kerkgeschiedenis, waar helemaal niets negatiefs in staat is die van Filadelfia. Broederliefde betekent het. Volgens schrijver Johannes is broederliefde het meest kenmerkende voor oprecht geloof. In de periode van Filadelfia vind je dit oprechte geloof.

En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent: Openbaring 3 : 7

De Heilige, de Waarachtige is Degene die de Waarheid is, Die de sleutel Davids heeft; Die opent, waarna niemand sluit. Er gingen namelijk allerlei deuren open. Dat lees je verder nergens, maar het moet duidelijk zijn waar het hier over gaat. Het gaat om de periode van ongeveer halverwege de 18e eeuw tot begin 19e eeuw (rond 1800). De periode dat mensen van de ene dag op de andere dag opstonden en zeiden: “Ik ga op pad, ik ga het evangelie prediken.” Niet omdat een kerkelijke orde hen daartoe uitzond, aanstelde of opdracht gaf, maar op eigen initiatief. John Wesley bijvoorbeeld stapte op zijn paard en zei: “Ik ga naar het volgende dorp en daar het evangelie prediken en zo verder. Hij nam zijn broer mee, die moest zingen. Zij zijn de halve wereld afgereisd in die dagen. Daar is later de methodistenkerk uit ontstaan. In Engeland en Amerika, want daar zijn ze ook geweest. Individuele mensen trokken er op uit, omdat ze dachten dat ze die bediening hadden. Ze deden dat buiten de kerken om. Dat was uniek. En met grote impact. Ze maakten geen reclame voor welke kerk dan ook, maar predikten het evangelie. Niet zo van: onze kerken lopen wat leeg en moeten onderhouden worden, laten we leden werven. Ze gingen gewoon evangeliseren om het Woord, de Waarheid, te prediken. Ze waren luizen in de pels van de kerken. Die periode duurde voort tot in min of meer mijn dagen. Ik persoonlijk zeg altijd dat Billy Graham zo’n beetje de laatste is uit die reeks. Die man trok zich ook nergens iets van aan. Die ging op eigen houtje, op eigen verantwoordelijkheid, op eigen kosten. Meer individuen verkondigden het evangelie. Bijvoorbeeld een tandarts, die zich vestigde in Perzië. Als tandarts kwam hij daardoor binnen, want daar was behoefte aan, maar hij was daar niet heen gegaan om de tandheelkunde, maar om het evangelie te prediken. Albert Schweitzer ging niet naar Afrika om daar als dokter aan de kost te komen, maar om het evangelie te prediken. Dat hij arts was, was mooi meegenomen. Zij gingen op persoonlijk initiatief, met maar één doel: de prediking van het evangelie.

8 Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.
9 Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb. Openbaring 3 : 8, 9

Dat zal in de toekomst alsnog gebeuren. Deze activiteiten zijn altijd bedreigd door die “synagoge des satans”. Die zegt: dat kan maar zo niet. Je kan niet buitenkerkelijk geloven of christen zijn. Je moet erin en leven onder kerkelijke tucht. Of anderen zeggen: Ja, dat gaat zo maar niet. Weet je wat, ik zal het wel regelen met jullie en ik zal zeggen wat je doen moet. Zo ontstaat er weer een kerkgenootschap. 100 jaar geleden ontstond in Nederland de vrije evangelische gemeente. U denkt toch niet dat ze nog vrij zijn? Dat is nu één van de kerkelijke instituten in Nederland. Dat was het van oorsprong niet, maar het is zo geworden. Zo gaat dat altijd. Men wordt ingepakt en binnen een organisatie geplaatst. Er komt een bestuur, regels en nog veel meer. Dat is wat de gelovigen altijd bedreigt. Zelfs onder evangelische christenen wordt tegenwoordig de wet weer gepredikt en gezegd dat wij naar Joden moeten luisteren, omdat we een Joodse afkomst zouden hebben. Het christendom komt uit het Jodendom, dus moeten we vooral naar Joden luisteren of anders naar Joodse gelovigen. Daar heb je de synagoge van satan. Dit is het en zo staat het hier ook. Wij zijn geen Joden, wij zijn geen heidenen, wij zijn christenen. De Heer zou Zijn werk aan ons doen en Hij doet dat door Zijn Woord, dat wij zouden bewaren.

Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. Openbaring 3 : 10

Men predikte in die dagen niet alleen het evangelie, maar keerde ook terug tot de Bijbel en stelde die boven elke christelijke traditie. Verzoeking is altijd verleiding van de duivel om ontrouw te zijn aan het Woord van God. Om het Woord van God los te laten. Het eerste voorbeeld daarvan is Eva. De juiste reactie op verzoeking is altijd die van: “Er staat geschreven”. (o.a. Matthéüs 4) Die “ure der verzoeking die over de hele wereld komen zal”, is inmiddels al over heel de wereld gekomen, denk ik. Het is begonnen met de zogeheten schriftkritiek, waarbij men niet spreekt over wat de Bijbel zegt, maar waarbij men spreekt over hoe de Bijbel is samengesteld en wie dat gedaan heeft. Of die woorden wel correct zijn en of het wel van Godswege geïnspireerd is. Of die bijbelschrijvers wel echte bijbelschrijvers waren. Men probeert zo langzamerhand de Bijbel van ons af te nemen. Men schuift het Woord aan de kant. Die mensen zijn gevallen voor de verzoeking.

Het is een wonder dat wij bewaard worden uit die verzoeking die over de hele wereld gekomen is. Waarom bewaart de Heer ons daarvoor? “Omdat gij het Woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt”. In gewoon Nederlands: het Woord Mijner passie; het Woord, namelijk Mijn passie. Lijdzaamheid is passie. Lijdzaamheid wil zeggen dat men zich er aan overgeeft. Dat men er ook voor gaat. Dat men de consequenties ervan draagt, enzovoorts. Het Woord Gods is onze passie. Die hebben we ook nodig. Gij hebt lijdzaamheid van node, staat er, om bekwaam te zijn aan de dienst van de Heer. Zo had de Here Jezus Zelf die lijdzaamheid nodig om bekwaam te zijn voor de dienst aan God en Zijn loopbaan te lopen. Waar wij dat Woord Gods bewaren, in ons hart, daar worden wij van Godswege en via Zijn Woord bewaard voor de verzoeking. Wij laten ons niets gezeggen door die tegenstander, door de verzoeker. We zeggen: Er staat geschreven. Wij blijven daar bij. En daardoor worden wij bewaard voor de verzoeker.

Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet! Openbaring 3:15

Die verzoeking komt zodanig over de aarde, dat we terechtkomen in Laodicea, waarin men noch koud is noch heet, maar lauw. Dat is de huidige situatie in het christendom en zelfs onder christenen, voor zover dat wat anders is. Men is koud noch heet. Het is allemaal wel goed, het is allemaal wel aardig, het is ook heel interessant, maar men doet er niet echt wat mee. Iedereen mag er over denken zoals hij of zij wil. En het maakt verder niet uit, men is lauw. Onverschilligheid is troef. Men heeft de Bijbel, maar wat er in staat maakt hen niets of weinig uit.

In Laodicea zijn ze gevallen voor die verzoeking uit vers io. Het resultaat daarvan zie in de wereld om je heen. Volstrekte onverschilligheid, afvallen van het Woord Gods en andere dingen daarvoor in de plaats stellen. In de praktijk blijven er maar een handje vol trouw aan het Woord van God. Het is maar een enkeling, voor de rest zit men onder de plak van hetzij bepaalde instituten die de dienst uitmaken. Of men laat zich meeslepen door allerlei trends, maar in de praktijk betekent het Woord van God voor hen niets meer. Ook niet in de zogeheten evangelische beweging en ook niet dat wat uit Laodicea voortkomt. Ik vind het diep tragisch. Toen ik jong was leefde ik in de periode van Filadelfia, maar nu in de dagen van Laodicea. Het enthousiasme voor het Woord Gods en de Bijbel, de bereidheid om er ook wat voor over te hebben om er op uit te trekken, vind ik echt niet meer zoals toen. Dat staat niet meer in verhouding tot wat ik in mijn jeugd heb meegemaakt. Het is ontstellend veranderd in enige tientallen jaren.

16 Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.
17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Openbaring 3:16,17

Het is de beschrijving van het christendom in deze tijd; als religie. Maar wij horen daar – als het goed is – helemaal niet bij. Hij zegt dus ook:
ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt. Openbaring 3:18
De gedachte is dat men het bezit dat men denkt te hebben wel degelijk zal moeten opgeven om deel te krijgen aan de genade Gods. Aan wat de Heer geeft. Zolang wij vasthouden aan de oude mens en al wat daarbij hoort, zolang wij vasthouden aan de wereld en aan erkenning en rijkdom, macht en invloed in de wereld, hebben wij geen deel aan dat goud, “komende uit het vuur en aan die witte klederen”. Men zal het moeten inruilen en daarom heet het kopen. Je kan kiezen voor de rijkdom van de wereld, christelijke kerken doen dat gewoonlijk ook, maar wij kiezen liever voor de andere kant en zingen, met Johannes de Heer: “Neem de wereld, geef mij Jezus. En alle zegeningen die in Hem ja en amen zijn”.
“En zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt”. Zalfolie is altijd een beeld van de Heilige Geest en waar men die Geest ontvangt en bovendien die Geest Zijn werk ook laat doen, zullen wij inderdaad ziende worden. Wij hebben de Geest ontvangen, opdat wij zouden weten, en dus zien, de dingen die ons van God geschonken zijn. Maar dat weet men in Laodicea absoluut niet en dus is men blind.

Openbaring 3:19,2019       Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.20       Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.Avondmaal is een uitbeelding van de gemeenschap. De Heer klopt specifiek aan de deur van de kerk, want dat is in dit vers 20 het meest voor de hand liggend. In het algemeen gaat die deur niet open, maar voor wie tot geloof komt in de Here Jezus en Zijn Woord gaat hij uiteraard wel open. Men zou de deur voor Hem opendoen en Hem binnen laten en de wereld buitensluiten. Net zoals de situatie indertijd in de opperzaal, waar de discipelen verzameld waren en de deur dicht was om de vreze der Joden. Dat was de religie in die dagen, dus die was buiten. Maar terwijl de deur dicht was en de religie buitengesloten was, kwam de Here Jezus binnen. Dat is de Gemeente, zoals die zou moeten zijn. Jozef stuurde in zijn tijd in Egypte al de Egyptenaren de deur uit en deed de deur op slot en zei: “Ik ben Jozef.” Waar de Egyptenaren buiten waren, was Jozef ineens in hun midden.

Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. Openbaring 3:21

Het principe in 2000 jaar kerkgeschiedenis is, dat wie trouw is aan de Heer met Hem tot Zoon en tot Erfgenaam gesteld zal worden in de toekomst. Daar zien wij allen naar uit. Dat is niet gebonden aan één periode. De omstandigheden zijn steeds anders door die zeven perioden heen, maar de beloften Gods zijn altijd precies hetzelfde. Wie, ondanks de omstandigheden, standvastig blijft en zich niet laat meeslepen met allerlei wind der leer, (Efeze 4 : 14) zal daarvoor van Godswege beloond worden. Die zal met Hem delen in heerlijkheid in Zijn openbaring. Daar gaan de volgende hoofdstukken over. In hoofdstuk 4 vind je de gelovigen uit deze bedeling terug, rondom de troon, in de hemel.

4. Openbaring 4

We komen nu terecht bij het eigenlijke onderwerp van Openbaring. Het gaat uiteindelijk om de openbaring van Jezus Christus en Zijn Koninkrijk. De inleiding daartoe vinden we in hoofdstuk 4 en 5, in wat feitelijk één visioen is.

Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet. Openbaring 4:1

Johannes zag verborgen dingen; een uitbeelding van dé hemelse situatie. Het is nog steeds een visioen, een symbolische voorstelling van zaken. Dat is trouwens altijd wat betreft de dingen in de hemel zelf. Wij kunnen die toch niet indenken, die onttrekken zich aan ons voorstellingsvermogen en dus wordt het ons op symbolische wijze voorgesteld, zodat wij toch enig begrip van die dingen zouden hebben.

2 En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon.
3 En Die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien der steen Smaragd gelijk. Openbaring 4:2,3

Met edelstenen wordt er uitdrukking gegeven aan dingen die eeuwigheidswaarde hebben. Aan edele en kostbare dingen, omdat ze blijvend zijn. Edelstenen en edele metalen zijn daar de uitbeelding van. Het gaat hier in de eerste plaats om de algemene gedachte dat het een eeuwige troon is. Een troon die niet wankelt. “Jaspis en sardius, gelijk en een regenboog was rondom de troon”. Ik denk niet een halve, zoals wij hem zien, maar een hele regenboog. Een cirkel waarin alle kleuren van het licht tot uitdrukking gebracht worden. De boog is sowieso een uitbeelding van een kroon en ook van de veelkleurige Wijsheid Gods, zoals het letterlijk staat in Efeze 3.

“In het aanzien der steen smaragd gelijk”. Deze oude wereld, de aarde als zodanig, bestaat uit stenen. Hele grote zijn bergen. Hele kleine, noemen we gruis, zand of stof. Het is over het algemeen niet edel, maar edelstenen zijn de uitdrukking van een nieuwe schepping. Een veranderde wereld, waarvan de belangrijkste kenmerk is dat die lichtdoorlatend is. Die is doorluchtig. Edelstenen zijn edel omdat ze licht doorlaten. Het licht gaat er doorheen, wordt daarin gebroken of soms afgebroken en daardoor ontstaan er diverse kleuren. Het kenmerk van deze wereld is dat het licht er wel op schijnt, maar niet doorheen. Het ontvangt het licht niet. Het kenmerk van een nieuwe schepping is dat het niet alleen Gods licht ontvangt, maar ook opneemt en doorgeeft.

En rondom den troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. Openbaring 4:4

Op 24 tronen zit een oudste. Wie zit op de 25e, eigenlijk de eerste, troon? Ook een Oudste. Maar dan een Oudste van de oudsten. Het Hoofd van de oudsten. Een ander woord voor oudsten is “eerstelingen”, want de oudste is de eerste én de hoogste in rang. Een oudste is een eersteling en de verzameling oudsten, eerstelingen, is de Gemeente. Eerstgeborene is een ander woord voor oudste of eersteling. In de grondtekst is dat eigenlijk hetzelfde, maar in de Statenvertaling niet. Eerstgeborenen, zonen, erfgenamen, priesters, dat is allemaal hetzelfde. Ook koningen en dan ben je weer terecht bij de troon. Eersten die naar de hemel gegaan zijn, kan alleen maar de Gemeente zijn, want de Gemeente bestaat uit de enige categorie van mensen die überhaupt ooit naar de hemel gaat of daar al gezet is. Alleen de gelovigen uit onze bedeling, omdat ze eerstgeborenen zijn, omdat ze eerstelingen zijn van het Nieuwe Verbond. Oudtestamentische gelovigen gaan niet naar de hemel. Zijn niet in de hemel en zullen ook niet naar de hemel gaan. Dat is nooit beloofd en is ook nooit de bedoeling geweest. Zij waren trouwens ook geen eerstelingen. Ze waren wel gelovigen, maar niet wedergeboren, omdat dat niet kon op dat moment. Er was nog niemand wedergeboren. Christus is dé Eersteling. Daarna waren de discipelen en de gelovigen eerstelingen. En dus zei de Heer tot Zijn discipelen: “Als gij Mij gevolgd zult zijn in de wedergeboorte, zult ook gij met Mij zitten op tronen, oordelende de geslachten Israëls.” (Matthéüs 19 : 28) De Gemeente bestaat uit eerstgeborenen of ouderlingen in de hemel.

Die Ene Eerstgeborene samen met de hele Gemeente van eerstgeborenen, symbolisch uitgedrukt uiteraard in 24 oudsten. Maar waarom zijn het er geen 12? Dat is normaal gesproken het getal waarover het gaat. In de rondgang van de zon heb je officieel 12 fasen, tekenen van de dierenriem, 12 maanden. In de rondgang van de klok zitten 12 uren. Ook in de Bijbel. Er zijn 12 stammen van Israël. In het nieuwe Jeruzalem, in de muur, zijn 12 poorten en 12 fundamenten en daarop de namen van 12 stammen van Israël en ook de namen van de 12 apostelen bovendien. Het zijn altijd 12. Waarom zijn het er hier 24? Het is nu 2 x 12, het dubbele deel en dat dubbele deel is voor de eerstgeborene. Dat telt 2 x volgens de symboliek. In het Oude Testament deelde David het priesterschap in 24 priesterorden in. (1 Kronieken 24) Daarna verdeelde hij onder de Levieten ook nog de zangers in 24 zangkoren; (1 Kronieken 25) de zanger-orden. Priesters en zangers zijn een uitbeelding van de Gemeente. Het Oude Testament is een beeld van het Nieuwe en dus is het een uitbeelding van de Gemeente.  Wat doen die 24 oudsten in dit visioen? Ze zingen. Ze zeggen iets gezamenlijk. Zij hadden gouden kronen op hun hoofden, want de Gemeente is tevoren verordineerd om tot zonen, tot erfgenamen, te worden gesteld. En die zouden een kroon ontvangen. In de voorgaande twee hoofdstukken is het meerdere malen aangehaald dat de gelovigen deel zouden hebben aan de troon van de Here Jezus.

En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven geesten Gods. Openbaring 4 : 5

Dat is drie maal hetzelfde, want bliksemen en donderslagen zijn stemmen. Bliksem en donder worden geacht een uitbeelding te zijn van het spreken van God. En als God in de toekomst spreekt, dan heet het, in de dagen van de grote verdrukking, dat de bliksem van het oosten naar het westen komt. Het spreken vanuit de hemel.

Die 7 vurige lampen zijn we eerder al tegen gekomen, aan het eind van hoofdstuk 1. Ze zijn evenzo een uitbeelding van de Gemeente, meer specifiek van de priesterlijke functie van de Gemeente. Waarom zijn het er nu ineens niet 24, maar 7? Zeven staat voor het werk Gods in het algemeen en waar het werk Gods tot uitvoering gebracht wordt in Christus, maar daarmee ook door de Gemeente, waarvan Christus het hoofd is. Door de Gemeente, die immers het Lichaam van Christus is, wordt de Gemeente voorgesteld als een 7. Het werk Gods is de openbaring van Zijn Woord en daarmee van Zijn heerlijkheid. Dit is terug te vinden in 7 lampen. Zelfs als er maar één lamp is, heeft die meestal nog 7 armen. “Zeven vurige lampen waren brandende voor de troon”, want dat is onze positie.

“Welke zijn de zeven geesten Gods”, is niet in strijd met wat ik al gezegd heb, want geest staat ook voor geestelijk werk, voor onzienlijke dingen in het algemeen. Geesten zijn niet alleen maar wezens die we niet zien kunnen, maar het zijn alle abstracte dingen. “De 7 geesten” staat voor het werk Gods, dat Hij doet door de Gemeente en dat Hij ook straks in de wederkomst zal doen door de Gemeente.

En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. Openbaring 4 : 6

Kristal is een woord voor de stof als zodanig. Glas duidt niet op een bepaalde stof, maar zegt dat het doorschijnend, doorzichtig is. In de Statenvertaling: doorluchtig. Vandaar dat je later ook tegenkomt: goud, doorluchtig gelijk glas.  Het is een doorzichtig wasvat, een uitbeelding van reinheid, van zuiverheid en eigenlijk ook van eeuwige dingen. De gedachte is namelijk dat deze 24 oudsten gereinigd zijn, gezuiverd zijn, volmaakt zijn geworden. Het heeft bovendien rechtstreeks van doen met de priesterlijke positie van deze 24 oudsten. Priesters naar de ordening van Melchizédek. Priesters moesten, voordat ze hun dienst begonnen, gereinigd worden. Ze werden ook eenmalig gereinigd op het moment dat ze in het priesterambt gesteld werden. “Dier” is de aanduiding van een levend wezen. Over die ogen staat in hoofdstuk 5 : 6: “Zeven ogen, dewelke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn (of worden) in alle landen”. Hier is sprake van “vol ogen, van voren en van achteren”. Daarmee wordt uitgedrukt dat deze vier dieren een geestelijke betekenis hebben. Want ogen staan voor geest; ogen hebben van doen met licht en daarmee met wijsheid en daarmee ook met abstracte, onzienlijke, dingen. Deze vier dieren drukken geestelijke waarheid uit. Ze hebben een symbolische betekenis.

En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk, Openbaring 4:7

Probeer het maar weer eens uit te tekenen. We weten via deze beschrijving wel dat deze vier dieren op een of andere wijze overeenkomen met die vier dieren in Ezechiël i. En met die vier uit Ezechiël 10. Dat waren dezelfde, maar toch werden ze anders beschreven. Uiteindelijk als Cherubim. Omdat men deze in de hemel ziet, in een visioen, want dat was het geval in Ezechiël, heeft men er van gemaakt dat het vier levende wezens zijn. Ze zijn hemels, dus zijn het een soort engelen, want alle hemelse wezens worden engelen genoemd. Sindsdien spreekt men over: engelen, aartsengelen, Cherubim en Serafim. In het Nederlands: Serafijnen. Een Seraf is een Cherub. Deze bestaat niet, maar heeft alleen een symbolische betekenis. Deze dieren worden Cherub genoemd en het woord Cherub is rechtstreeks verwant aan het woord “Bechur”. Het zijn dezelfde letters. “Bechur” is een eerstgeborene. En een Cherub is een anagram, letterwisseling, van “Bechur”, maar ook van “Berech”, namelijk een knie. Dat heeft met knielen te maken en daarmee ook van “Barach”. Dat staat voor zegenen. Het is altijd hetzelfde beginsel, hetzelfde begrip, want het slaat op eerstgeboorterecht. De eerstgeborene gaat op zijn knieën voor God en ontvangt dan vervolgens de eerstgeboortezegen. Het is het eerstgeboorterecht ontvangen en een Cherub is de uitbeelding van eerstgeboorterecht. Als ze geteld worden in de Bijbel, kom je er 4 tegen. Ze worden niet altijd geteld, soms is er ook maar één, maar als ze geteld worden, dat staat er, dan zijn er altijd vier, hier en in Ezechiël 1 en 10.

De Cherub is een uitbeelding van de heerlijkheid van Christus. Van Zijn Eerstgeboorterecht, die heerlijkheid van de eerstgeborene en dus als je die Cherubim al zoekt, vind je ze rondom de troon. Bijvoorbeeld bij de hof van Eden, toen die afgesloten werd, stonden Cherubim bij de poort om de troon te bewaken. Of op de Ark des Verbonds, op het verzoendeksel, maar die heet: Troon der Genade. Van daaraf zou de Heer spreken en regeren en dus vind je daar ook vier Cherubim. Hier vind je de verheerlijkte Christus, op de troon uiteraard en als voorstelling van de heerlijkheid van Christus, deze vier dieren. Zij worden beschreven als een leeuw, kalf, mens en arend. In Ezechiël 1 heten ze achtereenvolgens: een leeuw, een os, een mens en een arend. In Ezechiël 10 gaat het om precies hetzelfde maar op een later tijdstip. Daar staat bij dat ze dezelfde zijn als uit Ezechiël i. Maar in Ezechiël 10 : 14 en 22 heten ze: leeuw, cherub, mens en arend. En in Openbaring 4 heten ze: leeuw, kalf, mens en arend. Het rijtje is drie keer hetzelfde, behalve de tweede, die genoemd wordt in de reeks van vier. De eerste keer is het een os, de tweede keer is het een Cherub, de derde keer is het een kalf. Daarna wijs ik erop dat een kalf heel goed een os kan zijn en andersom. Dus dat is niet echt een verschil. Dat is een kwestie van woordkeuze. Hoe een Cherub er uit ziet weten we niet, dus dat kunnen we gerust laten staan. Wat is het aangezicht van een Cherub? Dat van een os of dat van een kalf. Zolang je het niet hoeft uit te tekenen, heb je geen probleem. Daarna is het algemeen bekend dat deze Cherubim, deze vier aangezichten, ook teruggevonden worden in wat men noemt de vier evangelisten. In alle oude christelijke kunst vind je de evangelisten Matthéüs, Markus, Lukas en Johannes uitgebeeld via die vier Cherubim. Ze worden beschouwd als hun symbolen. Ze komen met elkaar overeen, want in Matthéüs, Markus, Lukas en Johannes wordt deze Eerstgeborene, inclusief Zijn heerlijkheid, beschreven. De vier evangelisten geven uitdrukking aan de heerlijkheid van Christus. We zouden Christus niet kennen als we die vier evangeliën niet hadden.

Hoe ziet deze overeenkomst er dan uit? De leeuw, die als eerste genoemd wordt, komt overeen met de strekking van het Matthéüs-evangelie, waarin ons de Heer immers gepresenteerd wordt als de Koning. Leeuw is uitbeelding van koningschap over de aarde. Daarom is de leeuw in sprookjes en in stripverhalen en in de symboliek altijd gekroond. En ook in de Nederlandse symboliek. Daarna krijg je de os. De os is een lastdier en jukdragend. Het komt overeen met het Markus-evangelie, waarin ons de Here Jezus getekend wordt als de Knecht des Heeren. In Matthéüs als Koning, in Markus als Knecht. Daarna krijgen we het Lukas-evangelie, dat komt overeen met de mens uit dit rijtje. Leeuw, os, mens. In Lukas wordt de Here Jezus geschetst als mens. Als Zoon des mensen. Als je de menselijke hoedanigheden van de Heer wilt leren kennen uit de evangeliën, dan moetje bij Lukas zijn. Dat ligt voor de hand, want Lukas was immers de arts. De medicus. Daarna krijgen we nog het Johannes-evangelie, overeenkomend met de arend. Kan niet missen, want het Johannes-evangelie beschrijft de Here Jezus in Zijn hemelse positie. Waar de leeuw de koning is van de aarde, is de arend de koning van de hemel. Vandaar dat leeuw en arend gecombineerd worden in de figuur van de griffioen, voorstellende de koning over hemel en aarde. Deze vier dieren waren in het Oude Testament, in Ezechiël, Jesaja – en wellicht al in Genesis 3 – de uitbeelding van de heerlijkheid van Christus en ze zijn het hier nog steeds. Dat deze vier dieren dezelfde zijn als de Cherubs moge duidelijk zijn, maar dat ze ook dezelfde zijn als de Serafs uit Jesaja 6 blijkt uit het volgende vers.

En de vier dieren hadden elkeen voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal. Openbaring 4 : 8

Uitgedrukt wordt dat zij een geestelijke betekenis hebben. Dat het hemelse – geestelijke – zaken voorstellen. Vleugels beelden dat altijd uit. “In mijn Bijbel staat een tekstverwijzing naar Jesaja 6 : 3, want daar staat hetzelfde over de Serafim rondom de troon. Serafs zijn volstrekt identiek aan Cherubs en ze roepen: “heilig, heilig, heilig is de Heere God”. Drie keer en dat slaat op: “Die was en Die is en Die komen zal”. Met drie-enig- heid heeft het niets van doen. Dat geldt ook voor Jesaja 6. Het gaat om de Here Jezus Christus, Die het Beeld Gods is. De functie van de Cherubs is dat ze uitdrukking geven aan de heerlijkheid van Christus. Dat blijkt uit wat ze zeggen.

9 En wanneer de dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem, Die op den troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft;
10 Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op den troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor den troon, zeggende:
11 Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen. Openbaring 4 : 9-11

Zodra die vier “dieren” wat doen, die Cherubim, doen de 24 oudsten precies hetzelfde, maar ze geven ook eer en heerlijkheid aan Degene Die op de troon zit. Ze wierpen namelijk hun kronen voor de troon,  zeggende: Gij Heere zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, want Gij hebt alle dingen geschapen en door Uw wil zijn zij en zijn zij geschapen. (vers 11) De functie van de vier Cherubim is dezelfde als die van de 24 oudsten, want wij als Gemeente zijn geroepen tot heerlijkheid Gods. In ons, in de Gemeente, zou Christus (en daarmee God) verheerlijkt worden. Wij zijn een volk voor Zijn Naam. Daar waar Christus in ons gestalte krijgt, komt de heerlijkheid van Christus tot uitdrukking via ons. Als straks Christus verschijnt, ben ik er van overtuigd dat de beschrijving van: “in grote kracht en heerlijkheid” de aanduiding is van de Gemeente. Wij zullen met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Hij is onze vervulling en wij zijn Zijn vervulling. (Efeze 1 : 23)

“… want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen”. Ook wij zijn door Hem geschapen. Met verwijzing, niet naar de oude schepping, maar naar de Nieuwe Schepping. Voor zover er in onze levens wat tot stand gebracht is, is het inderdaad door Zijn kracht.

5. Openbaring 5

En ik zag in de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. Openbaring 5 : 1

Hier wordt het decor neergezet voor de gebeurtenissen die in de volgende hoofdstukken beschreven worden. De hemelse positie van Christus en de Gemeente. Een verheerlijkte Christus op de troon en van daaruit zal die heerlijkheid ook op aarde geopenbaard worden. Dat wordt uitgebeeld in een boek, Biblion in het Grieks. Een boekrol welteverstaan. Een oud boek is een rol. Geschreven van binnen en buiten, verzegeld met zeven zegelen. Het gaat om de ontwikkeling, de afwikkeling van het werk Gods en dat wordt uitgedrukt in een 7. Dat is altijd een 7. Dus kun je nooit iets anders dan zeven zegels hebben op het boek. In een boek is iets beschreven, meestal een geschiedenis, een gebeurtenis, van begin tot het eind. De gedachte is dat het afrollen en oprollen van de boekrol; het lezen, waarbij hij dus langzamerhand rolt, hetzelfde is als wat in het boek beschreven wordt, namelijk de ontwikkeling, het ontrollen van de gebeurtenissen. Het rolt door de tijd heen en het verhaal speelt zich af en kan voorgelezen worden.

En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken? Openbaring 5 : 2

Wie zou dat doen? Anders gezegd: wie is Degene Die de heilsgeschiedenis volbrengt, uitvoert en voltooit? Wie zorgt er voor dat de gebeurtenissen hun loop hebben? De Heer Zelf.

3 En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve in zien.
4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien.
5 En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken. Openbaring 5 : 3-5

Er wordt gezegd wie dat doen zou. Dat is Degene die op de troon zit. Hij wordt eerst aangeduid als de Leeuw uit de stam van Juda. Kortom, de Wortel Davids. Dat is eigenlijk hetzelfde als de stam van Juda. Maar daarna zag Johannes een Lam. Waarmee maar gezegd wil zijn dat het de Here Jezus Christus is uit het geslacht Davids. Inderdaad naar het vlees. Maar aan de andere kant gesteld tot Zoon van David én tot Zoon van God, Die inderdaad de heilsgeschiedenis volbrengt. Dat is precies wat in de wederkomst van Christus zal gebeuren, want dan wordt die heilsgeschiedenis voltooid. Daarover gaat de rest van dit Bijbelboek.

Wij weten deze dingen, omdat wij tot die eerstelingen in een hemelse positie behoren en wij weten Wie het boek zal openen en zijn zeven zegelen zal openbreken. Hij wordt ook beschreven met twee verschillende termen. Misschien drie, ontleend aan het Oude Testament. En zo hoort dat natuurlijk ook. Er is altijd een verwijzing naar de Schriften, het profetisch woord als zodanig. “Ween niet, zie de Leeuw Die uit de stam van Juda is”, is de letterlijke verwijzing naar Genesis 49. Daar wordt deze Leeuw aangekondigd en in verband gebracht met de stam van Juda. In Genesis 49 hebben we van doen met de zegeningen die Jakob uitspreekt over zijn zonen. Maar daar staat in vers 9: “Juda is een leeuwenwelp, gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon. Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw en als een oude leeuw”. De essentie van Juda is die leeuw en het wordt in Openbaring 5 geformuleerd als de leeuw die uit de stam van Juda  is. Dat is iets specifieker.

Vanuit Juda breidt het zich dus uit over geheel Israël en vanuit Israël over alle volkeren der aarde. Vandaar dat je de leeuw als symbool tegenkomt in de wapenschilden van zo ongeveer alle koningshuizen van de wereld. In Genesis 49 : 10 staat: “De scepter zal van Juda niet wijken”. De gedachte is dat het koningschap gegeven zal worden aan Juda en dat voor altijd. De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever, maar dat is de koning en daarmee het koninkrijk totdat Silo komt. Die term is een Messiaanse titel. Het schijnt verband te houden met “shalom” en dus met vrede. Koningschap wordt gegeven aan de stam van Juda en daarmee aan de stamoudste en dat is de Here Jezus Christus. “Jezus, Gij Zone Davids”. (Matthéüs 9 : 27; Lukas 18 : 38) Het gaat er om dat het duidelijk de verwijzing is naar Genesis 49. Zo kom je van het laatste Bijbelboek in het eerste. De leeuw uit de stam van Juda wordt in tweede instantie de Wortel Davids genoemd en dat is de verwijzing naar Jesaja 11 : 1: “Want er zal een rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï”. “Een scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen” is een uitspraak over de opstanding van de Here Jezus uit de dood. De tronk werd afgehouwen toen Hij stierf. Maar niettemin bracht hij weer een scheut voort toen de Here Jezus uit de dood opstond. Daarna staat hetzelfde nog een keer in vers 10: “Want het zal geschieden ten zelve dage dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan tot een banier der volken, zullen vragen”. In breed verband is dat de stam, het huis van Isaï. Het koningshuis feitelijk van Isaï, want David was de zoon van Isaï. Dat is de verwijzing naar de stam van Juda, maar uiteindelijk is het de verwijzing naar de Zoon des mensen, de Here Jezus Christus. “Die staan zal tot banier der volken”, wil zeggen dat eeuwig leven tot stand gebracht zal worden. De banier is altijd het teken van overwinning. Die begrippen worden bij elkaar gebracht. Het gaat over de opstanding van de Here Jezus Christus, waardoor Hij Leven en Onverderfelijkheid aan het licht gebracht heeft en de overwinning behaald heeft op alle vijanden, inclusief de laatste, de dood. En als er daarna staat: “… en Zijn rust zal heerlijk zijn”, is het de verwijzing naar het koninkrijk dat Hij tot stand zal brengen als de grote Vredevorst en dus een verwijzing naar het woord “Silo” uit Genesis 49. “De Wortel Davids” wordt in het Nieuwe Testament vaker aangehaald, bijvoorbeeld in Romeinen 15, waar ook Jesaja geciteerd wordt. Wij heidenen hopen en hebben onze verwachting gesteld op deze wortel van Isaï, de Here Jezus Christus, Die opgestaan is. Wij zijn de eersten onder de heidenen die op Hem hopen. Later zal het veel breder van toepassing worden in de dagen van de wederkomst van Christus en dus in de dagen van de oprichting van Zijn Rijk op aarde.

En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen. Openbaring 5 : 6

Voor deze Bijbelse symboliek zijn een Leeuw en een Lam precies hetzelfde. Leeuw, Wortel Davids of Lam verwijzen altijd naar de Here Jezus Christus. Dat maakt symboliek voor sommige mensen wat lastig, maar het is juist makkelijk. Hoe het er ook uitziet, het spreekt toch over Christus. Dus een Lam, staande als geslacht. Wat ik mij er bij voorstel is niet een lam, maar de gedaante van de Mens Jezus van Nazareth, de Zoon van David. Dan zie ik Hem dus staan en in gedachten zie ik de littekenen in Zijn handen voeten en zij. Zo ongeveer als het beschreven wordt in Zacharia 13, waar Zijn littekens genoemd worden in Zijn wederkomst. Waar aan Hem gevraagd wordt: wat zijn toch deze littekens in Uw handen? Op een of andere wijze kun je aan dat Lam zien dat het gestorven was, maar het stond en leefde. Het is het Lam Dat de dood heeft overwonnen. Als overwinnaar wordt Hij uitgebeeld als een Leeuw, maar het was het Lam, dat niet protesteerde, onderworpen was en in zekere zin zwak. Maar juist vanwege die zwakheid is Hij inmiddels machtig. “Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is”. (Filippenzen 2 : 9) Dat is de prediking. Petrus zei in Handelingen 2: “Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls dat God, Deze Jezus, Die gij gekruist hebt, gesteld heeft tot Here en tot Christus en een Naam gegeven heeft boven alle naam”. Daar vind je de uiterste vernedering en uiterste verhoging bij elkaar.

“Hebbende zeven hoornen en zeven ogen”. Hoorn staat voor koningschap, eigenlijk voor macht en kracht in het algemeen. Zeven hoornen zijn zeven krachten. Ogen staan voor geesten. “Dewelke zijn de zeven geesten Gods, welke uitgezonden zijn in alle landen”, zegt vers 6. Wat mij betreft zijn we weer terug bij de zeven geesten uit Openbaring 1. Ze worden in verband gebracht, eerst in het algemeen, met het werk dat God doet via Christus. 7 staat voor het volkomen werk Gods in het algemeen en dat doet Hij nu ook in onze tegenwoordige tijd. Vandaar dat die zeven geesten, in de vorm van zeven engelen, rechtstreeks in verband gebracht wordt met de Gemeente. De algemene Bijbelse regel is dat waar gesproken wordt over Christus, het ook over de Gemeente gaat. Soms omdat het erbij vermeld wordt, expliciet, maar meestal impliciet. Omdat de Gemeente gezegend is met elke geestelijke zegening in de hemel en in Christus. (Efeze 1 : 3) Of anders gezegd: omdat de Gemeente Zijn Lichaam is. Als in de toekomst dat werk Gods voltooid wordt, zal de Here Jezus Christus dat doen met Zijn Gemeente. Dan staat er de uitdrukking: “die uitgezonden zijn of worden in alle landen”. Dit wordt over die zeven geesten Gods gezegd. Wij zijn ook uitgezonden in alle landen en bovendien: wij komen uit alle landen en in het algemeen: wij zijn bovendien in alle landen. En hebben daar een verantwoordelijkheid. Dat is nu al zo en dat is zeker zo na de wederkomst van Christus. Wij als Gemeente zullen uitgezonden worden vanuit de hemel in heel de wereld, in alle landen, om daar het werk Gods te doen. Als hemelse wezens.

En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat. Openbaring 5 : 7

Dit is voor velen een moeilijkheid, want wij hebben hier onderscheid tussen Degene Die op de troon zit en het Lam. Degene Die op de troon zit heeft het boek en het Lam is waardig om dat boek te openen. Dus gaat het Lam naar Degene Die op de troon zit en komt tot Hem, staat er, en neemt het boek aan. Wie zit er op de troon? Het Lam. Wie komt tot Degene Die op de troon zit? Ook het Lam. Men is geneigd de symboliek, het is in de hemel en daar lopen geen lammeren rond, veel te oppervlakkig te nemen. Het is makkelijk om te zeggen: het Lam is Christus. Dat is ook zo, maar het is meer dan dat. Het is specifieker. Het Lam staat voor geloof, voor nederigheid, voor onderwerping, voor volgzaamheid. Het blijft een schaap en schapen worden geacht een stem te volgen. Wie beantwoordt aan die beschrijving? Nederigheid, gehoorzaamheid, volgzaamheid, gewilligheid: de Here Jezus. Zijn geloof, Zijn volgzaamheid, Zijn vernedering en Zijn gehoorzaamheid worden in de Bijbel uitgebreid genoemd. Maar in eerste instantie is het abstracter en vandaar dat verschillende typen naast elkaar, die een type zijn van Christus, mogelijk is. De Leeuw is geen type van volgzaamheid, van nederigheid, van dienstbaarheid. Leeuw is een uitbeelding van koningschap. Het is een type van Christus, in een andere hoedanigheid, vanwege andere eigenschappen. Twee typen van Christus  kunnen naast elkaar staan en zelfs tot elkaar komen. Op de troon in Openbaring 4 en 5 zie je de Oude van Dagen of een onbenoemde. Het is de uitdrukking van het wezen Gods. Als Hij een Naam heeft, zou Hij Jehovah heten. Maar Degene Die tot Hem gebracht wordt, heet Zoon van Adam of binnen het kader van Openbaring 5: Zoon van David, maar die was zoon van Adam. Het zijn twee functies die bij elkaar komen in één persoon. Het Lam kwam tot Degene Die op de troon zat en heeft het boek genomen uit de rechterhand van Degene Die op de troon zat. Of het boek dan in de hand is van de een of van de ander, maakt niet uit. Hierna lees je het verschil ook helemaal niet meer. Het is er maar Één: De Here Jezus Christus, Zoon van God en Zoon des mensen.

8 En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reuk- werks, welke zijn de gebeden der heiligen.
9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; Openbaring 5 : 8, 9

We hebben nog steeds te maken met de Gemeente, het Lichaam van Christus. De vier dieren en de 24 ouderlingen zingen en vielen voor het Lam neder, uit onderwerping aan het Lam. De Gemeente is onderworpen aan Christus. Citeren zijn snaarinstrumenten. Een fiool is een fles. Ons woord fles zit daar met de f en l nog in. Het zijn flessen die plat liggen. Als er reukwerk in zit dan moet de fles niet al te open zijn, want dan vervliegt het meteen. Zowel citeren als fiolen zijn eigenlijk vaten. Het zijn holle voorwerpen. Het is de uitbeelding van de schepping, want die is een hol vat. (zie bijbelstudie; Het Bijbels wereldbeeld) Een mens, als schepsel, wordt eveneens geacht een vat te zijn. Hij moet namelijk ergens toe dienen, dan wel hij moet ergens mee gevuld worden. Citeren en gouden flessen zijn een uitbeelding van de schepping als zodanig, dan wel van schepselen. Die gevuld zijn met iets dat tot eer is van God. Citeren brengen muziek voort en dat is tot eer van God. De gouden flessen of schalen zijn gevuld met reukwerk en brengen een liefelijke reuk den Heere voort. Ik probeer dus te laten zien dat die citeren en die fiolen twee totaal verschillende dingen zijn, maar in de praktijk is het verschil niet zo groot. Het gaat om holle vaten die iets geestelijks voortbrengen, tot eer van God. Het gaat om de eer van God, die hier tot uitdrukking gebracht wordt in: “Zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen en zijn zegelen te openen”. Het is het lied van de Nieuwe Schepping en daarom is het een nieuw lied. Daar waar een nieuwe schepping tot stand komt door de inwoning van het Woord Gods, ontstaat dit nieuwe lied.

Het komt overeen met 4 : 8: “Heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was en Die is en Die komen zal”. We hebben toen al vastgesteld dat de 24 ouderlingen in de Bijbel nooit wat anders doen dan gezamenlijk zingen  en dat is in eerste instantie gezamenlijk dezelfde woorden uitspreken. Zingen in de Bijbel veronderstelt dat uit meerdere monden hetzelfde naar voren gebracht wordt. Vandaar dat wij leren dat de engelen zongen, maar het staat niet in de Bijbel. Die engelen zeiden wat. In Exodus 15, over Mozes, staat: “Toen zong Mozes en de kinderen Israëls den HEERE dit lied, en spraken, zeggende: …”. Ze dragen het gemeenschappelijk voor. Samenzang heeft in de eerste plaats een symbolische functie, want gemeenschappelijk zingen is de uitdrukking van een gemeenschappelijke activiteit gericht op de heerlijkheid Gods. Daarom vind je die 24 oudsten altijd aan het zingen en ook de engelen. Zij verheerlijken de God en Vader van onze Here Jezus Christus met één mond.

“Want Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht”. Dit gedeelte in vers 9 moet ik corrigeren. “En hebt ons”, moet je doorstrepen. Er staat: “Gij hebt Gode gekocht met Uw bloed uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie”. Dat kan alleen maar van toepassing zijn op de Gemeente. Want Israël is niet gekocht uit alle geslacht en taal en volk en natie. Engelen ook niet. Als de 24 oudsten dit zingen, zijn ze dus de Gemeente. De 24 oudsten komen uit alle geslachten, talen, volken en natiën.

En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heersen op de aarde. Openbaring 5 : 10

“En Gij hebt onze God gemaakt”, wil zeggen: “Gij hebt voor onze God gemaakt tot koningen en priesters”. Er wordt dus nog niet gezegd wie. Officieel staat er daarna: “en zij zullen als koningen heersen op de aarde”. Dus: tweemaal “ons” doorstrepen en “wij” wordt “zij”. In de praktijk maakt het echter geen enkel verschil. We weten toch wie het zijn. Of het “wij” of “zij” is, maakt niets uit. Het zijn die 24 oudsten, gekocht uit alle geslacht en taal en volk en natie. Wie zijn er dus tot koningen en priesters gemaakt? Wij dus. Als Gemeente zullen wij als koningen heersen op (over) de aarde. Wij hebben een hemelse positie en zullen vanuit die hogere positie over de aarde regeren. Dat kan niet missen, want oudsten zijn eerstgeborenen en op die grond koningen en priesters. Dat wij een Gemeente van eerstgeborenen zijn, is Hebreeën 12. Dat wij geroepen zijn tot zoonstelling is Romeinen 8 en Efeze 1. Dat wij priesters zijn, staat in elk geval in 1 Petrus 2, want wij zijn een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, uitgedrukt in het beeld van een tempelbouw, als uitdrukking van de Gemeentebouw. Via die tempel, als beeld van de Gemeente, kom je in 1 Korinthe 3 en Efeze 2 en opnieuw in 1 Petrus 2.

En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; Openbaring 5 : 11

Eerst waren er de vier dieren en de 24 oudsten en nu zijn er ook engelen. Daarvan staat er: “en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden en duizendmaal duizenden”. Men vat het op als engelen, maar het staat er helemaal niet bij. Ook zij zijn een uitbeelding van de Gemeente, omdat wij nou eenmaal hemelburgers zijn. Wat ze doen, zal u niet verrassen:

12 Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.
13 a En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: …..  Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. Openbaring 5 : 12, 13a

De in vers 12 genoemde begrippen horen allemaal bij elkaar en overlappen elkaar. Het Lam is waardig te ontvangen de kracht, de rijkdom en wijsheid, sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging, enzovoorts. “En alle schepsel, dat in de hemel is en op de aarde en onder de aarde” (vers 13) komt overeen met vers 3 van dit hoofdstuk. Niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen. Wat begint bij de 24 oudsten, danwel de tienduizenden engelen, wordt uiteindelijk voortgezet in “alle schepsel dat in heel de schepping is”. Deze toewijding begint bij de Gemeente van eerstelingen en wordt van daar uit in heel de schepping verspreid. Het eindresultaat is dat alles wat op de aarde en in de hemel is en onder de aarde is, Zijn Naam groot maakt. Een situatie die pas bereikt wordt op de Jongste Dag. Niet alleen alles wat in de hemel is en op aarde is, maar ook wat onder de aarde is en eventueel in de zee. Alles zal Hem eer geven.  God zal tot Zijn doel komen. Heel de schepping en alles dat ooit geweest is, zal Hem moeten erkennen.

13b Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
14   En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neder, en aanbaden Dengene, Die leeft in alle eeuwigheid. Openbaring 5 : 13b, 14

Hem Die op de troon zit en het Lam is Eén en Dezelfde. De 24 ouderlingen vielen neder – dat doen ze altijd – en aanbaden Dengene Die leeft in alle eeuwigheid. Aanbidden doen ze (de Gemeente) ook altijd en ze doen het in alle eeuwigheid. Als het goed is zijn we daar al mee begonnen. Niet maar alleen in onze verbale gebeden, ook niet alleen maar in onze gemeenschappelijke liederen, maar in heel onze levens.

6. Openbaring 6

Boven dit hoofdstuk staat: “Opening der eerste 6 zegels”. Daarmee gaat de geschiedenis feitelijk verder. In het voorgaande visioen (hoofdstuk 4 en 5) werd in de hemel gekeken. Naar de Gemeente, uitgebeeld in de 24 oudsten, rondom de troon en de vier dieren rondom het Lam. Allen met elkaar verbonden in de aanbidding en verheerlijking van Degene die op de troon zit. In hoofdstuk 6 gaat het om de gebeurtenissen die op aarde zullen plaatsvinden. Niet het visioen zelf, maar wel de vervulling ervan. Dat maakt het wat lastig om daarmee meteen te beginnen. Het punt is namelijk dat in de toekomst het werk Gods alsnog voltooid zal worden. Wij zouden moeten weten, dat als de geschiedenis omtrent de openbaring van de Here Jezus Christus en Zijn Koninkrijk op aarde verder gaat, we dan in ieder geval een profetie hebben in het Oude Testament. Daniël 9 spreekt over de laatste gebeurtenissen i.v.m. het Joodse volk en de Joodse stad, alvorens de Messias aan dat volk zou verschijnen. Het gaat over de 70-ste week van Daniël, maar het probleem is dat die periode in Openbaring niet wordt genoemd. Die komt er wel in voor, maar wordt niet uitgebreid besproken.  Dat Openbaring 6 spreekt over de 70-ste week van Daniël was niet alleen te verwachten, maar het blijkt ook uit de inhoud.

En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie! Openbaring 6 : 1

Het begint het openen van zegelen. In volgorde. Ze worden zelfs geteld, Hier worden dingen op volgorde vermeld en dat is in het profetisch woord lang niet altijd het geval.

2 En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne!
3 En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!
4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven.
5 En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand.
6 En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en den wijn niet.
7 En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!
8 En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde. Openbaring 6 : 2-8

Het probleem van het vers is dat men het isoleert, hier stopt met lezen en zich afvraagt: wie is die man op het witte paard? Omdat het de verkeerde vraag is krijg je ook bijna nooit een goed antwoord. Velen denken dat het de Here Jezus is, anderen denken dat het de antichrist is. Daarom lees ik eerst verder, want er staat bij wat die ruiter op het witte paard voorstelt. Er volgen nog een paar ruiters in de opsomming. Vers 4: “En een ander paard ging uit, dat rood was, en dien die daarop zat, werd gegeven de vrede te nemen van de aarde (een correctere vertaling voor het woord “aarde” is “land”); en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven”. Vers 5: “En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat had een weegschaal in zijn hand”. Vers 8: “En ik zag, en ziet een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood”. De vierde ruiter, op het vale paard, heet de dood. Hij is niet iemand, hij is iets. Hij stelt iets voor. En “de hel volgde hem na”, want dat is het dodenrijk. Dood en hel zijn synonieme begrippen. En dan staat er: “En hun”, dus het gaat niet alleen over die vierde, maar over nog een paar meer uit de voorgaande paarden, “werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde”. Of van het land, want zo kan men het ook vertalen. “Met zwaard en met honger, en met de dood, en door de wilde beesten der aarde.”

Er zijn hier dus vier paarden. Meestal noemt men ze ruiters. Wij willen weten wie zij zijn, maar dat is dus de verkeerde vraag. Bij de vierde krijgen we in ieder geval een verklaring wat hij voorstelt: de dood en dat is een abstract begrip. Hoe heten dan 1, 2 en 3? Nou dat is heel gemakkelijk, want dat staat feitelijk in vers 8, halverwege het vers. Daar staat: “hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met het zwaard”. Het zwaard stond al in vers 4, als attribuut van het tweede paard, het rode. Dus de tweede ruiter, die op het rode paard, is het zwaard. Zwaard is symboliek en staat voor oorlog. “Honger wordt beschreven vanaf vers 5 i.v.m. het zwarte paard. Het derde paard dus. Vandaar de weegschaal aan het eind van vers 5. Alle dingen zijn schaars geworden. Worden uitgewogen. De levensmiddelen zijn op rantsoen en ze kosten goud geld. Het zwarte paard staat voor hongersnood. Dan lees ik verder in vers 8: “met het zwaard, met de honger en met de dood”. Dat klopt, bij de vierde ruiter stond: “zijn naam was de dood”. Paard nummer 2, 3 en 4, het rode, het zwarte en het vale paard, zijn respectievelijk oorlog, hongersnood en dood. Bij nader inzien is het verschil niet zo groot, maar ze staan achter elkaar. Eerst oorlog, mede als gevolg daarvan hongersnood en als gevolg van die beide: dood. Wij weten uit andere Schriftgedeelten, waar gesproken wordt over het definitieve oordeel over de ongelovige Joodse staat en stad, dat het erop uitdraait dat in dat land en de stad absoluut geen leven overblijft. Waarschijnlijk zelfs niet van de dieren. Daar blijft geen leven over. Niet van de Joodse staat als zodanig, dus niet van de Joden, ook niet van de Palestijnen en evenmin van de vijandelijke legers die bij die gelegenheid in het land zijn.

Nu die eerste nog, want die die ruiter op dat witte paard hebben we nog niet benoemd. Die eerste heet vrede en dat staat er ook in vers 4: “En een ander paard ging uit, de tweede, dat rood was, en dien die daarop zat werd gegeven de vrede te nemen van de aarde”. Wat is dus die eerste? Vrede. Dat blijkt ook wel: het was een wit paard en die daarop zat had een boog. Hij had kracht en macht. Maar die was niet militair, want dan had het een pijl en boog moeten zijn. Over pijlen wordt helemaal niet gesproken. Alleen over een boog en dat betekent samengebalde kracht. “En hem is een kroon gegeven”. Hij heerst dus. De vrede heerst. “En hij ging uit, overwinnende”, d.w.z. dat die vrede zich uitbreidde. 1 Thessalonicenzen 5 : 4 zegt: “Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen …”. In vers 2 gaat het over de vrede en wat komt er dan? Een haastig verderf. Uitgedrukt in oorlog, hongersnood en dood. Dat moet de 70-ste week van Daniël zijn, waarbij de ruiter op het witte paard model staat voor de eerste helft van de 70-ste week van Daniël. Er is vrede. En daarna het rode, zwarte en het vale paard. Oorlog, hongersnood en dood (de grote verdrukking); het verderf uit de tweede helft van de 70-ste week van Daniël. Waar is dit? Het gaat over de velen van de Joodse staat en over hun heilige stad Jeruzalem, de hoofdstad – in de praktijk – van een ongelovige Joodse staat. Het gaat niet om vrede, hongersnood of oorlog voor de wereld, maar om de Joodse staat en stad. Het grootste deel van Openbaring gaat echter niet over het Joodse volk, maar is voor de heidenen ten tijde van het laatste heidense wereldrijk in de dagen van de wederkomst van Christus. Aan het eind van de 70-ste week van Daniël wordt, kennelijk van Godswege, alles wat leeft in het land gedood. Inclusief de legers die er dan zijn. Niet door de honger, niet door de oorlog, maar door de Heer Zelf. Zo wordt het beschreven in Ezechiël 39 en in Joël 2. Daarmee zijn we aan het eind van de 70-ste week van Daniël.

9 En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden.
10 En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
11 En aan een ieder werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij. Openbaring 6 : 9-11

Het woord martelaar betekent “een getuige”. Die zijn gedood om het Woord Gods en om hun getuigenis. Het “Woord Gods” en “de getuigenis” is twee keer hetzelfde. Vandaar dat ze in dit visioen gevonden worden onder het altaar, dat in de symboliek de uitbeelding is van de dienst aan God. Gezien worden onder het altaar wil zeggen dat ze onderworpen waren in hun wandel, het praktische leven van de mens, want dat betekent “ziel” in de Bijbel. Vers 10: Je zou moeten lezen: “hoelang wreekt Gij ons leven niet?”, want hun werd leven ontnomen. Er zou wraak moeten zijn aan het einde van de 70-ste week van Daniël. In plaats daarvan worden aan hen witte lange klederen gegeven, een uitbeelding van heerlijkheid en van priesterschap. Aan hen werd gezegd dat zij nog een korte tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten gedood zouden worden, net als zij. De gedachte is dat die grote verdrukking weliswaar na 3,5 jaar voor Jeruzalem en daarmee voor de Joodse staat ophoudt, maar daarna zou de verdrukking, in de daarop volgende decennia, alsnog over de overige volkeren der aarde komen. Met hetzelfde resultaat: dat uiteindelijk geen ongelovige overblijft en dat er dus een gelovig overblijfsel is dat de duizend jaren – het Koninkrijk van Christus op aarde – in zal gaan. Voor de uitverkorenen (Matthéüs 24) zouden die dagen verkort worden, maar voor de rest van de wereld gaat die verdrukking door. Het oordeel begint bij het huis Gods en het Joodse volk in het bijzonder. Na de 70-ste week zouden anderen alsnog getuigen van Christus zijn. We komen er 144.0 tegen in hoofdstuk 7 en nog meer. Een deel daarvan zou gedood worden om het Woord Gods en om hun getuigenis. Voor zover alle martelaren gewroken zouden worden, en zij hun leven zouden terugkrijgen, zal dat pas gebeuren aan het begin van de duizend jaren,  als Hij officieel verschijnt in heerlijkheid in Jeruzalem en daar in een herbouwd Jeruzalem op Zijn troon zal zitten.

En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed. Openbaring 6 : 12

Aan het eind van de 70-ste week van Daniël komt de Heer voor Jeruzalem en volgens Zacharia 14 zal Hij Zijn voeten op de Olijfberg, die ten oosten voor Jeruzalem ligt, zetten en de berg zal in tweeën scheuren. Dan heb je dus een aardbeving. De kans is groot dat die ook Jeruzalem treft, zodat wat er van over is ook wordt verwoest. Vers 12 is volstrekt symbolische taal. Ik geloof wel dat de zon en maan letterlijk verduisterd zullen worden,  23 maar de wijze waarop het beschreven wordt is vol symboliek. Het licht gaat uit. De zon wordt zwart als een haren zak. Het kleden in zakken is een teken van rouw. De maan werd als bloed, is verduistering van de maan. Rood is de laatste kleur die verduisterd kan worden, vandaar dat de zon en maan bij de opgang en ondergang dikwijls rood gekleurd zijn.

En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt. Openbaring 6 : 13

Sterren des hemels zijn een beeld van Israël, danwel van het Joodse volk. Als sterren van de hemel verdwijnen, sterven de ongelovigen uit de Joodse staat. Ze zijn er niet meer. De vijgenboom is eveneens een beeld van de Israëlitische (Joodse) staat. Onrijpe vijgen zijn een beeld van de ongelovigen uit die staat en ze vallen van de vijgenboom. Het is beeldspraak, maar niettemin zullen zon, maan en sterren verduisterd worden.

En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. Openbaring 6 : 14

Niet de hemel als zodanig, maar de lichten aan de hemel zullen verdwijnen. Men kan geen hemel zien als er geen zon, maan en sterren zijn. Alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. Dan heb je, als je het zo eenvoudig mogelijk neemt, in ieder geval nog steeds die aardbeving. Dieper ga ik er nu niet op in.

15 En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;
16 En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. Openbaring 6 : 15, 16

Als ik het gedeelte over koningen der aarde, … en vrijen weglaat, dus vers 15 en 16, dan staat er: “de sterren des hemels vielen op de aarde”. Vers 17: Het Oude Testament zegt: “de dag des Heeren breekt aan”. Dat is de dag van de toorn des Heeren. In Zefanja staat de term vele malen en in allerlei varianten. Het gaat om toorn, dag der wrake, dag van benauwdheid, dag van duisternis, dag van wolken. Een vreselijke dag des Heeren. Een wee wordt uitgesproken over degenen die de dag des Heeren verwachten en dat is niet een zondag.

“Valt op of over ons” wil zeggen: met grote kracht overdekken. Hier gaat het om bescherming die men zoekt in de bergen, in de spelonken. Men vlucht daarheen om een stevig dak boven het hoofd te hebben, zodat men niet getroffen wordt door de (hagel)stenen die uit de hemel zouden vallen. “Valt op ons” is “verberg ons van Degene Die op de troon zit”. Men zoekt een schuilplaats tegen de toorn van God. Volgens Zacharia 14 vlucht men aan het eind van de 70-ste week van Daniël uit Jeruzalem, door de Olijfberg, naar een plaats in de woestijn. Naar Azal, en dat is geen naam, maar betekent “gereserveerd”. In het bijzonder voor het Joodse volk is er aan het eind van de 70-ste week een gereserveerde plaats buiten het land. Dat staat letterlijk in Openbaring 12 : 6: “… een plaats in de woestijn, haar van God bereid”. Later in vers 14 heet het: “… in de woestijn, in haar plaats”. In het Oude Testament wordt daar redelijk uitvoerig over gesproken. Het gelovig overblijfsel van Israël zou verzameld worden in de woestijn, meer specifiek in de woestijn van Edom. Zie Habakuk 3, waar in vers 3 staat: “God, maar het is uiteraard Christus, de Heere kwam van Theman”. Dat is het Zuiderland, als je het letterlijk vertaald. “God kwam van Theman, en de Heilige”, maar het is nog steeds Christus, “kwam van het gebergte, de berg Paran”, in het Zuiderland. Daarna staat er: “Sela”. Dat had moeten zijn: “van Sela”, want er staat: God kwam van Theman, Hij kwam van het gebergte Paran en dus van Sela. Sela is Hebreeuws voor rots. Wij kennen die plaats, via het Grieks, als Petra. Petra is Grieks voor rots. Die plaats staat op de kaart; in het gebergte van Paran en daarmee in Theman, in het Zuiderland, het gebied van Edom.  Vandaaruit zal Hij later Zijn gelovig overblijfsel aanvoeren. Terug naar Jeruzalem, wat er van over is, om het land te reinigen (Ezechiël 39) en om Jeruzalem en zelfs de hele Israëlitische staat alsnog te bouwen.

Jesaja 63 zou men naast het voorgaande leggen. Daar wordt de vraag gesteld: “Wie is Deze Die van Edom komt? Met besprenkelde klederen van Bozra”. Bozra is een andere naam voor Sela, Petra. Die stad ligt in het dal, eigenlijk Bozra, al noemt men dat tegenwoordig Petra, maar het oude Petra lag boven op de berg, grenzend aan het dal. Deuteronomium 30 : 3 zegt dat de Heer Zich zou ontfermen over Israël en hen verzamelen zou. “De Heer zal wederkeren en u vergaderen” staat er letterlijk. Ezechiël 20 : 35: “Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn der volken”. Niet in de woestijn van Judea. Edom is de eerstgeborene in de woestijn der volken. “Ik zal met u rechten van aangezicht tot aangezicht”. Jeremia 31 : 2: “Het volk der overgeblevenen van het zwaard, heeft genade gevonden in de woestijn”. Matthéüs 24 : 16: “Dat als dan die in Judea zijn, vlieden op de bergen”, naar de woestijn.

In Openbaring 6 : 15 staat niet dat Israël of de Joden, zouden vluchten, maar: “De koningen der aarde, en de groten en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen en alle dienstknechten en alle vrijen”. Het gaat hier over het gelovig overblijfsel uit Israël, in de eerste plaats uit het Joodse volk, dat vlucht naar de woestijn, naar de plaats die van God bereid is, omdat dit voor hen de enige veilige plaats op aarde is. Daar is men veilig voor de toorn van God, als die uitbreekt over heel de wereld. Dat is wat beschreven wordt in Openbaring 7.

Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? Openbaring 6 : 17

Het gaat hier over de grote verdrukking, het aanbreken van de dag des Heeren, ook genoemd de dag Zijns toorns. Hier ben je aan het eind van de 70-ste week van Daniël en wordt de toorn en daarmee de grote verdrukking aangekondigd. Het probleem voor velen is dat ze denken: als je aan het eind bent van de 70-ste week van Daniël, dan begint het 1000 jarig rijk en is de verdrukking al voorbij, maar dat ligt anders. De verdrukking van 3,5 jaar over de Joodse staat, over het Joodse volk en de stad Jeruzalem, is dan voorbij. Dat kan niet anders, want er is geen Joodse staat meer. Er is ook geen Jeruzalem meer en dus kan het niet langer verdrukt worden. Daarna pas begint de dag des toorns voor de rest van de volkeren. Israël fungeert hier weer als aanschouwelijk voorbeeld. Heidenen kunnen aan Israël zien waar die verdrukking, samengaand met de prediking, op uit zal lopen. Op de verwoesting van het volk en het behouden worden van een gelovig overblijfsel daaruit. Dat is het model. Aan het eind van die 70-ste week, onder het zesde zegel, wordt die dag des toorns aangekondigd. Helaas begint dan een nieuw hoofdstuk in Openbaring. Dat vind ik jammer, want heel dat hoofdstuk moet je beschouwen als een toelichting op de gebeurtenissen aan het eind van de 70-ste week van Daniël. Het gaat er namelijk om dat dan de toekomende periode, de tijd die dan gaat aanbreken, wordt aangekondigd. Dat is de dag Zijns toorns, de dag van de toorn van het Lam. Niet zozeer over Israël, maar over de volkeren der aarde. De overige volkeren.

7. Openbaring 7

En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enigen boom. Openbaring 7 : 1

Dit gaat uiteraard over degenen die op de aarde wonen. De wind zou niet waaien op de aarde – de volkeren – noch op de zee en dat is ook een beeld van de volkeren. (o.a. Psalm 2) Boom is eveneens een beeld van de volkeren. Een boom is de stamboom, de uitdrukking van een volk. Hier wordt drie keer over het zelfde gesproken. Wind is een beeld van geestelijke kracht, onzienlijke kracht. Het gaat hier om de oordelende werking van God, uitgedrukt in de kracht van de wind. Engelen bedwingen die wind, want die dag des toorns breekt wel aan, maar die toorn zelf laat nog op zich wachten. Waarom dat zo is, staat in:

2 En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, welke macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,
3 Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
4 En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls. Openbaring 7 : 2-4

De engel komt met het stempel en zegt: “Nog even niet met die wind, want ik moet er nog 144.000 aanstellen”. Het gaat over “dienstknechten onzes Gods”, die het Woord van God zouden prediken. Maar aan het eind van de 70-ste week is er alleen een gelovig overblijfsel uit de 2 stammen van Israël. Het gaat echter heel uitdrukkelijk om 12 stammen van Israël. Die moeten aangewezen worden en aan hen moet het evangelie gepredikt worden. Vervolgens moeten er – uit die 10 stammen – 12.000 per stam tot geloof komen en voldoende onderricht worden om daarna de functie van dienstknecht Gods te kunnen vervullen. Dat duurt volgens mij jaren. Dat past in de periode van 33 jaar tussen het einde van de 70-ste week tot aan de duizend jaren. Na de 70-ste week barst dus niet meteen de verdrukking over de volkeren los, laat staan dat die al beëindigd zou zijn. Eerst moeten er uit de 12 geslachten van Israël elk 144.000 mensen aangesteld worden om het evangelie te prediken, want Israël is geroepen om te “verkondigen de deugden van Degene Die hen getrokken heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar Licht”. (1 Petrus 2 : 9)  Het evangelie kan pas door Israël gepredikt worden aan alle volkeren nadat alle stammen van Israël zelf eerst tot bekering gekomen zijn. Er moet dus logischerwijs een aanzienlijke periode verlopen tussen het einde van de 70-ste week en het binden van satan op het tijdstip dat alle volkeren aan Christus onderworpen zijn en ook Babel definitief geoordeeld is. Zolang het evangelie niet officieel gepredikt kan worden door de officiële 144.000 vertegenwoordigers van Israël, komt de verdrukking niet. God brengt geen oordeel over de volkeren zonder dat eerst aan te kondigen. Er moet eerst gepredikt worden dat men door bekering gered kan worden van dat oordeel. De Bijbelse geschiedenis laat zien dat het altijd zo gaat. En zo gebeurt het in de toekomst ook.

Ook voor de verwoesting van Jeruzalem komen eerst die twee getuigen, die het aankondigen en getuigen dat men zich zou bekeren. Als het oordeel over de volkeren komt, wordt het voorafgegaan door de prediking van het Evangelie. Dat staat in Matthéüs 24: “En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen”. Deze prediking is een taak van de 144.000, die een zegel krijgen op hun voorhoofd (vergelijk met Ezechiël 9). Het is in de tijd dat ook het antichristelijke rijk, met Babel als hoofdstad, actief is. Het zegel maakt hen onkwetsbaar voor het oordeel. Ook de mensen met dat teken in Ezechiël 9 werden niet gedood, hoewel er een oordeel kwam over Jeruzalem. Nog zo’n voorbeeld is het teken van het bloed van het Lam aan de deurposten, bij de uittocht uit Egypte. De 144.000 zijn evangeliepredikende dienstknechten van God en onkwetsbaar. Net zoals de twee getuigen in Jeruzalem, in de eerste helft van de 70-ste week van Daniël. (Openbaring 11)

Met “uit alle geslachten der kinderen Israëls” wordt alle stammen van Israël bedoeld. Er komt namelijk een lange opsomming.

5 Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld;
6 Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld;
7 Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;
8 Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld. Openbaring 7 : 5-8

Uit elk van de twaalf  stammen van Israël worden 12.000 dienstknechten Gods aangesteld. Zij worden uitgezonden om te prediken. De dag van Gods toorn barst los. De vier winden waaien en beschadigen de aarde, de zee en de bomen. Maar wie verzegeld is, overkomt niets. In deze opsomming wordt de stam van Dan niet genoemd. Er zijn dus 13 stammen van Israël. Er waren 12 zonen van Jakob, maar Jakob zegende er 13. Over het hoofd van zijn zoon Jozef heen zegende Jakob de twee zonen van Jozef. Zij werden stamvaders van stammen van Israël. Jozef wordt gesplitst in de stam van Manasse en de stam van Efraïm. Op wel 20 verschillende plaatsen in de Bijbel staat een opsomming van de stammen van Israël en nergens worden ze alle 13 genoemd. Er ontbreekt er altijd één. In de meest belangrijke opsommingen ontbreekt de stam van Levi. In een andere opsomming, die van de zegeningen van Mozes voor de stammen Israëls, ontbreekt de stam van Simeon. In Openbaring verdwijnt Dan in de reeks. Efraïm wordt niet genoemd, alleen in de naam van Jozef. (vers 8) De stam van Manasse wordt wel genoemd. Waarom ontbreken deze twee namen? Dat is typologie. Om typologische redenen moet je denken: hé, ze zijn er wel allemaal, maar toch moeten er nog meer dienstknechten Gods zijn. Je mist er een paar. Die zijn niet op aarde, maar hebben een hemels burgerschap. Zij heten ook Israël. Zij zijn zelfs erfgenamen van Efraïm. Ze komen officieel en juridisch voort uit de 10 stammen van Israël. Dit gaat over de Gemeente en die is ook betrokken in de dienst aan God en in de prediking van het evangelie in de wereld. Dat is onze positie na de opname van de Gemeente. De 10 stammen zijn de wereld ingegaan, onder andere onder de naam Efraïm, omdat hij de eerstgeborene was. Binnen de 10 stammen is de uitermate groot geworden stam van Dan een uitbeelding van het gelovig overblijfsel. Als er één specifieke stam de Gemeente voorstelt, is het de stam van Dan en daarom ontbreekt die hier.

Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 7 : 9

“Een grote schare, die niemand tellen kon”, is in de eerste plaats een verwijzing naar de beloften aan Abraham, want zijn zaad zou talrijk zijn, zodat niemand het tellen kon,  zoals de sterren des hemels en het zand der zee. Tegelijkertijd betekent het dat hier op aarde niemand, en in de hemel evenmin, daarover macht kan uitoefenen. Dit zijn namelijk degenen die de duizend jaren, het koninkrijk van Christus op aarde, binnengaan. Het is het resultaat van het predikingswerk van de 144.000, die daarvoor speciaal uitgezonden zijn. Een grote schare van mensen, die niemand tellen kan, is tot geloof gekomen. Dat is het zaad van Abraham. In de hoogste betekenis van de term, want Abraham is vader van alle gelovigen en zijn zaad zou zijn als de sterren des hemels en als het zand der zee. Zo talrijk dat niemand het tellen kan. De Bijbel zegt al vroeg dat in het zaad van Abraham alle geslachten des aardrijks zullen worden gezegend. (Genesis 12 : 3) Die schare stond voor de troon. Zij erkennen (geloven) Degene Die op de troon zit. Net als wij erkennen zij Hem als Heer, Koning en Meester. De Gemeente doet dat vanuit de hemel. De grote schare doet dat op aarde. Witte klederen zijn een beeld van hun gerechtigheid, hun rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid van Christus, waarmee zij overkleed zijn geworden, net als wij.

En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam. Openbaring 7 : 10

Palmtakken waren in hun handen en zij riepen: “Gezegend is de Koning die komt in de Naam des Heeren”. (Psalm 118 : 26; Lukas 19 : 38 e.a.) Dat riepen ze aan het eind van de 69-ste week. Maar het staat hier wat anders: “De zaligheid zij onze God, die op de troon zit en het Lam”. Dat is precies hetzelfde. Palmtakken zijn de takken van de kroon van de palm. Een palm is beeld van koningschap; vandaar die kroon. Het beeld van het gelovig overblijfsel uit Israël is daarvan afgeleid.

11 En al de engelen stonden rondom den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God,
12 Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 7:12

De grote schare is toegevoegd aan de vier dieren – de 24 oudsten – uit Openbaring 4 en 5. Al de engelen stonden rondom de troon en rondom de oudsten – de Gemeente – en aanbaden God. Ze zeggen: “Amen”. Het begint en eindigt daarmee en zo is het heel erg definitief.

13 En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?
14 En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams. Openbaring 7:13,14

Zij hebben hun lange klederen gewassen, wit gemaakt, in het bloed des Lams. Ze zijn gereinigd van hun zonden en leven onder het Nieuwe Verbond, net als u en ik. Via het leven van het Lam, via Zijn dood en opstanding, zijn zij gerechtvaardigd geworden.

Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen. Openbaring 7:15

“Daarom zijn zij voor de troon van God”. Elk wedergeboren mens is dienstknecht van God, maar sommigen in een speciale positie, zoals de 144.000. De mens, de schepping in het algemeen, zou God dienen. De mens is daartoe niet bekwaam, maar via wedergeboorte wordt hij – door geloof – alsnog daartoe bekwaam gemaakt. Wij zijn bekwaam gemaakt om dienaren te zijn van het Nieuwe Verbond en om deel te hebben aan Zijn Koninkrijk. Dus heten we allemaal dienstknechten van Christus en “dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel”. De tempel, overdrachtelijk, is de plaats waarin God woont. Uiteindelijk, en zeker bij het begin van de duizend jaren, is dat heel de schepping. “Die op de troon zit zal hen overschaduwen”. De Heer Zelf zal hen definitief overschaduwen en niets of niemand anders.

Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Openbaring 7:16

Dit lijkt veel op Openbaring 21, het visioen van het nieuwe Jeruzalem, want het nieuwe Jeruzalem is ook een beeld van het Nieuwe Verbond.

Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Openbaring 7:17

Het Lam is de Herder. Hij weidt de schapen en zal hun Leidsman zijn. Hij gaat hen voor, tot levende fonteinen der wateren. Die kom je ook in het nieuwe Jeruzalem tegen. Het is het beeld van het Koninkrijk van Christus danwel het Nieuwe Verbond, want die twee zijn uiteraard één geheel. Wat de tijd betreft zijn we hier aan het eind van de 33 jarige periode, die begint bij het einde van de 70-ste week van Daniël en die uitloopt op het binden van satan en het oordeel over Babel.

8. Openbaring 8

Dit hoofdstuk gaat verder aan het eind van de 70-ste week van Daniël, maar nu aan de kant van de verdrukkingen overal de volkeren. (Matthéüs 24; Daniël 12) De opening van de zes zegels in Openbaring 6 bracht ons daar. Het is de tijd van de officiële bekering van Israël, de verwoesting van Jeruzalem en de verschijning van de Heer op de Olijfberg.

En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur. Openbaring 8:1

Een “halve” lang gebeurt er niets. De 70-ste week wordt profetisch niet alleen aangeduid als een periode van 7, maar ook als een periode van 7,5. Dat heeft van doen met de regeringsperiode van koning David, die 7 en 33 jaar koning was, maar op een paar plaatsen staat 7,5 en 33. Hoort die halve er wel bij of niet? Naar mijn idee is de oplossing van dit vraagstuk dat er ter gelegenheid van het einde van de 70-ste week van Daniël iets gecorrigeerd wordt wat in het verleden de andere kant op geschoven was. Bij de aanvang van het Oude Verbond (Exodus 12) werd de zevende maand Aviv (Nissan) “het hoofd van de maanden des jaars”. De maand van de uittocht uit Egypte werd maand nummer 1. De nummering verschoof een half jaar. Daarom valt nu nog het Joodse Nieuwjaar op de eerste dag van de zevende maand. Afhankelijk van de wijze van tellen, tel je dus 7 of 7,5 jaar; dat hangt ervan af of je per jaar of per maanden telt. Bij aanvang van het Nieuwe Verbond wordt die zaak alsnog recht getrokken. Dan wordt de eerste maand weer de zevende.  Op de maand- kalender is dan wel een half jaar kwijt. In dat half jaar gebeurt er niets. Ik stel me voor dat de Heer op de Olijfberg verschijnt op de tiende Nissan (Aviv), de tiende van de eerste maand. Vanaf dat moment wordt er met terugwerkende kracht gerekend als de tiende van de zevende maand. Dat betekent ineens Grote Verzoendag op die dag en dus is het niet alleen de dag van de intocht in Jeruzalem, de dag van het in huis nemen van het Paaslam en niet alleen de verjaardag van de doortocht door de Jordaan. Daar heb ik meer argumenten voor uit de Bijbelse tijdrekening. In het bijzonder uit het profetisch woord, want daaruit blijkt er dat er met die maandnummering geschoven wordt.

2 En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.
3 En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor den troon is.
4 En de rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand des engels voor God. Openbaring 8 : 2-4

Dit is de inleiding tot de later genoemde oordelen.  Het wierook, reukwerk, wordt vergeleken met de gebeden der heiligen. De Rooms-katholieke variant leert dat er heiligen zijn die voor ons bidden. Dat haalt men uit de oude Griekse en Romeinse mythologie, waar goden en halfgoden optreden als middelaar tussen de mens en de goden. In de Rooms-katholieke kerk zijn die vervangen door “heiligen”. Daar moest een Bijbeltekst bij en dat is deze geworden, maar dat is uiteraard fout. Het gaat er om dat er door de heiligen – de gelovigen – gebeden wordt. Dat gebed is een liefelijke reuk den Heere. Men maakt ervan dat op grond van het gebed van de gelovigen de Heer oordeel zendt over de mensheid. Dat is niet geheel ten onrechte, maar wel wat erg krap genomen. Wij zouden bedenken waar het werkelijk om gaat. Daar staat: “de engel die stond aan het altaar”. Het altaar is niet alleen maar de uitdrukking van gebed, hoewel het dat is. Gebed is veel meer dan dat wij er gewoonlijk onder verstaan. Gebed is een woord ter aanduiding van de dienst aan God. Onze dienst aan God heet gebed. In beide richtingen. Wij dienen God, bieden Hem iets aan. Wij geven ons leven aan Hem. Dat is gebed. Hem eer geven door Hem te dienen. We zouden zonder ophouden bidden en in alle plaatsen. Daarom kan er staan: “Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen”. (1 Timótheüs 2 : 8) In sommige kringen doet men dat, omdat men vergeten is wat het echt betekent, namelijk dat wij Hem onze handen aanbieden om Hem te dienen. Hij vult dan onze handen. Hij geeft ons wat te doen. Als je volle handen hebt, dan heb je wat te doen. Wij zouden Hem altijd en overal dienen en daarbij verwachten wij van Hem dat Hij voor ons zorgt. Die dienst aan Hem, waarbij wij ons aan Hem onderwerpen en van Hem afhankelijk stellen, heet in de Bijbel gebed. Daarom kan er in de Bijbel staan: “bidt zonder ophouden”. (1 Thessalonicenzen 5 : 17)

En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving. Openbaring 8 : 5

Twee dingen staan tegenover elkaar. Er is een altaar en een gouden wierookvat. De troon der genade. Aan de ene kant wordt de Heer gediend en aan de andere kant komt er een oordeel over de mensheid.

6 En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen.
7 En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel der bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. Openbaring 8 : 6, 7

Hagel en vuur zijn gloeiende stenen; brandende stenen. We kennen dit van de steden Sodom en Gomorra, die verbrand werden door vuur uit de hemel. “De eerste engel heeft gebazuind en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed. En zij zijn op de aarde geworpen”. Dit is het belangrijkste kenmerk van deze eerste bazuin. De tweede bazuin heeft met de zee van doen, de derde met de rivier, de vierde met de zon, en zo verder. “Hagel en vuur, vurige hagel, gemengd met bloed, zijn op de aarde geworpen, en het derde der bomen is verbrand en al het groene gras is verbrand”. Er staat feitelijk dat een derde deel der aarde verbrand is. Dat is in de Statenvertaling weggevallen. “Een derde” is een idiomatische uitdrukking ter aanduiding van: een kleiner deel, de kleine helft. “Een derde” staat niet in Openbaring 16; daar staat “aan degenen die…”, of “aan de mensen”. Er komt iets uit de hemel en ik zou niet weten waarom het niet letterlijk waar zou zijn, want dat wordt vaak gezegd in de commentaren. Het wordt van Godswege veroorzaakt. God zal deze oordelen over de aarde zenden, staat hier. Dit leggen we naast:

En de eerste ging henen, en goot zijn fiool uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden. Openbaring 16 : 2

Bij latere oordelen gaat het niet over de aarde, maar over de zee, de zon, de afgrond. Aarde is de overeenkomst met de eerste bazuin. Het kwade gezweer komt aan de mensen die de antichrist dienen. Dat hebben we nog niet besproken, want het komt pas in Openbaring 12, 13 en 14 aan de orde. Onder de eerste bazuin lezen we over hagel, vuur en bloed en bij de eerste fiool lezen we over zweren die aan de mensen komen. Als er wat uit de hemel op aarde valt, brengt het een of andere besmetting met zich mee, waardoor men allerlei zweren krijgt.

8 En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een grote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen; en het derde deel der zee is bloed geworden.
9 En het derde deel der schepselen in de zee, die leven hadden, is gestorven; en het derde deel der schepen is vergaan. Openbaring 8 : 8, 9

De tweede bazuin en fiool heeft van doen met de zee. Een grote berg staat in de Bijbel altijd voor macht, voor verhoging, voor koninkrijk. Er komt een of andere macht, die invloed uitoefent op alles wat op zee is. Het derde deel der zee is bloed geworden. Een deel van wat in de zee is sterft. Een derde der schepselen zal sterven. Ook een derde der schepen is vergaan, dus het is niet pluis op aarde, maar op zee ook niet.

En de tweede engel goot zijn fiool uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee. Openbaring 16 : 3

Dat alle levende ziel in de zee is gestorven hoeft niet te betekenen dat ook rekenkundig alles wat in de zee is, sterft. Het kan betekenen dat alles wat in de zee is daardoor getroffen wordt. Van welke aard het ook is, het wordt erdoor getroffen, maar niet alles, wel een deel daarvan. Er blijft dus leven over in de zee. Wat de aard is van die plaag weet ik ook niet. Kennelijk gaat het over een of andere besmetting, waardoor alle vormen van leven wordt aangetast. Meer weten we er niet van.

En de derde engel heeft gebazuind, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren, en op de fonteinen der wateren. Openbaring 8 : 10

Het eerste kenmerkt zich door aarde, het tweede door zee, het derde door rivieren. Besmette wateren kunnen niet meer gedronken worden. Dat geldt voor alle wateren, misschien ook maar voor een derde. Het staat erbij: “een derde der rivieren”. Goed water vinden wordt lastig. De mensen komen in moeilijke omstandigheden terecht, zegt ook Openbaring 16:

4 En de derde engel goot zijn fiool uit in de rivieren en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.
5 En ik hoorde den engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt;
6 Dewijl zij het bloed der heiligen, en der profeten vergoten hebben, zo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.
7 En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, Gij almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. Openbaring 16 : 4, 5

De wateren brengen verderf, de dood. Dan weer terug naar Openbaring 8, want we zijn nog niet helemaal klaar met deze derde bazuin.

En de naam der ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. Openbaring 8 : 11

Alsem is “mara” in het Hebreeuws. Mara betekent bitter of bitterheid. Het is een aanduiding van vergif in het algemeen en daarmee van het verderf of de dood. Veel mensen zijn gestorven door de wateren, want die waren bitter geworden.

En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel derzelve zou verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zou lichten; en van den nacht desgelijks. Openbaring 8 : 12

Het gaat hier over de hemel. Die wordt verduisterd. Niet 100% maar voor een deel. Dat is een oordeel voor de zichtbare hemel.

8 En de vierde engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur.
9 En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden den Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven. Openbaring 16 : 8, 9

Bij de fiool lees ik niet over zon, maan en sterren, maar alleen over de zon. Op een of andere wijze is er een plaag die op de hemel betrekking heeft, zodanig dat, volgens de vierde bazuin, de hemel voor een deel verduisterd wordt. Volgens de vierde fiool wordt het erg warm op aarde. Hitte is een uitbeelding van de toorn Gods. Zoek het woord “hitte” maar eens op. U vindt dan in de meeste gevallen meteen ook het woord “toorn”. “De hittigheid van den toorn des Heeren”. (Jeremia 51 : 45) “De dag Zijns hittigen toorns”. (Jesaja 13 : 13)

En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden des hemels, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen der bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen. Openbaring 8 : 13

De drie nog resterende bazuinen worden ook aangeduid met wee. Drie weeën. Waarom krijgen de laatste drie een andere aanduiding? De eerste conclusie moet zijn dat die eerste vier gescheiden worden van de laatste drie. Het is verschillend van karakter. Ik denk, maar zeg het met grote terughoudendheid, dat die eerste vier min of meer gelijktijdig plaatsvinden. Hoelang dat in totaal duurt weet ik niet. Dat zou tientallen jaren kunnen zijn. Het zou ook kunnen dat het langzaam begint en steeds erger wordt. Men krijgt het niet onder controle. De laatste drie worden apart genoemd, ook uitgebreider, en ze worden aangeduid als drie achtereenvolgende weeën. Het gaat dan om elkaar opvolgende dingen. Bij de eerste 4 lees je niet dat het opvolgende dingen zijn, of je zou de nummers 1 t/m 4 moeten zien als chronologische tijdrekenkundige volgorde. Maar ik heb niet de neiging om dat te doen. Alleen de laatste drie gaan achtereenvolgens. Dat wordt ook uitdrukkelijk gezegd in hoofdstuk 9, waar boven staat: de vijfde engel.

9. Openbaring 9

1 En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.
2 En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts.
3 En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.
4 En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.
5 En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft. Openbaring 9 : 1-5

De ster blijkt een vrouwelijk iemand te zijn. Zij heeft de put des afgronds geopend en er is rook opgegaan uit de put als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts. Uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben. Ze zijn giftig, ze doden. Tegen hen werd gezegd “dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben”. De mensen worden beschadigd, maar de 144.000 dienstknechten Gods uit Openbaring 7 niet. Hun werd gegeven te pijnigingen (als van een schorpioen) gedurende vijf maanden. Of het ook letterlijk vijf maanden zijn, weet ik niet. Wel weet ik dat het sprinkhanenseizoen in Afrika en in het Midden Oosten vijf maanden duurt. De lucht wordt door sprinkhanen verduisterd, zulke grote zwermen zijn er dan. In Joël 1 gaat het over een sprinkhanenplaag. Die brengt oordeel over heel het land. Dat wordt kaal gevreten, zodat de mensen sterven van de honger. De rook en de sprinkhanen komen uit de afgrond. Dit is symboliek. Men zou onder de put, de afgrond in vers 1, Hades, dodenrijk, onderwereld, Sheool of hel kunnen verstaan. Theoretisch zou het kunnen dat die geopend wordt en dat daaruit nogal wat boze geesten worden losgelaten, die hier op de aarde verschijnen. Je kunt die dingen ook helemaal overdrachtelijk lezen en beseffen dat put, afgrond, hel, Hades, Tartarus, onderwereld en dergelijke in het algemeen de uitbeelding zijn van verderf en dus van de dood. De macht van het verderf, van de dood, die in grotere hevigheid tegen de mensen tekeergaat, zodat zij ziek worden en pijn lijden, maar sterven doen zij nog niet. Men overlijdt niet aan deze kwaal en dat is soms nog erger.

6 En in die dagen zullen de mensen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.
7 En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun aangezichten als aangezichten van mensen.
8 En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen.
9 En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruis hunner vleugelen was als een gedruis der wagens, wanneer vele paarden naar den strijd lopen.
10 En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden. Openbaring 9 : 6-10

Het gaat om een actieve macht waardoor de mens extra lijdt.

10 En de vijfde engel goot zijn fiool uit op den troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
11 En zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken. Openbaring 16 : 10, 11

De mensen “kauwden hun tongen van pijn”, dat komt toch overeen? Zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen en zweren, omdat ze gestoken zijn door de schorpioenen uit Openbaring 9. Zij sterven niet, maar bekeren zich ook niet van hun werken. Het zou wel moeten, maar het gebeurde nog niet.

11 En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij den naam Apollyon.
12 Het ene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeën na dezen. Openbaring 9 : 11, 12

Deze sprinkhanen, dan wel schorpioenen, hadden de engel des afgronds als koning. De afgrond is het verderf en daarmee is het de engel des verderfs. Zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon en dat betekent verderf. In de Griekse taal had hij de naam Apollyon (van appolumi) en dat betekent ook verderf. Of dat een letterlijke engel is, weet ik niet, maar het gaat om de heerschappij, om de macht van het verderf, die specifiek over de mensheid komt. Dus eerst de vier oordelen, parallel gedurende lange tijd en daarna verheviging met de vijfde, zesde en zevende bazuin, danwel fiool. Ook genoemd zijn de drie elkaar opvolgende weeën, die kennelijk de afsluiting vormen van de verdrukking.

De vijfde bazuin staat in verband met de afgrond. De zesde met de Eufraat. Tussen de zesde en zevende bazuin  wordt nog wat verteld in hoofdstuk 10 en 11 t/m vers 13. Je krijgt een soort onderbreking, omdat naar al oud gebruik er, vóórdat de climax van het verhaal bereikt wordt, weer teruggegaan wordt naar het begin of althans een begin. Van daaruit wordt het verhaal opnieuw verteld of wordt een bepaald aspect van het verhaal, dat onderbelicht was gebleven, alsnog belicht.

13 En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was,
14 Zeggende tot den zesden engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, den Eufraat. Openbaring 9 : 13, 14

De vier engelen die ontbonden moeten worden hebben van doen (zie 7 : 1) met alle windrichtingen, met heel de aarde, maar het gaat meer specifiek om de grote rivier de Eufraat, in Irak. Aan deze rivier ligt Babel, de oude hoofdstad van het grote wereldrijk van Nimrod en van Nebukadnezar.

En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden. Openbaring 9:15

De datering hiervoor staat vast. Een vaste datum, opdat zij het “derde deel der mensen zouden doden”. Weer een deel van de mensen.

16 En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tien duizenden der tien duizenden; en ik hoorde hun getal.
17 En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulferver- vige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer.
18 Door deze drie werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging.
19 Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve. Openbaring 9:16-19

Hier wordt een groot en actief leger beschreven, zoals dat ook in Joël 2 wordt genoemd.

20 En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;
21 En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen. Openbaring 9:20,21

Ook hierdoor komt men niet tot bekering, maar men wordt wel gedood. Dat moet een enorme slachting onder de mensheid zijn.

10. Openbaring 10

In hoofdstuk 10 staan we weer aan het begin van de verborgenheid. Er komt een eind aan de periode waarin God Zich verbergt. Hij zal spreken, Hij zal Zich bezighouden met de gang van zaken in de wereld en er Zijn Koninkrijk vestigen. Dat doet Hij nu niet. Dat moetje eerst weten om er iets van te begrijpen. Hij zal dat in de toekomst doen en daar ging het over i.v.m. de zeven zegels en fiolen. Het eindigt onder het zevende zegel met de vestiging van het Koninkrijk. Dan is de verborgenheid voltooid en dat is precies wat in dit Schriftgedeelte ook staat.

En ik zag een anderen sterken engel, afkomende van den hemel, die bekleed was met een wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezicht was als de zon, en zijn voeten waren als pilaren van vuur. Openbaring 10:1

“Een andere” is: nog één. Ik zag weer een sterke engel. In mijn Bijbel staat een verwijzing naar Openbaring 1 : 15, want daar hadden we een soortgelijke verschijning. Hij was niet helemaal identiek, maar we begrijpen dat het een uitbeelding is van de Here Jezus. Die is nou eenmaal Engel, Aartsengel en ook Engel des Heeren in het Oude Testamant. Hij was bekleed met een wolk. Een wolk staat voor geestelijke dingen. De wolkkolom in de Tabernakel is de Heilige Geest. Het is een beeld van de onzienlijke, ontastbare, kracht Gods. De Heer doet nu in het verborgene Zijn werk. Als uitbeelding daarvan verdween Hij in een wolk. In onze tijd werkt Hij in het verborgene en kennen wij Hem als de Heilige Geest, maar in de toekomst zal Hij als Jezus van Nazareth zichtbaar op aarde verschijnen. Hij zal uit de wolken komen.

De regenboog herinnert ons eraan, volgens Genesis 9, dat als God nog een keer de aarde zal oordelen, Hij dat definitief zal doen. Niet meer tijdelijk door water, niet meer een beperkt oordeel, maar nu definitief, door vuur. Als de Heer in de toekomst zal verschijnen, zal Hij een definitief oordeel brengen. In de dag des Heeren – Zijn wederkomst – uitlopende op de Dag Gods ofwel de Jongste Dag. Samen staan deze termen achter elkaar en in het zelfde verband in 2 Petrus 3. “Zijn aangezicht was als de zon, en zijn voeten waren als pilaren van vuur”, net als in hoofdstuk 1.

En hij had in zijn hand een boeksken, dat geopend was; en hij zette zijn rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde. Openbaring 10:2

Dat betekent dat Hem het oordeel gegeven is. Hij stond met één voet op de zee en met de andere op de aarde, op het land. Volgens een Bijbelse systematiek wordt met de zee de volkeren bedoeld. De aarde, het land, is het land Israël, Eretz Israël. Aarde voor Israël, zee voor de volkeren. In die dagen van de verborgenheid gebeurt Gods werk primair rechts, in de zee. Dat wil zeggen onder de volkeren en pas op de tweede plaats aan Israël. Dat is de bekende omkering die wij zo vaak tegenkomen, zeker in het Nieuwe Testament, waarbij de zaligheid van Israël is weggenomen en aan de heidenen gegeven is. In onze bedeling der verborgenheid zijn die dingen nou eenmaal omgekeerd. Daarvoor was Israël Gods volk, met de verantwoordelijkheid om het woord Gods te bewaren en dus het werk Gods ten uitvoer te brengen. Dat zal ook weer zo zijn in de dagen van de wederkomst van de Here Jezus Christus. In de huidige tijd hebben de heidenen de verantwoordelijkheid om het woord Gods te bewaren en te prediken. Dat is de rechtervoet op de zee en de linker op de aarde.

3 En hij riep met een grote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hun stemmen.
4 En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Verzegel, hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. Openbaring 10 : 3, 4

Johannes was van plan op te schrijven wat die zeven stemmen, die zeven donderslagen, meedeelden, maar hij deed het niet. Die zeven donderslagen spreken over de verborgenheid en daarom worden ze verborgen. Dat zagen we al in Openbaring 2 en 3, bij de zeven kandelaren en de zeven brieven, die de periode van de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen bespreken. De term verborgenheid staat een paar verzen verder. Het is een verwijzing naar onze periode. God spreekt en werkt wel, maar niet tot en in de wereld. Hij doet een werk aan ons, in onze bedeling der verborgenheid.

5 En de engel, dien ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar den hemel;
6 En hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn; Openbaring 10 : 5, 6

De uitdrukking “hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is”, is niet alleen een verwijzing naar God Die de hemel en de aarde geschapen heeft. God de Schepper voert een plan uit m.b.t. de wereld. Hij doet er een werk in, in het verborgene, maar in de toekomst zal dat anders zijn. Dat wordt hier gezegd. Vers 6 zegt dat er geen tijd  meer zal zijn. De NBG-51 vertalers hebben het vertaald met: “dat er geen uitstel meer zou zijn”. Dat is geen goede vertaling, maar geeft wel duidelijk weer wat er in de grondtekst staat: er zal geen uitstel meer zijn. Als dit op dit tijdstip gebeurt dan zal er geen tijd verlopen, dingen zullen niet meer vooruit geschoven worden. Er komt geen tijdsruimte meer tussen. Nu gaat het definitief gebeuren. Zo was het niet bij de eerste komst van Christus. Toen zei Hij: Ik heb de tijd. Willen ze Mijn Koninkrijk niet? Het komt er toch, maar Ik heb de tijd. In die tijd leven wij. Straks zal er geen uitstel meer zijn. Dan zal het Koninkrijk openbaar worden.

Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft. Openbaring 10 : 7

Sinds de zesde bazuin is het wachten op het moment dat “hij bazuinen zal”. De zevende bazuin komt immers pas in hoofdstuk 11 : 15. Dan zal de verborgenheid Gods vervuld worden. De “verborgenheid Gods” heeft primair van doen met de verborgenheid van het Koninkrijk der hemelen. De eerste keer dat de term verborgenheid in de Bijbel gebruikt wordt, in Matthéüs 13, gaat het namelijk om een verborgen Koninkrijk met alles erop en eraan. De verborgenheid van dat Koninkrijk zal vervuld worden. Het zal geopenbaard worden als de zevende bazuin klinkt. Dat staat ook in hoofdstuk 11 : 15 en wat er verder volgt.

“Gelijk Hij Zijn dienstknechten, de profeten, verkondigd heeft”, is de verwijzing naar het Oude Testament. Petrus zei daarvan in Handelingen 3 : 21: “Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw”. Dat betekent dat in de wederkomst van Christus alsnog het profetisch woord vervuld zal worden. De zevende bazuin is aan het einde van de bedeling der volheid der heidenen, aan het eind van de 33 jaar, het begin van de duizend jaar.

8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij, en zeide: Ga henen, neem het boeksken, dat geopend en in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat.
9 En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.
10 En ik nam dat boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.
11 En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen. Openbaring 10 : 8-11

Het boeksken was in de hand van de Heer. Door het opeten  van dat boeksken werd de buik van Johannes bitter; hij werd er misselijk van. Het idee is dat men eerst zelf het woord Gods tot zich moet nemen, het op moet eten, om het daarna te kunnen spreken. Dat moet Johannes dus doen, want hij moet nog meer profeteren, namelijk het woord Gods en dus zou hij spreken over het plan dat God gemaakt heeft. Gods woord is zoet als honing (zie Exodus i6 over het Manna uit de hemel), want het spreekt over genade, verlossing en zegeningen die de Heer geeft. Aan de andere kant is het ook bitter, omdat datzelfde woord Gods oordeel uitspreekt over de oude mens en over de oude schepping.

11. Openbaring 11

1 En mij werd een rietstok gegeven, een meetroede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden.
2 En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden. Openbaring 11 : 1, 2

Er wordt met een bepaalde maatstaf (norm) gemeten. De norm waarmee God meet is die van geloof. Of beter nog: van wedergeboorte. Is iemand een nieuwe schepping of niet? De stam (stok, roede) is daar de uitbeelding van. Het gaat om een nieuwe schepping die voortgebracht zal worden. Stok is – net als staf – de uitbeelding van opstanding en dus van nieuw leven; van wedergeboorte. Daarmee wordt gemeten. Een rietstok is een rechte stok, rechte lat, een roede gelijk. Dit is een visioen en dus hebben de tempel en altaar een overdrachtelijke betekenis. Net als hiervoor en hierna in Openbaring. Het voorhof is aan de heidenen gegeven. Zij zullen de heilige stad 42 maanden vertreden. Voorhof is hier dus een beeld van de heilige stad, dezelfde als die van vers 8, namelijk de grote stad, die geestelijk (overdrachtelijk) Sodom en Egypte wordt genoemd, alwaar ook onze Heer gekruisigd is. Het is Jeruzalem. Zoals een oordeel kwam over Egypte en over Sodom, zo zou er een oordeel komen over Jeruzalem. De heilige stad Jeruzalem zou door de heidenen vertreden worden, alsnog. Dat wordt hier aangekondigd en dat betekent dat we terug zijn in de 70-ste week van Daniël. Dat kan niet missen, want we zouden dit lezen i.v.m. hoofdstuk 10, waar aangekondigd wordt dat de verborgenheid vervuld zou worden als de zevende bazuin blaast. Hoe die verborgenheid vervuld wordt weten we uit de voorgaande nieuwtestamentische Bijbelboeken. Wij verwachten eerst de opname van de Gemeente, waarbij alle gelovigen van de aarde weg zijn, en daarna de 70-ste week van Daniël, waarin de Heer uitsluitend bezig is met wat van Israël nog over is. Dat is het Joodse volk en meer specifiek de Joodse staat. Hier wordt de draad weer opgenomen over hoe dat dan gaat met die openbaring van die verborgenheid. Dat begint namelijk met een werk Gods aan het Joodse volk, nadat de Gemeente weggenomen is.

Als in vers 2 “het voorhof” een beeld is van Jeruzalem, dan gaat vers 1 over een tempel Gods en over een altaar, maar niet letterlijk in Jeruzalem. Waar is die tempel een beeld van? Waar is dat altaar een beeld van? Wat wordt er gemeten? Als het voorhof – buiten de tempel – een beeld is van Israël, d.w.z. van het Joodse volk, uitgedrukt in de stad Jeruzalem, dan vind je daarbinnen de tempel. Die is in het midden en is een beeld van de Gemeente. Die is hoger dan Israël, dan het Joodse volk. De Gemeente heeft het eerstgeboorterecht boven het Joodse volk. De tempel en het altaar (de Gemeente) worden gemeten, maar wat betekent meten? Waarom, waartoe of met welk doel wordt hier de Gemeente gemeten? Het gaat hier om een opmeting van onroerend goed i.v.m. het eigendomsrecht. Dat geldt ook voor telling uiteraard. Precies hetzelfde. Wanneer wordt er geteld? Om te bepalen van wie het is, anders kun je het niet vastleggen. Als Jeruzalem, “het voorhof”, gemeten zou moeten worden, moet dat aan het eind van de 70-ste week van Daniël zijn. In ieder geval niet eerder. Als de tempel, de Gemeente, gemeten zou worden, dan gebeurt dat op het moment dat de Gemeente voltooid is en definitief zijn hemelse erfenis ontvangt. Het meten van de tempel in Openbaring 11 is een beeld van de opname van de Gemeente. De voltooiing van Gods werk aan de Gemeente. Dan is deze compleet en daarna begint er een periode waarin Jeruzalem vertreden zou worden door heidenen. Voorlopig 42 maanden. Meer staat er hier nog niet bij; daar hebben we het later nog over.

De tempel Gods is de Gemeente en wedergeboorte is de norm om te bepalen wie er wel bij hoort en wie niet. Allen die wedergeboren zijn maken deel uit van de Gemeente. Als later Jeruzalem gemeten wordt en daarmee Juda, (Zacharia 2) het Joodse volk, is uiteraard dezelfde norm van toepassing. Wie hoort er bij? Wie gaat het Koninkrijk binnen? Degenen die wedergeboren zijn, die deel hebben aan het opstandings- leven van Christus. Dat is wat de roede uitdrukt. De tempel en het altaar geven samen uitdrukking aan de positie van de Gemeente in het algemeen. Het altaar is de uitbeelding van de dienst aan God. De tempel is de uitbeelding van het volk Gods.

“De engel stond en zei: sta op en meet de tempel Gods”. Beide termen drukken uit dat inderdaad een eind komt aan de verborgenheid. De Heer is dan niet langer passief, Hij verbergt zich niet langer. Het eerste punt op Zijn agenda is logischerwijze de opname van de Gemeente. Daar hoort Israël nog niet bij, dat komt pas later. Want na de opname van de Gemeente in Openbaring 11 : 1 komen wij eerst terecht bij het voorhof, namelijk Juda, de Joodse stad, de staat en het volk. “Meet dat niet”, want zegt de Heer: “dat is nog niet van Mij”. Dat is nog niet Mijn volk. Dat moet nog gebeuren. En hoe dat dan zal gebeuren staat in essentie o.a. in de rest van dit hoofdstuk. Er staat over dat Jeruzalem: “Het is aan de heidenen gegeven”. Dat is al heel lang zo. Jeruzalem was al aan de heidenen gegeven in de dagen van de Here Jezus en we lezen die termen in Lukas 21, waar boven vers 20 staat: “De grote verdrukking”. Dat is niet helemaal correct, want het gaat niet om de grote verdrukking specifiek, maar over de hele periode van de verborgenheid. Vers 20: “Wanneer gij zult zien dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt…”. Dat waren de Romeinse legers, in 67 of 68, waarna de verwoesting van Jeruzalem volgde in het jaar 70. “Zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. Alsdan dat die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen”. Dat gold toen al en in de 70-ste week van Daniël ook. “Want”, vers 22, “deze zijn de dagen der wraak”. Opvallend is dat er niet staat: dit is de grote verdrukking. Dat staat in Matthéüs 24 wel, maar daar zijn we in de 70-ste week. Hier zijn we aan het begin van onze bedeling, nog in de dagen van Handelingen, want, zegt 24: “En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken”. Dat gebeurt niet aan het eind van de 70-ste week, want dan zal men niet weggevoerd worden onder alle volken in ballingschap. Dan zal men in Jeruzalem omkomen, behalve degenen die kunnen vluchten, achter de Heer aan, naar de woestijn, naar Petra. Wat hier allemaal nog staat, is in het verleden gebeurd met de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen. Wat er daarna staat geldt vanaf die tijd, namelijk dat Jeruzalem door de heidenen vertreden zal worden. Dat is precies de term uit Openbaring 11.

Er staat: “totdat de termijn”, vertaald met de tijden, der heidenen vervuld zullen zijn. Die term verwijst o.a. naar het boek Daniël, want de tijden der heidenen zijn de tijden waarin de heidenen de heerschappij hebben over Jeruzalem. Dat is tot in onze dagen zo en dat blijft zo tot de definitieve verwoesting van Jeruzalem. Want tot het einde van de 70-ste week (Daniël 9 : 26, 27) zou er verwoesting zijn. Dus: eerst de opname van de Gemeente, gevolgd door de periode waarin Jeruzalem door de heidenen vertreden wordt. Dat is niet het einde van de 70-ste week. Er wordt over 42 maanden gesproken en dan staat er een punt. Ik vind het een ongelukkige interpunctie, want uit het verband blijkt duidelijk dat Jeruzalem ook na die 42 maanden door de heidenen vertreden zal worden. In die 42 maanden zal de Heer Zijn twee getuigen geven, die zullen 1260 dagen profeteren. Die 42 maanden zijn in de eerste plaats identiek aan de 1260 dagen uit vers 3. 42 maanden van 30 dagen is 1260 dagen. Dat is bij elkaar 3,5 jaar en dat is hetzelfde als tijd, tijden, dubbele tijd, en een halve tijd. Logischerwijze is dat de eerste helft van de 70-ste week van Daniël óf de tweede helft. Welke van de twee helften het is blijkt uit de rest van dit hoofdstuk.

Na deze 42 maanden bestaat Jeruzalem nog steeds. Het viert zelfs feest, omdat die twee getuigen toch gedood zijn. Dan is het niet het eind van de 70-ste week, want dan wordt Jeruzalem verwoest en dan is er geen feest in Jeruzalem. Deze 42 maanden gaan dus over de eerste helft van de 70-ste week van Daniël, meteen na de opname van de Gemeente. Als bij de opname van de Gemeente, het meten van de tempel, opeens alle gelovigen (wedergeboren mensen) van de aarde weg zijn, wie moeten daarna dan het woord Gods prediken? Waardoor moet het Joodse volk dan tot geloof komen? Zodra de Gemeente weg is, stuurt de Heer twee getuigen. Dat is meteen aan het begin van deze 70-ste week van Daniël. Echter na 3,5 jaar – 42 maanden – worden zij gedood. Men is blij dat men van die lastige twee getuigen af is en viert feest. 3,5 jaar later zal echter datzelfde Jeruzalem verwoest worden en dan dus ook niet langer meer vertreden worden door de heidenen. Jeruzalem wordt dus in totaal 84 maanden door de heidenen vertreden, maar het gaat hier primair niet daarom, maar om het feit dat de Heer boodschappers zendt om het evangelie te prediken nadat de Gemeente is opgenomen.

3 En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.
4 Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan. Openbaring 11 : 3, 4

De twee olijfbomen, kandelaren, verwijzen naar oudtestamentische profetie. Al in het Oude Testament werd de komst van deze twee getuigen aangekondigd. Met name in Zacharia 4. Zacharia was één van de drie profeten van na de ballingschap. Die vertelden dat de toenmalige terugkeer uit de Babylonische ballingschap niet de vervulling was van al Gods Messiaanse beloften en voorspelden wat er nog zou moeten gebeuren.

En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt. Zacharia 4 : 1

Elke keer als een profeet in slaap valt op het moment dat hij een visioen moet krijgen, dan gaat het in elk geval over onze tegenwoordige bedeling, waarin God een werk doet in het verborgene. Dat is zo sinds Genesis 2. Terwijl Adam sliep formeerde God uit zijn lichaam zijn vrouw. Het is de uitbeelding van onze tegenwoordige bedeling. Het lijkt of er niets gebeurt, maar God verwekt Zich een Gemeente uit het Lichaam van Christus en daar is Eva een beeld van. Daarna staat er:

2 En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;
3 En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde. Zacharia 4 : 2, 3

De kandelaar is een statief met daar bovenop de lamp of lampen. Zoals de menora. Lampen zijn vaatjes met olie op een schaaltje waar een tuitje uit hangt. In Openbaring 1 wordt gesproken over zeven kandelaren, danwel lampen als een beeld van de Gemeente. In Zacharia zie je ook zoiets: een kandelaar met daarop 7 lampen, die via leidingen verbonden zijn met het oliekruikje of -kruikjes. De kruiken zijn weer verbonden met de twee olijfbomen ernaast. Het idee is dat die olie voor die lampen uit de olijfbomen rechtstreeks in een verzamelvat (kruik) komt. Vanuit die kruik gaat de olie naar de lampen. Bij het hele proces is geen mensenhand betrokken. Het gebeurt gewoon.

4 En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen?
5 Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!
6 Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen. Zacharia 4 : 4-6

Zerubbabel was de erfgenaam van de troon van David en daarmee de voorvader, van na de ballingschap, van de Here Jezus. Hij was de Zone Davids. Dit woord des Heeren tot Zerubbabel gaat, over Zerubbabel heen, over de uiteindelijke Zoon van David, de Here Jezus, de Messias. Dat gebeurt door onzienlijke kracht, door “Mijn Geest”. Hier wordt nieuwtestamentische, meer in het bijzonder Gemeentelijke, waarheid verteld. De beloften Gods over een terugkeer uit alle volkeren, waarheen de Heer Israël verstrooid had, worden vervuld als het Koninkrijk van God op aarde gevestigd zal zijn, maar dat zou eerst in het verborgene tot stand komen. Het gaat over Gods werk in onze bedeling en dat gebeurt niet door kracht en geweld, maar door de onzienlijke kracht Gods, de Geest Gods. Dat beeld van olijfbomen, dat kruikje en die lampen, is een beeld van het tegenwoordige werk Gods. God doet Zijn werk door Christus, de Zoon van Zerubbabel en daarmee de Zoon van David. Die waarheid dringt slecht door, omdat gelovigen denken dat zij in onze dagen iets tot stand moeten brengen. Dat de Gemeente iets moet doen. Dat is weliswaar niet helemaal onjuist, maar voornamelijk gaat het erom dat de Heer Zijn werk zou doen door ons. Hij zou Zijn Gemeente bouwen. Hij zou ons gebruiken tot Zijn eer en tot Zijn dienst. Hij heeft ons bekwaam gemaakt om dienaren te zijn van een Nieuw Verbond, dat een bediening des Geestes is (2 Korinthe 3 : 8)

De twee olijfbomen uit Openbaring 11 stellen dus in de eerste plaats de Gemeente voor en niet de twee getuigen. En daarom lezen we nog even verder, om dat zeker te stellen.

Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven! Zacharia 4 : 7

Een grote berg is een beeld van een groot koninkrijk en dat is blijkbaar Babel, want daar gaat het over in de dagen van Zacharia en van de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap. Het gaat hier over de overwinning op het koninkrijk van Babel en eigenlijk op het koninkrijk van de duivel, want satan is de koning van Babel 9. (zie Jesaja 14) Dat gaat dus over overheden en machten in de tegenwoordige tijd, waarover Christus (en met Hem de Gemeente) de overwinnaar is. Wij hebben in onze dagen de overwinning op deze macht, uitgedrukt in het vlak worden van deze berg. De hoofdsteen is de topsteen, de top van het bouwwerk. Die hoofdsteen is Christus. (o.a. Psalm 118, Efeze 2 en 1 Petrus 1) De uitdrukking “genade” verwijst naar onze bedeling der genade.

De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de HEERE der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft. Zacharia 4 : 9

“De handen van Zerubbabel” – de Here Jezus – hebben dit huis gegrondvest, want in de dagen van Zacharia werd immers de tempel gebouwd, na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Die bouw is een uitbeelding van de bouw van de Gemeente in onze tegenwoordige tijd. De Here Jezus zei in Matthéüs 16 : 18: “Ik zal Mijn Gemeente bouwen”. Zijn handen hebben dit huis gegrondvest en zijn handen zullen het ook voleinden. Het begin en het einde is het werk des Heeren. Niet door kracht, noch door geweld, maar door de Geest van God zou dit huis gebouwd worden. En daarna de volgende vragen:

11  …Wat zijn die twee olijfbomen, ter rechterzijde des kandelaars, en aan zijn linkerzijde?
12  …Wat zijn die twee takjes der olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten? Zacharia 4 : 11, 12

Olie is een beeld van de Heilige Geest. Het is nieuw Leven. Goud is een beeld van eeuwig Leven. Net als de olijfolie en de olijfboom. De vraag hier is: wie of wat zijn die? Het antwoordt volgt in Zacharia 4:

 … Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der ganse aarde staan. Zacharia 4 : 14

Dit vers wordt in Openbaring 11 aangehaald, waar de olijftakken twee getuigen worden genoemd. Bij het woord van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. (2 Korinthe 13 : 1) Je moet er minstens twee hebben. De derde getuige is de Heer Zelf, zoals Openbaring 1 zegt: “de getrouwe Getuige”. Een olijfboom is een beeld van de getuige en daarom ook een beeld van priesterschap, want de priester is degene die verantwoordelijk is voor het bewaren en voortbrengen van het Woord Gods. Hier is het beeld van die twee olijfbomen van toepassing op de Gemeente. Als Christus het hoofd is van de Gemeente en Hij is de getrouwe Getuige, dan is de Gemeente dus die getrouwe Getuige en verantwoordelijk voor het bewaren en prediken van het Woord Gods. De Gemeente wordt veelal, niet altijd, in de typologie voorgesteld door twee.

Zacharia 4 spreekt over onze tegenwoordige tijd, waarin de Heer verborgen voor de wereld een werk doet, maar waarbij wel degelijk dat licht geproduceerd wordt. De genade die ons ten deel is gevallen is dat wij in dat werk betrokken mogen zijn, maar Hij is Degene Die dat werk doet en Die Zijn Leven in ons en daarmee in heel de Gemeente zou leven. Wat heeft dit te maken met Openbaring 11? Daar gaat het toch over de dagen na de opname van de Gemeente. Een belangrijk beginsel in de verklaring van het profetisch woord is dat in de dagen van na de opname van de Gemeente en dus de dagen van de zesde bedeling, het Koninkrijk van Christus nog verborgen is, maar wel wordt geopenbaard. In de Bijbel vinden wij profetieën over de verborgenheid, die van toepassing zijn op onze tegenwoordige tijd, maar die evenzo van toepassing zijn in de dagen waarin het Koninkrijk geopenbaard wordt. Uitspraken over onze tegenwoordige bedeling in het Oude Testament zijn gewoonlijk ook uitspraken over de dagen van Israël en de bekering van Israël en de wederkomst van Christus. De profetieën over de eerste komst van Christus hebben op andere wijze ook een toepassing op de wederkomst van Christus. Veel van die profetieën hebben zelfs in beide gevallen een vervulling. Profetieën over de twee getuigen hebben in de eerste plaats van doen met onze tegenwoordige tijd, want de twee getuigen zijn een beeld van de Gemeente van vandaag. Letterlijk waren er in de eerste komst van Christus ook twee getuigen, namelijk Johannes de Doper en de Here Jezus. In de toekomst, als de Heer wederkomt, zullen er weer twee getuigen zijn.  Dat zijn die twee uit Openbaring 11. Die twee getuigen ten tijde van de eerste komst van de Here Jezus zijn een uitbeelding van de tegenwoordige bedeling.

En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden. Openbaring 11 : 5

De twee getuigen kunnen gebruik maken van de kracht van hun woord. Ze kunnen hun tegenstanders vernietigen door hun woord; letterlijk. Ze zijn dus onschendbaar tijdens de dagen van hun bediening (3,5 jaar, 42 maanden, 1260 dagen). Net zo onschendbaar als later de 144.000 getuigen. Dat is openbaring 7 en daarmee pas na de 70-ste week van Daniël. Hier zijn we nog onder de Joden in de 70-ste week van Daniël en meer speciaal in Jeruzalem. Daarna wordt gezegd wie zij zijn. Er worden kenmerkende eigenschappen genoemd.

Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen; Openbaring 11 : 6

Dat identificeert in ieder één van die twee getuigen. Elia had namelijk de macht om de hemel te sluiten, opdat het niet zou regenen in de dagen zijner profetering. (1 Koningen 17) Dat wordt in het Nieuwe Testament tweemaal aangehaald. Door Jakobus in Jakobus 5 en door de Here Jezus in Lukas 4. In beide gevallen staat er dat de hemel gesloten werd in de dagen van Elia, gedurende 3,5 jaar. Dat lees je in het Oude Testament niet, maar in het Nieuwe Testament tweemaal. De Joden verwachten Elia nog steeds. Vóórdat de Messias komt, komt Elia. (Maleachi 4 : 5) De andere beschrijving in vers 6 “macht over de wateren om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plagen”, maakt duidelijk dat Mozes de andere getuige moet zijn. Die wordt ook verwacht door de Joden. (Johannes 1) Als alle nieuwtestamentische gelovigen van de aarde zijn weggenomen, door de opname van de Gemeente, zendt God twee oudtestamentische gelovigen naar Israël om aan hen het Woord Gods te prediken.  Dan moet je de conclusie trekken dat Mozes en Elia alsnog tot de Gemeente behoren en als vertegenwoordigers van de Gemeente doen wat de Gemeente moet doen: het evangelie prediken aan het Joodse volk. Mozes en Elia beklommen beiden eenmaal de Sinaï en hadden daar een ontmoeting met de Heer. Daar zagen zij Gemeentelijke (verborgen) waarheid. Van Elia valt het niet op, maar het is hetzelfde verhaal. Veertig dagen in de woestijn en op de berg. De tekenen van zowel Mozes als Elia zijn tekenen van onze tegenwoordige tijd, van het werk des Heeren in onze tegenwoordige tijd m.b.t. de roeping van de Gemeente. Mozes en Elia krijgen alsnog een hemelse bestemming, zo blijkt uit het vervolg.

7 En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.
8 En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is. Openbaring 11 : 7, 8

In vers 7 wordt ineens en voor het eerst gesproken over het beest dat uit de afgrond opkomt, dat de gelovigen krijg aan zou doen en hen zou overwinnen. In elk geval is het de terugverwijzing naar Daniël 7, naar een profetie over vier verschillende dieren. Die zijn een voorstelling van achtereenvolgende heidense wereldrijken, die in elk geval macht hebben over Jeruzalem en daarmee boven Israël geplaatst zijn. Het beest dat beschreven wordt is in feite de voorstelling van dat laatste grote wereldrijk, zoals dat zou bestaan in de dagen van de wederkomst van Christus: het antichristelijke rijk. Dat is een satanisch rijk, dat kan niet missen. Daniël leert al dat het laatste wereldrijk geregeerd zal worden vanuit Babel. Babel is niet alleen overdrachtelijk, er is ook een letterlijk Babel. Dat staat zwart op wit in het laatste vers van Openbaring 17. De koning van Babel is in ieder geval, sinds Jesaja 14, de duivel zelf, die uit de hemel gevallen was. Die blinkende morgenster. Het rijk als zodanig is hier in Openbaring nog niet besproken, maar alleen net even genoemd i.v.m. het midden van de 70-ste week van Daniël, want daar gaat het in de praktijk over. Het valt ook samen, volgens Matthéüs 24, met de oprichting van een beeld. Het beeld van het beest heet het, maar zo heet het pas in Openbaring 13.

Mozes en Elia worden gedood, na 3,5 jaar pas, aan het eind van hun bediening en in Jeruzalem, geestelijk genoemd Sodom en Egypte. Sodom werd in die tijd beschouwd als een beeld van het oordeel Gods over heel de schepping, over alle volkeren, maar speciaal over Jeruzalem. Het oordeel over Sodom is onder andere een voorafschaduwing van het oordeel over Jeruzalem. Dat geldt ook voor het oordeel over Egypte, indertijd bij de uittocht uit Egypte, waarbij Farao en zijn legers omkwamen en het grote Egyptische rijk ten onderging. Die geschiedenis is een uitbeelding van het oordeel dat over heel de schepping zal komen, beginnende bij Jeruzalem. Vandaar dat het hier genoemd wordt. Jeruzalem zal aan dit oordeel niet ontkomen. Mede omdat ze altijd in de loop van de geschiedenis de profeten vervolgd en gedood heeft en dit is de laatste keer dat het gebeurt. De dode lichamen van Mozes en Elia zullen op de straat liggen. Er staat “breedte”. In werkelijkheid is het een plein. Het tempelplein, wat mij betreft, waar ook het beeld zou worden opgericht.

9 En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natiën, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halven, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden.
10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.
11 En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden. Openbaring 11 : 9-11

Ze sturen elkaar cadeautjes, omdat de profeten degenen die op de aarde wonen gepijnigd hadden. Eindelijk zijn ze van het christelijke getuigenis van die twee lastige mensen verlost. Maar na 3,5 dagen staan de gedode getuigen op en dat veroorzaakt grote vrees bij degenen die hen aanschouwen.

En zij hoorden een grote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen. Openbaring 11 : 12

Zij varen op naar de hemel in de bekende wolk waarin ook de Heer verdwenen is en waaruit Hij zal wederkomen. De twee worden als laatste gelovigen toegevoegd aan de Gemeente. De prediking van het evangelie door Mozes en Elia zal resultaat hebben. Er zullen weer gelovigen zijn en dan kunnen die twee getuigen verdwijnen. Ze hebben de verbinding gelegd tussen onze bedeling en de volgende. Het overblijfsel op aarde is dan in stand gehouden, zodat via die route Israël alsnog tot bekering kan komen. Dat is officieel aan het eind van de 70-ste week van Daniël.

En in diezelfde ure geschiedde een grote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van mensen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven. Openbaring 11 : 13

Dat is nog steeds in het midden van de 70-ste week. Het tiende deel der stad is gevallen en in de aardbeving zijn 7.000 mensen gedood, als uitbeelding van het oordeel dat zou komen. Maar dit is niet de definitieve verwoesting van Jeruzalem, want die is pas aan het eind van de 70-ste week van Daniël. Daar wordt iedereen gedood die nog in de stad is. (Zacharia 14) “De overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben de God des hemels heerlijkheid gegeven”. Wij zouden “overigen” de volledige, Bijbelse, betekenis van de term geven. Overigen is overblijfsel en, tenzij anders vermeld, een gelovig overblijfsel.  Dat wordt buiten Jeruzalem verzameld, in de woestijn. Vanaf vers 14 wordt de draad van de geschiedenis weer opgenomen, want 10 en 11 is een intermezzo; het gedeelte is er tussen geschoven.

14 Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haast.
15 En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid. Openbaring 11 : 14, 15

Die zes bazuinen, danwel de zes fiolen, waren de oordelen Gods. De laatste drie van de zeven bazuinen worden ook aangeduid als drie weeën, die kennelijk achtereenvolgens komen of plaatsvinden. “De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus”, “en van Zijn Gezalfde” is dat laatste in het Nederlands. Dat is een aardige, omdat de term eigenlijk ontleend is aan Psalm 2, waar staat dat de volkeren der aarde beraadslagen tezamen tegen God en Zijn Gezalfde. Daar willen ze zich niet aan Hem onderwerpen en hier moeten ze zich aan Hem onderwerpen. Het is definitief gebeurd en daarmee is het de vervulling van die Psalm. De situatie op het hier genoemde moment is wat anders dan aan het eind van de 3,5 jarige verdrukking in de tweede helft van de 70-ste week van Daniël. Dan wordt namelijk hooguit een begin gemaakt met het Koninkrijk van Christus over of onder de Joden. Hier is dat Koninkrijk van Christus definitief gevestigd en niet alleen over de Joden, maar over heel Israël en de overige volkeren. Daarom heet het ook de koninkrijken der wereld. Daartussen ligt een periode van 33 jaar, in ieder geval van enige tientallen jaren.

“Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid”. De Bijbel spreekt over het eeuwig Koninkrijk van Christus, dat geen einde neemt, eeuwiglijk en altoos zal zijn en waarbij de stoel van Zijn Koninkrijk niet zal wankelen. Het Koninkrijk is definitief. Dat neemt niet weg dat, als het Koninkrijk eenmaal gevestigd is, de periode begint waarin satan voor 1000 jaar gebonden zal zijn. Maar dat wordt pas beschreven in Openbaring 20. Verder worden de 24 ouderlingen vermeld, die geïntroduceerd zijn in hoofdstuk 4, aan het begin van het verhaal. Dat was nog voordat de boekrol geopend werd en de zeven zegelen verbroken zouden worden.

16 En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neder op hun aangezichten, en aanbaden God,
17 Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal, dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;
18 En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienstknechten, den profeten, en den heiligen, en dengenen, die Uw Naam vrezen, den kleinen en den groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven. Openbaring 11:16-18

Aan het eind van de periode zie je nog steeds die 24 oudsten, als uitdrukking van de Gemeente. “Wij danken u Heere God almachtig, Die is en Die was, en Die komen zal”, is bekend uit hoofdstuk 4 : 8. “Gij hebt als Koning geheerst” wil zeggen dat Zijn Koninkrijk zojuist begonnen is. Dit is het moment van de definitieve troonsbestijging van de Here Jezus Christus. Vers 18 wijst opnieuw terug naar Psalm 2. De volkeren waren in opstand en beraadslaagden tezamen tegen God en Zijn Gezalfde. Het is vervulling van oudtestamentische profetie. De uitdrukking “tijd der doden om geoordeeld te worden” is op zich niet duidelijk. De uitdrukking zelf niet, want vanaf dit tijdstip zal het oordeel over alle mensen, levenden en doden, nog meer dan 1000 jaar op zich laten wachten. Dat wacht nog op de Jongste Dag. Hier betekent het: Er is tijd om geoordeeld te worden en dus zouden er doden vallen. Dat in elk geval en verder zou er recht gedaan worden aan degenen die gedood waren om het getuigenis dat zij hadden. Ook dat wordt verder pas uitgewerkt in Openbaring 20. “Om het loon te geven aan Uw dienstknechten” is bij het ingaan in het Koninkrijk. De dienstknechten zouden met Christus regeren in de 1000 jaren. Ook dat wordt verder besproken in Openbaring 20. “Degenen die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten, om te verderven degenen die de aarde verdierven”. Dit is het tijdstip van Matthéüs 25, waarop de volkeren verzameld en van elkander gescheiden zouden worden. Schapen worden van de bokken gescheiden. De bokken gaan linksaf, naar de duisternis en verdwijnen dus van de aarde. De schapen gaan het koninkrijk binnen.

En de tempel Gods in de hemel is geopend geworden, en de ark Zijns verbonds is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel. Openbaring 11:19

We hebben nog steeds te maken hebben met visioenen en dus met beeldspraak. De tempel is de plaats waar God woont. De tempel is niet slechts een beeld van de Gemeente, dat is in onze dagen zo, maar uiteindelijk is de tempel een beeld van heel de schepping. De Ark des Verbonds is een type van de Here Jezus Christus, Die in het midden van die schepping zou wonen. Men ziet de tempel, men kan er in kijken en ziet dan de Ark des Verbonds. Overdrachtelijk gaat het om de wereld; men kijkt er in en centraal is de Here Jezus Christus, Die vanuit het midden Zijn Heerschappij vestigt. De ark des Verbonds is een uitbeelding van de troon van de Heer. Zo lezen we dat elders, in Hebreeën 9 bijvoorbeeld en eigenlijk al in het Oude Testament. Het is dus symboliek en het duidt inderdaad aan dat Zijn Koninkrijk gevestigd is of wordt. De bliksemen en stemmen en donderslagen en aardbeving en grote hagel zijn een uitbeelding van het spreken van de Heer en van de oordelen als gevolg daarvan. Want dit is, bij de aanvang van de duizend jaren, het definitieve grote oordeel over de mensheid, over de volkeren als zodanig.

We zijn nu aangekomen bij het moment waarop het Koninkrijk van Christus gevestigd is of wordt. Aan het einde van al die oordelen. Dit is zo’n 40 jaar na het begin van de 70-ste week van Daniël. Dan hebben al deze dingen hun beloop gehad. Dan is het profetisch woord vervuld. Aan het begin van die periode kwam er een einde aan de tijd dat God Zich verbergt. Hij is gaan spreken en Zich gaan bezighouden met de gang van zaken in de wereld. Hij heeft Zijn Koninkrijk gevestigd, onder het zevende zegel. De verborgenheid is voltooid. Nu volgt hoofdstuk 12, waar de waarheid van het beest uit Openbaring 11 : 7 en ook de waarheid van het vierde dier (Daniël 7) wordt uiteengezet.

12. Openbaring 12

1 En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren;
2 En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. Openbaring 12:1, 2

Een groot teken is een belangrijk teken. Als je in de Bijbel een vrouw tegenkomt is het in ieder geval, op een of andere wijze, de uitbeelding van Israël. Omdat Israël het volk Gods is en omdat de Heere God met Israël getrouwd was, wordt Israël geacht een vrouw te zijn. Israël zou wat voortbrengen en dus is de vrouw zwanger. Zon, maan en sterren worden in de Bijbel ook gebruikt als uitbeelding van Israël.  De eigenlijke betekenis is echter veel hoger. Het idee is immers dat zon en maan en sterren heir des hemels zijn. In Daniël 8 wordt de term gebruikt als aanduiding van Israël. Als “heir des hemels” zijn ze tot tekenen en tot gezette tijden aan de hemel, volgens Genesis 1. Daarmee zijn ze de uitbeelding van dat volk Gods. Dat volk door welke het Koninkrijk der hemelen gepredikt en ook gevestigd zal worden op aarde. Vandaar dat al tegen Abraham gezegd wordt: “Uw nageslacht zal zijn als de sterren aan de hemel”. (Genesis 22 : 17; 26 : 4; Exodus 32 : 13) Ook in een wat lagere betekenis van: talrijk. Maar er zit meer achter.

Zon, maan en sterren en vrouw zou je dus moeten herkennen. In de Rooms-katholieke kerk heeft men van de vrouw Maria gemaakt en als ze een zoon baart moet het wel de Here Jezus zijn, want men is daar volledig op gefixeerd. In Maranatha-kringen weet men wel dat het over de wederkomst van Christus gaat, maar daar denkt men dat de vrouw de bruid is en daarmee de Gemeente voorstelt. In protestantse kringen is het ook een wijdverbreide gedachte: die vrouw is de Kerk en zij brengt de Christus voort, maar de Kerk brengt niet de Christus voort, Christus brengt de Kerk voort. Hij bouwt de Gemeente. De vrouw bekleedt met zon, maan en sterren is Israël en meer specifiek het gelovig overblijfsel van Israël. De vrouw die zwanger is, is de vrouw die de man had en dus ze is inderdaad een gelovig overblijfsel van Israël.

En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. Openbaring 12 : 3

“Een ander” betekent in de Bijbel vaak “nog een”. Er werd nog een teken gezien. Het gaat niet om dingen die zich in de hemel afspelen, maar dat wie in de hemel is daar kan kijken, de tekenen ziet en herkent. Daarvoor moet je naar boven kijken. Wie in de hemel kijkt, leert deze dingen verstaan. Het plaatje van de “grote rode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen”, komt ongeveer overeen met Daniël 7. Openbaring 11 : 7 verwees er naar in het visioen over die vier dieren, met name over dat vierde dier. Zeven hoofden en tien hoornen waren het daar. Hier zijn het zeven hoofden, tien hoornen en op zijn hoofd zeven koninklijke hoeden, zodat je weet dat het over dat vierde dier uit Daniël 7 gaat en dat die 7, zeven koninkrijken zijn. Vandaar de zeven koninklijke hoeden. Openbaring 17 spreekt er ook over. Het is hier één beest, de algemene heidense macht door de eeuwen heen uitgedrukt in zeven koninkrijken: het Egyptische, Assyrische, Babylonische, Medo-Perzische, Griekse en het Romeinse rijk als nummer 7, het laatste rijk, dat van de antichrist. Het laatste rijk is een samenstelling van 10 rijken, die aan elkaar gevoegd zijn tot één groot rijk. Dat zegt Daniël 2 al, want daar heb je een beeld als voorstelling van de wereldrijken. De laatste fase van het beeld bestaat uit tien tenen, maar samen zijn ze één rijk. In Openbaring 17 staat dat eveneens en in Daniël 7 feitelijk ook. Het zijn 10 bestaande rijken, binnen één federatie. De verenigde staten van het antichristelijke rijk dus. Het gaat hier over de macht van satan, want die is de god dezer eeuw, de overste dezer wereld, de overste van de macht der luchten en regeert de wereld. De wereldrijken worden beschouwd als Babel, gewoonlijk ook geregeerd vanuit Babel en de koning van Babel is de duivel zelf. Het gaat dus om het rijk van satan, dat gekenmerkt wordt door zeven achtereenvolgende koninkrijken.

En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben. Openbaring 12 : 4

De staart is de uitdrukking van de macht, de uittredende macht die iemand gebruikt en dus slaat hij met zijn staart. De macht die van hem uitgaat gebruikt hij. Over wat “het derde deel der sterren des hemels en wierp die op de aarde” zou kunnen betekenen, is veel gespeculeerd. Sommigen denken dat het om letterlijke sterren gaat, maar dat zou dan een stijlbreuk zijn. Als de draak niet letterlijk is, dan zijn de sterren ook niet de letterlijke sterren aan de hemel. Dus de vraag is: waar zijn de sterren hier een teken van? Daarvoor gaan we naar Daniël 8, waar gesproken wordt over een hoorn. Als uitbeelding van de ene machthebber over dat ene laatste rijk. In de praktijk is dat de duivel zelf.

9 En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.
10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze. Daniël 8 : 9, 10

In dit visioen groeide een hoorn op tot aan het heir des hemel. Die hoorn heet Babel. (Genesis 11) De toren begint klein, maar die zouden ze tot het opperste in de hemel maken. De hemel bestormen, dat is wat de duivel ook zei. “Ik zal mijn troon zetten daar, boven God, in het uiterste noorden” (Jesaja 14 :13) in de zin van: die kant op. Deze hoorn drukt datzelfde uit. Het is het antichristelijke rijk. En dan: … “en hij wierp er sommigen van dat heir” – van de sterren – “ter aarde neder en hij vertrad ze”. Dat is toch aardig hetzelfde als in Openbaring 12. Die menigte, geïntroduceerd als het heir des hemels, is een volk dat op aarde leeft. Uit het verband blijkt dat dit het volk Israël, of iets smaller, het Joodse volk is. Dat wordt vernederd en onderworpen aan deze hoorn, in de praktijk de antichrist. Dit speelt in de tweede helft van de 70-ste week van Daniël, waarbij de antichrist vernedering en verdrukking zal brengen over het Joodse volk. Dat zijn die sterren des hemels. “Het heir werd in de afval overgegeven”. De waarheid wordt ter aarde geworpen, vernederd.

11 Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.
12 En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.
13 Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden? Daniël 8:11-13

De vertalers hebben “offer” ingevuld, maar dat staat er niet. “Het gedurige” betekent “traditie”. Dat wat er altijd al was, de menselijke traditie, wordt vervangen door wat hier de afval genoemd wordt. Er is sprake van een verwoestende afval, namelijk het loslaten van de oude traditie. Wat hier in Daniël 8 de afval heet, wordt in Daniël 7 : 25 de verandering van tijd of wet genoemd. Het gaat om het wegnemen van de waarheid en de introductie van de leugen. In het Nieuw Testament heet dat in het algemeen: verleiding. “Hij zal velen verleiden, ziet toe dat niemand u verleide”. (Matthéüs 24 : 4) De duivel neemt de waarheid weg en stelt daarvoor leugens in het algemeen, en bij voorkeur zijn leugen, in de plaats. Die leugen houdt in dat God wordt weggeredeneerd om plaats te maken voor een “mens”. Hoger dan een mens is de duivel dan niet, want hij is op aarde geworpen en in de Bijbel als mens beschreven. De oude klassieke menselijke traditie zegt dat de mensheid onderworpen, onderdanig dient te zijn aan de góden of de oppergod. De mens dient dienstbaar te zijn en dus moet hij religieus zijn. Hier wordt aangekondigd dat men leert dat er helemaal geen God is en dat men de mens zou aanbidden. De mens die het verste is gekomen op de ladder der evolutie en die wordt aangeduid als maitrea. Geen God meer, maar een rangorde binnen de mensen. De mens als hoofd van de schepping. Dat lijkt wat op de moderne christelijke prediking waarin God niet meer centraal staat en ook Christus niet.

Openbaring 12 : 4 verwijst naar Daniël 7 en 8. “En hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel”, is dezelfde uitdrukking als uit Openbaring. Hij ging zijn gang en werd door niets gehinderd. Hij was voorspoedig in alles wat hij deed. En in vers 24 van Daniël 8 wordt het herhaald. Daar staat over die ene: “Zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht en hij zal het wonderlijk verderven en zal geluk hebben en zal het doen”. Om deze twee uitdrukkingen gaat het: “hij zal geluk hebben” en “hij zal voorspoedig zijn”. Hij zal het doen, hij kan zijn gang gaan. Niemand legt hem een strobreed in de weg. Dat het vermeld wordt, is omdat het iets bijzonders is. Het ging allemaal zomaar vanzelf. Het oprichten van een koninkrijk, zeker een wereldrijk is niet zo’n gemakkelijke bezigheid, maar hem lukte het. Daniël 11 : 36 zegt: “En die koning zal doen naar zijn welgevallen”. Hij heeft geluk, hij zal het doen en het gelukt hem wel. Hij zal zich verheffen, groot maken boven alle god en boven alles wat god genaamd wordt.

Daarna worden die twee beelden, die twee tekenen, naast elkaar gezet. Het wordt één plaatje met aan de ene kant die vrouw en aan de andere kant die draak. Waarvan dan staat in vers 4: “En de draak stond voor”, dat kan ook tegenover zijn, “de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het gebaard zou hebben” of wanneer zij het zou baren. De vertaling met die tijden, de werkwoordsvervoegingen, is namelijk altijd een beetje twijfelachtig. We begrijpen dat de draak het in ieder geval op dat kind gemunt heeft. Later blijkt dat als hij het kind niet te pakken kan krijgen, hij “vergrimt op de vrouw”, (vers 17) Primair richt de draak zich op dat kind. Dat wil hij te pakken nemen. Wie of wat is dat kind? Want de echte tegenstelling, de echte strijd, is tussen de draak en dat kind. Maar eerst: wie is die vrouw? Dat is Israël. En wat zou die vrouw voortbrengen? De Messias. Althans dat is het eerste antwoord, maar daar is het verhaal niet mee af. Aan die Messias – de Man – is nog het een en ander verbonden. Een volk namelijk, waarvan de Here Jezus het Hoofd is. Daarmee ben je terug bij die uitspraken dat wij als gelovigen uit onze bedeling leden zijn van het lichaam van Christus en dat Hij ons Hoofd is.

Al watje in het Oude Testament leest over dé Christus, lees je tegelijkertijd over de Gemeente. Het gaat niet alleen over die ene Man, hoewel het daar primair over gaat, maar via Hem gaat het net zo goed over ons, omdat wij deel hebben gekregen aan de zegeningen van Christus Zelf. Dan is de vraag: Wie is die mannelijke zoon? Dat is heel de Gemeente. Als de vrouw een volk is ligt het voor de hand dat, als zij wat voortbrengt, dat ook een volk is. Als die vrouw Maria is, dan zou die zoon de Here Jezus geweest zijn. Die vrouw is niet Maria,  maar heel Israël en daaruit wordt een zoon geboren en dat is een volk. Als men in die mannelijke zoon de Gemeente niet herkent, heeft dat in de eerste plaats als oorzaak dat men de Gemeente als zodanig niet kent. Eén van de belangrijkste problemen in de theologie is dat de Gemeente pas ontstaan is bij de opstanding van Christus en dat Die Zelf de Eersteling, de Eerstgeborene van de Gemeente (Ekklesia) is. Wij zijn de eerste gelovigen onder het Nieuwe Verbond en hebben deel gekregen aan het eerstgeboorterecht van Christus en daarom worden wij beschreven als leden van het lichaam van een man. De Gemeente vormt dus een mannelijk lichaam.

En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon. Openbaring 12 : 5

Zijn er ook vrouwelijke zonen? Nee, maar het staat er om nadruk te leggen op de mannelijkheid en dus op dat eerstgeboorterecht, want daar gaat het over. Zeker als het gaat om het woord zoon. Efeze 1 en Romeinen 8 vertellen dat de Gemeente geordineerd is tot zoonstelling. Tot zoonschap. Wij zouden tot zonen worden aangesteld. Deze tekst is de verwijzing naar een oudtestamentische Schriftplaats. Het was aangekondigd: iemand zou de heidenen hoeden met een ijzeren roede en het is deze zoon die dat zou doen. Het is de verwijzing naar Psalm 2 : 7 en 9: “… Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. … Gij zult de heidenen hoeden met een ijzeren scepter”. Dat gaat inderdaad over Christus. Het is daarom goed aan te tonen dat deze mannelijke zoon de Here Jezus Christus is, maar men zou niet voorbij gaan aan de uitspraak die we eerder al hebben aangehaald uit Openbaring 2. Daar worden deze woorden uit Psalm 2 door de Here Jezus Zelf van toepassing gebracht op de Gemeente. De Heer Zelf zegt in Openbaring 2 : 26: “Wie overwint en die Mijn werken tot het einde toe bewaard, Ik zal hem macht geven over de heidenen en hij zal ze hoeden met een ijzeren staf. Zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden”. Wij hebben deel aan de zegeningen van Christus en dus is die mannelijke zoon niet alleen de Here Jezus, maar de Christus, inclusief Zijn Lichaam, de Gemeente.

“En haar kind werd weggerukt, met kracht weggenomen, tot God en Zijn troon” kan niet van toepassing gebracht worden op wat wij kennen als de hemelvaart van de Here Jezus. Die omstandigheden waren anders. Bovendien wil hier die draak het kind verslinden. Op dat moment wordt dat kind, voor het naderende gevaar van de draak, weggerukt tot God en Zijn troon. Dat past helemaal niet op wat wij kennen als de hemelvaart van de Here Jezus. Het gaat dus niet over Jezus van Nazareth, maar over de gehele Gemeente, waarvan de Here Jezus Christus het Hoofd is. Wat hier beschreven wordt, is de opname van de Gemeente. De wegrukking van heel de Gemeente, die met Christus op de troon gezet zou worden, want wij zullen met Hem tot zonen worden aangesteld om met Hem te heersen. Wij zouden deze Schriftplaats naast Jesaja 57 leggen. Gemeentelijke waarheid is namelijk in het Oude Testament verborgen.

De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad. Jesaja 57 : 1

Omkomen wil zeggen: uit het beeld verdwijnen. De rechtvaardige komt om, verdwijnt uit het zicht, verdwijnt ergens achter, achter de wolk bijvoorbeeld. Als men iets ter harte neemt, gelooft men het. (zie Deuteronomium 30). Hier staat dat de rechtvaardige van het toneel verdwijnt, maar er is niemand die op grond daarvan tot geloof komt. Als de Gemeente opgenomen wordt, dan merkt men dat hier op aarde. Maar of men daardoor tot geloof komt? Nee. Maar daarna staat er: “de weldadige lieden worden weggeraapt”. Wegrapen is hetzelfde als omkomen. Zij verdwijnen van het toneel, zonder dat iemand er op let dat de rechtvaardige wordt weggeraapt voor het kwaad en daarmee voor het oordeel. Dat kwaad oordeel inhoudt, staat in veel Schriftplaatsen. Let er op dat het eerst heet: “de rechtvaardige”, enkelvoud. Daarna heet het: “de rechtvaardige lieden” en daarna, in diezelfde zin nog, weer enkelvoud, “de rechtvaardige”. Over wie gaat het? Het gaat over één, maar het blijkt een volk te zijn en dus “lieden”. Het is de hemelvaart van heel de Gemeente, die Zijn Lichaam is. Die zal worden weggeraapt voor het kwaad, voor het oordeel en voor de draak. Hij, maar het is de Gemeente, zal namelijk, zegt vers 2, ingaan in de vrede. De strijd van de Gemeente tegen de draak is beëindigd. Niet dat wij zo nodig tegen de draak moeten strijden, maar de draak strijdt tegen ons. Bij de opname van de Gemeente wordt die strijd beëindigd. Maar dan staat er: “… doch nadat gijlieden hiertoe, gij kinderen der guichelares, gij overspelig zaad en gij die hoererij bedrijft”. Het gaat in het volgende gedeelte uiteraard over Israël. De Gemeente wordt opgenomen, maar Israël gaat de grote verdrukking in. Over Israël zou dat kwaad – het oordeel – komen. Israël zou wel degelijk van doen krijgen met die draak, want dat hebben we al gelezen. Die draak met zijn staart zal het heir des hemels, dat heilige volk vertreden, in de afval overgeven, kortom het gaat over de dagen van de grote verdrukking. Voor het zover is verdwijnt de Gemeente inderdaad naar de hemel en zelfs naar de troon van God. Vanaf dat tijdstip zal de Gemeente deel hebben aan het Koninkrijk en de heerschappij van Christus. We erven dat Koninkrijk. Dat wordt hier op symbolische wijze in Openbaring 12 beschreven.

In vers 5 van Openbaring 12 wordt dus de opname van de Gemeente beschreven. “Weggerukt” staat op nog een paar plaatsen in de Bijbel. Het is hetzelfde woord als in 1 Thessalonicenzen 4, vertaald met: “opname”.

Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. 1 Thessalonicenzen 4 : 17

Opgenomen is de zwakste vertaling van het woord, want de term betekent zoveel als met kracht wegnemen. Men heeft er in Openbaring 12 van gemaakt: wegrukken. Dat is ook met kracht wegnemen, maar dan met een schok en tamelijk plotseling. Toch is dat niet helemaal juist. De betekenis van het woord is dat er kracht wordt toegepast om dit tot stand te brengen. Een krachtig wegnemen. In het Engels is het “rapture of the church”. De Duitse term is “die Entrückung”. De wegrukking van het ene moment op het andere en met grote kracht.  en

En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, … Openbaring 12 : 6a

“De vrouw vluchtte in de woestijn, al waar zij een plaats had, haar van God bereid” staat in het Oude Testament; in Ezechiël 20. Daar staat dat God Israël – de vrouw – zou verzamelen, zou bijeenbrengen in de woestijn der volken en Hij zal hen daar oordelen. Zoals Israël verlost werd uit Egypte en verzameld werd in de woestijn, zo zal Israël in de toekomst verlost worden van heel de wereld en verzameld worden in de woestijn. Zowel letterlijk als overdrachtelijk. Het zal gebracht worden buiten de legerplaats. Het zal in de toekomst gebeuren, zoals we dat uitgebreid lezen, in elk geval in Zacharia hoofdstuk 14, waar aan het einde van de 70-ste week van Daniël de Heer een overblijfsel uit Jeruzalem zal verzamelen en in de woestijn zal brengen. Uit de hele wereld zal Israël verzameld worden in de woestijn. In Zacharia 14 wordt Israël door de gescheurde Olijfberg heen gebracht. Door de “vallei Mijner bergen” naar Azal. Dat is geen plaatsnaam, maar betekent gereserveerd, toebereid. De vrouw vlucht na de opname van de Gemeente naar de woestijn en dat is van toepassing op de 3,5 jaar. Vanaf de opname van de Gemeente, tot aan het midden van de 70-ste week van Daniël. Men heeft 3,5 jaar tijd om te vluchten, komt tot geloof, aanvaardt het evangelie en vlucht het land uit, omdat over het land oordeel wordt aangekondigd. Daarna is vluchten uit Jeruzalem blijkbaar niet meer mogelijk, volgens Matthéüs 24. Men moet dus haast maken. Weer 3,5 jaar later (Zacharia 14) zal de Here Jezus Zijn voeten op de Olijfberg zetten en zal alsnog een overblijfsel, dwars door de Olijfberg dit keer, naar die plaats in de woestijn vluchten. De eerste 3,5 jaar kan men weg wanneer men maar wil, dan is het toch vrede immers. Dan kan men ook het land in en uit, maar in het midden van de week worden de twee getuigen gedood en begint de vervolging. De grenzen gaan blijkbaar dicht en men kan niet vluchten. Aan het eind van de daarop volgende 3,5 jaar, aan het eind van de 70-ste week, verschijnt de Heer op de Olijfberg en een gelovig overblijfsel zal uit de stad kunnen vluchten, alsnog naar de woestijn om zich bij de anderen te voegen.

Die plaats in de woestijn heet Petra, de oude hoofdstad van Edom. Als de Heer wederkomt, althans naar Jeruzalem, dan komt Hij van Edom, van Bozra, zegt Habakuk 3 : 3: “God kwam van Theman, het zuiderland, en de heilige van het gebergte”, vertaald met berg, “Paran”. Dan staat er “Sela”. Dat had moeten zijn: “van Sela”, want hier vind je drie namen ter aanduiding van de plaats van waaruit de Heer tot Israël zal komen. Namelijk van Theman, van Paran, van Sela. Dat is een prachtige volgorde. Theman betekent zuiderland en daar ergens ligt het gebergte met de naam Paran. In dat gebergte Paran ligt een plaats en die heet in het Hebreeuws Sela. In het Arabisch is dat Sala. In het Grieks heet het Petra, en zo staat deze plaats op onze kaarten. Petra, eigenlijk Bozra, was lang geleden de hoofdstad van Edom, de oudere broer van Jakob. In Jesaja 63, staat: “Wie is deze Die van Edom komt. Wie is deze Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra?” Bozra is Petra (in het huidige Jordanië). ,  Als een toerist in Petra komt, bezoekt hij in werkelijkheid Bozra. Dat is die dalketel daar, midden tussen de bergen. Bozra is schaapskooi in het Hebreeuws. Petra is “Um el Biara”. Het is die grote berg, waar je tegenaan loopt als je de toeristische route neemt. Daar bovenop is Petra. De rots Petra. De Edomieten zijn daarvan verdreven en de Nabateeën, die dat deden en die daarna kwamen, hebben zich beneden gevestigd en dat is dan Bozra. Daar zal Israël verzameld worden, daar zal de Heer aan hen verschijnen en vandaar zal Hij ze alsnog naar Jeruzalem brengen om de stad en het land te herbouwen.

Micha 2 : 12 zegt: “Voor zeker zal Ik u, o Jakob, gans verzamelen. Jakob, Israël. Voorzeker zal Ik Israël’s overblijfsel”, het gelovig overblijfsel in de praktijk, “vergaderen. Ik zal het tezamen zetten als schapen”, hier vertaald met: “van Bozra”, maar dat had: “te Bozra” moeten zijn. “Ik zal hen verzamelen als schapen te Bozra. Als een kudde in het midden van haar kooi”. Dan staat er: “de Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken”. Iemand zal voor hen uit gaan. Zij zullen doorbreken en door de poort gaan. Dat is de Siq, de smalle route, die smalle kloof, de toegang en uitgang van Petra. “Ze zullen door dezelve uittrekken en hun Koning”, eerst heette Hij de Doorbreker, Perez, en daarmee is Hij hun Koning, “zal voor hun aangezicht heengaan” en daarna heet Hij: “de Heere in hun spits”. De Heer Zelf zal aan het hoofd van Zijn volk hen uitleiden door de Siq en daarna via de Kings Highway, de koninklijke weg, (Numeri 20 : 14-21) zullen zij dwars door Edom, Moab en Ammon naar Jeruzalem gebracht worden. Psalm 68 : 7 zegt: “We hebben een God Die de eenzamen zet in een huisgezin, Die uitvoert, die in boeien gevangen zijn”, in ballingschap dus. Vers 8: “O God toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daar henen trad in de woestijn, Sela”. Dit is enerzijds de verwijzing naar oudtestamentische tijd en de uittocht uit Egypte, maar profetisch verwijst het naar de toekomst, waarin Israël verzameld zal worden in de woestijn, in Petra, en alsnog naar het beloofde land gebracht zal worden.

 …, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 12 : 6b

Dit speelt in de tweede helft van de 70-ste week van Daniël, met nog 3,5 jaar, oftewel 1260 dagen, tot aan de wederkomst van Christus. De grote verdrukking is over de Joodse staat gekomen en degenen die verzameld zijn in de woestijn (de vrouw) worden bewaard en gevoed. Dat gebeurt dan door de eerstgeborenen uit Israël. De Raad van Oudsten. De Ekklesia, de Gemeente van eerstgeborenen, de Gemeente dus. Als er iemand verantwoordelijk is voor Israël, dan is het de Gemeente, want dat is de bekende hiërarchie. Je hebt de volkeren in het algemeen. Daarboven staat Israël, dat straks verantwoordelijk wordt voor de volkeren in het Messiaanse en dus Israëlitische wereldrijk. Maar boven Israël staat de Gemeente. Onze taak straks is zorgen voor dat overblijfsel.

7 En er werd krijg in den hemel; Michael en zijn engelen krijg- den tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.
8 En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.
9 En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
10 En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.
11 En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.
12 Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft groten toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.
13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had.
14 En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.
15 En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren.
16 En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.
17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben. Openbaring 12 : 7-17

Van de draak wordt simpelweg gezegd dat hij de oude slang is, welke genaamd wordt de duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt. Hij is vanuit de hemel op de aarde geworpen. De draak is de duivel, maar in het volgende hoofdstuk wordt meer duidelijk dat de draak niet alleen maar de “baarlijke” duivel is, maar tegelijkertijd heel zijn rijk voorstelt. In de Bijbel werkt dat ook zo, want het Koninkrijk Gods, het Koninkrijk van Christus, is Christus. Zonder Hem is er geen Koninkrijk. Hij is dus het Koninkrijk. Tot Nebukadnezar, de Koning van Babel, naar aanleiding van die droom uit Daniël 2 wordt gezegd: “Gij, o koning zijt dat gouden hoofd”, maar het is een uitbeelding van zijn Babylonische rijk en daarmee dus ook van zijn opvolgers, zolang het Babylonische rijk zou blijven bestaan. Hier in Openbaring vind je precies hetzelfde. Die draak is de duivel, de satan, die regeert over de wereld. De wereldrijken stonden onder leiding van satan en om een of andere reden was Babel de hoofdstad van die rijken. Meestal letterlijk en soms wat minder letterlijk. Misschien omdat de plaats Babel, kennelijk al een rol heeft gespeeld in een oudere wereld voor Adam. De echte wereldrijken behoren ver tot het verleden. Het Romeinse rijk is van heel lang terug en is over een periode van eeuwen uiteengevallen. En er zijn enigen geweest, zoals Karel de Grote, die geprobeerd hebben om dat rijk weer aan elkaar te smeden, maar het is hen nooit gelukt. Niettemin zal het in de toekomst alsnog gebeuren. Er komt weer zo’n wereldrijk op aarde, blijkt uit Openbaringen 13. Satan regeert nog steeds over deze wereld, maar hij krijgt het niet goed op orde. En één van de redenen daarvoor is de aanwezigheid van wedergeboren mensen hier op aarde. Dat zit hem danig dwars en bovendien zit de menselijke natuur hem ook danig dwars, want mensen zijn slecht tot de orde te roepen, zijn ongedisciplineerd en daar heeft satan minstens zoveel problemen mee als God Zelf. Satan is bezig de wereld, de mensheid, te verenigen onder zijn heerschappij en zijn vrederijk te stichten buiten God om. Dat wordt ons verteld in Openbaring 12 en 13. In 12 wordt satan uit de hemel op de aarde geworpen. De vraag is wat hij dan doet op aarde. Hij heeft in ieder geval “grote toorn, wetende dat hij kleine tijd heeft”. (12 : 12) In hoofdstuk 13 wordt de relatie van satan met de wereld, de volkeren der aarde, besproken. Wat zal er gebeuren als de satan op aarde geworpen wordt? Dan verschijnt hier op aarde die figuur die in de Johannes brieven de antichrist genoemd wordt. In Openbaring 13 is hij een beest. Er is zelfs sprake van twee beesten.

13. Openbaring 13

18 En ik stond op het zand der zee.

1 En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van gods lastering. Openbaring 12 : 18 – 13 : 1

Het gaat om aardse zaken. Het zand der zee, de menigte, de volkeren. We hadden al een draak met zeven hoofden, die uit de hemel geworpen werd, en nu komt er een beest met zeven hoofden uit de zee. Aan de ene kant is het de duivel en die komt uit de hemel. (hoofdstuk 12) Hier in hoofdstuk 13 gaat het over een wereldrijk dat op komt zetten van tussen de volkeren en dus letterlijk opduikt uit de volkerenzee. Hier zijn er tien koninklijke hoeden op de tien hoornen en in Openbaring 12 waren het zeven koninklijke hoeden op de hoofden. Het blijft echter hetzelfde plaatje. De zeven hoofden zijn de uitbeelding van de achtereenvolgende wereldrijken en de tien hoofden zijn een uitbeelding van het laatste wereldrijk dat gevormd wordt door tien rijken die zich aaneengesloten hebben tot één geheel. Wij noemen het de 10-statenbond, overeenkomend met de tien tenen van het beeld uit de droom van Nebukadnezar in Daniël 2. Op zijn hoofden was een naam van godslastering, dat is Babel. Dat weten wij uit de paralleltekst Openbaring 17 : 5. Alleen wordt daar het dier, het verhaal wordt uitgebreid, bestuurd door een vrouw, die op dat dier zit. Het gaat om een satanisch rijk in opstand tegen God. Dat is altijd zo geweest, want de wereld wordt in de praktijk geregeerd door de duivel zelf. Hij is onder andere de god dezer eeuw, (2 Korinthe 4 : 4) overste dezer wereld, (Johannes 12 : 31) overste van de macht der lucht (Efeze 2 : 2) en leugenaar van den beginne. (Johannes 8 : 44)

En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht. Openbaring 13 : 2

Een pardel is een luipaard. Een luipaard, een loerder. Hij ligt op de loer. Hij gaat niet op jacht, maar wacht totdat er wat voorbij komt. Ik wijs er met grote nadruk op hoe het er staat. Er staat niet: hij had iets van een luipaard, leeuw en een beer. Er staat: hij had iets van een beer, namelijk zijn voeten. En hij had iets van een leeuw, namelijk zijn mond, maar niettemin was hij een luipaard gelijk. Dit is van belang, want wij herkennen dit plaatje vanuit Daniël 7, waar Daniël uit het water van de grote zee vier grote dieren ziet opklimmen, terwijl er in Openbaring 13 uit diezelfde zee één beest opkomt. Het eerste dier was een leeuw; (vers 4) het tweede een beer; (vers 5) het volgende was een luipaard. (vers 6) De leeuw was een beeld van het Babylonische rijk; de beer van het Perzische en de luipaard van het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote. In Openbaring staat: hij had de mond van een leeuw en de voeten een beer, maar het is een luipaard. Met welk rijk hebben we hier in Openbaring 13 van doen? Waar lijkt het het meeste op? Op de pardel en dus op het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote, dat gekenmerkt werd door de snelheid waarmee het ontstond én dat was bedoeld als herstel van het Babylonische rijk van Nebukadnezar, met Babel als hoofdstad. Dat is het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote. Hij is er net aan toe gekomen en toen ging hij dood en viel zijn rijk uiteen. In de toekomst zal er een rijk naar het voorbeeld van het rijk van Alexander de Grote ontstaan. Een rijk in het Midden Oosten, niet in Europa, maar in Azië. Een rijk met Babel als hoofdstad.  Ik wijs maar op het beeld van Nebukadnezar in Daniël 2. Daar vind je ook die wereldrijken en over het hoofd wordt gezegd:”Gij zijt dat gouden hoofd”, maar het is het rijk van Babel. Maar als het hoofd Babel heet, dan zijn de tenen ook Babel. Al die rijken heten Babel. Misschien niet altijd letterlijk, maar het is wel altijd Babel. Openbaringen 17 : 18 zegt: “En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde”. De hoofdstad van de wereld is Babel, want dat stond al in vers 5. Het laatste, zogenoemd antichristelijke rijk is niet, zoals velen wel verwachten, het herstel van het Romeinse rijk in Europa. Europa heeft er helemaal niets mee van doen. Het is een rijk in Azië. Het herstelde rijk van Alexander de Grote in de Arabische wereld. Neem alle moslimlanden in het Midden Oosten bij elkaar en je hebt dat rijk. Dat zou zich herstellen, met letterlijk Babel als hoofdstad.

Het Romeinse rijk, het monster zonder naam, speelt in dit gedeelte geen rol en in de eindtijd dus ook niet. Die laatste machthebber (Daniël 8) is de hoorn op de bok en de bok is een beeld van het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote. In Daniël wordt vanaf het Griekse rijk meteen overgesprongen naar dat laatste wereldrijk. Dat toont aan dat het laatste wereldrijk primair het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote is; een luipaard. Er is nog een argument. Als in Zacharia 9 gesproken wordt over dat laatste wereldrijk, dan heet dat in de Nederlandse vertaling: Griekenland, de vertaling van Javan. Het is een verwijzing naar het oude Griekse rijk, waarbij Grieks niet staat voor een bepaalde landstreek, maar voor een bepaalde cultuur en religie. Daarom heet het zo.

“En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht”. Hier heb je twee beesten naast elkaar. De een is het rijk als zodanig met een man aan het hoofd, want er moet een koning zijn. Het gebeurt op aarde en het is een mens die dat laatste wereldrijk opricht en doet wat Alexander de Grote had willen doen. Voor zover het lukt krijgt hij zijn invloed, kracht en macht van de satan zelf, dan wel van de antichrist, want dat is dezelfde figuur die op aarde geworpen wordt.

En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest. Openbaring 13 : 3

Het beest heeft zeven hoofden en één werd ten dode gewond. Die hoofden zijn een beeld van de wereldrijken en één ervan sterft af en verdwijnt. Maar tot ieders verwondering werd die dodelijke wond genezen, zodat het gaat over één van de oudere wereldrijken, die weer terug komt. Dat is niet de zevende, want die ontstaat net. Er is zelfs nog een achtste wereldrijk, maar die wordt nu nog niet genoemd; die komt pas later. Dus het is niet de zevende die zich herstelt. Toen heeft men gedacht: het zal wel de zesde zijn en dan gaat het natuurlijk over het Romeinse rijk, want daar loopt de kronkel. Het rijk waarvan men aanvankelijk de keizer voor antichrist  heeft uitgemaakt, omdat hij de christenen vervolgde. Daarna heeft men 1500 jaar later alsnog de Romeinse paus voor antichrist uitgemaakt, omdat hij eveneens de christenen vervolgde. Dat dit een satanische bezigheid was, geïnspireerd door de duivel, was ongetwijfeld zo. Geïnspireerd door de god dezer eeuw en als die figuur al een plaats op deze aarde zou hebben, zou het Babel zijn en daarom heeft men de naam Babel op Rome gestickerd. Daar was een goede Bijbelse reden voor. Alleen het punt is dat het daar niet bij blijft. Het is een fase uit de geschiedenis die men niet losgelaten heeft en als gevolg daarvan verwacht men in de toekomst wel een hersteld rijk met Babel als hoofdstad, maar onder Babel verstaat men Rome. Men leze het Zoeklicht. Niet om lelijk te doen, maar als argument. Regelmatig stelt men de vraag: Zou Babylon uit Openbaring het letterlijke Babel kunnen zijn? Dan zegt men: nee, nee, het is overdrachtelijk; het is Rome. Men verwacht het herstel van het Romeinse rijk, een rijk in Europa. En dat is een misverstand. Het gaat om Babel en dus een rijk in het Midden Oosten. Meer specifiek gaat het om Babel in relatie tot het Griekse Rijk van Alexander de Grote. Heel de Arabische wereld is daarin betrokken.

Welk van die hoofden werd dus ten dode verwond en herstelde zich in het visioen? Babel zou zich herstellen. Alleen Daniël 4 is daarvoor al voldoende. Babel, uitgebeeld door die boom, die afgehouwen werd en die zich na zeven tijden zou herstellen. In Openbaring 18 en 19 wordt daarom over de uiteindelijke ondergang van Babel gesproken. Het letterlijke Babel, omdat de opsomming in die hoofdstukken ontleend is aan Jeremia 50 en 51 en nog wat profetische hoofdstukken, waarvan geen twijfel hoeft te bestaan dat het echt letterlijk over Babel gaat. Er hoeft evenmin twijfel te bestaan dat die oudtestamentische profetieën nog niet vervuld zijn. Het moet nog gebeuren. Babel is nooit definitief verwoest. Tegenwoordig staat deze plaats in Irak duidelijk op de kaart. Het is dus het vijfde hoofd, die gewond was en die weer genezen zal worden, zo blijkt ook uit Openbaring 17. Daar staat: vijf zijn gevallen; dat is tot en met het Griekse rijk. Eén is; dat is het Romeinse rijk. Eén van die gevallen rijken zou zich herstellen en dat kan alleen één van de nummers 1 t/m 5 zijn. Het Romeinse rijk niet en dus gaat het om het Griekse rijk van Alexander de Grote. Verbazingwekkend? Dat klopt, zoals vers 3 ook zegt.

Wat men al eeuwen lang voor onmogelijk heeft gehouden, zeker sinds de eerste wereldoorlog, toen het Turkse rijk uiteen viel, zal toch gebeuren. Het hele spul is weer overeind gekrabbeld en dat is bedreigend genoeg in onze dagen. Er hoeft maar iemand te komen die heel die Arabische wereld kan verenigen, wat heel moeilijk is omdat Arabieren onbetrouwbaar zijn, volgens een meer dan 100 jaar oude Duitse encyclopedie. Je kunt er geen zaken mee doen. Je kunt er niet van op aan. Maar toen hadden ze olie en moesten we wel zaken met ze doen. Het probleem is dat het onderling daar ook zo onbetrouwbaar is en daarom is die Arabische wereld niet te verenigen. Daarom loopt het steeds stuk. Nasser (president van Egypte; periode 1956-1970) heeft het in die tijd geprobeerd met zijn Verenigde Arabische Republiek, maar daar is niets van terecht gekomen. Het heeft alleen maar grotere verdeeldheid gebracht. Er hoeft er maar één te komen die de Arabische wereld weet te binden, en er is nogal wat dat hen bindt, dan wordt het meteen een wereldrijk. Bovendien ze hebben een groot deel van de wereld al lang in handen. Ze bezitten half Londen, om maar eens wat te noemen. Wij brengen ons geld daar naar toe en krijgen er olie voor terug en zij kopen ons terug. Daar merken wij niet zo veel van, totdat ze er ge- of misbruik van gaan maken. Dat is wat er aankomt. Bovendien staat de wereld de opname van de Gemeente te wachten en dat lijkt mij de doodsteek voor de westerse beschaving, cultuur en de macht van de westerse wereld, zeker die van Amerika. Dat betekent dat er een enorm machtsvacuüm ontstaat en logischer wijze wordt dat opgevuld, ik denk door het Midden Oosten. Het keert terug naar Ismaël, naar de andere tak van de familie van Abraham. Dat heeft de Bijbel van tevoren aangekondigd. Van daaruit zal het wereldrijk gesticht worden. Volgens de idealen van Nebukadnezar en Alexander de Grote.

En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? Wie kan krijg voeren tegen hetzelve? Openbaring 13 : 4

Met “hetzelve” wordt het beest uit de zee, die man die het nieuwe wereldrijk politiek zal leiden, bedoeld. Waarschijnlijk zal dit een Filistijn, Edomiet, Ismaëliet of Amalekiet zijn. Vanuit de analogie van de Bijbelse geschiedenis valt op te maken dat het beest uit de zee een Palestijn/ Filistijn zal zijn. Filistijnen hebben geen vaste woon- of verblijfplaats. Ze horen dus niet bij de 70 volkeren die in Genesis 10 genoemd worden. Het is daarom nog niet duidelijk van wie deze vorst zal afstammen. Vanuit andere Schriftplaatsen is dat echter wél duidelijk. God heeft namelijk een strijd met Amalek van geslacht tot geslacht. (Exodus 17 : 16) De lijn van Amalek begon bij Ezau. (Genesis 36 : 12; 1 Kronieken 1 : 36) Uit het koningshuis van Amalek kwam Agag voort. (1 Samuël 15 : 8) Agag had nageslacht, namelijk Haman. (Esther 3 : 1, 10) Haman was de grote jodenhater in de dagen van Esther. Hij was een voorloper van de laatste wereldheerser. De toekomstige koning van Babel zal tot de Filistijnen behoren, maar qua afstamming zal hij een Hamaniet/Agagiet/Amalekiet/Edomiet zijn.

Als het koningschap niet bij Israël is (bij Jakob), dan is het in Babel (bij Ezau). Deze laatste erfgenaam uit het huis van Ezau zal gedood worden door de laatste Erfgenaam uit het huis van David, namelijk Christus. Hier heb je dus toch al twee verschillende figuren naast elkaar, waarbij de één zorgt dat de ander de macht krijgt. Ze hebben samen de macht, de draak en dit beest. De draak is de antichrist, de duivel, de grote wereldleraar, de valse profeet. Dit beest is die figuur die in het Midden Oosten zal opstaan. Het is in ieder geval de grote machthebber, het politieke hoofd van het rijk. Het wordt beschouwd als een sterk tandem. Wie kan krijg voeren tegen hetzelve?

En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden. Openbaring 13 : 5

Dit is op zijn vroegst aan het begin van de 70-ste week, dan wel daar net voor, als de Gemeente opgenomen wordt. Dan wordt satan op aarde geworpen. Hij is die mond die komt om grote dingen en lasteringen te spreken. Hij komt de leer prediken, met tekenen en wonderen. Hem werd macht gegeven om te doen wat hij wil, 42 maanden. Het loopt uit op de oprichting van de “gruwel der verwoesting in de heilige plaats waarvan Daniël gesproken heeft”, gevolgd door de grote verdrukking waarover Matthéüs 24 : 15 spreekt. “Hem werd een mond gegeven om grote dingen te spreken” is een verdere uiteenzetting van Daniël 7, waar het gaat over vier dieren. Het vierde dier is het Romeinse rijk uit het verleden en daarvan staat in Daniël 7 : 7 dat het 10 hoornen heeft. Die komen overeen met de tien tenen uit Daniël 2. Dat is de 10 statenbond en die is er nog niet. Dat zijn tien Arabische landen die zich dan aaneensluiten tot wat dan beschouwd wordt als een wereldrijk. Daarvan staat in Daniël 7:

Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende. Daniël 7 : 8

Hier gaat het om die éne hoorn. Dat is die machthebber van dat laatste rijk. Die komt dus overeen met dat beest, het eerste beest uit Openbaring 13, waar staat: “Hem werd een mond gegeven”. Hier in Daniël 7 staat: “Hij had een mond, grote dingen sprekende”. Het enige verschil is dat in Daniël 7 staat dat die hoorn een mond en ogen (uitbeelding van geestelijke dingen) hééft, terwijl in Openbaring 13 staat dat hem een mond werd gegeven. Eerst had hij die mond niet had en later wel. Dat detail wordt in Daniël 7 overgeslagen, maar het is er niet in strijd mee. Die mond die hem gegeven wordt, betekent dat het iemand anders is. Dat beest, die figuur, die mens ontving een mond, maar die is iemand anders naast hem. Net zoals bij Mozes en Aaron. (Exodus 4 : 10-16) Mozes kreeg een mond en die mond was zijn broer. En als je daarna leest: “Mozes zeide tot de Farao”, dan weten wij dat het niet Mozes was maar Aaron. Het waren er twee. En dat is hier ook zo. Aan de ene kant de politieke machthebber die iemand heeft die voor hem spreekt. Die “mond” is weer dezelfde als de draak. Het is een andere beschrijving van precies dezelfde figuur. Die mond is dé antichrist, de valse leraar, de valse profeet. Het belangrijkste woord in het Oude Testament voor profeet betekent mond. De mond wordt genoemd, maar de hele persoon wordt daarmee aangeduid, omdat het zijn belangrijkste attribuut is. Hij spreekt en dat is die wereld- leraar. Het is de antichrist, de draak. Door die grote mond krijgt hij zijn macht. De uitdrukking “om te doen” komt ook voor in Daniël 7. Het idee is namelijk dat hij macht kreeg om zijn gang te gaan, om bezig te zijn. Dan staat er: “het gelukte wel”. Door die mond werd hem macht gegeven om zijn gang te gaan. De daarbij genoemde 42 maanden zijn de 3,5 jaar van de eerste helft van de 70-ste week van Daniël.

6 En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in de hemel wonen.
7 En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; Openbaring 13 : 6, 7a

Die tabernakel en die “in de hemelen wonen” duidt op Christus en Zijn Gemeente, want daar gaat het natuurlijk om. Onder “de heiligen” wordt niet de Gemeente verstaan. De Gemeente is niet op aarde. De strijd met de Gemeente is op dat moment al lang beslist. Dat hebben we in Openbaring 12 al besproken. De geschiedenis gaat verder met de verkiezing van het Joodse volk, en via Juda heel Israël, als Gods priesterlijke en koninklijke volk hier op aarde. Om die reden heetten ze heiligen en niet omdat ze dan gelovigen zijn, maar wel omdat ze deel uitmaken van dat uitverkoren volk, dat geheiligd is van Godswege tot Zijn dienst. Ze heten heiligen, want de betekenis van heilig is “apart gezet voor de dienst aan God”. Op aarde zal strijd zijn om die heiligen te overwinnen. Dat lukt, want 3,5 jaar later komt er een einde aan de Joodse staat. Die wordt aan het einde van de 70-ste week compleet verwoest. (Daniël 9 : 27) Ook Daniël 7 : 21 spreekt daarover: “…, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht”.  Hetzelfde staat ook in Daniël 7:

25 En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogsten, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen  en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden een gedeelte eens tijds. Daniël 7 : 25

Het enige verschil tussen Daniël 7 en Openbaring 13 is dat Daniël spreekt “over tijd en tijden en gedeelte eens tijd”. De tweede helft (3,5 jaar) van de 70-ste week, zo blijkt uit het verband. Openbaring 13 : 5 zegt: 42 maanden, eveneens 3,5 jaar, maar daar is het de eerste helft van de 70-ste week.

…. en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk. Openbaring 13 : 7b

Wie enigszins bekend is met Daniël herkent dat het uitdrukkingen zijn uit Daniël over de wet van Meden en Perzen, over alle geslachten en talen, volken en natiën. Ook die termen zijn een verwijzing naar Daniël, zo van: lees die profetieën, dit zijn de commentaren. Dit is de situatie aan het einde en na de 70-ste week van Daniël, nadat de Joodse staat vernietigd is. Het is de periode van 33 jaar tot aan de 1000 jaren, waarin het grote antichristelijk rijk ontstaat en macht krijgt over alle geslacht en taal en volk. Net zo’n afgodsbeeld, als in het midden van de 70-ste week opgericht werd op de heilige plaats (tempelplein) in Jeruzalem, (Matthéüs 24 : 15) zal ook in Babel worden opgericht en daarna in alle andere grote steden van de wereld. Het koninkrijk van Christus op aarde moet vanaf dan in Jeruzalem van de grond af opgebouwd worden. Vanaf hetzelfde tijdstip wordt een “paar kilometer” verderop in het Midden Oosten ook een rijk opgericht. Dat is het antichristelijke rijk en die twee moeten het samen uitvechten. Ze ontstaan eigenlijk gelijktijdig. Vervolgens komen de dagen van de strijd tussen de volkeren der aarde aan de ene kant en Jeruzalem aan de andere kant. Al die profetieën die zeggen dat de Heer Jeruzalem zal redden en bewaren en een muur zal zijn om Jeruzalem en dat Jeruzalem een lastige steen zal zijn. De volkeren zullen die proberen te tillen, maar ze zullen hun rug erop breken. (Zacharia 12 : 3)

8 En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.
9 Indien iemand oren heeft, die hore. Openbaring 13:8,9

Allen die op de aarde wonen zullen het beest aanbidden, voor zover hun namen niet geschreven zijn in het boek des “levens des Lams, dat geslacht is van, of van voor de grondlegging of nederwerping der wereld”. Een prachtige uitdrukking. Er zijn in die dagen wel degelijk gelovigen op aarde en zij zijn bestemd voor de duizend jaren. Zij zullen het geopenbaarde koninkrijk van Christus binnengaan. Zij vormen de schare die niemand tellen kan uit alle natiën en geslachten en volken en talen. (Openbaring 7 : 9) De rest van de wereld aanbidt dit beest; én zijn mond.

Bij Lam en geslacht denken wij misschien aan de Here lezus die stierf en dat is niet ten onrechte. Maar hier is het Lam uit hoofdstuk 4 en 5 aan de orde. Het Lam staande als geslacht en waar stond hij? Op de troon. In de hemel. Dat Lam is de grote Koning van het Koninkrijk Gods. Anders gezegd: Hij is Christus, de Koning van het Messiaanse rijk. “Van de grondlegging der wereld” betekent dat we hiervan doen hebben met een plan van vóór de dagen van Adam. Van vóór de nederwerping, want dat woord is het, van de oude wereld. De term grondlegging, nederwerping, herinnert aan het oordeel dat God eenmaal over de oude wereld gebracht heeft. Zoals Hij daarover een oordeel heeft gebracht heeft, zo zal Hij dat doen over de tegenwoordige wereld. Dit plan van God stond altijd al vast. Hoe de draak ook tekeer gaat en in opstand is tegen God, maak je geen zorgen: Gods plan wordt uitgevoerd. Deze Koning, dit Lam, Christus, is van oudsher bestemd om dat Koninkrijk over heel de schepping op Zich te nemen. Alle dingen zouden aan Zijn voeten onderworpen zijn, staat er tenslotte op de eerste bladzijde van de Bijbel. Het ziet er straks indrukwekkend en angstaanjagend uit, maar het Lam overwint. “Indien iemand oren heeft om te horen, die hore” kennen wij uit hoofdstuk 2 en 3, omdat de brieven daar steeds mee eindigden. De betekenis is nog steeds dat het gaat om verborgen dingen, zo van: let goed op, denk er om, hou je hoofd erbij, let goed op en vooral vergelijk Schrift met Schrift, want zo simpel is het niet. Ie moet het bestuderen. God heeft het nu eenmaal verborgen. Dit Bijbelboek is de openbaring van wat eerder verborgen was. Dat moet je er dus bij leggen, want anders kom je er niet uit. Dit Schriftgedeelte zelf is simpel te volgen en is heel systematisch, op voorwaarde dat je Daniël, met name hoofdstuk 7 kent. Dan vind je hier de volgorde van wat er gaat gebeuren.

Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen. Openbaring 13:10

Dit zijn idiomatische uitdrukkingen. Ze betekenen: dit zijn dingen die vastgelegd zijn. Zo zal het gaan. Dit is wat aangekondigd is. Dit is het noodlot dat over de wereld komt. Het is onvermijdelijk. Hoe de mens ook tekeer gaat en in opstand is tegen God, dat zwaard wat hij bij wijze van spreken hanteert, zal op zijn eigen hoofd terugkeren. Dat oordeel komt toch. “Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen” wil zeggen: hier gaat het om. Het gaat om de lijdzaamheid en het geloof van de heiligen. Lijdzaamheid in de zin van overgave en dat gelovigen eventueel vervolgd zullen worden en de marteldood zullen sterven. Het gaat erom dat men de Heer trouw is en blijft. Dat is uiteraard in onze dagen ook zo, maar in die dagen nog veel sterker, omdat vervolgingen in die dagen op zijn allerhevigst zullen zijn. In heel de wereld zullen gelovigen systematisch worden gedood. Dat hebben we al gelezen in Openbaring 6 en dat komen we alsnog weer tegen in hoofdstuk 20. Daar wordt uitdrukkelijk geleerd dat, voor zover gelovigen omgebracht zijn in de dagen van dit antichristelijke rijk, zij opgewekt zullen worden. Zij zullen levend de duizend jaren binnengaan en zelfs een vooraanstaande plaats hebben in Zijn Koninkrijk, want dat staat daarbij.

En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak. Openbaring 13:11

Van oudsher worden vers 1 en vers 11 naast elkaar gelegd. Twee beesten, maar wat is het verschil? De ene komt uit de zee en de andere uit de aarde. Typologisch hoeft dat geen enkel verschil te maken. Uit de aarde komt namelijk de mens voort. De mens is geformeerd uit de aarde. De eerste mens is “uit der aarde aards”. (1 Korinthe 15 : 47) De zee is de uitdrukking van de veelheid van de mensen en van de volkeren als zodanig. We kennen de term volkerenzee, ontleend met name aan Psalm 2, maar er zijn meer Schriftgedeelten waar de zee de uitbeelding is van de volkeren, bijvoorbeeld in de eerste verzen van Daniël 7. “Ik zag uit de zee vier dieren”. De zee is daar de volkerenzee en die vier dieren zijn de koninkrijken die daar uit opstaan. Aarde en de zee komen dus met elkaar overeen, want ze zijn allebei het tegenovergestelde van de hemel. Die maakt scheiding tussen de wateren en wateren. Het aardoppervlak kan ook zeeoppervlak zijn. Het aardoppervlak zet zich voort in het zeeoppervlak, het laagste deel van de schepping. Nu verschijnt dus het tweede beest, de antichrist, de duivel. Hij is uit de hemel geworpen en daarmee wordt hij aards. Uit de aarde. Hij heeft namelijk een lichaam uit de aarde. Dat kun je aanraken. “Het had twee hoornen, des Lams gelijk”, staat er. Wie lijkt er op het Lam? Wie wil er uit zien als Christus? Dat is de antichrist. De duivel natuurlijk. Het beest sprak als de draak. Wie is hij dan? Dit tweede beest is de draak.

En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was. Openbaring 13 : 12

De draak was immers degene die macht en kracht en kroon gaf aan dat eerste beest en logischerwijs heeft hij dan diezelfde macht. Als die figuur op aarde zijn macht ontvangt van de antichrist, dan is en blijft die antichrist zelf de belangrijkste.  Niet omdat hij een politieke functie vervult, maar vanwege de mond. Hij is degene die voor het woord zorgt en die daarmee het rijk bouwt. Dit tweede beest maakt dat de aarde en die daarin wonen het “eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wond genezen was”. Wie gaf aan het eerste beest zijn macht, troon en grote kracht? De draak, volgens vers 2. Dit tweede beest uit Openbaring 13 is identiek aan de draak uit vers 2 en ook aan de mond van het eerste beest. Ze werken samen op. Hier krijg je de antichrist in verschillende plaatjes en omschrijvingen, maar het is precies dezelfde figuur.

En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen. Openbaring 13 : 13

Te vrezen valt dat mensen die tekenen en wonderen willen zien, zich daarmee zullen laten verleiden. Niet alleen in de toekomst, maar in het heden ook, want het is een prachtig middel om de mensen van het Woord van God af te houden. Wie de Bijbel leest en gelooft en zich daarin laat onderwijzen zal niet door tekenen en wonderen verleid worden. Gewoon omdat men de waarheid liefheeft. Die tekenen en wonderen worden in de toekomst in ieder geval gedaan door de antichrist. Maar hij is niet die éne engel die op aarde geworpen is. Het is satan en zijn engelen die op aarde geworpen zullen worden. Niet alleen maar de meester der wijsheid, maar de meesters der wijsheid. Al tientallen jaren geleden zijn zij zwart op wit aangekondigd door allerlei spiritistische of new age achtige figuren. De wereld is aardig voorbereid op de komst van satan en zijn engelen. Zij zullen de volkeren verleiden met krachten en tekenen en wonderen. Vuur is kracht, is energie. Meer in het algemeen gaat het om geestelijke kracht waardoor mensen in beweging gezet worden. In dit geval worden ze aan elkaar verbonden tot één groot wereldrijk, waardoor een nieuwe tijd, een New Age, ontstaat.

En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve toe doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken. Openbaring 13 : 14

De tekenen en wonderen zijn voldoende om de mensheid te verleiden. Ze worden gebruikt om te bevestigen dat hij de Christus zou zijn, maar hij is het niet. Hij is de antichrist. Dit is ook een waarschuwing voor wie in onze dagen tekenen en wonderen verlangen en geneigd zijn ze toe te schrijven aan de Heer, of aan de Heilige Geest. Deze zijn niet van Godswege, nu niet en in die toekomstige dagen ook niet. Deze dingen worden ook op een andere plaats in de Bijbel beschreven, want dit tweede beest heet feitelijk antichrist.  Uit 1 en 2 Johannes blijkt dat hij een verleider is, een leugenaar en dat hij de waarheid bestrijdt, want dat zijn de woorden die daar gebruikt worden. De termen worden daar niet zo zeer genoemd i.v.m. de toekomstige dingen, maar ze worden wat vrijer gebruikt i.v.m. tegenwoordige dingen. Johannes zegt dat de antichrist zou komen, maar dat nu ook al vele antichristen, namelijk valse profeten, gekomen zijn. Deze doen hun werk: ze verspreiden de leugen, ze bestrijden de waarheid. Zolang Christus er is, zijn er antichristen.

Er wordt een beeld opgericht, gewijd aan dit antichristelijke rijk in het algemeen en in het bijzonder aan dit eerste beest. Dat gebeurt op initiatief van het tweede beest. In de praktijk bestaat tussen die twee nauwelijks verschil. Het is één en hetzelfde rijk. Die tweede, de antichrist, de duivel, is de grote leraar en die zegt wat de mensen moeten doen. Dat is in ieder geval een beeld maken; een afgodsbeeld dus. Zo’n beeld komen we in Daniël 2 tegen. In de droom, met dat gouden hoofd. Het is de uitbeelding van de wereldrijken, uitlopend in de tien tenen. Daarna vind je zo’n beeld in Daniël 3. Het is daar een letterlijk beeld gewijd aan Nebukadnezar, de koning van dat rijk. Men moest daarvoor knielen en als men dat niet deed werd men in de vurige oven geworpen. Dat beeld is de verwijzing naar de wereldrijken in het algemeen, culminerend in een letterlijk beeld dat in de eindtijd zal worden opgericht. De Here Jezus sprak ook over dat beeld in Matthéüs 24 : 15 en noemde het “de gruwel der verwoesting, waarvan Daniël gesproken heeft”. In Daniël 9 : 27 heet het de “gruwelijke vleugel”. Deze zou niet in de tempel staan, maar in de heilige plaats. Uiteindelijk zal dat beeld  niet alleen in Jeruzalem worden gebouwd, maar ook in Babel en in minstens de hoofdsteden van de landen die deel uit maken van dat wereldrijk.

En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. Openbaring 13 : 15

Ik heb geen bezwaar tegen een zo letterlijk mogelijke betekenis. Demonen kunnen zich nestelen in menselijke gedaanten, van steen of ander materiaal, beelden dus. Als demonen zich kenbaar maken, dan spreken zij. Met een overdrachtelijke verklaring heb ik evenmin moeite. Spreken wil zeggen dat men iets te melden heeft, iets leert, iets bekend maakt. Vanuit dit beeld wordt het een en ander onderwezen aan de mensen. De draak zal spreken en onderwijs geven vanuit het centrum van het laatste wereldrijk. Men zou vervolgens het beeld van het beest aanbidden en wie het niet doet zal gedood worden, staat er aan het einde van vers 15. Dit komt aardig overeen met Daniël 3 : 6: “En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden”. Het gaat hier om een beeld van 60 el hoog, en 6 el breed, waarbij er muziek werd gemaakt door zes instrumenten. Dan moet men buigen voor dat beeld. De Filistijn Goliath, een type van dit laatste wereldrijk, was 6 ellen en nog wat; een “span” wordt dat genoemd. (1 Samuël 17 : 4) Zes is het getal van de mens, maar hij was net iets meer dan een mens. Hij had een zesdelige wapenrusting en zijn zware speer woog 600 sikkels.

16 En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;
17 En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams. Openbaring 13 : 16, 17

“Kleinen en groten, en rijken en armen en vrijen en dienstknechten” is de oude term uit Openbaring 6 en betekent: iedereen. Over het merkteken zijn boeken vol geschreven. Men ziet vaak in alle tekens een bedreiging. Vroeger was het een tatoeage en de laatste vondst is dat het om een ingeplante chip zou gaan. Er wordt in ieder geval veel over gespeculeerd. Wat het ook is, ze krijgen een teken als teken dat ze erbij horen. Dat ze er achter staan. Dat ze dat rijk voorstaan. Maar er staat nog iets spe- cifiekers: “Aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden”. Verzegeling is kennelijk belangrijk in die tijd. Aan de ene kant de verzegeling van 144.000 aan hun voorhoofden, met het teken van de Here Jezus. Hier krijgen ongelovigen een teken. Er staat dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft. Alleen als men het teken heeft mag men deelnemen aan het economisch verkeer. Als men niet knielt voor dit beeld, dan is men uitgesloten van de samenleving als het ware. Er zal dus grote druk op de mensen staan en velen zullen zich erbij aansluiten en dat teken voor lief nemen.

Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig. Openbaring 13 : 18

Het teken fungeert als de naam van deze figuur. Het heet ook “getal zijns naams”, want in de oude talen zijn alle letters cijfers. Die naam wordt uitgedrukt in een getal, in de betekenis van aantal. Zoek maar eens op het woord “getal” in de concordantie van de Statenvertaling. Het woord “getal” wordt gebruikt waar wij “aantal” gebruiken. Het is het resultaat van een optelsom. De letters van zijn naam zijn cijfers en die worden bij elkaar opgeteld. De uitkomst is 666, zegt vers 18. Zijn naam wordt niet gegeven, maar hij heeft wel een specifieke naam. In het boeddhisme wordt geleerd dat boeddha gautama aankondigde dat er een boeddha groter dan hijzelf zou komen. Daarin wordt de komst van de antichrist aangekondigd. De mohammedanen (zij verwachten de Mahdi) en vele andere godsdiensten kennen ook de komst van iemand die de verlosser zou blijken te zijn. In al die godsdiensten is het echter niet de Christus, maar de antichrist. Als deze komt zal hij zeggen dat hij degene is die aangekondigd is. Maar hij is niemand minder dan de antichrist.

De naam van die nog komende boeddha is al sinds de eerste boeddha (lang geleden, maar het begin van boeddha is onduidelijk) is vastgelegd: Maitrea. De naam is in de diverse talen vastgelegd en heeft een vaste voorgeschreven spelling. In de Hebreeuwse taal levert dat exact 666 op. Wij doen wat vers 18 zegt: “Die het verstand heeft, rekene het getal van het beest, want het is het getal eens mensen”.  Als de antichrist komt, dan geeft hij zich uit voor de Christus en steelt dit getal.

14. Openbaring 14

Openbaring 14 : 1-5

1 En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden.
2 En ik hoorde een stem uit den hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een groten donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers;
3 En zij zongen als een nieuw gezang voor den troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.
4 Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; dezen zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen Gode en het Lam.
5 En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor den troon van God. Openbaring 13 : 18

Dit visioen kwamen we eerder tegen in Openbaring 4 en 5. Het Lam op de troon, daaromheen de vier dieren en dan de 24 oudsten of ouderlingen. Hier is het gezelschap uitgebreid met 144.000 mannen, die als maagden beschreven worden. De term “Lam” is in openbaring min of meer de vaste uitdrukking voor de Here Jezus Christus. Verwijzend naar dat Hij nederig, dienstbaar en volgzaam was. Het Lam stond op de berg Sion en in hoofdstuk 5 stond het Lam op de troon. Hij heeft de heerschappij ontvangen. Zijn Koninkrijk zal het koninkrijk van de antichrist vernietigen en daar gaat het in deze hoofdstukken over. In de visioenen verwijst de berg Sion weliswaar naar Jeruzalem, maar de naam wordt gebruikt ter aanduiding van het koninkrijk van de Zone Davids; het koninkrijk van Christus. Dat Hij ooit op de berg Sion zal staan is waar, maar daar gaat het hier niet om. We zien hier de Here Jezus in Zijn Koninkrijk. Althans in het eerste begin daarvan, zo blijkt uit de volgende verzen. Zoekt u de term Sion maar op in uw Bijbel en u zult zien dat het verwijst naar Jeruzalem, maar meer nog naar het koninkrijk van David, dan wel het koninkrijk van de Zoon van David. Tegenwoordig weet men echt niet wat de berg Sion precies is, want Jeruzalem is in de loop der eeuwen een paar keer verwoest. De puinhopen zijn gebruikt om de dalen op te vullen. De Romeinen deden dat met opzet, zodat ook de geografische kenmerken van de stad niet meer herkenbaar zouden zijn. De naam Sion gaf men aan een gebied in het tegenwoordige Jeruzalem, maar of dat de Bijbelse plaats is, waag ik te betwijfelen. Het gaat er echter om dat Sion een synoniem is voor Jeruzalem en via die stad een uitbeelding is van het Koninkrijk van Christus. Het Lam stond op de berg Sion en met Hem 144.000 verzegelden, die de Naam Zijns Vaders geschreven hebben aan hun voorhoofden. Hun teken was dus ook een Naam, die van Zijns Vaders. Ik denk dat het teken de Davidsster is, twee driehoeken door elkaar, want dat is het teken van de Zoon des Mensen. In Matthéüs 24 : 30 staat: “En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen”. Daar gaat het eveneens over de wederkomst van Christus om Zijn Koninkrijk op te richten.

Vers 2: “En ik hoorde een stem uit de hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een grote donderslag. Donderslag is altijd een uitbeelding van het spreken van God, want God spreekt in Christus en door Christus en dat zullen we ook in de rest van dit hoofdstuk lezen. Dit kwam we ook al tegen in hoofdstuk 10, waar zelfs zeven donderslagen spraken. God spreekt en dat gaat hierna ook gebeuren, want die 144.000 zijn dienstknechten Gods, volgens hoofdstuk 7 : 3. Dienstknechten onzes Gods die verzegeld zullen zijn aan hun voorhoofden. Zij zullen het evangelie prediken. Zij zijn eerstelingen van dat Koninkrijk van Christus, volgens vers 4.

Vers 3: “En zij zongen als een nieuw gezang voor de troon”. Bij de muziek wordt gezongen en dat is de uitbeelding van aanbidding. Alle aanbidding, alle dienst aan de Heer, wordt voorgesteld door het zingen van een lied. Onze traditionele samenzang is typologie. Het is de uitdrukking van hoe wij allen onze levens aan de Heer gewijd hebben. In de Roomskatholieke kerk heeft men de samenzang in der tijd afgeschaft. Pas in de dagen van de reformatie werd het weer ingevoerd. Toen had men gebrek aan liederen, dus alle reformatoren waren componisten en tekstschrijvers. Als de Bijbel opengaat, heeft men behoefte aan liederen. Dat wij als met één mond de Heer zouden loven, is niet alleen maar een verwijzing naar de samenzang, maar ook naar onze eensgezindheid. Dat bindt ons. Hier gaat het echter niet over de Gemeente als zodanig, maar over degenen die verbonden zijn met de troon. Dat zijn het Lam, vier dieren, (uitdrukking van Christus) en daarna 24 oudsten, die een uitdrukking zijn van de Gemeente als zodanig. De 144.000 zijn daaraan toegevoegd.

Vers 3: “Niemand kon dat gezang leren dan de 144.000 die van de aarde gekocht waren”. Zij zijn gewijd aan de dienst aan de Heer. Ze zijn genaderd tot de troon der genade en hebben hun levens in dienst gesteld van de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Het gaat hier om een nieuwe dienst. Een nieuw gezang is een uitdrukking van leven onder het Nieuwe Verbond. Dat niemand dan de 144.000 dat gezang kan leren wil niet zeggen dat ze dan niet meer op aarde zijn, maar dat ze niet behoren tot de aardse categorie van het koninkrijk van de antichrist. Daarvan zijn zij gekocht. Zij zijn toegewijd aan dat koninkrijk der hemelen, maar hun positie is nog steeds op de aarde. Als eerstelingen. Die 24 oudsten, in ditzelfde visioen genoemd, zijn ook eerstelingen. Dat is de Gemeente en die heeft een hemelse positie. De andere 144.000 worden opnieuw eerstelingen genoemd en dat kan volgens een andere maatstaf. Eerstelingen (de Gemeente) worden van de aarde weggenomen, want al wat de baarmoeder opent is voor de Heere en verdwijnt naar de hemel. (o.a. Exodus 34 : 19) De Gemeente is dat. Na de opname van de Gemeente moet op aarde alsnog dat koninkrijk van Christus gebouwd worden en dat begint opnieuw met eerstelingen: de 144.000. Zij zijn weer eerstelingen van Israël, dat als volk in zijn geheel een volk is van eerstelingen t.o.v. de overige volkeren.

Vers 4: “Dezen zijn het die met vrouwen niet bevlekt zijn”. Ik ben niet verantwoordelijk voor het woord bevlekt, dat staat er nou eenmaal. Daarna dezelfde term nog een keer: “want zij zijn maagden”. Dat zal wel letterlijk waar zijn, hoewel dat ongetwijfeld niet het belangrijkste is. Het zal ook overdrachtelijk waar zijn en dan wordt het heel wat makkelijker om het te verklaren. Want dan gaat het niet meer om letterlijk vrouwen, maar om het vrouwelijke. Dat drukt de zienlijke dingen uit, de uiterlijke dingen, de buitenkant. Het probleem voor gelovigen was en is, dat we zouden wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Ons leven, ons denken, onze beleving en dus ons leven, zou bepaald worden door het Woord. Door onzienlijke dingen en niet door de buitenkant. Dat is het dilemma waar wij voor staan. De 144.000 worden niet verontreinigd door de uiterlijke dingen. Ze trekken zich niks van aan wat er in de wereld omgaat en te koop is of opgedrongen wordt. Ze trekken zich niets aan van de werking van de antichrist. Ze houden zich aan het Woord Gods.

Vers 4: “Dezen zijn het die het Lam volgen”. Als de 144.000 dat doen, zullen zij de Waarheid verstaan en de Waarheid zal hen vrijmaken. (Johannes 8 : 31, 32) Dit geldt net zo goed voor ons. Omdat de 144.000 het Lam volgen, kan van hen gezegd worden dat ze gekocht of verlost zijn, want verlossen is loskopen. In het Nederlands kun je dat niet zien, maar verlossing is altijd loskoping. Hier staat de term “gekocht”, omdat het inhoudt dat ze daarmee het eigendom zijn van de Here Jezus Christus.

Vers 5: “En in hun mond is geen bedrog gevonden”. Dit is volgens Zefanja 3 : 13 van toepassing op een gelovig overblijfsel uit Israël. Wat is er dan in hun mond? Dat is dus de waarheid; het Woord van God. Dat prediken zij, in plaats van het bedrog van de wereld. Zij bewaren de waarheid en dat is essentieel voor een gelovige en voor een priesterlijk volk. De lippen der priesters zouden het woord Gods bewaren en dus geen bedrog spreken. Over de Here Jezus Zelf wordt gezegd dat er in Zijn mond geen bedrog is gevonden. (1 Petrus 2 : 22) Bedrog is alle woord dat voortkomt uit de wereld, uit het denken van de mens. Dat heet filosofie en soms ook theologie. Het is ijdele verleiding, loze woorden. “Want ze zijn onberispelijk voor Gods troon”. Iemand is voor God onberispelijk als hij het Woord Gods bewaart. Met hart en mond. (Deuteronomium 30; Romeinen 10 : 10). Het woord “onberispelijk” betekent trouw zijn aan de Heer. Leven naar de nieuwe mens is onberispelijk zijn voor Hem. En Hij zal ons onberispelijk en zonder vlek of rimpel maken. (Efeze 5 : 27)

En ik zag een anderen engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwige Evangelie, om te verkondigen dengenen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk; Openbaring 14 : 6

“Een andere” heeft in de Statenvertaling de betekenis van het Engelse “another”. In het Nederlands is dat “nog een”. In de Statenvertaling wordt het gebruikt in de zin van: hij is helemaal anders en niet: hij is verschillend van de voorgaande. Er was er al een engel en nu komt er nog een. Engelen hebben vleugeltjes in visioenen, anders kun je niet zien dat het een engel is. Het midden is de hemel in de meeste gevallen en hier ook. Het is de plaats van de troon. Die staat in de hemel. Het gaat om een positie van heerschappij. Vliegen in het middens des hemels. En hij, die andere engel, “had het eeuwige evangelie om te verkondigen degenen die op de aarde wonen”. In de eerste plaats, heel het Woord Gods is eeuwig, maar het woord eeuwig heeft niet alleen – en niet noodzakelijk – de betekenis van altijd blijvend. Het betekent ook: overal van toepassing. Het bijvoeglijk naamwoord van uitgestrektheid. Het kan ook zijn het bijvoeglijk naamwoord van tijd: dan is het eeuwig in de zin van blijft altijd. Overal van toepassing is ook universeel. Het algemene, universele evangelie, dat wat altijd van toepassing is. Op de aarde zou dat Koninkrijk openbaar moeten worden. Dat kan alleen als mensen zich inderdaad aan de Koning van dat Koninkrijk onderwerpen en dat kan alleen als hun dat gepredikt wordt. (Romeinen 10 : 14) Hier is het een engel die het evangelie predikt aan degenen die op aarde wonen, maar het is nog steeds een visioen! Het blijft nog steeds een overdrachtelijke betekenis houden. Wie is die engel? Op aarde prediken de 144.000 uit de 12 stammen van Israël het evangelie. Op een hoger niveau doet de Gemeente dit, want in rangorde staat de Gemeente boven Israël en dus ook boven de 144.000. Bovendien zouden niet alleen de 144.000, maar geheel Israël tot geloof komen, omdat aan hen, door de oudsten van Israël (de Gemeente), het evangelie gepredikt wordt. Die engel is dus de Gemeente. In Openbaring 12 stelde Michael en zijn engelen de Gemeente voor. De Gemeente wordt soms in meervoud voorgesteld en soms in enkelvoud. De Gemeente geeft leiding aan het verkondigende werk van de 144.000. Wij zijn er in de toekomst bij betrokken. Wij krijgen wat te doen, God zij dank.

Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft. Openbaring 14 : 7

In het licht van de prediking en de filosofie van de antichrist is dat to the point, want in die antichristelijke leer is geen plaats voor God. Wel wordt er gezegd dat krachten aangestuurd worden door de hoogst ontwikkelde mens. Daarom wordt in deze prediking uitdrukkelijk dé Schepper geïntroduceerd. Hij is de Schepper van hemel en aarde en dus zal men als schepsel Hem dienen en Hem heerlijkheid geven door naar Hem te luisteren. Door in Hem te geloven, met name in wat Hij zegt. Wie dat doet komt vanzelf ook tot geloof in de Here Jezus Christus. “Gijlieden gelooft in God? Gelooft ook in Mij”. (Johannes 14 : 1) Daar gaat het om in de dagen van de oprichting van het Koninkrijk van Christus op aarde.

En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 14 : 8

Dit vers grijpt vooruit op Openbaring 17, waar dezelfde naam gebruikt wordt: Babylon.  Die beschouwd wordt als een vrouw en waarin gesproken wordt over “wijn harer hoererij”. Dit is de eerste keer in Openbaring dat de naam Babel gebruikt wordt. Dat komt later nog vaker voor, omdat met Babel niet alleen de letterlijke stad Babel wordt aangeduid, maar ook het koninkrijk van de duivel, de macht der duisternis, dit antichristelijke rijk. In het boek Daniël werd eerder al uiteengezet dat in de tijd tussen het koningschap van David en dat van zijn Zoon (Christus) er een ander rijk zou zijn, dat de mensheid zou leiden. Dat is Babel. Als het niet Jeruzalem is, dan is het Babel. Als het niet de Heer is, dan is het de satan, de tegenstander. Als het niet Christus is, dan is het de antichrist. Dit antichristelijke rijk, met Babel als hoofdstad, zal ten onder zal gaan, want bij de introductie van Babel staat twee keer: “het is gevallen”. Er wordt vooruitgegrepen op de val van Babel en als het ware teruggekeken, althans grammaticaal. Babylon zal vallen, “omdat zij uit de wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt”. Wij hebben het er later uitgebreider over. Die stad zal vallen langs twee routes. De ene is die van de prediking van het evangelie, opdat mensen tot geloof zouden komen en daarmee ontrukt worden aan dat antichristelijke rijk. Aan de andere kant zal er van Godswege een oordeel komen. Het gaat beide gelijk op. Die dingen vinden we hier naast elkaar vermeld, want tot en met vers 7 is er sprake van de uitbreiding van het koninkrijk van Christus door de prediking van het evangelie.

9 En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een grote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand,
10 Die zal ook drinken uit den wijn des toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is, in den drinkbeker Zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam. Openbaring 14 : 9, 10

Wijn heeft altijd iets van doen met beneveling, met de waarheid kwijt raken. Wijn is enerzijds de uitbeelding van afgoderij van de wereld. Men kent de waarheid niet, is de realiteit kwijt. Men heeft geen vaste punten meer, alles beweegt, alles draait voor de ogen. Men vergeet het een en ander. Van de andere kant wordt wijn ook gebruikt als executiemiddel, in de Griekse tijd in elk geval. Daar wordt men veroordeeld tot het drinken van een beker wijn. Vergiftigde wijn, waaraan men dood gaat. Als men teveel wijn drinkt, gaat men sowieso dood. Dat is vergiftiging en dat is wat hier gezegd wordt als men drinkt uit die beker van Babylon. Die wijn is ongemengd, onverdund, en in alle hevigheid “ingeschonken in de drinkbeker Zijns toorns”. Wie die antichrist volgt, zal terecht komen in het oordeel Gods, omdat men God verlaten heeft, God niet als Schepper erkend heeft. Daarom komt men onder het oordeel van de toorn Gods en dat geldt universeel voor de gehele mensheid.

En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt. Openbaring 14 : 11

Hier wordt vooruit gegrepen op een paar hoofdstukken verder in Openbaring, op de poel des vuurs, als de uitdrukking van het eeuwige oordeel Gods. Degenen die buigen voor de antichrist zullen geen rust hebben en zullen uiteindelijk in de poel des vuurs terechtkomen. Dit oordeel Gods duurt enige tientallen jaren. Men volgt de leugen in plaats van de waarheid. Men dient de god dezer eeuw in plaats van de God die Schepper is van hemel en aarde. Dan vers 12, dat naast het einde van hoofdstuk 13 : 10 gelegd zou moeten worden, want daar staat:

Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus. Openbaring 14 : 12

Het betekent: Dit is essentieel. Er wordt gewezen op wat belangrijk is. Dat is de lijdzaamheid der heiligen, d.w.z. het geduld, maar boven alles de onderwerping, nederigheid en dienstbaarheid van de heiligen, de gelovigen. Het gaat om degenen die de geboden Gods bewaren, waarna er achter staat: het geloof van Jezus. Als men de geboden Gods bewaart, dan bewaart men het geloof van Jezus. Het is niet zeker of die vertaling correct is: het geloof van Jezus. Ik heb er geen moeite mee. Men zou altijd het voorbeeld van de Here Jezus volgen en het Woord Gods bewaren. Als gevolg daarvan zou men geloven in Jezus. Het gaat dus om geloof in al wat God gesproken heeft, dat zijn de geboden Gods.

En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen. Openbaring 14 : 13

Als de doden, vanaf de tijd van het antichristelijke rijk en dus ook in de tijd van de prediking van de 144.000, zalig geschreven worden, betekent dit dat ze zullen opstaan ten tijde van de definitieve vestiging van het Koninkrijk van Christus op aarde. Dat is bij de aanvang van de duizend jaren. Dan gaan ze het Koninkrijk op aarde daadwerkelijk binnen. Dat is eerder aangehaald in Openbaring 6 en wij zullen het nog zien in Openbaringen 20 : 4-6. Gelovigen verwachten dat Koninkrijk op aarde. Zij sterven wellicht, maar dan zullen zij opgewekt worden om alsnog het Koninkrijk binnen te gaan. Ook al zijn ze overleden, ze zullen toch beloond worden. Openbaring 20 zegt dat ze met Christus heersen zullen in de duizend jaren, dus leven ze weer. Ze hebben deel aan de eerste opstanding. Het aardige is hier de afwisseling. In vers 1 t/m 7 het Koninkrijk van Christus, inclusief de prediking van het evangelie. Vanaf vers 8 t/m 11 het oordeel over Babylon en daarmee heel het antichristelijke rijk. In vers 12 en 13 weer: lijdzaamheid der heiligen, die de geboden Gods bewaren. Dan gaat het weer over het Koninkrijk van Christus. Over degenen die trouw zijn aan Christus en niet aan de antichrist. Vers 14 gaat weer over het oordeel over de ongelovige mensheid. Het wisselt elkaar af.

En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand een scherpe sikkel. Openbaring 14 : 14

“Een gezeten is als des mensen Zoon gelijk”, is de Zoon des Mensen. Een witte wolk is de uitdrukking van de Gemeente. Het is de uitbeelding van de hemelse kracht die door Christus geactiveerd wordt. Daar is de Gemeente bij ingesloten. Goud is een beeld van eeuwigheid. Kroon is een beeld van koningschap. Een gouden kroon is een eeuwig koningschap. “En in Zijn hand” verwachten wij een ijzeren scepter, omdat die in Openbaring al eerder genoemd was. Nu is het een scherpe sikkel. Bij nader inzien is het hetzelfde. In beide gevallen gaat het om oordeel. De scepter is een stok, een staf, een knuppel en als deze van goud is, staat het voor eeuwige kracht. Als hij van ijzer is, gaat het om de vermalende oordelende kracht, want ijzer vermaalt en verbreekt. Een sikkel gaat over de oogst, over maaien en dus over oordeel. Nu komt de oogst en die is de voleinding der eeuw. (o.a. Matthéüs 13) Het is de ondergang van het satanische, danwel antichristelijke rijk.

15 En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want de ure om te maaien is nu gekomen, dewijl de oogst der aarde rijp is geworden.
16 En Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.
17 En een andere engel kwam uit den tempel, die in den hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel. Openbaring 14 : 15-17

De tempel is ook een uitbeelding van het Koninkrijk. Dat is al besproken in Openbaring 11. Daar bleek die tempel gemeten te worden en toen was het de Gemeente in zijn hemelse positie. Maar dat was het Koninkrijk tot dan toe, terwijl het nog niet op aarde geopenbaard was. Hier vind je iets dergelijks, zodat die tempel een uitbeelding is van specifiek de Gemeente. Je kunt ook zeggen dat het een beeld is van het eerste deel van het Koninkrijk van Christus, van waaruit het oordeel over dit antichristelijke rijk gebracht zal worden. Dat maakt geen verschil. Zaaien doen wij, de oogst verwachten we in de toekomst. Het maaien is hier; in de voleinding der wereld. “Dewijl de oogst der aarde rijp is geworden”, verwijst naar Matthéüs 13 : 39. Al het werk in de toekomst i.v.m. de openbaring van het Koninkrijk van Christus, wordt in de eerste plaats gedaan door de Gemeente. In de tweede plaats door Israël of de 144.000, die Israël vertegenwoordigen.

En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van den wijngaard der aarde, want zijn druiven zijn rijp. Openbaring 14:18

Het altaar is de aanduiding van dienst aan God. Daarom hebben wij een altaar zegt Hebreeën 13 :10 en Openbaring 6 sprak over “zielen onder het altaar”. Het is een wat apart altaar, een nieuw altaar eigenlijk. Een ander altaar dan onder het Oude Verbond, want wij hebben een andere dienst dan onder het Oude Verbond. Hier gaat het over de oogst. Wie het ook is, men zal onder het oordeel komen. Er worden twee beelden door elkaar gebruikt. Enerzijds van de oogst en anderzijds van het vuur, als oordeel.

19 En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van den wijngaard der aarde, en wierp ze in den groten wijnpersbak des toorns Gods.
20 En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen der paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. Openbaring 14:19,20

Dit is ook een uitbeelding van oordeel. Weer wordt er oordeel uitgebeeld. Hij wierp ze in de “groten wijnpersbak des toorns Gods”, want het gaat om de dag des toorns en dus de tijd van de grote verdrukking, het oordeel over heel deze aarde. De wijnpersbak werd buiten de stad getreden. Dat is buiten Jeruzalem en niet buiten Babel. Buiten de stad wil zeggen: buiten het Koninkrijk, buiten Christus. De wijnpers treden is in de Bijbel een bekend beeld van oordeel. Bijvoorbeeld in Jesaja 63. Het resultaat is de ondergang van dit satanische rijk. Dit antichristelijke rijk is vergankelijk. 1600 stadiën ver; dat is 40 kwadraat. 40 staat voor de vergankelijkheid derdingen en 1600 staat meer dan ooit voor de vergankelijkheid derdin- gen. Vanaf de verschijning van de antichrist op aarde, bij het begin van de 70-ste week van Daniël, tot aan het begin van de duizend jaren, zijn 40 jaren. 40 kwadraat en de vervulling daarvan is 1600.

15. Openbaring 15

Over hoofdstuk 15 valt niet al te veel te vertellen. Net zoals bij hoofdstuk 16 staat er namelijk boven: “De zeven engelen met de zeven laatste plagen, danwel oordelen”. De zeven engelen gieten hun flessen, fiolen, oftewel schalen uit. Dat zijn die zeven laatste plagen. Beide hoofdstuk- ken gaan daarover. Het is één geheel. Hoofdstuk 15 is de introductie naar hoofdstuk 16. Zeven schalen komen overeen met zeven bazuinen en die hebben we eerder naast elkaar besproken en met elkaar vergeleken.

En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in den hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn Gods geëindigd. Openbaring 15:1

Nog een groot en wonderlijk teken in de hemel is niet noodzakelijk iets anders. Het is er nog één. De zeven bazuinen zijn een beschrijving van oordelen, die op een of andere wijze en ook in zekere volgorde plaatsvinden gedurende de 33 jaar na de 70-ste week van Daniël en voorafgaande aan de duizend jaren. Het is het eind van de periode van de verborgenheid, zoals al aangehaald is in hoofdstuk 10. De “zeven laatste plagen” is de grote verdrukking als zodanig. Die geldt voor de volkeren vanaf het eind van de 70-ste week tot aan het begin van de duizend jaren.

En ik zag als een glazen zee, met vuur gemengd; en die de overwinning hadden van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteken, en van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de dters Gods; Openbaring 15:2

De term “glazen zee” staat ook in Openbaring 4 : 6. Het heeft in ieder geval een reinigende werking, net als vuur, dat verbrandt namelijk wat onrein is. Uit het vuur komen goud, zilver en kostelijke stenen te voorschijn. Als die materialen tussen de rommel in het vuur geworpen worden, dan verbrandt alleen de rommel. Het wordt openbaar. Wat overblijft wordt zichtbaar. In de voorhof van de tempel stond inderdaad een altaar met vuur daarop en een koperen zee. Allebei zijn ze een beeld van reiniging, want men moest gereinigd worden voordat men het heiligdom binnenging. Het idee is dat mensen tot geloof komen. Ze hebben de macht van de antichrist overwonnen, omdat zij trouw zijn aan het Lam en dus aan Zijn Woord. Als zij het beest hebben overwonnen, dan staan zij bij de glazen zee als uitbeelding van hun reiniging. Ze zijn gereinigd en daarmee dus wedergeboren, dat is wat het uiteindelijk uitbeeldt. “Citers Gods”  betekent dat ze de Heer dienen. Zij loven Hem in hun praktische levenswandel. Het is een prachtige beeldspraak. Dit zijn de gelovigen die gehoor geven aan het Woord Gods dat gepredikt wordt door de 144.000.

En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen! Openbaring 15 : 3

Het “gezang van Mozes” was een lied ontleend aan het aanbreken van het Oude Verbond, want toen werd het gezang van Mozes gezongen. De dienstknechten Gods zongen het gezang van Mozes en daarmee het “gezang des Lams”, nu ter gelegenheid van het aanbreken van het Nieuwe Verbond. De Heer heeft verlossing gebracht en dat wordt bezongen. “Heiligen” had moeten zijn “heidenen”. “Koning der volkeren” namelijk. Er zijn mensen die moeite hebben met die term, omdat ze heidenen per definitie beschouwen als ongelovigen. God is Koning der heidenen in de zin van Koning der volkeren. Dit gezang van Mozes is niet letterlijk hetzelfde als: “groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen”. De strekking is echter wel degelijk hetzelfde. Namelijk: dank aan de Heer voor de verlossing die tot stand is gebracht, waarbij dit gelovig overblijfsel behouden is, en waarbij de Egyptenaren in de Schelfzee ten onder gingen. Die zijn een beeld van het rijk van de duivel. Het gezang betekent tegelijkertijd dat de verlossing uit Egypte een uitbeelding is van de verlossing die in de toekomst tot stand gebracht zal worden in de wederkomst van Christus.

Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want Gij zijt alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden. Openbaring 15 : 4

Gods oordelen zijn op dit punt in de toekomst gerealiseerd en zijn voor iedereen kenbaar. Net zoals bij de verlossing van Israël uit Egypte kon de rest van de wereld het aanschouwen. Het was en is een demonstratie. Het staat er bij. Het wordt later nog enige malen bezongen in de Psalmen.

En na dezen zag ik, en ziet, de tempel des tabernakels der getuigenis in den hemel werd geopend. Openbaring 15 : 5

Het is elke keer hetzelfde, want de tempel is onder andere de hemel. De hemel is een tempel, omdat de Heer er woont. Tabernakel is hetzelfde als tempel, want in de tabernakel woont de Heer en dus is dat ook een beeld van de hemel. Hebreeën 9 zegt dat ook. De ware tempel, het ware heiligdom, de ware tabernakel, is de hemel. Waar de tempel de Gemeente is, is de Gemeente ook in de hemel. Het is één geheel. Getuigenis is de oudtestamentische uitdrukking uit Exodus ter aanduiding van het Woord Gods, dat bewaard werd in de tabernakel of de tempel. De tabernakel of tempel is namelijk alleen een tabernakel of tempel als daarin de Getuigenis, het Woord Gods, bewaard wordt. Daarom heet de tabernakel ook de tent der getuigenis en heet de Ark des Verbonds de ark der getuigenis. Al die termen duiden op precies hetzelfde. Daar waar het Woord bewaard wordt en van daaruit komen de zeven engelen, met de zeven plagen. We zijn hier weer aan het begin van die 33 jarige periode. In een situatie waarbij de Gemeente in de hemel is en waarbij op aarde nog maar een klein gelovig overblijfsel is. Dat aantal neemt toe, omdat in de volgende jaren het evangelie gepredikt wordt.

En de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit den tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. Openbaring 15 : 6

Het rein en blinkend lijnwaad is linnen en is daarmee een beeld van wedergeboorte, want linnen is een beeld van wedergeboorte in zichzelf. Degenen die linnen dragen zijn op die grond priesters en dat volgens oudtestamentische voorschriften. In doeken gehuld is de uitbeelding van het Hogepriesterschap van Christus naar de ordening van Melchizédek. Niet naar Zijn geboorte, maar naar Zijn wedergeboorte. Vandaar dat Zijn discipelen die doeken weer terugvonden in Zijn graf toen Hij uit de dood was opgestaan. Zijn doeken als uitbeelding van Zijn Priesterschap. Hier hier zijn deze engelen de uitdrukking van priesterlijk werk, maar ook van koninklijk werk. Gouden gordels zijn een beeld van het koningschap, van koninklijke kracht.

7 En een van de vier dieren gaf den zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods, Die in alle eeuwigheid leeft.
8 En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit Zijn kracht; en niemand kon in den tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen geëindigd waren. Openbaring 15 : 7, 8

Niet die toorn leeft in alle eeuwigheid, maar God wel, in tegenstelling tot de antichrist, want die zal spoedig weer verdwijnen. De rook, de wolk, is een uitbeelding van de werkzame kracht Gods. Primair uitgedrukt in wat wij de Heilige Geest noemen en ook in heel dat leger van hemelse heirlegers, engelen en dus in de eerste plaats de Gemeente. Daar is die heerlijkheid. Het Koninkrijk wordt niet openbaar vóórdat al deze zeven oordelen geweest zijn, zoals we eerder uitgebreid besproken hebben bij de zeven bazuinen.

16. Openbaring 16

Hierna gaat het in Openbaring 16 over de zeven fiolen. Zie voor de bespreking van dit onderwerp ook hoofdstuk 8, vanaf vers 6.

1 En ik hoorde een grote stem uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat henen, en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde.
2 En de eerste ging henen, en goot zijn fiool uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden.
3 En de tweede engel goot zijn fiool uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee.
4 En de derde engel goot zijn fiool uit in de rivieren en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.
5 En ik hoorde den engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt;
6 Dewijl zij het bloed der heiligen, en der profeten vergoten hebben, zo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.
7 En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen:Ja, Heere, Gij almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.
8 En de vierde engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur.
9 En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden den Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven.
10 En de vijfde engel goot zijn fiool uit op den troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
11 En zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.
12 En de zesde engel goot zijn fiool uit op de grote rivier, den Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden de weg der koningen, die van den opgang der zon komen zullen.
13 En ik zag uit den mond des draaks, en uit den mond van het beest, en uit den mond des valsen profeets, drie onreine geesten gaan, den vorsen gelijk;
14 Want het zijn geesten der duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen der aarde en der gehele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien groten dag des almachtigen Gods.
15 Zie, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
16 En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon.
17 En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: Het is geschied! Openbaring 16:1-17

Een grote stem uit de tempel des hemels, van de troon” is spreken van God. “Het is geschied” slaat op de vestiging van het Koninkrijk van Christus over de aarde. Daar gaat heel de Bijbel over, vanaf bladzijde i. Het gaat over Adam, de mens die over de aarde zou heersen, en het wordt vervult in de laatste en definitieve Adam, de Here Jezus Christus.

18 En er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er geschiedde een grote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk een zodanige aardbeving en zo groot.
19 En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns Zijner gramschap. Openbaring 16:18,19

Bij die aardbeving valt o.a. Babylon in stukken. Deze dingen m.b.t. Babel hebben we al besproken onder het zesde zegel en de zesde bazuin, waar de legers van Babel optrokken tegen Jeruzalem. Ze komen om in Armageddon en hier onder de zevende fiool of bazuin valt de stad.

20 En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden.
21 En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plage des hagels; want deszelfs plage was zeer groot. Openbaring 16 : 20, 21

Vers 20: “En alle eiland” gaat daar over verre landen, alle geïsoleerde landen. “Bergen” staat voor koninkrijken, zo wordt al in het Oude Testament duidelijk gemaakt. Alles wat hoog is, alles wat berg is, zal vlak gemaakt worden, zal vernederd worden. Dus de koninkrijken der aarde zullen uiteindelijk aan Christus onderworpen zijn.

Vers 21: Het gaat verder dan de stad. Er komt een oordeel van Godswege vanuit de hemel op de aarde over de dan nog levende mensheid. Dit is het laatste definitieve oordeel over de mensheid, waarbij de ongelovige, alle ongelovigen, van de aarde zullen worden weggenomen. Zij worden gedood. In het Oude testament, Jeremia 50 en 51, wordt gesproken over de ondergang van Babel en dan staat er dat dit zal gebeuren door hagelstenen vanuit de hemel.

17. Openbaring 17

Boven Openbaring 17 staat: “De vrouw op het scharlakenrood dier.”

En een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren; Openbaring 17 : 1

Het opschrift van dit hoofdstuk spreekt over de vrouw op het scharlakenrode dier, maar als we komen kijken zien wij een grote hoer. Die zit niet op een scharlakenrood dier, maar op vele wateren. Zo werkt dat met symboliek. De plaatjes veranderen soms, maar de gedachte blijft hetzelfde. We zijn hier terecht gekomen aan het einde van de zesde bedeling. De bedeling der volheid der tijden. Op het punt waarop de satan en zijn personeel gebonden zal worden en het koninkrijk van Christus, niet alleen in de hemel, maar ook op aarde gevestigd zal gaan worden en dus wordt het oordeel over dat laatste wereldrijk besproken. Het heet dan het “grote oordeel over de hoer die zit op vele wateren”. Met die term wordt dat laatste wereldrijk wijze beschreven en de details volgen hierna. Wat in de Bijbel koningen heet, zijn ook dikwijls koninkrijken, want de koning is de uitdrukking van het koninkrijk.

Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij. Openbaring 17 : 2

Hier wordt de situatie van de wereld beschreven, waarbij de koninkrijken, kortom de mensheid dronken is. Bij dronkenschap is men zich niet meer bewust van de realiteit. Bovendien kent men geen vastigheid, vindt geen houvast, grijpt mis en valt uiteindelijk een keer om. Dat is de situatie van de mensheid, die de Waarheid niet kent. De enige vastigheid in de wereld is nu eenmaal de Waarheid, maar de mensheid wil die Waarheid niet weten. Degene “die de aarde bewonen”, de koninkrijken der aarde, “zijn dronken geworden van de wijn harer hoererij”. Dit gaat over afgoderij. Hoererij betekent in de Bijbel: ontrouw en daarom afgoderij. Men is niet trouw aan de God van hemel en aarde. De God die de Waarheid is. In plaats daarvan heeft men andere goden uitgevonden en ontwikkeld.

En hij bracht mij weg in een woestijn, in den geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen der gods lastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. Openbaring 17 : 3

“Hij bracht mij weg in een woestijn” is wat mij betreft zowel letterlijk als overdrachtelijk. In het algemeen is de woestijn de uitdrukking van een wereld waarin geen leven mogelijk is. De wereld is een woestijn en daarin is geen water. Water is het Woord van God. Dat wil men niet en dan wordt het automatisch een woestijn. De doortocht van Israël door de woestijn is een beeld van de levensweg van de gelovige in de wereld, waar hij niet thuis hoort en waarin hij niet kan overleven. Als hij toch overleeft, is het door de kracht Gods. Het gaat uiteindelijk over de stad Babel als hoofdstad van het laatste wereldrijk. Dat staat trouwens in vers 18: “De vrouw die gij gezien hebt is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.” Die vrouw is dus een beeld van de letterlijke stad Babel.  De vrouw bestuurt het beest, want het beest is de uitbeelding van de volkerenwereld. Johannes was in de geest in die woestijn en zag een vrouw zittende op…, dat zou op “vele wateren” moeten zijn, want dat staat in vers 1. In plaats daarvan zag hij een vrouw op een scharlakenrood beest zitten. Die vele wateren én dat scharlakenrood beest zijn de uitdrukking van de koningen der aarde uit vers 18. Van de koninkrijken der wereld. In Daniël hoofdstuk 7 wordt over dat scharlaken rood gekleurd beest gesproken. Uit de vele wateren komen vier beesten, die een beeld zijn van de vier achtereenvolgende wereldrijken. Het plaatje verandert, maar de betekenis blijft volkomen gelijk. Die grote hoer zit op een scharlakenrood beest en berijdt en bestuurt het. Zij oefent macht uit over dat beest. Scharlakenrood is twee keer hetzelfde. Scharlaken is al rood.  Het gaat over de zondige mens, de mens die zich wat verbeeldt, de mens die zichzelf tot god maakt en daarom een scharlakenrood beest is.

“Dat vol was der namen der lastering”, komt in de praktijk neer op godslasterlijke leringen, want zo is de mens en zo is dat rijk. “En het had zeven hoofden en 10 hoornen”, is kwamen we in dit Bijbelboek voor het eerst tegen in Openbaring 12. De zeven hoofden zijn een beeld van zeven achtereenvolgende wereldrijken in de geschiedenis: Egypte, Assur, Babel, het Medo-Perzische rijk, het Grieks-Macedonische rijk en het Romeinse rijk. Aan het eind van het verhaal staat de 10 statenbond. Dat is nog toekomst en die wordt uitgedrukt in de hier genoemde 10 hoornen. Wie het uittekent, ziet de 10 hoornen op de zevende kop.

En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in hare hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij. Openbaring 17 : 4

Er worden maar twee kleuren genoemd. Normaal gesproken worden er in Bijbel drie genoemd: Hemelsblauw, purper en scharlaken. Hemelsblauw en scharlaken (rood) half over elkaar heen gelegd levert purper, op. Hemelsblauw is de kleur van de hemel. Rood is de kleur van de mens en van de aarde. De “moeder” van Adam heette Adamah. Dat is hetzelfde als Adam, maar dan met een “h” erachter. Adamah is vertaald met aardbodem. Adam werd geformeerd uit de aardbodem, uit Adamah, en dat was dus zijn moeder. Vandaar dat we de term moeder aarde nog steeds in het Nederlands kennen. Purper is de kleur van de Middelaar tussen hemel en aarde en daarom is het de priesterlijke kleur. Het wordt gebruikt als aanduiding van geestelijk leiderschap. Datgene wat de mens vanuit de aarde naar de hemel zou moeten brengen. Hemelsblauw ontbreekt, zodat alleen nog de mens en de aarde en wat daarboven staat overblijft: purper en dat is Babel. Dat is de religie van de mensheid. De vrouw was ten onrechte bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en kostelijk gesteente en paarlen, die kostbaarheden zijn een beeld van eeuwige dingen. Daarom worden ze ook toegeschreven aan Christus. Hier hebben we van doen met iets antichristelijks, iets wat in de plaats van Christus wordt gezet. De gouden drinkbeker in haar hand is ontleend aan vers 2. Eigenlijk vol van gruwelen, maar daar staat de wijn harer hoererij. Gruwelen en hoererij is hetzelfde, het is afgoderij. De term “gruwel” kennen we uit onder andere Daniël vanwege de verwoestende gruwel of de gruwel der verwoesting. (Daniël 11 : 31; 12 : 11) Een gruwel is een afgod, afgoderij, de dienst aan die afgod. Dus ze had in haar hand een gouden drinkbeker vol van gruwelen en van onreinigheid harer hoererij. Dat is: gruwelen, onreinigheid, hoererij. Dat wordt toegelicht in Openbaring 17:

En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. Openbaring 17 : 5

In de eerste plaats gaat het om die verborgenheid. Wat eeuwenlang toch verborgen is geweest, treedt hier in de openbaarheid. Het gaat in de praktijk om het rijk van Babel, maar dat is sinds het ontstaan van het Romeinse rijk verborgen. In de toekomst zou het zich herstellen. “Is dit niet het grote Babylon dat ik gebouwd heb?” zei Nebukadnezar. (Daniël 4 : 30) Inderdaad gaat het hier om datzelfde grote Babylon, dat in die dagen waar het hier over gaat, herbouwd zal zijn. Het is letterlijk de stad, zoals vers 18 zegt. Het is dan de hoofdstad van de wereld. Het grote Babylon, dat ook indertijd, althans voor een deel, herbouwd werd door de eerste man uit de geschiedenis die de toevoeging “de grote” kreeg. Alexander de Grote. Het Babel dat hij bouwde, heet sindsdien het grote Babylon, ook wel genoemd “de moeder der hoererijen”. Dat is een Arabisme in de betekenis van: de grootste van allemaal. De moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. Babel wordt volgens de Bijbel, beschouwd als de moeder van alle afgoderijen. Volgens de Bijbel zijn alle volkeren uit Babel afkomstig, sinds de torenbouw van Babel en de daarbij behorende spraakverwarring. Hun verschillende opvattingen en talen, dan wel religies, vinden daar hun oorsprong. Zelfs het Jodendom, gebaseerd op de Babylonische Talmoed, is in Babel ontwikkeld. Het huidige christendom (dat is niet wat ik eronder versta, want echt Christendom is gebaseerd op de Bijbel) is gebaseerd op Babylonische tradities en dus ook uit Babel afkomstig. Alle godsdiensten komen op een of andere wijze uit Babel. Daarom heet het de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde.

En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering. Openbaring 17 : 6

In de praktijk betekent dit dat vanuit Babel de heiligen, de getuigen van Jezus, vervolgd en gedood werden. Dat gaat ook gebeuren in de dagen van de grote verdrukking, zoals we al besproken hebben in Openbaring 6. In hoofdstuk 19 komt het weer aan de orde. “En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering”, drukt uit dat er verbazing is over dat de stad Babylon er weer is. Zelfs een Babylonisch wereldrijk en dat had men niet verwacht, omdat het er niet naar uitzag dat het ooit nog tot stand zou komen.

En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen. Openbaring 17 : 7

Zoveel reden tot verwondering is er ook weer niet. Eenvoudig omdat de Bijbel dit had aangekondigd. Daniël met name, maar ook in Jeremia 50 en 51. De oudtestamentische profetieën over de ondergang van Babel waren bekend bij Johannes en dus mocht er eigenlijk niet zoveel reden tot verwondering zijn. De Heer had al lang van te voren, bij monde van Zijn profeten, aangekondigd wat er zou gaan gebeuren. Let op het woord “verborgenheid”. Het stond in vers 5 en nu staat het er opnieuw: “Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest”. Dat had ook anders geformuleerd kunnen worden. Het woord “verborgenheid” had weggelaten kunnen worden in vers 5. Dat het er toch staat is om dat laatste wereldrijk enigermate te karakteriseren. De oude wereldrijken, tot en met Alexander de Grote, hadden Babel op een of andere wijze en gedurende enige tijd als hoofdstad. Daarna ontstond het Romeinse rijk, het vierde beest, waarvan Daniël 7 zegt dat het verschillend is van alle voorgaande. Het verschil tussen het Romeinse rijk en de drie voorafgaande, het Babylonische, het Medo-Perzische en het Griekse, is dat het Romeinse rijk niet Babel als hoofdstad had. Het was wel net zo’n rijk en het was nog steeds onder leiding van de god dezer eeuw, satan zelf, die in Jesaja 14 de koning van Babel wordt genoemd. Maar de stad Babel bestond niet in de dagen van het Romeinse rijk. De hoofdstad was niet Babel, maar Rome en dat is het verschil. Daarom heeft de term Babel in de loop van de geschiedenis een overdrachtelijke betekenis gekregen, want men herkende in het Romeinse rijk de kenmerken van Babel. Vandaar dat tot in onze dagen de naam Babel gelezen wordt alsof er Rome staat. In Nero, de eerste Romeinse keizer die systematisch het christendom en het jodendom vervolgde, zag men de antichrist. Velen die vandaag het boek Openbaring lezen, lezen het zo. In de dagen van de hervorming (16e eeuw) kwam er een modificatie op, want daar zag men in Rome nog steeds Babel. Min of meer terecht, want het ging om een machtig rijk; het heilige Roomse Rijk. De Roomskatholieke kerk, die oprechte bijbelgelovige christenen vervolgde. Dus men noemde Rome nog steeds Babel, alleen nu niet meer onder leiding van de Romeinse keizer, maar onder de Romeinse Paus. Het woord is veranderd, het heet nu niet meer Romeins, maar Rooms, maar dat betekent precies hetzelfde. We zitten dus nog steeds met de lering, waar een kern van waarheid in zit, dat de naam Babel in profetisch woord staat voor Rome en dat de antichrist iemand is die óf het hoofd van het Romeinse rijk is óf van de Rooms-katholieke kerk. Het gaat om een bedekt Babel, dat er wel is, maar niet zo heet. In dit geval heette het Rome. Babel is er altijd geweest, maar dan wel “ondergronds”, in het verborgene. Oprechte gelovigen hebben dat ook altijd erkent en herkent. Deze profetieën in Openbaring spreken niet over een verborgen Babel, maar over een geopenbaard Babel. Het berust op de Bijbelse gedachte dat in onze dagen, sinds de eerste komst van Christus, niet alleen het rijk van Christus verborgen is, maar ook het rijk van Babel. Dat wordt ons gezegd, ook in Openbaring 17. De wereld wordt geregeerd door satan, niet openlijk, maar het gebeurt. Na de opname van de Gemeente zal aan de ene kant het rijk van Christus worden geopenbaard en aan de andere kant het rijk van de antichrist.

Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is. Openbaring 17 : 8

Het beest is het beest met zeven koppen en tien hoornen. Het is het satanische, antichristelijke rijk en het drukt zich uit in zeven hoofden, in zeven achtereenvolgende rijken en dus “was en is niet”. Het zal opkomen uit de afgrond, uit de dood als het ware en daarna ten verderve gaan. Het was, en aangezien dit gezegd wordt tot Johannes en er in zijn dagen sprake is van het Romeinse rijk, wijst dit op een aspect van dit wereldrijk van de duivel dat aan de dagen van Johannes vooraf ging. Het moet een rijk van daarvoor zijn en dat is het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote. Dat was er in de dagen van Johannes niet meer. Als in de toekomst dat rijk alsnog “zijn kop opsteekt”, moet dat beschouwd worden als een voortzetting, maar eigenlijk een herleving, van het Grieks-Macedonische rijk. Het slaat op de vijfde kop uit hoofdstuk 13, die een dodelijke wond had, maar genas. Het is het rijk van satan dat openbaar wordt op aarde, omdat hij uit de hemel geworpen is. Als het al een kenmerk heeft van een van de voorgaande wereldrijken, dan is het primair dat van Alexander de Grote. Die had namelijk als doel Babel te herbouwen en als hoofdstad van de wereld te maken. En in de toekomst komt dat doel weer terug. Babel zal tot op zekere hoogte de hoofdstad van de wereld zijn, al is het maar voor korte tijd. Het gaat dus om de herleving van het Griekse rijk. Dat lag niet in Europa, maar in het Midden Oosten, wat wij Azië noemen. De man kwam uit Macedonië, het huidige Griekenland, maar dat verliet hij en hij is nooit teruggekeerd. Hij veroverde onder andere wat nu bekend staat als de Arabische wereld.

“En het zal opkomen uit de afgrond en ten verderve gaan” wordt niet alleen gezegd over een hoofd, maar over het gehele beest. Bij elkaar betekent het dat dit herstelde rijk van Alexander de Grote ook inderdaad het laatste rijk uit de volgende reeks is. Egypte, Assyrië, Babylon, Medo- Perzië, Griekenland, Rome en daarna die tien hoornen of tien tenen, de tien statenbond. Op die tien tenen viel die steen (Daniël 2) en dat is een beeld van het Israëlitische wereldrijk, dan wel het Messiaanse rijk. Als dit laatste herstelde rijk ten verderve zal gaan, verdwijnt het hele beeld uit Daniël 2, danwel het beest hier uit Openbaring 17. “En die op de aarde wonen zullen verwonderd zijn, welker namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens vanaf de grondlegging der wereld, ziende het beest en het was niet hoewel het is”. Die verwondering komt uit ongeloof. Gelovigen verwonderen zich niet. Gelovigen weten dat het zal gebeuren, omdat het Woord Gods gesproken heeft. Daarom wordt deze uitdrukking uit Openbaring 13 : 8 ook hier herhaald. In Openbaring 13 was die dodelijke wond genezen en daar staat deze term ook bij. Ze zullen verwonderd zijn welke namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens. Zij verbazen zich als zij het beest zien, dat was: het Grieks-Macedonische rijk, en niet is: het Romeinse rijk.

9 Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.
10 En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven. Openbaring 17 : 9, 10

“Hier is het verstand dat wijsheid heet” is de vaste uitdrukking en betekent: “het gaat om”. Je moet je verstand te gebruiken als je dit leest. Mijn Bijbel zegt dat wij op het Woord Gods verstandelijk acht zouden geven (Daniël 9 : 13) en dat God ons verstand heeft gegeven opdat wij de Waarachtige zouden kennen. (1 Johannes 5 : 20) Dat moet je hier ook doen. Lezen wat er staat en vooral opletten wat er niet staat. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. Nu zit de vrouw niet op wateren en niet op het beest, maar op zeven bergen, maar het blijft hetzelfde. Van die zeven hoofden zegt vers 10 dat het zeven koningen zijn en dat is ook te lezen als zeven koninkrijken. Bergen zijn in de Bijbel een beeld van koninkrijken.  “Vijf zijn gevallen”, dat is het Egyptische rijk als eerste en de vijfde is het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote. Het klopt precies. Vijf zijn gevallen, één is, dat is het Romeinse rijk. Dus als er staat “het beest was”, dan moet het één van de eerste vijf zijn en dus kan het niet het Romeinse rijk zijn, hoewel velen het denken. “De ander is nog niet gekomen” moet de 10-statenbond zijn. Dat is nog toekomst. “Wanneer hij”, de 10 statenbond, “gekomen zal zijn, moet hij een weinig tijds blijven”. Het woord “tijds” is ingevuld achter “een weinig” en dat is correct, het gaat om een korte tijd. We krijgen dan een nader detail, dat in Daniël 7 ook genoemd werd. Tussen de al aanwezige tien hoornen kwam namelijk nog een hoorn op. Dat staat ook in Openbaring 17:

En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve. Openbaring 17 : 11

“Het beest, dat was en niet is”, is ook de achtste. Dit is de enige keer dat de reeks van wereldrijken genummerd wordt van 1 t/m 8. De volledige reeks is altijd tot 7; tot dit Bijbelvers. Die grote hoorn, die tussen de tien opkwam in Daniël 7, wordt apart in de reeks geteld en wordt als achtste gerekend. Echter, het staat er ook bij, die achtste is gelijktijdig met de zeven. Met andere woorden: terwijl die tien hoornen staan, komt er een elfde tussen, maar de tien blijven staan. Van de tien worden er drie vernederd, staat er, maar ze blijven wel. Anders gezegd: er zijn er eerst tien, een poosje later komt er één bij en dan heb je er elf en die blijven bij elkaar totdat het koninkrijk van Christus openbaar wordt en de steen uit de hemel valt. Die elfde wordt in Daniël 2 niet genoemd. Het blijven die tien tenen, maar in Daniël 7 wel, want daar blijkt dat die tien onderworpen wordt aan één, die daar boven staat. Die ene daarboven wordt als achtste uit de reeks genoemd. Er komt dus eerst een tijd waar die tien staten er zijn en daarna verschijnt iemand anders, die die staten aan zich onderwerpt. Er staat dat het beest, dat was en niet is, ook de achtste is en ten verderve gaat. Nummer 7 is de 10-statenbond, daar komt hij uit voort en hij gaat met die zeven mee ten verderve. Zeven en acht vallen tegelijkertijd om. Als de steen op de tien tenen valt, valt hij ook op die elfde.

En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest. Openbaring 17 : 12

Vanuit de dagen van Johannes wordt gezegd: het is nog toekomst. Op “één ure” betekent: tegelijkertijd. Het “macht ontvangen” duidt niet maar op het tijdstip waarop men aan de macht komt, maar op de hele periode waarin men die macht heeft, precies zoals in Daniël 7 beschreven is. De tien staten zullen tegelijkertijd aan de macht zijn met het beest, met die ene die daar overheerst. Daarbij valt te denken aan een rijk in het Midden Oosten, gevormd door tien Arabische, waarschijnlijk ook Mohammedaanse, landen. Het is waarschijnlijk een Palestijn, die dan in de voetsporen treedt van Alexander de Grote. Dat wordt bevestigd door Daniël 8, waarin ook sprake is van één grote hoorn. Die blijkt de uitdrukking te zijn van dat allerlaatste wereldrijk en komt voort uit het Griekse rijk; de bok. Er wordt een lijn regelrecht van Alexander de Grote naar dat laatste wereldrijk getrokken. Dat is hier nummer 8 en nummer 11 in Daniël 7. Wij verwachten een rijk in het Midden Oosten. In de eerste plaats van tien landen, maar iemand zal die tien aan zich binden en dus met elkaar verenigen. Dat neemt nogal wat tijd. Jaren, denk ik. Wij rekenen in ieder geval nog 33 jaar vanaf de val van Jeruzalem aan het einde van de 70-ste week tot aan de definitieve ondergang van Babel. In 33 jaar moet toch zo’n rijk tot stand kunnen komen en moet men Babel tot hoofdstad van de wereld kunnen maken. Zeker als men niet gehinderd wordt door christenen en een Joodse staat, want die zijn er niet meer.

Men zou eventueel kunnen verwachten dat in onze dagen zo’n 10 statenbond zou ontstaan, want wij leven in de eindtijd, kort voor de wederkomst van Christus. Velen hebben een rijk in Europa verwacht op basis van het misverstand van een herstel van Rome, omdat men daar Babel in zag. Het resultaat was dat, toen men begon te werken aan een verenigd Europa, men daarin de vervulling zag van deze antichristelijke profetieën. Wij hebben een tijdje een Europa van tien gehad, dus toen was het helemaal alarm. Later werden het er twaalf en toen bleek het niet meer te kloppen, maar geen nood. Men had altijd nog een wat vage profetie uit Openbaring 12, die men niet begrijpt, omdat men de Gemeente niet herkent in de mannelijke zoon, die daar uit die vrouw geboren wordt. In die vrouw zag men ineens een hersteld Romeins rijk, hoewel de vrouw gewoonlijk een beeld is van het gelovig overblijfsel van Israël. De twaalf sterren die daar beschreven staan, waren de twaalf landen van Europa. Toen moesten we allemaal protesteren daartegen en we mochten het embleem met die twaalf sterren niet dragen of op onze auto hebben, want dat was antichristelijk. Ik geloof niet dat in onze dagen, terwijl wij hier op aarde nog zijn als Gemeente, die 10 statenbond tot stand komt.  Voor zover je die tien Arabische landen kunt lokaliseren, moet je meteen vaststellen dat ze met elkaar overhoop liggen. God zij dank, want je moet er niet aan denken dat die Arabieren het eens worden. Ik verwacht de 10 statenbond dus pas na de 70-ste week van Daniël, nadat alle christenen weg zijn, de Joodse staat weg is en de duivel op aarde geworpen is. Dan pas zullen de Mohammedanen, de Arabieren, de kans grijpen en tot een vereniging komen. Ze zien dan hun kans, want dan is er een machtsvacuüm ontstaan. Dan pas ontstaat dat wereldrijk.

13 Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.
14 Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. Openbaring 17 : 13, 14

Die tien hoornen aan het begin van vers 12 hebben in vers 13 een bedoeling, want mening is bedoeling. Ze hebben één doelstelling: zij zullen hun kracht en macht, wat hetzelfde is, geven aan het beest. De tien onderwerpen zich aan die ene. En dezen – dat laatste rijk – zullen tegen het Lam krijgen (= oorlog voeren, strijden). Tegen Christus dus. In Daniël 2 wordt hij uitgedrukt als de steen, want Christus is die steen, zoals blijkt uit veel teksten in de Bijbel. Het Lam zal hen overwinnen, want Die stond op de troon in Openbaring 5 en dat blijft zo. Het Lam is Heer der heeren en Koning der koningen. Het is de Messias. En daarna staat er: “het Lam en die met Hem zijn”. Dat zijn de geroepenen, uitverkorenen en gelovigen. Maar dat is ook een oud beginsel. Zodra er sprake is in de Bijbel van de Messias, van Christus namelijk, met nadruk van de Opgewekte, dan is dat altijd inclusief de Gemeente en soms inclusief helemaal Zijn volk, in de breedste betekenis. Dan is het zelfs inclusief een bekeerd Israël, dat straks op aarde wonen zal en daar gaat het hier ook over. Er zijn niet drie categorieën, het is één categorie: de geroepenen. De gelovigen namelijk, want de gelovigen zijn op die grond geroepen en zijn op die grond uitverkoren. Als Christus geopenbaard wordt in heerlijkheid om Zijn Koninkrijk te vestigen, zal de Gemeente, wij dus, met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. (Kolossenzen 3).

En hij zeide tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. Openbaring 17 : 15

Johannes had helemaal geen wateren gezien. Vers 1 zegt: “Ik zal u tonen het grote oordeel der grote hoer die daar zit op vele wateren”. Dus die wateren zal hij moeten zien. Maar in vers 3 staat: “zittende op een scharlakenrood beest”. Ik blijf volhouden dat Johannes helemaal geen wateren zag. Het was aangekondigd, maar hij zag het niet. In plaats daarvan zag hij dit beest. En er is maar één conclusie: dit beest en die wateren betekenen precies hetzelfde. Of die vrouw nou zit op vele wateren of op dat beest, het blijft gelijk. Dat wordt ook verklaard, want dat beest is een beeld van de verschillende wereldrijken en dus van de mensheid in een bepaalde situatie en onder bepaald bestuur. De wereldrijken bestaan uit volkeren en scharen en natiën en tongen. Dat is vier keer hetzelfde. Daarom noemen we het ook steeds wereldrijken.

En de tien hoornen, die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden. Openbaring 17 : 16

Hier zijn we een fase verder. Die tien rijken zijn in eerste instantie onderworpen aan die vrouw, de grote stad Babel, maar het blijkt er op uit te lopen dat die tien hoornen, die het wereldrijk vormen, uiteindelijk in opstand komen tegen Babel. Als een rijk onderdrukking en vervolging en verplichtingen meebrengt, dan komt de bevolking vroeg of laat in opstand. Zo’n rijk is voor de ondergang bestemd. De geschiedenis is vol van dat soort situaties. Culturen gaan zo ten onder. Hoe meer dwang, hoe meer verplichting, hoe minder bestaansrecht het heeft. Het rijk met Jeruzalem en het rijk met Babel zullen in die tijd tegenover elkaar staan. De prediking van de 144.000 uit Openbaring 7 heeft tot gevolg dat mensen de andere kant kiezen. Aan de ene kant worden mensen onderdrukt, daarnaast komen mensen om, zodat uiteindelijk dat rijk niet bestaan kan. Ze zullen zich tegen Babel keren en daarmee tegen het bestuur, het beleid. Mede omdat er mensen tot geloof komen. Hoe dat precies zit, weet ik niet. Dat wordt nergens verteld. Het beest dat bereden wordt, keert zich tegen zijn berijdster, daar komt het op neer, maar daarna gaat het over in klare taal: “Zullen haar met vuur verbranden”. Dat kan betekenen dat de stad Babel, waarvan die vrouw een uitdrukking is, zal verbranden. Zo staat dat vele andere plaatsen in de Bijbel, zoals we later nog zullen zien. Het wordt verwoest en verrijst niet meer. Als je iets verbrandt wil dat zeggen dat het verdwijnt, helemaal definitief en volkomen. Het voorbeeld van Sodom spreekt voor zich. Babel zal verwoest worden, zoals uitgebreid besproken wordt in het volgende hoofdstuk.

Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. Openbaring 17 : 17

God heeft in hun harten gegeven dat ze het eens worden. Ik zal de nadruk leggen op “totdat”, want de wil van God is dat ze zich onderwerpen aan Christus en dat er een eind komt aan dat rijk van het beest. En die wil van God is dus gelegen in “totdat”. Dat zij enerlei mening doen en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. Want tegen die tijd onttrekken zij hun koninkrijk weer aan het beest. De Here Jezus zei over het koninkrijk van de duivel dat het in zichzelf verdeeld is en niet kan bestaan.  God heeft in hun harten gegeven dat zij Zijn “mening doen”, Zijn bedoeling doen, Zijn doelstelling volgen. Dat ze dat gezamenlijk doen is “enerlei mening”, één doelstelling, namelijk dat zij hun koninkrijk weliswaar aan het beest geven, maar totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. Dus totdat de profetieën vervuld zullen worden of zijn. Als de Heer zegt, het is zover, dan zullen deze tien hun koninkrijk aan het beest onttrekken en dus in opstand komen. Hoe dat zal gaan weet ik ook niet.

Vers 18, is het hoogtepunt van de uiteenzetting en de verklaring.

En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde. Openbaring 17 : 18

Dit staat in de tegenwoordige tijd, maar dat was letterlijk niet waar in de dagen van Johannes. Het Romeinse rijk was het enige rijk waarvan Babel niet letterlijk de hoofdstad was. Niettemin werkte Babel daar wel en het was nog steeds het rijk der duisternis. Het Romeinse rijk maakte onderdeel uit van de symboliek van het beeld uit Daniël 2. IJzeren schenkelen en de voeten van ijzer, vermengd met modderig leem, is een beeld van het Romeinse rijk. Ze maken deel uit van het beeld dat de naam Babel draagt. Dus ook in die dagen was Babel aan het bewind. Petrus deed de groeten vanuit Babylon. (1 Petrus 3 : 13) De Rooms-katholieken zeggen: Petrus was toen hier in Rome. En ik denk dat ze gelijk hebben. Het enige alternatief zou zijn dat hij in Babel was. Die kans is niet groot, want toen bestond de stad niet, het was een puinhoop. Er was helemaal niets meer te vinden. Het lijkt dus niet waarschijnlijk dat hij daar was, laat staan dat hij een Gemeente rondom zich heen verzameld had. Een ander alternatief is dat het zou slaan op een buitenwijk van Alexandrië, waar de Joden woonden in de dagen van Petrus. Men zegt dat die wijk Babylon genoemd werd, wat mij niet voor de hand lijkt te liggen. De kans is groot dat Petrus toch Rome, Ba bel noemde. Niet omdat het letterlijk zo is, maar omdat het overdrachtelijk wel degelijk zo is.

Wat we nu verder gaan lezen, is toelichting op de val van Ba bel. Het oordeel zelf is nog niet beschreven. Het is net genoemd en wordt uitgebreider beschreven in hoofdstuk 18.

18. Openbaring 18

1 En na dezen zag ik een anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.
2 En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; Openbaring 18:1,2

“En hij riep krachtelijk met grote stem zeggende: gevallen, gevallen, het grote Babylon” sluit aan op hoofdstuk 14 : 8: “En er is een andere engel gevolgd zeggende: gevallen, gevallen, Babylon die grote stad, omdat zij uit de wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt”. Dat was de eerste keer in Openbaring dat Babel genoemd wordt en er staat meteen bij: “gevallen, gevallen”. Daar wordt op teruggegrepen in hoofdstuk 17 en 18 via de woorden “Ik zal u tonen het oordeel daarover”. De beschrijving volgt hier. Onreine geesten zijn demonen en andersom. “Onrein en hatelijk gevogelte” is de uitbeelding van geestelijke machten, van geestelijke boosheden in de lucht. Dat is het gevogelte dat het zaad wegpikt en dat zich tegoed wil doen aan het offer van Abraham, zodat hij de halve nacht bezig was die vogels weg te jagen. (Genesis 15 :11) Gevogelte woont ook in de takken van die grote boom in Matthéüs 13 en in Daniël 4. Daar heet die boom Babel, de stad die zou vallen.

Onder dit vers staan zeven verwijzingen naar oudtestamentische Schriftplaatsen. Wat nu volgt in Openbaring 18 is namelijk in hoge mate een bloemlezing van allerlei oudtestamentische profetieën, onder andere uit Jeremia 50 en 51. Dat zijn de belangrijkste hoofdstukken. Dat is één geheel en gaat over het definitieve oordeel van Babel. Maar daarnaast wordt er ook aangehaald uit Jesaja 13, 21 en 48, waar sprake is van het oordeel over Babel. Dit is opmerkelijk omdat in de dagen van Jesaja nog helemaal geen sprake was van een Babylonisch rijk. Men was onderweg naar een Assyrisch rijk en van het Babylonische was helemaal nog geen sprake. Niettemin wordt het al aangekondigd.

1 Het woord, dat de HEERE gesproken heeft tegen Babel, tegen het land der Chaldeën, door den dienst van den profeet Jeremia.
2 Verkondigt onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Merodach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd! Jeremia 50:1,2

Bel is één van de góden van de Babyloniërs. Merodach ook. Haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd, want Babel is de moeder der hoererijen en de gruwelen der aarde. Als Babel geoordeeld wordt, worden daarmee al die afgoden geoordeeld. Het is het oordeel over de duivel.

3 Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
4 In dezelve dagen en ter zelver tijd, spreekt de HEERE, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij henengaan, en den HEERE, hun God, zoeken.
5 Zij zullen naar Sion vragen; op den weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en den HEERE toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. Jeremia 50:3-5

Door wie wordt Babel geoordeeld? Daar waren we enigszins mee bezig want we lazen al: “De tien hoornen zullen de vrouw haten en zullen haar woest maken”. Die tien rijken zelf keren zich tegen de eigen hoofdstad. Hier wordt gezegd dat Babel verwoest zal worden door een volk dat uit het noorden komt. Jeremia trad alleen op in Juda en de kinderen Israëls waren al meer dan 100 jaar daarvoor weggevoerd in de Assyrische ballingschap. Israël en Juda zijn dus niet hetzelfde. Israël is de aanduiding van de 10 stammen en Juda van de 2 stammen. Ze zullen tezamen komen. Dat is nog nooit gebeurd, want de ballingschap heeft hen definitief uit elkaar verdreven. Maar ze zullen toch tezamen komen en “de Heere hun God zoeken”. Ze zullen naar Sion vragen en aan de Heere toegevoegd worden met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. Dat is het Nieuwe Verbond en dus gaat het hier om de openbaring van het Messiaanse rijk op aarde, in de dagen van de wederkomst van Christus.

6 Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering.
7 Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartij- ders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen den HEERE, in de woning der gerechtigheid, ja, tegen den HEERE, de Verwachting hunner vaderen. Jeremia 50 : 6, 7

Het waren twee kudden, verleid door hun herders; een oud thema uit Ezechiël 34 en 37. Ze waren hun plaats – hun oorsprong – kwijtgeraakt. Allen die hen vonden aten hen op, leeuwen, beren, luipaarden, wolven en vossen, omdat zij gezondigd hadden tegen de Heere in de woning der gerechtigheid. Kanaan is de woning der gerechtigheid, het huis, de woning, het land waarin men zou leven onder de wet, maar ja die overtrad men. Die wet (gerechtigheid) kon men niet houden en dus werd men eruit gezet. Dat wordt hier beschreven. Tot hen, tot dat zich bekerende Israël, wordt in de dagen van de wederkomst van Christus gezegd:

Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit der Chaldeeën land; en weest als de bokken voor de kudde henen. Jeremia 50 : 8

Men moest zo snel mogelijk weg. “Gaat uit van haar” is in Openbaring 18 : 4: “ga uit Babel”. Jeremia 50 : 8 wordt aldaar geciteerd. Die uitdrukking staat ook in Jesaja 48 : 20 en in Jeremia 51 : 6 en 45. Dat is al vijf keer in de Bijbel: “Ga uit van Babel”. Hier is het tamelijk letterlijk, maar in een groter verband is de algemene Bijbelse boodschap de oproep uit te gaan uit het satanische wereldsysteem, uit dat rijk der duisternis.

Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal ledig wederkeren. Jeremia 50 : 9

Een verzameling is één verzameling. Het zijn losse dingen, maar ze zijn bij elkaar gebracht en één geheel geworden. De Gemeente is zo’n verzameling. God verzamelt Zich een volk uit de heidenen voor Zijn Naam. Hier staat: “zie Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken”. Opnieuw dus het noorden. In vers 3 heette het “een volk” en hier “een verzameling van grote volken”. Dat staat ook in Genesis 48, waar het over de stammen van Efraïm gaat. “Gij zult worden tot een volle menigte van volkeren”, staat er in Romeinen 11. Daar is het Grieks, dus de terminologie is iets anders, maar daar wordt gesproken over “volheid der heidenen”. Genesis 48 had men beter ook zo kunnen vertalen of met “volheid der heidenen”, een volle menigte van volkeren.

De belofte aan Abraham en Sara zegt dat hij een vader van vele volkeren zou worden, wat ook de betekenis van zijn naam is. Vele koningen zouden uit hem voortkomen. Die volle menigte van volkeren, beloofd aan eerst Abraham en daarna Efraïm, zijn te vinden in tien stammen van Israël. Zij zijn weggevoerd naar Assur of Babel, eigenlijk het noorden van het gebied, naar Medië, het land der Meden. Dat ligt ten zuiden van de Kaukasus en daar zijn ze officieel in het niets opgelost. De mensen in Noordwest Europa, en de daarop volgende emigratielanden, zijn van het Kaukasische ras, afkomstig van over de Kaukasus. Wij zijn Kaukasisch, van bezuiden de Kaukasus, net als de tien stammen. Die zijn dus niet in het niets opgelost. Het Kaukasische ras is de vertegenwoordiger van de 10 stammen van Israël. Als een geheimzinnig volk van het noorden komt, is de kans groot dat het precies daarover gaat. Over Israël namelijk. De structuur van Jeremia 50 laat dat ook zien. Vers 3 van Jeremia 50 zegt: “een volk komt tegen haar op van het noorden” en vers 9 herhaalt het: “Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken en tegen Babel opbrengen”. En daar tussen in, vers 4 t/m 8, gaat het over de kinderen Israëls en de kinderen van Juda. Met de kinderen Israëls, de 10 stammen dus, voorop.

In dit hoofdstuk in Jeremia, en ook in hoofdstuk 51, wordt verteld dat het oordeel over Babel een wraak over Babel is van Israël (de 12 stammen) en van de Heer, vanwege wat Babel gedaan heeft in de loop der eeuwen tegen Israël. De val van Babel is het gevolg van het optrekken van de legers van Babel tegen Jeruzalem. Ze komen om in het land Kanaan meer specifiek in Armageddon, daar komt die naam vandaan. (Openbaring 16 :16) Dat ze in het land omkomen, wordt in Joël 2 uitgebreid beschreven en ook in Ezechiël 39. Daar staat dan in vers 6 wel bij dat de Heer in het land waar die legers vandaan kwamen een vuur zal zenden. In het land van Magog, zodat niet alleen die legers daar omkomen, maar het land waar ze uitkomen ook in een oordeel van Godswege komt. Voor zover het oordeel vanuit de hemel over Babel komt, komt het via de Gemeente. Omdat de Gemeente het eerstgeboorterecht van Efraïm heeft ontvangen, komt het oordeel van Israël van de tien stammen.

14 Rust u tegen Babel rondom, gij allen, die den boog spant! schiet in haar, en spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen den HEERE gezondigd.

29 Laat u horen tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen den HEERE, tegen den Heilige Israëls. Jeremia 50:14,29

Boogschutters zullen Babel treffen en dat wordt herhaald in vers 29. Die boogschutters moet Israël zijn, want Babel heeft “trotselijk gehandeld tegen de Heilige Israëls”. Dat is uiteraard de Heer van Israël. Dus komt het oordeel van Israël. Hier worden ze als schutters besproken, maar ze moeten identiek zijn aan “het volk van het noorden” of de “verzameling van grote volken uit het noorden”.

25 De HEERE heeft Zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten Zijner gramschap voortgebracht; want dat is een werk van den HEERE, den HEERE der heirscharen, in het land der Chaldeeën.
26 Komt aan tegen haar van het uiterste, opent haar schuren, vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben.

28 Er is een stem der gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak des HEEREN, onzes Gods, de wraak Zijns tempels. Jeremia 50:25,26,28

Die instrumenten Zijner gramschap zijn Israël en Juda, de volken van het noorden. Bij “uiterste” denk ik aan de einden der aarde. In ieder geval van heel ver weg. Het is óf “de einden der aarde”, waar naartoe de tien stammen getrokken zijn, of het is niet op aarde, maar in de hemel. Het uiterste is heel ver weg en is in dit verband de aanduiding van de Gemeente. Wie is Zijn tempel? De Gemeente. Een tempel is altijd een beeld geweest van de Gemeente. Het slaat op Christus en Zijn Gemeente.

31 Ziet, Ik wil aan u, gij trotse! spreekt de HEERE, de HEERE der heirscharen; want uw dag is gekomen, de tijd, dat ik u bezoeken zal.
32 Dan zal de trotse aanstoten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem opricht; ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren. Jeremia 50:31,32

Die trotse is Babel, de stad die optrekt tegen Jeruzalem, maar die valt. “En er zal niemand zijn, die hem opricht” wijst op de definitieve ondergang van die legers. Dat heet in Openbaring “in Armageddon” en hier staat: “Ik zal een vuur aansteken in zijn steden”. Dat is dezelfde beschrijving als de gebeurtenissen in de 70-ste week van Daniël, maar daar gaat het over Gog, Magog, Rosh, Mesech en Tubal. Deze komen om in Kanaan en de Heer zal een vuur zenden in het land van Magog. Hier gaat het om legers van Babel. Volgens dit vers wordt Babel door vuur verwoest en geoordeeld. Volgens de verzen 14 en 29 door boogschutters en volgens nog andere verzen door een volk uit het noorden. Je moet die Schriftplaatsen met elkaar vergelijken. Het vuur uit de hemel wordt ook genoemd in Openbaring 17 :16. Zij zullen haar (Babel) met vuur verbranden, zegt ook hoofdstuk 18 : 8: “Daarom zullen haar plagen op een dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt”. Op “één dag komen” betekent niet dat het binnen 24 uur gebeurt, maar dat het plotseling gebeurt. Oordeel bestaat uit dood, rouw en honger en als dat binnen één dag moet, dan is dat niet te doen. Vers 18 van hoofdstuk 8 zegt: “En riepen, ziende den rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk?” Dan is er opnieuw vuur. Jeremia 50: “Ik zal een vuur aansteken in zijn steden”, maar daar staat dat de Heere het zal doen.

33 Zo zegt de HEERE der heirscharen: De kinderen Israëls en de kinderen van Juda zijn te zamen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden, hebben hen vast gehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten.
34 Maar hun Verlosser is sterk, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; Hij zal hun twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere. Jeremia 50:33,34

Israël wordt toch weer genoemd, maar het is de Heere der heirscharen zelf Die het oordeel zendt. In vers 35-37 vinden we vijf keer “het zwaard”. Het zwaard zal zijn over de Chaldeeën, over de leugenaars, over de helden, over zijn paarden en wagenen en over haar schatten, dat zij geplunderd worden. Het is dus oorlog. Zwaard staat niet alleen voor oorlog, maar uiteindelijk voor de dood. Een geweldadige dood. In vers 38 wordt het oordeel veroorzaakt door droogte: “Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen”. Babel werd ooit door de Meden veroverd. Door in de rivier de Eufraat een dam te leggen, droogde de stad uit. Over de bodem van de Eufraat liepen de legers de stad binnen. Babel werd toen niet verwoest. Het bleef bestaan, alleen kwam er iemand anders op de troon. Zelfs de ambtenaren bleven zitten en Daniël bleef “de derde in het rijk”. (Daniël 5 : 7,16, 29) Er is niets gebeurd verder. Het werd alleen het Medo-Perzische rijken dat was het. Toen zijn deze profetieën nietvervuld en daarom worden ze in Openbaring aangehaald, want ze moeten nog vervuld worden. Babel zal in de toekomst niet meer bewoond worden.

39 Daarom zo zullen de wilde dieren der woestijnen met de wilde dieren der eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.
40 Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt de HEERE, alzo zal niemand aldaar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren. Jeremia 50:39,40

Sodom en Gomorra werden niet veroverd door een volk van het noorden of van het zuiden. Daar kwam geen mens aan te pas, maar wel vuur uit de hemel en dus kwam het oordeel toch uit de hemel. Het volk uit het noorden, deze grote verzameling van volken uit het land van het noorden, zal een hemels volk blijken te zijn, dat vanuit de hemel vuur gooit op Babel.

Ziet, daar komt een volk uit het noorden; en een grote natie, en geweldige koningen zullen van de zijden der aarde opgewekt worden. Jeremia 50:41

Nu is het niet meer “het noorden”, maar nu “de zijden der aarde”. Hoe is dat met elkaar in overeenstemming? Doordat dit volk van het noorden naar het noorden verdwenen is, maar daarna verzameld is van de zijden der aarde. God verzamelt Zich een volk uit de heidenen voor Zijn Naam. Van de einden der aarde, van de zijden der aarde. Het is naar het noorden verdwenen, maar het komt van alle kanten terug. Geweldige koningen: In Openbaring 1 : 6 wordt over koningen gesproken: Christus Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor Zijn God en Vader. Een hemels volk van koningen. Dat komt terug in de geweldige koningen van de zijden der aarde. In vers 42 heet het: een man ten oorlog; enkelvoud.

Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel! Jeremia 50:42

Hij is toegerust met een wapenrusting, als een man ten oorlog tegen satan en zijn personeel. Wie gooide satan en zijn personeel uit de hemel? Michael en Zijn engelen. “Een man ten oorlog” is de Gemeente.

Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing der Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jeremia 50:44

De leeuw lijkt mij de leeuw uit de stam van luda, uit hoofdstuk 5 van Openbaring. Het is Christus, inclusief de Gemeente. Hoofd en lichaam, dat is die ene man uit de voorgaande verzen. Wie is er verkoren? Dat moeten wij zijn, dat kan niet missen.

1 Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal een verdervenden wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan.
2 En Ik zal Babel wanners toeschikken, die haar wannen, en haar land uitledigen zullen; want zij zullen ten dage des kwaads van rondom tegen haar zijn. Jeremia 51:1,2

Wind staat voor de kracht van de Geest of andersom voor geestelijke Kracht. Dat kan heel goed de aanduiding zijn van de hemelse Gemeente. Wanners scheiden het kaf van het koren. In vers 3 heet het “de schutter”, dan wel de schutters. In vers 5 staat er ineens weer: Israël of luda. Uitsluitend in die volgorde.

6 Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een ieder zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd der wraak des HEEREN, Die haar de verdienste betaalt.
7 Babel was een gouden beker in de hand des HEEREN, die de ganse aarde dronken maakte; de volken hebben van haar wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden. Jeremia 51 : 6, 7

Dit is een herhaling van hoofdstuk 50 : 8. Het staat ook in Openbaring 18 : 4 en Jesaja 48 : 20. Het zijn vaste uitdrukkingen. Vers 7 heeft precies dezelfde terminologie als in Openbaring 17 en 18. De vrouw met die drinkbeker en de wijn harer hoererij.

8 Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.
9 Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat haar dan, en laat ons een ieder in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken. Jeremia 51 : 8, 9

Schielijk betekent plotseling en dat is in Openbaring 18 “in één dag”. Zo maar ineens. Dat geeft aan dat het inderdaad in hoge mate uit de hemel komt. Als het optrekkende legers zijn op aarde, gebeurt het niet in één dag. Zo was het met Sodom ook. Het gaat hier weer over vuur en dus opstijgende rook, waar men tot ver in de omtrek naar staat te kijken. Zo wordt het beschreven in Openbaring 18.

Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; de HEERE heeft den geest der koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak des HEEREN, de wraak Zijns tempels. Jeremia 51 : 11

De Meden  brengen een oordeel over Babel, maar dat was ooit maar een klein volkje, met één koning: Darius de Mediër. (Daniël 6) Dat is dus niet “koningen van Medië”. Het punt is dat Medië genoemd wordt en dat ooit Babel veroverd werd door de Meden, maar dat het niet werd verwoest. De tien stammen zijn afgevoerd naar het land Medië, de steden worden ook genoemd, net bezuiden de Kaukasus. De naam Medië, of Meden, wordt dus gegeven aan die tien stammen die daar gewoond hebben en vandaar weer vertrokken zijn. Daarom gaat achter de term “Meden” de Gemeente schuilt, als de ergenaam van de tien stammen. Er zijn in onze dagen geen Mediërs meer. Het was maar een klein stammetje, met strijdvaardige mensen, die voor de Perzen Babel veroverd hebben. Daarna kwam Kores, de Pers, nadat Darius de Meder niet langer dan twee jaar in Babel geresideerd heeft. Het is gewoon personeel, niets machtige koningen, niets vele volken, niets koningen der Meden, of iets dergelijks. Dat heeft ook nooit bestaan. Medië betekent “het midden”, een medium, een middel. “Een volk van het midden” kan blijven staan, maar niet als aardrijkskundige aanduiding. Dan is het volk van het midden het volk van de hemel, want het midden is nou eenmaal de hemel. Overdrachtelijk zetelt de regering in het midden. Alles draait om het midden en dus om de Heer en Zijn Ecclesia, vanuit de hemel. Achter de naam van Medië ligt Gemeentelijke waarheid verborgen en dat is normaal in het Oude Testament. “De wraak Zijns tempels” wijst overdrachtelijk ook op de Gemeente.

36 Daarom, zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen.
37 En Babel zal worden tot steen hopen, een woning der draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij.
42 Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt. Jeremia 51:36, 37 en 42

Dit is weliswaar gebeurd toen de Meden Babel veroverden, maar zij verwoestten de stad niet en er waren daarna nog inwoners, zodat dit in de toekomst alsnog moet gebeuren. Ik denk dat de Eufraat letterlijk opdroogt. De gedachte daarachter is dat Babel de macht over de volkeren, want de wateren zijn de volkeren, zal verliezen. De uitdrukking in vers 42 komt volstrekt overeen met de tien hoornen, die zich tegen de vrouw keren. Ze zullen de hoer haten en haar woest maken, staat er. Hier zijn het de wateren die dat doen, maar in Openbaring 17 hebben we gezien dat het beest en die wateren precies hetzelfde zijn. Dit is nu Schrift met Schrift vergelijken.

45 Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een ieder zijn ziel, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN.

47 Daarom ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel; en haar ganse land zal beschaamd worden, en al haar verslagenen zullen in het midden van haar liggen.
48 En de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de HEERE.

58 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Die brede muur van Babel zal ten enenmale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natiën ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat worden. Jeremia 51:45, 47, 48 en 58

Weer van het noorden en in vers 47 gaat het weer over de beelden van Babel, waarover een oordeel komt. Een beeld kennen we ook uit Openbaring 17 en 13 en uit Daniël. In vers 58 is het weer vuur waardoor Babel verwoest wordt. Vuur vanuit de hemel. Aan het einde van deze twee hoofdstukken in Jeremia, die in feite één profetie vormen, lezen wij:

60 Jeremia nu schreef al het kwaad, dat over Babel komen zou, in een boek, te weten al deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn.
61 En Jeremia zeide tot Seraja: Als gij te Babel komt, zo zult gij zien en lezen al deze woorden;
62 En gij zult zeggen: O HEERE, Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van den mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden.
63 En het zal geschieden, als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath;
64 En zult zeggen: Alzo zal Babel zinken, en niet weder opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia. Jeremia 51:60-64

Deze twee hoofdstukken schreef hij in een boek, een rol, die later door Seraja hardop voorgelezen diende te worden. Er moet een boekrol aan een steen gebonden worden en in de Eufraat gegooid worden, zodat die boekrol als het ware onder water, onder de zee, verdwijnt. Deze hele uiteenzetting komen we in een andere vorm tegen in Openbaring 18, waar staat: “oordeel op één dag” en: “het zal met vuur verbrand worden”. Waar staat in vers 10: “het oordeel is in één uur gekomen”. En in vers 16: “want in één ure is zo grote rijkdom verwoest”. En in vers 18: “de rook van haar brand”. En in vers 19: “want zij is in één ure verwoest geworden”.

En een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden. Openbaring 18:21

Zee is watermassa, dat had ook de Frath (Eufraat) kunnen zijn. Dat is hetzelfde plaatje als aan het eind van Jeremia 51, waarbij uitgebeeld wordt hoe Babel zal ondergaan, zal verdwijnen naar de dood. De stad zal nooit meer gevonden worden en dat is dus ook nog voor in de toekomst, want Babel is nu prima te vinden in het hedendaagse Irak.

In Openbaring 18 worden oudtestamentische profetieën uitgebreid geciteerd. Volstrekt dezelfde uitdrukkingen, waarbij het dubbele wee vele malen over de stad wordt uitgeroepen, maar waarbij ook tweemaal (het dubbele) geroepen wordt: “gevallen, gevallen, het grote Babel”. En waarin geroepen wordt: “gaat uit van haar Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt”, (vers 4) Het is allemaal letterlijk geciteerd uit één van deze profetieën. Hetzij Jeremia 50 en 51, hetzij Jesaja 13, 48 of zelfs Jesaja 21. Het is de culminatie, de definitieve vervulling van al deze oudtestamentische profetieën, in deze ene gebeurtenis. Van Godswege zal er een oordeel gebracht worden. Niet alleen over de stad, maar daarmee over het hele rijk. Dat is het einde van dit antichristelijke rijk. Blijkbaar zijn wij daarin betrokken, want onze strijd en overwinning, die wij hebben op deze machten, zal in de toekomst gedemonstreerd worden. Vanuit de hemel en daar zien wij natuurlijk naar uit.

Er zijn nog een paar details die ik niet genoemd heb. Dingen als de rijkdom van Babel, die hier beschreven wordt, staan ook in Ezechiël 28 beschreven en voor een deel in Jesaja 14. Als u de tekstverwijzingen die er onder staan volgt, dan zult u zien dat inderdaad al die profetieën uit het Oude Testament samenkomen in dit ene hoofdstuk Openbaring 18. Dat is ook de functie van dit hoofdstuk. Het moet aangeven dat deze profetieën nog vervuld zullen worden in de toekomst. Nadat eerst Babel nog gebouwd zal worden, en zijn macht zal manifesteren over de wereld, zal ditzelfde Babel ten ondergaan, omdat er dan een sterkere macht dan de duivel zal zijn. Dat is de macht van Christus en Zijn Gemeente.

19. Openbaring 19

1 En na dezen hoorde ik als een grote stem ener grote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij den Heere, onzen God.
2 Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; dewijl Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed Zijner dienaren van haar hand gewroken heeft. Openbaring 19:1,2

“Ener grote schare” gaat over degenen die uit de grote verdrukking komen en die de duizend jaren binnengaan. Die grote schare werd ons uitgebreid voorgesteld in Openbaring 7 : 9 en 14, als resultaat van de prediking van de 144.000. Zij gaan het Koninkrijk binnen en maken de val van Babel mee. Ze zijn daarin betrokken. De hemel is de plaats waar deze dingen geopenbaard worden. Het eerste woord dat Johannes van deze grote schare hoort is: “halleluja”. Dit is de eerste keer dat dit woord voorkomt in het Nieuwe Testament. In totaal komt het woord vier keer voor, de laatste keer in vers 6. Ineens staat hier een Hebreeuws woord, zoals gebruikelijk ontleend aan het Oude Testament. Het woord komt hoofdzakelijk voor in de Psalmen, waar het vertaald is met: “looft den Heere”. Het gaat om de oprichting – de openbaring – van Zijn Koninkrijk op aarde. Prijst den Heer; Hij vervult Zijn beloften. En: looft den Heere, want Hij verslaat machtige vijanden. Daar gaat het hier ook over, want de openbaring van Zijn Koninkrijk gaat ten koste van het antichristelijke rijk.

De zaligheid en de heerlijkheid en de eer en de kracht is vier keer hetzelfde, want Zijn oordelen zijn waarachtig. Dat wil zeggen: Hij oordeelt naar waarheid en daarmee ook rechtvaardig. Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. In de wereld ontbreekt het aan waarheid en rechtvaardigheid. Men heeft veeleer belang bij zichzelf en dat gaat ten koste van de waarheid, leder mens kan begrijpen dat een rechtvaardig oordeel, en dus een rechtvaardige heerschappij, slechts kan bestaan op basis van de waarheid. En daarom vind je die in de wereld niet, want de wereld heeft zo’n 2000 jaar geleden de waarheid verworpen. De mensheid wil die rechtvaardige en waarachtige Heerser, Oordeler en Rechter niet, maar dat oordeel gaat er wel komen.

En zij zeiden ten tweeden maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid. Openbaring 19:3

Opnieuw “halleluja” drukt uit dat het definitief is. “Haar rook gaat op in alle eeuwigheid” wil zeggen: Babel verbrandt en zal nooit meer herbouwd worden. Het is een definitief blijvend oordeel.

En de vier en twintig ouderlingen, en de vier dieren vielen neder, en aanbaden God, Die op den troon zat, zeggende: Amen, Halleluja! Openbaring 19:4

Die 24 oudsten hebben van doen met eerstelingen van dat Koninkrijk. Die horen bij Degene die op de troon zit. Zij waren in Openbaring 4 en 5 al een beeld van de Gemeente. Zij in de eerste plaats aanbaden God op de troon met: “loofden Heere”. Daartoe zijn wij als Gemeente geroepen. Onze eerste functie is de verheerlijking van Christus. Wij zijn namelijk een volk voor Zijn Naam en voor dat doel gesteld in de hemel. Als wij wat zeggen dan is dat: amen en halleluja. Dat verklaart waarom het woord zo vaak voor komt in onze liederen. Het woord “Amen” ook. Er zijn zelfs liederen die alleen uit “amen” of “halleluja” bestaan.

En een stem kwam uit den troon, zeggende: Looft onzen God, gij al Zijn dienstknechten, en gij, die Hem vreest, beiden klein en groot! Openbaring 19:5

“Looft onze God” is bijna gelijk aan halleluja. Halleluja is letterlijk: “laat ons Jehovah loven” of “looft onze Jehovah”. Nu is het: “looft onze God, gij en al Zijne dienstknechten”. Als de stem uit de troon komt, is het de stem van het Lam; van de Here Jezus Christus. Die roept niet: “Looft Jehovah”, want dat is Hij zelf. Jehovah is erom God te loven. Het beeld Gods is er tot eer van God. Als de Here Jezus Christus dus wat zegt, is het: “Looft onze God”. In onze dagen roept Hij precies hetzelfde. Men zou God dienen en niet die antichrist, het beest, de macht der duisternis, de overste dezer wereld, de koning van Babel. Eigenlijk is dit een doxologie; een zegelied, zoals er boven staat. Een zegelied in de hemel over de val van Babel.

En ik hoorde als een stem ener grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst. Openbaring 19:6

Dat is net als in vers 1, maar nu het vervolg erop “en als een stem van sterke donderslagen”, want het is een hemels woord dat gesproken wordt. De Heere, de almachtige God, is logischerwijze de Hebreeuwse naam voor Jehovah.  “Heeft als Koning geheerst” is in werkelijkheid: “Hij heeft Zijn Koninkrijk aanvaard”. Het gaat daar namelijk niet om dat Zijn Koninkrijk aan het eind gekomen is, maar dat het begonnen is. Dat is de betekenis van “heersen”, namelijk de heerschappij aanvaarden. Andere vertalingen geven ook meteen die vertaling. De Statenvertaling is hier niet incorrect, maar wij kennen dat Nederlands niet meer. “Heeft geheerst” is niet hetzelfde als “had geheerst”, maar wil zeggen: Hij is er mee begonnen er regeert nog steeds. De Heere, de almachtige God heerst als Koning, staat er. De Heer regeert in onze dagen in de praktijk niet. Hij zal dat pas voor 100% doen na de val van Babel. In de dagen daarvoor is Hij bezig Zijn heerschappij te vestigen. In onze dagen doet Hij er niets aan, want nu heeft Hij niet het minste belang bij de oprichting of openbaring van Zijn Koninkrijk. Hij verzamelt Zich immers uit de wereld een volk voor Zijn Naam om dat in de hemel te zetten. Daarom komt Zijn Koninkrijk nu niet en geschiedt Gods wil niet in de wereld, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Dat is namelijk niet de bedoeling. Al zouden alle christenen constant daarvoor bidden, dan nog zal Hij dat niet doen, want het is niet Zijn bedoeling. Pas in de toekomst zullen de uitspraken uit vers 6 gedaan worden, waarbij hoort:

7 Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.
8 En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen.
9 En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zeide tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden Gods. Openbaring 19 : 7-9

Het beeld van een maaltijd, een avondmaal, danwel een bruiloft komt vaker voor in het Nieuw Testament. Het woord voor maaltijd en voor bruiloft is gewoonlijk hetzelfde. De vertalers hebben er problemen mee: zullen wij het vertalen met maaltijd of met bruiloft? Het is hetzelfde woord, omdat het woord de aanduiding is van gemeenschap, ofwel het tot stand brengen van gemeenschap. Aanzitten aan dezelfde tafel is de uitdrukking van verbondenheid. Men eet van hetzelfde voedsel, van hetzelfde brood. Men drinkt dezelfde wijn. Men is ééns broods deelachtig, kortom de maaltijd is gemeenschap. Een bruiloft brengt precies hetzelfde, ook in de Bijbel. Het is hetzelfde woord. Een bruiloft in de Bijbel is meestal niet een bruiloft, maar alleen een maaltijd. U zult bij al die maaltijden waarover de Here Jezus spreekt de bruid node missen. Die komt er niet in voor. Een bruidegom komt maar een enkele keer voor en meestal niet. Dat hele idee van die bruiloft wordt zwaar overdreven, omdat men de Gemeente ziet als de bruid, de vrouw des Lams, en men laat dus deze verzen op de Gemeente slaan. Dat is een noodlottig misverstand, waarover wij het reeds gehad hebben in Openbaring 12. Daar was ook sprake van een vrouw en die baarde een mannelijke zoon, de Gemeente. De vrouw is Israël, danwel het gelovig overblijfsel uit Israël. De bruiloft des Lams is (het is de enige keer dat die uitdrukking gebruikt wordt) het duizendjarig rijk. Met opzet gebruik ik die term, want het zou een eeuwig en blijvend huwelijk zijn, in tegenstelling tot de situatie onder het Oude Verbond. Die was van tijdelijke aard, maar onder het Nieuwe Verbond zal het blijvend zijn. Dat huwelijk wordt plechtig en uitgebreid bevestigd en dat heet de bruiloft. Het is de beschrijving, een van de aanduidingen, van de eerste duizend jaren van het eeuwige Koninkrijk van Christus. En van de eeuwigheidssituatie, waarbij de Heer en Israël definitief met elkaar verbonden zijn. Maar het begint met een bruiloft en eindelijk is die vrouw bereid. In vers 7 staat niet dat de bruid zichzelf bereid heeft, maar: “Zijn vrouw heeft zichzelf bereid”. De bruid is dezelfde is als de “huisvrouw der jeugd”, volgens Jesaja 54 : 4. “Nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geworden, zegt uw God”. (vers 6) Die bruid is dus toch die vrouw van vroeger, maar dan in een andere omstandigheid; onder het Nieuwe Verbond. Het is dus niet de verwijzing naar de Gemeente, maar naar de duizend jaren. De plaats van de Gemeente is die van het Lichaam van de Bruidegom. De Gemeente is de Bruidegom, zo blijkt o.a. uit Jesaja 62, met name vers 5:

Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn. Jesaja 62 : 5

De zonen van Israël trouwen met Israël, maar de zonen van Israël is de Gemeente; zie Openbaring 12. Als beeldspraak worden hier twee volken genoemd die met elkaar trouwen. De ene is de Gemeente, de andere is Israël. Het ene is Christus, inclusief de Gemeente, het andere is Israël.

Vers 8: “En haar is gegeven dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad”. Lijnwaad is linnen en rein en blinkend wil zeggen is het fijnste linnen. Linnen kleding wordt volgens voorschrift in het Oude Testament alleen door de priesters gedragen. Dat wijst hier op een priesterlijk volk. Nu is dat niet de Gemeente en Christus, maar Israël. De Gemeente is ook een priesterlijk volk is, maar gezet in de hemel. Het wordt een priesterlijk echtpaar, want Christus is de Hogepriester, de Gemeente is het Lichaam van de Hogepriester en Israël is de vrouw van de Hogepriester. Dus bij elkaar heb je een priesterlijk volk, danwel twee priesterlijke volken, maar in de juiste rangorde, waarbij de man het hoofd is van de vrouw.

Vers 8: “Want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen”. Rechtvaardigmaking staat er niet. Dat woord bestaat niet en “het ding” ook niet. Iemand kan niet rechtvaardig gemaakt worden. Als iemand onrechtvaardig is, dan is hij onrechtvaardig en wordt hij veroordeeld. Vandaar dat de wet zegt: gij zult de rechtvaardige rechtvaardigen, want rechtvaardigen betekent: vrijspreken. Hier gaat het over de rechtvaardigheden der heiligen. De rechtvaardigheden zijn de rechtvaardige werken. Een priester naar de ordening van Melchizédek, koning des vredes en koning der gerechtigheid, der rechtvaardigheid, zou rechtvaardige werken doen. Alle priesterlijke werk is in overeenstemming met het recht Gods en is de beantwoording aan het recht Gods en dus heten de werken van de priesters: rechtvaardige werken. En daarom heet de Hogepriester: Koning der Rechtvaardigheid; Melech Tsadik. Die rechtvaardige werken worden ook uitgedrukt in het uitwendige, in dit blinkend fijn lijnwaad. Het is de voorstelling van de rechtvaardige werken van deze gelovigen en in dit geval Israël in het bijzonder. Israël staat echter bekend om zijn onrechtvaardige werken. Hoewel het volk het “recht” had – de wet – leefde het in strijd daarmee, maar dat wordt anders nadat het tot geloof gekomen zal zijn. Israël is dan – onder het Nieuwe Verbond – het priesterlijke, het koninklijke volk. Dat was ook de roeping van Israël en die gaat dan pas in de praktijk in. Officieel gaat het in bij hun bekering aan het eind van de 70-ste week. Het wordt in de praktijk en volledig in werking gesteld na de ondergang van Babel. Dan wordt de wereldheerschappij toevertrouwd aan dit aardse volk Israël. Daarvoor was het al toevertrouwd aan Christus en de Gemeente. Vers 9: “Zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams”. Wie zijn de genodigden? Niet u en ik, want wij zijn de bruidegom. Niet Israël, want dat is de bruid. De gelovigen uit de volkeren zijn de genodigden die de duizend jaren binnengaan.

En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie, dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie. Openbaring 19:10

De woorden die hier gesproken worden komen eigenlijk uit de mond van of de Here Jezus Zelf of vanuit de Gemeente. Die stem komt vanuit de troon. Dat is nog uit vers 5 en het is of de Here Jezus Zelf of de Gemeente, die daar aan het woord is vanuit een hemels standpunt. De werkelijke inhoud van het Woord van God is de getuigenis van Jezus. Eigenlijk spreekt de Bijbel alleen maar over de Here Jezus. De gedachte is dat Hij de Enige is Die aanbeden zou worden, want daar gaat het hier over in dit vers. Heel de Bijbel heeft tot doel dat men de Here Jezus Christus zou aanbidden. Wij delen in de Heerlijkheid van Christus en zullen met Hem geopenbaard worden in Heerlijkheid als de wederkomst van Christus plaatsvindt. De situatie is dan dat Israël en de volkeren de Heer aanbidden en de Bruidegom binnenhalen.

En ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. Openbaring 19:11

Dit is de nadere uitwerking van het voorgaande Schriftgedeelte, waarin niets gebeurde. Het was een soort visioen, net als in hoofdstuk 4 en 5. De troon, de vier dieren, de 24 oudsten en er wordt wat gezongen. Er wordt een statische situatie beschreven. Nu gaat er wat gebeuren en daarom sluit vers 11 aan bij de verzen 1 en 2: Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig en daar gaat het in vers 11 ook over. Het woord “trouw” is in het Engels – “true en truth” – het woord voor waarheid. Getrouw en waarachtig zijn synoniemen. Beide woorden betekenen: dat wat blijft. Hij is getrouw en waarachtig en Hij oordeelt en voert krijg om te oordelen. Of andersom: Hij oordeelt door krijg te voeren, bijvoorbeeld tegen Babel en tegen het wereldrijk. Hij doet dat in gerechtigheid.

En Zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hijzelf. Openbaring 19:12

Er waren nogal wat lijnen van erfrecht bij Hem terecht gekomen en vandaar vele koninklijke hoeden. “Die had een Naam geschreven, die niemand wist dan Hijzelf”, is niet moeilijk als je op bladzijde 1193 van de Bijbel aangekomen bent. Iemands naam is wie hij is. Sommige hebben een slechte naam, sommige een goede en dat heeft niks met hun letterlijke naam te maken. Iemands naam gaat verder dan zijn reputatie, wat er over hem gezegd wordt, dat is de oppervlakkige betekenis van de term. Iemands naam is wie iemand is. Bij “In de naam van Jezus” gaat het niet om hoe Hij heet, maar om wie Hij is. Vanwege wie Hij is. Dopen in de naam van de Here Jezus Christus heeft niks te maken met Zijn Naam of titel, maar wel met wie Hij is. Vanwege wie de Here Jezus Christus is, wordt er gedoopt. Als er staat: “Hij had een naam geschreven die niemand wist dan Hijzelf”, dan staat er dus dat er maar één is die weet wie Hij werkelijk is. Dat is niks bijzonders, want wie u werkelijk bent, weet u alleen.

En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods. Openbaring 19:13

Dan weetje in ieder geval wie Hij is. Het Woord Gods. Je weet bovendien meteen dat Johannes dit schrijft. “Zijn Naam wordt genoemd het Woord Gods” betekent tegelijkertijd: Hij is Degene Die het Woord van God gestalte geeft, Die het uitvoert. Hij is Degene in wie de beloften Gods, dat is het woord Gods, ja en amen zijn. Hij is Degene Die verschijnt als Gods Wezen wordt uitgedrukt. Dat is allemaal hetzelfde als: Hij is het Woord Gods; een prachtige metafoor. Men zou de betekenis daarvan tot zich laten doordringen. “Zijn kleed was met bloed geverfd”: Bloed is leven, ook hier. Zijn positie is “naar de kracht des onvergankelijken Levens”, uitgedrukt in een kleed dat met bloed geverfd was. Hebreeën 7 zegt: “Hij is Hogepriester en Koning naar de ordening van Melchizédek krachtens onvergankelijk Leven”; dat wil zeggen door Zijn bloed. En daarom: “een kleed met bloed geverfd”.

14 En de heirlegers in den hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad.
15 En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods. Openbaring 19:14,15

De heirlegers zijn wij. Dat kan niet missen, want als die hemelse legers gekleed zijn in lijnwaad, zijn het priesters. Priesters worden uit de mensen genomen, dus die hemelse legers zijn mensen. Het is namelijk de Gemeente. “Gekleed met wit en rein fijn lijnwaad”, is hetzelfde idee als Michael en Zijn engelen, die de draak hebben overwonnen. Ze hebben dat gedaan door hun getuigenis en dikwijls hebben ze dat met de dood moeten bekopen. Dat was Openbaring 12. Het scherpe zwaard is het Woord Gods en dat gaat uit Zijn mond. Hij komt met de kracht van Zijn Woord. Hij is het Woord Gods. Hij brengt dus het Woord Gods en met dat Woord Gods zal Hij de heidenen slaan. Hij zal de tegenstander “verdoen door de adem (geest) Zijns monds”, heet dat in 2 Thessalonicenzen 2 : 8. Hij zal hem verdoen, de mens der wetteloosheid als die geopenbaard zal zijn door de adem Zijns monds. De uitspraak “Hij treed de wijnpersbak van de wijn des toorns en der gramschap van de almachtige God” mochten wij verwachten, omdat wij de Here Jezus met een rood kleed genoemd wordt in Jesaja 63: “Wie is Deze, Die van Edom (betekent rood) komt met besprenkelde klederen? En waarom zijtgij rood aan Uw gewaad?” En dan zegt hij: “Ik heb de wijnpersbak alleen getreden”, zodat dat rode kleed uit vers 13 afkomstig is van Jesaja 63. Het treden van de wijnpers uit vers 15, is ontleend aan Jesaja 63 : 3.

Waar gaat het over in de laatste hoofdstukken van Jesaja? Daar staan namelijk bedekte uitspraken, zoals “daarom heeft de Heere mij gezalfd” en “wie heeft onze prediking geloofd”? En: “aan wie is de arm des Heeren geopenbaard”, “ontwaak, maak u op, wordt verlicht, want de heerlijkheid des Heeren gaat over u op”. De vraag is of dit over de wederkomst van Christus gaat of over Zijn eerste komst? Het gaat over allebei en daarom staat het er zo raar. De woorden zijn zo gekozen dat ze op allebei van toepassing kunnen zijn. Dat geldt ook voor: “wie is het die van Edom komt, met bloed besprenkelde klederen van Bozra?” Edom is in de Bijbel gewoonlijk de aanduiding van het Joodse volk. De Here Jezus komt in die zin dus uit Edom, heeft een oordeel gebracht over Edom en de bloedspat- ten zitten op Zijn klederen. De vraag is dan: Waarom zijt gij rood aan uw gewaad? En het antwoord is: “Ik heb de wijnpersbak getreden. Er was niemand met Mij. Ik heb het oordeel gebracht”. Dat is over Edom, want daar begint het inderdaad mee. In Handelingen 17 vat Paulus de hogere betekenis van deze geschiedenis samen. God zou de aardbodem oordelen door één Mens, er was niemand bij Hem, Die Hij daartoe gesteld heeft. Door Hem uit de dood op te wekken. Het bloed aan Zijn gewaad is wat mij betreft in hoogste instantie de uitbeelding van de kracht van Zijn onvergankelijk Leven. Op die grond heeft Hij, als Eersteling van hen die ontslapen zijn, (1 Korinthe 15 : 20) het oordeel over de hele aarde ontvangen. Dat rood is de kracht van Zijn Leven en dus is het ook de uitdrukking van Zijn recht om te oordelen. Dat is precies wat Hij hier doet.

16 En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij dezen Naam geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren.
17 En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogelen, die in het midden des hemels vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal des groten Gods;
18 Opdat gij eet het vlees der koningen, en het vlees der oversten over duizend, en het vlees der sterken, en het vlees der paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en groten. Openbaring 19:16-18

Hij is Koning der koningen en Heere der heren, omdat Hij de Eerstgeborene is uit de dood, naar de kracht des onvergankelijken Levens. Het is niet echt een bruiloft deze keer, maar wel een maaltijd, want het gaat erom dat een oordeel gebracht wordt over de sterken, de paarden, degenen die erop zitten, de vrijen, de dienstknechten, de kleinen en de groten. Kortom over de levende mensheid. Wij zijn hier terecht gekomen bij de gelegenheid dat alle ongelovigen op de aarde zullen sterven. En de maaltijd is voor de kraaien, de gieren, kortom de vogels als lijkenvreters. Ze zijn een uitbeelding van de dood, van het verderf, het oordeel over de levende mensheid, waarbij alle ongelovigen gedood zullen worden. Dat is in navolging van Jesaja 63.

In vers 19 wordt daarna de draad opgenomen van hoofdstuk 17 en 18.

En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers. Openbaring 19:19

Dit sluit aan bij Psalm 2, waar de volkeren der aarde in opstand zijn tegen God en Zijn Gezalfde. Maar dan: “Die in de hemel woont zal lachen”. De Heer zal hen bespotten om de eenvoudige reden dat die Koning allang is aangesteld en dat er van de kant van de opstandige mensheid niks meer aan te doen is. Dat is hier ook het geval, want het vervolg is:

En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt. Openbaring 19 : 20

Degenen die de aarde beheersen in die dagen, het beest, de valse profeet, worden gevangen genomen en levend geworpen in de poel des vuurs, die met sulfer brandt. Wij herkennen hierin die twee beesten uit Openbaring 13. Dat eerste beest is de mens, de koning die komen zou, de vorst die komen zou uit Daniël 9. Die ene hoorn, die koning, uit Ismaël, Amalek, Agag, enzovoorts. Het tweede beest, hier de valse profeet, is niemand anders dan de duivel zelf, maar dan in zijn aardse positie. Dat wil zeggen uit de hemel geworpen en zich op aarde manifesterend als de antichrist. Deze twee, de twee beesten uit Openbaring 13, worden gegrepen en “levend geworpen in de poel des vuurs, die met sulfer brandt”. Sulfer is zwavel. Als iets geworpen wordt in een poel des vuurs, dan verdwijnt het daarin. Ze verdwijnen. De christelijke mythe is dat degenen die in dat vuur geworpen worden daar tot in lengte van jaren blijven bestaan, dag in dag uit, voor zover daar dagen zijn. Zij worden gepijnigd en er komt helemaal nooit een eind aan. Ze blijven in het vuur bestaan en het vuur doet hen blijkbaar niks, behalve dat het zeer doet. Het vuur maakt nergens een eind aan. Er verbrandt niets  en dat is in zichzelf al tegenstrijdig. Ik geloof dus simpelweg dat alles wat in het vuur geworpen wordt, daarin verdwijnt, tenzij anders vermeld. Hier wordt vermeld dat het zo zal gaan.

Dat ik daarop terecht kom bij dit vers is omdat Lewis Sperry Chafer; respect voor een van de grote mannen van de bedelingenleer; leert wat algemeen geleerd wordt, namelijk dat degenen die in het vuur geworpen zijn, dag en nacht gepijnigd worden. Dag in dag uit, de eeuwigheid door. Men houdt in dat vuur niet op te bestaan, zegt hij. Zijn enige argument is ontleend aan Openbaring 19 : 20 en 20 : 10. Want zegt hij: “Openbaring 19 : 20 eindigt met: “Deze twee zijn levend geworpen in de poel des vuurs, die met sulfer brandt”. Daarna in hoofdstuk 20 worden de duizend jaren vermeld en daarna: “De duivel, die hen verleide werd geworpen in de poel des vuurs en sulfers, al waar het beest en de valse profeet zijn. En zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid”. Chafer zegt: Er is dus geen sprake van ophouden van bestaan, annihilatie heet dat, tot nihil maken, want na 1000 jaar zijn het beest en de valse profeet nog steeds in de poel des vuurs. Wat ik er dan over te zeggen heb, is betrekkelijk eenvoudig. In Openbaring 19 : 20 staat: “Deze twee zijn levend geworpen in de poel des vuurs”, maar daar staat niet bij dat dit op dat zelfde moment gebeurt. Alle ongelovigen zullen uiteindelijk in de poel des vuurs geworpen worden, maar niet meteen. Degenen die sterven gaan, wat genoemd wordt in hoofdstuk 20, de eerste dood in. Ze zullen uit die eerste dood opstaan ten Jongsten Dage, om voor de grote witte troon van God te verschijnen. (Openbaring 20 : 11) Als ze dan inderdaad niet geschreven staan in het Boek des Levens, (vers 15), dan worden zij in de poel des vuurs geworpen. Dus niet als zij overlijden, maar pas met het oordeel op de Jongste Dag. De ongelovigen worden in de poel des vuurs geworpen. Die twee beesten worden gevangen genomen en in de poel des vuurs geworpen, maar deze gebeurtenissen vinden ook niet meteen achter elkaar plaats. Dus je kunt niet zo maar zeggen: na 1000 jaar bestaan ze nog in het vuur, dus verbranden ze niet, want er staat niet bij wanneer ze erin geworpen worden.

Voor zijn idee dat men in de poel des vuurs blijft voortbestaan gebruikte Chafer niet het argument uit hoofdstuk 20 : 10: “Zij zullen gepijnigd worden, dag en nacht, in alle eeuwigheid”. Daar is een goede reden voor, want de uitdrukking betekent: ze zullen gepijnigd worden en dat is het laatste, maar dat wil niet zeggen dat het nooit ophoudt. “In eeuwigheid” is een vaag woord. Het kan zelfs vertaald worden als: verborgen, onbepaald, onbegrensd. Het hoeft niet “altijd durend” te betekenen. Het kan ook betekenen: dat is het laatste wat gebeurt of dat men volledig – en in elk opzicht in dit geval – gepijnigd wordt. Dan is het geen tijdsaanduiding, maar wil het zeggen: men wordt zeer zwaar, heviger kan niet, gepijnigd. Maar Chafer wist, net zo goed als ik, dat het hier niet altijd durend betekent, terwijl dat toch het meest gebruikte argument is. Men leest die termen te oppervlakkig, omdat men de betekenis van eeuwigheid niet kent, bovendien andere Schriftplaatsen buiten beschouwing laat en dan zegt: dag in dag uit, de eeuwigheid lang, dat is verbazend lang, wordt men gepijnigd. Maar dat betekent het niet en Chafer gebruikte dat argument dus ook niet. Ik denk, want ik acht die man heel hoog, dat als hij niet betere argumenten weet te bedenken, dit meteen het einde van de discussie is, want het zijn geen goede argumenten.

Ik noem nog een paar andere Schriftplaatsen. Psalm 104 : 35: “De godde- lozen zullen niet meer zijn”, staat er letterlijk. Daar is één werkwoord voor in het Hebreeuws: “Ayin”; niet meer zijn. Of: niet zijn. In het Nederlands, hebben wij daarvoor meerdere woorden nodig. Jesaja 41 : 11, 12, waar van de goddelozen staat: “Zij worden als niet”. Er staat: “Zij zullen niet meer zijn”. Het is dat woord. Zij worden als niet. Er staat ook: zij vergaan; men zal ze niet meer vinden. Ezechiël 26 : 21: “niet meer zijn in eeuwigheid” en ook staat er: “niet meer gevonden”. Ezechiël 28 : 18, 19, i.v.m. de wederkomst van Christus: “niet meer zijn” en “in eeuwigheid”, wat wil zeggen: er is niks meer van ze over; ze komen nooit meer terug. Matthéüs 3 : 12: “Men zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden”. Het verdwijnt dan toch? Hebreeën 1 : 11, over de wereld als zodanig en over de mensheid: “Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd”. Hebreeën 10 : 27: “Het vuur dat de tegenstanders zal verslinden”. Dan verdwijnt het toch? Net als het kaf. En hier in Openbaring: “Geen plaats is voor die gevonden”. Dat gaat over die oude wereld, die verdwijnt.

Ik verwacht dat ze eerst vastzitten in het dodenrijk, zoals ieder ander mens, om daarna geoordeeld te worden op de Jongste Dag en daarna worden ze in de poel des vuurs geworpen en dan zijn zij niet meer. “Die zullen vergaan, maar Gij blijft altijd”. Eeuwig vuur wil zeggen dat al wat daarin komt verdwijnt. Hoeveel teksten zijn er over het eeuwige vuur? Of eeuwige pijn? Maar één over eeuwige pijn. In 2 Petrus 3 staat dat heel de oude wereld door vuur verbrand zal worden. Dat zal gebeuren om alle zonden en zondaren definitief weg te doen? Dat is de betekenis van dat vuur, ongeacht of je het letterlijk neemt of overdrachtelijk. Het betekent: het zal niet meer zijn. Het zal verdwijnen, definitief, zoals je iets in het vuur gooit en dan verdwijnt, als het maar heet genoeg is.

Er zijn nogal wat termen voor de “afgrond”, zoals: “sheool” in het Hebreeuws, ons woord hel, kuil, of afgrond. Het Hebreeuwse “Keber” is meestal vertaald met: graf, maar men vertaalt het ook wel eens wat breder. “Abaddon”, het verderf. Grieks: hades, maar dat is hetzelfde als “sheool”, overeenkomend met het begrip dodenrijk in de Satenvertaling. Paradijs, omdat dit in het algemeen een uitdrukking is van een deel van het dodenrijk. Daar waar Abraham was en waar de Heer naar toe ging. “Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn”, was niet de hemel. Daar ging Hij toen niet naar toe, dat duurde nog drie dagen. “Poel des vuurs” heb je hier. “Gehenna” is de poel des vuurs. Gehenna was de naam van de vuilverbranding ten zuiden van Jeruzalem, in het dal van Hinnom. Die term wordt gebruikt ter aanduiding van wat in het Nieuwe Testament in elk geval heet: de poel des vuurs. Omdat dat vuilverbranding is. Dus niet zeggen: vuil blijft in het vuur bestaan, want dan is het vuur overbodig. Vuil moet niet gepijnigd worden, dat moet verdwijnen. “Tartarus” is een volstrekt overbodige term in de Bijbel, maar wordt toch gebruikt, omdat het een verwijzing is naar iets uit de Griekse filosofie, mythologie en traditie. Tartarus als de plaats waar de reuzen, de giganten, gevangen zitten. Die engelen van de oertijd zitten gevangen in Tartarus, zegt Petrus 2 : 4 (“duisternis” = Tartarus in grondtekst). Tartarus is de verwijzing naar het Griekse verhaal daaromtrent. De Bijbel bevestigt dat, want anders had de term Tartarus helemaal niet gebruikt hoeven worden. Want dan had het net zo goed afgrond kunnen zijn of een van de synoniemen. De afgrond is dat wat beneden is. Dat kun je ook Hades noemen, want dat betekent: dat wat beneden is. Of hel, want dat betekent ook: wat beneden is. Het woord “hel” staat eigenlijk voor: een geheime bergplaats en die is altijd beneden, in de Bijbel ook. Wat verborgen wordt, wordt begraven. Een bergplaats is hel, she0ol in het Hebreeuws, Hades in het Grieks en dodenrijk in de Statenvertaling. De plaats van het eeuwig oordeel heet niet hel, maar poel des vuurs. Dat in de christelijke mythe die termen door elkaar gegooid worden, bewijst dat men niet weet waar het over gaat en de eigen opvattingen niet getoetst heeft aan de Bijbel.

En de overigen werden gedood met het zwaard Desgenen, Die op het paard zat, hetwelk uit Zijn mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vlees. Openbaring 19 : 21

Dit was al beschreven in vers 15. Degene Die op het paard zit is uiteraard Christus Zelf, de Messias. Wat Zijn mond uitgaat, is Zijn Woord. Hier uitgebeeld in een zwaard, want het Woord Gods is een tweesnijdend scherp zwaard, zegt Hebreeën 4 met een prachtige metafoor. In vers 17 en 18 werd al over de vogelen, die verzadigd werden van hun vlees, gesproken. Het gaat er om dat de vijanden van Christus, de ongelovigen, voor Zijn aangezicht doodgeslagen worden, staat er in één van de gelijkenissen van de Heer. (Lukas 19) Dat wordt hier uiteindelijk vervuld en tamelijk letterlijk beschreven.

20. Openbaring 20

1 En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;
2 En hij greep den draak, den oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
3 En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden. Openbaring 20 : 1-3

Het is een bergplaats en dus zit er een slot op. De keten is een beeld van het dodenrijk, men zit gevangen. Het is symboliek: sleutel en keten beelden allebei gevangenschap uit. In vers 1 begint een nieuw visioen. Het verhaal wordt nog een keer verteld. Meer specifiek en in een ander verband dan het verhaal in hoofdstuk 19, waar gesproken wordt over een oordeel dat over heel de goddeloze mensheid komt en dus ook over de twee die de mensheid in dat rijk hebben geleid. In Openbaring 20 gaat het over de draak, de oude slang, de duivel, satan. Die wordt voor duizend jaren gebonden en dat begint op het moment dat de goddelozen onder de mensen zijn weggedaan van de aarde naar het dodenrijk. Het binden van satan wordt nog een keer specifiek vermeld. Niet alleen met een terugblik naar de jaren waarin hij als antichrist op aarde bezig was, maar op heel de menselijke geschiedenis. Hij was altijd degene die de mensheid verleidde, maar in de periode van 1000 jaren  zal hij dat niet kunnen doen. Daarna wordt hij nog een poosje losgelaten en uiteindelijk in de poel des vuurs geworpen. Dat stond al in hoofdstuk 19 : 20.

Die engel is, tenzij anders vermeld, de Heer Zelf, want Die heeft de sleutel van de hel en de dood. (Openbaring 1 : 18) Hij grijpt dus de draak, de oude slang, want Christus is de Overwinnaar op de duivel. De draak wordt van de aarde weggedaan en in de afgrond geworpen. Dat is nog een etage lager. Dit komt overeen met de valse profeet uit hoofdstuk 19 : 20.

En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren. Openbaring 20 : 4

Er staat niet: “zij heersten als koningen met Christus 1000 jaren”. Er staat dé 1000 jaren. In die periode regeren deze martelaren uit de grote verdrukking, want dat zijn ze met Christus, Die dan in de openbaarheid regeert. “Zij zaten op tronen” wijst op wie op de troon zit, het oordeel heeft, regeert en recht spreekt. Wie dat zijn staat er achter. “En” betekent zoals zo dikwijls: “namelijk”. “Ik zag” staat hier niet. Er staat: “namelijk, de zielen van degenen die onthoofd waren…” Zij zaten op tronen en aan hen wordt het oordeel gegeven. Wij noemen hen martelaren en zij komen uit de grote verdrukking, want zij hebben geleefd in de dagen van dat beeld en van het beest. Zij hebben zich echter niet voor het beeld gebogen. Zij hebben het beeld niet aanbeden en het merkteken uit Openbaring 13 niet ontvangen. Omdat ze trouw waren aan de Heer, zijn ze gedood in de verdrukking. Want wat er staat is: “zij leefden”, opnieuw dus.

Dit Schriftgedeelte verwijst terug naar Openbaring 6, waar onder het vijfde zegel de zielen onder het altaar genoemd werden. De zielen van degenen die gedood waren om het Woord Gods en om hun getuigenis. Daar wordt gevraagd hoelang het nog duurt voordat ze opstaan? En dan wordt er gezegd: nog even geduld, want je bent op dat moment aan het eind van de 70-ste week van Daniël. Er zijn nog 33 jaar te gaan tot het binden van satan. Dat zijn jaren van grote verdrukking over de volkeren. In die dagen van het wereldrijk van de antichrist worden mensen gedood om de getuigenis die zij hebben. In Openbaring 20 : 4 worden deze opgewekt uit de dood. Zij komen terug om alsnog, op de oude aarde, met Christus deel te hebben aan Zijn Heerlijkheid en aan Zijn Heerschappij. Dit is inclusief de zielen onder het altaar uit Openbaring 9 : 9 t/m 11. Samenvattend: al degenen die na de opname van de Gemeente, als gelovigen de marteldood gestorven, gaan alsnog de duizend jaren in. Zij zullen dat Koninkrijk van Christus, waarin zij geloofden en waarvan zij getuigden alsnog ingaan. Zij zullen daarin eerstelingen zijn en dus deel hebben aan de Heerlijkheid en Heerschappij van Christus. Net zo goed als dat de Gemeente uit onze dagen deel zal hebben aan de Heerlijkheid en Heerschappij van Christus, maar dan op het hemelse niveau.

Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. Openbaring 20 : 5

Vers 5 bevestigt dat de personen uit vers 4 opstaan uit de doden. Die uitdrukking staat er niet, maar wordt geïmpliceerd. Opstanding uit de doden betekent niet opstanding uit de dood, hoewel het dat is, maar opstanding van tussen de overige doden uit. De andere doden worden niet opgewekt en blijven waar ze al waren. Zo’n opstanding betekent altijd aanstelling in het eerstgeboorterecht, want men is eerste, de andere zijn er nog niet. De Here Jezus Christus is de Eerstgeborene der- genen die ontslapen zijn, omdat Hij als Eerste opstond uit de doden. En ook de opname van de Gemeente wordt beschouwd als een opstanding uit de doden. Van tussen de overige doden uit. Wij zijn ook eerstelingen, met als gevolg een hemelse positie. De overigen der doden werden niet weer levend totdat de duizend jaren geëindigd waren. Ze staan op de Jongste Dag op, want alle doden staan dan op, met uitzondering van de Gemeente. De hier beschreven opstanding is een uitzondering op de uitzondering. Voor zover ik het begrepen heb staan deze martelaren uit de grote verdrukking op en komen ze terug in hun oorspronkelijke aardse lichaam. Ze staan niet op in een verheerlijkt lichaam, maar ze staan op zoals Lazarus opstond en de jongeling van Naïn en het dochtertje van Jaïrus en nog meer personen uit het Oude Testament. Ze kwamen terug en zijn daarna dus alsnog weer gestorven. In de opsomming in 1 Korinthe 15 worden ze niet genoemd. Daar worden drie opstandingen genoemd: De Eersteling Christus, daarna de Gemeente en daarna de opstanding ten Jongste Dage. De opstanding van deze martelaren wordt daarbij niet genoemd. Mijn conclusie is dat zij opstaan in een andere aard. Ze komen terug in dit oude lichaam om hun aardse leven verder voort te zetten en zullen nooit in de poel des vuurs geworpen worden, want zij zijn gelovigen. Zij komen nooit in de tweede dood.

Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren. Openbaring 20 : 6

Zij dienen de Heer, de Koning en Priester naar de ordening van Melchizédek. Hetzelfde geldt voor de Gemeente uit onze dagen. Ook wij zijn gemaakt tot koningen en priesters. Voor hun geldt hetzelfde, maar dan op het aardse niveau. Zij zullen priesters van God en Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, duizend jaren.

7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden.
8 En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee. Openbaring 20 : 7, 8

Dit is de laatste keer dat duizend jaren genoemd worden in Openbaring 20, waar de uitdrukking zes keer voorkomt. Elders in de Bijbel komt het niet voor. Wanneer de duizend jaren geëindigd zijn zal de satanas, de Griekse variant van het Hebreeuwse satan, uit zijn gevangenis, uit de afgrond, ontbonden worden. “En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn”.

Dit Schriftgedeelte is een verwijzing naar oudtestamentische profetieën en zelfs naar één specifieke. De gedacht is namelijk in de eerste plaats dat de duizend jaren een speciaal doel dienen. De periode gaat aantonen dat de mens nog steeds een zondaar is, ook al is de duivel er niet meer om hem te verleiden. De periode van 1000 jaren toont dat de mensheid van louter gelovigen, die leeft onder de heerschappij van Christus en zelfs met de inwoning van Christus, nog gewoon bestaat uit zondige mensen. Zij kunnen weer verleid worden. Iemand moet dat doen en in de duizend jaren krijgt men daar de kans niet toe, omdat er een goed regeringssysteem bestaat en een sterke rechtspraak. Dan blijft die mens wel rustig, maar die mens is absoluut niet veranderd. Om dat te bewijzen wordt die duivel even los gelaten. Hij weet hoe hij mensen verleiden moet en dat zal dan ook meteen gebeuren. Jakobus zegt dat God de mens niet verleidt. Het is de duivel die dat doet. De mens zou er niet ontvankelijk voor zijn als hij niet een zondige natuur had waarop de duivel een beroep doet. Adam was dus niet zo zondeloos, want dan zou hij niet gevoelig geweest zijn voor de verleider.

De functie van de duizend jaren is laten zien dat de mens niet verbeterd wordt, ook als je de duivel niet in de wereld hebt. Je kunt hem wel onder controle houden. Dat gebeurt dan, mede omdat die mensheid, althans in het begin, uitsluitend uit gelovigen bestaat. Laat je de duivel los, dan zal blijken dat een groot deel van de mensheid alsnog in opstand komt tegen God, ondanks alles wat er gebeurd is. Net als Israël in opstand kwam tegen God, ondanks de verlossing die door de Heer tot stand gebracht was. Dat heb je aan het eind van de duizend jaren ook. Bovendien wordt, in verband met die volkeren, verwezen naar de namen Gog en Magog, de vorst van Rosh en ook naar Mesech en Tubal, uit Ezechiël 38.  Die zouden allerlei volkeren rond zich verzamelen en aanvoeren in een strijd tegen Jeruzalem, zoals daar wordt beschreven. Het loopt af op de Jongste Dag. Het is het einde van het verhaal. Er komt een definitief oordeel over, want de Heer zal een vuur zenden.

9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.
10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. Openbaring 20 : 9, 10

De geliefde stad is Jeruzalem. Vuur van God uit de hemel is de algemene gang van zaken. Dat was al bij het oordeel over Babel aan het begin van de duizend jaren en is evenzo bij dit oordeel over deze legers, nadat de satan weer is losgelaten. Het vuur verslindt hen, er blijft niks van over. De duivel wordt dan eveneens in de poel des vuurs en sulfers geworpen, waar het beest en de valse profeet zijn. Dat is de terugverwijzing naar hoofdstuk 19 : 20. Het gaat uiteindelijk om dezelfde gebeurtenis. De duivel en de valse profeet zijn dezelfde. Waar staat: “zij worden gegrepen” (19 : 20) is dat vóór de duizend jaren. “Zijn legers zijn geworpen in de poel des vuurs…”, is na de duizend jaren. Als de ongelovige mens sterft, dan gaat hij naar de hel, naar het dodenrijk, maar pas na de duizend jaren, op de Jongste Dag, gaat hij naar de “poel des vuurs”. Dat geldt ook voor de duivel. De Bijbel leert dus dat iemand die verloren gaat in de poel des vuurs geworpen wordt. Er blijft niks van hem over en dat is de betekenis van de term “in eeuwigheid”. Hoelang de periode van na de duizend jaar tot aan het in de poel des vuurs werpen duurt, weet ik niet, maar ik verwacht dat dit ruim binnen een generatie gebeurd.

En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden. Openbaring 20 : 11

Voluit noemt men het “de grote witte troon van God”. Dat “van God” staat er niet bij in vers 11, maar wel in vers 12. Deze term is specifiek gekozen om onderscheid te maken met de rechterstoel van Christus. Men zegt wel: de rechterstoel van Christus is de rechterstoel van Christus en dit is de grote witte troon van God; je moet God en Christus niet met elkaar verwarren. Mijn antwoord is: Dat kan wel, want Christus is God en als er al iemand in een visioen op een troon gezien wordt, kan het alleen maar Christus zijn. God kan niet gezien worden en van Christus leren wij: “Hij is het Beeld Gods. Het afschijnsel van Gods Heerlijkheid”. (Hebreeën 1 : 3) Als er hier een grote witte troon gezien wordt en daarop is God gezeten, dan is het toch de Here Jezus Christus. Wie zit er in Openbaring op de troon? Dat is het Lam, al genoemd in Openbaring 4 en 5. Het Lam is Christus. Groot wil zeggen: het definitieve oordeel. Wit spreekt over rechtvaardigheid, want er is er Eén die rechtvaardig zou oordelen, wordt ons op meerdere plaatsen gezegd.

Hier verdwijnt de oude schepping, want God heeft geopenbaard dat die oude schepping definitief zou worden weggenomen om plaats te maken voor nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Dat wordt op vele plaatsen en in verschillende termen in de Bijbel vermeld. In de Psalmen staat dat God deze wereld zal wegdoen. Dat Hij de schepping zal oprollen, zoals een vervuild kleed weggedaan wordt. (Psalm 102 : 27) Dat betekent dat alle activiteit ter verbetering van deze wereld, de schepping en de oude (natuurlijke) mens uiteindelijk tot niks zullen leiden. Het is veeleer van belang dat de oude mens wordt afgelegd en de nieuwe mens wordt aangedaan. Dat heet wedergeboorte. Het is dood en opstanding en daarmee hetzelfde als het wegdoen van de oude schepping en het tot stand komen van een nieuwe schepping. 2 Korinthe 5 : 17 zegt: “Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden”.

En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. Openbaring 20 : 12

“Ik zag de doden staande voor God” kan tot misverstanden leiden. Zijn ze dan opgestaan of niet? Daar is tot vandaag discussie over. Andere Schriftplaatsen geven de oplossing. Ze zijn inderdaad opgestaan. Het idee is dat iedereen uiteindelijk voor God zal komen te staan. (2 Korinthe 5 : 10; Romeinen 14 : 10) De Gemeente is hier niet bij. Dat is de enige uitzondering, omdat voor ons als Gemeente dit eerder geregeld is. Wij als gelovigen komen niet in het laatste oordeel op de Jongste Dag. Wij verwachten een afrekening ter gelegenheid van de opname van de Gemeente en onze openbaring voor de rechterstoel van Christus. De doden worden geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven is. In elk geval naar hun werken, staat daar en dat geldt voor iedereen. Johannes 5 : 22 en 23 zegt dat de Vader niemand oordeelt, maar al het oordeel aan de Zoon heeft gegeven, opdat zij allen de Zoon zouden eren. Vers 26: “Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven”. De Vader heeft de Zoon macht gegeven “gericht te houden”, omdat Hij de Zoon des Mensen is. Hij is de Zoon van Adam en die is nou eenmaal het oordeel gegeven over de gehele aarde, zo staat al in Genesis 1. De Zoon heeft het Leven in Zichzelf en geeft het aan wie Hij wil, maar de Zoon heeft ook macht om gericht te houden. Hij geeft óf Leven óf veroordeelt, want er zijn twee mogelijkheden: men is geschreven in het Boek des Levens en heeft dus leven. Of men is niet gevonden in het Boek des Levens en wordt dus in de poel des vuurs geworpen. Het wordt uitgebreider aangekondigd in Johannes 5:

28 Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen;
29 En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis. Johannes 5 : 28, 29

Allen (klein en groot) zullen opstaan, maar de ene categorie staat op om veroordeeld te worden en de andere ten leven. De behoefte onderscheid te maken tussen oordeel op de Jongste Dag en oordeel voor de rechterstoel van Christus heeft er toe geleid dat men vers 29 uitlegt alsof “opstanding des levens” slechts van doen zou hebben met de opname van de Gemeente en de openbaring voor de rechterstoel van Christus en dat de “opstanding der verdoemenis” van toepassing zou zijn op de Jongste Dag. Daarmee leert men dus dat er op de Jongste Dag alleen maar mensen veroordeeld worden en dat er niemand in het Boek des Levens geschreven is. Men past beide uitdrukkingen uit Johannes 5 : 29 toe op twee verschillende gebeurtenissen, op twee verschillende tijdstippen, en dat is een misverstand. Het gaat om de verschillende aard van de opstanding. Bij de opname van de Gemeente is er slechts sprake van opstanding van gelovigen uit de periode vanaf de opstanding van Christus tot aan dat tijdstip. Alleen die categorie, want dat is een Gemeente van eerstelingen. Dat is een opstanding des levens, maar dat wil niet zeggen dat een latere opstanding een opstanding ter verdoemenis moet zijn. Dat is niet zo. Het staat hier ook niet. Op de Jongste Dag, dat is na de 1000 jaar, zal de opstanding zijn van allen die geleefd hebben, exclusief de Gemeente. Voor gelovigen uit oudtestamentische tijd  en die van na de opname van de Gemeente, is het een opstanding des levens en voor ongelovigen is het een opstanding der verdoemenis.

20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.
21  Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.
22 Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
23 Maar een ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.
24 Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 1 Korinthe 15:20-24

De Eersteling Christus, dat is al geweest. Daarna die van Christus zijn (vers 22), maar eigenlijk: daarna “die van de Christus zijn” (het woordje “de” had er tussen gemoeten) in Zijn toekomst. Dat is de opname van de Gemeente. Het begint met die van de Christus zijn en daarna zal het einde zijn. Het woord “einde” betekent “voltooiing” en daarmee wordt het doel aangegeven. De voltooiing van de opstanding is de Jongste Dag. Het gaat in deze verzen van Korinthe exclusief om opstanding van gelovigen. Opstanding van ongelovigen wordt niet vermeld, omdat het gaat om de verheerlijking van de gelovigen. Het gaat over het loon (de heerlijkheid) dat ze zouden ontvangen. Het gaat om een opstanding van allen die in Christus zijn. Nog een even terug naar Openbaring 20:

En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. Openbaring 20 : 12

De boeken werden geopend. Dat zijn er dus minstens twee. En een ander boek werd geopend, dan zijn het er minstens 3. Dat “des Levens is”, het Boek des Levens. De doden werden geoordeeld uit wat in de minstens drie boeken geschreven was. Welke zijn dat? In de eerste plaats de Bijbel zelf, want de Here Jezus zei tot Zijn tijdgenoten: “Jullie vertrouwen op Mozes, jullie beroemen je in Mozes, maar vergis je niet: Mozes zal je oordelen.” Als het diezelfde Mozes is waarop de Joden vertrouwden, dan is het dus de wet. Romeinen 2: Wie onder de wet gezondigd heeft, zal door de wet veroordeeld worden. En wie zonder de wet gezondigd heeft zal zonder de wet veroordeeld worden. Het andere boek  is in ieder geval het Boek des Levens, dat wij eerder zijn tegengekomen in Openbaring. Daarin staat opgeschreven wie er gelovig was en eeuwig leven zou ontvangen. Het gaat er om of men er in staat of niet. Over boek nummer drie staat: “Ze werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken”. Die werken moeten in een ander boek geschreven zijn dan het Boek des Levens, want dat gaat over geloof. Ook in de Bijbel staan geen werken. Dus blijft het derde boek uit de reeks over; dat is het boek der werken.

En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken. Openbaring 20 : 13

Hier staan wat woorden genoemd in verband met de doden, genoemd in vers 12, klein en groot. Dat betekent in de praktijk iedereen en dat wordt ook duidelijk in dit vers 13. Iedereen, uit de zee, uit de dood en uit de hel. Er worden drie termen genoemd, maar we zouden goed lezen wat er wel en wat er niet staat. Er staan weliswaar drie woorden, zee, dood en hel, maar het staat in twee zinnetjes. Zodat het in werkelijkheid niet om drie plaatsen gaat, maar hooguit om twee, namelijk:

  1. “de zee gaf de doden die in haar waren”.
  2. “en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren”.

Daaruit is de conclusie dat dood en hel synoniemen zijn, anders had er moeten staan: “de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood gaf de doden die in haar waren en de hel gaf de doden die in haar waren”. “Dood en hel” is een synoniem en een tamelijk vaste uitdrukking, die hetzelfde aanduidt. Dood is een abstract begrip. Iemand die gestorven is, is dood, dan is hij niet meer. Dat is het dan. “Hel” is in de praktijk een plaatsaanduiding. Het is de vertaling van het Griekse Hades en wordt normaal, als het niet in de Bijbel staat, maar in de Griekse literatuur, met “onderwereld” vertaald. Dat wordt geacht een plaats te zijn. Daar zijn de doden in de hel, in het dodenrijk. Ook hier komen we weer in een spraakverwarring terecht. Velen denken dat de hel de plaats is van het oordeel. Iemand die goed heeft opgepast gaat naar de hemel als hij dood is en iemand die het slecht heeft gedaan gaat naar de hel. Dat is echter helemaal niet Bijbels. Het is Grieks. De Griekse mythologie leert dat de overleden mens naar Hades gaat. Dat is het woord dat hier met “hel” vertaald is. Als hij goed heeft opgepast, gaat hij naar de rechterkant, dat is de goede kant in het dodenrijk. Als hij slecht heeft opgepast, gaat hij naar de linkerkant, de verkeerde kant van het dodenrijk. Dat onderscheid wordt in de Bijbel trouwens ook gemaakt in het verhaal over de rijke man en de arme Lazarus. (Lukas 16) De arme Lazarus kwam in de schoot Abrahams, maar het was wel degelijk “hel”, dat wil zeggen het dodenrijk. Hij had het er zelfs goed. Die rijke man kwam in een plaats van pijniging terecht. In elk geval is er onderscheid. Er wordt zelfs voorgesteld dat die twee verschillende gebieden, allebei in Hades, in de hel, voor elkaar onbereikbaar zijn. Er is een kloof tussen. Het ziet er niet letterlijk zo uit in het dodenrijk. Daar zijn geesten. Wat je je er bij voor moet stellen weet ik ook niet, dus houd ik het maar bij de Bijbelse voorstelling van deze dingen.

De hel is de plaats waar de doden in het algemeen heen gaan, maar het is niet de plaats van het eeuwig oordeel. Dat komt pas later. Het is een soort wachtkamer. Daar hebben de Rooms-katholieken weer het vagevuur aan ontleend, alsof je daar alsnog de kloof over kunt en alsnog in de schoot Abrahams terecht kunt komen. Dat is allemaal heel ingewikkeld, maar ik leg het niet uit, want het staat toch niet in de Bijbel. Men heeft het zelf bedacht. Het woord hel is een Nederlands woord en betekent “een lage plaats”. Eigenlijk betekent het een geheime plaats. Een plaats van verberging. Je komt het woord nog steeds tegen. De kelder, hel, de lage plaats. Het zit bijvoorbeeld in “helling”, de route naar beneden. Dat is wat hel is. Daar zijn de doden. Naar Bijbelse maatstaven bevinden de oudtestamentische gelovigen zich in de hel. In Hades namelijk, een voor velen een afschrikwekkend woord door het verkeerde gebruik van de term. Daarom vertaalt men Hades vaak anders, bijvoorbeeld als “dodenrijk”. Dat is eigenlijk een betere term. Het is neutraler, maar het woord “hel” zou dat net zo moeten zijn. We moeten weten wat dat woord betekent.

Over “de zee gaf de doden die in haar waren” is altijd misverstand. Men doet namelijk net alsof degenen die een zeemansgraf hebben gekregen of in zee verdronken zijn naar een ander plaats zouden gaan en dus niet naar het dodenrijk of naar de hel. En daarom zouden dood en dodenrijk hun doden moeten geven, maar de zee ook. Dat is dwaasheid, want wie op zee sterft en daar een zeemansgraf krijgt of in de zee verdrinkt, gaat net zo goed naar dood en hel. Een ander woord voor dood of hel is “afgrond”. Ook in de Bijbel. Afgrond is volstrekt synoniem met zee. Dat kun je al vinden in Genesis 1 : 2. De afgrond staat daar vol water, want de zee is een afgrond. De grond is er af; er is helemaal geen grond. Het is een diepte en eigenlijk betekent het woord dat er helemaal geen bodem onder zit. In ieder geval geen bodem met enig praktisch nut. Afgrond, zee, de wateren, de diepte, zijn allemaal synonieme begrippen en zijn een uitbeelding van het dodenrijk (hades). In het Hebreeuws heet dat sheool. Het Nederlandse “hel” is daar nog in te herkennen. In de twee zinnen staat derhalve hetzelfde. Wie gewend is aan de Bijbel weet dat dezelfde waarheid steeds herhaald wordt.

En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood. Openbaring 20 : 14

Dood en hel zijn dynamische begrippen. Ze zijn actief, want dood en hel zijn actief. In de Bijbel wordt dat ook “de werking van het verderf” en “de macht der duisternis” genoemd. Dood en hel doen hun invloed gelden op alles wat leeft. Normaal gesproken verdwijnt dat daar ook in. De strijd om het bestaan is in de praktijk een strijd tegen de dood. Het is een strijd die de mens in deze wereld op voorhand verliest. 1 Korinthe 15 : 26 zegt daarover: “De laatste vijand die teniet gedaan wordt is de dood”. Dat is op de Jongste Dag. Als hier in Openbaring 20 : 14 staat: “Dood en hel werden geworpen in de poel des vuurs”, dan betekent dat dood en hel zullen verdwijnen, want al wat in het vuur geworpen wordt, verdwijnt. Dit betekent ook dat daarna niemand meer kan sterven, want men kan niet in de dood of in het dodenrijk verdwijnen.

En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in den poel des vuurs. Openbaring 20 : 15

Degenen die niet gevonden worden in het Boek des Levens zijn veroordeeld. Zij zijn schuldig, omdat zij niet geloofd hebben in de eniggeboren Zoon van God. Zij worden niet alleen geoordeeld vanwege hun ongeloof, maar ook op grond van hun werken. Dat bepaalt hun strafmaat als zij in “den poel des vuurs” geworpen worden. Over hoe lang die pijniging (dat woord wordt gebruikt in vers 10) duurt, zegt de Bijbel niks. Dat maakt ook niet zoveel uit, want een ongelovige gelooft toch niet wat er staat en een gelovige komt nooit in aanraking met deze pijniging. Een gelovige hoeft dus ook niet te weten hoe lang die pijniging zou moeten duren voor iemand die in dat oordeel terecht komt. Wie wel in het Boek des Levens genoteerd staan komen op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In dit geval een nieuwe aarde, omdat de hemel in het algemeen niet bestemd is voor de mens. Ook niet voor de gelovige mensen, met één uitzondering en dat zijn wij, omdat wij eerstelingen zijn van het Nieuwe Verbond. Eerstelingen van de Nieuwe Schepping en daarom bestemd voor de hemel. De Bijbel leert dat wij, toen wij tot geloof kwamen, met Christus gezet werden in de hemel. Als deze ogen dicht gaan, gaan we niet naar de hemel, maar doen we ze daarna weer open in de hemel. De mens die geen deel uit maakt van de uitzondering heeft een toekomst op de nieuwe aarde.

En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. Openbaring 21 : 1

Dit is de beschrijving van wat algemeen bekend staat als de Jongste Dag. De laatste dag in het Johannes evangelie: ten laatsten dage. In elk geval is het de laatste dag in de heilsgeschiedenis. De dag waarop hemel en aarde, deze oude schepping, voorbij zullen gaan, zoals aangekondigd in Jesaja 66 en Jesaja 65:

Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. Jesaja 66 : 22

Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Jesaja 65 : 17

Dat wil zeggen dat de belangstelling niet meer uit gaat naar wat geweest is. De apostel Petrus zegt dat ook in 2 Petrus 3:

10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
12 Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.
13 Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. 2 Petrus 3 : 10-13

Hemel staat hier in het meervoud. Dat is in het Oude Testament gewoonlijk ook zo, omdat het in de praktijk om twee hemelen gaat. De hemel van de sterren en de hemel van de vogels. Het zijn de twee geschapen hemelen, zoals al genoemd in Genesis 1 : 1, en die zouden vergaan. De hemel der hemelen vergaat niet. Dat is een andere wereld, een geestelijke wereld. De hemel die van ouds is. Het gaat om het verdwijnen van deze oude schepping, bestaande uit de beide hemelen en die ene aarde. Ze zullen vervangen worden door een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan.

21. Openbaring 21

Openbaring 21 bevat het laatste visioen van dit Bijbelboek en daarmee van heel de Bijbel. Het visioen begint pas in Openbaring 21 : 2. Vers 1 is de afsluiting van de voorgaande perikoop.

En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Openbaring 21 : 2

Dit is de beschrijving van wat het nieuwe Jeruzalem voorstelt en niet van een stad die eerst in de hemel gemaakt is en die daarna kant en klaar uit de hemel op een nieuwe aarde nederdaalt. Er zijn twee aspecten die niet kloppen. Het ene is dat het niet gaat om een letterlijk in de hemel gebouwde stad. Het andere is dat uit de beschrijving van dit, en het volgende, hoofdstuk blijkt dat het niet gaat om een situatie op de nieuwe aarde. Het idee dat hier een stad op de nieuwe aarde gezet wordt ontstaat louter door de hoofdstukindeling. Hoofdstuk 21 : 1 hoort 20 : 16 te zijn, maar wordt aan vers 2 gekoppeld. “Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en ik zag het nieuwe Jeruzalem, de heilige stad, nederdalende op de aarde”. Dat zal dan wel op die nieuwe aarde zijn, die in het voorgaande vers genoemd is, zo redeneert men. Maar wij moeten vasthouden aan het beginsel dat wij bij de voorgaande 20 hoofdstukken gezien hebben. Ook hier is de vraag wat de visioenen betekenen? Dat is zo sinds hoofdstuk 1. Hier in hoofdstuk 21 zouden wij begrijpen dat het nieuwe Jeruzalem geen geprefabriceerde stad is en niet neerdaalt op een nieuwe aarde. Als we eerst weten wat het nieuwe Jeruzalem is, dan begrijpen we ook waarom. Over welke heilige stad wordt hier gesproken? Over DE heilige stad, zoals we die uit de voorgaande 1194 bladzijden kennen. Het is HET nieuwe Jeruzalem, zoals het al eerder was aangekondigd. Dat is het aardse Jeruzalem; het is HET nieuwe Jeruzalem. “Nederdalende” betekent dat het daarvoor al in de hemel bestaat. Eerst is het in de hemel, daarna ook op de aarde en dat wordt gezegd bij “Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in de hemel, alzo op de aarde”. (o.a. Matthéüs 6 : 10) Het Koninkrijk der hemelen komt naar de aarde vanuit de hemel, zonder daarbij de hemel te verlaten.

“Toebereid als een bruid die voor haar man versierd is”, is omstreden. Elke keer als we “bruid” tegenkomen in de Bijbel moet dat uitgelegd worden. Er zijn twee mogelijkheden. De ene is dat het een algemene uitspraak is, ontleend aan het Oude Testament. Dat zijn ze altijd. Het hele Nieuwe Testament, en zeker Openbaring, haalt oudtestamentische uitspraken aan en licht ze toe. De gedachte is dat die bruidskwestie in het Oude Testament de verwijzing is naar een volk dat met de Heer onder het Nieuwe Verbond verbonden zal worden. (zie brochure “bruid en bruidegom” van Ab Klein Haneveld) De andere gedachte is: Bezie de uitdrukking zonder daar verder wat anders bij te denken. In ieder geval gaat het hier niet over de Gemeente. Die wordt nooit als bruid aangemerkt, nergens in de Bijbel. Hooguit als vrouw. In de zin van vrouwelijk t.o.v. Christus, maar dat is, zegt Efeze 5, omdat de Gemeente nu eenmaal Zijn Lichaam is.

En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Openbaring 21 : 3

Een grote stem met kracht en dus met macht, met autoriteit, maar ook met scheppende kracht. De tabernakel Gods is het huis waarin God woont. Dat kan de Gemeente zijn, maar in de eerste plaats is het Christus Zelf. (Johannes 1 : 14) De tabernakel Gods is Christus en altijd inclusief de Gemeente. “Hij zal bij hen wonen” geldt altijd voor allen die geloven. Zij krijgen daardoor deel aan dat Koninkrijk en daarmee aan het burgerschap Israëls. Ze worden burgers van dit Jeruzalem. “Zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen zijn en God Zelf zal hun God zijn”, zijn de termen die in het Oude Testament gebruikt worden voor de situatie onder het Nieuwe Verbond. Bijvoorbeeld in Jeremia 31 en in Hosea: “Zij zullen Mij tot volk zijn en Ik zal hen tot Vader zijn”. Het zijn vaste uitdrukkingen in het Oude Testament als beschrijving van het Nieuwe Verbond.

En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. Openbaring 21 : 4

God zal de tranen afwissen van de ogen van degenen die deel hebben aan dit Jeruzalem.  Door geloof en wedergeboorte gaan zij het Koninkrijk binnen en daar wist de Heer de tranen van af van de ogen af van degenen die deel hebben aan het nieuwe Jeruzalem, dat nu reeds boven is en in de toekomst ook op aarde zal zijn. De Heer wist nu al ónze tranen af, omdat wij nu al in dat Jeruzalem zijn.

“En de dood zal niet meer zijn”. Wij zijn nu reeds verlost van de macht van de dood. (Hebreeën 2 : 14, 15) De dood heerst niet meer over ons. Wij zijn gestorven, begraven en opgewekt. (Romeinen 6) Daar staat dat wat voor Christus geldt, ook voor ons is. Wij “zijn der zonde eenmaal gestorven en wij leven Gode”. Wij hebben eeuwig leven. In dat Jeruzalem is geen dood. Wij verwachten niet de dood, maar de verandering van ons lichaam. Wij verwachten heerlijkheid, de zalige hoop, de verschijning der heerlijkheid. (Titus 2 : 13) Of zoals Paulus het zegt in 2 Korinthe 5:

17 Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Korinthe 5 : 17

Sommigen zien niet of willen het niet zien. Daarom staat er: “Ziet, het oude is voorbij gegaan, ziet, het is nieuw geworden”. Dat is de situatie in dat Koninkrijk, waarvan wij reeds nu al als eerstelingen deel uit maken.

En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. Openbaring 21 : 5

Voor ons zijn alle dingen nieuw geworden in dat nieuwe Jeruzalem. “Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw” komen we ook bij Paulus tegen. Dan gaat het altijd over tegenwoordige waarheid.

En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet. Openbaring 21 : 6

Alpha en de Omega duiden op de eerste en laatste letter van het Woord Gods en daarom Hij is het Woord Gods. Het begin en het einde, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. (Romeinen 11 : 36) In Johannes 7 : 37 zegt de Here Jezus: “Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.” Dat water is een beeld van de Geest. Wij drinken nu al uit dat water des Levens en dorsten nooit meer. (Johannes 4)

Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. Openbaring 21 : 7

Deze uitspraak staat ook in Openbaring 2 en 3 en is daar van toepassing op de Gemeente. “En Ik zal hem tot God zijn, en hij zal Mij tot zoon zijn”. In Hebreeën 12 wordt gezegd dat wij zonen en eerstgeborenen zouden worden.

Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. Openbaring 21 : 8

Gruwel is in het Oude Testament een woord voor afgoderij. “En al de leugenaars” is de samenvatting van die voorgaande termen. Het beschrijft degenen die de leugen liefhebben boven de waarheid. Die de duisternis liever hebben dan het Licht. Zij gaan de tweede dood in. Uiteindelijk zijn er maar twee mogelijkheden. Men komt of in de poel des vuurs, de tweede dood óf in het nieuwe Jeruzalem (het Koninkrijk in de hemel én op aarde). Nu volgen de details van deze stad.

En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams. Openbaring 21 : 9

Diezelfde stem, die de oordelen over de aarde gebracht had, spreekt nu over het Koninkrijk zelf. Er is namelijk verband tussen die oordelen van de grote verdrukking en deze stad. De grote verdrukking heeft tot doel dat Koninkrijk op aarde te vestigen en dat is weer de nederdaling van het Koninkrijk uit de hemel naar de aarde. De uitdrukking “kom herwaarts, ik zal u tonen” impliceert dat niet iedereen dit ziet. Men moet dus als het ware bij die engel komen. Men moet dat hemelse, dat geestelijke, standpunt innemen om deze dingen te kunnen zien. Dat er staat “De Bruid, de Vrouw des Lams” betekent dat het twee verschillende dingen zijn. Onder “Vrouw des Lams” zou men eerst de Gemeente verstaan, omdat de Gemeente zo genoemd wordt. De vrouw van Christus wordt zo genoemd in Efeze 5, maar daar heet de Gemeente niet de Bruid. Dat is nergens zo. De Bruid heeft betrekking op Israël in de dagen van het nederdalen van Jeruzalem, de openbaring van het Koninkrijk. Dan is er inderdaad sprake van de bruiloft. De “bruiloft des Lams” is het duizendjarig rijk. En daarna volgt de huwelijkse staat, maar dat is de nieuwe aarde en de nieuwe schepping en dus na de Jongste Dag.

En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God. Openbaring 21 : 10

Het is een visioen op een grote en hoge berg. Een berg is een koninkrijk. Als het een grote en hoge berg is het een beeld van het Koninkrijk van Christus. Omdat het primair in de hemel is, het heet “Koninkrijk der hemelen”, is de grote en hoge berg in de Bijbel vaak de uitbeelding van de hemel. De berg der verheerlijking, van de zaligsprekingen, is die berg waar de Heer opgaat om te bidden. Dat is een beeld van Zijn hemelse positie nu. Die berg is een koninkrijk en als het in verband met de Heer staat, dan is het Zijn Koninkrijk. Vanuit Zijn hemelse situatie ziet hij deze dingen. Waar wij ons in een hemelse situatie bevinden, zouden wij deze dingen dus ook moeten zien. Er had ook kunnen staan: “En hij toonde mij het Koninkrijk van Christus, namelijk de grote stad, het heilige Jeruzalem nederdalende vanuit de hemel van God”.

En zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal. Openbaring 21:11

Heerlijkheid wordt in beelden voorgesteld door licht. Heerlijkheid is licht en licht is heerlijkheid. In het licht ziet men de dingen, kent men de dingen en wandelt men in gemeenschap met elkaar en in gemeenschap met God. (o.a. 1 Johannes 1) Als de stad ergens door gekenmerkt wordt in dit visioen is het door licht. Alle materialen die genoemd worden ter beschrijving van de stad zijn lichtdoorlatend. Hetgeen betekent dat er niets is dat het licht tegenhoudt en dus is er ook geen schaduw, geen duisternis. Ze hadden de heerlijkheid Gods en haar licht, haar heerlijkheid, was als de allerkostelijkste steen. Dat is een edelsteen. Als een steen geen licht doorlaat is het grind of een rotsblok, maar zodra er licht doorgaat heet het een edelsteen. Een stad wordt van stenen gebouwd, maar dit is een edele stad en dus wordt deze stad van edelstenen gebouwd. Voor zover die van goud gebouwd wordt, is het goud doorluchtig gelijk glas en dus ook lichtdoorlatend. Goud oxideert niet en het oppervlak blijft altijd glanzend en dus altijd licht weerspiegelend.

Kristal komt ongeveer overeen met glas. Het is een heldere, lichtdoorla- tende en dus zeer kostbare steen. De hele stad is daarmee gebouwd. Hier wordt over Jaspis gesproken, maar in vers 19 worden jaspis, saffier, chalcedon, smaragd, sardonix, sardius, chrysoliet, beryl, topaas, chrysopraas, hyacint en amethist genoemd.  Jaspis is naar alle waarschijnlijkheid de robijn. In het Oude Testament komt die namelijk ook voor, maar is dan niet altijd vertaald met robijn. Dit is de steen die in het Hebreeuws “odem” heet. Dat is hetzelfde als “adam” en “edom” en betekent: rood. Rode edelstenen hebben van oudsher de voorkeur. Rood is immers de kleur van kracht, macht en daarmee ook van koningschap. Rood is een uitbreidende op je afkomende kleur. Daarom is het macht en kracht. De hier genoemde stad is als het ware rood, omdat de kracht Gods die daarin tot uitdrukking komt nu eenmaal rood is. Het is de kleur van de Zoon van Adam. De Zoon van Edom, de zoon van Odem, de Zoon van het rode. De stad als zodanig was rood, maar blinkend en lichtdoorlatend. Daarna wordt het gespecificeerd.

En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israëls. Openbaring 21:12

Een ideale stad heeft twaalf poorten. Jeruzalem werd met twaalf poorten herbouwd na de dagen van de Babylonische ballingschap in Nehemia. Ze worden stuk voor stuk bij name genoemd. Een stad is per definitie een koninkrijk en 12 staat voor heerschappij. Dat is de betekenis van het getal in de Bijbel. Vandaar dat Israël, het volk dat vorst is met God, uit 12 stammen bestaat. Vandaar dat de tijd (die altijd heerst en stabiel is) met een 12 tallig stelsel gemeten wordt. Wij rekenen de tijd in 12 uren. Een dag van 12 uur, een nacht van 12 uur. Een jaar van 12 maanden en de baan van de zon door de 12 tekens van de dierenriem. Dat is hetzelfde als 12 maanden. Het begin van het Koninkrijk voor de Gemeente ligt bij de 12 apostelen.

De poort is de uitdrukking van heerschappij; heel de Bijbelse symboliek door. Dat is ook letterlijk zo. Hoe beheers je een stad? Door een poort, want dan kun je degenen die niet deugen eruit gooien. Degenen die aan jouw voorwaarden voldoen laat je in de stad toe. Je bewaakt de uit- en ingangen. Dat Lot in de poort van Sodom zat (Genesis 19 : 1) betekent dat hij betrokken was in het bestuur van de stad. Bij rechtspraak, bijvoorbeeld in het boek Ruth, moest het in de poort geregeld worden. Het poortgebouw was daarom gewoonlijk ook de zetel van de regering van de stad en van de rechtspraak. Poort is heerschappij. Het woord zelf betekent dat ook. Het is hetzelfde woord als de naam “Sara”. Sara betekent ook poort, maar wordt vertaald met vorstin. Het is allemaal symboliek en de uitbeelding van het Koninkrijk van Christus. En daarom waren er in de poorten ook twaalf engelen. Er moeten namelijk boodschappers, bewakers, bij de poort zijn. Dat de namen van de “twaalf geslachten der kinderen Israëls” op de poorten van de stad geschreven staan laat zien dat het koninkrijk aan geen ander volk zou worden overgelaten. Het Koninkrijk is een Israëlitisch Koninkrijk.

Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten. Openbaring 21 : 13

De namen van de stammen van Israël zijn er nu bij te schrijven, want in Numeri 2 staat hoe zij gelegerd zouden zijn in de legerplaats rondom de tabernakel. Dat gaat volgens dezelfde constructie, omdat die legerplaats een uitbeelding is van het Koninkrijk van Christus dat komen zou.

En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams. Openbaring 21 : 14

Een fundament of een poort betekent hetzelfde. Het Koninkrijk is gebaseerd – gefundeerd – op het feit dat men in of uit kan gaan. Dat er poorten zijn, zodat de stad bewaard kan worden. Fundamenten drukken precies hetzelfde uit. De muren staan op twaalf fundamenten “en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams”. Het Koninkrijk werd gebouwd, de fundamenten van het Koninkrijk werden door de apostelen en profeten gelegd. (Efeze 2) Vertegenwoordigen de twaalf apostelen de twaalf stammen van Israël? Nee, dat is niet het geval. Je kunt aan de ene kant vaststellen dat het Koninkrijk gebaseerd is op Gods beloften aan Israël. Het is er de vervulling van. Aan de andere kant begint het allemaal met de twaalf apostelen. De grondleggers – fundamentleggers – van de Gemeente en daarmee weer van het Koninkrijk. In die volgorde.

15 En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur.
16 En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadien; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelve waren even gelijk. Openbaring 21 : 15, 16

Meten heeft met het eigendomsrecht van doen. In hoofdstuk 11 ging het over het meten van de tempel. De rietstok geeft de maat en dus de norm aan. Goud is hier de norm. Alleen wat eeuwigheidswaarde heeft wordt gemeten, want de norm is goud en goud staat voor eeuwige dingen. Vandaar dat een nieuwe schepping gemeten wordt. De buitenste afmetingen van de vierkante stad worden gemeten. De lengte, breedte en hoogte bedroeg 12.000 stadiën,  zodat de stad niet alleen een vierkant, maar een kubus of een piramide is, want die is ook vierkant. Met vier gelijke zijden en de hoogte van de piramide is in dit geval gelijk aan de lengte en de breedte. Wat er ook gemeten wordt, het heeft maar één afmeting: de lengte, de breedte en de hoogte; de middellijn. Het is weer symboliek en daarom herkennen we die afmeting van 12.000 stadiën. Het is weer 12 en dus weer heerschappij en het Koninkrijk dat daarin uitgedrukt wordt. Het gaat er hierbij om dat de norm, de norm is van de eeuwigheid, die van de gouden rietstok. De afmeting is 12, want het is het Koninkrijk van Christus dat hier wordt uitgebeeld.

En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was. Openbaring 21 : 17

Hier kom je weer bij het getal 12 terecht, maar nu in het kwadraat: 144.000. Hetzelfde getal wordt in Openbaring 7 genoemd. 12 x 12.000 en weer spreekt het over precies hetzelfde. Het is de uitbeelding van het Koninkrijk van Christus.

18 En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk.
19 En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd.
20 Het vijfde Sardonix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst. Openbaring 21 : 18-20

De hele stad was Jaspis en de twaalf fundamenten van de muur der stad waren met allerlei kostelijke gesteenten versierd. Vers 19 spreekt over de fundamenten van de muur van de stad. Bij de vervolgens genoemde twaalf stenen denkt men wellicht aan de borstlap van de hogepriester, waarin zich twaalf edelstenen bevonden. Maar die zijn op deze plaats geen beeld van de twaalf stammen van Israël. De fundamenten uit vers 19 verwijzen naar de twaalf apostelen.

Het goud wordt geacht lichtdoorlatend te zijn. Die edele dingen zijn edel, omdat ze lichtdoorlatend zijn. Het licht gaat overal doorheen. Overdrachtelijk is dat omdat licht de uitdrukking is van de Wijsheid Gods, van het Woord Gods, van de Waarheid. Dingen zijn edel wanneer ze ontvankelijk zijn voor de Waarheid. Voor het Woord Gods. Dat geldt ook voor u en mij. Wij zijn van een adellijk geslacht, voor zover wij het Licht van het Woord Gods toelaten in onze levens en in onze harten. Als Christus Zelf uitgedrukt wordt in een edelsteen, dan is dat omdat de Here Jezus Christus nu eenmaal het Licht Gods ontvangt en vervolgens weer doorlaat, weerspiegelt en doorgeeft. Daarom is goud altijd de uitbeelding van Christus, maar het moet eigenlijk doorluchtig goud zijn. Edelstenen zijn primair de uitbeelding van Christus Zelf als Hoofd van de nieuwe mensheid. De veelkleurige Wijsheid Gods wordt verteld via edelstenen, die hun verschillende facetten en daarmee verschillende kleuren hebben. (Ontleend aan de letterlijke vertaling van Efeze 3 : 10) Uiteindelijk is het de uitbeelding van heel de nieuwe schepping.

En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat der stad was zuiver goud; gelijk doorluchtig glas. Openbaring 21 : 21

Er bestaan geen parels die zo groot zijn, het is symboliek. Een parel komt uit de afgrond; uit de zee. De gedachte is dat de parel, in het algemeen, een beeld is van de nieuwe schepping die wordt voortgebracht uit die oude, die eenmaal door water vergaan is en in de afgrond verdwenen is. In het herscheppingswerk, dat begonnen is in de zeven dagen van Genesis 1, wordt op deze wijze een uit de oude schepping een nieuwe schepping voortgebracht. Vandaar dat Genesis 1 begint met wateren en een afgrond. Daar komt van alles uit voort. Dan is het nog niet compleet, maar in de toekomst zal dat wel het geval zijn.

En ik zag geen tempel in dezelve; want de Heere, de almachtige God, is haar Tempel, en het Lam. Openbaring 21 : 22

De Heere, de almachtige God, is het Lam, Christus. Hij is de Tempel en dat weten we uit Johannes 2. Daar spreekt de Here Jezus: “Breek deze tempel af.” En dan staat er: “Dit zeide Hij van de tempel Zijns Lichaams”. Hij is dé Tempel Gods, Hij is dé Tabernakel Gods (Openbaring 21 : 3) Die bij de mensen is. De Gemeente is Zijn Lichaam en is dus ook Tempel Gods, met Christus aan het Hoofd. Het is Bijbelse beeldspraak. De tempel is slechts tempel als daar het Woord Gods bewaard wordt. De tempel was gebouwd rond de Ark des Verbonds met daarin de twee stenen tafelen. De tempel is de plaats van de bibliotheek, waar de Wijsheid Gods bewaard wordt, zodat men naar de tempel zou gaan om onderwezen te worden in de liefelijkheden des Heeren. Waar zijn het Woord Gods, de Ark des Verbonds en Tempel een beeld van? Van Christus.

En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 21 : 23

De tempel is alleen de tempel als er Licht is, Wijsheid, als het Woord Gods er bewaard wordt. “Behoeft de zon en de maan niet” is hetzelfde als “er was geen tempel”. Het was niet nodig, net zo min als de tempel. In vers 22 is het Lam de Tempel van Jeruzalem en in vers 23 is het Lam de Lichtbron in dit nieuwe Jeruzalem. Er is eigenlijk geen verschil tussen, zeker niet als wij gewend zijn aan Johannes, die Openbaring schreef. Hij is de meester van de metaforen. De meester van de beeldspraak en van de symboliek. Jeruzalem heeft geen tempel, geen zon en maan. Christus is daar en Hij is het Licht, Hij is de Tempel. Dit is de situatie waarin wij nu al leven. Daarom hebben wij geen letterlijke tempel. Wij hebben de Here Jezus Christus, in Wie wij zijn en Hij is bovendien in ons.

En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve. Openbaring 21 : 24

Volken is in de zin van menigten. U en ik maken, als gelovigen, deel uit van deze volken. Wij zijn zalig; zijn er dus in. Tegelijkertijd worden wij zalig. Omdat wij zalig zijn, werkt die zaligheid uit in onze levens, in onze wandel, in de praktijk. Wij worden zalig naar de ziel, heet dat officieel. Wij zijn in dat Jeruzalem, wij wandelen in dat Licht en zo hebben wij gemeenschap met elkander en met God en met Zijn Zoon de Here Jezus Christus. (1 Johannes 1) “En de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve”. Of ze dat nu al doen? Vanaf de opstanding van Christus, sinds dit nieuwe Jeruzalem werd gebouwd, zijn er koningen der aarde geweest die hun eer en heerlijkheid in dat Koninkrijk gebracht hebben. In het bijzonder onder de tien stammen, waarvan de Gemeente geacht wordt de erfgenaam te zijn. In de wederkomst van Christus en in de duizend jaar zullen de koningen der aarde hun heerlijkheid en eer in dat Jeruzalem brengen. In Zacharia wordt beschreven dat de delegaties uit volken der aarde minstens éénmaal per jaar, rond Grote Verzoendag en Loofhuttenfeest, zullen optrekken naar Jeruzalem om zich officieel te onderwerpen aan de grote Koning in Jeruzalem.

Je kunt onder de koningen der aarde ook de Gemeente verstaan, want in de toekomst zullen wij die koningen der aarde zijn. Op het hoogste niveau wel te verstaan. Vanuit de hemelse positie. Ik ben niet snel om dit zo toe te passen, want ik blijf van mening dat de Gemeente in Openbaring weliswaar genoemd wordt via de symboliek, maar niet specifiek wordt beschreven.

25 En haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn.
26 En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen. Openbaring 21 : 25, 26

Zoals uit het verband blijkt, moet “des daags” gelezen worden als: dagelijks. De poorten van de stad gaan overdag open en ‘s nachts dicht, omdat je dan niet goed kunt zien wie er in of uit gaat. Normaal werden de poorten van de stad dagelijks gesloten, maar hier staat dat er aldaar geen nacht meer zal zijn en als het niet donker wordt, hoeven de poorten niet dicht. Dat is ook de verwijzing naar onze dagen. Efeze 5 14 zegt: “… Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten”. 2 Korinthe 6 : 2 zegt: “Want Hij zegt: In den aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid!” Dus, laat ons in het licht van die heerlijkheid van Christus wandelen. Het probleem is echter dat de mensen de duisternis liever hebben dan het licht, want hun werken zijn boos. (Johannes 3 : 19) Dat is eveneens de beschrijving van onze dagen. De poorten van die stad gaan dus niet dicht, want in die stad is geen nacht. Christus is daar en dus is het altijd licht. Men zou komen tot het Licht, zoals het Nieuwe Testament bij herhaling uitnodigt.

“En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daar in brengen”, zou je andersom moeten lezen: “Degenen die daar in gebracht worden, in dat nieuwe Jeruzalem, zijn de heerlijkheid en de eer der volkeren”. Heerlijkheid en eer der volkeren is in het algemeen de aanduiding van de gelovigen. Wij zijn gelovigen geworden en wij waren zwak, maar Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht. (2 Korinthe 12 : 9) Dat plaatst ons ver boven de wereld. 1 Korinthe 1 : 30 zegt: “Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing”. Naar Gods maatstaven zijn wij edel, want wij ontvangen Zijn Licht en weerspiegelen dat.

En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het Boek des Levens des Lams. Openbaring 21 : 27

Er komt niets die stad dat ontreinigt of gruwelijk doet en leugen spreekt. Kortom, er komt geen ongelovige in, zoals al iets uitgebreider in vers 8 stond. Degenen die het Licht ontvangen gaan erin en degenen die het Licht afwijzen, en dus in duisternis blijven, komen niet binnen. De enigen die het Koninkrijk van Christus binnenkomen zijn die geschreven zijn in het Boek des Levens des Lams. Zij maken deel uit van de Nieuwe Schepping, die beschreven wordt in 1 Korinthe 15.

En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 1 Korinthe 15 : 28

Wanneer Hem alle dingen onderworpen zullen zijn, ook in de praktijk, dan zal de Zoon ook Zelf onderworpen worden aan Hem Die Hem alle dingen onderworpen heeft. Dat is het einde van Zijn officiële functioneren als Bouwer, als Zoon. Dan zal God zijn zoals het bedoeld was: God alles in allen. Op die uitdrukking zijn heel wat theologieën ontwikkeld. Bijvoorbeeld die van het pantheïsme, dat zegt over de huidige situatie: God is overal en God is overal in. Dat is ook de algemene gedachte. God is overal wel ergens in aanwezig. Maar de gedachte is dat God in ons is, omdat Zijn Woord en dus Zijn Geest in ons is. Hij is ons Leven. Wij zijn in Hem gedrenkt, gedoopt. Gedrenkt en dus er van doordrengt en dat is kenmerkend voor de Nieuwe Schepping. Volgens 1 Korinthe 15 ontvangen wij een nieuw lichaam. Dan is God in elk geval alles in allen. Daar gaat heel het hoofdstuk over. “God is Licht en in Hem is gans geen duisternis” (1 Johannes 1 : 5) en dat betekent dat wanneer God alles in allen is, dat alles licht en lichtdoorlatend is. Dat is precies wat Openbaring beschrijft in verband met het nieuwe Jeruzalem.

10 En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;
11 Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen. Kolossenzen 3 : 10, 11

Griek, Jood, besnijdenis, voorhuid, barbaar, Scyth, dienstknecht en vrije zijn aardse onderscheidingen binnen de oude schepping, maar Christus is in de Nieuwe Schepping alles en in allen. Er staat niet God, maar Christus en het wordt slechts toegepast op de Gemeente, omdat hier in Kolossenzen niet verder gekeken wordt dan die Gemeente. Wat ooit zal gelden voor de gehele Nieuwe Schepping, is nu reeds van toepassing op de Gemeente. Wij zijn eerstelingen van die Nieuwe Schepping.

22. Openbaring 22

En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams. Openbaring 22 : 1

Bij dit vers staat een verwijzing naar Ezechiël 47, want daar vinden wij een gelijksoortige profetie. Het komt overeen met Jesaja 12, aangehaald in Johannes 7, waar staat dat levende wateren uit het binnenste van de Here Jezus Christus zouden stromen. Dat levend water is een beeld van het Leven dat Christus voortbrengt en dus van eeuwig Leven. In die wateren zou men ondergaan, zoals in Ezechiël 47 is beschreven en zoals tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld de doop. Men zou er in ondergaan en er zo deel aan hebben. “Zuivere” is hetzelfde woord als voor rein. Rein water dus. Hij toonde mij een zuivere rivier – stromend water – van water des levens. Men zegt dan “levend water” en dat betekent stromend water, maar dan ontgaat je de metafoor. “Water des Levens” wil zeggen: “water, namelijk leven”, want water is een beeld van het Leven, omdat water een beeld is van het Woord des Levens, van het Woord Gods. Dat levende Woord komt voort uit Christus Zelf. Het is zo “klaar” als doorschijnend kristal en dus helder, doorzichtig, doorluchtig of doorschijnend.

In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen. Openbaring 22 : 2

De gedachte is dat er water in het centrum van dit nieuwe Jeruzalem stroomt. Het hart van Jeruzalem wordt op de een of andere wijze gevormd door die rivier. Daar valt weinig aan uit te leggen, want de kern van heel die Nieuwe Schepping, van het Nieuwe Verbond, van het Koninkrijk van Christus, is gelegen in dat Woord, dat uitgedrukt wordt in dit water.

“Boom” is “geboomte”, want één boom kun je niet aan twee kanten van het water hebben. Het “geboomte des Levens” en zo wordt het uitgebeeld als men het tekent. Dan tekent men die rivier met aan beide kanten die boom des Levens, die we kennen uit de eerste hoofdstukken van Genesis. (Genesis 2 : 9). Men zou van de boom des Levens eten om leven te hebben en als men gezondigd had zou men moeten sterven en daarom wordt men verwijderd van de boom des Levens en wordt de weg er naar toe bewaakt door Cherubim. Opdat Adam niet zou eten van de boom des Levens en niet in eeuwigheid leven zou. Daarmee is gezegd dat eten van de vrucht van de boom des Levens het ontvangen van eeuwig leven uitdrukt. Het “water des Levens” en “geboomte des Levens”, beeldt hetzelfde uit: bron van eeuwig Leven. Dat is de Here Jezus Christus.

Er staat dat de boom des Levens twaalf vruchten voortbrengt. Dat is in de zin van twaalf oogsten. Normaal is het maar gedurende één maand in het jaar oogsttijd, zodat maar in één maand vrucht gevonden wordt. Hier brengt die boom continue, van maand tot maand vrucht voort en is daarmee niet meer onderworpen aan seizoenen. Er is geen donker en geen koud seizoen meer. Dat wordt uitgebeeld in de menora, de gouden kandelaar, die een uitbeelding was van een amandelboom, waaraan zich bevonden: knoppen, bloemen en noten. Vruchten. Dat kan normaal ook niet. Je krijgt eerst een seizoen met knoppen, dan komen de bloemen later en dan nog later worden de vruchten voortgebracht. En als je ze alle drie tegelijk vindt aan die boom wil het zeggen dat hij continue vrucht draagt. Dat er een continue ontwikkeling is. Het geeft aan dat daar de dood, het verderf, niet meer werkt. Dat is eeuwig Leven. De menora, de amandelboom en de gouden kandelaar beelden dat. De gouden kandelaar is in de eerste plaats licht, maar dat is hetzelfde. Licht is leven en daarom mocht het licht op de kandelaar nooit uitgaan, anders klopt het beeld niet meer. Dus altijd licht, altijd leven. Er is daar geen vergankelijkheid meer.

“En de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen”. Bladeren van bomen en planten stonden van oudsher bekend om hun geneeskrachtige werking. Ook wonden werden met bepaalde type bladeren verbonden. De uitdrukking is hetzelfde als “men eet van de vrucht van de boom des Levens”. Het gaat erom dat men eeuwig leven heeft. Men is ziek en verwond en daarom gaat men dat Jeruzalem binnen, want daar wordt men genezen. Daar is licht en licht is leven. Daar is water en water is leven. Daar is de boom des Levens en die geeft leven. Daar is het gebladerte van het geboomte en dat geeft leven. Het is steeds hetzelfde. Het is het Evangelie. Wij komen tot de Heer en laten Hem Zijn werk aan ons doen. Hij geneest ons. In die stad is eeuwig leven en daarom zou men die binnengaan. Dat kan, want de poorten staan open.

3 En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen;
4 En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. Openbaring 22:3,4

Vervloeking is de werking van het verderf, van de dood. Maar die is er niet meer en dus ook geen vervloeking meer. Bij “de troon Gods en des Lams”, kun je “en” dit keer kunnen lezen als “want”. “En” is het standaard voegwoord, maar in dit geval zou ik een verklarend voegwoord invullen en dan wordt het “want”. Er is geen vervloeking, want de troon Gods van het Lam is daarin. Zijn dienstknechten zullen Hem dienen. Dat is namelijk wat dienstknechten doen. Zij zullen zien op Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. (Hebreeën 12 : 2) Ze zullen Zijn aangezicht zien. Wij zien Hem en hebben onze blik op Hem gericht om Hem te dienen. “Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn”, neem ik niet letterlijk. Het is beeldspraak, waarbij voorhoofd staat voor het denken. Als Zijn Naam op onze voorhoofden is, wil het zeggen dat wij in de eerste plaats aan Hem denken en dus bedenken wij de dingen die boven zijn, waar Christus is. (Kolossenzen 3 : 2) Dat maakt ons tot goede dienstknechten Gods.

En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid. Openbaring 22:5

Dit lazen wij al eerder. De Heere God verlicht hen. Dat zet de apostel Paulus uiteen in bijvoorbeeld 2 Timótheüs. Zo lang wij Hem dienen, ook en vooral in de praktijk, zou Hij voor ons zorgen. Paulus zegt dat er een verband is tussen deze twee dingen. Waar wij Hem zoeken, Zijn aangezicht zien, Zijn Naam op onze voorhoofden is en wij Hem dus dienen in de praktijk, zal Hij in de praktijk ook voor ons zorgen, nu en in de toekomst. Dat is de situatie onder het Nieuwe Verbond. De Here God verlicht Zijn dienstknechten en als gevolg daarvan zullen zij als koningen heersen in alle eeuwigheid. Wie zijn die dienstknechten? Is dat de Gemeente of zijn het de 144.000 of is het heel Israël? Dat maakt niet uit. Het zijn Zijn dienstknechten. Wie Hem dient, zal met Hem heersen, is de eenvoudige gedachte. Dat is in onze dagen van toepassing, maar ook in de dagen van de grote verdrukking en in het duizendjarig rijk.

We zijn aan het eind van het boek en nu komen wij weer in Openbaring 1. Ook daarmee wordt het boek voltooid. Het eindigt waar het begon.

6 En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienstknechten te tonen, hetgeen haast moet geschieden.
7 Zie, Ik kom haastiglijk, zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart. Openbaring 22:6,7

Die engel is de Here Jezus Christus. Die openbaart Zich in dit boek. Hij maakt zich bekend aan Johannes en daarmee ook aan ons. Vers 7 is min of meer letterlijk uit Openbaring 1 : 3. Wij als gelovigen zouden onze verwachting op de wederkomst van Christus stellen en op de openbaring van Zijn heerlijkheid en Zijn Koninkrijk. Dat is in het algemeen de inhoud van dit Bijbelboek en meer specifiek van dit laatste visioen. Daarna zou je vanuit vers 7 rechtstreeks verder moeten lezen in vers 14. Vers 8 tot en met 13 is een parenthese (het los invoegen van een gedachte in de zinsbouw, ter aanvulling of verduidelijking) Deze geeft een beschrijving van “Ik” en dus van wie de Here Jezus is. Ook in Openbaring 1 vinden we die.

8 En ik, Johannes, ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om aan te bidden voor de voeten des engels, die mij deze dingen toonde.
9 En hij zeide tot mij: Zie, dat gij het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, der profeten, en dergenen, die de woorden dezes boeks bewaren; aanbid God. Openbaring 22:8,9

Die Ik is wel degelijk de Here Jezus, maar niet als mens zodanig en beperkt daartoe. Wij aanbidden de Here Jezus omdat Hij God is, want er zou er maar één aanbeden worden en dat is God. Dat staat uitgebreid in het Oude Testament. Als we de Here Jezus hebben leren kennen als God, zouden we Hem aanbidden. Als Hij niets anders is dan een boodschapper, vertaald met engel uit de hemel, zou men Hem niet aanbidden.

En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij. Openbaring 22:10

De klemtoon van dit vers leg ik op “dezes”. Er wordt gesuggereerd dat er woorden der profetie van een ander boek in de Bijbel zijn. Woorden die wel verzegeld werden en dat is ook zo. Er wordt verwezen naar Daniël 8:26 en 12:4:

Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe. Daniël 8:26

En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. Daniël 12:4

De tijd van het einde in de Bijbelse betekenis van de term is begonnen bij de Opstanding van Christus en sindsdien worden de zegels van de boeken afgehaald. Ook van het boek Daniël en vandaar dat Openbaring in de eerste plaats gezien zou moeten worden als een verdere uitwerking van het boek Daniël. Wat in het Oude Testament verzegeld (verborgen) was, wordt in het Nieuwe Testament geopenbaard. Dat wordt hier alsnog aan het eind van heel de Bijbel en tegelijkertijd aan het eind van het Nieuwe Testament gezegd. Dit boek is niet verzegeld. Dit is een belangrijke uitspraak omdat het gemiddelde boek dat geschreven wordt over Openbaring begint met de vermelding dat Openbaring een verzegeld boek is. En dat je een sleutel nodig hebt om het boek te openen. Een beetje boek over openbaring heet daarom: de sleutel tot openbaring van Johannes. Maar het boek is niet gesloten. Ik hoop dat u dit onderweg begrepen hebt. Je moet het alleen zo lezen als het geschreven is, als een commentaar en afsluiting op heel de Bijbel en met name op het profetisch woord. Het is specifiek een commentaar op het boek Daniël en een aanvulling daarop. Het hele Nieuwe Testament is een toelichting op heel het Oude Testament. We lezen het Oude Testament in het licht van het Nieuwe.

Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. Openbaring 22:11

De dingen moeten hun loop hebben. Het neemt nog enige tijd en er zal een scheiding der geesten plaats vinden. De een gaat de ene kant op, de andere de andere kant en er is weinig aan te doen.

En zie, Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een ieder te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. Openbaring 22:12

Hoewel de in vers 11 genoemde dingen verder ontwikkelen en ook uiteenlopen, is niettemin de boodschap: Ik kom. En Ik maak daar een eind aan. “Ik kom haastiglijk” geeft aan dat deze engel die zegt: “Je moet mij niet aanbidden, je moet God aanbidden”, wel degelijk de Here Jezus Christus is. De vertalers hebben het ook gezien en hebben dus “Ik” met een hóófdletter geschreven. “Mijn loon is met Mij, om een ieder te vergelden gelijk zijn werk zal zijn” is ontleend aan oudtestamentische uitspraken en daarna zegt deze zelfde engel: “Je moet mij niet aanbidden, maar je moet God aanbidden”. Die zelfde engel zegt:

Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste. Openbaring 22:13

Alpha en Omega zijn de eerste en laatste letter van het Griekse alfabet en dus de eerste en laatste letter van het Woord Gods. Dat betekent weer: Ik ben het Woord Gods, van A tot Z. Het begin en het einde en dat staat er nog een keer bij: de eerste en de laatste. Dat is dus Degene uit Wie en tot Wie alle dingen zijn. Het is Christus en wij aanbidden Hem omdat Hij God is. Niettemin is Hij profeet. Niettemin is Hij Degene die Zich, en daarmee het Woord Gods, bekend maakt aan ons. Hij is boodschapperen engel. Dat is een minder bekende waarheid, maar ik spreek er regelmatig over. Het tegenwoordige werk van Christus is in essentie namelijk het bekendmaken van al het Woord Gods, de heerlijkheid Gods en dus van al wat onder Oudtestamentische tijd nog verborgen was. Dan is Hij dus profeet en in die zin doet Hij Zijn werk. In die zin is Hij ook Hogepriester, want de verantwoordelijkheid van de Hogepriester is het Woord Gods bekendmaken, het Licht laten schijnen in de wereld. Hij leidt de priesters. Dat doet Christus nu, als dienstknecht Gods, Die getrouw is aan Degene Die Hem daartoe aangesteld heeft in Zijn Opstanding.

Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. Openbaring 22:14

“Zalig zijn zij die Zijn geboden doen”, is een uitspraak die ontleend zou kunnen zijn aan de eerste Johannes brief. Daarbij gaat het niet om de tien geboden of nog meer, maar om alles wat God gesproken heeft. Gods Woord is onderwijs en staat vast en dat kun je dus weergeven met de term geboden. Dus: “zalig zijn zij die Zijn woorden doen”. Daarmee sluit het voorgaande vers aan bij vers 7: “Zalig is hij die de woorden der profetie deze boeks bewaart”. De overgang vanuit vers 7 naar vers 14 is heel logisch. Het bewaren van de geboden doe je door ze te doen. Door ze deel van je leven uit te laten maken. Waartoe zou men de stad binnengaan? Om te eten van de boom des Levens en opdat de bladeren der boom tot genezing zouden zijn. Daartegenover staat de boom der kennis van goed en kwaad uit Genesis. (Genesis 2 : 9) Dat is de wet en in het bijzonder religie. Als je van het ene eet ga je dood en als je het andere eet heb je leven. Boom des Levens is het Nieuwe Verbond, maar primair uitgedrukt in Hem die daarvan het Hoofd is, de Middelaar, namelijk de Here Jezus Christus.

Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een ieder, die de leugen liefheeft, en doet. Openbaring 22:15

Nogmaals, er zijn aan het eind van het verhaal maar twee mogelijkheden. Je bent erin of eruit.

Vanaf vers 16 zijn het echt de afsluitende woorden van deze brief, want dat is Openbaring. Het is een soort uiteenzetting, maar het is een brief. “Schrijf aan”, “schrijf dit in een boek”. Nieuwtestamentische waarheid komt tot ons via brieven. De daarin vermelde waarheid is nu eenmaal niet bestemd voor de ongelovigen en dus worden de boeken geadresseerd in de vorm van een brief. Het is alleen bestemd voor gelovigen en dit boek is daar geen uitzondering op. Ook de Hebreeënbrief niet. Dat boek heeft niet de vorm van een brief; er is geen adressering aan het begin. Aan het eind blijkt het toch een briefte zijn, want daar worden de hartelijke groeten gedaan en persoonlijke mededelingen. Dat vind je hier ook, maar nu van de Here Jezus Zelf.

Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster. Openbaring 22:16

De dingen worden bekend gemaakt in de Gemeente. Het is alleen bestemd voor gelovigen. Voor ongelovigen is dit een gesloten boek, een verzegeld boek. “Ik ben de Wortel en het geslacht Davids” is een verwijzing naar Jesaja ii : i: “Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht vóórtbrengen”. Dat gaat over de komst van de grote Koning, de Messias, de Koning van het Messiaanse rijk. De blinkende Morgenster verwijst naar 2 Petrus i : 19: “En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten”.

En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet. Openbaring 22:17

Geest en Bruid betekenen hier hetzelfde. Als wij uit God geboren, oftewel uit de Geest geboren zijn, dan zijn wij geest. Als wij deel hebben gekregen aan het Nieuwe Verbond, zijn wij de Bruid. Als we behoren tot de allereersten daarvan, maar dat komt hier niet aan de orde, dan zijn we zelfs Lichaam van de Bruidegom. Nog meer verbonden met Christus dus. Het eerste deel van dit vers staat in de aanvoegende wijs. De bedoeling is dat men dit zou zeggen. Het is een wens. Dat geldt ook voor ons. We zouden zeggen: kom! En dat staat er ook achter. Wie de woorden dezes boeks en deze profetie horen en bewaren (Openbaring 1) zouden wensen dat de Heer zou komen, het liefst zo spoedig mogelijk. Wie dorst heeft naar het Leven dat voortkomt uit het binnenste van de Here Jezus Christus, die kome. Het is voor wie dat wil, het is uit genade en vrij.

18 Want ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.
19 En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het Boek des Levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is. Openbaring 22:18,19

In beide gevallen is dat heel erg. Afdoen en toedoen aan de woorden dezes boeks, worden naast elkaar gezet; het is dus allebei verkeerd. Er zijn er die er aan toedoen, er zijn er die er aan afdoen. Ik ben geen rechter, maar constateer dat ze hun eigen verhalen erbij vertellen en daarmee doet men alleen maar af. Net zoals men stelt dat veel in de Bijbel er eigenlijk niet toe doet, omdat de basisbeginselen, zoals dat Jezus voor onze zonden gestorven is, voldoende zijn voor gelovigen. Dat is er aan afdoen. Dat is de Bijbel uitkleden, alsof de Bijbel niet meer te melden zou hebben dan de basis. Men doet er dan bewust aan af. Ik denk dat het symptomatisch is voor wat zich tegenwoordig evangelisch noemt. Daarvoor wordt in deze verzen gewaarschuwd. Niet met: “Ik zal hun die plagen geven”, maar met: “Ik zal hen wel afdoen uit het Boek des Levens en uit de heilige stad en uit hetgeen in het boek geschreven is”. Dit komt overeen met 2 Johannes 1 : 8, waar de apostel zegt: “Ziet toe voor uzel- ven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen”. De Heer zou komen om een ieder te vergelden gelijk zijn werk zal zijn. Dat betekent dat men eventueel helemaal niets vergeldt krijgt, omdat er niets te vergelden valt. Als er geen loon te geven is, als men de Heer niet gediend heeft, ook al was men kind van God, dienstknecht en erfgenaam, krijgt men geen loon. Dit betekent niet dat iemand uit die stad geworpen wordt, want dat kan niet. Het gaat echter om de heerlijkheid die men daar zou ontvangen, zoals ook op vele andere plaatsen beschreven is. Ze worden behouden, maar als door vuur heen. (1 Korinthe 3 : 15) Het is dus een waarschuwing. Men zou er niet aan afdoen. Men zou er ook niet aan toedoen. Wat we over houden is: Sola Scriptura, om een klassieke term te gebruiken, alleen de Schrift, maar dan ook héél de Schrift. Onder het motto: de Waarheid, de hele Waarheid en niets dan de Waarheid. Of anders gezegd: het Woord Gods, het hele Woord Gods en niet anders dan het Woord Gods.

Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! Openbaring 22:20

Dit zijn de laatste woorden van de Here Jezus. Het zijn woorden met de belofte van Zijn wederkomst. Niet omdat hij in de dagen waarin dit boek geschreven werd al zo nabij was, maar omdat dat onze enige praktische hoop is. Dat gold ook voor Johannes en voor de gelovigen van zo’n 2000 jaar geleden. We hebben beloften, de betere beloftenissen van het Nieuwe Verbond, volgens Hebreeën 8 : 6. We hebben de beloftenissen van de heerlijkheid van Christus, die geopenbaard zal worden.

11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.
12 En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
13 Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;
14 Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Titus 2:11-14

Onze zalige hoop is de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Zaligmaker. Daarna zouden wij onder alle omstandigheden uitzien en dat is onze enige hoop bij leven en sterven. In afwachting daarvan leven wij in de dag der genade en kennen wij Christus die gezeten is op de troon der genade en zien wij Hem met eer en heerlijkheid gekroond. (Hebreeën 2 : 9)

De genade van “onzen Heere lezus Christus” is nu reeds met ons, dat is beloofd en daar zouden wij dagelijks uit leven. Vooruitziende naar en uitstrekkende tot de openbaring van Jezus Christus.

De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. Openbaring 22:21



 Gerelateerde bijbelezing o.a.:
* Het boek Openbaring


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld




Dit is een bewerking van de Brochure "Openbaring" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl