De gelijkenissen uit Matthéüs 13

10 En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?
11 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.
12 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook wat hij heeft.
13 Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen noch ook verstaan.
14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien en geenszins bemerken. Matthéüs 13 : 10-14  *

Jezus sprak in gelijkenissen teneinde de “verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen” verborgen te houden voor ongelovigen. Wij als gelovigen mogen in deze Bijbelstudie de diepere betekenis leren kennen van de acht gelijkenissen die opgeschreven staan in Matthéüs 13. De acht gelijkenissen worden uitgebreid besproken en uitgelegd. In het laatste hoofdstuk wordt gesproken over de twee toepassingen van gelijkenissen. Paulus toont aan dat profetieën uit het Oude Testament een nieuwe betekenis krijgen in het Nieuwe Testament. Dan blijkt dat profetieën met betrekking tot het volk Israël tevens in een nieuwe betekenis toegepast worden op dat wat helemaal geen volk was, namelijk op de Gemeente.

1. Het doel van gelijkenissen. Een gelijkenis om wat te verbergenPaulus’ verkondiging van het Koninkrijk.
2. Het verborgen Koninkrijk. Belachelijke lippen en spreken in tongen.  Verborgen en openbaar.
3. De gelijkenis van de zaaier.
4. De gelijkenis van het onkruid.
5. De gelijkenis van het mosterdzaad en de zuurdesem. Vogelen des hemels. Zuurdesem.
6. De gelijkenis van de schat in de akker en de parel van grote waarde.
7. De gelijkenis van het visnetDe volgorde van de gebeurtenissen. Toekomst en verleden in het Hebreeuws.
8. De gelijkenis van de schat met de nieuwe en oude dingen.
9. Eén principe, méér toepassingen.

1. Het doel van gelijkenissen

In deze Bijbelstudie staat de serie gelijkenissen uit Matthéüs 13 centraal.

1 En te dien dage Jezus uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee.
2 En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op den oever.
3 En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. Matthéüs 13 : 1-3*

Dit hoofdstuk telt naar mijn idee in totaal acht gelijkenissen. Anderen zien het anders en tellen er zeven. Als het hoofdstuk in zijn geheel is doorgenomen wordt vanzelf duidelijk waarom ik er acht tel, waar anderen er zeven tellen.

In het eerste vers wordt al direct een merkwaardige situatie geschilderd. Uitdrukkelijk wordt verteld hoé en wáár en door wié deze gelijkenis gesproken wordt. Dat is de reden waarom ik het in eerste instantie wil hebben over de aanvang van dit hoofdstuk en over de situatie waaronder die gelijkenissen (want er komen er meer) verteld werden. Bovendien, dat is nu even het belangrijkste thema, krijgen wij te maken met dat wat er gebeurt tussen het vertellen van de gelijkenis én het verklaren van de gelijkenis door de Here Jezus. Na een gelijkenis en de daarop volgende verklaring zijn de commentaren op die gelijkenis nog altijd verschillend. Hoe is dat nu mogelijk? Dat is vreemd.

Wat een “gelijkenis” is, is moeilijk in een paar woorden te zeggen, maar u heeft daar waarschijnlijk wel eens iets meer over gehoord. Nu moet ik zeggen dat die hedendaagse verklaringen kennelijk niet aan de discipelen bekend waren. Ik weet niet of het u opvalt maar de Here Jezus begint tot hen te spreken door gelijkenissen (vers 3): “En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen”. Het eigenaardige is dat er daarna in vers 3 t/m 9 een voor ons bekende korte gelijkenis volgt. Direct na die gelijkenis valt er een soort adempauze en de discipelen reageren dan als volgt:

En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen? Matthéüs 13 : 10

De Here Jezus was verre van uitgesproken, Hij had een programma van acht gelijkenissen achter elkaar. In vers 10 krijgen we echter direct de elementaire vraag. De eigenaardige en gangbare opvatting is dat die vraagstelling wel gelegen zal hebben aan gebrek aan theologische scholing. Als men aan een theoloog vandaag de dag vraagt waarom de Here Jezus tot hen door gelijkenissen sprak en waarom er überhaupt gelijkenissen worden gebruikt, is het theologische antwoord: “Dat was de verteltrant daar in het Oosten en de gewoonte dat men daar tot elkaar sprak in gelijkenissen.” Dat verhaal wordt ijskoud verteld. Het zou dus een Oosterse spreektrant zijn. Volgt u deze redenering? Blijft wel de vraag over waarom de discipelen dan niet van dit Oosterse gebruik op de hoogte waren, zij waren daar immers wel geboren en getogen. Nogmaals, het zal dan wel een gebrek aan theologische kennis zijn en het feit dat niemand hen van dat gebruik verteld heeft. In ieder geval begrepen zij er niets van, noch van de gelijkenissen zelf. Ze gingen bovendien naar de Here Jezus toe om Hem het te verwijten. Alsof de Heer niet Zelf mocht uitmaken hoe Hij tot het publiek zou spreken. Dit vers is toch wel een merkwaardige zaak. Minder theologisch is ook de gedachte dat de Here Jezus beelden gebruikt uit het dagelijks leven om bepaalde dingen voor de mensen duidelijker te maken. Echter, dat is níet het antwoord wat de Here Jezus geeft. Daarnaast, als dat zo was dan hadden de discipelen niet hoeven vragen waarom Hij dat eigenlijk deed en was hun dat inmiddels wel duidelijk geworden. Dan had Hij juist bepaalde waarheden aan hen bekend gemaakt. Bovendien, als dat de reden zou zijn, dan zou het vervolgens volstrekt overbodig zijn om daarna een verklaring van die gelijkenis te geven; dat is dan absurd.

Ondanks de verklaring van de gelijkenissen wordt soms de meest grote onzin verteld over de gelijkenissen en is er veel verwarring over. De discipelen vroegen aan de Heer waarom Hij tot hen (de schare) in gelijkenissen sprak. Eén ding wisten ze wel, Hij sprak niet tot hén door gelijkenissen, maar tot het publiek, tot die schare. Dat staat er gewoon bij: er waren vele scharen tot Hem verzameld (in vers 2). De discipelen vragen: “Waarom spreekt Gij tot hen door gelíjkenissen?” Je kunt de klemtoon ook anders leggen: “Waarom spreekt Gij tot hén door gelijkenissen?” Ik denk dat de klemtoon in het algemeen ligt op “gelijkenissen”. Er worden weliswaar wel verklaringen van de gelijkenissen gegeven maar niet aan het publiek. Samengevat is de situatie dat de Heer spreekt tot het publiek en Zijn discipelen interrumperen (vers 10) waarop de Heer commentaar geeft waarna de verklaring van die ene gelijkenis volgt, niet aan het publiek doch slechts aan de discipelen. Het is zelfs zo dat de tweede helft van de gelijkenissen uit Matthéüs 13, de laatste vier van de acht dus, alleen verteld worden aan de discipelen. Dan wordt niet meer tot de schare gesproken, maar spreekt de Heer alleen nog tot de discipelen. De vraag blijft echter waarom Hij door gelijkenissen sprak. Dan komt er een antwoord dat heel wat moeilijker is dan ik eerder gaf. Door de gelijkenissen wordt niets duidelijk. Integendeel, het verklaart niks en het is blijkbaar helemaal geen Oosterse gewoonte. Dat hebben wij er van gemaakt en dat kan als je niet op de hoogte bent van de situatie daar. Op de vraag: “Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?” zegt de Heer:

11 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.
12 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook wat hij heeft.
13 Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen noch ook verstaan. Matthéüs 13 : 11-13

Er staat dus: “Het is ú gegeven te weten, maar dien (degenen tot wie Hij dus die gelijkenissen sprak) is het niet gegeven.” Vandaar dat de verklaring van de gelijkenissen slechts gegeven wordt aan de discipelen en niet aan de schare. Dat is wat hier staat in vers 13: “Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.” De Heer spreekt tot hen door gelijkenissen niet om iets duidelijk te maken, maar om iets te verbergen. Dat dit lukt bewijst de theologische historie ook nu nog. Tot vandaag de dag begrijpt men er niets van, maar dat was dan ook niet de bedoeling. De bedoeling was dat bepaalde dingen weliswaar gezegd, maar niet begrepen zouden worden door het publiek. Getuige Zijn antwoord was dat de enige verklaring waarom Hij door gelijkenissen sprak. De Heer zei: “Het is u gegeven en Ik wil het jullie ook wel vertellen; Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier” (vers 18). Na enige opmerkingen tussendoor begint Hij er meteen één te verklaren aan de discipelen om te demonstreren dat zij wel mochten weten. Het gevolg van het niet kennen of verstaan van de verborgenheden van het Koninkrijk wordt aangegeven in vers 12. Kennelijk heeft het Joodse volk (hier vertegenwoordigd door de schare) niets en toch wel weer iets wat hun zelfs nog ontnomen kan worden (vers 12b). Wat zij niet hebben is: de Heer, het evangelie en het Koninkrijk. Wat zij wel hebben, maar hen afgenomen wordt is: de wet, de tempel en hun godsdienst. De discipelen – hen is het gegeven volgens vers 11 en met hen alle gelovigen – ontvangen daarentegen overvloedig (vers 12a) namelijk: Christus, het Nieuwe Verbond en alle zegeningen van het hemelburgerschap. Het is dus veel eenvoudiger om diezelfde waarheden gewoon rechtstreeks te vertellen zonder gelijkenis ertussen, dan wanneer je eerst de gelijkenis moet vertellen en daarna die gelijkenis moet verklaren. Het is een omweg waarbij veel vragen over blijven. Ik weet wel dat wij menselijke normen aanleggen en zeggen: Waarom sprak Hij dan eigenlijk, Hij had toch net zo goed Zijn mond kunnen houden? Dat lijkt waar, maar dan komt het volgende antwoord.

14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien en geenszins bemerken.
15 Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.
16 Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen. Matthéüs 13 : 14-16

Een gelijkenis om wat te verbergen

Dit lijkt een moeilijke zaak, maar toch is het vrij eenvoudig als we het stap voor stap doornemen. Het punt is dat de Heer spreekt door gelijkenissen tot het publiek. De discipelen vragen vervolgens waarom Hij dat doet. Het antwoord van de Here Jezus daarop is “Opdat zij niet zullen horen”. De volgende vraag zou dan moeten zijn: “Maar waarom spreekt U dan, want U kunt toch net zo goed zwijgen?” Die vraag durven zij niet te stellen, bovendien krijgen zij de kans ook niet. Het antwoord op die vraag komt wel: “opdat de profetie van Jesaja vervuld zou worden, die over Israël zegt dat zij zouden horen en niet verstaan; en dat zij zouden zien maar niet zouden bemerken”. Deze gelijkenis werd dus verteld om wat te verbergen. Dat is wat de Heer zegt. Daarnaast zegt Hij ook waarom het gebeurt en dat het een vervulling is van de profetie van Jesaja (Jesaja 6 : 9-10). De Heer citeert rechtstreeks de hele profetie, verzen achtereen. Dus: “in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld”. Waarom spreekt de Heer door gelijkenissen tot hen? Punt één: opdat zij niet zouden verstaan. Punt twee: om de profetie van Jesaja te vervullen. Dit is Bijbelse waarheid en vrij eenvoudig als je de lijn vasthoudt. Lezen wat er staat en niet zelf de dingen erbij bedenken, dan is het een duidelijke zaak.

 … Horende hoort, maar verstaat niet,… Jesaja 6 : 9

Daarmee is het verhaal niet uit, want er is meer. Er stond ook dat Hij dat deed opdat zij ziende zouden zien en geenszins bemerken. Wat zagen zij dan? Vers 1 en verder zegt:

1 En te dien dage Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee.
2 En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een schip ging en nederzat; en al de schare stond op den oever. Matthéüs 13 : 1-2

Zij zagen dus een bootje op het water met de Here Jezus daarin, Die op het water vanaf de zee de schare op de kant toesprak. De vraag rijst dan waarom Hij dat zó deed. Meestal krijg je dan weer zo’n raar verhaal, want men zegt dat zij het op die manier beter konden horen. Het lijkt mij dat als Hij verder weg ging, het juist minder goed te horen was. Als het om béter horen zou gaan dan had Hij beter op de oever kunnen blijven. Zou het dan wellicht komen omdat Hij bang was dat zij Hem in de zee zouden lopen? Maar als die mensen naar een preek kwamen luisteren, gingen ze wel zitten! Dat is het dus ook niet. Het gaat erom dat ze wat te zien zouden krijgen, want de profetie van Jesaja ging de Heer vervullen, de profetie die zegt:

 … Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maarmerkt niet. Jesaja 6 : 9

Zij zagen de Here Jezus op de zee, in een boot. Wat is daar voor bijzonders aan? Die schare wist dat ook niet, want “zij zagen maar bemerkten niet”. Weet u waarom dat was en waarom men tot op vandaag die rare verhalen vertelt over “akoestiek”, “het beter horen” en “beter zien”? Omdat men het niet begrijpt. Men begrijpt niet dat al wat er gebeurt in de zienlijke wereld, al wat er waar te nemen valt in de schepping als zodanig, typologie is. Alle zienlijke dingen getuigen van onzienlijke dingen. Alle zienlijke dingen hebben hun tegenhanger in de onzienlijke, namelijk de geestelijke wereld. Professor Bettex, een Zwitser, schreef een boek: “Symboliek der Schepping”. Misschien dat de ouderen het nog kennen, want het werd erg veel verkocht in die dagen. Die man geeft een heel uitgebreid verslag over hoe de dingen in de natuur een type zijn van de geestelijke dingen. Dat had hij niet zelf uitgevonden; het was in zijn dagen redelijk goed bekend. Vandaag is men het vergeten en bedenkt men onzinverklaringen. Alles wat te zien is in de natuur, is typologie. Wanneer de Bijbel verslag doet van gebeurtenissen, hebben die natuurlijk een letterlijke betekenis en zijn ze historisch betrouwbaar. Ze zijn op Bijbelse wijze vermeld, vanwege hun overdrachtelijke, geestelijke, typologische of symbolische betekenis. Dat de Heer in die boot ging, was niet omdat dat zo nodig was, maar omdat Hij daarmee iets demonstreerde. Daar zat een boodschap achter. Een boodschap die weliswaar voor die mensen niet bestemd was, maar die de discipelen wel mochten weten. Net zo goed als de boodschap achter de gelijkenissen. Die was ook niet voor die mensen bestemd, maar wel voor de discipelen. Dat is typologie. Wat zou het ons uitmaken wáár de Here Jezus die gelijkenis uitsprak, tenzij het ons iets te vertellen heeft. De vraag moet dus niet zijn of het nodig was, maar wat betekent “water” of wat betekent “zee” of “een bootje” en wat is de oever? Wat is de betekenis daarvan in de Schrift? Wat in de Schrift bijvoorbeeld heeft verschillende toepassingen, omdat water in het algemeen in hoogste instantie te maken heeft met het Woord van God. Water is een beeld van de totale schepping die immers uit het Woord van God is voortgebracht. Wateren of zeeën, vooral wanneer het in het meervoud staat (hier overigens niet het geval), hebben vaak de typologische betekenis van “de volkeren”, vooral wanneer ze in relatie staan tot het land of zoals hier wordt gesproken zowel over zee als over land of oever. Onder andere in Openbaring 17 : 15 komt dat voor.

En hij zeide tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken en scharen, en natiën en tongen. Openbaring 17 : 15

Dit is ook het geval in alle profetieën. Neem bijvoorbeeld Psalmen 2 : 1: “Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid?” Dat is een term die normaal gebruikt wordt voor het water van de zee. In Jesaja staat een profetie die het rechtstreeks zo zegt. Over de heidenen die tekeer gaan zoals de golven van de zee en heidenen die bruisen gelijk de wilde wateren bruisen. Als de zeeën, de wateren, een beeld zijn van de volkeren in de Schrift, dan is duidelijk dat als daarnaast gesproken wordt over land, dat een beeld is van Israël. Dat is belangrijk. U zult zich afvragen wat dat nu uitmaakt voor de gelijkenissen, maar het beeld van de zeeën als type van de volkeren en het land als type van Israël, komt in heel de Bijbel voor. Neem bijvoorbeeld Openbaring 13, waar gesproken wordt over twee beesten die koningen voorstellen. Het eerste beest komt op uit de zee en het tweede komt op uit het land. Als dan niet duidelijk is waar deze twee een beeld van zijn, moet u uw huiswerk opnieuw doen, te beginnen bij Genesis 1, bij de tweede dag, waar de scheiding gemaakt werd tussen het land en de wateren. Dat is Bijbelstudie. Het is niet een kwestie van gissen, van raden, maar er zit systeem in. In de Schrift hebben de dingen altijd eenzelfde betekenis. Als in Openbaring 17 de wateren een beeld zijn van de volkeren, dan is dat in Openbaring 13 ook zo. Als daar een beest uit de wateren voortkomt, dan gaat het over een machthebber over de volkeren, evenals in Daniël 7. Daar komen vier dieren op uit de zeeën. De wind joeg voort op de wateren en Daniël zag vier dieren uit de wateren opkomen. Uit de volkeren dus. Wanneer nu de Here Jezus in een schip zit op het water en Hij spreekt van daar af tot degenen die op het land zijn, dan heeft dat een typologische betekenis. Er zou een tijd komen, want het is uiteraard profetisch, dat de rollen omgekeerd zouden zijn. Het Woord van God of het Woord des Koninkrijks, want zo wordt het zaad hier genoemd dat gestrooid wordt, wordt gepredikt niet door Israël aan de heidenen. Niet vanaf het land over de zee uitgeschreeuwd, tot aan de einden der aarde en tot aan de eilanden der zeeën, maar vanuit de heidenen van overzee aan Israël. Dat is de profetie.Wij leven overigens in deze dagen. Het is in wezen een absurde situatie dat heidenen het
evangelie brengen aan Israël. Het hoort niet, maar het móet wel zo. Je hoort niet vanaf een schip naar de schare op de oever te spreken, maar het moest wel. Het speelt een rol in Gods plan, de rollen zijn omgedraaid. Het is wel degelijk de bedoeling dat het Woord van God door heidenen aan Israël gepredikt zou worden. In Matthéüs 13 wordt de profetie van Jesaja vervuld.

Paulus’ verkondiging van het Koninkrijk

In Handelingen 28 wordt dezelfde profetie aangehaald uit Jesaja. Paulus bevindt zich in Rome (als gevangene in zijn eigen huis). Hij ontvangt de leidslieden en verkondigt hen het Koninkrijk Gods.

En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof van Jezus, beide uit de Wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe. Handelingen 28 : 23

Dat is wel wat meer dan acht gelijkenissen. Van de vroege morgen tot de late avond was Paulus bezig deze Joodse mensen het Koninkrijk Gods uit te leggen. Dit duurde zo lang, want ze begrepen er niets van. Dat blijkt ook wel, gezien het resultaat. Er ontstond ruzie (vers 25). “En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij, als Paulus dit ene woord gezegd had,…” Paulus leest gedeelten uit het Oude Testament, ze krijgen ruzie en lopen boos weg. Het waren geen Jehovah’s Getuigen, het waren Joden. Zij beroepen zich op het Oude Testament en tot op heden worden zij geacht dat te kennen. Ten onrechte, want ze kennen er niets van. Paulus probeerde het hen uit te leggen. Hij kwam zelf uit die wereld, dus als er iemand was die hen kon benaderen met het Oude Testament, het Woord van God, dan was hij het. Maar het hielp niks. Ze werden al boos toen Paulus voorlas wat Jesaja geprofeteerd had.

25 En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij, als Paulus dit eene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen,
26 Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken;
27 Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren en Ik hen geneze. Handelingen 28 : 25-27

Hier wordt hetzelfde aangehaald als wat de Here Jezus aanhaalt in Matthéüs 13. Het punt is dat de Here Jezus en Paulus, onder exact dezelfde omstandigheden, claimen dat die profetie op dat moment en op die plaats vervuld werd. Het gaat er nu nog niet om wie er gelijk heeft; we zullen eerst moeten zien dat dit er staat. De Here Jezus zegt dat door het spreken in gelijkenissen de profetie van Jesaja wordt vervuld. Vele tientallen jaren later zegt Paulus in Rome precies hetzelfde. Hij doet er nog een opmerking bij:

28 Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.
29 En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbende onder elkander. Handelingen 28 : 28-29

Er wordt vaak gezegd dat Bijbelstudie leidt tot ruzies. Dat klopt, want “al de Schrift is nuttig tot onderwijs en tot wederlegging” (2 Timothéüs 3 : 16). Het moet onderwerp van discussie zijn. Wij moeten de Schrift proberen te begrijpen, tot ons nemen en nazoeken. Als wij die profetie van Jesaja nazoeken dan blijkt die op twee plaatsen een vervulling te krijgen. De Here Jezus én Paulus halen hem aan. Om bij Paulus aan te sluiten; hij haalt de profetie aan en zegt er direct achteraan dat de zaligheid Gods de heidenen gezonden is en die zullen wel horen, maar Israël niet. Paulus is een apostel der heidenen, degene die zegt dat de zaligheid aan de heidenen gezonden is. Als Romein rekent hij zichzelf ook tot de heidenen.

13 Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben, ik maak mijn bediening heerlijk;
14 Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken en enigen uit hen behouden mocht. Romeinen 11 : 13-14

Als apostel der heidenen ziet hij het prediken van het evangelie aan Israël als zijn grootste opdracht. Dat lijkt tegenstrijdig maar dat is het niet. Het punt is dat juist de heidenen, wanneer die het evangelie ontvangen hebben, als taak hebben het Woord weer te prediken aan Israël. Maar wat zal het resultaat zijn van die prediking aan Israël door de heidenen? Ze moeten tot jaloersheid gewekt worden staat in vers 13. In hen wordt de profetie van Jesaja vervuld. Heidenen zullen wel horen, maar wanneer zij datzelfde woord prediken aan Israël, hoort Israël niet. Ze zullen horende horen maar geenzins verstaan en ziende zien en geenzins bemerken. De verklaring hiervoor is dat ze – in het algemeen gesproken – wel de Bijbelse terminologie kennen, maar de verklaring ervan niet kennen. Ze kunnen de Bijbel vaak voor grote delen uit het hoofd opzeggen, maar begrijpen het niet, want ze weten niet wat de termen betekenen. Ik heb heel wat boeken gelezen van Joodse schrijvers en als je ze leest zou je denken dat ze het begrijpen. Wat zij schrijven en zeggen is tot op zekere hoogte ook wel goed, maar de ellende is dat ze zelf niet het flauwste idee hebben wat er staat en wat de consequentie daarvan is. Er zijn Joden die zondermeer schrijven dat de mens een verlosser nodig heeft. Zo iemand schreef ook een commentaar over het Matthéüs-evangelie. Je zou werkelijk denken dat de man een gelovige is, maar dat is niet zo. Denk maar niet dat hij onder de Verlosser verstaat de Here Jezus, een Mens. Daar verstaat men iets abstracts onder, een begrip. Hoewel, ook wij zijn heel vertrouwd met de gedachte dat in elk van ons wel een Farizeeër zit, een Sadduceeër, een tollenaar, een verlosser enzovoorts. Jezus van Nazareth een verlosser? Maar dat zijn we allemaal! Een kind van God? Alle mensen zijn een kind van God! Dat zijn overigens geen joodse maar calvinistische redeneringen en even onbijbels. Men gebruikt de termen maar men weet niet wat het betekent. Ditzelfde verschijnsel geldt joden en christendom. De traditie zit er zo vast in dat het niets meer zegt. De meeste mensen zijn wel bereikt met het evangelie, maar het zegt ze niets omdat ze de terminologie al kennen. Je kunt de Bijbelse terminologie horen in liederen die de wereld zingt in de kroeg. Men kent het, weet het, maar men moet het niet. Men is verblind omdat men traditioneel met de dingen te maken gehad heeft en het heeft hun niks gezegd. Er werd misschien thuis uit de Bijbel gelezen, maar als er niet op gewezen wordt wat het inhoudt en wat de consequentie daarvan is, heeft het geen zin. Het is geen toverboek waar je uit moet lezen en dan komt het wel goed. Je moet weten wat er staat en het geloven, horen en verstaan.

Israël heeft 1500 jaar geschiedenis achter zich gehad op het moment van Matthéüs 13. Het Woord is aan Israël bekend gemaakt, door Mozes om te beginnen, vervolgens door de profeten en in deze laatste dagen door de Zoon (Hebreeën 1 : 1). Het zegt ze niets. Ze horen maar ze verstaan niet. Als gevolg daarvan stelt de Here Zijn volk terzijde zegt dat hij Zijn Woord voorlopig bij hen weg zou halen. Misschien dat ze het afleren en met een schone lei kunnen beginnen. Met een Nieuw Verbond in plaats van het Oude Verbond. Het gaat nu over de toekomst uiteraard. Nu het “Woord des Koninkrijks” gegeven is aan de heidenen, die het prediken aan Israël, verstaat Israël het nog niet. Er zijn Israëlieten die tot geloof komen, maar Israël als natie, als volk, komt niet tot geloof (zie ook Johannes 1 : 11). Vandaag leven we in een tijd waarin Israël verblind en verhard is (Romeinen 11 : 25, Jesaja 6 : 10), horende hoort, maar niet verstaat en ziende ziet, maar niet bemerkt. Men wordt zelfs niet jaloers op de Gemeente. Dat zei Paulus: “Het zij u dan bekend dat de zaligheid Gods de heidenen gezonden is.” Daarna staat er dat hij nog twee volle jaren in zijn eigen huis bleef in Rome en daar thuis het Koninkrijk Gods ongehinderd predikte. Die twee jaar van Paulus in zijn eigen huis zijn een type van de Gemeente. Wij in ons eigen huis, een woonstede Gods in de Geest, prediken het Koninkrijk Gods ongehinderd. Er is niemand die ons tegenhoudt binnen dat huis. Met die twee jaar wordt de periode van de terzijdestelling van Israël gemeten. Ongeveer dan, want nauwkeuriger kan ik er nu niet op in gaan.

Dat was een deel van de profetie van Jesaja. De volle vervulling is dat Israël hoort en niet verstaat omdat de zaligheid gegeven is aan de heidenen, vanwege de verharding van Israël en Israël is vandaag nog steeds verhard.

2. Het verborgen Koninkrijk

Terug naar Matthéüs 13. De Here Jezus zegt nu dat door het spreken in gelijkenissen de profetie van Jesaja wordt vervuld, die zegt “horende zult gij horen en geenszins verstaan”. Nu kunnen we natuurlijk de vraag stellen wie er gelijk heeft: Paulus of de Here Jezus. Dat is een verkeerde vraag. Het geheim van Bijbelstudie is het stellen van de goede vragen. Beiden hebben gelijk. De profetie van Jesaja heeft twee vervullingen. Dat is met alle profetieën zo. Er is altijd sprake van een letterlijke betekenis en van een geestelijke, hogere betekenis. Bij de achtste gelijkenis ga ik hier verder op in. Het punt is dat de Heer zegt dat Hij diezelfde profetie op dat moment vervult. De vraag is waarom dat dan gebeurt, want wat heeft het voor zin om mensen dingen te vertellen die ze toch niet begrijpen? Zoals gezegd is de zin daarvan dat de profetie van Jesaja vervuld wordt. Vervolgens kun je je afvragen waarom dat dán moet, als die later door Paulus en in onze dagen eveneens vervuld wordt. Dit heeft te maken met dat aan Israël niet het evangelie als zodanig gepredikt wordt, maar een boodschap met betrekking tot een Koninkrijk dat God opricht, het Koninkrijk Gods. Een Koninkrijk der hemelen dat vanuit de hemel op de aarde zou nederdalen. Een Koninkrijk dat opgericht zou worden door de Messias, het Messiaanse Rijk. Het Koninkrijk waarin Christus regeert, het Koninkrijk van Christus. In wezen is de eeuwen door aan Israël gepredikt over dat Koninkrijk. De profeten spraken over wat God tot David gezegd had, namelijk dat iemand uit het zaad van David voor eeuwig zou zitten op de troon van David. Het ging om een eeuwig Koninkrijk. Aan Abraham werd ook al eens gezegd “in u en in uw zaad na u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden”. In het Nieuwe Testament staat dat dit betekent dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn (Romeinen 4 : 13) en zou regeren. David als regelrechte afstammeling van Abraham kreeg de troon van Abraham. Abraham betekent “vader van vele volkeren”. Maar niet alleen van Abraham, ook van Adam, waarvan hij afstammeling en erfgenaam is. Noach sla ik over, want Adam werd op de aarde gezet om over de aarde te heersen als koning en de aarde te onderwerpen. Bovendien was hij als hoofd van de familie, van het hele mensdom, de eerste koning. Daarna ging zijn koningschap over naar zijn erfgenamen, Seth, Enos, Kenan, Mahalal-el en via Noach en Abraham naar David. Via David kom je uiteindelijk terecht bij de Zone Davids, de Here Jezus. De Here Jezus, de laatste Adam, zou het Koninkrijk oprichten wat de eerste Adam geacht werd te doen. De eerste Adam kreeg dus de opdracht, maar het is de laatste Adam die het uiteindelijk uitvoert.

Is het Koninkrijk inmiddels opgericht? Daar zou ik twee antwoorden op willen geven: ja en nee. Allebei is waar. Gezien vanuit de historische betekenis van de profetie over de vestiging van het Messiaanse rijk zichtbaar op aarde, in Jeruzalem, met de troon van David, is dat nog niet gebeurd. Maar het zal gebeuren volgens de oudtestamentische profeten, als Israël zich bekeert (Deuteronomium 30 : 1-3, Handelingen 3 : 19). In de dagen van de Here Jezus op aarde direct na Zijn opstanding was Hij tenslotte de eeuwige Erfgenaam, de Zoon, de Erfgenaam van het Koninkrijk. Niets stond Hem meer in de weg behalve de bekering van Israël. In dit verband moest er ook gewacht worden op de vervulling van Jesaja 6. Die profetie van “horende zult gij niet horen en ziende zult gij zien en geenzins bemerken” was nog niet vervuld. Voordat het Koninkrijk op aarde zou worden gevestigd, moest wel degelijk dat Woord van het Koninkrijk gepredikt aan Israël. Om die prediking werkelijk kracht te geven en Bijbels gefundeerd te laten zijn, moest het dus wel zo zijn dat in die dagen alle profetieën vervuld zouden worden vóór de vestiging van het Koninkrijk een feit kon zijn.

Er worden veel dingen aangekondigd in het Oude Testament voordat het Koninkrijk komt. Eén van die dingen is uiteraard dat Israël zou horen en geenzins verstaan, want dat wijst op hun ongeloof, terwijl als het Koninkrijk komt zij wel gelovig zijn. Zouden ze zich toen bekeerd hebben, dan zouden de profetieën niet uitgekomen zijn. De Heer spreekt die dag dan ook tot hen in gelijkenissen om de profetie tot vervulling te laten komen. Bij de prediking van het Koninkrijk later (Pinksterdag) kon dan ook niemand zeggen dat het Koninkrijk niet kon komen omdat Jesaja 6 nog vervuld moest worden. Het was vervuld door het spreken in gelijkenissen. Nadat Israël vervolgens de Messias verwierp en de Heer de tijd voorbij achtte, zette de Heer Israël terzijde en vervulde aan Israël definitief deze profetie, in zijn meest directe betekenis. Zo kreeg deze profetie een enigszins geforceerde vervulling, waarvan ons de zin wat ontgaat. Later wordt door Paulus een bredere invulling met betrekking tot onze dagen van de profetie in Jesaja 6 aangekondigd.

Belachelijke lippen en spreken in tongen

Een andere profetie uit Jesaja spreekt ook over het verschijnsel dat heidenen het evangelie prediken aan Israël. Daar staat namelijk:

Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken; Jesaja 28 : 11

Deze profetie wordt aangehaald in 1 Korinthe 14. Dat is wat vandaag gebeurt. In andere talen, namelijk niet de Bijbelse taal, het Hebreeuws. Voor Israël is het belachelijk om het Woord van God in een andere taal te horen spreken, maar er wordt aangekondigd dat het gebeuren zou. Wij weten dat dit gebeurt na Handelingen 28, na Paulus, dus nu. Dit zou moeten gebeuren voordat het Koninkrijk aan Israël zou openbaar worden, nog in de dagen van hun ongeloof. Dan krijgen we net zo’n geforceerde vervulling van die profetie als die van Matthéüs 13 bij het spreken in gelijkenissen. De voorvervulling van die profetie van belachelijke lippen en andere talen wordt ook vervuld op de Pinksterdag met het spreken in tongen. In 1 Korinthe 14 staat dat er ook bij. Dezelfde profetie van Jesaja wordt nu vervuld wanneer wij met ons “spraakgebrek” het evangelie brengen aan een Jood. Het is de volledige vervulling van die profetie. Het heeft een kunstmatige, maar noodzakelijke voorvervulling gehad in het spreken in tongen en dat staat er in 1 Korinthe 14 bij:

Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet degenen, die geloven, maar den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar degenen, die geloven. 1 Korinthe 14 : 22

In vers 21 staat er bij: “…en ook alzo zullen zij Mij niet horen… “. Het was niet de bedoeling dat ze tot bekering zouden komen, integendeel. Tegelijkertijd was het een illustratie van de situatie zoals wij die vandaag kennen. Dat is ook de reden waarom spreken in tongen, in Bijbelse zin, nu niet meer voorkomt. Wij brengen gewoon in het Nederlands het evangelie aan Israël. Wat Paulus in 1 Korinthe 14 over spreken in tongen leert, is niet dat het zo nodig gebeuren moet, maar dat het een zaak is die vanzelf verdwijnt. Het is een tijdgebonden aangelegenheid. Veel dingen die in de Bijbel geopenbaard worden, zijn tijdgebonden en bestemd voor een bepaalde tijd, voor bepaalde mensen onder bepaalde omstandigheden en zo ook het spreken in tongen. 1 Korinthe 14 spreekt over het spreken in tongen als teken voor de ongelovigen zijnde de vervulling van Jesaja 9, terwijl 1 Korinthe 13 : 6-10 al spreekt over tongen die zullen verstommen als het volmaakte gekomen zal zijn. Het is dezelfde apostel Paulus die betoogt dat het volmaakte inmiddels gekomen is, want wij zijn volmaakt in Christus. Wij moeten niet terug in de historie, maar vooruit. Vooruit naar het moment dat Israël alsnog tot bekering zal komen, het moment dat alsnog het Koninkrijk opgericht zal worden.

Het spreken in gelijkenissen in Matthéüs 13 heeft in de eerste plaats te maken met de vervulling van de profetie van Jesaja. Vervolgens staat er dat in die gelijkenissen de zaken van het Koninkrijk niet geopenbaard, maar juist verborgen worden. Het is om te verbergen en niet om te verklaren. We hebben dat kunnen lezen in vers 11: “… Omdat het u (de discipelen dus) gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien (de schare tot wie Hij die gelijkenissen sprak) is het niet gegeven”. Dat staat hier, maar u vindt dat ook in Markus 4 : 11 en Lukas 8 : 10. Hieruit volgt dat de gelijkenissen dus gaan over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Die verborgenheden van het Koninkrijk hebben te maken met de tijd waarin het Koninkrijk wel tot stand gekomen is, maar nog verborgen is. Het Koninkrijk is tot stand gekomen, want in de Bijbel begint een koninkrijk niet met een volk wat zich een koning verkiest, maar begint een koninkrijk bij een koning. Hoewel Israël ooit Saul als koning verkoos, was het toch zo dat Saul voor die tijd al gezalfd was. Bij David was dat ook zo. De Bijbelse volgorde is: eerst de koning, dan het koninkrijk. De Heer stond op uit de dood als de Koning. Hij werd gesteld boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam die genaamd wordt (Éfeze 1 :21). Is Hij dan Koning of niet? Natuurlijk wel, maar het is een verborgen Koning in de hemel. Het is wat Paulus in Hebreeën 2 zegt:

Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij Hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat Hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn. Hebreeën 2 : 8

Het was ook de prediking van de apostel Petrus, bijvoorbeeld op de Pinksterdag. Hij wees Israël op de Here Jezus en zei: “Deze is geworden tot een Christus, deze Jezus die gij gekruisigd hebt; Hij is de Christus”.

Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. Handelingen 3 : 21

Dat betekent dat de Here naar de hemel zou gaan in afwachting van de bekering van Israël. Zou Israël zich bekeren dan zou Hij komen uit de hemel om Zijn Koninkrijk aan Israël te openbaren. Dat is de Bijbelse boodschap en in overeenstemming met elke oudtestamentische profetie. Israël is niet tot geloof gekomen, tot verdriet van alle apostelen en tot verwarring soms ook van sommige apostelen, met name van de apostel Petrus. De situatie vandaag is in wezen nog niet veranderd en er is geen andere boodschap gekomen van God. Geen toelichting en geen wijziging in de plannen. Tot op vandaag leven wij in afwachting van de bekering van Israël, opdat op dat moment de Here Jezus Christus Zijn Messiaanse Koninkrijk aan Israël zou openbaren en vervolgens aan de andere volkeren. Het begint echter bij Israël. Alle apostelen, met name de apostel Paulus, wijzen erop dat het dus noodzakelijk is om het Evangelie te prediken aan Israël. “Want het evangelie is een kracht Gods tot zaligheid, eerst de Jood en ook de Griek” (Romeinen 1 : 16). Dat was toen zo en dat is nu nog even waar. Alle oudtestamentische profetieën spreken tot Israël en zeggen dat het zich moet bekeren tot de Here. Israël zou gezegend worden op grond van geloof en Israël is helaas nog niet tot geloof en bekering gekomen.

Verborgen en openbaar

Sinds de opstanding van Christus was daar reeds de Koning, de Messias. De Koning heeft zich teruggetrokken, zoals ook Petrus zei. Daarna komt Hij weer en zal zich laten zien. Als de Koning openbaar wordt, dat is de wederkomst van Christus, dan wordt het Koninkrijk openbaar. Aangezien de Koning verborgen is, is het Koninkrijk ook verborgen. Van de gelijkenissen in Matthéüs 13 wordt gezegd dat ze gaan over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen (vers 11). Dat betekent dat de gelijkenissen spreken over de situatie van het Koninkrijk nadat er een Koning is en nadat de Here Jezus is opgestaan uit de dood, maar voordat Hij als Koning in de wereld openbaar geworden is. Grofweg spreken ze over al wat God doet in de tijd tussen de eerste en de tweede komst van Christus. Daarover gaan deze acht gelijkenissen. Ze spreken over wat God doet voordat het Koningschap en Koninkrijk van Christus in de wereld geopenbaard is. Al wat daar aan vooraf gaat, heeft te maken met de Gemeente, de volkeren, de gelovigen en ongelovigen, met Israël en met de twee en tien stammen. Die zaken vinden we daarin terug. Het eigenaardige is dat de gelijkenissen meestal ophouden op het punt van de wederkomst van Christus. Daar is een goede reden voor. Die wederkomst hoort namelijk niet meer tot de verborgenheid, maar tot de openbaring van dat Koninkrijk en dat is precies het tegenovergestelde. Vele gelijkenissen houden daar abrupt op en je wilt wel weten wat er daarna komt. Neem bijvoorbeeld de gelijkenissen over die vijf dwaze maagden die buiten bleven, want wat was er binnen? Dat weten we niet. Het wordt wel gezegd, maar niet in die gelijkenis, want dat hoort bij de openbaring van dat Koninkrijk. “Deze Jezus die gij gekruisigd hebt”, zei Petrus, “Deze Jezus is opgewekt, Hij leeft” (Handelingen 2). Hij haalt oudtestamentische Schriftplaatsen aan, met name de Psalmen, waarin staat dat de Messias inderdaad zou sterven en opstaan. Petrus predikte dat en gaf daarmee aan dat het in overeenstemming was met de Schrift: deze Jezus hebt gij gekruisigd maar Hij is opgewekt en Hij is nu in de hemel en Hij wacht op jullie bekering. Die boodschap wordt gepredikt en waar anders dan in Jeruzalem?

Het is een duidelijke zaak in het boek Handelingen dat geen van de apostelen er ook maar een moment over gepeinsd heeft om het evangelie te brengen buiten Israël. Dat was helemaal correct. Die twaalf apostelen brachten de boodschap aan Israël opdat Israël zich zou bekeren en opdat het Koninkrijk van Christus terstond aan Israël zou openbaar worden. Dat gebeurde echter niet want Israël bekeerde zich niet. In Lukas 19 : 11 staat dat de Here Jezus daarbij een gelijkenis voegde, omdat zij (de apostelen of eigenlijk toen nog de discipelen) dachten dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden. Zij dachten niet dat het Koninkrijk terstond zou komen maar dat het Koninkrijk terstond openbaar zou worden. De Here vertelt daarom een gelijkenis, want de gelijkenissen spreken over het Koninkrijk dat er is, maar niet geopenbaard doch verborgen.

Het boek Openbaring spreekt juist wel ook over de openbaring van Jezus Christus, als de Koning, de Eerste en de Laatste, de Alpha en de Omega, de Koning der koningen, de Heer der heren, Die dan geopenbaard zal worden in de toekomst maar Die nu verborgen is. Hij is de Koning van Zijn eigen verborgen Koninkrijk. Daarover spreken de gelijkenissen, namelijk dat er wel een Koninkrijk is, maar niet geopenbaard in de wereld, doch verborgen in Christus. Voor zover wij als gelovigen deel uitmaken van het Koninkrijk van God, van Christus of het Koninkrijk der hemelen, hebben wij deel aan een verborgen Koninkrijk. Niet geopenbaard in de wereld en dat is ook niet de bedoeling. Die laatste opmerking is essentieel. Het hoort zo dat de wereld Christus niet kent en dat het echte Christendom in de wereld niet geaccepteerd wordt. Het is Gods bedoeling ook niet dat dat zal gebeuren, niet in deze tijd. Gods bedoeling is dat Israël tot bekering komt, waarna de Heer vervolgens Zijn Koninkrijk op aarde zal openbaren. Al was het maar omdat de Koning zal geopenbaard worden op aarde, want: “Te dien dage zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg ” (Zacharía 14 : 4). Zolang Christus verborgen en verworpen is, beide zijn waar, zolang zijn wij als gelovigen die in Christus zijn met Christus verborgen en dus verworpen. De apostel Johannes heeft dat heel goed geleerd. Die zegt: “Geliefden, de wereld kent ons niet”. Niet omdat we niet goed ons best doen, niet omdat we ze het niet vertellen, niet omdat we in ons leven niet demonstreren dat we kinderen Gods zijn, welnee. Hij zegt: “De wereld kent ons niet, omdat de wereld Hem niet kent” (1 Johannes 3 : 1). Pas wanneer de wereld Christus erkend, zal de wereld ons erkennen. Dit gebeurt niet tijdens ons leven hier op aarde. De wereld zal Christus pas kennen, herkennen en erkennen bij Zijn wederkomst. Zijn wederkomst vindt plaats nadat wij eerst naar huis zijn gegaan. De Here Jezus zal zich als de Koning openbaren nadat wij eerst Hem tegemoet zullen gegaan zijn in de lucht (1 Thessalonicenzen 4 : 17). Wij zullen een voor de wereld verborgen ontmoeting hebben met Christus. Pas daarna zal Hij op aarde verschijnen.

Nu sla ik één van de meest tragische dingen over. Dat is dat de Heer vervolgens Israël tot gehoorzaamheid en tot bekering zal dwingen, zoals Hij dat ook in het verleden gedaan heeft. De diverse ballingschappen, de oordelen en de geschiedenis van de richteren. Elke keer weer de Filistijnen en de Moabieten. Later de Assyriërs en nog weer later de Babyloniërs en daar tussendoor nog benden met Edomieten, Egypte en nog veel meer vijanden. God dwingt Israël zich te bekeren tot de Heer, maar Israël heeft niet gewild. Ondanks de boodschap van de profeten, de richteren en ondanks die van de koningen, heeft de Heer uiteindelijk Zijn Zoon gezonden. Nu ben ik weer een gelijkenis aan het verklaren: “Uiteindelijk zond de Heer Zijn Zoon en Hij zei: “Deze zullen zij ontzien”, maar zij namen Hem en zij doodden Hem” (Matthéüs 22 : 37-39). “Zo heeft God in deze laatste dagen tot ons gesproken”, zegt Paulus, “door de Zoon, maar Hij is gestorven, begraven én opgewekt”. Nu is Hij onze Hogepriester in de hemel. Dat neemt niet weg dat dezelfde boodschap geklonken heeft en al die tijd aan Israël gezegd is: “Denk er om, God zal de heidenen verzamelen ten strijde tegen Israël”. Dat is wat hedentendage gebeurt. Het wordt alleen maar erger. Dat vind ik niet fijn en ik ben er niet trots op om dat te moeten zeggen. Mijn hart bloedt daarbij, maar het gebeurt.

Het Koninkrijk van Christus wordt straks geopenbaard doordat de Heer, in overeenstemming met Zijn Woord, Israël tot bekering dwingt. Al 3500 jaar heeft Israël het niet gewild. De mensheid zelf is al veel ouder dan die 3500 jaar van Israël, maar heeft ook nooit gewild. Joden niet, Israëlieten niet en heidenen ook niet. “De Heer kwam in de wereld en de wereld heeft hem niet gekend en Hij kwam tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem ook niet aangenomen”, staat er in Johannes 1 : 10-11. Wij hebben Hem aangenomen en hebben macht ontvangen om kinderen Gods te zijn, daar gaat het om. Wij maken echter geen deel uit van een geopenbaard Koninkrijk hier op aarde. “Uw Koninkrijk kome” is een erkenning dat het er nog niet is, tenminste hier niet. Het Koninkrijk is er wel maar in de hemel en niet hier. Als wij in dat Koninkrijk zijn, kan dat alleen omdat wij daar in de hemel zijn en niet hier. Dat heeft uiteraard ook consequenties voor ons praktische leven. Die verborgenheid, de tijd waarin het Koninkrijk verborgen is, begon met de opstanding van Christus of beter gezegd vanaf de hemelvaart van Christus. Dat was een demonstratieve gebeurtenis. De Heer trok zich zichtbaar terug in de hemel, waarbij gezegd werd: “Deze Jezus zal alzo wederkeren (Handelingen 1 : 11)”. Dat is de betekenis van Hemelvaartsdag. De christenheid gedenkt die dag nog wel, dat wil zeggen we hebben een dag vrij, maar niemand weet meer wat dat betekent. Hemelvaarstdag betekent dat we deel uitmaken van een verborgen Koninkrijk. Dat willen we liever niet en daarom vergeten we het. Het Koninkrijk is verborgen in Christus in de hemel. Dat duurt niet alleen in de dagen waarin wij leven, waarin de Gemeente op aarde is, of vergaderd wordt uit de volkeren. Die verborgenheid duurt voort totdat het Koninkrijk op aarde geopenbaard is. Let wel, niet totdat het Koninkrijk op aarde geopenbaard wórdt, maar totdat het op aarde geopenbaard ís. Het duurt dan ook niet tot aan de opname van de Gemeente. Het lijkt mij een duidelijke zaak dat wanneer wij als Gemeente van de aarde worden weggenomen de Heer tegemoet in de lucht, er in ieder geval geen sprake is van een Koninkrijk van Christus op aarde. Wat we er dan ook onder verstaan. Als de gelovigen van de aarde verdwijnen, is er niets over. Dat betekent dat het Koninkrijk nog meer verborgen is en in ieder geval nog voort duurt. Het is ook heel logisch dat er daarna op aarde twee getuigen worden geplaatst, te beginnen bij Jeruzalem (waar anders?). Er moeten wel twee getuigen geplaatst worden, want alle gelovigen zijn weg.

Die twee getuigen worden in het Oude Testament al aangekondigd; in Zacharía bijvoorbeeld. Zij komen op aarde en zullen dan geplaatst worden in Jeruzalem en daar het evangelie prediken aan Israël terwijl het Koninkrijk nog verborgen is, vóór de verschijning van de Here Jezus op de Olijfberg. Die verborgenheid bestaat dus niet alleen in onze dagen van de Gemeente, maar duurt voort tot na de opname van de Gemeente en houdt pas op wanneer het Koninkrijk geopenbaard is. Dat is pas wanneer het Koninkrijk van Christus gevestigd is over de gehele aarde en satan gebonden wordt. Die verborgenheid van het Koninkrijk duurt tot aan het precieze begin van het zogenaamde duizendjarige rijk, waarbij iedereen die op aarde leeft een gelovige is. De ongelovigen zijn dan trouwens van de aarde weggenomen. Dat staat ook in deze gelijkenis. Wanneer ook zelfs satan van de aarde is weggenomen (want satan wordt straks op de aarde geworpen, maar zal ook van de aarde weer worden weggenomen) en er geen vijandige macht meer is op de aarde, pas dan is het Koninkrijk geopenbaard en pas dan is alle verborgenheid Gods vervuld. Dit citeer ik uit Openbaring 10 : 7.

Het is duidelijk dat het grootste deel van de Schrift niet over ons gaat. Als God Zich openbaart en in de eerste plaats als Hij spreekt, maar vervolgens ook als het opgeschreven wordt, doet God dat in de eerste plaats omdat Hij daar Zelf belang bij heeft. Hij schrijft over precies hetzelfde als waarover u waarschijnlijk zou schrijven: over uzelf. Dat is ook wat God doet. God openbaart Zichzelf in de Schrift of in de Persoon van de Here Jezus. Dat is hetzelfde want Beiden zijn het Woord: God openbaart Zich in het Woord of schrijft het Woord aan verschillende mensen, aan verschillende volkeren in verschillende tijden. Dat is zeer duidelijk als het over het Oude Testament gaat. Voor zover het een directe opdracht aan de mens bevat, is die in ieder geval niet aan ons gegeven. Dat wil niet zeggen dat we er niet uit zouden leren en ook niet dat het niet ter onzer lering geschreven is. Het wil zeggen dat het geen opdrachten aan ons waren. Er zijn altijd mensen die de neiging hebben om op te springen, maar kijk naar de volgende teksten: “Ik ben de Here uw God Die u uit Egypteland uitgevoerd heb” (Numeri 15 : 41). Weinigen van ons zijn in Egypte geweest, dus dat gaat al niet meer op. Dan nemen we het Nieuwe Testament, het Matthéüs-evangelie: “Indien uw oog u ergert, trekt het uit en werp het van u” (Matthéüs 18 : 9). Men zegt dan dat dit oudtestamentisch is. Dat is misschien wel zo, maar het staat wel in het Nieuwe Testament, in één van de evangeliën. Er staat een bekende zendingsopdracht in het Matthéüs-evangelie die tot de apostelen zegt (discipelen toen nog) dat ze uit moeten gaan om het evangelie te prediken, maar er staat uitdrukkelijk “Niet naar de heidenen” (Matthéüs 10 : 5-6), ze mochten alleen gaan naar de verloren schapen van het huis Israëls. De vraag is dan waarom wij dan wél naar de heidenen gaan? Bovendien zijn wij heidenen en waarom is dan het evangelie ooit aan ons gepredikt? Heel eenvoudig, omdat die zendingsopdracht helemaal niets te maken heeft met de tijd waarin wij nu leven. Dat is de enige conclusie die we kunnen trekken.Waar het om gaat is dat wij ons moeten realiseren dat de Schrift niet altijd rechtstreeks tot ons gericht is. Wel voor ons tot lering en ter inzage, maar daarom nog niet altijd tot een opdracht.

Er zijn zo meer opdrachten te noemen die zondermeer tegenstrijdig zijn: “Gaat uit in de gehele wereld”. In dezelfde dagen wordt meteen gezegd: “Ga niet uit, maar blijf in Jeruzalem” tot dezelfde mensen (de discipelen) en door de Heer. Het heeft een verschillende achtergrond, een verschillend verband. Zo is het ook met de gelijkenissen die gaan over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Dat wil niet zeggen dat het over ons gaat. Het zou kunnen dat het over ons gaat, omdat wij leven in de tijd dat het Koninkrijk verborgen is. Aangezien echter ook na de opname van de Gemeente dat Koninkrijk nog verborgen is, kunnen die gelijkenissen ook heel goed gaan over situaties die zullen bestaan nadat de Gemeente al weg is. Dat is precies het geval en we zullen dat ook zien. Het wordt wel degelijk in deze gelijkenissen gezegd.

3. De gelijkenis van de zaaier

In de vorige hoofdstukken hebben we gesproken over waarom de Here Jezus sprak in of door gelijkenissen. Nu lezen wij de eerste gelijkenis en bespreken daarna de verklaring.

3 En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
4 En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op.
5 En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord.
7 En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve.
8 En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd- , het ander zestig- , en het ander dertig voud.
9 Wie oren heeft om te horen, die hore.
10 En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?
11 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.
12 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
13 Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.
14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
15 Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.
16 Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.
17 Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.
18 Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.
19 Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij den weg bezaaid is.
20 Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt;
21 Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geergerd.
22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd- , de ander zestig- , en de ander dertig voud. Matthéüs 13 : 3-23

Het is goed om te zien wat hier nu precies staat. Ik denk dat deze gelijkenis over “het zaad” één van de meest eenvoudige en ook meest bekende is in de Bijbel. Het wordt ook wel “de gelijkenis van de zaaier” genoemd. Het is er een waar velen troost uit putten. Vooral wanneer blijkt dat wanneer het Woord van God gepredikt wordt en dat Woord lang niet altijd direct opkomt of soms zelfs helemaal geen vrucht draagt. Weer een andere keer lijkt het toch wat resultaat op te leveren, maar dan blijkt het na korte tijd helemaal in elkaar te zakken en blijft er niets van over. Men spreekt dan prompt over het verschijnsel dat mensen weer zijn “teruggevallen”. Men heeft op grond daarvan zelfs wel eens gezegd dat er zoiets bestaat als “afval der heiligen”. Nu is dat een term die helemaal onbijbels is en in die zin niet voorkomt. Het gaat hier over zaad dat op verschillende plaatsen valt en waar het over het algemeen slecht mee afloopt. Zo’n gelijkenis kun je op veel manieren uitleggen. Ik zal hem eenvoudig samenvatten want de strekking daarvan is voor iedereen duidelijk. Het gaat erom dat er zaad gezaaid wordt. Zaad dat wordt genoemd in vers 19: “dat Woord des Koninkrijks”. Er staat niet dat het zaad het evangelie is. Het wordt uitdrukkelijk “het Woord des Koninkrijks” genoemd en niet het Woord van God. Het is een evangelie, het is een Woord van God, maar er wórdt gezegd “Het Woord des Koninkrijks”. Het is een heel speciaal Woord, een van God afkomstige Boodschap. Hij is Diegene die zaait. Het is Woord met betrekking tot het Koninkrijk. Een Woord dat handelt over dat Koninkrijk van Christus, dat gevestigd zou moeten worden op aarde, maar eigenlijk in de hele schepping. Daarover gaat het.

Dan staat er het volgende (vers 19): “Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort en niet verstaat, zo komt de boze en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij den weg bezaaid is”. Merkwaardigerwijze komt er wel eens zaad terecht op een plek waar het helemaal niet zou moeten liggen. Vraag me niet waarom, maar er staat in de Schrift dat het langs de weg valt. Het wordt kennelijk overal gezaaid en dat is hoogst ongebruikelijk. Logischer is het wanneer er een goed stuk land opgezocht wordt en men zuinig is met dat zaad. Het komt langs de weg terecht en wordt vervolgens opgepikt door de vogels: “… en de vogels kwamen en aten datzelve op” (vers 4). De verklaring is simpel. Er staat dat dit gebeurt wanneer iemand het Woord des Koninkrijks hoort en niet verstaat; het niet begrijpt. Dan “komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was”. Maakt u zich dus niet ongerust voor het Woord en bang dat de boze komt en het weghaalt. Dat gebeurt alleen wanneer u het niet verstaat. Daarom is het van groot belang te verstaan wat wij lezen. Weet u nog, Philippus bij de kamerling? Die kamerling las uit de rollen van Jesaja en hem werd gevraagd: “Verstaat gij wat gij leest?” (Handelingen 8 : 30). Als men het niet begrijpt, heeft het uiteraard ook geen uitwerking. Daarom is het van belang dat het Woord van God verklaard en eventueel toegelicht wordt. De Schrift zegt: “Die zoekt zal vinden” (Matthéüs 7 : 7). Als men werkelijk een antwoord wil omdat men dingen niet verstaat en men begrijpen wil, dan gebeurt dat. Dan komt de boze niet om het weg te pikken. Degene die een antwoord zoekt, zal het vinden, maar zal ook moeten geloven. Zo iemand echter de dingen niet verstaat of zelfs niet wil verstaan, dan “… komt de boze en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was.” Ik kan ervan getuigen dat dit gebeurt. Het is mij ook wel eens gebeurd dat ik dingen die ik niet begreep in de Schrift, in andere boeken, commentaren of Bijbelverklaringen tegenkwam. Ik liet het er dan bij, maar dan ben je het kwijt. Soms heb ik ook wel gehad dat ik het veel later weer tegenkwam in de Bijbel. Achteraf bleek dan dat ik dat al veel eerder gehoord of gezien had, maar dat ik het niet begrepen had. Van belang is dat je de dingen begrijpt en dan heb je ze. Dat ik één en ander zo op kan noemen, komt omdat ik het begrijp. Als je ergens begint, dan kun je zo verder doorvertellen. Als je weet hoe het in elkaar zit en dat geleerd hebt en de samenhangen kent, kun je – waar je ook begint – de draad oppakken en het opnieuw vertellen. Niet omdat je geheugen zo goed is, maar omdat het er vast inzit. Als puzzelstukjes los zijn, is er gauw één weg, maar als ze allemaal aan elkaar
liggen, en er verband in zit, is het een prachtige plaat die aan elkaar ligt. Dan kan de boze (de duivel) er niets tegen inbrengen. Het stukje ligt namelijk vast omdat het een onderdeel is van het groter geheel. Het gaat dus om begrip vormen van de Bijbel, van het Woord van God als geheel, van de samenhang van de dingen die God in Zijn Woord heeft willen openbaren. Dan raak je het vervolgens niet kwijt maar heb je het vast, dan is het je eigendom.

20 Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en dat terstond met vreugde ontvangt;
21 Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo wordt hij terstond geërgerd. Matthéüs 13 : 20-21

Nadat eerst de vijand van het zaad, namelijk de duivel, genoemd wordt, wordt hier een tweede vijand genoemd: de natuurlijke mens. Dat is het vlees. Hier staat: “die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene die het Woord hoort en dat terstond met vreugde ontvangt”. Dat wil zeggen dat het een boodschap is die in de mens wortel schiet; die aankomt. Vervolgens staat er: “Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd.” Het komt er wel in en men is misschien enthousiast om het Woord. Bijvoorbeeld dat de Heer Zijn Koninkrijk op aarde zal oprichten in de toekomst (want over dat Woord gaat het). Het is echter niet voldoende als het niet in ons doorwerkt en de boodschap geen wortel schiet. Het moet diepgang krijgen. Want als je iemand iets nieuws vertelt en diegene reageert enthousiast van: “Dat is het” dan is dat weliswaar erg leuk, maar te bezien valt of dat zo blijft. Je loopt het grote risico dat er morgen iemand komt die precies het tegenovergestelde gaat vertellen en dat men ook zegt: “Zo is het; dat is mooi”. Dat gebeurt. Die mensen zijn gemakkelijk te overtuigen en mee te krijgen. Als je ze loslaat, neemt een ander ze mee op sleeptouw. Dat is de tragiek van “de pastor”, zoals dat tegenwoordig zo mooi heet. Diegene die zorg draagt voor de broeders en zusters binnen een gemeente of binnen een gemeenschap. Er zijn er altijd bij waar je constant achteraan moet lopen. Dat is de zwakheid van de oude mens. Ze zijn makkelijk te overtuigen van zowel het één als het ander en worden bewogen door allerlei wind van leer zonder vastigheid (Éfeze 4 : 14). Ze hebben het nodig om steeds opnieuw met dat Woord in contact gebracht te worden. Daar is hulp bij nodig. De vijand is niet de satan in dat geval, maar simpelweg het oude menselijke leven, het vlees. Het heeft geen wortel in zich. Dat geldt niet alleen voor het Woord des Koninkrijks, zoals dat hier heet, maar in feite voor elk woord. We worden geacht als christenen met elkaar samen op te trekken en dat de sterkeren de zwakkeren dragen. Dat we elkaar aansporen en aanmoedigen en vermanen en vertroosten en op elkaar letten. Dat is ervoor om de zwakheid van de oude mens van het vlees te hulp te komen. Dat is een tweede vijand die staat tegenover het Woord in het algemeen. Er wordt ook nog een derde genoemd.

En die in de doornen bezaaid is, deze is degene die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar. Matthéüs 13 : 22

Die derde vijand is de wereld, zoals er in de vertaling staat, maar ik zou moeten zeggen: deze tegenwoordige eeuw. Het woord “wereld” hier is het Griekse woord “aioon” en dat betekent zoveel als “een bepaalde tijd” of “de samenleving”. Je zou het ook kunnen vertalen met “eeuw” en soms gebeurt dat ook. Het is niet de wereld als schepping, maar de wereld zoals die vandaag bestaat. Dan staat er dat dat zaad een beeld is van diegene die het Woord hoort (dat wil zeggen aanvaardt, in zich opneemt door de oren en gehoorzaam is aan het Woord). De zorgvuldigheid echter van deze aioon (van deze eeuw) en de verleiding des rijkdoms verstikte het Woord. Eigenlijk is het zo dat die zorgvuldigheid van deze eeuw precies hetzelfde is als de verleiding des rijkdoms. De “zorgvuldigheden van deze eeuw” zijn gewoon de zorgvuldigheden waarmee wij ons onze rijkdommen vergaderen. Het is mee met de stroom: mee, meer en meer, hoger en groter. Daar is op zich niets tegen, want dat moet de wereld zelf uitzoeken. Waar het om gaat is dat dit streven het Woord, over het komende Koninkrijk dat in ons gevallen is, verstikt en dan verdwijnt. Want wat is ons belang bij een toekomstig Koninkrijk als wij nu bezig zijn met rijkdommen te vergaren. Het is of het één of het ander. Zo zwart wit is het natuurlijk niet, want je moet wel zien dat je in leven blijft.

Gelukkig zijn er mensen in Nederland die geloven dat er redding is in het bloed van de Here Jezus en kracht is in het bloed van het Lam. De vraag is echter hoeveel mensen geloven dat de Heer in de toekomst Zijn Koninkrijk zal oprichten op precies die wijze zoals Hij dat in Zijn Woord heeft aangekondigd? Dan zal blijken dat het er maar weinigen zijn en dat zodra je die weinigen vindt, je nog meteen gejammer hoort ook. Daar kun je verschillend over denken. Er worden allemaal vraagtekens bij gezet. Is duizend jaar eigenlijk wel duizend jaar en is het wel op aarde en is het wel in Jeruzalem en is het wel in Israël? Men wil domweg niet geloven wat de Schrift zegt. Waarom niet? Vanwege “de zorgvuldigheden dezer eeuw” en de verleiding des rijkdoms. Wij zouden echter een schat verzamelen in de hemel en weten dat ons huis en burgerschap daar is. Wie hier de schatten van de wereld zal willen verliezen, zal straks in de toekomst, in de toekomende eeuw wanneer het Koninkrijk wordt opgericht, wederontvangen. De Bijbel spreekt over de tegenwoordige eeuw en de toekomende eeuw. Er komt dus nog een andere “eeuw”. Deze huidige eeuw is niet goed, omdat satan regeert en de god dezer eeuw is. Dat is alles. Als natuurlijke mens zijn wij onderdeel van deze tegenwoordige boze eeuw. Wij zijn echter ook uit deze tegenwoordige eeuw getrokken!

Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader. Galaten 1 : 4

De reden is dat satan in deze eeuw regeert en dat al heel lang doet. Wij maken daar geen onderdeel van uit omdat wij deel uitmaken van de toekomende eeuw, die nu al bestaat maar nog verborgen is. De toekomende eeuw is de eeuw waarin Christus regeert en de eeuw van de opstanding der doden. Wij echter zijn reeds opgestaan, aldus ondermeer 2 Korinthe 4 : 4, Galaten 1 : 4 en Titus 2 : 11. Wij leven in deze tegenwoordige eeuw, verwachtende de “zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus”. Deze tegenwoordige eeuw duurt tot de verschijning der heerlijkheid van Jezus Christus. Totdat Christus geopenbaard zal worden in heerlijkheid in deze wereld. Dan begint de toekomende eeuw voor de wereld. Voor ons is de toekomende eeuw allang begonnen, wij leven al in de toekomst. De wereld ziet uit naar de toekomst waarin straks een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt. Men zingt dat ook: “stil maar, wacht maar alles wordt nieuw”. De Schrift leert ons dat wij met Christus gestorven, begraven en opgewekt zijn en in Christus een nieuwe schepping zijn. Het oude is voorbij gegaan en alle dingen nieuw zijn geworden (2 Korinthe 5 : 17). Wij gelovigen zijn de eerstelingen van een nieuwe schepping. De wereld heeft te maken met de tegenwoordige boze eeuw. Wij zitten daar ook midden in, maar horen er helemaal niet bij. We zijn er echter voor de oude mens wel afhankelijk van. Paulus zegt dan ook in Titus 2:

12 …dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
13 Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus. Titus 2 : 12-13

Wanneer je niet gelooft dat Hij komt, dat Hij Zijn Koninkrijk op deze aarde zal oprichten, dan is het niet mogelijk in deze wereld matig en rechtvaardig en Godzalig te leven. Dat kan alleen als je die toekomst verwacht met de oprichting en openbaring van dat Koninkrijk dat nu nog verborgen is. Als je niet gelooft in een duizendjarig rijk, hoe moet je dan hier in de wereld leven? Daar geeft de Bijbel geen antwoord op. Je kunt alleen maar uitzien naar het moment waarop de Heer Zijn werk met betrekking tot deze aarde, deze zienlijke wereld, voort zal zetten. Dat begint met de gebeurtenis dat wij, die deel uitmaken van de onzienlijke dingen en de onzienlijke schepping, eerst van deze aarde verwijderd zullen worden. Dat is onze toekomstverwachting, onze zalige hoop en dat is niet de dood. Dat is eigenaardig want de meeste christenen zijn in de loop der eeuwen gewoon gestorven. Ondanks dat een gelovige ook normaal komt te sterven, spreekt de Bijbel over de zalige hoop die de gelovige heeft. Dat is niet zijn dood, maar de wederkomst van Christus. Dat is de openbaring van Christus straks in de toekomst. Dat behoort onze verwachting te zijn. Al weten we dat al wat om ons heen is voorbij gaat. Ook de rijkdom die we ons in Nederland in de loop der jaren hebben weten te verwerven. Geniet ervan voor zover het je gegeven is. Je kunt de Heer danken voor alles wat je ontvangt in afwachting van de toekomst waarin dat Koninkrijk ook in de hele schepping geopenbaard zal worden.

De toekomende eeuw komt onder andere in Lukas aan de orde.

29 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg ulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk Gods,
30 Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Lukas 18 : 29-30

Zo iemand die nu opgegeven heeft, zegt de Here Jezus, die zal veelvoudig weder ontvangen, ook al reeds nu en in de toekomende eeuw het eeuwig leven. Het eeuwige leven is een kenmerk van de toekomende eeuw. Dat kun je uit dit vers halen. Hebben wij reeds eeuwig leven, dan hebben wij ook deel aan de toekomende eeuw.

33 In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.
34 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;
35 Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden.
36 Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk, en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. Lukas 20 : 33-36

Binnen die nieuwe schepping, binnen de opstanding der doden, in die toekomende eeuw is geen sprake van trouwen of ten huwelijk uitgeven. Daar gaat het over dat wat wedergeboren, wat uit God geboren is en daarin is man noch vrouw. In de Gemeente is dat dus ook waar en in de toekomst in de nieuwe schepping ook. Dat geldt voor zover men gelovig, wedergeboren, is en men straks in het duizendjarig rijk leeft. Dat wat wedergeboren is, is het leven van Christus in ons. Dat trouwt niet, tenminste niet op deze manier. Er staat dan ook in vers 36 “dat zij niet meer kunnen sterven aangezien zij de engelen gelijk zijn en, ze zijn kinderen Gods dewijl zij kinderen der opstanding zijn”. De toekomende eeuw is die van het eeuwig leven, waarin Christus op aarde regeert. Wij leven inmiddels al in de toekomende eeuw, maar die zal definitief op aarde gevestigd zijn bij de aanvang van het duizendjarig rijk, veertig jaar na de opname van de Gemeente, wanneer satan gebonden wordt. Dat is een generatie later. Dezelfde generatie als uit Matthéüs 24: de generatie die niet voorbij zou gaan voordat al die dingen geschied zouden zijn. De gelijkenissen in Matthéüs 13 spreken over de periode tot het einde van de verborgenheid. De gelijkenissen houden dan ook op bij het einde der eeuw.

4. De gelijkenis van het onkruid

24 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.
25 En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.
26 Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.
27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Here! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid?
28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?
29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.
30 Laat ze beiden tezamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur. Matthéüs 13 : 24-30

Eindigden we bij de vorige gelijkenis met te spreken over het einde der eeuw, de nu volgende gelijkenis is daar heel duidelijk over. We zien in deze gelijkenis dat tarwe en onkruid samen opgroeien tot de oogst, namelijk in de voleinding dezer wereld (deze aioon). Dat verklaart vers 40.

Gelijkerwijs dan het onkruid vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzo zal het ook zijn in de voleinding dezer wereld. Matthéüs 13 : 40

Deze gelijkenis spreekt niet over de opname van de Gemeente, maar over het einde van deze eeuw en het begin van de toekomende eeuw, namelijk het duizendjarig rijk. Dat is het tijdstip waarop alle volkeren op aarde aan de Heer onderworpen zullen zijn. Hoe dat gebeurt, vertelt deze gelijkenis. Op de bestemde tijd van de oogst zal het onkruid verzameld worden en in het vuur geworpen. Alzo zal het zijn in de voleinding der eeuw.

De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen die de ongerechtigheid doen; Matthéüs 13 : 41

Aangezien deze gelijkenis begint met “en het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan”, betekent het dus dat het uiteindelijk gaat om de vergelijking van de oprichting van dat Koninkrijk hier op aarde met het binnenhalen van de oogst. De schuur is in feite niets anders dan wat wij noemen “het Duizendjarig Rijk”. De mensen die tot geloof zijn gekomen en het Woord des Koninkrijks aangenomen hebben, die geloofd hebben in de boodschap omtrent de oprichting van het Koninkrijk op aarde, die zullen inderdaad dat Koninkrijk binnengaan. Het gaat niet over nu, maar over het begin van het aanbreken van de duizend jaren. Het gaat om de generatie mensen die dan op aarde leeft.

In deze gelijkenis gaat het erom dat tarwe uitgezaaid wordt en dat een ander onkruid zaaide tussen de tarwe. In het Grieks staat er “sysanion”, wat niet zozeer “onkruid” betekent, maar een bepaald soort onkruid. Het is wilde tarwe. Een tarwe die wel op tarwe lijkt, maar geen vrucht draagt. Het zijn lege aren. Het punt is dat het verschil tussen het onkruid en de tarwe pas gezien wordt bij de oogst. De dienstknechten vragen of ze het onkruid er tussen uit moeten halen. De Heer antwoordt echter: nee. Ze zouden dan mogelijk ook het tarwe uitrukken. Bij de oogst komt de scheiding vanzelf, want dan is gemakkelijk het onderscheid te zien. Het gaat erom dat tegelijk met het Woord des Koninkrijks ook een ander woord gepredikt werd. Als het zaaien van het tarwe een beeld is van de prediking van het Woord des Koninkrijks, dan moet het zaaien van het onkruid een beeld zijn van de prediking van een andere boodschap. Een boodschap die weliswaar lijkt op het Woord des Koninkrijks, maar het is een boodschap die absoluut geen vrucht draagt. Het lijkt er wel op, maar aan het eind van de rit zal blijken dat het geen vrucht draagt, omdat het niet het goede zaad was. Het was vanaf het begin verkeerd, hoezeer het ook op de waarheid leek. Dat is natuurlijk een waarschuwing, want het is iets dat gezegd wordt over de gehele verborgenheid van het Koninkrijk. Dat wil zeggen dat het ook gaat over onze dagen. Ook wij kennen een boodschap over dat Koninkrijk. Wij hebben te maken met een verborgen Koninkrijk, maar daar maken wij wel degelijk deel van uit. Ook nu moet de boodschap gepredikt worden van de opgewekte Christus, Die daardoor de Erfgenaam is geworden van dat Koninkrijk. Die bovendien Zijn Koninkrijk op aarde zal oprichten. Niet nu, maar de boodschap blijft gelijk, Hij zal dat doen. Die boodschap wordt verbasterd en zo verdraaid dat het nog wel op de Bijbelse boodschap lijkt, maar geen vrucht draagt. De essentie ontbreekt er namelijk aan. We praten hier over valse, wilde tarwe. Tarwe die geen vrucht draagt.

Zo spreekt de Bijbel ook over een vijgenboom die vrucht draagt en over een wilde vijgenboom. Het is wel een vijgeboom, maar hij draagt geen vrucht. Het lijkt echt, maar is het niet. Er zijn vele voorbeelden in de Bijbel. Zachëus zat in een wilde vijgenboom. Het is een boom met veel bladeren – die dienen in de Bijbel ook vaak wel ergens toe – maar draagt geen vrucht. Zo spreekt Romeinen 11 : 17 over een olijfboom als beeld van Israël en van de zegeningen die God aan de mens geeft. Daar wordt ook gesproken over een olijfboom en een wilde olijfboom. Takken van een wilde olijfboom, van een boom die geen vrucht draagt, maar als die geënt worden op een tamme olijfboom, wel vrucht dragen. Dat alles komt in de natuur voor en het drukt een bepaalde waarheid uit. De waarheid dat er zoveel boodschap is die op de echte lijkt, maar het niet is.

Zo spreekt de Bijbel over de ware wijnstok en de ranken die in de wijnstok moeten blijven (Johannes 15 : 4). Er wordt ook gesproken over een wilde wijnstok, eentje die geen goede vrucht draagt. Die zelfs veroorzaakt dat de dood in de pot is. Dat was bij Elisa (2 Koningen 4 : 39-41). Daar hadden ze wilde kolokwinten geplukt en in de pot gekookt en toen was de dood in de pot. Dat wil zeggen dat het giftig bleek te zijn. Een kolokwint lijkt in alles, behalve de vrucht, op een wijnstok. Een wilde wijnstok. Hij bracht in dit Schriftgedeelte geen leven, maar dood. Een wijnstok in een beeld van leven, het leven van Christus uiteraard. Wijn is een beeld van het leven, nieuwtestamentisch leven. Maar in plaats van leven zat er dood in de pot. Elisa zei “doe er maar meel in”. Hij had er verstand van, niet van het kookboek maar van Bijbelse dingen en van de schepping. Dat meel komt overigens hier in Matthéüs 13 ook ter sprake. Zoveel mooie dingen in de schepping zijn een beeld van Christus en van de zegeningen die Christus uitdeelt en wij in Hem kunnen ontvangen. Al die dingen hebben hun wilde variant. Iets dat er op lijkt, maar het niet is. De Schrift zegt dat we dat niet allemaal hoeven te onderzoeken. We hoeven niet te strijden tegen dat wat verkeerd is, want de Bijbel leert ons dat de strijd reeds gestreden is. Voor zover er gestreden moet worden, wordt dat door anderen voor ons gedaan. Wij kunnen het toch zelf niet, dus het heeft geen enkele zin. Niet strijden, niet schiften, geen onkruid verdelgen. De Heer geeft aan het te laten staan tot de oogst, dan wordt vanzelf duidelijk wat er verkeerd was. Omdat het in de eerste plaats gaat om mensen die de boodschap geaccepteerd hebben, weten wij in ieder geval dat op een moment in de nabije toekomst de oogst begint. Het eerste wat straks binnengehaald wordt zijn wij, de gelovigen van deze vijfde bedeling. Wij gaan het dan voor ons zichtbare Koninkrijk binnen. Dat is in de hemel, want wij zijn de eerste vruchten van de oogst en de eerste vruchten van de oogst zijn voor de Heer. Dat staat allemaal in de wet, in Leviticus en Deuteronomium. De eerstelingen-garf en de eerstelingen-broden zijn voor de Heer. De oogst is een flink ritueel (Leviticus 23). Eerst de eerstelingen (garf en broden), dan de gehele oogst. Maar de hoeken van het land mogen nog niet afgemaaid worden, want daarna komt er een nalezing. De oogst is een heel proces en in alles een beeld van het aanbreken van het Koninkrijk van Christus, straks op aarde. Mocht er hier op aarde onkruid tussen zitten; het blijft vanzelf achter. Het is maar de vraag hoeveel onkruid en hoeveel tarwe er in verhouding tot elkaar is. Het kon wel eens zijn dat er verhoudingsgewijs erg veel onkruid is. Boodschap die op de Bijbelse boodschap lijkt, waar mensen achteraan lopen maar wat onkruid blijkt te zijn. Dat is geen prettige gedachte maar het gebeurt wel. Eén ding is zeker, wij hoeven het onderscheid niet te maken en er niet tegen te strijden. Wij hebben alleen maar een verantwoordelijkheid om met het goede zaad om te gaan en ons te realiseren wie wij geworden zijn in Christus. Of het goed of kwaad is zal de Heer beoordelen. Als u maar van uzelf weet waar u staat, dat u de Bijbelse boodschap omtrent het Koninkrijk kent en geaccepteerd hebt. Dat u de boodschap aanneemt over de Koning, over wie Hij is en wat Hij voor ons geworden is. Dan hoort u ook te weten dat wij zelfs nu al deel uitmaken van dat Koninkrijk, al is het dan de verborgenheid van het Koninkrijk.

De gelijkenis van het onkruid heeft een negatieve betekenis. Dat komt omdat het niet gaat om het tarwe maar om het onkruid. Die tarwe, het goede graan werd al genoemd in de eerste gelijkenis, die van de zaaier. Dat hier nu weer een gelijksoortige gelijkenis naar voren komt is om de nadruk te leggen op het negatieve aspect, namelijk het kwaad dat er tussen zit. Niet alleen het tarwe werd gezaaid, maar ook onkruid. Wanneer het Koninkrijk gevestigd zal worden, zullen alle ongerechtigheden daaruit verwijderd worden. De onrechtvaardigen (= ongelovigen) zullen van de aarde worden weggenomen. Dat is niet de opname van de Gemeente, want daar worden juist de gelovigen van de aarde weggenomen. In de toekomst zullen eerst de gelovigen uit de huidige bedeling van de aarde weggenomen worden, omdat zij voor de hemel bestemd zijn. Daarna wordt het Koninkrijk op aarde gepredikt en gevestigd. Dat eindigt met de situatie waarin velen tot geloof gekomen zijn en zich onderworpen hebben aan de Koning. Mensen die dat niet hebben gewild, worden van de aarde weggenomen. Bij de opname van de Gemeente komen gelovigen in de hemel en dan zijn er in de hemel alleen nog maar gelovigen, wezens die zich aan Christus onderworpen hebben en Hem als Koning erkennen. Zo eindigt deze bedeling.

De ongelovigen worden van de aarde weggedaan en geworpen in de poel des vuurs, in de buitenste duisternis, waar het “wening zal zijn en knersing der tanden”. In de Schrift worden dus twee tijdstippen vermeld waarin mensen van de aarde weggenomen worden. De ene keer de gelovigen naar de hemel, de andere keer de ongelovigen naar de buitenste duisternis. Het moet duidelijk zijn dat dit ook noodzakelijk is. Mensen worden niet tot geloof gedwongen wanneer het Koninkrijk op aarde gevestigd is, maar als ze niet wedergeboren zijn, kunnen ze het Koninkrijk niet binnengaan. Dat zegt het Oude Testament, dat zegt de Here Jezus, dat zegt Paulus. Dit betekent dat de ongelovigen van de aarde moeten worden weggenomen, want dat Koninkrijk is hier op aarde. De Heer verwijdert ze dan ook uit Zijn Koninkrijk. Als de oogst daar is, zullen de arbeiders de ongerechtigheden wegnemen. De Heer zegt “laat dat maar aan Mij over”. Dat vind ik reden om bijzonder dankbaar voor te zijn. Wij hoeven ons niet druk te maken over wat fout gaat. Wij mogen ons als gelovigen van deze bedeling bezighouden met dat wat goed is. Dat wat de Heer ons gegeven heeft, ook als is het verborgen. Het kan slechts gekend worden uit de Schrift, datgene wat God rechtstreeks aan ons heeft willen openbaren. Het blijft voor de wereld en zogenaamde christenen verborgen omdat ze niet willen geloven. Laten wij ons daarom bezighouden met de dingen die ons gegeven zijn.

5. De gelijkenis van het mosterdzaad en de zuurdesem

31 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, hetwelk een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid;
32 Hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken. Matthéüs 13 : 31-32

Waar dit een beeld van is, is niet zo moeilijk. Via de concordantie vind je alle plaatsen in de Bijbel waar “mosterdzaad” genoemd wordt. Dan is eenvoudig vast te stellen dat mosterdzaad een beeld is van geloof. Het stelt niet veel voor, maar het kan heel wat worden. Mosterdzaad is bijna onzichtbaar. Het is spreekwoordelijk het minste onder alle zaden. Al had men slechts een geloof als een mosterdzaad, al had je nog zo’n klein geloof, het kan heel wat voortbrengen. Hier staat van het mosterdzaad dat het het meeste is onder alle moeskruiden. Nu moeten we deze verzen niet interpreteren alsof het gaat om een natuurkundeles. Er staat: “Hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken”. Daar gaat het fout. Dit is niet meer de beschrijving van een mosterdplant. Er bestaan diverse soorten, maar de hoogst bekende mosterdplant is met moeite twee meter. Het is een éénjarige plant die doorgaans 60 tot 120 centimeter hoog is. Het is een moeskruid, laag spul, maar het kan weliswaar wat doorschieten. Hoe dan ook het is geen boom. Het heeft weliswaar het kleinste zaad als je het vergelijkt met bloemkool of spinazie, maar het wordt de grootste plant. Dat is een beeld van een klein geloof waar je veel mee kunt doen en op grond waarvan je tenslotte wordt behouden; eeuwig leven ontvangt. Een geweldig resultaat uiteraard. Echter, net zo min als wij dat mosterdplantje kunnen laten groeien, kunnen wij iemand eeuwig leven geven. Dat doet de Heer. Een mosterdzaadje hoort helemaal geen boom te worden. Dit plantje groeit op en schiet vervolgens door. Het wordt een gedrocht. Sommige planten hebben dat, die kunnen doorschieten.

Vogelen des hemels

Het eigenaardige is dat er staat: “het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken”. Er is maar één plek in de Bijbel waar zo’n boom nog meer voorkomt. Ik weet niet of het een mosterdboom was, maar het was wel een boom die ontzettend groot werd, “alzo dat de vogelen des hemels nestelen in zijn takken”. Het is een betrekkelijk onbekend gedeelte uit Daniël 4: de droom van Nebukadnezar. Het is een hoofdstuk dat nota bene door Nebukadnezar zelf geschreven is. Hij schrijft dat hij een droom had en dat hij zijn droom vertelde aan Daniël. Hij vertelt over de boom die hij zag, die zo groot werd dat de dieren des velds in zijn schaduw leefden. De boom gaf vruchten en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken. Het ging echter wel fout met de boom, want er kwam een stem uit de hemel die zei: “hak de boom om”. Die boom is daar een beeld van Babel, van de koninkrijken der aarde. Niet van het Koninkrijk van Christus, maar van de koninkrijken van mensen. Van Nebukadnezar, van Nimrod, van Babel. Babel is de plaats waar de koninkrijken der aarde hun oorsprong vinden. Of dat nu is bij de spraakverwarring of bij Nebukadnezar en de ballingschap van Israël, dat maakt niet uit. Bij Babel beginnen de volkeren der aarde en bij Babel zullen diezelfde volkeren ook eindigen. Wat we in de toekomst verwachten in verband met de openbaring van het Koninkrijk van Christus hier op aarde, is dat Babel geoordeeld zal worden (om dat mogelijk te maken is Babel nu al grotendeels herbouwd). Die boom in Daniël 4 heeft een negatieve betekenis en moet omgehakt worden.

In de Bijbel hebben vogels vaak een negatieve betekenis, zo blijkt ook uit de een geschiedenis met Abraham. Hij moest offerdieren in tweeën hakken en uiteen leggen, maar ondertussen was hij druk bezig om vogels weg te jagen (Genesis 15 : 10-11). Nu komt het wegjagen van vogels wel vaker voor in de Bijbel, maar het staat er hier specifiek bij. Die vogelen des hemels zijn een beeld van de machten in de hemel, de machten der lucht. Kortom, van satan en zijn engelen. Vogels leven in de hemel, in de eerste hemel, en zijn een beeld van de onzienlijke wezens die ook in de hemel wonen. Dat zijn demonen, gevallen engelen en in hoogste instantie satan. Dat is negatief. Deze vogels uit Matthéüs 13 die in die boom nestelen, zijn dezelfde vogels van twee gelijkenissen eerder, die het zaad langs de weg wegpikten; het goede zaad wat gezaaid was. De vogels hebben ook daar een negatieve betekenis. Dat staat er ook: het is de boze en de macht van de boze. Een ander voorbeeld is de bakker bij Jozef (Genesis 40 : 16-17). Hij droomde dat hij voor de farao brood ging brengen in een korf boven zijn hoofd. De vogelen des hemels waren daar ook bij en die pikten van dat brood. Er wordt vervolgens gezegd dat hij na drie dagen opgehangen zou worden. Het gaat over de boze en dat blijft het door de hele Schrift. Het zijn geen engelen, het is de Heer zelf niet, maar het is satan en zijn engelen.

In die gelijkenis van het mosterdzaad gaat het over wildgroei. Het is iets wat groot is, wat imponerend is, net als in Daniël 4. Het gaat daar over Nebukadnezar, die zou zeggen “is dit niet het machtige Babel dat ik gebouwd heb”. Toen werd hij prompt krankzinnig verklaard en terecht, want hij had moeten weten dat hij dat niet gebouwd had. De Here des hemels geeft de koninkrijken aan wie Hij wil. Waar de mensheid zo van onder de indruk was en zo trots op was, dat was een wangedrocht. Het was niet naar de wil van de Heer. Hoe hard de mens er ook aan werkt om het mosterdzaadje groot te laten worden, het is in strijd met de wil van
de Heer. Het ging over de verborgenheid der hemelen en wat van het Koninkrijk hier op aarde terecht komt in de tijd van de verborgenheid van het Koninkrijk. Dit is iets wat heel nietig was en zich ontwikkelde tot iets groots. Iets wat grote invloed en macht heeft in de wereld. Dat is niet de wil van de Heer. Daar maakt satan gebruik van. Hij nestelt daarin en legt er zijn jongen in.

De enige andere verklaring die wel eens gegeven wordt, illustreert precies wat het niet betekent. Die uitleg is namelijk dat die boom de kerk voorstelt. Het begint met geloof en het wordt machtig in de wereld. Dat begint met bouwen van grote torens (zoals in Babel). Het moest groot worden maar het was Babel. Zo zegt men dat het mosterdzaadje van het geloof, de kerk voorstelt. Die moet groot en machtig worden zodat de Heer en de engelen zich daarin thuis voelen. Dat staat hier niet. Hier staat dat het negatief is, dus mag je niet die betekenis wijzigen. Overigens typeert men met zo’n uitleg precies hoe het zit en wat er gebeurd is met de prediking van het Koninkrijk. Men predikte het groot worden van de kerk in de wereld. Maar de werkelijkheid is dat Christus verworpen wordt in de wereld. Als de kerk geaccepteerd wordt en Christus niet, dan zit er met de kerk iets verkeerd, niet met Christus.

Zuurdesem

Uit de volgende gelijkenis – van de zuurdesem – blijkt het voorgaande ook, want we krijgen met hetzelfde principe te maken.

Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zuurdesem, welke een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. Matthéüs 13 : 33

Eerst was er uiteraard meel. Drie maten fijn meel. Dat is hetzelfde meel dat Elisa in de pot deed waar de dood in zat en dat Abraham gebruikt als maaltijd voor de Heer, toen de Heer bij hem op bezoek kwam (Genesis 18). Abraham liet door Sara drie maten fijn meel kneden en tot koeken maken. Een vrouw in de Bijbel is een beeld van de schepping, van deze wereld. Echter omdat de wereld, de schepping, afvallig is geworden van de Schepper, heeft de vrouw in de Bijbel over het algemeen een negatieve betekenis. Niet altijd uiteraard, want God maakt een nieuwe schepping. Vandaar dat de Bijbel ook zegt: “Zie Ik schep wat nieuws, de vrouw zal de man omvangen” (Jeremía 31 : 22). Er komt een tijd waarin de vrouw haar man wel degelijk zal omvangen en trouw zal zijn, maar dat hangt samen met de nieuwe schepping. De vrouw in de Bijbel is in ieder geval een beeld van Israël. Daar geldt hetzelfde voor, want de geschiedenis van Israël is een geschiedenis van ontrouw en van een mislukt huwelijk. Ook Babel wordt in Openbaring een hoer genoemd, namelijk als een vrouw die zit op vele wateren, zijnde vele volkeren. De vrouw Babel regeert over de volkeren der aarde. In deze gelijkenis gaat het ook over een vrouw die ongerechtigheid doet. Een vrouw die zuurdesem verbergt in dat wat voor de Heer bestemd is, met als consequentie dat het helemaal doorzuurd raakt. Als er feest gevierd moet worden van de Heer, dan is het een feest van ongezuurde broden, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament.

Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. 1 Korinthe 5 : 7

Zuurdesem is een beeld van de zonde, van de oude mens en van de oude wereld. Daarom staat zuurdesem voor alles dat bederft. Het belangrijkste van zuurdesem is dat het deeg is van de vorige dag(en) en gebruikt wordt om in een nieuw deeg te doen. Dat wordt altijd gedaan, maar moet niet. Het gevolg is dat je met verzuurd brood, eigenlijk bedervend brood zit. Verzuring houdt in dat iets zich verbindt met zuurstof. Als je dan ook dood en verderf wilt weergeven met een symbool, een type, dan is dat zuurdesem. Wij vinden het lekker, dat is bij wijze van spreken erg genoeg, maar het is bederf. Zuurdesem staat voor wat uit deze wereld afkomstig is, voor wat ze voortbrengt en dus voor de zonde. Waarom zijn wij zondaren? Omdat we van gisteren zijn, omdat onze ouders dat waren. Er zit iets in van een voorgaande generatie en uiteindelijk van Adam. Dat is de werking van de zuurdesem. Wij zijn “erfelijk belast”. Zelfs van Adam wordt gezegd dat hij zondigde, omdat hij gemaakt was uit een oude aarde. Hij werd gemaakt uit het stof der aardbodem. Er zat iets in van gisteren. Van Adam wordt gezegd dat hij uit de aarde genomen en dus aards was en daarom keert hij tot de aarde weer, “want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”. Vervolgens wordt hij vergeleken met de tweede Adam in 1 Korinthe.

De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Here uit den hemel. 1 Korinthe 15 : 47

In de tweede Mens zit geen zuurdesem. Hij is niet uit die oude wereld afkomstig, maar uit de hemel. Dat is het verschil. Zuurdesem komt uit de oude wereld. Als het feest van de ongezuurde broden gevierd wordt, is dat omdat er iets tot stand is gekomen waar niets van gisteren inzit; een totaal nieuw begin, een nieuwe schepping dus. In de Bijbel wordt zuurdesem het meest genoemd in verband met valse leer. “Wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën” en vervolgens “wacht u voor de zuurdesem van de Sadduceeën” (Matthéüs 16 : 6) en “wacht u voor de zuurdesem van Herodes, der Herodianen” (Markus 8 : 15). Het gaat hier om leringen die alle drie vals zijn. Ze hadden allemaal een kern van waarheid. De Sadduceeën bestudeerden de Bijbel, alleen ze geloofden het niet. Het was hun vak, ze hadden ervoor gestudeerd en de gewone man dacht dat ze het wel zouden weten. Dat konden ze ook wel, maar ze wilden het niet. Tegenwoordig wordt dat vrijzinnigheid genoemd. Ze geloofden bijvoorbeeld niet in de opstanding. Ze zullen ook wel niet geloofd hebben dat Jona in de vis kon. Maar als God in staat is een vis te maken, is Hij zeker in staat te zorgen dat Jona in een vis terecht komt.

Er wordt ook gezegd: “wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën”. Dat zijn ook Schriftgeleerden. Die zijn niet vrijzinnig maar orthodox. Orthodox betekent niet trouw aan de Bijbel, maar trouw aan de leer. Ze zeggen zelf “de leer der vaderen”, de leer die hen overgeleverd is. Nu heb ik daar niets op tegen, want het meeste wat ik weet is mij ook overgeleverd. Ik ben ook al de derde generatie van mensen die de Schrift onderzoeken, dus ik heb niets tegen dat soort traditie. Als het maar getoetst wordt aan de Schrift en dat gebeurde niet. Als je bij een Farizeeër aankwam met “de Schrift zegt”, dan kreeg je als antwoord: “ja, de Schrift kan zoveel zeggen; dat staat daar, maar als je nu dat vers neemt, dan staat daar precies het tegenovergestelde”. De Farizeeërs kenden de Schrift zo goed, dat ze precies wisten hoe ze de Schrift moesten ontkrachten. Dan heb je dus precies het verkeerde geleerd. Wat je moet leren is juist hoe de Schrift zichzelf bevestigt. Dat probeer ik u te laten zien. We noemen dit zuurdesem der Farizeeën of zuurdesem der orthodoxie. De Heer noemt hen adderengebroed. Zorg dat je er niet bij in de buurt komt, ze zijn giftig.

Dan is er nog de zuurdesem der Herodianen. Men zei dat Herodes en het koningshuis van Herodes – hij is overigens een edomiet, een arabier – de vervulling zou brengen van de Messiaanse belofte. Zij zouden het koninkrijk oprichten en het Koninkrijk van de Messias was het koninkrijk van Herodes. Zo was het in het Oude Testament voorspeld. Kortom, Herodes zou de Joden moeten verlossen van hun vijanden. Vandaag hebben we ook te maken met Farizeïsme, een leer der vaderen die op geen enkele wijze met de Bijbel in verband gebracht kan worden. We hebben te maken met vrijzinnigheid die Bijbelteksten overal voor gebruikt, als het maar uitkomt. Men gelooft het toch niet dus het maakt hun niet uit wat men ermee doet. Dan heb je nog mensen die menen dat de oprichting van het Koninkrijk op één of andere wijze door hen vervuld dient te worden. Zij willen wel iemand aanwijzen die dat uitvoert. Herodes in het verleden, en wat dacht u van Theodor Herzl. Die dacht ook de Messiaanse belofte te kunnen vervullen. Men leest de Bijbel en als je niet oplet dan lijkt het waar, maar het is onkruid. Het lijkt er ontzettend veel op, maar men gelooft die Schrift niet. Als men zou geloven, zou men zeggen mét die kleine groep orthodoxe Joden in Jeruzalem, dat dit koninkrijk, dit rijk van Israël, deze staat Palestina, deze joodse staat verdwijnt. De vervulling van de Messiaanse belofte vindt pas plaats nadat de Messias wedergekomen is. Eerst de Messias, dan Zijn rijk en niet andersom. Er zijn slechts enkelingen die het nog weten. Zelfs binnen het Christendom en de Maranatha-beweging weet men het niet meer. Men verwart onkruid met tarwe en denkt dat de beloften van God vandaag aan de dag in Palestina in vervulling gaan. Er gaan wel profetieën in vervulling, maar dat wil nog niet zeggen dat wat de Heer doet, de vervulling is van de Messiaanse Belofte. Wat de Heer beloofd heeft, is dat als Israël tot bekering gekomen zou zijn, Hij zal verschijnen. Dat Hij Zijn Koninkrijk zou oprichten en Zijn volk terug zou verzamelen naar het land.

De zuurdesem van Herodes bestaat vandaag nog. Men streeft op godsdienstige grond politieke idealen na en denkt als gelovige dat men het Koninkrijk van Christus op aarde moet openbaren. Dat is onbijbels, dat is Babel. Of het is een mosterdboom, doorzuurd deeg. Het is niet wat wij misschien aanzien voor de ontwikkeling van het Koninkrijk der hemelen in de wereld van vandaag. Het is Babel en de Bijbel noemt dat de hoer, de afvallige. Zij die de vrouw had kunnen zijn, blijkt de hoer te zijn. Zij die de Heer trouw moest zijn – dat kun je van de kerk zo zeggen – is in werkelijkheid ontrouw. Ze dient alles en iedereen behalve de Heer. Ik heb het niet over de individuele gelovigen, maar over het instituut. Predikanten en geestelijke leiders weten precies wat ik bedoel behalve de gemiddelde kerkganger, die krijgt maar wat op de mouw gespeld. Van hetgeen men op de meest orthodoxe theologische hogescholen moet leren rijzen de haren je te berge. In ieder geval geloven ze geen letter van de Schrift. Verhalen waar je een mooie preek van kunt houden op zondag, maar het is wel onkruid zoals de Schrift zegt.

Wat er gebeurt en wat God werkelijk doet komt aan de orde in de drie volgende gelijkenissen, opdat we zouden weten hoe het wel moet. Maak u niet druk om negatieve dingen, zoals het onkruid. U kunt zich beter richten op de dingen van de Heer en uzelf persoonlijk aan de Heer overgeven. Dan komt er niet zo’n rare boom en dan komt er geen doorzuurd deeg, maar dan komt er ongezuurd brood. Dan gaat in vervulling wat de Korinthebrief zegt: “Gij zijt ongezuurd”. Want wij zijn verlost van de zonde, maar ook van alle eigenwaan en uiterlijk vertoon. Laten wij maar klein zijn, met een geloof als een mosterdzaadje, maar in ieder geval in overeenstemming met dat wat de Heer zich had voorgesteld. De drie gelijkenissen tot dusver beginnen alle drie met “een andere..” (vers 24, 31 en 33) en alle drie spreken ze over de negatieve kant. Daarna, vanaf vers 44 spreken drie gelijkenissen over wat er goed gaat. Wat God doet en wat tot het doel komt. Dat zijn drie gelijkenissen die beginnen met “Wederom..” (vers 44, 45 en 47). Het volgende patroon is dan te zien:

KarakterOnderwerpToehoorders
NeutraalDe zaaierScharen en discipelen.
NegatiefOnkruid. Mosterzaad. Zuurdesem.
PositiefSchatin de akker. Schone paarlen. Visnet.Discipelen.
NeutraalOude en nieuwe dingen.

Er is dus sprake van één neutrale, drie negatieve, drie positieve en weer één neutrale gelijkenis. U zult zien dat in die groep alle drie gelijkenissen dezelfde betekenis hebben. De gelijkenis van het onkruid heet niet voor niets zo. Het gaat niet om het tarwe maar om het onkruid. Om wat er verkeerd gaat. Dan wordt er gezegd dat God al wat er verkeerd gaat zal laten staan en God beveelt ook Zijn dienstknechten het te laten staan, want aan het einde der eeuw – bij het eind van de oogst – zal er onderscheid gemaakt worden tussen het onkruid en het tarwe. De dienstknechten willen het weghalen, maar moeten het van de Heer laten staan. Bovendien wordt er in de verklaring van de gelijkenis gezegd (vers 41) dat de Zoon des mensen Zijn engelen zal uitzenden en zij zullen uit Zijn Koninkrijk al de ergernissen vergaderen en degenen die de ongerechtigheid doen. Niet de mensen, maar de engelen zullen aan het einde der eeuw de ongerechtigheden en de mensen die ongerechtigheid doen uit het Koninkrijk wegdoen. Dat wil zeggen dat ze van de aarde weggenomen zullen worden. Niet naar de hemel, maar naar het dodenrijk. Zij zullen worden gedood. Feitelijk is het de poel des vuurs. Ze worden geworpen in de buitenste duisternis waar wening is en knersing der tanden. Deze term wordt in bijna alle gelijkenissen herhaald en bijna uitsluitend in gelijkenissen gebruikt. De ongerechtigheden worden aan het einde der eeuw weggedaan, op het moment dat het Koninkrijk van Christus gevestigd is en geopenbaard is op aarde. Dat is de oogst. De rechtvaardigen (gelovigen) gaan in en de onrechtvaardigen (ongelovigen) worden van de aarde weggenomen. In deze reeks van acht gelijkenissen staan de eerste en de laatste min of meer apart. De tweede, derde en vierde gelijkenis (het onkruid, het mosterdzaad en de zuurdesem) vormen een groep. Ze beginnen alle met “een andere gelijkenis” en spreken over de negatieve dingen, dat wat fout gaat in verband met de verborgenheid van het Koninkrijk. Vervolgens volgen drie gelijkenissen die alle drie beginnen met “wederom”. De andere drie gelijkenissen spreken over dat “wat een ander” deed. Nu gaat het in de komende drie over wat God doet.

6. De schat in de akker en de parel van grote waarde.

De Heer maakt onderscheid tussen de volkeren en zegt “als het Koninkrijk komt, begint het bij Israël”. Dat is niet een achterstelling van Israël maar eerder een voortrekken, een uitverkiezing van Israël. Israël heeft tot op heden als volk niet gewild. De Here acht het niet wenselijk om die dingen die God zou doen nadat Israël de Here Jezus als Messias verworpen zou hebben, te openbaren aan Israël. Als Israël niet wil dat Deze over hen Koning zij, waarom zou God dan Zijn verdere wil aan Israël openbaren. Die wil van God ligt wel degelijk vast in de Persoon van de Here Jezus, de Messias Israëls. Als men Hem niet wil, ontvangt men niets. Er is geen alternatief. Er is onder de hemel nog steeds geen andere naam gegeven waardoor mensen zalig worden en gezegend kunnen worden. Dat kan alleen door Hem. In deze gelijkenissen wordt op verborgen wijze uiteengezet wat Gods werk zou zijn in de tijd waarin Israël haar Messias zou verwerpen, in de tijd die ligt tussen het lijden dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daaruit volgende (1 Petrus 1). Over die tijd spreekt Matthéüs 13 en spreken de gelijkenissen, zelfs alle gelijkenissen in de Bijbel doen dit. Dat betekent dus dat deze gelijkenissen niet slechts spreken over de Gemeente en de tijd waarin wij nu leven, maar ook over de tijd die nog volgt, nadat de Gemeente van de aarde is weggenomen. Eén ding is zeker: wij als Gemeente horen niet op de aarde en voordat God met Zijn werk op aarde verder gaat, zal Hij ons wegrukken en dan zullen wij voor altijd bij de Heer zijn. Ook daarna duurt die verborgenheid van het Koninkrijk nog voort, want pas daarna zal het Koninkrijk op aarde gevestigd worden. Als dat gebeurd is, dan is al de verborgenheid Gods vervuld, zoals Openbaring dat zegt. Opnieuw wordt nadrukkelijk gesproken over die verborgenheid in de volgende gelijkenis.

Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat, in den akker verborgen, welken een mens gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker. Matthéüs 13 : 44

De aandachtige lezer heeft de verklaring van deze gelijkenis al in handen. Er staat dat een mens iets vindt en weer verbergt. Wat is er verborgen? Het Koninkrijk natuurlijk. Het heeft dus te maken met een bepaald aspect van het Koninkrijk. Wie is degene die de schat verwerft? Wel, als die schat een onderdeel is van het Koninkrijk, dan is degene die zich die schat verwerft en de schat koopt niemand anders dan de Heer zelf. Dat is echter niet de gangbare verklaring, waaruit je kunt zien dat de dingen die verborgen zijn voor hen die niet geloven, ook inderdaad verborgen blijven! Al staat het zwart op wit in de Bijbel en kan een kind ze er bij
wijze van spreken uithalen, theologen begrijpen het niet! Het eigenaardige is dat mensen, die in feite niets van God willen weten en liever hun eigen leven leiden dan zich te onderwerpen aan de wil van hun Schepper, de Bijbel lezen en daarbij niet aan God, maar aan zichzelf denken. Veel mensen, waaronder ook christenen, denken dat het om ons gaat en denken dat de Heer er is om ons. Ik zal niet ontkennen dat de Heer heel wat voor ons deed, doet en ook doen wil, maar het neemt niet weg dat wij de zaak omdraaien als we er niet aan toevoegen dat de Schepper er niet is ten behoeve van de schepping. De schepping is er tot eer van de Schepper. Wij zijn er voor Hem en niet andersom en als je zo de Bijbel leest dan denk je in alle gevallen eerst aan God. De Bijbel is Christocentrisch, dat wil zeggen dat het centrale onderwerp in de Schrift Christus is. Of zoals in het boek Openbaring staat: “het getuigenis van Jezus is de geest der profetie” (Openbaring 19 : 10) of andersom: de inhoud van de profetie is het getuigenis van Jezus. Daar gaat het hier ook om. In de algemene theologische verklaring wordt de man die de schat vindt op “ons” toepassing gebracht. Men leest deze gelijkenis en denkt: “wat moeten wij daarmee, wat draagt de Heer ons op”, want men wil graag wat doen. De Bijbel zegt echter dat al wie niet werkt, maar gelooft in Hem die zondaren rechtvaardigt, zijn geloof gerekend wordt tot gerechtigheid (Romeinen 4). God verwacht helemaal niets van ons, maar geeft ons alles dat wij nodig hebben. God handelt met ons in genade.

Er staat hier dat er een mens was die een schat vond in de akker en vervolgens alles van zichzelf verkocht om die schat te kunnen kopen. Dan is de officiële verklaring: die man zijn wij en die schat dat is Christus. Als we Hem hebben willen, moeten we eerst alles verkopen wat we hier hebben, alles loslaten en dan vinden wij Christus. Dat is een mooi vroom verhaal, maar het is niet waar. Wij hoeven er niets voor te doen om de Heer te ontvangen. Daar gaat het hier ook niet over. Bovendien zou ik dan wel eens willen weten wat die akker voorstelt en wat die schat precies voorstelt. Is dat Christus of de zaligheid en is die begraven hier in de grond? Dat is toch niet zo? De Bijbel leert ons immers dat wanneer wij ons richten op de verheerlijkte Christus dat we dan eeuwig leven ontvangen? Christus is niet hier in de aarde. Hij is niet in de akker, maar in de hemel. Dus dat is volstrekt onmogelijk. Die akker is de wereld, staat een paar verzen eerder (vers 38). Het gaat hier weliswaar om een andere gelijkenis, maar die dingen veranderen niet van het ene moment op het andere. De akker is de wereld en Christus is niet verborgen in de wereld. Christus is verborgen in de hemel. Niet hier op aarde, want hier is Hij niet. Dat is wat ook letterlijk tegen de discipelen gezegd werd, al was dat wat vooruitgrijpend. Men zei: “hier is Hij niet, wat zoekt gij de levende bij de doden”. Later lezen we dat Hij opvoer ten hemel. Je kunt alles verkopen wat je hebt en je kunt er alles voor doen, maar je vindt Christus hier niet. Bovendien, als waar is dat de akker de wereld is, dan zou dat betekenen dat we de wereld moeten kopen om behouden te worden. Dat is onzin. “Die mens” waar het hier om gaat, zijn wij niet, maar het is dé Mens, de Zoon des mensen, Christus Zelf. Hij vond iets in de akker, waarbij de akker een beeld is van deze wereld. Hij vond een schat in de akker, in de wereld en verborg hem. Dat is eigenaardig. Wij zouden zeggen dat als je een schat vindt je hem dan opgraaft. Maar de Heer vond de schat en begroef hem weer in de wereld en verdwijnt. Er staat “en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt dienzelven akker”.

Het aardige van het verhaal is dat het niet af is. Want nu is de vraag wat er van die schat terecht is gekomen. Dat is een moeilijke zaak. Die schat zal uiteindelijk weer opgegraven worden. Dan is, wat die schat betreft, de verborgenheid vervuld, voorbij en aangezien wat daarna gebeurt niet meer hoort tot de verborgenheid, eindigt het hier mee. Wat is nu die schat? Het Griekse woord voor schat komt ook in de Griekse vertaling van het Oude Testament voor. Daar is het een aanduiding van het speciale bezit van een koning. Het eigen vermogen van de koning.  Over zo’n eigen vermogen gaat het in de Bijbel ook. Het gaat in 1 Kronieken 29 om het eigen vermogen van David van waaruit hij middelen bestemt voor de bouw van de tempel, die zijn zoon Salomo bouwde. Maar David leverde wel degelijk kapitaal en goederen voor de bouw van de tempel.

En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, geef ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, geef ik tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik ten huize des heiligdoms bereid heb. 1 Kronieken 29: 3

Er wordt door David gesproken over zij gave van bijzonder goud en zilver aan het huis Gods. Het is de vertaling van het woord “sekoela” en dat betekent “schat”. Het gaat over het persoonlijk bezit van een koning. Zo komt het nog een paar keer meer voor in de Bijbel. De meeste keren dat het woord “schat” in de Bijbel voorkomt, is het van toepassing op Israël en niet op een letterlijke schat. Dat is ook het antwoord op de vraag wat die schat voorstelt, namelijk Israël. Dat is bekend door de profetieën van Exodus 19, bij de uitverkiezing van Israël en het verlost worden uit Egypte.

Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendomzijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn; Exodus 19 : 5

Die uitdrukking “mijn eigendom” is de vertaling van datzelfde woord “sekoela”. Het eigendom van de koning. Want de Heer die Israël verloste uit Egypte is de Koning van Israël. Hij noemt Israël Zijn bijzondere schat. Het Koningschap van deze Heer gaat verder dan alleen Israël; Hij zou Koning zijn over alle volkeren. Van al die volkeren en hun bezittingen, van die gehele aarde is Israël het speciale eigendom van de Koning Zelf. Het privébezit. Dit wordt hier van Israël gezegd en later in de Bijbel nog vele malen herhaald: Deuteronomium 7 : 6, 14 : 2 en 26 : 18, Psalmen 135 : 4, Maleáchi 3 : 17. Daar komt het voor en wordt het gebruikt voor Israël. Het volk dat het eigendom van de Heer zou zijn, wordt in Matthéüs 13 voorgesteld als de schat in de akker. De akker is immers de wereld en in deze wereld bevindt zich het bezit van de Koning van het Koninkrijk der hemelen, namelijk Israël. De Koning vindt Israël dus in deze wereld. Het begint dat de schat in de akker verborgen was, en vervolgens komt die heer en vindt de schat. Dat is precies de situatie van Israël waarover bijvoorbeeld Exodus 19 spreekt, namelijk over Israël dat verborgen was in de wereld, een volk dat er eerst helemaal niet was. In de volkerentafel van Genesis staan de 70 volkeren der aarde waarin de mensheid verdeeld is, maar daar staat Israël niet bij. Dat moest nog voortspruiten, afstammen uit één van die andere volkeren. Israël als volk kwam tot stand in Egypte.

De Heer vond Israël en riep haar uit Egypte, zoals hij ook Abraham vond en hem riep uit Ur der Chaldeën. Beide gebeurtenissen drukken dezelfde waarheid uit: dat wat eerst verborgen was, wordt gevonden door de Heer. Dan gebeurt het volgende: die mens vond die schat en “verborg dien”. Nadat Israël gevonden en verlost was uit de volkeren, werd het weer door de Heer onder de volkeren verborgen. Dat is ook de Israëls geschiedenis. Het is getrokken uit deze wereld, dus vanuit de volkeren verzameld, maar vanwege hun ongeloof weer terug verstrooid onder de volkeren. De Heer vond die schat en verborg die daar waar hij vandaan kwam, namelijk in de akker, in de aarde. De mens is blij met wat hij gevonden heeft. Hij gaat weg en verkoopt al wat hij heeft en koopt vervolgens niet alleen de schat, maar de hele akker. Daar eindigt deze gelijkenis.

Verbergen is hier een tweeledige zaak. Israël en de Heer zien elkaar niet meer. Dat is in feite gebeurd door de hemelvaart van de Here Jezus. Daar verborg Hij zich en vervolgens verborg Hij Israël in ballingschap, verstrooid onder de volkeren. Dat is de geschiedenis. Op het moment dat de Heer Israël verborg, ging Hij heen en verkocht al wat Hij had. Wat verkocht de Heer? Hier wordt niet gesproken over de kruisdood van de Here Jezus, maar over het feit dat de Heer Zijn bezittingen verkocht. Dat betekent op zijn minst dat Hij daarvoor wat in de plaats kreeg. Wie verkoopt uit persoonlijke bezittingen, krijgt daar geld voor. Het is geen verlies. Als hier van de Heer staat dat Hij heenging en alles verkocht wat Hij had, dan betekent dat niet dat Hij verlies leed. Daarom gaat het ook niet over Zijn dood. Het gaat over wat de Heer opgaf na Zijn hemelvaart, eigenlijk door Zijn hemelvaart. De Schrift leert dat de Here Jezus door Zijn opstanding Zoon werd en de Erfgenaam van de hele schepping. Hij werd de definitieve en eeuwige Koning van het Koninkrijk. Vanaf dat moment had Hij recht op alle macht in hemel en op aarde. Dat zegt Hij Zelf ook na Zijn opstanding en voor Zijn hemelvaart. In Hebreeën zegt Paulus precies hetzelfde daarover, namelijk dat Hem alle dingen onderworpen zijn maar wij zien dat nog niet (Hebreeën 2 : 8). De gedachte is dat alle dingen Hem onderworpen zijn en dat Hij recht had op Zijn Koningschap in deze wereld, op de troon van Zijn vader David in Jeruzalem, maar in plaats daarvan trok Hij zich terug. Hij ging heen en verkocht al wat Hij had. Dat was een Koninkrijk in deze wereld en dat gaf Hij op. De Romeinenbrief leert dat de Heer Zich overgegeven heeft voor goddelozen, voor onrechtvaardigen, voor zondaars en voor de hele wereld (Romeinen 5 : 6). Dat is niet hetzelfde als de Gemeente. De Gemeente bestaat niet uit goddelozen, onrechtvaardigen en zondaars. Die bestaat uit rechtvaardigen, uit hen die in Christus volmaakt zijn. Éfeze 5 leert dat de Heer Zich voor hen (de Gemeente) heeft overgegeven (Éfeze 5 : 2) en dat de Heer Zijn recht op de aardse troon opgegeven heeft en Zich als gevolg daarvan teruggetrokken heeft in de hemel. Het was een kwestie van uitstel, van verandering. Hij heeft immers wel een Koninkrijk, maar verborgen, niet in de zienlijke, maar in de onzienlijke wereld. Hij heeft het één verwisseld voor het ander. Dat is ook zo ongeveer wat je doet als je alle dingen verkoopt. Door de positie van de Here Jezus nu, als Hogepriester in de hemel, heeft Hij niet alleen het recht verkregen over Israël maar zelfs over de hele schepping, over alle volkeren, over de hele akker. Inclusief Israël, de schat in de akker. Tot zover gaat de gelijkenis.

In de toekomst zal de Heer die akker in Zijn bezit nemen en die schat opgraven. Dat laatste spreekt over de toekomstige terugverzameling van Israël, na de wederkomst. Hij zal toch eerst moeten komen naar de akker om Zijn persoonlijke bezit, het volk dat Hem ten eigendom was, het Koninklijk priesterdom, op te graven. Dat is best letterlijk te nemen, want als de Schrift spreekt over de toekomstige bekering van Israël, dan zegt bijvoorbeeld Ezechiël 37 : 12 dat de Heer Israël uit haar graven zal doen opkomen. Dan blijkt Israël in een graf te zijn, want Israël is begraven in deze wereld. Israël is gestorven en dood onder de volkeren. De Schrift zegt ook dat Israël uit haar graven zal opstaan en weer op zijn voeten zal staan, “een gans zeer groot heir” (Ezechiël 37). Dat gaat bij de wederkomst van Christus met Israël gebeuren. Bij die gelegenheid wordt uiteraard het Koninkrijk over Israël gevestigd. Deze dingen zijn helemaal niet verborgen zijn, omdat de profetieën er over spreken. In Ezechiël 37 staat niet hoe ze in die graven gekomen zijn, maar wél staat er dat de Heer ze uit die graven tevoorschijn zal halen. Hoe ze erin gekomen zijn staat in deze gelijkenis. Het vervolg op deze gelijkenis is gewoon te vinden in de direct geopenbaarde oudtestamentische profetieën die spreken over de oprichting en openbaring van het Koninkrijk van Christus.

De volgende gelijkenis is ook van een mens die verkocht en kocht om iets bijzonders te verkrijgen.

45 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een koopman, die schone parelen zoekt,
46 Dewelke, hebbende een parel van grote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve. Matthéüs 13 : 45-46

De overeenkomst tussen beide gelijkenissen is dat ook hier iets gevonden en gekocht wordt. Alleen bij de schat werd de hele akker gekocht en hier wordt alleen de parel gekocht, niet de zee. De schat komt uit de aarde en is een beeld van Israël. De parel uit de zee is het beeld van de Gemeente. Die schat spreekt van het aardse volk van God en zo spreekt de parel van het hemelse volk van God. God heeft immers nog een volk wat Hij op gelijksoortige wijze Zich ten eigendom verwerft. Alleen deze parel, een beeld van de Gemeente, wordt gevonden in de zee, wat in de Bijbel een type is van de volkeren. De Gemeente wordt verzameld uit alle volkeren.

Een parel ontstaat door het lijden van de oester, die in de schelp woont. Wanneer een vreemd voorwerp die schelp binnen dringt, dan zet die oester een bepaalde stof af, parelmoer. Dat verhardt zich en groeit alsmaar door. Een parel is dus een zandkorreltje met een zeer waardevolle stof er omheen. Het begint echter met gewoon zand, met dat wat de aarde is. Het is eigenlijk dezelfde achtergrond als de schat die in die akker ligt. Nu echter gelouterd door lijden en tot stand gebracht in een prachtige vorm namelijk rond, een beeld van de eeuwigheid. Deze parel bestaat uit veel kleuren en dat spreekt van de veelkleurige wijsheid Gods, genoemd in Éfeze 3 in verband met de Gemeente. Bovendien spreekt dezelfde Éfezebrief over de Gemeente als een eenheid, een volmaakte eenheid in Christus. Een parel splitsen of in stukken breken lukt niet; een parel verpulvert. Je hebt of een parel of je hebt niets. Verbroken worden kan niet want het lichaam van Christus is één en volmaakt. Het bestaat of het bestaat niet, te delen is het niet. De Gemeente is als een parel, gehaald van de bodem van de zee, uit de volkeren. Zo zie je dat in de verborgenheid van het Koninkrijk Gods, God zich in feite twee volkeren verkiest. Niet gelijktijdig maar na elkaar, hoewel de volgorde hier omgedraaid is. Er wordt eerst gesproken over die schat, het oudste volk, het volk dat God aanvankelijk vond in deze wereld. In de verborgenheid gaat het eerst om die parel, om dat volk dat verzameld wordt uit de heidenen voor Zijn naam. Een parel is ook een persoonlijke schat, alleen heet het hier niet zo. Het is een volk voor de naam van God maar dan in verband met de hemel, met een hemelse bestemming. Daarna wordt ook een volk verzameld uit de heidenen, maar dan met een aardse bestemming en dat is Israël. Dat is de overeenkomst. Voor beide volkeren heeft de Heer Zich overgegeven.

God “vertraagt de beloften niet, gelijk sommigen dat achten, want God is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan” (2 Petrus 3 : 9). In die tijd van “traagheid” leven wij. In de tijd waarin de wederkomst van Christus als het ware uitgesteld wordt. In die tijd doet de mens negatieve dingen (onkruid zaaien, mosterdzaad zaaien en zuurdesem in meel), maar de Heer doet positieve dingen (schat in de akker winnen, parel gewinnen en allerlei vissen bijeen brengen). Een schat is geen natuurlijk produkt, het is iets wat gemaakt en verzameld is. Met de Gemeente ligt dat iets anders. De Gemeente is uitverkoren in Christus van vóór de grondlegging der wereld. De Gemeente is één geheel met Christus, volmaakt in Hem en een volledig natuurlijk produkt. Het ontstaat gewoon in de natuur en is een produkt van Gods werk, een produkt van de Schepper. Wij bouwen het niet, maar het is wat de Heer Zelf tot stand brengt en Zich verkozen heeft. Is het niet geweldig te weten dat wij deel uitmaken van die parel? Dat wij Hem ten eigendom gekocht zijn. De Heer is heengegaan en sommigen maken zich er druk om dat de Heer weg is. Maar maakt u zich niet ongerust; Hij koopt ons. Hij verkiest Zich ons ten eigendom. Geweldig om dat te weten. Laten we afwachten op de komst van deze mens, deze Koopman van de Heer. Deze Man Die de zaken van God en ten behoeve van God regelt. Zaken waar wij wel bij varen en waar wij deel aan hebben. Wij zijn immers geroepen, gekocht en betaald door de Heer. Het is zelfs zo dat de Heer Zijn Koningschap in deze wereld heeft opgegeven, verkocht terwille van ons. Omdat Hij niet wilde dat enigen verloren zouden gaan. Hij heeft dat gedaan terwille van de Gemeente. Straks wanneer de Heer wederkomt om de verborgenheid te vervullen, om Zijn Koninkrijk op aarde openbaar te maken, begint dat eerst met het wegnemen van de Gemeente van deze aarde, omdat het ons niet betreft. Pas daarna zal Zijn Koninkrijk op aarde gevestigd worden en zijn wij in onze eeuwigheidspositie, in de hemel. Vandaar dat je over die parel in de Bijbel ook niets meer vindt. Die parel komt in de Bijbel haast niet voor, omdat die geen rol speelt in verband met de aarde. Hij heeft te maken met de zee, wordt gekocht en verdwijnt. Niet met de aarde als bestemming, maar de hemel, bestemd voor God zelf. Een geweldige zaligheid is het dat de Heer ons koopt en wij Zijn eigendom zijn. Dat Hij onder alle omstandigheden voor ons zorgt, zelfs nu Hij is heengegaan. Eén ding weten wij zeker: Hij komt terug om Zijn bezittingen in ontvangst te nemen.

Er is inmiddels een flink gedeelte van Matthéüs 13 besproken. De gelovigen verstaan de gelijkenissen. Waarheden die slechts bedoeld waren voor gelovigen, want geestelijke waarheden zijn primair bestemd voor diegenen die ze geloven. God spreekt in de eerste plaats immers tot diegenen die bereid zijn naar Hem te luisteren. De Bijbel zegt elders dat God Zijn plannen bekend maakt aan Zijn vrienden, aan degenen die gehoor geven. Sommigen denken dat de Bijbel bedoeld is voor de wereld, voor de ongelovigen. Dat is echter een misverstand. De Schrift, het Woord van God, is bestemd voor gelovigen. Voor hen die op voorhand bereid zijn te geloven wat God zegt. Wanneer er dan over dingen gesproken wordt die slechts voor een beperkte groep mensen bestemd zijn, dan gebeurt dat op zodanige wijze dat de ongelovigen het ook nooit kunnen begrijpen. Deze gelijkenissen kunnen enkel verklaard worden uit de Schrift zelf, die je moet gebruiken om de Bijbel uit te leggen. Er zijn heel wat verklaringen van deze gelijkenissen te vinden die niet hun oorsprong vinden in de Schrift zelf, maar die uit de duim gezogen of uit de mouw geschud zijn. De juiste verklaring voor de gelijkenissen wordt alleen gevonden in de Schrift. Wij zouden dan ook alleen deze betrouwbare bron gebruiken om zichzelf te verklaren. Zo is het ook met deze gelijkenissen het geval. Drie gelijkenissen spreken over de negatieve kant van dat Koninkrijk. Het mag dan fout gaan, maar het is wel in overeenstemming met dat wat God ons van te voren geopenbaard heeft. Dat betekent dat het van de mens uit geredeneerd fout gaat, maar dat het van God uit geredeneerd precies gaat zoals God het Zich gedacht heeft. Dat is niet alleen zo in verband met de gelijkenissen en het Koninkrijk, maar met de hele heilshistorie. Daarin gaat van alles fout, maar het gaat wel degelijk volgens het plan zoals God Zich dat gemaakt had en voorzien heeft. Als wij onze eigen normen aanleggen, denken wij: waar moet dat naar toe. Wanneer wij echter de normen van de Schrift hanteren, zeggen wij: het is jammer dat bepaalde dingen zo gaan, maar God heeft ermee gerekend. Dat geldt voor de gang van zaken in de wereld, maar ook in ons persoonlijk leven. Daar gaat een veel fout, maar dat is niet buiten Gods plannen om. Er is niets dat gebeurt in het leven van een gelovige waarin God niet voorziet.

7. De gelijkenis van het visnet

47 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt;
48 Hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan den oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.
49 Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden;
50 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij ze den tot Hem: Ja, Here. Matthéüs 13 : 47-51

Iemand die een beetje vertrouwd is met de Bijbel moet zo weten waar de derde gelijkenis van de drie over gaat. Het is de gelijkenis van het visnet. We hebben het al gehad over Israël en vervolgens over de Gemeente. Het is dan voor de hand liggend dat deze gelijkenis gaat over de volkeren. Dat is Bijbelse systematiek. De Schrift onderscheidt drie categorieën mensen. Dat is Israël (afstammelingen van Abraham, Izak en Jakob), de Gemeente (een speciaal volk voor Zijn naam uitverkoren) en de volkeren. Het ligt dus voor de hand om te veronderstellen dat deze gelijkenis gaat over de volkeren. Dat blijkt ook wel omdat het gaat over de wateren. Als in het verband met de gelijkenis van de parel de wateren een beeld zijn van de volkeren, dan is dat nu ook zo. Het net, zo staat er, is een beeld van het Koninkrijk der hemelen. Dat net wordt geworpen in de zee. Het verdwijnt erin en is verborgen. Het is echter geen afscheiding. Er komt veel in terecht maar veel ook niet, want er zitten mazen in netten. Het Koninkrijk wordt hier vergeleken met een net dat overboord geworpen wordt, het maakt niet uit waar precies. Het brengt van alles samen. In mijn Bijbel staat er “allerlei soort van vissen”. Aangezien “van vissen” schuin gedrukt staat, betekent het dat de vertalers denken dat er “vissen” moet staan. U kunt het echter gerust weglaten, want het gaat er om dat dit net van alles samenbrengt. Dat zou vis moeten zijn, maar het brengt van alles samen. Vervolgens staat er “hetwelk de vissers wanneer het vol geworden is, aan den oever optrekken”. Hier staat”vissers” ook schuin gedrukt, maar u kunt dat doorstrepen want de grondtekst heeft dat niet. Het net wordt uitgezet en het wordt te zijner tijd, wanneer het vol is weer opgetrokken. Door wie staat er niet bij. Wat er in zit staat er ook niet bij. Er staatalleen dat er goede en kwade dingen in zitten. Het wordt aan de oever opgetrokken alwaar het goede uitgelezen en het kwade weggeworpen wordt. Over vis wordt hier dus niet gesproken.

Theologen zijn over het algemeen van mening dat een sleepnet bedoeld wordt. Ze hebben namelijk goed begrepen hebben dat het niet zozeer gaat om vis,maar om rommel. Het gaat om een net dat over de grond getrokken wordt en al wat daar maar op de bodem ligt wordt opgehaald. Het wordt eerst opgehaald en op de oever geselecteerd. Die rommel komt uit de volkeren. Al die dingen worden verzameld uit de zeeën. Er staat verder geen toelichting bij. De enige verklaring die deze gelijkenis behoeft, staat er achter. Daar staat namelijk in vers 49: “Alzo zal het in de voleinding der eeuw (er staat aioon – enkelvoud) wezen; de engelen zullen uitgaan en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden”. Degenen die alles wat in de netten zit selecteren, zijn een beeld van de engelen. Het betekent dat engelen bozen en rechtvaardigen van elkaar zullen scheiden. Er staat dan dat die bozen geworpen zullen worden in de vurige oven, alwaar wening zal zijn en knersing der tanden. We zijn nu weer terug in de eerste gelijkenis van de eerste groep van drie, namelijk die van het onkruid. De strekking van de gelijkenis van het onkruid en die van het net is in feite gelijk. In verband met dat onkruid ligt de nadruk op het onkruid terwijl in verband met het net de nadruk ligt op het goede dat uit de volkeren verzameld wordt. Het hangt samen met de plaats van de gelijkenis binnen deze reeks. Maar de gedachte is hetzelfde. In de verklaring van de gelijkenis van het onkruid staat namelijk:

De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen. Matthéüs 13 : 41

Daar was de term voor eeuw ook verkeerd vertaald, namelijk met wereld. Het moet zijn eeuw (aioon). Hetzelfde vinden we terug in vers 49:

Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden. Matthéüs 13 : 49

In vers 41 staat dat de Zoon des mensen de engelen zal uitzenden en in vers 49 staat dat de engelen uit zullen gaan. Vervolgens staat in vers 41: “en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen en degenen, die de ongerechtigheid doen”. De klemtoon ligt hier op de ongerechtigheden. Op het onkruid. In vers 49 staat: “de engelen zullen uitgaan en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden”. Het is dus precies hetzelfde, hier met de klemtoon op rechtvaardigen, want zij zijn degenen die overblijven. Het ging om hen en daarom werd dat net uitgeworpen, namelijk om het goede te vangen. Het kwade wat er ook in kwam, moest daaruit geselecteerd worden. In verband met de gelijkenis van het onkruid wordt gesproken over de akker waarop dat onkruid stond temidden van de tarwe. Daar werd gezegd dat de akker een beeld is van de wereld. De zee is dat eveneens, maar dan specifiek een beeld van de volkeren van de wereld. Het gaat om een overeenkomstige zaak. Het merkwaardige is dat niet gezegd wordt dat de rechtvaardigen uit het midden der onrechtvaardigen worden verzameld, maar andersom. De onrechtvaardigen worden verzameld uit het midden der rechtvaardigen. Dat is een belangrijk gegeven omdat beide gelijkenissen eindigen met de mededeling dat de rechtvaardigen overblijven. De onrechtvaardigen zullen worden weggedaan. Dat is belangrijk omdat wij ook een andere gedachte kennen, namelijk waarbij de rechtvaardigen worden weggenomen en de onrechtvaardigen achterblijven. Het punt is dat het hier om verschillende gebeurtenissen gaat. Dat is de gebeurtenis die wij de opname van de Gemeente noemen. De gelovigen van deze tegenwoordige bedeling der genade zullen daarbij weggenomen worden van de aarde, de Heer tegemoet in de lucht. Dat is niet op de Jongste Dag ofwel de laatste dag. Integendeel, het is de eerste dag. Het eerste punt op Gods programma is nog altijd de opname van de Gemeente. Bij die gebeurtenis worden de rechtvaardigen – een minderheid – van de aarde weggenomen. Het is het volk voor Zijn naam of anders gezegd, een parel van grote waarde. Die parel die uit de zee kwam, maar niet in het visnet. Het was een hele aparte zaak. Zo is het met de Gemeente ook. Aan de andere kant kennen wij uit de Schrift ook de gebeurtenis waarbij onrechtvaardigen van de aarde zullen worden weggenomen en de rechtvaardigen achterblijven. Dat betekent dat het hier niet gaat om dezelfde gebeurtenis, dus niet over de opname van de Gemeente. Ze spreken ook niet over een gebeurtenis daaraan voorafgaand. Als dat zo was, zou dat betekenen dat eerst de onrechtvaardigen van de aarde worden weggenomen en daarna wij. Dan blijft er uiteindelijk niemand meer over en is er een leeg Koninkrijk.

Het gaat om een gebeurtenis die plaats zal vinden ná de opname van de Gemeente. Eerst worden de rechtvaardigen van de aarde weggenomen. Zodra dat gebeurd is, lezen we in Openbaring dat het met name gaat over de openbaring van dat, wat tot dan toe verborgen was, dat er twee getuigen door de Heer in Jeruzalem gezet zullen worden. Die getuigen hebben dezelfde opdracht als ooit de discipelen vroeger; namelijk getuigen te zijn van Christus, te beginnen in Jeruzalem. Zij zullen dan ook het evangelie van het Koninkrijk prediken in de straten van Jeruzalem. Het uiteindelijke resultaat is dat er wéér gelovigen op aarde zullen komen, doordat er mensen tot geloof komen. Beginnende in Jeruzalem, vervolgens in Samaria tot aan de uitersten der aarde. Dan zijn we inmiddels wel 40 jaar verder. In die tijd komen er massa’s mensen tot geloof. Er zijn er echter ook die niet tot geloof komen. Als de periode voorbij is, waarin uiteindelijk dat Koninkrijk van Christus definitief gevestigd zal zijn over alle volkeren, worden degenen die zich daaraan niet hebben willen onderwerpen weggenomen van de aarde. Dat betekent niet naar de hemel, maar naar het dodenrijk en uiteindelijk de poel des vuurs. Dat staat er ook: “En zullen dezelven in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden”.

De volgorde van de gebeurtenissen

De volgorde van de gebeurtenissen is dus als volgt: Eerst de opname van de Gemeente en de voltooiing van de oprichting van het Koninkrijk van Christus in de hemel. Dat wil zeggen dat straks in de hemel Christus volledig regeert. Daarna wordt dat Koninkrijk gevestigd, in de eerste plaats in Israël en daarna verder uitgebreid, want het eerste volk dat tot geloof zal komen is Israël. Later zullen de overige volkeren tot bekering komen, al was het maar omdat het evangelie aan hen gepredikt wordt dóór Israël. Het is een logische volgorde: eerst de hemelse dingen, dan de aardse dingen en vervolgens de gehele aarde. Als de tijd om is neemt God diegenen van de aarde weg die nog op aarde leven en het evangelie gehoord hebben, maar zich daaraan niet hebben willen onderwerpen. Zo is de volgorde die min of meer vermeld staat in Matthéüs 24.

Het gaat erom dat het hier in Matthéüs 13 niet gaat om de opname van de Gemeente. Het gaat over het tijdstip waarop het Koninkrijk niet meer verborgen, maar in zijn geheel geopenbaard en dus zichtbaar gevestigd is in de wereld. Op dat tijdstip eindigen deze gelijkenissen en wordt het onkruid (de bozen) van de aarde weggenomen. Ze worden uit de schepping, uit het heelal weggenomen en buitengeworpen in de buitenste duisternis, daar waar wening is en knersing der tanden. Hier wordt dus niet gesproken over de Gemeente. Hier wordt niet geleerd dat er in de Gemeente goeden en kwaden zijn die later nog eens een keer uitgeselecteerd zullen worden. Gelovigen van deze bedeling zijn niet in het net. Wij zijn een stukje van de parel van grote waarde. Dat net in de zee is toekomst in verband met de volkeren. Die drie gelijkenissen gaan alle drie over volstrekt verschillende categorieën mensen. Eerst over Israël, daarna de Gemeente en daarna de volkeren. Het Koninkrijk wordt straks geopenbaard over de volkeren, bij aanvang van de duizend jaar. Het Koninkrijk over Israël vindt zijn definitieve aanvang bij de voleinding van de 70-ste week van Daniël. Dat is bij de bekering van Israël en de wederkomst van Christus op de Olijfberg. In verband met de Gemeente wordt het Koninkrijk definitief gevestigd wanneer wij Hem tegemoet gaan in de lucht. Drie totaal verschillende gebeurtenissen. Wel met een bepaalde verhouding tot elkaar, maar met een verschillende strekking. In Matthéüs 24 staat een redevoering van de Here Jezus in verband met de openbaring van het Koninkrijk op aarde. In Matthéüs 24 vragen de discipelen (dezelfde als in hoofdstuk 13) naar het tijdstip wanneer deze dingen zullen gebeuren.

 ….Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld? Matthéüs 24 : 3

Het Griekse woord voor wereld is hier ook weer “aioon” en staat voor de wereld zoals die nu reilt en zeilt en geregeerd wordt door satan. De discipelen vragen naar het einde der eeuw, (waarover in Matthéüs 13 gesproken wordt). De vraag is eigenlijk wanneer het begin is van de toekomende eeuw. Als deze eeuw eindigt begint namelijk de toekomende eeuw, de eeuw waarin Christus regeert. Opmerkelijk is dat van de discipelen gezegd werd dat zij dachten dat het Koninkrijk terstond zou openbaar worden (Lukas 19). Het gaat hierbij om dezelfde week. Dat hadden ze echter mis. Ze dachten ook dat het Koninkrijk terstond zou komen en daar hadden ze gelijk in, maar het zou niet openbaar worden doch verborgen blijven. Dan krijg je te maken met een moeilijke vraag: “Wanneer is het Koninkrijk er dan? Wanneer we het zien of wanneer het er in het verborgene is en wij het niet zien?” Het Koninkrijk is al begonnen, zij het in de hemel in Christus. Het is verborgen en nog niet op aarde. Het is plaatsgebonden. Die moeilijkheid hadden de discipelen kennelijk door, vandaar hun vraag. Zij krijgen eerst als antwoord dat er nog allemaal ellende over de wereld zal komen. Valse christussen, die velen verleiden, zullen opstaan (vers 5). Er zullen oorlogen komen en geruchten van oorlogen. Al die dingen moeten geschieden maar het einde is er nog niet (vers 6). Het gaat hier om het einde van de huidige eeuw in verband met de aardse omstandigheden. Dat blijkt ook uit de rest van het antwoord. Er staat:

7 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.
8 Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten. Matthéüs 24 : 7-8

Dat wil zeggen dat er nog veel meer smarten zullen komen voordat het einde van die eeuw daar is. Er wordt hier gezinspeeld op wat later in dit hoofdstuk “de grote verdrukking” genoemd wordt, die over de hele wereld zal komen. Als deze dingen plaatsvinden, is dat het begin der smarten.

9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken om Mijns Naams wil.

13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Matthéüs 24 : 9, 13

Het gaat hier om het einde van de eeuw. Het einde van de eeuw is niet de opname van de Gemeente. Het is de definitieve onderwerping van satan aan Christus aan het begin van de duizend jaar, wanneer hij gebonden wordt. Dat is ná de opname van de Gemeente en ook ná de komst van Christus op de Olijfberg. Voordat het zover is gaat er nogal wat aan vooraf. Wie volharden zal tot dat einde, zal zalig worden. Die zaligheid bestaat uit het binnengaan van de toekomende eeuw, de “duizend jaar”. In de dagen voorafgaande aan dat einde wordt het evangelie gepredikt.

En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen. Matthéüs 24 : 14

Dat evangelie is niet het evangelie van God, van Zijn Zoon Jezus Christus, zoals Romeinen 1 dat noemt. Het is het evangelie van het Koninkrijk. Dat wil zeggen dat daarin geleerd wordt dat degene die gelooft in de Here Jezus als de Messias als de Koning, dat Koninkrijk zal binnengaan. De prediking is een prediking over een aards en zichtbaar Koninkrijk. We lezen hier geen gelijkenis en ook niet meer over de verborgenheid, maar over de openbaring van dat Koninkrijk. Dat is aan het einde der eeuw en aan het begin van de toekomende eeuw. Wie volharden zal tot dat einde zal dat aardse Koninkrijk binnengaan. In de duizend jaren leven er ook mensen op aarde. Dat zijn gelovigen zoals u en ik. Waarom zij wel en wij niet? Eenvoudig omdat wij nu leven en zij dan. Dat is een bedelingenkwestie, een kwestie van uitverkiezing en de tijd waarin iemand leeft.

In vers 14 wordt er gesproken over dit Evangelie des Koninkrijks. Dat is een terugwijzing naar vers 13. Het gaat erom dat men zou geloven. Dat geldt door de hele Bijbel. Je krijgt alleen deel aan de zegeningen van Christus en de zegeningen van Abraham op grond van geloof. Alle profeten spreken van dat Koninkrijk wat zou komen. Tegelijk profeteerden ze dat je daar slechts in kunt komen als je gelooft. Het gaat dan ook om het volharden in het geloof. Dat is het Evangelie van het Koninkrijk. Dat wordt gepredikt aan de gehele wereld, tot een getuigenis aan alle volken. Dan pas zal het einde van de eeuw komen, het begin van de duizend jaar. De Bijbel leert dat het Evangelie van het Koninkrijk gepredikt zal worden aan alle volken. Ik denk ook aan alle mensen individueel. Dat zal gebeuren voor die duizend jaar aanvangen, omdat het een boodschap is over een Koninkrijk voor alle mensen hier op aarde. Het is een boodschap waar ieder mens individueel mee te maken heeft. Op dat bepaalde tijdstip komt ieder mens in dat Koninkrijk terecht en zou dan tenminste moeten weten Wie de Koning is. Die Koning wordt geproclameerd aan ieder mens en een ieder die de Here Jezus als de Koning verwerpt, zal van de aarde verdwijnen. Dat leert Matthéüs 13.

Vroeger doodde men een koning die men niet wilde. Maar de Koning kan op dat moment niet meer gedood worden, zoals eerder wel gebeurd is. Wanneer dat Koninkrijk definitief op aarde gevestigd is, bij het binden van satan, dan is de eerste algemene daad die de Koning doet het verwijderen van alle ergernissen (ongelovigen) uit Zijn Koninkrijk. Niet omdat ze de boodschap niet gehoord hebben, want in vers 14 staat dat ze hem wel gehoord hebben. Voor het einde der eeuw zal de boodschap gepredikt zijn aan alle volken. Het begint na de opname met de prediking van de twee getuigen. Zij beginnen in Jeruzalem en het eindigt dat dit Evangelie des Koninkrijks gepredikt is tot een getuigenis aan alle volken. Elk levend mens die zich niet aan die Koning onderwerpt, dus niet tot geloof komt in de Here Jezus als Messias, wordt uit het Koninkrijk weggedaan. Wie in het Koninkrijk wil leven moet de wetten van dat Koninkrijk accepteren. Wie dat niet doet, wordt er uitgezet. Zo staat dat ook in Matthéüs 13: de Heer zal uit Zijn Koninkrijk verzamelen. Dat wil zeggen dat ze er eerst in waren en vervolgens weer uitgezet werden.

Herinnert u zich de gelijkenis van de bruiloftszaal (Matthéüs 22)? De bruiloftszaal is een beeld van het Koninkrijk. Daar was ook van alles binnengekomen. Degenen die genodigd waren kwamen niet. Dat is een beeld van Israël uiteraard. Uiteindelijk waren er toch mensen binnen, waaronder iemand die het goede kleed niet aanhad. Hij was wel binnen, maar hoorde daar niet. Hem werd gevraagd hoe hij binnengekomen was. De vraag wordt in de gelijkenis nergens beantwoord, omdat het gaat over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Over hoe die bruiloft tot stand komt. Het antwoord op die vraag ligt echter voor de hand: hij was er al, hij was er al voordat het een bruiloftszaal werd. Datzelfde geldt voor die onrechtvaardigen in Matthéüs 13. Er staat daar dat ze vergaderdworden uit dat Koninkrijk. De vraag is hoe ze in dat Koninkrijk komen. Als het Koninkrijk der hemelen de hemel zou zijn, hoe komt hij daar dan binnen? Dat kan niet in de hemel, maar wel op de aarde. Iemand kan in het Koninkrijk komen, omdat hij daar eerder was dan het Koninkrijk. Hij leefde al op aarde voordat dat Koninkrijk op aarde gevestigd werd. Daarom worden die mensen uit het Koninkrijk verwijderd. Dat oordeel over hen komt niet over ons. Wij als gelovigen zijn uit deze wereld getrokken en overgeplaatst in het “Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde” (Kolossenzen 1 : 13). Bij ons was het andersom: eerst was er het Koninkrijk en wij zijn in dat Koninkrijk geplaatst. Het Koninkrijk was in Christus en Christus was in de hemel, dus het Koninkrijk was ook in de hemel. Wij zijn daarin geplaatst en hebben dan ook ons burgerschap in de hemel. Ons leven is in Christus verborgen bij God. De toekomstige aardse situatie is andersom. Degenen die daar het Koninkrijk binnengaan, gaan in omdat het Koninkrijk tot hen komt.

Degenen die uit het Koninkrijk verwijderd moeten worden, gaan naar de enige plaats waar dat Koninkrijk niet is: buiten de schepping, buiten hemel en aarde. De Bijbel leert dat de schepping bestaat uit hemel en aarde en dat je buiten de schepping, in de buitenste duisternis, terecht kunt komen. 2 Korinthe 5 : 19 leert dat “God in Christus de wereld met zich verzoenende was? Als je dat hardop zegt, denkt men dat je een alverzoener bent en leert dat alles en iedereen met God verzoend wordt. Dat is niet waar. God is in Christus de wereld met zich verzoenende. De wereld bestaat uit de hemel en de aarde. Strikt genomen twee hemelen en de aarde. Dezelfde hemelen en aarde (het heelal) die gemaakt werden in Genesis 1. Daar buiten is echter de buitenste duisternis, de poel des vuurs. Daar vindt het oordeel plaats. Het heelal wordt met God verzoend, maar je kunt ook buiten het heelal terecht komen. Alle dingen worden met God verzoend. Er zijn echter dingen die buitengesloten worden. Dat gebeurt met deze mensen die op aarde leven op het moment dat het Koninkrijk van God op aarde geopenbaard wordt. Dat staat in Matthéüs 24. In vers 15-27 gaat het over de grote verdrukking die over de aarde komt. In vers 29-34 wordt gesproken over de komst van Christus hier op aarde, de oprichting van Zijn Koninkrijk en het herstel van Israël. Daarna wordt in vers 37-44 gesproken over het wegnemen van de onrechtvaardigen van de aarde. Dat is precies hetzelfde als in Matthéüs 13.

37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. Matthéüs 24 : 37-39

Het gaat hier niet over de opname van de Gemeente. De toekomst van de Zoon des mensen is een periode waarin de Heer op aarde Zijn Koninkrijk openbaart. In de dagen van Noach werden eveneens de onrechtvaardigen van de aarde weggenomen. Niet de gelovigen. Noach en zijn familie waren de enigen die op de aarde overbleven. Er was een oordeel dat plaats zou vinden op een bestemde tijd. Er werd ook gepredikt wanneer dat zijn zou. Vanaf een bepaald tijdstip gaf de Heer hen 120 jaar. Noach had 120 jaar de tijd om zijn boot te bouwen. Vanaf de opname van de Gemeente wordt 40 jaar gegeven tot aan het begin van de duizend jaar. Dat wordt gepredikt, maar men zal de boodschap niet geloven. Nu gelooft men de boodschap evenmin. In de dagen van Noach was er niemand die het geloofde. In de dagen van de toekomst ook niet.

40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
41 Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
42 Waakt dan, want gij weet niet, in welke ure uw Here komen zal. Matthéüs 24 : 40-42

Waarom weten zij het niet? Omdat ze slapen! Ze kunnen het wel weten, maar ze zijn niet attent en luisteren niet naar het Woord van God. Het is een boodschap tot de mensen die in die dagen leven. Wij mogen nu al weten hoe het dan gaat. Er zullen twee op de akker zijn, waarvan de één genomen (niet aangenomen) en de ander zal verlaten (gelaten) worden. Dat “verlaten” betekent zoveel als “met rust laten”. Als ik een hele nette Bijbelse vertaling daarvan moet geven dan is dat “vergeven”. Dit woord, hier vertaald met “verlaten”, wordt elders vertaald met “vergeven”. Dat woord vergeven betekent met rust laten, niet aanrekenen. In het Onze Vader is het woord in “vergeef ons onze schulden” gelijk aan het woord dat hier vertaald is met verlaten. De betekenis is duidelijk. Het betekent dat die persoon met rust gelaten wordt en zijn zonden niet toegerekend worden. Je kunt dus rustig vertalen dat de één weggenomen en de ander vergeven wordt, omdat die laatste een gelovige is. Degene die hier volgens de vertaling aangenomen wordt, wordt buiten geworpen. De ander zal achterblijven in het Koninkrijk. Als er nu twee op de akker zijn en de één verdwijnt, dan blijft er toch één op de aarde en komt terecht in het Koninkrijk. Dat was de bedoeling, dus hij is daarmee beter af. Het gaat hier weer niet om de opname van de Gemeente. Iedereen kan nagaan dat in de dagen van Noach de onrechtvaardigen van de aarde werden weggenomen. In verband met de opname van de Gemeente neemt de Heer ook mensen van de aarde weg, maar dat is dan ook de enige overeenkomst. De overeenkomst heeft te maken met het wegnemen van wat er niet hoort, in verband met de oprichting van het Koninkrijk op aarde. Zij horen niet op aarde omdat ze ongelovigen zijn.Wij als gelovigen in de huidige bedeling horen niet op aarde, want ons thuis is in de hemel, onderworpen aan Christus. Op het moment van de opname van de Gemeente wordt satan uit de hemel geworpen. Satan woont tot nu toe in de hemel, maar hij onderwerpt zich niet aan de Koning. Hij wordt straks uit de hemel geworpen. Wij horen in de hemel, maar hij niet meer. Als dat gebeurd is worden alle ongelovigen van Israël weggenomen, in die zin dat zij zullen sterven. Zij komen om in de Grote Verdrukking. De gelovigen van Israël blijven over. De Bijbel spreekt dan ook over een gelovig overblijfsel van Israël. Nog later krijgen we dezelfde situatie in verband met de volkeren. Dan worden eveneens de ongelovigen weggenomen. De geschiedenis eindigt met een schepping met alleen gelovigen. Er zijn wel ongelovigen, maar die zijn buitengeworpen. Dat is nu nog niet definitief. We weten dat satan nog losgelaten wordt na die duizend jaar. We weten ook dat er nog mensen geboren worden in die duizend jaar en dat er dan onder hen mensen zullen zijn die niet tot geloof willen komen. Aan het begin van die duizend jaren zijn er echter alleen gelovigen op de aarde, is satan’s macht gebroken en is hij uitgeworpen. Dat is de betekenis van “er zal oorlog zijn in de hemel”.

Toekomst en verleden in het Hebreeuws

Er bestaat een hardnekkig misverstand omtrent de positie van satan. In Jesaja bijvoorbeeld wordt gezegd dat satan uit de hemel gevallen is. Dat staat in de verleden tijd en wekt de indruk alsof dat al gebeurd is. Dat is het misverstand. Die profetie kijkt als het ware terug vanuit de toekomst, alsof het al gebeurd is. Precies eender zoals Jesaja 53 in de verleden tijd spreekt over de kruisiging van de Here Jezus, hoewel het nog toekomst was. Wij kennen in het Nederlands verschillende tijden. In het Hebreeuws, de grondtekst van het Oude Testament, bestaan er wel zogenaamde tijden, maar niet in de zin zoals wij die kennen. Zaken als verleden tijd en toekomstige tijd bestaan in het Hebreeuws niet. Dat het vertaald is in de verleden tijd, zegt niets over het tijdstip waarop het gebeurd is of gebeuren zal. Het zegt alleen wat over de vorm van het werkwoord in het Hebreeuws. In Lukas 10 : 18 staat: “Ik zag den satan als een bliksem uit den hemel vallen”. Dat is echter nog niet gebeurd. Ook Johannes heeft dit zo gezien (Openbaring). Het staat daar in verband met de toekomst. Het is zo dat Daniël 12 spreekt over de tijd van de grote verdrukking. Dat er dan strijd zal zijn in de hemel en Michaël zal opstaan. Het feit dat er strijd is in de hemel, kan alleen omdat satan daar nog is (als hij weg is, hoeft er niet meer gestreden te worden). Bij die strijd in de hemel wordt satan er uitgeworpen en dat staat in het boek Openbaring. Dat is nog toekomst.

8. Gelijkenis van de schat met nieuwe en oude dingen

51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Here!
52 En Hij zeide tot hen: Daarom, een ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.
53 En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok Hij van daar. Matthéüs 13 : 51-53

Dit is de laatste gelijkenis uit de reeks van gelijkenissen in Matthéüs 13. Dikwijls wordt deze gelijkenis overgeslagen. Het valt sommigen niet op dat ook dit een gelijkenis is, maar het is er echt één: “Daarom, een ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan …”. Het gaat hier wel degelijk om een gelijkenis. Ik zeg dat met zoveel nadruk omdat het juist eigenlijk één van de belangrijkste gelijkenissen is. Het is wel een hele korte, maar een zeer fundamentele. Hierin wordt een waarheid uiteengezet in verband met het Koninkrijk der hemelen. De vorige drie gelijkenissen eindigen op het moment dat het Koninkrijk openbaar wordt. Anders gezegd: die gelijkenissen eindigen daar waar de openbaring van dat Koninkrijk begint. Bij de drie gelijkenissen blijft de vraag wat er daarna gebeurt. Dat staat er niet bij. Dat hoeft ook niet, omdat dat niet meer behoort tot het onderwerp van de gelijkenissen. Ze houden abrupt op. God verbergt Zich en ook bepaalde waarheden verbergt Hij in deze gelijkenissen. Daarover spreekt ook deze laatste gelijkenis hier in Matthéüs 13, die het dan ook samenvat. Het is uitdrukkelijk de laatste gelijkenis en daarmee is de reeks voltooid.

En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok Hij van daar. Matthéüs 13 : 53

Daarna heeft de Here Jezus nog wel andere gelijkenissen gesproken, maar die zijn niet het onderwerp. Het gaat nu om deze reeks van acht gelijkenissen die hun hoogtepunt vinden in de laatste gelijkenis, de gelijkenis van de Schriftgeleerde.

En Hij zeide tot hen: Daarom, een ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes…. Matthéüs 13 : 52

Niet: een heer des huizes lijkt op een Schriftgeleerde, maar andersom. Een Schriftgeleerde is als een heer des huizes, wanneer hij in het Koninkrijk der hemelen is onderwezen. Let wel, in de eerste plaats (dat staat al vast) gaat het om het Koninkrijk der hemelen. Dat staat er ook: “Een ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes”. Het gaat niet om zomaar een Schriftgeleerde. Schriftgeleerden waren er genoeg in de dagen van de Here Jezus. Als wij de geschiedenissen van de Here Jezus lezen, dan lijkt het wel of Hij nauwelijks andere mensen tegenkomt dan zondaren en Schriftgeleerden. Dat bedoel ik niet als één groep, maar echt als twee categorieën (Schriftgeleerden zijn ook zondaren). Het lijkt er in ieder geval op dat Hij slechts die twee categorieën tegenkomt. De Heer is óf bezig met de redding van zondaren, dat wil zeggen dat Hij ze opzoekt en confronteert met de genade die er is in Christus óf Hij stoot Zich aan de Schriftgeleerden. Misschien is het dat Hij Schriftgeleerden tegenkomt die zich stoten aan Hem. Wanneer wij omgaan met het Woord van God
krijgen wij ruzie. Niet met mensen die van niets weten, maar met Schriftgeleerden of zij die ervoor door wensen te gaan. In Nederland zijn dat er erg veel. Wij Nederlanders hebben de naam in het buitenland dat wij een landje zijn van dominees. Nergens zijn zoveel kerken als in Nederland en nergens zoveel verschillende groeperingen en het lijkt wel dat zodra er weer een predikant bij is, hij voor zichzelf begint. Dat is onze reputatie in het buitenland. Of dat al of niet juist is, doet er niet toe. Het is de indruk die wij achterlaten.

Opmerkelijk is dat als de Here Jezus komt met het Woord van God, want Hij spreekt de woorden van Zijn hemelse Vader, Hij onenigheid krijgt met de Schriftgeleerden. Altijd weer de discussies waarbij de één de Ander probeert in de hoek te dwingen. Gezegd moet worden dat dat geen eerlijke discussies waren. Bijvoorbeeld in Lukas 10 : 29: “… en met de wil zich te rechtvaardigen vroeg hij: “Wie is Mijn naaste?” Dat was geen eerlijke vraag, maar er kwam wel een eerlijk antwoord op van de Here Jezus. Ongetwijfeld was het zo dat die Schriftgeleerde ook niet wíst wie zijn naaste was, maar hij vroeg dit niet omdat hij dat zo graag wilde weten, het was om zich te rechtvaardigen. Om Iemand in een hoek te drukken. Dat soort discussies vinden we de hele Schrift door. “Gij onderzoekt de Schriften”, zegt de Here Jezus tegen hen (Johannes 5 : 39), “en Gij meent in dezelve eeuwig leven te hebben”. Was dat dan niet zo? Was er dan geen eeuwig leven in de Schriften? “Jawel”, zei de Here er achteraan, “maar deze zijn het die van Mij getuigen en gijlieden komt tot Mij niet”. Dat is het hele verhaal. Het gaat niet om de Schriften als zodanig, maar om het feit dat de Schriften wijzen op de Here Jezus, op Christus. Dat wil men niet zien of erkennen. De Schriften spreken slechts en eigenlijk uitsluitend over Christus. De Here Jezus toont de Emmaüsgangers uit de Schriften de waarheden omtrent Hemzelf. Uit de wet, de Psalmen en de profeten, beginnende bij Mozes (Lukas 24 : 27). Niet een gedeelte van de Schriften, maar de hele Schrift. Hij zei (Lukas 24 : 26) “moest de Christus niet al deze dingen lijden en alzo Zijn heerlijkheid ingaan?” Deze Emmaüsgangers wisten het niet. Die meest elementaire schriftuurlijke waarheid wisten ze niet. Daarmee is meteen gezegd dat de Schriften daarom spreken over dat Koninkrijk van Christus. Immers “Christus” betekent “Gezalfde”, wat wil zeggen dat Hij de Koning is, de “Messias”, Diegene Die Zijn Koninkrijk zal oprichten. De Schriften spreken dus van de eerste tot de laatste bladzijde over die Gezalfde Die komen zou om Zijn Koninkrijk op te richten.

Een deel van de waarheden met betrekking tot dat Koninkrijk was aanvankelijk onbekend en werd niet geopenbaard aan de oudtestamentische profeten. Er waren dingen die zij niet wisten. Zij wisten niet, volgens de apostel Petrus, hoe die Christus van lijden tot heerlijkheid zou komen (1 Petrus 1 : 10-12). De Here Jezus verklaart die Emmaüsgangers dat de Christus moest lijden om vervolgens Zijn heerlijkheid in te gaan en dat dit lijden deel uitmaakte van Zijn totale weg. Zoals Jozef een type was van Christus en eveneens, net als Christus, door lijden tot heerlijkheid ging. De Schriften spreken over die Christus, maar vermeldden niet hoe Hij van lijden tot heerlijkheid zou komen. Wel dat Hij zou lijden en verheerlijkt zou worden, maar niet wat er zou gebeuren tussen het lijden en de daaropvolgende heerlijkheid, zei de apostel Petrus. Dat Koninkrijk kwam fundamenteel tot stand door Zijn lijden en opstanding. Een Schriftgeleerde moet, behalve dat hij onderwezen moet zijn in het Oude Testament en speciaal in de oudtestamentische profetieën, ook onderwezen worden in wat er zou gebeuren of in wat God zou doen na het lijden en de opstanding van Christus.

Ik zei dat hij onderwezen moet worden in de oudtestamentische profetieën. Ik had ook kunnen zeggen dat hij onderwezen had moeten worden in het Oude Testament, want het hele Oude Testament is profetisch. In de tijd dat het geschreven werd was het allemaal profetisch en zelfs de geschiedenissen van het Oude Testament zijn profetisch vanwege hun betekenis in verband met de komst van Christus. Het hele Oude Testament spreekt over de komst van de Koning en het Koninkrijk. De verwarring ontstaat pas in het Nieuwe Testament. Opmerkelijk genoeg levert het Oude Testament als zodanig ons geen enkel probleem, niet werkelijk althans. De theologische problemen ontstaan omdat men verzuimt de lijn te volgen die ontwikkeld werd in het Oude Testament en doorloopt in het Nieuwe Testament. Waar de “draad” niet gevolgd wordt en losgelaten wordt, verdwaalt men volkomen. Dat gebeurt vaak omdat men blijft zitten met die periode waarover het Oude Testament blijkbaar niet sprak, de periode tussen het lijden en de verheerlijking van Christus.

Een gangbare protestantse theologie is dat het Koninkrijk van Christus al lang begonnen en zelfs geopenbaard is, want men kent dat onderscheid niet. Men gelooft dat daar inmiddels al bijna tweeduizend jaar in te leven, omdat men de ruimte niet ziet tussen het lijden en de verheerlijking van Christus. Men denkt dat het één geheel is en aangezien het lijden van Christus geweest is, denkt men dat Hij al inmiddels verheerlijkt is. Hoewel niet geheel onjuist, is het toch een halve waarheid. Het is een gedachtengang (een aardige overigens) die niet getoetst is aan de Schrift zelf. Wij hoeven daar ons hoofd niet over te breken. De Schrift zelf verklaart hoe het zit en hoe het is met de positie van Christus. Als vervolg op de bestudering van het Oude Testament is het noodzakelijk dat wij onderwezen worden in het Koninkrijk der hemelen. “Een ieder Schriftgeleerde in het Koninkrijk der hemelen onderwezen”, zegt de tekst. Niet alleen onderwezen in de Schrift, niet slechts onderwezen in het Oude Testament, maar speciaal in het Koninkrijk der hemelen. Er staat niet “Ieder geleerde in het Koninkrijk onderwezen …”, maar er staat “Ieder Schriftgeleerde in het Koninkrijk der hemelen onderwezen …”. Dat wil zeggen dat de Schrift zélf ons kan onderwijzen in het Koninkrijk. De Schrift – de Bijbel – heeft een leer over dat Koninkrijk en geeft de noodzaak aan dat een gelovige onderwezen moet worden in al de Schriften (uiteraard), maar ook (omdat het hier speciaal staat) in de leer van het Koninkrijk der hemelen. “Een ieder Schriftgeleerde in het Koninkrijk der hemelen onderwezen”. Dit is nog geen typologie. Dit gaat over letterlijke dingen: een Schriftgeleerde die is onderwezen in het Koninkrijk der hemelen. Iemand die daarin is onderwezen weet namelijk hoe het zit met die verborgenheid van het Koninkrijk nu en met de openbaring daarvan straks. De ellende van onze Schriftgeleerden is dat ze van beiden niets weten. Niet over de verborgenheid en de openbaring van het Koninkrijk. Die twee dingen hangen natuurlijk samen: als je niet weet dat het verborgen is, kun je ook niet weten dat het straks geopenbaard wordt. Dan denk je dat het al geopenbaard is en zit je volledig in de mist.
Er staat vervolgens:

 … een ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. Matthéüs 13 : 52

Er worden twee beroepen naast elkaar gezet. Aan de ene kant de Schriftgeleerde, die onderwezen is in de Schrift (meer speciaal in het Koninkrijk der hemelen). Aan de andere kant de heer des huizes, vergelijkbaar met een rentmeester. Iemand die belast is met het bestuur van een huis. Een heel bekend begrip in de Bijbel, waar we niet verder op in gaan. Het gaat er om dat een Schriftgeleerde die in dat Koninkrijk der hemelen is onderwezen, verantwoordelijkheid draagt voor een heleboel dingen, voor een huis. Eén van de redenen waarom mensen, gelovigen zelfs, niet onderwezen willen worden in dat Koninkrijk is eenvoudig te verklaren: zij willen geen verantwoordelijkheid dragen. Een heer des huizes is overigens niet de huiseigenaar. Een heer des huizes is in opdracht van de eigenaar verantwoordelijk voor dat huis. Het is de hoogste functie die je binnen een huis kunt hebben. De positie van heer des huizes als verantwoordelijke figuur wordt niet door iedereen geambieerd en veel mensen zijn er zelfs bang voor. Die willen dat niet en hebben liever iemand boven zich, want dat is makkelijker.

Het neemt niet weg dat wanneer wij onderwezen worden uit de Schrift, wij op de positie komen van heer des huizes. Dat betekent dus dat wij verantwoording gaan dragen, belast worden met de gang van zaken binnen het huis. Het gaat mij nu om het principe als zodanig en niet over de details. Het gaat hier om de positie van die huisbeheerder. Iemand die in het Koninkrijk der hemelen is onderwezen bevindt zich op zo’n positie. Daar is een goede reden voor, want hij is de enige die er capabel voor is. Dat huis waar hier over gesproken wordt, is in ieder geval in de grootste betekenis van het woord dat huis waarvan wijzelf levende stenen zijn. Dat huis is die “woonstede Gods in de Geest” (Éfeze 2 : 22), die geestelijke tempel waarin wij thuishoren, waarin wij gebouwd worden of anders gezegd waarin wij leven. Van dat huis maken wij deel uit. Precies zoals Israël ooit het huis was waarin God woonde. Zo zijn wij als Gemeente een huis waarin God woont. In dat huis zijn mensen, gelovigen, aangesteld die daar een leidinggevende functie hebben: God heeft sommigen gesteld tot apostelen, sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders, leraars, enzovoorts (Éfeze 4 : 11).

Het gaat erom dat wij als gelovigen wel degelijk een verantwoordelijke positie binnen de Gemeente innemen. De leidinggevende posities op het geestelijke gebied zijn slechts bestemd, uiteraard, voor diegenen die onderwezen zijn in het Koninkrijk der hemelen. Niet in een bepaald specialisme ergens uit de Schrift, maar juist dit. Als je immers niet weet hoe het zit met het Koninkrijk der hemelen dan weet je ook niet wat de Gemeente voorstelt en dat is een groot praktisch probleem waar gelovigen mee kampen. Ze weten niet wie ze zelf zijn, in welke positie ze voor God staan en dus ook niet welke positie de Gemeente, de plaatselijke gemeente, maar ook de Kerk met de grote K, voor God inneemt. Men ziet dan ook gewoonlijk niet dat de Gemeente een organisme is dat getrokken is buiten de wereld en dat buiten de maatschappij staat. Daarom zijn wij ook niet geroepen om ons bezig te houden met politiek, wij staan daar buiten. Wij maken deel uit van een andere wereld, een ander Koninkrijk. Ik zeg niet dat het niet mag, maar dat we er niet toe geroepen zijn. Dat is echt een verschil. Onze speciale roeping als christen is een roeping in een ander Koninkrijk, een Koninkrijk niet van deze wereld; een Koninkrijk der hemelen. Als je dat niet weet, versta je onze positie en dus die van de Gemeente niet. Je bent dan ook niet in staat leiding te geven aan de Gemeente. Iemand die onderwezen is in het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan de heer des huizes die een schat heeft. Hij brengt uit zijn schat oude en nieuwe dingen voort. Een Schriftgeleerde is gelijk aan de heer des huizes en de schat van de Schriftgeleerde is natuurlijk de Schrift. Zoals de heer des huizes dingen uit zijn bezit haalt, zo haalt de Schriftgeleerde zijn geestelijke bezittingen – zijn geleerdheid – uit de Schrift. Iemand die in de Schrift en in het Koninkrijk der hemelen is onderwezen, brengt uit zijn Schrift (uit de schat) nieuwe en oude dingen voort. Je begint bij het oude en daarna vervolgt de geschiedenis en kom je vanzelf op het nieuwe. Dat zie je in de Bijbel ook.

Als je de Bijbel serieus wil bestuderen, dan begin je bij Genesis 1 : 1. Velen komen al niet verder, omdat ze dat al niet geloven. Zij kunnen dan maar beter stoppen. Gewoonlijk begin je bij het oude en ga je daarna door naar het nieuwe. Dat is echter niet wat dit vers zegt. Hier wordt uitgegaan van iemand die de Schrift al kent, iemand die al Schriftgeleerde is, maar vervolgens wordt onderwezen in het Koninkrijk. Van zo iemand staat dat hij uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. Let wel, eerst de nieuwe dingen en daarna de oude dingen. Dat is de hier gehanteerde volgorde. Eigenaardig, maar als je het eenmaal begrijpt is het zo
duidelijk als wat. Iemand die weet hoe het zit met dat Koninkrijk haalt eerst nieuwe waarheden uit de Schrift en daarna pas de oude. Dat lijkt de verkeerde volgorde, maar bepaalde waarheden in de Schrift krijgen, op het moment dat er sprake was van de verborgenheid van dat Koninkrijk der hemelen, een nieuwe betekenis. Niet een andere, maar een nieuwe betekenis. Daar zit verschil in. Het gaat er namelijk om dat de Schriften die hier genoemd worden in principe de oudtestamentische Schriften zijn. De Heer spreekt hier over Schriftgeleerden met kennis van het Oude Testament. Bepaalde dingen in het Oude Testament, met name in de profetieën, krijgen een nieuwe betekenis voor iemand die onderwezen is in het Koninkrijk der hemelen. Dat wil zeggen dat die Schriften al een betekenis hadden, maar dat boven die oude betekenis een nieuwe betekenis komt te liggen, een tweede betekenis dus. Een extra betekenis, geen andere betekenis als zou die oude betekenis niet meer gelden, want dat is een algemene gedachte bij veel theologen; nee, dat is niet het geval, er komt iets nieuws bovenop te liggen.

Een paar voorbeelden die iedereen kent: Aan Israël werd van oorsprong in het Oude Testament beloofd dat de Here hen zal leiden naar een land dat ze erfelijk zouden bezitten, “het beloofde land”, waarin geluk en voorspoed zou zijn, waarin een eeuwig Koninkrijk zou zijn. Waar het land op tijd zijn vruchten zou voortbrengen, het op tijd zou regenen en vooral ook waar het op tijd niet zou regenen. Dat wat ieder mens zich eigenlijk wenst. Dat werd beloofd aan Israël, op voorwaarde dat Israël de Heer zou dienen en Zijn stem gehoorzaam zou zijn en zou doen naar alles wat de Heer hen gebood. Dat zijn allemaal bekende zaken. Waar het om gaat is dat aan Israël die profetieën nog nooit vervuld zijn. Het is wat in Hebreeën gezegd wordt dat Jozua Israël niet in de rust gebracht heeft (Hebreeën 4 : 8). Jozua bracht Israël immers niet in de rust. David zei later in de Psalmen dat de Heer hen in de rust zou brengen. In die rust waren ze dus nog steeds niet ingegaan. Ook vandaag kun je toch moeilijk zeggen dat Israël in de rust is ingegaan. De regen is het grootste probleem in Israël. Het land waarin Israël gebracht zou worden, zou een land zijn overvloeiende van melk en honing, maar Israël lijkt voornamelijk te bestaan uit woestijn. Het land bezit weliswaar gebieden waar wat groeit, maar is daarom nog geen land overvloeiende van melk en honing. Die belofte staat in de Schrift (o.a. Exodus 3 : 8) en om die reden blijft die belofte dus waar en zal ze vervuld worden. Israël zal over de Jordaan het beloofde land binnengaan.

Veel liederen – “spirituals” – gaan over de Jordaan of over het water van de Jordaan, waar men door zal gaan om vervolgens in het beloofde land te komen. Dat zijn geen Psalmen, maar liederen van negers die geloofden dat de Heer hen zou brengen in het beloofde land over de Jordaan en dwars door de woestijn. Die liederen worden tot op heden gezongen, maar het zijn liederen gebaseerd op de beloften aan Israël. Ze gelden echter ook voor die gelovigen die ze zongen of zingen. Die belofte was voor Israël, maar die beloften kunnen wel degelijk toegepast worden op iedereen die gelooft, nu tijdens de verborgenheid van het Koninkrijk der hemelen. Die verborgenheid is dat de beloften die aan Israël gedaan zijn in verband met de komst van de Messias en de oprichting op aarde van Zijn Koninkrijk van toepassing zijn geworden op allen die tot geloof komen. Israël moet ook eerst tot geloof komen. Dat is een voorwaarde. Vandaag vergeet men dat graag, maar het blijft waar. Israël wordt slechts en pas gezegend op grond van geloof. De beloften aan Israël gedaan worden van toepassing gebracht op een ieder die tot geloof komt. Enkele bekende Schriftplaatsen zeggen het zo:

Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Johannes 1 : 10

Hoewel de wereld door Hem gemaakt is, heeft die wereld Hem verworpen. Dat geldt dus voor de volkeren in het algemeen. Het volgende vers zegt:

11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12 Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. Johannes 1 : 11-12

De wereld als geheel – als totaliteit – heeft Hem verworpen. Israël als geheel heeft Hem eveneens verworpen. Er waren echter enkelingen uit de wereld – heidenen – die Hem wel aangenomen hebben. Ook enkelingen uit Israël namen Hem aan. Degenen die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden. De eenvoudige toelichting hierop is dat zij inmiddels kinderen Gods geworden zijn. Het gaat hier over degenen die leefden vóór de dood en opstanding van de Here Jezus. Kind van God kun je pas worden ná de opstanding van Christus. Je kon pas nieuw leven ontvangen met Christus, nadat Christus eerst Zelf nieuw leven ontvangen had. Dezelfde apostel die dit schreef, namelijk Johannes, schreef later in één van zijn brieven: “Nu zijn wij kinderen Gods”. Hij vervolgt dat direct met “en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen”. Dat is weer een volgende fase. Paulus verklaart later wat wij zijn zullen: zonen en erfgenamen. Het gaat er nu om dat de wereld en Israël Hem verwierpen. Diezelfde waarheden die voor Israël en de wereld bestemd waren, kunnen toegepast worden op elk individu dat tot geloof komt. Israël zelf zou een kind van God worden. Israël zelf zou wedergeboren worden. Dat zeggen de profeten. Die kwestie van wedergeboorte wordt later in Johannes 3 uit de doeken gedaan aan Nicodémus, een leidsman van Israël. Het gaat erom dat in het Oude Testament in de eerste plaats gesproken wordt over de wedergeboorte van Israël als natie. De profetieën die hierover spreken worden toegepast op elke heiden en Israëliet die vandaag de dag tot geloof komt. De zegeningen die aan Israël beloofd waren worden van toepassing op ons en daarmee op de Gemeente, hoewel deze beloften óók nog steeds waar blijven voor Israël. Zij zullen in de toekomst in hun letterlijke betekenis vervuld worden aan Israël, maar in de tijd dat Israël haar Messias en Zijn Koninkrijk afwijst, worden diezelfde beloften vervuld aan een ieder die tot geloof komt. Onmetelijk groot is de rijkdom van het plan van God. Hoewel naar de mens gesproken de zaak misloopt (Israël niet tot geloof komt), wordt desondanks geen enkel individu daar de dupe van.Wat God beloofd heeft gaat gewoon door. Het is wel zo dat de toepassing van de belofte op de gelovigen van vandaag slechts een toepassing is; het is geen vervulling. Aan Israël werd beloofd dat ze de Jordaan over zouden gaan het beloofde land in, letterlijk. Daar staat tevens mee vast dat het profetisch was voor Israël, dat wat ooit de dood zou doorgaan, wedergeboren zou worden en het land zou binnen gaan. Dat is nog steeds waar en moet nog steeds gebeuren. Tevens is het waar dat deze profetie toegepast wordt op de Gemeente, want aan ons is beloofd dat wij na het passeren van de “doodsjordaan” geplaatst zullen worden in ons Kanaän. Alleen dat Kanaän dat wij verwachten is niet het Kanaän in Palestina, maar het is de hemel. De doortocht door de Jordaan is een beeld van dood en opstanding. Het spreekt over onze dood en opstanding. Na onze dood en opstanding gaan wij naar de hemel. Zelfs dat kunnen wij op twee manieren uitleggen. Wij kunnen praten over onze lichamelijke dood en opstanding in de toekomst. Wij zijn echter al gestorven en begraven met Christus en zijn al met Hem in de hemel gezet. Dat wil zeggen dat wij al in Kanaän zijn. We gaan daar nu niet op in, maar de Hebreeënbrief doet niets anders dan verklaren dat Israël door geloof in zou gaan in Kanaän, maar aan de andere kant door ongeloof omgekomen is in de woestijn. Tot ons wordt gezegd dat wij niet in hetzelfde voorbeeld van ongeloof zouden vallen, maar zouden geloven en daarmee de rust, het binnenste heiligdom, de hemelen binnen zouden gaan. Niet in de toekomst maar nu al. Er wordt gezegd dat onze Voorloper al is ingegaan. Dat is met Israël niet zo, want Mozes ging niet in. Het gaat erom dat dit beeld van Israël wordt toegepast op ons als Gemeente. Dat geldt voor deze eenvoudige waarheid, maar ook voor alle andere beloften aan Israël. Stuk voor stuk zijn ze van toepassing op de Gemeente. Wie dat wil leren begrijpen, zal de oudtestamentische profetieën moeten bestuderen en Gods weg met Israël moeten leren. Als je die kent, kun je Gods weg met de Gemeente daarvan afleiden. Die weg is hetzelfde, zij het dat onze weg een geestelijke weg is naar een geestelijk Kanaän. Het is zelfs zo dat bepaalde profetieën, die oorspronkelijk spraken over Israël, door de apostel Paulus worden aangehaald in zijn brieven. Paulus past ze zo zondermeer toe op gelovigen uit de heidenen. De kerkelijke lering is dat je de profetieën moet vergeestelijken en toepassen op de Gemeente. Die profetieën zouden niet meer gaan over Israël, maar nu van betekenis voor de Gemeente zijn, aangezien Israël de Messias heeft afgewezen. Die plannen van God blijven echter wel degelijk bestaan en daarmee zijn beide lezingen waar. De profetieën zijn in geestelijke zin van toepassing op de Gemeente. In de brieven van Paulus wordt dit duidelijk bevestigd. De profetieën die hij aanhaalt, en dat zijn er veel, past hij geestelijk toe op de Gemeente. Dat wil zeggen dat de Calvinistische theologen dit, hoewel niet zelf uitgevonden, wel juist gezien hebben. De constatering is echter eveneens dat diezelfde profetieën door de Here Jezus Zelf, en door andere apostelen, nog steeds worden toegepast op Israël. In Openbaring worden die oudtestamentische profetieën wel degelijk letterlijk toegepast op Israël en de openbaring van het Koninkrijk. Het is precies wat Matthéüs 13 zegt, namelijk dat een in het Koninkrijk der hemelen onderwezen Schriftgeleerde gelijk is aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. De nieuwe dingen zijn dat de profetieën een toepassing (geen vervulling) hebben op de Gemeente. De oude dingen zijn dat de profetieën spreken over Israël. Een voorbeeld hiervan is de profetie van Joël 2. Een bekende profetie die voor een groot deel geciteerd wordt in Handelingen 2.

28 En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;
29 Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.
30 En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.
31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.
32 En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de Here gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de Here zal roepen. Joël 2 : 28-32

Deze profetie aan Israël spreekt over de uitstorting van de Heilige Geest over alle vlees. Dat wil zeggen dat de profetie spreekt over de uitstorting van de Heilige Geest over Israël. Dat blijkt zeker wanneer het boek Joël in zijn geheel gelezen wordt. Zoals Israël in de dagen van Joël door verdrukking ging, zo zal er nog een veel grotere verdrukking komen in de dagen die ogenblikkelijk voorafgaan aan de oprichting van het Koninkrijk van Christus over Israël. Deze profetie spreekt over de dag des Heeren die zal komen. Soms wordt geleerd dat de dag des Heeren de zondag, is maar dat staat nergens in de Bijbel. Er is maar één “dag des Heeren” in het Oude Testament en dat is de sabbat, de zaterdag. “…En Mijn sabbatten houden; Ik ben de Here…” (Leviticus 19 : 3). De uitdrukking “dag des Heeren” is dus ontleend aan de zevende dag (Leviticus 23 : 3), de sabbat, maar wordt ook gebruikt voor de zevende bedeling, waarin het Koninkrijk der hemelen geopenbaard zal worden. De hele “dag des Heeren” in het Oude Testament is bijna niet anders dan wat in het Nieuwe Testament de duizendjarige binding van satan genoemd wordt. In Joël 2 wordt gezegd dat Israël de verdrukking zal doormaken, waarna de Geest over Israël zal worden uitgestort. Dan pas zal die dag des Heeren komen.

Hoofdstuk 2 spreekt er over dat Israël volledig verwoest zal worden.  Vers 28: “En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten”. Dat gaat gepaard met allerlei wondertekenen in de hemel voordat die grote en vreselijke dag des Heeren komt. Als die dag des Heeren komt, gaat dat gepaard met duisternis, donkerheid etcetera. Het gaat erom dat dit gebeurt nadat die verdrukking voor Israël geweest is. Dan komen die tekenen aan de hemel en stort de Heer Zijn Geest uit over Israël en dan zal er ontkoming zijn te Jeruzalem en te Sion voor degenen die de Naam des Heeren aanroepen. De vraag is of deze profetie is vervuld. Daar zijn verschillende antwoorden op. Als je onderwezen bent in dat Koninkrijk der hemelen vanuit het Nieuwe Testament is het antwoord op de vraag “nee”. Het is nog toekomst, Israël is nog niet bekeerd en roept de Naam des Heeren nog niet aan. Integendeel, er is voor een orthodoxe jood niets ergers dan het aanroepen van de Naam des Heeren. Dat is om vrome redenen verboden. Men past de wet daar ten onrechte toe: “Gij zult de Naam des Heeren uws Gods niet gebruiken”, want er staat bij: “niet ijdel gebruiken” en niet “Al wie de Naam des Heeren aanroept zal behouden worden”. Dit geldt voor de toekomst, maar het is pas aan het eind van de verdrukking van Israël dat dit gebeuren zal. Deze profetie is nog niet vervuld en wacht op de – toekomstige – bekering van Israël aan het eind van de grote verdrukking die over Israël zal komen. Een aanhaling van deze profetie staat in Handelingen 2. De apostel Petrus spreekt in vers 32: “… dat al wie de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden”. Hij past dat toe op Israël.

16 Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël:
17 En het zal zijn in de laatste dagen (zegt God), Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
21 En het zal zijn, dat een ieder, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
22 Gij Israëlitische mannen,… Handelingen 2 : 16-22

Hij spreekt specifiek tegen de Israëlitische mannen en herhaalt dit steeds. In vers 36 eindigt hij:

Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Here en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt. Handelingen 2 : 36

Opvallend is dat de apostel deze profetie toepast alsof de dag des Heeren op dat moment zou beginnen. Petrus haalt de profetie aan omdat hij weet dat Joël 2 te maken heeft met het aanbreken van het Koninkrijk. In Lukas 19 stond dat de apostelen dachten dat het Koninkrijk terstond openbaar zou worden. Zij dachten dat het in hun dagen zou geschieden. Ze waren hiermee niet zo erg abuis, want ze dachten dat het Koninkrijk zou aanbreken op grond van de opstanding van Christus. Hij was inmiddels opgestaan dus het Koninkrijk kon beginnen. Dat is dan ook de reden waarom Petrus predikt aan de hand van Joël 2. Hij roept Israël op om die Naam aan te roepen zodat de Heer Zijn Koninkrijk over Israël zou kunnen oprichten. Hij spreekt dus nog steeds tot het Zijne. Namens de Here Jezus plaatst de apostel Petrus “de Zijnen” voor een keuze. Petrus heeft wellicht gedacht dat in zijn dagen – op die dag – de profetie van Joël 2 vervuld werd. Hij was daarin niet abuis. De eenvoudige waarheid is dat Petrus nog gedacht heeft aan oude dingen. Aan de oude oorspronkelijke betekenis van de profetie in Joël 2. Wat wij inmiddels kunnen weten is dat deze profetie hier niet vervuld werd als oud maar als nieuw. Dat wil zeggen dat het hier niet gaat om de oude dingen, maar om de nieuwe dingen. Wij weten nu dat de profetie hier ook toegepast wordt op de gelovigen van deze bedeling, op ons dus. Wij behoren tevens te weten dat de oude dingen óók waar blijven. Deze profetie zal dan ook ooit in de toekomst van toepassing gebracht worden op Israël wanneer het tot geloof komt. Zo is de profetie van toepassing op een ieder die tot geloof komt. Dat stond er ook: “al wie de Naam des Heeren zal aanroepen”. Het woord in Joël 2 is ongetwijfeld bedoeld voor Israël. Zo heeft Petrus het ook bedoeld, omdat hij wist dat het Koninkrijk moest beginnen bij Jeruzalem, de hoofdstad van de Joden, vervolgens bij Samaria, de hoofdstad van de tien stammen en dan naar de uitersten der aarde, de andere volken.

Als de apostel Paulus ten tonele verschijnt, blijkt dat hij nieuwe waarheden ontvangen heeft. Hij zegt dat hij nieuwe dingen, verborgenheden, bekendmaakt. Hij gebruikt weliswaar nieuwe dingen, maar doet dat op grond van oude Bijbelteksten. Deze tekst uit Joël 2 wordt door Paulus wel degelijk aangehaald in de brief aan de Romeinen. Petrus doet het op de Pinksterdag met de gedachte aan Israël. Paulus haalt het aan in:

Want de Schrift zegt: Een ieder, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. Romeinen 10 : 11

Deze aanhaling uit Jesaja was dus oorspronkelijk gericht tot Israël. De boodschap is echter dat een ieder die in Hem gelooft niet beschaamd wordt. De apostel Paulus voegt er aan toe dat er staat “een ieder” en dat betekent dat het niet slechts om Israël gaat. In het oorspronkelijke geschrift staat dat niet zo. Paulus is een letterzifter en ook degene die aangeeft dat er “Zaad” staat in plaats van zaden. Het staat in het enkelvoud en betekent dus niet “Israëlieten”, zegt hij, maar Christus. In vers twaalf volgt dan zijn geïnspireerd commentaar:

Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want Eenzelfde is Here van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen. Romeinen 10 : 12

Hij zegt hiermee dat de profetie van “een ieder die in Hem gelooft” niet slechts van toepassing is op Israël, zoals Israël zelf dacht en zoals het eigenlijk in Jesaja staat. Het is echter de bedoeling dat het op Israël en op de Grieken (de heidenen dus) van toepassing is.

Want een ieder, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Romeinen 10 : 13

Paulus zegt hier tweemaal hetzelfde met twee verschillende Bijbelteksten. Eerst begint hij met Jesaja 28 : 16 in verband met een ieder die in Hem gelooft. Hij zegt dat het hier gaat om een ieder, dus ook een heiden. Vervolgens doet hij dat ook met Joël 2, waar ook staat dat een ieder die de Naam des Heeren aan zal roepen zalig zal worden. Dus opnieuw; niet alleen een jood maar ook een heiden. Ik moet eerlijk zeggen dat het een conclusie is die wij nooit hadden mogen trekken. Zelfs niet uit beide Bijbelteksten. Die profeten hadden namelijk uitdrukkelijk een boodschap voor Israël. De nieuwe waarheid is dat die profetieën ook wel degelijk van toepassing zijn op heidenen die tot geloof komen. Dat is vandaag de dag het geval. Wij zien dat de apostel Paulus die profetieën toepast op de Gemeente, op ons. We leren hier het universele principe dat de profetieën minstens twee betekenissen hebben. Eén betekenis in verband met Israël en de aarde, de zienlijke dingen, de ontwikkeling van Gods heilsplan door de geschiedenis heen en bovendien hun betekenis in verband met de Gemeente. Dat staat er boven en er ook los van, want het gaat daarbij over ons, die uit deze wereld getrokken zijn en nu al deel uitmaken van een Koninkrijk dat nog verborgen is. De bedoeling van de profetie is oorspronkelijk dat zij spreekt over de openbaring van het Koninkrijk op aarde, maar omdat dit Koninkrijk verborgen is en de zijnen Hem niet hebben aangenomen, zijn diezelfde waarheden van toepassing geworden op de Gemeente en de verborgenheid van het Koninkrijk der hemelen. Omdat die verborgenheid van het Koninkrijk het eerst komt in de volgorde van de heilshistorie, staat er dus in Matthéüs 13 dat die Schriftgeleerde gelijk is aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.

Wat opvalt is dat het ook voor een joodse Schriftgeleerde, zoals die in de Bijbel voorkomt, slechts nodig was om onderwezen te worden in dat Koninkrijk. De apostel Paulus sprak in Rome met de joodse leidslieden over het Koninkrijk. Hij legde hun het Koninkrijk uit. Het gaat hier namelijk om een gecompliceerd Koninkrijk dat twee verschillende kanten blijkt te hebben. De Evangelieën spreken de ene keer over de ene kant van dat Koninkrijk en een vers of een hoofdstuk verder over de andere kant. Aan de ene kant leren we dat dit Koninkrijk in deze wereld zal komen en gevestigd zal worden met het zwaard. Aan de andere kant zegt de Heer dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is en niet in kracht komt, maar in het verborgene. Het is niet in de wereld, maar het “is in ulieden” zegt de Heer. Het is beide waar, maar elk op zijn eigen tijd. Als men zegt dat het Koninkrijk niet in de wereld is maar in ons, dan is dat waar, maar dat wil niet zeggen dat het niet meer in de wereld zal komen. Het komt wel, maar dat is een kwestie van tijd. Het komt op Gods tijd.

Sommige mensen zeggen dat je met de Bijbelse profetieën alle kanten op kunt, maar dat is niet waar. Er zijn precies twee betekenissen, een dubbele toepassing. Dat lijkt ingewikkeld, maar dat is het niet. De complicaties vloeien voort uit het feit dat “schriftgeleerden” beide kanten van de profetie heeft weggedaan. De “schriftgeleerden” zeggen dat de profetieën uitsluitend van toepassing zijn op de kerk en niet meer op Israël. Zij zullen nooit begrijpen wat de toepassing ervan is op de kerk. Die is er wel, maar ze kunnen het nooit begrijpen. Als je niet gelooft dat Israël zelf ooit het beloofde land in zal gaan, hoe kun je dan geloven dat wij ons beloofde land – de hemel – in zullen gaan. De profetieën die spreken over de toekomstige redding van Israël kun je niet toepassen op de Gemeente als je er niet eerst in gelooft. De ellende van nu is dat men dat niet gelooft. Men gelooft niet in een duizendjarig rijk, men gelooft niet in de openbaring van dat Koninkrijk van Christus hier op aarde, in deze oude schepping. Hij zal daarbij de volkeren door middel van oorlogsgeweld aan Zich onderwerpen, maar men gelooft dat niet. Men vindt het zelfs vanzelfsprekend dat we dat niet geloven, want men vindt dat iedere gelovige een pacifist zou moeten zijn, omdat wapens tegen de aard van de Schrift zou zijn. Dat is grote onzin. De Bijbel spreekt over één en al strijd, over wapens, over bloed dat vloeit. Ik zeg niet dat het de wil van God is dat wij wapens hebben, maar laat men ons niet wijs proberen te maken dat het allemaal koek en ei is en dat het allemaal zachtmoedig tot stand komt door elkaar netjes voor te leven. Dat is niet waar, want het komt met geweld. Waar gesproken wordt over de geestelijke toepassing van: “het met geweld aanbreken van het Koninkrijk van Christus” hier op aarde, moet ook geconstateerd worden dat ook de prediking van dat Koninkrijk hier op aarde gepaard met geweld. Een verborgen, geestelijk geweld. Dat gaat net zo min vanzelf.

Het is moeilijk voor een mens te leren dat hij deel uitmaakt van een wereld die met deze zienlijke maatschappij niets te maken heeft. Mensen hebben moeite genoeg om afscheid te nemen van dit zienlijke leven. Een gelovige moet leren dat hij al afscheid genomen behoort te hebben van dit leven. Wij maken deel uit van de verborgenheid van het Koninkrijk en zijn dus al der wereld gestorven (Kolossenzen 2 : 20). Het geweld dat straks plaats vindt, bij de openbaring van het Koninkrijk in deze wereld, is geweld dat nu een rol speelt bij de prediking van dit verborgen Koninkrijk. Het gaat om geestelijk geweld, geestelijke strijd. Het gaat om geestelijk gekruisigd worden, geestelijk sterven, geestelijk opstaan en geestelijk de rust in gaan. Het zijn moeilijke begrippen, maar ze worden ons uitgelegd in de Bijbel aan de hand van de historie van Israël. Eenvoudig omdat zaken die van toepassing zijn op Israël geestelijk van toepassing zijn op de Gemeente. Hebreeën 11 haalt aan dat wij een beter, namelijk een hemels vaderland verwachten. De zegeningen voor de gelovigen van vandaag liggen op een ander – hoger – niveau, een hemels niveau. Van Abraham staat dat hij een vaderland verwachtte en dat hij het zal ontvangen. Het zal er komen, weliswaar op aarde: “een stad met fundamenten”. Meteen staat er achteraan: “maar nu zijn zij begerig naar een beter vaderland”. Dat is niet het vaderland dat zij krijgen, maar het vaderland dat wij ontvangen hebben, waar Kanaän een beeld van is. Wij verwachten een hemels Kanaän, een hemels Jeruzalem. Niet dat er in de hemel een plaats is die Kanaän of Jeruzalem heet, maar omdat Jeruzalem hier op aarde een beeld is van de hemel en omdat Kanaän een beeld is van de hemel; omdat de tempel waar wij binnengaan een beeld is van de hemel. Als wij psalmen zingen over het Jeruzalem dat wij beminnen, dan denken wij niet aan Jeruzalem, maar aan de hemel. Je kunt deze dingen alleen begrijpen en aannemen als je accepteert dat ze letterlijk van toepassing zijn op Israël; dat er een tijd komt dat Israël verzameld zal worden naar haar vaderland, naar haar Jeruzalem. Dat Israël ooit weer zal zingen: “Jeruzalem dat ik bemin, wij treden uwe poorten in” (Psalmen 122 : 1 berijmd). Dat gaat gebeuren, maar het is ook op ons van toepassing.

9. Eén principe, meer toepassingen!

Opnieuw ga ik in op de betekenis van de laatste gelijkenis, de kortste van Matthéüs 13, de gelijkenis van die Schriftgeleerde.

En Hij zeide tot hen: Daarom, een ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. Matthéüs 13 : 52

Een gelijkenis waarbij een Schriftgeleerde, die onderwezen is in het Koninkrijk der hemelen, vergeleken wordt met een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe én oude dingen voortbrengt. Ik heb er al eerder op
gewezen dat het hier niet gaat over zomaar een Schriftgeleerde, iemand die weet heeft van de Schriften, maar dat het gaat om een speciale Schriftgeleerde. Eén die gespecialiseerd is, ofwel speciaal kennis heeft
van het Koninkrijk der hemelen. Er was immers wat ingewikkelds met dat Koninkrijk der hemelen. Aan de ene kant maken we kennis met de openbaring van het Koninkrijk, dat wil zeggen de zichtbare vestiging van dat Koninkrijk in deze zienlijke wereld. Aan de andere kant spreekt de Schrift ook over dat Koninkrijk in zijn verborgen vorm, namelijk over de verborgenheden (of de verborgenheid) van het Koninkrijk der hemelen, zoals dat nu bestaat terwijl het nog verborgen is voor deze zienlijke wereld. Het gaat om een concreet, maar verborgen koninkrijk. Wij hebben daar al uitgebreid bij stilgestaan en zullen ons daar ook verder mee bezig houden. Het ging immers over een Schriftgeleerde die geleerd was in die oude Schriften. Hij vindt daarin in de eerste plaats nieuwe waarheden. Dat is de volgorde die vermeld wordt in Matthéüs 13. Het Nieuwe Testament staat inderdaad ook vol met nieuwe waarheden. De Here Jezus, maar ook de apostel Paulus doen bijna niets anders dan nieuwe dingen openbaren. Niet nieuwe dingen prediken of uitdenken, maar openbaren. Dat wil zeggen dat die dingen altijd verborgen geweest waren in de voorgaande eeuwen (Éfeze 3 : 5). Oude waarheden worden als nieuw gepresenteerd. Ze zijn nieuw wat hun betekenis betreft, maar de oorsprong ervan is oud. Profetieën uit het Oude Testament die met een nieuwe betekenis in het Nieuwe Testament geopenbaard worden. Deze waarheid wordt helaas nauwelijks gepredikt, maar het is de sleutel tot het Nieuwe Testament. Het gaat bij de toepassing van zovele Schriftplaatsen uit het Oude Testament niet om Israël, maar om de Gemeente. Dan blijkt dat profetieën uitgesproken met betrekking tot het volk Israël tevens in een nieuwe betekenis toegepast worden op dat wat helemaal geen volk was, namelijk de Gemeente. De Heer zegt tegen Israël “Ik zal u tot jaloersheid verwekken door dat wat geen volk is” (Deuteronomium 32 : 21b). Wij als Gemeente zijn naar menselijke maatstaven geen volk, maar voor God wel.

Opmerkelijk is dat die oudtestamentische profetieën toegepast worden op de Gemeente. Dit soort toepassingen is niet te veroordelen, want het is een methode die in de Bijbel zelf gehanteerd wordt. Er wordt een nieuwe betekenis gegeven naast en aan een oude profetie. Zo kunnen wij rustig zeggen dat de profetieën van Joël van toepassing zijn op de uitstorting van de Heilige Geest en op de totstandkoming van de Gemeente als volk voor Gods Naam. Het neemt niet weg dat die profetie ook zijn oude betekenis houdt, namelijk dat ooit in de toekomst Israël uit de volkeren geroepen zal worden als volk voor Gods Naam. Wij als Gemeente worden gevormd door leden die getrokken zijn uit alle volkeren en samengevoegd zijn tot een volk met een erfenis voor eeuwig. Diezelfde waarheid blijft echter ook bestaan, dat Israël straks uit de volkeren verzameld zal worden en tezamen gezet zal worden in hun eeuwige erfenis. Er zijn dus twee betekenissen. Eén in verband met Israël welke de oude betekenis is en nog vervuld moet worden en één nieuwe in verband met de Gemeente die nu wordt vervuld. Vandaar dat de nieuwe betekenis éérst aan de orde komt en daarna pas de oude. Een duidelijk voorbeeld is Galaten 3 waar Paulus zelf iets zegt over deze situatie.

6 Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend;
7 Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen [lees: zonen] zijn. Galaten 3 : 6-7

Dezelfde waarheid staat ook in Romeinen. Abraham werd gerechtvaardigd uit het geloof en niet uit de wet. Dat zou ook niet kunnen, want die werd pas later ingevoerd en zelfs toen de wet 430 jaar later kwam veranderde hier niets aan. Ook onder de wet werd de mens slechts gerechtvaardigd door geloof. De wet die na 430 jaar kwam, maakte de belofte aan Abraham niet krachteloos (Galaten 3 : 17). Er wordt in bovenstaande verzen gesproken over de rechtvaardiging van Abraham door het geloof. Aangezien er geen aanneming des persoons is bij God, wordt dus iedereen gerechtvaardigd die gelooft. Als wij geloven zoals Abraham geloofde, krijgen wij deel aan precies dezelfde zegeningen als die Abraham gekregen heeft. Als zijn zegening bestond uit rechtvaardiging voor God, dan bestaat ook onze zegening uit rechtvaardiging voor God. Vandaar dat er staat dat degenen die uit het geloof zijn, zonen van Abraham zijn. Het woord “zonen” heeft ook in het Nederlands oorspronkelijk de betekenis van “erfgenamen”. Wij denken dat een zoon een jongetje is, maar dat is niet waar. Wat geboren wordt is een kind en als het van het mannelijk geslacht is, hoopt het ooit een zoon te worden. Een kind wordt geboren, maar een zoon niet. Een zoon wordt aangesteld. Hij is degene die de erfenis ontvangt. Wij zijn kinderen Gods, uit God geboren en wij wachten op de aanstelling als zonen. Wij hopen erfgenamen te worden en met Christus te regeren over de hele schepping. Galaten 3 spreekt er over dat degenen die geloven Abraham’s zonen zijn. Zij die geloven hebben deel aan de bezittingen die Abraham ontvangen had, omdat hij geloofde. Abraham ontving rechtvaardigheid, maar ook het verbond der belofte. Hij werd daardoor een erfgenaam van de wereld (Romeinen 4 : 13). Als wij geloven en daardoor deel krijgen aan de zegeningen van Abraham, dan betekent het dat die belofte ook op ons van toepassing is, dat ook wij met Abraham erfgenamen der wereld zijn en over de schepping zullen regeren. Als Abraham een erfgenaam der wereld is, dan zijn die rechten overgegaan naar Izak, Jakob, Juda, David en de Zone Davids, namelijk Jezus Christus (Matthéüs 1 : 1). Christus is de erfgenaam van de wereld mede op grond van de belofte die God aan Abraham gedaan had. De Schrift zegt dat elke gelovige een erfgenaam is van Abraham en deel krijgt aan die dingen die aan Abraham beloofd zijn. In de eerste plaats de rechtvaardigheid, in de tweede plaats dat wij met Abraham of met Christus de wereld zullen regeren. Dat wordt ook in meerdere Schriftplaatsen in het Nieuwe Testament aangetoond. Dat betekent dat de beloften die in het Oude Testament gedaan zijn aan Abraham, Izak, Jakob en de kinderen Israëls (het volk Israël) terecht komen bij allen die geloven. Het volk Israël is tot op zekere hoogte erfgenaam van Abraham, maar wij als gelovigen worden ook verklaard zonen van Abraham te zijn. Dit betekent dat alle ooit aan Israël gedane beloften van toepassing zijn op de Gemeente. Die beloften zijn en blijven wel van toepassing op Israël.

Eén van die beloften was dat God Zijn Geest zou uitstorten op alle vlees, namelijk op Israël. Dat staat erbij vermeld in Joël 2. Diezelfde belofte wordt echter in de praktijk toegepast op elke gelovige. Niet alleen op het natuurlijke zaad van Abraham, maar ook op hen die door het geloof erfgenamen van Abraham geworden zijn. Dat is de betekenis van de uitspraken van Petrus. God zegt in Zijn belofte aan Abraham onder andere: “in u en in uw zaad zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden” (o.a. Genesis 12 : 3, 18 : 18, 22 : 18). Niet alleen Israël, maar alle geslachten des aardrijks. Letterlijk betekent die belofte volgens Galaten 3 “in u en in Christus”. De beloften die aan Abraham gedaan zijn, zijn dus op één of andere wijze van toepassing op alle geslachten des aardrijks. In die belofte zit onder andere opgesloten dat God aan Israël een vaderland zou geven. God zegt tot de gelovige Abraham: “Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal” (Genesis 12 : 1). Hij spreekt hier niet over Kanaän, omdat dat niet zou kloppen. Deze uitspraak is namelijk niet alleen van toepassing op Abraham, maar op elke gelovige, en het land waar Abraham heen geleid wordt, is een ander land dan waar wij heen geleid worden. Dat is het verschil, maar ook de overeenkomst. Het land waar Abraham naar geleid wordt is een vaderland hier op aarde. Abraham is begerig naar het vaderland waar wij als gelovigen heen geleid worden. Dat staat in Hebreeën 11.

Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre
gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hebreeën 11 : 13

Hier gaat het niet alleen om Abraham, maar ook om alle anderen die in dit hoofdstuk genoemd zijn, zoals Sara, Noach, Henoch en Abel. Zij allen moesten uit hun land, uit hun maagschap en uit hun vaders huis. Allen kwamen zij alleen te staan in een vijandige wereld. Ze hebben alle beleden vreemdelingen en bijwoners te zijn. Abel was dat en als zonderling werd hij ook meteen gedood. Henoch was dat, omdat hij niet met mensen wandelde maar met God en God nam hem weg. Noach was ook een vreemdeling in deze wereld. Daarvan getuigde hij door de ark te bouwen. Deze gelovigen worden hier genoemd als voorbeeld voor ons. Ze worden een grote wolk van getuigen genoemd, voorbeelden, geloofshelden. Ze waren vreemdelingen en bijwoners en hebben dat ronduit beleden, verkondigd en soms zelfs in hun daden gedemonstreerd. Vervolgens staat er:

Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11 : 14

Hier waren zij vreemdelingen. Hier was hun vaderland niet en dus zochten zij een ander vaderland.

En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren; Hebreeën 11 : 15

Abraham had kunnen zeggen na zijn vertrek uit Ur der Chaldeën dat hij zijn opdracht vervuld had. Hij had terug kunnen gaan. Noach had dat kunnen zeggen na de vloed. Ze hebben het echter niet gedaan en hebben beleden dat ze een andersoortig vaderland zochten. Ze verwachtten het nieuwe Jeruzalem, de stad die fundamenten heeft. Zij verwachtten niet deze aarde, maar de nieuwe aarde. Abraham verwachtte wel degelijk Kanaän en niet de hemel; dat was hem tenslotte ook niet beloofd. Aan hem en zijn zaad was Kanaän beloofd en hij geloofde dus in de opstanding der doden en hij verwachtte ooit te kunnen leven op de nieuwe aarde. God zou immers een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen. Hij verwachtte die nieuwe aarde, waar volgens Openbaring het nieuwe Jeruzalem op neer zou dalen met zijn fundamenten. Dat is de stad die Abraham verwachtte.

Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelsche…. Hebreeën 11 : 16

Het vaderland dat aan deze mensen beloofd is, ligt straks op een nieuwe aarde, hoewel zij echter begerig zijn naar een beter, een hemels vaderland, maar dat niet krijgen. De mens zoals die in de loop der eeuwen op de aarde leefde, verwachtte hooguit een nieuwe aarde. God schiep de mens voor de aarde. De mens was een zondaar en stierf. Wat een mens in het beste geval van God verwacht, is dat God hem weer opwekt en alsnog op een nieuwe aarde zet. Dat zijn de beloften die aan Abraham gedaan zijn, en in principe van toepassing zijn op alle gelovigen. Er is echter één grote uitzondering op al deze dingen, dat zijn degenen die geloven gedurende de tijd dat het Koninkrijk tot stand gekomen, maar nog verborgen is. Op hen worden diezelfde beloften van toepassing gebracht die aan Israël gedaan zijn. Dat betekent dat ze in hun letterlijke betekenis niet op de Gemeente van toepassing gebracht kunnen worden, want wij zijn Israël niet. Om die reden worden diezelfde profetieën wel op ons van toepassing gebracht, maar in een andere, in een hogere betekenis. Dat is wat Hebreeën 11 zegt. Ze zijn begerig naar een beter vaderland, maar zij verwachten een aards vaderland. Dat heeft God ze beloofd. Wij echter ontvangen een hemels vaderland, een hemels Kanaän en een hemels Jeruzalem. Zoals Israël naar belofte geroepen is om als volk voor eeuwig te wonen op deze nieuwe aarde, in een land dat Kanaän heet, in een stad die Jeruzalem heet, zo is de Gemeente geroepen om voor eeuwig te wonen in de hemel, een plaats die daarom overdrachtelijk Kanaän
of Jeruzalem genoemd wordt. Daarom spreekt ook Hebreeën over het Jeruzalem dat boven is. Het gaat over de hemel, waar Jeruzalem een beeld van is. Achter al de beloften ligt een dubbele betekenis. Voor Abraham betekende “Ga uit uw land, ga uit uw maagschap, ga uit uws vaders huis” het vertrek uit Ur der Chaldeën. Deze plaats staat model voor de tegenwoordige wereld waarin wij leven. De wereld waarin we van jongs af aan opgegroeid zijn en die we van nature beschouwen als onze wereld. De Schrift zegt dat wij als gelovigen daar niet thuis horen en eruit moeten. Wanneer je tot geloof komt, krijg je een ander thuis. Je krijgt dan zegeningen die je niet met je geboorte meegekregen hebt, maar die je via wedergeboorte meekrijgt.

Nu hebben we het steeds over Abraham, maar wat te denken van het volk dat uit Abraham voortkwam. De oorsprong van het volk Israël ligt in Egypte, in Gosen, het beste deel van Egypte. De familie (70 man) van Jakob is daar naar toegegaan. Ze vermenigvuldigden zich daar en gingen met meer dan 600.000 man weer terug. Het volk Israël vindt zijn oorsprong in Egypte maar ze moesten uit hun land Gosen. Gosen was hun land, hen gegeven door de Farao. De Heer kwam niet bij Israël om hen te bevrijden en terug naar hun eigen land te brengen. Ze hadden een land en moesten daar uit vertrekken. Hoe erg de slavernij in Egypte ook was, Israël wilde niet. Zelfs toen ze er eenmaal uit waren en de Heer hen naar Kanaän wilde leiden, wilden ze terug naar Egypte.Wanneer ze echter verlost wilden worden, moesten ze uit hun land, uit hun maagschap en uit hun vaders huis, namelijk daar waar hun oorsprong ligt, en Hem volgen. Waarheen wordt niet direct gezegd. Voor Abraham was dat Kanaän. Voor Israël was dat ook Kanaän. Voor de Gemeente die uit deze wereld verlost wordt, waarvan Egypte een beeld is, is het niet Kanaän maar de hemel, waarvan Kanaän een beeld is. Het beeld van Israël dat verlost wordt uit Egypte en naar Kanaän ging is ook van toepassing op de Gemeente die verlost wordt uit de wereld en op weg is naar de hemel. De waarheid voor Israël kan zondermeer toegepast worden op de Gemeente. Dat gaat de hele Bijbel door. Steeds wanneer de apostel een profetie aanhaalt, past hij die toe op de Gemeente. Niet omdat de profetie over de Gemeente gaat, maar omdat dat de nieuwe, tweede betekenis is van die profetie. De Schrift zegt ook dat Paulus geroepen was om het Woord van God te vervullen. Niet om het uit te breiden, er wat aan toe te voegen, maar om het Woord dat er al is overvloediger te maken en nog meer inhoud te geven aan dat wat er al was. Dat doet hij door, naast de oude, ook een nieuwe betekenis aan de profetie te geven.

7 Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.
8 En de Schrift, tevoren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft tevoren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden. Galaten 3 : 7-8

Hier wordt zondermeer gezegd dat het in Genesis al de bedoeling was dat die belofte zou betekenen dat heidenen deel zouden krijgen aan de zegeningen van Abraham en daarmee aan die van Israël. Niet dat Israël tot zegen zou zijn voor de heidenen, maar dat er geen verschil is tussen jood en heiden. Beiden krijgen deel aan de zegeningen van Abraham op grond van geloof.

Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham. Galaten 3 : 9

U kunt zien dat de Schrift zelf verklaart wat het betekent om een zoon van iemand te zijn. Wij gelovigen zijn zonen van Abraham (vers 7). Dat betekent dat degenen die uit het geloof zijn gezegend worden met de gelovige Abraham (vers 9). Gelovigen hebben dus deel gekregen aan de beloften die aan Abraham gedaan zijn.

Het begin van het woord des HEEREN door Hoséa. De Here dan zeide tot Hoséa: Ga heen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den Here. Hoséa 1 : 2

Dit is typologie. Het heeft te maken met de verhouding tussen de Heer aan de ene kant en Hoséa aan de andere kant. De Heer was namelijk ook getrouwd: met Israël. De Heer zegt tegen Hoséa dathij een vrouw moet nemen der hoererijen, want Zijn vrouw is ook een vrouw der hoererijen. De vrouw en de kinderen van Hoséa zijn een type van Israël en de generaties die daaruit geboren zouden worden. Die generaties worden genoemd, want er zijn vervolgens drie kinderen geboren uit dit huwelijk van Hoséa. In de eerste plaats een zoon genaamd Jizreël (vers 4), daarna een dochter, Lo-Rucháma (vers 6) en daarna nog een zoon genaamd LoAmmi. Jizreël betekent: God zal verstrooien. Hij is een beeld van de verstrooiing van Israël door de Heer, als straf op hun hoererij, omdat het andere goden diende dan hun eigen God.

4 En de Here zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden.
5 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël. Hoséa 1 : 4-5

Het oordeel dat hier dus via deze profetie over Israël wordt aangezegd, is dat God Israël zou verstrooien onder alle volkeren. Daarna wordt er een ander kind geboren: Lo-Rucháma. “Lo” is een ontkenning: niet of geen. “Rucháma” wordt vertaald met “bemind” of “ontfermd”. Het woord LoRucháma betekent dus “niet bemind” of “niet-ontfermd”. De verklaring komt er in het vers ook bij:

En zij ontving wederom, en baarde een dochter, en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-Rucháma; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren. Hoséa 1 : 6

Zowel Jizreël alsook Lo-Rucháma zijn dus een beeld van Israël dat door de Heer terzijde gesteld wordt vanwege hun hoererij, hun afgodendienst, kortom vanwege hun ongeloof. Vervolgens wordt er weer een zoon geboren.

8 Als zij nu Lo-Rucháma gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon.
9 En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. Hoséa 1 : 8-9

“Am” betekent “volk” en “mi” betekent “van Mij”. De Heer kondigt een tijdsperiode aan dat Hij Zich niet over Israël zal ontfermen en waarin het volk niet meer Zijn volk zou zijn. Het blijft een uitverkoren volk, waar God een toekomst mee heeft, maar op dat moment is het níet Zijn volk. Het woord “Ammi” heeft de betekenis van “Mijn vrouw”. Als God spreekt over Ammi, over “Mijn volk”, dan heeft dat altijd de bijbetekenis van “Mijn vrouw”. Zij is degene met wie Hij getrouwd is, met wie Hij een verbond heeft. “Lo-Ammi” wil dus zeggen dat God dat huwelijk op één of andere wijze verbreken zou. Er zou dus een tijd komen waarin dat huwelijk niet meer bestond. Romeinen 7 : 1 en 2 zegt dat de wet heerst over de mens zo
lang als hij leeft en dat de vrouw door de wet verbonden is aan de man zolang de man leeft. De Heer, de echtgenoot is gestorven en Israël is daarom ook niet meer de vrouw van de Heer. Een huwelijk duurt immers tot de dood en de man is inmiddels gestorven. Hoewel ook de vrouw zou kunnen sterven. Het blijft waar dat de term “Lo-Ammi” tot vandaag de dag op Israël van toepassing is. Het is weliswaar het uitverkoren volk waar God een toekomst mee heeft, maar desalniettemin is ze nu niet Gods volk. Het is een volk waarvan God zegt dat het wel Zijn beminde is, maar waarvan God ook zegt: het is niet Mijn vrouw. De Heer is gestorven en aangezien er sindsdien geen sprake is geweest van een trouwerij is er dus ook geen sprake van een huwelijk en is Israël nog steeds Lo-Ammi. Er staat echter achteraan:

Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. Hoséa 1 : 10

In één adem wordt aangekondigd dat Israël als volk van God terzijde gesteld, maar ook weer door God aangenomen zal worden. Het is een voorzegging van de verwerping van Israël en de beeïndiging van dat oudtestamentische huwelijk. Dat kan alleen door de dood en dus wordt hiermee tevens de dood van de Here Jezus aangekondigd. Er wordt direct aangekondigd dat zij wel weer Zijn volk zouden worden.

11 En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn.
12 Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Rucháma. Hoséa 1 : 11-12

Dat wil zeggen dat Israël alsnog weer bemind zal worden en ontferming zal ontvangen. De profetie gaat over Israël, over de vrouw des Heeren, voorgesteld door de vrouw van Hoséa en de generaties die daaruit voortkomen. In de eerste brief van Petrus wordt deze profetie aangehaald.

1 Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië,
2 Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader,… 1 Petrus 1 : 1, 2

Duidelijk is dat Petrus deze brief schreef aan Joden die in het buitenland verbleven. Verstrooide Joden. Een groot deel van het Jodendom woonde in die dagen in het buitenland. Denk maar aan de apostelen. Met name Paulus ging overal in het buitenland steeds naar de Joden; naar de synagogen over de hele wereld. Petrus schrijft aan gelovige wedergeboren Joden. Hij vermeldt dat ook in vers 3:

Geloofd zij de God en Vader van onzen Here Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft
wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. 1 Petrus 1 : 3

En evenzo in 1 Petrus 2:

Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat
gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. 1 Petrus 2 : 9

Petrus haalt zijn uitdrukkingen uit de Schrift (Éxodus 19 : 6, Deuteronomium 7 : 6; 14 : 2 en 26 : 18). Daar spreekt de Heer tegen Israël, na de uittocht uit Egypte, en zegt: “Gij zijt een uitverkoren geslacht, gij zijt een koninklijk priesterdom, gij zijt een volk Mij ten eigendom”. Wij hebben zo’n vers al eerder gelezen in verband met die schat in de akker. Petrus past gewoon die oudtestamentische Schriftplaatsen toe op een gelovig Israël. En terecht, want daar ging het over. Het volk van God bestaat in principe uit gelovigen en in de eerste plaats is dat Israël. Petrus schrijft dat en zegt “dat is op jullie van toepassing”. Hij wist ook waaruit de roeping van Israël bestond, namelijk “opdat zij zouden verkondigen”, het Woord van God prediken aan alle volkeren. In Matthéüs 24 wordt bijvoorbeeld vermeld dat het Evangelie van het Koninkrijk gepredikt moet worden aan alle volkeren en dan zal het einde komen. Dat Evangelie zal gepredikt worden door Israël, daartoe is het geroepen. Daarom wacht de hele wereld, de volkeren, op de bekering van Israël. Als Israël bekeerd is zal zij de deugden verkondigen “Desgenen Die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht”. Dat staat niet alleen hier in Petrus maar ook in het Oude Testament als zijnde de roeping van Israël. Vervolgens staat er:

Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. 1 Petrus 2 : 10

Petrus haalt hier meerdere profetieën uit het Oude Testament aan en past ze toe op gelovigen uit de Joden. Het gaat ook wel over gelovigen uit de heidenen, maar dat is uit dit Schriftgedeelte niet op te maken, omdat dit geschreven is aan gelovigen uit de Joden. Waar het om gaat is dat Petrus deze profetieën in hun normale betekenis toepast op Israël.

23 En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij tevoren bereid heeft tot heerlijkheid?
24 Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Romeinen 9 : 23-24

Wanneer Paulus spreekt over “ons” is dat wat moeilijk, want hij was een Romein en kan dus als Griek aangeduid worden. Romeinen werden namelijk vreemd genoeg ook Grieken genoemd. Bovendien was hij ook een Jood. Hij verklaart echter dat hij onder “ons” verstaat zowel de Joden als de heidenen. Paulus vermeldt daarna dat dit terug te vinden is in Hoséa.

25 Gelijk Hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.
26 En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden. Romeinen 9 : 25-26

De apostel leest die profetie uit Hoséa en past hem toe op de heidenen. Hij zegt dat natuurlijk de Joden geroepen zijn, maar ook heidenen. Hij beroept zich op Hoséa, want daar staat dat Lo-Ammi Ammi zou worden. Alle heidenen zijn Lo-Ammi, want alle niet-Joden zijn niet Gods volk. We zien dat dezelfde profetie op een andere manier wordt toegepast door Petrus. Paulus past hem toe op alle gelovigen uit de Joden, vanzelfsprekend, maar ook op alle gelovigen uit de heidenen en dus op de Gemeente. Paulus gaat nog verder.

27 En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.
28 Want Hij voleindt eene zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid;…. Romeinen 9 : 27-28

Hij zegt daar dat de beloften die aan Israël gedaan zijn wel degelijk alsnog volbracht zullen worden. Dat die afgesneden zaak van Israël in de toekomst alsnog voltooid zal worden, zoals in Jesaja staat. In de tussentijd echter, in de tijd van de verborgenheid van het Koninkrijk, verkiest God Zich toch een volk uit dat wat niet Zijn volk was, namelijk uit heidenen of uit Joden en heidenen. Nu begrijpen we ook de situatie van Petrus. Hij wist waarschijnlijk niet dat degenen waartegen hij sprak in werkelijkheid leden waren van de Gemeente. Hij zag hen als gelovige Joden. Het gaat erom dat alle gelovigen, Jood en heiden, nu lid zijn van het Lichaam
van Christus, van de Gemeente. Dat is echter pas later geopenbaard en de apostel Petrus wist dat ongetwijfeld niet in die dagen. Dat heeft hij trouwens ook letterlijk zo geschreven. Beide toepassingen, zowel van Petrus als van Paulus, zijn in de Bijbel te vinden. In Matthéüs 13 staat de aankondiging van de Here Jezus dat Israël horende zal horen en niet verstaan en ziende zal zien en nochtans bemerken. Die profetie werd ter plekke vervuld aangezien de Heer tot hen sprak in gelijkenissen. Diezelfde profetie wordt door Paulus aangehaald in Handelingen 28 en daar toegepast op zijn tijd. Het gaat om hetzelfde principe, twee toepassingen van dezelfde profetie. Eén in verband met Israël rechtstreeks in de dagen van de Here Jezus en één indirect in verband met de Gemeente in de dagen van Paulus. Er zijn zo nog meer profetieën die daarover spreken.

Er zijn mensen die zeggen nooit gehoord te hebben van de opname van de Gemeente. Zij hebben dan nog nooit in de Bijbel gelezen dat Israël uiteindelijk uit alle volkeren verzameld zal worden en gezet zal worden in Kanaän. De tweede betekenis hiervan, de nieuwe betekenis, is die van de opname van de Gemeente. Zo haalt de apostel in Éfeze 4 Psalmen 68 aan en past die tekst toe op de Gemeente. Ook de schrijver van Hebreeën haalt de situatie van Israël aan en past die toe op ons in deze dagen. Hij schrijft dat je wel verlost kunt zijn uit Egypte, maar als je niet gelooft, kom je niet in Kanaän. Je kunt wel verlost zijn van de wet door de dood van de Here Jezus, maar als je niet gelooft kom je nooit in de hemel. Ook in de Éfezebrief wordt meerdere malen die toepassing aangehaald (Éfeze 2 : 12-13, Éfeze 2 : 19, Éfeze 3 : 6). Op allerlei manieren wordt uitgelegd dat de zegeningen van Israël van toepassing zijn geworden op de Gemeente. Beide betekenissen blijven waar. Wanneer je dat gaat zien, blijken die gemeentelijke waarheden nog veel duidelijker en veel vaker in de Bijbel te staan dan alleen in de Paulinische brieven. Elke keer wordt in die brieven terugverwezen naar het Oude Testament en wordt er een nieuwe betekenis gegeven boven op de betekenis die de profetie in het Oude Testament heeft. Het is een systematiek die in de Schrift terug te vinden is. Oude dingen blijven waar, maar uit diezelfde Schat worden nieuwe dingen voortgebracht. Zoals Israël tot op vandaag een zwerversvolk is, zo zijn wij als gelovigen, als erfgenamen van Abraham, pelgrims. Onderweg naar ons Kanaän, namelijk de hemel. Abraham verwachtte een erfenis in Kanaän, maar woonde reeds in Kanaän. Wij zien uit naar onze erfenis in de hemel, terwijl wij nu reeds met Christus gezet zijn in de hemel, zoals de Schrift zegt. Dat lijkt tegenstrijdig, net als het leven van Abraham in Kanaän. Sommige dingen zijn wel moeilijk te verstaan, maar dat neemt niet weg dat ze hun betekenis hebben. Soms een dubbele betekenis zelfs, met rijke en volle beloften die in alle opzichten waar zijn en door de Heer Zelf vervuld zullen worden.

Amen


 Gerelateerde bijbelezingen: "De gelijkenissen uit Matthéüs 13"

Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld


Dit is een bewerking van de Brochure "De gelijkenissen uit Matthéüs 13" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/