De profetie van Daniël

En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. Daniël 12 : 4  *

Daniël moest de woorden toesluiten tot de tijd van het einde (= de eindtijd). De eindtijd (= de laatste dagen) begon bij de geboorte van de Here Jezus in Bethlehem en strekt zich uit tot het einde van de laatste dagen, namelijk wanneer de oude schepping zal verdwijnen. Velen zullen de betekenis van het boek Daniël nazoeken en later ook begrijpen. Dat hangt samen met het feit dat er over dingen gesproken wordt die nog verborgen moesten blijven. De breuk in de historie was niet bestemd voor ongelovigen. Voor verstandigen (= gelovigen) hoeft de inhoud van het boek Daniël niet verborgen te zijn.

Deze Bijbelstudie “snijdt het Woord recht” en behandelt naast de twaalf hoofdstukken van Daniël diverse andere Schriftplaatsen die rechtstreeks verband houden met de profetische woorden uit de visioenen van Daniël. Matthéüs 24, 1 Thessalonicenzen 5 en natuurlijk diverse hoofdstukken van Openbaring komen dan aan de orde. Het bepaalt ons bij het “eindspel” waarbij namen en begrippen als Babel, Jeruzalem, de “tien-statenbond”, “het beest”, de “tien hoornen” en de “kleine hoorn”, “tijd, tijden en een halve tijd”, de 69-ste en de 70-ste week en de “onderbreking door de verborgenheid” de revu passeren. De bestudering van het boek Daniël kost enige inspanning, maar zorgt er mede voor dat wij als gelovigen Gods Plan helder mogen zien.

  1. Daniël 1.
  2. Daniël 2.  IJzer en leem.
  3. Daniël 3.
  4. Daniël 4. De zeven tijden.
  5. Daniël 5.
  6. Daniël 6. Overeenkomsten tussen Daniël en de Here Jezus.
  7. Daniël 7. Het eerste dier.  Het tweede dier.  Het derde dier.  Het vierde dier.
  8. Daniël 8. Openbaring 13. Openbaring 17.
  9. Daniël 9. Het jaar 32 A.D.  De geboorte van de Here Jezus.  Daniël 9 : 27.   Joël. Ezechiël 38 en 39. 1 Thessalonicenzen 5.  Matthéüs 24.  Openbaring 11.  Openbaring 12. Openbaring 13.  De 33 jaar. Parallellen van 7 en 33.  De tijd tussen het eind van de 69-ste week en het begin van de 70-ste week.
  10. Daniël 10.
  11. Daniël 11.
  12. Daniël 12. Schematisch overzicht.

1. Daniël 1

Daniël 1  : 1-21 *

1 ¶ In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.

2  En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.

3  En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israels, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;

4  Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeen.

5  En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.

6  Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniel, Hananja, Misael en Azarja.

7  En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.

8 ¶ Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

9  En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.

10  Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.

11  Toen zeide Daniel tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniel, Hananja, Misael en Azarja:

12  Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.

13  En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw knechten, naar dat gij zien zult.

14  Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.

15  Ten einde nu der tien dagen, zag men, dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten.

16  Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.

17 ¶ Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniel gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.

18  Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnezar,

19  En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniel, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.

20  En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren.

21  En Daniel bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.

Het boek Daniël bestaat gedeeltelijk uit directe historische gebeurtenissen en uit profetieën. Deze geschiedschrijving maakt deel uit van het heilsplan van God. Voor een groot deel is dat heilsplan nog steeds toekomst. In de Schrift hebben geschiedenissen tévens een profetische betekenis. Dat geldt dus ook voor het boek Daniël. In de Hebreeuwse Bijbel, door de joden gebruikt, wordt het boek Daniël niet gerekend tot de profetische geschriften. Het wordt niet als zodanig (h)erkend. Het boek Daniël is bij hen gerangschikt onder de zogenaamde Haggiografa (Psalmen).

Pas in de tijd van het einde zullen de profetieën van het boek Daniël verklaard worden, omdat ze tot die tijd verzegeld zijn (Daniël 12 :9). De tijd van het einde is er al sinds de dagen van de geboorte van de Here Jezus (vgl. termen als: “de laatste dagen” (Daniël 2 : 28), “het einde der dagen (Daniël 12 : 13), “de volheid des tijds” (Galaten 4 : 4) en “het einde der tijden” of “tijd van het einde” (Daniël 8 : 17; 11 : 35, 40; 12 : 4, 9). In de tijd van Daniël werd de komst van de Messias (de Zoon des mensen) en Zijn koninkrijk ook gepredikt. Men verwachtte het aanbreken van het koninkrijk van de Zoon des mensen. Het aardse koninkrijk over Israël is niet gekomen. Dit is weliswaar in overeenstemming met het plan van God, maar het is tevens het gevolg van het ongeloof van het volk. In het boek Daniël staat dat het koninkrijk nog niet gekomen is. Daarom werd het boek ook niet als profetie (h)erkend.

God sprak in het verleden tot Israël. Aan Israël zijn de woorden van God toevertrouwd (Romeinen 3 : 2, Hebreeën 1 : 1). Israël was verantwoordelijk voor de verdere bekendmaking van het Woord van God. Ze heeft het over het algemeen genomen nooit geloofd en derhalve ook niet gepredikt. Mede om die reden is het koninkrijk nog steeds niet over Israël gekomen. Het zou slechts over Israël komen op voorwaarde van geloof. Omdat Israël niet geloofde, werd het koninkrijk over haar niet bevestigd. God zegent slechts gelovigen. God had Israël uitverkoren (Exodus 19 : 5, 6). Er is echter geen aanneming des persoons bij God. God heeft Abraham, de stamvader van Israël, uitverkoren, omdat hij God geloofde. Daarom rekende God zijn geloof tot gerechtigheid. God verkiest geloof. Dat principe geldt evengoed voor Israël. In Romeinen 9 t/m 11 legt Paulus dat eveneens uit. God verkiest gelovigen. Wie gelooft krijgt deel aan de zegeningen die God aan Abraham beloofd heeft. Abraham is de vader van alle gelovigen. Zijn erfenis gaat over naar alle gelovigen, ongeacht of ze jood of heiden zijn.

Het koninkrijk dat op aarde geopenbaard zou worden is nog niet gekomen. Het koninkrijk is wel gekomen, maar het is verborgen in Christus in de hemel. De Koning is door de wereld verworpen. Hij trok Zich terug aan de rechterhand van God in de hemel. Tot de gelovigen van nu zegt de apostel Paulus dat zij Hem achterna dienen te gaan: “Nader vrijmoedig tot de troon der genade.” (Hebreeën 4 : 16 en 10 : 19-23). Het burgerschap van de gelovigen nu is in de hemelen. Het koninkrijk mag in onze tijd dan verborgen en in de hemel zijn, dat neemt niet weg dat het alsnog op aarde zal worden opgericht. De belofte van de komst van het koninkrijk ligt vast in het Woord van God. Het koninkrijk werd reeds in de dagen van het Oude Testament aangekondigd. In de formering en opdracht van Adam (het onderwerpen van de aarde; Genesis 1 : 28) ligt in wezen de grondslag voor de komst van het koninkrijk van God. Er is echter niets van terecht gekomen. Adam werd door God als het ware als de eerste “koning” aangesteld om het koninkrijk van God op aarde op te richten.

De lijn van Adam (Genesis 5) ging door op zijn afstammelingen (erfgenamen). De erfgenaam van Adam is de koning der aarde. De opdracht ging  van Adam, via Noach, Abraham, Juda, Boaz, David, enzovoorts, over op Jezus van Nazareth. De Here Jezus is de Zoon des mensen (de Zoon van Adam). Abraham is van koninklijke afkomst. Zijn broer bouwde de stad Haran. Abraham zelf verbleef aan het hof van de Egyptische farao. De mensen woonden in steden met muren. Abram leefde echter in tenten, omdat hij hier op aarde geen blijvende stad had. De opdracht van Adam wordt vervuld door de laatste Adam – Jezus Christus – Die leeft. Hij was in Adam en leeft voor altijd, zodat het geslachtsregister bij Christus opgehouden is. Christus zal de aarde onderwerpen. In wezen heeft Christus reeds alle macht ontvangen (Matthéüs 28 : 18), maar Hij oefent deze nu niet uit. (Hebreeën 2 : 7-9)

Het koninkrijk van God zal opgericht worden, te beginnen bij een gelovig Juda (volk Israël) en vervolgens over alle gelovigen uit de volkeren der aarde. In onze tijd verbergt God Zijn aangezicht voor Israël en de wereld. Daarom wordt er ook gesproken over de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen. Het koninkrijk is in onze dagen verborgen in de hemel. In de dagen van Daniël was het koningschap van Israël weggenomen. Het grootste deel van Juda was in ballingschap gegaan. De stad Jeruzalem was verwoest en de tempel verbrand. De joodse natie was verwoest. Dit was in overeenstemming met de wil van God, zoals blijkt uit onder andere de profetieën van Jesaja en Jeremía. In het jaar 606 voor Chr. sloeg Nebukadnézar als overste over de legers het beleg om de stad Jeruzalem en nam haar in. Later in dat jaar werd hij koning. 606 was derhalve het eerste jaar van Nebukadnézar als koning van Babylonië. In dat jaar werden enige van de belangrijkste mensen (o.a. van koninklijke bloede) meegenomen naar Babel (Daniël 1 : 3, 4). Daniël was er één van. Daarnaast waren er Hananja, Misaël en Azarja (Daniël 1 : 6, 7). Zij werden aan het hof onderwezen in de wijsheden van het Babylonische rijk, opdat zij naderhand mede verantwoordelijkheid zouden kunnen dragen.

Daniël was een prins. Hij was één van de troonpretendenten. Hij kwam echter in Babel in een vooraanstaande regeringsfunctie terecht. Het koninkrijk van Israël was verdwenen en aan Nebukadnézar gegeven. God noemt hem zelfs “Mijn knecht” (Jeremía 25 : 9; 43 : 10). Ook koning David wordt zo aangeduid. Later wordt Kores, de koning van het MedoPerzische rijk, eveneens met “Mijn knecht” aangeduid. Daniël was rechtstreeks betrokken bij het koningschap over de volkeren. Hij was een gelovige en zat met het probleem dat het koningschap over Israël nu geen inhoud kreeg. Sinds David en Salomo bleek het koninkrijk een aflopende zaak. In 1096 voor Chr. begon de regering van Saul. Hij kwam niet uit Juda, maar uit Benjamin. Het koningschap van David begon 40 jaar later, in het jaar 1056. Salomo werd in 1016 voor Chr. koning.

Het boek Daniël opent met de belegering en eerste verovering van Jeruzalem in 606; het eerste jaar van Nebukadnézar als koning. Jeruzalem werd toen onderworpen. Jojakim werd een vazal-koning (soort stadhouder van de koning van Babel). In 603 kwam Jojakim in opstand tegen Nebukadnézar, door geen belasting meer te betalen. De profeten riepen in die dagen op om zich te onderwerpen aan Babel, omdat het de wil van God was. Dit was het gevolg van het ongeloof van de joden. Jojakim kwam echter te overlijden en werd opgevolgd door Jojachin (of Chonia, Jechonia; Matthéüs 1). Hij was 18 jaar toen hij de troon besteeg. Dit was in het jaar 598 en Jeruzalem was nog steeds in opstand.Drie maanden na de troonsbestijging van Jojachin kwam Nebukadnézar voor de tweede maal voor de poorten van Jeruzalem. Hij belegerde de stad en nam haar in. Dit was de tweede verovering van Jeruzalem. Bij die gelegenheid werd het grootste deel van de joodse bevolking weggevoerd in ballingschap. Een deel van het volk bleef achter. De ballingschap was dus reeds begonnen, terwijl er nog een joodse natie resteerde, waarvan Zedekia als koning op de troon zat. Hij werd in 598 als koning aangesteld. Ezechiël begon te profeteren (buiten het land) in 594 voor onze jaartelling.

Jeremía trad toen als profeet in het land op. Jeremía riep opnieuw op om zich te onderwerpen aan Nebukadnézar. Het restant van de bevolking negeerde Jeremia’s uitspraken en zocht liever steun bij Egypte en Assyrië. Ook het restant van de bevolking rebelleerde tegen de koning van Babel. Toen het voor hen moeilijk werd, vroegen ze Jeremía om voor hen tot de HEERE te bidden. God zei hem echter om niet voor dit volk te bidden, want Hij zou hen niet horen (Jeremía 7 : 16; 11 : 14 en 14 : 11). In het jaar 589 kwamen de legers van Babel voor de derde maal en de stad werd in 587 ingenomen. Enige maanden later werd de tempel verwoest. De verwoesting van Jeruzalem was dus in 587 voor onze jaartelling. Dit was negentien jaar na de eerste belegering van Jeruzalem in 606 voor Chr. In 606 begon de periode die in de Bijbel met het begrip “dienstbaarheid” aangeduid wordt. Israël zou dienstbaar en onderworpen zijn aan Nebukadnézar. In 598 begon de ballingschap (de wegvoering van de meeste joden uit de joodse staat). In 589 (587) begon de tijd van de verwoesting. Deze verwoesting was reeds door de profeten aangekondigd. Zij vertelden dat het land van Israël 70 jaar braak zou liggen, omdat het volk in de loop van de historie 70 maal geen sabbatsjaar gehouden had. In dat jaar werd ook het koningschap van Israël weggenomen.

Het boek Daniël opent met de gebeurtenis van het jaar 606, namelijk de onderwerping aan Babel, in 587 voltooid werd met de verwoesting van Jeruzalem en de verbranding van de tempel. De ballingschap duurde maar 63 jaar. De 70 jaren hebben betrekking op de verwoesting van Jeruzalem en het braak liggen van het land. Deze gebeurtenissen werden door de Heer gesanctioneerd en uitgevoerd via Zijn knecht Nebukadnézar. Op die wijze oordeelde God rechtvaardig over een onrechtvaardig volk. In Daniël 1 : 1 staat een tijdsaanduiding: “in het derde jaar van het koninkrijk van Jojakim, de koning van Juda, …” Jojakim heette eerst Eljakim. Hij regeerde van 608 – 598. Het derde jaar is 606. Hij was 25 jaar toen hij begon met regeren (2 Koningen 23 : 31-37; 24 : 1-7). Hij werd in 598 door Jojachin opgevolgd, die slechts drie maanden regeerde (2 Koningen 4 : 8-17). Toen vond de tweede verovering van Jeruzalem plaats. Schatten, vorsten, strijdbare helden en ambachtslieden werden weggevoerd. Het arme volk bleef achter. Ook Jojachin werd meegevoerd en later door de opvolger Evil-Merodach verhoogd (2 Koningen 25 : 27-30). Nebukadnézar stelde Jojachins oom, Mattanja, als koning aan en noemde hem Zedekia (2 Koningen 24 : 18). Hij was toen 21 jaar en regeerde elf jaar (van 598 – 587). In 589 begon naar aanleiding van het rebelleren van Zedekia het derde beleg van Jeruzalem, dat duurde tot 587. In 587 werd de stad veroverd en de tempel verwoest. Alle schatten werden meegenomen en het volk werd in ballingschap weggevoerd. Vervolgens werd Gedalia over Juda aangesteld (2 Koningen 25 : 22). Hij werd echter vermoord (2 Koningen 25 : 25). De vaten van de tempel (het huis Gods) werden in het huis van de god van Nebukadnézar geplaatst. Deze god heette Béltsazar (Daniël 4 : 8). Deze tempel stond in het land Sinear en dat is een gedeelte van het rijk van Babel (Genesis 10 : 10; 11 : 2). Hoe gaat het koningschap nu verder? Dat is in wezen het onderwerp van de geschiedenissen in en de profetieen van Daniël. Aan hem werd meegedeeld hoe het verder zou gaan met de koninkrijken die over de volkeren der aarde zouden regeren en hoe uiteindelijk het koningschap wel degelijk voor altijd terugkeert bij het huis van David. Het koningschap zou overgaan op de Zoon van David, Jezus de Messias. De Here Jezus erkende Daniël als profeet. (Matthéüs 24 : 15)

In het boek Daniël komen verhoudingsgewijs veel tijdsaanduidingen voor (7 tijden; 2300 avonden en morgens; een tijd, tijden en een halve tijd; 1260 en 1290 en 1335 dagen; 70 weken van jaren, drie weken der dagen). Deze tijdsaanduidingen worden juist gegeven om erop acht te geven, om rekening te houden met de tijd. De Here Jezus verweet Zijn tijdgenoten dat ze de tijd van hun bezoeking niet onderkenden (Lukas 19 : 42-44). De profeten onderzochten wat betreft de tijd hun eigen profetieën. (1 Petrus 1 : 9, 10)

Het eerste hoofdstuk van het boek Daniël is de inleiding van het boek. Daarin gaat het om gelovigen die buiten hun land en familie geplaatst worden aan het hof van een koning die geen geloof in de God van Israël had. Zij bleven echter trouw aan hun God. Zij aten geen voedsel dat zij volgens hun godsdienstige overtuiging niet zouden moeten eten (Daniël 1 : 8). Ze werden tien dagen beproefd. “10” heeft met beproeving te maken. Zij aten geen vlees. Zij bleken gezonder te zijn dan de andere onderdanen van de koning. Aan Daniël en zijn drie vrienden gaf God wetenschap en verstand in alle boeken en wijsheid (Daniël 1 : 17). Daarbij waren ook boeken die niet tot de Bijbel behoorden. Deze wijsheid was een gevolg van hun geloof. Hun wijsheid bleek tienmaal hoger dan die van de wijsgeren van de koning (Daniël 1 : 20). Een tovenaar is iemand, die inzicht heeft in de onzienlijke dingen (de dingen achter de zienlijke dingen). Zij wisten dat er een verband bestaat tussen de zienlijke en de onzienlijke dingen. Daniël werd zelfs de overste der tovenaars genoemd (Daniël 4 : 9). De latere wijzen uit het oosten behoorden ook tot de sekten der magiërs.

Daniël 2

Daniël 2 : 1-49

1 ¶ In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.

2  Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeen, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings.

3  En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om dien droom te weten.

4  Toen spraken de Chaldeen, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.

5  De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeen: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.

6  Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen.

7  Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.

8  De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.

9  Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.

10  De Chaldeen antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.

11  Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelve voor den koning te kennen kan geven, dan de goden, welker woning bij het vlees niet is.

12  Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.

13  Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniel en zijn metgezellen, om gedood te worden.

14 ¶ Toen bracht Daniel een raad en oordeel in, aan Arioch, den overste der trawanten des konings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.

15  Hij antwoordde en zeide tot Arioch, den bevelhebber des konings: Waarom zou de wet van ‘s konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniel de zaak te kennen.

16  En Daniel ging in, en verzocht van den koning, dat hij hem een bestemden tijd wilde geven, dat hij den koning de uitlegging te kennen gave.

17  Toen ging Daniel naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen;

18  Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniel en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.

19  Toen werd aan Daniel in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; toen loofde Daniel den God des hemels.

20  Daniel antwoordde en zeide: De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.

21  Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;

22  Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.

23  Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons des konings zaak bekend gemaakt.

24 ¶ Daarom ging Daniel in tot Arioch, dien de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor den koning, en ik zal den koning de uitlegging te kennen geven.

25  Toen bracht Arioch met haast Daniel voor den koning, en hij sprak alzo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die den koning de uitlegging zal bekend maken.

26  De koning antwoordde en zeide tot Daniel, wiens naam Beltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom, dien ik gezien heb, en zijn uitlegging?

27  Daniel antwoordde voor den koning, en zeide: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers den koning niet te kennen geven;

28  Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:

29  Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.

30  Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom opdat men den koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten.

31 ¶ Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.

32  Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;

33  Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.

34  Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.

35  Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.

36  Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor den koning zeggen.

37  Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;

38  En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.

39  En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde.

40  En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken.

41  En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;

42  En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.

43  En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.

44  Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.

45  Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker.

46 ¶ Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniel; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.

47  De koning antwoordde Daniel en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.

48  Toen maakte de koning Daniel groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, en een overste der overheden over al de wijzen van Babel.

49  Toen verzocht Daniel van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniel bleef aan de poort des konings.

Koning Nebukadnézar wilde de droom met zijn uitlegging van zijn wijsgeren te weten komen. In vers 2 worden deze personen aangeduid met de volgende woorden: “tovenaars, sterrenkijkers, guichelaars en Chaldeeën”. Deze personen hielden zich bezig met bestuderen van buitenzintuigelijke waarnemingen. In de wereld zag men altijd tegen hen op. Voor zover het waarzeggerij en toverij is, bevindt het zich op een zeer laag “geestelijk” niveau. Een droom verklaren zou voor hen nog mogelijk zijn, maar een droom die iemand anders gedroomd heeft vertellen, is onmogelijk. Alleen de goden (Chaldeeuws: elohien) die niet bij het vlees (= de mensheid) wonen, kunnen dit. In de Bijbel worden demonen genoemd die wel in vlees wonen. De goden die de Chaldeeën bedoelden zijn veel hoger. Nebukadnézar vermoedde blijkbaar dat zijn droom iets met hem persoonlijk en met zijn rijk te maken moest hebben, anders zou hij niet zo’n zware straf aan het niet kunnen verklaren van zijn droom verbonden hebben. De droom van Nebukadnézar is één van de meest eenvoudige profetieën van het boek Daniël en vormt tevens de ruggegraat van de hele Bijbelse profetie, vanwege zijn chronologische karakter.

De wijzen van Babel zouden door Arioch, de bevelhebber van de koning,  omgebracht worden (vers 14, 15). Daniël verzocht om tijd tot een bepaald moment (“een bestemde tijd”) om de droom uit te leggen. Daniël verzocht zijn drie metgezellen om samen met hem de God des hemels te vragen naar deze verborgenheid (vers 17, 18). Het woord voor verborgenheid is “raza”. Het Chaldeeuwse woord is “raz”, dat negen maal in Daniël voorkomt: in Daniël 2 en 4. De God des hemels openbaart diepe en verborgen dingen (vers 22, 29). Hij gaf aan Daniël in een nachtgezicht deze verborgenheid te kennen. Verborgen dingen: “mesathratha”; dit is afgeleid van het werkwoord “sethar”, dat verbergen betekent.

Het woord “verborgenheid” is een begrip in de Bijbel. Hier in Daniël 2 wordt het gebruikt in verband met de droom van Nebukadnézar. Het woord komt echter vaker in de Schrift (met name bij Paulus) voor en heeft derhalve een bredere betekenis. Het Griekse woord is mustèrion. Het woord “verborgenheid” wordt in de Schrift altijd van toepassing gebracht op de tijd tussen de eerste komst en de wederkomst van Jezus Christus. Dat houdt verband met de vraag hoe het koninkrijk over de volkeren der aarde weer terugkomt bij de zoon van David. De vraag is hoe de Heer in deze wereld verheerlijkt zal worden. Het begrip “verborgenheid” duidt op de tijd vanaf de opstanding van Jezus Christus tot op de volledige openbaring van het koninkrijk op aarde. Dat neemt echter niet weg dat het in bredere zin eveneens verband kan houden met de wijze waarop het koninkrijk aan Israël hersteld zal worden. De droom van Nebukadnézar is op zichzelf een verborgenheid. Deze droom is tevens een beschrijving van de verborgenheid. Dat wil zeggen: het gaat over de manier, waarop het koninkrijk terecht komt bij de laatste Erfgenaam van David, de Zoon van David, Jezus Christus. Dit blijkt onder andere uit Daniël 2 : 28, waar gezegd wordt dat de droom heenwijst naar gebeurtenissen die “in het laatste der dagen” zullen plaatsvinden. Vergelijk Deuteronomium 4 : 30; Jesaja 2 : 2; Hoséa 3 : 5 en Micha 4 : 1.

Het begrip “verborgenheid” draagt de hele Bijbel door dezelfde betekenis. Daniël 2 spreekt over de verborgenheden van het koninkrijk van God of het koninkrijk der hemelen. De verborgen dingen zijn voor de Heer (Deuteronomium 29 : 29). De verborgenheid kwam nadat Israël verworpen was. De verborgen dingen kunnen alleen door de God des hemels geopenbaard worden (Daniël 2 : 28). De droom wordt vermeld in Daniël 2 : 31-35. Er was een groot beeld dat tegenover de koning stond. Het was schrikkelijk (afschrikwekkend groot) en bestond uit verschillende delen:

Hoofdvangoud (Chaldeeuws = dehaw)
Borst/armenvanzilver (= kesaf)
Buik/dijenvankoper (= nechash)
Schenkels (benen)vanijzer (= parzel(a)
Voetenvanijzer/leem (= parzel(a) + chasaf/chaspa)

Het gehele beeld wordt vermalen door een zonder handen afgehouwen  steen. Het beeld werd aan de voeten geraakt. Daarna werden ook alle andere lichaamsdelen vermalen en gelijk het kaf op de dorsvloeren, dat door de wind weggeblazen wordt. Er werd geen plaats meer voor gevonden. De steen werd tot een grote berg, die de gehele aarde vervulde. In Daniël 2 : 37-45 wordt de uitlegging van de droom gegeven. Het grote en imponerende beeld uit deze droom legt een verband met het Babel van Nimrod (Genesis 10 : 8-12), waar een hoge toren gebouwd werd (Genesis 11 : 1-9). Een toren is een gebouw waarvan het opperste in de hemel is. Het doel is de hemel bestormen. Ditzelfde streven werd door Nebukadnézar beoogd. In Daniël 3 wordt een beeld opgericht om het te aanbidden. In Openbaring 13 staat dat een beeld zal worden opgericht te Jeruzalem dat zelfs zal kunnen spreken. De mensheid zal voor dat beeld moeten buigen. Het streven van Babel is de volkeren rondom zich verzamelen (verenigen) en tezamen de hemel bestormen (een koninkrijk der hemelen oprichten). Dit streven bestaat vandaag nog steeds. Het is gericht op de verheerlijking van de mens. De Bijbel kent slechts één Mens Die verheerlijkt zou moeten worden: de Zoon des mensen, Jezus Christus (vergelijk Psalmen 8 en Hebreeën 2).

Vers 37, 38: Hoofd = Nebukadnézar; hij vertegenwoordigt het koninkrijk van Babel. Het gaat niet om de persoon Nebukadnézar. Hij is de personificatie van het koninkrijk van Babel, zo blijkt uit Daniël 2 : 39. Daar staat: “… na u zal een ander koninkrijk opstaan, …” Vóór het rijk van Babel zijn nog het rijk van Egypte en Assyrië geweest. Deze rijken worden in Openbaring 17 meegeteld. In dat geval is het rijk van Babel het derde. Israël is uit Egypte “voortgekomen”. In Daniël 2 wordt Babel het eerste rijk genoemd, omdat het koningschap van het huis van David is weggenomen. Tevens vinden de volkeren der aarde hun oorsprong in Babel (Genesis 10, 11). Zelfs Israël vindt daar zijn oorsprong. Abram was een heiden uit Ur der Chaldeeën. Dat lag in hetzelfde gebied als Babel. Na de zondvloed stelde God een menselijke overheid in en werd de mensheid in 70 volkeren verdeeld. Elk volk zou zijn eigen gebied en taal hebben. Israël behoort niet tot die zeventig volkeren. God reserveerde reeds bij de verdeling van de volkeren een gebied voor het volk Israël. De verdeling van de volkeren duurt nog voort tot aan de komst van het koninkrijk van Christus. Hij zal de (gelovige) volkeren verenigen in Zijn koninkrijk. De verdeling zal in het Koninkrijk van Christus ongedaan gemaakt worden. De eerste hoofdstad van een koninkrijk was Babel (Genesis 10). De laatste stad is Babylon (Openbaring 17, 18). Die stad zal vallen en dan zijn de koninkrijken onder de macht van Christus gekomen.

Het beeld heeft een gouden hoofd. “Goud” heeft met koningschap en onvergankelijkheid te maken. Goud staat hier voor “altijddurend”. In de ongewijde geschiedenis beschouwt men het rijk van Nebukadnézar als een model-koninkrijk. In de symboliek wordt Babel voorgesteld door een gouden gevleugelde leeuw.

39a:Borst/armen:Een ander koninkrijk
39b:Buik/dijen:Het derde koninkrijk; heersen over de hele aarde (èretz). Het begrip ‘aarde’ staat voor een beperkt gebied; het kan tegengesteld zijn aan water (land), hemel; het kan ook op het aardoppervlak wijzen. Overdrachtelijk betekent het: de samenleving, de "beschaafde" wereld.
40:Benen:Vierde koninkrijk: het is hard; het vermaalt en verzwakt alles.
41:Voeten/tenen:Pottenbakkersleem en ijzer; een gedeeld konink rijk. Het heeft de vastigheid van het ijzer, maar is vermengd met modderig leem (= broos). Ver menging van menselijk zaad; dat zal niet hechten.

Ook in de ongewijde geschiedenis zijn deze koninkrijken te vinden.

Beeld:Koninkrijk:
1GoudHet Babylonische rijk (606 voor Chr.)
2ZilverHet (Medo-)Perzische rijk (538 voor. Chr.) in dat jaar veroverde Darius, de Meder, Babel. De stad Babel werd niet verwoest. De rivier de Eufraat werd drooggelegd. De stad werd ingenomen. Darius zette zich op de troon (Daniël 6 : 1). In encyclope dieën wordt meestal vermeld, dat Kores de stad veroverde, via zijn legeraanvoerder Gobrias (een Meder). Hij is zo goed als zeker dezelfde als Darius. Darius is geen naam, maar een titel. Kores heet ook Cyrus. Hij kwam in 536 voor Chr. op de troon in Babel.
3KoperHet Griekse (Macedonische) rijk, o.l.v. Alexander de Grote. Hij richtte zijn rijk op naar het oosten tot op Babel. Het andere deel van Griekenland hoorde niet tot zijn rijk. Alexanders rijk bestond sinds 333 voor Chr.; bij de slag van Issus. Toen werd Darius door Alexander verslagen. Hij wilde van de ruïne van Babel de hoofdstad van zijn rijk maken.
4IJzerHet Romeinse rijk. Dit was er in de dagen van de Here Jezus ook. Het was zeer militaristisch.

Het vijfde rijk (ijzer/leem) wijst op een tien-statenbond, die in de toekomst zal verschijnen. In Daniël 2 volgt hierop het rijk van de steen; dit is het koninkrijk van de God des hemels. In de dagen van die koningen (van het laatste rijk van ijzer/leem) zal de God des hemels Zijn koninkrijk oprichten. Dit laatste rijk ligt tussen het Romeinse rijk en het koninkrijk van de God des hemels. Het Romeinse rijk is verleden tijd. Het rijk van God is nog toekomst. Het rijk ertussen is eveneens nog toekomst, want het gaat om “het laatste der dagen” (Daniël 2 : 28). In dat laatste rijk is iets van het Romeinse rijk aanwezig, vanwege het ijzer. Er wordt echter ook leem genoemd. Leem is geen metaal.

IJzer en leem

Wat wordt er nu met leem bedoeld en wanneer verschijnt het? IJzer en leem stellen niet slechts een bepaald principe voor. IJzer staat voor het wapengeweld van het Romeinse rijk. Dit rijk zal dus voor een deel in stand gehouden worden door militair geweld. Wapentuig vermengt zich nooit met menselijk zaad. IJzer staat derhalve voor een bepaalde categorie van mensen of volkeren. Dat geldt dus ook voor het leem. Het leem wordt hier ook omschreven als modderig leem (Daniël 2 : 41, 43) en pottenbakkersleem (2 : 41). Leem komt overeen met het stof der aardbodem. In de Bijbel vinden we de tegenstelling: wateren/zeeën tegenover land. De zeeën staan model voor de volkeren (Jesaja 17 : 12; Openbaring 17 : 15). Het land staat model voor Israël, omdat Israël als eigendom van God tegenover de overige volkeren gesteld wordt (vergelijk Deuteronomium  28). Het is menselijk zaad dat niet tot de zeeën gerekend wordt. Een met leem overeenkomend begrip in dit verband is “zand”. Het nageslacht van Abraham zou zijn als het zand der zee. Een gelovig Israël (zand) zal uit de volkeren (zee) terugverzameld worden (Deuteronomium 30). Het zand spoelt aan op het land. Het volk Israël is onder de volkeren verstrooid geworden, maar zal weer terugkeren. Met het leem wordt Israël bedoeld.

Omdat het laatste rijk met ijzer verband houdt, mogen we nog niet concluderen dat het gelijk is aan het Romeinse rijk. Velen zeggen dat er in de toekomst een hersteld Romeins rijk zal komen. De gedachte is wel juist, maar de formulering is niet correct. Er staat nergens dat het Romeinse rijk zich zal herstellen. Er komt juist een ander rijk, waarin elementen van het Romeinse rijk vertegenwoordigd zijn. Meestal gaat men uit van 10 staten die hier deel van uit zullen maken (de 10 tenen en de 10 hoornen; Daniël 7; Openbaring 13; 17). Het gaat om wereldrijken. Dat wil zeggen dat zij het in de bewoonde wereld voor het zeggen hebben. Bij het laatste rijk gaat het om een wereldrijk, dat opgebouwd is uit een tiental grootmachten, die de rest van de wereld besturen. Dit rijk zal kenmerken hebben van het Romeinse rijk, omdat het deels met ijzer vergeleken wordt. IJzer duidt op de hardheid (het geweld) van dat rijk. De westerse landen zijn gebaseerd op de principes van het Romeinse rijk. Het recht is gebaseerd op dat van de Romeinen. De cultuur en filosofie zijn voortgekomen uit het Romeinse rijk, die ze op haar beurt weer aan de Griekse cultuur heeft ontleend. Denk maar aan de Griekse goden die door de Romeinen overgenomen werden en van Latijnse namen voorzien werden.

IJzer staat voor hardheid, vastigheid, vermalen en verzwakken en verbreken (Daniël 2 : 40). In Lukas 3 : 9 wordt het begrip “bijl” genoemd. Een bijl is gemaakt van ijzer. De bijl ligt aan de wortel van de bomen. Het is hier een beeld van het Romeinse rijk dat de joodse natie zou verwoesten. De boom (de vijgeboom) werd omgekapt. Iedere ongelovige Israëliet zou omkomen. In 2 Koningen 6 : 1-7 is ijzer een beeld van Israël. Het ijzer (de bijl) werd gebruikt om huizen te bouwen. Het was het gereedschap, waarmee het werk gedaan werd. Het raakte los van de steel en kwam in het water terecht. Het bouwen van de huizen is een beeld van het maken van de nieuwe schepping. Als God een nieuwe schepping maakt, is Israël Zijn werktuig. De bijl (Israël) is het instrument waarmee met geweld het koninkrijk wordt opgericht. Het ijzer kwam echter in het water terecht. Het verliet zijn oorsprong en kwam onder de volkeren terecht. Het (ijzer) was geleend; zo is het vertaald. Het was verkozen, gevraagd, staat er letterlijk, want het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord “sha’al”, dat “vragen”, “verkiezen” betekent. Er werd een nieuw stuk hout in het water geworpen, zodat het ijzer boven kwam. Het hout is een beeld van de Heer. Israël had haar Messias losgelaten, maar wordt later door de Heer Zelf teruggebracht. In de toekomst zal Israël de andere volkeren tot gehoorzaamheid brengen. Dan is Israël het ijzer dat weer aan de steel zit. Het ijzer is het instrument dat God gebruikt om de volkeren met geweld te onderwerpen. Daarom kan het een beeld zijn van Israël. Het gaat om het principe dat de bijl (het ijzer) vertegenwoordigt: het geweld.

Wanneer iemand buiten zijn schuld iemand anders gedood had kon hij vluchten naar de vrijstad. Daar was hij veilig tot de dood van de hogepriester. Een voorbeeld daarvan is dat van een bijl die van de steel losschiet. Het gaat daarbij om de profetische betekenis. Israël zou haar Messias loslaten. Hij werd daardoor gedood. Daarom moest Israël naar de vrijstad vluchten. Israël moest naar de gemeente vluchten. De bloedwreker is een beeld van God. Hij is het meest naaste familielid van de Heer. Men kan vluchten voor de toorn van God door tot geloof te komen en opgenomen te worden in de gemeente. Dan is men veilig in Christus, zolang de Hogepriester leeft. Jezus Christus is de Hogepriester Die eeuwig leeft (Psalm 110; Hebreeënbrief).

De bijl als instrument in Gods hand beeldt krachtdadig geweld uit. Denk aan de grote verdrukking die over Israël, maar ook over de volkeren zal komen. In Daniël 2 staat ijzer voor het geweld dat in het toekomende wereldrijk een grote rol zal spelen. Dit rijk zal bestaan uit een confederatie van tien staten. Welke dat zullen zijn is moeilijk tevoren te zeggen. Het Romeinse rijk beperkte zich tot Europa (rond de Middellandse Zee). Het toekomende rijk zal zich niet tot Europa beperken, omdat Babel de hoofdstad ervan zal zijn. Dit toekomstige rijk zal enerzijds verband houden met geweld en militaire macht. Het zal doen denken aan het Romeinse rijk. De andere kant is het echter broos (uitgebeeld door leem). Leem hoort in het rijtje van de metalen niet thuis. De wereldrijken houden verband met de volkeren buiten Israël. Omdat het leem er niet bij hoort, wijst het op Israël dat niet bij de volkeren hoort. Het echte Israël vermengt zich niet met heidenen. Door menselijk zaad zal een vermenging plaatsvinden.

In Romeinen 9 legt de apostel Paulus Gods plan met Israël uit. De beloften van God zijn gedaan aan gelovigen. De zegeningen van Abraham gaan naar degenen die net zo geloven als Abraham. Gelovigen zijn erfgenamen van Abraham. Het natuurlijke Israël is tijdelijk terzijde gesteld.

Romeinen 9 : 20, 21 is een commentaar op Jeremía 18. Uit dezelfde klomp heeft God een vat ter ere en een vat ter onere gemaakt . Romeinen 9 : 22 Vaten des toorns toebereid tot het verderf. God wil in die vaten Zijn toorn bekendmaken. Hij oordeelt over de zonde en demonstreert zijn toorn in en aan Israël. Het natuurlijke Israël is toebereid als een vat des toorns. De pottenbakker heeft macht om te maken van het leem, wat Hij wil. De rechtvaardigen onder de Israëlieten vallen niet onder het oordeel. Het oordeel komt wel over de natie, maar daarom nog niet over elk lid van die natie. Gelovigen kunnen gered worden. God heeft Israël als volk gemaakt, omdat Hij daarin Zijn toorn en macht bekend wil maken.

Romeinen 9 : 23 Aan de vaten der barmhartigheid wil God de rijkdom van Zijn heerlijkheid betonen. De vaten der barmhartigheid hebben betrekking op zowel joden als heidenen (Romeinen 9 : 24). Ieder die gelooft, maakt deel uit van de vaten der barmhartigheid.

Het eerste vat was een vat ter onere. Dit is het natuurlijke volk Israël. Dat is in de toorn van God terechtgekomen. Het vat ter ere is de Gemeente, die bestaat uit gelovigen uit de joden en de heidenen. De Gemeente is een vat ter ere, omdat zij bestaat uit gelovigen die een nieuwe schepping zijn in Christus. Adam werd eveneens uit de aarde gemaakt. Zelfs het herstel van de schepping is gemaakt uit een “klomp leem”. De schepping van Genesis 1 : 1 was gevallen en onder het oordeel van God gekomen. Het herstel van de schepping was dus een formering van iets dat reeds bestond. Toch wordt deze wereld uiteindelijk verwoest. Het is namelijk een vat ter onere. God maakt een nieuwe schepping. Uit een klomp leem wordt aanvankelijk niet het definitieve vat gemaakt.

Daniël 2 : 44: “In de dagen van díe koningen”. Dat zijn de koningen van de tien tenen.  De God des hemels zal een koninkrijk verwekken. Verwekken is de vertaling van het werkwoord “qoem”, dat “opwekken”, “(doen) opstaan” en “stellen” betekent. Dit wil zeggen dat God een koning zal verwekken, doen opstaan. Een koninkrijk begint met een koning. Dat vond zijn vervulling bij de opstanding van Christus. Hij is de eeuwige Koning sinds Zijn opstanding. De Here Jezus werd geboren met troonsrechten op de troon van David. Hij was daarmee nog niet de Messias van het eeuwige koninkrijk van God. Dat wachtte op Zijn opstanding. De Messias moest eerst lijden en sterven om opgewekt te kunnen worden. Het koninkrijk zal in de eeuwigheid niet verstoord worden. Het moet derhalve wel slaan op de opgewekte Messias, want Hij leeft eeuwig. De erfenis van Jezus ging over naar Christus, de opgestane Heer, de eeuwiglevende. Het koninkrijk zal al die andere koninkrijken vermalen (Daniël 2 : 34, 35). De steen vermaalde niet slechts het rijk dat door de voeten van het beeld uitgebeeld wordt. Er staat: “… toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud”. Alle wereldrijken worden te zamen vermalen. Dit houdt in dat in het laatste der dagen al die koninkrijken op één of andere wijze in het laatste koninkrijk vertegenwoordigd zullen zijn. In Daniël 7 : 12 wordt dit omschreven met deze woorden: “… want verlenging van leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe”.

Volgorde van de metalen:

2 : 32, 332 : 352 : 38-432 : 45
BeeldVermalenUitleg beeldVermalen
GoudIJzerGoudIJzer
ZilverLeem-------Koper
KoperKoperKoperLeem
IJzerZilverIJzerZilver
IJzer/LeemGoud(Pottenb.)Leem/IJzerGoud

De steen is een beeld van het komende koninkrijk van de God des hemels en derhalve een beeld van de Koning van dat rijk. De steen is een omschrijving van Christus (1 Korinthe 10 : 4). Hij is de steen des aanstoots en de rots der ergenis Die toch de hoeksteen werd (vergelijk Psalmen 118 : 22; Matthéüs 21 : 42; Jesaja 28 : 16). Degenen voor wie de steen (Christus) een aanstoot was, probeerden een eigen gerechtigheid op te bouwen (Romeinen 9 : 31-10 : 3). Een eigen gerechtigheid opbouwen wordt in de Bijbel uitgebeeld door het bakken van stenen (tichelen).  Na het vertellen en uitleggen van de droom erkende koning Nebukadnézar dat de God van Daniël de God der goden en de Here der koningen is. Hij maakte Daniël groot. Daniël werd overste van de wijzen van Babel. Daarnaast werd hij tot heerser over het ganse landschap van Babel aangesteld. Op verzoek van Daniël werd het bestuur van het landschap van Babel aan Sadrach, Mesech en Abed-nego overgedragen, terwijl hijzelf in de nabijheid (de poort) van de koning bleef. De droom heeft betrekking op de dingen die gebeuren “in het laatste der dagen”. Deze uitdrukking komt voor in de volgende teksten:

in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot de HEERE Deuteronomium 4 : 30

dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten Deuteronomium 31 : 29

geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op de top der bergen Jesaja 2 : 2

Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten. Jeremía 23 : 20   (vers 24 komt hiermee overeen)

Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden Jeremía 48 : 47

in het laatste der dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal Jeremía 49 : 39

in het laatste der dagen … zal Ik u (Gog) aanbrengen tegen Mijns land. Ezechiël 38 : 16
Vergelijk Ezechiël 38 : 8: na vele dagen = in het laatste der jaren.

wat er geschieden zal in het laatste der dagen (droom van Nebukadnézar). Daniël 2 : 28

Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren … in het laatste der dagen. Hoséa 3 : 5

Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op de top der bergen; Micha 4 : 1

dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen. 2 Petrus 3 : 3

in de laatste dagen, … zal Ik uitstorten van Mijn Geest op alle vlees Handelingen 2 : 17
(geciteerd uit Joël 2)

dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Timothtéüs 3 : 1

God, … heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon. Hebreeën 1 : 1

gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. Jakobus 5 : 3

3. Daniël 3

1 ¶ De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.

2  En de koning Nebukadnezar zond henen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht.

3  Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht.

4  En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natien, en tongen!

5  Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht;

6  En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.

7  Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natien, en tongen nedervallende, aanbaden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht.

8 ¶ Daarom naderden even ter zelfder tijd Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden;

9  Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: O koning! leef in der eeuwigheid!

10  Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden;

11  En wie niet nederviel, en aanbad, die zou in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.

12  Er zijn Joodse mannen, die gij over de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld; uw goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgericht hebt.

13  Toen zeide Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor den koning gebracht.

14  Nebukadnezar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat gijlieden mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt?

15  Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?

16  Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden.

17  Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

18  Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.

19 ¶ Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet zou maken dan men dien pleegt heet te maken.

20  En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om te werpen in den oven des brandenden vuurs.

21  Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun hoeden, en hun andere klederen, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden vuurs.

22  Daarom dan, dewijl het woord des konings aandreef, en de oven zeer heet was, zo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood.

23  Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het midden van den oven des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren,

24  Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op in der haast, antwoordde en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning!

25  Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.

26  Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van den oven des brandenden vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechten des allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego uit het midden des vuurs.

27  Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren des konings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.

28 ¶ Nebukadnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.

29  Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die alzo verlossen kan.

30  Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het landschap van Babel.

Daniël 3 was een historische gebeurtenis. In Daniël 2 stond de droom van de koning centraal. Er is een bepaalde overeenkomst. In de droom is sprake van een beeld, waarvan het gouden hoofd (= het begin) met Babel te maken heeft. In hoofdstuk 3 is opnieuw een beeld dat in opdracht van de koning gemaakt werd. Het beeld is geheel van goud. De afmeting van één el komt overeen met circa 50 cm. Dan is de hoogte ± 30 meter en de breedte ± 3 meter. Dit geeft de verhouding 1 : 10. In die verhouding kan het moeilijk een menselijke voorstelling zijn. Het beeld wordt gemarkeerd door het getal 6. Het is een verwijzing naar Openbaring 13. In dat hoofdstuk is sprake van het beeld van het beest (uit de zee). Daarbij speelt het getal 666 een belangrijke rol. Openbaring 13 : 18: Het getal van het beest is het getal van een mens. Hoewel het niet zeker is dat het beeld een menselijke gedaante is geweest, wordt door het beeld wel de mens voorgesteld. Dat houdt verband met het getal 6. Het getal 6 is de uitbeelding van de mens (vergelijk de schepping van Adam op de zesde dag: Genesis 1 : 26, 31). De mens (Adam) had de opdracht om de aarde tot God terug te brengen. Hij werd in de hof geplaatst om de aarde te onderwerpen. Hij was de verbindende schakel tussen God en de gevallen schepping. Het getal 6 staat voor alles wat de mens doet of bereikt. Het kan ook een negatieve betekenis hebben. In de zesde bedeling komt de Zoon des mensen om Zijn koninkrijk op te richten. De zesde dag van de week brengt een verbinding tot stand met de voorgaande vijf dagen en de zevende dag, de sabbat. De zesde dag loopt als het ware door in de zevende. Die begint al op de vrijdagavond (de avond van de zesde dag). De rust (het Messiaanse rijk, de sabbat) voor Israël begint al tijdens de zesde bedeling. Een normale dag begint bij zonsopgang. De sabbat is daarop een uitzondering. De verbinding tussen God en schepping is door Jezus Christus (de laatste Adam, de Zoon des mensen) tot stand gebracht.

Het getal 6 komt overeen de zesde Hebreeuwse letter: de waw (f) De betekenis ervan is “haak”. Er wordt een verbinding tot stand gebracht. Alles wat met een 6 gemarkeerd wordt, brengt verbinding tot stand. Het is in hoogste instantie van toepassing op de Schepper en de schepping. Het getal 6 is niet het getal van de satan. Wanneer echter de mens op zijn eigen hoog(s)tepunt komt, culmineert dat eveneens in het getal 666. Dit is de 6 op drie niveaus, namelijk in de eenheden, tientallen en honderdtallen. Hij wordt echter nooit een 7. Christus is zowel de 6 als de 7, maar ook de 8 (op alle niveaus). Het beeld in Daniël 3 is een voorstelling van hetgeen de mens wil, denkt en doet. Daarnaast is het een opgericht teken, een fallus-symbool. Dat wijst op de vruchtbaarheid of de potentie, die in de mens zelf aanwezig is en zich naar buiten toe uit. Het beeld stond in het dal Dura. Dura houdt verband met het woord “door” (= geslacht), hetgeen ook op de voortplanting en vruchtbaarheid wijst. Het dal Dura lag zo’n 20 km ten zuidoosten van de stad Babel. De machthebbers in het rijk van Babel werden uitgenodigd om tot de inwijding van het beeld te komen. Deze machthebbers vertegenwoordigden de volkeren, natiën en tongen in het rijk van Nebukadnézar (Daniël 3 : 4). Inwijding = chanoekah (afgeleid van het werkwoord “chanag”). Het feit dat Sadrach, Mesach en Abed-nego in de brandende oven geworpen werden, wordt wel eens gezien als een uitbeelding van de Gemeente die door de grote verdrukking zal gaan. Dat is echter onjuist, omdat de rechtstreekse beschrijving daarvan anders vermeldt. God zal de gelovigen verlossen uit de ure der verzoeking die over de gehele aarde komen zal (Openbaring 3 : 10).

Het gaat erom dat God machtig is om te verlossen. Dat kan hij op verschillende manieren doen. Er zullen inderdaad gelovigen zijn die in de verdrukking terechtkomen en behouden worden. Er zullen ook gelovigen zijn, die voordat het beeld in de toekomst opgericht zal worden, reeds in veiligheid gebracht zijn. Tevens zullen er gelovigen zijn die in de verdruk- king omkomen. Zij worden later weer levendgemaakt/opgewekt. Het Chaldeeuwse woord voor “oven” in Daniël 3 is “attoen”. Het wordt tienmaal in Daniël 3 genoemd. Met dezelfde letters wordt het Hebreeuwse woord “athoon” geschreven, dat “ezelin” betekent. Beide woorden beelden “verdrukking” uit. Een ezelin gaat gebukt onder de lasten op haar rug. Een vurige oven brengt verdrukking voor degene die erin geworpen wordt. In Genesis 19 : 28 staat dat Sodom geworden is “gelijk de rook eens ovens”. Dit was het gevolg van de zwavel en het vuur dat God over Sodom en Gomorra deed komen. De rechtvaardige Lot werd voor het oordeel over Sodom gewaarschuwd en bewaard. Hier staat het woord “kiwshan”, dat komt van “kawash” (= onderwerpen). Dit woord komt ook in Exodus 9 : 8, 10 voor (zesde plaag: zweren n.a.v. de as uit de oven; oordeel van God over de ongelovige en hardnekkige farao en zijn Egyptenaren).  Het woord komt eveneens in Exodus 19 : 18 voor. De berg Sinaï rookte, omdat de HEERE daarop neerkwam in vuur. Er was rook als de rook van een oven. God gaf de wet aan Israël. De oven is hier een beeld van het oordeel van God. De wet veroordeelt de mens (kennis der zonde; bediening des doods). De wet spreekt over het oordeel van God; bijvoorbeeld in de offers, die gebracht werden om verzoening te doen; dat wil zeggen om aan het oordeel te ontkomen. Lot werd voor het oordeel over Sodom gewaarschuwd en bewaard.

Algemeen gezegd, staat het begrip “oven” model voor het oordeel van God. In het boek Daniël gaat het om de volkeren. De oven in Daniël 3 is derhalve een beeld van het oordeel over de volkeren; dit in verband met de vestiging van het koninkrijk van God in de wereld. Hierbij speelt het volk Israël ook een rol. De drie gelovige vrienden van Daniël komen in het oordeel terecht, maar worden er niet door aangetast. Het gaat hier over gelovigen die tijdens het oordeel op aarde zijn. Het gaat hier dus niét om gelovigen die voor het naderende oordeel bewaard (weggerukt) worden. Sadrach, Mesach en Abed-nego zijn joodse mannen. Het gaat hier om de verhouding tussen Chaldeeuwse mannen en gelovige joden die onder de heerschappij van de Babyloniërs leven.

In het boek Openbaring wordt over de strijd tussen Babel en de joden gesproken. Openbaring 13 handelt over twee beesten: het beest uit de zee (13 : 1) en het beest uit de aarde (13 : 11). Het beest uit de zee is de vorst, die over een nu nog toekomstig wereldrijk zal regeren. Hij zal over de volkeren der aarde heersen, want het begrip “zee” staat voor “volk(eren)”. De persoon zal zijn zetel in Babel (Babylon) hebben. Babylon is dan ook de laatste stad die onder Gods oordeel zal vallen. Het beest uit de aarde (of uit het land) is een machthebber in Jeruzalem. Aarde/land staat tegenover zee zoals Israël staat tegenover de volkeren. Beide beesten werken nauw samen. Het beest uit de zee heeft zijn macht van de satan ontvangen (Openbaring 13 : 4). Het beest uit het land lijkt op het Lam (Christus), maar spreekt als de draak. De vorst te Jeruzalem zorgt ervoor, dat de joden de vorst van Babel aanbidden (Openbaring 13 : 12). In Daniël 3 gaat het immers ook om het aanbidden van een beeld, dat door Nebukadnézar opgericht is. Men moet buigen voor de koning van Babel.

De vorst te Jeruzalem doet zelfs tekenen (Openbaring 13 : 14). Hij gebruikt die macht om te wijzen op de vorst te Babel, zodat men een beeld voor hem gaat maken. In Openbaring 13 : 15 staat dat het beeld van het beest een geest (adem) krijgt (d.i. een beeld van “leven”). Het beeld komt tot leven en kan spreken. Die het niet aanbidden zullen gedood worden. Er wordt een merkteken gegeven waarmee ieder kan deelnemen aan het economische systeem, maar daarmee tegelijk onderworpen is (Openbaring 13 : 16, 17). Degenen die niet geschreven zijn in het boek des levens des Lams, zullen het beest (en zijn beeld) aanbidden (Openbaring 13 : 8). In Openbaring 13 : 18 wordt opgeroepen om het getal van het beest te berekenen. Het is het getal van een mens; zijn getal is 666. In de eindtijd zal er een wereldrijk bestaan, waarin een samenwerking bestaat tussen de vorst van Babel en de vorst te Jeruzalem. Dit is hetzelfde als het laatste rijk uit de droom van Daniël 2, dat een vermenging was van ijzer en modderig leem. Degenen, die niet willen buigen voor het beeld van het beest, zullen gedood worden (Openbaring 13 : 15). Dit is hetzelfde als het vallen in het vuur van de oven in Daniël 3. Men zal dit oordeel ondergaan, wanneer men het beeld niet aanbidt. In Daniël 3 heeft het oordeel betrekking op joodse mannen. Zij waren belast met de heerschappij over het landschap van Babel. Het joodse volk is in wezen bestemd om over de andere volkeren te regeren (Deuteronomium 28), onder leiding van de Zoon van David (Jezus Christus). Dat is mogelijk op voorwaarde van geloof. Degenen die hun knieën voor het beeld niet zullen buigen, zullen weliswaar in het oordeel komen, maar bewaard worden (zoals Elia bewaard werd). Zo zullen de gelovige Israëlieten op een plaats bewaard worden die haar door God bereid werd (Openbaring 12 : 6), namelijk Petra of Sela in Edom (in het tegenwoordige Jordanië).

De drie joodse gelovigen worden door God bewaard, dwars door het oordeel heen. Redding gebeurt in de Bijbel niet altijd op dezelfde wijze:

Gelovigen die vóórdat de verdrukking komt, gered worden: Lot en zijn dochters uit Sodom en Gomorra (Genesis 19). Noach en de zijnen in de ark (Genesis 6-8). Gelovigen van de Gemeente (Openbaring 3 : 10). Gelovigen uit Israël, na de opname van de Gemeente (Openbaring 12 : 6).

Gelovigen, die door de verdrukking heen gered worden. Daniël (leeuwenkuil: Daniël 6) en zijn drie vrienden (oven: Daniël 3).

Petrus uit de gevangenis (Handelingen 12). Paulus, o.a. toen hij gestenigd werd (Handelingen 14 : 19; 2 Korinthe 11).

Gelovigen die niet gered werden, toen de verdrukking kwam: Naboth werd vermoord (1 Koningen 21). Johannes de Doper werd onthoofd (Matthéüs 14). Stefanus werd gestenigd (Handelingen 7 : 59). Jakobus werd met het zwaard gedood (Handelingen 12 : 1, 2). Gelovigen die het merkteken van het beest niet hebben (Openbaring 20 : 4).

4. Daniël 4

Daniël 4  : 1-37

1 ¶ De koning Nebukadnezar aan alle volken, natien en tongen, die op den gansen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd!

2  Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft.

3  Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.

4 ¶ Ik, Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende,

5  Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.

6  Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van dien droom zouden bekend maken.

7  Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen; maar zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend;

8  Totdat ten laatste Daniel voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar den naam mijns gods, in wien ook de geest der heilige goden is; en ik vertelde den droom voor hem, zeggende:

9  Beltsazar, gij overste der tovenaars! dewijl ik weet, dat de geest der heilige goden in u is, en geen verborgenheid u zwaar is, zo zeg de gezichten mijns drooms, dien ik gezien heb, te weten zijn uitlegging.

10  De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.

11  De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde;

12  Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan dezelve voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.

13  Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel,

14  Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijn takken;

15  Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde.

16  Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.

17  Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wien Hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de mensen.

18  Dezen droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; gij nu, Beltsazar! zeg de uitlegging van dien, dewijl al de wijzen mijns koninkrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar gij kunt wel, dewijl de geest der heilige goden in u is.

19 ¶ Toen ontzette zich Daniel, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang, en zijn gedachten beroerden hem. De koning antwoordde en zeide: Beltsazar! laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren. Beltsazar antwoordde en zeide: Mijn heer! de droom wedervare uw hateren, en zijn uitlegging uw wederpartijders!

20  De boom, dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het ganse aardrijk gezien werd;

21  En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden;

22  Dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan den hemel, en uw heerschappij aan het einde des aardrijks.

23  Dat nu de koning, een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van den hemel afkomende, die zeide: Houwt dezen boom af, en verderft hem; doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds, en in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan;

24  Dit is de beduiding, o koning! en dit is een besluit des Allerhoogsten, hetwelk over mijn heer, den koning, komen zal:

25  Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte des velds zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als den ossen, te smaken geven; en gij zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze, wien Hij wil.

26  Dat er ook gezegd is, dat men den stam met de wortelen van dien boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend hebben, dat de Hemel heerst.

27  Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.

28 ¶ Dit alles overkwam den koning Nebukadnezar.

29  Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,

30  Sprak de koning, en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!

31  Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er een stem uit den hemel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan.

32  En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven, als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wien Hij wil.

33  Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijn nagelen als der vogelen.

34 ¶ Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht;

35  En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?

36  Ter zelfder tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijn majesteit en mijn glans weder op mij; en mijn raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd.

37  Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.

Daniël 4 : 1-3 In vers 2 staat: De allerhoogste God heeft tekenen en (= namelijk) wonderen aan (= met) mij (= Nebukadnézar) gedaan. Nebukadnézar erkent God. Hij zegt: “Zijn rijk is een eeuwig rijk en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.”

Daniël 4 : 4-9 Nebukadnézar zag een droom. Het zijn de gezichten van zijn droom (4 : 9) oftewel de gedachten en gezichten van zijn hoofd (4 : 5). Al de wijzen (chagiem) van Babel worden geroepen. Deze wijzen zijn de tovenaars, sterrenkijkers, Chaldeeën en waarzeggers (4 : 7). Zij kunnen de droom van de koning echter niet uitleggen. Ten laatste kwam Daniël. Zijn naam betekent: “mijn rechter is God”. Hij heet ook Béltsazar; genoemd naar de god van de koning. Deze naam lijkt op die van de latere koning Béltsazar (Daniël 5 : 1), echter de teeth ontbreekt in de laatstgenoemde naam. In Daniël is de geest (ruach) van de heilige goden (God). Hij is de overste van de tovenaars. Het Chaldeeuwse woord voor verborgenheid is “raz”; we herkennen het nog in ons woord “raadsel”.

Daniël 4 : 10 In de droom ziet de koning een boom staan in het midden der aarde. “Aarde” is het woord “èretz”. Het kan ook “land” betekenen; als tegenstelling van “water”. Het kan “aarde” betekenen als tegenstelling van “hemel”. De aarde heeft geen betrekking op een planeet. Het woord “eretz” staat voor een beperkt gebied met een grens. In de Bijbel zijn de zeeën de begrenzing. Verder kan het woord “èretz” ook betrekking hebben op een stuk land (grond).

Daniël 4 : 11, 12 De boom reikte aan de hemel. Dat is op zich niets vreemds, want alle bomen staan in de (“eerste”) hemel. De opmerking heeft een betekenis. Het is een verwijzing naar de torenbouw van Babel (Genesis 11). De top van de toren reikte in de hemel. Dit is een uitbeelding van het menselijke streven om als God te zijn. De boom wordt in verband gebracht met de hemel. De hemel houdt verband met de heerschappij over de aarde, omdat die heerschappij geacht wordt uit te gaan vanuit de hemel (God, de satan). Zowel de toren als de boom weerspiegelen een ontwikkeling vanuit de aarde naar de hemel toe. Dat is hét kenmerk van Babel.

Daniël 4 : 13, 14 Nebukadnézar zag een wachter, namelijk een heilige van de hemel afkomen. Het woord voor “wachter” is “ier”. Het is afgeleid van het werkwoord “oer”, dat “(op)waken”/”ontwaken” betekent (o.a. Psalmen 7 : 7; 59 : 5); het kan ook “opwekken”/”verwekken” betekenen, in de zin van “aanwakkeren” (o.a. Jeremía 6 : 22; Daniël 11 : 2, 25). Een wachter waakt, is waakzaam. Hij is tevens een heilige (onderscheidt zich van de rest van de wereld). De boom werd afgehouwen en vernietigd. Alleen de stam met zijn wortelen bleef over. Er werd een ijzeren en koperen band om de stronk gedaan om die heel te houden. Normaal is het zo dat een overblijvende stam openbarst (vergelijk de knotwilg). De stam werd door de dauw des hemels natgemaakt en stond te midden van het gras des velds. Dit betekent dat de stam niet veel hoger dan het gras was.

Daniël 4 : 15 De boom, die hoog was, en bescherming en voedsel bood, is verlaagd tot het niveau van het gras. Hetzelfde principe van bescherming wordt uitgebeeld in de gelijkenis van het mosterdzaad. Gras staat in de Bijbel voor vergankelijkheid, voor het kortstondige leven van de natuurlijke mens (Psalmen 103 : 15 en Jesaja 40 : 6-8). Het staat ook voor verdorring (Psalmen 102 : 5, 12; Jesaja 42 : 15). Gras is talrijk en duidt op de veelheid van de mens. Het is hardnekkig en wijst daarom op de werking van de zonde. Gras staat dus voor de natuurlijke mens, de zondaar, die een kortstondig leven heeft. Een boom is een uitbeelding van de mens, die een bepaalde macht bezit (Psalmen 1 : 1-3; Matthéüs 3 : 10; 7 : 17-19; 12 : 33); vergelijk de afgehouwen boom (tronk) van Isaï (de vader van David), waaruit een rijsje voortkwam. Het betekent dat het koningshuis van David afgesneden werd, maar opnieuw vrucht zou dragen (door de opstanding van de Zoon van David: Christus). Een boom kan ook staan voor koningschap. De boom uit Psalm 1 is onderdeel van de nieuwe schepping. In Openbaring draagt de boom (des levens) voortdurend vrucht (Openbaring 22 : 2).

Daniël 4 : 16-18 De boom is een voorstelling van een mens, zoals blijkt uit de omschrijving van Daniël 4 : 16. De mens (machthebber) wordt teruggebracht tot het niveau van een beest (= iemand, die aan macht onderworpen is). De mens (Adam) is gesteld om heerschappij te hebben over de dieren. De regerende positie van de mens wordt vernederd tot die van een onderdaan. Dit zal plaatshebben gedurende zeven tijden. Het is een tijdelijke zaak. Wachters en heiligen: deze woorden staan nu in het meervoud (ook in het Hebreeuws). Zij hebben deze zaak besloten. Eén van die heilige wachters deelt mee, dat de boom omgehakt zal worden.

Daniël 4 : 19-25 Daniël moest de droom uitleggen. Hij wenste de betekenis van de droom aan de vijanden van de koning toe. In vers 20 en 21 herhaalde Daniël de eigenschappen van de boom. Alles wat op aarde leefde, deelde in de zegeningen van die boom. De vruchten waren bestemd voor de gehele aarde. De boom is volgens vers 22 uitbeelding van koning Nebukadnézar. De hele aarde was hem onderworpen. Zijn macht reikt tot aan de hemel. Alleen in de hemel waren er nog hogere machten dan Nebukadnézar; op aarde niet. De allerhoogste macht is die van God. De hoogste macht op aarde berustte bij Nebukadnézar. In Daniël 4 : 23 wordt vers 14 samengevat: “Houwt die boom af en verderft hem”. Daniël 4 : 25 geeft de betekenis van het omhakken van de boom voor Nebukadnézar zelf.

Daniël 4 : 26-28 Het koninkrijk zal na de zeven tijden voor hem bestendig zijn. De droom wordt alleen toegepast op de persoon van Nebukadnézar. De hemel heerst wil zeggen dat de Allerhoogste Die in de hemel woont, heerst. God had Nebukadnézar verheven tot de machtigste koning van de aarde. Daarom had hij niet het recht om te zeggen: “Is dit niet het grote Babel, dat ík gebouwd heb …” God geeft de koninkrijken der aarde aan wie Hij wil (Daniël 4 : 17). In de Bijbel komt naar voren dat de satan de wereld regeert. Hij wordt de overste van deze wereld (Johannes 12 : 31; 14 : 30 en 16 : 11) en de god dezer eeuw (2 Korinthe 4 : 4) genoemd. Zie ook Éfeze 2 : 2 (de overste van de macht der lucht). We vinden de positie van de duivel beschreven in:

Lukas 4 : 5, 6:

5  En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds.
6  En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil;
7  Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn.

God heeft de macht over de koninkrijken der aarde overgegeven aan de cherub die later de satan (= de tegenstander) werd (Ezechiël 28). God geeft de koninkrijken der aarde aan wie Hij wil. Dat is eigenlijk de enige invloed van God op de gang van zaken in deze wereld. Hij bemoeit Zich niet rechtstreeks met de koninkrijken of de mensheid op de aarde. Hij verkiest iemand en stelt hem verantwoordelijk. In de praktijk blijkt dat zo iemand daar niets van terecht brengt. God heeft Nebukadnézar aangesteld (“Mijn knecht”), maar dat wil niet zeggen dat God hem ook daadwerkelijk leidt in zijn regering. In Israël was het huis van David aangewezen tot koningschap. God had ook het erfrecht in de wet geregeld. Daarmee was elke koning uit het huis van David volgens de wet door God aangesteld. De meesten waren echter ontrouw aan God. God nam het koninkrijk van Israël weg en gaf het aan Nebukadnézar van Babel. Dat moest Nebukadnézar zich bewust zijn. Hij hoorde de God des hemels eer te geven.

Daniël 4 : 29-37 De koning sprak zijn hoogmoed uit: Ik heb het grote Babel gebouwd door mijn eigen kracht en tot mijn heerlijkheid. Dit sprak hij twaalf maanden, nadat hij van Daniël deze droom en haar uitleg gehoord had (4 : 29). De vervulling van de droom kwam pas na twaalf maanden (één jaar later op dezelfde datum). Het opmerkelijke is dat er niet bij staat wanneer dat precies was. Veel profetieën worden juist wel gedateerd, maar deze niet. De datum wordt genoemd omdat deze overeenkomt met de datum waarop de profetie in vervulling zal gaan. In de profetie van Haggaï komen verschillende data voor: Haggaï 1 : 1; 2 : 1, 2, 11, 19, 21. De profetie van Haggaï is als het ware opgehangen aan diverse data. Het gaat bij deze data om de toekomstige vervulling ervan, hoewel ook blijft vaststaan dat ze in het verleden historisch hebben plaatsgehad. Op de 24-ste dag van de negende maand zouden zegeningen aan Israël gegeven worden. Uit de (niet-Bijbelse) historie blijkt al tweemaal dat er op de 24-ste van de negende maand zegeningen aan Israël gegeven werden. De ene was bij de herinwijding van de tempel, na de ontheiliging ervan door Antiochus Epiphanes (167 voor Chr.). Dat wordt nog altijd herdacht door de viering van het joodse Chanoekahfeest. Op de joodse kalender in het jaar 1917 werd Jeruzalem door een Engelse generaal bevrijd van de Turken op de 24e van de negende maand.

De uiteindelijke vervulling van de profetie van Haggaï ligt nog in de toekomst. De toekomstige fundering van de tempel zal ongetwijfeld weer op een 24e van de negende maand plaatsvinden. De enige reden waarom bij een profetie een datum vermeld wordt is het feit dat die profetie op die datum in vervulling zal gaan. De profetieën zijn immers ook te verklaren zonder de datum daarbij te betrekken. Dat geldt ook voor de droom van Nebukadnézar. Hij kreeg op die bewuste dag de droom, omdat de datum overeenkomt met de datum waarop die droom in vervulling zou gaan.  Veelal denkt men dat Nebukadnézar “krankzinnig” werd, omdat in vers 34 staat dat het verstand weer in hem kwam. De koninklijke waardigheid en luister waren gedurende zeven tijden van hem afgenomen (vers 36), maar kwamen na zijn erkenning van de Eeuwiglevende weer terug. Hij ontving zelfs grotere heerlijkheid. God is machtig om degenen die in hoogmoed wandelen te vernederen. Nebukadnézar was daarvan zelf het voorbeeld geweest.

De zeven tijden

De periode van vernedering van Nebukadnézar is zeven tijden. Er wordt hier niet bij gezegd hoelang die tijden duren. In Daniël 4 : 34 staat: “ten einde dezer dagen”. Dat is het einde van de zeven tijden. Zeven tijden zijn zeven eenheden van tijd. De vraag is nu: “hoe lang duurt zo’n tijd(seenheid)?” De conclusie die ik op grond van het begrip “dag” (vers 34) trek is dat het gaat om 7 dagen, 1 week van 7 dagen. Het zouden mogelijkerwijs ook zeven weken kunnen zijn, omdat zeven dagen te kort is voor de verandering van nagels en haren. Weken van dagen en jaren zijn begrippen die typerend zijn voor het boek Daniël. Uit de ongewijde geschiedenis is over zo’n periode uit het leven van de koning Nebukadnézar niets bekend. Als zoiets langer dan zeven dagen geduurd zou hebben, zouden er zeker maatregelen genomen moeten worden om een andere vorst aan te stellen. Flavius Josephus zegt dat het zeven jaren zijn geweest. Zeven maanden, zeven jaren of zeven eeuwen lijken mij veel te lang. Nu spreken we echter over zaken die in wezen niet van belang zijn, want anders had de Bijbel wel gezegd hoelang die zeven tijden duurden.

Waarom staat de duur van een tijd niet vermeld? De droom van die boom wordt toegepast op de persoon van Nebukadnézar. Nu die droom vervuld is, heeft dit Schriftgedeelte geen betekenis meer voor ons. Dat is echter niet juist. Zoals het gouden hoofd van het beeld te maken had met de koning van het koninkrijk van Babel, zo staat ook de boom hier model voor het koninkrijk van Babel. Nebukadnézar is de personificatie van het rijk van Babel. Wat hem overkwam is de profetie over wat er met het koninkrijk (met Babel) zou gebeuren. Dit houdt verband met het verschijnsel, dat profetieën op z’n minst twee toepassingen hebben. De letterlijke gebeurtenissen aangaande koning Nebukadnézar zijn tevens een beeld van de gebeurtenissen die met het koninkrijk van Babel zullen plaatsvinden. Ander voorbeeld: de profetieën over de verwoesting van Jeruzalem zijn zeker tweemaal in vervulling gegaan (ten tijde van Nebukadnézar in 587 voor onze jaartelling en in 70 A.D. door de Romeinen), maar zullen in de toekomst nogmaals in vervulling gaan.

Zoals de geschiedenis van Daniël 3 een profetische betekenis heeft, zo zijn ook de gebeurtenissen uit Daniël 4 profetisch. Een argument daarvoor is het feit dat de stronk met een ijzeren en koperen band omwonden werd. Daarvan wordt verder geen verklaring gegeven. IJzer en koper zijn verwijzingen naar het beeld uit Daniël 2. Deze gebeurtenissen met Nebukadnézar hebben een toepassing op Babel, als hoofdstad van de wereld. Met andere woorden: Babel zal zijn koninklijke waardigheid verliezen, maar zal ook op de één of andere wijze hersteld worden en grotere heerlijkheid hebben. Babel zou ophouden hoofdstad van de wereld te zijn, maar zou na zeven tijden hersteld worden in grotere heerlijkheid. Deze droom is dus een profetie over het herstel van Babel. Dat blijkt ook uit Openbaring 17 en 18, waarin beschreven wordt dat de stad Babylon gevallen is. Er moet dus in de toekomst weer een stad Babel (Babylon) zijn. Babel staat immers voor de samenbundeling van alle macht van de mensheid.

In het beeld van Daniël 2 stellen de Meden/Perzen het zilveren gedeelte voor. Zij namen de stad in. Darius de Meder regeerde twee jaren te Babel. Babel bleef de hoofdstad van de wereld. Daarna nam Kores, de Pers, zijn residentie in Babel over. Hoewel Babel de officiële hoofdstad was, werd (de burcht) Susan later de plaats van waaruit de koningen regeerden (Daniël 8 : 2). Susan is gelegen in Elam, een gedeelte van Perzië. Susan komt voor in Nehemia 1 : 1; Esther 4 : 8, 16; 9 : 13-15, 18. De burcht Susan wordt genoemd in Esther 1 : 2, 5; 2 : 3, 5, 8; 3 : 15; 8 : 14; 9 : 6, 11, 12 en Daniël 8 : 2. De term “stad Susan” wordt in Esther 3 : 15 en 8 : 15 aangetroffen. In Nederland doet zich hetzelfde voor. De hoofdstad is Amsterdam, maar de regering zetelt in Den Haag. Toen Susan de residentie was (tijdens het Perzische rijk), kwamen de mensen in Babel in opstand. Zij werden door de Perzen gestraft. De poorten van Babel, de regeringsgebouwen en tempels werden afgebroken. De stad werd toen niet vernietigd; alleen de belangrijkste gebouwen ervan werden verwoest. Vanaf dat moment was Babel niet meer de hoofdstad van het Perzische rijk. Dit gebeurde in het jaar 482 voor onze jaartelling. Vanaf dat moment begonnen de zeven tijden.

Het woord voor “tijd” is “iddaan”. Het komt dertien maal in Daniël voor:

  • 2 : 8 Ik weet vastelijk, dat gij de tijd uitkoopt, …
  • 2 : 9 … totdat de tijd verandere.
  • 2 : 21 Want Hij (de God des hemels) verandert tijden en stonden.
  • 3 : 5 Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, …
  • 3 : 15 … ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, …
  • 4 : 16 … laat zeven tijden over hem voorbijgaan.
  • 4 : 23 … totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan.
  • 4 : 25 … en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij  bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over  de koninkrijken der mensen …
  • 4 : 32 … er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat …
  • 7 : 12 Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heer schappij weg, want verlenging van het leven was hun  tot tijd en stonde toe.
  • 7 : 25 … en het zal menen de tijden (“zeman”) en de wet te veran deren, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden,  tot een tijd (iddaan), en tijden (iddanien) en gedeelte eens  tijds (pelag (= verdeling) iddaan).

De uitdrukking in Daniël 7 : 25 treffen we aan in Openbaring 12 : 14 en blijkt gelijk te zijn aan 1260 dagen (Openbaring 12 : 6) of 42 maanden. 1260 dagen is gelijk aan 3,5 jaar (een jaar is 360 dagen). Een tijd is dus gelijk aan een jaar van 360 dagen. Zeven tijden is 2520 dagen. Zeven tijden staan voor 2520 jaren. Sinds het jaar 482 zullen er dus 2520 jaren verlopen voordat Babel weer de hoofdstad der wereld zal zijn (in heerlijkheid hersteld zal zijn). 2520 profetische jaren (van 360 dagen) moeten omgerekend worden naar jaren van onze kalender. 2520 : 365,24 x 360 = 2483,8462 jaren. Daarvan 481 (482 minus het jaar nul) aftrekken = 2002,8462. Dit is voorbij het jaar 2002, dus in het jaar 2003. Als deze berekening juist is, zal Babel in (het laatste kwartaal van) het jaar 2003 weer de hoofdstad van de wereld (of van een nieuw Babylonisch rijk) zijn.

5. Daniël 5

Daniël 5 : 1-30

1 ¶ En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.

2  En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.

3  En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.

4  En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.

5  En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.

6  En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.

7  En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.

8  En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieen van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.

9  Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden;

10  En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.

11  En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.

12 ¶ En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

13  En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem.

14  En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

15  Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun krankheden.

16  Maar Hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar.

17 ¶ En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeen en leraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen.

18  En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen.

19  En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de schare, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken, in het midden, voor Jezus.

20  En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.

21  En de Schriftgeleerden en de Farizeen begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die gods lastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen?

22  Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten?

23  Wat is lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?

24  Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.

25  En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.

26  En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreze, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.

27 ¶ En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.

28  En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem.

29  En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.

30  En hun Schriftgeleerden en de Farizeen murmureerden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?

Béltsazar was volgens de ongewijde geschiedenis niet de zoon van Nebukadnézar. De ongelovigen gebruiken dit als een argument tegen de historische betrouwbaarheid van de Bijbel. Béltsazar wordt in Daniël 5 wel als zodanig omschreven. Nebukadnézar wordt zijn vader genoemd (Daniël 5 : 2, 11). Het is echter een eenvoudige zaak. Het begrip “zoon” hoeft niet betrekking te hebben op een lijfelijke zoon. Béltsazar hoeft niet door Nebukadnézar verwekt te zijn om als zijn zoon aangeduid te worden. Het begrip “zoon” heeft als betekenis “erfgenaam” (Hebreeën 1 : 1, 2; Matthéüs 21 : 37, 38). Béltsazar is de erfgenaam van Nebukadnézar. Hij erfde het koningschap over Babel. Nebukadnézar is zijn vader. Het begrip “vader” betekent: “degene, die de erfenis geeft”. Nebukadnézar droeg het koningschap aan Béltsazar over.  Deze Béltsazar schijnt de zoon (een kind) van ene Nabonides te zijn, een afstammeling van Nebukadnézar. De tijd van koning Béltsazar is al enige generaties verder; met een generatie bedoel ik een opvolger op de troon. Béltsazar was niet de directe opvolger van Nebukadnézar. Nabonides was koning van Babel, maar was op latere tijd geestelijk niet in staat om te regeren. Béltsazar, zijn natuurlijke zoon, regeerde in zijn plaats, als de tweede in het rijk. Hij was mede-regent. Dan is het ook logisch dat degene die het schrift aan de wand kan lezen en verklaren de dérde heerser in het land zou worden (Daniël 5 : 7, 16, 29).

Tussen Daniël 4 en 5 zijn tientallen jaren verstreken. Het boek Daniël is dan ook geen geschiedkundig boek. Daniël was in de dagen van Nebukadnézar een groot man. Het schijnt dat hij in de dagen van Béltsazar min of meer vergeten was. De koningin moest de koning van Daniël vertellen. Als de koning de wijzen van Babel opriep, was Daniël daarbij niet aanwezig. Hij was in de dagen van Nebukadnézar de overste over de wijzen van Babel. In Daniël 5 zijn we aangekomen in het jaar 538 voor onze jaartelling (of pal daarvoor), want in dat jaar namen de Meden en Perzen het rijk van Babel in. Daniël 1 begon in het jaar 606. Overzicht:

  • 606  Begin Babylonische rijk.
  • 606 – 561  Nebukadnézar, vorst van Babel.
  • 561:   dood van Nebukadnézar.
  • 561 – 559 Evil-Merodach (Illuoradam) van Babel.
  • 559 – 555 Neriglissar (Nergal-sherezer) van Babel.
  • 555 – 538 Nabonides (= Nabunnahit = Labynetus) van Babel.
  • 541 – 538 Béltsazar mederegent met zijn vader Nabonides.
  • 538  Babel ingenomen door Meden/Perzen.  Begin Medo-Perzische rijk.
  • 538 – 536 Darius, de Meder (Gobryas) regeert in Babel.   Door en onder Kores koning gemaakt.
  • 536 – 529 Kores, de Pers, koning te Babel.

Tussen Daniël 4 en 5 zit dus minimaal 20 jaar. Daniël was in het jaar 538 reeds 68 jaar in Babel. Hoe oud hij was toen hij daar voor het eerst kwam, weten we niet. Mogelijk rond de 20 jaar. Op dat moment zal hij tussen de 80 en 90 jaar geweest zijn.

Daniël 5 : 30 vermeldt de dood van Béltsazar. Hij werd in de nacht gedood. Daniël 6 opent met het noemen van Darius de Meder (538 voor Chr.). Men concludeert meestal dat Daniël 5 zich afspeelde op de dag waarop de Meden en Perzen Babel veroverden. Die conclusie ligt wel voor de hand. In dat geval zijn we aangekomen in het jaar 538 voor onze jaartelling. Terwijl de koning met zijn geweldigen uit de vaten dronk die uit de tempel van Jeruzalem afkomstig waren en zijn afgoden prees, verscheen er plotseling een deel van een hand. De vingers (een deel van een hand) schrijven een schrift op de wand van kalk. Uit de reactie van de koning (Daniël 5 : 6) blijkt dat een dergelijke gebeurtenis zeer zeldzaam was. Uit Daniël 5 : 24 blijkt dat God het deel der hand gezonden heeft om de koning het einde van zijn koningschap aan te kondigen. De wand van kalk was tegenover de kandelaar (Chaldeeuws: “newrashtha”). Het Hebreeuwse woord voor kandelaar is “menorah”. Het zou mogelijk de kandelaar kunnen zijn die uit de tempel van Jeruzalem is meegenomen. In de tabernakel/tempel stond tegenover de kandelaar de tafel der toonbroden (aan de noordkant). De kandelaar stond aan de zuidkant. De kandelaar wordt genoemd vanwege zijn betekenis. Voor de historische gang van zaken speelt de kandelaar geen rol.

Het noorden heeft in de Bijbelse systematiek te maken met de kroon (noorderkroon), met verhoging. Het zuiden wijst op het kruis (zuiderkruis), op vernedering. De oorsprong der dingen is vanuit het oosten en gaat naar het westen. In de Bijbel is er eerst sprake van vernedering (lijden), alvorens men verhoogd (verheerlijkt) wordt (vergelijk Lukas 24 : 26). De lijn gaat dus vanuit het oosten naar het zuiden en vervolgens naar het noorden en zo verder naar het westen. Aan de zuidkant bevond zich de gouden kandelaar, die uit één stuk goud gemaakt. Hij had het model van een gestyleerde amandelboom. Het woord voor “amandel” (shaaqad) heeft in het Hebreeuws met “waken” (shaaqad) of “wachter” te maken. Het werkwoord “shaaqad” komt onder andere voor in Daniël 9 : 14. De amandelboom is in Israël de eerste boom die in bloei staat (met witte bloesems). Een amandel houdt verband met waken. “De wacht houden” is gelijk aan “niet slapen” (= ontwaakt zijn). Wakker zijn betekent in het Nederlands ook méér dan alleen “niet slapen”. Een amandelboom heeft te maken met opstanding uit de dood, wedergeboorte.

De huidige staat Israël heeft de menorah als haar embleem gekozen. Voor het gebouw van de Knesseth bevindt zich zo’n grote menorah. Een kandelaar geeft licht. Het gaat om een amandelboom die licht geeft. Licht (en vuur) heeft met leven te maken (Johannes 1). Van de menorah wordt wel eens gezegd dat hij een beeld is van de Heilige Geest. Men ontvangt Heilige Geest wanneer men wedergeboren is. De menorah bevindt zich in het zuiden, omdat vanuit het zuiden de verheerlijking tot stand komt. De dood is in het zuiden. De opstanding is vanuit het zuiden in de richting van het noorden. Het licht van de kandelaar in de tabernakel scheen uitsluitend naar het noorden. De tafel stond in het noorden. Een tafel steekt omhoog. Het duidt op verheerlijking. De tafel kende een rand met twee kronen (kransen). Kroon of krans wijst op koningschap of verhoging. Op die tafel bevonden zich de tweemaal zes toonbroden. Een brood zelf is een beeld van verheerlijking, omdat het tot stand gekomen is via een proces van lijden en verdrukking (maaien, dorsen, wannen, zeven, malen, kneden, bakken).

In de zaal van koning Béltsazar kwam het schrift op de wand tegenover de kandelaar. Die stond in het zuiden. De menorah is een beeld van dood en opstanding. De wand bevond zich in het noorden. De wand met het schrift houdt verband met koningschap, met verhoging. Het schrift op de wand handelt derhalve over het koningschap in het algemeen en meer speciaal over het koningschap van Béltsazar van Babel. De kandelaar wordt genoemd in verband met het schrift op de wand. De begrippen “dood” en “opstanding” hebben daarom ook iets met koningschap te maken. Dat geldt ook voor het koningschap van Christus, dat pas na Zijn dood en opstanding begon. Het verhaal van Daniël 5 heeft ook met vernedering en verhoging te maken. Dat principe bleek ook in Daniël 4 reeds naar voren te komen, waar Babel vernederd en verhoogd werd; geïllustreerd in de persoon van koning Nebukadnézar. Toen Daniël voor Béltsazar stond, haalde hij eerst de geschiedenis van Daniël 4 aan (Daniël 5 : 18-21). Dat moet op z’n minst betekenen dat de gebeurtenis met het schrift op de wand te maken heeft met de geschiedenis uit Daniël 4. Beide hoofdstukken spreken over Babel. Béltsazar wordt geassocieerd met Nebukadnézar (Daniël 5 : 2, 11, 12, 18). De vernedering en verhoging van Nebukadnézar vormt de inleiding op de betekenis van het schrift op de wand. Daarom heeft die gebeurtenis met de betekenis van het schrift te maken. De boom, die zeven tijden afgehouwen zou zijn, heeft dezelfde betekenis als het schrift aan de wand. Daniël 5 is een nadere verklaring van Daniël 4.

Het deel van de hand vormen de vingers. Het Hebreeuwse woord voor hand (“jod”/”jad”) is méér dan alleen tot aan de pols. Het slaat tevens op de onderarm. Wat in Daniël 5 met “vingers” aangeduid wordt, zou dus best eens ons begrip hand kunnen zijn. Het deel der hand met de vingers is wat wij de hand noemen (vanaf de pols tot en met de vingers). Béltsazar heeft geweten van de gebeurtenis die Nebukadnézar overkwam. Hij heeft er echter geen lering uit getrokken. Hij heeft de God, in Wiens hand zijn adem (= neshamah; levensadem) was, niet verheerlijkt. De hand Gods stelt koningen aan over de koninkrijken der aarde. Béltsazar vereerde daarentegen de goden van goud, zilver enzovoorts. Béltsazar (Daniël) kondigde Béltsazar het oordeel aan. De namen zijn gelijk, alleen in Béltsazar is de teeth (j) extra. De teeth is gelijk aan het getal 9. Het getal 9 houdt verband met oordeel en verdrukking.

De uitlegging van het schrift wordt vermeld in Daniël 5 : 26-28. Deze verzen geven een toelichting op het schrift op de wand. Het schrift is: “mene, mene, tekel, ufarsin”. Dit betekent letterlijk: geteld, geteld, gewogen, gebroken. Daniël geeft een toelichting op deze woorden. Mene komt van maanaa(h), dat met tellen vertaald wordt. Betekenis: (wordt) geteld. Toelichting: God heeft uw koninkrijk geteld en Hij heeft het voleind. De dagen van de koning/het koninkrijk waren geteld; ze worden beëindigd. Er zou een eind komen aan het koninkrijk van Babel. Het voleindigen zit in zekere zin opgesloten in het begrip tellen. Daniël noemde in zijn verklaring slechts één keer het woord “mene”, terwijl het tweemaal op de wand geschreven was. Tekel wordt afgeleid van thekal, dat wegen betekent. Betekenis: (wordt) gewogen. Toelichting: Gij zijt in weegschalen gewogen en gij zijt te licht gevonden. In het Nederlands treffen we deze uitdrukking ook aan: Gewogen en te licht bevonden. Te licht gevonden is een conclusie op grond van mene en tekel samen. Wegen doet men met twee schalen. Peres komt van “paaras”; dat is verdelen. Betekenis: (wordt) verdeeld. Toelichting: uw koninkrijk is verdeeld en het is aan de Meden en de Perzen gegeven. Op de wand stond echter “upharsin”. Dit woord is opgebouwd uit het prefix “we” (de letter waw) en pharsin. Dit is een vervoeging van het werkwoord “paras”; deze vorm komt alleen hier in Daniël 5 : 25 voor. Ons woord “bres” is nog verwant met “paras”. Een ander werkwoord dat “verdelen” betekent is “palag”. Paras geeft een verdeling in tweeën aan. Het wordt onder andere gebruikt voor het verdelen van de hoef (Leviticus 11 : 3-7; Deuteronomium 14 : 6-8).

Het koninkrijk van Babel werd verdeeld. Het werd gegeven aan twee volkeren: de Meden en de Perzen; eerst de Meden (onder Darius; Daniël 6: 1) en later de Perzen (onder Kores), maar het bleef een rijk van Meden én Perzen, met wetten van Meden én Perzen. Het woord voor Perzen is gelijk aan peres; de uitspraak is alleen anders. In de interpretatie die Daniël geeft, slaat hij het tweede woord “mene” over. Het is overigens gelijk aan het eerste woord. Tel, weeg en verdeel. Wat moet geteld, gewogen en verdeeld worden? De woorden die op de wand geschreven zijn hebben zelf iets met tellen, wegen en verdelen te maken, op een veel diepere manier. Dat is in wezen de clou van dit hoofdstuk. Mene is tevens de aanduiding van een bepaalde maat. Dan heeft het betrekking op het woord “mina”, dat met “pond” vertaald wordt. Het is een bepaalde getelde eenheid. Een mina (pond) bestaat uit 50 (getelde) sikkels. In plaats van “mene” kan ook “50 sikkels” gelezen worden. 1 sikkel is 20 gera. Een tekel (= theqèl) is hetzelfde als een sikkel (shèqèl) in een andere taal en met een andere uitspraak. De laatste twee Hebreeuwse letters zijn gelijk (qof en lamed). De tekel is de Chaldeeuwse versie van het Hebreeuwse shekel. De t en de s worden in verschillende talen met elkaar verwisseld.

Als “mene” en “tekel” maten zijn, dan geldt dat ook voor “peres”. 1 peres (of poras of parsa) is 25 sikkels. Het is de helft (een verdeling) van de mina. 25 sikkels = 500 mina. Mene + mene + tekel + peres = 1000 + 1000 + 20 + 500 = 2520 gera. We hebben nu geteld, gewogen en verdeeld. In hoofdstuk 4 ging het om de tijd waarin de boom afgekapt was (de tijd, waarin Babel vernederd was). Dat waren 7 tijden. Hoe lang een tijd is hangt af van over wie we het hebben; m.b.t. Nebukadnézar of m.b.t. Babel. De enige reden waarom de exacte duur van een “tijd” niet gegeven werd, is omdat de profetie zowel op Nebukadnézar als op Babel van toepassing is. Bij Nebukadnézar was het in het echt mogelijk 7 dagen tot 7 jaren. Voor Babel kan dat echter niet opgaan. Dan zou het reeds vervuld zijn. Het gaat om langere eenheden. Een tijd is gelijk aan een jaar van 360 dagen (Daniël 7 : 25). Zeven tijden = 7 x 360 dagen = 2520 dagen. De 7 tijden komen overeen met 2520 jaren. Dat is de periode waarin Babel afgesneden zou zijn. Het koninkrijk van Babel zou stoppen. Op de wand stond dus niet alleen dat het koningschap van Béltsazar beëindigd zou worden, maar tevens hoe lang dat zou duren. Het koninkrijk van Babel zou in twee stukken gebroken zijn.

Het woord “peres” houdt verband met de onderbreking in de heilshistorie, namelijk de verborgenheid. De komst van de Messias werd onderbroken. Hetzelfde principe gaat op voor het koninkrijk van Babel. Het koninkrijk werd na Béltsazar onderbroken, maar wordt in de toekomst hersteld. De tijd daartussen is gelijk aan 7 tijden of 2520 jaren. In die periode zou Babel niet de hoofdstad van een wereldrijk zijn. In het boek Openbaring komt de stad Babylon weer voor (Openbaring 17-19). In de toekomst wordt er uiteindelijk een eind aan Babel gemaakt. Openbaring 17 : 5 “… verborgenheid, het grote Babylon, de moeder der hoererijen en gruwelen der aarde”. Openbaring 17 : 18: “En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde”. Babel wordt dus als hoofdstad van de koningen der aarde hersteld. Dat zal na 2520 jaar geschieden. 2520 jaren (van 360 dagen) = 907.200 dagen : 365,24 = 2483,8462 jaren van onze (Gregoriaanse) kalender.

Het jaar waarin Babel ophield hoofdstad van de wereld te zijn, was 482 voor onze jaartelling. Het jaar – 482 komt overeen met – 481 (het jaar 1 voor onze jaartelling is het jaar 0 voor de sterrekundigen; het jaar 0 bestaat in de tijdrekening niet. Het jaar -1 ging over in het jaar 1). 2483,8 – 481 = 2002,8 = in het jaar 2003. In het jaar 2003 zal Babel weer de hoofdstad van de wereld zijn.

6. Daniël 6

Daniël 6 : 1-29

1  Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.

2 ¶ En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden;

3   En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniel de eerste zou zijn, denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed.

4   Toen overtrof deze Daniel die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.

5   Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniel vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd.

6    Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniel geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods.

7 ¶ Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid!

8    Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.

9   Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.

10  Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.

11  Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden ‘s daags op zijn knieen, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.

12 ¶ Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniel biddende en smekende voor zijn God.

13  Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden.

14  Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniel, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden ‘s daags zijn gebed.

15  Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniel om hem te verlossen; ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.

16  Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.

17  Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!

18  En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniel niet zou veranderd worden.

19 ¶ Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem.

20  Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen.

21  Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?

22  Toen sprak Daniel tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!

23  Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.

24  Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zeide, dat men Daniel uit den kuil trekken zou. Toen Daniel uit den kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijn God geloofd had.

25  Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniel overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.

26 ¶ Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natien en tongen, die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!

27 Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniel; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.

28  Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en op de aarde; Die heeft Daniel uit het geweld der leeuwen verlost.

29  Deze Daniel nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.

Darius de Meder was omtrent 62 jaren oud toen hij het koninkrijk ontving. Het getal 62 komt vier keer in de Bijbel voor. Het getal 62 bergt de gedachte van “uitroeiing” in zich. Het heeft een negatieve betekenis. Daniël 6 : 1 dient met Daniël 9 : 1 vergeleken te worden: “In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën”. Darius had zichzelf niet tot koning gemaakt noch het koningschap veroverd. Hij had het in 538 voor onze jaartelling ontvangen van iemand anders. Men zegt dat deze Darius in de algemene geschiedenis niet voorkomt en daarom niet bestaan heeft. In de koningslijsten van Babel en Perzië komt deze persoon namelijk niet voor. De ongewijde geschiedenis vermeldt dat Kores (Cyrus), de Pers, Babel veroverde en zijn troon daar vestigde. Het jaar 538 wordt daarom gezien als het eerste jaar van Kores, de vorst van de Perzen en Meden. Achteraf is gebleken dat de ongewijde geschiedenis onjuist is. Babel werd ingenomen door ene Gobryas (die ook nog andere namen had en daardoor kan verwarring ontstaan). Het woord “Darius” betekent zoveel als “machthebber”. Het is geen eigennaam, maar een titel, zoals in Egypte “farao” een titel was. Ahasvéros is eveneens een titel. In de ongewijde geschiedenis is Darius bekend onder de naam Gobryas. Hij was de legeraanvoerder van de legers van Kores en hij veroverde Babel. Hij heeft twee jaar in Babel geregeerd tot het moment dat Kores zelf in Babel de regering overnam. Darius had het koningschap namens Kores ontvangen. Darius de Meder is niet dezelfde als Darius de Grote. De regering in Babel werd voortgezet door Darius. Daniël had een positie onder de vorsten van het Babylonische rijk en kreeg vervolgens ook een positie onder het bewind van de Meden en Perzen. De koning had in gedachten om Daniël over het gehele koninkrijk te stellen. Er was een voortreffelijker geest in hem (hij was de overste der wijzen van Babel). Het woord “geest” heeft hier met het denken te maken.

De stadhouders en vorsten wilden Daniël laten struikelen naar aanleiding van zijn geloofswandel. Mogelijk was er een godsdienstige achtergrond bij het maken van een dergelijke wet. Een koning werd wel gezien als de representant van de goden op aarde. Dat is op zich een Bijbels principe. God was de koning van Israël. De latere koningen waren in zekere zin de plaatsvervangers op de troon. Een koning kan een zoon, namelijk een erfgenaam van God genoemd worden. Het maken van deze wet had tot doel dat Daniël uit zijn positie verdreven zou worden. Er wordt gesproken over een sterk gebod “maken” (vers 8), “bevestigen” (vers 9) en “tekenen” (vers 9, 10). In Daniël 9 wordt gesproken over een verbond versterken. Dit betekent dat er een verbond ondertekend (bekrachtigd) wordt. Daniël had de gewoonte driemaal daags in zijn opperkamer te bidden voor het open venster dat in de richting van Jeruzalem gesteld was. Hij bad en deed belijdenis. Belijden heeft geen betrekking op zonden, want er wordt immers gesteld dat er geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd (Daniël 6 : 5). Belijden wil zeggen: getuigen van zijn geloof in God.

Bidden (= tzelaa) komt voor in Daniël 6 : 11 en Ezra 6 : 10. Belijdenis doen (= jadah) wordt met “belijden”, maar vaker (o.a. in de Psalmen) met “loven” vertaald (Psalmen 6 : 6; 7 : 17). Bidden en loven vormen samen aanbidden. In Daniël 6 : 17 wordt dit omschreven als “geduriglijk eren”.  Daniël werd in de kuil geworpen. De kuil is een uitbeelding van de dood. De kuil bevond zich onder het aardoppervlak en hoorde daarom tot het dodenrijk.

Overeenkomsten tussen Daniël en de Here Jezus

Er zijn veel overeenkomsten met de dingen die de Here Jezus overkwamen. Daniël is een beeld van de Here Jezus. Het gaat daarbij om de dood en opstanding van de Heer. Daniël werd in de kuil geworpen. De Here Jezus kwam in de dood terecht. Er werd een steen op de kuil gelegd; deze werd verzegeld. Er kwam een steen voor het graf van de Heer; het graf werd eveneens verzegeld (Matthéüs 27 : 60, 63-66). Darius zei: God verlosse u. De God van de Here Jezus heeft Hem uit de dood verlost. De koning stond in de vroege morgenstond met het licht op (6 : 20). Volgens Lukas 24 : 1 vond op de eerste dag der week, zeer vroeg in den morgenstond de opstanding van de Here Jezus Christus plaats. Darius noemde Daniël: “de knecht van de levende God” (6 : 21). De Here Jezus is de Knecht van de levende God; de Knecht des Heren. Daniël eerde geduriglijk zijn God. De Here Jezus deed wat Zijn Vader behaagde, want Hij volbracht Gods wil (Johannes 5 : 30; 6 : 38). De kuil met leeuwen is een beeld van het dodenrijk, waarin de Here Jezus ook geweest is (Handelingen 2 : 25-32; Hebreeën 2 : 14). Daniël was onschuldig. De Here Jezus was zonder zonde, maar werd voor ons tot zonde gemaakt (2 Korinthe 5 : 21). Er werd geen schade aan Daniël gevonden (6 : 24). In het dodenrijk heeft de Heer geen verderf gezien (Handelingen 2 : 31). Daniël heeft in zijn God geloofd; hij heeft op Hem vertrouwd (6 : 24). De opstanding en gevolgen ervan zijn tot stand gekomen op grond van het geloof ván Jezus Christus (Romeinen 3 : 22, 26; 4 : 25).

Alle geschiedenissen in de Bijbel zijn op een of andere wijze typologisch van toepassing op de Here Jezus Christus. Deze geschiedenissen zijn een afschaduwing van Christus. De Heer heeft Zichzelf uitgedrukt in de zienlijke dingen. Een schaap is een beeld van de Here Jezus (Jesaja 53). We dienen hierbij niet uit te gaan van het schaap om daarna over Christus te spreken. Het hoort veeleer andersom te geschieden. Christus, de Schepper, heeft een deel van Zijn wezen uitgedrukt in zo’n schaap. Daarom is het dier een uitbeelding van Christus. Dat geldt voor alle zienlijke dingen. De zichtbare dingen zijn een illustratie van onzichtbare, geestelijke dingen. Het beeld van dood en opstanding, zoals dat in de eerste plaats op de Here Jezus van toepassing is, heeft eveneens betrekking op andere zaken. Het is in de schepping en de hele geschiedenis door terug te vinden. Het ligt voor de hand om Daniël 6 op de Here Jezus toe te passen. Het principe “via vernedering tot verhoging” is in de natuur (o.a. in de seizoenen), de schepping en in de geschiedenis terug te vinden. De weg van vernedering en verhoging komt ook tot uitdrukking in de geschiedenis van het volk Israël. Daniël 6 spreekt over de dood en opstanding van de Here Jezus en tevens over die van de joodse staat. Hetzelfde principe is ook van toepassing op de volkeren. Wat met Israël gebeurt zal op dezelfde wijze met de volkeren gebeuren. Ook die zullen sterven en opstaan. De volkeren zullen door de grote verdrukking heen (als volk) tot geloof komen. De ongelovigen van de volkeren zullen in de grote verdrukking omkomen. De anderen zullen door de prediking tot geloof in de Messias komen.

Het principe “vernedering en verhoging” is eveneens op Babel van toepassing. De verhoging is dan uiteraard geen opstanding ten leven. Het is een herrijzenis op aards niveau. Dat werd immers geïllustreerd in de droom van de boom (Daniël 4). In Daniël 5 wordt vermeld dat het koningschap van Babel in twee stukken uiteen zou vallen. Er zou een breuk komen in de geschiedenis van Babel. Zo is er ook een breuk gekomen in de geschiedenis van Israël. Er is een breuk in de komst van de Messias (de eerste en de tweede komst). Eigenlijk spreekt de Bijbel niet over een eerste en tweede komst van de Messias. Er is sprake van een onderbreking in de komst van de Heer.

In Daniël 6 wordt de nadruk gelegd op de onderbreking van de heilshistorie. In de volgende hoofdstukken wordt de geschiedenis van de volkeren, de koninkrijken der aarde, aangegeven. Deze kan slechts begrepen worden als men weet, dat er een onderbreking plaatsvindt of plaatsgevonden heeft. In Daniël 9 wordt de onderbreking gegeven ná 69 weken en vóór de 70e week. Er is daar een onderbreking in de tijdrekening.

7. Daniël 7

Daniël 7 : 1-28

1 ¶ In het eerste jaar van Belsazar, den koning van Babel, zag Daniel een droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken.

2  Daniel antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.

3  En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.

4  Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.

5  Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.

6  Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.

7  Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.

8  Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.

9 ¶ Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.

10  Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.

11  Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.

12  Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.

13  Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.

14  En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.

15 ¶ Mij Daniel werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij.

16  Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.

17  Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.

18  Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

19  Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.

20  En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.

21  Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht,

22  Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.

23  Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen.

24  Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.

25  En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogsten, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.

26  Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.

27  Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.

28  Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniel aangaat, mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dat woord in mijn hart.

Hoofdstuk 7 sluit aan bij de droom van Nebukadnézar uit Daniël 2. Daniël heeft de hoofdsom van dit visioen opgeschreven. De verklaring van de droom wordt in het tweede deel van dit hoofdstuk gegeven. Welke koninkrijken er bedoeld worden, is niet vermeld. Daniël was het meest onthutst over het vierde dier. Hij vroeg niet naar de eerste drie dieren. Het belangrijkste is dat de heiligen der hoge (plaatsen) het koninkrijk zullen verkrijgen. Het volk Israël zal het koninkrijk beërven, onder leiding van haar Messias, Jezus Christus. De vier winden des hemels braken voort op de grote zee. Een betekenis van het begrip “zee” is “volk”. Zee is verder synoniem met “afgrond”, dat op zich weer synoniem is met “dodenrijk”. “Zee” en “dodenrijk” zijn dus tot op zekere hoogte gelijk. De zee ligt lager dan de aarde en wat lager is dan het aardoppervlak is gelijk aan het dodenrijk. Onder het oppervlak van de zee bevindt zich de zee. Daar bevindt zich ook het dodenrijk (vergelijk Openbaring 20 : 13).

Het begrip “dood” kan toegepast worden op de individuele mens. Het wordt ook op het volk Israël van toepassing gebracht. Israël zou sterven; ze zou een dood lichaam zijn. In de toekomst zal ze uit haar graf terugverzameld worden. Als een natie sterft, kan dat betekenen dat het volk uitgestorven is. Daarnaast kan het betekenen dat het volk opgeheven is, doordat het onder de andere volkeren verstrooid geworden is (de ballingschap). In het jaar 70 A.D. is het joodse volk “gestorven”. Enige decennia geleden bestond er geen joodse natie. Er waren wel joden, maar die waren verspreid onder de volkeren. Ze leefden als het ware in de dood. Wat de dood is voor de individuele mens, dat is de ballingschap voor de joodse natie. Als de mens sterft gaat hij naar het dodenrijk. Toen de staat stierf werd het volk onder de volkeren verstrooid. Daarom zijn de begrippen “dood” en “volkeren” ( = zeeën) synoniem. In Openbaring 17 gaat het eveneens over een beest dat tien hoornen heeft (17 : 3). In Openbaring 17 : 1 wordt gesproken over een hoer die op vele wateren zit. Die hoer zit op een scharlakenrood beest (17 : 3). Zij is een omschrijving van Babylon (17 : 5). Babel zal de hoofdstad der volkeren der aarde zijn. Die wateren worden in Openbaring 17 : 15 omschreven als “volken, scharen, natiën en tongen”. “Wateren” staan model voor volkeren. De grote zee (Daniël 7 : 2) wijst derhalve op de meeste volkeren der aarde.

Er werden vier winden des hemels losgebroken. “Winden” staan voor geestelijke dingen. Het Hebreeuwse woord “roeach” betekent “geest”, maar ook “wind”. Het begrip “wind” kan betrekking hebben op godsdienstige en filosofische dingen (vergelijk Éfeze 4 : 14): “wind der leer”). Het gaat daarbij om bepaalde onzienlijke (ideologische) zaken, die macht over de zeeën (volkeren) krijgen. Denk aan de boodschappen die in het conciliair proces opgesloten zitten en die van de New Age beweging. Er zijn onzienlijke (geestelijke) machten die zich bezighouden met de heerschappij over de volkeren. De grote zee gaat tekeer, omdat de winden het water doen zwellen. De volkeren worden geleid door geestelijke machten. Deze onzienlijke machten breken los en er is niemand die er iets aan doet. Daardoor ontstaat de beweging onder de volkeren. In Daniël 7 wordt dat voorgesteld door de vier dieren, die model staan voor vier koninkrijken. Er klommen vier grote dieren op uit de zee (Daniël 7 : 3). In vers 17 staat: de vier dieren zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan. Vers 3 is het beeld, terwijl vers 17 de verklaring van het beeld is. De zee staat model voor de aarde. De zee staat voor de volkeren die de aarde bewonen. Het begrip “zee” in vers 3 wordt in de geestelijke (overdrachtelijke) betekenis gebruikt, terwijl het begrip “aarde” een letterlijke betekenis heeft. Het gaat om vier verschillende koninkrijken. Het begrip “koning” wordt wel gebruikt, maar de koning staat model voor het koninkrijk. Denk aan het gouden hoofd van het beeld uit Daniël 2, dat betrekking had op Nebukadnézar als de vorst van het rijk van Babel.

Samenvatting van de vier dieren = vier koningen/koninkrijken).

Als een leeuw; de arendsvleugelen worden uitgeplukt. Als een mens op voeten gesteld en een mensenhart gegeven. Als een beer; drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden. Als een luipaard met vier hoofden; vier vleugels op zijn rug. Schrikkelijk, ijzeren tanden, koperen klauwen; verschillend van de vorige drie dieren. Tien hoornen, waarvan er drie wegvallen door de opkomst van een kleine hoorn. Kleine hoorn met mensenogen en een mond.

Het eerste dier

Het eerste dier is gelijk aan een leeuw met arendvleugelen, een beeld van het Babylonische rijk. Deze conclusie is gerechtvaardigd na vergelijking met het beeld uit Daniël 2. Het gouden hoofd stond voor het rijk van Babel. Hier gaat het ook om een eerste. Het Babylonische rijk heeft als embleem een leeuw met arendsvleugelen gekend. Tot op vandaag komt dat nog in musea voor. Een leeuw is de koning der dieren (der aarde), terwijl de arend de koning van de vogels (van de hemel) voorstelt. Het koningschap over hemel en aarde wordt daarin uitgebeeld. Babel regeerde niet over de hemel, maar Babel heeft altijd wel een claim gehad op heerschappij in godsdienstige zin. Dat bleek al uit de bouw van de toren van Babel, “welks opperste in de hemel was”. De vleugelen werden uitgeplukt. De hemelse heerschappij kwam niet tot stand. De leeuw werd veranderd in een menselijke gedaante. We weten uit de voorgaande hoofdstukken dat het koninkrijk van Babel tot het eind aan toe bestaat. Er is weliswaar een onderbreking, maar na zeven tijden zou het hersteld worden. Babel zal in de eindtijd terugkomen en zal de laatste stad zijn die aan Christus zal worden onderworpen. Het laatste deel van vers 4 wijst reeds op de toekomst van Babel. Uit Daniël 7 : 12 blijkt dat al de vier koninkrijken uiteindelijk hun heerschappij kwijt zullen raken. Hun was verlenging van het leven gegeven tot tijd en stonde toe. De Heer (de mensen zoon) zou hun heerschappij wegnemen.

Toen de Meden en Perzen de macht van Babel overnamen, kwam er een einde aan de heerschappij van Babel. Toch zal Babel verlenging van leven kennen tot de tijd van het einde. Dit geldt eveneens voor de overige dieren, de overige koninkrijken. Dat bleek reeds uit de vernietiging van het beeld uit Daniël 2. De steen verwoestte het gehele beeld, te beginnen bij de tien tenen. Het gouden hoofd werd toen ook vernietigd. Dit houdt in dat de rijken van het verleden in de toekomst opnieuw zullen bestaan. De leeuw, die op de voeten gesteld werd als een mens en een mensenhart gegeven werd is een beeld van de vorst die in de eindtijd over Babel zal regeren. Babel zal gestalte krijgen in die persoon (het beest uit de zee uit Openbaring 13). De leeuw met arendsvleugelen is een omschrijving van het Babel uit het verleden. De leeuw in de gedaante van een mens is een verwijzing naar het toekomstige Babel.

Het tweede dier

Het tweede dier was gelijk een beer. Uit Openbaring 17 : 11 blijkt dat het laatste rijk dat aan Christus onderworpen zal zijn, als achtste geteld wordt.

Openbaring 17 : 10-12

10  En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven.

11  En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.

12  En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest.

De tien hoornen uit vers 12 worden in Daniël 7 ook genoemd. Er zullen acht koninkrijken komen vóór de openbaring van het koninkrijk van Christus. Ze hebben betrekking op rijken die in plaats van Israël regeren. De acht koninkrijken beginnen niet bij het rijk van Babel. Het eerste was het Egyptische wereldrijk, waaraan ook Israël onderworpen was. Dat is het eerste rijk dat in plaats van (of over) Israël regeerde. Israël kwam immers tot stand in Egypte. Jakob was in de tijd van Jozef naar Egypte getrokken. Later kwam Israël in Egypte in slavernij terecht. Het tweede rijk was het rijk van Assyrië, met als hoofdstad Nínevé. Het Assyrische wereldrijk was verantwoordelijk voor de ballingschap van de tien stammen; Israël.  Dit rijk werd opgevolgd door het rijk van Babel, in de dagen van Nebukadnézar. Het Babylonische rijk was verantwoordelijk voor de ballingschap van de twee stammen; Juda. Het vierde was de Meden en Perzen. Het vijfde het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote. Dit rijk strekte zich uit vanuit Macedonië tot aan India. De beschrijving van het Griekse rijk wordt in de Bijbel niet gegeven, omdat die in de periode van stilte valt tussen het Oude en Nieuwe Testament. Het grootste gedeelte van Griekenland behoorde echter niet tot het Griekse rijk. Het zesde was het rijk van de Romeinen. Het Nieuwe Testament opent met de dagen van de overheersing door de Romeinen. In de toekomst komen er nog een zevende en een achtste rijk. Daarvan zijn de namen nog niet bekend. De eerste zes hebben reeds in het verleden bestaan.

Na de uittocht uit Egypte tot aan de ballingschap naar Babel was Israël een zelfstandige natie (een koninkrijk). Van daaruit begint de reeks van wereldrijken in het boek Daniël te tellen. In Daniël 2 en Daniël 7 wordt het rijk van Babel als eerste genoemd. In Daniël 8 worden twee beesten genoemd, een ram (8 : 4, 20) en een geitenbok (8 : 5, 21). De ram is daar de eerstgenoemde, maar hij is een uitbeelding van het rijk van de Meden en de Perzen.

Vergelijking tussen Daniël 2 en 7:

Daniël 2 :Daniël 7:
38Hoofd van goud4Leeuw = Babel
39aBorst en armen van zilver5Beer = Meden/Perzen
39bBuik en dijen van koper6Luipaard = Griekse rijk
40Benen van ijzer7Schrikkelijk=Romeinen
34-42Voeten van ijzer en leem; Tien tenen24Tien hoornen/koningen
44-45Christus, de Steen-
geen ander volk
13, 27Een mensen zoon
volk van de heiligen der   hoge plaatsen

Het tweede rijk is het rijk der Meden en Perzen. In Daniël 7 wordt dat rijk geïllustreerd door de beer. Deze stelde zich de ene zijde aan. Het rijk begon aanvankelijk met de regering door Darius, de Meder, maar na twee jaren werd de regering door Kores, de Pers, overgenomen. De beer die zich aan de ene zijde stelde, wijst op het feit dat de macht bij de Perzen terechtkwam (de zijde van de Perzen). Ditzelfde principe zien we uitgebeeld in de ram, waarvan de hoogste van de twee hoornen het laatste opkwam (Daniël 8 : 3). De beer had drie ribben in zijn muil, die hij verorberd had. Door het Medo-Perzische rijk waren de drie voorgaande rijken opgeslokt: het Egyptische, Assyrische en Babylonische rijk. “Sta op, eet veel vlees”, wijst op de drang tot verovering en op de vele slachtoffers.

Het derde dier

Het derde dier was gelijk aan een luipaard (panter). Een luipaard is het snelste zoogdier op aarde. Dat wijst op de enorme snelheid waarmee dit rijk tot stand kwam. Het rijk van Alexander de Grote veroverde in een aantal jaren dat vorige rijk. Het is het grootste wereldrijk geweest. Dat rijk werd gekenmerkt door de Griekse cultuur. Alexander had de ideologie om de Griekse filosofie en cultuur over de wereld te verbreiden. Het N.T. spreekt van joden en Grieken. Dit wijst op de cultuur en leefwijze. Barbaren hadden geen “beschaving”. De Romeinen hebben de Griekse cultuur overgenomen en van Latijnse namen voorzien. Het luipaard had vier vleugels van een vogel op zijn rug. Bij de leeuw worden de vleugels van een arend genoemd. Hier gaat het om vogels in het algemeen. Vleugels houden verband met vliegen en wijzen eveneens op de snelheid waarmee het rijk tot stand is gekomen. De vier generaals van Alexander waren verantwoordelijk voor de snelle opbouw van zijn rijk. De vier vleugels duiden op deze vier generaals. Het luipaard had vier hoofden. Alexander stierf jong in Babel. Hij leefde van okt. 356 tot 13 juni 323 voor onze jaartelling en is dus 33 jaar geworden. Hij werd in 336 koning. Zijn rijk werd na zijn dood verdeeld onder de vier belangrijkste generaals. Twee van de vier opvolgers van Alexander worden in de Bijbel aangeduid als “de koning van het noorden” en “de koning van het zuiden” (Daniël 11). Dit houdt in, dat de overige twee de koningen van het oosten en het westen geweest zijn. Zij worden echter niet genoemd. Het rijk werd namelijk verdeeld naar de vier winden des hemels (Daniël 8 : 8). De vier winden duiden op de vier windrichtingen (oost, west, noord en zuid). Het rijk van het noorden omvatte het gebied van Babel en Syrië en een gedeelte van Klein-Azië. Dit gebied stond onder leiding van Seleucus (Seleucus I Nicator (= overwinnaar); 356 (?) – 281 v. Chr.). Hij werd de stichter van de dynastie der Seleuciden. Deze dynastie wordt in de Bijbel aangeduid met de uitdrukking “de koning van het noorden”.

Het zuidelijke rijk heeft grotendeels betrekking op Egypte. Dit gebied stond onder leiding van generaal Ptolemaeus (Ptolemaeus I Soter (= redder); 367 – 283 v. Chr.). Hij werd de grondlegger van de dynastie der Ptolemaeën. Deze dynastie wordt in de Bijbel aangegeven met de term “de koning van het zuiden”. Het oostelijke rijk (gedeelte van Iran en India) werd geregeerd door Lysimachus (361 – 281 v. Chr.). Het westelijke rijk (Macedonië in Griekenland) werd door Cassander (358 – 297 v. Chr.) bestuurd. Mogelijk is Cassander de opvolger van Antigonus I. Antigonus I (382 – 301 v. Chr.) was een veldheer van Alexander de Grote. Hij werd in 333 stadhouder over Groot-Phrygië (in het zuiden van Klein-Azië. Hij werd na de dood van Alexander stadhouder over het grootste deel van Klein-Azië. Hij werd later verslagen en gedood in de strijd tegen de legers van een coalitie van Cassander, Ptolemaeus, Seleucus en Lysimachus. Het derde dier heeft dus betrekking op het rijk dat begon onder leiding van Alexander de Grote. Vanwege die vier hoofden is het ook van toepassing op de tijd na de dood van Alexander, toen het rijk onder de vier generaals verdeeld werd.

Het vierde dier

Het vierde dier wordt niet met een bestaand dier vergeleken. Het wordt omschreven als “schrikkelijk”, “gruwelijk” en “zeer sterk”. Het had grote ijzeren tanden. Dit is een verwijzing naar het rijk van de Romeinen dat in Daniël 2 : 40 eveneens met ijzer aangeduid wordt. Daar wordt gezegd dat het rijk van Rome alles vermaalt, verbreekt en verzwakt. In Daniël 7 :7 worden “verbrijzelen” en “vertreden” genoemd. Dit vierde dier is een omschrijving van het Romeinse rijk. Het dier was verscheiden van al de voorgaande dieren. In de eerste plaats vanwege zijn gedrag: het vermaalt en verbreekt. Het Romeinse rijk is via geweld tot stand gekomen. Er lagen geen godsdienstige, filosofische of ideologische gedachten aan ten grondslag. Het Romeinse rijk kende ook geen eigen cultuur, want het nam die van de Grieken over. Dit dier had tien hoornen. Nu kan men zeggen dat dit betrekking heeft op het Romeinse rijk. Wanneer we het echter vergelijken met Daniël 2, hebben deze tien hoornen te maken met de tien tenen van de voeten van het beeld. Dit houdt in dat het niet hetzelfde is als het Romeinse rijk. Het is het rijk dat daarop volgt. De voeten met de tien tenen waren deels van ijzer en deels van leem. Er is dus wel sprake van ijzer.

De tien tenen zijn een beeld van tien koningen of tien staten. Het beeld uit Daniël 2 eindigde met die tien tenen. Het vierde dier uit Daniël 7 eindigde met de tien hoornen. Het Romeinse rijk uit het verleden moet derhalve opgevolgd worden door een wereldrijk dat uit tien staten bestaat. Het is een federatie van staten. In het verleden is nergens zo’n federatie aan te wijzen, hoewel de commentaren op het boek Daniël vele pogingen hebben gedaan om die aan te wijzen. Ze zijn echter tegenstrijdig aan elkaar. Dat verschijnsel op zich is al een aanwijzing voor het feit dat de tien-statenbond in de toekomst nog zal komen.

Dit houdt tevens in dat de heilshistorie, ook in verband met deze wereldrijken, onderbroken werd na het rijk van de Romeinen. We leven nu in de tijd tussen het Romeinse rijk en de nog toekomstige tien-statenbond. We zagen in de voorgaande hoofdstukken van het boek Daniël reeds dat er vaak van een onderbreking sprake is. Er is geen enkele twijfel over de opvolging van de wereldrijken tot en met het Romeinse rijk. Over de tien-statenbond bestaat echter veel verschil van mening. De reden daarvoor is, dat deze nog in de toekomst ligt. Een dergelijke onderbreking kennen we ook in de komst van de Messias. Het Oude Testament kent de komst van Christus als één geheel. Wij spreken van een eerste en een tweede (weder)komst. De Bijbel kent wel de onderbreking van de komst van Christus, maar het is in de profetieën één komst. Die onderbreking wordt vaak overgeslagen. De onderbreking is na de hemelvaart van Christus gekomen. In de tijd van de onderbreking komt de Gemeente tot stand. Het lijden van de Christus en de daarop volgende heerlijkheid zijn twee elementen van één komst van de Christus. Niet alleen de komst van de Messias is onderbroken, maar ook de gehele heilshistorie. De breuk is gekomen tussen het ijzer en het ijzer met leem. Die onderbreking komt door het hele boek Daniël naar voren: in de historie van Israël, van het koninkrijk, van Babel, in de tijdrekening van Israël (Daniël 9) enzovoort.

Gewoonlijk noemt men deze tien-statenbond een hersteld Romeins rijk. Hal Lindsay is één van degenen die de term “tien-statenbond” gebruikt. In de Bijbel komt deze term echter niet voor. De Bijbel spreekt over tien koningen (tien hoornen). Derhalve is het beter om van tien staten te spreken, die te zamen een wereldrijk vormen. Het gebruik van een verkeerde terminologie leidt tot verwarring. Daardoor ontstaan misverstanden. Eén ervan is dat men er zonder meer vanuit gaat dat het Romeinse rijk in de toekomst hersteld zal worden. De Bijbel kent wel een herstel van een rijk, maar dat is niet het Romeinse rijk. Het Romeinse rijk wordt opgevolgd door een rijk van tien staten. De tien-statenbond is in de reeks in Daniël 7 de vijfde. Het vierde dier wijst dus op twee verschillende rijken. Het wordt voorgesteld als één dier, maar er is sprake van een onderbreking of verdeling. Het is zowel de vierde als de vijfde. In de reeks die in Openbaring17 genoemd wordt stellen de tien hoornen het zevende rijk voor, omdat daar vanaf het Egyptische rijk geteld wordt. Er komt nog een achtste rijk. In Openbaring 17 is het Romeinse rijk het zesde rijk. In Openbaring 17 worden deze beide rijken apart genoemd, terwijl ze in Daniël 7 samengenomen worden in het vierde dier.

In Daniël 7 : 8 wordt over een kleine hoorn gesproken. In Daniël 2 werd niet verder gegaan dan de tien tenen. Het laatste rijk in Daniël 2 is het rijk van de tien tenen hetgeen opgevolgd werd door het rijk van de Steen, Christus. Die kleine hoorn kwam tussen de andere tien op. In zekere zin is het dus de elfde hoorn. Voor deze kleine hoorn werden drie van de tien hoornen uitgerukt. De kleine hoorn wordt vergeleken met een mens, want hij heeft ogen en een mond van een mens. Ook bij het eerste dier is er sprake van een mens. Dit moet ons opvallen. We zullen later zien dat de mens uit Daniël 7 : 4, en de mens die betrekking heeft op de kleine hoorn, dezelfde persoon is. De kleine hoorn komt na de tien hoornen te voorschijn. De tien hoornen vormen het zevende rijk (wanneer Egypte en Assyrië meegerekend worden). De kleine hoorn is dan de achtste in de reeks. Het gaat om de volgorde, waarin de koninkrijken tot stand komen:

  1. Egypte
  2. Assyrië
  3. Babylonië
  4. Meden/Perzen
  5. Griekenland
  6. Romeinen
  7. Tien hoornen = tien-statenbond.
  8. Kleine hoorn

Er waren tien hoornen, waarna er een kleine hoorn opkwam ter wille waarvan drie hoornen uitgerukt werden. Toen waren er acht hoornen. Daar gaat het echter niet om. Daniël vroeg naar de waarheid van het vierde dier (7 : 19). In Daniël 7 : 24 staat: “uit dat koninkrijk (voorgesteld door het vierde dier) zullen tien koningen (voorgesteld in de tien hoornen) opstaan. Er zal een ander na hen opstaan, die verschillend is van die vorige. De laatste (de kleine hoorn) zal drie koningen vernederen”. Daniël zag dat er drie hoornen uitgerukt werden, maar uit de verklaring blijkt niet dat er drie koningen stierven of dat er drie rijken ophielden te bestaan. De verklaring geeft aan dat er drie vernederd zullen worden.  Het werkwoord voor “vernederen” is “shefal”. Dit komt ook in Daniël 4 : 37, 5 : 19, 22 voor, waar het eveneens met “vernederen” is vertaald. Het Hebreeuwse werkwoord (shafeel) heeft dezelfde betekenis (o.a. Jesaja 2 : 9-12, 17). Drie koningen worden ter wille van de kleine hoorn vernederd. De nieuwe vertaling geeft hier als vertaling: “ten val brengen”.

De tien koningen blijven in aantal als tien bestaan, maar drie ervan zijn zonder macht (verlamd). De kleine hoorn is de elfde. In totaal zijn er dus elf koningen. Aangezien de tien tenen tot het eind toe bestaan, moet het ook zo zijn dat die ene kleine hoorn gelijktijdig aan de macht is met die tien. Het achtste koninkrijk loopt dus parallel met de zevende (de tien tenen/hoornen), maar komt later te voorschijn. Als het achtste rijk gekomen is, verdwijnt het zevende nog niet. Die tien staten blijven bestaan, maar worden door iemand geregeerd, die boven hen is gekomen (namelijk die kleine hoorn). Deze kleine hoorn is te midden van de tien omhooggekomen en heeft zich daarboven geplaatst. Die tien staten zijn er dan nog steeds, maar drie ervan hebben geen werkelijke macht meer. Deze zullen tot het einde aan toe bestaan. Bovendien blijkt uit de verwoesting van het beeld uit Daniël 2, dat de rijken, die aan de tien-statenbond voorafgegaan zijn, dàn ook zullen bestaan. Hun was immers verlenging van leven gegeven tot tijd en stonde toe (Daniël 7 : 12). Na deze acht koninkrijken komt het koninkrijk van Christus. Het achtste rijk blijkt in het boek Openbaring het rijk van het beest te zijn.

De profetie van het beeld uit Daniël 2 gaat niet verder dan het rijk van de tien tenen. Dan zijn al de wereldrijken geweest en volgt het rijk van Christus. Het rijk van de tien tenen bestaat tot aan de overwinning van Christus en de openbaring van Zijn koninkrijk. In Openbaring 17 wordt nog gesproken over een rijk dat ná de tien-statenbond komt. De tien-statenbond en dat laatste rijk van de kleine hoorn bestaan gelijktijdig, maar ze komen niet gelijktijdig aan de macht. Zolang de kleine hoorn aan de macht is zullen ook de tien koningen aan de macht zijn. Die tien koningen hadden reeds eerder macht, maar maken zich aan de kleine hoorn ondergeschikt, zoals uit Openbaring 17 blijkt.

In Daniël 4 en 5 wordt geleerd, dat Babel in de toekomst weer hersteld zal worden. Het zal de hoofdstad van de wereld zijn. Dit betekent dus dat Babel een belangrijke rol zal spelen in de rijken die in de toekomst nog zullen komen. Babel zal na de tien-statenbond een rol spelen in de wereldgeschiedenis. Gelijktijdig met de tien koningen zal die kleine hoorn aan de macht zijn. Deze tien koningen zullen macht ontvangen op één ure met het beest (Openbaring 17 : 12). In Daniël 7 wordt de kleine hoorn na de tien hoornen genoemd, omdat daarbij de nadruk ligt op de totstandkoming van die rijken. De tien-statenbond en het rijk van de kleine hoorn zullen echter gelijktijdig bestaan.

Alle rijken zullen op de één of andere wijze weer bestaan in de toekomst. Dit betekent meteen dat die rijken niet bepaald worden door hun grondgebied. Als dat wel het geval zou zijn kunnen ze niet gelijktijdig bestaan, omdat een groot deel van de aardbodem deel uitmaakte van al deze rijken. Het grondgebied van Israël heeft van al die rijken deel uitgemaakt. Als die koninkrijken in de toekomst weer alle aanwezig zullen zijn, kan dat dus niet betrekking hebben op hun territorium. Zij zullen derhalve op een andere wijze aanwezig zijn.

Het grondgebied is niet het belangrijkste kenmerk van een rijk. De invloed van de machthebber, de filosofie, cultuur enz. bepalen mede de kenmerken van een rijk. Al die rijken zullen hun invloed in de eindtijd hebben. Het toekomstige rijk zal gekenmerkt worden door de invloed van Babel, o.a. omdat Babel de hoofdstad van de wereld zal zijn. Ook het rijk van Perzië (het tegenwoordige Iran) heeft tegenwoordig invloed in de wereld. Het Griekse rijk zal in de eindtijd een belangrijke rol spelen; niet als land, maar vanwege haar beschaving. Dit geldt dus ook voor het Romeinse rijk. Ook Israël zal weer een rol spelen, evenals Egypte en Assur (Irak/Syrië). Al deze culturen zullen voortbestaan tot in de tijd van het einde. In de tijd tussen het Romeinse rijk en de tien-statenbond zal hun invloed op de achtergrond geraakt zijn, maar in de eindtijd zal die weer opkomen. Niemand kan ontkennen dat culturen, godsdiensten enzovoorts uit het oosten ook vandaag in het Westen een belangrijke rol spelen.

Een hoorn is een uitbeelding van koningschap (Openbaring 17 : 12). Een hoorn met ogen en een mond is een omschrijving van de machthebber, die het koningschap heeft. De kleine hoorn zal grote dingen spreken. In Daniël 7 : 25 wordt dit verklaard: hij zal woorden tegen de Allerhoogste spreken. Hij zal Godslasterlijke taal bezigen. Het is een machthebber die bewust en rechtstreeks in opstand komt tegen God. Hij zal strijden tegen “de mensen zoon”, Jezus Christus. Wie met de tien hoornen/koningen bedoeld worden, wordt in de Bijbel niet aangegeven. Deze rijken worden niet bepaald door hun grondgebied, maar door hun karakter (cultuur, godsdienst e.d.). Daarom is het ook niet correct om te veronderstellen, dat de tien staten op het grondgebied van het voormalige Romeinse rijk zullen liggen. De gedachte daarbij is dat de tien staten de voortzetting van dat rijk zijn. Anderen spreken zelfs van een herstel van het Romeinse rijk. Men denkt dat deze tien staten in Europa te vinden zullen zijn. Europa hoorde voor een groot deel tot het Romeinse rijk. Ik vind het echter te ver gaan om te veronderstellen dat de tien-statenbond gevormd zou worden door de landen die behoren tot de Europese Gemeenschap. Een deel van het grondgebied van de landen van de Europese Gemeenschap heeft nooit tot het Romeinse rijk behoord. Een tijd lang heeft de E.G. uit tien landen bestaan, maar momenteel (1991) is dat aantal tot twaalf uitgegroeid. Ik geloof dan ook niet dat de tien-statenbond gelijk zal zijn aan een verenigd (West-)Europa.

Ik denk alleen dat een deel van Europa wel degelijk tot die tien staten zal behoren. Al de rijken vonden hun centrum in het Midden-Oosten, rond de oostkust van de Middellandse Zee. Ik houd het erop, dat dát gebied in ieder geval deel zal uitmaken van de tien-statenbond. Aangezien al deze staten in de toekomst op de één of andere wijze vertegenwoordigd zullen zijn, ligt het eerder voor de hand om te veronderstellen dat Babel, Perzië (Iran), Griekenland en Rome (Italië) tot die tien staten zullen behoren. Waarschijnlijk zal het land Palestina/Israël er ook toe behoren. Ik zeg niet, dát het zo is, maar het ligt méér voor de hand dan te zeggen dat de tien-statenbond in Europa moet worden gezocht. De tien-statenbond zal eerder in het Midden-Oosten te vinden zijn. De hoofdgedachte is echter niet het grondgebied, maar de aanwezigheid van de rijken in cultuur, filosofie, religie enzovoort.

De grenzen van het Romeinse rijk waren nooit precies vast te stellen, aangezien deze regelmatig verlegd werden. Als men in deze tien-statenbond een hersteld Romeins rijk wil zien, moet men zich afvragen over welke periode van het Romeinse rijk men spreekt. Op een gegeven moment hoorde zelfs een gedeelte van Groot-Brittannië tot het rijk van de Romeinen (grens bij Newcastle; Schotland hoorde er niet bij). Zou bij een herstel van een Romeins rijk Engeland er dan wel bij horen en Schotland niet? Het gaat echter niet om de grenzen. Men kan toch ook niet zeggen dat het Romeinse rijk een herstel is van het daaraan voorafgaande Griekse rijk. De nadruk ligt op het feit dat het gewoon de volgende uit de reeks van rijken is. Bij de tien-statenbond moeten we dus denken aan landen die deel uitmaken van de wereldmacht in de eindtijd, hoofdzakelijk gegroepeerd rond het oosten van de Middellandse Zee (de landen rondom Jeruzalem).

Het vierde dier is een beeld van het Romeinse rijk. Het wordt met ijzer in verband gebracht (ijzeren tanden; Daniël 7 : 7, 19). Daarnaast wordt er in 7 : 19 nog aan toegevoegd dat het klauwen van koper had. “Koper” heeft met het Grieks-Macedonische rijk te maken. Die verbinding van het ijzer met het koper is niet zo vreemd. Het Romeinse rijk heeft immers grotendeels de Griekse cultuur en godsdienst overgenomen. Ze hebben er alleen Latijnse namen aan gegeven. In Daniël 7 : 9 staat dat er tronen gezet werden. “Tronen” houden verband met koningschap. Er wordt een koninkrijk opgericht. Op de troon zit de Oude van dagen. Ook is er sprake dat het “gericht zich zette” (Daniël 7 : 10). Er worden boeken geopend. Er begint een rechtszaak, want er wordt een oordeel uitgesproken op grond van hetgeen in die boeken geschreven staat. Dat wordt ook in Daniël 7 : 11 bevestigd, want daar wordt over het doden en verdoen van het (vierde) dier gesproken.

Daniël 7:11 noemt het oordeel over de hoorn, die grote woorden sprak. Vervolgens wordt gezegd dat het dier gedood werd. Het gaat hier dus in ieder geval over drie rijken. Het oordeel is van toepassing op de kleine hoorn, de tien hoornen en op het vierde, schrikkelijke dier. Deze drie rijken worden in Daniël 7 gezien in één beeld, namelijk dat vierde dier. Toen het vierde dier gedood werd, kwamen daarmee tevens de tien hoornen en de kleine hoorn aan hun einde. M.a.w.: het zesde, zevende en achtste rijk werden te gronde gericht. Vervolgens leert Daniël 7 : 12 dat de heerschappij van de vorige dieren werd weggenomen. Het eerste tot en met het derde dier hebben te maken met het rijk van Babel tot en met het Grieks-Macedonische rijk. Het tweede dier had echter drie ribben in zijn muil. Die hebben betrekking op de rijken van Egypte, Assyrië en Babel. Dus: Alle voorgaande rijken komen met het doden van het vierde dier aan hun eind. Alle rijken komen gelijktijdig aan hun eind. Alles, wat de heidense volkeren in de loop der eeuwen geproduceerd hebben, wordt geoordeeld in de tijd waarin de Here Jezus Christus Zijn Koninkrijk openbaar zal maken.

In Daniël 7 : 13, 14 wordt over het koninkrijk van Christus gesproken. Hij wordt hier vergeleken met een mensenzoon (= bar enosh). Hij is zelfs de Zoon des mensen. In 9 en 10 wordt al duidelijk gemaakt dat het koninkrijk van God geopenbaard wordt. In 13 en 14 wordt er nog een profetie over deze mensen zoon aan toegevoegd. Het koninkrijk zal terugkeren tot God, via het werk van een mensenzoon. In Daniël 7 : 9 staat dat de Oude van dagen Zich zette. “De Oude van dagen” is de Oudste Die er is. Dit heeft uiteraard betrekking op God Zelf. Het koninkrijk over de volkeren der aarde hoort bij God thuis (o.a. Daniël 4 : 17). In 13 en 14 wordt gezegd dat de God des hemels (de Oude van dagen) gekend kan worden in “eens mensen Zoon”. Een mensenzoon is een mens. De Zoon des mensen is Jezus Christus, Die tevens God is. Het koninkrijk komt aan God toe, maar de macht erover wordt aan een mensenzoon gegeven. De Messias van Israël is niet alleen een mens, maar ook God. De Jehovah van het Oude Testament is daarom dezelfde als de Messias van Israël. God, de Vader en God, de Zoon, zijn ook Dezelfde; er is één God, maar Hij heeft meerdere hoedanigheden. Eén daarvan is die van “Zoon” (Zoon van God en Zoon des mensen). De mensenzoon nadert tot de Oude van dagen. Het is de Heer Die Zijn hemelse Vader ontmoet. Jezus Christus zal het koninkrijk oprichten, maar uiteindelijk aan de Vader overgeven (vergelijk 1 Korinthe 15 : 28).  De heerschappij werd aan de mensenzoon gegeven. Die macht is aan de Heer gegeven; na Zijn opstanding. De uitwerking ervan wordt in het boek Daniël beschreven. De tijd van de Gemeente, het Lichaam van Christus, wordt daarbij overgeslagen. De heerschappij van de Heer is een eeuwige heerschappij en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden.

De kleine hoorn zal woorden van lastering tegen de Allerhoogste spreken (Daniël 7 : 25). Daarnaast zal hij de heiligen van de hoge plaatsen verstoren. Het woord “plaatsen” is door de vertalers toegevoegd. Er staat niet bij wie bedoeld worden. Daarom is het antwoord eenvoudig. Het is minstens op twee verschillende zaken van toepassing. Dat leren we niet uit het boek Daniël, maar wel uit het Nieuwe Testament. Al wat er aan het volk Israël beloofd is heeft ook een toepassing op de Gemeente. Dezelfde profetieën worden op beide volken van toepassing gebracht, hoewel op verschillende wijze. Een voorbeeld daarvan is de profetie van Joël 2 over de uitstorting van de Heilige Geest. Deze profetie heeft een toepassing op de Gemeente op de pinksterdag (Handelingen 2). Tegelijkertijd heeft  de profetie een toepassing in verband met het volk Israël in de toekomst. De profetie van Joël heeft een geestelijke toepassing op de gemeente gekregen. In Joël 2 : 32 staat: “Al wie de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden …” Deze profetie is in het boek Joël van toepassing op Israël. Paulus past deze echter op de heidenen toe (Romeinen 10 : 1113). Daaruit blijkt dat deze profetie een dubbele betekenis heeft.

Dit is met alle oudtestamentische profetieën het geval. Paulus citeert uit Hoséa en spreekt in Romeinen 9 : 24-26 over Gods volk (Mijn volk = ammi) en niet Gods volk (niet Mijn volk = lo-ammi). Paulus past deze profetie op de heidenen toe. De apostel Petrus haalt deze zelfde profetie aan en past die op de joden toe (1 Petrus 2). Beide hebben gelijk. Zowel heidenen als het Israël van onze dagen zijn “niet Gods volk”. Zowel een jood als een heiden hoort tot Gods volk op grond van geloof in Christus. Andere voorbeelden hiervan zijn: Matthéüs 13 : 13-15 en Handelingen 28 : 25-28. Hetzelfde geldt voor het spreken in tongen. De prediking door de heidenen tot de Israëlieten zou de normale vervulling zijn. Paulus betoogt in 1 Korinthe 14 dat het spreken in talen de vervulling is (1 Korinthe 14 : 21; Deuteronomium 28 : 49 en Jesaja 28 : 11). Het ligt het meest voor de hand, dat de heiligen der hoge plaatsen in Daniël 7 op gelovigen van Israël van toepassing is. Dat neemt echter niet weg dat deze uitdrukking ook gebruikt kan worden voor engelen en zelfs voor de gelovigen die tot de Gemeente horen. De gelovigen van de gemeente zijn immers in Christus in het hemelse geplaatst (Éfeze 2 : 6). Het is echter niet zo dat de Gemeente aan de macht van die kleine hoorn overgegeven zal worden. De Gemeente is dan reeds opgenomen en maakt deel uit van de Christus.

De kleine hoorn stelt zich tegenover de Allerhoogste en hij verstoort degenen die zich aan de Allerhoogste onderworpen hebben. De strijd is tussen Christus (met degenen die zich aan Hem onderworpen hebben) en deze machthebber (met zijn onderdanen). De aan God onderworpen engelen, maar ook de dán reeds opgenomen Gemeente, zullen in die strijd een rol spelen. De gelovigen uit Israël zullen daar ook aan deelnemen. De Gemeente zal na de wegrukking betrokken worden bij de openbaring van het koninkrijk van Christus. Verder zal de kleine hoorn de tijden en de wet menen te moeten veranderen. Dit moet opgevat worden als “de wet omtrent de tijden”. Ik vermoed dat het iets met de kalender te maken heeft. In het boek Daniël speelt de tijdrekening immers een belangrijke rol. God spreekt ook vaak tot het volk Israël, waarbij de tijd vermeld wordt (o.a. in het boek Haggaï). Het kan ook betrekking hebben op de viering van de feesten des HEEREN, die op gezette tijden gehouden moesten worden. De joodse kalender is een onpraktische kalender: men kent schrikkeldagen en schrikkelmaanden. Misschien moet deze kalender wel veranderen, vanwege de vervulling van de profetieën. De heiligen der hoge plaatsen zullen gedurende een tijd en tijden en een gedeelte eens tijds aan de macht van de kleine hoorn overgegeven worden. Dit is drie en een halve tijd. “Tijden” is geen dualis (tweevoud), maar een pluralis (meervoud, zoals in Daniël 4 : 16: zeven tijden). Een gedeelte van een tijd is letterlijk “een verdeling van een tijd”. Dit kan een verdeling in tweeën zijn. Eenzelfde soort uitdrukking treffen we aan in Openbaring 12 : 14:

En aan de vrouw (Israël) zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halven tijd, buiten het gezicht van de slang. Openbaring 12 : 14

Hier wordt het Griekse “kairos” gebruikt. Als we dit vers met Openbaring 12 : 6 vergelijken, kunnen we tevens vaststellen hoe lang die periode is:

En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 12 : 6

Een tijd, tijden en een halve tijd = 1260 dagen = 3,5 jaar (vergelijk Openbaring 11 : 2, 3). Met andere woorden: het begrip “tijd” staat hier voor een “jaar”. “Tijden” = twee tijden/jaren. Een gedeelte eens tijds = een halve tijd of een half jaar. De uitdrukking in Daniël 7 : 25 betekent dus 3,5 tijd oftewel 3,5 jaar. Dit is de periode van de grote verdrukking, die over Juda en Jeruzalem zal komen (de tweede helft van de 70-ste week). Gedurende 3,5 jaar wordt het overblijfsel van Israël aan deze vorst overgegeven. Na die periode zal het gericht zitten (vergelijk Daniël 7 : 10). De heerschappij van deze vorst wordt weggenomen en hij zal tot het einde toe verdelgd worden. Dit moet betrekking hebben op de periode ná die 3,5 jaar. Dit is de periode na de 70ste week, die 33 jaren zal duren. Tijdens de afbrokkeling van het rijk van die vorst zal tegelijkertijd de opbouw van het koninkrijk van Christus plaatsvinden. Dit koninkrijk zal aan het volk van de heiligen der hoge plaatsen gegeven worden. Het gelovige volk Israël zal onder leiding van haar Messias (Christus) dat koninkrijk ontvangen. Alle heerschappijen zullen uiteindelijk de Koning van het eeuwige rijk eren en gehoorzamen. Dat heeft betrekking op de onderwerping van de volkeren aan Christus. De gelovigen uit de volkeren zullen Zijn koninkrijk binnengaan.

Daniël 8

Daniël 8 : 1-27

1 ¶ In het derde jaar des koninkrijks van den koning Belsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniel, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.

2  En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was.

3  En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.

4  Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.

5  Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.

6  En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht.

7  En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.

8  En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels.

9  En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.

10  En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.

11  Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.

12  En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.

13  Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?

14  En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.

15 ¶ En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniel, zo zocht ik het verstand deszelven, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans.

16  En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zeide: Gabriel! geef dezen het gezicht te verstaan.

17  En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.

18  Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.

19  En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.

20  De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.

21  Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.

22  Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.

23  Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;

24  En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven;

25  En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.

26  Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.

27  Toen werd ik, Daniel, zwak, en was enige dagen krank; daarna stond ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.

Daniël 8 : 1 spreekt over het derde jaar des koninkrijks van den koning Béltsazar. Uiterlijk in het – 541 werd Béltsazar mederegent met zijn vader Nabonides. Het eerste jaar van Béltsazar kan dus op het laatst het jaar 541 zijn. Het derde jaar is dan het jaar 539/538 voor onze jaartelling.  We vinden meerdere tijdsaanduidingen in het boek Daniël:

  • 1 : 1  In het derde jaar van Jojakim: 606 v.Chr.
  • 2 : 1  In het tweede jaar van Nebukadnézar: 605 v.Chr.; het eerste   jaar van Nebukadnézar is het jaar 606.
  • 3, 4  Tijdens de regering van Nebukadnézar: 606 – 561 v.Chr.
  • 5 : 1, 30  Laatste jaar van Béltsazar: 538 v.Chr.
  • 6 : 1  Darius, de Meder: 538 v.Chr.
  • 7 : 1  Het eerste jaar van Béltsazar: vermoedelijk 541 voor Chr.
  • 8 : 1  Derde jaar van Béltsazar: vermoedelijk 539/538 voor Chr.
  • 9 : 1  In het eerste jaar van Darius: 538 v.Chr.
  • 10 : 1  In het derde jaar van Kores: 534 v.Chr.
  • 11 : 1  In het eerste jaar van Darius: 538 v.Chr.
  • 12  Geen vermelding van datum.

Schematisch overzicht van de rijken:

1. Egypte
2. Assyrië
3. Babel (Goud)Leeuw
4. Meden/Perzen (Zilver)Beer/ Ram
5. Griekenland (Koper)LuipaardGeitebok
6. Romeinen (IJzer)Schrikkelijk dier
------------------------------------------------------------------------
7. Tien-statenbond (ijzer/leem)Tien hoornen
8.Kleine hoornKleine hoorn
------------------------------------------------------------------------
Rijk v/d God des hemelsEen mensen zoon.Vorst der vorsten (steen)
(Daniël 2)(Daniël 7) (Daniël 8)

In hoofdstuk 8 staat een visioen dat in het laatste gedeelte uitgelegd wordt. Ook deze profetie heeft met “de tijden der heidenen” te maken. Dat is de periode waarin het volk Israël door andere volkeren overheerst wordt. Pas wanneer Israël weer een eigen koninkrijk en troon zal hebben – onder leiding van haar Messias – zal er een eind aan “de tijden der heidenen” komen. In de Bijbel wordt beloofd dat Israël over de andere volkeren zou regeren (Deuteronomium 28). Alle volkeren zouden gezegend worden in Abram en in zijn zaad. Dat is nu nog niet vervuld. In onze dagen is dat alleen van toepassing op de gelovigen van de Gemeente. De Zoon (= Erfgenaam) van David en Abraham is Jezus Christus. Hij regeert nog steeds niet over de volkeren der aarde. De profetieën in het boek Daniël handelen over de tijden der heidenen; over wat er achtereenvolgens zou gaan gebeuren. Er zouden een aantal koninkrijken komen die de wereld zouden regeren tot op de komst van het koninkrijk van Christus. Deze koninkrijken zijn reeds in Daniël 2, 7 en 8 genoemd. In Daniël 3 en 4 wordt geleerd dat Babel in de toekomst opnieuw de belangrijkste stad zal zijn. Het laatste rijk – voordat Christus zal regeren – zal als hoofdstad Babylon hebben. De tien tenen bestaan tot aan het einde aan toe. De heerschappij over die tien staten (koninkrijken) zal in Babel gezeteld zijn. Het laatste rijk van Babel wordt voorgesteld door de kleine hoorn uit Daniël 7. Deze komt ná en regeert gelijktijdig mét de tien hoornen die uit het rijk van Rome voortkwamen.

In Daniël 8 komen twee dieren naar voren. De ram beeldt het rijk van de Meden en Perzen uit (8 : 4, 20). De geitebok wordt omschreven als de koning van Griekenland (8 : 5, 21). Daniël 8 gaat ook over de tijd van het einde (8 : 17, 19). Het aanknopingspunt is echter dat het Medo-Perzische rijk veroverd zou worden door het Griekse rijk. Dat is in het verleden gebeurd, maar de profetie houdt verband met de tijd van het einde, de tijd die uitloopt op de komst van het koninkrijk van Christus. Daniël kreeg het gezicht van de ram en de geitebok in het derde jaar van het koninkrijk van Béltsazar. Dit kwam na het visioen dat hij in het eerst (= eerder) gehad had. Dit is een verwijzing naar het gezicht van Daniël 7, dat in het eerste jaar van Béltsazar plaats gevonden had. Het achtste hoofdstuk wordt aan het zevende gekoppeld; ze moeten in elkaars verband gelezen worden. Beide hoofdstukken verklaren elkaar. Het derde jaar van Béltsazar is het laatste jaar van zijn koningschap. Het rijk van Babel werd door de Meden en Perzen veroverd. Dit gebeurde in het jaar 538 voor onze jaartelling. Dat het een derde jaar is, houdt tevens verband met opstanding en herstel. Het Romeinse rijk behoort tot het verleden, maar de tien-statenbond is nog steeds toekomst. De tijd daartussen wordt in de Bijbel met het begrip “verborgenheid” aangeduid. Het is de tijd waarin wij leven. In al de profetieën van Daniël is een onderbreking te vinden. Later volgt herstel.

Daniël bevond zich in de burcht (= het paleis) Susan in het landschap Elam. We kennen die burcht vooral uit het boek Esther. Het was de verblijfplaats van de koningen van de Meden en Perzen. Toen het rijk van de Babyloniërs door de Meden en Perzen werd veroverd, bleef Babel de hoofdstad. Daar zetelden de vorsten aanvankelijk. Later gingen de vorsten (van de Meden) in Susan wonen, maar Babel bleef de hoofdstad; vergelijk ook Nehemia 1 : 1. De afstand tussen Babel en Susan is ± 400 km. Susan ligt zuidoostelijk van Babel. De vloed (= rivier) Ulai zou ten oosten van de burcht Susan gestroomd hebben. Anderen denken dat de Ulai om de burcht Susan stroomde. Elam houdt verband met het werkwoord “alam” (= verbergen) en heeft als betekenis “een verborgen (onbekende) periode van tijd”. Het woord komt overeen met het Griekse “aioon”. De profetie van Daniël 8 houdt ook verband met tijd (vers 13: hoelang?), want in vers 14 worden 2300 avonden en morgens genoemd.

Daniël 8 : 3 wordt verklaard in 8 : 20. De ram beeldt het rijk van de Meden en de Perzen uit. De twee hoornen wijzen op de Meden en de Perzen. De hoogste hoorn kwam het laatste op. De hoogste hoorn duidt op de Perzen, want die waren machtiger dan de Meden. In Babel regeerde eerst Darius de Meder, die de stad veroverd had. Na twee jaar kwam Kores de Pers, in Babel regeren. Denk ook aan de beer, die zich aan de ene zijde stelde (Daniël 7). Dit was de zijde van de Perzen. Sommige Bijbeluitleggers brengen de linker- en rechterarm van het beeld uit Daniël 2 in verband met het rijk van de Meden en de Perzen. De ram stootte tegen het westen, noorden en zuiden. Hij kwam dus vanuit het oosten. Het gebied van de Meden en Perzen lag inderdaad ten oosten van Babylon. Andere dieren (rijken) konden niet tegen hem standhouden (voor zijn aangezicht bestaan). Het rijk van de Babyloniërs werd door de Meden en Perzen verslagen. In het jaar waarin dit gezicht kwam, werd het eveneens vervuld.

De geitebok (Daniël 8 : 5) kwam van het westen. Dat is de tegengestelde richting van de ram, die uit het oosten kwam. De harige (= machtige) geitebok is de koning van Griekenland (8 : 21). Hij roerde de aarde niet aan. Dit duidt op de snelheid waarmee het Griekse rijk tot stand kwam. In Daniël 7 : 6 werd dit uitgedrukt door de vier vleugels van het luipaard. Alexander de Grote richtte zijn rijk vliegensvlug op. De bok had één aanzienlijke hoorn tussen zijn ogen. Vers 21: De grote hoorn is de eerste koning van het Griekse rijk (Alexander de Grote). Opmerkelijk is dat in vers 21a het woord “koning” gebruikt wordt voor al de koningen van Griekenland, terwijl het in vers 21b alleen op de eerste koning duidt. Het woord wijst op de functie en op de persoon. Vers 6, 7 beschrijft de overwinning van de geitebok op de ram. Het rijk van de Meden en Perzen werd door de legers van Alexander de Grote onder de voet gelopen. Volgens vers 8 maakte het rijk van Alexander zich groot. De grote hoorn brak echter. Dit wijst op de dood van Alexander. Hij stierf op 33 jarige leeftijd; toen het rijk opgericht was. Hij wilde Babel tot de hoofdstad van zijn rijk maken, maar omdat hij stierf ging dat niet door. Zijn dood maakte een eind aan de droom van een Grieks wereldrijk met Babel als hoofdstad.

Voor de ene aanzienlijke hoorn kwamen vier aanzienlijke (hoornen) in de plaats. “Naar de vier winden des hemels” wijst op verdeling van het Griekse rijk in vieren. Er was een koning van het noorden, zuiden, westen en oosten. De belangrijkste daarvan waren de koningen van het noorden en het zuiden. Deze spelen in Daniël 11 nog een belangrijke rol. In Daniël 7 : 6 wordt dit aangegeven door het luipaard dat vier hoofden had. De koningen van het noorden werden bekend als de Seleuciden, genoemd naar de eerste koning Seleucus. De koning van het zuiden (Egypte) was Ptolemaeus. Hij was de stichter van de dynastie der Ptolemaeën. Uit één van de vier hoornen kwam vervolgens één kleine hoorn, die zeer groot werd (vers 9). Hij werd groot tegen het zuiden, het oosten en tegen het sierlijke land (sieraadland). Het sieraadland is een omschrijving voor het land van Israël (Ezechiël 20 : 6)  Vanuit Babel gerekend ligt Israël in het westen. Daaruit blijkt dat die kleine hoorn uit het noorden afkomstig is. Uit de koning van het noorden komt deze vorst voort. De kleine hoorn stelde zich tegen het heir des hemels en wierp sommigen van hen ter aarde. Ze worden met sterren vergeleken. Een heir is een leger of een grote schare. Het gaat hier niet over engelen. Hij richtte zich weliswaar tegen het heir van de hemel, maar dat hoeft niet te betekenen dat dat heir zich in de hemel bevond. Denk bijvoorbeeld aan de term “het koninkrijk der hemelen”, dat duidt op een koninkrijk dat op aarde opgericht zal worden. Het is een koninkrijk dat uit de hemelen afkomstig is, omdat de Koning ervan daar vandaan komt; het zal echter op aarde gestalte krijgen. Het heir des hemels is het leger van het koninkrijk der hemelen, namelijk van de Koning Die in de hemel is. Het is van toepassing op de gelovigen van het volk Israël. Het woord “heir” staat ook in vers 12, waar het met de offerdienst van het volk Israël in verband staat. “Van dat heir” en/namelijk “van de sterren” duidt op hetzelfde. Het ene geeft een nadere aanduiding van het andere. De hoorn keerde zich tegen de sterren, het heir des hemels. Die hoorn is een type van een koning. Dat heir of die sterren is (zijn) een beeld van de gelovigen van het volk Israël.

De koning die voortkwam uit de koning van het noorden stelde zich tegen de gelovigen van het volk Israël. Deze vorst wordt hier omschreven als een kleine hoorn. Het is dezelfde kleine hoorn als in Daniël 7 en derhalve van toepassing op het achtste rijk. In Daniël 8 wordt een verbinding gemaakt tussen het Griekse rijk en het rijk van de eindtijd (het rijk van het beest). Deze kleine hoorn vertrad sommigen van het heir des hemels. In Daniël 7 : 25 wordt dit beschreven als: “hij zal de heiligen der hoge (plaatsen) verstoren”. “De heiligen der hoge (plaatsen)” spreekt over dezelfde groep als “het heir des hemels”. Deze kleine hoorn maakte zich groot tegen de Vorst van het heir, de Vorst van Israël, namelijk de Messias. In Daniël 9 : 25 wordt over Messias, de Vorst, gesproken. Dit is in het Nederlands wel hetzelfde woord, maar in het Hebreeuws niet. In Daniël 8 staat “sar” (8 : 11, 25) en in Daniël 9 staat “nagied”. Dit woord wordt vertaald met “voorganger” (o.a. 1 Samuël 9 : 16), “overste” (o. a. 1 Kronieken 9 : 11), “vorst” (o.a. Daniël 9 : 25, 26; 11 : 22). Het houdt verband met het woord “nèged”, dat “voor”, “in aanwezigheid van” of “tegenover” betekent. Deze vorst vertegenwoordigt iemand anders (namelijk de God des hemels).

Het gedurig offer wordt weggenomen en de woning van Zijn heiligdom (de tempel) werd nedergeworpen. In het verleden is er inderdaad iemand geweest die dergelijke dingen gedaan heeft. Hij kwam uit het rijk van het noorden. Niemand dacht dat hij het koninkrijk zou krijgen. Ditzelfde wordt ook in Daniël 11 naar voren gebracht (daar wordt deze figuur “de verachte” genoemd). Hij kreeg de macht over het sieraadland: Israël. Hij deed zo ongeveer wat in dit vers vermeld staat. Deze man heette Antiochus Epiphanes. Epiphanes betekent “de geopenbaarde”. Hij beschouwde zich als God, geopenbaard in het vlees. Hij speelt in de Bijbelse historie geen rol, omdat hij optrad in de tijd tussen Maleáchi en Matthéüs (de zgn. inter-testamentaire periode). Hoe kan een profetie in vervulling gegaan zijn door de geschiedenis van een persoon die in de hele Bijbel niet voorkomt? Dat is onmogelijk! We komen hier op een algemeen principe terecht. Ik denk in dit verband aan Daniël 4, de profetie van de boom die afgehouwen werd. Die profetie was op de persoon van Nebukadnézar van toepassing. Dat neemt niet weg dat deze profetie eveneens op het Babel van de toekomst betrekking heeft. De zeven tijden wijzen op de tijdsperiode dat Nebukadnézar zijn koninklijke waardigheid kwijt was; daarna werd hij hersteld. De zeven tijden houden ook verband met het toekomstige herstel van Babel als hoofdstad van de wereld.

In Daniël 8 doet zich hetzelfde principe voor. Daniël 8 : 9-12 is in eerste instantie op Antiochus Epiphanes van toepassing; in de tijd van de Makkabeeën. Antiochus heeft de joodse godsdienst en de tempeldienst verboden. Hij verbood de besnijdenis. Hij richtte op de heilige plaats een beeld op dat aan Zeus (Jupiter) gewijd was en liet ter ere van die god varkens offeren. Varkens zijn voor joden onreine dieren. De tempel werd ontheiligd. Deze dingen komen inderdaad overeen met de beschrijving van Daniël 8, maar we zouden het niet geweten hebben, als het niet in de boeken van de Makkabeeën beschreven was. De boeken van de Makkabeeën behoren echter tot de zogenaamde apocriefe boeken. Zij worden niet tot de geïnspireerde boeken van de Bijbel gerekend. De gebeurtenis in de tijd van Antiochus komt niet in de Bijbel voor en daarom kan het ook niet de verklaring zijn. De verklaring van dit visioen wordt in de volgende verzen van Daniël 8 gegeven. De profetie van Daniël 8 “springt” van de tijd van Antiochus Epiphanes over naar een vorst, die pas in de eindtijd zal optreden. In Daniël 8 : 17 staat immers: “… want dit gezicht zal zijn tot (doelt) op de tijd van het einde. Antiochus leefde niet in de tijd van het einde. Daarom kan deze profetie nog niet vervuld zijn. Antiochus is hooguit een vóór-afschaduwing van een toekomstige vorst die dergelijke praktijken zal uitvoeren. Die vorst wordt in het boek Openbaring aangeduid met het begrip “beest”.

De gangbare protestantse theologie beweert dat al deze profetieën reeds in het verleden vervuld zijn. Ze passen dat gegeven ook toe op de verwoesting van Jeruzalem in de dagen van Nebukadnézar en in de tijd van Titus (70 A.D.). Ze ontkennen een verwoesting die in de toekomst zal plaatsvinden. We kunnen hooguit vaststellen dat Antiochus Epiphanes een type is van de figuur die in de eindtijd zal optreden. Hij is echter niet de vervuller van deze profetie. In zijn geschiedenis geeft hij hooguit een illustratie van de manier, waarop deze profetie in de toekomst vervuld zal worden. We weten uit Openbaring dat het beest in de heilige plaats een afgodsbeeld zal oprichten. Dat heeft Antiochus in zijn dagen ook gedaan. Volgens Daniël 8 : 12 zal het heir (= Israël) in de afval overgegeven worden. “Afval” wil zeggen: afvallen van de ware godsdienst (de leer van Mozes). De joden werden van hun eigen godsdienst afgetrokken en overgegeven aan afgoderij. Er staat “tegen het gedurig (offer)”. “Tegen” betekent “in de plaats van”; het komt overeen met het Griekse “anti”. Het gedurig offer (de offerdienst in de tempel) werd weggenomen en daarvoor in de plaats werd het heir aan afgoderij overgegeven. Hij wierp de waarheid ter aarde. Het Woord der waarheid (de oudtestamentische Schriften) werden terzijde gezet. In de tijd van de Makkabeeën is er fel gestreden tegen deze ontwijding van de tempel; dit gebeurde onder meer onder leiding van Judas de Makkabeeër. Uiteindelijk hebben ze de strijd gewonnen en werd de tempel gezuiverd van onreinheden. De tempel werd in de negende maand opnieuw ingewijd. Het joodse chanoekahfeest herinnert nog altijd aan deze gebeurtenis, die plaatsvond in het jaar 167 voor onze jaartelling.

De beschrijving van het gezicht van Daniël eindigt in vers 12. In vers 13 wordt de vraag gesteld: “Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig (offer) en (van) de verwoestende afval zijn, dat zowel het heiligdom als het heir (ter) vertreding zal overgegeven worden?” De verwoestende afval is de omschrijving van de afgoderij die voor de tempeldienst in de plaats gesteld werd. In Daniël 9 wordt dit aangeduid met het begrip “verwoestende gruwel” of “gruwel der verwoesting” Afgoderij is voor de Heer een gruwel. Afgoderij leidt tot verwoesting. Zowel het heiligdom (de tempel) als het heir (de gelovigen uit Israël) zullen ter vertreding overgegeven worden. Beiden zijn “huis van God”. Beiden worden ontheiligd. Het antwoord volgt in vers 14: “Tot tweeduizend en driehonderd (2300) avonden (en) morgens”. In het Hebreeuws staat er: “2300 avond, morgen”. Hiermee kunnen dagen bedoeld zijn. Dit is een cryptisch antwoord, want we weten nu nog weinig. Na die 2300 zal het heiligdom gerechtvaardigd worden. Het gezicht kan zonder uitleg niet goed begrepen worden, want Daniël zocht de betekenis ervan. Daarom kreeg hij de uitleg via Gabriël (vers 15,16). Het gezicht heeft betrekking op de tijd van het einde. De gebeurtenissen in de tijd van Antiochus Epiphanes vonden rond het jaar 170 voor onze jaartelling plaats. De werkelijke betekenis heeft daarentegen met de toekomst te maken. Daniël had een letterlijke ontmoeting met Gabriël, want de beschrijving van het gezicht was al afgelopen in vers 12. In vers 13 wordt er niet meer gezien, maar gehoord.

De 2300 dagen kunnen in de tijd van Antiochus Epiphanes niet teruggevonden worden. Er zijn twee verschillende verklaringen omtrent de duur van de ontwijding van de tempel in de dagen van Antiochus. Beide worden aangehaald in de werken van Flavius Josephus, maar ze zijn tegenstrijdig aan elkaar. Hij schrijft daarover in verschillende boeken. Hij zegt in het ene dat de tempel precies 3,5 jaar ontheiligd geweest is. Hij vermeldt erbij dat dit in overeenstemming is met wat Daniël geprofeteerd had. Hij doelde daarbij op Daniël 7 : 25 (een tijd, tijden en een gedeelte eens tijds). Dit is de tijd waarin Israël is overgegeven in de hand van de kleine hoorn. Flavius Josephus past die profetie op Antiochus Epiphanes toe. Het probleem hierbij is dat Daniël 8 : 14 voor dezelfde gebeurtenis 2300 dagen geeft; 3,5 jaar is echter 1260 dagen.

Op een andere plaats geeft Flavius aan dat de ontwijding precies drie jaar geduurd heeft. Dit is gelijk aan 1080 dagen. In de boeken van de Makkabeeën wordt gezegd dat de tempel op de 25e of 26e van de negende maand (het chanoekahfeest) opnieuw ingewijd werd. In die boeken heb ik geen datum van de ontwijding van de tempel kunnen vinden. We moeten op de gegevens van Josephus afgaan. In ieder geval is het duidelijk dat de ontwijding van de tempel ongeveer drie jaar geduurd heeft. De Bijbel geeft echter 2300 dagen aan. Dit is een periode van ruim zes jaren (6,3888888 = 6,4 jaren). Daarbij geeft Gabriël een duidelijke aanwijzing dat het gezicht met de tijd van het einde te maken heeft. Dit visioen vindt zijn werkelijke vervulling pas in de eindtijd. Het visioen heeft betrekking op de kleine hoorn die in de toekomst zal komen. Terwijl Gabriël met Daniël sprak, viel Daniël in een diepe slaap (vers 18). Daniël heeft dus een gedeelte van het verhaal van Gabriël gemist. Anders gezegd: Er zit een onderbreking in dit verhaal. Die onderbreking heeft immers te maken met de tijd die voorafgaat aan de tijd van het einde. Wij leven in de tijd van de onderbreking tussen de tijd van het Romeinse rijk en die van de tien-statenbond. Hoelang deze onderbreking (de slaap) duurde, staat er niet bij. Daarna roerde Gabriël de in slaap gevallen Daniël aan en stelde hem op zijn standplaats. Dit is ongetwijfeld een beeld van de bekering van Israël in de toekomst.

In vers 19 vertelt Gabriël wat er ten einde van deze gramschap geschieden zal. De nadruk ligt in dit vers op het woord “einde”. Wat Daniël gemist heeft, heeft te maken met de tijd die tussen het begin en het einde van die gramschap ligt. Dat houdt verband met de verborgenheid. In de volgende verzen wordt weliswaar over het verleden gesproken, omdat het om de rijken van de Meden/Perzen en van de Grieken gaat, maar de nadruk ligt op die ene koning die het heilige volk zal verderven. Dat is nog steeds toekomst. De ram is een uitbeelding van de koningen van de Meden en de Perzen. De grote hoorn is de eerste koning, namelijk Alexander de Grote. De vier koninkrijken wijzen op de verdeling van het rijk na de dood van Alexander in vier gebieden. Zij hadden echter nooit dezelfde macht als Alexander. “Op het laatste van hun koninkrijk” gaat over het laatste van het koninkrijk van deze vier vorsten. Zij vormden de voortzetting van het Griekse wereldrijk. Het laatste van het rijk van de Grieken (koper) is nog steeds toekomst. Het koper werd, evenals de andere metalen, door de steen vermalen die zonder handen was afgehouwen (Daniël 2 : 45). Dit betekent dat het Griekse rijk in de toekomst op de één of andere wijze weer aanwezig is. Ook uit Daniël 7 blijkt dat het rijk van de Grieken weer aanwezig zal zijn. Daniël 7 : 12 vermeldt dat het luipaard in de dagen van de laatste hoorn bestaat, want aan de overige dieren (buiten dat schrikkelijke dier om) werd verlenging van leven gegeven tot tijd en stonde toe. Ook de geitebok is dus verlenging van leven tot tijd en stonde toe gegeven. Hij zal weer vertegenwoordigd zijn in de tijd van het einde. Het Griekse rijk zal ook in de dagen van de eindtijd bestaan. Het is een voortzetting van het Griekse rijk. In Daniël 8 wordt het Romeinse rijk niet genoemd.

Op het laatste van hun koninkrijk (van die vier koningen van het Griekse rijk) zal er een koning opstaan die sterk (streng) van aangezicht is en die raadselen verstaat. Dat gebeurt wanneer de afvalligen op het hoogste gebracht zullen zijn (vers 23). Met het begrip “afvalligen” wordt naar vers 12 verwezen: “het heir werd in de afval (= afgoderij) overgegeven”. Het gaat om Israëlieten die afgoderij bedrijven en dus de Israëlietische dienst aan de Heer overtreden. Antiochus Epiphanes leefde ver na de dagen van die vier vorsten. Het kan dus niet betrekking hebben op de tijd in het verleden. De geschiedenis in de tijd van Antiochus is wel een type van de gebeurtenissen in de eindtijd. Daarom kunnen de gebeurtenissen van toen ons licht verschaffen over toekomstige gebeurtenissen rondom de vorst, die komen zal. Antiochus is een type van het beest. De afvalligen zullen er in de eindtijd ook weer zijn. In de laatste dagen die voorafgaan aan de wederkomst van Christus, zal er weer een afgodendienst gepleegd worden op de heilige plaats. Dat gebeurt overigens vandaag ook al, want nu is er de Omar-moskee (de Rotskoepel) op de plaats van het heiligdom. Met de kleine hoorn uit Daniël 8 wordt een koning in de eindtijd bedoeld. Het is dezelfde hoorn die in Daniël 7 te midden van de 10 hoornen omhoog komt. De tien hoornen zijn tien koningen, die tien staten vertegenwoordigen. Te midden van die tien verschijnt een andere, kleine hoorn. Hij komt (volgens Daniël 8) uit het Griekse rijk voort. Hij komt van buitenaf en neemt de macht over. De kleine hoorn zal de koning van Babel worden. Dan zal hij toch op z’n minst uit het MiddenOosten moeten voortkomen om geaccepteerd te worden. Deze vorst is ongetwijfeld een Arabier.

Ik verwacht geen herstel van het Romeinse rijk, maar een herstel van het Griekse rijk. Dat rijk heeft niets met Griekenland te maken. Het is het rijk van het luipaard, het koper en de geitebok. Dat was een rijk in het Midden-Oosten, gelegen rond Babel. De toekomstige hoofdstad ervan is Babel. Ik verwacht dat het tegenwoordige Irak met dat rijk van het beest te maken heeft, omdat Babylon in Irak gelegen is. De omringende landen van het Midden-Oosten zullen daar ook bij behoren. Zij zullen tot een eenheid komen, met als hoofdstad Babel.

Daniël 2 spreekt over de tien-statenbond, uitgebeeld in de tien tenen. Daniël 7 voegt eraan toe dat er een vorst over deze tien-statenbond zal regeren. Daniël 8 geeft aan dat die vorst uit het Griekse rijk voortkomt. Die vorst zal zijn residentie in Babel hebben. Babel zou immers ook de hoofdstad van het Griekse rijk geworden zijn, als Alexander de Grote niet gestorven was. In de toekomst zal Babel toch de hoofdstad van het Griekse rijk zijn. De kleine hoorn (= het beest uit de zee uit  Openbaring) zal raadselen kunnen verstaan. Dit wordt in Daniël 8 niet verder verklaard, maar we vinden het wel in het boek Openbaring terug. “Stijf van aangezicht” betekent dat zijn aangezicht niet zal bewegen. Dit kan betrekking hebben op het beeld van het beest (Openbaring 13). Dat beeld kan wonderen doen. In opdracht van het beest worden er tekenen gedaan (Openbaring 13 : 13). “Raadselen verstaande” wijst op het feit dat deze vorst bovenmenselijke kwaliteiten heeft. Ook uit de geschiedenis van Antiochus blijkt dat er een beeld op het tempelplein opgericht werd. In de eindtijd zal er opnieuw een beeld gemaakt worden (Openbaring 13 : 14, 15). Ook het beeld uit Daniël 2 en 3 houdt hiermee verband.

Volgens Daniël 8 : 24 zal deze kleine hoorn niet door zijn eigen kracht sterk worden. Hij heeft die kracht elders vandaan, namelijk van de satan. Openbaring 13 : 2: “… En de draak gaf hem (d.i. het beest uit de zee) zijn kracht en zijn troon en grote macht.” Hij zal wonderlijk verderven (vers 24). Hij zal mensen op een wonderlijke wijze in het verderf storten. De dingen die hij doet zullen gelukken. Hij zal de sterken en (= namelijk) het heilige volk verderven. Dit lazen we reeds in Daniël 7 : 25: “Hij zal de heiligen der hoge (plaatsen) verstoren … en zij zullen in diens hand overgegeven worden.” (Gedurende 3,5 jaar.) Hij zal door zijn kloekheid (verstandigheid) zijn bedriegerijen doen gedijen (vers 25). In vers 25 staat: “… en hij wierp de waarheid ter aarde …” Hij zal zich verheffen en in stille rust (stilheid) zal hij er velen verderven. In 1 Thessalonicenzen 5 : 3 wordt dit als volgt omschreven: “Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte (vrouw), en zij zullen het geenszins ontvlieden.” Hij zal zich tegen de Vorst der vorsten stellen. Dat is de Steen uit Daniël 2 of “de mensenzoon” uit Daniël 7. Deze kleine hoorn zal woorden tegen de Allerhoogste spreken (Daniël 7 : 25). Dat moet ook wel, want hij heeft zijn macht verkregen van de tegenstander van God, de duivel. Zijn eindbestemming is echter dat hij zonder hand verbroken zal worden. Hierover spreekt Openbaring 19 : 20. Het commentaar op het visioen is in vers 25 afgelopen. Daniël kreeg de opdracht dit gezicht te verzegelen. De dingen zijn in het boek Daniël toegesloten. Daniël 9 : 24: “… het gezicht en (of: van) de profeet te verzegelen, …” Daniël 12 : 4 , 9: “deze woorden zijn toegesloten (= verborgen) en verzegeld tot de tijd van het einde.” De woorden van het boek Daniël zijn toegesloten, maar kunnen via het Nieuwe Testament wel begrepen worden. De Here Jezus verwijst in Matthéüs 24 : 15 naar de profetie van Daniël, in verband met de gruwel der verwoesting. In Openbaring worden de dingen die verborgen waren geopenbaard.

De vraag van hoelang het gezicht van het gedurig offer en de verwoestende afval zou duren (vers 13), werd in vers 14 beantwoord met 2300 avonden en morgens. In vers 26 staat: “Het gezicht nu van avond en morgen is de waarheid …”. Dit verduidelijkt niets van wat al in vers 14 gezegd is. Deze 2300 avonden en morgens worden dus niet verklaard. Waarom wordt dit dan in vers 26 genoemd? We hebben geen duidelijke aanwijzing van de lengte van de tijd dat de tempel in de dagen van Antiochus Epiphanes ontwijd was. Zelfs al zouden dat exact 2300 dagen geweest zijn dan zou dat ons probleem niet opgelost hebben, want er staat dat dit gezicht duurt tot de tijd van het einde. Die 2300 kunnen dus niet van toepassing zijn op de dagen van Antiochus. In de eindtijd wordt het heiligdom gedurende 3,5 jaar ontwijd (Daniël 9 : 27: vanaf de helft van de week). In Daniël 7 : 25 wordt dit omschreven als “een tijd, en tijden en een gedeelte eens tijds”. Dit is volgens Openbaring 12 : 14 en 12 : 6 gelijk aan 1260 dagen. Er is dus een verschil van 1040 dagen. Het enige alternatief, dat ik nu kan bedenken (waar ik overigens niet zeker van ben), is, dat deze 2300 dagen de totale tijdsduur van de ontwijding van de tempel en van Israël aangeeft; zowel in de dagen van Antiochus, als in de tijd van het einde. In de tijd van het einde is er sprake van 1260 dagen. Dit betekent, dat er in de tijd van Antiochus 1040 dagen van ontwijding geweest zijn. 1040 dagen is gelijk aan 2,8888 jaar (2,9 jaar) oftewel 34,6666 (34,7) maanden. Dit is bijna gelijk aan drie jaren. Dit komt enigszins overeen met één van de gegevens, die Flavius Josephus aangaf. Het is niet exact drie jaar, want er is een verschil van 1,333334 maand (± 40 dagen). Het klopt dus niet helemaal, maar ik moet er direct bij zeggen dat er geen exacte gegevens van de dagen van Antiochus voorhanden zijn. De gegevens die erover bestaan zijn tegenstrijdig aan elkaar. De 2300 dagen zijn van toepassing op de tijd in de dagen van Antiochus en op die van de eindtijd. De hele profetie is immers op zowel Antiochus als de vorst in de eindtijd van toepassing. In vers 13 staat: “dat zo(wel) het heiligdom als het heir (ter) vertreding zal overgegeven worden.”

1040(onderbreking)12602300

Het bovenstaande is geen kloppende berekening, maar een beter alternatief heb ik nog niet kunnen vinden. “Avond en morgen” is de meest duidelijke uitdrukking voor een dag (etmaal; dag en nacht). Avond en morgen zijn twee begrippen die samen op één dag wijzen (vergelijk Genesis 1). Avond en morgen zijn twee begrippen die op het samenvoegen van de tijd van vroeger (Antiochus) en de eindtijd wijzen. Het begrip “morgen” is in de Bijbel de tijd vanaf middernacht tot aan zonsopgang. “Avond” is de tijd van zonsondergang tot middernacht. “Avond” is eigenlijk de term voor: van de middag tot de midnacht. “Avond” kan ook opgevat worden als de tijd die wij “middag” noemen. “Morgen” is de tijd tot aan zonsopgang.

Avondwordt duistertijd van Antiochus
Morgenis duistertijd van het einde

Openbaring 13

Voor een beter begrip van de hieronder volgende toelichting is het verstandig om vooraf Openbaring 13 te lezen. De profetie van Openbaring 13 sluit aan bij Daniël 7 en 8, waarbij het om dieren ging die een beeld zijn van koninkrijken die in de historie een rol zouden spelen.

Openbaring 13 : 1-18

1 ¶ (12-18) En ik stond op het zand der zee. (13-1) En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van gods lastering.

2  En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht.

3  En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest.

4  En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve?

5  En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.

6  En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen.

7  En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.

8  En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.

9  Indien iemand oren heeft, die hore.

10  Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.

11 ¶ En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak.

12  En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was.

13  En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.

14  En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken.

15  En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.

16  En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;

17  En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.

18  Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is

Babel zal in de toekomst weer een belangrijke rol spelen. Het is de vereniging van politiek en godsdienst. Rome is in overdrachtelijke zin weliswaar gelijk aan Babel, maar daarom is het nog niet in letterlijke zin gelijk aan het Babel van de toekomst. In Rome zetelt de pauselijke macht, die zich wel degelijk bezighoudt met politieke zaken in de wereld. “IJzer” is een uitbeelding van het Romeinse rijk. Men gaat er in het algemeen vanuit dat er in de toekomst een herstel van het Romeinse rijk zal plaatsvinden. Dit is onjuist. Uit Daniël 8 blijkt dat het juist een herstel is van het Griekse rijk, met als hoofdstad Babel. Het ijzer is wel vertegenwoordigd, maar dan meer in de betekenis van het militaire geweld. De letterlijke betekenis van de Bijbel moeten we niet veronachtzamen. Babel is gewoon Babel. Dat Rome zich als Babel gedraagt, is op zich nog geen bewijs dat Rome in de toekomst als Babel zal functioneren. Het gaat om een letterlijke stad Babylon. In de toekomst verwachten we een hersteld Grieks rijk met als hoofdstad Babylon. Dat herstelde Griekse rijk heeft te maken met het gebied dat Alexander de Grote veroverde. Tot dat rijk behoorde het gebied van Perzië (Iran), Babylonië, Assyrië (Irak), Syrië, Jordanië, Israël, Egypte, Libië, het grootste gedeelte van Klein-Azië en een klein gedeelte van Griekenland (Macedonië).

Openbaring 13 : 1 In Openbaring 13 gaat het over twee beesten (Grieks: thèrion = dier/gedierte (Markus 1 : 13) of beest (Handelingen 28 : 4, 5). Het eerste beest komt op uit de zee, terwijl het tweede (vers 11) uit de aarde (Grieks: gè = aarde of land) opkomt. Een beest is een uitdrukking van een koning, een machthebber. Deze profetie van de beesten kan nog niet vervuld zijn, omdat ze ná de hemelvaart van Jezus Christus gegeven zijn. In die tussentijd is de tijd stilgezet, volgens de onderbreking in de 70 weken in Daniël 9. Een beest uit de zee is een machthebber (of een koninkrijk), die (dat) uit de volkeren voortkomt. Het beest uit de zee heeft 7 hoofden en 10 hoornen, is een weergave van de koninkrijken der aarde en staat model voor de wereldrijken die er zoal geweest zijn. De klemtoon ligt op het zevende rijk, want er zijn zeven hoofden. Daarnaast zijn er nog tien hoornen die op de zevende kop behoren te staan, want het zevende rijk uit de reeks was het rijk met de tien hoornen (tien koningen). De zeven hoofden staan model voor de zeven rijken, gerekend vanaf Egypte tot en met het rijk van de 10 tenen (de tien-statenbond). Zij zullen in de toekomst weer vertegenwoordigd zijn. Op de hoornen waren 10 koninklijke hoeden: diademen (Grieks: diadèma). Het is niet het woord voor “kroon”. Het Griekse woord komt in Openbaring 12 : 3; 13 : 1 en 19 : 12 (m.b.t. Christus) voor. In 12 : 3 staat dezelfde omschrijving als in 13 : 1, maar is van toepassing op de satan, voorgesteld als een grote rode draak. Het gaat om tien rijken (tien hoornen) met tien machthebbers (koninklijke hoeden). Op de zeven hoofden stond een naam van lastering. Het is een lastering van alles dat er maar te lasteren valt; zeker ook lastering tegen God.

Openbaring 13 : 2. Het beest wordt nader omschreven. Het was een pardel gelijk. Het woord pardel (Grieks: pardalis; 1 x in N.T.) is gelijk aan een panter of luipaard. Wanneer we de klinkers buiten beschouwing laten, zien we dezelfde letters als in het woord luipaard. Het luipaard houdt verband met het Griekse rijk uit Daniël 7 : 6. Vervolgens staat er dat de voeten van het beest gelijk zijn aan die van een beer (Grieks: arkos). Dit is een verwijzing naar het rijk van de Meden en de Perzen uit Daniël 7 : 5. Het beest had een mond als die van een leeuw (Grieks: leoon). Dit is een heenwijzing naar het rijk van Babel uit Daniël 7 : 4. Er is nu, wat de rijken van het verleden betreft, een omgekeerde volgorde. Het beest is niet gelijk aan het Babylonische en Medo-Perzische rijk. Hoewel het beest de voeten als van een beer had en een muil als die van een leeuw en zijn kracht had van de draak (Grieks: drakoon) is het gelijk aan een pardel, namelijk een luipaard. Het Griekse rijk zal weer hersteld zijn, maar daarin zijn elementen van het rijk van de Meden en Perzen en van Babel terug te vinden. De draak is de aanduiding van de duivel (Openbaring 12 : 3, 9). De draak is niet het Romeinse rijk, want dan zou er iets van een schrikkelijk dier vermeld moeten worden. Het feit dat de draak de kracht aan het beest uit de zee geeft, houdt tevens in dat het beest gelijk is aan die laatste kleine hoorn, die over de tien koningen zal heersen.

Openbaring 13 : 3 Eén van de zeven hoofden was als tot de dood gewond. Gewond zijn is de vertaling van het werkwoord sfattoo (of: “sfazoo”); dit wordt vertaald met “doodslaan” (1 Johannes 3 : 12), “slachten” (Openbaring 5 : 6, 9; 13 : 8) of “doden” (Openbaring 6 : 4, 9; 18 : 24). Deze wond van het zwaard wordt genezen (Openbaring 13 : 12, 14).  Wond is de vertaling van plègè, dat ook “plaag” (Openbaring 9 :20; 11 : 6) of “slag” (Lukas 10 : 12; 12 : 48) betekent. Een dodelijke wond is een dodelijke slag of plaag. Het ligt het meest voor de hand dat het vijfde hoofd verwond raakt en genezen zal, want het ging om een herstel van het Griekse rijk. Dat Griekse rijk is de vijfde in de rij van zeven. Alle rijken zijn natuurlijk op de één of andere wijze vertegenwoordigd. Het kenmerk van het Griekse rijk is een ideologische verbreding van de cultuur. De gehele aarde (of: het gehele land) verwonderde zich achter het beest (uit de zee).

Openbaring 13 : 4 Zij aanbaden de draak die het beest macht gegeven had, maar zij vereerden ook het beest zelf. Een draak bestaat niet; ze komen als dieren niet voor. Een draak staat model voor “vertreding”, want het houdt verband met het Hebreeuwse “darag” dat o.a. “(ver)treden” betekent. Het is één van de aanduidingen van de satan (= tegenstander). Dit blijkt uit Openbaring 12 : 9 en 20 : 2. De draak is dus geen mens, maar de omschrijving van de satan. Het beest is wel een mens die zijn macht van de satan ontvangen zal. Daarom is hij volgens de mensheid onoverwinnelijk. Bij deze machthebber moeten we dus niet denken aan het oostblok of het westblok, maar aan de machthebber te Babel (over de Arabieren).

Openbaring 13 : 5 Het beest wordt een mond gegeven om grote dingen en lasteringen te spreken, gedurende 42 maanden. Hij zal via bepaalde ideologieën en/of religie (Islam: “heilige oorlog”) spreken. Overeenkomende woorden komen voor in Daniël 7 : 8 en 25 (m.b.t. de kleine hoorn), Daniël 8 : 11, 23-25 (de kleine hoorn), Daniël 11 : 36 (de verachte) en 2 Thessalonicenzen 2 : 4 (de zoon des verderfs, de mens der wetteloosheid, de wetteloze). De tijd van het zevende en achtste rijk wordt verdeeld in een periode van 7 en 33 jaren. De periode van 7 jaren is weer onderverdeeld in tweemaal 3,5 jaar. Er is eerst een periode van vrede; gedurende 3,5 jaar. De tweede 3,5 jaar heeft betrekking op de verdrukking die over Israël zal komen. De daarop volgende 33 jaren hebben betrekking op de verdrukking die over de volkeren zal komen. Het beest krijgt 42 maanden de tijd om grote dingen te spreken en lastering te uiten. Dit is gelijk aan 3,5 jaar.

Openbaring 13 : 6 Het beest lastert tegen God (dé God), lasterende Zijn Naam en Zijn tabernakel en (of: namelijk) die in de hemel wonen (lett.: tabernakelen). Het moment waarop dit gebeurt is vanaf het midden van de zeven jaren en daarna. Het heeft betrekking op Daniël 7 : 25: “Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, … tijd, tijden en een gedeelte eens tijds.” De tabernakel van God is Christus. Een tabernakel is een tempel in een vergankelijke wereld. Zijn Naam en Zijn tabernakel zijn aan elkaar gelijk en wijzen beide op Christus. “Degenen die in de hemel wonen” is op de Gemeente van toepassing, die dán als het lichaam van Christus opgenomen is.

Openbaring 13 : 7 Hij verklaart de oorlog aan de heiligen en overwint hen. Dit zijn “de heiligen der hoge (plaatsen)” uit Daniël 7 : 21,25b of “het heir van de Vorst der vorsten” uit Daniël 8 : 10, 11, namelijk de gelovigen uit Israël. In de eerste 3,5 jaar heeft deze vorst een vredesverbond met Israël gesloten, maar in de tweede 3,5 jaar zal hij hen bestrijden en hen overwinnen. Het hele land verwondert zich achter het beest (Openbaring 13 : 3). Dat is in de eerste plaats Israël. Dit is van toepassing op de eerste 3,5 jaar. Daarna volgt de strijd tegen Israël gedurende de tweede 3,5 jaar. Het beest zal ook over alle volkeren macht ontvangen (Openbaring 13 : 7). Dit geldt aan het eind van de 7 jaren. Dat is na de verschijning van de Heer op de Olijfberg of vanaf dat moment. Alle volkeren worden hier aangeduid met “geslacht en taal en volk”. Aan het eind van die zeven jaar zal Babel weer de hoofdstad van dat toekomstige wereldrijk worden. Het beest zal daar zijn koninkrijk vestigen, terwijl Jeruzalem verwoest is geworden. Op datzelfde moment is er een gelovig overblijfsel van Israël dat in de woestijn is en verzameld wordt (Zacharía 14 : 4; Openbaring 12 : 6). Van daaruit zal een tocht naar Jeruzalem ondernomen worden. De stad zal in bezit genomen en herbouwd worden. De boeken van Ezra, Nehemía en enkele kleine profeten kunnen ons derhalve, profetisch gezien, licht geven op de toekomstige herbouw van Jeruzalem. De belangrijkste lijnen zullen zich herhalen. Na het eind van de 70-ste week is er de wedergeboorte van Israël. Dan zullen de 144.000 Israëlieten verzegeld en uitgezonden worden onder al de volkeren. Matthéüs 24 : 30, 31 vermeldt de verschijning van de Heer op de Olijfberg bij een verwoest Jeruzalem. Matthéüs 25 : 31 duidt op de komst van de Heer in Jeruzalem (dan herbouwd) om te zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. Daartussen zit de periode van 33 jaar.

Openbaring 13 : 8-10 Allen die op de aarde wonen zullen het beest aanbidden. Dit heeft betrekking op degenen wiens namen niet geschreven zijn in het boek des levens van het Lam. Het Lam is geslacht vanaf de nederwerping van (de) wereld. De uitdrukking “indien iemand oren heeft, die hore” is altijd een verwijzing naar andere Schriftgedeelten; zo van: “Let er op, want het staat elders ook beschreven”. De term komt in Openbaring 2 en 3 voor en werd door de Here Jezus ook bij het spreken van de gelijkenissen gebruikt. Deze term heeft met de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te maken. Vers 10 is een beschrijving van de periode van verdrukking die na die zeven jaren zal plaatshebben. Het beest uit de zee is dus dezelfde als de kleine hoorn uit Daniël 7 en 8. Er wordt echter nog een ander beest genoemd; dat beest kwam op uit de aarde.

Openbaring 13 : 11 Het beest uit de aarde (of: uit het land) is geen vorst  uit de volkerenwereld. Hij zal in Israël aan de macht komen. Hij komt in de schema’s van het boek Daniël niet voor, omdat die over de volkeren handelen. Tegenover “zee” staat “land”. Zeeën zijn volkeren. Land is dan gelijk aan Israël. Het beest uit het land heeft twee hoornen, gelijk aan een lam. Hij lijkt op het Lam, namelijk Jezus Christus, maar hij spreekt als de draak. Uiterlijk lijkt hij op de Heer, maar uit zijn spreken blijkt dat hij het woord van de satan spreekt. Hij spreekt leugens, want de satan is de leugenaar van de beginne (Johannes 8 : 44).

Openbaring 13 : 12 Het beest uit het land oefent al de macht (volmacht, gezag) van het eerste beest (het beest uit de zee) uit, in diens tegenwoordigheid (letterlijk: ten overstaan van hem of voor hem). Hij heeft een ondergeschikte macht, want hij staat onder de invloed van het eerste beest. Er is sprake van een samenwerking tussen de machthebber over Israël en die over de volkerenwereld. Zij zullen een verbond sluiten. In Daniël 9 : 27 vinden we daarvan een aanwijzing: “En Hij zal de velen het verbond versterken één week …” Het beest uit het land zorgt ervoor dat degenen die in het land (Israël) wonen het eerste beest aanbidden. Israëlieten zullen de vorst van Babel vereren en daarmee tevens de godsdienst ervan. Het zou mogelijk kunnen betekenen dat Israëlieten de Islamitische godsdienst erkennen.

Openbaring 13 : 13, 14 Met “het” wordt het beest uit het land bedoeld. Het doet grote tekenen. Het doet vuur uit de hemel afkomen in het land ten overstaan van de mensen (in het land). Deze figuur verleidt degenen die in het land wonen door de tekenen die hij zal doen ten overstaan van het (eerste) beest. Hij beweegt degenen die in het land wonen ertoe  voor het eerste beest een beeld te maken. Dat beest heeft met Babel te maken, want ook in Daniël 3 komt een beeld voor dat aanbeden moest worden. In Daniël 2 is ook sprake van een beeld. Dit beeld wordt in Jeruzalem opgericht en is gewijd aan de koning of god van Babel. Jeruzalem zal zich behalve in politieke ook in godsdienstige zin aan Babel onderwerpen.

Openbaring 13 : 15 Het beest uit het land krijgt de macht om aan het beeld dat aan het beest uit de zee gewijd is een geest te geven. Daardoor kan het beeld spreken. Deze sprekende geest komt uiteraard bij de satan vandaan. Degenen die het beeld niet zullen vereren zullen gedood worden. Dit werd in Daniël 3 uitgebeeld in de geschiedenis van de drie vrienden van Daniël die in de vurige oven geworpen werden. Zij werden echter behouden uit de verdrukking gehaald.

Openbaring 13 : 16, 17 Het beest uit het land zorgt er eveneens voor dat aan alle mensen een merkteken gegeven wordt; aan hun rechterhand of aan hun voorhoofd. Het Griekse woord voor “merkteken” is “charagma”. In het boek Openbaring is het telkens van toepassing op het merkteken dat bij het beest hoort. Het komt voor in Openbaring 13 : 16, 17; 14 : 9, 11; 16 : 2; 19 : 20 en 20 : 4. Daarnaast komt het nog éénmaal in Handelingen 17 : 29 voor, waar het om gesneden kunst (beeldwerk) gaat dat aan het vereren van God gewijd is. Het merkteken zal op de rechterhand of op het voorhoofd aangebracht worden. “Voorhoofd” is in het Grieks “metopon”. Het woord heeft met de ogen te maken, want het Griekse woord voor oog is erin opgesloten. In verruimde zin betekent het woord “gezicht”. De rechterhand wordt in Matthéüs 5 : 29, 30 genoemd, met daarnaast het rechteroog. Mogelijkerwijze komt het merkteken aan de rechterhand of aan/bij/op/boven het rechteroog (ooglid). Velen hebben gedacht dat dit teken via de computer herkenbaar zou zijn. Dat zou wel mogelijk kunnen zijn. Het gaat echter om het dienen van de verkeerde god. Wie de wáre God wil dienen zal dat teken niet willen ontvangen en daardoor tevens buiten het leven van de maatschappij gesteld worden.

Ook de 144.000 zullen een zegel aan hun voorhoofd hebben. Dit is het zegel van God (Openbaring 7 : 3; 9 : 4). Volgens Openbaring 14 : 1 is dit zegel gelijk aan de Naam van de Vader van het Lam. Het merkteken op het voorhoofd wordt verder nog genoemd in Openbaring 14 : 9 en 20 : 4. Het beest uit Openbaring 17 heeft op zijn voorhoofd “Babylon” staan. De dienstknechten van God zullen de Naam van God en/of van het Lam op hun voorhoofden hebben (Openbaring 22 : 3, 4). De mensen (ook in Israël) kunnen kopen en verkopen als zij dat merkteken hebben. Men kan deelnemen aan het economische systeem. Dit merkteken is gelijk aan de naam van het beest óf het getal van zijn naam (de eerste keer staat het woordje “of” niet in de grondtekst). In Israël wordt het initiatief genomen om de mensen het teken van de vorst (god) van Babel te geven. Dit wordt later ook uitgebreid over de gehele wereld (zie Openbaring 14).

Openbaring 13 : 18 Het werkwoord rekenen (= spèfizoo) komt ook voor in Lukas 14 : 28 (overrekenen = berekenen van de kosten voor het bouwen van een toren).  Getal is de vertaling van arithmos. Dit betekent ook aantal (Lukas 22 : 3; Handelingen 11 : 21). Het is het getal van een mens en zijn getal is 666; letterlijk: zeshonderd, zestig, zes. Het beest heeft een naam en een getal. Dat getal is te berekenen.  “Zes” is niet het getal van de satan, maar van de mens. De mens werd op de zesde dag geschapen. Het is eveneens het getal van de Zoon des mensen, Die in de zesde bedeling verschijnt (in Zijn menselijke hoedanigheid). Daarom is het ook van toepassing op degene, die zich in de plaats van de Messias stelt. Het getal 666 is het hoogste van het getal 6. Alle dingen bestaan uit drie. “Drie” is het getal van de vormwording. De vervulling van een getal is het kwadraat. De vervulling van de 7 is 49 (= 7 x 7) en van de 6 is dat 36 (= 6 x 6). Ook het driehoeksgetal is de vervulling van een getal. 666 is het driehoeksgetal van 36 (36 + 35 + 34 + enz.). De 6 is in het Hebreeuws de letter waw, die als betekenis “haak” heeft en met “verbinding” te maken heeft. Deze letter is gelijk aan het voegwoord “en”. Een voegwoord verbindt twee zinnen aan elkaar. De zesde bedeling brengt de verbinding tussen de dag des mensen en de dag des HEEREN (of het Messiaanse rijk) tot stand.

Openbaring 17

Ook Openbaring 17 heeft te maken met de profetieën uit Daniël 7 en 8.

Openbaring 17 : 1-18

1 ¶ En een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren;

2  Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.

3  En hij bracht mij weg in een woestijn, in den geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen der gods lastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.

4  En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in hare hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij.

5  En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde.

6  En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.

7 ¶ En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen.

8  Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.

9  Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.

10  En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven.

11  En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.

12  En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest.

13  Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.

14 ¶ Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.

15  En hij zeide tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natien, en tongen.

16  En de tien hoornen, die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden.

17  Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.

18  En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.

Openbaring 17 : 1 Eén van de zeven engelen die de zeven fiolen (Grieks: fialè = schaal met/van gramschap/toorn van God) had, kwam tot Johannes. Een fiool komt het meest overeen met een langgerekte fles (de f en de l zitten ook in dit woord). Er wordt ook een schaal uitgegoten over de stad Babylon (Openbaring 16 : 19). Aan Johannes wordt het oordeel over/van de grote hoer die op vele wateren zit getoond. De hoer is een type van Babel. Babel is niet alleen een stad en een wereldrijk, maar het is ook een principe. Het is een vereniging van godsdienst (religie) en politiek; buiten God om. De vereniging van de mensheid was er al in het Babel van Genesis 10 en 11. Met vereende inspanning werd de hemel bestormd; uitgebeeld in het bouwen van een toren. Men wilde een eigen gerechtigheid oprichten. De hoer is de afvallige, die de verkeerde mannen (afgoden) dient. Zij oefent geen gemeenschap met de enige ware God. Het oordeel over Babel wordt in dit hoofdstuk aangekondigd. De hoer zit op vele wateren. Dit wordt in Openbaring 17 : 15 verklaard: de wateren zijn volken, scharen, natiën en tongen. Wateren of zeeën zijn een beeld van volkeren. De hoer Babylon zit op de wateren. Dit betekent dat Babylon de volkeren regeert.

Openbaring 17 : 2 De koningen der aarde zullen met de hoer Babylon hoereren. Degenen die op de aarde wonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij. Babel heeft gehoereerd met de koningen der aarde. Babel hoereerde met andere goden. De “koningen der aarde” zijn niet in de eerste plaats mensen, maar engelen-vorsten die over de volkeren regeren (Daniël 10: vorst van Perzië en Griekenland). In de hemelen zijn (gevallen) engelen-vorsten en zij regeren/heersen over de volkeren der aarde en ook over de koningen van die volkeren. De volkeren hebben aardse overheden en machten over zich, maar ook een geestelijke supervisie in de hemelen. Gelovigen hebben een geestelijke strijd tegen de overheden en machten in het hemelse. Toen het volk Israël vroeger een verbond met de koning van Egypte of Assyrië sloot, werd dat als hoererij aangeduid. Israël sloot in wezen een verbond met de goden van die volkeren. De koningen der aarde staan tegenover degenen die op de aarde wonen. Zij zijn in de eerste plaats een beeld van de vorsten in de hemelen. De mensheid op de aarde is dronken geworden van de wijn. De invloed van Babel is over de hele aarde verspreid geworden. Deze wijn doet de mensheid dronken worden. “Wijn” komt overeen met “geest” en is derhalve een beeld van leringen die niet naar God leiden en ook niet van Hem afkomstig zijn.

Openbaring 17 : 3 Johannes werd in de geest weggevoerd in een woestijn. We krijgen nu met een visioen te maken. Dit betekent dat het een geestelijke (= overdrachtelijke) betekenis heeft. Hij zag een vrouw. Deze vrouw is Babel, de hoer. Die vrouw zit op een scharlakenrood beest. Het scharlakenrode beest is gelijk aan de vele wateren. Als we dit alleen letterlijk nemen is het tegenstrijdig. Wanneer we de geestelijke betekenis ervan kennen is dat niet het geval. De wateren zijn de volkeren der aarde. Het scharlakenrode beest is hetzelfde beest als in Openbaring 13. Het is het wereldrijk van de toekomst, waarin de volkeren verenigd zijn. Het scharlakenrode beest is gelijk aan de volkeren die onder de vorst van Babel zullen staan. Als iemand óp de wateren zit geeft dat de heerschappij erover aan. Ditzelfde geldt voor het zitten op een beest. De vrouw regeert over de volkeren der aarde, maar is niet gelijk aan het beest. De vrouw zit óp het beest. Het beest is het wereldrijk van de laatste dagen. De vrouw is een beeld van de stad die het koningschap heeft over de koningen der aarde. Dit blijkt uit de uitleg in Openbaring 17 : 18: “de vrouw … is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.” Dit is het grote Babylon (Openbaring 17 : 5). Babylon zal de hoofdstad der wereld worden. Het beest is scharlakenrood. “Rood” is de kleur van koningschap en heerschappij. De Here Jezus droeg een rode mantel als uitbeelding van Zijn koningschap over de joden. Een grote rode draak duidt op de heerschappij van de satan. “Rood” staat voor (het uitoefenen van) macht en potentie. Het houdt verband met hetgeen van de mens uitgaat. “Rood” is als een naar buiten toe draaiende spiraal. De kleur blauw draait als spiraal naar binnen. De hemel is binnen, de aarde is buiten. De aardbodem bestaat uit “adamah”, hetgeen van “adam” wordt afgeleid en “rood” betekent. Het scharlakenrode beest staat dus voor de hoogste aardse macht. Het beest was vol van namen van lastering. Daarnaast had het zeven hoofden en tien hoornen. Dit komt weer overeen met het eerste beest uit Openbaring 13. Het scharlakenrode beest is “een scharlakenrood luipaard”.

Openbaring 17 : 4 De vrouw was bekleed met purper en scharlaken. In verband met de beschrijving van de tabernakel komt in de Bijbel  de combinatie hemelsblauw, purper en scharlaken vaak voor. We zien dat hemelsblauw ontbreekt. Hemelsblauw is de kleur van de hemel. Scharlaken is een rode kleur en heeft met de macht van de mens te maken. De mens (Adam = rood) zou heerschappij hebben over de aarde (de aardbodem = adamah). Daartegenover staat de kleur van de hemel. “Purper” (paars) is een vermenging van rood en blauw. Het is de kleur van de Middelaar, namelijk Degene Die hemel en aarde verbindt. “Purper” is de kleur van de Middelaar van het nieuwe verbond. Hij is het, Die de mens (rood) met God (Die in de hemel woont: blauw) verzoent. Jezus Christus is de laatste Adam (rood), maar Hij is tevens uit de hemel (blauw; 1 Korinthe 15 : 45-47). Jezus Christus was God en mens. Hemel en aarde waren in Hem vertegenwoordigd. Hij richt het koninkrijk der hemelen (ook) op aarde op. Deze vrouw is met purper bekleed. Zij claimt de middelaarsfunctie tussen hemel en aarde te bezitten. Scharlaken wijst op de heerschappij op de aarde. Beide aspecten komen we ook in de torenbouw van Babel tegen. De kleur blauw ontbreekt, omdat de hemel niet werkelijk bereikt wordt. Ze is versierd met goud, kostelijke gesteente en paarlen. Dit zijn beelden van de eeuwigheid (de nieuwe schepping). Ze komen in Openbaring 21 en 22 in verband met het nieuwe Jeruzalem voor. Een gouden drinkbeker was in haar hand. Deze was vol van gruwelen en van onreinheid van haar hoererij. De drinkbeker hoort gevuld te zijn met wijn, namelijk met het leven van het nieuwe verbond. “Gruwelen” houden verband met afgoderij, met alles wat bij de mensen hoog in aanzien staat. Ieder die van die beker drinkt, krijgt deel aan de hoererij van Babel. Gelovigen drinken van de drinkbeker van het nieuwe verbond en hebben gemeenschap met Christus.

Openbaring 17 : 5 Op haar voorhoofd stond de naam “Verborgenheid: het grote Babylon, de moeder der hoererijen (letterlijk: der hoeren) en der gruwelen der aarde”. Het woord “verborgenheid” is eigenlijk teveel; het is geen (eigen)naam. Deze vrouw is een beeld van Babylon. Tevens staat er het woord “verborgenheid” bij. Dat werd reeds in 2 Thessalonicenzen 2 : 7 genoemd: “De verborgenheid van de ongerechtigheid (= wetteloosheid) wordt alrede gewrocht.” (= is reeds in werking.) Deze wetteloosheid wordt geopenbaard door “de wetteloze” (Statenvertaling: “de ongerechtige”: 2 Thessalonicenzen 2 : 8), namelijk “de zoon des verderfs” of “de mens der zonde” (2 Thessalonicenzen 2 : 3). De wetteloosheid die komen zal, is reeds in het verborgene werkzaam. Als die werking openbaar wordt blijkt het “Babylon” te heten. Babel wordt geïdentificeerd met deze wetteloosheid. Dat omvat alle menselijk streven buiten God om. Babylon is de moeder van de hoeren en gruwelen van de aarde. De vaderlijke (= gevende) kant wordt in de hemel bij de satan en zijn engelen gevonden. Babylon is de ontvangende kant.

Openbaring 17 : 6 De vrouw was dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. De heiligen en getuigen zullen worden vervolgd en gedood. In Daniël 7 en 8 werd ook over de bestrijding van de heiligen gesproken. Het beest uit de zee zal de heiligen krijg aandoen en hen overwinnen (Openbaring 13 : 8). Het gaat hier over de heiligen en (of: namelijk) de getuigen van Jezus in de volgende bedeling. Het heeft geen betrekking op de gelovigen van de Gemeente. Het gaat in eerste instantie om gelovigen uit Israël en later om gelovigen uit de heidenen. Zij getuigen dat Jezus de Messias is en dat Hij de enige Rechthebber is op de troon over de koninkrijken der aarde.

Openbaring 17 : 7 De engel zal aan Johannes de verborgenheid van de vrouw en van het beest dat haar draagt verklaren. De vrouw en het beest worden als één geheel gezien, want er staat “verborgenheid” (enkelvoud). Het gaat om de macht, onder de naam “Babylon”.

Openbaring 17 : 8 Het beest dat gij gezien hebt, was en is niet en het zal opkomen uit de afgrond en ten verderve gaan. Dit wordt tot Johannes gezegd, die in de dagen van het Romeinse rijk leefde. Het beest wàs: het kan één van de rijken die aan Babel voorafgingen zijn. Het ís niet: het kan het rijk van de Romeinen dus niet zijn, want dat bestond in de dagen van Johannes. Het zal opkomen uit de afgrond (= abussos). Aan het eind van vers 8 staat: “het beest dat was en niet is, hoewel het is”. Het laatste gedeelte is “hoewel het is”. De werkwoorden “zijn” en “worden” zijn gelijk. Het kan ook vertaald worden met: “hoewel het wordt”. In het Grieks staat: “kai parestai”. Kai betekent “en”. Parestai wordt afgeleid van het werkwoord “pareimi”, dat “tegenwoordig/aanwezig zijn” betekent. Volgens de Codex Sinaïticus staat er: “kaiper palin estin”. Kaiper betekent “hoewel” (Filippenzen 3 : 4); palin is “wederom” of “opnieuw” en estin wordt vertaald met “zijn”. In andere Griekse manuscripten staat hetzelfde, behalve het woord palin. De Statenvertaling volgt deze manuscripten: “hoewel het is”. De betere grondtekst-manuscripten hebben echter: kai parestai. Dit betekent: “en het zal aanwezig zijn”. Dit komt ook overeen met het eerste gedeelte: “en het zal opkomen”. Dit is eveneens een toekomende tijd. “Hoewel het wordt” of “en het zal aanwezig zijn” duidt dus op het beest. Het kan derhalve geen betrekking hebben op een herstel van het Romeinse rijk. Het rijk van het beest is het laatste rijk dat komen zal, want het beest gaat ten verderve. De afgrond komt overeen met de wateren of de zeeën. Het beest uit de afgrond is dus het beest uit de zee. Degenen die op de aarde wonen zullen verwonderd zijn (vergelijk Openbaring 13 : 3). Dat heeft betrekking op degenen van wie de namen niet geschreven zijn in (letterlijk: op) het boek des levens vanaf de grondlegging (letterlijk: neerwerping) der wereld.

Openbaring 17 : 9, 10 De zeven hoofden zijn zeven bergen. De vrouw zit op deze zeven bergen. Het verhaal gaat dat Babel op zeven bergen gebouwd is, maar dat wordt ook van Jeruzalem en van Rome gezegd. Een berg is een beeld van een koninkrijk (Daniël 2). Zeven bergen zijn zeven koninkrijken.  Openbaring 17 : 10 voegt eraan toe dat de zeven hoofden eveneens zeven koningen zijn. Het gaat dus om zeven koninkrijken onder leiding van zeven koningen. De zeven hoofden zijn zowel zeven bergen als zeven koningen. De vijf zijn gevallen: Dit zijn de rijken van Assyrië tot en met Griekenland. De één is: Romeinen (in de tijd van Johannes). De éne is dus de zesde uit de reeks. De ander is nog niet gekomen en wanneer hij komt (zal gekomen zijn), moet hij een weinig blijven: Dit heeft betrekking op de tien-statenbond.

Openbaring 17 : 11 Het beest dat was en niet is, is ook (de) achtste en is uit de zeven en hij gaat ten verderve. Het beest zelf is niet één van die koppen, maar het komt erna. Het beest was: Dit is het Griekse rijk. En niet is: Het kan dus niet het Romeinse rijk zijn. Die is ook een 8e en is uit de zeven: Dit is het beest uit de zee, de kleine hoorn, die uit de zeven rijken voortgekomen is. Eén van de eerste vijf rijken zal zich zodanig herstellen dat het de achtste wordt. Uit Daniël 8 bleek dat dit het rijk van de Grieken, het vijfde rijk, is. De vijfde wordt ook een achtste. In het Hebreeuws lijken de vijfde letter, de hee (h) en de achtste, de cheeth (x) veel op elkaar. Zelfs onze cijfers 5 en 8 lijken erg op elkaar. Hier gaat het om een negatieve toepassing van deze getallen. De geitebok, het luipaard, zal zich herstellen en het beest zal daarover heersen. In Openbaring 17 gaat het niet om zeven (of acht) rijken. Het gaat slechts om één rijk. Het gaat om de achtste, die uit de zeven voortgekomen is. Het beest heeft kenmerken van de voorgaande zeven rijken, maar is zelf de achtste. Het beest is niet de tien-statenbond. Hij komt daar wel uit voort, maar hij is de achtste. Tegelijkertijd kan gezegd worden dat er een herstel is van één van de vijf die gevallen waren. Vanuit Daniël 8 blijkt dit het Griekse rijk te zijn dat gelegen zal zijn in het gebied van de Arabische landen. Dat rijk bindt de strijd aan met een bekeerd Israël onder leiding  van haar Messias.

Openbaring 17 : 12 De tien hoornen zijn tien koningen. Zij hebben nog geen koninkrijk ontvangen. In de dagen van Johannes hadden zij hun macht nog niet verkregen. Deze tien-statenbond moest dus ná het Romeinse rijk opkomen. Deze tien-statenbond verschijnt in de toekomst. De tien koningen zullen hun macht ontvangen op één ure met het beest. Aan het einde van de tijden der heidenen zal die tien-statenbond bestaan, terwijl deze geregeerd wordt door het beest. Het achtste en zevende rijk bestaan gelijktijdig, maar de volgorde in opkomst is verschillend. De tien-statenbond bestaat reeds. Daarna komt het beest en trekt de macht naar zich toe. De tien koningen zijn tegelijk met het beest aan de macht. “Macht ontvangen” kan betekenen: beginnen met regeren. In de Griekse grondtekst staat niet “op één ure”, maar “één uur”. De tijd van hun macht is dus één uur. Er wordt niet gezegd dat ze die macht gelijktijdig met het beest zullen krijgen. Er staat dat ze (maar) gedurende één uur macht met het beest zullen ontvangen. Eén uur kan de omschrijving van een periode zijn. De tien-statenbond zal vermoedelijk 40 jaar bestaan. Haar ondergeschiktheid aan het beest is er gedurende de laatste 33 jaar. Na zeven jaar trekt het beest uit de zee de macht naar zich toe. De term “één uur” komt verder nog voor in Matthéüs 20 : 12 (één uur gearbeid) en Openbaring 18 : 10, 16, 19 (het oordeel over en de verwoesting van Babylon zijn in één uur gekomen).

Openbaring 17 : 13 Dezen (de tien koningen) hebben enerlei mening. De tien hebben zich verenigd in een verbond (= één mening). Deze tien koningen zullen zich onderwerpen aan het beest. In Daniël 7 zien we hetzelfde beeld. Van de tien koningen worden er drie vernederd, maar het blijven er tien. De kleine hoorn is gelijk aan het beest.

Openbaring 17 : 14 Dezen (de tien koningen) zullen tegen het Lam oorlog voeren en het Lam zal hen overwinnen. Het Lam is gelijk aan de Leeuw uit de stam van Juda (Openbaring 5 : 5, 6). Dit is het Lam, staande als geslacht. Het heeft betrekking op de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. Het Lam zal deze koningen overwinnen (aan het eind van de 33 jaren). Het Lam is Here der heren en Koning der koningen. Degenen die met het Lam zijn, zullen de koningen overwinnen. Zij worden aangeduid als de geroepenen, uitverkorenen en gelovigen. Deze drie vormen samen één groep. Het zijn drie synoniemen voor één categorie. Dat wijst in de eerste plaats op de gemeente (en vervolgens op de gelovigen uit Israël en uit de volkeren).

Openbaring 17 : 15, 16 Nu volgt een commentaar op het gezicht. De wateren zijn gelijk aan de volken, scharen, natiën en tongen. De hoer zit op die wateren, namelijk op dat beest. De hoer zit op de volkeren. Zij bestuurt hen. De tien hoornen op het beest zullen de hoer haten. De tien hoornen maken deel uit van het zevende rijk. Het beest zelf is de achtste. Het zevende rijk is onderworpen aan het achtste. De eenheid zal verbroken worden. De tien koningen die zich aan het beest onderworpen hadden, zullen tegen hem in opstand komen. De tien-statenbond komt in opstand tegen de hoer, namelijk Babylon, de hoofdstad. De tien koningen zullen Babylon haten, haar woest en naakt maken. Naakt maken is ontkleden en dit komt overeen met: van macht en praal beroven. Zij zullen haar vlees (letterlijk: haar vlezen) eten en haar met vuur verbranden.

Openbaring 17 : 17 De reden van de opstand van de tien koningen wordt in vers 17 vermeld. In vers 13 staat dat de tien koningen enerlei mening hebben en zich aan het beest onderwerpen. Ze komen echter in opstand, omdat God ervoor zorgt dat zij Zíjn mening doen. Hij legt dat in hun harten om te doen. De tien staten komen in opstand tegen Babel, waardoor de stad verwoest wordt. God laat toe dat de tien koningen één mening toegedaan zijn en hun koninkrijk aan het beest ondergeschikt maken, totdat Zijn woorden voleindigd zijn; tot het moment van de regering van Christus. De tien-statenbond wordt door God gebruikt om Babel te vernietigen. De val van Babel geschiedt zo’n (kleine) veertig jaren na de opname van de Gemeente. Het beest is de koning van het achtste koninkrijk. Aan het eind van de zesde bedeling wordt hij levend gevangen genomen en in de poel des vuurs geworpen (Openbaring 19 : 20). God gebruikt de heidense volkeren om Zijn wil ten uitvoer te brengen.

Openbaring 17 : 18 De vrouw is de grote stad die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde. Er staat “de grote stad”. Dit betekent dat het om de stad Babel gaat; niet zozeer om het principe dat Babel vertegenwoordigt. De grote stad is het grote Babylon. Het gaat hier om de stad, als hoofdstad der wereld. In hoofdstuk 18 en 19 wordt de val van Babylon beschreven. Dat kan alleen als die stad weer herbouwd is. Openbaring 18: 2 zegt: “Zij is gevallen, het grote Babylon en is geworden een woonstede der duivelen (= demonen) en een bewaarplaats van alle onreine geesten en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte.” De profetieën omtrent de ondergang van Babel zijn nog niet vervuld. De stad is wel veroverd en stelselmatig afgebroken. Babel is echter niet rechtstreeks verwoest, zoals in de profetieën vermeld wordt. De profetieën omtrent de verwoesting van Babel zijn nog toekomst. Het is dan ook van belang om die profetieën te bestuderen, omdat daarin ook vermeld wordt, wie Babel zullen verwoesten. De Perzen zullen Babel verwoesten en dat is nog niet vervuld, want de Perzen hebben de stad alleen maar veroverd. In de toekomst zal Iran één van die tien staten zijn.

Onderaan de pagina van deze studie is een vergelijking gemaakt die betrekking heeft op de wereldrijken die in het boek Daniël naar voren komen. Achtereenvolgens worden Daniël 2, Daniël 4 en 5, Daniël 7, Daniël 8, Openbaring 13 en Openbaring 17 onderling vergeleken.

Daniël 9

Daniël 9 : 1-27

1 ¶ In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeen;

2  In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniel, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.

3  En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.

4 ¶ Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.

5  Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.

6  En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.

7  Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, om hun overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben.

8  O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.

9  Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.

10  En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.

11  Maar geheel Israel heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.

12  En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.

13  Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende op Uw waarheid.

14  Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.

15  En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.

16  O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.

17  En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des Heeren wil.

18  Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.

19  O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.

20 ¶ Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israel, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;

21  Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriel, dien ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.

22  En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniel! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.

23  In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.

24  Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.

25  Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.

26  En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.

27  En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.

Dit hoofdstuk bestaat voor het grootste gedeelte uit een gebed van Daniël (9 : 4-19). Daniël 9 : 1 leverde in het verleden problemen op, omdat de kennis van de algemene geschiedenis tekortschoot. Daardoor kon men dit vers niet plaatsen. Darius komt uit de Meden voort. Dat is in overeenstemming met Daniël 6 : 1. De geschiedkundigen hebben altijd gezegd, dat Darius er nooit geweest is. Hij heeft volgens hen nooit koningschap ontvangen, noch Babel veroverd. Zij zeggen, dat Kores Babel veroverd heeft. Sommigen zeggen zelfs, dat Kores de Pers ook Darius de Meder genoemd wordt. Achteraf is gebleken, dat de legeraanvoerder Gobryas (of ook wel: Gobaroe) van het leger van Kores de stad Babel veroverd heeft. Hij nam de stad in het jaar 538 in, terwijl in 536 voor onze jaartelling Kores het koningschap in Babel overnam. Darius is geen naam, maar een titel, die een soort machthebber aanduidt. Gobryas is dezelfde als Darius, de Meder. De ongewijde geschiedenis kent een zekere Darius de Grote, maar die is niet dezelfde persoon als Darius de Meder.

Darius werd koning gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën. Er staat niet: over het rijk van de Meden en Perzen. Darius is de eerste machthebber van de Meden en Perzen, die over het rijk van de Babyloniërs ging regeren. Dat gebeurde nadat hij de stad Babel veroverde. Darius was de zoon van Ahasvéros. Men zegt dat er toen in het geheel geen Ahasvéros leefde. Achteraf heeft men vastgesteld dat elke koning van de Perzen met “achasveros” aangeduid werd, omdat het woord ook de aanduiding van een machthebber of koning is. Achasveros is overigens een andere uitspraak van de naam Xerxes. Xerxes (Artaxerxes) is eveneens een Perzische titel, net zoals in Egypte elke koning “farao” heette. Het eerste jaar van Darius is het jaar 538 voor onze jaartelling. Toen ontving hij het koninkrijk. Dit is het eerste jaar van het Medo-Perzische rijk, terwijl het boek Daniël begint met het eerste jaar van het Babylonische rijk (606 v. Chr.). Deze omwenteling van machthebbers heeft Daniël kennelijk aan het denken gezet. De Babylonische ballingschap was in een MedoPerzische ballingschap veranderd.

Daniël heeft toen in de profetieën van Jeremía gestudeerd. Hij merkte, dat het vervullen van de verwoestingen van Jeruzalem zeventig jaren was; lees hiertoe Jeremía 25 : 11, 12 en 29 : 10 en vergelijk 2 Kronieken 36 : 21. Sinds de verovering van Jeruzalem door Nebukadnézar tot op het eerste jaar van Darius waren 68 jaren verlopen (606 – 538 v. Chr.). Er waren bijna zeventig jaren voorbij sinds het moment dat Israël aan Babel dienstbaar gemaakt werd. In 606 werd Jeruzalem aan Babel onderworpen. Dat duurde tot het tweede jaar van Darius de Meder oftewel het eerste jaar van Kores de Pers (536 v. Chr.). Deze periode van zeventig jaar was de tijd van de dienstbaarheid van Israël aan Babel (als stad). In het jaar 536 kreeg men toestemming om terug te keren naar Jeruzalem, onder leiding van Zerubbabel (Ezra). Er is echter geen zelfstandige staat ontstaan. Een minderheid van de joden keerde naar het land terug. Er is echter nog een ándere periode, die 598 begon. Toen werd Jeruzalem voor de tweede keer ingenomen en het grootste deel van de bevolking van Juda weggevoerd naar Babel. De ballingschap begon pas in het jaar 598. In 606 werden enkele vooraanstaande joden meegevoerd, waaronder Daniël en zijn drie vrienden. De ballingschap duurde eveneens tot het jaar 536, omdat toen de mogelijkheid kwam om terug te keren naar het land van hun oorsprong. De ballingschap duurde van 598 tot 536 voor onze jaartelling. Dat is een periode van 62 jaar. Er is een periode van 70 jaar van dienstbaarheid, maar ook een periode van 62 jaar van ballingschap.

Er was nog een minderheid in Jeruzalem, toen Jeremía predikte. Hij kondigde aan dat Jeruzalem verwoest zou worden als men zich niet aan de koning van Babel zou onderwerpen. Dit is in het jaar 587 gebeurd. In het jaar 589 werd het beleg reeds om Jeruzalem gelegd. Vanaf 589 wordt de periode van verwoesting van Jeruzalem gerekend. Die periode duurde tot het jaar 520. In het jaar 520 kreeg men de toestemming om de tempel te herbouwen. Men had al eerder (in 536) toestemming gekregen om de tempel te herbouwen, maar er ontstonden nogal wat problemen met andere inwoners in het land. De herbouw werd stopgezet, alleen het fundament was gelegd. Hierover is te lezen in het boek Ezra. De herbouw van de tempel paste in het jaar 536 nog niet in het plan van God. Dit zou moeten wachten tot de zeventig jaren van verwoesting voorbij gegaan waren.

Samengevat:

  • 70 jaren van dienstbaarheid (606 – 536)
  • 62 jaren van ballingschap (598 – 536)
  • 70 jaren van verwoesting van Jeruzalem (589 – 520)

Daniël had de periode van zeventig jaren gelezen in Jeremía 25 : 11, 12:

11  En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.
12  Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeen, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.

Hier wordt gesproken over verwoestingen, maar ook over dienstbaarheid (“dienen”; vers 11). Jeruzalem zou verwoest worden (v.a. 589). Hier worden verschillende perioden van zeventig jaren bedoeld. Zeventig jaren dienstbaar aan Babel én zeventig jaren van verwoesting van Jeruzalem. In Jeremía 29 : 8-10 worden zeventig jaren genoemd in verband met een terugkeer naar Jeruzalem.

8 ¶ Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.
9  Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.
10  Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.

Daniël zocht het aangezicht van God (Daniël 9 : 3). Hij wendde zich tot de Heer met gebed en smekingen (om iets te vragen), maar ook met vasten, zak en as. Daniël was in de rouw. Vanuit die positie bad hij tot de HEERE, zijn God en deed belijdenis van de zonden van het volk. Deze God houdt het verbond en de weldadigheid aan degenen die Hem liefhebben (vergelijk Deuteronomium 7 : 9, 12). Daniël had het verbond van God met Israël in gedachten. “Hij zal geven al hetgeen nodig is, aan degenen, die Hem liefhebben”. Voorwaarde was, dat men zich aan de HEERE zou onderwerpen door Zijn geboden, inzettingen en rechten te houden. Een beschrijving hiervan is te lezen in Deuteronomium 7, 8 en 28. Daniël verklaarde, dat God rechtvaardig is. Hij heeft Zich aan het verbond gehouden, maar Israël heeft zich van Hem afgewend. God is rechtvaardig. De Heer liefhebben doet men door Zijn geboden te houden. “Geboden houden” wil zeggen: “vasthouden aan hetgeen God gesproken heeft”, namelijk: “Zijn Woord geloven”. Het gaat niet speciaal om de tien geboden of om de Mozaïsche wet, maar om het hele Woord van God. Israël had gedurende 490 jaren geen sabbatsjaren gehouden. Deze zeventig sabbatsjaren werden ingehaald.

21  Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren. 2 Kronieken 36 : 21

Israël was ontrouw aan het verbond van God (9 : 5). Daniël deed belijdenis voor het volk, terwijl hij als persoon zelf niet verantwoordelijk was, want hij had God lief. Daniël nam als het ware de zonden van het volk op zich, zoals Mozes dat ook wel bij gelegenheid heeft gedaan. Beide personen waren representant van hun volk. Later deed de Here Jezus dat ook. Daarmee wordt de functie van middelaar aangegeven. Toen de gestelde tijd van zeventig jaren voorbij was, was dit alleen tot zegen voor de Israëlieten die de Heer liefhadden. Een ongelovige Israëliet deelt niet in Gods zegeningen. Dat principe geldt overigens voor alle tijden. Israël zal zich in de toekomst moeten bekeren en haar nationale zonden moeten belijden aan de HEERE. De nog in de toekomst gelegen komst van de Heer op de Olijfberg zal volgen op het aanroepen van de Naam des HEEREN door het overblijfsel. Dit gebed van Daniël staat model voor de belijdenis van het overblijfsel van Israël aan het eind van de 70-ste week. Als volk heeft Israël gerebelleerd tegen de HEERE, haar God. Hij zal het volk niet zegenen, tenzij zij zich bekeert. De meeste joden erkennen wel dat het volk van de joden nu bestemd is om te lijden in de wereld. Ze vragen zich blijkbaar niet af waaróm dit geschiedt. Het volk heeft de wetten van de Heer niet gehouden. Deze wetten werden gegeven door de hand van Zijn knechten, de profeten (9 : 11). Hieruit blijkt al dat het woord “wet” duidt op al hetgeen God gesproken heeft. Het gaat om goddelijke wetmatigheden, om onderwijzingen van Godswege.

Geheel Israël (als volk) heeft de wet van God overtreden. Er staat niet: “elke Israëliet”, maar “geheel Israël”. Het gaat om Israël als volk (9 : 11). Vanwege haar ongehoorzaamheid is de vloek over haar uitgestort waarover in de wet van Mozes geschreven is. Deze vloek wordt o.a. in Deuteronomium 27 en 28 beschreven. Achteraf blijkt dat deze hoofdstukken een beschrijving zijn van de geschiedenis van het volk Israël. God is trouw aan Zijn woord. In dat verband spreekt Romeinen 3 over “het geloof van God”. De trouw aan Zijn Woord blijkt hier uit het feit, dat deze vloek over het volk gekomen is. God had liever de zegen gegeven, maar omdat het volk ongelovig was en bleef, werd de vloek uitgestort. Daniël herinnerde de Heer aan de uitleiding uit de slavernij uit Egypte. Hij vroeg Hem om de joden uit de ballingschap van Babel te verlossen. Hij deed een beroep op de barmhartigheden van God (9 : 19). Hij vroeg om verlossing om des HEEREN wil (9 : 17). Hij vroeg om vergeving (9 : 19) en dat de Heer niet zou vertragen (“vertrek” = “vertraag”). Daniël suggereerde dat de Heer als het ware de verlossing zou uitstellen. Na dit gebed van Daniël kwam de man Gabriël (9 : 21) om hem de profetie over de zeventig weken bekend te maken.

Daniël 9 : 24 Er zijn zeventig weken (letterlijk: zeventig zevens; periode van 70 x 7 jaren = 490 jaren; zie Leviticus 25 : 8 en Genesis 29 : 27) bestemd over het volk van Daniël en over Jeruzalem (“uw heilige stad”). Het doel is: De overtreding sluiten en de zonden verzegelen; de ongerechtigheid verzoenen en een eeuwige gerechtigheid aanbrengen;  gezicht en profeet verzegelen; de heiligheid der heiligheden zalven. “Verzegelen” komt overeen met “sluiten”. De overtreding en zonden zullen na 490 jaren verzoend zijn. “Gezicht en profeet” is een hendiadys. Het gaat om het gezicht van de profeet of om het profetische gezicht. Dat zou verzegeld worden. De inhoud zou voor de joden verborgen zijn. Pas wanneer men tot geloof komt, kan men de Schrift leren begrijpen. In Daniël 12 : 4 staat dat de woorden van het boek Daniël tot de tijd van het einde verzegeld zouden worden. Toch wil dit niet zeggen dat we de inhoud van het boek niet zouden kunnen weten. De Here Jezus haalt Zelf in Matthéüs 24 : 15 het boek Daniël aan en waarschuwt de joden acht te geven op hetgeen daar geschreven is. Van de Here Jezus wordt in Galaten 4 gezegd dat Hij in de volheid des tijds geboren is. Dat is de tijd van het einde. Sinds de eerste komst van de Heer leven we nog steeds in de tijd van het einde, namelijk in de laatste dagen van de tegenwoordige boze eeuw. Een gelovige is door wedergeboorte reeds uit die boze eeuw getrokken, maar lichamelijk leeft hij nog in die eeuw. De geboorte van de Here Jezus luidde de eindtijd in. In de dagen van Johannes de Doper waren de laatste dagen reeds gaande. Hij predikte, evenals de Here Jezus Zelf, dat het koninkrijk (= de toekomende eeuw) nabij gekomen was. De wet was tot op Johannes en sindsdien werd het koninkrijk gepredikt. Toen was de tijd van het einde reeds gaande. De heiligheid der heiligheden heeft te maken met de Allerheiligste, Die tot het volk van Daniël behoort. Het gaat hier immers om het herstel van het koningshuis van David te Jeruzalem en over het joodse volk. In dat geval is de heiligheid der heiligheden de kroonpretendent uit het huis van David, namelijk de Messias Zelf. Het gaat erom dat een eeuwige gerechtigheid aangebracht zal worden. Dat gaat gebeuren bij de komst van de Messias. “Zalven” is het werkwoord “mashach”, waarvan het woord “mashiach” (Messias) afgeleid is.

Daniël 9 : 25 De periode van zeventig weken begon te lopen vanaf de uitgang des woords om te doen wederkeren en om Jeruzalem te bouwen. Er staat niet “vanaf het moment, dat men wederkeerde of dat men begon met Jeruzalem te bouwen”, noch “vanaf het moment, dat men de tempel begon te bouwen/verfraaien”. In 536 kregen de joden toestemming om terug te keren en de tempel te herbouwen. Dit was in het eerste jaar van Kores. In het jaar 520 werd de fundering van de tempel gelegd (Ezra 4: 24 en Haggaï: op de 24e van de negende maand). Dit was het tweede jaar van Darius, de koning van Perzië (een andere Darius dan de Darius uit Daniël 6). Beide situaties beantwoorden niet aan de beschrijving van Daniël 9 : 25, want er wordt niet over de tempel gesproken. Ook het jaar 458 voor onze jaartelling (Ezra 7), toen men toestemming kreeg om de inmiddels gebouwde tempel te verfraaien, heeft niets met Daniël 9 : 25 te maken. De enige juiste datum is die van het jaar 445 voor onze jaartelling. Dit is het twintigste jaar van Artaxerxes (of: Arthasastha/Ahasvéros), in de maand nisan (de eerste maand van het joodse godsdienstige jaar). Dit staat in Nehemía 2 : 1. Nisan valt bij ons in de maand maart/april. Er wordt geen datum in de maand genoemd. In dat geval wordt de eerste van de maand bedoeld. De eerste nisan is nieuwjaarsdag (“roosh hashanah”). Nehemía was treurig, want de datum bepaalde hem bij de verwoesting van Jeruzalem. Hij kreeg toestemming om naar Jeruzalem terug te keren en om de stad Jeruzalem te bouwen. In de praktijk blijkt, dat de muur gebouwd werd. “Van de uitgang des woords” heeft betrekking op de toestemming, die Nehemía op eerste van de maand nisan in het twintigste jaar van Arthasastha ontving; niet vanaf het moment, dat Nehemía vertrok, noch vanaf het moment, dat hij te Jeruzalem aankwam of begon te bouwen; ook niet vanaf de voltooiing van de bouw. Toen het woord uitging, namelijk toen Nehemía toestemming kreeg, begonnen de zeventig weken. Dit was op 1 nisan. Op de Juliaanse kalender komt deze datum overeen met 14 maart van het jaar – 445.

Tot op Messias – de Vorst – zouden 7 en 62 weken (= 69 weken) verlopen. De 69 weken worden onderverdeeld in 7 en 62 weken. In die eerste 7 weken (= 49 jaren) werd Jeruzalem als stad herbouwd. Daarna verliepen nog 62 weken (= 434 jaar) tot op Messias, de Vorst. In totaal waren het 483 jaar. “Messias” is hetzelfde als “gezalfde”. De vorst is niet de koning, maar de kroonprins. Vorst komt overeen met “voorste”. Hij was de kroonpretendent. Het zalven houdt verband met het koningschap van de Allerheiligste (de Messias). Daartoe zouden zeventig weken verlopen. Er verliepen echter 69 weken tot op Messias, de Vorst. Bij welke gebeurtenis in het leven van de Here Jezus kon Hij Messias – de Vorst – genoemd worden? Dat was de dag waarop de Heer naar Jeruzalem reed op een ezel;  de tiende nisan. Dit was de dag waarop Israël verondersteld werd het paaslam in huis te nemen (Exodus 12). Op die datum was de Heer onderweg naar Jeruzalem om het pascha te vieren. De Heer reed op de ezel vanaf de Olijfberg (een beeld van het verborgen koninkrijk) naar Jeruzalem. Deze gebeurtenis wordt gewoonlijk “de intocht in Jeruzalem” genoemd. Een ezel is een beeld van vernedering; een paard is een beeld van verhoging en koningschap. De Heer weende over de stad Jeruzalem, omdat de inwoners “deze uw dag” niet onderkend hadden (Lukas 19 : 4144). Op het moment van de tocht naar Jeruzalem waren 69 weken (= 483 jaar) voorbijgegaan.

De uitgang des woord was op 1 nisan 445 (gelijk aan -444) vóór onze jaartelling. Dit komt overeen met 14 maart. Het jaar “nul” bestaat niet. Deze berekening heb ik van Sir Robert Anderson, die zo’n honderd jaar geleden leefde (zie zijn boek “The coming Prince”). Tot op Messias, de Vorst, zijn 7 en 62 weken. Dat is samen 69 weken. De 70-ste week is nog niet geteld. De eerste 7 weken (49 jaar) waren nodig om Jeruzalem te herbouwen. In die periode van 49 jaar traden de profeten Zacharía, Haggaï en Maleáchi op. Met die periode was tevens ons Oude Testament voltooid. De volgende 62 jaarweken vielen grotendeels in de periode tussen het O.T. en het N.T. Men noemt deze tijd wel de “inter-testamentaire periode”. Deze term is eigenlijk fout, omdat de Bijbel onder het oude testament (= verbond) de periode tot aan het aanbreken van het nieuwe verbond verstaat. Het nieuwe verbond brak bij de opstanding van de Here Jezus aan. Dit betekent dat ook de wandel van de Here Jezus in het land nog onder het oude testament (verbond) gerekend moet worden. Er bestaan geen door God geïnspireerde boeken over deze periode tussen het O.T. en het N.T. Er zijn wel apocriefe boeken die over die tijd handelen (o.a. de boeken van de Makkabeeën). In Maleáchi treffen we de aankondiging van de geboorte van de Heer aan en ook de komst van Johannes de Doper. Met die gebeurtenissen begint het evangelie van Matthéüs. In benauwdheid der tijden werden de straten en de grachten van de stad Jeruzalem herbouwd. Dat wordt al duidelijk door alleen maar het boek Nehemía door te lezen. Over de 62 weken wordt in de Bijbel niet verteld, wat er gebeurde. De Bijbel blijft daarover zwijgen. In Daniël 8 wordt wel over de verwoestende afval gesproken, gedurende 2300 avonden en morgens. Deze tijd heeft betrekking op het jaar 168 vóór onze jaartelling, toen Antiochus Epiphanes de tempel liet ontwijden. Het is echter niet de vervulling van de profetie van Daniël 8, omdat die geschiedenis niet in de Bijbel beschreven is. De 62 weken worden gerekend vanaf de voltooide herbouw van Jeruzalem tot op Messias, de Vorst.

Messias is in het Grieks “christos”. Dit woord betekent “gezalfde”. In Daniël 9 : 24 werd reeds gesproken over het zalven van “de heiligheid der heiligheden”. Die uitdrukking heeft ook betrekking op de Messias. Het zalven van de Messias zou na zeventig weken geschieden. Nu staat er “Messias, de Vorst” en dat heeft betrekking op het eind van 62 (69) weken. Vanaf Messias de Vorst tot aan het zalven van de Allerheiligste is nog altijd één week (7 jaar: de 70-ste week). Op welke gebeurtenis heeft “Messias, de Vorst” betrekking? Daar zijn vele situaties voor aan te geven: de geboorte; de inwijding in de tempel; toen Hij twaalf jaar was (bar mitzwah), zijn bediening op dertigjarige leeftijd; de doop; de intocht in Jeruzalem; de kruisiging; de opstanding; de hemelvaart; de uitstorting van de Heilige Geest; de wederkomst. Toch is het niet zo moeilijk om de juiste gebeurtenis vast te stellen. Er staat bij Messias de toevoeging “de Vorst”. Dit betekent de voorste, wat betreft de erfopvolging. Het is synoniem met ons woord “kroonpretendent”. Het Engelse woord is “prince”, dat naar het Nederlands weer met “prins” vertaald wordt. Het gaat om de kroonprins, de eerste om als koning gekroond te worden. Er staat niet: “Messias, de Koning”. Het gaat over de Messias, terwijl Hij nog niet de Koning is. De Messias zou de Koning worden na Zijn vernedering en verhoging, door Zijn opstanding. De Christus zou eerst lijden, alvorens Hij Zijn heerlijkheid zou ingaan (Lukas 24 : 26). Door Zijn opstanding werd Jezus de beloofde Messias. De Messias zou uit het geslacht van David moeten voortkomen, maar tevens een eeuwig koninkrijk ontvangen (2 Samuël 7). Dat kan geen betrekking hebben op de Here Jezus. Pas sinds Zijn opstanding heeft de Heer onvergankelijk leven aan het licht gebracht. Door wedergeboorte (dood en opstanding) werd de Heer Degene Die op de troon zit. Hij is de Koning (zie o.a. Hebreeën 1). De term “Messias, de Vorst” heeft derhalve betrekking op een gebeurtenis die aan de opstanding van de Heer voorafging. De nadruk ligt wel op het feit dat de Heer de Kroonpretendent, maar nog niet de Koning is. De enige gebeurtenis waarbij de Heer als Koning erkend werd als de Zone Davids, was bij de zogenaamde “intocht in Jeruzalem” (o.a. Lukas 19 : 28-44). De Heer ging vanuit Bethanië en vanaf de Olijfberg op een ezel naar Jeruzalem. Dit gebeurde op de zondag die aan de vrijdag waarop de Heer gekruisigd werd, voorafging. Het was de tiende nisan. De ezel is een paard in vernedering. Het is een beeld van de komst van de Koning, echter in vernedering (Zacharía 9 : 9). De menigte der discipelen (Lukas 19 : 37) riep met grote stem: “Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam des HEEREN”. Alleen de discipelen (méér dan de twaalf) erkenden de Heer als de Koning. De farizeeën erkenden dat niet. Zij vonden het lastering dat messiaanse profetieën op Jezus van Nazareth van toepassing gebracht werden. De stenen zouden haast roepen. Dé Steen is Christus. De stenen zijn zij die in Christus zijn:  gelovigen (= levende stenen).

Toen de Heer nabij de stad kwam, weende Hij over haar en zei: “Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient!” Het woordje “ook” wijst op de discipelen die wel erkenden wat tot hun vrede diende. Jeruzalem wist niet waar haar vrede vandaan kwam. Die zou van de Messias moeten komen. “Ook nog in deze uw dag”. De discipelen accepteerden de Heer als de Messias, maar ze waren ook op de hoogte van de bewuste dag. Zij erkenden ook deze datum. De datum was de tiende nisan, de dag waarop de joden het paaslam in huis dienden te nemen dat op de avond van de veertiende nisan geslacht zou worden. Het paaslam is een beeld van de Messias in Zijn vernedering. “Nu is het verborgen voor uw ogen”. Jeruzalem (de joden) (h)erkenden deze dag niet. Het koninkrijk werd verborgen voor hun ogen. De Bijbel spreekt dan ook van de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen (Matthéüs 13). Jeruzalem zou verwoest worden. Zij had de tijd van haar bezoeking niet onderkend. Deze datum wordt nu nog steeds gevierd als Palmzondag. Dit was een week vóór de dag van de opstanding.

Jezus dan kwam zes dagen vóór het pascha te Bethanië,… Johannes 12 : 1 

Bethanië ligt aan de oostkant van de Olijfberg. Het pascha wordt gehouden op de avond van de veertiende nisan (Exodus 12). Zes dagen ervoor was dus op de achtste nisan.

Zij bereiden Hem dan aldaar een avondmaal, … De Heer kwam tegen de avond op de achtste nisan in Bethanië. Maria zalfde de Heer op die avond. Johannes 12 : 2

Een grote schare kwam tot het huis. Dit was niet meer op de achtste nisan, maar op de negende.  Johannes 12: 12-19 beschrijft de tocht naar Jeruzalem. Johannes 12 : 9

12 Des anderen daags een grote schare, die tot het feest gekomen was,
13 … namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den Naam des HEEREN, de Koning Israels! Johannes 12 : 12, 13

“Des anderen daags”: dit vond plaats op de tiende nisan, een zondag. De Here Jezus kwam vrijdag tegen de avond in Bethanië aan. Daarop volgde de sabbat. Hij vierde op de avond van de veertiende nisan het pascha met Zijn discipelen in de opperzaal. Hetgeen beschreven is in Johannes 13-17 vindt daar plaats; in de nacht van de veertiende op de vijftiende nisan. Daarna werd de Heer gevangen genomen. In de loop van de vijftiende nisan werd Hij gekruisigd en in het graf gelegd. Op de zeventiende nisan is de Heer opgestaan. De kruisiging vond plaats op een vrijdag. De sabbat volgde daarop; de opstanding was op de zondag, namelijk de eerste dag der week.

Daniël 9 : 26 De tocht naar Jeruzalem was op de laatste dag van de 69 weken. Na die 62 (69) weken zou de Messias uitgeroeid worden. Hij zou afgesneden worden. Zijn leven kwam abrupt aan een einde. “En het zal niet voor Hemzelven zijn” is een onjuiste vertaling. Er staat letterlijk “en/ maar (er) is niet voor hem”. Dat betekent: Hij zal niet hebben. Hij zou Zijn koningschap of koninkrijk niet hebben. Na de 69 weken werd de Messias gedood. Daardoor ontving Hij Zijn koninkrijk niet. De laatste week van de zeventig weken moet nog steeds komen. De laatste dag van de 69 jaarweken is exact gelijk aan de dag, waarop de Here Jezus op een ezel naar Jeruzalem reed. Vandaar de uitspraak van de Heer: “deze uw dag”. Het was verborgen voor hun ogen. Het begrip “verborgen” houdt verband met het verborgen koninkrijk. Het gaat over de God Die Zijn aangezicht verbergt. Sinds de dag van de intocht in Jeruzalem verbergt de Heer Zijn aangezicht. Daar werd Hij als Koning (in vernedering) gezien. Daarna heeft de Here Jezus Zich in de hemel verborgen. Men zei: “Wij willen niet dat deze koning over ons is”. Jeruzalem heeft de Heer nooit als Koning gewild. Dat is vandaag de dag nog steeds zo. Men verwerpt Jezus als de Messias. De zeventig weken begonnen op de eerste nisan (14 maart van het jaar 445 vóór onze jaartelling. Het eind van de 69-ste week was de dag van de intocht, de tiende nisan van het jaar 32 A.D, 6 april op onze kalender.

Het jaar 32 A.D.

Lukas 3 : 1, 23

En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tibérius, Lukas 3 : 1

En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaar oud te wezen, … Lukas 3 : 23

In het vijftiende jaar van keizer Tibérius was de Here Jezus dertig jaar oud. Het eerste jaar van keizer Tibérius was het jaar 14 A.D. Hij werd op 19 augustus van het jaar 14 gekroond. Zijn vijftiende jaar begon vanaf 19 augustus van het jaar 28 en duurde tot de 19e augustus van het jaar 29 van onze jaartelling. Tibérius zat toen 14 jaar op de troon en was met zijn vijftiende jaar bezig. We moeten niet 15 jaar erbij optellen, maar 14 jaar. Toen was de Heer 30 jaar oud. Er waren vier paasfeesten in het openbare optreden van de Here Jezus. Zijn optreden eindigde met zo’n paasfeest. De tijd van het optreden van de Heer wordt gewoonlijk als drie jaar gezien. Men zou kunnen denken dat Zijn optreden dan ook bij het pascha begonnen was. Dat is echter niet zo; het begon eerder. Het openbare optreden van de Heer was méér dan drie jaar. Het begon in het vijftiende jaar van Tibérius. Het eerste pascha was dan in de maand nisan van het jaar 29. Het in het jaar 30, het derde in 31 en het vierde en laatste in 32. Op 6 april van het jaar 32 (10 nisan) was de zogenaamde “intocht in Jeruzalem”. Enige dagen later (vijftien nisan) werd de Heer gekruisigd.

69 x 7 jaar is 483 jaar. Het gaat om (profetische) jaar van 360 dagen (12 x 30 dagen). 483 jaar van 360 dagen is totaal 173.880 dagen. Dit zijn de dagen tussen 1 nisan 445 vóór onze jaartelling en 10 nisan van het jaar 32. Er verliepen 445 jaar tot het begin van onze jaartelling. Daarna verliepen nog de jaren 1 t/m 31 van onze jaartelling. Dat is 31 jaar. Totaal nu: 476 jaar. Het jaar 32 kan niet meegeteld worden, omdat het nog niet verlopen was. Deze 476 jaar zijn verlopen van 14 maart – 445 tot 14 maart 32. 476 jaar van 365 dagen = 173.740 dagen.  De dagen van 14 maart 32 tot 6 april 32 moeten er nog bij gerekend worden. Er komen nog 24 dagen bij. Eén op de vier jaar is een schrikkeljaar (366 dagen). Er waren 476 jaar waarin 119 schrikkeljaren zijn geweest. Er komen dus 119 schrikkeldagen bij. De eeuwjaren zijn normaal gesproken geen schrikkeljaren. Het jaar 1900 was geen schrikkeljaar. Als het jaartal door vier deelbaar is, dan is het een schrikkeljaar. De eeuwjaren zijn ook deelbaar door vier, maar worden niet als zodanig gerekend. 1900, 1800 en 1700 waren geen schrikkeljaren. 1600 echter wel. Het jaar 2000 is ook weer een schrikkeljaar. Van de vier eeuwjaren zijn er drie geen schrikkeljaar, maar één wel. In 476 jaar zijn vier eeuwjaren. Daarvan is er dus maar één jaar als schrikkeljaar te rekenen. We hebben ze nu alle vier gerekend, zodat er nog drie eeuwjaren afgetrokken moeten worden. Er moeten dus niet 119, maar 116 dagen bijgeteld worden. 173.740 + 24 + 116 = 173.880 dagen, hetgeen overeenkomt met de Bijbelse jaar. Vanaf de intocht in Jeruzalem waren er nog zeven jaar te gaan tot op het moment dat de Messias gezalfd zou worden.

De geboorte van de Here Jezus

De Here Jezus werd geboren in het jaar 4 voor onze jaartelling, op de eerste dag van het loofhuttenfeest. Het argument daarvoor is een typologisch argument. Het loofhuttenfeest is een beeld van de duizend jaar. Het wordt gevierd in de zevende maand. Het wonen in loofhutten komt overeen met het wonen in tenten. Het is een beeld van het verblijf van de Here Jezus op aarde. Het meest essentiële van de duizend jaar is dat de Heer op aarde regeert. Het werkwoord “tabernakelen” wordt dan ook voor de aardse wandel van de Heer gebruikt (Johannes 1 : 14, grondtekst). Als het messiaanse rijk begonnen is, is de tabernakel Gods is bij de mensen. Dat wil zeggen dat de Heer dan lichamelijk op aarde aanwezig is. De tabernakel van God is het lichaam van God waarin de Heer Zich openbaart, namelijk Jezus van Nazareth. Het loofhuttenfeest is een beeld van God Die (tijdelijk) op aarde woont. Het loofhuttenfeest is daarom een beeld van het leven van de Here Jezus op aarde, uiteindelijk in verband met Zijn toekomst. Er is echter geen enkele reden om de eerste komst van de Heer los te koppelen van Zijn wederkomst. In de Bijbel is dat één komst, die echter onderbroken wordt. De geboorte van de Heer zou dan op één van de bijzondere dagen rondom het loofhuttenfeest moeten zijn geweest. Dat zou de eerste dag van de zevende maand (Tishri) geweest kunnen zijn, op het feest der bazuinen (feest des geklanks). Een andere mogelijkheid is de tiende Tishri, de dag waarop de grote verzoendag gevierd wordt. Op de vijftiende Tishri begint het zeven dagen durende loofhuttenfeest, dat op grote verzoendag gebaseerd is.

De gebeurtenissen rondom het eind van het leven van de Here Jezus vallen ook op bijzondere data. De intocht in Jeruzalem komt overeen met het in huis nemen van het paaslam op de tiende nisan. De bijeenkomst in de opperzaal met de discipelen was op de veertiende nisan. De kruisiging viel op de vijftiende nisan; dit is tevens de eerste dag van het feest van de ongezuurde broden. De opstanding vond plaats op de zeventiende nisan, die volgens de Schrift gelijk is aan de dag van het feest van de eerstelingengarf. De uitstorting van de Heilige Geest viel gelijk met het wekenfeest (vijftig dagen later). Daarom is het ook te verwachten dat de Heer op een bijzondere datum geboren werd. Als we dan moeten kiezen, omdat de Schrift daar geen aanleiding voor geeft, dan nemen we de eerste dag van het loofhuttenfeest. Dan zou de besnijdenis van de Here Jezus vervolgens op “de achtste dag” van het loofhuttenfeest gevallen zijn. Hoewel het loofhuttenfeest maar zeven dagen duurt, wordt het echter gevolgd door een achtste dag. Dat wordt wel eens “het slotfeest” genoemd. De zeven dagen van het loofhuttenfeest zijn een beeld van de zevende bedeling. Het koninkrijk van de Heer duurt echter geen duizend jaar, maar eeuwig. Het strekt zich ook uit tot in de nieuwe schepping. Dat is na de 7 en in de 8. Johannes 7 spreekt hierover:

Johannes 7 : 8-10 De Heer ging nog niet op naar het loofhuttenfeest (een beeld van het koninkrijk). Hij ging niet met Zijn “broers naar het vlees” mee, maar Hij ging apart en in het verborgene, omdat het koninkrijk eerst in het verborgene zou komen. Pas later zou het geopenbaard worden.

36 Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: Gij zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen? Dit gaat over de verborgenheid.
37 En op den laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Johannes 7 : 36, 37

Vers 36 gaat over de verborgenheid. In vers 37 gaat het om de achtste dag, de dag na de zeven dagen van het loofhuttenfeest. Die dag is een beeld van de nieuwe schepping. Het ontvangen van het water van de Heer is hetzelfde als het ontvangen van de Geest (Johannes 7 : 37-39). Dat is hetzelfde als wedergeboorte. Het ziet uiteindelijk op de wedergeboorte van de nieuwe schepping. De oude schepping wordt weggedaan en er komt een nieuwe voor in de plaats. Als de Heer geboren werd op de eerste dag van het loofhuttenfeest, dan viel Zijn besnijdenis op deze achtste dag. Die dag is een beeld van wedergeboorte. Besnijdenis is eveneens een beeld van wedergeboorte. Het gaat daarbij om het afleggen van de oude mens en het openbaar worden van de nieuwe mens. Op deze achtste dag openbaart de Heer Zich ook door de mensen op te roepen tot Hem te komen en te drinken van het levende water. Deze achtste dag is een beeld van opstanding, van nieuw leven. Besnijdenis houdt daar ook verband mee. Daarom is het logisch te veronderstellen dat de Here Jezus geboren werd op de eerste dag van het loofhuttenfeest (de vijftiende van de zevende maand). Dan valt de besnijdenis op de achtste dag (Lukas 2 : 21). De eerste dag van het loofhuttenfeest was de vijftiende tishri van het jaar 4 vóór onze jaartelling. Dat is eind september, begin oktober. In dat jaar viel de eerste dag van het loofhuttenfeest op 6 oktober. De nacht waarin de Heer geboren werd is de nacht van 5 op 6 oktober van het jaar 4 voor onze jaartelling. In het vijftiende jaar van keizer Tibérius was de Here Jezus 30 jaar oud. Het vijftiende jaar begon op 19 augustus van het jaar 28 A.D. Het begin van het optreden van de Heer moet dan gelegen hebben tussen 19 augustus en 6 oktober van het jaar 28.  Als de geboorte van de Heer op de vijftiende van de zevende maand heeft plaatsgevonden en de kruisiging op de vijftiende van de eerste maand, betekent dit dat de Heer exact 34,5 jaar oud was (volgens onze kalender). Het betekent vervolgens ook, dat de Heer op de dag van de intocht precies 12.600 dagen oud was. Dat zijn 35 jaar van 360 dagen. De Heer heeft precies 35 profetische jaar geleefd tot op de dag van de tocht naar Jeruzalem. Toen waren ook de 483 jaar van de 69 weken voorbij.

Van het jaar 4 vóór onze jaartelling tot het 32 van onze jaartelling is geen 36 jaar. In het jaar 4 verliepen er nog maar drie maanden, vervolgens het jaar 3, 2 en 1 voor onze jaartelling. Daarna de jaar 1 t/m 31 (want het jaar 0 bestaat niet). Van het jaar 32 waren alleen de maanden januari tot en met maart verlopen. Dat geeft totaal 34 jaar en 6 maanden (afgerond op maanden). 35 jaar van 360 dagen (= 12.600 dagen) is tienmaal zoveel als 3,5 jaar van 360 dagen (= 1260 dagen). 3,5 is de helft van 7. Het is de helft van de laatste zeven jaar van de zeventig weken. 35 jaar is de helft van 70 jaar. De Heer trad 3,5 jaar in het openbaar op. Het is maar de helft. De andere helft heeft met wederkomst van de Heer te maken. Na de 62 (69) weken zou de Messias gedood worden. Er staat niet dat dit ín de 70-ste week gebeuren zal. De 70-ste week wordt pas in Daniël 9 : 27 genoemd. Er zit dus een onderbreking in de tijdrekening tussen de 69-ste en de 70-ste week. Daniël 9 : 26 spreekt over de tijd, die tussen de 69 weken en de 70-ste week ligt. Daarin wordt geen tijd gerekend. De zeventig weken vormen geen tijdrekening in verband met de wereld, maar met betrekking tot het volk van Daniël.

De Messias werd op de vijftiende nisan gekruisigd. Dat is op de vijfde dag na het verlopen van de 69 weken (op de tiende nisan). Dat is niet in de 70-ste week, maar dat valt in de tijd tussen de 69 weken en de 70-ste week. De Here Jezus werd als de Koning der joden gekruisigd; niet als de Messias, want dat geloofden ze niet. De joden geloofden wel dat Hij de Koning der joden was, maar ze wilden Hem niet als zodanig accepteren. De Heer werd door het jodendom zelfs als de Erfgenaam van David erkend. Het geslachtsregister was te controleren (Matthéüs 1 en Lukas 3). De Heer werd officieel als de Koning der joden gekruisigd. Pilatus en Heródes wisten dit ook. Het afsnijden van de Messias veronderstelt dat het om een verdeling in twee gedeelten gaat. Het tijdperk van zeventig jaarweken werd afgesneden, omdat de Messias afgesneden werd. “Maar het zal niet voor Hemzelven zijn” is een interpretatie van “maar Hij zal niet hebben”. Men concludeert dat anderen wel zullen hebben. M.a.w.: het is niet voor Hemzelf bestemd. De nieuwe vertaling heeft: “terwijl er niets tegen Hem was”. Ook dit is een interpretatie. Men leest alsof er staat dat er geen beschuldiging tegen Hem zal zijn. Het betekent echter dat de Messias Zijn koninkrijk niet zal hebben, omdat Hij afgesneden zal worden. Zo is er ook een verband gelegd met de rest van dit vers: “en een volk des vorsten, hetwelk komen zal …”. Er wordt verwezen naar een vorst die zou komen. Deze vorst komt wél, maar de Messias niet, omdat Hij afgesneden werd.

De volgorde van het middelste gedeelte van vers 26 is iets anders. Er staat letterlijk: “… en de stad en het heiligdom zal verderven een volk van een komende vorst (of: een vorst, die komen zal) en zijn einde (zal zijn/ is) met een overstromende vloed …” Hier wordt niet Messias, de Vorst, bedoeld, want Hij is afgesneden. Er komt een andere vorst. Daarmee wordt die vorst uit Daniël 7 en 8 bedoeld. Het gaat om de vorst, die alle volkeren aan zich zal onderwerpen, namelijk “de koning van Babel”. Het is de kleine hoorn, die grote dingen tegen de Allerhoogste zal spreken. “Hetwelk komen zal” wijst in de Statenvertaling terug op het volk. Dat staat er in het Hebreeuws echter niet. Het woord is mannelijk en wijst op de vorst. Het gaat om een vorst die komen zal. Dat is op zich niets nieuws, want dat kwam ook al in de voorgaande hoofdstukken naar voren. Wel nieuw is dat het volk van die vorst de stad en het heiligdom verderven zal. Die vorst komt pas in de eindtijd aan de macht. Het volk zou echter verderf brengen ná de 69-ste en vóór de 70-ste week. Dat betekent dat eerst een volk komt en daarna de vorst. Het gaat om een volk van die vorst. Er is maar één gebeurtenis die aan deze beschrijving voldoet in de periode tussen de 69-ste en 70-ste week. Dat is de gebeurtenis in het jaar 70 A.D., toen de tempel verbrand en Jeruzalem verwoest werd door de legers van de Romeinen onder leiding van Titus. Het waren wel de legers van de Romeinen, maar die legers bestonden voor een groot deel uit huurlingen die uit verschillende volkeren afkomstig waren. Het waren onderdanen van die andere vorst. De legeraanvoerder Titus is een beeld van de toekomstige vorst over Babel. De verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 A.D. valt tussen de 69-ste en 70-ste week. Het kan niet in de 70-ste week gerekend worden, want de tijd tussen het jaar 32 en 70 is meer dan 7 jaar. Er is dus sprake van een onderbreking in de tijdrekening.

“En zijn einde (van de vorst) zal met een overstromende vloed zijn”. Hier wordt een belofte gedaan van wat er uiteindelijk met de vorst over de wereld zal gaan gebeuren. Dat vindt plaats na de 70-ste week. Een vloed heeft te maken met wateren die op zich een beeld zijn van volkeren. Een overstromende vloed is een uitbeelding van een veelheid van legers die aan komen stormen. Het einde van die vorst zal via strijd komen. Er staat dan ook: “… tot het einde zal er krijg zijn, vastelijk besloten verwoestingen”. Het einde wijst niet op het einde van de 69-ste week, want dat is reeds geweest. Het kan wijzen op het eind van de 70-ste week, maar feitelijk valt het nog later. Het zal aan het eind van de 33 jaar na de 70ste week plaatsvinden. Het gaat om het einde der eeuw, dat plaatsvindt aan het begin van de duizend jaar. Vast besloten verwoestingen zijn het gevolg van de krijg die gevoerd zal worden.

Daniël 9 : 27

“En hij zal aan de velen een verbond versterken (bekrachtigen) één week”. Met “de velen” wordt een eenheid bedoeld. Hiermee wordt gedoeld op de joodse staat. Dat zijn er wel velen, maar niet allen. “De velen” is de aanduiding van de tegenwoordige joodse staat. Het gaat om een vorst, die een verbond sluit. Hij doet dat met een andere vorst. Als het om een meervoud gaat, wijst dat op het volk van die vorst. Er staat niet “een sterk verbond” maken. Een verbond versterken is hetzelfde als een verbond bekrachtigen, zodat het geldigheid heeft gekregen. Dat doet men door er een handtekening onder te zetten.

Vergelijk:

  • Daniël 6 : 8  : een koninklijke ordinantie te stellen, en een sterk gebod     te maken,
  • Daniël 6 : 9 : een gebod bevestigen en (= namelijk) een schrift tekenen,
  • Daniël 6 : 13 : hebt gij niet een gebod getekend,
  • Daniël 6 : 14  : het gebod, dat gij getekend hebt. “Een gebod sterk maken” is hetzelfde als een koninklijke ordinantie stellen.

Een gebod bevestigen doet men door het te ondertekenen. Dat verbond zal gedurende zeven jaar geldigheid hebben. De resterende 70-ste week van Daniël 9 begint met het sluiten en bekrachtigen van een verbond. De zeventig weken begonnen met het bevestigen van een koninklijk decreet door Kores om Jeruzalem te herbouwen. Daarom verwacht ik ook dat aan het begin van de 70-ste week een verbond gesloten zal worden dat verband houdt met de joodse staat en stad Jeruzalem. Dit verbond wordt getekend door de twee beesten die in Openbaring 13 genoemd worden. Het beest uit het land zal de vorst in de joodse staat zijn. Hij zal een verbond sluiten met de vorst van Babel, het beest uit de zee. Zij hebben enerlei mening.

Dat verbond zal voor de duur van zeven jaar gesloten worden. Het loopt echter fout. Dat lazen we ook al in Openbaring 13, want daar werd gezegd dat er een afgodsbeeld opgericht zou worden. In de helft van de week zal hij het slachtoffer en spijsoffer doen ophouden. De helft der week is de helft van zeven jaar, namelijk na 3,5 jaar. Door zijn toedoen en invloed zal het slachtoffer en spijsoffer gestopt worden. Dit houdt tevens in, dat er weer de mogelijkheid bestaat om dergelijke offers te brengen. Deze offerdienst zal mogelijk iets met dat verbond te maken hebben. Ik veronderstel dat het verbond met de vrijheid van de joodse staat, maar ook met bepaalde joodse godsdienstige rituelen verband zal houden. Die offers zullen op de heilige plaats gebracht worden. Er zal geen tempel zijn, want er is geen tempel nodig om die offers te brengen. “En over de gruwelijke vleugel (lett.: de vleugel van gruwelen) zal een verwoester zijn”. Hiermee wordt een afgodsbeeld bedoeld, precies zoals in Matthéüs 24 : 15 en Openbaring 13 beschreven is. De joodse staat zal een verbond sluiten. Uit de geschiedenis van het volk Israël is reeds vele malen gebleken dat het steunen op andere volkeren hetzelfde is als het sluiten van een verbond met andere goden. Israël had een verbond met de HEERE. Hij beschouwt het sluiten van een verbond met andere volkeren/goden als overspel.

In Jesaja 28 wordt het verbond dat de joden in de toekomst zullen sluiten, “een verbond met de dood en het dodenrijk” genoemd (Jesaja 28 : 15-22). De Here zal echter verdrukking brengen over een ontrouw volk. Dit wordt omschreven als “de overvloeiende gesel”. De gebeurtenissen in de dagen van Jesaja zijn slechts aanleiding tot deze profetie en zijn daarom niet vervuld in die dagen. Dat verbond wordt “een voorzichtig verbond” genoemd (Jesaja 28 : 15). Dit is een verbond met “vooruitziende blik” (= vanuit menselijk standpunt). Men wil zekerheid. Uit Jesaja 30 blijkt het een verbond met Egypte te zijn. Die schuilplaats en toevlucht (28 : 17) zal geen nut hebben.

Jesaja 28 : 16 is een profetie over de Hoeksteen, de Grondsteen te Sion (Jeruzalem). Dit is de Messias van Israël. Een beproefde steen is een steen die door het vuur (= oordeel) gegaan in (vergelijk 1 Korinthe 3). Hier wordt reeds verwezen naar het lijden en sterven van de Here Jezus, Die ook opstond en daarom beproefd geworden is. Een kostelijke steen is een beeld van de opstanding. Wie in die Heer zijn vertrouwen stelt, zal niet haasten. Dat wil zeggen: die zal niet snel vluchten. Dit vers wordt in Romeinen 9 : 33 en 10 : 11 aangehaald en vertaald met “die zal niet beschaamd worden”. De gelovige houdt zich vast aan de Rots en wordt niet beschaamd. Dit houdt in dat de joden door het verbond met Egypte te sluiten, wel in het oordeel zullen komen en zullen moeten vluchten. Alleen degene die zijn vertrouwen op de Here zal stellen, zal aan het oordeel kunnen ontkomen. Een gesel is een werktuig voor straf en oordeel. “Overvloeiend” wijst op water en houdt derhalve verband met volkeren. De joden zullen door legers van volkeren vertreden worden (vergelijk Joël 2). “In de helft der week” (Daniël 9 : 27) kan ook vertaald worden met “in het midden van de week”. De 70-ste week van Daniël wordt in tweeën verdeeld. Dat is tweemaal een periode van 3,5 jaar. In het midden van de zeven jaar zorgt die vorst (uit Daniël 9 : 26b) ervoor dat de joodse inzettingen (slacht- en spijsoffer) stopgezet worden. Hij kan daar zelf voor zorgen of toelaten dat het gebeurt. Wanneer dat verbond bekrachtigd wordt, begint de tijd van de laatste 70-ste week. Daarbij zullen ook religieuze zaken een rol spelen. Bepaalde vormen van eredienst worden dan toegestaan. Dat zal de Arabische wereld nu zeker niet toestaan. Jeruzalem is een heilige stad voor de Joden, Arabieren en christenen. Mogelijk zal er een altaar staan, waarop de offers gebracht kunnen worden. Het verbond houdt verband met politieke én godsdienstige zaken. In Israël horen politiek en godsdienst bij elkaar. Slachtoffer en spijsoffer kunnen hier alleen een letterlijke betekenis hebben, omdat de rest van de zeventig weken ook letterlijk bedoeld zijn. Het kan niet slaan op de kruisiging van de Here Jezus, zoals sommigen menen. Verder staat er: “En over (of: op) de gruwelijke vleugel”. Het begrip “gruwel” heeft in de Bijbel met afgoderij te maken (o.a. Ezechiël 16 : 36). Een vleugel staat voor “bescherming” in het algemeen (zie bijv. Psalmen 61 : 4, 5; 63 : 8, 9 en 91 : 3, 4). De Here Jezus sprak tegen Jeruzalem in Matthéüs 23 : 37

 … hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild. Matth. 23 : 37

Israël zou haar bescherming en toevlucht bij de Heer horen te zoeken, in plaats van bij een andere god (afgod). Over die afgoderij die bescherming biedt zal een verwoester zijn (komen). Degenen die hun toevlucht bij die god gezocht hebben zullen onder deze verwoesting terecht komen. Die verwoesting zal zijn tot de voleinding toe. Voor zover deze vleugel een mens is, is het een ander dan met wie de joden een verbond zullen sluiten. Als Israël een verbond sluit met een volk zal het dat doen om zich tegen een ander volk te beschermen. Er komt een ander en die zal het land verwoesten. In Jesaja 28 ging het om een verbond met Egypte, maar de overvloeiende gesel was Assyrië. Het land werd toen onderworpen. In de toekomst zal de joodse staat een verbond sluiten, maar er komt wel degelijk een verwoester. Het gaat om twee belangrijke machten in de eindtijd. De eerste is de vorst over Babel (de kleine hoorn). Het begrip “voleinding” heeft in Daniël 9 : 27 met het eind van de 70-ste week te maken. Dat is de meest voor de hand liggende conclusie. Na de 70-ste week zal er echter ook nog verwoesting zijn, maar die heeft niet direkt met de heilige stad te maken. In Matthéüs 24 staat de uitdrukking “de voleinding der eeuw” Dit wijst op de voleinding van zesde bedeling, namelijk het eind van de veertig jaar. Dat is 33 jaar na het eind van de 70-ste week.

Uit Zacharía 14 weten we, dat de joden tot bekering zullen komen op de dag van de verwoesting van Jeruzalem. Dat is aan het eind van de 70-ste week. De verwoesting duurt dus van het midden van de laatste jaarweek tot het einde daarvan. Dat wil zeggen: 3,5 jaar lang verwoesting. Dat is de 3,5 jaar verdrukking over de joodse staat. “Die vastelijk besloten zijnde” kan ook vertaald worden met “wat vast besloten is” of “waartoe vast besloten is”. “Over de verwoeste” kan ook zijn: “over de verwoester”. Het kan slaan op degene die verwoesting brengt, maar ook op degene die verwoest wordt. Ik denk dat het op “de verwoester” slaat, want anders zou er tweemaal hetzelfde staan. Er zou immers al verwoesting zijn tot de voleinding toe. Als het verwoest is, heeft het geen zin om nog meer te verwoesten. De verwoester die Jeruzalem verwoest, zal zelf verwoest worden. Zie in dit verband ook Zacharía 14. In 14 : 1, 2 staat dat God de heidenen tegen de stad Jeruzalem verzamelt. De stad zal ingenomen worden. In Zacharía 14 : 3 e.v. staat dat de HEERE Zelf tegen die heidenen zal uittrekken om het overblijfsel van de joden te redden. Zacharía 14 : 1, 2 begint reeds in de 70-ste week. Zacharía 14 : 3 e.v. zal aan het eind van de 70-ste week plaatsvinden. De verwoester zal zelf verwoest worden.

Schriftgedeelten, die aansluiten bij Daniël 9

Er zijn veel Schriftgedeelten die bij Daniël 9 aansluiten. Het Bijbelse principe is: Schriftplaats met Schriftplaats vergelijken (vergelijk 2 Petrus 1 : 19-21). We zullen enkele belangrijke Schriftgedeelten opzoeken om meer inzicht te verkrijgen omtrent de profetie van Daniël 9.

Joël

Het volk uit Joël 2, dat Jeruzalem zal verwoesten, is Rusland. De vorst, die komen zal, is de koning van Babel (een Arabier), het beest uit de zee. Die is (aanvankelijk) niet vijandig gezind. De joodse staat zal bij hem veiligheid zoeken tegen de vorst van Ros, Meseg en Tubal (Rusland; de koning van het noorden). Vanaf het midden van de 70-ste week komt Rusland en zal het het hele land platwalsen. De beschrijving daarvan lezen we in Joël 2. In Joël is sprake van een grote sprinkhanenplaag, waardoor heel het land kaalgevreten wordt.

 Joël 1 : 15

Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.

De dag des HEEREN is nabij en zal als verwoesting komen van de Almachtige. De dag des HEEREN is de zevende dag en daarom de uitbeelding van de zevende bedeling. Het staat voor het koninkrijk der hemelen. Het is de dag waarin de Heer regeert. Sommigen denken, dat de dag des HEEREN zelf verwoesting is. Dit is een misverstand. De verwoesting en verschrikking wordt altijd genoemd in verband met de kómst van de dag des HEEREN. Die dag komt met een oordeel.

Joël 2 : 1, 2

1 Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des HEEREN komt, want hij is nabij.
2 Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. 

De dag des HEEREN is nabij; een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen. “Dag” is wat wij de “na-nacht” noemen (de periode van middernacht tot zonsopgang). “Dageraad” is de tijd voordat de zon opgaat. De duisterste tijd van de nacht. Er is sprake van “een groot en machtig volk”. Dat is de verklaring van de sprinkhanen. In Joël 1 : 4 worden vier verschillende sprinkhanen genoemd. Sommigen zien daarin vier stadia in de ontwikkeling van de sprinkhaan. Het zijn echter verschillende omschrijvingen van de sprinkhanen. Dit volk is vanouds niet geweest. Het is een volk (wereldrijk) dat in de Bijbel verder niet voorkomt. Het zal na hetzelve niet meer zijn. Dat wil zeggen dat het op dát moment niet meer zal zijn. “Tot in jaar van vele geslachten” houdt in, dat het na vele geslachten weer terug zal keren. Dit is een verwijzing naar Ezechiël 38 en Openbaring 20 : 8.

Joël 2 : 3-9

3  Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.

4  De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.

5  Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.

6  Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.

7  Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een iegelijk in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.

8  Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.

9  Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.

Vers 3-5: De verwoesting beschreven. “Als de gedaante van paarden” is een omschrijving voor tanks. Vers 6-9: Oorlogsgeweld; zonder tegenstand zullen de legers in de stad (Jeruzalem) komen.

Joël 2 : 10, 11

10 De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.
11 En de HEERE verheft Zijn stem voor Zijn heir henen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?

We vinden hier de omschrijving voor het aanbreken van de dag des HEEREN: aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft, de zon en maan worden zwart en de sterren trekken haar glans in. Dit komt door deze overvloeiende gesel of verwoestende gruwel, die het land doortrekt. Deze gevolgen zullen voortkomen uit atmosferische vervuiling. In vers 11 staat dat de HEERE Zijn stem verheft voor Zijn heir henen. Het is de HEERE Zelf Die dit leger van de Russen aanstuurt om zo te handelen. Dit houdt in dat Hij ervoor zorgt dat de joodse staat in grote benauwdheid gebracht wordt. Dit komt overeen met Zacharía 14 : 1, 2. Er volgt echter ook een ommekeer, zoals staat in Joël 2 : 18 v.v.

Joël 2 : 18, 19

18 Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen. 19 En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend ulieden het koren, en den most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.

Vers 18: De HEERE zal ijveren over Zijn land en Hij zal Zijn volk verschonen. Het volk zal Hem aanroepen (Joël 2 : 32). Vers 19: Het zal de laatste keer zijn dat het volk van God aan de smaadheid der heidenen overgegeven zal worden.

Joël 2 : 20, 21

20 En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan. 21 Vrees niet, o land! verheug u, en wees blijde; want de HEERE heeft grote dingen gedaan.

Er staat: “dien van het noorden”. Dat leger kwam uit het noorden. Vanuit het land Palestina naar het noorden komt men in het gebied van het Rusland van voorheen terecht. Hij zal verdreven worden; zijn aangezicht naar de oostzee en zijn einde naar de achterste zee. Dit is de beschrijving van het land van de joodse staat dat tussen twee zeeën in ligt. De achterste zee is de Middellandse Zee en de oostzee is de Dode Zee.  Zijn stank zal opgaan. Zij zullen naar het dodenrijk verdreven worden. Dat is het dorre en woeste land (= het dodenrijk). De legers zullen in Palestina vernietigd worden. De soldaten zullen naar het dodenrijk gaan. Deze legermacht zal komen vanuit de achterste zee en in de richting van de Oostzee optrekken. Het land wordt vanuit het westkust naar het oosten toe veroverd. Vers 21 beschrijft de ommekeer voor het land; er volgt blijdschap.

Ezechiël 38 en 39

Ezechiël 38 : 2

Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, den hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,

Hoofdvorst = vorst van Ros. Zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de vorst van Ros, van Mesech en Tubal en profeteer tegen hem. Gog en Magog zijn aanduidingen van koningen in het noorden. Ros = Rus; Mesech = Moskou en Tubal = Tobolsk (Tblisi). Deze namen schijnen vroeger in Klein-Azië geplaatst te moeten worden. Met de volksverhuizingen zijn ze echter meeverhuisd naar het noorden.

Ezechiël 38 : 8

Na vele dagen zult gij bezocht worden; in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij allemaal zeker zullen wonen.

Dit volk zal op de bergen Israëls vergaderd worden. Rusland zal optrekken tegen een overblijfsel van Israël dat is overgebleven van het zwaard. Deze Israëlieten zullen in dorpen wonen (38 : 11). Deze aanval moet na de duizend jaar geplaatst worden, volgens Openbaring 20 : 8, 9. Dit zal plaatsvinden in de periode ná de duizend jaar en vóór de jongste dag.

Ezechiël 39 : 1-6

1 ¶ Voorts, gij mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!

2  En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israels.

3  Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

4  Op de bergen Israels zult gij vallen, gij en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds ter spijze gegeven.

5  Op het open veld zult gij vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.

6  En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

Vers 1 en 2 beschrijft het oordeel over Gog, die op de bergen Israëls gebracht zal worden. Vers 4-6: Op de bergen Israëls zal Gog ten val komen met al de benden en volken, die met hem zijn. “Open veld” is mogelijk geworden doordat de legers het land platgewalst hebben.

Ezechiël 39 : 8, 9

8 ¶ Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.

9  En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;

Dit is de dag van welke Ik gesproken heb. Hier wordt de dag des HEEREN bedoeld. Deze beschrijving is van toepassing op de tijd die ook in Joël 2 bedoeld wordt. De gelovige Israëlieten zullen zeven jaar lang kunnen stoken van het oorlogstuig.

Ezechiël 39 : 11, 12

11  En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.

12  Het huis Israels nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.

Een grafstede in Israël voor Gog: Het dal van Gogs menigte. Hieruit blijkt dat het dorre en woeste land (uit Joël 2 : 20) het land van Israël is. “Het oosten der zee” komt overeen met “de oostzee” (Joël 2 : 20). “De neus stoppen” komt overeen met “hun stank zal opgaan”. Zeven maanden lang zullen Israëlieten de lijken begraven.

Ezechiël 39 : 23, 25

23 ¶ En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israels gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij altemaal door het zwaard gevallen zijn;

25  Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;

De ballingschap zal ten einde zijn. De Heer heeft tot dan toe Zijn aangezicht verborgen. De gelovigen zullen naar hun land teruggebracht worden.

Ezechiël 39 : 29

En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.

De HEERE zal Zijn aangezicht niet meer voor Israël verbergen aan het eind van de 70-ste week. Er staat bij dat de HEERE Zijn Geest zal uitgieten over het huis Israëls. Hierover spreekt Joël 2 : 28, dat deze gebeurtenis in verband brengt met de aanvang van de dag des HEEREN (Joël 2 : 31). Deze begint aan het eind van de 70-ste week. Ezechiël 39 wordt vervuld in de tweede helft van de 70-ste week. Ezechiël 38 wordt vervuld ná de duizend jaar.

1 Thessalonicenzen 5

1 Thessalonicenzen 4 : 13-18 spreekt over de opname van de Gemeente. De “wegrukking” van de Gemeente is de eerste fase in de openbaring van het koninkrijk van Christus.

1 Thessalonicenzen 5 : 1, 2

1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.

2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht.

Van de tijden en gelegenheden waren de gelovigen te Thessalonica op de hoogte. Tijd i.v.m. kalender en datum. “Gelegenheid” komt overeen met omstandigheid/gebeurtenis (voorbeeld: Matthéüs 24 : 15). Een bepaalde gelegenheid geeft tevens het verband met andere gebeurtenissen aan. Er is een samenhang in die gebeurtenissen. Bij het zien van de gruwel der verwoesting (= een gelegenheid) begint de grote verdrukking voor Israël. Uit Handelingen 1 : 6, 7 blijkt dat de uitdrukking “tijden en gelegenheden” met het koninkrijk van de Heer te maken heeft. De Thessalonicenzen waren op de hoogte van de gebeurtenissen. Er is daarover meer gezegd, dan geschreven. De dag des HEEREN zal komen als een dief in de nacht, echter niet voor de gelovigen van de gemeente. De dag des HEEREN is gelijk aan het oordeel van de Heer.

1 Thessalonicenzen 5 : 3

Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;

Met “zij” worden niet de Thessalonicenzen bedoeld. De gelovigen zijn immers reeds weggerukt (opgenomen), wanneer gezegd wordt: “Het is vrede (shaloom) en zonder gevaar”. Dit wordt door de joden gezegd, zoals blijkt uit Jeremía 6 : 14; 8 : 11; 23 : 17 en Ezechiël 13 : 10. Hen zal een haastig verderf overkomen. De vrouw is een beeld van Israël. De joden zullen zeggen: “Het is vrede en zonder gevaar”; op grond van het verbond dat zij gesloten hebben (Daniël 9 : 27). De barensnood van een bevruchte vrouw is een verwijzing naar Openbaring 12. Het haastige verderf heeft nog wel een positief effect, want er wordt uit de vrouw iets geboren. De mannelijke zoon (Openbaring 12 : 5, 6) is een beeld van Christus, inclusief Zijn Lichaam, de Gemeente. Daarna is er nog sprake van “de overigen van haar zaad” (Openbaring 12 : 17). Dat is het gelovig overblijfsel uit Israël. In Jesaja 66 wordt ook over een bevruchte vrouw gesproken.

Jesaja 66 : 7, 8

7 Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost.

8 Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enigen dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard.

Hier wordt niet duidelijk gezegd over wie het gaat. Het is een aspect van de verborgenheid. Vanuit het N.T. is het wel te begrijpen. “Zij” is Sion (vers 8). Sion is de berg van Gods heiligheid (Psalmen 2). Het is de berg waar de troon van David stond en een omschrijving van het koninkrijk. Sion staat overdrachtelijk voor allen die zich aan de Zoon van David onderworpen hebben. Daarom staat Sion voor het gelovig deel van Israël. Eerst wordt gesteld dat er een knechtje (enkelvoud) gebaard is vóórdat er barensnood was. Daarna staat er dat er zonen (meervoud) gebaard zijn, ná de weeën. Een gelovig Israël heeft haar zonen gebaard. Dat knechtje is de Gemeente, die vóór de barensnood geboren wordt. Het volk (de Gemeente) wordt op één dag geboren (= weggerukt). De barensnood is een omschrijving voor de grote verdrukking, die over Israël komen zal. De Gemeente wordt dus weggerukt voordat de grote verdrukking aanvangt. De zonen zijn de gelovigen uit de joden die in de 70-ste week tot geloof komen. Zij zijn “de overigen van haar zaad” (Openbaring 12 : 17). Het begrip “volk” kan ook van toepassing zijn op de gelovigen uit de joden, die als volk tot geloof komen aan het eind van de 70-ste week en daarna via de gescheurde Olijfberg het land zullen verlaten. Zij zullen in de woestijn verzameld worden. Dat gebeurt ook op één dag. Deze gebeurtenis is op zich weer een beeld van de opname van de Gemeente. De verlossing van Israël heeft een geestelijke toepassing op de Gemeente.

Het is de HEERE Die de baarmoeder opent (Jesaja 66 : 9), heeft betrekking op de eerstgeborene. Al wat de baarmoeder opent is van Hem. Het is de Heer Die de baarmoeder opent. Dit wil zeggen dat Hij Zelf de Eerstgeborene is. Hij brengt tevens voort (= genereert). Inzake de Gemeente is het zo dat het Hoofd reeds geboren is. De baarmoeder is reeds geopend. Hij brengt verder voort, namelijk Zijn Lichaam, de Gemeente. De bevalling uit Openbaring 12 : 5, 6 is allang gaande. Door Zijn opstanding heeft de Heer de baarmoeder geopend. De onvruchtbare vrouw brengt toch voort. Het oude Israël was onvruchtbaar, maar door het ingrijpen van God is er voortgebracht. Zij zullen het geenszins ontvlieden. De ongelovigen in de joodse staat zullen de verdrukking niet kunnen ontvluchten. Er zijn er echter wel die nog aan de verdrukking ontkomen. Dat zijn degenen die de gruwel der verwoesting zien staan op de heilige plaats en zeer snel het land uitvluchten naar de bergen (Matthéüs 24 : 15 v.v.). Alleen degenen die blijven zeggen dat er vrede en geen gevaar is, zullen onder het verderf komen.

1 Thessalonicenzen 5 : 4, 5

4 Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.

5 Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.

Deze verzen spreken over “gij”. Dat zijn de gelovigen te Thessalonica. Deze gelovigen zijn zonen van het licht en de dag. Dat de Heer als een dief in de nacht komt, kan niet op de Gemeente van toepassing gebracht worden. Dit betekent dat de opname van de Gemeente niet zal plaatsvinden als een dief in de nacht. Gelovigen zijn reeds het eigendom van de Heer. Hij hoeft hen niet als een dief te stelen. De dag des HEEREN overvalt de gelovigen niet, zolang zij in het licht zijn. Voordat die dag (des HEEREN) komt wordt de Gemeente weggerukt. Daar zien gelovigen naar uit.

1 Thessalonicenzen 5 : 6-8

6 Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.

7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;

8 Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.

“Laat ons” (laten wij) niet slapen, gelijk als de anderen. Die nacht is er nu dus ook al. De anderen slapen, omdat het voor hen nacht is. Ze maken deel uit van de wereld die in duisternis leeft. “Wij”: laten wij nuchter zijn en waken. Daarom aandoen het borstwapen van geloof en liefde en de helm der hoop. Geloof, hoop en liefde blijven (1 Korinthe 13).

1 Thessalonicenzen 5 : 9-11

9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;
10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.
11 Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet.

God heeft ons (gelovigen) niet tot toorn gesteld. Degenen die zeggen “vrede, vrede en geen gevaar” zijn daartoe dus wel gesteld. Het verderf zal niet over de gelovigen van de Gemeente komen. De hoop van de gelovige is juist “zaligheid”. Vaten ter onere zijn ongelovigen. Vaten ter ere zijn gelovigen. “Te zamen met Hem leven” komt overeen met “altijd met de Here wezen”(1 Thessalonicenzen 4 : 17). Leven wijst op het ontvangen van nieuw leven, op grond van geloof in de opstanding van Christus, evenals op een levenswandel in gemeenschap met de Heer. Toch ligt de nadruk, gezien de context van dit Schriftgedeelte, op de opname van de Gemeente. Vers 10 spreekt primair over de opname van de Gemeente. Ook gelovigen (wedergeborenen) die slapen (geen weet hebben van de opname of nauwelijks interesse in de Schrift hebben), zullen toch met de wegrukking meegaan. Zij zijn immers gerechtvaardigd uit geloof.

1 Thessalonicenzen 5 : 11 komt overeen met 4 : 18. Vertroosten komt overeen met vermanen. De boodschap is tot stichting, tot opbouw.

Matthéüs 24

In Daniël 7 : 25 werd over de kleine hoorn gesproken, die woorden tegen de Allerhoogste zal spreken. Hij zal de heiligen der hoge plaatsen gedurende “een tijd, en tijden en een gedeelte van een tijd” verstoren. Deze vorst zal de macht over de joden krijgen en hen verstoren. Zij zullen in zijn hand overgegeven worden. Dit gaat over een periode van 3,5 tijd of jaar. Dit houdt ook verband met de 70-ste week van Daniël 9. Die zeven jaar worden in twee delen van elk 3,5 jaar verdeeld. Daniël 7 : 25 slaat dan op de tweede helft van de 70-ste week. Volgens Daniël 7 : 26 zal daarná het gericht zitten. Daarbij is de Oude van dagen of een mensenzoon betrokken (7 : 13). Dit gericht vindt plaats na de 70-ste week, in de 33 jaar. Het is eventueel mogelijk om Daniël 7 : 25 in de eerste helft van de 70-ste week te plaatsen, maar de tweede helft ligt meer voor de hand. Daniël 8 : 10 spreekt over het terneer werpen van het heir des hemels (de sterren des hemels). Dit handelt over hetzelfde als Daniël 7 : 25.  Daniël 8 : 11 vermeldt dat deze hoorn het gedurig offer zal wegnemen en de woning van het heiligdom zal terneer werpen. Dit komt overeen met het slachtoffer en spijsoffer van 9 : 27. Daniël 8 : 13 spreekt over verwoestende afval. Daniël 9 : 27 vermeldt de komst van een verwoester. 11 : 22 spreekt over een vorst van het verbond die verbroken zal worden. Het is dezelfde vorst die volgens Daniël 9 : 26, 27 een verbond versterken zal. In 11 : 31 komt dezelfde verwoestende gruwel voor. Het heiligdom zal ontheiligd worden en het gedurig offer zal weggenomen worden. Daniël 9 : 27 sluit aan bij:

Matthéüs 24 : 15

15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!).

In Matthéüs 24 : 15 haalt de Here Jezus de profetie van Daniël aan als Hij spreekt over de gruwel der verwoesting. Deze gruwel zal in de heilige plaats (op het tempelplein) staan. Het gaat hier over de oprichting van een afgodsbeeld. Met “die het leest, die merke daarop” roept de Heer ertoe op om in het boek van Daniël verder te studeren. De gruwel der verwoesting zal in het midden van de 70-ste week opgericht worden. Daarna zal er grote benauwdheid over de joden komen, die in Matthéüs 24 : 21 als “grote verdrukking” omschreven wordt. De dagen van de verdrukking zullen ter wille van de uitverkorenen verkort worden (Matthéüs 24 : 22). Met “de uitverkorenen” worden de joden bedoeld. Hun verdrukking duurt maximaal 3,5 jaar (1260 dagen). De verdrukking zal gedurende 33 jaar over de overige volkeren doorgaan. De verdrukking duurt in totaal 36,5 jaar. Aan het eind van de 70-ste week zal Israël zich bekeren. Op het moment van het oprichten van de gruwel der verwoesting is er de laatste mogelijkheid om het land uit te vluchten; in grote haast (Matthéüs 24 : 16-22). Gedurende de eerste 3,5 jaar zijn reeds gelovige joden op grond van de prediking van de twee getuigen het land uitgetrokken. Daarover handelt Openbaring 12 : 6, dat spreekt over het vluchten van de vrouw in de woestijn, nadat zij de mannelijke zoon ter wereld gebracht heeft. Na de wegrukking van de Gemeente, zal een gelovig overblijfsel van de joden naar de plaats Petra vluchten en daar 1260 dagen bewaard worden. Aan het eind van de eerste helft van de 70-ste week zullen gelovige joden zich bij die andere gelovigen in Petra voegen. Pas aan het einde van de 70-ste week kan het overblijfsel vanuit Jeruzalem zich bij hen aansluiten.

Matthéüs 24 : 29

29 En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.

“Terstond na de verdrukking dier (van die) dagen” is een verwijzing naar Matthéüs 24 : 21: “Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.” Het gaat om de verdrukking van de tweede helft van de 70-ste week. Aan het eind van de verdrukking zal de dag des HEEREN komen. In vers 29 worden de verschijnselen genoemd die aan de komst van de dag des HEEREN voorafgaan. Geheel het overblijfsel uit alle stammen zal zich in de woestijn verzamelen en van daaruit zullen zij onder leiding van de Messias het land binnentrekken. Het boek Jozua zal zich herhalen.

Openbaring 11

Openbaring 11 : 1

1 En mij werd een rietstok gegeven, een meetroede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden.

Johannes moet met een rietstok (een meetroede) de tempel opmeten. Hoelang die rietstok is wordt niet gezegd. Het gaat niet zozeer om de afmetingen, maar meer om het eigendomsrecht. Het opmeten geeft aan dat de tempel het eigendom van iemand is. Het begrip “roede” wordt ook wel vertaald met “stam” en houdt verband met voortplanting of erfrecht. Het wijst op (weder)geboorte. Het gaat hier niet om een letterlijke tempel, want het is een visioen. De geestelijke tempel wordt hier gemeten. Dat is de Gemeente, die een geestelijke woonstede is die nu voltooid is. De roede duidt op de verwekking door God Zelf. Dit vers spreekt over de opname van de Gemeente, die het eigendom van de God is. Het altaar en degenen die daarin aanbidden, moeten ook gemeten worden. Een altaar is een symbool van godsdienst. In Hebreeën 13 : 10 wordt gezegd dat wij een ander altaar dan het oudtestamentische altaar hebben. De godsdienst van de gelovigen van de Gemeente bestaat uit aanbidding (Hebreeën 13 : 15; Éfeze 1). De Gemeente is geroepen tot prijs van Gods Naam. In het boek Openbaring wordt de Gemeente voorgesteld door de 24 oudsten, die alleen maar in aanbidding zijn. Vooral in de brief aan de Efeziërs wordt de aanbidding door de gemeente naar voren gebracht.

Openbaring 11 : 2

2 En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.

De voorhof moet buiten beschouwing gelaten worden. De voorhof wordt niet gemeten. Deze is rondom de tempel, maar maakt hier geen deel van de tempel zelf uit. De tempel is de Gemeente. De voorhof omringde de tempel. Na de Gemeente zal Israël tot geloof komen. De voorhof is de aanduiding van Israël. De voorhof wordt niet gemeten, omdat Israël nog niet tot geloof gekomen is. De voorhof is aan de heidenen gegeven. Een heiden is iemand die niet tot het volk van God behoort. De naam Israël is gereserveerd voor de erfgenamen van Abraham (gelovigen). Ongelovige joden worden ook onder de heidenen gerekend. Zij zijn onder de heidenen verstrooid geworden. De heidenen zullen de heilige stad gedurende 42 maanden vertreden. Jeruzalem zou door de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zouden zijn (Lukas 21 : 24). Als Israël zich aan het eind van de 70-ste week bekeert, zal Jeruzalem onder de macht van de Heer gebracht worden. Dan worden de tijden der heidenen vervuld, omdat Christus de stad onder Zijn beheer zal brengen. 42 maanden is gelijk aan 1260 dagen en aan 3,5 jaar. Ze volgen direct op de opname van de Gemeente. Het is de eerste helft van de 70-ste week. Openbaring 11 : 14 eindigt ongeveer aan het eind van de 33 jaar.

Openbaring 11 : 3, 4

3 En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.

4 Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan.

De Heer zal Zijn twee getuigen geven om gedurende 1260 dagen te profeteren. Dat is de eerste helft van de 70-ste week. Na de opname van de Gemeente zijn deze twee getuigen de enige gelovigen op aarde. Door hun prediking komen er joden tot geloof. Volgens Romeinen 9-11 zal er altijd een gelovig overblijfsel zijn. Paulus maakte zelf deel uit van het gelovig overblijfsel van Israël. In de 70-ste week zal er ook een gelovig overblijfsel zijn. Het zijn geen gelovigen die dán geroepen worden, want op het moment van de opname zijn er geen gelovigen meer op aarde. Het overblijfsel bestaat uit de twee getuigen. Zij behoren niet tot de Gemeente, maar komen uit de daaraan voorafgaande bedelingen. In het O.T. wordt aangekondigd dat Elia zal komen voordat Christus Zijn koninkrijk zal oprichten. “De twee olijfbomen en de twee kandelaren die voor de God der aarde staan” is een omschrijving van de twee getuigen. Het is een verwijzing naar Zacharía 4 : 3, 14. De twee getuigen prediken het evangelie van het koninkrijk dat gepaard zal gaan met tekenen en wonderen. Zij prediken met name in en rondom Jeruzalem; gedurende de 1260 dagen (42 maanden) van de eerste helft van de 70-ste week. Dan is het verbond (Daniël 9 : 27) reeds bekrachtigd en zal er “vrede” zijn. De twee getuigen zullen ongetwijfeld Daniël 9 en Matthéüs 24 aanhalen en daarover prediken. Zij zijn met zakken bekleed, hetgeen een beeld van rouw is. Het oude natuurlijke Israël is immers dood. God accepteert eigen werken niet. Een zak is een beeld van vormloosheid. Een zak is een uitbeelding van het afleggen van de oude mens. Dat zal ook de inhoud van hun prediking zijn. Er zal een haastig verderf komen over de joodse staat. Ze zullen oproepen tot bekering. Een kandelaar is een lichtdrager. De twee getuigen zijn twee lichtdragers. Het licht komt overeen met het Woord van God. Het profetisch Woord is als een licht (2 Petrus 1 : 19). Een kandelaar is een beeld van een prediker van het Woord van God. Een olijfboom heeft met olie te maken. Olie is een beeld van nieuw leven. De twee getuigen prediken dat er nieuw leven is in de Messias, Jezus van Nazareth.

Openbaring 11 : 5, 6

5 En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden.

6 Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen;

Uit vers 5 blijkt hun macht. Zij zijn immuun voor hun vijanden. Men kan hen niet beschadigen. Dat is pas aan het eind van de 3,5 jaar mogelijk. “De hemel sluiten” wijst op Elia (1 Koningen 17 : 1). Toen Elia bad, regende het 3,5 jaar niet (drie jaar en zes maanden – Lukas 4 : 25 en Jakobus 5 : 17). “Regen” is een beeld van zegen die van boven komt. Gedurende 3,5 jaar bleef Gods zegen weg. Die 3,5 jaar van toen wijzen op de 3,5 jaar van prediking door Elia en Mozes. Het veranderen van water in bloed en het brengen van andere plagen wijst op de persoon van Mozes (Exodus 7-12). De twee getuigen zijn Mozes en Elia. Mozes is een profeet als de Here Jezus (Deuteronomium 18 : 15, 18). De joden verwachtten de profeet. Dat vroegen ze aan Johannes de Doper. Ze wisten eveneens af van de komst van Elia en van de Messias. Vers 6 zegt niet dat de twee getuigen ook zullen doen wat in dit vers vermeld wordt. Het is een omschrijving van de beide personen. Zij hebben wel de macht daartoe. Elia is ten hemel gevaren en is niet gestorven. Van Mozes staat dat er om zijn lichaam gestreden werd (Judas : 9). Zijn lichaam is nog nodig. Op de berg der verheerlijking waren Mozes en Elia aanwezig (Matthéüs 17). Wonderen kwamen alleen voor in de tijd van Mozes en zijn directe opvolger (Jozua) en in de tijd van Elia en zijn opvolger (Elisa). Daarnaast waren er wonderen in de tijd van de Here Jezus en de apostelen. Wonderen zijn tekenen van Christus en horen bij de openbaring van het koninkrijk.

Openbaring 11 : 7, 8

7 En als zij hun getuigenis zullen geeindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.

8 En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is.

Aan het eind van de 1260 dagen hebben zij hun getuigenis voleindigd. Dan zal het beest uit de afgrond tegen hen strijden, hen overwinnen en doden. Het beest uit de afgrond is gelijk aan het beest uit de zee. “Zee”is synoniem met “afgrond” (Psalmen 135 : 6; Jesaja 51 : 10; Jona 2 : 5). In het midden van de 70-ste week zal het beest uit de zee (de kleine hoorn uit Daniël 7 en 8) de twee getuigen doden. In het midden van de 70-ste week heeft deze vorst, die het uiteindelijk tegen Christus Zelf zal opnemen, reeds macht. Hij blijft die macht houden tot aan het einde van de zesde bedeling. De dood van de twee getuigen valt op hetzelfde moment als het oprichten van de gruwel der verwoesting. Aangezien aan het eind van de 70-ste week de bekering van het gelovig overblijfsel in Jeruzalem zal plaatsvinden, kunnen de twee getuigen niet in de tweede helft van de 70-ste week optreden. De hele stad en degenen die in het land wonen, zullen blij zijn over hun dood (Openbaring 11 : 10). Dat kan alleen aan het eind van de eerste helft van de 70-ste week zijn. In het land Israël zal men blij zijn dat men van de twee getuigen verlost is. Hun dode lichamen zullen zich op de straat van de stad Jeruzalem bevinden. Deze stad wordt hier niet bij name genoemd, maar wel omschreven. Ze wordt geestelijk (= overdrachtelijk) Sódom en Egypte genoemd. Sódom wordt in de Bijbel wel vaker i.v.m. Jeruzalem aangehaald (Romeinen 9 : 29; Jesaja 13 : 19; Jeremía 50 : 40; Ezechiël 16 : 46). Sódom is een beeld van een afgodisch Jeruzalem. Het is de plaats waar ook onze Here gekruisigd werd. De Here Jezus werd nabij (op Golgotha) Jeruzalem gekruisigd. De naam Jeruzalem wordt niet genoemd, omdat die naam “stichting van de vrede” betekent, terwijl er dán juist geen vrede van Godswege zal zijn.

Openbaring 11 : 9-12

9  En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natien, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halven, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden.

10  En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.

11  En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden.

De eerste 3,5 dag van de tweede 3,5 jaar zullen de lichamen van Mozes en Elia onaangeroerd blijven liggen. De mensen in het land zullen blij zijn om hun dood en elkander zelfs geschenken zenden. De twee getuigen worden nu “twee profeten” genoemd (zowel Mozes als Elia worden in de Schrift “profeet” genoemd). De twee profeten hadden degenen, die in het land wonen, gepijnigd. Dit is een verwijzing naar Openbaring 11 : 5. De tegenstanders van de twee profeten worden door hen zelf gedood. Na die 3,5 dag worden ze opgewekt. Dit is een beeld van de opwekking van Israël als natie na 3,5 jaar (aan het eind van de 70-ste week). Door hun opwekking worden de mensen in het land bevreesd. De twee getuigen varen in een wolk op naar de hemel terwijl hun vijanden hen aanschouwen. Hun vrienden zijn allang niet meer in het land. Zij waren naar de woestijn gevlucht, naar de plaats Petra/Sela.

Openbaring 11 : 13, 14

13 En in diezelfde ure geschiedde een grote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van mensen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven.

14 Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haast.

Op het moment van hun wegvoering naar de hemel zal er een grote aardbeving komen. Het tiende deel van de stad Jeruzalem zal vallen; niet de hele stad, want dat gebeurt pas aan het eind van de 70-ste week. Bij die aardbeving verliezen zevenduizend mensen hun leven. “En de overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven”. Nu lijkt het alsof door die aardbeving de overigen plotseling tot geloof zullen komen. Het tijdstip klopt daarvoor niet. De term “overigen” moet niet gezien worden in verband met de zevenduizend die sterven. Het begrip duidt op het overblijfsel (= degenen die over zijn) namelijk degenen die geloven. Het laatste gedeelte van vers 13 slaat niet slechts op het einde van de 70-ste week, maar ook op het einde van de totale zesde bedeling. Het gaat om het overblijfsel dat gedurende die zesde bedeling aanwezig zal zijn. Dat concludeer ik aan de hand van Openbaring 11 : 14, 15. Daar wordt gezegd dat het tweede wee is weggegaan en dat het derde spoedig komen zal. Het derde en laatste wee wordt in vers 15 genoemd. In dat vers wordt gezegd dat de koninkrijken der wereld van de Heer en Zijn Christus geworden zijn. Het slot van Openbaring 11 spreekt over het einde van de zesde bedeling en de aanvang van het koninkrijk van Christus. Openbaring 10 en 11 spreken over de verborgenheid van het koninkrijk (Openbaring 10 : 7; 11 : 15). Als de zevende engel bazuint, is de verborgenheid van God vervuld. Het begrip “overigen” in Openbaring 11 : 13b heeft dus met de gelovigen uit de totale verdrukking te maken. Zij hebben de verdrukking overleefd. De vijfde bazuin is gelijk aan de eerste wee (Openbaring 9 : 1, 12), de zesde aan de tweede (Openbaring 9 : 13; 11 : 14a) en de zevende bazuin komt overeen met het derde en laatste wee (Openbaring 11 : 14b, 15). In de tweede helft van de 70-ste week kan men tot geloof komen, omdat men de prediking van de twee getuigen nog kent en nu ook gelooft. Daarnaast heeft men natuurlijk de Bijbel, waardoor men tot geloof kan komen. Men kan zich op grond van de gebeurtenissen in de wereld tot de Bijbel wenden. 

Openbaring 12

Openbaring 12 : 6

6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.

De vrouw (Israël) is gevlucht naar de woestijn, naar een plaats die God voor haar bereid heeft. Ze wordt daar 1260 dagen lang gevoed (door de Gemeente). Gedurende de eerste helft van de 70-ste week zullen gelovigen uit de joden naar deze plaats vluchten. Zij worden daar bewaard. De vlucht van de vrouw wordt direct na de wegrukking van de mannelijke zoon genoemd. Dus direct na de opname van de Gemeente. Openbaring 12 : 6 kan dus op de eerste helft van de 70-ste week slaan. Het kan eventueel op de tweede helft ervan betrekking hebben, omdat Openbaring 12 : 13, 14 daartoe aanleiding geeft.

Openbaring 12 : 13, 14

13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had.

14 En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.

De vrouw (Israël) “vliegt” in de woestijn, in haar plaats. Daar wordt zij gevoed een tijd, en tijden (een dubbele tijd) en een halve tijd. 3,5 tijd komt overeen met 1260 dagen. In Daniël 7 : 25 komt een soortgelijke term voor. “Buiten het gezicht van de slang” betekent dat de slang (= de satan) niet bij het gelovige overblijfsel kan komen. Deze 3,5 jaar van bewaring beginnen pas vanaf het midden van de 70-ste week. De draak vervolgt de vrouw. Dat kan alleen betrekking hebben op de tweede helft van de 70-ste week, omdat er in de eerste helft “vrede” in het land van de joden zal zijn.

Openbaring 13

Openbaring 13 : 1-18

1 ¶ (12-18) En ik stond op het zand der zee. (13-1) En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van gods lastering.

2  En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht.

3  En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest.

4  En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve?

5  En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.

6  En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen.

7  En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.

8  En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.

9  Indien iemand oren heeft, die hore.

10  Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.

11 ¶ En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak.

12  En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was.

13  En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.

14  En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken.

15  En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.

16  En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;

17  En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.

Het beest uit de zee is een vorst over de volkeren. Het beest uit de aarde (= het land) is een beeld van de vorst in het land Israël. In vers 5 staat, dat het beest uit de zee lasteringen zal uitspreken. Hij kan gedurende 42 maanden doen wat hij wil. Deze 42 maanden duiden op de eerste helft van de 70-ste week. In die periode prediken de twee getuigen ook. In die periode is er een verbond tussen de joodse staat en het beest uit de zee. In vers 6 wordt gesproken over de lastering die het beest uit de zee tegen God zal richten. De tabernakel van God is Christus Zelf (Openbaring 21 : 3 – Christus is God). “En die in de hemel wonen (lett.: tabernakelen)” (vers 6) is een omschrijving van de Gemeente. De tabernakel Gods en die in de hemel wonen is gelijk aan Christus en de Gemeente die dan in de hemel heersen. In vers 7 staat dat het beest de heiligen krijg aan zal doen. Met “de heiligen” wordt de joodse staat bedoeld. In Daniël 7 : 25 werden zij “de heiligen der hoge plaatsen” genoemd. Het strijden tegen de heiligen vindt plaats in de grote verdrukking, namelijk in de tweede helft van de 70-ste week. Heiligen zijn degenen die voor een bepaalde roeping afgezonderd zijn. Dat geldt ook voor Israël.

Het beest kreeg eerst macht over Israël; daarna over alle geslacht en taal en volk. Dit houdt in dat er een periode tussen het einde van de 70-ste week en het aanbreken van het koninkrijk ligt. Dat is een periode van 33 jaar.  Het beest uit de zee krijgt aan het eind van de 70-ste week de macht over alle volkeren. Dan zal hij de koning van Babel zijn. In de 70-ste week is hij dat nog niet. Precies aan het einde van de 70-ste week zal Babel weer de hoofdstad van een wereldrijk zijn. Nadat Jeruzalem verwoest is, wordt Babel de hoofdstad van de wereld. De uiteindelijke verwoesting van Jeruzalem zal niet door het beest uit de zee uitgevoerd worden, maar door de Russische legers (Joël 2). De koning van Babel (het beest uit de zee) heeft al macht over één of meer volkeren op het tijdstip van de opname van de Gemeente. Hij sluit immers een vredesverbond met de joodse staat. Aangezien die figuur zijn macht van de tien-statenbond zal ontvangen, zal die tien-statenbond ook al in aanleg moeten bestaan voor de opname van de Gemeente. De tien hoornen zullen hun macht aan de kleine hoorn geven. Hij heeft reeds macht aan het begin van de 70-ste week, want anders kan hij geen verbond sluiten. Die tien staten zullen dus reeds bestaan vóór het begin van de 70-ste week. Hoe groot hun macht is, wordt niet gezegd. Er is wel degelijk een bepaald gevaar, want die mannelijke zoon wordt weggerukt tot God en Zijn troon. “Wegrukken” gaat zeer snel. De macht van die tien-statenbond valt nog niet onder de stad Babel. Pas aan het eind van de 70-ste week zal Babel de hoofdstad zijn. Israël zal een verbond maken met een machtige Arabier. Een andere macht, namelijk Rusland, zal echter ingrijpen en het land van de joodse staat verwoesten. Uit Openbaring 13 blijkt dat er een goede verstandhouding zal bestaan tussen de machthebber in Israël (= het beest uit het land) en de machthebber van de Arabieren (= het beest uit de zee). Toch loopt die verstandhouding door het ingrijpen van de Russen fout.

Het tweede gedeelte van Openbaring 13 spreekt over het beest uit de aarde. Dit is de zogenaamde antichrist. Hij zal aan het beest uit de zee ondergeschikt zijn. Hij zal ervoor zorgen dat de mensen in zijn land het beeld van het beest uit de zee zullen aanbidden. Dat houdt met religie verband; zeer waarschijnlijk met betrekking tot de Islam. Het jodendom en de Islam hebben veel met elkaar te maken. Jeruzalem is een heilige plaats voor zowel de joden als de mohammedaanse arabieren. Abraham is voor beide een belangrijke voorvader. Als Israël vrede wil zal het ook toenadering op het godsdienstige niveau moeten zoeken. Men zal in de eerste helft van de 70-ste week een akkoord hebben over een gezamenlijke heilige plaats. Het beest uit het land zal tekenen kunnen doen. Dat ligt op het godsdienstig vlak. Het beeld dat opgericht wordt zal aanbeden worden. Dit beeld is gelijk aan “de gruwel der verwoesting” die in het midden van de 70-ste week opgericht zal worden. Dat beeld is aan het beest gewijd en zal kunnen spreken (door de invloed van de satan). Wie het beest niet aanbidt zal gedood worden. Vanaf de tweede helft van de 70-ste week zullen de mensen in de joodse staat een merkteken moeten aannemen. Dat geldt overigens ook voor de andere volkeren die onder de heerschappij van Babel terechtkomen.

De 33 jaar

Er zit een periode van 33 jaar tussen het eind van de 70-ste week en de aanvang van de duizend jaar. Als de Heer aan het eind van de 70-ste week op de Olijfberg terugkeert is er nog geen enkel volk aan de Heer onderworpen. De joodse staat is op dat moment vernietigd. Het gelovig overblijfsel is door de Olijfberg heen naar de woestijn gevlucht. De duizend jaar worden daarentegen gekenmerkt doordat er uitsluitend gelovige naties zijn. Er moet dus een periode zijn waarin men van “geen enkele gelovige natie” tot “de gelovige naties in het koninkrijk van de Heer” komt. De duur van die periode is wel te achterhalen, maar staat niet rechtstreeks in de Schrift. In Openbaring 12 : 1-6 wordt de opname van de Gemeente in symbolische taal beschreven. Openbaring 12 : 6 spreekt over de vrouw (Israël), die naar de woestijn vlucht om daar gevoed te worden gedurende 1260 dagen. De vlucht van de vrouw is van toepassing op de eerste helft van de 70-ste week, terwijl het voeden van de vrouw in de bestemde plaats op de tweede helft ervan duidt. Het vers spreekt dus over de hele 70-ste week van Daniël 9. Dat is een periode van zeven jaar. Nergens in de Schrift wordt gezegd dat de 70-ste week van Daniël ogenblikkelijk voorafgegaan wordt door de opname van de gemeente. Dat is zo, omdat er geen werkelijk verband tussen bestaat. De 70-ste week van Daniël heeft met Israël te maken, terwijl de opname met de Gemeente te maken heeft. De gebeurtenissen staan los van elkaar. Ik geloof dat de opname van de Gemeente aan het begin van de 70-ste week voorafgaat. Er kunnen enige dagen tussen zitten, maar zeker geen jaar. De eerste reden is die van Openbaring 12 : 5 en 6. In vers 5 wordt gesproken over de opname van de Gemeente. Vers 6 volgt met de beschrijving van de 70ste week. Beide verzen worden direct aan elkaar gekoppeld. Een ander argument hiervoor vinden we in Leviticus 12. Daar gaat het – typologisch gezien – over dezelfde vrouw als in Openbaring 12.

Leviticus 12 : 2-6

2  Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn.

3  En op den achtsten dag zal het vlees zijner voorhuid besneden worden.

4  Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn.

5  Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging.

6 ¶ En als de dagen harer reiniging voor den zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam ten brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer

Wanneer een vrouw een knechtje gebaard heeft, zal zij zeven dagen onrein zijn. Op de achtste dag zal het jongetje besneden worden. Daarna zal de vrouw 33 dagen blijven in het bloed van haar reiniging. Deze wet is aan Israël gegeven. Een wet is een schaduw van toekomende goederen en heeft daarom een profetische betekenis. Wanneer de vrouw een meisje gebaard heeft, is er sprake van een periode van 14 en 66 dagen. Het gaat hier om rituele onreinheid, die een profetische betekenis heeft. De letterlijke betekenis is natuurlijk ook van kracht. Hanna bracht haar zoon in de tempel. Maria, de moeder van de Here Jezus, voldeed ook aan deze wet (Lukas 2 : 22-24). In Openbaring 12 : 5 gaat het ook over een vrouw die een mannelijke zoon baart. Daarna (Openbaring 12 : 6) gaat het over de 70-ste week, een periode van zeven jaar.

Leviticus 12 : 2 Een vrouw kan geen zaad geven. Het zaad der vrouw is de aanduiding van de Messias (Genesis 3 : 15). De vrouw is Israël. Het Zaad is Christus. Hij was de Knecht des HEEREN. Een knechtje is geen normaal woord voor een jongetje. Het woord komt in deze betekenis alleen hier voor. Het is dus “een ongewoon jongetje”. Het is de mannelijke zoon in Openbaring 12, namelijk Christus, inclusief Zijn Lichaam.  De zeven dagen staan model voor zeven jaar. Aangezien de vrouw direct na de bevalling zeven dagen onrein is, is het ook zo dat de 70-ste week direct op de wegrukking van de Gemeente volgt. In het jaar dat de Gemeente opgenomen wordt, begint ook de 70-ste week. Het verbond dat bekrachtigd zal worden, zal in het jaar van de opname van de Gemeente plaatsvinden. “Volgens de dagen van de afzondering harer krankheid” wil zeggen, dat de vrouw net zo onrein is als bij de periodieke ongesteldheid. De maandelijkse onreinheid heeft als betekenis dat de vrouw onvruchtbaar is, omdat het bloed stroomt (denk aan de bloedvloeiende vrouw die door de Here Jezus genezen werd; Lukas 8).

Leviticus 12 : 3  Op de achtste dag werd het jongetje besneden. Het is het wegnemen van de omhulling (= dood) en het openbaren van hetgeen verborgen was (= opstanding). De mannelijke zoon zal onmiddellijk na de zeven jaar van de 70-ste week weer geopenbaard worden. De Zoon (Christus, inclusief Zijn Gemeente) zal aan het eind van de 70-ste week op de Olijfberg verschijnen. De Olijfberg zal dan doormidden scheuren.

Leviticus 12 : 4 De 33 dagen staan model voor 33 jaar. Er staat niet dat de vrouw veertig dagen achtereen onrein is. De onreinheid wordt als het ware onderbroken door de besnijdenis van het jongetje. “Niets heiligs aanroeren” wil zeggen dat de vrouw geen heilige voorwerpen mag aanraken. Ze mag niet tot het heiligdom (de tempel) komen.  In de toekomst (in de 33 jaar) is er geen tempel, want áls er dan al een soort tempel in de heilige plaats (in de zeven jaar) zou zijn, dan is die zeker aan het eind van de 70-ste week verwoest geworden.

Parallellen van 7 en 33

David. In de duizend jaar zal er wel een tempel zijn. Die zal dán pas gebouwd worden. In de 33 jaar wordt de tempel niet gebouwd. Van David wordt gezegd dat hij geen tempel mocht bouwen, omdat er bloed aan zijn handen kleefde. Vanwege het bloed was hij onrein. David regeerde ook 7 en 33 jaar. De parallel met David is niet toevallig.

1 Koningen 2 : 10

10 En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.

1 Kronieken 29 : 26, 27

26 Zo heeft dan David, de zoon van Isai, geregeerd over gans Israël.

27 De dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig.

“David regeerde veertig jaar, 7 jaar te Hebron en 33 jaar in Jeruzalem”. David is een type van de Here Jezus in Zijn wederkomst; in verband met de oprichting van het koninkrijk. Christus is de Zone Davids. De regeerperiode van David komt overeen met de tijd van de zesde bedeling, die uit 7 en 33 jaar bestaat. In de toekomstige periode van veertig jaar wordt het koninkrijk van de Heer opgericht. Sálomo is een beeld van Christus, als de Vredevorst in de duizend jaar. De naam Sálomo betekent “Zijn vrede”. Sálomo bouwde de tempel. De tempel zal pas in de duizend jaar gebouwd kunnen worden. David was reeds eerder gezalfd, maar moest wachten op het verdwijnen van Saul. Saul is een beeld van de Here Jezus in Zijn eerste komst in vernedering. David moest door te vluchten zich verbergen. Hij is een beeld van de verborgen Koning en Hogepriester, gedurende de vijfde bedeling. David werd aanvankelijk koning over de stammen van Juda en Benjamin te Hebron. Na zeven jaar kwam een afvaardiging van alle twaalf stammen aan David vragen of hij koning over hen wilde zijn. Hij veroverde Jebus en noemde die stad Jeruzalem. Het is de stad Davids (2 Samuël 5 : 5-7). Hebron is één van de Levietische vrijsteden. De vrijsteden zijn een beeld van de Gemeente, die in de hemel gesitueerd is in Christus. In profetische zin regeert de Heer in de 70-ste week over de twee stammen; echter niet letterlijk, maar vanuit de hemel. Na de 70-ste week zal de Heer over alle twaalf stammen Koning zijn. De 33 jaar hebben met alle twaalf stammen te maken.

2 Samuël 5 : 4, 5

4 Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.

5 Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israël en Juda.

1 Kronieken 3 : 4

4 Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.

“Te Hebron over Juda zeven jaar en zes maanden en te Jeruzalem 33 jaar over gans Israël en Juda”. Het halve jaar houdt verband met Openbaring 8 : 1. Het zevende zegel houdt verband met het einde van de 70-ste week. Het stilzwijgen van een half uur komt overeen met het halve jaar van David, na de periode van zeven jaar. Er wordt hier niet over 7,5 en 32,5 jaar, maar over 7,5 en 33 jaar gesproken.

Mozes. In Exodus 24 : 16-18 staat dat Mozes veertig dagen op de berg was; tot de zevende dag was hij in de wolk. Op de zevende kwam hij uit de wolk en ontmoette de Heer. Daarna nog 33 dagen, waarin de Heer met hem sprak. Dit was bij het begin van het oude verbond. Het heeft ook zijn toepassing bij het begin van het nieuwe verbond voor Israël. Mozes schuilde in de rots en dat is een beeld van Petra.

Thomas. De bekering van Thomas is een beeld van de bekering van Israël.

Johannes 20 : 19, 24

19 Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!

24 En Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.

Op de eerste dag der week was Thomas bij de verschijning van de Heer aan Zijn discipelen niet aanwezig.

Johannes 20 : 26-28

26 En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!

27 Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.

28 En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!

Na acht dagen verscheen de Heer weer. Toen was Thomas wel aanwezig en geloofde. Thomas geloofde op de achtste dag. Dat was na zeven dagen. Tussen de opstanding en hemelvaart van de Heer verliepen veertig dagen (Handelingen 1 : 3). Opnieuw een verdeling van 7 en 33 dagen.

Jozef. Jozef was 30 jaar oud toen hij onderkoning werd. De gevangenis is een beeld van de Gemeente. Er kwam een periode van zeven jaar van overvloed, gevolgd door zeven jaar hongersnood. In Genesis 50 : 22, 26 staat dat Jozef 110 jaar oud werd. Hij was 44 jaar toen de hongersnood voorbij was en regeerde daarna nog 66 jaar. In Egypte wordt alles dubbel gerekend. 7 en 7 en 66 jaar komen profetisch gezien overeen met 3,5 en 3,5 en 33 jaar. Bij de geboorte van een meisje was de vrouw tweemaal zo lang onrein (Leviticus 12). De 70-ste week bestaat uit zeven jaar van 360 dagen. Dit is 2520 dagen. Het eind van de 70-ste week is in het jaar 2003. Op onze kalender is dat het jaar 2002,8. De 33 jaar zijn ook jaar van 360 dagen. Dit is 11.880 dagen. Op onze kalender zijn 33 jaar gelijk aan 32,5 jaar. Het koninkrijk van de duizend jaar zal dus aanvangen in het jaar 2035,3. Dat is in het jaar 2036.

De tijd tussen het eind van de 69-ste week en het begin van de 70-ste week

Jozua 3 : 3, 4

3 En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, ziet, en de Levietische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na;

4 Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.

In Jozua 3 : 4 staat dat er tweeduizend ellen tussen de priesters met de ark des verbonds en het volk waren. Het volk trok van Sittim naar Gilgal via de Jordaan. Op de tiende van de eerste maand kwamen zij te Gilgal aan (Jozua 4 : 19). Sittim komt van dezelfde stam als het woord satan (= tegenstander). Sittimhout is een beeld van de oude natuur, die afgehakt moest worden en overtrokken werd met goud. Het principe: een oude schepping wordt een nieuwe schepping. Sittim komt overeen met de oude mens. “Afhakken van hout” komt overeen met de dood van de oude mens. “Overtrekken met goud” beeldt de nieuwe mens uit. Het is een beeld van wedergeboorte.  Gilgal heeft ook met “wedergeboorte” te maken. Als werkwoord betekent het “afwentelen” (Jozua 5 : 9). Als zelfstandig naamwoord is het “wiel” of “rad”. Het houdt verband met iets dat voor de tweede keer gestalte of vorm krijgt. Vandaar tweemaal de letters gimmel en lamed. In Gilgal werd het volk besneden (Jozua 5). Besnijdenis en het trekken door de Jordaan zijn een beeld van dood en opstanding. In Jozua 3 wordt over de wedergeboorte van Israël gesproken. Na een vertraging van drie dagen trok het volk door de Jordaan (Jozua 3 : 3). Na drie dagen of op de derde dag vindt altijd opstanding plaats. Het volk overnachtte voor de Jordaan. Dat is een beeld van de dood. Op de derde dag trokken zij er doorheen. Dat is een beeld van opstanding.

In Jozua 3 : 3 staat dat het volk de ark des verbonds moest navolgen. De ark van het verbond is volgens Hebreeën een type van de opgestane Heer. Zoals de ark de wet in zich bergde, zo droeg de Heer Jezus Gods Woord in Zijn binnenste. Jezus Christus is de overste Leidsman en is de gelovigen voorgegaan het heiligdom binnen. Het volk moet nu de ark (Christus) navolgen. Volgens vers 4 hoorde er een ruimte van tweeduizend ellen tussen het volk en de ark te zijn. Die afstand moest gehandhaafd worden. Reden: opdat het volk de weg zal weten, die ze moet gaan. Door die weg was het gisteren noch eergisteren niet gegaan. Dat zijn twee dagen, die op twee dagen van duizend jaar duiden. De wateren van de Jordaan vloeiden samen, zodat er een pad door de Jordaan kwam (Jozua 3 : 16). De priesters bleven met de ark op de bodem van de Jordaan staan (Jozua 3 : 8, 13, 17).

Daarna trok het volk over de Jordaan. Daarmee werd de afstand van tweeduizend ellen ingehaald. Daarna voegde de ark zich bij het volk. Het afdalen in en het opklimmen uit de Jordaan is een beeld van dood en opstanding. De ark is een beeld van Christus. De ark in de Jordaan is een beeld dat de Christus voor Israël dood is. Het volk geloofde niet in Zijn opstanding. De ark (de opgewekte Christus) bevindt zich op de bodem van de Jordaan (als in de dood). Alleen de priesters hebben deel aan de ark. Zij zijn een beeld van de Gemeente van Christus. Israël moet tweeduizend el inhalen. Dit is een beeld van tweeduizend jaar. Israël komt dán op dezelfde positie als de Gemeente. Zij zal de oude mens opgeven en met de levende Christus verbonden worden. De bodem van de Jordaan komt overeen met het uitgaan buiten de legerplaats en met Christus gestorven zijn voor de wereld. Op de andere oever komt de ark weer bij het volk. Dit is een beeld van de openbaring van de Christus aan een gelovig Israël. Dit vindt direct na het eind van de 70-ste week plaats; in de plaats Petra. Aan het eind van de 70-ste week wordt Israël wedergeboren. We rekenen nu tweeduizend ellen/jaar vanaf de dood en opstanding van Jezus Christus tot op het moment dat Israël sterft en opstaat, aan het eind van de 70-ste week. De opstanding van de Heer was op 17 nisan van het jaar 32. Dat is het jaar 31,4. De kruisiging was op  15 nisan. Tweeduizend jaar van 360 dagen = 720.000 dagen. 720.000 dagen : 365,24 dagen = 1971,3065 jaar + 31,4 = 2002,7065. Dit is in het jaar 2003. Dat is zeven jaar na de opname van de Gemeente. 7 x 360 = 2520 : 365,24 = 6,8995728 jaar. 2002,7065 – 6,8995728 = 1995,807. Dit is in het jaar 1996: in dat jaar kan de opname van de Gemeente plaatsvinden.

In Jozua 4 : 19 staat dat het volk op de tiende nisan uit de Jordaan kwam. Dat zou het einde van de 70-ste week zijn. Deze datum komt overeen met het einde van de 69-ste week, de dag van de intocht in Jeruzalem. Het ligt voor de hand te verwachten dat de Heer op de Olijfberg zal verschijnen op de tiende nisan, de dag van het in huis nemen van het paaslam.

Hoséa 6 : 1, 2

1 Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.

2 Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

Bij het begin van de derde dag vindt de wedergeboorte van Israël plaats. Dit zijn profetische dagen van elk duizend jaar. Dit lezen we in:

2 Petrus 3 : 8

8 Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.

Eén dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag; geciteerd uit Psalmen 90 : 4. De wederkomst van de Heer werd door hen verwacht en gepredikt. Zij hadden echter geleerd dat God lankmoedig is (2 Petrus 3 : 9). De tijd van de Gemeente is ertussen geschoven. De openbaring van het koninkrijk zou uitgesteld worden. De tijd ertussen is twee dagen, namelijk tweeduizend jaar. Dit komt weer overeen met de tweeduizend ellen. De wederkomst van de Heer is nog niet gekomen, opdat velen tot bekering kunnen komen. Twee dagen komen overeen met tweeduizend jaar (van 360 dagen). Het is de lengte van de tijd tot de wederkomst van Christus voor Israël op de Olijfberg, aan het eind van de 70-ste week.

2 Petrus 3 : 10

10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.

De dag des HEEREN zal komen als een dief in de nacht en begint aan het eind van de 70-ste week.

2 Petrus 3 : 15

15 En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft;

De lankmoedigheid van onze Heer (= het uitblijven van de wederkomst van de Heer) dienen we als zaligheid te achten. Petrus geeft een verwijzing naar de brieven van Paulus. Paulus heeft geleerd hoe het met Gods plan zit gedurende het uitblijven van de wederkomst van Christus. Petrus kende de aardse verwachting. Paulus kende ook de hemelse toepassing van het koninkrijk. Hij sprak over de roeping van de Gemeente, die tot stand komt in de tijd tussen de opstanding en opname van de Gemeente.

10. Daniël 10

Daniël 10 : 1-21

1 ¶ In het derde jaar van Kores, den koning van Perzie, werd aan Daniel, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.

2  In die dagen was ik, Daniel, treurende drie weken der dagen.

3  Begeerlijke spijze at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij gans niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren.

4  En op den vier en twintigsten dag der eerste maand, zo was ik aan den oever der grote rivier, welke is Hiddekel.

5  En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz.

6  En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem Zijner woorden was gelijk de stem ener menigte.

7  En ik, Daniel, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; doch een grote verschrikking viel op hen, en zij vloden, om zich te versteken.

8  Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.

9  En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.

10 ¶ En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieen, en de palmen mijner handen.

11  En Hij zeide tot mij: Daniel, gij zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.

12  Toen zeide Hij tot mij: Vrees niet, Daniel! want van den eersten dag aan, dat gij uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelven te verootmoedigen, voor het aangezicht uws Gods, zijn uw woorden gehoord, en om uwer woorden wil ben Ik gekomen.

13  Doch de vorst des koninkrijks van Perzie stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michael, een van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzie.

14  Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, hetgeen uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen.

15  En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.

16  En ziet, Een, den mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zeide tot Dien, Die tegenover mij stond: Mijn Heere! om des gezichts wil keren zich mijn weeen over mij, zodat ik geen kracht behoude.

17  En hoe kan de knecht van dezen mijn Heere spreken met dien mijn Heere? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.

18  Toen raakte mij wederom aan Een, als in de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij.

19  En Hij zeide: Vrees niet, gij zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want Gij hebt mij versterkt.

20  Toen zeide Hij: Weet gij, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Doch nu zal Ik wederkeren om te strijden tegen den vorst der Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen.

21  Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michael.

De eerste vraag die men zich na het lezen van het tiende hoofdstuk kan stellen, is: “Wat is er eigenlijk gebeurd?” Als we dit hoofdstuk beschouwen in het licht van de voorgaande hoofdstukken, dan kunnen we zelfs zeggen dat er eigenlijk niets bijzonders gebeurd is. In de voorgaande en volgende hoofdstukken wordt veel gezegd. Ze zijn erg gecomprimeerd. In Daniël 10 is niets aan rechtstreekse profetie te vinden. Het is alsof we een pas op de plaats maken, want het verhaal gaat pas in hoofdstuk 11 verder. Het bijzondere van het boek Daniël is dat we in de opeenvolgende hoofdstukken een nadere toelichting krijgen op het één of andere probleem, dat in één van de voorgaande hoofdstukken onduidelijk is gebleven. Dat is de logische opbouw van het boek. Na Daniël 9 houden we eigenlijk maar één vraag over. Dat is de vraag naar aanleiding van vers 26. Dat is de vraag naar de tijd die zou verlopen tussen de 69 weken en de 70-ste week. In de Daniël 9 ging het om de profetie van zeventig weken. Het is de tijd, die zou verlopen tot op het moment dat de Messias het koninkrijk over Israël zou beginnen op te richten. Die periode valt uiteen in 69 (7 + 62) weken en een 70-ste week. Er is een onderbreking gekomen in de tijd van de 70 weken. In Daniël 9 : 26 wordt daarover gezegd dat de Messias uitgeroeid zou worden en dat Hij Zijn koninkrijk niet zou hebben. Er zou een andere vorst komen. Het volk van die vorst zou de stad en het heiligdom verderven en er zou verwoesting komen tot het eind aan toe. Meer wordt over die tijd niet vermeld. Wij bevinden ons in die tijd tussen de 69 weken en de aanvang van de 70-ste week. Een groot deel van het N.T. spreekt over die tussenliggende periode. Daniël 10 illustreert de tijd die tussen de 69-ste en de 70-ste week gelegen is. Daniël 10 spreekt er wel over, maar verklaart eigenlijk niets.

Het derde jaar van Kores (vers 1), de koning van Perzië, is het jaar 534 voor onze jaartelling. Waarom “het derde jaar”? Het getal drie houdt verband met “opstanding”. Aan die opstanding gaat een periode van rust vooraf. De eerste dag is er de dood, de tweede de rust en op de derde is er de opstanding. De tweede dag blijkt in het geval van de Here Jezus een sabbat – een dag van rust – te zijn. Daniël 9 : 26 vermeldt de dood van de Messias. We zouden nu iets van Zijn opstanding verwachten en van de openbaring van Zijn koninkrijk aan Israël. Het derde jaar is een verwijzing naar wedergeboorte. Aangezien we met het volk van de Messias (Israël) te maken hebben, wijst het naar de wedergeboorte van Israël (Hoséa 6 : 2, 3). Kores was de koning van Perzië. Het woord “peres” betekent “verdeling”. Het koninkrijk is een verdeeld koninkrijk (Meden en Perzen). Het woord “peres” kan ook als “onderbreking” opgevat worden. Hoofdstuk 10 heeft overdrachtelijk gezien met de onderbreking te maken. Daniël betekent “Mijn rechter is God”. De naam Béltsazar is gewijd aan Bel, een god van de Babyloniërs. Daniël werd met twee namen aangeduid. Hij was de vertegenwoordiger van Israël. Daniël nam immers de middelaarspositie van Israël in (Daniël 9). De naam Béltsazar wordt genoemd, omdat God Zelf in deze tussenliggende periode (de onderbreking) het volk niet bij haar naam noemt. Het volk is nu “lo-ammi”. Daniël wordt aangeduid bij de naam, die hij onder de heidenen (in de ballingschap) draagt.

Aan Daniël werd een bepaalde zaak geopenbaard. Dit houdt in dat het om een zaak gaat die verborgen was. Dingen die geopenbaard worden, zijn verborgen. Een groot deel van het Nieuwe Testament houdt zich met het openbaren van verborgenheden bezig. Die verborgen dingen houden juist verband met hetgeen ná de verwerping van de Messias en voordat Hij weer zou worden aangenomen, gebeuren zou. We zouden moeten vragen wat er dan in hoofdstuk 10 geopenbaard wordt? Dat weten we niet, want het wordt niet vermeld. In dit hoofdstuk komt juist naar voren dat er iets verborgen is. Er is iets geheimzinnigs dat niet bekend gemaakt wordt. Het werd aan Daniël bekendgemaakt, maar hij heeft er verder niet over gesproken. Een zelfde situatie doet zich in Openbaring 10 voor. In dat hoofdstuk wordt echter over de verborgenheid gesproken (10 : 7). Daniël 10 spreekt ook over de verborgenheid. De zaak die aan hem geopenbaard werd, is de waarheid. In een gezette grote tijd wil zeggen, dat het verborgene met een grote tijd te maken heeft. Een andere vertaling is: “maar een groot heir”. Dan gaat het om een grote massa (mensen). “Een groot heir” is dan van toepassing op degenen die in de tijd van de onderbreking tot geloof zullen komen. Het is een verwijzing naar de totstandkoming van de Gemeente. Die Gemeente wordt in die grote gezette tijd gevormd. Het is een periode van 1993 jaar. Het (de bedeling van de genade) is de langste periode uit de hele heilsgeschiedenis.

Daniël begreep die zaak, want hij had verstand van het gezicht. Daniël 10 : 1 is eigenlijk het opschrift boven dit hoofdstuk. Vanaf vers 2 begint Daniël te vertellen, maar hij maakt niets duidelijk. Hij was treurende, gedurende 21 dagen. Er staat “drie weken der dagen”. De toevoeging “der dagen” geeft aan dat het om “dagen” gaat. Dit is niet altijd zo. In Daniël 9 gaat het om weken van jaar. Zijn treuren uitte zich in het niet vlees eten noch wijn drinken. Hij vastte. Dit is een beeld van dood en rouw. Hij beschouwde zich gedurende 21 dagen feitelijk als dood. Anders gezegd: tot ná twintig dagen. Hier zien we weer hetzelfde principe: na twee dagen en op de derde dag. Het gaat hier in overdrachtelijke zin om dood en opstanding. In vers 4 wordt de 24-ste dag van de eerste maand genoemd. De drie weken der dagen kunnen op de eerste dag van de eerste maand begonnen zijn. Nehemía treurde ook op de eerste dag van de eerste maand (Nehemía 2 : 1 v.v.). In dat geval zou het treuren van Daniël van de eerste tot de 21-ste van de maand nisan geduurd hebben. Dan zou het visioen op de 24-ste van die maand gezien zijn. Dit is echter niet zeker. Een andere mogelijkheid is immers dat de drie weken begonnen op de derde nisan. Wat ik er in profetische zin mee moet aanvangen, weet ik niet. De 21-ste dag is de laatste dag van het feest der ongezuurde broden. Dan blijft de vraag waarom er drie dagen tussen zitten. Ik kan alleen maar vaststellen dat het hier om dood en opstanding gaat. Ook het pascha en feest van ongezuurde broden spreken van dood en opstanding van Christus. Deze is mijns inziens correct, naar aanleiding van vers 12: “van de eerste dag aan”.

Daniël bevond zich aan de oever van de rivier de Hiddékel. Dit is de Tigris. De naam Tigris wordt in de Bijbel niet genoemd. Hiddékel wordt gebruikt vanwege de betekenis van deze naam. Hiddékel wordt vertaald met “een eenvoudig raadsel”. Een raadsel is de vraag naar iets dat verborgen is. Een raadsel spreekt over dingen zonder te zeggen wat ze inhouden. Het heeft daarom met de verborgenheid te maken. Een raadsel openbaart op zich niets. De naam Hiddékel houdt verband met het karakter van Daniël 10. Het is de derde rivier uit Genesis 2 : 14. Het getal drie wijst op opstanding en belofte. Een rivier is een beeld van leven. Een rivier heeft stromend (= levend) water en duidt derhalve op eeuwig leven. Het eeuwige leven is door de opstanding van Christus tot stand gekomen. Dat gebeurde op derde dag; vandaar de derde rivier. Daniël hief zijn ogen op (vers 5). Het opheffen van de ogen is al een beeld van opstanding. Na de slaap (= dood) heft men zijn ogen op. Hij zag één man, met linnen bekleed. Linnen is een beeld van de rechtvaardigheden der heiligen (Openbaring 19 : 8). Wit linnen is een beeld van de nieuwe mens, in tegenstelling tot wol (= de oude mens). Linnen wijst op opstanding en het resultaat daarvan. Een man met linnen is een beeld van de opgewekte Christus.

Lendenen staan voor voortplanting. Omgord met goud van Ufaz. Goud is een beeld van eeuwigheid. Hij brengt eeuwig leven en veel zaad voort. Zijn lichaam was gelijk een turkoois. De betekenis van de edelstenen is moeilijk te bepalen, omdat de vertaling van de Hebreeuwse en Griekse woorden niet vaststaat. Een edelsteen is in het algemeen een beeld van nieuw leven. Edelstenen zijn gewone stenen die een weg van lijden en verdrukking achter de rug hebben, waardoor ze edel geworden zijn. Als ze geslepen zijn, schijnt het licht erdoor. Bliksem is vuur vanuit de hemel. Het houdt verband met God Die Zich openbaart (vergelijk Matthéüs 24 : 27-30). Bliksem gaat gepaard met de donder. Donder is een uitbeelding van God Die spreekt. Hij had ogen als vurige fakkels. Een fakkel geeft licht evenals de ogen. Het Hebreeuwse woord voor oog betekent eveneens “bron”. Ogen ontvangen niet slechts licht, maar er gaat ook iets van ze uit (“sprekende ogen”). Vuur is een beeld van de Geest (Handelingen 2) en van oordeel.

Koper is een uitbeelding van de mens die een zondaar was, maar die geoordeeld wordt/werd. Koper spreekt over verzoening. Gepolijst koper is koper met een glans. Door de verzoening met God is eeuwig leven (glans) mogelijk. De stem van Zijn woorden als de stem van een menigte. Dit duidt op de Gemeente, die deel uitmaakt van Christus. De beschrijving doet sterk aan die van Openbaring 1 : 13-15 denken, waar het om de Heer gaat. Hier kan het de Heer niet zijn, want Michaël komt hem te hulp om langs de vorst van Perzië te komen. Michaël is een beeld van de Here Jezus Christus. Deze man is een engel des HEEREN. Een andere mogelijkheid is dat deze man, wiens naam verborgen is, een beeld is van de Heer gedurende de tijd van de Gemeente en dus de verborgenheid van het koninkrijk, terwijl Michaël de Heer is in verband met het volk Israël en de openbaring van het koninkrijk. Een zelfde situatie doet zich voor in het boek Ruth (“zulk één” en Boaz) en in Genesis 24 (de knecht van Abraham en Izak). Daniël werd alleen overgelaten. Hij is een beeld van het gelovig overblijfsel. De anderen vluchtten weg. Alleen aan gelovigen maakt God Zijn verborgen dingen bekend. Daniël viel echter in een diepe slaap op zijn aangezicht (vers 9). Dit houdt verband met de verborgenheid. In Daniël 8 : 18 lazen we hetzelfde. Er wordt een stuk overgeslagen. Er gebeurt van alles tijdens die slaap, maar Daniël is er niet echt bij betrokken. Het is een beeld van “dood”.

Daarna werd hij aangeraakt. Daardoor bewoog hij zich. “Bewegen” is een uitdrukking van leven. Daarna werd Daniël opgeroepen om op zijn standplaats te gaan staan. Dat is een beeld van opstanding. Het is een uitbeelding van de wedergeboorte van Israël. Vanaf de eerste dag van Daniëls gebed was deze man onderweg geweest. Hij was 21 dagen onderweg, omdat de vorst van het koninkrijk van Perzië tegenover hem stond (vers 13). Na drie weken openbaarde een engel van de Heer zich aan Daniël. Dit is een beeld van de tijd tussen de 69-ste week en het einde van de 70-ste week. In de tegenwoordige bedeling is de Heer verborgen. De derde nisan duidt op de derde dag; de dag van de opstanding. De 24-ste nisan wijst op de wedergeboorte van het joodse volk (aan het einde van de 70-ste week). De 21 dagen zijn een type van de tijd tussen de opstanding van Christus en het einde van de 70-ste week: Ná twintig dagen (21-ste dag); zie Hoséa 6 : 1, 2. Het is een type van de tijd van de Gemeente plus de 70-ste week. De vorst van het koninkrijk van Perzië is een engelen-vorst, die in de hemel de supervisie over het koninkrijk van de Perzen heeft. Dit is geen aardse koning of machthebber. Het gaat hier om een visioen. Het gaat om een breuk; de komst van deze Man wordt ook onderbroken (tegengehouden). De vorst van Perzië duidt op het feit dat er een onderbreking is in de ontwikkeling van de heilshistorie in verband met de aarde.

Michaël is de Vorst van Israël (Daniël 12 : 1). Hij is één van de eerste vorsten. Israël is het eerste, hoogste volk voor God, wanneer het trouw is. De onderbreking blijkt ook uit Daniël 10 : 14, waar over “het vervolg der dagen” gesproken wordt. Er staat letterlijk: in het laatste der dagen. Die dagen houden verband met “uw volk” (het volk van Daniël). Er was een afsluiting aan het eind van de 69-ste week geweest. Toen begon de onderbreking. Daniël werd stom (sprakeloos). Dit is een beeld van de positie van Israël. In de tegenwoordige bedeling spreekt Israël niet. Het volk is onder de heidenen verstrooid. Lieden van een belachelijke tong zullen tot háár spreken (Jesaja 28 : 11). Daarmee wordt de Gemeente bedoeld. Daniël had het één en ander gezien, maar dat had hem zo aangegrepen dat hij weeën over zich had en geen kracht behouden had. Hij moet uit dit visioen hebben begrepen dat Israël bijna tweeduizend jaar “lo-ammi” (= niet-Mijn volk) zou zijn. Dat moet hem zeer aangegrepen hebben. Die onderbreking was voor hem zó erg, dat hij als het ware geen leven meer in zich had (vers 17). Het woord voor adem is “neshamah”. Het is het woord voor het levensbeginsel dat bij God vandaan komt (vergelijk Genesis 2 : 7). Daniël werd opnieuw aangeraakt (vers 18). Dit was al voor de derde keer. De eerste keer stond in vers 10, de tweede keer in vers 16. Vers 19 spreekt over “vrede”. Er zal vrede voor Israël komen. Er is communicatie tussen deze Man en Daniël. Het is een beeld van de communicatie tussen de Heer en Israël. Vandaar ook: “wees sterk”.

De Man zal wederkeren. Het is een beeld van de wederkomst van de Heer. Hij zal strijden tegen de vorst der Perzen. Bij de wederkomst van Christus wordt de breuk in de geschiedenis van Israël geheeld. Daarna zal de vorst van Griekenland komen. Uit Daniël 8 bleek dat er een herstel van een Grieks wereldrijk zal plaatsvinden. Na de komst van de Heer op de Olijfberg krijgt Israël met die vorst over het herstelde Griekse rijk te maken. Dat is het beest uit de zee (de kleine hoorn), die in Babel zal zetelen. Dit is uiteraard de overdrachtelijke betekenis. Het is ook letterlijk waar. Op allerlei manieren blijkt hoofdstuk 10 met de verborgenheid te maken te hebben. Het hoofdstuk is op zich een onderbreking.

11. Daniël 11

Daniël 11 : 1-45

1 ¶ Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, den Meder, om hem te versterken en te stijven.

2  En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzie staan, en de vierde zal verrijkt worden met groten rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.

3  Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.

4  En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen, dan deze.

5 ¶ En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.

6  Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkander bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.

7  Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen.

8  Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven den koning van het Noorden.

9  Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken.

10  Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.

11  En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijn hand gegeven worden.

12  Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.

13  Want de koning van het Noorden zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren, zal hij snellijk komen met een grote heirkracht, en met groot goed.

14  Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden, om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen.

15  En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.

16  Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.

17  En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn.

18  Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.

19  En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden.

20  En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, nochtans niet door toornigheden, noch door oorlog.

21 ¶ Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.

22  En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst des verbonds.

23  En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden.

24  Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden zijn gedachten denken, doch tot een zekeren tijd toe.

25  En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.

26  En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht deszelven zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.

27  En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.

28  En hij zal in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en wederkeren in zijn land.

29  Ter bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize.

30  Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal wederkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds.

31  En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.

32  En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.

33  En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.

34  Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.

35  En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.

36  En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.

37  En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.

38  En hij zal den god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.

39  En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs.

40  En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.

41  En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons.

42  En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.

43  En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.

44  Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.

45  En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeen aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.

Het eerste vers van Daniël 11 is nog steeds onderdeel van het betoog van de engel die tot Daniël kwam (Daniël 10). Met “Ik” wordt die engel bedoeld. Deze ontmoeting van de engel met Daniël vond in het derde jaar van Kores plaats (Daniël 10 : 1). Voordat Kores zelf aan het bewind kwam, was Darius de Meder twee jaar aan het bewind geweest. Daniël 11 : 1 is het jaar 538 vóór onze jaartelling. Er zullen nog drie koningen in Perzië opstaan. En een vierde zal verrijkt worden (vers 2). Daniël 11 : 3 spreekt over Alexander de Grote. Hij wordt “een geweldig koning” genoemd. Voor Alexander de Grote zouden er nog drie koningen in Perzië staan. Op het moment dat dit gezegd wordt, was er dus al minstens één koning van de Perzen geweest. Daniël 11 : 1 spreekt over Darius, de Meder. Hij was niet de eerste koning van de Perzen. Kores (Cyrus) was de eerste, maar hij wordt hier niet genoemd. Hij regeerde op het moment dat dit gezegd werd (Daniël 10 : 1). Daarom kan de uitspraak van Daniël 11 : 1 niet in de mond van Daniël gelegd worden. Deze gegevens zijn profetisch, want ze zijn tevoren voorzegd. Uit Daniël 11 : 4 blijkt dat de grote koning uit Daniël 11 : 3 Alexander de Grote moet zijn. Zijn rijk werd na zijn dood onder vier van zijn generaals verdeeld. Die generaals waren niet zijn lijfelijke nakomelingen. Dit komt overeen met Daniël 8 : 8. Het rijk van Alexanders opvolgelingen zou niet de majesteit en heerschappij kennen die het ten tijde van Alexander zelf had. Alexanders ideaal was een eenheid in de wereld, onder de invloed van de Griekse cultuur.

De geschiedenis leert dat er veel strijd was tussen de vier delen van het rijk. Die strijd wordt hier ook in Daniël 11 beschreven. Van de vier rijken zijn de koning van het noorden en die van het zuiden het belangrijkst. Deze beide koningen komen in dit hoofdstuk voor. De koning van het zuiden was Ptolemaeus I (Soter = redder; 367 – 283 v. C.), die over Egypte (en Libië) regeerde. De koning van het noorden was Seleucus I (Nicator = overwinnaar; ca. 356 – 281 v. C.). Hij regeerde over een deel van Syrië, Babylonië, Perzië tot aan Afghanistan en India toe. Daarnaast was er Lysimachus, die over Klein-Azië en Thracië regeerde. De vierde is Cassander, die over Macedonië in Griekenland heerste. De grenzen lagen overigens niet zo nauwkeurig vast, want die veranderden door de tijd heen steeds. Voordat deze verdeling tot stand kwam maakten deze vier legeraanvoerders onderling ruzie. Achteraf is gemakkelijk uit de ongewijde geschiedenis te herleiden wat in het eerste deel van Daniël 11 reeds geprofeteerd werd.

Vanaf Daniël 11 : 5 gaat de geschiedenis verder met de strijd tussen opvolgers van de koning van het zuiden en de koning van het noorden. Het is de strijd tussen de dynastie der Ptolemaeën en de dynastie van de Seleuciden. De termen “noorden” en “zuiden” worden gezien vanuit het land Palestina. Syrië en Babylonië worden vanuit Israël gerekend tot het noorden (en oosten). Ten zuiden van Judéa lag Egypte. Aangezien beide vorstenhuizen onderling strijd voerden, kwamen ze vaak door het grondgebied van Judéa. De geschiedenis van Judéa werd bepaald door de strijd van deze beide dynastieën. In vers 5 staat letterlijk: “En hij zal sterk worden, de koning van het zuiden…” “Die één van zijn vorsten is” slaat op de koning van het zuiden. Hij is één van de vier vorsten. Daartegenover staat een andere vorst, die sterker dan de koning van het zuiden zal worden. Eén van de ondergeschikten van Ptolemaeus zou machtiger dan hijzelf worden en voor zichzelf beginnen. Deze ondergeschikte was de koning van het noorden, namelijk Seleucus. Aanvankelijk heerste Ptolemaeus ook over Syrië en Babylonië. Seleucus maakte zich zelfstandig en nam een deel van het rijk van Ptolemaeus over. Ptolemaeus was in oorlogen verwikkeld. Toen nam Seleucus van de gelegenheid gebruik om een deel van het rijk over te nemen. Dit gebeurde in ± 312 voor onze jaartelling. Toen werd hij de koning van het noorden, zoals ook uit vers 6 blijkt. In het jaar 312 begon het tijdperk van de Seleuciden.

Daniël 11:6 leert dat de koning van het noorden en die van het zuiden vriendschap zouden sluiten. De dochter van de koning van het zuiden werd uitgehuwelijkt aan de koning van het noorden. In die tijd was de koning van het noorden Antiochus II (Theos). Hij was getrouwd met Laodice, die hem aanspoorde om oorlog tegen de koning van het zuiden te voeren. De koning van het zuiden was toen Ptolemaeus Philadelphos; ± 309 – 247 voor de gewone tijdrekening. De oorlog werd beëindigd door een huwelijk tussen Antiochus II en Berenice (Veronica), de dochter van Ptolemaeus II (Philadelphos). Toen verstootte Antiochus zijn vrouw Laodice. Dit gebeurde ongeveer in het jaar 252 voor onze jaartelling. De zoon van Laodice werd onterfd. De kinderen uit het nieuwe huwelijk zouden erfgenamen zijn van zowel het rijk van het noorden als van het zuiden. “Zij zal de macht des arms niet behouden”. “Arm” staat voor kracht en invloed. Degene die haar verwekt heeft, is Ptolemaeus Philadelphos. Hij is ook degene die haar gebracht heeft (met zijn gevolg). Hij zou sterven. De overeenkomst kwam op losse schroeven te staan. Antiochus verstootte Berenice en nam zijn vroegere vrouw Laodice terug. Berenice werd door Laodice vermoord, maar zij vermoordde ook haar man. Zij gaf het koninkrijk over aan haar onterfde zoon. Deze heette Seleucus II (Callinicus; -265 tot -226). Hij kwam op de troon in het jaar 246 voor onze jaartelling.

Iemand uit de spruit van haar wortels zal opstaan en tegen de koning van het noorden strijden (Daniël 11 : 7). Het gaat hier over Berenice. “Haar wortels” is de aanduiding van haar ouders. “Een spruit” was de broer van Berenice, die Ptolemaeus III (Euergetus = weldoener; ± -280 tot -222) heette. Hij werd in 246 koning en breidde het Egyptische Rijk uit tot de Eufraat, waarmee het zijn grootste omvang kreeg. Dat wordt in vers 7 omschreven. Uit Daniël 11 : 8 blijkt dat Ptolemaeus III de schatten uit de heiligdommen van het gebied van de koning van het noorden haalde en naar Egypte bracht. Hij overleefde de koning van het noorden, want hij regeerde vier jaar langer. Toen hij de koning van het noorden onderworpen had, keerde hij naar Egypte terug (vers 9). Vers 10 spreekt over de twee zonen van Seleucus II. Zij namen het rijk in 226 na de dood van hun vader over. Eerst werd hij opgevolgd door Seleucus III (Keraunus), die regeerde van -226 tot -223. Hij stierf en werd door zijn broer Antiochus III de Grote opgevolgd. Zij zouden naar Egypte optrekken om hun vader te wreken. Zij hebben hun oude vesting Seleucia heroverd. Dat wordt hier “zijn sterke plaats” genoemd. Seleucia werd noordelijk van Babel gebouwd.

De koning van het zuiden zou verbitterd worden (Daniël 11 : 11). Dit was Ptolemaeus IV (Philopater). De koning van het noorden was toen Antiochus III (de Grote). Zij bestreden elkaar met een grote menigte. Ptolemaeus onderwierp Antiochus. Dat gebeurde in de slag bij Rafia (in Gaza). Antiochus werd schatplichtig gemaakt aan Ptolemaeus. Antiochus (Daniël 11 : 12, 13) werd onderworpen aan Ptolemaeus. De koning van het noorden kwam echter in opstand met een grotere menigte. Hij zou tegen de koning van het zuiden strijden. De dood van Ptolemaeus IV was in het jaar – 205. Hij werd opgevolgd door Ptolemaeus V (Epiphanes = de geopenbaarde). Antiochus III overwon grote gebieden van Ptolemaeus. Daardoor kreeg hij de bijnaam “de Grote”. Er werd een complot gesmeed tegen de koning van het zuiden (Daniël 11 : 14). Antiochus de Grote maakte een verbond met Philippus van Macedonië om samen tegen Egypte te strijden. Met “de scheurmakers uws volks” worden joden bedoeld, die in het verbond betrokken waren. Zij schaarden zich aan de zijde van de koning van het noorden (Daniël 11 : 15, 16). Hij (met zijn bondgenoten) zou de koning van het zuiden verslaan. Antiochus de Grote versloeg Egypte. Hij veroverde de stad Sidon. Bekend is de slag bij Panium in -198. “Hij die tegen hem komt” is van toepassing op de koning van het noorden. Hij zou de koning van het zuiden onderwerpen. Ook zou hij in het land des sieraads staan. Daarmee wordt Judéa bedoeld. Judéa werd ook onderworpen aan Antiochus III.

In -198 kwam Antiochus III een huwelijk overeen tussen zijn dochter Cleopatra en de koning van het zuiden (Daniël 11 : 17), namelijk Ptolemaeus V (Epiphanes). Dit is niet de bekende Cleopatra (-31). Het was de bedoeling om de rijken samen te brengen onder één hoofd. Antiochus probeerde de macht in Egypte te krijgen. “Om haar te verderven” wil zeggen: hij gaf zijn dochter op. Zij wilde niet met Ptolemaeus trouwen. “En zij zal voor hem niet zijn” houdt in: het huwelijk ging niet door. Daniël 11 : 18: Het plan van de koning van het noorden om in Egypte aan de macht te komen, zou mislukken. Hij keerde zich toen tegen de eilanden en nam er vele in; eilanden als Cyprus en Kreta. Een overste versloeg hem. Deze overste was de Romeinse generaal Lucius Cornelius Scypio Asiaticus. “Asiaticus” is een bijnaam, want hij werkte in Klein-Azië. Hij versloeg in -190 Antiochus in de slag bij Magnesia. Antiochus wilde sterkten (= vestingen) in zijn eigen land opbouwen en versterken, zowel in het oosten als in het westen (Daniël 11 : 19, 20). Dat kostte veel geld. Daartoe heeft hij de tempel van Belus of Jupiter in Elymaïs beroofd. Bij die gebeurtenis werd hij gedood (in 187 v.g.t.). De opvolger van Antiochus de Grote was Seleucus IV (Philopater). Hij regeerde van -187 tot -176. Hij stuurde een geldeiser (o.a. naar Juda) die Heliodorus heette. Hij moest de schatten uit de tempel des HEEREN in Jeruzalem weghalen. “Hij zal in enige dagen gebroken worden” = Seleucus IV werd door Heliodorus vermoord.

Een “verachte, die men de koninklijke waardigheid niet zal geven”, uit Daniël 11 : 21, is iemand die niet voor het koningschap in aanmerking kwam. De opvolger van Seleucus IV was deze verachte. Hij zou via politieke intriges aan de macht komen. Met de verachte wordt Antiochus IV (Epiphanes) bedoeld. Deze figuur is gelijk aan de kleine hoorn, die in Daniël 8 : 9 v.v. reeds genoemd werd. Hij was de jongere broer van Seleucus IV; niet zijn zoon. Hij kreeg het koningschap toch te pakken. Zijn helper was Eumenes. Antiochus kreeg ook militaire macht (Daniël 11 : 22). Hij had grote macht en invloed. Ook de vorst des verbonds moest voor hem buigen. “De vorst des verbonds” is de aanduiding van de hogepriester in Israël. Priesterschap heeft immers met het verbond te maken. Uit de ongewijde geschiedenis blijkt dat de functie van hogepriester voor een aanzienlijk bedrag aan een zeer goddeloos persoon werd gegeven. Antiochus had een gruwelijke hekel aan het jodendom. Nadat anderen met hem een verbond aangingen, zou hij bedrog plegen (Daniël 11 : 23) Hij vond bondgenoten onder de joden, maar hij sloot ook een verbond met de koning van het zuiden, Ptolemaeus VI (Philometer). Antiochus hield zich niet aan het verbond. Hij had maar weinig volk met zich, maar werd wel gesterkt (in zijn macht). Hij wordt daarom ook “een kleine hoorn” genoemd.

“Vette plaatsen” uit Daniël 11 : 24 zijn belangrijke, vruchtbare plaatsen (wat de economie betreft). Hij zou roof, buit en goederen uitdelen. Hij pleegde verraad ten opzichte van het volk. Hij stal van de één iets en gaf het aan de ander om die persoon voor zich te winnen. “Hij zou tegen de vastigheden zijn gedachten denken” wil zeggen dat hij plannen maakte om de vestingen te veroveren. Het was de tijd er nog niet voor. Antiochus IV (Epiphanes) (de koning van het noorden) zou met een groot leger tegen Ptolemaeus VI (de koning van het zuiden) strijden (Daniël 11 : 25). Deze laatste was zijn neef. Dit gebeurde in – 171. De koning van het zuiden werd verslagen. “Zij zullen gedachten tegen hem denken” wil zeggen dat zijn eigen legeraanvoerders verraad pleegden bij de slag bij Pelucium. De mensen van zijn eigen hofhouding (van de koning van het zuiden) pleegden verraad tegen hun vorst (Daniël 11 : 26, 27). Zijn leger werd verslagen. Beide koningen zouden kwaad willen doen. Zij beloofden elkaar veel, maar het waren leugens. Bij de ontmoeting tussen beide koningen werden afspraken gemaakt, maar zij waren niet van plan zich daar aan te houden. Antiochus keerde uit Egypte terug naar zijn land met veel goederen (Daniël 11 : 28). Toen keerde hij zich tegen het heilig verbond. Hij was onderweg vanuit Egypte naar het noorden en kwam door Judéa. Bij die gelegenheid werd de tempel geplunderd en vele joden werden gedood. Dit is in de apocriefe boeken beschreven.

Daniël 11 : 29, 30: In hetzelfde jaar trok Antiochus opnieuw op tegen Egypte. Nu kon hij echter niet overwinnen, want Ptolemaeus had steun gevonden bij Rome. Antiochus moest zich overgeven aan de Romeinse vloot onder leiding van Popillius. Hij moest Cyprus, één van de eilanden, die hij veroverd had, afstaan aan Rome. Hij moest ook Egypte verlaten. Bij zijn terugkeer via Judéa werd hij opnieuw toornig op de joden (het heilig verbond). Hij schonk gunsten aan de joden die bereid waren hun godsdienst af te zweren. Zij worden “de verlaters des heiligen verbonds” genoemd. Afvallige joden ontvingen van hem gunsten (macht, eer, positie). Het heir zou immers in de afval overgegeven worden (Daniël 8 : 13, 23). “Armen” uit Daniël 11 : 31 zijn legers. Zij zouden het heiligdom ontheiligen. “De sterkte” is mogelijk Jeruzalem. Er staat “het heiligdom, de sterkte”. Dit kan ook opgevat worden als “het heiligdom, namelijk de sterkte”. Het heiligdom is een vesting. Het heiligdom staat in de sterkte Jeruzalem. Het gedurige offer zou weggenomen worden en een verwoestende gruwel gesteld worden. Dit was de grootste gebeurtenis van Antiochus Epiphanes in verband met het jodendom. Hiermee wordt het afgodsbeeld bedoeld. Daarover spreekt ook Daniël 7 : 25; 8 : 10-13, 24, 25; 9 : 26, 27 en Openbaring 13 (het beeld van het beest). Dit is in het verleden gebeurd, maar het wijst tevens naar het midden van de 70-ste week. Er werd een afgodsbeeld opgericht dat aan Zeus of Jupiter gewijd was en er werden varkens geofferd. De joodse godsdienst – de besnijdenis – werd verboden.

Daniël 11 : 32: Hij zou afvallige joden via vleierijen (= beloften, privileges) laten huichelen. De joden die niet bereid waren hun godsdienst op te geven, werden vervolgd en gedood (dood gemarteld). Dit is beschreven in de (apocriefe) boeken van de Makkabeeën. De geschiedenis van Antiochus IV Epiphanes vond in het verleden plaats, maar deze staat tevens model voor de toekomst, zoals uit Daniël 8 is gebleken. In de kommentaren op Daniël 11 zijn, wat betreft vers 1 – 32, weinig verschillen op te merken. Vanaf vers 33 lopen ze erg uiteen. Men kan de gegevens niet meer plaatsen. De gebeurtenissen van vers 1 – 32 zijn eenvoudig in de ongewijde geschiedenis terug te vinden. Vers 33 en daarna echter niet. Dat toont al aan dat het in het verleden niet vervuld is. De geschiedenis springt over van Antiochus Epiphanes naar de figuur die in de eindtijd, rond de 70-ste week, zal komen. Hij zal uiteindelijk de koning van Babel zijn. Wat in Daniël 11 : 31, 32 beschreven staat is precies hetzelfde als hetgeen gebeuren zal in het midden van de 70-ste week. Het jodendom zal van haar eigen godsdienst afgetrokken worden; maar er zijn er ook die hun God wél kennen. Zij zullen vervolgd worden.  Er zijn drie verschillende theorieën onder evangelische christenen in omloop. De eerste is dat vanaf Daniël 11 : 31 overgesprongen wordt naar de toekomst. De tweede is dat het al in vers 21 gebeurd. Het verschil is echter niet zo groot, omdat in vers 21 al over dezelfde figuur gesproken wordt (Antiochus IV), die een type van de vorst van de eindtijd is. Sommigen vinden dat er vanaf vers 5 al over de eindtijd gesproken wordt. Dat laatste is echter problematisch in verband met de uitleg van de gebeurtenissen. Sir Robert Anderson noemde in “The Coming Prince” de overgang in vers 31, met de mogelijkheid van vers 21.

Daniël 11 : 33 : De leraars van het volk zullen er velen onderwijzen. Het woord “leraar” wordt ook in vers 35 genoemd en daarna in Daniël 12 : 3. Het woord betekent eigenlijk: “degene die wijs/verstandig is”. Men heeft het met “leraar” vertaald, omdat zij velen zullen onderwijzen (letterlijk: “instrueren”, “begrip/inzicht geven”). Het gaat erom dat zij wijs zijn. Deze verstandigen zijn de joden, die op zijn minst vasthouden aan het oude verbond, aan de Schrift. Zij zullen echter vervolgd worden. Sommigen menen dat deze wijze mensen de leiders van de Makkabeeën zijn geweest. Als we de geschiedenis van de Makkabeeën lezen is echter niet goed vast te stellen dat zij gelovigen waren. Zij hielden wel vast aan hun eigen tradities. Als zij vallen (Daniël 11 : 34), zullen zij met een kleine hulp geholpen worden. Dit slaat op de verovering door de Makkabeeën. De tempel werd terugveroverd en de joodse eredienst werd weer hersteld. Onder die herstelde eredienst kwam de Here Jezus later op aarde. Hij had niet zoveel goede woorden over voor het traditionele jodendom in Zijn dagen. Die kleine hulp zou van de Heer kunnen komen, hoewel dat niet vaststaat. Velen zouden zich door vleierijen bij hen aansluiten. Dit wil zeggen dat zij dat niet vanuit oprechtheid deden. Het was een politieke strijd. De mensen sloten zich aan bij degenen van wie zij het meest verwachtten. Anderen laten deze gebeurtenissen slaan op de tijd van de Here Jezus en Zijn apostelen. Als we deze verzen van toepassing brengen op de dagen van de Makkabeeën, dan zullen we evengoed nog een sprong naar gebeurtenissen in de toekomst moeten maken. De reden daarvoor is dat hier dezelfde begrippen gebruikt worden als in Daniël 9 :27 en in Daniël 8. Daarom heb ik er ook niet zoveel moeite mee deze verzen op de dagen van de Here Jezus en de apostelen van toepassing te brengen en zelfs nog op de dagen van de Gemeente. Dan hebben we op een vrij natuurlijke wijze de verbinding tussen het verleden en de toekomst gelegd. De uitdrukking “kleine hulp” is ook op de dagen van de Gemeente van toepassing, waarbij eveneens sprake is van de inwijding van een – overigens geestelijke – tempel. “De verstandigen des volks” (vers 33) is dan van toepassing op de Here Jezus en de apostelen; de gelovigen van die dagen. Zij zouden via hun prediking onderwijzen. In Handelingen der apostelen lezen we van de vervolging van de apostelen en gelovigen. Aanvankelijk werden ze met een kleine hulp geholpen. De boodschap ging in het begin met vele wonderen gepaard; later niet meer. Velen zullen zich door vleierijen tot hen voegen. Een goed voorbeeld daarvan is Constantijn de Grote, de keizer van Rome. Hij vond het uit politieke overwegingen belangrijk om tot het christendom over te gaan. Zijn toetreding geschiedde niet op grond van geloof. Op die wijze werd het christendom een politieke aangelegenheid. Dit gebeurt vandaag de dag nog steeds. Persoonlijk denk ik dat de toepassing op de hele bedeling van de genade meer voor de hand ligt, dan de toepassing op de tijd van de Makkabeeën. Er wordt in ieder geval een sprong gemaakt vanuit die dagen naar de toekomst.

Daniël 11 : 35: Er zijn nog steeds verstandigen, van wie sommigen zullen vallen. Er was vervolging binnen de kerk. Een minderheid in de kerk was werkelijk gelovig. Het louteren heeft tot doel dat degenen die wel gelovig zijn onderscheiden worden van degenen die veinzen (vergelijk 1 Korinthe 11). Er staat bij: “tot de tijd van het einde toe, want het zal nog zijn voor een bestemde tijd”. In Daniël 8 : 17 stond: “… want dit gezicht zal zijn tot (= doelt op) de tijd van het einde (Hebreeuws: le eth keetz)”. In Daniël 11 : 35 staat: ad eeth keetz (= tot tijd van einde). De laatste uitdrukking komt ook in Daniël 12 : 4, 9 voor. In Daniël 8 bleek het gezicht zich tot de tijd van het einde uit te strekken. Dat geldt ook voor Daniël 11. “Want het zal nog zijn voor een bestemde tijd” betekent dat het nog een lange tijd zal duren, voordat deze woorden vervuld zijn. Deze gebeurtenissen zijn dus niet vervuld in de dagen van de Makkabeeën. Het ligt voor de hand om de gehele periode tussen het eind van de 69-ste en de 70-ste week daarin te betrekken. De uitdrukking “ter bestemder tijd” treffen we in Daniël 8 : 19 aan, nadat Daniël in een diepe slaap gevallen was. Die slaap duidt op de onderbreking. Daniël 11 : 35 v.v. spreekt ook over de tijd van het einde. Die gebeurtenissen zullen zich uitstrekken tot het eind van de 70-ste week. Vanaf vers 36 zijn de gebeurtenissen in elk geval nog onvervuld. Als we vers 31 – 35 op de dagen van Antiochus en de Makkabeeën van toepassing zouden brengen, dan zijn we vanaf vers 35b toch gedwongen om over te springen naar de toekomst, omdat daar naar verwezen wordt met de woorden “tot de tijd van het einde”. Vanaf vers 36 wordt over zaken van de toekomst gesproken. Bovendien spreken de verzen 31 tot en met 35 zowel over het verleden als over de toekomst. De lijn van het verleden houdt in vers 35 op. De lijn van de toekomst begint in vers 30 of zelfs al in vers 21. Zodra van Antiochus IV gesproken wordt (vers 21) is dit tevens profetisch voor degene waarvan hij een type is. De beschrijving van de daden van deze koning van het noorden komt overeen met beschrijvingen in Daniël 7, 8 en Openbaring 13. Er worden drie dingen genoemd: Hij zal zich verheffen boven elke god en de God lasteren; zie Daniël 7 : 25, 8 : 10, 11, 24, 25 en Openbaring 13 : 5, 6. Hij zal voorspoedig zijn; zie Daniël 7 : 25; 8 : 12, 24 en Openbaring 13 : 4 en 6 : 1, 2. Hij zal dit gedurende een bepaalde tijd kunnen doen (totdat de gramschap voleind zij, die vastelijk besloten is); zie Daniël 7 : 25 (tijd, tijden, en een gedeelte des tijds; dan is het eind van de macht over Israël gekomen, maar niet over de overige volkeren); Daniël 8 : 13, 14 (2300 avonden en morgens); Daniël 9 : 27 (de tweede helft van de 70-ste week); Openbaring 13 : 5 (42 maanden: de eerste helft 70-ste week). Deze zaken zijn hier op het beest uit de zee van toepassing.

Daniël 11 : 37, 38: Hier gaat het nog steeds over de vorst over de volkerenwereld. Vroeger dacht ik, dat het over de vorst in Israël ging. Er staat “de goden der vaderen”. Daarmee kan niet de God van Israël bedoeld worden, omdat Israël maar één God kende. Het gaat hier om de vaderen van deze vorst. Die hadden goden. Er worden drie dingen gezegd waarop hij geen acht zal geven: 1) Op de goden zijner vaderen. 2) Op de begeerte der vrouwen. 3) Op geen (enkele) god. Als de eerste en derde om god(en) gaat, dan moet de begeerte der vrouwen ook met een god verband houden. Ik denk niet dat het hier om de Messias (de Here Jezus) gaat. Het gaat om de specifieke goden die door vrouwen aanbeden werden. Een voorbeeld is:

Jeremía 7 : 18
18  … en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melécheth (= koningin) des hemels, en andere goden drankoffers te offers, …

Het gaat om een vrouwelijke god, die “de koningin des hemels” scheen te zijn. In Jeremía 44 : 17, 18, 19, 25 komt dezelfde term voor; met name uit vers 19 blijkt dit: “maken wij haar (Melécheth des hemels) gebeelde koeken om haar af te beelden en offeren wij haar drankoffers zonder onze mannen.” De Babyloniërs kenden als vrouwelijke goden: Baältis, Astharte en Militta. Bij de Perzen was er Artemis, terwijl de Syriërs Nanea vereerden. Dat was in de dagen van Daniël een vrij algemeen gebruik. De begeerte der vrouwen komt overeen met “de godinnen van de moederen”. Deze vorst zal dus niet de goden van zijn vaderen, noch die van zijn moederen eren. In plaats daarvan zal hij de god Maüzzim vereren. Hij heeft deze god zelf uitgevonden. Niemand weet welke god daarmee bedoeld wordt. Het is een eigennaam, maar de betekenis ervan is “de god van de sterke plaatsen” (sterkten/vestingen). Het woord komt alleen in Daniël 11 voor: Daniël 11 : 1 (versterken); Daniël 11 : 7 (de sterke plaatsen); Daniël 11 : 10 (sterke plaats); Daniël 11 : 31 (de sterkte); Daniël 11 : 39 (de vastigheden der sterkten).

Maüzzim is de god van de vestingen. In vers 31 is het woord “maoez” van toepassing op de sterkte, namelijk het heiligdom in Jeruzalem. In dat vers staat dat de offerdienst weggenomen zal worden en een gruwel der verwoesting gesteld zal worden. Dit is een afgodsbeeld. Deze vorst dient de god waarvan hij een beeld in Jeruzalem laat oprichten. Dat beeld is gewijd aan de god Maüzzim. Het meervoud geeft aan dat er op meerdere plaatsen zo’n beeld wordt geplaatst. Er zijn volgens Daniël 11 immers meerdere sterke plaatsen. In Openbaring 13 wordt het beeld aangehaald in verband met de joden in Jeruzalem, vanaf het midden van de 70-ste week. Het beeld van het beest wordt ook onder de andere volkeren aanbeden (Openbaring 14 : 6-10). De god Maüzzim is een uitbeelding van de satan zelf. In het woord Maüzzim komt het woord oez voor. Het woord “oez” betekent “krachtig” of “sterk”. Uitgesproken als “eez” wordt het woord “een geit”, maar het gaat daarbij om de kracht van die geit. Een geitebok wordt wel gezien als een beeld van de satan. Beide letters vormen de stam van het werkwoord “azav”, dat “(ver)laten”, “achterlaten” (= negeren, vergeten) betekent; vandaar dat Maüzzim ook wel met “verborgen krachten” vertaald wordt. Sommigen denken dat het om de verfijnde techniek gaat. Het gaat wel om occulte zaken, want het beeld zal volgens Openbaring 13 kunnen spreken. Het gaat om een totaal nieuwe godheid. Allah valt dus ook buiten beschouwing. Mogelijk zullen de joden en arabieren elkaar in de aanbidding van deze nieuwe (gemeenschappelijke) godheid kunnen vinden. Religieuze eenheid behoorde ook tot het principe van Babel (Daniël 3). Het beeld van het beest wordt dan aanbeden. Hij is echter de personificatie van de satan en die wordt dus vereerd.

Daniël 11 : 39: Hij zal de sterke vastigheden maken met de vreemde god. De sterkten die er waren zullen met de vreemde god versterkt worden. Hoe? Door in die sterkten een beeld van die vreemde god op te richten. Jeruzalem werd versterkt door de dienst aan de Heer. Deze vorst zal degenen die hem dienen (kennen), eer bewijzen; mogelijk zoals de farao eer aan Jozef bewees en Nebukadnézar Daniël en zijn vrienden beloonde. Hij stelt zijn medewerkers aan over velen en geeft hen land als beloning (om prijs). Vers 40 is een verrassing. Als we de lijn van de laatste verzen gevolgd hebben, dan spraken we nog steeds over de koning van het noorden. Nu wordt er opeens gesproken over de koning van het zuiden én de koning van het noorden, die beide tegen “hem” strijden. Antiochus was de koning van het noorden; althans: hij kwam daaruit voort. Hij kwam voort uit één van de vier hoornen. Hij was een voortzetting van de koning van het noorden. Hij staat model voor een Arabische machthebber. Nu wordt in vers 40 over een ándere koning van het noorden gesproken. Het gaat hier om een koning, die over een nóg noordelijker gelegen land regeert. Daarmee wordt de vorst over Rusland bedoeld. We hebben voorheen vanuit Joël 2 reeds gezien dat het Russische legers zijn die vanuit de Middellandse Zee zullen komen en het land Palestina zullen verwoesten. Het gaat in Joël over een groot en machtig volk dat met “die van het noorden” omschreven wordt (Joël 2 : 20). Dat zal plaatsvinden in de tweede helft van de 70-ste week.

Vanaf Daniël 11 : 35 gaat het ook over de 70-ste week. Daniël 11 : 38 spreekt over het beeld dat in de helft van de 70-ste week zal worden opgericht. De koning van het zuiden (Egypte) zal tegen de machthebbers in Palestina optrekken, maar ook de koning van het noorden (Rusland) zal aanvallen. De leiders in Palestina zullen tussen beide vuren komen te liggen. Rusland zal met een groot leger van tanks en ook met schepen komen. Beide koningen ontmoeten elkaar in Judéa. En passant wordt dat gebied onder de voet gelopen. De koning van het zuiden zal met hoornen stoten tegen degene die eigenlijk de koning van het noorden zal zijn (de vorst over Babel). Hij zal echter pas na de 70-ste week (en ná de verwoesting van Jeruzalem en de inname van Judéa) de koning van Babel zijn. Hij is nog niet op het toppunt van zijn macht. Egypte zal zich tegen hem keren. Rusland vindt dat te gevaarlijk en strijdt tegen de koning van het zuiden. De Russische legers zullen de landen overstromen en doortrekken en in het land des sieraads (= Israël, Daniël 11 : 41) komen.  Daniël 11 : 16 en 8 : 9 spreken ook over dat sierlijke land. Het is voor de Here een sierlijk land. Behalve Judéa zullen ook andere landen onderworpen worden. Het gelovige overblijfsel te Jeruzalem zal de Here aanroepen en Hij zal op de Olijfberg verschijnen. De gelovigen zullen door de gescheurde Olijfberg naar Petra (in het gebied van Edom) kunnen vluchten. Ze zullen via het oosten en over de Jordaan naar het zuiden trekken, langs de Dode Zee. Ze zullen in Sela bewaard worden. Edom, Moab en Ammon zullen aan de verwoesting ontkomen. Wanneer de gelovigen onder de joden naar het oosten trekken, zullen ze in het zuidelijke gedeelte van het gebied van Ammon komen. Het zuidelijke gedeelte van Ammon wordt hier omschreven als “de eerstelingen van de zonen Ammons”. Naar het zuiden komen ze vervolgens in het gebied van Moab en nog zuidelijker ligt het gebied van Edom. De gebieden van Edom, Moab en Ammon zullen aan de verwoesting ontkomen. De vluchtweg van het gelovige overblijfsel van Jeruzalem naar Petra is dus vrij. De Russen zijn onderweg naar Egypte en blijven aan de westkant van de Jordaan. De oostkant is nog vrij. Daarlangs zal het gelovig overblijfsel vluchten. Deze gebieden behoren tot het tegenwoordige Jordanië, dat als hoofdstad Amman (vergelijk Ammon) heeft. Dit gebeurt aan het einde van de 70-ste week.

Daniël 11 : 42, 43 Met “hij” wordt het beest bedoeld en niet meer de Russische legers. Het beest zal de landen waardoor het trekt veroveren en ook Egypte (de koning van het zuiden) zal niet ontkomen. Hij zal over de schatten van Egypte heersen. Libië (ten westen van Egypte) en de Moren (Ethiopië; ten zuiden van Egypte) zullen in zijn gangen (= zijn gevolg) zijn. De Moren staan voor de zwarte bevolking van Afrika (negers). Een Moor is geen Ethiopiër, maar een Ethiopiër is wel een Moor (een neger). De Russen zullen onderweg zijn naar Egypte en door Palestina komen. Daar loopt het slecht met hen af. De koning van Babel zal daarvan gebruiken maken en Egypte onderwerpen. Libië en de Moren zullen hem volgen.

Geruchten van het oosten en noorden (Daniël 11 : 44, 45) hebben te maken met de boodschap, die gepredikt wordt. Die boodschap houdt verband met het gelovig overblijfsel uit Petra (= het oosten), dat naar Jeruzalem (= het noorden) zal trekken. Ook is het zo dat de 144.000 verzegelde Israëlieten de boodschap van het koninkrijk zullen prediken. “Daarom zal hij uittrekken” heeft met de tijd van de grote verdrukking te maken, die over de volkeren zal komen, gedurende de 33 jaar. De Russen zullen verslagen worden. Het beest uit de zee zal zijn macht vestigen. Hij zal de koning van Babel zijn. Dit hoeft niet te betekenen dat hij ook altijd in Babel zal zijn. In Ezechiël 28 wordt hij de koning van Tyrus genoemd. Tyrus heet “het hart der zeeën” (Ezechiël 28 : 2, 8). Daar zal hij zijn paleis planten, namelijk tussen de zeeën, op Tyrus, dat oorspronkelijk een eilandje was. “Aan (bij, tegenover, in de omgeving van) de berg des heiligen sieraads” (Palestina). Deze vorst zal een troon hebben, die tegengesteld is aan de troon die thuis hoort op de berg Sion. Dat is de troon van de Messias. “Hij zal tot zijn einde komen en geen helper hebben” slaat op het einde van het beest, hetgeen aan het eind van de 33 jaar zal plaatsvinden.

12. Daniël 12

Daniël 12 is het vervolg van 10 en 11. Het laatste visioen loopt van 10 t/m 12. Hoofdstuk 10 spreekt over de verborgenheid en 11 over de ontwikkeling van de koninkrijken der aarde, vanaf het eerste jaar van Kores de Pers. Er wordt een uiteenzetting gegeven over de geschiedenis van de koningen van het noorden en die van het zuiden. Beide dynastieën hebben met het Griekse rijk te maken, waaruit ze verondersteld worden afkomstig te zijn. Vanuit het Griekse rijk wordt de tijd van het einde beschreven, zoals dat ook voor Daniël 8 het geval is. Daarbij worden het Romeinse rijk en ook de tien-statenbond (de zevende uit de reeks) gepasseerd. Vanuit het Griekse rijk wordt overgesprongen naar de vorst die in de 70-ste week en daarna zal optreden. Hij zal uiteindelijk zijn koninkrijk moeten overdragen aan Christus. Deze machthebber is de voortzetting van het Griekse rijk. Zowel in Daniël 8 als in Daniël 11 wordt van de tijd van Antiochus IV Epiphanes overgesprongen naar de vorst in de eindtijd. De laatste verzen van Daniël 11 beschrijven de gebeurtenissen in de tweede helft van de 70-ste week; in de dagen van de grote verdrukking over de joodse staat. De vorst in de eindtijd wordt met verschillende namen aangeduid. Hij is de koning van Babel, de koning van Tyrus (Ezechiël 28), de koning van het noorden (Daniël 11). De profetieën in Daniël houden verband met het volk van Daniël en met de heilige stad. Het einde van Daniël 11 moet aan het einde van de 70-ste week geplaatst worden. De vorst van de eindtijd zal, wat Israël betreft, aan het einde van de 70-ste week aan zijn eind komen. Dan houdt zijn heerschappij over Israël op. Het zal echter nog 33 jaren duren voordat zijn macht over de volkeren weggenomen is. Die periode wordt grotendeels in het boek Openbaring beschreven.

Daniël 12 : 1-13

1 ¶ En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

2  En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.

3  De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.

4  En gij, Daniel! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.

5 ¶ En ik, Daniel, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.

6  En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?

7  En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechter hand en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.

8  Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?

9  En Hij zeide: Ga henen, Daniel! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.

10  Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.

11  En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.

12  Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.

13  Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.

Daniël 12 : 1 begint met de tijd der benauwdheid die over Israël zal komen. Dit is de grote verdrukking (Matthéüs 24 : 21). Deze periode wordt “de dag van de benauwdheid van Jakob” genoemd (Jeremía 30 : 7). Die benauwdheid was nog nooit zo erg sinds dat er een volk geweest is. De verdrukking wordt niet gerelateerd aan Israël, maar aan álle volkeren. Israël is wel het belangrijkste volk, de eerste onder de volkeren. “Te dien tijde” wijst op de tijd die aan het eind van hoofdstuk 11 bedoeld wordt. Daniël 11 eindigt aan het eind van de 70-ste week. Daniël 12 : 1 spreekt over de verdrukking van de tweede helft van de 70-ste week, die voor de gelovigen op verlossing (ontkoming) zal uitlopen. Michaël was volgens Daniël 10 : 13 één van de eerste vorsten. Hij is de engelen-Vorst over het volk Israël. In Daniël 10 wordt over andere engelen-vorsten gesproken (vorst van de Perzen, vorst van Griekenland). Michaël zal opstaan. Voordien zát Hij dus. Dit geeft aan dat de Heer Zich pas in de 70-ste week met Israël zal bemoeien. Hij zal in Zijn grimmigheid en toorn tegen een ongelovig Israël spreken. Dat uit zich in de verdrukking. Toch zal die verdrukking tot zegen zijn voor hen die tot geloof komen. “Al wie geschreven is in het boek”. Hiermee wordt het boek des levens bedoeld. Daarin staan uiteindelijk slechts  gelovigen. Alle mensen staan vanaf hun geboorte in het boek des levens, totdat zij sterven. Gelovigen (= degenen die eeuwig leven hebben ontvangen) zullen niet uit het boek des levens uitgedelgd worden. Nergens wordt gezegd, dat men in het boek des levens ingeschreven wordt; wel, dat men ingeschreven staat en ook dat iemand eruit gewist kan worden. Een rechtvaardige/gelovige blijft in het boek des levens geschreven. “Uw volk” heeft hier dus alleen betrekking op degenen die gevonden worden geschreven te zijn in het boek des levens. Met andere woorden: “Uw volk” is alleen van toepassing op gelovigen uit het volk. Het heeft betrekking op de levenden die aan het eind van de 70-ste week deel uitmaken van het volk van Daniël. Dat zijn “de overgeblevenen van het zwaard” (Jeremía 31 : 2).

Daniël 12 : 2: “Velen sliepen in het stof der aarde”. Dit wil zeggen dat ze gestorven waren, maar opgewekt zullen worden. In Openbaring 6 : 9-11 en 20 : 4-6 wordt ook gesproken over degenen, die vanwege het getuigenis van Jezus gedood waren, maar weer leefden en heersten in de duizend jaren. Velen zullen geloofd hebben, dat de Heer Zijn koninkrijk binnen die ene generatie zou oprichten. Zij zijn echter vanwege hun geloof in de grote verdrukking gedood. Zij worden opgewekt aan het begin van de duizend jaren. Het gaat hier primair om de joden die in de 70-ste week zullen leven. Het gaat niet over joden/Israëlieten uit voorgaande bedelingen, want Daniël zou zelf sterven en niets van de vervulling van deze profetieen meemaken (Daniël 12 : 13). Daniël wordt pas opgewekt op de Jongste Dag, namelijk in het einde der dagen. De Bijbel kent twee opstandingen. De eerste opstanding is gefaseerd. De Eersteling is Christus, daarna die van Christus zijn bij Zijn aanwezigheid. Dit omvat de opname van de Gemeente (aan het begin van de zesde bedeling), maar ook de opwekking van de gelovigen uit de grote verdrukking (aan het einde van de zesde bedeling). De “tweede” opstanding is die van de Jongste Dag. Met “dezen” (vers 2) die ten eeuwigen leven zullen opstaan, worden de “velen” bedoeld. Degenen die opstaan zullen eeuwig leven ontvangen.

Daniël 12 : 3: De leraars zullen blinken. Met leraars worden “verstandigen” bedoeld. Zo wordt het woord ook in Daniël 12 : 10 vertaald. Degenen “die er velen rechtvaardigen”, slaat op degenen die in de zesde bedeling het evangelie van het koninkrijk zullen prediken. Leraars zullen er velen  rechtvaardigen. Het is een parallellisme. Zij worden vergeleken met de sterren van het uitspansel (de hemel). Het gaat over de gelovigen uit de Israëlieten. In Daniël 8 : 10 werd over “het heir des hemels” gesproken.

Daniël moest de woorden toesluiten (Daniël 12 : 4). Daarmee zijn we aan het einde van het boek gekomen. We komen nog steeds niet verder dan het einde van de 70-ste week. De opstanding van de martelaren is 33 jaren later. “Verzegelen” betekent “toesluiten” (= verbergen), maar het is tegelijk een bevestiging (waarmerk). Dit toesluiten gebeurt tot de tijd van het einde (= de eindtijd). De eindtijd (= de laatste dagen) begon (begonnen) bij de geboorte van de Here Jezus in Bethlehem. Hij werd in de volheid des tijds geboren. Die tijd strekt zich uit tot het einde van de laatste dagen, namelijk wanneer de oude schepping zal verdwijnen. Velen zullen de betekenis van het boek Daniël nazoeken en later ook begrijpen. Dat hangt samen met het spreken over dingen gesproken die nog verborgen moesten blijven. De breuk in de historie was niet bestemd voor ongelovigen. Voor verstandigen (= gelovigen) hoeft de inhoud van het boek Daniël niet verborgen te zijn. De verzen uit 12 : 5-7 sluiten aan bij 10 : 4-6. Tot hoelang zal er een einde van deze wonderen wezen? “Linnen” is een beeld van opstanding en rechtvaardigheid. De Man met een linnen doek is een beeld van de opgewekte Christus. Degene Die eeuwig leeft, is de God/Koning des hemels, de Allerhoogste (Daniël 4 : 34, 37). Het antwoord op de vraag is: 3,5 bestemde tijd. Dit wijst weer op het einde van de 70-ste week. De Heer zal Israël (het heilige volk) verstrooien, maar daaraan zal aan het einde van de 70-ste week een eind komen. Er staat echter “de hand” van het heilige volk. Dit kan opgevat worden als “de hand, namelijk het heilige volk”. Het heilige volk is Israël. Israël is Gods heilsorgaan in deze wereld. Anders gezegd: Israël is Gods hand. Het woord “jod” houdt verband met het woord “jood”.

Daniël 12 : 8-10: Daniël begreep het aanvankelijk niet. Dat komt, omdat we in de voorgaande verzen al voorbij de 70-ste week gekomen waren. Die 70-ste week kende hij al uit Daniël 9. Hij bleef zitten met het einde van de vorst, die komen zou en verdelgd zou worden. De overige volkeren zouden niet op hetzelfde moment tot geloof komen. De verstandigen zullen echter begrijpen wanneer de tijd voleindigd is. Het wegnemen van het gedurig offer en het stellen van de verwoestende gruwel (Daniël 12 : 11, 12) is de gebeurtenis die in het midden van de 70-ste week plaats zal vinden. Vanaf dat moment zullen er 1290 dagen verlopen. Dit is dertig dagen (één maand) meer dan de 1260 dagen van de tweede helft van de 70-ste week. Er is een belangrijke datum dertig dagen na het einde van de 70-ste week, maar hier staat niet wat er dan gebeuren zal. In vers 12 worden 1335 dagen na het midden van de 70-ste week genoemd. Er komen nog 45 dagen bij. Het is 75 dagen na het einde van de 70-ste week ofwel 2,5 maand. Ook dit is een belangrijke datum, maar opnieuw wordt daarover niets gezegd. De vraag was naar het einde van deze wonderen (vers 6). Na 1260 dagen is voleindigd wat in Daniël 9 : 24 genoemd wordt. Wat is er dertig dagen voorbij het einde van de 70-ste week? Mijns inziens eindigt de 70-ste week in de maand nisan. De tiende nisan (de dag van de tocht naar Jeruzalem) was de laatste dag van de 69-ste week. De dag waarop de Heer op de Olijfberg verschijnt aan het einde van de 70-ste week, zou ook wel eens de tiende nisan kunnen zijn. De veertiende nisan is de dag van het slachten van het paaslam. De vijftiende nisan die van de uittocht uit Egypte en ook van de dood van de Here Jezus. Op zeventien nisan vond de doortocht door de Schelfzee, maar ook de opstanding van Christus plaats. Die dagen spelen ook een belangrijke rol aan het eind van de 70-ste week. Het lijkt mij het meest waarschijnlijk dat de Heer op de tiende nisan verschijnt, aan het einde van de 70-ste week. De tiende nisan was immers ook het einde van de 69-ste week. Op die dag zal de Heer Zijn voeten op de Olijfberg zetten. Die datum valt samen met de viering van pascha en ongezuurde broden. In Numeri 9 wordt over dertig dagen daarna gesproken. De Israëlieten hielden het pascha op de veertiende van de eerste maand, tussen twee avonden (Numeri 9 : 5). Er waren echter lieden die door het aanraken van het dode lichaam van een mens onrein geworden waren en daarom het pascha niet hadden kunnen houden (Numeri 9 : 6). Zij legden dit probleem aan Mozes voor. De HEERE sprak tot Mozes in Numeri 9:

Numeri 9 : 10, 11

9 Spreek tot de zonen Israëls, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog den HEERE het pascha houden.
10 In de tweede maand, op den veertienden dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; ….

In vers 10 worden twee redenen genoemd voor het onrein zijn. Ten eerste het aanraken van een dood lichaam en ten tweede het zijn op een verre weg (men kan niet op tijd te Jeruzalem komen; het pascha moest in de tempel gehouden worden). In die gevallen zullen zij pascha houden op de veertiende van de tweede maand (Ljjar/Ziv). Israël is aan het einde van de 70-ste week onrein van dode lichamen, vanwege de verwoesting van Jeruzalem. Dertig dagen daarna zal het volk het pascha vieren. Ik weet echter niet waar of hoe. Gebeurt het dan ín Jeruzalem? Ik denk het eigenlijk niet; er is geen tempel, maar het zou mogelijk zijn. Het vieren van pascha in de tweede maand is ooit eenmaal met het hele volk gebeurd.

2 Kronieken 30 : 2, 3, 13, 15a:

2 Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de ganse Gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand.
3 Want zij hadden het niet kunnen houden te dierzelfder tijd, omdat de priesteren zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem.

13 En te Jeruzalem verzamelde zich veel volks, om het feest der ongezuurde broden te houden, in de tweede maand, een zeer grote Gemeente. …

15 Toen slachtten zij het pascha, op den veertienden der tweede maand; …

Wat er 1335 dagen na het midden van de 70-ste week gebeurt weet ik niet, want ik heb nog nooit een datum gevonden waarop iets belangrijks gebeurde of gebeuren zal. Vermoedelijk houden de 1335 dagen verband met de eerste dag van het Chanoekafeest (de inwijding van de tempel in 165 v. Chr.). Dit heeft met de kalender te maken, die ooit een half jaar versprongen is. De maand nisan/abib werd tot hoofd (= eerste) van de maanden gesteld (Exodus 12 : 2; 13 : 4). De 1335 dagen behoren vanaf het midden van de 70-ste week gerekend te worden. Het einde van de 69-ste en de 70-ste week viel/valt op 10 nisan. Een maand later, op de tiende van de tweede maand, zal het pascha gevierd worden. Dit is 1290 dagen na het midden van de 70-ste week. 1335 dagen na het midden van de 70-ste week valt op de 25-ste dag van de derde maand. Een half jaar later is de 25-ste dag van de negende maand. Dit is de eerste dag van het Chanoekafeest. Aan het einde van de 70-ste week zal de kalender weer met een half jaar aangepast worden (Openbaring 8 : 1 een half uur stilzwijgen). De 25-ste dag van de derde maand = de 25-ste dag van de negende maand = de eerste dag van het inwijdingsfeest.

Wanneer de 69-ste en 70-ste week op de tiende nisan eindigen, dan is de helft van de 70-ste week de tiende Tishri. Dit is de dag waarop grote verzoendag gevierd behoorde te worden. Het boek Daniël is eigenlijk niet af, want het beoogt het einde van de 70-ste week, maar tegelijk vermeldt het nog dat er een tijd na die datum is. Daniël zal zelf pas opgewekt worden “in het einde der dagen” (Daniël 12 : 13). Dat is op de Jongste Dag. Hij zal in de nieuwe schepping komen. Hij zal de vervulling van deze profetieën niet zelf meemaken, maar hij heeft er veel inzicht in gehad.

Amen


Schematisch overzicht

DE WERELDRIJKEN


Rechtermuisknop:
Opslaan als …


 Gerelateerde bijbelezingen: 
* De profetie van Daniël
* Babylonische Mosterd.
* De 2300 avonden morgens.
* De 70e week van Daniël
* Koper, IJzer & Leem.
* De zeventigste week van Daniël in het O.T.



  * Koper, IJzer & Leem 

Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld:

Dit is een bewerking van de Brochure "Daniël" Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl/