De brief van Jakobus

 Jakobus, een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.. Jakobus 1 : 1

Met het allereerste vers van deze brief van de hand van de “Broeder des Heren”, moet het al duidelijk zijn dat de inhoud vooral bestemd is voor de gelovigen die leven tussen de wederkomst van Christus op de Olijfberg en het begin van de “duizend jaar”. De nadruk ligt zelfs op de laatste 33 jaar van die periode die in totaal 40 jaar (een generatie, een geslacht) zal duren. Bij de bestudering van de brief van Jakobus is het van het grootste belang te beseffen dat die brief geschreven is in verband met de openbaring van het Koninkrijk van Christus hier op aarde. Dat was zo in de tijd van Handelingen en dat zal zeker zo zijn in de tijd die ná de huidige (vijfde) bedeling komt.

De brief behandelt onderwerpen en activiteiten die van toepassing zijn op de toekomende bedeling, waarin God niet meer zoals in deze bedeling in het verborgene werkt aan Zijn Heilsplan. De brief van Jakobus is vooral bedoeld om aan te duiden dat geloof levend dient te zijn, hetgeen tot uitdrukking komt in de werken. Jakobus behandelt verder het gevaar van de tong en richt zich met nadruk op het volharden tot aan het aanbreken van de duizend jaar. Wie in de volgende bedeling gelovig wordt, zal de belofte vervuld krijgen dat hij het Koninkrijk in zal gaan als hij vasthoudt aan het geloof, zelfs als hij gevaar loopt.


1. De brief van Jakobus

Jakobus, een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid. Jakobus 1 : 1

Om de inhoud van de brief te kunnen verstaan is het noodzakelijk de adressering te begrijpen. Deze brief werd geschreven door Jakobus, dienstknecht van God. Dienstknecht van God was zijn rang, zijn beroep danwel zijn roeping. Het opschrift boven deze brief bestaat uit de afzender, de geadresseerden en een groet. “Zaligheid” is een heel gebruikelijke groet. Er wordt vaak gediscussieerd over wanneer en in welk verband die brief geschreven is. Het moeilijke van dergelijke vraagstellingen is altijd dat deze vragen vooraf gesteld worden in plaats van achteraf. Net als bij Hebreeën wordt, nadat de brief bestudeerd is, duidelijk door wie hij geschreven is, aan wie en ook in welk verband. De vragen zijn dus slechts te beantwoorden vanuit de brief zelf. We halen een paar punten en enkele verzen aan voordat die verzen later nog besproken worden in het directe verband waarin ze voorkomen.

Maarten Luther

Deze brief van Jakobus is omstreden, vanwege de betrekkelijke onzekerheid omtrent de schrijver van de brief (er komen vier Jakobussen in het N.T. voor) en vanwege de inhoud. Maarten Luther sprak geen lovende woorden over deze brief. Bovendien vond hij dat deze brief helemaal niet in de Bijbel thuishoorde. Hij noemde het een “strooien brief”, waar de brand in moest, omdat hij zonder inhoud zou zijn. Hij stelde hem gelijk met hout, hooi en stoppelen. Aan een kant is dat wel te begrijpen, maar zijn conclusie was tamelijk voorbarig. Hij wist er geen raad mee.

Laat ik het kort vertellen, hoewel ik de man daar wat onrecht mee aandoe. Maarten Luther kwam niet tot geloof door theologische studie, maar doordat hij ergens een Bijbel aan een ketting zag en die begon te lezen. Hij ontdekte dat de Schrift leert dat de mens uit geloof alleen gerechtvaardigd wordt. Daarbij wordt Romeinen 1 : 16, 17 aangehaald, waar staat dat de rechtvaardige uit geloof zal leven. Luther leerde dus rechtvaardiging uit geloof alleen; niet uit werken, maar uit geloof. Hij had dit geleerd terwijl de brief van Jakobus erover spreekt dat de mens niet uit geloof alleen gerechtvaardigd wordt, maar ook uit de werken. In Jakobus 2 staan uitspraken als: Het geloof zonder de werken is dood (2 : 20) en: Abraham is gerechtvaardigd uit Zijn werken, want hij heeft het een en ander gedaan (2 : 21). Het is dus wel begrijpelijk dat Luther struikelde over deze brief. Hij had juist min of meer de waarheid herontdekt dat een mens door geloof alleen gerechtvaardigd wordt. Als hij dan verzen tegenkomt die dat relativeren is het voor de hand liggend dat hij daarover struikelt.

Luther had oog voor het joodse karakter van deze brief en zag heel goed bepaalde kenmerken die nogal moeilijk verenigbaar zijn met het schrijven van bijvoorbeeld de apostel Paulus, met name in Romeinen en Galaten. Het is wel verenigbaar, maar niet makkelijk. Luther had een uitgebreide studie gemaakt van de brief aan de Romeinen en zag goed dat beloften die oorspronkelijk aan Israël waren gedaan wel degelijk een toepassing krijgen op de Gemeente in de tegenwoordige bedeling. Door de profetieën toe te passen op de Gemeente zag hij echter geen ruimte meer voor de positie van Israël als natie. Deze fout wordt in kringen van de bedelingenleer veel gemaakt. Men ziet wel de plaats van Israël, maar daardoor niet meer in welke relatie de Gemeente tot Israël staat en in welke relatie de Gemeente staat tot de beloften aan Abraham.

Dit uiterste komt voor. Men heeft dan geen oog meer voor de positie van Israël met betrekking tot de beloften aan Abraham. Men kiest meestal voor het één en verdedigt dat zodanig en daardoor zet men zich ook af tegen de andere toepassing van dezelfde belofte. Dat is de grote fout. Beide dingen zijn waar. Het is niet eenvoudig om dat te leren, omdat men de neiging heeft zich in een bepaalde visie in te graven. Er is dan geen oog meer voor de meervoudige toepassing van de woorden Gods. Dat overkwam Luther en Calvijn en ook hun opvolgers. Daarom had Luther geen oog voor de positie van Israël. Hij is vervolgens de geschiedenis ingegaan als antisemiet, als jodenhater. In hoeverre dat correct is en of hij het later nog gecorrigeerd heeft weet ik niet.

Het joodse karakter van de brief

Deze brief van Jakobus draagt dus een duidelijk Joods karakter. Een voorbeeld daarvan is Jakobus 1 : 1, waar staat dat de brief is geschreven aan de twaalf stammen in de verstrooiing.

Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, … Jakobus 2:2

Het woord dat hier vertaald is met vergadering is gewoon de letterlijke vertaling van het woord synagoge. Dat betekent inderdaad samenkomen of vergaderen. De tijdgenoten van Jakobus kunnen er nooit wat anders onder hebben verstaan dan de synagoge. Dat er gesproken wordt over een synagoge wijst uitdrukkelijk op het joodse karakter van deze brief. Daarbij komt dat de inhoud van de brief ook direct samenhangt met bijvoorbeeld de bergrede. Het is wat moeilijk om dat vooraf zo te zeggen, maar bij de bestudering van de brief zal dat blijken.

Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?  Jakobus 2:5

De armen beërven het Koninkrijk. Dat is een uitspraak die zo uit de bergrede kan zijn. Daar gaat het om armen van geest, maar hier gaat het ook om armoe, ook in andere zin dan puur de stoffelijke armoede. Ze worden dan ook vermaand op grond van de wet in bijvoorbeeld Jakobus 2 : 8

Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;

Men wordt terugverwezen naar de wet, hoewel het ook voorkomt in Romeinen, Galaten en Éfeze. Deze terugverwijzing naar de wet is een argument voor het joodse karakter van deze brief. Dat geldt ook voor Jakobus 2 : 21:

Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?

Abraham wordt hier beschouwd als de vader van aan wie geschreven wordt. Niets wijst erop dat de Jakobus hier specifiek een vader in geestelijke zin bedoelt, zoals dat door Paulus in de Galatenbrief en in de Romeinenbrief naar voren wordt gebracht. Het is gewoon vader in de natuurlijke zin en dat is in overeenstemming met de adressering van de brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Verder blijkt bijvoorbeeld uit Jakobus 5 : 7, 8 dat de mensen aan wie de brief geschreven werd in de spoedige verwachting verkeerden van de parousia, van de wederkomst des Heeren.

7 Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben.
8 Weest gij ook lankmoedig, versterkt uw harten; want de toekomst des Heeren genaakt. Jakobus 5 : 7, 8

De toekomst des Heeren is de parousia, de presentie, de aanwezigheid des Heeren. De apostel Jakobus wijst hier dus uitdrukkelijk op de spoedige wederkomst van Christus. Die wordt in ieder geval verwacht. De inhoud ligt dan ook in het verlengde van de Evangeliën. Dat is ook de reden waarom men algemeen aanneemt dat deze brief van Jakobus de oudste brief is van het hele N.T. Dat is niet omstreden. Het is zelfs zo dat in sommige versies van het N.T. de brief van Jakobus direct na de Evangeliën en Handelingen is geplaatst. Matthéüs, Markus, Lukas en Johannes worden geacht een beschrijving te geven van het leven van de Here Jezus. Daarna volgt het boek Handelingen, want dat is het vervolg van die geschiedenis. Daarna komen de brieven en de eerste brief is van Jakobus gevolgd door de apostolische brieven (Jakobus, Petrus, Johannes en Judas) en pas daarna door de brieven van Paulus.

Een vraag uit de zaal:

Is de vroege datering van de brief van Jakobus niet in tegenspraak met de adressering van de brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing? De tempel werd in het jaar 70 verwoest en toen werden de Joden toch pas verdreven?

Ik heb in geen enkel commentaar gelezen dat deze brief ná de verwoesting van Jeruzalem geschreven zou zijn. Integendeel. Het is namelijk ook duidelijk dat deze Jakobus voorganger was in de gemeente in Jeruzalem, dus voor de verwoesting van Jeruzalem. Deze brief is kennelijk ver daarvoor geschreven. Toch wordt er gesproken over twaalf stammen in de verstrooiing. In ieder geval waren toen tien van de twaalf stammen verstrooid. De twee stammen waren feitelijk ook in de verstrooiing. Het blijkt zelfs uit de evangeliën dat het jodendom in het algemeen verstrooid was over de toenmalige wereld, waarbij slechts een deel van het jodendom uit de ballingschap was teruggekeerd naar Judea. Het grootste deel van het jodendom nooit is teruggekeerd uit de ballingschap. De tien stammen sowieso niet.

Misschien enkele personen. Van de Joden, van de twee stammen, is ook maar een kleiner deel teruggekeerd. Vandaar dat bijvoorbeeld op de Pinksterdag gesproken wordt over de vele vreemdelingen die er waren in Jeruzalem. Dat waren wel degelijk Joden, buitenlandse Joden. Het is precies dezelfde situatie als vandaag, waarin een deel van de Joden is teruggekeerd naar de Joodse natie. Dat is maar een minderheid van de Joden, want de rest is nog steeds in de verstrooiing, in de diaspora. De adressering is dus niet in strijd met de gedachte dat deze brief is geschreven vóór de verwoesting van Jeruzalem. Deze brief is geschreven aan twaalf stammen in de verstrooiing en niet alleen aan de Joden in de verstrooiing.

Jakobus, de broer van Jezus

Het is enigszins omstreden wie deze Jakobus eigenlijk is. De algemene gedachte is dat deze Jakobus degene is die in bijvoorbeeld Handelingen 15 uitdrukkelijk genoemd wordt als de voorganger van de gemeente in Jeruzalem op dat tijdstip. Hij was de broeder des Heeren. Ik heb daar niet de minste twijfel over. Deze Jakobus was niet een van de twaalf apostelen, maar hij was de wettige broer van de Here Jezus Zelf. Enkele Schriftplaatsen laten dat zien.

54 En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Dezen die wijsheid en die krachten?
55 Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?
56 En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar komt dan Dezen dit alles? Matthéüs 13 : 54-56

In vers 54 wordt een synagoge genoemd. Daar is het wel vertaald met synagoge. Waarom het in de brief aan Jakobus niet zo is vertaald, weet ik niet. Juist de brief van Jakobus spreekt over de synagoge (Jakobus 2 : 2) en over de oorsprong van de wijsheid (Jakobus 1 : 5). Hier staan die dingen weer samen. Als je van niets weet, haal je uit dit vers heel eenvoudig dat Maria nog andere kinderen gebaard heeft, namelijk Jakobus, Joses, Simon en Judas en bovendien nog dochters ook. Dat is geen probleem. Het is wat mij betreft zeker dat deze Jakobus en deze Judas ook degenen zijn die later de respectievelijke brieven geschreven hebben. “Judas” is dus de brief van Judas, de broer van Jakobus, de broer van de Here Jezus, geboren uit Jozef en Maria. Wegredeneren kan altijd, maar hier is in ieder geval duidelijk dat men de Here Jezus kent als de zoon van Jozef en Maria en dat men zijn vier broers kent en ook nog enige zusters

Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van  Zebedeus. Matthéüs 27 : 56

In vers 55 staat dat er vele vrouwen bij de kruisiging waren. Hier wordt een Maria genoemd als de moeder van Jakobus en Joses. Als u het mij vraagt is dat dus de moeder van de Here Jezus Zelf. Dat zij bij het kruis was lijdt geen twijfel. Het enige merkwaardige is dat er niet staat dat zij de moeder is van Jezus Zelf. Als zij de moeder was van Jakobus en Joses, wat hebben deze twee er dan mee te maken? Als het hier niet gaat over de moeder van de Here Jezus, wie zijn dan deze Jakobus en Joses en waarom worden zij in dit verband genoemd? Van Maria Magdalena is bekend dat zij een bijzondere relatie had met de Heer en dat ze door Hem op een bijzondere wijze verlost was. De vraag is dan welke relatie deze Maria had met de Heer. Als ze geen relatie met Hem had, waarom wordt ze hier dan genoemd? Het alternatief is dat ze de moeder van de Here Jezus is. Dat dit hier niet staat heeft een bepaalde reden. Het gaat hier namelijk over de Here Jezus, specifiek als de Zoon van God. De menselijke familie wordt daarom niet genoemd.

Opdat wij wel zouden weten dat het die Maria is, wordt zij genoemd als de moeder van Jakobus en Joses. Dat zijn er twee van de vier die wij tegenkwamen in Matthéüs 13 : 55. Simon en Judas worden daar ook genoemd. Jakobus was de oudste broer van de Here Jezus. Jakobus is de Griekse vorm van Jakob. Joses is de Griekse vorm van Jozef. Dat is de naam van de wettige vader van de Here Jezus. De familieband zit in die namen opgesloten. Jakob staat voor het volk Israël en Jozef had het eerstgeboorterecht onder de stammen van Israël (Jakob). (Volgens Matthéüs 1 : 16 heette de vader van Maria ook Jakob.) Deze Jakobus is dan inderdaad “de broeder des Heeren”.

Men redeneert weg dat Maria de moeder van de Here Jezus was door te zeggen dat het er anders bij gestaan zou hebben in deze tekst. Wie dit doet moet echter wel veel wegredeneren.

Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geergerd. Markus 6 : 3

Weer worden vier broers genoemd en zusters. Omtrent het volgende vers bestaat uitgebreid verschil van mening.

En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, den kleine, en van Joses, en Salome; Markus 15 : 40

Zij aanschouwden het kruis. Hier staat “Jakobus minor”. Wij zouden hem Jakobus junior noemen. Je had ook Jakobus de grote. Dit vers is eigenlijk hetzelfde als Matthéüs 27 : 56, alleen wordt Salomé er hier nog bij genoemd. Het verschil van inzicht is dat sommigen zeggen dat Jakobus de kleine een andere apostel is, namelijk een van de twaalven. Er zijn twee Jakobussen onder de twaalf apostelen. De een is een zoon van Zebedeüs, een broer van Johannes. Jakobus en Johannes waren de zonen van Zebedeüs. Petrus, Jakobus en Johannes worden vaak samen genoemd. Die Jakobus wordt het meest genoemd en hij is de eerste apostel die de marteldood sterft. Hij is de eerste die van het toneel verdwijnt. Dat is eigenaardig omdat er een andere Jakobus min of meer voor in de plaats komt. Dat is Jakobus – de broeder des Heeren – over wie wij het nu hebben. Dat is op zich al heel opmerkelijk.

De andere Jakobus onder de twaalf discipelen was Jakobus, de zoon van Alfeüs. Sommigen zeggen nu dat Jakobus de kleine uit Markus 15 : 40 de zoon van Alfeüs is, maar ik houd het erop dat “Jakobus de kleine” de broer is van de Here Jezus. Beide gedachtengangen kom je in de naslagwerken tegen, maar er staat in dit vers nog veel meer bij. Het zijn Jakobus en Joses en Salomé, zonen en dochter van Maria. Ik heb er niet de minste moeite mee te besluiten dat dus Jakobus, Joses, Judas en Simon broers waren van de Here Jezus en dat van Zijn zusters er één Salomé heette. Daar is niets vreemds aan, omdat we te maken hebben met een gezin dat erfrecht had op de troon van David, op de troon van Israël. De namen die we in dit gezin tegenkomen zijn daarmee volstrekt in overeenstemming. Jezus = Jehovah is/brengt redding/zaligheid. Jakobus = Jakob. Jozes = Jozef. Simon = horende, gelovige. Hij is een uitbeelding van het gelovig overblijfsel onder Israël en daarmee hebben we hier natuurlijk te maken. Judas = Juda, Jood. Het gaat hier om het huis, de stam en de scepter van Juda die in dit gezin thuishoort. Salomé is de vrouwelijke vorm van Salomo, de zoon van David, de vredevorst.

En Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar Hij gelegd werd. Markus 15 : 47

Ik houd het er maar op dat dit dezelfde Maria is, namelijk de moeder des Heeren, al staat het er wat eigenaardig

En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. Markus 16 : 1

Het ligt toch voor de hand dat de familie van de Here Jezus bij deze gebeurtenis aanwezig was? Dus is deze Maria, in overeenstemming met al die andere Schriftplaatsen, de moeder van de Here Jezus en daarom de moeder van Jakobus, de op een na oudste zoon, en van Salomé, vermoedelijk de oudste dochter.

En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden. Lukas 24 : 10

Welke Maria kan dit nu anders zijn. Zou dit dan een Maria zijn die dan getrouwd zou moeten zijn met Alfeüs? Dat is de andere verklaring. De andere Jakobus uit de apostelen, de zoon van Alfeüs, zou dan ene Maria als moeder moeten hebben, die nooit samen met deze Alfeüs genoemd wordt en verder ook geen rol speelt. Dat lijkt mij heel erg onwaarschijnlijk. Dit kan ook moeilijk de moeder zijn van de andere apostel Jakobus, want dan zou zij de vrouw moeten zijn van Zebedeüs. Dan zou zij niet alleen de moeder van Jakobus zijn, maar ook van Johannes. Wij lazen over Maria, de moeder van Jakobus en Joses, terwijl in het voorgaande vers (Markus 15 : 39) over de Here Jezus werd gezegd “Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon”. In het volgende vers werd Maria niet de moeder van Jezus genoemd, want Jezus was net genoemd als Gods Zoon. Dat is om de afstand aan te geven die er toch is.

En het feest der Joden, namelijk de loofhuttenzetting, was nabij. Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet. Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld. Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem. Johannes 7 : 2-5

Johannes 7 : 5 is een belangrijk vers in dit verband. Volgens vers 2 was het loofhuttenfeest nabij en dus ook de Grote Verzoendag, in de zevende maand. De broeders van de Heer waren kennelijk wel geïmponeerd door de werken die de Here Jezus deed. De Heer vond blijkbaar dat openlijk over Hem gesproken zou moeten worden. Volgens Zijn broeders moest Hij dan ook openlijk die tekenen doen. Als je publiciteit wilt hebben, moet je iets doen dat iedereen ziet, dat in het openbaar gebeurt. Zijn broeders leken goede adviseurs, maar zij geloofden niet in Hem. Als ze op dat moment werkelijk in Hem hadden geloofd, zouden ze deze uitspraken niet gedaan hebben, want dan zouden ze geweten hebben dat die publiciteit werkelijk niet afhing van het doen en laten van de Man in kwestie. Als er publiciteit moet komen, komt die omdat God dat wil. De Heer Zelf deed soms moeite om bepaalde dingen geheim te houden. Niet alles was voor de publiciteit bestemd. Johannes 7 : 5 leert dat de broeders van de Heer in ieder geval op dit tijdstip niet in Hem geloofden. Op een later tijdstip geloofden zij kennelijk wel.

6 Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid.
7 De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn.
8 Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.
9 En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea.
10 Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen. Johannes 7 : 6-10

Hier wordt de oude waarheid geïllustreerd omtrent het verborgen Koninkrijk van de Here Jezus, want het loofhuttenfeest is een beeld van het Koninkrijk, van het Messiaanse Rijk. Hij ging er in het verborgene naar toe. Dat spreekt over het aanvankelijk verborgen Koninkrijk. De Heer zou later komen dan men eigenlijk zou verwachten. Zijn broers geloofden niet. Ze gingen wel op tot het feest. Ze hoorden wel tot het gelovig overblijfsel van Israël, want anders zouden ze niet opgaan tot het feest. Ze waren dus wel degelijk orthodox, maar ze geloofden niet dat Hij inderdaad de beloofde Messias was. Dat kwam pas later.

25 En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.
26 Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel, dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Johannes 19 : 25, 26

In ieder geval Maria Magdalena en de moeder van de Here Jezus waren aanwezig. Daarom mogen we ook verwachten dat zeker in de zogenaamde synoptische evangeliën (Matthéüs, Markus en Lukas) melding gemaakt wordt van de moeder van de Here Jezus bij het kruis. Als de Maria die daar voorkomt dat niet is, dan missen we haar. Dat is hoogst onwaarschijnlijk. Dat is dan zo ver gezocht om de maagdelijkheid van Maria te bewijzen om haar vervolgens te kunnen bewonderen of aanbidden, want daar komt het dan op neer.

Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen. Handelingen 1 : 14

Dit is na de opstanding en kennelijk geloven zijn broederen nu wel. In vers 13 worden enige discipelen of apostelen genoemd die bijeen waren. Die uitdrukking “broederen” is duidelijk de aanduiding van de andere zonen van Maria en Jozef, maar als u het mij vraagt, was Jozef al lang overleden. Ik geloof dat Jozef is overleden voor het openbare optreden van de Here Jezus, omdat Hij Zich anders de titel “zoon des mensen” niet kon eigen maken. Zoon des mensen is de titel van de oudste levende rechthebber op de troon. Dat zou dan Jozef geweest moeten zijn. Zolang Jozef leefde, kon de Here Jezus Zich niet de zoon des mensen noemen, noch de zoon van David. De vrouw zou niet op de troon zitten, tenzij zij niet getrouwd zou zijn. Door haar huwelijk kwamen de troonsrechten van Maria bij Jozef (ook een afstammeling van Juda) terecht.

Jozef had die troonsrechten en ze werden wettelijk vererfd aan de Here Jezus, maar pas na de dood van Jozef. Jozef was kennelijk overleden voordat de Here Jezus dertig jaar oud was, al vinden we dat nergens in de Bijbel uitdrukkelijk vermeld. Nadat Jezus twaalf jaar was wordt Jozef niet meer genoemd. Jozef heeft een heel eigenaardige en ondergeschikte rol moeten spelen. Ik denk dat hij dat al vanaf het begin geweten heeft. Hij had de rol van wettelijke vader van de Here Jezus. Hij wordt ook nooit in een ander verband genoemd. In Handelingen 1 : 14 worden dus de broederen van de Here Jezus genoemd. Omdat het er zo algemeen staat, waren het waarschijnlijk al Zijn broederen. Ze bevinden zich hier in het gezelschap van de apostelen die genoemd worden in vers 13. De volgende keer dat Jakobus genoemd wordt, is in Handelingen 12 : 17:

En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jakobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats. Handelingen 12 : 17

Handelingen 12 vertelt de geschiedenis van de bevrijding van Petrus uit de gevangenis. Hij wordt door engelen uit de gevangenis geleid. Als je even niet oplet, kun je denken dat deze Jakobus een van de twaalf apostelen is. Petrus, Jakobus en Johannes werden vaak gelijk genoemd, dus als Petrus iets overkomt, is het logisch als hij een boodschap voor Jakobus achterlaat. Dat kan echter niet, want in vers 2 van dit hoofdstuk wordt gezegd dat Herodes Agrippa Jakobus gedood had. Er staat uitdrukkelijk bij welke Jakobus dat was.

En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard. Handelingen 12 : 2

Hier werd een van de zonen van Zebedeüs, een van de drie apostelen Petrus, Jakobus en Johannes, gedood. Herodes wist dat Petrus, Jakobus en Johannes de belangrijkste mannen waren onder de apostelen.

3 En toen hij zag, dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehevelde broden);
4
Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paasfeest hem voorbrengen voor het volk. Handelingen 12 : 3, 4

De apostel Jakobus, de grote, was juist gedood. Daarna wordt Petrus gevangen gezet. Zodra Petrus weer vrij is, zegt hij: “Boodschapt dit aan Jakobus en de broederen.” Ik trek daaruit de conclusie dat het gaat om de Jakobus die zelf een van de broederen was en niet in geestelijk opzicht, want Petrus zei dit tot hen die in geestelijk opzicht broeders waren. Het gaat dus om broederen in natuurlijk opzicht. De boodschap van Petrus’ bevrijding moest worden doorgegeven aan Jakobus, de broeder des Heeren en daarmee ook aan de andere broeders des Heeren, waaronder Judas, die later de brief geschreven heeft.

Een andere conclusie is dat deze Jakobus kennelijk een belangrijk figuur geworden is onder de gelovigen en in de gemeente van Jeruzalem. Dat is ook niet zo gek, want deze Jakobus was de oudste broer van de Here Jezus. In alle opsommingen is hij de eerste. Hij is de zoon van Jozef en Maria. Jozef is overleden. De Here Jezus was de oudste erfgenaam, maar Hij was ook gestorven. Wie heeft nu de rechten op de troon van Juda, de scepter van Juda, de troon over Israël? Wie is de erfgenaam van David? Deze Jakobus! Aangezien men in die dagen direct de komst van het Messiaanse Rijk predikte en aangezien de eerste christengemeente in Jeruzalem ook alle kenmerken heeft van dat Koninkrijk en ook bestuurd wordt alsof het zo’n Koninkrijk is, ligt het voor de hand dat bij afwezigheid van de wettige erfgenaam van de troon, de Here Jezus Zelf, Jakobus als Zijn oudste broer de waarnemer is op die troon. Als vanzelfsprekend wordt hij de voorganger van de gemeente in Jeruzalem. De twaalf apostelen werden daarbij gepasseerd.

Handelingen 15

In Handelingen 15 staat het eerste concilie, de eerste synode ofwel de eerste kerkeraads- of broederraadsvergadering te Jeruzalem beschreven. Petrus en Paulus komen daar vertellen over hun werk. Door hun prediking komen heidenen tot geloof. Men heeft dan een eerlijke vraag, namelijk of de gelovigen uit de heidenen ook onder de wet gebracht moeten worden. U ziet hoe Joods die gemeente nog is. Het jodendom leeft immers onder de wet. Als die gelovigen onder de wet gebracht worden, moeten ze ook besneden worden. Degene die dan uiteindelijk de beslissing neemt, is Jakobus. Eerst geeft Petrus duidelijk zijn mening.

10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
11 Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij. Handelingen 15 : 10, 11

Petrus zegt hier dat Joden op dezelfde wijze behouden worden als heidenen, namelijk niet door de wet maar door genade. Besnijdenis is dus nergens voor nodig. Toen waren ze allemaal erg stil en dat begrijp ik best, want wat Petrus hier zegt, is eigenlijk de omgekeerde wereld. Hij zegt niet dat de heidenen net zo zalig worden als de Joden, maar dat de Joden net zo zalig worden als de heidenen. Dat is een krasse uitspraak voor een apostel der besnijdenis. Men is dan ook stil. Iemand moet dan de beslissing (vers 19) nemen en dat is Jakobus. Het is dus niet een van de twaalven, maar iemand die pas later tot geloof gekomen is.

13 En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.
14
Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam
15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is:
16 Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten. Handelingen 15 : 13-16

Simeon is Petrus, een gelovige Petrus, een horende. Jakobus haalt hier aan dat volgens de profetieën, en volgens Petrus, God Zich eerst een volk verzamelt uit de heidenen voor Zijn Naam om daarna alsnog de vervallen hut, de tabernakel, van David weder op te richten. Dat is een merkwaardige uitspraak, omdat juist Jakobus zelf van nature behoort tot die vervallen hut van David. De rechthebber op de troon van David, volgens de wet, zegt dat van die troon voorlopig niets terechtkomt omdat God eerst wat anders doet. Daarom was hij de aangewezen man om die uitspraak te doen. Of hij hiervoor al een leidinggevende broeder was of dat hij dat hierdoor werd, weet ik niet, maar hij blijkt de voorganger te zijn in de gemeente van Jeruzalem. Jeruzalem is de plaats waar de troon van David, en dus ook de troon van de Here Jezus, stond en ook zal staan.

En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk. En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen. Handelingen 21 : 17, 18

Er werd een raadsvergadering gehouden bij Jakobus aan huis. Dat wijst op zijn vooraanstaande positie in de gemeente van Jeruzalem. Hij is de normale opvolger op de troon van David, hoewel de Here Jezus niet dood was, maar Hij was hier niet op aarde. Strikt genomen was Jakobus niet de erfgenaam, maar bleef hij een tweede omdat de Here Jezus leeft. De Heer leeft nog steeds en daarom speelt die afstamming uiteindelijk geen rol. Daarom kon Jakobus ook zeggen dat de vervallen hut van David door de Heer Zelf opgericht zou worden.

De eerste verzen van 1 Korinthe 15 spreken over de opstanding van de Here Jezus en over Zijn verschijningen, dus ook over de bewijzen van Zijn opstanding.

Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen. 1 Korinthe 15 : 7

De Here Jezus heeft Zich kennelijk, volgens de informatie van de apostel Paulus, een keer speciaal uitsluitend en alleen aan Jakobus geopenbaard, los van de andere apostelen. Wanneer dat geweest is weet ik niet, maar het is in ieder geval de uiterste datum geweest voor zijn bekering. Waarschijnlijk heeft hij zich al eerder bekeerd, maar het is ook niet ondenkbaar dat hij op dezelfde wijze als de apostel Paulus tot geloof is gekomen, namelijk doordat de Heer Zich aan hem openbaarde na Zijn opstanding. Dat ligt voor de hand omdat vers 8 op vers 7 volgt.

En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. 1 Korinthe 15 : 8

Jakobus en Paulus worden nu in een adem genoemd omdat de Heer Zich speciaal aan hen persoonlijk heeft geopenbaard. Jakobus wordt ook nog vermeld in de brief aan de Galaten, maar dat is al besproken naar aanleiding van Handelingen 15. Daar gaat het ook over het concilie in Jeruzalem. In Galaten 1 : 19 vertelt de apostel Paulus dat hij in Jeruzalem geweest is.

En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren. Galaten 1 : 19

Jakobus was niet een broeder des Heeren, maar de broeder des Heeren. In zekere zin waren ze allemaal broeders des Heeren vanwege hun wedergeboorte, maar Jakobus was bovendien de natuurlijke broer van de Here Jezus. Halfbroer is een onbijbelse uitdrukking. Hij was de wettige broer van de Here Jezus. Paulus heeft Petrus bezocht in Jeruzalem en is daar vijftien dagen gebleven. Hij heeft van de andere apostelen alleen Jakobus, de broeder des Heeren, gezien.

En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan; Galaten 2 : 9

Cefas is Petrus en het speelt zich af bij de gelegenheid die in Handelingen 15 vermeld staat. Hoe merkwaardig staat hier: Jakobus, Cefas en Johannes. Dit is een andere Jakobus dan steeds in de evangeliën genoemd wordt. Daar waren Jakobus en Johannes broers, de zonen van Zebedeüs. In Handelingen 12 : 2 lazen wij dat die Jakobus is gevallen door het zwaard van Herodes Agrippa. Hij is kennelijk min of meer vervangen door de andere Jakobus, de “broeder des Heeren”. Het noemen van een andere Jakobus in hetzelfde rijtje is een uitbeelding van wedergeboorte. Jakob moest wedergeboren worden.

Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; … Galaten 2 : 12

Sommigen waren van de gemeente in Jeruzalem naar Antiochië gegaan, waar Petrus was (vers 11). Jakobus wordt nu niet alleen gebruikt als de aanduiding van die ene man, maar zelfs als de aanduiding van de hele gemeente te Jeruzalem. Dat komt omdat hij daar de voorganger was; niet Petrus maar Jakobus.

Judas, een dienstknecht van  Jezus  Christus,  en  broeder van Jakobus, … Judas : 1

De aanhef komt overeen met die van de brief van Jakobus zelf. Daaruit is op te maken dat Judas een van de andere vier broers is van de Here Jezus. De naam Jakobus is gewoon Jakob. Daardoor wordt deze brief meteen in verband gebracht met Israël. Dat is terecht, zo blijkt uit de inhoud.

Jakobus, een dienstknecht van God  en  van  den  Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid. Jakobus 1 : 1

De brief is geschreven aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn. De twaalf stammen zijn eigenlijk Jakob. De twaalf stammen vormen immers het natuurlijke volk Israël. Daarom is het niet gek als Jakob schrijft aan Israël. Er staat “Aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn”. De stammen van Israël zijn in de verstrooiing, in de diaspora. Die diaspora of verstrooiing bestaat sinds de Assyrische ballingschap in 722 v.C. De ballingschap van de twee stammen, Juda en Benjamin, de Joden, begon in 598 v.C. De Joden, de twee stammen, zijn dus verstrooid sinds de dagen van Nebukadnezar en Daniël. Dat was ongeveer het begin van de tijden der heidenen. Die ballingschap is nooit geëindigd. Nooit is heel Israël terugverzameld naar het land. Dat gaat wel een keer gebeuren, maar dat is pas nadat deze brief bezorgd is.

De brief geschreven aan twaalf stammen in de verstrooiing moet bezorgd worden voordat die twaalf stammen uit de verstrooiing zijn wedergekeerd. Als je niet gelooft dat de twaalf stammen uit de verstrooiing zullen terugkeren, is er een probleem. Breng die brief dan maar eens weg. Aan wie is hij dan geschreven? Je zou toch niet weten waar je hem brengen moet? De moeilijkheid is dat we aan de ene kant zien dat hier gewoon staat dat de brief geschreven is aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Dat zijn uiteraard de twaalf stammen van Israël. Aan de andere kant blijkt uit de inhoud dat de brief is geschreven aan gelovigen. Dat is ook de reden waarom sommigen deze hele brief toepassen op gelovigen. Het is volkomen juist dat deze brief geschreven is aan gelovigen, maar dat staat niet in de adressering. Uit de inhoud blijkt dat wel en dat is een probleem.

Een ander probleem is dat Jakobus zelf leefde in de dagen van Handelingen, na de opstanding van Christus, na de uitstorting van de Heilige Geest. Hij maakt dus deel uit van de Gemeente, het Lichaam van Christus. De Gemeente kent een hemelse toekomst en een hemelse erfenis. God houdt Zich nu dus niet bezig met de oprichting en de openbaring van het Koninkrijk op aarde, maar met de roeping van de Gemeente uit de heidenen. Dat is de roeping van het Lichaam waar wij, net als Jakobus deel van uitmaken. Als Jakobus dus zou moeten schrijven aan gelovigen, zou hij dus eigenlijk schrijven aan leden van het lichaam van Christus. De volgende vraag is dan weer waarom hij dat niet zegt. Waarom schrijft hij dan aan de twaalf stammen in de verstrooiing? Schrijft hij aan Israëlieten of schrijft hij aan gelovigen? Aan beiden, luidt het antwoord! Beide dingen zijn niet zo moeilijk te bewijzen.

Deze Jakobus was voorganger van een gemeente in Jeruzalem die alle kenmerken had van het Koninkrijk. Het Koninkrijk werd in de eerste hoofdstukken van Handelingen in ieder geval terecht gepredikt. Het feit blijft overeind dat op het moment dat Israël, tot wie de prediking in de eerste plaats gericht was, tot bekering komt en tot aanvaarding van de Here Jezus als de Messias, die Messias ook inderdaad zal wederkomen.

19 Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; opdat tijden der verkoeling zullen komen van het aangezicht des Heeren,
20 En Hij zenden zal Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is;
21 Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. Handelingen 3 : 19-21
(deze tekst is gecorrigeerd)

De prediking was dat Israël (Juda) zich zou bekeren opdat de Here Jezus uit de hemel zou wederkomen om op aarde Zijn Koninkrijk te openbaren. Men predikte het Evangelie van het Koninkrijk. De uitdrukking “Lichaam van Christus” komt helemaal niet aan de orde! Dat wist men ook niet. Het is moeilijk te zeggen wanneer men dat wel wist, maar het is in ieder geval zo dat de apostel Jakobus daar in deze brief niet over schrijft.

De Jakobus die deze brief schrijft, is degene die kennelijk voorganger is in een gemeente die nog steeds de kenmerken heeft van een Koninkrijk dat geregeerd moet worden vanuit Jeruzalem op grond van de oudtestamentische profetie. Het is een Koninkrijk dat in de eerste plaats gepredikt zou worden in de synagoge. Wij moeten dus gewoon vaststellen dat men in die dagen het Koninkrijk predikte, terwijl achteraf blijkt dat men deel uitmaakte van dat Koninkrijk, maar dan in zijn verborgen vorm. Dat wist men aanvankelijk niet. Dat heeft men er later bij moeten leren. Het is niet tegenstrijdig, maar het vult elkaar juist aan. Het is een bepaalde fase in de ontwikkeling van de heilshistorie.

De geschiedenis van Ananias en Saffira in Handelingen 5 is alleen te verklaren vanuit die Koninkrijksgedachte. Men verkocht zijn goederen, de opbrengst werd verdeeld en men leefde van de gemeenschappelijke bezittingen. Dat zijn kenmerken van het Koninkrijk. Die goederen werden beheerd door de apostelen, met name door Petrus (Handelingen 5 : 3). Ze hadden alles gemeenschappelijk. Ze verwachtten de wederkomst van Christus en ze waren bezig met de oprichting van Zijn Koninkrijk hier op aarde. Men wist ook niet anders. Het was ook niet de bedoeling dat men anders wist. Jakobus, de rechthebber op die troon, was dan ook degene die in zekere zin de honneurs waarnam.

De twee en tien stammen verenigd

Vooruitgrijpend op de oprichting van dat Koninkrijk schrijft Jakobus een brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Dit veronderstelt in de eerste plaats dat die twaalf stammen ook adresseerbaar zijn. Twee of misschien drie stammen zijn met moeite te vinden. Dat zijn namelijk de Joden: Juda, Benjamin en een deel van de stam van Levi. De andere tien stammen zijn zoek. Ze zijn niet adresseerbaar. Zelfs als we weten dat deze brief voor hen bestemd is, kunnen we hem niet afleveren. Men ging er vanuit dat binnen niet al te lange tijd de brief bezorgd zou kunnen worden, eenvoudig omdat dan die andere tien stammen wel degelijk weer bekend zouden zijn. Men zou weer weten waar ze zich bevinden of wie het zijn. Dat is niet zo gek omdat de Oudtestamentische profetieën spreken over een hereniging van geheel Israël. De beroemde profetie in Ezechiël 37 over het herstel van Israël, de profetie over de dorre doodsbeenderen, wordt in datzelfde hoofdstuk opgevolgd door een profetie over twee houten die in de hand van de profeet tot één zouden worden.

Het ene hout stond voor de tien stammen en het andere voor de twee stammen. Ze zouden verenigd worden tot één geheel, want die dorre doodsbeenderen waren een beeld van het ganse huis Israëls (Ezechiël 37 : 11) en niet alleen van Juda. De verdeling van het rijk zoals die al een tijdje bestond in de dagen van David, maar zoals die definitief werd na Salomo, zal weer hersteld worden als Israël wedergeboren zal worden. Als ze uit hun graven teruggebracht worden, als ze tot geloof komen in de Here Jezus als de Christus, dan zal er één Herder over één kudde worden aangesteld (Johannes 10 : 16). Ze zullen één kudde worden waarover de Here Jezus de Herder zal zijn. Eén Koninkrijk waarover de Heer zal regeren, zoals eens David over alle twaalf stammen van Israël. De andere tien stammen komen pas weer “boven water”, overdrachtelijk gezien, want de wateren zijn de volkeren, bij de bekering van Israël en dus bij de wederkomst van Christus. Dit betekent dat deze brief pas bezorgd kan worden na Zijn wederkomst. Ervóór kan niet om twee redenen:

  1. We kennen maar twee of hooguit drie stammen van de twaalf.
  2. De brief is kennelijk geschreven aan gelovigen en de twee of drie stammen die we nu kennen, worden niet gevormd door gelovigen. Wij leren juist dat iemand die tot geloof komt, die aardse afstamming verliest en deel krijgt aan het leven dat er is in Christus. In de gemeente is Jood noch Griek, slaaf noch vrije (1 Korinthe 12 : 13; Galaten 3 : 28; Kolossenzen 3 : 11). Zelfs als we nu gelovigen zouden kennen uit alle twaalf stammen van Israël, kan de brief nog niet bezorgd worden omdat dan de adressering niet klopt. De brief kan dus pas bezorgd worden na de bekering van de twaalf stammen, want eerder zijn zij geen gelovigen en aan gelovigen is de brief geschreven, zo blijkt uit de inhoud. Als ze tot geloof komen, zal de Here Jezus wederkomen en Hij zal hen bijeenbrengen. Dan kan de brief dus bezorgd worden. Er is maar een korte tijd waarin de brief bezorgd kan worden. Dat is de tijd tussen hun bekering (= wedergeboorte) en hun definitieve terugverzameling. Die tijd is wat mij betreft 33 jaar, omdat er 33 jaar verlopen tussen de bekering van Israël en de definitieve vestiging van het zogeheten “Duizendjarig Rijk”.

Wij verwachten nog de opname van de Gemeente (1 Thessalonicenzen 4: 13-18). Tussen de opstanding van Christus en deze opname ligt de roeping van de Gemeente uit de heidenen (Romeinen 11 : 25). Na de opname gaat de geschiedenis verder waar zij gebleven was in de dagen van Jakobus. Met zeven jaar tot aan de bekering van Israël en de daarmee gepaard gaande wederkomst van Christus op de Olijfberg. Die zeven jaar vormen de 70-ste week van Daniël 9, die uiteenvalt in twee gelijke delen van elk 3,5 jaar, 42 maanden of 1260 dagen, namelijk “tijd, tijden en een halve tijd”. De eerste 3,5 jaar is een tijd van vrede en de tweede 3,5 jaar is er de grote verdrukking over Israël. Dat loopt uit in de verwoesting van Jeruzalem en de wederkomst van Christus op de Olijfberg. Dan is de toorn over Israël afgelopen, maar de toorn over de volkeren niet. Daar gaat het steeds om. Als de Heer wederkomt op de Olijfberg omdat Israël Hem aanroept, want eigenlijk is het niet eens tot geloof komen, is dat de dag van de verwoesting van Jeruzalem. Dat is beslist niet de eerste dag van de duizend jaar. De dag dat de Heer Zijn voeten op de Olijfberg zet is de dag waarop de gehele huidige Joodse staat vernietigd zal zijn.

De waarheid is dat de huidige Joodse natie haar ondergang tegemoet dient te zien, zoals al het mensenwerk zijn ondergang tegemoet dient te zien. Jeruzalem zal worden ingenomen. De Heer Zelf zal alle heidenen ten strijde verzamelen tegen Jeruzalem. Zacharía 14 : 2 is nog nooit vervuld. In Zacharía 14 : 4 staat dat te dien dage Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg. Dat is ook nog niet vervuld. Dat gebeurt aan het eind van die zeventigste week, aan het eind van die zeven jaren. Dan wordt een begin gemaakt met het herstel van Israël. Dan roept men namelijk de Naam des Heeren (Jehovah) aan en al wie de Naam des Heeren aanroept, zal behouden worden (Joël 2 : 32). Dat is maar een klein begin, maar het is tegelijkertijd het einde van de tegenwoordige Joodse natie van twee stammen. Daarna zal Jeruzalem eerst verwoest worden voordat het herbouwd kan worden, maar de tempel nog niet. Het land zal gekoloniseerd worden. Het wordt toch weer een Joodse natie.

Ongeveer zoals in het verleden gebeurde onder het Zionisme, zal het in de toekomst gebeuren onder aanvoering van de Messias (= Christus). Eigenlijk gebeurt het zoals in de dagen van Richteren. In die dagen zal gebeuren wat in Matthéüs 24 : 30 staat. Daar wordt gezegd dat de Heer zal wederkomen, dat aller oog Hem zal zien, dat alle geslachten van het land over Hem rouw zullen bedrijven. Dan zal Hij Zijn engelen uitzenden en Zijn uitverkorenen, alle twaalf stammen uiteraard, bijeenvergaderen uit de vier winden (Matthéüs 24 : 31). Dan wordt er gezegd dat dit geslacht, dat al deze dingen heeft gezien, geenszins voorbij zal gaan totdat alles geschied zal zijn (Matthéüs 24 : 34), namelijk tot de zomer nabij is. De vijgeboom wordt weer teer, zijn tak wordt groen en zijn bladeren spruiten uit. Hij draagt nog geen vrucht, maar hij wordt levend. Dat is uiteraard wedergeboorte. Het “geslacht” ziet de hele 70-ste week ziet. Dat geslacht zal geenszins voorbijgaan tot alles geschied zal zijn, dus totaal veertig jaar. De “zomer” die daarna komt, is het zogeheten duizendjarig Rijk. Dat is een wat merkwaardige uitdrukking, maar ik gebruik hem gemakshalve maar even.

De duizend jaar beginnen niet bij de wederkomst van Christus, maar bij het binden van de satan (Openbaring 20 : 2). Christus regeert al veel eerder. In zekere zin regeert Hij zelfs nu, in het verborgene. In de toekomst zal Hij Zijn Koninkrijk openbaar maken op aarde. Pas als dat geopenbaard is, niet alleen over Israël aan het eind van de 70-ste week, maar ook over de andere volkeren 33 jaar later, wordt ook de satan gebonden en beginnen die duizend jaar. Christus regeert gewoon door, vóór de duizend jaar en erna uiteraard ook, want Hij heeft een eeuwig Koninkrijk. In de 33 jaar tussen de komst van Christus op de Olijfberg en het moment waarop Hij gezeten zal zijn op de troon Zijner heerlijkheid (Matthéüs 25 : 31), zullen 144.000 verzegelden uit alle twaalf stammen van Israël de wereld doortrekken om het Evangelie van het Koninkrijk te prediken aan alle volken, alvorens het einde zal komen (Matthéüs 24 : 14). De terugverzameling van de twee en tien stammen is compleet bij het begin van de duizend jaar. Sneller is blijkbaar niet de bedoeling. Aan hen die in de 33 jaar in de verstrooiing zijn, is deze brief geschreven, door Jakobus, die deel uitmaakt van de Gemeente, maar ook van alles te maken had met de vestiging van dat Koninkrijk. Hij had dus niet te maken met de openbaring, maar met de verborgenheid van dat Koninkrijk.

Jakobus was zelf verbonden met de bedeling van de wet. Hij was daaronder geboren en hij heeft daaronder geleefd, maar is daarvan verlost, zoals Galaten zegt (Galaten 4 : 4, 5). Die onder de wet waren, zijn daarvan verlost. Jakobus is degene die de verbinding legt met het Koninkrijk dat inderdaad aan Israël geopenbaard zal worden. Dat is nog wel toekomst, omdat Israël in het verleden de Messias afwees en dat was Jakobus’ schuld niet. Het gaat erom dat deze Jakobus de verbinding vormt tussen het verleden en de toekomst. Dat geldt feitelijk voor alle apostolische brieven, die van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas. De brieven van Petrus zijn ook geschreven aan de vreemdelingen, aan de verstrooide Joden (alleen de eerste brief). Voor de brieven van Johannes is dat onderscheid niet duidelijk, maar het zijn de brieven van Johannes die uitdrukkelijk spreken over de antichrist. Dat woord komt alleen voor in die brieven. Daaraan zie je dat die brieven ook in de eerste plaats hun toepassing hebben in de nog toekomstige zesde bedeling. Het wijst dus op de toekomst. Bij de bestudering van de brief van Jakobus is het van het grootste belang te beseffen dat hij is geschreven in verband met de openbaring van het Koninkrijk van Christus hier op aarde.

Velen hebben moeilijkheden gehad met de brief van Jakobus, omdat die een totaal andere sfeer ademt dan bijvoorbeeld de Paulinische brieven. Dat hoeft echter niet als de tijd gekend wordt waarop de brief van toepassing gebracht wordt. Voor zover de brief aan gelovigen gericht is, is de brief bovendien ook aan ons gericht. Dat wil zeggen dat het voor ons op zijn minst een praktische betekenis heeft, een vrij directe les. Dat neemt niet weg dat de brief in de eerste plaats actueel wordt in de toekomende – de zesde – bedeling.

2. Jakobus 1 

Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; Jakobus 1 : 2

Dat was te verwachten. Het eerste echte vers na de aanhef spreekt over verzoeking, want het zijn de dagen van de verdrukking. Eigenlijk spreekt de hele brief over die verzoeking en de verdrukking waar de gelovige in terechtkomt, wat er uitziet als een verzoeking van God. Jakobus zegt dat het dat niet is, maar niettemin moet je volharden tot het einde. Vertrouw maar op de Heer. Hij komt. Het komt allemaal voor elkaar, maar je moet trouw blijven aan wat beloofd is.

Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Jakobus 1 : 3

Dit komt overeen met Romeinen 5 waar het over ons gezegd wordt. Het principe van beproeving blijft gelijk. Het werkt lijdzaamheid uit. Het richt onze blik op de toekomst en dus op de Heer. Dat is nu in deze bedeling zo, maar van nog veel meer belang in de volgende korte bedeling. Als we nu weten dat het over veertig jaar allemaal voor elkaar is en dat de gelovige die nu volhardt ook inderdaad die duizend jaren zal ingaan, dan moet het toch te doen zijn. Dan is veertig jaar misschien lang, maar we weten waar het om gaat en Wie we aan onze kant hebben. Zo’n situatie is de achtergrond van deze brief van Jakobus. Als we dat nu weten is eigenlijk het grootste deel van de brief van Jakobus al besproken.

4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.

5 En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.

6 Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt.

7 Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van den Heere.

8 Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen.

9 Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid.

10 En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan.

11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

12 Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.

13 Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.

14 Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.

15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den

16 Dwaalt niet, mijn geliefde broeders!

17 Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.

18 Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen. Jakobus 1 : 4-18 

De apostel zegt dat hij spreekt tot diegenen die wedergeboren zijn, die gebaard zijn door het Woord der Waarheid en die daardoor eerstelingen Zijner schepselen zijn geworden. Duidelijk is natuurlijk dat het daarbij gaat om eerstelingen van een nieuwe schepping. De “velerlei verzoekingen” uit vers 2 zijn het kenmerk van de tijd waarin deze brief bezorgd zal worden. Zo’n uitspraak is alleen te begrijpen wanneer we weten dat juist verzoekingen het kenmerk zijn van de tijd waarover deze dingen geschreven worden. Het is natuurlijk nooit leuk om in verzoekingen te vallen en het is ook niet zinvol om erover te praten als het niet zover is. De broeders die Jakobus op het oog heeft, zijn broeders die in vele verzoekingen vallen, waarna hij zegt dat voor grote vreugde te achten. Er staat echter nergens dat we ernaar zouden moeten streven om in grote verdrukkingen te vallen, omdat dat zo’n prettige gewaarwording zou zijn. Als men echter toch in die verzoekingen valt, dan zegt de apostel:

2 Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt;
3 Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.
4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk. Jakobus 1 : 2-4

De apostel gaat er dus vanuit dat die beproeving meewerkt aan de opbouw van de gelovige. Beter is te zeggen dat de beproeving meewerkt aan de afbouw van de oude mens. Beproeving komt over de oude mens. Eigenlijk is het daarmee een test of en in hoeverre die nieuwe mens in een gelovige gegroeid is of volgroeid is, in welke mate het leven van Christus in hem openbaar geworden is. Daartoe dienen verzoekingen. Vandaar dat er staat het voor grote vreugde te achten wanneer je in velerlei verzoekingen valt. Het is geen grote vreugde, maar daarom zegt hij ook dat we het voor grote vreugde moeten achten. Dat is het aardige van een gelovige. Een gelovige is namelijk “in hope zalig geworden” (Romeinen 8 : 24). Geloof is dan ook een vaste grond voor de dingen die men hoopt (Hebreeën 11 : 1).

Een gelovige is gericht op de toekomst. Het verleden heeft de Heer weggenomen. Wij hebben geen verleden; wij hebben een toekomst. De wereld heeft een verleden, leeft over het algemeen ook in het verleden en doet haar best het verleden in stand te houden. Een gelovige is verlost van de oude mens, van de zonde, in zekere zin van de aardse afstamming, van de Adamitische afkomst en is een kind Gods geworden. Een gelovige heeft de blik op de toekomst gericht. De grote verdrukking zal nog komen; overigens niet over ons, zoals bekend. Die verdrukking komt in de toekomst, maar ook voor hen die in de verdrukking zijn, moet het een duidelijke zaak zijn dat die slechts tot doel heeft het lang verwachte Koninkrijk van de Messias hier op aarde te brengen of te openbaren.

In die toekomstige bedeling hebben we aan de ene kant te maken met de verdrukking die over de hele mensheid komt en die de mensheid zich in zekere zin ook zelf aandoet, zoals hier trouwens ook staat in Jakobus 1. Aan de andere kant hebben we te maken met de prediking van het Evangelie, in de eerste plaats natuurlijk door de Israëlieten en speciaal door de 144.000, maar in ieder geval door Israël. In die tijd vindt dus de aankondiging van het Koninkrijk plaats en de opbouw van het Koninkrijk. De verdrukking die dezelfde mens ondergaat wijst op de vergankelijkheid, de verderfelijkheid van de oude mens, zodat hij daar zijn hoop niet op zou stellen. Hem wordt tegelijkertijd een alternatief geboden, namelijk de komst van de komende Koning en het komende Koninkrijk.

Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Jakobus 1 : 3

Hiermee wordt gezegd dat verzoeking geïnterpreteerd kan worden als “beproeving uws geloofs”. In plaats van verzoeking wordt nu deze term gebruikt. Daaruit volgt dan dat die verzoeking niets anders is dan een beproeving van iemands geloof. Zo ligt het nu eenmaal, want die verzoeking heeft te maken met geloof. Verzoeking slaat op verdrukking, maar bovendien ook op verleiding. Die spelen beide een rol in die zesde bedeling. Verleiding is er vanwege die valse profeet – de antichrist – die indien het mogelijk ware zelfs de uitverkorenen zou verleiden (Matthéüs 24 : 24). Dat verhaal wordt ook aangehaald in Openbaring 13. Vandaar dat verdrukking en verleiding daar samengaan. Ze worden hier door de apostel Jakobus beschouwd als een beproeving van het geloof. Men wordt namelijk gedwongen bewust te kiezen.

In die dagen hebben we ook die beroemde kwestie van het teken van het beest dat men zou moeten dragen om te kunnen kopen en verkopen. Aan de andere kant hebben we ook die 144.000 die het teken van de Zoon des mensen dragen. Zij zijn ook aan hun voorhoofden verzegeld, maar zij hebben daar niet dat teken van het beest. Het is zwart-wit. Men moet beslist een keuze maken en beproeving heeft altijd tot gevolg dat een keuze gemaakt wordt. Als iemands geloof niet oprecht is, zal dat direct blijken als hij in beproeving valt. Het is zelfs zo dat er in de brief aan Korinthe op wordt gewezen dat die beproevingen, en zelfs scheuringen in de gemeente, noodzakelijk zijn opdat de oprechten openbaar zouden worden, opdat zou blijken wie de goeden zijn en wie niet; wie oprecht gelooft en wie niet.

Ik denk weleens dat een van de dingen die het christendom vandaag tegen heeft, is dat er zo weinig vervolging is. Het wordt de mensen zo makkelijk gemaakt om maar mee te doen en maar mee te draaien. Wat zich vandaag de dag al niet voor christen uitgeeft. Je zou je er voor schamen om ook in het rijtje genoemd te worden. Er wordt heel wat christelijk genoemd dat met Christus absoluut niets te maken heeft. Als er nu maar meer vervolging was, denk ik weleens, zou dat zich niet voordoen, want dan zou het veel meer kosten om een christen te zijn; in ieder geval om een openlijk belijdend christen te zijn. Niet dat ik nu hoop dat er maar vervolgingen komen. Integendeel. Ik ben blij met de grote vrijheid die wij hebben, maar we moeten onze ogen wel open houden voor het gevaar dat daaraan verbonden is, namelijk dat “zovele valse broederen van bezijden inklimmen om onze vrijheid te verspieden die wij in Christus hebben” (Galaten 2 : 4). Dat gebeurt hedentendage eveneens. Er wordt vaak sterk geageerd tegen de vrijheid. Dat komt omdat men niet werkelijk gelooft. Men gelooft niet dat Christus ons vrijgemaakt heeft van alles waarvan wij maar vrijgemaakt konden worden. Als er dan verdrukking komt of vervolging, dan heeft dat in ieder geval de beproeving van ons geloof tot doel. Daaruit blijkt namelijk of wij gelovigen zijn. Dat is een van de belangrijke onderwerpen in deze brief van Jakobus, of ons geloof wel echt blijkt, of we wel echte gelovigen zijn.

Lijdzaamheid hangt samen met geduld. Lijdzaamheid is zoiets als geduld in een niet prettige zaak. Geduld heb je nodig als je in moeilijke omstandigheden bent terechtgekomen waarvan je eigenlijk wel weet dat het een tijdelijke zaak is. Je wacht dus gewoon af. Dat is lijdzaamheid. In het woord zit lijden. Men moet bereid zijn te lijden. Je kunt het vertalen met geduld, maar dan verliezen we misschien weer de betekenis, want het is inderdaad een geduld in de zin van afwachten. We verdragen de dingen, maar we weten dat er een eind aan komt. Dat wordt ook in de volgende verzen gezegd.

Vele verzoekingen

Ik wil eerst even stil blijven staan bij vers 2 vanwege die vele verzoekingen die daar genoemd worden. Er staan een paar Schriftverwijzingen onder en het is goed om die aan te halen. Matthéüs 5 : 11 wordt het eerst genoemd. Deze tekst spreekt speciaal over de verdrukkingen die gelovigen ondergaan. Dit vers is een onderdeel van de bergrede, een rede waarin de Here Jezus het Koninkrijk aankondigt en ook de aard en de wetten van dat Koninkrijk. De brief van Jakobus komt qua inhoud sterk overeen met de bergrede, zo blijkt uit deze Schriftvergelijking.

Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Matthéüs 5 : 10

Ook deze bergrede krijgt zijn volle actuele betekenis in de volgende bedeling. Dat is dezelfde bedeling als waarin ook de brief van Jakobus wordt bezorgd. Hoewel er wetmatigheden in staan die universeel zijn en die altijd gegolden hebben voor de gelovigen, krijgt het een volle betekenis, een zeer directe, concrete betekenis ook, zelfs een letterlijke, stoffelijke betekenis in verband met die zesde bedeling. Daar gaat het namelijk letterlijk om het ingaan in het Koninkrijk, zelfs hier op aarde. Dan staat er dat degenen die dan ingaan, degenen zijn die daarvoor vervolgd worden. Dat gaat namelijk over die dagen van die verdrukking.

Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Matthéüs 5 : 11

Dit wordt uiteraard gezegd tot gelovigen. Tegenstanders zijn er op uit om degenen die de waarheid – het Woord van God – prediken in een kwaad daglicht te stellen en men schuwt daartoe de leugen niet. Het gaat er namelijk om dat ze dingen uit hun duim zuigen die verondersteld worden kwaad te zijn. Men bedenkt dingen om gelovigen zwart te maken, om ze in een kwaad daglicht te stellen. Vanuit de eigen praktijk weet ik dat men er op uit is iets te vinden, zoals men achter de Here Jezus aanliep om maar te kijken wat Hij verkeerd deed. Men zocht toen een aanleiding en dat gebeurt nog steeds. Als men die aanleiding niet vindt, gaat men gewoon liegen. Dat staat hier ook, dat ze liegende allerlei kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Het is natuurlijk niet zo dat iemand zalig is als er kwaad over hem gesproken wordt. Het gaat erom dat kwaad gesproken wordt over ons terwille van de Heer, vanwege het getuigenis dat wij hebben. Dat gebeurt om de boodschap die gepredikt wordt in diskrediet te brengen. Trek je er niets van aan, want zalig zijt gij als het gebeurt, wordt er gezegd.

Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Matthéüs 5 : 12

Achteraf blijkt namelijk dat het in het Oude Testament en in de Evangeliën net zo ging. Hier in de Evangeliën wordt verwezen naar het Oude Testament. De profeten van het Oude Testament werden ook gelasterd, omdat ze de waarheid spraken. Ze zeiden “Alzo heeft God gesproken” of “Er staat geschreven” of “Alzo zegt de Heere”. Dat werd hen aangerekend. Wij weten dus wat we als gelovigen kunnen verwachten. Het overkwam de Heer zelf. Het gebeurt ook in onze dagen en het gebeurt ook in de toekomende bedeling. Zodra het Woord van God op tafel komt, weten de mensen niet wat ze nu weer eens zullen bedenken om dat Woord van God in diskrediet te brengen. Wij en zij in de toekomende bedeling zijn dus gewaarschuwd.

11 Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om

12 … want uw loon is groot in de hemelen; … Matthéüs 5 : 11, 12

Dat is hetzelfde als die erfenis die in de hemelen voor ons bewaard wordt. Daar ontvangen wij loon. Dat sluit dus sterk bij aan “Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”; (Jakobus 1 : 2). Romeinen 5 sluit er nog veel sterker bij aan. De Romeinenbrief spreekt in het algemeen over de weg tot zaligheid; voornamelijk over de dood en de opstanding van de Here Jezus Christus en dat die dood en opstanding, de wedergeboorte van de Here Jezus Christus, meteen de basis is voor de wedergeboorte van gelovigen, ongeacht in welke bedeling zij leven. In Romeinen 5 : 1, 2 staat dat een gelovige gerechtvaardigd is uit geloof, vrede heeft bij God en in de genade staat.

3 En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;
4 En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop;
5 En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven. Romeinen 5 : 3-5

Dit is precies wat Jakobus ook zei. De beproeving uws geloofs, de verdrukking, de verzoeking, werkt lijdzaamheid. Bevinding is ervaring. Die beproeving of verdrukking werkt uiteindelijk via lijdzaamheid en bevinding hoop in ons, zodat we onze blik zouden richten op de toekomst. Ook in de brief van Jakobus wordt gesproken over een korte tijd. Die duurt maximaal 33 jaar. Dat is dus ver binnen een generatie. Vergeleken met een mensenleven is het weliswaar een aanzienlijke tijd, maar het is wel te overzien. Als je ervoor staat is 33 jaar een heel eind, maar terugkijkend is 33 jaar niet zo ver. Dit sluit ook bijzonder goed aan bij bijvoorbeeld Romeinen 8, waar gesproken wordt over het lijden van de gelovige.

En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8 : 17

Jakobus had het erover dat Hij ons naar Zijn wil heeft gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn eerstelingen Zijner schepselen (Jakobus 1 : 18). Daar gaat het hier ook om. Wij zijn kinderen Gods. Dan staat er dat wij op grond daarvan erfgenamen zijn. De apostel Paulus vindt het dus vanzelfsprekend dat de gelovige lijdt, opdat hij vervolgens ook met Christus verheerlijkt zou worden. Het lijden van de gelovige is namelijk het lijden dat ook over de gelovige Jezus van Nazareth kwam. Dat komt dus over alle gelovigen. Hij die zo geleden heeft, is gezeten aan de rechterhand Gods. Dat betekent dat wij, die lijden om dezelfde reden vanwege het geloof ook met Hem verheerlijkt zullen worden en met Hem dat zoonschap zullen ontvangen. (Romeinen 8 : 15, 23).

Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Romeinen 8 : 18

Dat is het bekende principe dat de weg tot heerlijkheid per definitie gaat via lijden, via vernedering. Dat lees ik hier in Romeinen 8, maar je zou bijvoorbeeld de hele brief aan de Filippenzen daarnaast kunnen leggen, want dat is de inhoud van de brief aan de Filippenzen.

5 Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; 6 Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; 7 Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; 8 En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. 9 Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; Filippenzen 2 : 5-9

Uitermate = tot de uiterste maat. Dat is juist, omdat Hij Zich eerst vernederd heeft. Omdat Hij eerst geleden heeft, werd Hij daarna verhoogd. Denk maar aan Job en aan Jozef. Er zijn natuurlijk veel meer voorbeelden van, maar minder in het oog lopend. Dat is de weg die God wandelt met de mens; in de eerste plaats dus met de Mens Jezus Christus, maar vervolgens ook met elke gelovige. Dat is een weg die door lijden tot heerlijkheid voert. Dat betekent dat de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden, evenredig is met het lijden dat wij hier in deze wereld ondergaan. Vandaar “Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”. Tegenover die beproeving staat namelijk de toekomstige beloning. Dat is ook in Openbaring 20 : 4 het geval. Daar wordt gesproken over de martelaren uit de grote verdrukking, die onthoofd waren vanwege hun getuigenis. Zij zullen namelijk opgewekt worden en zij zullen met Christus heersen tijdens de duizend jaar. Er is dus een speciale beloning voor hen die speciaal geleden hebben.

De brief aan de Hebreeën spreekt ook over dat lijden en die verdrukkingen; speciaal over het lijden van de gelovigen.

1 … en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
2 Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God. Hebreeën 12 : 1, 2

Lijdzaamheid is het trefwoord. Hij is gezeten ter rechterhand van de troon van God omdat Hij het kruis heeft verdragen en schande veracht. Daarom staat er dat wij op Hem moeten zien, op Hem die het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Zie eens op Hem. Hij is gezeten aan de rechterhand Gods. Dat is wat God doet met Degene die voor Hem lijdt of in Zijn Naam lijdt. Daarom staat er:

… en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Hebreeën 12 : 1

Er is namelijk Iemand anders die ook een loopbaan liep die Hem voorgesteld was. Dat was Jezus, die voor de vreugde die Hem voorgesteld was het kruis heeft verdragen en is gezeten aan de rechterhand des troons van God. Als wij hier lijden mogen wij verwachten dat wij met Hem ter rechterhand Gods zullen zitten.

Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken  van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. Hebreeën 12 : 3

Er wordt gewoon gezegd dat wij dezelfde dingen moeten verwachten als de Heer verwacht heeft, dat wij daarin standvastig behoren te zijn. Dan wordt er in vers 5 een troost aan toegevoegd.

5 … Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt; 6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij 7 Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; Hebreeën 12 : 5-7

Vers 5 is aangehaald uit Job. Als wij de kastijding – het lijden – verdragen, dan gedraagt God Zich tegenover ons als tegenover erfgenamen.

En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8 : 17

Dat wordt hier weer herhaald. Dan staat er dat degenen die niet lijden, de bastaarden zijn. Dat zijn geen zonen. Dat zijn geen erfgenamen. Die worden niet verdrukt. Degenen die wel in lijden terechtkomen, zijn juist de zonen. Dit is nu eenmaal het algemene principe van de schrift. In 1 Petrus 1 staan precies dezelfde dingen. 1 Petrus 1 : 3 zegt dat “God ons naar Zijn grote barmhartigheid heeft wedergeboren tot een levende hoop”. Wij zijn immers kinderen geworden. Wij zijn, zoals Jakobus het zei, naar zijn wil gebaard door het Woord der waarheid (Jakobus 1 : 18).

Wij zijn wedergeboren Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. 1 Petrus 1 : 4

Ons loon zou immers groot zijn in de hemel (Matthéüs 5 : 12). Dat loon had ook te maken met het lijden dat we hier ondergaan.

5 Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten
6 In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
7 Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; 1 Petrus 1 : 5-7

Wij verheugen ons in de kracht Gods. Dit is bijna woordelijk hetzelfde als de aanhef van de brief van Jakobus, maar we vinden dezelfde dingen bij de Here Jezus in het Matthéüs-evangelie en bij de apostel Paulus, met name in Romeinen, Filippenzen en als u het mij vraagt ook in Hebreeën. Het is dus een algemene waarheid dat verzoeking lijdzaamheid werkt en dat het lijden dat de gelovige ondergaat in de toekomst beloond zal worden in de vorm van heerlijkheid die wij dan zullen openbaren. Als wij geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus ontvangen wij eventueel loon voor dat wat door het lichaam geschied is, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Korinthe 5 : 10). Degene wiens lichaam door de Heer gebruikt wordt, moet lijden verwachten. Die dingen horen dus bij elkaar. Dat is een normale zaak. Als een gelovige beloond wordt voor dat wat de Heer door ons doet en als een gelovige beloond wordt voor het lijden dat hij om Zijns Naams wil gedragen heeft, dan betekent dat dat een dienstknecht van God bereid moet zijn om te lijden in deze wereld.

Elke gelovige is een dienstknecht van God. Wij allen “doen alles den Heere”, staat er. “Al wat gij doet, doet het Gode” (1 Korinthe 10 : 31). Wij dienen onder het nieuwe verbond. Wij zijn Gode dienstig en dus dienstknechten van God. Wat God door ons doet, heeft tot gevolg dat wij loon hebben in de hemel. Het heeft ook tot gevolg dat wij lijden hier op aarde. Vandaar dat de Schrift zegt dat al wie hier wat opgeeft voor Hem, dat in de toekomst, in het eeuwig leven, weder zal ontvangen. Als je die dingen beseft en als je er zo over spreekt, dan is het ook niet zo moeilijk om te begrijpen wat Jakobus nu eigenlijk zegt in Jakobus 1 : 2. Ons loon zal dan immers groot zijn in de hemel. Als wij gelovigen zijn, dan is dat een argument waar we veel waarde aan toekennen. Als wij gelovigen zijn, verwachten we die hemel, verwachten we een eeuwige toekomst in de hemel. Dan is het onze hoop dat we daar inderdaad loon zullen ontvangen.

3 Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.
4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk. Jakobus 1 : 3, 4

Die lijdzaamheid stond al in Romeinen, in 1 Petrus en in Hebreeën. Vers 4 is een wat lastig vers; het is wat vreemd Nederlands. In de Statenvertaling betekent het woord “volmaakt” altijd “volgroeid”. Wat volmaakt is, is volgroeid. Iets wat volmaakt is, heeft de bepaalde weg, de bestemde weg van ontwikkeling doorgemaakt. Daarom is het hetzelfde als het woord voor volwassen. “De lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk” betekent dat die lijdzaamheid tot het einde toe zou moeten worden vastgehouden, opdat wij lijdzaam zullen zijn tot het einde toe. Als u andere Nederlandse vertalingen ernaast legt, zult u dat ook zien staan. Dat komt voor in andere vertalingen die het meteen verklaard hebben. Het gaat erom dat die lijdzaamheid tot het einde toe zou werken.

Dat klinkt in onze tegenwoordige bedeling wat vreemd, hoewel je “tot het einde toe”dan kunt opvatten als “totdat onze aardse loopbaan gelopen is”. Het krijgt echter een vollere betekenis in de tijd waarover deze brief nu eenmaal spreekt. “Tot het einde” wil zeggen “tot het einde van die 33 jaar”. Het einde van die 33 jaar is natuurlijk het einde van de “dag des toorns”. Zo heet het officieel in de Bijbel. Ik zeg expres 33 jaar opdat je zou zien dat daar nadrukkelijk op een bestemde tijd een eind aan komt. Dat staat bij de Heer vast. Dat die lijdzaamheid een volmaakt werk zou hebben, wil dus zeggen dat die lijdzaamheid zou werken tot het einde toe. Daarmee hebben we meteen de aansluiting met Matthéüs 24 en 25, want dat is de rede over de laatste dingen. De Engelsen noemen dat de tweede bergrede. Daar gaat het over wat er allemaal zal gebeuren voordat het Koninkrijk van Christus op aarde gestalte zal hebben. Dan wordt er onder andere gezegd:

Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Matthéüs 24 : 13

Dat is volmaakte lijdzaamheid. Dat is voltooide, volgroeide lijdzaamheid. We hebben al gelezen dat dat zalig worden het ingaan in het Koninkrijk is; ingaan in de duizend jaren. “De lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk” wil dus zeggen volharden tot het einde om zalig te worden. Dat is dus in de eerste plaats van toepassing op de toekomende bedeling. “Opdat gij moogt volmaakt zijn” = “opdat gij moogt volgroeid zijn”. Niet alleen die lijdzaamheid is dan volgroeid, maar ook die lijdzame gelovige is dan volgroeid. Niet alleen de tijd is tot het eindpunt gekomen, tot de bestemde tijd, maar ook de gelovige is tot die bestemde tijd gekomen. Wie volhardt tot het einde van de tegenwoordige boze eeuw, want daar gaat het om in Matthéüs 24, komt zelf ook aan dat einde. Die lijdzaamheid komt aan een eind, maar ook die gelovige komt aan het eind, want dat staat er. De lijdzaamheid is dan volmaakt, maar ook de gelovige is dan volmaakt of volgroeid.

Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk. Jakobus 1 : 4

Dat “geheel oprecht” is wat moeilijk. Er staan twee woorden in het Nederlands, maar één woord in de grondtekst. Dat woord komt eigenlijk maar twee keer voor; hier en in 1 Thessalonicenzen 5.

En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus. 1 Thessalonicenzen 5 : 23

Dat “geheel oprecht” is precies dezelfde uitdrukking als in Jakobus 1 : 4, waar staat dat wij geheel oprecht zouden zijn. Dat zijn de enige twee keren dat de term als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt. Het komt nog een keer voor als zelfstandig naamwoord in Handelingen 3 en daar is de betekenis heel duidelijk. Daar is het helemaal anders vertaald.

En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegen woordigheid. Handelingen 3 : 16

“Volmaakte gezondheid” is hetzelfde als “geheel oprecht” in Thessalonicenzen en in Jakobus. De uitdrukking die hier gebruikt wordt, dat ene Griekse woord, betekent “in alle delen ongeschonden”. “In alle delen” wil zeggen “geheel” ongeschonden. Dat wordt dan vertaald met “oprecht”, en hier met “gezondheid”. De man in Handelingen 3 : 16 was die kreupele, lamme man, die werd genezen via de bediening van Petrus en Johannes. Hij werd ineens in al zijn delen weer gezond. Het betekent dat al zijn lichaamsdelen weer perfect functioneerden. Al zijn delen waren dus ongeschonden. Vandaar die “volmaakte gezondheid”. Dat is het ook in 1 Thessalonicenzen 5, want daar staat ook “uw geheel oprechte”, namelijk “uw in alle delen ongeschonden” geest en ziel en lichaam. Dat zijn drie woorden, maar het gaat om één ding. Het is de zegen die de apostel meegeeft of uitspreekt over de gelovigen. Hij vertelt hen waar de mens zijn zegen vandaan haalt voor zijn gehele wezen. Dat staat er ook. Daarom staat er “uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam”, alles ongeschonden. Dat beveelt hij aan bij de Heer; de hele mens, geest en ziel en lichaam als de gehele mens. Die betekenis heeft het hier ook.

“Opdat gij moogt volmaakt zijn” in Jakobus 1 : 4 gaat over de mens als zodanig, opdat de mens – de gelovige – volgroeid zou zijn. De bedoeling is dat de gelovigen tot wie Jakobus hier schrijft, met geest, ziel en lichaam zouden zalig worden, namelijk het Koninkrijk zouden binnengaan, in het lichaam en hier op aarde. Op ons is het dus wat moeilijker van toepassing te brengen, omdat het woord spreekt over de lichamelijke gezondheid, zoals blijkt uit Handelingen 3. Bij ons spreekt het uiteraard over een geestelijke gezondheid in verband met onze hemelse positie. Toegepast zoals het er staat, op de toekomende bedeling, is het geen enkel probleem. De bedoeling is dat men de verdrukkingen, de verzoekingen, zou doorstaan. Dat men zou volharden tot het einde om ongeschonden en zonder gebrek het Koninkrijk binnen te gaan. Wat het Koninkrijk binnengaat en dus voor God bestemd is, is volmaakt, zelfs in lichamelijke zin.

Dat het ook om lichamelijke gezondheid gaat, is de gedachte die in de brief aan de Thessalonicenzen een rol speelt, omdat in die brief ook in de eerste plaats gedacht wordt aan een Christus’ aardse wederkomst. Dat kun je alleen begrijpen als je de achtergrond van die brief kent, want wij zijn geneigd te denken dat degenen die ontslapen zijn, zijn voorgekomen degenen die zijn achtergebleven. Dat is precies andersom. Er staat dat we zouden weten dat degenen die levend overgebleven zijn, niet zijn voorgekomen of zullen voorkomen degenen die ontslapen zijn. De gedachte was dat degenen die levend overblijven tot de toekomst des Heeren, het “Duizendjarig Rijk” hier op aarde zouden binnengaan. De apostel Paulus zegt dat degenen die levend overblijven, niet voorgaan. Die levend overblijven moeten zelfs even wachten op degenen die al ontslapen zijn, want die zullen opgewekt worden opdat zij vervolgens tezamen niet “de duizend jaren”, maar de hemel zouden binnengaan. In vele opzichten poneert hij dus een afwijkende stelling. Hij wijst ineens op de hemelse toekomst van de gelovige. Daar zit het contrast.

Paulus schreef die brief aan mensen die een aardse toekomst verwachtten en dus dachten dat degenen die levend zouden overblijven, voor zouden komen. Hij zegt dat we geen aardse toekomst verwachten, maar een hemelse toekomst. We zullen de Heer tegemoet gaan in de lucht om voor altijd met de Heer te wezen. Daarna laat hij maar in het midden hoe dat dan precies zit, want dat wordt uiteengezet in de “gevangenisbrieven” van Paulus. Ook in de brief aan de Thessalonicenzen gaat het daar echter wel degelijk om.

In de toekomende bedeling, de zesde, de bedeling van de grote verdrukking, zijn er gelovigen die onschendbaar zijn omdat ze verzegeld zijn. Dat zijn er 144.000 (Openbaring 7). Er zijn ook gelovigen die niet onschendbaar zijn en dus wel gedood kunnen worden. Sommigen overkomt dat ook, maar ze zullen opgewekt worden bij het begin van de duizend jaar. Anderen worden gewaarschuwd: Denk erom, als je ziek bent, dan is er wat fout, want je zou moeten blijven leven tot de duizend jaren en zelfs tot in en tot voorbij de duizend jaren. Als je daarbij denkt aan ziekte, dan denk je vanzelfsprekend aan een ziekte die tot de dood leidt en niet aan een verkoudheid of iets dergelijks. In die bedeling hebben de gelovigen de garantie dat als ze zien op de Here Jezus, als ze zien op de verhoogde slang (Johannes 3 : 14), Hij hen inderdaad zal genezen en het leven zal geven, zodat ze zullen kunnen volharden tot het einde om zalig te worden, namelijk om de duizend jaar in te gaan. Het is nu eenmaal zo dat die lichamelijke toestand van de gelovige een belangrijke rol speelt in deze brief van Jakobus en dat komt door die bedeling. Dat komt doordat het een bedeling is binnen een generatie, zodat voor elke gelovige daar de mogelijkheid is om dat te overleven.

In Jakobus 1 : 4 gaat het om het volharden tot het einde om volgroeid te worden. Die volmaaktheid wordt op vier manieren genoemd.

En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, … Jakobus 1 : 5a

Dat sluit heel aardig aan bij vers 4, want vers 4 eindigt met “in geen ding gebrekkelijk”. Als het iemand bijvoorbeeld aan wijsheid ontbreekt, dan kan hij die “van God begere”. Om beproevingen te kunnen doorstaan, heeft men meer dan ooit wijsheid nodig. Wijsheid is Christus.

… Die een ieder mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Jakobus 1 : 5b

Wijsheid is in de eerste plaats nodig om de verzoeking te kunnen dragen. Men heeft wijsheid nodig om te kunnen volharden, om door de problemen heen zijn weg te kunnen vinden. De wijsheid die de mens van nature meekrijgt schiet over het algemeen tekort in verband met de geestelijke dingen. Dat is een algemene waarheid. De intelligentie van elk mens schiet tekort bij de bestudering van het Woord van God. Dat komt omdat het Woord van God zodanig geconstrueerd is, dat de normale menselijke intelligentie niet voldoende is om dat Woord te begrijpen. Men heeft daarvoor geloof nodig. Zonder geloof kom je er absoluut niet uit. Men moet op voorhand geloven. Dat is eigenlijk het enige geheim van de bestudering van de Schrift. Als je niet op voorhand gelooft wat er in staat, hoef je het ook niet te lezen. Dan leer je er namelijk niets van. Dan zeg je: “Dat zal wel”. Daar word je niet wijzer van.

De Bijbel is het Woord van God en dat steekt nu eenmaal zo in elkaar dat hier wat staat en daar wat én daar wat. De bedoeling daarvan is ongetwijfeld dat niet iedereen zou begrijpen wat er in die schrift staat. Sommige waarheden zijn duidelijk genoeg. Dat kan ook iedereen begrijpen. Sommige zijn echter bepaald verborgen, opdat geen paarlen voor zwijnen geworpen zouden worden en opdat hoge geestelijke waarheden niet bekendgemaakt zouden worden aan ongelovige zondaren. Wat je dus nodig hebt, is wijsheid van God, ofwel geloof, ofwel de “Geest van openbaring in kennis van Hem” (Éfeze 1 : 17). In de praktijk blijkt dat allemaal hetzelfde te zijn. Wat wij nodig hebben is Christus, Die is ons geworden wijsheid van God.

30 Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
31 Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere. 1 Korinthe 1 : 30, 31

Al wat wij ontvangen hebben, hebben wij ontvangen in Christus. Wat we zeker ontvangen als gelovige, is wijsheid van God, maar die wijsheid van God is een wijsheid met betrekking tot Christus. Het is een wijsheid om Christus te leren kennen. Die wijsheid is dus Christus. Degenen die wijsheid ontvangen van God, ontvangen Christus. Degenen die Christus ontvangen en Hem leren kennen, Hem leren verstaan, mogen dan wat dat betreft wijs zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat ze daarmee ook naar wereldse normen intelligent geworden zijn. We moeten onnozel, onwetend zijn in het kwade en verstandig of wijs zijn in het goede (Romeinen 16 : 19). Als je wijsheid nodig hebt van God en Hij geeft het, dan is het in ieder geval wijsheid om het Woord van God te leren verstaan. Daarin vind je ook alle hulp voor alle problemen. Langs die weg gaat het. Ik heb in ieder geval die ervaring. Hoewel je niet precies weet welke weg je in wilt, vraag je de wijsheid of de leiding van de Heer om een bepaalde weg te gaan. De Heer geeft dan die wijsheid, maar voor een andere weg, namelijk Zijn weg. Dat is het beste wat je kan overkomen.

Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. Jakobus 1 : 6

Als het iemand aan wijsheid ontbreekt, zal hij die wijsheid ontvangen, maar alleen als hij gelooft. Dat wil niet zeggen dat hij moet geloven dat hij wijsheid zal ontvangen als hij erom vraagt. Dat is een rare redenering. Het punt is dat je eerst het Woord van God moet geloven, want geloof is altijd geloof in het Woord dat God gesproken heeft. Als je dat Woord wilt begrijpen, maar het ontbreekt je aan wijsheid en je vraagt het dan aan de Heer, dan geeft Hij de wijsheid om dat Woord te leren verstaan. Als iemand echter dat Woord niet gelooft, waarom zou God dan wijsheid geven? Om dat Woord te bestuderen? Dat heeft geen zin. Wie het niet gelooft, hoeft het ook niet te bestuderen. De schrift is uiteraard alleen geschreven voor hen die bereid zijn het Woord van God te geloven. Het Woord is bestemd voor degenen die bereid zijn het Woord te geloven en God geeft dus ook alleen wijsheid om het Woord te begrijpen aan degenen die daarin geloven.

Vers 6 is duidelijk genoeg. Een baar goud is stevig en loodzwaar. Hier gaat het om de baren van de zee en die zijn niet zo stevig. Die bewegen alle kanten op. Waarom dat ook een baar heet, weet ik niet. Een baar der zee is er een die door de wind gedreven en op en neer geworpen wordt. Dat is een ongelovige, namelijk iemand die twijfelt. Dat staat ook in Romeinen 4. Abraham heeft tegen hoop op hoop geloofd en niet getwijfeld door ongeloof (Romeinen 4 : 18, 20). Een ongelovige heeft geen zekerheid. Een gelovige, een echte gelovige, die heeft zekerheid. Een gelovige in die bedeling waarover Jakobus schrijft ook, want in ieder geval zullen binnen die generatie alle dingen geschied zijn.

Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van den Heere. Jakobus 1 : 7

Dit wordt gezegd van de twijfelaar, dus van de ongelovige. De Heer geeft namelijk alleen aan gelovigen. Dat is het oude verhaal van het verbond met Abraham. God geeft alleen zegeningen of beloften aan gelovigen.

Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen. Jakobus 1 : 8

“Dubbelhartig” wil zeggen dat de man niet kan kiezen tussen twee dingen. Dat is dubbel. Dubbel = twee. Die man heeft zijn hart op twee verschillende dingen gesteld heeft. Hij kan kiezen en twijfelt dus. Een dubbelhartig man gaat dan weer links en dan weer rechts. Dat is een ongelovige. Het is jammer dat vele gelovigen ook zo leven. Van geloof getuigt het als we standvastig blijven, vasthouden aan het Woord en zeggen: “Er staat geschreven, en zo is het en daarmee uit, want dat staat er.” Dat is standvastig, vasthouden aan de Heer en zien op de Heer. Daar gaat het hier over. Ongestadig = onstabiel.

8 Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen.
9 Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid. Jakobus 1 : 8, 9

Een gelovige is nederig en onderwerpt zich aan het Woord. Nederigheid is vertrouwen op dat wat een Ander gezegd heeft. In werkelijkheid is dat namelijk heel hoog. Daarmee heeft hij zichzelf overwonnen, want hij heeft zich onderworpen aan een Ander, namelijk aan de Heer.

En de rijke in zijn vernedering; … Jakobus 1 : 10

De rijke moet namelijk vernederd worden. Iemand die hier op aarde alles heeft, moet die rijkdom kwijt zien te raken, want dat wat hij op aarde heeft, dat wat hij hier heeft van de oude mens, inclusief zijn oude lichaam, zal als een bloem van het gras voorbijgaan. Dit is aangehaald uit de Psalmen. (Psalmen 37 : 2; 90 : 5, 6; 103 : 15, 16). Het sluit aan bij wat de Heer zegt in Matthéüs 19 : 24 “Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods”. Eigenlijk kon het helemaal niet. Men moet eerst arm worden om vervolgens rijk gemaakt te worden door de Heer. De apostel is deze brief begonnen met te wijzen op de vergankelijkheid van het aardse bestaan, de vergankelijkheid van het aardse leven. Dat is te meer waar, daar de brief, zoals we gezien hebben, zijn actuele toepassing ontvangt in de volgende bedeling. Die bedeling neemt niet meer tijd in dan één generatie en in ieder geval minder dan één mensenleeftijd. In dat verband wordt er op gewezen dat de mens als gras is. In Jesaja 40 : 6-8 staat dat het gras dor is en dat zijn bloem afvalt. De schone gedaante haars aanschijns vergaat en alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

Een rijke is uiteindelijk de uitdrukking van elk levend mens die nog in het bezit is van zijn aardse bestaan, voor zover je dat een bezit mag noemen. Als een rijke aan de Heer vraagt wat hij moet doen, zegt de Heer: “Ga heen, verkoop alles wat je hebt en volg Mij” (Matthéüs 19 : 21). Daaruit blijkt dat de mens niet alleen zijn bezittingen, maar zijn hele leven dient op te geven. Dat is zijn bezit. Dat is zijn rijkdom. Hij dient zijn leven op te geven om in staat te zijn de Here Jezus Christus te volgen. Dat is trouwens niet zo moeilijk te bedenken, want als we ons realiseren dat de Here Jezus door wedergeboorte Zijn Koninkrijk, een eeuwig en onvergankelijk Koninkrijk, is binnengegaan, dan is duidelijk dat wij dat Koninkrijk pas binnen kunnen gaan als ook wij het oude leven hebben afgelegd. Iemand kan dan rijk zijn, maar de weg die hij aflegt, leidt onherroepelijk tot het verderf.

… alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken. Jakobus 1 : 11

Dit is een rare uitdrukking, maar dat komt omdat verwelken het woord is voor wat er gebeurt met planten en met name met het gras; het verwelkt. Vandaar dat ook de rijke in zijn wegen zal verwelken. Zijn weg leidt dus uiteindelijk tot niets, tenzij hij eerst arm wordt.

Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; … Jakobus 1 : 12

Die verzoeking was al genoemd in de aanhef van deze brief (Jakobus 1 : 2). Verzoekingen houden direct verband met onze aardse omstandigheden. Ik denk maar even aan de verzoekingen van Job. Dat waren verzoekingen die verband hielden met wat hem hier op aarde in zijn leven overkwam. Bovendien hebben de verzoekingen die we ook kennen van de volgende bedeling te maken hebben met het aardse bestaan, het aardse welzijn. Ze hebben te maken met kopen en verkopen, met het teken van het beest en dat soort dingen. Men wordt verzocht de rijkdom die men hier als mens op aarde heeft op een of andere wijze te beschermen. Een van de gevaren die gelovigen bedreigen is inderdaad dat ze concessies doen aan hun geloof en aan wat zij geloven ten behoeve van hun welzijn, ook zelfs van hun financiële welzijn hier op aarde. Daarom waarschuwt de apostel in deze verzen eerst voor die aardse rijkdom die toch vergaat, net zo goed als het hele aardse leven vergaat. Dan komt hij terug bij die kwestie van de verzoeking in vers 12.

Het is zo aardig dat hij begint met “Zalig is …” Het toont de overeenkomst met de Bergrede. Ook in deze brief van Jakobus gaat het over de tijd waarin het Koninkrijk weliswaar nog niet geopenbaard is aan iedereen, maar toch wel geopenbaard wordt. Dat proces van openbaring van het Koninkrijk speelt zich af in de volgende bedeling. Toegepast op de onze is het natuurlijk zo dat het Koninkrijk inderdaad nog verborgen is en hooguit bekendgemaakt wordt en kenbaar wordt aan de gelovigen, maar dat is natuurlijk wel in heel beperkte zin zo. “Zalig is de man, die verzoeking verdraagt” geldt niet alleen in verband met de openbaring van het Koninkrijk in de toekomst. Het is een algemene Bijbelse waarheid dat degene die de verzoeking verdraagt zalig gesproken wordt. Er staat ook dat er beloning is voor het verdragen van deze verzoeking. Dit principe is altijd van toepassing voor degene die de verdrukking, het lijden van deze wereld, draagt.

Wat hier verzoeking heet, heeft te maken met de algemene positie van de gelovige in deze wereld. Dat sluit aan bij Romeinen 8, waar staat dat de apostel ervan overtuigd is dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden, als we tenminste met Hem lijden om vervolgens met Hem verheerlijkt te worden (Romeinen 8 : 17, 18). De verheerlijking van een gelovige in de toekomst is mede afhankelijk van de mate van lijden in dit leven ondergaan. Dat is een eenvoudige Bijbelse waarheid, voornamelijk geïllustreerd in de bekende brief aan de Filippenzen. Die brief vertelt dat de Here Jezus Christus heeft geleden tot het uiterste en dat Hij daarom inmiddels ook is verhoogd en zelfs nog verheerlijkt zal worden, ook tot het uiterste, tot de uiterste maat (Filippenzen 2 : 5-9). God heeft Hem uitermate verhoogd, omdat Hij ook uitermate, tot de uiterste maat, gehoorzaam geweest is en Zich vernederd heeft. Zo is er ook beloning voor degene die verzoeking verdraagt.

Als in de Bergrede gesproken wordt over “Zalig is …”, gaat het erom dat degenen die dan genoemd worden inderdaad het Koninkrijk zullen beërven oftewel zullen ingaan, want over dat Koninkrijk spreekt die redevoering. Als dan mensen zalig worden gesproken, wil dat zeggen dat ze deel krijgen aan die zaligheid en die zaligheid bestaat uit het ingaan in het Koninkrijk. Ook onze zaligheid bestaat eruit dat we dat Koninkrijk binnengaan, al is het dan nu nog een verborgen Koninkrijk. In de toekomst zal het ook wat ons betreft een geopenbaard Koninkrijk zijn. De zaligheid bestaat dus sowieso uit het ingaan in het Koninkrijk. Daar is niet alles mee gezegd, maar dat is wel de overeenkomende factor, de verbindende factor. De zaligheid bestaat eruit dat men dat Koninkrijk beërft. Wij beërven nu al een verborgen Koninkrijk; zij straks een geopenbaard Koninkrijk op aarde en nog weer anderen die voor ons geleefd hebben in voorgaande bedelingen, zullen dat Koninkrijk pas na de jongste dag beërven, meer dan duizend jaar later dus. Allen gaan datzelfde – uiteindelijk eeuwige – Koninkrijk in. Het is een eeuwig Koninkrijk dat zich uitstrekt over hemel en aarde. Wat ze ook beërven, het zal altijd in de eerste plaats het Koninkrijk zijn waar ze binnengaan. Daar gaat het om.

Verzoeking heeft altijd te maken met het heen en weer getrokken worden tussen de nieuwe schepping aan de ene kant en de oude schepping aan de andere kant. Het gaat er namelijk om dat de verzoeking eruit bestaat dat men van de geestelijke dingen afgetrokken wordt door de ziellijke ofwel de zienlijke dingen. Het gaat om begeerlijkheid waardoor de mens verzocht wordt. Begeerlijkheid wordt elders “de begeerlijkheid der ogen genoemd”.

16 Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.
17 En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; … 1 Johannes 2 : 16, 17

De grootsheid des levens is eigenlijk de hoogmoed. Dit gaat om begeerlijkheid des vleses, namelijk begeerlijkheid der ogen. Vlees is namelijk dat wat de ogen zien. Daarom heet begeerlijkheid des vleses ook begeerlijkheid der ogen, want dat is hetzelfde. De mens ziet aan wat voor ogen is en wordt daardoor geleid (2 Samuël 16 : 7). De mens wordt door begeerte afgeleid van de geestelijke dingen. Zijn begeerte wordt gewekt voor vergankelijke dingen, waardoor zijn aandacht bij vergankelijke dingen is in plaats van bij onvergankelijke.

De verzoeking uit Jakobus 1 : 12 komt over de mens heen. Hij moet het dragen. Nadat die beproeving voorbij is, zal hij de kroon des levens ontvangen. De Heer heeft die kroon niet beloofd aan degenen die beproeving verdragen, maar aan degenen die Hem liefhebben. Als ik de klemtoon anders leg, wordt het duidelijker: Aan degenen die Hém liefhebben. De verzoeking bestaat er uit dat onze liefde wordt opgewekt voor vergankelijke dingen in plaats van voor de Heer. Degenen die Hém liefhebben en daarom eventueel de wereld haten en hun leven haten in deze wereld (Johannes 12 : 25), voor hen is de kroon des levens weggelegd. Er bestaat wat misverstand over die kroon. Een kroon spreekt in de eerste plaats over heerschappij. Een kroon is alleen bestemd voor koningen. Die kroon wordt gegeven aan degenen die de verzoeking doorstaan, want zij zijn degenen die vervolgens zullen heersen. Zij overwinnen namelijk en de overwinnaar is of wordt nu eenmaal de koning. Degene die de strijd aan kan is degene die bestemd is, geschikt is, om heerschappij te hebben, om verantwoordelijkheden te dragen. Hij heeft namelijk getoond verantwoordelijkheden aan te kunnen. Hij heeft “zichzelf” onder controle kunnen houden. Ik praat over de gelovige. Hij heeft die verzoeking kunnen doorstaan. Als hij dat kan is het vervolg dat hij ook verantwoordelijkheden krijgt te dragen voor anderen en dus een kroon ontvangt.

In Hebreeën 12 wordt gesproken over kastijding en in ieder geval over strijd. In Hebreeën 12 : 2 is de brief aan de Filippenzen weer samengevat.

Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God. Hebreeën 12 : 2

Dat gebeurt met iemand die het kruis verdraagt en schande veracht. Zo iemand komt te zitten aan de rechterhand Gods. Hij komt daar dus ook te rusten, want dat is zitten. Dan wordt dat principe toegepast op ons.

5 En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;
6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iedere zoon, die Hij aanneemt. Hebreeën 12 : 5, 6

Hier gaat het weer om de Heer liefhebben in plaats van iets anders. Liefde is een wederzijdse aangelegenheid. Het is onze liefde voor de Heer, Die ons liefheeft. “Aannemen” moet “aanstellen” zijn, want het gaat om het “aanstellen van zonen”. Zonen zijn erfgenamen en erfgenamen worden niet aangenomen, maar erfgenamen worden aangesteld. Wie wordt er aangesteld tot erfgenaam? Degene die “de kastijding des Heeren verdraagt”. Een zoon wordt namelijk gekastijd door de Heer, want een vader kastijdt zijn zoon als hij die liefheeft (Spreuken 3 : 12). Het doel daarvan is dat hij zo gehard zal worden dat hij verantwoordelijkheden zal kunnen dragen, opdat hij erfgenaam zal kunnen zijn.

Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; Hebreeën 12 : 7

Dat betekent dat God ons dan aanstelt tot erfgenaam en dan ontvangen wij een kroon. Als je erfgenaam wordt van God en medeërfgenaam met Christus (Romeinen 8 : 17), ontvang je een kroon, namelijk heerschappij in het eeuwig Koninkrijk van Christus. Daar komt het op neer. Ik weet wel dat het hier in de brief aan de Hebreeën gaat over de Gemeente, over hen die volgens ditzelfde hoofdstuk zijn gekomen tot de algemene vergadering, de Gemeente der eerstgeborenen die in de hemel zijn opgeschreven (Hebreeën 12 : 23). Dat is alleen maar het Lichaam van Christus. Maar het principe is dat iemand die de kastijding en de verzoeking, het lijden, kortom de strijd verdraagt, doorstaat en overwint, de kroon – en wat daar zoal bij hoort – zal ontvangen. Denk nog maar eens aan de gelijkenissen die zo op elkaar lijken: de gelijkenis van de ponden en de gelijkenis van de talenten (Matthéüs 25 : 14-30; Lukas 19 : 11-27). De gelijkenis van de ponden spreekt over de tegenwoordige bedeling. Dat staat er ook bij, want er staat dat die gelijkenis verteld wordt omdat zij nabij Jeruzalem waren en omdat de discipelen dachten dat het Koninkrijk terstond zou openbaar worden. Dat ging vooraf aan de zogenaamde intocht in Jeruzalem.

En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden. Lukas 19 : 11

De Heer komt al in de buurt van Jeruzalem, de plaats waar het Koninkrijk geopenbaard zou moeten worden. Hij reed naar Jeruzalem op een ezel. Hij werd niet verheerlijkt als Koning. Hij werd vernederd. Hij kwam in vernedering en Hij had dus ook geen kroon. Hij kwam op die dag, aan het einde van de 69-ste week van Daniël, tot Jeruzalem, maar toen werd de Messias uitgeroeid en “Hij zou niet hebben”, zegt de grondtekst van Daniël 9 : 26. Hij zou Zijn Koninkrijk niet hebben. Vandaar dat deze zogenaamde intocht in Jeruzalem plaatsvond op een ezel. De discipelen meenden niet dat het Koninkrijk Gods terstond zou komen, want als ze dat gedacht hadden, hadden ze het volkomen bij het rechte eind. Het Koninkrijk zou terstond komen of opgericht worden, maar het zou niet terstond openbaar worden en daar zat de fout. Dat is de enige goede verklaring voor het verschijnsel dat de discipelen er naast zaten. Die discipelen rekenden er wel degelijk op dat ze met de Here Jezus een Koninkrijk zouden binnengaan en dat is ook wat de Heer hen zegt (Lukas 22 : 30). Hij zegt zelfs dat ze met Hem zouden zitten op twaalf tronen, weliswaar in de wedergeboorte, maar Hij zegt toch dat dat zo is (Matthéüs 19 : 28). Waarom is het Koninkrijk voor hun ogen evenwel verborgen? “Omdat gij de tijd uwer bezoeking niet bekend hebt,” zegt Lukas 19 : 44.

Ponden en talenten

In dat verband vertelt de Heer de gelijkenis van de ponden. Tien mannen ontvingen een pond. Er waren erbij die het een en ander verdienden.

16 En de eerste kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen.
17 En hij zeide tot hem: Wel, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden. Lukas 19 : 16, 17

Wel = goed. Deze dienstknecht krijgt dus een kroon of tien kronen. Hij krijgt macht over tien steden. Dat is een kroon. Dat is een verklaring van wat een kroon inhoudt. De tweede krijgt ook een kroon.

20 En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had;
21 Want ik vreesde u, … Lukas 19 : 20, 21

Dan wordt tot hem gezegd:

24 En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien, die de tien ponden heeft.
25 En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden. Lukas 19 : 24, 25

Die dienstknecht had al tien ponden. Wat er verder met deze ontrouwe dienstknecht gebeurt, staat er niet bij. Zijn bezitting wordt afgenomen. Wat hij ontvangen had, wordt weggenomen. Wat denkt u? Zou hij dat koninkrijk van die heer ingaan? Er staat: “Een zeker welgeboren man”. Welgeboren kan natuurlijk alleen maar inhouden dat hij wedergeboren is.

Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren. Lukas 19 : 12

Zou die ontrouwe dienstknecht het koninkrijk zijn binnengegaan? Ja. Waarom niet? Er staat toch niets anders bij?

24 … Neemt dat pond van hem weg, …
26 … van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.
27 Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood. Lukas 19 : 24, 26, 27

In vers 27 wordt gesproken over vijanden en niet over dienstknechten die ontrouw zijn. Die vijanden zijn degenen die het koninkrijk niet binnengaan, maar deze dienstknechten wel. Dat is zo omdat hier gesproken wordt over de Gemeente, over de dienstknechten van deze Heer in de tijd van Zijn afwezigheid. Dat is nu. Diegenen die God dienen, die bekwaam gemaakt zijn om dienaren te zijn onder het nieuwe verbond, ook als zij daarin ontrouw zijn, hebben wel degelijk deel aan dat Koninkrijk en gaan daar ook in. “Behoud verspelen” in de zin dat het eeuwig leven verloren gaat, is niet het geval. Dat is de gelijkenis van de ponden. Het loon bestaat sowieso uit kronen en er is een mogelijkheid om helemaal geen kroon of loon te krijgen. Wanneer men namelijk verzoeking of verdrukking niet verdragen heeft, is er ook geen kroon. Dan is er wel leven, maar geen kroon, dus wel een ingaan in het Koninkrijk, maar geen heerschappij in het Koninkrijk. Men kan een kroon ontvangen of niet, maar het behoud staat in ieder geval vast.

Dat staat in contrast met een gelijkenis die een of twee dagen na de intocht in Jeruzalem verteld wordt. Dat is de gelijkenis van de talenten. Die dienstknechten ontvangen talenten. Alleen nu niet allemaal hetzelfde, maar verschillend.

20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren. Matthéüs 25 : 20, 21

De vreugde van uw heer is in elk geval het Koninkrijk. Hij houdt notabene zijn talenten ook nog. Dat was bij de ponden ook zo. Die tien ponden had, hield zijn tien ponden en hij kreeg er zelfs nog een bij. Wat hij gewonnen had, mocht hij dus houden.

22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
23 … Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, … ga in, in de vreugde uws heeren. Matthéüs 25 : 22, 23

In vers 24 geeft de man die het ene talent ontvangen had net zo’n antwoord als die van dat ene pond. De heer zegt dat hij het beter aan de bank of aan de wisselaar had kunnen geven, want dan had hij het met woeker terug kunnen krijgen. Dat is precies hetzelfde principe.

Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft. Matthéüs 25 : 28

Dit is precies hetzelfde als met die ponden.

Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft. Matthéüs 25 : 29

Dit stond ook zo in Lukas 19.

Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood. Lukas 19 : 27

En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden. Matthéüs 25 : 30

Dat is het verschil in het verhaal. De climax is verschillend. Deze man die niet getrouw geweest is, wordt buitengeworpen in de buitenste duisternis en gaat dus ook het Koninkrijk niet binnen, omdat hij niet getrouw geweest is. Het verschil zit hem erin dat deze man leeft in een andere bedeling dan de dienstknechten uit de gelijkenis van de ponden. Weliswaar spreken ze beide over het nieuwe verbond, maar die van de ponden spreekt over de verborgenheid van het Koninkrijk en de andere spreekt over de tijd waarin het Koninkrijk weliswaar nog verborgen is, maar geopenbaard wordt. De gelijkenis van de ponden spreekt over de bedeling van de genade, de vijfde bedeling, en deze gelijkenis van de talenten spreekt over de zesde bedeling, die van de volheid der tijden. Dat is het verschil. De overeenkomst is dat ze erfenis hebben in het Koninkrijk waarin ze binnengaan. De erfenis of de beloning bestaat eruit dat ze met Christus zullen heersen.

Dan heb ik meteen de verbinding gelegd met het boek Openbaring. Daar staat hetzelfde, namelijk dat degenen die ter dood gebracht zijn vanwege hun getuigenis, dus de martelaren uit de grote verdrukking, uit de ure der verzoeking, opgewekt worden bij de aanvang van de duizend jaren om dan de duizend jaren met Christus te heersen (Openbaring 20 : 4). Hun beloning voor hun martelaarschap, voor hun trouw, bestaat eruit dat zij kronen ontvangen. Die beproeving heeft dus wel degelijk te maken met het aanstellen van zonen. God beproeft, God kastijdt een iedere zoon. Bovendien moet iemand die tot erfgenaam wordt aangesteld, beproefd zijn. Die moet blijk gegeven hebben die erfenis waardig te zijn of in staat te zijn die erfenis te beheren. Hij moet heerschappij kunnen hebben of kunnen voeren. Dat of die erfenis wordt dan een kroon genoemd. Er bestaat niet alleen wat misverstand over de inhoud van die kroon, maar ook nog over de soort kroon. Het is namelijk zo dat meerdere termen, meerdere uitdrukkingen gebruikt worden om zo nu en dan een kroon te beschrijven. Het zijn verschillende beschrijvingen van een en dezelfde kroon. Om dat te laten zien bespreken wij die Schriftplaatsen.

En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 1 Korinthe 9 : 25

Dit komt overeen met Hebreeën 12 : 1.

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, … en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Hebreeën 12 : 1

Dan staat erbij hoe dat moet, namelijk ziende op Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Daaruit blijkt dat die kastijding die daarna genoemd werd, inderdaad bestaat uit de hindernissen die we op die loopbaan tegenkomen. Dat is die kastijding. Het gaat allemaal zo makkelijk niet, maar wie daarin volhardt tot zoon, tot erfgenaam, zal worden aangesteld. God beschouwt zo iemand als zoon.

26 Ik loop dan alzo, niet als op het onzekere; ik kamp alzo, niet als de lucht slaande;
27 Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde. 1 Korinthe 9: 26, 27

In plaats van “verwerpelijk worden” staat er eigenlijk gediskwalificeerd worden. De bedoeling is dat wij net als de apostel Paulus de loopbaan lopen om een onverderfelijke kroon te ontvangen. Dat is hetzelfde als een kroon des levens ofwel een levende, onvergankelijke kroon. Het spreekt over heerschappij en verantwoordelijkheid dragen in het eeuwige Koninkrijk en in een eeuwige schepping ofwel in die onvergankelijke wereld. Een onverderfelijke kroon wil zeggen dat het spreekt over heerschappij in een onvergankelijk Koninkrijk. Daarna wordt een kroon genoemd in Filippenzen. Daar is het moeilijker de gedachte te volgen.

Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat alzo in den Heere, geliefden! Fillipenzen 4 : 1

Paulus noemt de Filippenzen zijn kroon, omdat zij de aanleiding zijn voor zijn kroon. De kroon die Paulus ontvangt, ontvangt hij op grond van zijn werk onder de Filippenzen. Het is een stijlfiguur in de Nederlandse taal. Het is wat overdrachtelijk taalgebruik, maar de bedoeling is dat deze Filippenzen aangewezen kunnen worden als bewijs voor Paulus verdiensten. Zij bepalen die kroon. De Filippenzen zijn de aanleiding voor zijn blijdschap. Diezelfde gedachtegang staat in 1 Thessalonicenzen 2, waar Paulus de Thessalonicenzen zijn kroon noemt.

Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems? Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst? 1 Thessalonicenzen 2 : 19

De kroon heet “een kroon des roems”. Paulus noemt de Thessalonicenzen zijn blijdschap, hoop, ofwel “kroon des roems”. Als het straks gaat om wat de Heer heeft kunnen doen door Paulus en waarin Paulus dus kan roemen, dan zal hij dat doen in wat de Heer door hem gedaan heeft onder de Thessalonicenzen. Op grond daarvan ontvangt hij zijn kroon. Ze zijn tegelijkertijd de kroon van onze Here Jezus Christus in Zijn toekomst, staat er. De apostel Paulus schuift de kroon meteen door naar de Here Jezus Christus. De volgende keer dat die kroon genoemd wordt, is in 2 Timothéüs 4 : 7, 8:

7 Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden;
8 Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. 2 Timothéüs 4 : 7, 8

We hadden het over een loopbaan en over een strijd. Vers 7 wil niet zeggen dat Paulus zich gelukkig prijst dat hij geen ongelovige geworden is. Het betekent dat hij niet alleen in geloof begonnen is, maar dat hij het geloof ook behouden heeft. Zo zegt hij tot de Galaten dat ze in de genade begonnen zijn en dat ze de genade moeten vasthouden of dat ze in de Geest begonnen zijn en dat ze in de Geest moeten voleindigen (Galaten 1 : 6; 3 : 3). Ze moeten doorgaan zoals ze begonnen zijn. Wij weten allemaal dat de mens behouden wordt door geloof en daardoor wedergeboren wordt, maar ik hoop dat we ook allemaal weten dat we daarna op diezelfde principes verder moeten, namelijk in het geloof en niet anders. We moeten niet door geloof behouden worden en dan onder een wet of uit werken leven of iets dergelijks. Het is door geloof behouden worden en daarna verder uit geloof leven, want de rechtvaardige zal uit het geloof leven (Romeinen 1 : 17, Galaten 3 : 11, Hebreeën 10 : 38). Niet een onrechtvaardige, maar een rechtvaardige, een wedergeboren mens zal uit het geloof leven. Dat deed de apostel. Hij heeft het geloof behouden. Dat was zijn strijd. Vandaar dat Hebreeën 12 spreekt over de strijd tegen de zonde, namelijk de strijd tegen het ongeloof. Wie die strijd overwint, wie die kastijding verdraagt, wordt aangesteld tot zoon.

Voorts = vervolgens, in het vervolg, daarna, in de toekomst. Petrus zou zeggen dat in de hemel voor ons een erfenis wordt bewaard. Paulus zegt dat voor hem de kroon der rechtvaardigheid is weggelegd, bewaard wordt. Een kroon der rechtvaardigheid is een rechtvaardige kroon, omdat de apostel Paulus uit geloof heeft geleefd.

Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Romeinen 1 : 17

Rechtvaardigheid komt voort uit geloof. U ziet hoe logisch het is. Hij heeft het geloof behouden en dus krijgt hij een kroon der rechtvaardigheid, want uit geloof is rechtvaardigheid tot stand gekomen. Bovendien is het rechtvaardig dat een gelovige leeft uit geloof. Daarom heet de kroon de kroon der rechtvaardigheid. “Die dag” is uiteraard de dag van Christus, de dag van de opname van de Gemeente en onze openbaring voor de rechterstoel van Christus. Dit geldt voor allen die Hem liefgehad hebben. Die ontvangen een kroon. In 2 Timothéüs 4 : 8 wordt de kroon der gerechtigheid genoemd als resultaat van het lopen van de loopbaan en het behouden van het geloof. Uit geloof volgt gerechtigheid, dus uit het behouden van het geloof volgt een kroon der gerechtigheid. Daarna komt Jakobus 1
: 12. Dat is de kroon des levens die bestemd is voor degene die de strijd volbrengt, die de beproevingen doorstaat en die daarom aangesteld wordt tot zoon, tot erfgenaam. De kroon des levens is onverwelkelijk. Vervolgens komt 1 Petrus 5, waar de ouderlingen worden toegesproken.

1 De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, …
2 Weidt de kudde Gods, … 1 Petrus 5 : 1, 2

Petrus wist hoe dat werkte. Hij had zelf die opdracht ook ontvangen van de Heer (Johannes 21 : 15-17). Dan staat er hoe ze dat moeten doen.

Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. 1 Petrus 5 : 3

De apostel Petrus weet wat een herder is. De herder is namelijk het voorbeeld voor de kudde. Hij loopt voor de kudde uit, waarna de kudde volgt.

Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. Johannes 10 : 27

De kudde loopt achter de herder aan. Pastor is tegenwoordig het mooie, moderne woord voor herder. Een herder hoort een voorbeeld te zijn voor de kudde. Een herder is niet iemand die de kudde opjaagt, maar voor de kudde uitloopt. Hij is het voorbeeld en daarom hoort een herder in de zin van een ouderling, een oudste (iemand die toezicht houdt = bisschop, episcopos in de gemeente) ook vooraan te lopen als voorbeeld der kudde.

En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. 1 Petrus 5 : 4

Een herder is hetzelfde als een ouderling. Bovendien blijkt uit Éfeze 4 : 11 dat een herder hetzelfde is als een leraar. Daar volgt dus uit dat een ouderling een leraar is. Het zijn allemaal dezelfde dingen. Het zijn verschillende woorden, maar het gaat om precies dezelfde functie, namelijk die van oudste, leraar of overdrachtelijk herder. De overste Herder is uiteraard de overste Leraar of de Oudste, die Zich niet schaamt om ons Zijn broeders te noemen (Hebreeën 2 : 11). Het gaat om de Heer Zelf. De apostel Petrus heeft nogal een voorkeur voor dat woord “onverwelkelijk”. Dat gebruikt hij ook in 1 Petrus 1 : 4 over die onverwelkelijke erfenis die voor ons bewaard wordt. Daarna heeft hij het ook over het gras, het vergankelijke, het verwelkelijke gras (1 Petrus 1 : 24). Hier heeft hij het over een onverwelkelijke kroon. Een kroon der heerlijkheid, kortom een kroon des levens. Ook nu zijn het verschillende woorden, maar het gaat om hetzelfde. Het is een kroon des levens voor wie volhardt en de beproevingen verdraagt. Het werk van een oudste, van een herder, leraar dus, brengt beproevingen met zich mee.

In Openbaring wordt vijf keer gesproken over de kronen. In de eerste plaats in de brief aan Smyrna.

Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens. Openbaring 2 : 10

Hier gaat het weer over het lijden, de beproeving, de verdrukking, verzoeking. Let op de stijlfiguur: “Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens”. De kroon heet hier kroon des levens vanwege het contrast met “zijt getrouw tot de dood”. Die tien dagen van verdrukking hebben ook te maken met een bepaalde periode uit de heilshistorie van deze bedeling. Een periode van verdrukking, van geloofsvervolging waarin de gelovigen vervolgd en gedood werden. De dood werd hen aangedaan door hun vervolgers, namelijk door de duivel, want zo wordt hij hier genoemd. De Heer zal hen echter de kroon des levens geven. Hoewel ze ten prooi vallen aan de heerschappij van de dood, zullen ze heerschappij in het leven en over het leven ontvangen. Vandaar dat de kroon in dit geval een levende kroon heet, een kroon des levens, als beloning voor hen die hebben gevochten tot het einde. Voor hen die de strijd gestreden en de beproevingen verdragen hebben.

In Openbaring 3 : 11 staat de brief aan Filadelfia. Die is min of meer van toepassing op de tegenwoordige tijd.

Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme. Openbaring 3 : 11

De bedoeling is dat wij als gelovigen vasthouden aan dat wat wij ontvangen hebben. Dat is hetzelfde als “Behoud het geloof”. De apostel zei:

7 … ik heb het geloof behouden;
8 Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, … 2 Timothéüs 4 : 7, 8

Hier staat ook: “Houd dat gij hebt”. Wat hebt gij dan? Geloof uiteraard. Dat het om geloof gaat blijkt uit het voorgaande vers in Openbaring.

Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, … Openbaring 3 : 10

Men heeft het Woord bewaard. Dus men heeft het Woord geloofd, dat vastgehouden en dan ontvangt men een kroon. Bovendien heeft het met het leven te maken, want wat in vers 10 wordt aangekondigd, is in feite de opname van de Gemeente. Dat is de profetische betekenis van deze brief en trouwens de belangrijkste betekenis van deze brief, namelijk dat als de ure der verzoeking komt, de gelovigen inderdaad daaruit bewaard zullen worden. In de praktijk betekent dit dat de Gemeente opgenomen zal worden, de Heer tegemoet in de lucht (1 Thessalonicenzen 4 : 17). Dat is in ieder geval de verlossing van ons lichaam, zodat ook het sterfelijke door het leven verslonden zal worden. Zo staat het in 1 Korinthe 15 : 54 over diezelfde gebeurtenis. Wij ontvangen dan eventueel de kroon des levens.

Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, … Openbaring 3 : 12

Een pilaar draagt. Een fatsoenlijke pilaar heeft aan de bovenkant een kroon. Dat hoort zo. Een pilaar draagt verantwoordelijkheid, heerschappij en dus een kroon. Die kroon aan de bovenkant is er voor de sier, maar het is typologie. Er wordt van sommige apostelen gezegd dat zij geacht werden pilaren te zijn in de Gemeente (Galaten 2 : 9). De tempel is uiteraard de aanduiding van de Gemeente. Dan komt Openbaring 4 : 4.

En rondom den troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. Openbaring 4 : 4

De 24 oudsten zijn de uitbeelding van de Gemeente, van de gelovigen van deze tegenwoordige bedeling. Zij zijn oudsten, want zij zijn het eerst geboren. Zij zijn eerstelingen en daarom oudsten. Zij zijn in de hemel opgeschreven (Hebreeën 12 : 23). Vandaar dat ze hier ook in de hemel gezien worden. Ze zitten op tronen. Dat is ook wat aan de Gemeente werd toegezegd. Bovendien is 24 het dubbele van 12. Twaalf is heerschappij. Met 2 x 12 kom je vanzelf terecht bij heerschappij, ook in de onzienlijke wereld. 24 is heerschappij, niet alleen op aarde, maar ook in de hemel. Het is dus dubbel, de dubbelheid van de heerschappij. De 24 oudsten dragen kronen, want ze dragen heerschappij. Dat wil niet zeggen dat de Gemeente maar bestaat uit 24 mensen. Dit is typologie. Het is een beeld, net zoals één vrouw in het visioen in Openbaring 12 een beeld is van het hele volk Israël. Als hier 24 oudsten gezien worden, is het ook een beeld van een heel volk, namelijk van de Gemeente. Ze zijn in ieder geval gekroond, want de Gemeente is een gemeente van eerstelingen, van eerstgeborenen. Eerstgeboren zijn is een recht. Het eerstgeboorterecht houdt in dat men erft; de kroon of eventueel de troon. Beiden worden hier genoemd. Ze zaten op 24 tronen en hadden ook kronen. Eigenaardig genoeg gooien ze die kronen op de grond.

Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op den troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor den troon, zeggende: Openbaring 4 : 10

Als je de 24 oudsten tegenkomt in Openbaring doen ze precies waartoe de Gemeente geroepen is. Ze doen nooit wat anders dan op hun knieën vallen en aanbidden. Dit is het beste bewijs dat het gaat om de Gemeente, want de Gemeente is geroepen voor Zijn Naam, tot eer van Zijn Naam, om Hem te verheerlijken, om Hem te aanbidden. Bovendien zijn wij als Gemeente zelf het loon van Christus en daarom speciaal voor Hem bestemd. Vandaar die 24 oudsten. Zij hebben kronen, maar leggen die aan Zijn voeten en zeggen:

Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; … Openbaring 4 : 11

Dat is een duidelijke zaak. Is er dan toch nog wat te verdienen voor een gelovige? Jazeker, maar die verdienste wordt veroorzaakt door het werk van Christus in de gelovige. 2 Korinthe 5 zegt dat er beloning is voor dat wat door het lichaam geschied is; niet voor dat wat door het lichaam gedaan is, maar voor dat wat er doorheen geschied is. Dat wil zeggen dat het lichaam van een gelovige hooguit, in het gunstigste geval, een instrument, een stuk gereedschap is waarvan de Heer Zich bedient. Daarom is de beloning voor het werk dat door dat lichaam – dat gereedschap – gebeurt ook bestemd voor Degene die dat lichaam hanteert. Als wij dan al beloond worden omdat onze lichamen wat gedaan hebben, dan kunnen we de kroon terugleggen aan Zijn voeten en zeggen: “Gij Heere, zijt waardig te ontvangen …”. Dat is uiteraard een symbolische daad. Het is alleen maar genade dat we ontvangen. Daarom wijzen we terug naar de Heer en zeggen: Niet ik, maar Christus. Hem wordt dus de eer gegeven. Zo staat het er. Ze wierpen dus hun kronen voor de troon. Daarna wordt nog maar één keer een kroon genoemd en dat is in Openbaring 14.

En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, des mensen Zoon gelijk, … Openbaring 14 : 14

Dat is niet zo moeilijk, want alleen al die witte wolk is duidelijk genoeg. Op de wolk waarop de Heer ten hemel voer, zal Hij wederkomen. De wolk is in het Oude Testament altijd de uitdrukking van de heerlijkheid des Heeren. De wolk is een uitbeelding van de hemelse positie van de Heer. Als de Heer dan ook in heerlijkheid verschijnt, is dat uiteraard op de wolken des hemels en met een wolk. Als de verdrukking komt, een dag van duisternis en donkerheid, ook dan staat er: “een dag van wolken” (Joël 2 : 2), want het is de heerlijkheid des Heeren die hier op aarde wordt geopenbaard. Dat gaat zelfs gepaard met verdrukking hier beneden. Dat is de wolk. Ook als Ezechiël de bekende heerlijkheid des Heeren ziet, dat merkwaardige voertuig met al die raderen eraan, wordt er melding gemaakt van wolken (Ezechiël 1 : 4, 28; 10 : 3, 4). Een heel mooi verhaal is nog dat die wolkkolom die oorspronkelijk in de tabernakel was, later in de tempel was. Later ziet Ezechiël de wolk verdwijnen uit Jeruzalem.

Dan staat er dat die wolk, voordat hij helemaal verdwijnt, rust op de berg die ten oosten van Jeruzalem ligt (Ezechiël 11 : 23). Er staat geen naam bij van die berg, maar het kan er maar een zijn: de Olijfberg. De wolkkolom verdwijnt dus. De Heer trekt Zich uit Israël terug in de dagen van het begin van de ballingschap, uitlopend op de verwoesting van Jeruzalem. Voordat Jeruzalem verwoest wordt, verdwijnt de wolkkolom uit de tempel en uit Jeruzalem en die staat even stil op de Olijfberg, alvorens te verdwijnen naar de hemel. Dat is het verhaal. Daar verdwijnt de Heer, typologisch, eerst uit Jeruzalem en dan vanaf de Olijfberg ten hemel en daarna wordt – enige jaren later – Jeruzalem verwoest.

Dat is herhaald in de dagen van Handelingen, toen de Heer verdween uit Jeruzalem en naar de Olijfberg ging. Vanaf de Olijfberg voer hij ten hemel en enige jaren later werd Jeruzalem verwoest. De wolk, de wolkkolom, is een beeld van de heerlijkheid des Heeren en daarmee van de Here Jezus Christus, de Messias Zelf. De eerste keer dat de Olijfberg genoemd wordt, is bij deze gelegenheid waarbij die wolkkolom verdwijnt. De tweede keer dat de Olijfberg genoemd wordt meldt de profeet dat de Heer wederkomt op de Olijfberg (Zacharía 14 : 4). Daarna speelt de Olijfberg een rol in de geschiedenissen van de Here Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde. Allemaal binnen datzelfde kader, namelijk van de hemelvaart en wederkomst van Christus.

En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand een scherpe sikkel. Openbaring 14 : 14

Als Hij “des mensen Zoon gelijk” is, dan ís Hij des mensen Zoon, want er is er maar één. De Zoon des mensen is er maar één. De erfgenaam van Adam, want dat betekent het, is er maar één. Hier wordt dus de Here Jezus gezien op de wolk. Deze gouden kroon is de kroon des levens. Goud is een beeld van het eeuwig leven. Hier heet het dan een gouden kroon. Goud staat voor onverderfelijkheid, dus het is inderdaad een onverwelkelijke kroon. Een kroon is van goud. Zo hoort het ook. Een kroon hoort eeuwig te zijn en daarom moet het een gouden kroon zijn. Die sikkel spreekt over het oordeel dat over de aarde komt, maar de kroon spreekt over het eeuwige Koningschap dat deze Zoon des mensen ontvangen heeft, omdat Hij de goede strijd gestreden heeft en het geloof behouden heeft, want daarom “is Hem weggelegd een kroon des levens, een kroon der gerechtigheid, een onverwelkelijke kroon” (2 Timothéüs 4 : 7, 8). Wie is Zijn kroon? Wij bijvoorbeeld, want alles wat op Paulus van toepassing was, is in veel hogere betekenis van toepassing op Christus. Vandaar die uitdrukkingen in Filippenzen en Éfeze: “Zijt dan navolgers Gods” (Éfeze 5 : 1; Filippenzen 3 : 17), want Hij is Degene die die weg gegaan is. De brief aan de Hebreeën noemde dat natuurlijk ook (Hebreeën 6 : 12). Hij ging diezelfde weg, dwars door de beproevingen heen. Ook wij volgen Hem na en gaan dan dezelfde weg, eventueel ook dwars door de beproevingen heen.

Wat is het nut van Christus voor een gelovige? Dat is als hij Hem aanvaardt, hij eeuwig leven ontvangt. Het volgende punt is dan: Wat is het nut van de levende Christus nu voor de gelovige? Dat nut wordt in Fillipenzen 3 uitgedrukt met een speciaal woord en gaat over het leven van Christus dat nu in ons geleefd zou worden. Gods bedoeling met de mens wordt direct bij de schepping van de mens geformuleerd. God zou mensen maken naar Zijn beeld (Genesis 1 : 26). Iemand die tot wedergeboorte komt, is daardoor geschikt gemaakt om alsnog het beeld van Gods Zoon gelijkvormig te worden of Gods beeld gelijkvormig te worden (Romeinen 8 : 29). De bedoeling is dat wij worden wedergeboren om vervolgens in staat te zijn veranderd te worden naar Zijn beeld. Wedergeboorte is niet het eind van de ontwikkeling, maar het begin. Pas na wedergeboorte is men geschikt om te gaan beantwoorden aan Gods doel, om vrucht te dragen. Vandaar die gelijkenis met die ponden. Het waren dienstknechten, maar de bedoeling van die dienstknechten is dat ze iets zouden winnen, dat ze verdiensten zouden hebben. Vrucht dragen is de bedoeling van ons leven. Paulus zegt: “Ik heb alles schade en drek geacht, opdat ik Christus moge gewinnen” (Fillipenzen 3 : 8).

Was Paulus dan nog niet gestorven en begraven met Christus? Jawel. Dat is de fundamentele waarheid. Hij heeft het echter niet over die fundamentele waarheid; hij heeft het over de uitwerking van die waarheid in het praktische leven. Beginselen, principes, zijn er om vervolgens praktisch toegepast te worden, om uitgewerkt te worden. Het principe dat een mens, een gelovige, gestorven en begraven is met Christus, daarvan is de bedoeling dat het uitgewerkt wordt in het leven en dus in de levenswandel, in het lopen van de loopbaan. In deze brief aan de Filippenzen gaat het om de levenswandel van de gelovige, om de praktische uitwerking van het leven van Christus. Daarom heet het ook anders, namelijk “de uitopstanding van tussen de doden uit”. Dat is dat twee maal uit. Het is eenmaal opgestaan met Christus en nog een keer in verband met de praktische levenswandel. Daarvan zegt hij:

Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Filippenzen 3 : 12

Aan de opstanding uit de doden had hij al deel. Volmaakt = volwassen, volgroeid. De Heer greep Paulus opdat hij die loopbaan zou lopen die de Heer hem voorstelde. Daarvan zegt Paulus dat hij dat (de eindstreep, het doel) nog niet heeft bereikt.

13 Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb.
14 Maar een ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. Fiippenzen 3 : 13, 14

Het vergeten van hetgeen achter is, bespaart ons problemen. Een zondaar, een natuurlijk mens, is iemand met een verleden. Die heeft een heleboel achter zich en krijgt steeds meer achter zich. Dat moet hij ook meezeulen. Wij hebben dat afgelegd bij het kruis. Wij hebben niet een verleden; wij hebben een toekomst. Daarom vergeten wij wat achter is. Het wit is het doelwit, het eindpunt. Paulus zei net dat hij was geroepen of gegrepen om die loopbaan te lopen. In Galaten zegt hij dat hij was geroepen om te lijden. De Heer zou hem laten zien hoeveel hij om Zijn Naam zou moeten lijden (Handelingen 9 : 16). Paulus noemt het hier anders. Hij zegt: Het kan wel lijden zijn, maar het gaat erom dat ik een kroon ontvang voor dat lijden. Ik jaag dus naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is. De prijs is van boven en de roeping is ook van boven. Hij is van boven gegrepen, vanuit de hemel zelf zal ik maar zeggen. Hij is van “boven geroepen” en roeping is in de Bijbel altijd roeping tot zoonschap. Het is nooit roeping tot een functie of tot een plaats op het zendingsveld. Paulus is geroepen tot zoonschap, tot erfrecht, namelijk tot een kroon. Hij noemt dat de prijs voor de roeping Gods; een prijs die van boven is, omdat de roeping van boven is. Wij jagen naar een onverderfelijke kroon. Dat is de regel waarnaar ik leef, zegt Paulus. Het is de regel die bestemd is voor alle gelovigen.

Weest mede mijn navolgers, broeders, … Filippenzen 3 : 17

In de Statenvertaling staat dan in Filippenzen 3 : 20:

Maar onze wandel is in de hemelen, … Filippenzen 3 : 20

Het gaat om de wandel. In de hemelen is onze plaats. Het is dus een roeping en een prijs die van boven komt; een prijs die de gelovigen ontvangen voor hun volharding, voor hun lijden. Dat is in deze bedeling waar, maar dat het in de brief van Jakobus vermeld wordt, betekent dat het ook en zeker waar is in een volgende bedeling, die zich voor een groot deel juist kenmerkt door lijden, verzoeking en verdrukkingen die over de gelovigen zullen komen. Zij hebben een uitzicht, binnen een mensenleven, binnen een generatie zelfs, op de zaligheid die geopenbaard zal worden, omdat het Koninkrijk geopenbaard zal worden.

13 Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.
14 Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.
15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.
16 Dwaalt niet, mijn geliefde broeders!
17 Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.
18 Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen.
19 Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;
20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
21 Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.
22 En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.
23 Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;
24 Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was.
25 Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.
26 Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel.
27 De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld. Jakobus 1 : 13-27

Verzoeking

Vers 13 is nogal eens omstreden. Ik heb er heel dikwijls vragen over gekregen, juist over dit ene vers, omdat bijvoorbeeld de wet zegt:

16 Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, … Deuteronomium 6 : 16

Hier staat dat God niet verzocht kan worden. Dat zou dan betekenen dat we dus een artikel van de wet kunnen schrappen, want je kunt niet iets verbieden dat sowieso onmogelijk is. Over het schrappen van artikelen van de wet hebben we het later.

Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Jakobus 1 : 13

“Ik word van God verzocht” betekent uiteraard “Ik word door God verzocht”. Er staat dat God niet verzocht kan worden en dat God ook de mens niet verzoekt. Verzoeking is niets anders dan beproeving. Testen is niet helemaal het juiste woord, maar in ieder geval is het zo dat verzoeking meerdere oorzaken kan hebben, naar de mens gesproken. Ik moet nu wel even naar de mens spreken, omdat de Schrift op de ene plaats zegt: “God kan niet verzocht worden”, terwijl op de andere plaats staat: “Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken”. Dat wordt zelfs nog aangehaald door de Here Jezus in Matthéüs 4 : 7, waar de Here Jezus de satan antwoordt en zegt dat er geschreven staat: “Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken”. Daaruit volgt dan dus dat dat eigenlijk wel kan, maar dat het niet zou moeten. Het probleem ligt in wat wij onder verzoeking verstaan. Verzoeking kan uit verschillende dingen voortkomen. In de eerste plaats is het zo dat we inderdaad kunnen zeggen dat het van God afkomstig is, want hoe dan ook, beproeving en verzoeking komen van God.

Het is een duidelijke zaak dat bijvoorbeeld in Hebreeën 12 gesproken wordt over een vorm van verzoeking die over gelovigen komt, een vorm van beproeving, “want beproeving (verdrukking) werkt lijdzaamheid en de lijdzaamheid werkt bevinding en bevinding werkt hoop en de hoop wordt niet beschaamd” (Romeinen 5 : 3-5). De beproeving wordt in door God mede gebruikt ten goede, zodat er zelfs staat dat wij zouden roemen in de verdrukking. Daarmee zijn verdrukking en beproeving synonieme begrippen. Ze komen grotendeels met elkaar overeen. Een verzoeking is een verdrukking, want verdrukking is dat iemand een last draagt. Benauwdheid is ook hetzelfde. Als er wat op je borst ligt, kun je slecht ademen. Verdrukking, benauwdheid, maar ook verzoeking komt daarbij, want verzoeking heeft te maken met het dragen of verdragen van een last. Die last kunnen wij beschouwen als van God afkomstig, in de zin dat wij die hebben te dragen en dat God die dingen gebruikt. Dat is de positieve benadering. Aan de andere kant weten wij uit de schrift dat de satan verzoekt. Beide gevallen staan min of meer samen in Job 1. Het eerste en het laatste hoofdstuk van Job leveren over het algemeen geen problemen op. Dat wat er tussenin staat, is iets moeilijker. Job 1 handelt niet over Job zelf, maar speelt zich af in de hemel.

6 Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
7 Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
8 En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
9 Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
10 Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.
11 Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
12 En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN. Job 1 : 6-12

Alleen al dit verschijnsel dat God het geeft in de hand van de satan, betekent dus dat de beproeving die over Job komt, van de satan komt, maar uiteindelijk van God. Het is in ieder geval met Gods toelating. Het actieve verzoeken gaat uit van de satan, net als de verzoeking in de woestijn van de Here Jezus in Matthéüs 4. Satan is de actieve daarin en God is passief daarin. God staat het toe. Als Hij het niet zou toestaan, zou het ook niet gebeuren. Het is ook duidelijk dat de satan Job eigenlijk niets kon doen zo hij de toelating van God niet had. Daarom zei Job:

De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd! Job 1 : 21

De Heer heeft gegeven. Dat zegt de satan ook. Job zegt dan dat de Heer ook heeft genomen, maar het was de Heer die het eerst gaf in de hand van de satan, die het vervolgens wegnam. Het komt dus van beide. De vraag is maar hoe wij van beneden af daar tegenaan kijken. De geschiedenis van Job is in de eerste plaats een uitbeelding van de geschiedenis van de Here Jezus, die gezegend was, maar Wiens zegeningen werden weggenomen en die uiteindelijk toch weer gezegend werd. Job is een beeld van de Here Jezus. Daarna kan dezelfde geschiedenis van toepassing gebracht worden op elke gelovige en op elk mens en op Israël en op alle volkeren en uiteindelijk op de hele schepping, want dat is de typologie. Het herhaalt zich allemaal. Het principe blijft dat de beproeving van Job, de beproeving van zijn geloof, weliswaar werd uitgevoerd door de satan, maar uitdrukkelijk werd toegelaten door de Heer. Dat is de enige verklaring die ik heb.

Terug naar Jakobus 1 : 13: “…; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand”. Naar beide kanten is het zo. God kan niet verzocht worden en God verzoekt de mens ook niet. Dat verzoeken, dat beproeven, heeft ook de betekenis van provoceren, van uitdagen. Dat heeft het in de wet zeker. Als er staat: “Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken”, gaat het duidelijk om het uitdagen van de Heer. Dat was ook die verzoeking in de woestijn. Toen de satan tot de Here Jezus zei, “Spring hier maar naar beneden, laat je maar vallen, want je kunt de engelen gebieden en ze zullen je op handen dragen,” zegt de Heer dat er staat geschreven: “Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken”. Hij bestrijdt niet dat het zo is en dat die engelen uitgezonden kunnen worden en waarschijnlijk ook uitgezonden zouden worden als Hij het zou doen, maar het initiatief daartoe behoorde niet van Hem uit te gaan.

Men dient God niet uit te dagen, maar God kan wel voorzien in alle behoeften. In de praktijk bewijst God daarmee Zijn trouw, Zijn liefde. Dat wil zeggen dat ook Gods Persoon en Gods deugden, Gods hoedanigheden, beproefd kunnen worden. De bedoeling is echter niet dat wij dat doen. Het is niet onze taak om Hem te beproeven, net zo min als het Gods taak is om te kijken of wij niet zouden kunnen vallen. Het ligt niet op Gods weg om ons te tackelen. God is er niet op uit om ons onderuit te halen. Als dit soort dingen gebeuren, dan gebruikt God ze tot opbouw van ons en in ieder geval tot verheerlijking van Hemzelf. De tegenstander is er op uit een gelovige ten val te brengen, maar het wordt door God gebruikt ten goede (Romeinen 8 : 28). Vandaar dat wij roemen in de verdrukking en in de beproeving (Romeinen 5 : 3). In verband met de verzoeking is het “Onze Vader” ook interessant.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. … Matthéüs 6 : 13

Dit betekent dus dat God de mens toch in verzoeking kan leiden, maar er staat bij hoe. Als een mens in verzoeking geleid wordt, is dat via de “boze”, dus via de satan. God kan ons daarvan verlossen, net als God Job van de satan kon verlossen. Dat gebeurde uiteindelijk dus ook. Dat is hier te meer een klemmende aangelegenheid daar de brief van Jakobus in de eerste plaats van toepassing is op een tijd die nu eenmaal heet: “De benauwdheid van Jakob” (Jeremía 30 : 7), als we het tenminste beperken tot Israël. Het is in ieder geval de tijd van verdrukking, waar mensen verzocht en verleid worden. Indien het mogelijk ware, zouden “zelfs de uitverkorenen verleid worden”, weet u wel? (Matthéüs 24 : 24). Over die tijd gaat het, net zoals de hele Bergrede over die tijd gaat. Die heeft namelijk primair te maken met de openbaring van het Koninkrijk van Christus op aarde, het proces van het openbaren van het Koninkrijk. De Here Jezus is daar mee bezig op dat moment, want Matthéüs 6 maakt onderdeel uit van die Bergrede en in die Bergrede worden de waarheden en de hoedanigheden van het Koninkrijk op aarde bekendgemaakt ofwel gewoon geopenbaard.

Vandaar dan ook dat dit gebed, het “Onze Vader”, in feite niet voor de volle honderd procent actueel is in deze tegenwoordige bedeling, maar in de volgende. Zowel dit “Onze Vader” als de brief van Jakobus horen dus beide thuis in die volgende bedeling van de volheid der tijden, de bedeling die gekenmerkt wordt door verdrukking. Als er ooit ergens verzoeking, verdrukking of benauwdheid is, als ooit de boze actief is, is het in die tijd, want dan is hij zelfs op aarde geworpen. Hij is nu nog waar hij ook was in de dagen van Job, namelijk in de hemel. Het lijden dat de tegenwoordige gelovige ondergaat, bestaat natuurlijk ook, maar het wordt niet in de eerste plaats gezien als een verzoeking en zeker niet van God. Het lijden van de gelovigen is in de toekomende bedeling veel meer. Er is nu hier helemaal geen vervolging. Dat is er wel altijd geweest en het is er ook nu, ergens op aarde. Het is er dus altijd, maar het is niet altijd actueel, terwijl het in de volgende bedeling wel degelijk gaat om de uitroeiing van hen die geloven in de Here Jezus als de Christus. Daar is de hele wereld dan op gericht, onder aanvoering van haar geestelijke leider, namelijk de satan, alswel ook degenen die op aarde de dienst uitmaken: het beest en de antichrist. Dan wordt dat veel actueler. Daarom: “Verlos ons van de boze” (Matthéüs 6 : 13). “Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid”. Daar gaat het om, namelijk om de openbaring van het Koninkrijk dan op aarde. Het gaat dus om het principe dat verzoeking rechtstreeks van de satan komt, maar in ieder geval met toelating van God, zodanig dat God ons inderdaad van die verzoeker, namelijk van die boze dan wel de satan kan verlossen. Vandaar dat Jakobus dat zo kan zeggen in Jakobus 1 : 13.

Hoe dat dan wél zit met die verzoeking, staat in de volgende verzen, namelijk dat die verzoeking in feite niet tot stand komt door wat van buitenaf op de mensen afkomt, maar eigenlijk door wat in de mens is. Jakobus gaat daar diep op in en hij stelt gewoon in deze verzen vast dat aangezien de zonde woont in de oude mens, de mens dus gevoelig is voor verleiding en verzoeking, terwijl de zonde niet in God woont. Hij kan dus niet verzocht worden. Het gaat er dus om dat vers 13 leert dat God niet ontvankelijk is voor verzoeking. Hij verzoekt niemand en Hij kan Zelf ook niet verzocht worden, omdat Hij Degene is die leeft in eeuwigheid, de Onwankelbare, zodat verzoeking op Hem sowieso geen vat heeft. Andersom komt het idee tot verzoeking zeker niet bij Hem vandaan. In Jakobus 1 : 14 staat hoe die verzoeking dan wel werkt.

Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Jakobus 1 : 14

Men wordt verzocht door eigen begeerlijkheid, door de eigen verlangens van de natuurlijke mens. Die begeerlijkheid is waar de apostel Paulus het over heeft in Romeinen 7 : 7, over dat de wet zegt: “Gij zult niet begeren”. Daar ligt eigenlijk de wortel van alle zonden. Die worden gewekt door de begeerlijkheid van de mens. Dat staat hier ook. Een mens wordt verzocht van zijn eigen begeerlijkheid, precies zoals de satan de Here Jezus verzocht. Hij zei: Zie je al die koninkrijken hier? De hele aarde? Dat was uiteraard om het verlangen te wekken. Dan: Ik zal het U geven, maar aanbid mij (Matthéüs 4 : 8, 9). De Heer was er echter niet gevoelig voor, omdat die begeerlijkheid niet in Hem was (Matthéüs 4 : 10). Het zien van die koninkrijken der aarde wekte in Hem niet de begeerte op. Door de begeerte worden alle zonden verwekt vertelt de apostel Paulus in Romeinen 7. Op de oude mens heeft het vat, want in hem zit die begeerlijkheid.

Die kiem zit daarin en daarom is hij ontvankelijk voor beproeving, voor verzoeking, voor verleiding. Dat gold niet voor de Here Jezus, want in Hem was geen begeerlijkheid. In Adam wel, want hij was uit de aarde aards. Adam en Eva waren gevoelig voor deze verleiding. Hij viel ervoor en dat betekent dat hij inderdaad geformeerd was uit een gevallen wereld. Die kiem zat er inderdaad in. Precies zoals bij ons, bij elk van Adams afstammelingen. Die begeerte werkt en laat uit het hart al die dingen voortkomen die de mens verontreinigen. Ik zeg niet dat Adam en Eva zondaren waren toen ze geschapen werden, maar ik zeg wel dat ze zondaren werden vanwege dat ze uit het stof der aarde geformeerd waren. De oude Adam, de eerste Adam, is uit de aarde aards (1 Korinthe 15 : 47). Wij zondigen eveneens vanwege onze aardse afkomst.

Het gaat er dus om dat de verzoeking pas werkelijke, reële verzoeking is, als er een kans is dat degene die ten prooi valt aan die vezoeking ook daardoor verleid kan worden. Daarom is het verzoeken van een mens slechts serieuze verzoeking vanwege de aard van de mens; niet vanwege de aard van de verzoeking. Die verzoeking houdt dus feitelijk op verzoeking te zijn als degene die in die verzoeking valt, daar niet ontvankelijk voor is. Dat is het verhaal van Jakobus. Aan de buitenkant ziet het er dus precies eender uit, maar van binnen zit het anders. Als je er dus dieper op ingaat, blijkt die verzoeking in het geval van God geen verzoeking te zijn. God kan niet verzocht worden, want Hij heeft die aanleg niet om daarvoor te vallen. Heel eenvoudig. Een mens heeft die aanleg wel, dus een mens wordt wel verzocht, maar weer niet door God, want bij God is de noodzaak ook niet aanwezig om die mens te testen. Men heeft later uitgevonden dat Hij dat wel zou doen, proefgeboden en dat soort dingen, maar dat heb ik echt nooit in de Bijbel gelezen.

Dat de werking van de satan een rol speelt in de beproeving en dat het eventueel zou kunnen gebeuren met toelating van God, maar dat het uiteindelijk terechtkomt op de eigen begeerlijkheid van de mens, is ook een van de waarheden die ten grondslag liggen aan het zogenaamde duizendjarig Rijk. Dat is het Koninkrijk van Christus op deze oude aarde, waarin inderdaad de natuurlijke mens leeft. Over het algemeen zijn het gelovigen, maar in ieder geval mensen die uit de aarde aards zijn. Die leven dan in een tijd waarin de satan gebonden is en waarin de satan de mens niet kan verleiden. Dan zal blijken dat de mens zich wel degelijk afkeert van de Heer; niet omdat de satan hem daartoe verleidt, maar omdat die verleiding uit zijn eigen hart voortkomt. De minste, geringste verzoeking is vaak al voldoende om de mens te verleiden en te doen vallen. Daar hoeft de satan nog niet eens actief in te zijn zoals in de geschiedenis van Job. De satan maakt eventueel gebruik van die begeerlijkheid door de mens alles voor te houden. Begeerlijkheid is de aanleg om te begeren. Door die aanleg wordt de mens verleid.

Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood. Jakobus 1 : 15

Als die begeerte gewekt wordt, dan baart die begeerlijkheid zonde. Dat is natuurlijk een eigenaardige uitdrukking. Als je iemand vraagt: Wat baart begeerlijkheid? zal hij je vragend aankijken. Hier staat dat de begeerlijkheid zonde baart, vanwege Jakobus 1 : 18:

Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, … Jakobus 1 : 18

Het Woord der waarheid – God – baart wat. De oude mens baart ook wat. Beide brengen voort, alleen is het één vergankelijk en het ander onvergankelijk. Dat is het contrast. “Ontvangen hebbende” staat voor de conceptie. Het is een eigenaardige zinsbouw omdat het dubbelzinnig bedoeld is. Als de begeerlijkheid ontvangen heeft, vindt er conceptie, bevruchting, plaats en dan wordt er iets gebaard: zonde. Daarna wordt in de volgende verzen gesproken over degenen die het Woord gehoord of ontvangen hebben en daarom gebaard worden uit God. Als de oude mens begeerlijkheid ontvangen heeft, baart dat zonde. Je kunt zeggen dat de begeerlijkheid de “moeder” is en satan – de verleiding – als de “vader”. De verleiding komt bij die begeerte. Het wordt tot één en dus brengt het wat voort: zonde. De verzoeking is er wel, maar dan alleen bij diegenen die die begeerlijkheid hebben. Als de begeerlijkheid er niet is, is er ook geen verzoeking. Daar gaat het dus om, zodat we niet de schuld zouden geven aan die verzoeking, maar we zouden de oorzaak moeten zoeken bij onszelf, namelijk bij onze eigen begeerlijkheid, want als die er niet is, zijn we niet ontvankelijk oftewel onvruchtbaar voor deze zonde.

Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood. Jakobus 1 : 15

Hiermee sluit Jakobus dus volstrekt aan bij de apostel Paulus.

Want de bezoldiging der zonde is de dood, … Romeinen 6 : 23

Met betrekking tot de oude mens:

Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, … Romeinen 5 : 21

De mens dient de zonde en het einde daarvan is de dood (Romeinen 6 : 20, 21). Begeerlijkheid brengt zonde en daarna de dood voort. Die dood komt dus feitelijk niet van de satan, maar Jakobus zegt: Daar wil ik niet over horen. Het komt niet van God; het komt niet van de satan; het komt uit de mens. Precies zoals de Here Jezus, de oudere broer van Jakobus, het ook zei: “Uit het hart komen voort …” (Matthéüs 15 : 19; Markus 7 : 21, 22).

Dwaalt niet, mijn geliefde broeders! Jakobus 1 : 16

Dat is dan uiteraard de inleiding tot Jakobus 1 : 17:

Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering. Jakobus 1 : 17

Alle goede gave, alle volmaakte gifte is van boven; niet de verzoeking. Verzoeking komt niet van boven, maar de goede dingen komen van boven. Dan krijg je het contrast. Aan de ene kant wat de oude mens voortbrengt of wat de begeerlijkheid voortbrengt, namelijk zonde en zonde brengt de dood voort. Daar staat tegenover wat God doet. God verzoekt niet. God geeft goede, zelfs volmaakte gaven. Dat is wat gebaard wordt. Het sluit aan bij Johannes 3. In het Nederlands is dat niet te zien, maar in Johannes 3 wordt tussen de Here Jezus en Nicodémus uitgebreid gesproken over wedergeboorte.

 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Johannes 3 : 3

“Wederom geboren worden”, is in de grondtekst “van boven geboren worden”. Er staat dus letterlijk: “Tenzij dat iemand van boven geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.” Dat wil zeggen dat die geboorte zijn oorsprong in de hemel heeft. Dat iemand wedergeboren wordt, van boven in plaats van van beneden, begrijpt Nicodémus niet. Die verstond het dus ook niet goed, want de Heer zei echt “van boven”. Men moet uit de Geest geboren worden; namelijk uit God. De genadegift Gods is het eeuwige leven (Romeinen 6 : 23). Volgens Johannes 3 komt dat eeuwige leven van boven. In Johannes 3 : 31 wordt het aangehaald.

Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. Johannes 3 : 31

Die uit de aarde is voortgekomen, is Johannes de Doper, maar die van boven komt, is de Here Jezus. Daarover gaat het, want dat zei hij in het voorgaande vers al. Hij (die van boven komt) moet wassen (groeien) en ik moet minder worden, want ik ben degene die uit de aarde aards is. Deze verhouding tussen Johannes de Doper en de Here Jezus is een beeld van de verhouding tussen de oude mens en de nieuwe mens. Dat is van belang voor Johannes 3, omdat in de eerste helft van dit hoofdstuk wordt gezegd dat men uit God geboren moet worden, waarna de tweede helft spreekt typologisch over de verhouding tussen de oude mens en de nieuwe mens. Het gaat erom dat de Here Jezus van boven komt of dat het nieuwe leven van boven komt, dat de genadegift Gods, het eeuwige leven, inderdaad van boven gegeven wordt.

Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, … Jakobus 1 : 17

God wordt hier de Vader der lichten genoemd. Dat wil zeggen dat alle lichten bij God vandaan komen. Dat is een verklaring, want de andere is dat God, die de Vader is, Zijn zegeningen, Zijn hoedanigheden, geeft aan allen die licht zijn. Van de Here Jezus wordt gezegd dat Hij de Vader der eeuwigheid is. Dat betekent niet dat Hij iets geeft aan de eeuwigheid, maar dat Hij de eeuwigheid aan anderen geeft. Het gaat er dus om dat God de Vader der lichten is en dat God volmaakte giften geeft. Die gaven zijn licht en zijn eeuwig leven. Eeuwig leven is het leven van Christus en Die is het Licht. Licht en leven zijn synonieme begrippen. Denk maar aan Johannes 1 : 4. Daar worden licht en leven in één adem genoemd. Ook de brieven van Johannes beginnen met deze beide uitdrukkingen. Licht maakt openbaar en dat communiceert, voert een gesprek en legt verbinding. Leven is precies hetzelfde. Leven is immers het leggen van de verbinding. Dood is dan scheiding. Licht en leven horen dus bij elkaar. Als hier staat dat God de Vader is der lichten, dan is God ook Vader van het eeuwige leven. Dat hangt samen, zo blijkt uit het volgende vers.

Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen. Jakobus 1 : 18

Het gaat uiteraard over wedergeboorte. Vers 17 zegt “God is de Vader der lichten”, maar vers 18 zegt “God heeft ons gebaard”. Daaruit blijkt dat wij dat licht zijn. Als wij de bediening van het Woord hebben gekregen en dus het Woord van God hebben ontvangen, betekent dit dat God Zich aan ons heeft geopenbaard via Zijn Woord en dat is licht. “Een lamp voor onze voet en een licht op ons pad” zegt Psalmen 119 : 105. God is de Vader der lichten. Hij geeft dus lichten. Bij Hem is geen verandering of omkering. Bij Hem wordt het licht niet afgebogen. Daar ontstaat dus ook geen schaduw. Vandaar dat wij wandelen in het licht. Dan krijg je de aansluiting met de brieven van Johannes. Een brief van Jakobus, twee brieven van Petrus, drie brieven van Johannes en een brief van Judas horen in de eerste plaats thuis in de volgende bedeling. Deze apostolische brieven horen bij elkaar.

“Zijn wil” uit Jakobus 1 : 18 is de wil van de Eeuwige, van de Onveranderlijke. Nu begrijpt u misschien waarom een Jood de Naam Jehovah niet uitspreekt, maar vervangt door “Eeuwige”. Hij spreekt hem niet uit, maar hij moet wel wat zeggen en zegt dan “de Eeuwige”, want dat is min of meer de vertaling van de Naam Jehovah: “Ik ben die Ik ben. Ik zal zijn die Ik zijn zal”. Dat de Vader der lichten ons heeft gebaard naar Zijn wil, wil zeggen dat Hij dat gedaan heeft zoals Hij dat gewild heeft. Hij heeft gewoon Zijn plan uitgevoerd. Hij deed het naar Zijn idee en zoals Hij het bepaald heeft, naar Zijn plan. “Schepselen” slaat uiteraard op een nieuwe schepping. Dat sluit direct aan bij de woorden van de apostel Paulus in Éfeze 2 : 10, waar de apostel Paulus zegt dat wij Zijn maaksel zijn. De Engelsen hebben in hun vertaling “handywork” staan. Wij zijn namelijk het werk Zijner handen.

Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. Éfeze 2 : 10

Er staat niet “geschapen in Adam”, maar “geschapen in Christus Jezus”. Het gaat hier dus niet om een oude schepping, maar om een nieuwe schepping. Dat blijkt uit de voorgaande verzen, want daar staat dat “God ons mede levend heeft gemaakt met Christus en ons met Hem heeft opgewekt en ons met Hem heeft gezet in de hemel” (Éfeze 2 : 5, 6). Dat gaat immers over wedergeboorte. Door die opstanding en hemelvaart met Christus zijn wij een nieuwe schepping geworden in Christus, dus we zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus. Dan staat er achter: “tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen”. Het gaat er hier om dat elke gelovige in deze bedeling, maar ook in de volgende bedeling, door geloof wordt wedergeboren, een nieuwe schepping is in Christus en daarom bestemd is tot goede werken. Een schepping is er nu eenmaal opdat die schepping wat zou doen. God maakt een wereld en Hij heeft daar een bedoeling mee. Er zijn goede werken die God voorbereid heeft en die op een of andere wijze gedaan zouden moeten worden. Die goede werken hier in Éfeze 2 gaan over de Gemeente als Lichaam van Christus. Over die goede werken spreekt ook de brief van Jakobus, alleen niet rechtstreeks in verband met de tegenwoordige bedeling, maar rechtstreeks, in de eerste plaats in verband met de openbaring van het Koninkrijk. De apostel Paulus zegt dat een gelovige een nieuw schepsel in Christus is, tot goede werken welke Hij voorbereid heeft, opdat hij daarin zouden wandelen. De apostel Jakobus zegt ook iets dergelijks in Jakobus 1 : 19:

Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; Jakobus 1 : 19

“Een ieder mens zij ras”, namelijk snel “om te horen”. Naar het Woord van God uiteraard. Spreken staat hier tegenover horen. God verwacht van een mens niet dat hij spreekt, maar dat hij luistert. Niet de mens spreekt, maar God spreekt. Samuël zei: “Spreek Heer, want uw knecht hoort” (1 Samuël 3 : 9, 10). Een knecht des Heeren spreekt niet; hij luistert. Van God gaat het Woord uit en het Woord is kracht, het Woord is leven, het Woord is licht en daarom is God Degene die spreekt en wij zijn degenen die van God ontvangen. Daarom moeten we snel zijn om te horen, traag zijn om te spreken en traag tot toorn. Gods gerechtigheid komt niet tot stand doordat de mens spreekt in toorn, maar Gods gerechtigheid komt tot stand uit het geloof en dus uit het horen. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor is door het Woord Gods (Romeinen 10 : 17).

19 Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;
20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
21 Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.
22 En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.
23 Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;
24 Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was.
25 Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.
26 Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel.
27 De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld. Jakobus 1 : 19-27

Wij zijn uit het Woord voortgekomen of door het Woord voortgebracht. Dat betekent dat we ook inderdaad te allen tijde bereid dienen te zijn om naar dat Woord te luisteren. Dat is een eenvoudige waarheid, namelijk dat we zouden blijven bij datgene wat ons oorspronkelijk gegeven is, of beter nog, dat we zouden blijven bij dat wat we oorspronkelijk hebben aangenomen. Dat is dezelfde waarheid als in de brief aan de Galaten, waar het met iets andere woorden gezegd wordt. Daar wordt gezegd dat de gelovige zou blijven bij de Geest. Hij is met de Geest begonnen; hij wordt geacht ook met de Geest te voleinden en niet met het vlees (Galaten 3 : 3). Hij moet blijven bij de dingen die hem oorspronkelijk zijn overgeleverd en die hem oorspronkelijk geleerd zijn uit het Woord van God. Dat staat in dit Schriftgedeelte.

De apostel Jakobus waarschuwt dat wij te snel zouden zijn met onze reactie, op voorhand al zouden afbreken, op voorhand ons oordeel al klaar zouden hebben omdat wat we horen nu eenmaal niet past in onze denkbeelden. Jakobus zegt eigenlijk: Wacht daar nu even mee, want misschien zijn onze denkbeelden fout. Vaak hoort men iets, doet er een uitspraak over en vonnist in overeenstemming met de uitspraak. Daar zouden we niet te snel mee moeten zijn. De mens is van nature een “hol vat” en moet “gevuld” worden. Hij is niet bedoeld om wat voort te brengen, maar om wat te ontvangen. Hij moet gevuld worden met de volheid Gods, met het Woord van God. Hij moet gevuld worden met de Heilige Geest, met Christus. Hij moet drinken van het levende water of eten van het brood des levens. Het gaat allemaal om precies hetzelfde. Het past de mens niet om zo snel te spreken.

Zo dan, mijn geliefde broeders, een ieder mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; Jakobus 1 : 19

Hij is dus ook traag om een veroordelende uitspraak te doen. Toorn heeft iets met oordelen te maken. Traag om te spreken en traag tot toorn wil samen zeggen dat men traag is om iets te veroordelen. Dat is terecht, want wij kennen de motieven dikwijls niet. Wij weten niet wat de achtergronden zijn. Vaak is het maar beter ons er helemaal niet mee te bemoeien. In ieder geval wordt tot troost gezegd in Jakobus 1 : 20:

Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. Jakobus 1 : 20

Werken is bewerken. De toorn des mans brengt de gerechtigheid Gods niet voort. Gods gerechtigheid staat toch wel vast, ook zonder dat wij daar uitspraken over doen. Gods gerechtigheid ligt vast in Zijn Persoon en wordt geopenbaard in het Evangelie.

16 Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.
17 Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Romeinen 1 : 16, 17

De rechtvaardigheid Gods ligt daarin vast. Daarom heeft het weinig zin om ons ergens kwaad over te maken. Het heeft veel meer zin om iemand het Evangelie voor te houden. Dat bewerkt namelijk wel Gods rechtvaardigheid. Dat dient de rechtvaardigheid ook, maar ons kwaad maken over alles dat ons niet aanstaat en dat we, misschien ook terecht, veroordelen, heeft over het algemeen weinig zin. Een gelovige is niet geroepen om de verkeerde dingen te bestrijden, maar om de goede dingen te doen. Daarover gaat het volgende gedeelte en met name ook Jakobus 2. Als we alle ongerechtigheid zouden bestrijden, blijft er niets over. Dan zijn we nog nergens, want het gaat er niet om dat de ongerechtigheid verdwijnt. Het gaat erom dat er gerechtigheid tot stand zou komen, geopenbaard zou worden of gedaan zou worden. Dat is een belangrijke elementaire Bijbelse waarheid. “Weest daarom traag om te toornen”. Er staat niet dat we niet zouden mogen toornen, want soms is het weleens nodig, maar in het algemeen behoren we daar traag in te zijn.

21 Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken. Jakobus 1 : 21

Er staan hier twee dingen tegenover elkaar, namelijk aan de ene kant het afleggen van alle vuiligheid en alle overvloed van boosheid en aan de andere kant het aandoen, het ontvangen, met zachtmoedigheid van het Woord Gods dat in de gelovige geplant wordt. Dat gebeurt uiteraard via horen. Daarom: Zijt ras om te horen, maar eerst: afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid. Het punt is namelijk dat de gelovige niet geroepen is om alle vuiligheid en overvloed van boosheid in de wereld te bestrijden en daarover te toornen, maar het is natuurlijk wel zo dat van de gelovige verwacht wordt dat hij vuiligheid en overvloed van boosheid aflegt. Dat kan hij toch niet voor honderd procent, maar een heel eind kun je toch wel komen. Als dat niet zo was, stond het er ook niet. Het gaat erom dat we die dingen af zouden doen, af zouden leggen. Dat is een uitdrukking die bijvoorbeeld ook voor komt in Kolossenzen 3, maar daar worden drie verschillende termen gebruikt om diezelfde waarheid weer te geven.

5 Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.
6 Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid; Kolossenzen 3 : 5, 6

In plaats van “kinderen” staat er “zonen”, namelijk erfgenamen. Dit gaat dus over de wereld.

18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Romeinen 1 : 18

De toorn Gods komt over de wereld. De wereld ligt onder de toorn en onder het oordeel van God en wie niet gelooft is al veroordeeld staat er in Johannes 3 : 18. Hier staat dat de gelovige zijn leden doodt die op de aarde zijn. De gelovige legt ze af. Doden wil zeggen dat de gemeenschap verbroken wordt. Dood is immers scheiding; er wordt dan niet meer gecommuniceerd. De band wordt verbroken. Dat wil dus ook zeggen dat het niet bestreden wordt, want iets kan alleen bestreden worden als het als levend wordt beschouwd. Strijden tegen iets is bovendien ook een vorm van communicatie. Dan is er ook een wisselwerking, een vorm van gemeenschap. Of je nu met elkaar zit te praten of met elkaar zit te bekvechten, in beide gevallen is er sprake van communicatie, van een dialoog. Doden wil zeggen dat er geen communicatie meer mee is, dus gaat het ook niet om bestrijden. Het gaat om afleggen. Wat in Kolossenzen 3 : 5 heet: “Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn”, heet in Kolossenzen 3 : 8:

Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond. Kolossenzen 3 : 8

In vers 5 heet het dus doden; in vers 8 heet het afleggen. Dat is dezelfde uitdrukking als in Jakobus 1 : 21. Doden, afleggen of uitdoen, het gaat om hetzelfde. Het is het doden van deze ondeugden uit vers 8. Het is het uitdoen van de oude mens met zijn werken. Dit zijn dus drie verschillende termen voor een en hetzelfde. Alle drie hebben dezelfde strekking, namelijk dat de contacten verbroken zouden worden. Dat is wat de mens kan doen: zijn contacten met deze dingen verbreken. Dat wordt in Jakobus 1 naar voren gebracht. Het is eigenaardig dat je bij de apostel Paulus dikwijls een opsomming vindt van allerlei boosheid, maar dat Jakobus het betrekkelijk kort afdoet en het meestal samenvat als zonden van de tong, omdat men de tong – het woord – niet beheerst. Wanneer men “vuiligheid en overvloed van boosheid” niet heeft afgelegd, zal men het Woord van God niet met zachtmoedigheid ontvangen. Dan gaat het altijd gepaard met strijd, omdat het Woord van God de uitwerking heeft dat vuiligheid en overvloed van boosheid worden afgelegd. Daar waar het Woord van God verschijnt, moet de zonde wijken en daarom ontstaat er strijd. Pas als men werkelijk zelf deze vuiligheid en overvloed van boosheid heeft afgelegd, is men in staat met zachtmoedigheid het Woord van God te ontvangen. Een gelovige gelooft in de Here Jezus Christus als de Verlosser en niet meer in zijn eigen kracht. Hij verwisselt zijn eigen kracht voor de kracht Gods. Het moet in het hart komen. Het moet een deel worden van het leven van de gelovige. Wij noemen dat bekering. Jakobus zinspeelt op die gebeurtenis. Daarom zegt hij ook in Jakobus 1 : 22:

En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, … Jakobus 1 : 22

Hier staat niet “zijt daders alleen”, maar “zijt daders des Woords” en dat nadat men eerst een hoorder des Woords is geworden. Een hoorder des Woords is niet iemand die het alleen maar hoort en het vergeet, maar iemand die het accepteert en het als de Waarheid erkent. Dat is een intellectuele, een verstandelijke aangelegenheid. De bedoeling is wel degelijk dat het uitwerking heeft in iemands leven. Daar heeft Jakobus het steeds over, de hele brief lang. Paulus heeft het ook over de uitwerking in Kolossenzen 3 : 10:

En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, … Kolossenzen 3 : 10

Iemand wordt vernieuwd tot kennis doordat hij met zachtmoedigheid het Woord Gods ontvangt. Die kennis krijgt hij uit het Woord van God.

De uitspraak “hetwelk uw zielen kan zaligmaken” uit Jakobus 1 : 21 laat zich verklaren vanuit de bedelingen. Hier staat ineens dat zielen zalig gemaakt worden. De ziel is de aanduiding van de oude mens. Daar heeft Jakobus het ook over en niet over het feit of een gelovige al of niet voor eeuwig behouden is. Hij spreekt over de levenswandel van de gelovige tijdens zijn verblijf hier op aarde. Hij heeft het over het zalig worden of zalig maken in verband met dit tijdelijke leven. Paulus zegt dat ook in Filippenzen 2 : 12:

… werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: Filippenzen 2 : 12

Welke zaligheid? Niet die van de geest, maar die van de ziel, blijkt uit het verband. Uiteraard, want eeuwig leven kun je zelf niet bewerken. Dat is uit genade ontvangen. Dat staat er zo vaak en zo duidelijk. Het gaat hier om zaligheid in verband met loon voor de levenswandel hier op aarde. Het gaat om de zaligmaking van de zielen. Het eenvoudige Bijbelse principe is dat alle heilswaarheden zowel toekomstig als tegenwoordig zijn. Het is al zo en toch zal het nog gebeuren. Die dubbelheid zit er altijd in. Wij hebben de verlossing en toch spreekt de Bijbel over een toekomende verlossing. Die is bestemd voor degenen die al verlost zijn. Dat is geen onzin. Het gaat gewoon over twee verschillende dingen die in elkaars verlengde liggen. Ze horen bij elkaar. Het ene is een vooruitgrijpen op het ander. Wij zijn al verlost, maar we moeten nog verlost worden. We hebben al eeuwig leven en toch zijn we in een sterfelijk lichaam. Dat zal op z’n vroegst gebeuren bij de opname van de Gemeente. Wij hebben reeds een zaligheid ontvangen en er is een zaligheid die we in de toekomst nog zullen verwerven. Dat is wat meerdere malen naar voren gebracht wordt. Men is zalig, maar de bedoeling is dat ook de levenswandel zalig wordt. Een ander voorbeeld staat in Filippenzen.

8 … opdat ik Christus moge gewinnen.
9 En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;
10 Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, … Filippenzen 3 : 8-10

Hij moet Hem kennen en hij moet de kracht van Zijn opstanding kennen. Dat is hetzelfde. Hij is namelijk Degene die uit de dood is opgewekt. Het gaat om de opstandingskracht die God bewerkt heeft in Christus als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt en gezet heeft aan Zijn rechterhand (Éfeze 1 : 19, 20). “Opdat ik Hem kenne”, want hij moet vernieuwd worden tot kennis.

Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; Filippenzen 3 : 10

Wij dachten dat de Heer in onze plaats voor ons geleden heeft en gestorven is en nu staat er dat wij Zijn dood gelijkvormig zouden worden. Wij dachten dat de Heer voor ons is opgewekt en nu staat er:

Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden. Filippenzen 3 : 11

Heeft hij dat dan nog niet gekregen?

12 Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben;
13 Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb.
14 Maar een ding doe ik, … Filippenzen 3 : 12-14

Het punt is natuurlijk dat het om verschillende dingen gaat. Het ene is dat wij reeds met Christus gestorven en begraven zijn, met Hem zijn opgewekt en bovendien met Hem ten hemel zijn gevaren. Dat is in het verleden gebeurd en dat is dus onze positie nu. De bedoeling is echter dat dit principe, deze positie van de gelovige, ook een praktische uitwerking heeft in zijn levenswandel of gewoon in zijn leven. Opgewekt zijn met Christus heeft alleen zin als dat praktische consequenties heeft in ons leven. Dat staat ook in de brief aan Éfeze. Daar wordt dat in een adem gezegd met dat we met Hem zijn opgewekt en met Hem zijn gezet in de hemelen waarom Hij dat gedaan heeft.

7 Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. Éfeze 2 : 7, 10

Er staat dus dat de hemelse positie het uitgangspunt is voor onze levenswandel. Bovendien zegt Hebreeën dezelfde dingen. Daar staat dat de Heer, onze Hogepriester aan de rechterhand Gods, onze gewetens gereinigd heeft van dode werken om de levende God te dienen.

14 Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levenden God te dienen? Hebreeën 9 : 14

Het bloed van Christus is het leven van Christus. De levende Christus reinigt ons geweten van dode werken. Die reiniging, die verlossing die ons deel geworden is, heeft dus tot doel dat wij de levende God zouden dienen. In dit verband is een vergelijk van toepassing van de positie van de gelovige met de positie van Israël in de woestijn. Een uit Israël verloste hoorde niet meer bij Egypte, maar wel bij Kanaän. Hij was al verlost uit Egypte, maar had toch nog niet de volle zegeningen ontvangen. Hij ontving wel een voorschot, een onderpand, van de toekomende erfenis. De Heer zorgt toch wel of men nu in Kanaän is of in de woestijn. Het is alleen lastig als je niet van manna houdt. Je moet niet al te kieskeurig zijn en leren eten wat de pot schaft. Dat moet een gelovige ook. Het is geen gevarieerd menu. Het is allemaal manna, wel een heleboel verschillende korreltjes, maar het komt altijd op hetzelfde neer. Dat is ons geestelijk voedsel ook. Het gaat altijd over Christus die de dood overwon.

Het is dus zaak dat de positie van de gelovige ook uitgewerkt wordt in het praktische leven. Dat is zowel nu als in de toekomende bedeling zo. In de toekomende bedeling, waarover Jakobus het dus primair heeft in zijn brief, is dat echter van nog groter belang, omdat dat een hele bedeling is die een aardse toekomstverwachting heeft, een aards perspectief. Wij richten de blik omhoog. In de dagen van de volgende bedeling richt men de blik naar de toekomst; misschien ook omhoog, want daar komt de Heer vandaan. Het is in ieder geval een bedeling met een afgemeten lengte van veertig jaar. Het gaat over het leven als ziel, namelijk in de oude mens of gewoon in het lichaam, want dat is de ziel. Het gaat over de praktische levenswandel, om dingen die een mens doet of laat, waar hij zich op gericht heeft, waar hij mee bezig is. Dat is in die toekomende bedeling helemaal van groot belang, omdat daar verdrukkingen heersen. Er is vervolging van de gelovigen. Dat is nu ook zo, maar in de toekomende bedeling nog veel meer: systematische vervolging en uitroeiing van de gelovigen. Juist in die bedeling wordt gezegd dat men moet volharden tot het einde om zalig te worden. Daar is nogal wat van afhankelijk.

Dat blijkt ook uit het verdere verloop van deze brief, waar veel meer nadruk gelegd wordt op de werken van de gelovige dan in welk ander Bijbelboek ook. Dit betekent niet dat in andere Bijbelboeken die gedachte niet zou voorkomen. Er ligt in Jakobus echter veel meer nadruk op dat het geloof een dood geloof is als daar geen werken uit blijken. Helaas ken ik mensen die al jaren roepen dat ze gelovigen zijn, maar waar het niet naar buiten komt. Als precies het tegenovergestelde naar buiten komt van wat men mag verwachten, moet men constateren – ik weet dat dat gevaarlijk is – dat zo iemand géén gelovige is. Dan zeg ik met Jakobus: Als het waar is dat je een gelovige bent, toon dat dan eerst maar eens. Je kunt het wel zeggen en ik ben best bereid om dat te geloven, maar dan moeten de feiten daar ook mee in overeenstemming blijken te zijn, zeker na verloop van jaren. Er zijn mensen die roepen dat ze gelovigen zijn, maar echt niet zijn wedergeboren. Weliswaar kennen zij Bijbelse waarheden, maar die hebben zij zich nooit eigen gemaakt. Ze zijn nooit tot overgave gekomen aan de Heer Zelf, Die immers de Waarheid is. Er zijn ook mensen die tot wedergeboorte komen en dat als het eindpunt beschouwen. Ze hebben geen geloof in het dagelijkse leven, hoewel ze wel wedergeboren zijn. Daarom zegt Jakobus: Toon mij uw geloof maar uit uw werken (Jakobus 2 : 18).

En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende. Jakobus 1 : 22

Een echte hoorder is vanzelfsprekend een dader. Hier wordt het apart vermeld. De nadruk blijft in zo’n vers toch liggen op dat men hoorder moet zijn. Daarom staat er: “Zijt niet alleen hoorders”, want dat waren ze al, maar “zijt bovendien ook daders”. Er zijn altijd minder daders dan hoorders. Er zijn veel mensen bij wie het Woord van God terechtkomt, maar er zijn er maar weinig die het aanvaarden. Daarna zijn er nog weer minder die ook dader des Woords zijn, bij wie het ook praktisch uitwerkt in hun levenswandel. In de bedeling waar de apostel Jakobus primair aan denkt, moet men geloven … en nog wat. Men moet het ook blijven doen. Men moet geloven en volharden tot het einde om zalig te worden. Dat heeft alles te maken met die zesde bedeling, waarin in de eerste plaats Israël tot geloof komt, waarvan Jakobus de representant is. Israël is van oorsprong geroepen om “te verkondigen de deugden Desgenen die hen getrokken heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht” (1 Petrus 2 : 9). Het is een volk aan wie de zaligheid en het priesterschap is toebetrouwd, opdat zij dat zouden beheren en brengen onder alle volken onder de heidenen.

Als nu, na ± 3500 jaar, Israël zich alsnog bekeert tot de Heer, zegt Hij (vrij vertaald): Toon Mij uw geloof uit uw werken. Als je je nu tot Mij bekeert, zul je nu alsnog moeten doen wat je in het verleden niet gedaan hebt. In het verleden moest men niet alleen de Heer nawandelen in de woestijn, maar ook inderdaad dienovereenkomstig leven en Hem dienen, Hem onderworpen zijn, Hem onderdanig zijn. Israël zal dat in de toekomst ook moeten doen, alvorens definitief het Koninkrijk over hen gevestigd zal zijn. In dat kader spreken de bekende gelijkenissen uit Matthéüs 24 en 25, over die twee dienstknechten, over de vijf wijze en vijf dwaze maagden en over de talenten. Het heeft alles te maken met het volharden tot het einde. Maagden, toon Mij uw geloof uit uw werken. Dienstknechten, toon Mij uw geloof uit uw werken. Men zal het moeten tonen aan de Heer. Geloven en dienovereenkomstig leven is dan één. Het is toch vanzelfsprekend dat iemand leeft overeenkomstig wat hij gelooft. Als men echt gelooft, wordt het een deel van zijn persoon en dus leeft men dienovereenkomstig. Het heeft op zijn minst invloed op de levenswandel. Men moet dus niet alleen hoorder zijn, maar ook een dader des Woords zijn en zichzelf niet met valse overlegging bedriegen.

Dat wil zeggen dat je natuurlijk een redenering kunt ophangen over waarom het niet van belang is dat men ook nog een dader des Woords is. Zulke redeneringen zijn er natuurlijk wel, want je kunt natuurlijk laten zien uit de Schrift dat een mens niet door werken gerechtvaardigd wordt, maar dat degene die niet werkt, maar gelooft, zijn geloof gerekend wordt tot gerechtigheid (Romeinen 4 : 5). Dat is ook zo, maar dat is niet het volledige verhaal. Het is wel waar, maar er volgt wat op. De moeilijkheid is als mensen behouden worden, zij dat beschouwen als een eindpunt. Dat is niet zo. Dan begint het pas. Wedergeboorte is niet een eind. Geboorte is nooit een eind. Geboorte is een begin en wedergeboorte is dat ook. Wat daar op volgt zijn die goede werken welke “God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen” (Éfeze 2 : 10) ofwel dat we daders des Woords zouden zijn ofwel dat we zouden volharden (Matthéüs 24 : 13).

Er staat in verband met de volgende bedeling dus duidelijk dat men moet geloven, maar ook moet volharden tot het einde om zalig te worden. De brief aan de Hebreeën spreekt echter over de tegenwoordige bedeling, in verband met de Here Jezus Christus die is “gezeten aan de rechterhand Gods” (Hebreeën 1 : 3; 10 : 12; 12 : 2). Er wordt gezegd dat we de loopbaan die ons voorgesteld is zouden lopen (Hebreeën 12 : 1). In 1 Timothéüs 6 : 2 staat dat we “de strijd des geloofs zouden strijden” en dus het geloof zouden vasthouden. Dat is wel degelijk volharden. De brief aan Éfeze zegt dat we de geestelijke wapenrusting aan moeten doen om staande te blijven, om te kunnen stand houden tegen de boze (Éfeze 6 : 11, 13). Dat is ook volharden. In Éfeze gaat het in de eerste plaats wel om geestelijke strijd, om geestelijke dingen, want daar ligt onze strijd. In de brief van Jakobus en in de andere apostolische brieven hebben we daarentegen te maken met een aards gerichte strijd, een strijd die direct te maken heeft met aardse omstandigheden. Men heeft het teken van het beest niet en kan dus niet kopen en verkopen. Men heeft dan te maken met christenvervolgingen, met vervolgingen van gelovigen, net zo goed als wij in onze dagen helaas vertrouwd zijn geraakt met jodenvervolging en natuurlijk met christenvervolging. Dan krijgt men met maatschappelijke omstandigheden te maken waarin men volharden en trouw moet blijven aan de Heer. Ook in onze dagen is dat zo, al is ons behoud daar niet direct mee gemoeid, maar in ieder geval wel ons loon en het loon wordt ook tot de zaligheid gerekend.

Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel; Jakobus 1 : 23

Uw aangezicht is aangeboren. Het vergaat heel spoedig. Dat is wat Jakobus heeft opgemerkt. Hij heeft namelijk opgemerkt dat iemand in de spiegel naar zijn eigen gezicht staat te kijken, daarna wegloopt en dan niet meer weet hoe hij er uitzag. Het is inderdaad een verschijnsel dat een mens zijn eigen gezicht niet kan onthouden. Hij kan het wel herkennen als hij het ziet op een foto, maar een mens heeft geen geheugen voor zijn eigen gezicht. De ogen van de mens staan naar buiten gericht. Hij is op een ander gericht in plaats van op zichzelf. Het is dus een heel natuurlijke zaak dat hij wel een ander onthoudt, maar niet zichzelf. Daar is ook een heel praktische oorzaak voor. Wij kunnen het gezicht van een ander onthouden, niet omdat we het een keer gezien hebben, maar omdat we het hebben zien leven. Het beweegt namelijk. We kennen de karakteristieke trekken. We herkennen bewegingen daarin. Dat zien we van onszelf nooit. Jakobus heeft dat gemerkt en hij zegt: Iemand die een hoorder des Woords is en geen dader des Woords, die lijkt op een mens die zijn eigen gezicht gezien heeft voor de spiegel en hij draait zich om en hij is het vergeten.

Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was. Jakobus 1 : 24

Dat is iemand die wel een hoorder is des Woords, maar geen dader. Hij kent de Waarheid. Hij herkent het ook als hij ermee in aanraking komt, maar … vergeet het weer.

Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen. Jakobus 1 : 25

Dit is natuurlijk een wat langdradige manier om iets naar voren te brengen, maar het staat er wel duidelijk. Degene die inziet in de volmaakte wet is degene die niet alleen het Woord hoort, oppervlakkig, maar die ook inzicht verwerft, die het begrijpt, die het tot zich neemt. Hij heeft inzicht in het volmaakte Woord. Daar gaat het om. Het heet hier de volmaakte wet. Zo iemand wordt vanzelfsprekend een dader des werks, zoals het verder heet. Over die volmaakte wet wordt nog gezegd waardoor die wet zich kenmerkt. Er staat namelijk: “Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, …” Het Woord van God, in ieder geval het Evangelie en dat is het Woord van God, predikt vrijheid. De Here Jezus citeerde dat uit Jesaja (Lukas 4 : 17-19; Jesaja 61 : 1, 2). Als de Messias zou komen, zou Hij prediken, verkondigen, vrijheid voor degenen die in de gevangenis zijn, vrijheid voor degenen die gebonden zijn en opening van de ogen voor degenen die blind zijn, opening van de oren voor degenen die doof zijn, kortom: Hij zou prediken het “welaangename jaar des Heeren”.

Het Woord van God predikt niet een gebondenheid, maar een vrijheid, een bevrijding uit Egypte bijvoorbeeld. Galaten zegt dat we zouden staan en ook blijven staan, blijven bij wat ons gepredikt is en dus ook blijven staan in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft (Galaten 5 : 1), want de Waarheid zal u vrijmaken (Johannes 8 : 32). Dat wat ons bindt, dat een band om ons legt, dat druk op ons legt, kan nooit de waarheid zijn, want de waarheid zal vrijmaken. Er is zoveel prediking die ons onder druk plaatst, die ons beschuldigt of die ons plichten oplegt en die ons in ieder geval neerslachtig maakt. Dat kan nooit de waarheid zijn. De waarheid maakt vrij. Dat is een eenvoudig Bijbels principe en de waarheid is Christus (Johannes 14 : 6). Vandaar dat het de vrijheid is waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft.

Als de apostel Jakobus zegt dat een gelovige ook een dader des Woords moet zijn, heeft hij het daarmee niet heeft over slavernij of dienstbaarheid. Hij heeft het over vrijheid. Maar waarom zou iemand vrijheid krijgen? Waarom zou je een slaaf zijn vrijheid geven? Aan de ene kant omdat hij gebonden is en aan de andere kant opdat hij in die vrijheid vervolgens de dingen zou kunnen doen die nuttig zijn. Het verschil tussen slavernij en vrijheid is dat men in slavernij moet doen wat een ander opdraagt, terwijl men in vrijheid kan doen wat men zelf wil. Van een gelovige mag je verwachten dat hij de Heer wil dienen. Het is dus niet zo dat een gelovige de Heer móet dienen, hoewel dat in zekere zin te verdedigen valt. In morele zin heeft hij die verplichting min of meer, maar die verplichting wordt hem nergens opgelegd. Een gelovige wil, als hij het Woord van God tot zich neemt, de Heer dienen.

Vandaar die merkwaardige wetgeving onder het oude verbond die zegt dat een slaaf in het sabbatjaar vrijgelaten moet worden (Exodus 21 : 2). Dan kan hij namelijk kiezen om alsnog bij zijn baas te blijven (Exodus 21 : 5, 6). Hij krijgt vrijheid en de dienstbaarheid waarin hij daarna terechtkomt is er een die hij zelf gekozen heeft uit vrije wil. Dat is hem niet opgelegd. De volmaakte wet is er een der vrijheid en wij zijn vrij geworden door het Evangelie, door het nieuwe verbond. Wij leven onder het nieuwe verbond in deze vijfde bedeling, maar ook zij over wie Jakobus het primair heeft, leven onder het nieuwe verbond, al is het dan in de zesde bedeling. Het is hetzelfde nieuwe verbond. Het gaat dus inderdaad om dezelfde vrijheid, namelijk vrijheid om de Heer te dienen.

Jakobus 1 : 25 sluit aan bij Galaten, dat ze zouden blijven bij wat hen geleerd was en blijven bij de Geest (Galaten 3 : 3). Als je het Woord niet vergeet en werkelijk inzicht hebt in die volmaakte wet en inzicht hebt in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, dan word je een dader des Woords. Dat heeft zijn uitwerking in het leven, in ons leven, staat hier. Als hij geen vergetelijk hoorder is, maar blijft bij de volmaakte wet der vrijheid, dan wordt hij een dader des werks. Hij “zal gelukzalig zijn in dit zijn doen”, omdat het geen slavenwerk is, maar het is een werk dat hij in vrijheid verkiest te doen. Het is weliswaar een last of een juk, maar het is zacht (Matthéüs 11 : 30). Hier gaat het om wat uit het geloof voorkomt. Let wel, het gaat niet om werken die gedaan worden opdat men voor God acceptabel zou worden! Het gaat erom dat men de Heer zou dienen op grond van het feit dat God ons geaccepteerd heeft. Het gaat niet om werk om vervolgens in de rust te komen, maar het gaat om werken die uit de rust zelf voortkomen. In de brief aan de Hebreeën staat, met name in Hebreeën 4, dat de Heer Zelf gerust heeft van Zijn werk en dat degenen die in Hem geloven dus ook ingegaan zijn in die rust (Hebreeën 4 : 4, 10). Dáárna spreekt de rest van de brief aan de Hebreeën over het werk dat de Heer doet. Hij is onze Hogepriester! Hij verzoent de zonden des volks en Hij helpt ons te bekwamer tijd en toch heet dat rust (Hebreeën 2 : 17; 4 : 16). Dat is voor de gelovige net zo goed het geval. Er zijn zelfs dingen die onmogelijk gedaan kunnen worden zonder rust hebt.

Daden komen dus voort uit het geloof. We zullen het daar uitgebreider over hebben naar aanleiding van de tweede helft van Jakobus 2, want dat gaat er nog veel uitgebreider over. Boven dat gedeelte, boven Jakobus 2 : 14, staat: “Nutteloosheid van het geloof zonder de werken”. Nu wordt in ieder geval al gezegd: Niet alleen horen, maar ook doen. Dat stond trouwens ook in Romeinen 2: “Niet de hoorders der wet worden gerechtvaardigd, maar de daders der wet” (Romeinen 2 : 13). Hier gaat het ook om wet, maar dan om de volmaakte wet, namelijk die der vrijheid, terwijl in Romeinen 2 wordt gesproken over de wet onder het oude verbond. Hier gaat het echter om een nieuwe wet ofwel het nieuwe verbond. Dan gaat hetzelfde verhaal op, namelijk dat men niet alleen een hoorder zou zijn, maar ook wel degelijk een dader des werks. Zo iemand zal gelukzalig zijn in zijn doen.

Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel. Jakobus 1 : 26

Godsdienstig zijn is het normale woord voor godsdienst in de Bijbel. Het eigenaardige daarvan is dat dit begrip van toepassing is op bijvoorbeeld het jodendom, dat is godsdienst, maar niet op het christendom omdat het christendom geen godsdienst is. Dat weet het christendom misschien zelf niet eens. Godsdienst heeft iets te maken met de levenswandel. Dat heeft namelijk te maken met een verzameling van plichten en rituelen die aan de godsdienstigen worden opgelegd. De godsdienstige moet bepaalde dingen doen; hij moet bepaalde dingen laten; hij moet volgens de voorschriften leven. Dat is godsdienst, namelijk religie. In dit woord, dat hier is vertaald met godsdienst, zit in de grondtekst het woord “god” ook helemaal niet. Vandaar dat het beter vertaald zou kunnen worden met “religie”. Daar zit het woord “god” niet in. Het is een wijze van leven. Van het oude verbond wordt gezegd dat het rechten heeft van godsdienst (Hebreeën 9 : 1). Het oude verbond is inderdaad religie, maar het nieuwe verbond is dat niet. Voor zover het nieuwe verbond wel godsdienst is, komen we terecht in Romeinen 12 : 1: “Ik bid u dat gij uw lichamen stelt tot een Gode welbehaaglijk offer”. Niet uw koe of uw stier of uw os of uw vaars of uw geit, maar uw lichaam tot een Gode welbehaaglijk offer. Dat is geen religie in de traditionele betekenis van het woord, maar het is juist de vervulling van die religie. Het gaat om dingen die afbeeldingen zijn van toekomende dingen. Daarom is wat wij kennen de vervulling van godsdienst en niet godsdienst zelf.

Jakobus zegt dat wie zichzelf godsdienstig acht, in de eerste plaats zijn tong in toom moet houden. Dat is een merkwaardige uitspraak waar later in Jakobus 3 ook op wordt teruggekomen. Een toom heeft iets te maken met de besturing van een paard. Een paard heeft een bit in zijn bek, waarmee het hele paard bestuurd wordt. In Jakobus 3 : 4 staat inderdaad dat men dus aan de tong of aan de mond het hele beest kan leiden. Hier staat dat als een mens in staat is zijn tong in toom te houden, te beheersen, te richten, zijn wil op te leggen, dan kan hij zijn hele wezen controleren. Dan heeft hij namelijk zelfbeheersing. Volgens Galaten 5 : 22 is zelfbeheersing (= matigheid) de laatste vrucht van de geest. Het moeilijkste wat in toom te houden is, is de tong. “Dezes godsdienst” uit Jakobus 1 : 26 is leeg en betekent niets. “Dezes godsdienst is ijdel” staat er. Als iemand meent dat hij religieus is, zou hij dus in de eerste plaats zijn tong moeten controleren. Hier wordt dus gewaarschuwd voor de tong. Daar komt nog iets anders bij. Onder sommige omstandigheden kan het weleens erg onverstandig zijn om over het Evangelie te spreken, zeker waar we te maken hebben met christenvervolging. Dan is het verstandig om te weten wat je zegt en tegen wie je het zegt. Je moet natuurlijk niet bang zijn, dat niet, maar het is ook zinloos om de dingen aan te halen, terwijl je van tevoren weet dat het toch niet uitwerkt. Dat zal dus ook zeker zo in de dagen van vervolging zijn – in de zesde bedeling – waarover Jakobus het hier heeft. Vandaar de grote nadruk die hij legt op de tong. Het gaat erom dat de goede dingen gezegd zouden worden; niet te veel en ook niet te weinig.

Het zijn trouwens ook de dagen waarvan gezegd wordt dat men het Evangelie kort zou prediken in een bepaalde plaats (Matthéüs 10 : 5-15). Als men in die bepaalde plaats het Woord niet accepteert, moet men gewoon weer doorgaan. Men moet niet jarenlang ploeteren op dezelfde plek. Nee, men brengt hen dan het Evangelie en dat is het dan. Men moet dat dan wel goed doen, maar dat is het dan. Niet te veel, niet te weinig, niet te veel energie verspillen. Zeggen wat er gezegd moet worden en daar blijft het bij. Voor de mensen die werkelijk zoeken, zijn een paar woorden al genoeg. Voor de mensen die helemaal niet willen, kun je blij- ven praten als Brugman, maar dat helpt niets. Dat is zonde van de tijd en energie. Voor voorbeelden verwijs ik naar Matthéüs, Markus, Lukas en Johannes. De Heer zegt alleen de hoogst noodzakelijke dingen en daarmee stuurt Hij de mensen weg met de boodschap denk daar nu maar eens over na. Wie er over nadenkt, zal het licht opgaan en wie er niet over nadenkt is het ook niet waard dat hem meer verteld wordt dan dat.

Er wordt gezegd dat degene die zijn tong niet in toom houdt daarmee zichzelf, namelijk zijn eigen hart, verleidt. Hij praat, maar degene die wordt meegesleept door wat hij zegt is hijzelf. Mensen zijn soms erg onder de indruk van hun eigen woorden. Er zijn ook mensen die liegen alsof ze het zelf geloven. Men verleidt zichzelf met al dat gepraat. Wat je moet doen is luisteren naar het woord en bij voorkeur naar het Woord van God, want daar gaat het om. Dus tong stilhouden, traag zijn om te spreken, ras zijn om te horen, te luisteren. Daar komt nog wat bij.

De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld. Jakobus 1 : 27

Dit vers laat zich alleen zinvol verklaren vanuit de toekomstige bedeling, want daar, in die bedeling van zeer intensieve vervolging van de gelovigen, blijven er in de gemeenschap van gelovigen veel wezen en weduwen over. De gelovige zou “wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld”. Deze uitspraak wordt in de eerste plaats wel degelijk verklaard uit het verband waarin het gezegd wordt, namelijk de vervolging van de gelovigen uit de Joden in Jeruzalem. Dat is het historisch verband. Het meer directe verband hier is dat deze brief is geschreven aan de twaalf stammen van Israël in de verstrooiing. Dus aan een gelovig Israël in een tijd waarin de grote verdrukking op aarde plaatsvindt en waarin dan juist onder de gelovigen zovele wezen en weduwen gevonden worden. Dat laat zich simpelweg daaruit verklaren. Vandaar dat dit een van de eerste dingen is. Later wordt erop teruggekomen in Jakobus 2 : 8, waar gesproken wordt over de hoofdsom der wet” … Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, …” De naaste van een gelovige is zijn medegelovige. Daarom bestaat zijn godsdienst ook inderdaad uit het dienen van zijn naaste, namelijk zijn medegelovige. Dat komt voort uit het dienen van de grootste gelovige aller tijden, namelijk de Here Jezus Christus, Wiens geloof bovendien genoemd wordt in het volgende vers, in Jakobus 2 : 1.

Het bezoeken van die weduwen en wezen is een zaak die de gelovige op het hart behoort te liggen. Waarom staat dat juist hier? Er is nog wel wat belangrijkers te bedenken dan dit. Waarom is dit dan zo belangrijk? Dat komt omdat die brief hoofdzakelijk thuis hoort in een volgende bedeling, die van de grote verdrukking. Het hangt samen met verdrukking en vervolgingen, verzoekingen, want die vinden met name plaats in een toekomende bedeling. Het woord “verdrukking” wordt niet voor niets genoemd en daarmee is meteen de rest van het vers verklaard. Voor “wereld” staat het woord “kosmos” en als daar verder niets bij staat, dan is kosmos altijd de aanduiding van de zienlijke, de stoffelijke wereld. Als er echter wel wat bij staat, blijkt dikwijls dat “kosmos” de aanduiding is van de georganiseerde wereld en daarom ook inderdaad heel dicht komt bij de betekenis van het woord “aioon”. Het woord “kosmos” wordt hier dus gebruikt voor de georganiseerde samenleving in de bedeling waarin deze brief ook inderdaad bezorgd zal worden. Een van de belangrijkste dingen die daar gepredikt wordt, is naast dat men moet geloven in de Here Jezus Christus en gedoopt moet zijn, men bovendien ook zal moeten volharden tot het einde om zalig te worden. Er wordt wel degelijk verlangd van de mens, die nu eenmaal dat Koninkrijk in wil, dat hij het teken van het beest niet draagt. Openbaring 13 gaat ook over die tijd. Dat Schriftgedeelte gaat over die twee beesten, de vorst over de volkeren en de vorst over de – ongelovige – Joodse of de Israëlitische natie.

16 En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;
17 En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams. Openbaring 13 : 16, 17

De uitdeling van dat teken is met vervuiling. Dat blijkt bovendien uit:

En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden. Openbaring 14 : 1

Van die 144.000 wordt gezegd in Openbaring 14 : 4:

Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; dezen zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen Gode en het Lam. Openbaring 14 : 4

Hier wordt in ieder geval mee uitgedrukt dat deze 144.000 verzegelden inderdaad onbesmet bewaard worden van de wereld. Dat staat tegenover degenen die wel besmet worden door de “kosmos”, de wereld. Dat zijn namelijk degenen die dat teken van het beest ontvangen. De 144.000 die verzegeld zijn, krijgen ook een teken aan hun voorhoofden; alleen niet van het beest (antichrist), maar van Christus. Het is een kwestie van openbaar kleur bekennen en heeft daarom ook gevolgen voor de praktijk, voor het praktische leven. Nu kun je nog een christen, een gelovige zijn in het verborgene, maar in de toekomst gaat het wel degelijk ook om een openbaring van wat nu verborgen is. Vandaar dat in de brief van Jakobus staat dat men er dan niet onderuit zal kunnen om “daders des Woords” te zijn en zeker Israël niet. Voor Israël, aan wie de brief primair geschreven is, geldt nog altijd dat God hen geroepen heeft voor een bepaalde bediening. Israël heeft God niet geloofd. Het heeft zich er niets van aangetrokken en die bediening ook niet uitgevoerd. Wanneer Israël dan in de toekomst tot geloof komt, zal God van hen vragen dat ze alsnog hun bediening uitvoeren. Dan is het “Zijt niet alleen hoorders des Woords, maar ook daders”. Aan ons wordt gezegd: “Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult behouden worden” (Handelingen 16 : 31), maar van hen staat: “Bekeert u en laat u dopen en wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden” (Matthéüs 24 : 13). Bekering en geloof zijn twee verschillende dingen. Ze horen wel samen te gaan, maar het is verschillend en van volharden tot het einde om het Koninkrijk binnen te gaan, is bij ons helemaal geen sprake. Bij ons is wel sprake van volharden tot het einde, maar dan in de zin van “zijt getrouw tot de dood” (Openbaring 2 : 10) en trouw zijn aan de goede strijd en het geloof behouden (2 Timothéüs 4 : 7). Dat heeft niet direct met daden en behouden worden te maken. Wel met al of niet loon ontvangen.

Het is niet de bedoeling dat in deze tegenwoordige bedeling de wereld tot bekering komt, maar dat is het wel in de volgende bedeling. Vandaag is het de bedoeling dat God uit deze wereld een volk verzamelt “voor Zijn Naam; een volk van enkelingen, van zovelen die Hem aangenomen hebben” (Johannes 1 : 12), maar in de toekomende bedeling is het de bedoeling dat die wereld zelf bekeerd wordt tot de Heer en aan Hem wordt onderworpen. Nu krijgen de gelovigen een plaats in de hemel, maar dan een plaats binnen dat Koninkrijk Gods op aarde. Wij als gelovigen kunnen zeker wel propaganda maken voor wat wij geloven, als wij maar niet de illusie hebben dat daardoor de wereld bekeerd wordt. Dat is niet de bedoeling in deze bedeling, maar wel in de volgende heel korte bedeling van hooguit veertig jaar. Die bedeling heeft uitdrukkelijk de openbaring van het tot dan toe verborgen Koninkrijk Gods hier op aarde tot doel. Een ieder die tot geloof komt, wordt dus geacht daaraan mee te werken. Iedereen die zich dan onderwerpt aan die Koning, krijgt van die Koning een opdracht en moet vasthouden aan die opdracht.

Men zou zich onbesmet bewaren van de wereld, want men heeft zich immers onderworpen aan Christus. Die besmette wereld, die verontreinigde wereld, valt in het oordeel. Degenen die zich onbesmet bewaren, door geloof uiteraard en een dienovereenkomstige levenswandel, zullen de duizend jaren binnengaan en op aarde gelaten worden. Daarin past ook het bezoeken van wezen en weduwen in hun verdrukking, opdat zij gesteund zouden worden en zich onbesmet zouden bewaren van de wereld. Die weduwen en wezen hebben juist die hulp en steun nodig om te volharden tot het einde.

3. Jakobus 2

1 Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.
2 Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;
3 En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;
4 Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?
5 Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?
6 Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?
7 Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?
8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;
9 Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.
10 Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.
11 Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden.
12 Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.
13 Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
14 Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?
15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;
16 En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?
17 Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.
18 Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.
19 Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.
20 Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?
21 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?
22 Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?
23 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
24 Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?
25 En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?
26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood. Jakobus 2 : 1-26

Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons. Jakobus 2 : 1

Het geloof van onze Here Jezus Christus, de Heer der heerlijkheid, is wat je juist wel moet hebben, maar je moet het niet hebben samen met aanneming des persoons. Dat is wat er staat. Bovendien: Iemand die dat geloof niet heeft, is ook geen broeder en kan dus ook niet zo aangesproken worden. Wij zijn broeders van de Here Jezus Christus, omdat wij hetzelfde geloof hebben als Hij. Hij werd gerechtvaardigd door Zijn geloof en wij worden gerechtvaardigd uit Zijn geloof (Romeinen 3 : 22, 26). Dat zelfde geloof hebben wij ook, namelijk het geloof in het Woord van God, het vertrouwen dat de Here Jezus Christus der heerlijkheid ook zal doen wat Hij beloofd heeft. In 1 Korinthe 2 wordt gesproken over de Heer der heerlijkheid. Indien de oversten dezer wereld de verborgenheid gekend hadden, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruist hebben, staat er (1 Korinthe 2 : 7, 8). De Heer der heerlijkheid is Degene die via dood, opstanding en hemelvaart heerlijkheid ontvangen heeft. Hij is het Beeld Gods geworden. Nu is Hij gezeten aan de rechterhand Gods en is Hij het uitgedrukte Beeld van Gods wezen, zegt Hebreeën 1 : 3.

Wij die Zijn geloof hebben of Zijn geloof delen, krijgen ook deel aan die heerlijkheid. Vandaar dat er staat “het geloof van onze Heere Jezus Christus der heerlijkheid”. Men krijgt daaraan deel door geloof en niet op grond van aanneming des persoons. Dat is de oude waarheid van Romeinen 2 tot 4 en van Galaten 3. Er is bij God geen aanneming des persoons, maar God rechtvaardigt elke gelovige; niet op grond van wie hij is of hoe hij er uitziet, maar op grond van het innerlijk, op grond van zijn geloof. Daarom horen begrippen als “geloof” en “aanneming des persoons” absoluut niet bij elkaar. God verkoos Abraham, niet omdat dat zo’n aardige man was of omdat hij rijk genoeg was, maar omdat hij geloofde. (Hebreeën 11 : 8). God riep Abraham op grond van zijn geloof en dus niet op grond van “aanneming des persoons”. In de grondtekst gaat bij deze uitdrukking om het aanzien van iets, om het kijken, letten op iets. Het gaat om het letten op de persoon.

“Persoon” staat in de Bijbel altijd voor de buitenkant van iets; nooit voor het wezen. In het tegenwoordige, hedendaagse Nederlands wel, maar in oud Nederlands niet en in de oude talen zeker niet. Een persoon is de buitenkant van iets. “Persoon” is afgeleid van het Latijnse “per sona”. Per = door, sona = klinken. “Persona” betekent dus dat er iets doorklinkt en dat is de reden dat het woord “persoon” oorspronkelijk de aanduiding was van een masker of iets dat je gezicht bedekt. Daar klinkt iets door, van achter dat masker vandaan. De bedoeling van zo’n masker is ook dat men juist een hoedanigheid aanneemt die men van zichzelf niet heeft, opdat naar buiten toe iets anders zou doorklinken dan het wezen van de persoon zelf. Het woord “persoon” wordt daarom niet alleen gebruikt voor een masker, maar ook voor de rol die een toneelspeler speelt. Er worden maskers opgezet bij de rol die men speelt. Het kan best zijn dat meerdere rollen door één mens gespeeld worden. Aanneming des persoons is dus een beoordelen op grond van puur alleen maar de buitenkant en verder niets. Je kunt daar een heleboel aan aflezen. In dit Schriftgedeelte gaat het erom of iemand arm is of rijk. Dan staat er dat je op grond daarvan iemand niet kunt oordelen.

Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring … Jakobus 2 : 2a

Wat hier vertaald is met “vergadering”, is het woord “synagoge”. Daar blijkt uit dat het hier wel degelijk gaat om een joodse gemeenschap. Het geeft zelfs blijk van een handhaven of een voortzetten van een bepaalde joodse traditie. U moet weten dat een synagoge geen Bijbelse instelling is, want de instelling van het instituut synagoge is ontstaan in de ballingschap, bij gebrek aan een tempel. Van oorsprong moest het Woord onderwezen worden in de tempel. Toen de tempel verbrand was en Israël in ballingschap, en men toch behoefte had aan onderwijs in de schriften, ontstond de synagoge. Het was de plaats waar joden zich verzamelden om de schriften of de joodse traditie te bestuderen. Synagoge betekent inderdaad dat het een verzamelplaats is. Hier is het woord terecht vanuit het Grieks vertaald met vergadering, maar dat neemt niet weg dat het begrip dat hier gebruikt wordt in feite een joods begrip is.

2b …, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;
3 En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;
4 Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen? Jakobus 2 : 2b-4

Het “aanzien” in vers 3 is een aannemen, de aanneming des persoons. Een eerlijke plaats is een eervolle, een eerbare plaats. Hier wordt dus geoordeeld op basis van het uiterlijk. In de eerste plaats moeten we hier in lezen dat hier blijkbaar vreemde mensen in een bestaande gemeenschap binnenkomen. Hoe dan ook, rijk of arm, ze worden er in ieder geval niet à priori uitgezet. Ze zijn in elk geval welkom, ook de arme. Het verschil in uiterlijk is bovendien een verschil dat niet verklaard wordt uit een persoonlijke gerichtheid, een persoonlijke provocatie of een uitdagende houding van deze mensen, maar het wordt slechts verklaard met dat ze arm zijn of rijk, waaruit je kunt aannemen dat iemand gekleed gaat conform hij kan betalen.

Ringen zijn meestal gouden zegelringen. Die worden alleen gedragen door mensen die een zegel hebben en voor wie een zegel zin heeft. Het gaat over mensen met autoriteit: hoogwaardigheidsbekleders met een gouden ring en sierlijke kleding. Kleding is van oudsher de aanduiding van bepaalde autoriteit. Het is om te imponeren, om gezag af te dwingen, om indruk te maken. Als een arm man, die je dus ogenblikkelijk herkent aan zijn mindere kleding, ten tonele verschijnt, is het verkeerd om op grond van zijn kleding conclusies te trekken. Die mensen zijn namelijk welkom, niet op grond van wie zij zijn in de wereld, maar op grond van dat ze gelovigen zijn. “Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank” wil zeggen dat het een vernederde positie is.

Het gaat hoe dan ook gewoon om het verschil dat er gemaakt wordt tussen eventueel rijk en arm. Als je dat doet zegt dit gedeelte: “Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?” Dat woord “onderscheid maken” is een van de vormen van het woord voor oordelen in de Bijbel, namelijk “crino” of hier “diacrino”. Diacrino betekent in feite discrimineren, een oordeel vormen op voorhand. Het gaat om discriminatie. Hebt gij dan niet in uzelven op voorhand een onderscheid gemaakt, gediscrimineerd en zijt daardoor rechters kwade overleggingen geworden? “Rechters van kwade overleggingen” wil niet zeggen dat ze over kwade overleggingen oordelen, maar dat zij met kwade overleggingen oordelen. Het betekent dat kwade overleggingen hun hoedanigheid, hun karakter is. Ze zijn kwaad overleggende (of overwegende) rechters, want hier wordt geoordeeld, gediscrimineerd, niet op grond of men gelooft, maar op grond van het uiterlijk, of men wel rijk genoeg is. Bij God is geen aanneming des persoons en daarom hoort dat er bij de mens ook niet te zijn. God ziet niet het uiterlijk aan, maar het innerlijk. God ziet het hart aan (1 Samuël 16 : 7). Of er geloof of ongeloof in zit. Dat is wat God aanziet en op grond daarvan kiest Hij dan wel verwerpt Hij.

Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben? Jakobus 2 : 5

God heeft de armen uitverkoren, alleen als ze rijk zijn in het geloof. Dat is wat er staat. God kiest de armen uit. Hier in de voorgaande verzen was er sprake van dat wij armen zouden afwijzen. Jakobus zegt: Wel, denk erom dat God armen wel verkiest, want het gaat niet om hun armoe. Het gaat erom of ze gelovigen zijn. God verkiest armen noch rijken, zoals de mens in het voorgaande vers. Dat “om te zijn” moet worden weglaten. Ze zijn niet geroepen om rijk te zijn in het geloof! Ze waren rijk in het geloof en daarom heeft God hen geroepen, ondanks hun armoede en ondanks hun armoede heeft God hen gemaakt tot erfgenamen van het Koninkrijk. Dat zijn degenen die Hem liefhebben, maar eerder in het vers staat dat het degenen zijn die rijk zijn in het geloof. Geloven in de Heer is synoniem met Hem liefhebben. Wie Hem gelooft, heeft Hem lief en andersom. Geloof is niet iets dat God geeft aan een ongelovige, maar is gewoon het directe resultaat van het Woord van God. Dat zegt Romeinen 10 : 17 ook. Het geloof is uit het gehoor. Ongeloof is eigenlijk het resultaat van de eigen zondige natuur, maar dat een normale reactie, een neutrale reactie op woord is, dat men het gelooft. Als je nu maar niet teveel overleggingen hebt, kun je veel gemakkelijker geloven.

Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. … Jakobus 2 : 6a

De “n” achter “arme” had weggemoeten. Er staat namelijk: “Maar gij hebt den arme oneer aangedaan”, in het enkelvoud dus. De arme is namelijk gewoon die arme die als voorbeeld werd aangehaald in vers 2, die arme man met een slechte kleding. Deze arme wordt oneer aangedaan, terwijl God juist Degene is die een arme uitverkiest op grond van zijn geloof en hem maakt tot erfgenaam des Koninkrijks. Iemand die een erfgenaam is des Koninkrijks van God, hoort niet een positie te krijgen zoals hier aangewezen wordt. Dat is oneer en daarom staat hier “Gij hebt de arme oneer aangedaan”. Daarna spreekt het vers verder over de rijken.

Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u [niet] tot de rechterstoelen? Jakobus 2 : 6b

Het blijken juist de rijken te zijn die hun macht en invloed gebruiken, om de gelovigen te bestrijden, om hen dwars te zitten. “Overweldigen u niet de rijken?” Dat wil zeggen dat de rijken het geweld waarover zij beschikken op alle mogelijke manier gebruiken. Zij plegen geweld aan de gelovigen en zij zijn degenen die hen trekken tot de rechterstoelen, dus eventueel zelfs in de rechtszaal brengen. Het gaat hier allemaal over recht en onrecht, over wet en regels, over dat men niet alleen een hoorder der wet, maar ook een dader der wet moet zijn. Deze rijken die de gelovigen voor de rechterstoelen dagen proberen onrecht te bewerkstelligen. Dat wil niet zeggen dat rijken per definitie dit doen, maar het verhaal is gewoon dat iemand die arm is, niet in staat is tot deze dingen.

Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is? Jakobus 2 : 7

Ik begrijp niet waarom de vertalers “naam”niet met een hoofdletter schrijven. De enige goede naam die over iemand ooit kan worden aangeroepen, is de Naam des Heeren, want “al wie de Naam des Heeren aanroept, zal zalig worden” (Romeinen 10 : 13). Zij lasteren de goede Naam. Als christenen gelasterd worden, wordt daarmee de Naam van Christus gelasterd. Er staat namelijk dat een ongelovig Israël tot spot is geworden van de volkeren en tot Israël gezegd wordt: “Om uwentwil wordt Mijn Naam gelasterd den gansen dag, onder de heidenen” (Jesaja 52 : 5; Romeinen 2 : 24). De mens is dan dus de aanleiding tot het lasteren van de Naam des Heeren. Waar gelovigen gelasterd worden, wordt in feite Degene in wie zij geloven gelasterd. Het zijn die rijken die hun macht, invloed en dus gewoon geld gebruiken om dit te doen.

De Naaste

Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel; Jakobus 2 : 8

Die naaste is de medegelovige, ongeacht zijn bezittingen. Die behoort men lief te hebben en niet achter te stellen of voor te trekken, want dat is wat de wet zei. Dat staat ook in het volgende vers.

Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders. Jakobus 2 : 9

De persoon is de buitenkant, het uiterlijk. De wet zegt dat men de persoon niet mag aanzien. Als men dus de wet wil volbrengen, moet men zijn naaste liefhebben en hem niet afwijzen op grond van zijn uiterlijke verschijning. De naaste liefhebben betekent in de praktijk simpelweg Christus liefhebben en daarmee de christen, de medegelovige liefhebben. In Romeinen 13 wordt dezelfde gedachte aangehaald. De Naaste is Degene die ons barmhartigheid bewezen heeft (Lukas 10). Daar vloeit uit voort dat degenen die verbonden zijn met Hem die ons barmhartigheid bewezen heeft, ook onze naasten geworden zijn. Als je het toepast op Israël onder het oude verbond, want aan hen werd die wet gegeven, is de naaste duidelijk de medevolksgenoot. Het ging erom dat de ene Israëliet ten opzichte van de andere op een bepaalde wijze zou handelen. Die naaste was niet een heiden, maar een mede-Israëliet. Onder het nieuwe verbond en in verband met de tegenwoordige bedeling is het dus uitdrukkelijk zo dat onze naaste degene is die deel uitmaakt van hetzelfde volk als wij, de Gemeente. Dat is die koninklijke wet. Dat is de hoofdsom, namelijk de optelsom van de wet. Als je alle artikelen van de wet bij elkaar optelt, komt daaruit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Tegenover het volbrengen van de wet staat:

Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders. Jakobus 2 : 9

Dat wijst op de wet uit bijvoorbeeld Leviticus 19. Daar staat boven: “Huiselijke en burgerlijke wetten” en gaat dus over sociale wetgeving.

Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aanne men, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten. Leviticus 19 : 15

Het gericht is een rechtszaak. Wat in het N.T. “aanneming des persoons” genoemd wordt, heet in het O.T. “aanneming des aangezichts”, want een aangezicht of een persoon is precies hetzelfde. Aangezicht is in het Hebreeuws het oppervlak, de buitenkant van iets. Vandaar dat het woord bijvoorbeeld gebruikt wordt voor het oppervlak van de zee; het aangezicht van de afgrond. Zo heeft Mozes het aangezicht Gods gezien, maar we lezen dat hij Zijn achterste delen zag (Exodus 33 : 23). Het gaat erom dat het de buitenkant was. Daarom heet het “aangezicht” en dat is hier de betekenis. “In gerechtigheid zult gij uw naaste richten”. Als je die naaste liefhebt, zul je hem recht doen. Dan zul je hem niet voortrekken of achterstellen. Jakobus kan aan dit vers gedacht hebben. Het gaat over het aannemen van het aangezicht of van de persoon en daarbij wordt het woord “naaste” genoemd. Er moet namelijk in gerechtigheid gericht worden. Gericht is dat wat recht is of recht moet voortbrengen. Iemand die de buitenkant aanneemt, die doet zonde en wordt daardoor een overtreder van de wet en wordt dus eigenlijk door de wet gestraft (Jakobus 2 : 9). Men wordt geacht zijn naaste lief te hebben en hem niet te beoordelen op zijn buitenkant.

Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. Jakobus 2 : 10

Dit wordt in de volgende verzen uitgelegd. Iemand die de persoon aanneemt, overtreedt de wet. Hij overtreedt niet een van de tien artikelen van de wet, want er zijn er honderden. Wie ook maar een van die honderd overtreedt, overtreedt daarmee de wet. Dat staat er ook: Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle, namelijk aan de gehele wet.

Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden. Jakobus 2 : 11

Iemand die netjes zijn huwelijkstrouw heeft kunnen opbrengen, maar toch gedood heeft, die had die huwelijkstrouw ook wel kunnen vergeten. Hij is dus toch een overtreder der wet. Dit geldt ook voor het aannemen van de persoon. Iemand die aanzien des persoons pleegt, is een overtreder van de wet. Daarbij moeten we ons natuurlijk realiseren dat niemand meer onder de wet is, want de wet is vervuld in Christus (Romeinen 10 : 4). Het gaat er juist om dat een ieder die gelooft ook inderdaad op die gronden behandeld zou worden, op de gronden van Gods wil. De wet is de uitdrukking van Gods wil en die is onveranderd. Het gaat erom dat wij die Hem liefhebben, ook geacht worden in overeenstemming met Zijn Woord te leven. Dat Woord leert dat God elke gelovige verkiest. Wij dienen dat dus ook te doen, ongeacht wie hij of zij is. Zo heeft God met ons gedaan en omdat we dat Woord kennen en ook daders des Woords wensen te zijn, erkennen wij die regel. Niet omdat het moet, maar vanwege de vrijheid die wij hebben. De bedoeling is dat wij die vrijheid gebruiken om zo te handelen ten opzichte van elkaar. Dat zegt namelijk Jakobus 2 : 12:

12 Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. Jakobus 2 : 12

Woorden en daden worden achter elkaar genoemd. “Zijt niet alleen hoorders, maar ook daders”. Daarbij wordt er dus op gewezen dat ons spreken, heel ons doen, moet voortkomen uit ons bewustzijn. Ik pas het maar eerst op ons toe, want het is wel degelijk zo dat de levenswandel van een gelovige bepalend is voor het loon dat hij ontvangt. De vrijheid waarin wij staan is bepalend voor ons handelen. Voorbeelden voor dat handelen worden hier wel degelijk gegeven, bijvoorbeeld dat wij de naaste zouden liefhebben en dat er geen aanneming des persoons zou zijn. Dat is vooral van belang bij onenigheden die er zoal bestaan tussen gelovigen onderling. Die worden niet veroorzaakt worden door een verschil van geloof of inzicht, maar gewoon door aanneming des persoons, omdat dat gewoon een vleselijke aangelegenheid is. Daar zit het probleem en daarom wordt erop gewezen wie wij zijn en hoe wij terecht gekomen zijn in zo’n gemeenschap, namelijk door Gods verkiezing op grond van geloof. Op diezelfde grond accepteren wij dus ook onze medebroeder of -zuster: niet omdat hij zijn geloof zo duidelijk demonstreert, want dat deden wij ook niet, maar gewoon omdat de Here hem heeft aangenomen. Daar heeft uiterlijk of maatschappelijk rang/stand helemaal niets mee te maken.

Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; … Jakobus 2 : 13a

Een onbarmhartig oordeel zal inderdaad komen over degene die geen barmhartigheid gedaan heeft, want barmhartigheid is nog altijd een van de vruchten van de Geest. De beloning die een gelovige ontvangt, is wel degelijk afhankelijk van de vrucht van de Geest in dat lichaam en in dat leven. Als iemand die zegt een gelovige te zijn, in de praktijk geen barmhartigheid bewezen heeft aan anderen, dan zal hij zelf vanzelfsprekend komen onder het onbarmhartig oordeel van God. Dat betekent niet dat hij zijn behoud verliest, maar dat betekent wel degelijk dat het consequenties heeft voor zijn positie in de eeuwigheid.

… en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. Jakobus 2 : 13b

Dat is een beetje een moeilijke zin, zo in het Nederlands, maar het is heel netjes, heel recht vertaald. Het betekent namelijk dat de barmhartigheid het opneemt tegen het oordeel. Het “roemen tegen” wil zeggen dat het pocht, dat het zich groot maakt tegen. “Tegen” wil zeggen “in de plaats van”. Met andere woorden: Die barmhartigheid is hoger en komt in de plaats van het oordeel. In plaats dat wij oordelen en snel zijn in het uitspreken van het oordeel over elkaar zouden we ons oordeel over anderen wat in moeten houden, want barmhartigheid is veel beter. Ik wil niet zeggen dat wij niet het recht hebben om eventueel onze mening te geven over anderen. Dat komt ook in de Bijbel voor, maar het is niet het eerste. Voor gelovigen is het eerste elkaar barmhartigheid bewijzen, elkaar aannemen, onze naaste liefhebben.

In de volgende bedeling wordt men geacht te volharden, te blijven bij hetgeen geleerd is. In dat kader is ook deze brief geschreven. Het gaat dan ook om allerlei dingen die de gelovigen overkomen; situaties in het leven waar ze mee te maken hebben. In Jakobus 2 wordt uiteengezet dat de levenswandel van de gelovige in overeenstemming moet zijn met het Woord en daarom ook met degenen die geloven. De nadruk ligt op het Woord, maar daarmee worden daden of werken niet ontkend; die liggen daarin opgesloten. Die werken komen voort uit geloof, zodat het altijd blijft dat mensen door geloof gerechtvaardigd worden. Dat staat ook in Jakobus 2 : 23:

En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest. Jakobus 2 : 23

Daar staat dus volstrekt hetzelfde als in Galaten 3 : 6 en in Romeinen 4 : 3. Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. In het vers daarvoor staat dat Abraham uitdrukkelijk niet gerechtvaardigd is uit werken, maar uit geloof. Dat betekent niet dat hij niet gewerkt heeft, maar dat, voor zover hij al werkte, die werken voortkwamen uit zijn geloof, zodat zijn geloof de oorzaak is van zijn zaligheid en niet zijn werken. Dat staat in Jakobus 2.

Geloof en werken

Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken? Jakobus 2 : 14

Er staat: Wat nuttigheid is het? De vraagstelling zelf houdt niet op bij het eerste vraagteken, maar de vraagstelling zelf houdt pas op aan het eind van vers 16, want dit gedeelte begint met “Wat nuttigheid is het?” en het eindigt met “Wat nuttigheid is dat?” aan het eind van vers 16. Deze vraag wordt dan nader uitgewerkt in het tussenliggende Schriftgedeelte, zodat het antwoord pas komt vanaf vers 17. Dat nut waarnaar hier gevraagd wordt, is geen nut in de zin van dat het iets op moet leveren, maar de vraag is: Wordt men daardoor zalig? Dat staat er daarom ook achter. De vraag wordt herhaald met andere woorden. Het nut is de zaligheid. “Er staat niet: Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand gelooft en hij heeft de werken niet?” Daarmee is het traditionele probleem van dit Schriftgedeelte, dat het in strijd zou zijn met Romeinen en Galaten, in feite al opgelost. Er staat: “Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet?” Daar zit het verschil.

Het gaat om het spreken, om het zeggen. Iemand kan wel zeggen dat hij gelooft, maar als hij die werken niet heeft, kan dat geloof hem niet zalig maken. Dat is de gedachtengang van Jakobus. Dat staat hier ook zo. Als iemand zegt dat hij gelooft en hij heeft de werken niet, dan is hij een leugenaar. Het gaat om het principe dat het geloof werken produceert. Als iemand zegt dat hij gelooft en aan de andere kant de werken niet heeft, wordt op twee manieren geïllustreerd dat hij feitelijk helemaal geen geloof heeft, want als je het moet zeggen, is het al fout. Als iemand werkelijk een gelovige is en daaruit leeft, zal hij niet hoeven te zeggen dat hij een gelovige is. Dat zal duidelijk genoeg blijken. Daarom zeggen Abraham en Henoch zelf niet dat zij gelovig zijn. Zelfs de Here Jezus zei dit niet. Dat staat er elke keer bij en wordt ook duidelijk gedemonstreerd. Van de geloofshelden uit Hebreeën 11 staat dat uit hun werken blijkt dat zij gelovigen waren. Niet alle mensen zijn hetzelfde en laten dezelfde werken zien. Het gaat om het principe dat het geloof werkt, dat er iets uit voortkomt. In de eerste plaats is dat vernieuwing van denken en zelfs dat kan al een heel ingewikkelde zaak zijn. Niet iedereen denkt even makkelijk en dus niet iedereen verandert zo gemakkelijk van gedachte, laat staan van manier van denken. Pas daarop volgt een eventuele verandering van levenswandel. Die behoort er wel te zijn, maar is er niet van vandaag op morgen.

Er staat: Kan dat geloof hem zalig maken? “Zalig maken” is de algemene uitdrukking voor het werk van Christus in ons. Toegepast op ons en de Gemeente, is zalig maken een uitdrukking die gebruikt wordt voor het verkrijgen van loon. Dat is die beruchte tekst uit Filippenzen die ook zo slecht begrepen wordt: “Werkt uws zelfs zaligheid met vrezen en beven” (Filippenzen 2 : 12). Daar wordt echt gezegd dat men door werken zaligheid beërft, alleen bestaat die zaligheid niet uit een plaats in de hemel, maar uit een bepaalde positie in de hemel. Dat heeft dus niet te maken met of men er wel of niet komt, maar het heeft te maken met de beloning die men ontvangt. Het woord “zaligheid” of “zalig worden” heeft te maken met beide. Het ene is het “over de drempel komen”. Het andere heeft te maken met hoever je daarna nog komt. Je moet het woord dus geen smallere betekenis geven dan nodig is. De bedoeling is dat men dus door werken op een of andere wijze wat toe doet aan de zaligheid. Dat is ook de rest van de brief aan de Filippenzen, waar de apostel Paulus zegt: “Niet dat ik het alrede verkregen heb, maar ik jaag ernaar of ik het ook grijpen mocht” (Filippenzen 3 : 12). Dat is niet om in de hemel te komen, want daar was hij strikt genomen al, maar het gaat om de beloning, of hij aan Gods eisen beantwoordde of hij het doel bereikt heeft dat God Zich met Paulus gesteld had. Dat is voor iedereen anders. Men wordt beoordeeld op grond van hoeveel Christus in ons gedaan heeft; niet waar we terechtgekomen zijn.

In Jakobus 2 : 14 is dus de vraag: Wordt men zalig met een geloof dat niet blijkt uit werken? Als iemand gelooft, zal dat vroeg of laat ergens uit blijken. Hij wordt uit zo’n geloof zalig in de zin dat hij behouden wordt. Als er echter geen werken volgen, dan is er ook geen loon. Dat is een duidelijke zaak. In die zin maakt het dan dus niet zalig. Nu zie je dat als je het op een situatie gaat toepassen je in de problemen komt, omdat Jakobus zelf hier niet nauwkeurig genoeg specificeert waar hij het over heeft. Dat betekent niet dat hij in gebreke blijft. Nee, hij spreekt gewoon in algemene termen. De algemene gedachte is dat geloof gevolgd behoort te worden door werken die uit dat geloof voortkomen. Dat wat we van de Heer zullen ontvangen in de toekomst, heeft wel degelijk te maken met dat wat door het lichaam geschied is (2 Korinthe 5 : 10). Dat is de algemene strekking van dit Schriftgedeelte.

Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel; Jakobus 2 : 15

Het gaat om een geval waarbij een broeder of zuster niet in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Er staat niet: Indien een mens naakt zou zijn en gebrek zou hebben, maar een broeder of zuster. Men neemt het mij hoogst kwalijk, maar de Bijbel leert nergens dat de gelovige zou moeten voorzien in het gebrek en in de tekortkomingen van de wereld. Dat mag hij wel, maar het hoeft helemaal niet. De gelovige zou wel moeten voorzien in de tekortkomingen van broeders of zusters, de huisgenoten des geloofs. Het komt tegenwoordig niet zoveel meer voor. We hebben andere die dat regelen. Het zou echter kunnen voorkomen dat we gelovigen kennen die dat tekort hebben. Het ligt dan op onze weg om daarin te voorzien. Ik hoop dat de gedachtegang duidelijk is. Je kunt wel zeggen: “Wordt warm”, maar daar moet je wat aan doen of: “Wordt verzadigd”, maar als je hem geen brood meegeeft heeft dat weinig zin. Je kunt wel zeggen: “Ik geloof”, maar dat betekent niks als dat niet ergens uit blijkt. Geloof is een vertrouwen op de Heer en dat zou ergens uit moeten blijken. Dat we iemand warmte of verzadiging wensen zal toch ergens uit moeten blijken. Woorden alleen hebben geen zin. Daarom volgt hierop Jakobus 3, waar het gaat om het bedwingen van de tong. Dan kun je beter maar niks zeggen. Daarom staat er later ook: “Zweert ganselijk niet” (Jakobus 5 : 12). Beloof alsjeblieft niemand wat. Dat staat ook in Jakobus 2 : 17, want daar komt dan het antwoord op de probleemstelling van Jakobus 2 : 14-16. Het ging om: wat nuttigheid is dat, als iemand wat zegt en er komt verder niets uit voort.

Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood. Jakobus 2 : 17

Alleen al uit deze opmerking blijkt dus dat het in de voorgaande verzen gaat om geloof en daaruit voortkomende werken. Dat wordt hier nog- maals geïllustreerd. De werken die hier genoemd worden, zijn niet de werken van de gelovigen, maar van het geloof, namelijk “de werken des geloofs”. De werken komen voort uit het geloof, net zo goed als dat wij gerechtvaardigd worden uit geloof (Romeinen 10 : 6). Dat komt voort “uit geloof tot geloof” (Romeinen 1 : 17). Onze rechtvaardigheid, onze zaligheid en dus ook onze werken komen voort uit het geloof. Er staat niet: “Alzo ook de gelovige, indien hij de werken niet heeft, is bij zichzelven dood”; maar: “Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood. Er staat “het” en niet “hij”. Daarom gaat het om werken die uit het geloof zouden moeten voortkomen. Het gaat niet om de persoon als zodanig, maar om het geloof. Is dat er nu wel of is dat er nu niet? Volgens mij hoort er een komma te staan tussen “bij zichzelven, dood”. De verta- lers hebben denk ik de clou van het verhaal gemist, want wat hier staat, is dat dit geloof dood is. Voor het begrip over hoe geloof dood kan zijn, verwijs ik naar Genesis 2 : 17:

 … want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Genesis 2 : 17

Dood is scheiding en dat staat ook in Jakobus. Geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven, namelijk dood. Het is bij zichzelven. Het staat op zichzelf. Dat wil zeggen dat er geen communicatie is. Er gaat niets vanuit en er gaat niets naar toe. Er is geen contact mee. Die man zegt wel dat hij gelooft, maar van dat geloof is niets te merken. Er komt niets uit voort. Het is geïsoleerd. Het geloof is er wel, maar het doet helemaal niets. Er komt niets naar buiten. Het is dus bij zichzelven. Dood betekent niet dat het niet bestaat; het bestaat, maar in zichzelf en daarbuiten is niets; er is geen gemeenschap mee en dus werkt het niet. Daarom kennen gelovigen die geen werken des geloofs openbaren, ook niet de geloofsgemeenschap, om eens een andere term aan te halen. Een geloofsgemeenschap is er alleen als het geloof van de leden van die gemeenschap ook inderdaad ergens uit blijkt, behalve uit hun woorden. Dan kan er sprake zijn van gemeenschap.

Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Jakobus 2 : 18a

Er is altijd wel iemand die commentaar levert. Bij de apostel Paulus was dat ook zo. Die zegt: “Gij zult dan tot mij zeggen …” (1 Korinthe 15 : 35). Niemand deed dat, want het was een brief, maar hij wist al precies hoe zijn publiek zou reageren. Hij kende zijn mensen; Jakobus ook. Als iemand wat zegt, zegt hij altijd “Maar”. De zin “Gij hebt het geloof, en ik heb de werken” is een wat moeilijke zin, maar de betekenis ervan is eenvoudig. Jakobus verwacht dat men gelooft én daaruit werkt, dus beide. Dan komt Jakobus met een heel sterke opmerking die helaas in de vertaling volledig onderuit is gegaan. Er staat namelijk als antwoord op die opmerking “De een gelooft en de ander werkt”:

… Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. Jakobus 2 : 18b

Tot op hier was het nog te volgen, maar daarna gaat het fout. Dat komt mede door deze vertaling hier, want er staat twee keer “uit”. Het tweede woordje “uit” is inderdaad “uit”. Het is de vertaling van het Griekse “ek”. Meer nauwkeurig betekent het “vanuit”. Het eerste woordje “uit” is echter niet “uit”, maar dat betekent iets als “buiten”. Het is het Griekse “choris”. Dat wordt vertaald met “zonder” of “buiten”. Het gaat er namelijk buitenom. Dat is natuurlijk een groot verschil, want als je leest “zonder” in plaats van “uit”, dan staat er heel wat anders. Er staat namelijk: “Toon mij uw geloof zonder uw werken”, dus los van uw werken. Toon mij uw geloof, maar niet uit werken, niet via uw werken, maar er buitenom! Probeer het dan eens. Als je zegt: Nou ja, de een gelooft en de ander werkt, zegt Jakobus: Laat mij dan je geloof eens zien, maar niet met die werken, want die werken heeft immers iemand anders. Dat zeg je net zelf. Laat nu zonder die werken je geloof eens zien. Dan blijkt dat dit niet kan. Om geloof zichtbaar te maken zijn juist die werken nodig, anders blijkt het nergens uit. Op die manier gaan geloof en werken samen. Geloof is innerlijk, inwendig, en de werken zijn het uitwendige resultaat ervan. Als die werken er niet zijn, dan kan dat geloof niet aangetoond worden. Het enige uiterlijke bewijs van geloof is een bepaalde dienovereenkomstige levenswandel en ontwikkeling.

Hier wordt iets fundamenteels aangehaald. We hebben het alleen maar gehad over iemand die gelooft en al of niet werkt. We hebben het niet over werk in de richting van die of voor die of voor zus of voor zo of omdat het moet blijken aan iemand speciaal, maar zo in het algemeen. Als dit echter in het algemeen waar is, dat geloof niet kan blijken zonder werken of buiten werken om, dan betekent dat dat het ook waar is dat geloof ook voor God niet blijkt als die werken er niet zijn. Dan komen we bij “kan dat geloof hem zalig maken?” (Jakobus 2 : 14). Je kunt natuurlijk wel zeggen, en velen zeggen dat ook: “Ik geloof, maar dat kunnen jullie zo aan mij niet zien, maar de Heer kent mij en Hij weet dat wel”. Waaraan dan? Omdat je het zegt? Ook Abraham moest aan God zijn geloof tonen. Als het waar is dat God inderdaad weet wat er in iemand is, en dat is ongetwijfeld juist, waarom moest Abraham dan zo getest worden? Wel, omdat God ook verwacht dat geloof blijkt uit werken. Daarvan zijn voorbeelden te over. De weg van een gelovige is altijd een weg geweest via verzoeking. Dat is niet alleen zo in de toekomende verdrukking, maar in het algemeen is dat altijd zo geweest. Geloof moet dus blijken uit werken; niet in de eerste plaats voor anderen, voor medegelovigen of zo, maar in de eerste plaats voor de Heer. Vandaar die vraag: Kan dat geloof hem zalig maken? Als door het lichaam van de gelovige geen werken gedaan zijn die door God voorbereid waren opdat wij daarin zouden wandelen (Éfeze 2 : 10), ontvangt die gelovige ook geen loon van de Heer.

In Jakobus 2 : 19 volgt een nadere toelichting op de problematiek uit de voorgaande verzen.

Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen. Jakobus 2 : 19

Er staat in feite: Gij gelooft dat God één is. Waarom men dat zo ingewikkeld vertaalt, ontgaat mij. Er staat: “Gij gelooft, dat God een enig God is”. Het woord “een” bestaat helemaal niet in het Grieks, dus als het in het Nederlands niet strikt nodig is, moet het weggelaten worden. In de hele Bijbel komt het woord “een” niet voor. Het woord “enig” is het oude Nederlandse woord voor het telwoord één. Er zijn hele volksstammen die niet geloven dat God één is, hoewel dat wel in de Bijbel staat. Als je dat gelooft, dan doe je wel, staat er bij. Deze opmerking laat weer duidelijk het joodse karakter, de joodse achtergrond van deze brief zien, omdat dit in feite de joodse geloofsbelijdenis is (Deuteronomium 6
: 4). “De duivelen geloven het ook, en zij sidderen”. Dat wil zeggen dat zij daardoor niet zalig worden. Elke keer als het woord “duivel” in de bijbel in het meervoud staat, namelijk “duivelen”, is dat onjuist, want dat bestaat namelijk niet. De duivel (diabolos) komt in de Bijbel alleen voor in het enkelvoud. Als er dus “duivelen” staat in de Nederlandse vertaling, dan staat er “demonen” of anders vertaald met “boze geesten”. De demonen geloven dus hetzelfde als de gelovige joden en zelfs als deze christenen, namelijk dat God één is, want toen geloofden ze dat allemaal nog, maar daardoor worden ze niet eens behouden. Zo’n geloof komt dan toch in een wat merkwaardig daglicht te staan.

Maar wilt gij weten, o ijdel mens, … Jakobus 2 : 20a

Waarom staat er “ijdel”? In de eerste plaats vanwege de betekenis van het woord. IJdel betekent namelijk “leeg”. Een ijdel mens in het verband waarin het hier genoemd wordt, is ongetwijfeld een mens die dan misschien geloof heeft, maar die de werken niet heeft. Hij is dus leeg. Er komt dus ook niets uit voort. Tot zo iemand wordt gezegd:

… Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is? Jakobus 2 : 20b

Dan komt een illustratie uit het Oude Testament.

Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? Jakobus 2 : 21

“Is hij niet uit de werken gerechtvaardigd?” is dan de moeilijke vraag. De vraag wordt zo gesteld dat er maar één antwoord mogelijk is, namelijk “ja”. Ja, hij is uit de werken gerechtvaardigd als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar. Dan is het heel eenvoudig. Aangezien het in de Bijbel staat en het dus niet in strijd kan zijn met Hebreeën 11 : 17: “Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, …”, moet het dus in overeenstemming daarmee gelezen worden. Hier in Jakobus 2 staat dat Abraham gerechtvaardigd is uit dat offeren van Izak, uit die werken dus. De juiste volgorde is echter van belang. Hij werd gerechtvaardigd uit die werken die voortkomen uit geloof, zegt Hebreeën 11. Dat is volledig in overeenstemming met de voorgaande verzen. Je moet die verzen niet tegen elkaar uitspelen. Je moet ze naast elkaar leggen en dan zal blijken dat ze keurig in elkaars verlengde liggen. Voor Abraham was de weg van het geloof de weg van het offeren van Izak.

Voor de Here Jezus was dat een andere weg. Hij geloofde dat wij gerechtvaardigd worden uit Zijn geloof. De Here Jezus heeft iets voor ons gedaan. Hij heeft werken voor ons volbracht. We spreken over het verlossingswerk, het verzoeningswerk van de Here Jezus Christus. Die werken kwamen voort uit Zijn geloof. Daarom zijn wij fundamenteel uit Zijn geloof gerechtvaardigd. Het is veel beter te zeggen dat wij gerechtvaardigd zijn uit het geloof van Jezus Christus dan uit de werken van Jezus Christus, hoewel beide waar zijn. De volgorde is echter: geloof en daarna werken. Aangezien geloof echter te maken heeft met de geestelijke dingen is het hoger dan de werken die te maken hebben met de aardse dingen. Daarom worden de hogere dingen genomen als basis, als bron van onze zaligheid, namelijk geloof. Het gaat om een levend geloof. Vanwege het voorbeeld van Abraham wordt weer duidelijk dat Schriftgedeelte in de eerste plaats een joodse achtergrond heeft.

Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? Jakobus 2 : 22

Let nu op! Er staat niet: “Ziet gij wel dat de werken …”, maar: “Ziet gij wel dat het geloof”. Het geloof wordt het eerst genoemd. Hoewel het in dit Schriftgedeelte juist gaat om werken, wordt desalniettemin geloof het eerst genoemd. Het geloof heeft mede gewerkt, gewrocht, met zijn werken. De zaak is namelijk dat het geloof niet op zichzelf staat, zoals in vers 17 geformuleerd wordt, maar het geloof en werken horen bij elkaar en werken dus samen en bewerkstelligen zo de rechtvaardigheid of de zaligheid. “Volmaakt” betekent namelijk dat het volgroeid is; niet dat het perfect is; niet dat er niets aan mankeert, maar het betekent dat het volgroeid is, voltooid, dat er niets meer aan toegevoegd hoeft te worden. Het geloof is volgroeid, voltooid, heeft zich ontwikkeld. Dat “volmaakt zijn” is hetzelfde als het Nederlandse “volwassen zijn”, volgemaakt, volgroeid zijn. Het geloof is dus volgroeid uit de werken. Uit die werken kan het geloof gekend worden, zoals wij het geloof van Abraham kennen uit het feit dat hij Izak geofferd heeft.

En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest. Jakobus 2 : 23

Dat is de uitspraak die in Romeinen 4 : 3 en Galaten 3 : 6 herhaald wordt, namelijk “Hij geloofde God”. U ziet dus dat het geloof zonder de werken alleen staat en daarom dood is. Het is eigenaardig dat in Jakobus 2 : 20 het woord “dood” gebruikt wordt. Die uitdrukking “geloof zonder werken is dood” staat inderdaad in vers 17 en in vers 20 staat het in de Statenvertaling ook. Dat is ook een fout, want het zou eigenlijk een ander woord moeten zijn, namelijk het woord voor “werkeloos” of “braak liggend”. Dat wil zeggen: nutteloos, het brengt niets op, het produceert niets. Dat is synoniem met dood, maar het is echt een ander woord. In de Textus Receptus is het niet anders. Daar staat het woord voor “dood” in vers 20, maar in andere handschriften staat wel degelijk het woord “argos”, namelijk “werkeloos”, “onvruchtbaar”. Het brengt geen zaligheid voort. Abraham geloofde God. Het bleek uit zijn werken en hij is daaruit gerechtvaardigd. Nu komt de conclusie in Jakobus 2 : 24:

Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof? Jakobus 2 : 24

Het gaat om zien. Het gaat er niet om dat iets gezegd wordt en dat we het horen; dat iemand zegt dat hij een gelovige is. Nee, het gaat erom dat het gezien wordt. Wie het vers half leest zegt: “Dus toch uit de werken gerechtvaardigd”. Maar dan is het vers echter half geciteerd, want dat staat er zo niet. Er staat: “Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?” De klemtoon moet nog anders: Niet alleen uit geloof. Het is geloof én werken, want geloof zonder werken, ja, dat kan helemaal niet. Dat is niet voltooid, niet volgroeid. Geloof moet vrucht dragen. Het moet volmaakt worden, volgroeid worden en op zijn tijd dan zijn vruchten voortbrengen. Die vruchten zijn dan werken. Vandaar dat de mens gerechtvaardigd wordt uit geloof én werken. De moeilijkheid is dat het niet andersom kan. Je kunt niet zeggen: Een mens wordt gerechtvaardigd uit werken en dus uit geloof. Dat kan niet, want werken produceren nooit geloof, maar geloof produceert wel werken.

Vandaar dat normaal gesproken de klemtoon ligt op het feit dat de mens gerechtvaardigd wordt uit geloof. Dan bestaat het risico, dat is wat ons ook altijd voor de voeten wordt geworpen, dat mensen zeggen: “Ja, jullie hebben het allemaal over geloof, maar … helemaal geen werken dan? Dat kan toch helemaal niet, alleen geloof zonder werken?” Ik houd stug vol dat dit wel kan. Er zijn er zo weinig die zeggen dat een mens gerechtvaardigd wordt uit geloof, dat ik dat constant blijf volhouden dat dit zo is, maar dat neemt niet weg dat het geloof zonder werken dood is en dat er dus wel degelijk werken aan te pas komen. Het gevaar is echter dat zodra daar de klemtoon opgelegd wordt, het geloof vergeten wordt en dan is men weer aan het werk zoals de hele wereld aan het werk is om zalig te worden. De waarheden van Jakobus 2 doen namelijk absoluut niets af aan wat Romeinen 4 daarover zei.

Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Romeinen 4 : 5

Vroeger probeerde men zijn eigen gerechtigheid op te richten door werken (Romeinen 10 : 3). Men was onder de “wet der werken” (Galaten 2 : 16), maar die wet was tot op Christus (Galaten 3 : 24). In Galaten staat ook dat het is “tot op het geloof” (3 : 23). In 3 : 19 staat dat “de wet daarbij gesteld is totdat het Zaad zou gekomen zijn, aan Wie de belofte gedaan was”.

Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden. Galaten 3 : 22

Daarmee heeft de Schrift het alles onder de wet besloten, want daar gaat het over. De belofte is de belofte aan Abraham die uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden. Dat is hetzelfde als Romeinen 3, dat “de rechtvaardigheid Gods is uit geloof tot geloof” (Romeinen 1 : 17). Het is uit het geloof van Jezus en het komt tot allen en over allen die geloven (Romeinen 3 : 22). Hier staat het net zo.

Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Galaten 3 : 23

“Wij” zijn hier Israëlieten. Men is onder de wet totdat het geloof zou gekomen zijn. Dat is het geloof van Christus! De wet is namelijk tot op het beloofde Zaad, staat er in Galaten 3 : 19. Het is dus tot op Christus, maar dat staat in het volgende vers.

Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Galaten 3 : 24

Tuchtmeester = pedagoog (Grieks). Vers 23 zegt dus “tot op geloof”; vers 24 zegt “het is tot op Christus” en dus is het het geloof van Christus. De werken der wet zijn er dus tot op geloof. De wet en daarmee de werken der wet, is onze tuchtmeester geweest tot op Christus en dus tot op het geloof van Christus, opdat wij uit het geloof… Zie je wel? Het kan niet missen. “Opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden”.

Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. Galaten 3 : 25

Vandaar dat er inderdaad gezegd wordt in Romeinen 4 : 5:

Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Romeinen 4 : 5

Waar staat dat een mens uit geloof wordt gerechtvaardigd en niet uit werken, gaat het over de werken van de wet, de werken van de mens, de werken van het vlees. Dat neemt niet weg dat wij wel werken kennen die iets bijdragen aan onze zaligheid, maar dat zijn geen werken van vóór het geloof, maar van daarna. Het verschil zit in de volgorde. Het werk waar Jakobus het over heeft, is niet het werk van een mens, maar het werk van het geloof. Als het geloof is zoals bedoeld is in de Schrift, dan komen daar ook werken uit voort zoals bedoeld in de Schrift.

En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten? Jakobus 2 : 25

Waaruit bestonden de werken van Rachab de hoer? Dat is een rare vraag, want dan heb ik het antwoord voorgezegd; op zijn minst geïnsinueerd. Hoererij dus. Zij is niet uit hoererij gerechtvaardigd geweest; niet uit de werken van het vlees uiteraard, maar uit de werken des geloofs. Een hoer kan geloven en toch zelfs dan nog een hoer zijn. Vergis u nu niet. Die verspieders kwamen in Jericho gewoon in een bordeel terecht (Jozua 2 : 1). Daar bleek een van de dames een gelovige te zijn. Kan dat dan? Ja, zo blijkt uit haar werken. Zij geloofde namelijk dat God Jericho aan Israël zou geven (Jozua 2 : 9). Zij geloofde in de God van Israël. Haar werken van het vlees waren er wel niet naar, maar toen daar de gelegenheid was dat het geloof actief werd, toen waren daar werken des geloofs. Ze riskeerde het een en ander en redde deze mensen. Het was een daad die ongetwijfeld uitgelegd zou worden als collaboratie. Rachab was een gelovige en de werken van het vlees worden niet gerekend. Het waren geen positieve werken. Dat waren het bij Abraham misschien wel, maar het waren in dit geval negatieve werken. Dat maakt echter niet uit. Beiden worden niet gerekend, want het zijn werken van het vlees. Of dat nu goed of kwaad is, maakt niet uit. Het wordt niet gerekend. Geloof wordt gerekend en vervolgens werken des geloofs.

Er staat voor de zekerheid bij welke werken hier bedoeld worden. De gezondenen zijn dus de verspieders. Ze heeft ze in het geheim over de muur gezet. Daardoor wordt zij gerechtvaardigd. Daardoor werd zij zalig en haar zaligheid bestond er in eerste instantie uit dat zij het leven behield. Onze zaligheid bestaat daar feitelijk ook uit. Ze kreeg vervolgens deel aan de zegeningen van Israël. Ze werd bij Israël ingelijfd. Ja, ze wordt hier met ere vermeld; alleen houdt ze steeds de naam: Rachab de hoer. Het was een gelovige en daarom is het ook niet tot eer van Rachab, maar tot eer van de Heer uiteraard. Ze is uit genade en door geloof gerechtvaardigd en dat geloof is gebleken uit de werken die ze gedaan heeft.

Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood. Jakobus 2 : 26


4. Jakobus 3

1 Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.
2 Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.
3 Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;
4 Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil.
5 Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.
6 De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.
7 Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.
8 Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.
9 Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.
10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.
11 Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?
12 Kan ook, mijn broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen.
13 Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid.
14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.
15 Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels.
16 Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
17 Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.
18 En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken. Jakobus 3 : 1-18

Boven dit hoofdstuk staat: “Misbruik der tong”. Ongetwijfeld gaat het daarover, maar het moet echter in de eerste plaats duidelijk zijn dat dit niet zo maar een los hoofdstuk uit deze brief van Jakobus is. Het is een onderwerp dat direct voortkomt uit al het voorgaande. In deze voorgaande twee hoofdstukken heeft de apostel Jakobus immers toch op een wat bijzondere, namelijk op zijn wijze, uiteengezet dat hij verwacht dat iemand die een hoorder des Woords is, vervolgens ook een dader des Woords wordt, zodat uit zijn levenswandel ook inderdaad zijn geloof blijkt. Wanneer dan daadwerkelijk over zo’n levenswandel gesproken wordt, dan wordt hier in Jakobus 3 in de eerste plaats gesproken over de tong en daarmee over het woord. De tong hebben wij immers zeer intensief nodig. Aan de ene kant bij het verwerken van ons voedsel, bij het kauwen, meer dan u zou denken waarschijnlijk. Verder is de tong nodig bij het spreken. Vandaar dat ik aan het eind van een lange dag als vandaag nog weleens over mijn eigen tong wil struikelen. Dan willen alle spieren niet zo goed meer. De tong hebben wij zeer intensief nodig bij wat wij tot ons nemen, want dat is het voedsel, maar eveneens bij wat van ons uitgaat. Die twee dingen horen uiteraard bij elkaar. Ook de kracht die van een mens uitgaat, gaat uit via zijn mond. Daar is de tong bij nodig. In Jakobus 3 wordt er met name op gewezen dat er met de tong zo veel fout kan gaan. Het is een commentaar op Jakobus 1 : 26.

Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel. Jakobus 1 : 26

“Onder u” hebben we al eens een keer doorgestreept. Godsdienst = threeskeia (Grieks). Dat is het woord voor “religie”. Daar heeft God niet zozeer wat mee te maken, maar het heeft te maken met een vrome levenswandel. Het woord “god” zit in het woord niet opgesloten. Het gaat om een levenswandel. Godsdienst is de verzameling van rituelen en werken die de gelovigen geacht worden te volbrengen. Het heeft dus te maken met de praktische levenswandel. Dat is ook zo in Romeinen 12 waar staat dat onze redelijke godsdienst bestaat uit het brengen van een Gode welbehaaglijk offer en dat is gewoon ons eigen lichaam. Met dat lichaam worden eventueel werken gedaan. Dat lichaam is dat wat van de gelovige hier op aarde is. Het is de aardse verschijning van de gelovige en al wat daarmee samenhangt. Het heeft dus inderdaad te maken met levenswandel.

In Jakobus 1 wordt al over wandel gesproken als er gezegd wordt: “Zijt niet alleen hoorders des Woords, maar zijt ook daders” (Jakobus 1 : 22). Dan wordt er gezegd over iemand die godsdienstig is of meent godsdienstig (een dader) te zijn: Als hij dat meent en zijn tong niet controleren kan, dan is zijn godsdienst ijdel en bovendien verleidt hij daarmee ook zijn hart (Jakobus 1 : 26). In Jakobus 2 volgt de uitwijding over “Zijt niet alleen hoorders, maar ook daders” en in Jakobus 3 volgt dan alsnog een commentaar op de tong die in toom gehouden zou moeten worden.

Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. Jakobus 3 : 1

Het woord dat hier vertaald is met “meester”, wordt ook vertaald met “leraar” in bijvoorbeeld Éfeze 4 : 11. Een meester is een leraar, onderwijzers. Het gaat om hen die onderwijs geven, didactiek bedrijven. Dat woord zit dan ook in dit Griekse woord opgesloten. Dit woord “meester” is ook het woord waarmee de Here Jezus vele malen wordt aangesproken. Hier wordt tot de gelovigen – tot de broeders – gezegd dat ze niet vele meesters moeten zijn. Dat is natuurlijk heel eigenaardig; vooral als we zoiets zouden lezen in verband met Éfeze 4. God heeft gegeven sommigen tot apostelen, tot profeten, tot evangelisten en herders en leraars, dus zou je zeggen dat het heel mooi is als iemand een leraar is en je kunt er niet genoeg van hebben.

Hier staat echter toch dat er niet vele leraars zouden moeten zijn. Al in Jakobus 1 staat dat de gelovigen traag zouden zijn om te spreken, maar snel, ras zouden zijn om te horen (Jakobus 1 : 19). Leraar zijn, meester zijn, heeft wel degelijk te maken met spreken. Dan staat er dus dat men daarin traag zou moeten zijn. In Jakobus 3 : 1 wordt dat herhaald: “Zijt niet vele meesters”. Daar zijn een paar redenen voor, hoewel de meest voor de hand liggende – dat er niet zoveel nodig zijn – niet eens genoemd wordt. Er zijn er niet zoveel nodig. Dat is makkelijk genoeg, want terwijl er een spreekt, kunnen er desnoods honderden en soms zelfs duizenden luisteren, dus zoveel zijn er niet nodig. De vraag is alleen of er echt geluisterd wordt. Ik denk dat er bijvoorbeeld in Nederland niet te weinig leraren zijn, maar dat er te weinig naar geluisterd wordt.

De titel “meester” of “rabbi” is eigenlijk een soort aanspreektitel. De Engelsen zeggen dat deze titel hetzelfde is als hun titel “doctor”, zoals wij dat ook in het Nederlands kennen. Een doctor is iemand die zich gekwalificeerd heeft als een kenner op een bepaald vakgebied en die daarom over het algemeen ook bevoegd is om onderwijs te geven. Het is geen beroep, maar de aanduiding van wat zo iemand doet. Jakobus waarschuwt dus om niet een meester, een leraar, te zijn. Hij zegt: Je kunt het maar beter niet zijn. De tweede reden daarvoor is:

… wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. Jakobus 3 : 1

Die “wij” zijn niet “zij”. Er staat niet: Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat gij te meerder oordeel zult ontvangen. Hij zegt: … wetende dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. Die “wij” is Jakobus, maar hij is zo’n meester. In ieder geval is hij een herder, een leraar volgens Éfeze 4, volgens precies diezelfde norm. De leraar Jakobus zegt: “Wij, meesters, wij zullen te meerder oordeel ontvangen”.

Want wij struikelen allen in vele. … Jakobus 3 : 2

Dat “wij” in Jakobus 3 : 1, 2 is duidelijk de aanduiding van die meesters waarvan Jakobus er een is. Jakobus zegt: “Wij zullen te meerder oordeel ontvangen, want wij struikelen allen in vele”. Een meester naar deze opvatting draagt gewoon een veel grotere verantwoordelijkheid ten opzichte van die honderden of zelfs duizenden. Hoe meer mensen er luisteren, hoe beter wij onze woorden zouden moeten controleren. Je zou het eigenlijk altijd moeten kunnen is de strekking van dit Schriftgedeelte. Wij kunnen dat zo slecht. Daarom zegt Jakobus tamelijk in het algemeen: Je kunt maar beter voorzichtig zijn met praten; je kunt je maar beter inhouden, want je moet het wel verantwoorden. Als je het niet verantwoorden kunt, dan kun je maar beter niets zeggen. Dat wil niet zeggen dat iemand niet een leraar zou moeten zijn, maar het wil wel zeggen dat iemand niet moet praten over dingen waar hij niets van weet. Er zijn mensen die dag in, dag uit, veel praten over dingen waar ze totaal geen verstand van hebben en geen verstand van krijgen ook, want dan zouden ze moeten luisteren.

Het probleem van de inspraak, zoals wij dat kennen vandaag de dag, is dat mensen spreken over dingen waar ze geen verstand van hebben. Terwijl ze juridisch gezien wel het recht gekregen hebben om wat te zeggen, zijn ze totaal niet in staat om wat te zeggen, omdat ze niet weten waar het over gaat. Dat geldt op alle terreinen van het leven. Als je niet weet wat je zegt, kun je echter beter je mond houden, want woorden zijn bijzonder machtig en dat is de strekking van dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk heeft ook niet ten doel mensen het zwijgen op te leggen. Het hoofdstuk heeft ten doel mensen te waarschuwen voor wat ze zeggen. Ze moeten weten wat ze zeggen. Kunnen ze het wel verantwoorden? Of heel in het algemeen: Is het wel waar? Dan blijft het zo dat “wij allen struikelen in vele”. De bedoeling is echter wel om zo min mogelijk te struikelen. De moeilijkheid is dus om mensen iets goed en duidelijk te zeggen. Ik zal u dat waarschijnlijk niet hoeven uit te leggen, want u kent het verschijnsel wel dat u met iemand gesproken hebt en dat achteraf blijkt dat uw woorden anders worden uitgelegd. Ze worden naar uw idee verdraaid. Het punt is dat hoe duidelijk we het elkaar ook zeggen, we altijd dicht langs elkaar heen blijven praten. Ik heb eens geleerd van iemand dat communicatie zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten is.

Aangezien de tong het moeilijkste lichaamsdeel is om te beheersen, struikelen degenen die juist veel spreken het meest. Als je geen fouten wilt maken met je tong, dan moet je hem niet gebruiken. De bedoeling is echter toch wel dat als wij hoorders des Woords zijn, wij ook daders des Woords worden en wat zouden wij dan anders moeten doen dan het Woord brengen? Zo iemand spreekt. Een hoorder des Woords neemt het Woord in zich op en een dader des Woords is iemand bij wie het Woord weer naar buiten komt; in de eerste plaats via de tong. Je bent er dus ook niet met te zeggen: “Nu houd ik mijn mond maar”. Veel praten is echter gevaarlijk. Als je dan een meester of een leraar bent, dan draag je ook een grote verantwoordelijkheid. Wij struikelen allen in vele, maar speciaal struikelen wij in woorden.

 … Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden. Jakobus 3 : 2

Als hij in woorden niet struikelt, is hij zelf volmaakt, namelijk volgroeid in de zin dat er dan ook niets meer aan toe te voegen valt. Dan valt er ook niets meer aan te verbeteren. Als hij dat kan, als een mens in woorden niet struikelt, dan is hij volmaakt. Als hij zijn tong in toom houdt, houdt hij ook zijn hele lichaam in toom. “In toom houden” wil niet zeggen dat er niets gebeurt of dat men niets zegt. Het in toom houden wil zeggen dat men het controleert, het onder controle heeft. Het voorbeeld wordt in het volgende vers gegeven.

Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om; Jakobus 3 : 3

Wij leggen paarden tomen in de mond, opdat zij ons zouden gehoorzamen. Met zo’n bit, zo’n toom in de mond is hun mond niet meer vrij. Ze kunnen ook hun tong niet vrij bewegen. Hun tong (de mond) wordt dus als het ware gecontroleerd. Door die controle over de mond van het dier, hebben we de controle over het hele dier. Hij kan geen kant meer op, behalve de kant waar wij hem heen willen hebben. Zo maakt de apostel Jakobus duidelijk dat als de tong gecontroleerd wordt, het hele lichaam gecontroleerd wordt. “In toom houden” wil dus zeggen dat het volgens de regels bestuurd wordt, dat het gecontroleerd wordt en dat er niets gebeurt wat niet door de beugel kan. Iemand die precies weet wat hij zegt en dat ook verantwoorden kan en ook precies weet wanneer hij wat moet zeggen en wanneer hij moet zwijgen, zo iemand is volmaakt.

Iemand die zijn tong in toom kan houden, is zelf volmaakt, want hij kan zijn hele lichaam in toom houden. Mocht u dus vaststellen dat u eigenlijk niemand kent die zijn tong in toom kan houden, dan klopt dat, want niemand is volmaakt. Daarom is het van belang om die tong zo goed mogelijk te controleren. De gedachte is dat als wij de tong van het paard kunnen controleren, als wij van die tong gehoorzaamheid kunnen afdwingen, dan dwingen we gehoorzaamheid af van het hele dier. Met andere woorden: als onze tong gehoorzaamt aan God, dan gehoorzaamt ons gehele leven aan Hem. Dat kan niet missen, want via de mond vindt die controle plaats. Aangezien de tong het moeilijkst te controleren is, is de controle over de tong meteen de vervolmaking, de voltooiing van de controle over de hele mens. Met heel andere woorden: De heiligmaking van de gelovige is pas voltooid wanneer zijn tong heilig geworden is.

Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil. Jakobus 3 : 4

Bij schepen gaat het om reusachtige krachten in vergelijking tot de kracht die de mens heeft. Ze worden omgewend door een zeer klein roer. Nu is dat roer over het algemeen niet zo erg klein, maar in vergelijking tot het schip wel. Het is in ieder geval zo dat de mens louter op spierkracht het roer van dat schip bedient, zodat de mens in staat is om zo’n machtig schip met twee handen te leiden en dat door een klein roer. Dat het roer een tong is, is ook in het Nederlands nog zo. Een plat vlak noemen wij ook een tong. Het is een klein roer ten opzichte van een groot schip.

Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt. Jakobus 3 : 5

De tong is een klein deel van het lichaam. Zoals het roer een klein deel is van het schip, zo is de tong een klein lid van het lichaam. Het is een klein lid, maar het roemt grote dingen. “Nochtans” hebben de vertalers er tussen gezet. Dat is ook wel goed. Die tong roemt grote dingen. Dat woord “roemen” hier, dat is een eigenaardig woord, want het komt in de Bijbel alleen maar hier voor. De betekenis is kennelijk dat dat kleine lid grote dingen tot stand brengt. Dit “roemen” heeft de betekenis dat het dingen tot stand brengt. Alzo is ook de tong een klein lid, maar het brengt nochtans grote dingen tot stand. Zoals het kleine roer het grote schip omwendt en het kleine bit een groot paard omwendt, zo is de tong als klein lid in staat om grote dingen te bewerkstelligen.

Jakobus noemt ook nog vuur als voorbeeld. Een klein vonkje kan bijzonder veel doen, want het “eet” voort. Dat kleine ding, dat kleine tongetje van vuur kan grote gevolgen hebben. Dat staat trouwens in Jakobus 3 : 6a:

De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, … Jakobus 3 : 6a

Eén tong maakt vele tongen los, want één vlammetje brengt een heleboel vlammen in beweging. Een tong maakt een heleboel andere tongen los. Als een mens wat zegt, dan wordt er soms nog dagenlang over gepraat en in een steeds groter wordende kring. Dat gaat zo snel; het is net vuur. Het gaat rond als een lopend vuurtje. Het brandt en het is ook gevaarlijk. Onze tong, de tong in het algemeen, is vuur. Dat wil zeggen dat het wel degelijk verteert, kwaad sticht en dat het gevaarlijk is. De tong is een klein lid, maar aan de andere kant een vuur. Hoewel de tong gebruikt kan worden in verband met de prediking van het Evangelie en in verband met de verbreiding van het Woord van God, wordt de tong gewoonlijk gebruikt in de tegenovergestelde richting, namelijk voor de verbreiding van de opstand tegen God. Kortom gewoon voor de verbreiding van de leugen, want de waarheid is niet het meeste dat mensen zeggen. Gewoonlijk praten mensen over dingen die ze niet hebben meegemaakt, die ze niet hebben kunnen beoordelen, waarover ze gebrekkig zijn ingelicht. Al wat men daarover zegt, is dan ook gebrekkig en daarom voor het grootste deel gelogen. Dat zeg ik hier nu, maar dat is de strekking van wat Jakobus hier naar voren brengt en wat dacht u van de andere apostolische brieven, met name van Johannes? Het gaat daar over niets anders dan de waarheid tegenover de leugen. In de hele wereld gaat het om die dingen, om waarheid en leugen. De Waarheid is maar één ding, uiteraard. De Waarheid is Christus en dus het Woord van God. Al wat niet het Woord van God is, is sowieso leugen.

De tong is een vuur, een kosmos, een wereld van ongerechtigheid. Nu wordt dat toegelicht.

 … alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel. Jakobus 3 : 6b

Er staat dat de tong een positie inneemt onder onze andere lichaamsdelen. De tong besmet het hele lichaam, vooral inwendig. Dat is iets wat de andere lichaamsdelen niet kunnen, maar de tong wel. De tong ontsteekt het “rad onzer geboorte”. Dat wil zeggen dat het dat doet ontbranden. Het gaat immers om dat vuur. Er wordt in één adem gezegd dat de tong weliswaar een vuur is, maar dat het vuur van de tong afkomstig is uit de poel des vuurs, hier vertaald met hel. Het is wat de dood brengt en wat de dood bedient en wat de ongerechtigheid dient, kortom: het dient de leugen. Dat is de positie van de tong in ons lichaam, dus u bent gewaarschuwd. Het is een kleine tong die zoveel onheil kan aanstichten. De tong maakt ons lichaam niet alleen vuil, maar dus ook ziek. In Matthéüs 15 spreekt de Here Jezus Zelf over de tong. Daar begrijpen de discipelen het overigens ook niet.

10 En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.
11 Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens. Matthéüs 15 : 10, 11

Dit wordt zonder enige inleiding gezegd aan het jodendom waarin reinheid, volgens de wet althans, afhankelijk is van dat wat de mens ingaat, van wat hij eet. Dat moet koosjer zijn, anders wordt hij onrein. De Heer, de Rabbi van Israël, zegt: “Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt de mens niet”. De gewoonte om de handen te wassen voor het eten is ook een typisch joods gebruik. Dat komt in de Bijbel voor. Het wordt hier in elk geval aangehaald (Matthéüs 15 : 2). Men wast de handen omdat men weet dat de handen verontreinigd zijn.

 … maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet. Matthéüs 15 : 20

Het ontreinigt dan misschien het lichaam, maar daarmee nog niet de mens, niet zijn wezen. Een mens wordt wel verontreinigd door hetgeen de mond uitgaat, zegt Matthéüs 15 : 11.

Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de Farizeen deze rede horende, geergerd zijn geweest? Matthéüs 15 : 12

De Farizeeën waren erover gevallen, want dat betekent het woord.

Maar Hij, antwoordende zeide: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Matthéüs 15 : 13

Dat is een heel scherpe. Daar kunnen ze nog een keer over vallen. De Here Jezus zegt gewoon: Mijn hemelse Vader heeft die Farizeeën niet geplant. Het Farizeïsme is niet een plant of een vrucht van de schrift of van Mijn hemelse Vader en dus zullen ze sowieso uitgeroeid worden. Dat is een heel eenvoudige waarheid. Natuurlijk struikelen die mensen daarover. Zij hadden geplant, maar het zal uitgeroeid worden. Dat is een eenvoudige algemene Bijbelse waarheid. Alle mensenwerk zal verbrand worden in het vuur; al was het ook het oprichten van een kerkgenootschap. Dat is toch zo? Als het mensenwerk is, dan wordt het afgebroken. Zelfs Gamaliël – zelf Farizeeër – wist dat (Handelingen 5 : 34-39). Die zei over het werk van de apostelen: Als het het werk van de Heer is, kunnen wij het niet stoppen en als het niet het werk van de Heer is, gaat het vanzelf kapot. Dat is wat de Heer ook zegt. Zijn ze erover gestruikeld? Vallen ze? Och, ze zullen uitgeroeid worden.

Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in den gracht vallen. Matthéüs 15 : 14

“Laat ze maar lopen” betekent dat in gewoon Nederlands. Dat is jammer voor de blinden. Blinden struikelen namelijk. Als ze niet blind waren geweest, zouden ze ook niet gestruikeld zijn over de Steen des aanstoots. Als ze hun ogen hadden laten openen door de Heer Zelf, zouden ze over de Steen niet gevallen zijn. Dus laat nu alleen de blinde leidslieden maar vallen, opdat de blinden die geleid worden alsnog tot de Heer zullen komen. Dat is de eenvoudige gedachte.

En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis. Matthéüs 15 : 15

Petrus was zo iemand die zelf dacht en slecht luisterde. Hij wist zelf precies wat hij zeggen moest; tenminste, dat dacht hij. Hij sprak ook steeds, maar hij luisterde slecht en hij begreep slecht wat er aan de hand was.

Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende? Matthéüs 15 : 16

Is het nou zo moeilijk, na alles wat er is gebeurd, na alles wat er gezegd is, om deze dingen te verstaan?

Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in den buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen? Matthéüs 15 : 17

“De heimelijkheid” is gewoon een deftig woord voor een toilet en dat is ook weer een deftig woord. Er zijn zoveel woorden voor uitgevonden omdat men het niet netjes genoeg vindt. De Heer zegt dat het juist wel netjes is, want daar wordt dat wat de mens zou verontreinigen weer uitgeworpen. Als er iets is dat de mens zou verontreinigen en het komt door de mond in, maak je geen zorgen Petrus. Het komt er wel weer uit, in heimelijkheid.

18 Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.
19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. Matthéüs 15 : 18, 19

Uit het hart komen woorden voort. Het meeste dat hier genoemd wordt in deze opsomming heeft direct te maken met de tong en met het spreken. De andere dingen hebben daar indirect mee te maken.

Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet. Matthéüs 15 : 20

Hier wordt gezegd dat men beter de tong in bedwang kan houden dan de handen te wassen voor het eten. Daar is dan een heel stuk vervuiling mee bestreden. Daar gaat het maar om. Dat is wat de Here Jezus hier naar voren brengt, want de dingen die ten monde uitgaan komen voort uit het hart. Daarin zijn “Boze bedenkingen”, en dat is in het algemeen dus ongeloof. Kleine kinderen hebben nog geen boze bedenkingen en daarom geloven zij. Zodra ze boze bedenkingen krijgen, geloven ze niet meer, want boze bedenkingen zijn bedenkingen van “Ja, dat wordt wel gezegd, maar is dat wel zo?” Uit hun hart komt dus ongeloof voort. Deze dingen die hier genoemd worden, zijn dan ook uitdrukkingen van ongeloof. Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over. In de regel is dat van ongeloof en al wat daar mee samenhangt. Dat is verterend, verbrandt en sticht onheil, zet de Here Jezus hier uiteen.

Volgens Jakobus 3 : 6 besmet de tong het gehele lichaam, omdat door die tong de zonde gepraktiseerd en zelfs vermenigvuldigd wordt, naar buiten komt. Het ontsteekt het rad, namelijk de loop onzer geboorte. Dat “onzer” staat er niet. “Geboorte” staat er wel, maar “geboorte” is niet de vertaling van het gebruikelijke woord voor geboorte of geboren worden, “gennao”, maar het is het woord “genesis”, “wording” dus. De loop van onze wording. “Genesis” is synoniem met het Hebreeuwse woord “toldod”, vertaald met “geschiedenis”. Het staat voor de geschiedenis van iemand, zijn ontwikkeling, zijn levensloop of soms voor het verslag van die levensloop. Het rad der geboorte, zoals het hier vertaald is, is gewoon de loop van het leven, zoals de dingen nu eenmaal worden.

Het ontsteekt het rad onzer geboorte. Dat wil zeggen dat de gang van zaken in het leven en van ons leven in feite verstoord wordt, verbrand wordt, in de brand gestoken wordt, want dat is het, door de tong. Het wiel waarop onze geschiedenis drijft, kortom de gang van zaken in ons leven, wordt verstoord, in brand gezet, door de tong: door alle roddel, zeggen wij gewoon, door alles wat er gekletst wordt. Het beheerst ons leven dus uiteindelijk, maar dan in negatieve zin, en zelf wordt die tong weer “ontstoken van de hel”, staat er in Jakobus 3 : 6. Dat vuur van de tong is afkomstig uit de dood, inderdaad uit de hel, maar dat wil zeggen: uit de poel des vuurs, uit het verderf zelf of uit de verdoemenis. Het gaat er hier om dat die werking van het verderf en van de verdoemenis doorgaat tot onze tong en onze tong breidt het uit. Onze tong plant het voort.

7 Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.
8 Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn. Jakobus 3 : 7, 8

“Alle natuur” betekent zoveel als “de hele natuur”. Eigenlijk betekent het “elke natuur”, “alles wat natuurlijk is”. Alle dieren worden getemd en zijn getemd geweest of geworden door de mens, maar de tong kan geen mens temmen. De menselijke natuur heerst over de dierlijke natuur, maar de menselijke natuur is niet in staat om zijn eigen tong, een deel van zijn eigen natuur notabene, te beheersen. Venijn is gewoon gif. Venijn heeft iets te maken met de “venen” ofwel de aderen. Venijn is dat wat in de aderen van de mensen terecht komt, gif namelijk, dat het hele lichaam dan vergiftigt en verontreinigt. Slangenvenijn wordt het genoemd. Slangenvenijn komt uit de mond van de slang. De organen die wij gebruiken om te spreken, dus de tong zowel als de tanden of de lippen, precies die dingen zijn ook de dingen waaruit dat gif voortkomt. Het vergif uit de mond van de slang is uiteraard een beeld van al het kwaad dat door het woord van de slang, kortom gewoon door ongeloof, wordt teweeggebracht.

Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. Jakobus 3 : 9

Dat is uiteraard Dezelfde. Wij loven God, die immers de Vader is. Dan zeggen we: Dan is de tong toch bedwongen? Nee, dat is het nou juist. Nu gaat de tong de ene kant op en dan weer de andere kant. Die tong doet namelijk twee totaal verschillende dingen. Die slang waar ik het net over had, heeft niet voor niets een gespleten tong. Aan de ene kant looft men God en de Vader en aan de andere kant vervloekt men door de tong mensen die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. In plaats dat de tong de mens bij God brengt, gebeurt vaak het tegenovergestelde en zelfs uit de mond van gelovige mensen. Dat kan en vandaar dat het zo’n moeilijke zaak is en er door Jakobus ook zoveel tijd aan besteed wordt.

10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden. Jakobus 3 : 10

Vers 9 zegt niet dat gelovigen God loven en ongelovigen de mensen vervloeken. Nee, er staat “Uit denzelfden mond”. Dat moet niet zo, maar het gebeurt wel zo. Jakobus verbiedt het niet eens, want hij is waarschijnlijk ook allergisch voor wet. Verbieden heeft ook geen zin, want het kan toch niet verboden (voorkomen) worden. Hij stelt alleen vast dat het zo niet hoort.

Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter? Jakobus 3 : 11

Een “ader” is een ader van water onder de aardbodem. Jakobus vraagt: Er komen toch geen twee soorten water uit één fontein? Het is niet zoet én bitter. Als dat beide uit een bron komt, is het sowieso bitter. Misschien is het iets minder bitter, maar het blijft bitter. Het mengt zich. Het zijn niet twee soorten. Water hoort zoet te zijn.

12 Kan ook, mijn broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen. Jakobus 3 : 12

Dat kan niet. Die mond is namelijk die fontein. Daar welt iets uit op. Die ader is dan uiteraard het hart, want uit het hart komen, via de mond, die dingen voort waarvan we net gelezen hebben in Matthéüs 15. Als we met het hart geloven, dan zou uit onze mond niet zulk bitter water, maar zoet, levend water moeten voortkomen, dat opspringt als een fontein tot in het eeuwige leven (Johannes 4 : 4)

Wijs en verstandig

Jakobus 3 : 13 sluit zondermeer aan bij Jakobus 3 : 1. Jakobus 3 : 2-12 is een soort parenthese (= tussenschuiving). Dit Schriftgedeelte geeft namelijk commentaar op de kracht of de macht van de tong. Daarna komt vers 13 terug bij vers 1: “Zijt niet vele meesters, mijn broeders, …”

Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid. Jakobus 3 : 13

Iemand die wijs en verstandig is, dat is uiteraard synoniem, is iemand die uit zijn goede wandel zijn werken en dus zijn geloof bewijst. Die wandel en die werken zijn van toepassing op wat hij spreekt. Daar ging het immers over in die voorgaande hoofdstukken. “Zijt niet alleen hoorders des Woords, maar ook daders des Woords” (Jakobus 1 : 22). Het eerste wat daaruit voortkomt is dat wij ook spreken. Dat is een onderdeel van onze wandel. Het meest belangrijke van onze levenswandel is hetgeen wij zeggen. “Uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd”, zegt Kolossenzen 4 : 6. Zout is uiteraard een beeld van het Woord van God. Onze woorden behoren de Woorden Gods te zijn, staat daar. De wandel begint met de tong en met die tong wordt dan het hele lichaam omgewend of worden andere lichamen omgewend. Het werken van wijsheid is gewoon het spreken van wijsheid, het Woord van God dat voortgebracht wordt. Dat staat ook in Jakobus 3 : 14:

Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, … zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. Jakobus 3 : 14

Die wijsheid is een wijsheid van het hart. Indien er echter wat anders in het hart is, namelijk bittere nijd ( jaloezie, afgunst) en twistgierigheid (ruzie maken) zijn dat allemaal uitingen van zwakte en van vergankelijkheid en van de werking van de dood in de natuurlijke mens en zelfs in de gelovige. Als men die nijd en die twistgierigheid wel in zijn hart heeft, dan is men geneigd te liegen. Men haalt argumenten aan die er helemaal niet zijn. Men verzint ze ter plekke opdat men maar de overwinning zou behalen in een twistgesprek. Hier wordt uitdrukkelijk voor gewaarschuwd. “Roemt en liegt niet tegen de waarheid”. Stel je dus niet boven de waarheid. Dit roemen is “zich boven stellen” .

Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. Jakobus 3 : 15

Dat is niet de wijsheid waar Jakobus het over heeft. Het is aards en niet hemels. Het is dus van beneden. Het is natuurlijk, staat er in de vertaling, maar er staat dat het “ziellijk”. Dat is de aanduiding voor de oude mens en daarna staat er dat het duivels is. Ook dat is een verkeerde vertaling, want het moet zijn “demonisch”. Er staat niet “diabolisch”, maar er staat “demonisch”. Het komt bij demonen (boze geesten) vandaan. Ook een mens die wij helemaal niet als demonisch beschouwen staat onder invloed van demonen, maar dan noemen we het niet occult, omdat er niets magisch en ritueels aan is. De hele wereld staat onder invloed van de macht der lucht en dat zijn wel degelijk, in de laatste plaats, demonen. Zij zijn degenen die de mens direct beïnvloeden en begeesteren en inspireren. Er kan ook geen twijfel over bestaan dat ontwikkeling in de wereld en in het leven van de mensen over het algemeen onderworpen is aan een plan, maar niet aan Gods plan en ook niet aan zijn eigen plan. Dat verbeeldt de mens zich wel, maar dat is niet zo. Hij is ten prooi aan een ander plan, namelijk een plan van de tegenstander, dat wordt geïnspireerd door demonen. Het is in principe een demonische zaak dat mensen ruzie maken, afgunstig zijn en twistgierig, en het is zeker ook een demonische zaak als christenen dat zijn. Het komt niet van de Geest van God. Het komt dus uit de oude mens en die staat onder invloed van demonen.

Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel. Jakobus 3 : 16

Handel is handeling. Men doet namelijk iets met de handen, werken dus, zeggen andere vertalingen. Verwarring is een mooi woord, maar het is de vertaling van Babel. “Babel” staat hier niet, want Babel is Hebreeuws, maar het is hetzelfde begrip. Het gaat om de werking van Babel, de werking in de mens en onder de volkeren zoals die er al was in de dagen van Nimrod, Nebukadnezar en zal zijn in de dagen dat Babel de hoofdstad van de wereld zal zijn. Verwarring, omdat men de mens wegleidt van de waarheid. Alleen de waarheid is in staat één te maken. De Waarheid geweld aandoen is absoluut de weg van de wereld, de weg van de demonen en daarom de weg van de satan. De Waarheid is Christus. Van een gelovige mag verwacht worden dat hij die Waarheid kent. Daar is geen verwarring, maar eenheid. Ook zelfs als wij die waarheid niet ten volle verstaan, dan nog vinden wij elkaar in ons zoeken naar de Waarheid. Men vindt elkaar, men wordt één in het zoeken naar de Waarheid, in de gerichtheid op de Here Jezus.

In Romeinen staat ook dat we eensgezind zouden zijn onder elkander naar God of naar Christus; dat onze zinnen gericht zouden zijn op hetzelfde Middelpunt. Waar we de Waarheid wensen te verstaan, Die zoeken, ontmoeten we elkaar en is er eenheid, maar waar nijd en twistgierigheid is, daar is verwarring en elke boze handeling. In het zoeken naar de leugen vind je elkaar natuurlijk nooit. Daarom wordt er voor gewaarschuwd dat de gelovige niet in die val zou trappen. De gelovige zou de blik moeten hebben staan op Christus en in de brief van Jakobus komt dat tot uitdrukking in de verwachting van de openbaring van Christus, want daar gaat het allemaal naar toe. Als we de brief plaatsen in de zesde bedeling, dan is het een kwestie van maximaal veertig jaar overbruggen. Als je met elkaar praat, als je woorden gebruikt, dan moet je ook zorgen dat mensen begrijpen waar het over gaat. Dat is de kracht van het woord. Als we dat niet doen, dan misbruiken we de tong. Dan gebruiken we die tong alleen om aandacht te trekken, om onze macht te vestigen of om anderen te beledigen. Dat is wat hier gezegd wordt en dat is niet wijs. Er wordt gewezen op het gevaar daarvan, want het is niet onschuldig! Het leidt tot misleiding en verwarring. Vandaar de waarschuwing hier.

Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd. Jakobus 3 : 17

Die wijsheid van boven is ongeveinsd en dat maakt de wijze ook ongeveinsd. Hij doet niet alsof, want dat is veinzen, maar het is echt zo; hij is eerlijk. Bij de rust hoort dus ook dat men ongeveinsd is. Er staat: “De liefde zij ongeveinsd” (Romeinen 12 : 9). Dat is hetzelfde woord. De ongeveinsde is niet een liefde als resultaat van de prediking dat we elkaar lief moeten hebben, want dan krijg je geveinsde liefde. Ongeveinsde liefde is een liefde die God in ons hart heeft uitgestort in Christus (Romeinen 5 : 5). Als wij niet weten dat Christus in ons hart leeft en dat deze dingen zo zijn, dan komt er van die liefde van Christus in ons ook niets terecht. Dat is het hele punt. Men moet georiënteerd zijn op deze wijsheid die van boven is en het resultaat zal ongeveinsdheid zijn. Gelovigen behoren ongeveinsd te zijn, eerlijk, in de eerste plaats gericht op God. Tegenover Hem dienen we eerlijk te zijn, anders komt er van die wijsheid die van boven is ook niets terecht. Als je niet eerlijk bent, zul je nooit wijsheid vinden. In de tweede plaats behoren we ook ongeveinsd te zijn tegenover elkaar. Het resultaat daarvan zal zijn dat de vrucht der rechtvaardigheid in vrede gezaaid wordt voor degenen die vrede maken.

En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken. Jakobus 3 : 18

Degenen die vrede maken zijn degenen die deze wijsheid van boven aanvaarden en eventueel zelfs doorgeven. Het resultaat zal vrede zijn. Dat wordt niet in dank afgenomen door een wereld die zich kenmerkt door strijd. Alle ambitie van de natuurlijke mens is altijd gericht op het verdrijven van een ander. Men is jaloers op elkaar. Dat is de nijd waar het ook over gaat in Jakobus 4. Wanneer wij ons afhankelijk stellen van God en van Zijn wijsheid, zal het resultaat daarvan vrede met God, vrede met onszelf en vrede met onze broeders en zusters zijn. Geen vrede met ongelovigen uiteraard, want dan komt de strijd met allen die een wijsheid van zichzelf hebben. Dat is ook het belang van de bestudering van de Schrift, want op die wijze ontvangen we die wijsheid van boven. “Alle Schrift is van God”, van boven dus, ingeblazen, “geïnspireerd” staat er dan, en is nuttig tot … “. (2 Timothéüs 3 : 16). De hele opbouw van onze persoon en van ons leven is afhankelijk van hetgeen God in Zijn Woord heeft opgetekend.

5. Jakobus 4

1 Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?
2 Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.
3 Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.
4 Overspelers en overspeleressen, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
5 Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?
6 Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
7 Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.
8 Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!
9 Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.
10 Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.
12 Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt?
13 Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.
14 Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.
15 In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
16 Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos.
17 Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde. Jakobus 4 : 1-17

Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren? Jakobus 4 : 1-17

De vertalers hebben wat woorden schuin gedrukt, omdat ze niet in de grondtekst staan. Het maakt weinig uit, want de gedachte wordt er niet anders van. De vraag “Van waar komen die krijgen en vechterijen onder u?” wordt simpel en direct beantwoord. Die komen namelijk voort “uit uw wellusten die in uw leden strijd voeren”. “Leden” staat voor het lichaam, de lichaamsdelen. Daarin voeren de wellusten krijg. Ook in ons lichaam is er strijd, in onszelf, binnen ons lichaam. Ik heb het niet alleen over armen en benen, maar ook over de geest – ons denken – in ons lichaam. Elk natuurlijk mens kent de strijd dat hij aan de ene kant dit wel zou willen, maar aan de andere kant toch iets anders doet (Romeinen 7 : 21). In ieder geval is het de uitdrukking van de strijd die er nu eenmaal is in de mens en in de gelovige, terwijl hier natuurlijk in de eerste plaats gewezen wordt op de natuurlijke mens en op het denken van de natuurlijke mens. Dan staat er dat die “krijgen”, namelijk vechterijen, dus oorlog en strijd, voortkomen uit de wellusten die nu eenmaal in de mens zijn. Die vechterijen en die krijgen worden in de eerste plaats gevoerd via de tong. Dat wil zeggen dat het eerst in het hart is en daarna komt het via de tong naar buiten en wordt de strijd ook naar buiten uit gevoerd.

Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. Jakobus 4 : 2

Daar komen die wellusten, die verlangens. Die begeerte is eigenlijk een van de belangrijkste zonden van de mens. Hij begeert en moet zo nodig wat bereiken. Tegenwoordig wordt als christelijke deugd geleerd dat de mens zichzelf zou moeten ontwikkelen en bovendien zou moeten streven naar iets hoogs in de wereld. Er wordt namelijk geleerd dat de mens bepaalde gaven heeft meegekregen bij zijn geboorte. Men zegt dan dat hij die gaven heeft meegekregen van God en dat hij de verantwoordelijkheid heeft om die gaven ook te ontwikkelen. Toch is dat niet zo. Waar het om gaat is dat de mens juist alles zou opgeven en teruggeven aan zijn Schepper om het in te ruilen voor een nieuwe schepping, waarna die nieuwe schepping zich zou ontwikkelen.

Het gaat er namelijk om dat Christus in ons gestalte zou krijgen; niet dat wij onze eigen eigenschappen zouden ontwikkelen, maar dat de eigenschappen van God Zelf in ons ontwikkeld zouden worden. De begeerte van de mens leidt allemaal tot niets, leert de Prediker. Je kunt het beter maar meteen opgeven en inruilen voor wat God in je doet. Die geestelijke dingen verlies je nooit. Het gaat niet om de ontwikkeling van de oude mens, maar om de ontwikkeling van de nieuwe mens. De ontwikkeling van de oude mens is niets anders dan gewoon humanisme, het prediken van de mens en het prediken van de goede eigenschappen van de mens, de ontwikkeling van de mens en de verbetering van de mens. Het is een satanische leer dat een mens zichzelf zou moeten verbeteren, dat hij door zijn eigen streven, door zijn eigen werken, zichzelf zou moeten verbeteren. Dat is niet zo. Hij moet zichzelf opgeven. Dat is precies het tegenovergestelde.

Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. Jakobus 4 : 2

Men verlangt naar iets dat onbereikbaar blijkt te zijn. Daar zijn heel wat filosofieën en ideologieën op gebaseerd. Een massa mensen begeert en heeft niet. Die massa wordt in beweging gebracht door mensen die hen vervolgens beloven dat ze alsnog zullen krijgen wat ze begeren. Ze krijgen het natuurlijk nooit, want ze moeten in beweging blijven. “Gij benijdt” = “Gij zijt jaloers”. Dat is de ellende van de mens. Er worden oorlogen voor gevoerd. Er wordt een strijd voor geleverd: “Doch gij hebt niet”. Dat waar men naar streeft, heeft men niet. Er staat ook waarom dat is: Omdat gij niet bidt. De direct daarop volgende woorden zijn: Gij bidt (Jakobus 4 : 3). Er staat: “Omdat gij niet bidt. Gij bidt …”. Men bidt dus wel, maar niet goed.

Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt. Jakobus 4 : 3

Bidden is niets anders dan het zich afhankelijk stellen van God, de Gever van alle goede gave (Jakobus 1 : 17). Alle goede gave is Hem afkomstig. Bidden is zich afhankelijk stellen van de gaven die God geeft; niet zich afhankelijk stellen van de eigen talenten, van de eigen capaciteiten, de eigen vermogens, maar integendeel zich afhankelijk stellen van de vermogens die God geeft. Het gaat niet om het eigen leven, maar om het leven van God of eventueel het leven van Christus in ons. Daar hoort trouwens ook bij het zich afhankelijk stellen van wat God niet geeft. Dat wil zeggen: Voor zover God geeft, is het goed. Als Hij dus niet geeft, is het ook goed. Daar zit ook een grens aan.

Alle gelovigen hebben geestelijke gaven gekregen. Dat zijn specifieke gaven tot opbouw van de Gemeente in het algemeen, dus tot opbouw van het Lichaam van Christus. Die gaven zijn verschillend. De een heeft ook meer heerlijkheid dan de ander. De gelovige wordt geconfronteerd met het feit dat er nu eenmaal verschil is. God maakt verschil en we zullen ons daarbij neer moeten leggen. De een kan meer dan de ander. De een is tot meer geroepen dan de ander. Er is nu eenmaal verschil. Men zou zich, als gelovige zeker, afhankelijk moeten stellen van God. Over iemand die zegt een gelovige te zijn en zich niet afhankelijk stelt van God heb ik mijn twijfels.

De apostel zegt niet: “Je zult de dingen wel ontvangen als je bidt”. Hij zegt dat de hele levenshouding niet goed is. Het komt er op neer dat we ook niet zouden streven naar bepaalde dingen, dat we ook niet eens ons best zouden doen om bepaalde dingen te bereiken, eenvoudig omdat bepaalde zaken voor de gelovige ook sowieso niet weggelegd zijn. Het is soms maar beter dat een gelovige een bepaalde positie in de wereld niet bereikt. Hij zou er grote problemen door krijgen. Als men zich afhankelijk stelt van de Heer, dan is men niet zelf bezig om iets te bereiken. Dan heeft men niet zelf een prognose. Ik weet wel dat het moeilijk is om in onze moderne maatschappij te leven zonder dat men een bepaalde planning heeft voor de toekomst, maar toch is dat het kenmerk van een gelovige. Die planning heeft hij niet. Hij zal wel zien wat God geeft. Daar gaat dit hoofdstuk ook over. “Gij weet niet wat morgen geschieden zal” (Jakobus 4 : 14).

Er staat: “Omdat gij niet bidt”. Dat betekent dus niet dat ze geen bidstonden houden, maar dat betekent dat men zijn leven niet van Hem afhankelijk stelt. Soms heb ik weleens de indruk dat er zoveel bidstonden gehouden worden omdat het zo noodzakelijk is vanwege dat men zijn leven niet van Hem afhankelijk stelt. Het hele leven heeft men van God afgezonderd. Dat leeft men zelf wel, maar er zijn enkele punten die we bij gelegenheid de Heer toch eens voor moeten leggen, omdat we daar geen raad mee weten. Zo zou het kunnen gaan. Ik zeg niet dat het zo gaat, maar het risico lopen we wel dat we bepaalde punten hebben die we zelf niet kunnen oplossen en dat moet de Heer dan maar doen. Voor de rest zorgen we zelf wel. Het behoort echter zo te zijn dat ons hele leven afhankelijk is van de Heer; niet voor bepaalde punten, niet voor een “lijstje”. Het heeft ook niets te maken met een bepaalde tijd van de week, maar met een levenswijze, een levenshouding, onze gerichtheid. Als we die hebben kan daar inderdaad een bidstond uit voortvloeien. Maar laten we het vooral niet omdraaien en denken dat als we ons een uur van de week melden bij de Heer we aan deze voorwaarde voldoen.

Ze baden wel, maar dat kwalijk bidden blijkt uit “opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt”. Men bidt dus blijkbaar om dingen die men graag wil hebben uit eigen wellusten, uit eigen gedachten. “Wellust” is niet altijd zo negatief als wij denken. Wellusten zijn gewoon de verlangens die wij van nature hebben. Het punt is dat wij gewoon in afhankelijkheid van Hem zouden leven en dat onze wensen niet zouden voortkomen uit onze natuurlijke verlangens. Onze verlangens behoren echter gericht te zijn op Hem. Dat zijn niet onze wellusten, maar dat is het leven van Christus in ons. Dat leggen we Hem voor en Hij weet als geen ander wat we daarvoor nodig hebben. Je moet vervolgens bereid zijn om dat wat je krijgt te aanvaarden. De apostel zegt: “Jullie bidden wel, maar stel dat de Heer het je geeft, je zou het in je wellusten doorbrengen.” Het is de bevrediging van het vlees in plaats dat het ten dienste staat aan de Schepper Zelf. Dat is de reden waarom gebeden soms niet verhoord worden. God acht het niet wenselijk om u te geven wat u vraagt, om wat voor reden dan ook. Dat maakt Hij Zelf wel uit. Hij kent u beter dan u uzelf kent. Wij geloven dat God degene is die ons kent en weet wat wij nodig hebben en dat Hij machtig is ons meer te geven dan wat wij bidden of denken (Matthéüs 6 : 8; Éfeze 3 : 20).

God centraal

Overspelers en overspeleressen, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld. Jakobus 4 : 4

Een overspeler of een overspeleres is iemand die ontrouw is aan zijn partner. De partner van de gelovige is de Heer. Als wij van die Heer dingen vragen voor onze oude mens dan is dat een kwestie van overspel. Wij zijn met Hem verbonden op basis van onze wedergeboorte, juist omdat wij een nieuwe schepping zijn geworden, omdat wij nieuw leven hebben ontvangen. Als we dan bij Hem komen voor dingen van een oude schepping, is dat overspel. Dan staan andere dingen in ons leven centraal. Dan willen we het een gebruiken ten behoeve van het ander. De Heer heeft geen belang bij die oude schepping, maar wel bij de ontwikkeling van een nieuwe schepping, die Hij al tot stand gebracht heeft in Christus. Vriendschap is “verbondenheid met”. Verbonden zijn met de wereld is een vijandschap tegen God. In dezelfde mate waarin we verbonden zijn met de wereld, zijn we los van Hem. Andersom: Het is onmogelijk om met Hem verbonden te zijn – om uit Zijn hand te leven – en tegelijkertijd aan de andere kant een vriend van de wereld te zijn. Dat is overspel en dat verdraagt elkaar niet. “Wereld” is hier gewoon “kosmos”, de aanduiding van de stoffelijke wereld, de oude schepping. Wie daarmee een vriend wil zijn, is tot vijand van God gesteld, want kosmos is de oude schepping. Wie echter een vriend is van God, in deze tijd zeker (de tijd sinds de opstanding van Christus), maakt deel uit van een nieuwe schepping.

Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid? Jakobus 4 : 5

Nijdigheid = jaloezie. Het is een wat moeilijke aanhaling. Het schijnt op het eerste gezicht een aanhaling te zijn uit het O.T. De vertalers hebben er ook bij gezet dat het zou staan in Numeri 11 : 29, maar je moet wel veel verbeelding hebben om het daar te zien staan. Blijkbaar is deze aanhaling niet een letterlijk citaat van een of ander Bijbelvers, maar een soort samenvatting van de algemene gedachte van de Schrift. Je vindt dit vers in het O.T. namelijk niet terug, maar wel de gedachte dat wanneer de Geest Gods in een mens woont, die mens niet meer jaloers is, want jaloezie heeft te maken met de wellusten/verlangens van de oude mens. De Geest van God is niet jaloers. Die heeft geen lust tot nijdigheid. Ik denk aan David die tot koning gezalfd werd. De zalving is een beeld van de uitstorting van de Geest van God. David wilde niet zo nodig koning worden.Hij was de jongste van acht en hij zat een beetje achter de schapen. Niemand dacht ook aan hem. Hij was geen ambitieuze man, maar hij werd geroepen en hij werd gezalfd. Daarna ging hij maar weer gewoon terug naar de schapen. Als de Heer wilde dat hij koning werd, dan moest de Heer maar zien dat hij koning werd, David deed er niets aan. David dacht: Als dat moet, doet de Heer het Zelf wel. Zo is het dan ook gegaan. David was niet ambitieus, maar werd wel de koning.

Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. Jakobus 4 : 6

Juist de nederige mensen, zonder kapsones, worden door God geroepen. De apostel Paulus was van nature hovaardig en moest eerst – overdrachtelijk – volkomen schipbreuk lijden om vervolgens als het kleine mannetje Paulus (want dat betekent zijn naam: klein) alsnog een carrière tegemoet te gaan die de Heer voor hem had uitgestippeld. Toen hij alles had opgegeven, toen gebruikte de Heer hem.

De Geest Gods is nooit jaloers. De Geest Gods in de gelovige dringt een gelovige niet om met de ellebogen te werken om zich een plaats te verwerven in christelijk of evangelisch Nederland of dat soort dingen meer. Je hoeft niet vooraan te staan. Ze hoeven ook niet allemaal vooraan te staan als een Diotrefes in de gemeente waar Johannes het over heeft in zijn derde brief (3 Johannes : 9). Die zoeken de eerste te zijn. Zij moeten zo nodig tot oudste verkozen worden of in de gemeenteraad of hoe dat maar heet tegenwoordig. Dat zijn ambitieuze mensen die zo nodig moeten, maar dat is niet het werk van Gods Geest. Als ik in de Bijbel lees, zie ik altijd dat de mensen die duidelijk door God geroepen werden, waar geen twijfel over mogelijk is, juist diegenen waren die niet hoefden en die het ook eigenlijk liever niet deden, die het niet zo zagen zitten en zeiden: Heer, neemt u voor mij nou maar iemand anders. Dat zei Mozes bijvoorbeeld verscheidene malen.

Ik denk ook aan Elia, Paulus en Petrus, die het eigenlijk ook helemaal verprutst had na zijn loochening? Toch wordt hij aangesteld. Wij zouden zeggen dat ze ongeschikt zijn, maar God roept ze, juist de nederigen, omdat God de nederigen genade geeft. Paulus zegt, dat “Gods kracht in zijn zwakheid volbracht wordt” en niet andersom (2 Korinthe 12 : 9). God geeft de nederigen genade en gebruikt ze. Hij kan sowieso wel tot Zijn doel komen. De nederigen zijn degenen die gezien hebben dat van henzelf niets te verwachten is. Aan hen en door hen wordt getoond dat God in staat is om Zijn kracht te volbrengen in de zwakste mens, opdat zou blijken dat het niet de kracht is van die mens, maar de kracht van God. Per slot van rekening gaat het in deze bedeling om een demonstratie van Gods genade. Daarom gebruikt Hij juist mensen die van zichzelf niets kunnen. Als er toch wat van terecht komt, kan het alleen maar geweest zijn door de kracht Gods.

Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. Jakobus 4 : 7

Erken dus dat Hij boven u staat, want dat betekent het. Onderwerpen wil zeggen dat we onszelf een lagere positie toekennen dan degene aan wie we ons onderwerpen. Het is een van de twee. Je bent óf onderworpen aan de duivel óf onderworpen aan God. Daarom staat er “onderwerpt u dan Gode en wederstaat de duivel”. Dat is hetzelfde uiteraard. Dat is dezelfde gebeurtenis. Het resultaat zal zijn dat de duivel van u zal vlieden. Last hebben van de duivel komt omdat men zich aan God niet onderwerpt. Dat staat hier toch? “Hij zal van u vlieden”! Zolang wij met onze werken bezig zijn, zullen we last hebben van iedereen, omdat iedereen bezig is ons tegen te werken. Zolang we ons echter aan God onderwerpen, zullen we van de duivel geen last hebben.

Reiniging door God

Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen! Jakobus 4 : 8

“Nader tot God, en Hij zal tot u naderen”, maar het is onze verantwoordelijkheid om tot Hem te gaan, om vervolgens in gemeenschap met Hem te leven. Deze zin bevestigt wat gezegd is naar aanleiding van vers 1, namelijk dat de brief in de eerste plaats geschreven is aan gelovigen uit de Joden. Naderen tot God is in het jodendom een heel eenvoudige gedachte, want dit is een variant op het woord voor “offer”, “korban” en dat betekent gewoon “naderen”. Via het offer nadert men tot God. Dus als men nadert tot God, offert men. Vandaar dat als men God naderde in de tempel, men nooit met lege handen kon komen. Men moest altijd wat offeren. Er moest altijd wat aangeboden worden. Wat men offert staat er: “Nadert tot God.” Wie nadert er dan? Paulus zegt in Romeinen 12 : 1: “Ik bid u dan dat gij uw lichamen stelt tot een Gode welbehaaglijke, welriekende offerande”. Het offer is dat wij ons lichaam stellen. Offer jezelf aan God in alle nederigheid en Hij zal tot ons komen. Door een offer komt men tot God. Wij hebben in de eerste plaats de Here Jezus Christus als offer en voor zover wij nu offeren, offeren wij gewoon onszelf.

“Reinigt de handen, gij zondaars” of “zuivert de harten, gij dubbelhartigen” is een parallellisme. Reinigen is immers zuiveren. Handen en harten hebben allebei te maken met ons leven. Handen spreken over onze werken en harten spreken over ons denken. Handen staan voor de uitwendige mens en het hart voor de inwendige. Als men het een reinigt, moet ook het ander gereinigd worden. Het gaat om de reiniging van zowel de handen – in verband met de werken – alsook van de harten, in verband met het geloof. De “zondaars” zijn de dubbelhartigen en dezelfde als in Jakobus 1 : 5-8. Die houden er twee verschillende filosofieën of geloofs- overtuigingen op na en zijn “ongestadig in al hun wegen”. Hetzelfde wordt eigenlijk twee keer gezegd, want het wordt gezegd tegen dubbelhartigen. Er wordt tweemaal gezegd: Reinig je van de oude mens. Men moet zich onderwerpen aan God en dat is één. Dat zijn niet twee verschillende dingen. Dat is niet dubbelhartig, maar dat is één ding.

Er is een parallel tussen Jakobus 1, waar het kort staat en Jakobus 3 en 4, waar het uitgebreider staat. Hoofdstuk 4 komt nadat eerst een toelichting is gegeven in Jakobus 2 en 3 over de samenhang tussen geloof en werken en daarom ook over de samenhang tussen geloof en dat wat uit de mond voortkomt. Het is geloof en dat wat de handen doen. Dat was “geloof en werken” uit Jakobus 2. Vervolgens is het geloof en dat wat de mond doet. Dat heeft te maken met wat rechtstreeks uit het hart voortkomt, die zonden van de tong. Nadat de apostel deze beide dingen heeft uitgelegd, komt hij weer terug in Jakobus 4. Hij zegt: Het komt allemaal uit het hart voort, maar je moet je aan God onderwerpen, nederig zijn, dan heb je niet zo’n grote mond en dan heb je het ook niet zo hoog in je bol over de werken die je zou kunnen doen voor de Heer. Voor God is het aangenaam dat wij Zijn Woord geloven. Hij die Zich de moeite nam twaalfhonderd bladzijden vol te schrijven om Zich aan ons te openbaren, kunnen we het beste dienen door ons aan Zijn openbaring te onderwerpen en door eventueel dat Woord te onderzoeken. Dat is de gedachte. Dat zal ongetwijfeld onze harten in beslag nemen en vanuit die harten komt er ook een uitwerking in de werken en zeker ook in de mond. De dingen die we dan doen en de dingen die we dan zeggen, komen voort uit het hart, maar dan is het hart gevuld met het Woord Gods.

Als wij tot God naderen, worden wij daardoor gereinigd. Er staat niet dat we twee dingen moeten doen, namelijk tot God gaan én ons reinigen. Volgens de wet werd geacht gereinigd te worden door het bloed van stieren en bokken (Hebreeën 9 : 13, ; 10 : 4). Het is natuurlijk typologie, want in werkelijkheid werd men niet rein, maar voor de wet werd men rein. “Hoeveel te meer zal het bloed van Christus ons reinigen van dode werken om de levende God te dienen?” zegt Hebreeën 9 : 13, 14). Het een is dus een beeld van het ander. De apostel Johannes zegt het in 1 Johannes 1 : 7 iets anders: “Wanneer wij in het licht wandelen gelijk Hij in het licht is,” … dan hebben we “gemeenschap met elkander”. Dan staat er: “Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons dan van elke zonde”. Wij worden gereinigd door de levende Christus; door het bloed, namelijk door het leven van Christus. Wij hoeven alleen maar tot God te naderen. Met Hem in het licht wandelen is hetzelfde als tot Hem naderen en met Hem dezelfde weg lopen. Dan lopen wij met Hem in het licht gelijk Hij in het licht is. Dan zijn wij tot God genaderd en worden wij gereinigd.

Uit Éfeze blijkt dat Christus Zijn Gemeente reinigt. Van ons wordt onderwerping verwacht. “Wordt niet dronken van wijn, maar wordt vervuld met de Geest” (Éfeze 5 : 18). Een paar verzen verder staat dat een van de consequenties daarvan is dat Christus ons reinigt (Éfeze 5 : 26). Het leven van Christus is die Geest. Als de Geest of het leven van Christus in ons is en wij daarmee vervuld worden, dan worden wij tegelijkertijd daardoor gereinigd. In Éfeze 5 : 25, 26 staat dat Christus de Gemeente reinigt door het “bad des waters”, door het Woord. Het is Hij die het doet. Niet wij hoeven dat te doen.

Nogmaals: De handen hebben te maken met de uitwendige dingen, de harten met de inwendige dingen. Samen is het dus de reiniging van de totale mens, zoals de brief aan de Hebreeën ook zegt dat wij volkomen gereinigd worden en volkomen geheiligd worden.

9 Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.
10 Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen. Jakobus 4 : 9, 10

Als wij zeggen dat er staat in “Verblijdt u, wederom zeg ik: Verblijd u” (Filippenzen 4 : 4), dan komt er een ander en die zegt: Ja, maar er staat: “Gedraagt u als ellendigen”. Dat staat in Jakobus. De vraag is dus: Tot wie wordt het gezegd? In Filippenzen wordt “Verblijdt u” gezegd tot degenen die in velerlei verdrukking zijn, namelijk tot degenen die met Christus lijden, degenen die dezelfde gezindheid als Christus hebben, de nederige gezindheid dus. Hen wordt gezegd “Verblijd u” omdat we van de Christus geleerd hebben dat Hij Zich vernederd heeft (Filippenzen 2 : 5-9). Hij was gehoorzaam tot de dood, ja de dood des kruises, en daarom heeft God Hem uitermate verhoogd. Als wij dus vernederd worden, zegt Paulus, is dat reden om je te verblijden, want dan word je verhoogd.

Het “lachen” uit vers 9 is lachen in hoogmoed. Spotternij was het. “Vernedert u voor den Heere” kan alleen maar gezegd worden tot hoogmoedigen? Tot hen die zich al vernederd hebben, kun je niet meer zeggen: Vernedert u voor den Heere. Dat hebben ze al gedaan. Tot hoogmoedigen wordt ook gezegd: “Gedraagt u als ellendigen”, want als je hoogmoedig bent, dan ben je er ellendig aan toe, althans vanuit Gods standpunt. Als verdrukking daar is, dan schijnt dat geen zaak van vreugde (Hebreeën 12 : 11). Als daarna echter die verdrukking voorbij is, geeft het van zich een “zeer kostbaar uitnemend gewicht van eeuwige heerlijkheid” (2 Korinthe 4 : 17). De vernedering op zich is geen vreugde, maar het resultaat is uiteindelijk wel vreugde omdat het resultaat verheerlijking is. Naarmate men lijdt met Christus of om de zaak van Christus, zal men ook verheerlijkt worden. “Gedraagt u als ellendigen” wordt dus gezegd tot de hoogmoedigen, maar “Verblijdt u” wordt gezegd tot degenen die zich net als Christus Zelf vernederd hebben en door de Heer verhoogd worden. Dan komen we weer terug bij het eigenlijke onderwerp.

Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter. Jakobus 4 : 11

Kwalijk spreken van elkander is niets anders dan hoogmoed. De reden dat bijna alle mensen roddelen, is dat bijna alle mensen hoogmoedig zijn. Om dat waar te maken in de praktijk, trappen ze andere mensen de grond in, zodat zij alleen degene(n) zijn die nog overeind blijven staan. Men roddelt niet zozeer om een ander te vernederen, maar om zichzelf erboven te plaatsen. Zelfs broeders doen dat. Hier gaat het om een wet die feitelijk al eerder aangehaald is en die niets anders inhoudt dan dat men God (en zijn Naaste) liefheeft. De Naaste van de gelovige is Christus en daarom dus ook allen die in Christus zijn. Onze broeders en zusters zijn onze naasten, omdat zij in Christus zijn. Dat staat ook duidelijk in de brief aan Éfeze. Daar staat: “Liegt niet tegen elkander, want wij zijn elkanders naasten of gij zijt elkanders naaste” (Éfeze 4 : 25; Kolossenzen 3 : 9). Dat wordt tot gelovigen gezegd.

De wet zegt dat er geen valse getuigenis van de naaste gesproken mag worden (Exodus 20 : 16) en bovendien dat de naaste geacht wordt lief te hebben (Leviticus 19 : 18). Aangezien je naaste in de eerste plaats Christus is en in de tweede plaats je broeder en zuster, is het dus in strijd met deze samenvatting van de wet wanneer wij kwalijk spreken van elkander. Het is in strijd met de wet en als men handelt in strijd met de wet is men hoogmoedig, want dan stelt men zich boven de wet. “Oordeelt” wil zeggen “vonnist”, een schuldig over hem uitspreken. Oordelen is niet het afwegen van dingen, maar “oordelen” heeft in de Statenvertaling de betekenis dat men iemand schuldig verklaart. Wie een oordeel velt over zijn broeder, velt daarmee ook een oordeel over de wet. Hij stelt zich boven de wet, want die zegt: “Je moet hem liefhebben”. Als men dus toch zijn broeder veroordeelt, schuldig verklaart, dan stelt men zich boven de wet en daarom oordeelt men de wet. Dat is puur hoogmoed.

Een dader der wet is iemand die onder de wet leeft. Een rechter staat boven de wet. Een rechter wordt geacht de wet te houden, maar de rechter heeft bovendien tot taak om de wet te interpreteren. Wanneer men dus handelt in strijd met de wet, dan plaatst men zich boven de wet en dan is men niet meer een dader der wet, maar dan is men een rechter. Men staat erboven. Als men van zijn broeder kwalijk spreekt, handelt men in ieder geval in strijd met de wet. Hoewel wij niet onder de wet leven is het wel degelijk zo dat de algemene gedachtengang van de wet op ons van toepassing wordt gebracht in het N.T. als er gezegd wordt dat wij onze naaste zouden liefhebben. Die naaste is de medegelovige. Wie zijn naaste liefheeft, heeft de wet vervuld (Romeinen 13 : 8; Galaten 5 : 14).

Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt? Jakobus 4 : 12

Er is één Wetgever. “Een” bestaat niet in het Grieks en “enig” is de vertaling van het hoofdtelwoord één. Er is verband tussen “rechter” en “wetgever”? Er staat eerst “Zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter” en dan “Er is één …”. Dan zou je het woord “Rechter” verwachten, maar er staat “Wetgever”. Dat komt omdat in de Bijbel de Rechter de Wetgever is, of de Wetgever de Rechter. Kortom: Dat is in hoogste instantie God. Er zijn niet vele wetgevers. Wij zijn geen wetgevers. Er is er namelijk maar Eén die een ander zal oordelen en het schuldig over hem zal uitspreken en dat is God. Zelfs al zijn wij ervan overtuigd dat een ander fout zit, dan hoeft dat nog geen enkele consequentie te hebben in de directe praktijk van ons leven. Daar gaat het om. Wij zijn niet degenen die anderen moeten veroordelen, maar wij zijn degenen die ons aan God zouden moeten onderwerpen. Daarmee zijn wij bij dezelfde gedachte aangekomen als in Romeinen 14 : 4, waar staat: “Een ieder staat of valt zijn eigen heer”. Dan staat er: “En God zal hem vaststellen”. Dat wil zeggen dat een gelovige geen verantwoording verschuldigd is tegenover elke andere gelovige, maar tegenover de Heer. Als er geoordeeld moet worden, is het de Heer die het doet. Het is dus niet aan ons om dat te doen. Het oude principe voor Israël is ook op ons van toepassing: “De Heer zal voor u strijden en gij zult helemaal niets doen” (Exodus 14 : 14). Niet: En gij zult Mij daarbij helpen, of: Gij zult erom bidden.

Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Jakobus 14 : 13

Dit vers moet natuurlijk toch primair niet gelezen worden binnen het kader van onze eigen levensomstandigheden, maar binnen die van de toekomende bedeling, waar de brief actueel wordt, want daar is het nog veel ongewisser. “Onzekerheid des levens” staat erboven, maar de onzekerheid des levens is nog veel groter in een volgende bedeling dan in de onze. Daar is vervolging en verdrukking en beperking van de gelovigen. In ieder geval hebben we geleerd dat van de gelovigen dan gezegd wordt dat ze zullen kunnen kopen noch verkopen. Met andere woorden: Hen worden beperkingen opgelegd in de handel en daar gaat het hier over. De apostel Jakobus gaat ervan uit dat een uitspraak over “vandaag of morgen” een hoogmoedige uitspraak is, want, zegt hij, dat weet je namelijk niet. De uitspraak “we gaan vandaag of morgen daar of daar naar toe”, veronderstelt dat we die situatie beheersen en dat is niet zo, want wij weten niet wat morgen geschieden zal, zegt vers 14.

Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. Jakobus 4 : 14

Een damp is tamelijk vormloos. Die verandert voortdurend en zo maar ineens is die damp weg. We hebben het eigenlijk over mist en dat is allemaal heel tijdelijk. Damp is eigenlijk een soort tijdelijke verdichting en normaal is het helemaal niet te zien. Even zie je het en daarna is het ook weer weg. Dat is ongeveer het menselijk leven. Als in Genesis 2 : 6 gesproken wordt over de mens en het leven op aarde, staat er dat er een damp was opgegaan uit de aarde en die maakte alles nat. Een damp is het woordje “ed” of “ad” en de mens is … één letter meer: Adam. De mens wordt vergeleken met een damp. Hij is er een kleine tijd en neemt gestalte aan die voortdurend varieert en op een gegeven moment verdwijnt hij weer. Soms komt hij in de wereld zonder dat iemand het eigenlijk opmerkt en hij verdwijnt ook vaak weer uit de wereld nadat iedereen hem al vergeten is.

Vanuit Jakobus komen we nogal vaak in de brieven van Petrus terecht, omdat de inhoud voor een groot deel vaak overeenkomt. Het is eigenaardig want de inhoud van de brieven van Petrus komt aan de ene kant overeen met Jakobus en aan de andere kant met Judas. In ieder geval heeft de apostel Petrus het ook over de vergankelijkheid van het leven en de ongewisheid daarvan. Hij zegt niet dat het als een damp is, maar hij zegt: Het is als gras. Hij citeert dus niet Genesis 2, maar de Psalmen (Psalmen 103 : 8). Het verdwijnt maar zo. De gedachte bij de gelovige hoort te zijn: Zo de Heer wil en wij leven ofwel Deo Volente. “Deo volente” is Latijn en betekent “Zo God het wil”. Dat betekent niet “Zo God daartoe het initiatief ontwikkelt”, maar “Zo God het toestaat”, want als God het niet wil, zal Hij het ongetwijfeld verhinderen. Het is altijd “Zo God het toestaat”. Wij weten niet wat de dag van morgen ons brengen zal. Wij weten alleen dat de Heer ons geleidt en verder hebben we ons vernederd en dus aan Zijn leiding overgegeven.

In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. Jakobus 4 : 15

Al wat wij doen is ondergeschikt aan de wil van God. Indien iemand zich vernederd heeft onder de krachtige hand Gods, dan zou hij in zijn uitspraken (denk aan de tong uit Jakobus 3) in zijn woorden daarmee rekening moeten houden en zeggen: Deo volente. Wie dat niet doet, roemt in de eigen hoogmoed.

Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos. Jakobus 4 : 16

Alle roem die voortkomt uit hoogmoed, is boos. Er is ook wel een roem die niet uit hoogmoed is “Die roemt, roeme in den Heere” (1 Korinthe 1 : 31). Van Hem zijn we afhankelijk. Hij is degene die ons leven geeft en uit Wiens genade wij leven. Wij hadden alles verloren, maar God heeft ons in Christus begenadigd. Als wij dus roemen, kan dat nooit in onszelf zijn, want zegt Romeinen 3 : 27: “Waar is dan de roem?” Die is er niet. Er is niets om ons op de borst te slaan. Wie roemt, roeme in de Heere. Daar gaat het om. Laten we ons daarvoor openstellen. Dat is nederigheid. Dat is één kant. Aan de andere kant is het ook bijzonder realistisch om dat te doen, want wij die geloven, weten dat God almachtig is en “alle dingen doet meewerken ten goede”, in het algemeen en dus ook voor degenen die geloven speciaal (Romeinen 8 : 28). “Ten goede in het algemeen” is niet ten goede van de mens in het algemeen, maar ten goede van God en daarom werkt het ook mee ten goede voor degenen die in Hem geloven. Vers 17 is min of meer de afsluiting van de voorgaande hoofdstukken.

Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde. Jakobus 4 : 17

Als net gezegd is wat goed doen is en men het toch niet doet, is het zonde. Als je iets doet terwijl je niet beter weet, dan kan het je moeilijk kwalijk genomen worden, maar nu je wel beter weet, kan het je wel kwalijk genomen worden. Als mensen wat in onwetendheid doen, dan krijg je zoiets als “Reken het hun niet toe” of “Vergeef het hen, want zij weten niet wat zij doen”. Het blijft natuurlijk zo dat het Woord van God er niet op uit is om ons in onwetendheid te laten zodat het ons niet toegerekend zou kunnen worden. Het Woord van God wil ons in kennis stellen van alle geestelijke waarheden, zodat het ons wel toegerekend kan worden. Dat is de reden waarom zovele mensen zich opstellen tegenover het Woord van God en zeggen: Laat het maar dicht. Ze zijn bang voor de verantwoordelijkheid die ze daarmee op zich laden.

Mensen worden geacht het goede te doen en wat het goede is, dat maakt de Heer Zelf wel uit. Filippenzen zegt dat Hij degene is die in ons werkt, zowel het willen als het werken (Filippenzen 2 : 13). Hij houdt ons de goede werken voor en geeft ons de gelegenheid om het te doen. Als de Heer een opdracht geeft, dan geeft Hij ook de gelegenheid en de mogelijkheden om die opdracht uit te voeren, de mogelijkheden daartoe, en dan ben je gehouden dat te doen. Daar gaat het hier om.

Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde. Jakobus 4 : 17

Uit deze hoofdstukken blijkt gewoon wat goed doen is. Goed doen is namelijk dat het geloof dat wij hebben ook inderdaad naar buiten komt in de werken die we doen, in ons gedrag. Meer in het algemeen blijkt eruit dat wij ons onderwerpen aan God of aan de Heere. In de eerste plaats geldt dit vers in een volgende bedeling en dan wordt geëist van de mens dat hij gelooft en niet alleen met het hart. Er staat “wie gelooft”, , maar ook “wie volhardt tot het einde zal zalig worden” (Matthéüs 24 : 13). Wanneer men volhardt tot het einde, zal men zalig worden en die duizend jaren hier op aarde binnengaan, maar als men zich hier op aarde niet onderwerpt aan de Heere, hoe zou men als beloning een Koninkrijk in kunnen gaan dat bestaat uit een hele schepping die aan Christus is onderworpen?

Als men zichzelf in het leven niet heeft onderworpen aan Hem, hoe zou men zo’n Koninkrijk van onderworpenen aan Hem binnen kunnen gaan? Dan hoort men daar niet thuis. Dat is een eenvoudige waarheid. Wie niet volhardt tot het einde zal dus kennelijk ook niet zalig worden. Daar gaat het volgende hoofdstuk ook uitdrukkelijk over. Bent u in gevechten en strijden gewikkeld, dan kunt u zich er dus maar het beste uit los maken, nederig zijn. U moet zich niet onderwerpen aan de tegenpartij, maar aan de Heer die voor u zal strijden. Dan komt het verder wel goed. Wie dat weet, wordt geacht dat te doen, want anders zondigt hij. Dan kiest hij bewust voor een andere kant en dat kan geen gelovige, in welke bedeling dan ook, vrijblijvend doen.

6. Jakobus 5

1 Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.
2 Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden;
3 Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.
4 Ziet, het loon der werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van den Heere Sebaoth.
5 Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting.
6 Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige;
en hij wederstaat u niet.
7 Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.
8 Weest gij ook lankmoedig, versterkt uw harten; want de toekomst des Heeren genaakt.
9 Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur.
10 Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens, en der lankmoedigheid de profeten, die in den Naam des Heeren gesproken hebben.
11 Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.
12 Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.
13 Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge.
14 Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren.
15 En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden.
16 Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.
17 Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.
18 En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort.
19 Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert,
20 Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken. Jakobus 5 : 1-20

Dit is het slot van deze brief waarin het gaat om dingen die verband houden met het leven van de gelovige hier op aarde. Het staat in een aardse context. Dat is hier veel meer het geval dan bijvoorbeeld in de brieven van de apostel Paulus. Het spreekt over de aardse omstandigheden van de gelovigen hier op aarde, in een zelfzuchtige wereld en te midden van een mensheid die zich in de eerste plaats kenmerkt door hoogmoed. Dat is wat in de voorgaande hoofdstukken gezegd is en waar het hier ook nog steeds om gaat. Dat is een tijd die verband houdt met de wederkomst van Christus. Daarover spreken we nog, want dat komt nadrukkelijk naar voren in dit vijfde hoofdstuk.

Net zoals Jakobus 4 : 13 begint hoofdstuk 5 met “Welaan nu gij”. Dat betekent dat het komende gedeelte aansluit op wat vooraf ging. Ze lopen parallel. Er worden twee conclusies getrokken, twee gevolgtrekkingen uit het voorafgaande. In Jakobus 4 : 13 is het “Welaan nu gij, die daar zegt …” en in Jakobus 5 : 1 is het “Welaan nu, gij rijken, …”. Er zit een duidelijk verband tussen die beide gedeelten.

Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, … Jakobus 4 : 13

Vanaf Jakobus 4 : 13 wordt er gesproken over de hoogmoedige mens. Welaan nu gij, die hoogmoedig zijt. In Jakobus 5 : 1 heeft de apostel Jakobus het nog steeds over dezelfde mensen, namelijk zij die hoogmoedig zijn, zij die zelf hun weg wel bepalen en zij die ook menen de macht te hebben om die weg zelf te gaan.

Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. Jakobus 5 : 1

Niet eens morgen, maar al vandaag. Het staat in de tegenwoordige tijd: “ellendigheden die over u komen”. Job een rijk man wordt aangehaald in Jakobus 5 : 11. Over hem kwam nogal wat ellendigheid, maar het was bepaald niet de regel dat dit gebeurde. We mogen niet vergeten dat deze brief in de eerste plaats thuishoort in de 33 jaar van de “dag des toorns”. Dat is de periode tussen de verschijning van de Here Jezus op de Olijfberg, bij de verwoesting van Jeruzalem en het moment waarop Hij in datzelfde – inmiddels herbouwde Jeruzalem – zal zitten op de troon Zijner heerlijkheid. Het is de periode van Israël (twaalf stammen) dat zich bekeerd heeft tot de Heere. Deze brief is geschreven aan de twaalf stammen in de verstrooiing, die kennelijk ook nog bestaan uit gelovigen. Die brief kan dus alleen maar bezorgd worden nadat Israël de Naam des Heeren heeft aangeroepen en zalig geworden is (Joël 2 : 32). Daarmee is gezegd dat dit Schriftgedeelte dus niet primair spreekt over vandaag. Het spreekt wel over gelovigen en aangezien wij gelovigen zijn, vinden we daar dus heel wat gemeenschappelijks in.

Als in deze brief de situatie van de natuurlijke mens in de wereld beschreven wordt, dan is dat de situatie van vandaag en die van in de toekomst, maar ook die van het verleden. De apostel noemt niet voor niets voorbeelden uit het verleden. Hij sprak al over Abraham, over Rachab en in dit hoofdstuk wordt Job genoemd. Het zijn voorbeelden uit het Oude Testament, met gelovigen te midden van een ongelovige wereld. Daar komt bij dat in die toekomende tijd, in die volgende bedeling, wel degelijk sprake is van rijkdom die verteert. Van de ene op de andere dag kan dat verdwenen zijn. Dat het geld van vandaag op morgen niets waard is, maakt niets uit als je geen geld hebt. Dat wil dus zeggen dat degenen die daarvan de dupe zijn, sowieso de rijken zijn.

Wenen en huilen is uiteraard hetzelfde. “Uw ellendigheden” worden geacht nu al over hen te komen. Nogmaals, dat slaat in de eerste plaats op de tijd waarin deze brief bezorgd wordt.

Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden; Jakobus 5 : 2

De “klederen” die hier genoemd worden hebben een zeer bredere betekenis. Het kleed staat immers voor de uiterlijke verschijning van de mens, hoe hij zich aan de wereld voordoet en hoe de wereld hem ziet, want de wereld kijkt tegen zijn kleding aan. De klederen zijn de uitbeelding van de rijkdom. “Uw rijkdom is verrot” is hetzelfde als “uw klederen zijn van de motten gegeten geworden”. Klederen staan dus voor de uiterlijke dingen en de rijkdom bestaat nu eenmaal ook uit uiterlijke dingen. Men bezit in de wereld vergankelijke zaken en die rijkdom verteert.

Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. Jakobus 5 : 3

Goud en zilver kunnen niet roesten, maar dan kan het toch wel. Roesten in onze betekenis van het woord kan niet, maar de betekenis is wel duidelijk. Goud en zilver, waarop men zijn vertrouwen gesteld had en dat onwankelbaar een vaste waarde scheen te hebben, blijkt dat helemaal niet te zijn. Het gaat niet direct om letterlijk goud, maar het gaat om de rijkdom van de wereld. Wij kijken tegen rijkdom aan, maar van vandaag op morgen ben je het kwijt. In de grondtekst staat overigens niet “roest”, maar “ios”. Hun “ios”, namelijk “vergif”, zal u zijn tot getuigenis. Het is hetzelfde woord als in Jakobus 3 : 8: “Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk vergif (venijn).” Daar ga je aan kapot. Gif is een stof die door het lichaam niet verwerkt kan worden, óf niet door zijn samenstelling óf niet door zijn hoeveelheid. Gif spreekt over verdeeldheid, over leugen. Men verdraagt het niet. Zo staat het hier ook. Goud en zilver, kortom aardse rijkdom, zijn gevaarlijk, giftig. Er zijn vele mensen die dat niet aankunnen en die aan rijkdom te gronde gaan. (Zie ook 1 Timothéüs 6 : 9, 10.)

“Als een vuur verteren” wil zeggen dat die rijkdom op hun hoofden terugkomt. Dat is in de historie al verscheidene malen gebeurd. Het is bijvoorbeeld bekend dat de rijkdom van het Romeinse rijk tot gevolg had dat het ten onder ging aan eigen begeerlijkheden en wellusten. Wij zeggen in het Nederlands dat het sterke benen zijn die de weelde kunnen dragen. De meesten kunnen dat niet en daarom is het maar goed dat de meesten die weelde ook niet hebben.

“Gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen”, zegt het vers. “De laatste dagen” is in de Bijbel altijd de aanduiding voor de tijd sinds de verschijning van de Messias, sinds de eerste komst van Christus. In elk geval sinds Zijn dood en opstanding zijn de dagen geteld van deze tegenwoordige boze eeuw, en daarmee van de satan en daarom worden het de laatste dagen genoemd. Er is namelijk sinds die tijd een begin gemaakt met een nieuwe schepping, waarvan Christus de Eersteling is en waarvan wij eerstelingen zijn. Vandaar dat deze dagen hier op aarde sowieso de laatste dagen zijn. Het heeft niets te maken met of het er veel of weinig zijn. Het wil zeggen dat het de uitloper is van de “dag des mensen”, de tijd waarin de mens regeerde en waarin de satan ook regeerde. Het is het eind van de eeuw waarvan de satan de god is. Hoe verder we aan het eind van die eeuw komen, hoe meer en hoe nadrukkelijker wij leven in de laatste dagen.

In de volgende bedeling zijn het zeker de laatste dagen, omdat dat de dagen zijn waarin het nu nog verborgen Koninkrijk van Christus geopenbaard wordt. Dat men juist in de laatste dagen schatten vergadert is nogal eigenaardig. Wat heeft het voor zin als men weet wat er gaat gebeuren om dan rijkdom te verzamelen? Dat heeft dus geen zin. Juist vanwege die laatste dagen staat het vast dat die schatten van voorbijgaande aard zijn. Als namelijk dat volgende Koninkrijk van Christus, geopenbaard zal worden, dan vindt er een herverdeling plaats, zodat men aan de schatten die daarvóór verzameld zijn niets meer heeft, want ze moeten ingeleverd worden. Er komt een nieuw begin. De Here Jezus zal de volkeren voor Zijn aangezicht verzamelen, hen verdelen en zetten in het land dat Hij voor hen bestemd heeft.

Rijkdom en rijken

Ziet, het loon der werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van den Heere Sebaoth. Jakobus 5 : 4

Het gaat niet om iemand die om een of andere reden rijk is, maar om geldgierigheid en dus om rijkdom die op oneerlijke wijze verworven is. Dat lijkt me een duidelijke zaak, want de Bijbel veroordeelt de rijke als zodanig niet. De rijken die zich verrijkt hebben op oneerlijke wijze hebben hun vertrouwen gesteld op hun rijkdom in plaats van op de Heer. Toen die rijke jongeling bij de Heer kwam, vroeg de Heer ook van hem om zijn rijkdom in te wisselen voor de Heer Zelf (Matthéüs 19 : 21). Die rijkdom gaat niet primair om de aardse rijkdom, maar het gaat erom dat wat je hebt op aarde, al is het niks behalve je eigen lichaam, je het op moet geven. Je moet je leven opgeven om er een ander leven voor in de plaats terug te kunnen krijgen. Als je veel bezittingen hebt, wordt het een stuk moeilijker. Al die dingen waar je je leven lang voor geknokt hebt om ze te bereiken, zul je als gelovige moeten inruilen en je zult moeten zeggen dat je genoeg hebt aan de Heer. Vandaar dat het zo moeilijk is voor een rijke om behouden te worden, zeker als die rijkdom nog het resultaat is van oneerlijk handelen.

De rijken uit Jakobus 5 zouden moeten wenen en huilen over de ellendigheden die over hen komen, want de ellendigheid is dat hun schat, hun goud en zilver, verroest en zijzelf zullen als een vuur verteerd worden. Ze komen namelijk in het oordeel terecht. Dan staat er dat het ook zo dom is, want ze hadden schatten verzameld in de laatste dagen. In zekere zin geldt dat natuurlijk niet alleen in die tijd, maar ook in onze dagen. Wat je ook verzamelt hier op aarde, je zult het moeten opgeven. De rijken hebben het loon van de arbeiders verkort ofwel zij hebben hen tekort gedaan, te weinig betaald. Hier staat dat dit soort onrechtmatigheden of onrechtvaardigheden inderdaad ter ore komen van de “Heere der heirscharen” (de Heere Sebaoth). “Sebaoth” wil zeggen “heirscharen”, “de menigten”. De Heere der heirscharen is een Heere van de massa. De Heere is ook de Heere van de werklieden en van degenen die geoogst hebben; niet alleen van de werkgevers, maar ook van de werknemers. Daarom komt die Heer om te oordelen. Waar goederen, bezittingen en dus eventueel geld in de verkeerde handen terechtgekomen zijn, door wat voor situaties ook, daar zal de Heer die zaken regelen.

Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting. Jakobus 5: 5

Volgens het oude Nederlands is “lekker” een bijvoeglijk naamwoord en “lekkerlijk” is dan het bijwoord. “Gij hebt lekker geleefd” betekent dat men er een beetje op los leeft, dat men een beetje doet wat goed is in zijn eigen ogen. Het is een term die maar een of twee keer elders in het N.T. voorkomt en dan steeds anders vertaald wordt. In 2 Petrus 2 : 13 wordt het vertaald met “vermaak achten”. Wellusten zijn de lusten van de leden, van het lichaam. Het lekkerlijk leven op de aarde is dus het volgen van de wellusten, het voldoen aan de behoeften van het vlees. De rijken waren daar financieel toe in staat. Zij waren draagkrachtig genoeg om die wellusten te volgen.

“Gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting” betekent dat het niet primair gaat om eten en drinken. Er staat niet: “Gij hebt uw lichamen gevoed”, maar “Gij hebt uw harten gevoed”. Het hart is de zetel van de gevoelens van de mens. De wellusten hebben met het hart te maken. “Gij hebt uw harten gevoed” wil dus zeggen dat die wellusten, die verlangens van de natuurlijke mens, bevredigd zijn geworden. Dat wordt vergeleken met een maaltijd. De “dag der slachting” is een dag waarop “het gemeste kalf” geslacht werd en een dag waarop men zich te goed kan doen. De rijken zijn in de gelegenheid geweest om zich te goed te doen aan alles wat ze maar wilden. Dat is allemaal gebeurd ten koste van hen die tekort gedaan werden, ten koste van de “werklieden die het land gemaaid hebben en degenen die geoogst hebben”.

Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige; en hij wederstaat u niet. Jakobus 5 : 6

Dit vers is vanwege de overgang een heel merkwaardig vers. Het is de verbinding van de rijkdom en de wellusten van de natuurlijke mens naar de geestelijk ingestelde mens die hoopt en wacht op de wederkomst van Christus. Dat is van belang, want vers 6 is een moeilijk vers. “Gij hebt veroordeeld” wordt gezegd tot die rijken die in ellendigheden zijn terechtgekomen, die loon hebben ingehouden en die lekkerlijk hebben geleefd. Wie is die rechtvaardige die ze hebben gedood? Van de natuurlijke mens zeggen dat hij een rechtvaardige is, is een beetje moeilijk, want een mens is alleen rechtvaardig als hij een gelovige is. Er staat niet: “Gij hebt rechtvaardigen gedood”, maar “den rechtvaardige”. Tegen de tijd dat we op bladzijde 1163 van onze Bijbel zijn, zouden we toch moeten weten dat als het gaat om de Rechtvaardige er maar Eén is, namelijk de Messias Zelf. De vertalers hebben dat niet geloofd of niet begrepen en hebben daarom “rechtvaardige” met een kleine letter geschreven, maar het moet wel degelijk een hoofdletter zijn. Hier wordt dus tot Israël gezegd dat men vanuit de rijkdom die het volk had de Here Jezus veroordeeld heeft.

De situatie van “Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood de Rechtvaardige” bestaat inderdaad al meer dan negentien eeuwen en al die tijd geldt: “Hij wederstaat u niet”, want het werkelijke oordeel over het afwijzen van de Messias heeft nog steeds niet plaatsgehad. Het is een groot misverstand dat men zegt dat die oordelen over Israël gekomen zijn als een directe activiteit van God, een actief oordeel van God over het volk dat Hem verwierp. Dat kan het niet zijn, al was het alleen maar omdat dan het gebed “Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lukas 23 : 34) van de Heer Zelf niet vervuld zou zijn. Het is een toorn die niet actief, maar passief het resultaat is van hun ongeloof. God heeft hen losgelaten. Als de mensheid de waarheid niet wil weten of in ongerechtigheid ten onder wil houden, dan trekt de Heer Zich terug en daaruit resulteert toorn. Daarmee is de wereld overgegeven aan zichzelf en dat is op zich toorn, maar het is niet het oordeel en het is ook niet een actief ingrijpen van God in deze wereld. Zeker in de tegenwoordige bedeling, namelijk de “bedeling van de genade Gods” oordeelt God niet (Hebreeën 4 : 16; Romeinen 5 : 21) en daarom staat er … “hij wederstaat u niet”. God is niet Degene die de Joden vervolgt.

Waar het nou om gaat is dit: Israël heeft de Messias afgewezen, heeft Hem veroordeeld, heeft Hem gedood, dus Israël past nederigheid en de gelovigen uit Israël al helemaal. De Heer bestrijdt Israël niet, terwijl Israël wel de toorn van God had kunnen verwachten, omdat Israël haar Messias verwierp. De toorn die in de toekomst over Israël komt, is in de eerste plaats een toorn vanwege hun ongeloof. Later gebeurt dat met de heidenen trouwens ook. Dat de Heer hen niet wederstaat moet hen beschaamd maken, want het is wat men wel had kunnen verwachten, maar niet is gebeurd. Juist dat stemt tot nederigheid. en zo komen we terecht bij de conclusie in Jakobus 5 : 7:

Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen. Jakobus 5 : 7

De apostel Jakobus richt de blik van de gelovigen naar de toekomst. “Heb een lange moed”, zegt hij. Dat betekent dat het met geduld te maken heeft. Het gaat om lang moed houden. Dat moet tot de wederkomst van de Heer. De Bijbel verklaart zelf dat lankmoedigheid is wat de landman zaait in het land. Als hij begint als boer moet hij in ieder geval dat zaaigoed kopen. Dat gooit hij vervolgens weg en dat is precies wat je met je rijkdom moet doen. Dan heeft het resultaat. Lankmoedigheid is het wachten van de landman op de vrucht van het land. Hij zaait in het volste vertrouwen dat de vroege en de spade regen komt, zoals het hier staat, dat God dus de wasdom geeft (1 Korinthe 3 : 6). Wij wachten gewoon. Dat beeld is niet alleen van toepassing op de gelovigen in die tijd, hoewel het dan precies één generatie is, maar ook in onze tijd. Lankmoedigheid is dat je weet dat het komt, maar je moet er wat lang de moed in houden. De Heer verwacht van de gelovige lankmoedigheid tot de “toekomst des Heeren”. Dat is speciaal het geval in de volgende, de zesde bedeling, waarin al die dingen gerealiseerd worden, maar dat is zeker het geval in deze tegenwoordige bedeling, waarin ongeveer tweeduizend jaar gewacht wordt op die toekomst des Heeren. Hoe de omstandigheden ook zijn in onze dagen, maar ook in de dagen van de grote verdrukking, er is maar één boodschap: De verlossing komt tot stand in Christus en Hij zal geopenbaard worden op Zijn tijd, in wat genoemd wordt “de toekomst des Heeren”. Vandaar onze lange moed.

De Handelingenperiode

Daarmee zijn we terug bij dat speciale aspect van deze apostolische brieven in het algemeen, namelijk dat ze zijn geschreven tegen de historische achtergrond van de “Handelingen-periode”. Dat is de periode waarin nog steeds direct aan Israël gepredikt werd dat als Israël tot bekering zou komen, de Messias alsnog uit de hemel zou verschijnen om Zijn profetieën te vervullen. Dat is een waarheid die toen nog gepredikt werd. Daarna gebeurde dat niet meer, niet omdat het niet meer waar zou zijn, maar omdat ons inmiddels verteld was dat de bekering van Israël nog enige tijd op zich zou laten wachten, ruwweg zo’n tweeduizend jaar. Vandaar dat díe prediking dan ophoudt en de accenten in de prediking ergens anders komen te liggen, niet omdat de waarheid veranderd is, want die verandert nooit, maar omdat bepaalde waarheden wat meer actueel zijn dan andere. De apostel Petrus hanteert de term “tegenwoordige waarheid” (2 Petrus 1 : 12). Dat is waarheid met betrekking tot de tegenwoordige tijd. Er zijn ook waarheden die wel waar zijn, maar die houden niet direct verband met de tegenwoordige tijd.

De brief van Jakobus is dus geschreven tegen de achtergrond van Handelingen, waarin men het Koninkrijk der hemelen predikte dat nabij gekomen was en dat geopenbaard zou worden. Juist omdat het tegen die achtergrond geschreven is, wordt het weer actueel in de toekomstige dagen waarin dat Koninkrijk en het Evangelie van dat Koninkrijk wederom gepredikt zal worden. Dat is de periode waarin de parousia of toekomst des Heeren aanstaande is en waarin “de Rechter voor de deur staat” (Jakobus 5 : 9). Dat betekent dat we ons goed moeten realiseren, in verband met dit Schriftgedeelte en vooral met het slot van de brief, dat het eigenlijk pas van toepassing is in de dagen van de grote verdrukking. De verschijning van de Heer aan Israël en aan de gelovigen is juist in de dagen van de verdrukking, in de bedeling van de volheid der tijden (de zesde bedeling). Tegen die achtergrond dient het gelezen te worden.

De tijd waarin deze brief uiteindelijk bezorgd wordt, is de tijd waarin de 144.000 verzegelden uit Israël het Evangelie prediken aan alle volkeren. Het Evangelie van het Koninkrijk, namelijk: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De bijl ligt al aan de wortel van de boom. Bekeert u en laat u dopen en wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Ik zeg het maar wat vlug. Het gaat erom dat het een tijd is waarin men zijn vertrouwen moet stellen op de Heer opdat Hij vervolgens Zijn Koninkrijk op aarde zou vestigen. Dat wat beloofd was, zouden ze binnen afzienbare tijd ontvangen. Het principe dat ons wat beloofd is, dat we in de toekomst zullen ontvangen, gold voor elke gelovige door alle eeuwen heen en zal blijven gelden, ook in de zevende bedeling. Zelfs in het Koninkrijk blijft de belofte van nieuwe hemelen en nieuwe aarde, want die zijn er ook dan nog niet. De gelovige is altijd “in hope zalig geworden”.

Weest gij ook lankmoedig, versterkt uw harten; want de toekomst des Heeren genaakt. Jakobus 5 : 8

“Weest gij ook lankmoedig”, net als die landman. Het is een eenvoudig voorbeeld uit de oude schepping om een waarheid met betrekking tot de nieuwe schepping te illustreren. Weest gij ook lankmoedig. Hou er maar moed in, want het komt best wel goed. Het hart is speciaal de zetel van het geloof. “Lankmoedig zijn” en “uw harten versterken” horen bij elkaar, want het versterken van de harten heeft te maken met het vasthouden van geloof. Paulus zei van zichzelf aan het eind van zijn loopbaan: ” Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden” (2 Timothéüs 4 : 7). De strijd is het vasthouden van de waarheid dat al wat God beloofd heeft, in feite pas in de toekomst gerealiseerd zal worden. Al wat wij nu ontvangen is slechts een voorschot op die toekomende erfenis. Dat blijft altijd zo, want die toekomst is uiteindelijk zelfs niet de wederkomst van Christus en zelfs niet het Duizendjarig Rijk, maar dat is een nieuwe schepping. Dat is de vervulling van al Gods beloften en al wat daaraan vooraf komt is voorschot. Van een gelovige mag verwacht worden dat hij het geloof vasthoudt en ook uit het geloof blijft leven. “Strijd de goede strijd des geloofs” wordt ons dan ook voorgehouden (1 Timothéüs 6 : 12).

Vermaningen

Dan krijgen we enige “losse vermaningen”. Ze lijken soms wat verschillend en soms zien we misschien niet meteen het verband, maar het verband tussen al die vermaningen is dat ze gegeven worden tegen de achtergrond van die verdrukking, van vervolgingen die over de gelovigen komen. Daarbij wordt van hen verwacht dat ze volharden tot het einde om zalig te worden, want dat is het Evangelie van het Koninkrijk.

Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur. Jakobus 5 : 9

Hier staat in het Grieks is niet “zuchten” maar “grommen”. Van kwaadheid grommen wordt niet hardop uitgesproken. Er is soms alle reden om te grommen, maar het is beter dat niet te doen. Grommen heeft altijd te maken met het niet eens zijn met de situatie. Het is binnensmonds protesteren, maar, zegt de apostel, dat kun je beter niet doen, want als je anderen veroordeelt, veroordeel je daarmee ook jezelf. “Gij die een ander oordeelt, oordeelt gij uzelven niet?” (Romeinen 2 : 1-4,21). Het komt nogal eens voor dat mensen anderen veroordelen en later zelf de fout maken die ze in anderen veroordeeld hebben. Daardoor spreken ze een oordeel over zichzelf uit. Op andere plaatsen staat: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” (Matthéüs 7 : 1).

Dat is precies hetzelfde. Het kan zijn dat wij een verkeerd oordeel uitbrengen en daar zouden wij dan verantwoording voor af moeten leggen. Hier wordt daarom gezegd: “Ziet, de Rechter staat voor de deur”. Die Rechter is die Rechter uit Matthéüs 25, die zal zitten als Koning op de troon Zijner heerlijkheid (Matthéüs 25 : 31). Dan zal Hij de volkeren voor Zijn aangezicht verzamelen en hen “scheiden gelijk men de schapen van de bokken scheidt” (Matthéüs 25 : 32, 33). Daar zal bepaald worden wie dat Koninkrijk ingaat, en hoe. Beide dingen spelen daar een rol. Broeders die trouw zijn in de tijd waarover hier in Jakobus gesproken wordt, zullen ook waardig geacht worden om verantwoordelijkheid te dragen in het Koninkrijk. De Rechter die uitspraken zal doen, staat voor de deur. De deur spreekt uiteraard over het ingaan in het Koninkrijk. Dat is diezelfde deur waarvan de Here Jezus zegt: “Ik ben de Deur” (Johannes 10 : 9). Het is de deur van het ingaan in het Koninkrijk.

Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens, en der lankmoedigheid de profeten, die in den Naam des Heeren gesproken hebben. Jakobus 5 : 10

De apostel geeft dus voorbeelden. Hij gaf al voorbeelden in Jakobus 5 : 7, hij geeft nu weer voorbeelden en er komen er nog meer, met name uit het O.T. Deze profeten, die spraken in de Naam des Heeren, kwamen daardoor terecht in een situatie van lijden en dus in een situatie van lankmoedigheid, want lankmoedigheid en lijden horen bij elkaar. Door lijden zou men de moed verliezen, maar de bedoeling is dat die moed het lang uithoudt. De profeten werden vervolgd, maar zij waren lankmoedig. Zij hielden vol. Zij waren zich ook bewust in Wiens dienst zij stonden en Wiens Woord zij spraken en het was duidelijk dat Hij, in Wiens dienst zij stonden, eeuwig was. Het gaat om het onvergankelijke Woord van God. Degenen die het Woord van God spreken komen in lijden terecht en worden vervolgd. Dat zal zeker gebeuren in een toekomende bedeling, want dat wordt aangekondigd in Openbaring, met name in hoofdstuk 6 en 20. Velen van hen die het Woord des Heeren spreken, zullen gedood worden vanwege het getuigenis van Jezus (Openbaring 6 : 9; 20 : 4). Zo staat het er: Om het getuigenis dat zij hadden. Ze hebben het Woord van God gesproken. Ze hebben gezegd wie eigenlijk de echte Koning is.

De profeten zouden tot voorbeeld genomen moeten worden. Wij verklaren hen namelijk zalig en ook gelukkig omdat ze in dienst van de Heer hebben gestaan. Zij zullen door Hem beloond worden, omdat ze de goede strijd gestreden hebben, de loop hebben beëindigd en het geloof hebben behouden, net als de apostel Paulus, ook één van de profeten.

Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer. Jakobus 5 : 11

Zij hebben verdragen en wij zien tegen hen op. Wij hebben hen als voorbeeld. Het speciaal voorbeeld van Job wordt hier genoemd. Job kwam namelijk in lijden. Hij was lankmoedig en hij verdroeg. Dat is een verwijzing naar het laatste hoofdstuk van het boek Job, waarin Job opnieuw gezegend wordt en in principe tweemaal zoveel ontvangt als hij aan het begin van het boek had. Voordat hij ooit maar in lijden kwam, had hij vele bezittingen. Daarna ging het een tijdje helemaal fout met Job. Hij kwam in verdrukking terecht, maar hij verdroeg. Hij was lankmoedig en het eind van het verhaal is dat de Heer tussenbeide komt en Job krijgt tweemaal zoveel als hij in het begin had. Job is een type van de Here Jezus, die vernederd werd en die door lijden ging, maar uiteindelijk uitermate verhoogd werd. Het is de weg van heerlijkheid tot heerlijkheid, van heerlijkheid van een oude schepping naar heerlijkheid van een nieuwe schepping. Daar tussenin ligt lijden. Job was verdraagzaam en de Here Jezus Zelf was dat, staat in Hebreeën. In Hebreeën 12 wordt ons de Here Jezus voorgehouden.

Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God. Hebreeën 12 : 2

Hij is nu, inmiddels, gezeten aan de rechterhand Gods. Dat is het resultaat van lankmoedigheid, van lijden en van verdraagzaamheid. Daarna wordt gezegd dat wij nog lang niet zoveel verdraagzaamheid op hebben hoeven brengen als de Here Jezus Zelf.

Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; Hebreeën 12 : 4

De zonde is het ongeloof. Er zijn er ons voorgegaan die veel meer lijden over zich gehad hebben dan wij. Zij hebben niet opgegeven. Zij hebben hun vertrouwen gesteld op de Heer en we hebben het einde des Heeren gezien, zoals in het geval van Job. De Here Jezus Zelf is gezeten aan de rechterhand Gods. Hij is gehoorzaam geworden “tot de dood, ja de dood des kruises, en daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd” (Filippenzen 2 : 8, 9). Dat is een universele waarheid die speciaal een belangrijke rol speelt in de toekomende korte bedeling, want daarin zal men moeten volharden tot het einde om zalig te worden. Wat leren wij uit het voorbeeld van de Heer? Hij is barmhartig en Hij ontfermt Zich. Dat is de gedachte en beide begrippen, barmhartigheid en ontferming, zijn begrippen die aangehaald worden uit het O.T. Het zijn typisch Hebreeuwse begrippen: God die barmhartig is en God die Zich ontfermt over wie Hij wil (Exodus 20 : 6; 33 : 19; Romeinen 9 : 18). Hij ontfermt Zich zeker over degenen die vanwege Zijn Naam en vanwege Zijn getuigenis moeten lijden.

Jakobus 5 : 7-11 brengt maar één ding naar voren: Zijt lankmoedig. Het duurt even, maar zijt lankmoedig. Het komt wel goed, nog binnen deze generatie. Dat blijkt ook uit de rest van dit schriftgedeelte, want de strekking daarvan is niet anders.

Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt. Jakobus 5 : 12

Jakobus zegt dat het tamelijk onverstandig is om een eed te zweren. Bij een eedzwering roept men een ander aan als getuige en terwijl wij iets beloven stellen wij die ander aan om ons te straffen wanneer wij ons niet aan onze belofte houden. Een eed zweren is gewoon een belofte doen, maar tegelijkertijd iemand “aanstellen” om te zorgen dat het ook inderdaad uitgevoerd wordt. Een eed wordt in principe gezworen bij de allerhoogste machthebber en dat is God. Omdat God niemand had die hoger was dan Hij, staat er in de brief aan de Hebreeën, zwoer God bij Zichzelf (Hebreeën 6 : 13; belofte aan Abraham. Hij zwoer het Zelf en Hij voerde het ook Zelf uit. Als hier staat: “Zweert ganselijk niet”, dan staat er direct bij hoe dat samenhangt: “Noch bij de hemel, noch bij de aarde”, want “zweren bij de hemel” wil zeggen dat men een belofte doet en eigenlijk een straf over zich aanroept vanuit de hemel in het geval men zich niet aan de belofte houdt. Dat kun je beter niet doen, want als je je niet aan je belofte kunt houden, heb je spijt dat je een eed gezworen hebt. Dan had je beter geen belofte kunnen doen en zeggen: “Sorry, maar ik kan het niet”. Als je echter een eed zweert, roep je straf, een oordeel, over je af. De apostel zegt dat je dat niet moet doen, want dat is veel te gevaarlijk. Je weet toch immers niet wat je kunt en wat je niet kunt? De situatie in de wereld is zo onzeker dat het niet verantwoord is om zo’n eed te zweren.

“Zweren bij de aarde” is veel te laag. Iemand die het eigendom van Christus is, zweert niet bij iets dat op de aarde is, want welk recht heeft de aarde op een gelovige? Daar komt nog bij dat in die dagen waarop deze brief van toepassing is, dat beruchte beest uit Openbaring aan de macht is. De antichrist is dan aan de macht en een gelovige kan daar niet bij zweren. Degene bij wie je zweert is namelijk degene die wij daarbij rechtigen om een oordeel over ons te brengen. Je kunt eveneens beter geen oordeel van bovenaf aanroepen. Jakobus zegt: Blijf maar bescheiden, zie maar op de Heer en begrijp hoe onbestendig dit leven is. Verwacht het alleen maar van de Heer. Geen grote woorden, geen misbruik van de tong. Geen grote beloften, maar ja is ja en nee is nee.

Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge. Jakobus 5 : 13

Er is grote kans dat lijden komt van die verdrukking, van bovenaf namelijk, van die schalen van Gods toorn die uitgegoten worden over de aarde (Openbaring 16) ofwel van de zeven bazuinen die over de aarde klinken (Openbaring 8-11). Die zeven fiolen (schalen) en die zeven bazuinen zijn actueel in de “33 jaar”. Enerzijds is er toorn van God en anderzijds zijn er bazuinen die spreken over de boodschap (Evangelie) van God. Aan verdrukking of lijden valt weinig anders te doen dan te bidden. Je kunt alleen nog maar bij de Heer terecht. Op aarde hoef je het niet te zoeken; in die dagen zeker niet. “Dat hij bidde”, wil zeggen: Hij moet zijn mond gebruiken. Hij wordt geacht zijn mond, zijn tong te gebruiken. Waarvoor? Om te bidden. Spreek tot God! Dat is de Enige van wie iemand in lijden wat te verwachten heeft binnen afzienbare tijd.

Het tegenovergestelde van iemand in lijden is iemand die psalmzingt. Het komt op hetzelfde neer, namelijk dat men spreekt tot God. Psalmzingen in de Bijbel is gezamenlijk dezelfde dingen spreken tot God, dat hoeft niet eens op muziek te zijn. In Romeinen 15 : 6 staat dat wij tezamen met één mond Zijn Naam zouden lofzingen of prijzen en dan worden teksten uit het O.T. aangehaald (Romeinen 15 : 9-12). “In het midden der gemeente zal Ik u lofzingen” (Psalmen 22 : 23, 26). Het gaat erom dat de Heer in het midden van Zijn Gemeente, samen met de Gemeente, de lof van God zou zingen. Dat belijden we met één mond, ondanks dat het uit meerdere monden komt. Het heet dan “zingen”.

Het voorgaande spreekt over de afhankelijkheid van God. “Bidden” in de Bijbel houdt in dat men God eer geeft. “Bidden” is altijd aanbidden en in sommige gevallen is het ook vragen, maar zelfs als men God wat vraagt is dat aanbidden. Dan erken je de almacht en de barmhartigheid en de genade van God. In het algemeen is men, als men iemand iets vraagt, de mening toegedaan dat zo iemand ook kan geven wat men vraagt. Daarom is ook zelfs het vragen van iets aan God, in de eerste plaats aanbidden en het erkennen van de autoriteit van God.

Krank zijn en bidden

Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren. Jakobus 5 : 14

Nu krijgen we ineens een heel ander verhaal. Het wordt ineens ingewikkeld, omdat ziek zijn of krank zijn niet de aanduiding is van zo maar een verkoudheid of zo. Krank zijn heeft in de Bijbel altijd te maken met het leven verliezen. Kortom: Krank zijn is altijd de weg naar sterven. Iemand die krank is, dreigt te zullen sterven. Meerdere malen werd de Heer bij mensen geroepen waarvan gezegd werd dat ze krank waren. Als Hij dan bij hen kwam, waren ze inmiddels al overleden. Achter elke ziekte dreigt de dood. Het is niet zomaar lijden of iets dat voorbij gaat, maar het is krank zijn. Er wordt nogal veel werk van gemaakt dat deze gelovige zou genezen. De apostel richt zich immers steeds tot broeders. Dan staat er niet dat hij de dokter moet roepen, maar dat hij moet roepen “de ouderlingen der gemeente”. Ouderlingen zijn in de Bijbel de leidinggevende broeders; niet degenen die daartoe zijn aangesteld, maar degenen die dat doen. Een oudste is hetzelfde als een ouderling, in verschillende vertalingen. Hij geeft leiding op grond van zijn ervaring. In de praktijk betekent dat in de eerste plaats dat het iemand is die onderwijst en dus verantwoordelijkheid draagt. Wanneer er leiding gegeven moet worden in de Gemeente hier op aarde, dan is dat door iemand die “oudste” of ook wel “opziener” genoemd wordt.

Iemand is dus ziek en dreigt te sterven. Dat blijkt ook uit de volgende verzen. Het gaat erom dat hij ook genezen wordt. Als hij denkt dat hij vanzelf wel zal genezen, hoeft hij die oudsten niet te roepen. Het gaat er juist om dat hij denkt niet te zullen genezen en daarom roept hij de oudsten. Het is de bedoeling dat die oudsten over hem bidden. Dat betekent dat iemand anders in zijn plaats of enige anderen in zijn plaats, zich wenden tot de Heer. Zoiets staat niet in de brieven van Paulus. Daar lees je namelijk dat wij zonder enige verdere bemiddeling rechtstreeks tot God kunnen gaan via de Here Jezus, die onze Voorspraak en onze Middelaar is (1 Timothéüs 2 : 5; Hebreeën 4 : 14-16; 8 : 6; 9 : 15; 10 : 19-22; 12 : 24;
1 Johannes 2 : 1). De hier geschetste situatie is kenmerkend voor de prediking van het Koninkrijk. In de dagen van de Here Jezus zond de Heer Zelf zijn discipelen al eens uit (Matthéüs 10 : 1-7 e.v.; Markus 6 : 7-13; Lukas 9 : 1-6; 10 : 1-9 e.v.). De 70 die uitgezonden werden om het Evangelie van het Koninkrijk te prediken, kregen daarmee bepaalde autoriteit mee. Ze hadden autoriteit om – namens de Heer – bepaalde dingen te doen. De Here Jezus zegt in zijn bekende zendingsopdracht dat degenen die Hem volgen ook de handen op zieken zouden leggen. (Markus 16 : 15-18). Ze krijgen zelfs de mogelijkheid om de Heilige Geest mede te delen door handoplegging (Handelingen 8 : 17; 19 : 6). Ze genezen ook mensen door handoplegging (Handelingen 28 : 8).

Olie is een beeld van de Heilige Geest. Geest is leven. De olie is een type van leven, eeuwig leven. Daar gaat het om bij de maagden die bij de verkopers olie moesten halen (Matthéüs 25). Hier hebben we iets dergelijks, want het gaat primair over dezelfde tijd, de tijd van de prediking van het Koninkrijk der hemelen hier op aarde. Deze man is ziek, dreigt te sterven, en wordt gezalfd met olie. Olie is een beeld van leven en dus geneest hij. Dat is de gedachtegang. Hij wordt weer beter door de bemiddeling van deze oudsten. Ik ben er van overtuigd dat deze oudsten, in die toepassing, behoren tot de 144.000, want zij zijn de oudsten. Zij zijn de eersten, zij zijn die verzegelden, zij hebben die autoriteit en die opdrachten meegekregen. Zij zijn de officiële vertegenwoordigers van de Koning. Voor wie dit niet ziet zitten is de vraag: Hoe zit het dan wel? Sinds wanneer moeten wij via een ander tot de Heer komen? Dat is dus niet zo. Het is alleen in díe situatie zo, omdat het dan niet alleen om een godsdienstige aangelegenheid gaat. Dan gaat het ook om een aardse en daarmee politieke aangelegenheid. Dan worden er aardse normen gesteld.

Dat Christus de Middelaar is, is niet in strijd met een bemiddelende functie van de 144.000 of anderen. In onze vijfde bedeling kennen wij echter geen andere middelaar. Nu is het wel zo dat wij door anderen bij die Middelaar gebracht kunnen worden. Dat men via oudsten bij de Heer gebracht wordt en dat men door oudsten geleid wordt tot wedergeboorte of tot leven, is wel zo, maar het hoeft niet. Dat is het verschil met die toekomende bedeling. Daar moet het namelijk wel zo, omdat het daar een aardse aangelegenheid is. Daar is officieel sprake van registratie en dat soort dingen. De Heer op aarde is de Middelaar. Toen Hij op aarde was, kon men naar de Here Jezus gaan. De Heer zond daarna een “andere Trooster” (Johannes 14 : 16) en die komt in ons hart, zodat we in deze bedeling een rechtstreekse verbinding hebben met de Middelaar en daarmee met God Zelf. In de bedeling van de toekomst des Heeren, hebben we echter weer te maken met de aardse verschijning van de Heer en dan wordt het weer anders. Dan komt men tot de Heer via degenen die Hem vertegenwoordigen. Gezanten van Christus zijn er vandaag ook. Ze zijn alleen niet noodzakelijk om tot God te komen. In de volgende bedeling gaat het niet alleen om de geestelijke dingen, maar ook om de aardse. Daarbij is speciaal een rol weggelegd voor de 144.000, die verzegelden, die dienstknechten van de Heer (Openbaring 7 : 3). Die zijn onschendbaar, hebben bepaalde autoriteit en dat bestaat vandaag de dag niet.

De zieke waarvoor door de oudsten gebeden wordt, wordt gegarandeerd beter. Ook dat is nu niet zo. Waarom moet een gelovige nou zo nodig weer beter worden? Waarom moet zijn lichaam genezen? Hij moet toch verlost worden van dat lichaam? Het is in principe noodzakelijk dat een mens zijn lichaam aflegt en dus sterft. Waarom zou een gelovige dan zo nodig genezen moeten worden? Paulus genas niet en Timothéüs ook niet. Het antwoord is eenvoudig: omdat binnen maximaal 33 jaar dat Koninkrijk dat de zieke beloofd was op aarde gestalte zal krijgen. Dat is hem beloofd. Dat betekent dat men ook moet zien in leven te blijven. Als je voordat die duizend jaar beginnen overleden bent, ga je daar dus niet in. Abraham is voor die tijd gestorven en gaat de duizend jaar niet in. Hij wacht op de “stad die fundamenten heeft” (Hebreeën 11 : 10) en die komt pas na de duizend jaar volgens Openbaring 20 en 21.

Deze mensen in Jakobus is het Evangelie van het Koninkrijk gepredikt. “Bekeert u en laat u dopen. Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Matthéüs 3 : 1-6). Dat doen die mensen en nou dreigen ze voor die tijd te sterven! Dan is het toch heel eenvoudig wat er gebeurt? Precies hetzelfde als in de dagen van de Here Jezus. Worden ze ziek? Dan geneest Hij ze. Sterven ze? Dan wekt Hij ze op uit de dood. Dan zegt u: Dat heeft Hij niet met alle gelovigen gedaan in Zijn dagen. Dan zeg ik: O nee? Hoe weet u dat? Hoeveel stonden er op uit het graf toen de Heer Zelf stierf? (Matthéüs 27 : 52, 53). Er staat niet hoeveel, maar wel dat de graven open gingen. Die mensen die toen opstonden zijn ook inderdaad gezien door anderen, na de opstanding van Christus. Wij staan op uit de dood op grond van de opstanding van Christus. Er waren er echter die opstonden vóórdat de Heer opstond, zodat ze niet opstonden in “nieuwheid des levens”, maar gewoon in het oude lichaam.

De enig denkbare verklaring is dat deze mensen gelovigen waren die werden opgewekt omdat aan hen het Koninkrijk gepredikt is. Ze zijn kennelijk voor de oprichting van dat Koninkrijk gestorven. Ze staan daarom op uit de dood op het moment dat het oude verbond eindigt. Daarna hebben zij geleefd onder het nieuwe verbond, want zij waren gelovigen en zij hebben dus geleefd ná de opstanding van Christus. Als dat niet gebeurd was zouden ze behoren tot de oudtestamentische heiligen en pas opgewekt worden op de Jongste Dag. Ze zouden dus nooit dat Koninkrijk hier op aarde zijn binnengegaan. Nu hebben ze alsnog een paar dagen of jaren langer geleefd. Ze zijn opgewekt en weer gestorven, maar nu zijn ze wel degelijk dat Koninkrijk binnengegaan en behoren ze zelfs tot de Gemeente, tot de eerstelingen. Die situatie van toen herhaalt zich in de toekomst, wanneer het Evangelie van het Koninkrijk weer gepredikt wordt. De gelovigen die in die dagen sterven worden opgewekt. Ze worden opgewekt bij de aanvang van de duizend jaar (Openbaring 20 : 4 e.v.).

In de volgende bedeling worden gelovigen opgewekt. Ze kunnen er niets aan doen dat ze voor de komst van het Koninkrijk gestorven zijn. Ze hebben volhard zolang ze konden en dus worden ze opgewekt bij de aanvang van de duizend jaar. Gelovigen in die bedeling kunnen geen natuurlijke dood sterven. Ze worden ziek en als ze zich aan de regels houden, worden ze genezen en overleven ze niet alleen die 33 jaar, maar ook de daaropvolgende duizend jaar. Als een ziekte uit de hand dreigt te lopen, moet er wel wat fout zijn. Daarom moet hij naar de oudsten gaan. In feite betekent dat dat zo’n zieke zich moet bekeren, want daar komt het op neer. Hij moet, “voor het eerst of bij vernieuwing”, zich melden bij degenen die door de Heer zijn aangesteld als Zijn vertegenwoordigers in verband met de oprichting van dat Koninkrijk. Hij moet zich daar melden en zij zullen voor hem alsnog bemiddelen en hij zal genezen.

En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden. Jakobus 5 : 15

Het gaat hier niet om een gedetailleerd geloof van “wij bidden wat aan God en wij geloven dat Hij het zal doen en dan doet Hij het ook”. Dan is gebedsverhoring afhankelijk van of wíj het wel geloven. Dat heeft men er wel van gemaakt. Het gaat erom dat deze mens een gelovige moet zijn. Dan wordt het gebed van deze mens of namens deze mens het gelovig gebed. Dat gebed van deze gelovige zal de zieke definitief behouden. Dat is een zekere zaak. Er wordt gesuggereerd dat deze zieke inderdaad bepaalde zonden gedaan heeft. Als het in het algemeen gezegd wordt, is ziekte niet het gevolg van daden, maar het gevolg van de zondige natuur. Ik zeg dus niet dat als een gelovige ziek is dat het gevolg is van een verkeerde levenswandel of een verkeerde houding of een opstand tegen God. Dat is absoluut niet waar. Alle mensen worden ziek en gaan dood als gevolg van een zondige natuur die zij ontvingen bij hun geboorte.

Ik geloof zeker dat met die oudsten de 144.000 uit Openbaring 7 : 4 bedoeld zijn. Jakobus is weliswaar in het verleden geschreven in de dagen van de “Handelingen”, maar dat waren dezelfde dagen als in de toekomende bedeling. Dat waren de dagen waarin het Koninkrijk van Christus op aarde zou openbaar worden. De apostelen, de twaalven, vervulden toen dezelfde functie als later de 144.000 zullen doen. Zij zijn degenen die opdrachten hebben. Zij zijn degenen die verantwoordelijkheid dragen en die ook met autoriteit optreden in de gemeente, omdat ze rechtstreeks geïnspireerd worden door God Zelf. Daar zijn ze dan ook speciale apostelen voor met een heel speciale roeping. Die situatie is er op dit moment niet.
“Zalvende met olie in den Naam des Heeren” is een plechtige handeling. Dat gebeurde in het O.T. en dat gebeurde toen de prediking gericht was op de openbaring van het Koninkrijk van Christus op aarde.

De koning van Israël moest gezalfd worden met olie en daarvoor werd een ouderling gestuurd, namelijk Samuël. Hij was degene die door de Heer gezonden werd om Saul en later om David te zalven. Het had dus te maken met de openbaring van een koninkrijk hier op aarde. De voeten van de Here Jezus werden gezalfd als uitbeelding van de opstanding. Dat zalven gebeurt met olie en dat is een beeld van de Heilige Geest. Daarmee was de Here Jezus zeker gezalfd. Dat staat zo in de schrift. “De Geest des Heeren is op Mij” (Jesaja 61 : 1; Lukas 4 : 18), want Hij was gezalfd, volgens Jesaja. Het wordt door de Here Jezus voorgelezen. Zalven met olie is altijd een beeld van het geven van de Geest en Geest is leven. Als deze zieke gezalfd wordt met olie als beeld van de Geest, dan is dus duidelijk dat hij daarmee als het ware leven terug ontvangt. Dat is niet een twijfelachtige zaak van: je kunt niet weten, maar het is de moeite waard om het te proberen. Baat het niet, schaadt het ook niet. Zo wordt het hedentendage weleens toegepast. Het staat hier als een zekerheid.

Het gebed des geloofs is het gebed van de gelovige. Dit gebeurt niet na verloop van tijd. Er wordt ook niet gesproken over de opstanding. Er wordt gesproken over genezing van deze zieke. Dat staat er wat merkwaardig, maar de situatie moet toch duidelijk zijn. Dat men niet naar de dokter, maar naar de oudsten gaat als men ziek is, wijst erop dat de zieke zich ervan bewust is dat er niet een medische oorzaak, maar een andere oorzaak is voor zijn ziekte. Ze worden niet gezonden naar de medicus, maar naar de oudsten, zodat er niet direct een medische oorzaak is voor de ziekte, maar er is een andere oorzaak. Die oorzaak is dan kennelijk dat die zieke zonden gedaan heeft. Zo staat het er echter niet. Er staat “en zo hij zonden gedaan zal hebben, …”. Met andere woorden: Wij weten het niet zeker, want het staat er niet bij.

Dat is nou net het hele punt, want het hangt er vanaf in welke bedeling wij deze dingen toepassen en waar we precies over praten. Bovendien is het ook niet de bedoeling van dit vers om elkaar ermee om de oren te slaan. Je kunt moeilijk zeggen dat iemand griep heeft opgelopen, omdat hij gezondigd heeft. Een ziekte is niet noodzakelijk het gevolg van zonden. Ziekte is wel altijd het gevolg van zonde. Als wij dus zeggen dat ziekte het gevolg is van zonde, dan hebben we volkomen gelijk, maar als we zeggen dat ziekten het gevolg zijn van zonden, dan wordt het moeilijk, want het zou wel kunnen, maar het hoeft niet zo te zijn. In dit vers wordt niet uitgesloten dat deze kranke zonden gedaan heeft. Er wordt niet gezegd dat het zo is, maar het feit alleen dat het toch aangehaald wordt, wil zeggen dat dit wel degelijk de oorzaak is van die ziekte. Wij mogen dit echter niet omdraaien en daarom staat het er uiteraard zo zwak.

1 Korinthe 11 : 27-29

Over de tegenwoordige bedeling staat in de Bijbel hetzelfde principe als het gaat om krankheid en zonde. Het is wel minder bekend. We gaan naar 1 Korinthe 11, waar gesproken wordt over brood en beker.

27 Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.
28 Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.
29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. 1 Korinthe 11 : 27-29

“Des Heeren” staat niet in de grondtekst. Er staat gewoon “niet onderscheidende het lichaam”. Dat lichaam is namelijk niet het lichaam des Heeren; het is het Lichaam van Christus. Het is hetzelfde lichaam als uit de volgende hoofdstukken. Iemand die het Lichaam van Christus niet erkent of onderscheidt en toch eet en drinkt, neemt een groot risico op zich. Iemand die onwaardig eet en drinkt, is iemand die de betekenis van brood en beker niet serieus neemt. Brood en beker zijn de uitdrukking dat men “ééns broods deelachtig is”, namelijk dat men deel heeft aan één en hetzelfde lichaam. Men eet van het brood en drinkt van de beker en geeft daarmee uitdrukking aan het lidmaatschap van het Lichaam van Christus. Dat heeft consequenties, want als je een lid bent van het lichaam van Christus, dan neem je ook inderdaad een plaats in in dat lichaam.

In het volgende hoofdstuk gaat het er om dat de leden van dat Lichaam verschillende gaven ontvangen hebben. Hoewel de leden verschillend zijn, is het toch allemaal één lichaam. Het gaat er niet primair om dat wij inderdaad aan die tafel samen van datzelfde brood zouden eten, maar het gaat er juist om dat we ook in de praktijk van ons leven met elkaar rekening houden en ons bewust zijn van de eenheid die wij samen in Christus vormen. Dus van de verantwoordelijkheid die we voor elkaar hebben en dat we elkanders lasten zouden dragen. Dat is een plaats in de Gemeente innemen. Als je die plaats niet inneemt, dan eet en drink je onwaardig, want dan heeft het namelijk geen enkele betekenis. Dat wordt hier naar voren gebracht en daarom gaat het verder met 1 Korinthe 11 : 30:

Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen. 1 Korinthe 11 : 30

“Slapen” betekent niet dat ze in de samenkomst niet wakker kunnen blijven, maar dat ze gestorven zijn. Het begint met zwak zijn. Nog een fase verder zijn ze inderdaad ziek, want het is een opklimmende reeks. Nog een fase verder zijn ze overleden. Dit heet “slapen” omdat “dood” verondersteld wordt een definitieve scheiding te zijn, terwijl het overlijden van een gelovige nooit een definitieve scheiding is. Het is altijd tijdelijk en een tijdelijke scheiding heet nou eenmaal “slaap”. Omdat de Heer wist dat Lazarus zou worden opgewekt, zei Hij: Hij is niet dood, hij slaapt (Johannes 11 : 11), waarna Hij Zichzelf alsnog corrigeerde en het vrijuit tot Zijn discipelen zei: “Ja, hij is inderdaad dood” (Johannes 11 : 14). Medisch was hij dood, maar aangezien hij opgewekt zal worden, slaapt hij. Het hangt dus af van hoe het afloopt. Zo is het met deze gelovigen ook. Zij slapen; niet in de zin van dat zij niet attent zijn, maar gewoon in de zin dat zij lichamelijk zijn overleden. Er is een oordeel over hen gekomen staat hier, omdat men onwaardig eet en drinkt. Dan komt de verklaring.

Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. 1 Korinthe 11 : 31

Wie onwaardig eet en drinkt is dus degene die zichzelf niet oordeelt; die meedoet omdat dat kennelijk zo hoort of omdat hij dat leuk vindt. Daarna trekt hij zich er niets meer van aan. Het is verdwenen. Wanneer men uitdrukking geeft aan dat men één is met Christus en daarom met de Gemeente, dan heeft dat consequenties voor de praktische levenswandel. Wanneer men als gelovige die dingen wel weet, maar de consequenties daarvan niet aanvaardt, dan neemt hij een groot risico op zich. Net als met een niet vruchtdragende rank kan hij worden afgesnedenn (Johannes 15 : 2). Dat wil niet zeggen dat hij dan voor eeuwig verloren gaat. Dat is niet het punt. De betekenis is dat hem dan vervolgens de mogelijkheid ontnomen wordt om alsnog vrucht te dragen. Een afgesneden rank kan geen vrucht meer dragen. Als een gelovige wordt afgesneden kan het goed zijn dat hij overlijdt. Wij als gelovigen leven hier op aarde niet uit verveling, maar wij leven hier met de Geest in ons, terwijl Christus in onze harten woning gemaakt heeft, opdat wij zelfs via dit oude zondige lichaam nog vrucht zouden dragen voor de Heer. Als we dat niet doen of ons daaraan onttrekken of zelfs de Heer voor de voeten lopen, dan nemen we het risico op ons dat de Heer na verloop van tijd zegt: Nu is het wel genoeg. Het leven van een gelovige en zijn verhouding tot de Heer hangen samen. Je kunt echter niet zeggen als iemand ziek is dat de Heer dat doet omdat hij gezondigd heeft of omdat hij zijn plaats in de Gemeente niet weet. Dat kun je nooit zeggen.

Het beloofde Koninkrijk

De situatie die hier wordt aangehaald in Jakobus, moet gezien worden tegen de achtergrond van een volgende bedeling. Degenen die daar leven in die dagen, aan hen als gelovigen is dat Koninkrijk hier op aarde beloofd en zij zullen dat binnengaan. Het is beloofd in een tekst die wij allemaal kennen, maar waarvan de betekenis weinig bekend is.

Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. Matthéüs 24 : 34

Dat gaat over de dagen die nog komen moeten. Dat gaat niet over onze dagen. In Matthéüs 24 staat dat het Evangelie van het Koninkrijk gepredikt zal worden over de gehele wereld en dat men tot het einde moet volharden. Zulke uitspraken staan zeker niet in de Paulinische brieven, want het heeft met onze bedeling niets te maken. Volharden tot het einde is in de volgende bedeling aan de orde bij de openbaring van het Koninkrijk. Dat einde is dan ook niet het einde van de wereld of de dood, maar het einde der aioon (eeuw), want daarover gaat het in dit hoofdstuk. “Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?” zegt Matthéüs 24 :
3. Hoofdstuk 24 : 14 zegt: “En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen”. Het Evangelie des Koninkrijks stond in het vers ervoor: “Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden” (Matthéüs 24
: 13). Dan zal het einde, der eeuw uiteraard, komen.

Daarna wordt in de volgende verzen gezegd hoe het gebeurt. Matthéüs 24 : 34 besluit dat met: “Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.” Deze generatie, dat betekent het echt, zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. Als men het Evangelie van het Koninkrijk, dat men zalig wordt wanneer men gelooft én volhardt tot het einde, gehoord heeft, als het gepredikt is over de hele wereld, dan is toch duidelijk dat dit zalig worden niets anders inhoudt dan het ingaan in het geopenbaarde Koninkrijk van Christus op aarde? Dat is de gedachte en daar moet men ingaan. Dat is wat in één generatie gepredikt wordt, opdat degenen die binnen die generatie leven ook inderdaad dat Koninkrijk zouden binnengaan. Mocht iemand de neiging krijgen te bezwijken om een of andere reden, dan is er iets mee aan de hand, maar doe dan gewoon wat in Jakobus staat, is de prediking. Roep de ouderlingen der gemeente, laat je zalven met olie. “En het gebed des geloofs zal den zieke behouden.” Dat is conform wat eerder in de Evangeliën al gezegd wordt over de prediking van het Evangelie van het Koninkrijk. Tekenen zouden de gelovigen volgen: “Op zieken zouden ze handen leggen en doden zouden ze opwekken” (Matthéüs 10 : 8). Dat zou allemaal gebeuren, want dat hoort namelijk bij de prediking van het Koninkrijk (Matthéüs 10 : 7). Aangezien dat in de toekomst weer zal gebeuren, net als in de dagen van Handelingen en in de dagen van Jakobus, vinden we dus in de brief van Markus ook een dergelijke uitspraak.

12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.
13 En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond. Markus 6 : 12, 13

In de dagen van de Evangeliën werd het Evangelie van het Koninkrijk gepredikt. Men was gericht op de openbaring van de Koning en het Koninkrijk. Vandaar dat ook vele zieken genezen werden. Dat zet zich voort in Jakobus. Dat is historisch gezien een logische lijn, maar ook profetisch gezien is het een logische lijn, omdat die dagen van de Evangeliën zich in de toekomst herhalen zullen. Dan predikt men inderdaad bekering en volharden tot het einde om zalig te worden, waarbij het de Heer is die de Heelmeester is en hen het leven geeft opdat zij ook inderdaad het beloofde Koninkrijk zouden binnengaan.

16 Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel. Jakobus 5 : 16

Dit gebeurde in het vorige vers al. Daar was iemand die ziek was en hij beleed misdaden en de oudsten baden voor hem. Hier wordt het veralgemeniseerd. Uiteraard zijn dat de misdaden die we tegen elkander gedaan hebben, want hier gaat het niet over de invoering van de biecht. Het betekent dat als we tegen iemand wat misdaan hebben, we het weer goed maken. “Opdat gij gezond wordt” gaat om letterlijke ziekte, net als in vers 14. Men zou een eenheid blijven en als gelovigen dicht bij elkaar blijven. Vandaar dat het helemaal niet gek is om dit te vergelijken met de situatie van 1 Korinthe 11, want daar gaat het om precies hetzelfde, namelijk om de eenheid die er is onder de gelovigen. In verband met de toekomende bedeling wordt dat ook heel uitdrukkelijk genoemd in de eerste brief van Johannes. Ook die gaat in de eerste plaats over de toekomende bedeling, waarin die antichrist uit de eerste brief van Johannes, openbaar wordt (1 Johannes 2 : 18, 22; 4 : 3; 2 Johannes : 7). “Een krachtig gebed van de rechtvaardige kan veel doen, staat in Jakobus 5 : 16. Dan gaat het uiteraard om een eerlijk gebed. Het gaat niet om een formule of een ritueel of iets dergelijks, maar het gaat om een gebed van een rechtvaardige en het wordt geïllustreerd door de geschiedenis van Elia. In het Grieks Elias genaamd.

Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. Jakobus 5 : 17

“Bewegingen” heeft altijd te maken met gemoedsgesteldheden. Bewegingen zijn wat hem beweegt, zijn motieven, zijn overleggingen. U begrijpt wat hier gezegd wordt. Elia was een mens zoals wij en hij bad en God verhoorde dat gebed. Er zat natuurlijk veel meer achter, maar het is een reëel voorbeeld. Elia’s gebed haalde heel wat uit in de hemel en het merkwaardige is dat we eigenlijk nauwelijks dat gebed van Elia genoemd vinden in 1 Koningen 17.

En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israels, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! 1 Koningen 17 : 1

Dat hij er echt speciaal voor bidt staat er niet eens bij. Het was wel zo, maar er wordt nauwelijks aandacht aan besteed. Elia wordt dan weggezonden door de Heer. Die zegt: “Ga naar de beek Krith” (1 Koningen 17 : 3), want daar was dan kennelijk water. “Hij dronk uit de beek” staat er dan ook in 1 Koningen 17 : 6. Het gaat om het principe. Elia was een mens als wij en hij bad tot de Heer opdat het niet zou regenen en het regende niet, drie jaren en zes maanden. Hoe wist Jakobus dat het drie jaren en zes maanden niet regende? Dat staat nergens in het Oude Testament niet, maar Jakobus wist het, want hij wist het van zijn broer. De Here Jezus zegt het namelijk in Lukas 4 : 25. Waarom zou dat er nu bij staan dat het drie jaar en zes maanden was? Voor het Oude Testament maakt het kennelijk niets uit, want daar staat het niet. Het staat er bij omdat het een stille verwijzing is naar de 3,5 jaar van grote verdrukking die over Israël zal komen in de toekomst.

Zoals de gelovige Elia in zijn 3,5 jaar van droogte naar het buitenland moest om daar eten te krijgen (1 Koningen 17 : 3), zo zal het ook zijn in die 3,5 jaar in de toekomst. De zegeningen die God geeft, komen niet in het land, maar buiten het land, van over de Jordaan. Dat is de gedachte en dat is ook waarom ze zo kwaad worden daar in Nazareth, want ze begrijpen dat heel goed. Er wordt duidelijk verwezen naar de verdrukking voor Israël, hoewel deze brief van Jakobus niet primair spreekt over die 3,5 jaar, maar over de 33 jaren van verdrukking over alle volkeren die daarop volgen. Het is een veel bredere verdrukking, omdat het niet beperkt is tot Israël, maar zich daarna dus uitbreidt over alle volkeren. Beide situaties worden aangeduid als “grote verdrukking” (Matthéüs 24 : 21). Alleen voor Israël, als uitverkorenen, worden die dagen verkort (Matthéüs 24 : 22). Die worden namelijk beperkt tot 1260 (dagen), maar voor de rest van de volkeren duurt het daarna nog 33 jaar.

En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort. Jakobus 5 : 18

Volgens 1 Koningen 18 : 44 komt er een wolk in de gedaante van de hand van een man, want het is de hand des Heeren die dan weer over het volk komt en hen zegent. De hand van God werd zegenend uitgestrekt over Israël. Die hand is de uitbeelding van de “vijf” en dus van de genade van God die over het land komt. De gedachte is dat God Israël verloste uit de hongersnood en als dat bij Elia kon, door dit gebed van die rechtvaardige, dan kan het ook door een gebed van een rechtvaardige in onze dagen en zeker in de toekomst. In onze dagen is dit principe toch wat beperkt doordat God slechts in het verborgene werkt. Er zijn geen sensationele dingen die iedereen kan zien, want dat is in strijd met de tegenwoordige bedeling, maar het principe blijft dat het gebed van een rechtvaardige veel vermag. Die gebeden hebben wel primair te maken met de geestelijke zegeningen die wij ontvangen hebben, maar ook met stoffelijke dingen.

Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert, Jakobus 5 : 19

Dat iemand zondigt is nog tot daar aan toe, want het Evangelie houdt nou eenmaal in dat wij Iemand hebben die ons reinigt, die onze zonden wegneemt. Dus als iemand zondigt, maar de waarheid liefheeft en de waarheid kent en aanvaardt, dan is dat niet erg. Het is wel erg als iemand afdwaalt van de waarheid, dan is hij verloren. Hij wijst het af. Daar tussenin, tussen die beide uitersten, hebben we dan nog de situatie van een gelovige, een wedergeboren mens, die niet volhardt en die de goede strijd des geloofs niet tot het einde uit strijdt. Dat wil zeggen dat hij die strijd niet volhoudt. Hij laat het voor wat het is en hij wordt ongehoorzaam aan de waarheid en hij laat de waarheid voor wat die is.

Iemand die van de waarheid afdwaalt in de toekomende bedeling spot met zijn leven, hij verliest het recht erop. Dat gebeurde bij de Korinthiërs en ook hier in Jakobus 5. Men accepteert het Woord van God niet langer. Dan krijg je de situatie dat hij zijn leven verspeelt, want wie van de waarheid afwijkt, wijkt van het leven af. Vandaar dat zo iemand bekeerd zou moeten worden. Iemand kent de waarheid, dwaalt er vanaf en zou dus teruggebracht moeten worden tot waar hij van afgedwaald is. “Bekeren” is dan ook inderdaad “terugkeren op de weg die men verlaten heeft”. Dat is de letterlijke betekenis van het woord bekeren. Wanneer men van de waarheid is afgedwaald en bekeerd wordt, dan betekent dat dat men teruggebracht wordt op de oorspronkelijke weg, namelijk tot de waarheid. De moeilijkheid is alleen dat het volgens Hebreeën 6 : 4-6 erg moeilijk, zo niet bijna onmogelijk is om dat te doen. Er staat dat het onmogelijk is wanneer een ander van de waarheid is afgedwaald, dat wij hem bekeren. Het is niet onmogelijk om onszelf te vernieuwen tot bekering, maar het is voor ons onmogelijk om een ander te vernieuwen tot bekering. Mensen die verlicht zijn geweest, de geestelijke gaven gesmaakt hebben en de gaven des Geestes deelachtig geworden zijn, daarvan zegt Paulus dat het onmogelijk is om zulken te vernieuwen tot bekering. Ze weten alles al, maar ze willen niet anders. Het enige dat dan nog te doen is, is er voor bidden, want het gebed van een rechtvaardige vermag veel.

Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken. Jakobus 5 : 20

De zondaar is degene die het Woord van God laat voor wat het is en er zijn vertrouwen niet op stelt, die van de waarheid afwijkt. Àls hij zich bekeert of wordt bekeerd, dan is daardoor een ziel van de dood behou- den. Het moet wel gelezen worden in het verband van de voorgaande verzen, want er staat: “Een ziel zal hij van de dood behouden”. Als dus de één de ander van zijn dwaalweg bekeert, zal hij de ander van de dood behouden. Hij zal een ziel van de dood behouden. De ziel is niet de aanduiding van de nieuwe – wedergeboren – mens, maar de aanduiding van de oude mens. De gedachte is dus dat het er hier niet om gaat dat iemand dan voor eeuwig behouden zal zijn, maar dat hij zal blijven leven op aarde om de duizend jaren binnen te gaan. Als er dus staat dat iemand een ziel van de dood zal behouden, gaat het erom dat hij iemand bewaart van de dood van de oude mens. Dat is in overeenstemming met Jakobus 5 : 15 en 16 over de genezing van die zieke. Hij zal namelijk blijven leven hier op aarde. Dat is de ziel, want anders had het moeten zijn: de geest.

Iemand die in de tijd waar het hier in de eerste plaats om gaat, niet volhardt tot het einde, kortom: die van de waarheid afwijkt, die zal niet blijven leven en de duizend jaren binnengaan. Niet dat hij dan voor eeuwig verloren is, want dat is niet het geval. Je moet dit dus zien in de volgende bedeling, maar het staat niet helemaal los van onze bedeling, want de waarheid blijft dezelfde. Ik moet daarbij denken aan wat staat in 1 Petrus 1 : 9:

Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. 1 Petrus 1 : 9

Ook daar blijkt dat het gaat om een zaligheid die de gelovige ontvangt terwijl hij nog hier op aarde in het lichaam is. De duizend jaren maken deel uit van de zaligheid die de gelovige in die bedeling ontvangt terwijl hij in het lichaam is. Zaligheid der zielen heeft dus te maken met een erfenis die men ontvangt, nog niet in de eeuwigheidssituatie, maar hier op aarde. Vandaar de drang achter deze verzen aan het eind van deze brief van Jakobus. Het gaat er namelijk om dat men zou volharden tot het einde. De gelovigen worden op elkaar aangewezen, want “Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, …” zegt Jakobus 5 : 16. Zij zouden elkaar helpen die generatie door te komen om vervolgens de duizend jaar in te gaan. Dat speelt allemaal in een tijd waarin de gelovigen, allen die het teken van het beest niet hebben, vervolgd zullen worden en ten prooi zullen vallen, zelfs aan het zwaard. Onder die omstandigheden ligt het voor de hand dat men de waarheid loslaat. Dat betekent echter wel dat men die duizend jaren niet ingaat. Vandaar deze oproep elkaar te bekeren, om de medegelovige terug te brengen bij de waarheid, opdat hij zou volharden tot het einde om zalig te worden. Het heeft te maken met zijn aardse weg, de weg die hij hier op aarde is ingeslagen.

De verschillende reikwijdte

Het gaat niet alleen om de toekomende bedeling, want diezelfde waarheden zijn voor ons vandaag net zo goed waar, alleen hebben ze een veel beperktere reikwijdte. Natuurlijk krijgen wij beloning wanneer wij volharden hier op aarde, wanneer wij de goede strijd strijden tot het einde toe enzovoorts, maar wij verwachten helemaal geen duizendjarig of eeuwig Koninkrijk hier op aarde. Wij hebben een hemelse bestemming. Vandaar dat de kracht van deze dingen voor ons niet zo sterk is. De gedachte is echter precies dezelfde, namelijk dat terwijl we hier op aarde leven, in de ziel, vruchten zouden dragen voor Hem. Wanneer we een gelovige die van die waarheid is afgeweken daarnaar terugbrengen, dan betekent dat ook dat we hem terugbrengen bij de Heer en hem van de dood behouden; misschien letterlijk, maar in ieder geval in de bredere betekenis van het woord, want hij zal alsnog vrucht kunnen dragen en de kroon des levens kunnen ontvangen.

Het aardige is dat in het laatste vers van de brief van Jakobus “aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn” (Jakobus 1 : 1) de toepassing op de volgende bedeling weer wordt benadrukt. Ik doel op de uitspraak: “Menigte der zonden zal bedekt worden”. Stel dat iemand al die 33 jaar dwaalt en toch overleeft en vlak voor het einde zich bekeert en tot de waarheid terugkeert, dan gaat hij wel de duizend jaren in. Die kans acht ik bijzonder klein, maar we hebben het over de theorie. Vandaar: Al die zonden die in die tijd gebeurd zijn, worden bedekt. Al dat dwalen wordt ook bedekt en hij gaat alsnog de duizend jaren in. Vandaar het belang van die bekering.

Zo is het bij ons ook. Niet omdat het moet, maar omdat wij liefde hebben voor de Heer, doet het ons verdriet als wij medegelovigen zien op een weg waar ze niet thuishoren, een weg die hen niet de gelegenheid geeft om vrucht te dragen voor de Heer. Het lijkt mij dat wij daar toch alles aan doen, voor zover in ons vermogen ligt, om hen tot die weg van de waarheid terug te brengen. Misschien kunnen we daar niet rechtstreeks wat aan doen in daden, maar dan blijven we zeggen dat het gebed van een rechtvaardige veel vermag. In veel omstandigheden is bidden het enige dat er gedaan kan worden voor broeders en zusters die van de Waarheid zijn afgeweken. Onderschat dus niet de invloed die gelovigen hebben en de plaats die gelovigen innemen voor God en voor de troon, want het is de Heer die met zijn gelovigen meegaat. Hij is het die voor Zijn Gemeente zorgt, die de gelovigen onderhoudt, die hen belooft dat ze niet bovenmate verzocht zullen worden, enzovoorts. Daar hebben we allemaal over gesproken naar aanleiding van deze brief.

Wanneer wij in deze tijd volharden in onze strijd des geloofs, dan ontvangen wij daarvoor net zo goed loon. Dat heeft alleen niets te maken met het Duizendjarig Rijk hier op aarde, maar dat heeft te maken met een kroon die wij ontvangen als wij geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus. De grondwaarheid is dus hetzelfde, maar de reikwijdte ligt anders. De tijd waarover het in deze brief van Jakobus gaat, is de tijd van de toekomende bedeling en die ligt na de “opname van de Gemeente”.

Amen



 Gerelateerde bijbelezingen. o.a.:
* De brief van Jacobus
* De brief van Jacobus (2015-2016)
* Petrus, Paulus En Jacobus
* Open Brief Van Jacobus
* Geld En Hemels Goed
* Op Weg Naar De Erfenis
* Zaligheid En Loon
* Jacobus En Paulus
* De Verheerlijking Op De Berg

Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld.
Dit is een bewerking van de Brochure "De brief van Jacobus" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl