Vergeving

En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Hebreeën 10 : 17

God heeft de mensheid vergeving geschonken, zonder daaraan eisen te verbinden. Zelfs het belijden van zonden is geen voorwaarde voor het krijgen ervan. Overigens betekent vergeving van God niet automatisch eeuwig leven. Die twee liggen wel in elkaars verlengde, maar zijn niet hetzelfde. Als je vergeving ontvangt is dit iets negatiefs: er wordt iets weggenomen. Je raakt iets kwijt, namelijk je schuld of zonde. Het ontvangen van het nieuwe leven is positief. Er komt iets in de plaats van het oude wanneer men Jezus Christus als zijn Verlosser aanvaardt. Het vergeven van zonden is aftrekken en het ontvangen van zaligheid is dus optellen.

Wie niet beseft wat hij zelf van God heeft ontvangen, vergeeft ook anderen veelal niet. Maar anderen royaal en onvoorwaardelijk te vergeven, hoort bij de roeping van de gelovige. We zouden elkaar niet oordelen, maar uit genade leven en die ook doorgeven. Keer op keer.


  1. Inleiding.
  2. Schriftplaatsen met het woord “affëmi” voor “vergeven”.
    Vergeving van God is onvoorwaardelijk. Indien wij onze zonden belijden. Vergeving van zonden en ontvangen van zaligheid. Genade als heersend principe.
  3. Vergeving in de praktijk. Verantwoordelijkheid en volwassenheid betekent soms afstand nemen. Als ons onrecht aangedaan wordt. Elkaar vergeven.  Elkaar bemoedigen en vertroosten.  Zeventig maal zeven. De zonde die niet vergeven kan worden.
  4. Teksten over vergeving zonder dat het woord genoemd wordt.
  5. Schriftplaatsen met het woord “garfdzomai” voor “vergeven”

1. Inleiding

Er zijn in het Nieuwe Testament 114 plaatsen waarin het woord “vergeven” of “vergeving” voorkomt. In het Grieks bestaan er twee woorden voor “vergeven”, namelijk “afiëmi” en “garïdzomai”. Een aantal van die Bijbelteksten zal in deze Bijbelstudie besproken worden.

We zullen eerst het woord “afiëmi” nader onderzoeken en bekijken wat vergeving precies inhoudt en wat niet. Daarna zullen we bestuderen wat vergeving in de praktijk voor ons betekent en voor ons praktische leven in Zijn dienst. Dan zijn er nog Schriftplaatsen die spreken over vergeving zonder dat het woord zelf gebruikt wordt. Op twee van die Bijbelpassages zal nader worden ingegaan. Tenslotte zal het woord “garïdzomai” onderzocht worden.

2. Schriftplaatsen met het woord “afiëmi” voor “vergeven”

We zullen beginnen met Bijbelteksten waarin het Griekse woord “afiëmi” (altrijn) of het bijbehorende zelfstandig naamwoord “afesis” (a^emq’) voorkomt. Dat zijn de gebruikelijke termen voor vergeven en vergeving in de zin van “laten”. Zo betekent “afiëmi” “toestaan”, “achterlaten”, “met rust laten”, “loslaten”, “vrijlaten”, “buiten beschouwing laten” of “negeren”. Een duidelijk voorbeeld van het gebruik van dit woord vinden we bij Pilatus. Hij werd gedwongen om de Here Jezus te veroordelen, maar haalde Barabbas uit de gevangenis en stelde voor: “Of wilt u liever dat ik deze man die een doodslager is loslate (afiëmi)?” (zie Matthéüs 27 : 16-26) Het woord “vergeven” wordt hier vertaald als “loslaten”. Hieruit voortvloeiend wordt het woord voor vergeving ook wel eens vertaald met “vrijheid”. “Vergeving” en “vrijheid” zijn in wezen synoniemen. De suggestie van Pilatus was dus om Barabbas zijn zonden niet toe te rekenen. Hij zou dan losgelaten of vrijgelaten worden en vergeving ontvangen.

Vergeving van God is onvoorwaardelijk

De vergeving die God geeft is onvoorwaardelijk. De Heer geeft vergeving op Zijn initiatief. Hij wijst vergeving gewoon toe en zegt: “Uw zonden zijn U vergeven (afiëmi)”. Die uitspraak vinden we vele malen in de Bijbel. (Lukas 5 : 20; 7 : 47, 48) Degene die vergeving ontvangt hoeft daar niets voor te doen.

In Efeze 1 lezen we een samenvatting van wat wij als gelovigen van God hebben ontvangen. Er wordt over Christus gezegd:

In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving (afesis) der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade. Efeze 1 : 7

In Christus hebben wij de verlossing, “namelijk de vergeving der misdaden”. In het Grieks staat het er nog sterker, want daar komt het woord “namelijk” niet voor. In de grondtekst worden twee begrippen tegen elkaar aan gezet zonder leestekens en voegwoorden, alsof die twee begrippen volkomen identiek zijn.  Men zou dus eigenlijk moeten lezen: “In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, de vergeving der misdaden […]”. Verlossing is er alleen als wij vergeving van onze misdaden ontvangen hebben. Als dat niet het geval is, zijn wij in de praktijk niet verlost. Iemand die er niet zeker van is of God zijn misdaden vergeven heeft, is in de praktijk nog steeds gebonden aan de zonden die hem of haar in de weg staan.

Verder staat er dat wij de verlossing hebben door Zijn blóed. Er staat niet: “In welken wij hebben de verlossing door Zijn dóód”. Als Hij alleen voor ons gestorven was, waren we niet verlost en zijn we nog steeds verloren. Dat zegt de apostel Paulus met grote nadruk in 1 Korinthe 15:

17 En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.
18 Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. 1 Korinthe 15 : 17-19

Zonder opstandingsleven (nieuw leven) zijn wij onderweg naar de dood. Maar wij hebben de verlossing omdat Christus leeft. Niet alleen door Zijn opstanding, maar omdat Hij in de praktijk leeft. Dat impliceert dat Hij iets doet. Het is een belangrijke Nieuwtestamentische waarheid dat de levende Christus ons reinigt. Net zoals bloed je lichaam reinigt door voedingstoffen aan te voeren en afvalstoffen af te voeren, reinigt het bloed van de Here Jezus ons. Vergeving of reiniging van zonden omvat twee aspecten. Het ene is dat wij helemaal gereinigd zijn, omdat de Here Jezus ons bij onze wedergeboorte eenmaal helemaal gereinigd heeft. Het andere is dat Hij ons nu reinigt (onze voeten wast) omdat wij tijdens onze levenswandel weer verontreinigd worden. (zie Johannes 13 : 19) Vanwege onze zondige natuur zondigen we nog steeds, want “indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet”. (1 Johannes 1 : 8) Maar we hoeven ons geen zorgen te maken, want de Heer zou ons reinigen en Hij reinigt in ieder geval ons geweten door Zijn Woord. De Heer neemt nu onze zonden weg en reinigt zo ons praktische leven. Het is het initiatief en het werk van de Heer en wij zouden dat laten gebeuren.

Indien wij onze zonden belijden

Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve (affëmi), en ons reinige van alle ongerechtigheid. 1 Johannes 1 : 9

Ook in deze tekst komt het woord “vergeving” voor. Dit vers gaat niet over ongelovige mensen, maar over kinderen van God.

“Indien” betekent hier niet “op voorwaarde dat”, hoewel men het wel vaak zo leest en daarna op anderen toepast. Zo van: “Pas als zij hun zonden belijden aan ons, willen wij hun vergeven”. Of: “Wij moeten onze zonden belijden aan de Heer, anders vergeeft Hij ons niet”. Maar dat betekent dit vers niet. Er staat: “Indien wij onze zonden belijden […]”. Dat betekent: “in geval dat wij onze zonden belijden […]” of: “mochten wij onze zonden belijden […]”. Het belijden van zonden is niet verplicht. De Heer heeft ons beloofd om onze zonden te vergeven, onvoorwaardelijk. Ook al belijden we onze zonden niet, Hij vergeeft ons toch. Waarom doet Hij dat? Niet omdat Hij genadig en barmhartig is, maar omdat Hij rechtvaardig en trouw is. Het is rechtvaardig dat de Heer ons vergeeft, omdat Hij op die manier trouw is aan Zijn eigen woorden.

De Heer wil niets van onze zonden weten en Hij zal ze niet gedenken. Hij heeft ze al weggedaan en ons beloofd ze niet meer te rekenen. De mogelijkheid om onze zonden te belijden is er wel. Niet omdat het van Hem moet, maar omdat wij dat soms nodig hebben. Als bepaalde zonden zwaar op ons hart liggen en ons bedrukken, mogen we die last afleggen door Hem te vertellen wat ons dwarszit. Het liefst zouden we dat alléén bij de Heer doen.

Er wordt wel eens beweerd dat een gebrek aan geestelijk leven veroorzaakt wordt door wat men “onbeleden zonden in onze levens” noemt. Dat zou kunnen, als men onder die zonde verstaat dat men de Heer tekort gedaan heeft en een deel van zijn leven heeft achtergehou- den. Maar het ligt meer voor de hand dat een gebrekkige relatie met de Heer voortkomt uit het feit dat wij van anderen belijdenis van hun zonden eisen naar ons toe. Wij nemen andere mensen dingen kwalijk. Wij menen te moeten heersen en recht te moeten spreken. Dat zal in ieder geval gevoelsmatig onze relatie met de Heer in de praktijk vertroebelen. Wij zouden andersom handelen. Wat wij van God ontvangen, zouden wij in ruime mate, grootmoedig en in alle nederigheid, ook aan anderen schenken.

Sommige mensen zeggen: “Ik geloof toch dat we onze zonden moeten belijden.” Als dat waar zou zijn, zouden we nooit zeker kunnen zijn van onze zaligheid. Want dan is het steeds de vraag of we wel alle zonden beleden hebben. De volgende kwestie is dan of wij wel weten wat zonden zijn en wat niet. Hoe kunnen we dat weten? Het antwoord is: door de wet. Maar dan komen we weer in de problemen, want de Heer zegt in Galaten 3 : 13 dat Hij ons van de wet verlost heeft. Hij heeft de wet weggenomen en zonder wet kunnen wij niet weten wat goed en slecht is. Veel gelovigen gaan elkaar daarom maar vertellen wat wel en niet mag. Maar dat is niet de bedoeling, want dan heersen wij als gelovigen over elkaar en oordelen elkaar. Afgezien daarvan zouden we er een dagtaak aan hebben om onze zonden bij de Heer bekend te maken. Hier komen we niet meer uit. Het is dus ondenkbaar en een dwaze gedachte dat wij onze zonden zouden móeten belijden. Nee, men zou alleen geloven.

Er is in dit verband nog een uitspraak die zeer sterk is. Die staat in Lukas 23.

En Jezus zeide: Vader, vergeef (affëmi) het hun; want zij weten niet, wat zij doen. Lukas 23 : 34

De Heer bad niet: “Vader, vergeef het hun, want zij belijden hun zonden en hebben er spijt van”. Hij vroeg: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen”. Hieruit blijkt dat ook als men niet weet wat men doet, men vergeving ontvangt van God. Men wist wellicht niet eens dat men vergeving nodig had, maar men krijgt die. God eist niet een belijdenis van de zonden. Hij vergeeft gewoon, of men die vergeving nu aanvaardt of niet.

Vergeving van zonden en ontvangen van zaligheid

Vergeving van zonden is niet hetzelfde als het ontvangen van zaligheid. Dat zijn twee verschillende dingen, die echter wel in elkaars verlengde liggen: vergeving is noodzakelijk voor dat aan zaligheid gedacht kan worden. Als je vergeving van zonden hebt ontvangen, zijn je zonden weggedaan. Maar dan ben je nog niet automatisch behouden.

Als je vergeving ontvangt is dat iets negatiefs:  er wordt iets weggenomen, niet toegerekend. Je raakt iets kwijt, namelijk je schuld of zonde. Vergeving is het gevolg van het lijden en het sterven van de Here Jezus aan het kruis van Golgotha, want daardoor werd de zonde op rechtvaardige wijze weggedaan en werd het zondeprobleem opgelost. Let op: vergeving is dus niet het gevolg van Zijn opstanding. Zo zegt bijvoorbeeld Romeinen 5 : 10 dat we met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon. De Heer heeft de zonden van alle mensen, van heel de wereld, weggenomen: van goddelozen, onrechtvaardigen, zwakken, zondaren, krachtelozen en vijanden. (Romeinen 5) God rekent de mensheid de zonde niet meer toe. Dat is niet omdat er ineens een goede relatie met God ontstaan is, maar omdat er helemaal geen relatie meer met Hem is. 2 Korinthe 5 : 15 zegt dat Eén voor allen gestorven is, en dus allen gestorven zijn. De natuurlijke mens heeft geen relatie met God, omdat hij dood is voor God. Daarom worden hem zijn zonden ook niet kwalijk genomen, want wie dood is, is gerechtvaardigd van de zonde. (zie Romeinen 6 : 7) De mens ontvangt op die manier vergeving van God.

Ieder mens, ook iedere ongelovige, heeft dus vergeving. Alleen heeft een ongelovige daar helemaal niets aan. Want zolang hij ongelovig blijft, is hij dood voor God. Hij staat als het ware in de min (er is iets weggenomen, namelijk de zonde), maar hij heeft pas iets aan die vergeving als hij in de plus komt te staan (als hij iets daarvoor in de plaats terugontvangt, namelijk eeuwig leven). De prediking aan een zondaar is dan ook niet dat er vergeving van zonde is, maar dat er nieuw leven is door geloof in de opgestane Christus. Men kan nu vrij tot God gaan, omdat de zonde niet meer in de weg staat om op grond van geloof eeuwig leven te ontvangen. De Heer bemoeit zich alleen met mensen die dit nieuwe leven hebben ontvangen en daarmee deel hebben aan de opstanding van Christus. Het ontvangen van het nieuwe, eeuwige leven is positief. Er komt iets in de plaats van het oude. Het vergeven van zonden is dus aftrekken en het ontvangen van zaligheid optellen.

Genade als heersend principe

Als gelovigen worden we geacht te leven onder het Nieuwe Verbond, onder de heerschappij van de genade. Wij zouden leren uit die genade te leven en ook om anderen genade te geven.

4 Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft,
5 Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)
6 En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;
7 Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Efeze 2 : 4-7

Genade houdt o.a. in dat wij “vergeving der misdaden” ontvangen. (Efeze 1 : 7) De zonden spelen dus niet langer een rol meer in onze praktische wandel. Die vergeving werkt twee kanten op: wij ontvangen vergeving en wij schenken vergeving. In beide gevallen blijft het “negatief”: er wordt iets weggedaan.

6 Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;
7 Zeggende: Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven (affëmi) zijn, en welker zonden bedekt zijn;
8 Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent. Romeinen 4 : 6-8

Deze uitspraak wordt hier door Paulus aangehaald uit Psalm 32 : 1, 2. “Zonden bedekken” is een oudtestamentische uitdrukking en betekent “zonden wegdoen”. Als de zonden bedekt zijn, zijn ze begraven. Ze zijn definitief uit het zicht verdwenen. Denk aan onze uitdrukking: “zand erover”. In het Hebreeuws staat hier het woord “kafar”, dat vertaald kan worden met zowel “bedekken” als “verzoenen”. Ook uit Romeinen 4 : 7 en 8 komt naar voren dat die woorden hetzelfde betekenen:

Zalig zijn zij:  welker ongerechtigheden vergeven zijn welker zonden bedekt zijn

Zalig is de man:  welken de Heere de zonden niet toerekent.

Het niet toerekenen van zonden is hetzelfde als het vergeven van ongerechtigheden en het bedekken van zonden. Men rekent ze niet, ze zijn weg. Niet omdat ze er niet meer zijn, maar omdat ze buiten het systeem geplaatst zijn. Het recht heeft zijn loop gehad. God heeft de zonden op juridische wijze weggedaan door het lijden en de dood van de Here Jezus. Dat was niet goedkoop, maar het is éénmaal gebeurd. God Zelf gedenkt onze zonden niet meer en daarom worden ook wij geacht onze eigen zonden en die van anderen niet meer te gedenken.

Woorden van gelijke strekking vinden we eveneens in Hebreeën 8, aangehaald uit Jeremia 31. Deze passages gaan over het Nieuwe Verbond, waar we sinds de opstanding van de Here Jezus onder leven. In het boek Jeremia gaat het dus al op voorhand over dit Nieuwe Verbond. God sprak daar van tevoren over iets wat later pas toegepast zou worden.

Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken. Hebreeën 8 : 12

“Genadig zijn” impliceert vergeving, hoewel het meer inhoudt dan dat. “Geenszins” betekent “op geen enkele manier”. De Heer zal onze zonden niet in herinnering brengen. Onze zonden en misdaden zouden dan ook geen rol spelen in onze relatie tot de Heer en in Zijn relatie tot ons. De Heer zal onze overtredingen niet meer gedenken. Als wij dat wel doen, is dat dus ten onrechte. Als we weten hoe onze relatie tot de Heer is en we oprecht zijn tegenover Hem, worden onze harten niet meer door zonden bezwaard, want wij worden gereinigd van een kwaad geweten. (Hebreeën 10: 22) Dat gebeurt door het betere bloed en het betere offer van de Here Jezus Christus. (Hebreeën 9 : 12-14, 23) Hij reinigt onze harten door Zijn bloed, namelijk “door het bad des waters, door het Woord”. (Efeze 5 : 26) Wij hebben vergeving ontvangen in Christus naar de rijkdom van Zijn genade. Dat wij vergeving ontvangen hebben is niet omdat wij daar iets voor gedaan hebben, maar het is uit Zijn genade. Wat God tot stand brengt, brengt Hij altijd onvoorwaardelijk tot stand. Dat staat ook zo in de Bijbel:

1 […] En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.
2 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven (afïëmi). Matthéüs 9 : 1, 2

Wat had deze verlamde ervoor gedaan om vergeving te ontvangen? Naar wij weten niets. Als we lezen wat hier staat, komen we tot de conclusie dat de man op grond van geloof vergeving ontving.

Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven (afïëmi)? of te zeggen: Sta op en wandel? Matthéüs 9 : 5

Toen de Heer tot de verlamde zei dat zijn zonden waren vergeven, protesteerden de orthodoxe Schriftgeleerden tegen deze in hun ogen Godslasterlijke uitspraak. Zij waren van mening dat de Heer dit niet zomaar kon zeggen. Maar de Heer zei: “Wat is makkelijker te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?” Wat is makkelijker? Iemands zonden vergeven of iemand genezen? Het antwoord is: iemands zonden vergeven. Dat is makkelijk omdat je daarvoor niets hoeft te doen. Want zonde vergeven is hetzelfde als niets doen.

Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (affëmi) (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. Matthéüs 9 : 6

We zien hier twee dingen gebeuren. Eerst ontvangt de zieke man vergeving van zonden. Daarna wordt de lamme alsnog genezen zodat hij op kan staan.  Dat geldt ook voor ons gelovigen. Eerst ontvangen wij vergeving van onze misdaden. Onze misdaden worden dus weggenomen. Vervolgens wordt ons iets gegeven, namelijk eeuwig leven. Onze zonden werden toegerekend aan de Here Jezus Christus. Vervolgens wordt Zijn rechtvaardigheid weer aan ons toegerekend. (2 Korinthe 5 : 21) Er gaat een streep door de oude rekening, want die is lang geleden betaald. Op het moment dat we tot geloof komen, ontvangen wij eeuwig leven. Niet op grond van vergeving van zonden, maar op grond van de opstanding van de Here Jezus Christus uit de dood. Let wel dat hier niet sprake is van bekering, belijdenis of boetedoening. De Heer zegt gewoon: “Uw zonden zijn vergeven” en daarna: “sta op”.

De prediking van het evangelie van Christus is niets anders dan de uitnodiging om op te staan. Het is de prediking van eeuwig leven aan degenen die naar de oude mens dood zijn. Johannes 5 : 28 zegt dat de doden in de graven de stem van de Zoon des mensen horen en leven. In dit gedeelte gaat het niet alleen om de lichamelijke dood, maar om de geestelijke dood. De mens is geestelijk dood in zonden en in misdaden. Hij leeft in deze oude schepping en is onderworpen aan de heerschappij van de dood. Tot die mensen, tot u en mij, wordt gezegd: “sta op”. Dat doen we dan ook. Wij beginnen te leven. Wij komen tot de Heer, ontvangen van Hem dat leven en het leven wordt actief.

27 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;
28 Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving (afesis) der zonden. Matthéüs 26 : 27, 28

In tegenstelling tot de gangbare gedachte is bloed niet de uitdrukking van dood, maar van leven.  Het Nieuwe Verbond is het Nieuwe Verbond, omdat daarin geen dood meer is en het dus ook niet vergankelijk is. Matthéüs 26 : 28 kan daarom gelezen worden als: “Want dat is Mijn leven, het leven van het Nieuwe Verbond […]”. De zinsnede “hetwelk voor velen vergoten wordt” wil zeggen dat iets uitgedeeld wordt. Zoals het brood gebroken wordt, wordt de wijn vergoten. Het is voor iedereen. Het is voor degenen die de beker aan willen nemen tot vergeving van zonden. Want de prediking van het evangelie is ongeveer hetzelfde als het aanreiken van die beker met de woorden: “Drinkt allen daaruit, want dat is Mijn bloed van het Nieuwe Verbond, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden”.

Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Hebreeën 10 : 22

Het betere bloed van de Hogepriester van het betere Verbond reinigt onze harten van een kwaad geweten om de levende God te dienen. Dit gaat over het tegenwoordige werk van Christus sinds Hij de middelaar is van het Nieuwe Verbond. Dat is pas sinds Zijn opstanding. Wij kinderen Gods worden gereinigd en ontvangen vergeving van zonden, omdat wij Zijn leven hebben gekregen. Als wij dus tot de Heer komen ontvangen wij vergeving van de zonden die wij als kinderen van God nog steeds doen. In ieder geval worden onze gewetens gereinigd en soms ons vlees ook een klein beetje. Want “het bloed (leven) van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde”. (1 Johannes 1 : 7) Voor zover daarvoor iets gedaan zou moeten worden, is Hij Degene Die dat doet, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Het reinigen is Zijn zaak en niet de onze.

We gaan verder naar Markus.

Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving (afesis) der zonden. Markus 1 : 4

Wat moest men doen om vergeving van zonden te ontvangen? Hier in Markus 1 gaat het over zondaren en niet over wedergeboren mensen. Moesten ze zich laten dopen? Nee, ze moesten zich eerst bekeren. Pas op grond van hun bekering zouden ze zich laten dopen, want zonder bekering geen doop. Daarom heet het ook “doop der bekering”. Niet de doop, maar de bekering is de basis voor het ontvangen van vergeving van zonden. Hetzelfde lezen we ook in Handelingen 2.

En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving (afesis) der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Handelingen 2 : 38

Wat houdt het in als men zich bekeert? Dat staat al in het Oude Testament. Bekering wil zeggen dat men zich omdraait en richt op de Heer, zijn oor tot Hem neigt en zijn hart voor Hem openstelt. Men zou dus naar de Heer luisteren en in Hem geloven, en niet meer in menselijke filosofie en heidense theologie. Dan ontvangt men vergeving der zonden. Meer is daarvoor niet nodig.

En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden. Markus 1 : 5

Beleden de mensen die zich lieten dopen dan toch hun zonden? Nee. Als men zou moeten wachten tot iemand al zijn zonden beleden heeft voordat men hem kan dopen, komt men nooit aan dopen toe. In dit vers staat niet: “nadat zij hun zonden beleden hadden” en zelfs niet: “terwijl zij hun zonden beleden”. Er staat dat zij hun zonden beleden door zich te laten dopen. Zij werden allen door Johannes gedoopt en erkenden daarmee dat ze zondig waren. In Lukas 7 : 29 vinden we dezelfde gedachte. Daar staat dat zij God rechtvaardigden door zich te laten dopen. Doop is de uitbeelding van het afwassen van zonden. Als je niet toegeeft dat je zonden hebt, laat je ze ook niet afwassen. Als je je laat dopen als uitbeelding van afwassing van zonden, erken je daarmee dus je zonden. Uiteraard is doop ook een beeld van dood en opstanding. Via dood en opstanding worden onze zonden namelijk afgewassen. Wij gaan verder naar Markus 2.

5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven (affëmi).
6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:
7 Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven (affëmi), dan alleen God?
8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?
9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven (affëmi), of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel? Markus 2 : 5-9

De “geraakte” uit Markus 2 : 5 is dezelfde man uit Matthéüs 9 : 2. In Markus 2 : 7 leveren de Farizeeën en Schriftgeleerden kritiek op de woorden van de Here Jezus. Zij vragen: “Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?” Dit lijkt een vrome vraag. Maar bijna altijd wanneer de Farizeeën en Schriftgeleerden in de Bijbel geciteerd worden, zitten ze ernaast. Dat is nu ook het geval. Want niet alleen God kan zonden vergeven; wij kunnen dat ook. Iedereen kan zonden vergeven. Je hoeft daarvoor niet eens een gelovige te zijn. Een andere vraag is: “Wie heeft het recht om zonden toe te rekenen en te oordelen?” Toerekenen of oordelen is het tegenovergestelde van vergeven. God alleen heeft dat recht. Er is maar één rechter. Er is maar één, Die zonder zonde is en de eerste steen zou kunnen werpen. Het grote misverstand van allen die religieus zijn is dat zij menen elkaars zonden toe te moeten rekenen en te veroordelen. Maar dat is niet de bedoeling. De Heer doet dat ook niet, in ieder geval niet aan ons als gelovigen. En als de Heer ons onze zonden niet toerekent, met welk recht zouden wij anderen de zonde dan wél toerekenen? Als de Heer onze zonden vergeeft, met welk recht zouden wij anderen de zonden niet vergeven?

3. Vergeving in de praktijk

Het zou geen probleem voor ons moeten zijn, anderen te vergeven. Als we leven in het bewustzijn van wie wij zijn in Christus, dat we vergeving hebben ontvangen en in de vrijheid staan, hebben we er geen problemen mee om de ander alleen te kennen naar de Geest en niet naar het vlees. Het onvermogen om te vergeven is een symptoom van geestelijke onvolwassenheid. Het betekent dat men zich de vergeving die men ontvangen heeft nog niet volledig eigen gemaakt heeft. In dat geval zijn wij onzeker of de Heer ons onze zonden werkelijk vergeven heeft en zijn wij niet vrij. Vervolgens zijn wij geneigd anderen te binden door de wet te hanteren. Waar wij zelf problemen hebben met onze eigen misstappen, zonden en overtredingen, rekenen we ze anderen ook toe. We zijn dan geneigd om anderen voortdurend te wijzen op hun fouten en ze ter verantwoording te roepen. Dat is echter niet de bedoeling.

Verantwoordelijkheid en volwassenheid betekent soms afstand nemen

We hoeven elkaar niet te corrigeren of elkaar iets toe te rekenen, want iedereen is persoonlijk verantwoordelijk naar de Heer toe. Iets anders is het wanneer iemand ons lastig valt in ons leven. Natuurlijk vergeven we die persoon, maar daarna is het verstandig om bij diegene uit de buurt te blijven. Als een broeder of zuster er uit gewoonte een levenswandel op nahoudt die niet in overeenstemming is met de Bijbel, moeten we bij zo iemand uit de buurt blijven en ons van hem afkeren. De reden dat we afstand van zo iemand nemen is niet omdat hij in zonde leeft, maar omdat hij zich onttrekt aan de dienst aan de Heer. Dat heeft een slechte invloed op ons leven, omdat we daardoor steeds geconfronteerd worden met andermans zonde waar we niets mee te maken willen hebben en waar we ook niets aan kunnen doen. Het is bovendien onze taak niet om er iets aan te doen. Dus moeten we ervoor zorgen dat we geen weet van andermans zonden hebben en ons er niet mee lastig laten vallen. Op die manier veroordelen wij niet die levenswandel als zodanig, maar we zorgen ervoor dat we er niet langer tegenaan lopen en mee verontreinigd worden. Dat is ook vergeven. Wij zouden ons reinigen van “onreine vaten”. Overigens kan het van persoon tot persoon verschillen in hoeverre je last hebt van of beïnvloedt wordt door de zondige levenswandel van de ander.

20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige ter onere.
21 Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.
22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die den Heere aanroepen uit een rein hart. 2 Timótheüs 2 : 20-22

Deze tekst betekent niet dat we anderen die onreinheid kwalijk moeten nemen. Wij rekenen die dingen niet. Onze verantwoordelijkheid is om ervoor te zorgen dat wij individueel de loopbaan lopen die ons is voorgesteld. We zouden afleggen, vergeven en loslaten alle last die ons wellicht omringt. (Hebreeën 12 : 1) Daarmee veroordelen wij anderen niet, maar wij nemen er afstand van. Daarvoor zijn we zelf verantwoordelijk en daartoe worden we ook opgeroepen in Romeinen 16.

En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve. Romeinen 16 : 17

Woorden van gelijke strekking vinden wij ook in 1 Korinthe 5 : 11.

1 Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft.
2 En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?
3 Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, als of ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten,
4 In den Naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus,
5 Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus. 1 Korinthe 5 : 1-5

9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;
10 Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.
11 Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten.
12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?
13 Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg. 1 Korinthe 5 : 9-13

Wij zijn geroepen om een hemelse erfenis te ontvangen. Het is in strijd met de wil van God voor ons leven dat wij “hoereerders, gierigaards, afgodendienaars, lasteraars, dronkaards of rovers” (verzen 1o en 11) zijn. Het gaat hier niet over iets verkeerds wat we eens een keer doen (incidenteel), maar over een persoon die uit gewoonte, als levenswijze deze dingen praktiseert (habitueel). Als iemand uitsluitend daarop gericht is, staat de Heer bij diegene niet op de eerste plek. Het gevaar bestaat dat zo iemand andere gelovigen bij de Heer vandaan trekt. De Heer zegt dat het niet verstandig is om je met die gelovigen in te laten en je er beter afstand van kunt nemen. De Heer Zelf rekent daar mee af voor zover er wat af te rekenen valt.

Ieder is verantwoordelijk voor zijn eigen leven en zijn eigen relatie met de Heer. Het kan zijn dat er dingen in onze levens zijn waarvan we beter afstand kunnen nemen, omdat ze ingaan tegen wat de Heer van ons verwacht. Als we willen dat de Heer iets doet met ons leven en we Hem willen dienen, moeten we daarvoor geschikt gemaakt worden. Dat betekent bijvoorbeeld dat als wij ons leven vullen met overbodige informatie, we dat weg moeten doen. Niet omdat het zondig is, maar omdat het ons geestelijke leven en onze bediening in de weg staat. Via alle communicatiemedia krijgen we heel veel, vaak nutteloze, informatie tot ons. Die informatie bouwt ons niet op. Het is beter om goed geestelijk voedsel tot je te nemen dat je bekrachtigt, namelijk het Woord van God. Wij moeten leren om in de praktijk te brengen wat de Heer naar ons toe praktiseert.

Geestelijke volwassenheid is in hoge mate een zaak van onkwetsbaarheid: de Heer zorgt voor ons en dat is voldoende. Maar wie vanuit deze houding leeft, krijgt met tegenstand te maken, al of niet aangestuurd door de duivel.

Als ons onrecht aangedaan wordt

Ieder mens wordt in zijn leven wel eens onrecht aangedaan en krijgt soms veel te slikken. Zo kan het bijvoorbeeld gebeuren dat mensen ons zwaar beledigen. Daar zouden we ons niets van aantrekken. Hoe vaak gaan we immers zelf niet de fout in, bijvoorbeeld door niet beschikbaar voor de Heer te zijn? De Heer kent onze zwakheden en vergeeft ons. Ook andere mensen hebben zwakheden. Misschien wel veel meer dan wijzelf. Dan hebben wij veel te vergeven. Dat is vrijheid. Als wij moeite hebben om anderen te vergeven, komt dat door onze hoogmoed. We plaatsen ons boven iemand en zeggen dat die ander ons onrecht aangedaan heeft, waarvoor hij moet boeten. We vinden dat die ander eerst zijn zonden aan ons moet belijden of excuses moet vragen. De Bijbel leert iets anders, namelijk dat de Heer voor ons zal strijden en wij stil zullen zijn. (Exodus 14 : 14)

Wij moeten leren te vergeven. Alleen op die manier leren we wat het is, wat de Heer aan ons doet. Wij komen in het leven voor situaties te staan waar Hij ook voor kwam te staan. Zoals Hij tegen onze afwijkingen aanloopt, lopen wij op tegen die van anderen. Maar Hij doet de onze weg en rekent ze niet toe. Wij worden geacht te leren ze anderen ook niet toe te rekenen, hoe moeilijk en vervelend dat ook is. Als we ons ervan bewust zijn dat we dat moeten leren, wordt het al een stuk makkelijker. Niemand komt zonder schrammen door het leven. We komen vaak beschadigd en met littekens uit de strijd. Maar dat is geen reden om dat een ander kwalijk te blijven nemen. De Heer kwam ook niet ongeschonden uit de strijd. Zijn Naam wordt dagelijks gelasterd in de wereld, maar Hij doet er al 2000 jaar lang niets aan. Hij heeft eveneens littekens opgelopen. Ook Hij moest dat leren en wij zouden dat ook doen, want Hij is ons voorbeeld. (Hebreeën 5 : 8; 1 Petrus 2 : 20, 21)

Als wij leren anderen te vergeven, omdat de Heer ons het goede voorbeeld geeft, zijn we van de meeste problemen af. Misschien niet van onze littekens, maar vaak praten we die onszelf ook aan. Er zijn veel mensen die hun eigen tekortkomingen en gebreken toeschrijven aan wat anderen hun aangedaan hebben. Ze schuiven ze op een gebrekkige opvoeding, een vervelende jeugd, de wijze waarop anderen hen behandelen. Ze voelen zich het slachtoffer. Natuurlijk zijn deze dingen er wel, maar wij hebben de Heer Die ons alles “wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft”. (2 Petrus 1 : 3) Dus hoeven die dingen ons leven als dienstknechten van God niet in de weg te staan. Maar we moeten zelf willen. Het probleem is namelijk dat velen de verantwoordelijkheid voor hun eigen leven niet willen dragen en dus de schuld van alles wat mis gaat bij anderen leggen. Daar is altijd wel een argument voor te vinden, want andere mensen deugen nooit. Maar onze relatie met de Heer is gebaseerd op het feit dat wij van Hem verantwoordelijkheid ontvangen. Hij geeft ons de kracht en het onderwijs dat daarbij nodig is. Wij hebben meer dan genoeg om uit te delen. Wat wij hebben uit te delen raakt niet op, want de Heer geeft ons boven mate, zelfs meer dan wij bidden of denken. (Efeze 3 : 19-21) We zouden slechts zeggen: “Heer, hier ben ik”, en al die mensen negeren die ons iets aangedaan hebben. Wij leven in gemeenschap met de Heer, Die voor ons zorgt. Hij geeft ons iets te dragen en daarmee kunnen we blij zijn.

Dan zijn er misschien mensen die over ons roddelen. Nou en? Wat maakt dat uit? Het is misschien slecht voor onze reputatie, maar het is nog veel slechter voor de reputatie van degene die roddelt. Als wij iets van onze reputatie willen redden, zouden we op dergelijke praat niet reageren. Als we betrokken raken in dat soort discussies, is dat slecht voor onze reputatie. Het is eveneens slecht voor onze geestelijke en lichamelijke gezondheid. Als ons onrecht aangedaan wordt, zouden we dat negeren. Dat zei Petrus ook al.

19 Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.
20 Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.
21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;
22 Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;
23 Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt; 1 Petrus 2 : 19-23

Als wij onrechtvaardig behandeld worden, laten wij dat voor wat het is. Het helpt niet om degene die kwaad doet ter verantwoording te roepen. In tegendeel! Het verhevigt de strijd alleen maar en daarmee de zonde, ook in ons eigen leven. Wij weten nu eenmaal dat hoge bomen veel wind vangen. Wij zijn die hoge bomen, geplant aan waterbeken. (zie Psalm 1 : 3) We staan stevig, maar hebben heel wat wind te doorstaan.

11 Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.
12 Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
13 Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.
14 Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;
15 En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;
16 Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.
17 En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Efeze 6 : 11-17

Als wij de geestelijke wapenrusting dragen, zijn wij sterk en voelen wij niet eens dat we aangevallen worden. Op die manier hoeven wij ons ook niets aan te trekken van de vurige pijlen van de boze. Er is niets moordender voor de tegenstander dan dat we geen notitie van hem nemen. Voor zover de tegenstander tot ons komt via andere mensen of zelfs via broeders en zusters, zouden we dat dus negeren.

Dat is ook de strekking van Romeinen 12 waar het gaat over het praktische leven van de gelovige. Daar lezen we een paar keer achter elkaar woorden als:

16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
18 Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.
19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Romeinen 12 : 16-19

Als iemand ter verantwoording geroepen moet worden, doet de Heer dat Zelf. Hij is ook de Enige, Die daartoe het recht heeft. Hij heeft alleen niet gezegd wanneer Hij dat doen zal. Dat Hij dat niet meteen doet, is nuttig voor ons. Terwijl wij anderen leren te vergeven, leren wij ook vergeving te ontvangen. Waar wij uit gewoonte leven uit de vergeving van de misdaden en dus staan in de vrijheid, gunnen wij anderen die vrijheid ook. Waar wijzelf in geestelijke zin volwassen geworden zijn, zouden wij anderen de ruimte geven om nog fouten te maken om daarmee ook volwassen te worden. Wij laten de Heer Zijn werk in de ander doen. Als wij dat geleerd hebben, zijn wij sterk in Hem.

Elkaar vergeven

In Matthéüs 6 wordt voor de eerste keer in het Nieuwe Testament over vergeving gesproken. De meeste Schriftplaatsen die melding maken van de vergeving die wij hebben ontvangen, vermelden tevens dat wij elkaar zouden vergeven. Er is een samenhang tussen die twee. Als je niet weet wat je zelf hebt ontvangen, kun je ook niet geven. Als je niet weet hoe de Heer met jouw leven en zonden omgaat, weet je ook niet hoe je met het leven en de zonden van anderen moet omgaan. Deze twee dingen zitten aan elkaar vast.

En vergeef (affëmi) ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven (affëmi) onzen schuldenaren. Matthéüs 6 : 12

Dit is een gebed dat de Here Jezus voorhoudt aan Zijn discipelen, dus aan degenen die in Hem geloven. Het spreekt over ons praktisch christelijke leven en over onze praktische gemeenschap met de Heer Die ons vergeeft. Van daaruit zouden wij anderen vergeven. Waar wij dat niet doen en eisen aan andere stellen, zegt de Heer in Matthéüs 7:

1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
2  Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden. Matthéüs 7 : 1, 2

We zullen gemeten worden met de maat waarmee we anderen meten. De Heer past onze principes op onszelf toe in de hoop dat wij er iets van leren, namelijk dat wij geen eisen aan anderen moeten stellen. De Heer rekent ons onze zonden niet toe, dus zouden wij anderen hun misstappen ook niet toerekenen. De Heer handelt met ons zoals wij anderen behandelen. Dat is de strekking van Matthéüs 6 en 7.

Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft (affëmi), zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven (affëmi)Matthéüs 6 : 14

Vers 14 is een toelichting op vers 12: “En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren”. Daar vinden we dus een wisselwerking. Het is moeilijk om aan de Heer vergeving te vragen voor iets terwijl we anderen niet willen vergeven. Het gaat in vers 14 niet om de Jongste Dag. Het gaat om Gods relatie tot ons en onze relatie tot God. Wij zouden de Heer willen volgen en doen wat Hij doet, namelijk: zonden vergeven. Er staat eigenlijk: “Als gij den mensen hun misdaden loslaat”. We zouden hun zonden laten voor wat ze zijn en er niet meer mee rekenen. Vergeven is nog iets anders dan vergeten. Als we ons zonden van anderen herinneren is dat niet altijd erg. Bepaalde dingen zouden we zelfs goed onthouden om daaraan later niet te gaan twijfelen. Bijvoorbeeld waarom we een bepaalde beslissing genomen hebben. Dan weten we ook na jaren nog zeker waarom we bepaalde dingen wel of niet gedaan hebben. We mogen dus best onthouden waarom we een stap in een bepaalde richting gezet hebben. Maar we zouden anderen niet tot in lengte van jaren dingen kwalijk blijven nemen. Ze ermee te blijven confronteren is niet Bijbels. God doet dat ook niet, Godzijdank.

Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft (affëmi), zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven (affëmi)Matthéüs 6 : 15

Het gaat hier om de praktijk van ons leven. Wat wij uit genade ontvangen, zouden wij doorgeven. Algemener: het is de bedoeling dat wij de heerlijkheid van de Heer weerspiegelen.

En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. 2 Korinthe 3 : 18

Deze tekst is abusievelijk vertaald met “in een spiegel aanschouwende”, dat wil zeggen “in een spiegel kijken”. In het Grieks staat wel het woord “spiegel”, maar dan het werkwoord daarvan. Er had dus moeten staan: “spiegelen” of “weerspiegelen”. Bovendien werd dit begrip daarvoor al in 2 Korinthe 3 : 7 uitgelegd aan de hand van het voorbeeld van Mozes. Want de heerlijkheid van de Heer had zich als het ware op Mozes gevestigd toen hij bij de Heer was op de berg. Toen hij van de berg afkwam, straalde zijn gezicht. Hij weerspiegelde het licht, de heerlijkheid, van de Heer. Hij ontving heerlijkheid en gaf die door. De bedoeling is dat wij die de heerlijkheid van Christus zien, deze heerlijkheid weerspiegelen in ons praktische leven. De heerlijkheid komt zelfs in ons en wij geven die door. Dat is de gezonde situatie. Als wij die heerlijkheid van de Heer weerspiegelen, worden wij veranderd naar Gods beeld.

Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. Romeinen 8 : 29

De verandering naar Gods beeld vindt in de praktijk plaats als wij de heerlijkheid van de Heer weerspiegelen. Dat wat wij van de Heer ontvangen, zou uitwerken in onze levens. Wij worden pas echt blij als wij iets uit genade, zonder iets terug te eisen, doen in de naam van de Heer. Dan worden we levend en actief en gaat de Heer pas werkelijk iets betekenen. Waar we dat niet willen, krijgen we de situatie zoals bij de Korinthiërs. Zij ontvingen genade van God, maar wilden die niet doorgeven. Ze werden alleen maar opgeblazen. Pure kennis en wetenschap maken opgeblazen, maar de liefde sticht.

Het verwijt van sommige christenen is: “Er is zo weinig liefde onder de kinderen Gods”. Dat wordt vaak gezegd door christenen die geen liefde geven, maar alleen liefde nemen. Die wel bemoedigd en ondersteund willen worden, maar zelf geen verantwoordelijkheid willen dragen. En dat is juist wat iedere gelovige zou moeten leren: zelf wat te dragen. Daardoor worden we getraind, geoefend en sterk. De Heer draagt niet al onze lasten. Wij zouden onze eigen lasten dragen (Galaten 6 : 5) en Hij geeft ons de kracht die daarvoor nodig is. Hij zorgt ervoor dat wij niet méér te dragen hebben dan wij aankunnen. (1 Korinthe 10 : 13) Als we niets te dragen zouden hebben, zou ons leven zinloos zijn. We moeten wat te doen hebben. Dat is wat de Heer ons geeft en dat is ook Zijn genade.

Elkaar bemoedigen en vertroosten

Wij zouden de Heer volgen in het schenken van vergeving aan elkaar. Zoals eerder al gezegd is vergeving schenken geen activiteit, maar een passieve handeling. Pas nadat wij dingen hebben vergeven en losgelaten worden onze handen vrij, zodat de Heer ze kan vullen.

Er staat in de Bijbel ook dat we elkaar zouden vermanen. (1 Thessalonicenzen 5 : 11, Hebreeën 3 : 13) Het Griekse woord voor “vermanen” kan beter vertaald worden met “bemoedigen” of “vertroosten”. Dat betekent: elkaar de weg wijzen in de dienst aan de Heer. Daarbij zou het voor kunnen komen dat we elkaar om het goede voorbeeld te geven ten aanschouwen van iedereen vergeven. Elkaar vergeven is geen zware taak of verantwoordelijkheid die de Heer ons oplegt. Zonde toerekenen is juist iets wat de Heer uit onze handen heeft genomen. We hoeven mensen niet ter verantwoording te roepen en te wijzen op hun fouten. Wij mogen ons wel zorgen maken of onze broeders en zusters hun leven aan de Heer gewijd hebben. Het enige wat we daaraan kunnen doen, is hun zeggen dat dat de bedoeling is. Iedere gelovige heeft een bepaalde functie binnen de Gemeente. Daarom zouden we elkaar niet bekritiseren, maar wel wijzen op de verantwoordelijkheid die wij als kinderen van God hebben. Dit gebeurt door elkaar het Woord des Levens voor te houden en elkaar te wijzen op de genade die wij van God hebben ontvangen om Hem actief te dienen, niet gehinderd door zonde van onszelf of van anderen. Wij zouden navolgers van Christus zijn en onze hoop stellen op de “verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus”. (Titus 2 : 13)

Zeventig maal zeven

21 Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! (affëmi) Tot zevenmaal?
22 Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. Matthéüs 18 : 21, 22

De Heer zegt dat we 70 x 7 keer moeten vergeven. Dat wil zeggen: altijd. Vergeving is een levenshouding. Dat volgt ook uit de gelijkenis vanaf vers 23 die de Heer eraan toevoegt. Het gaat over een dienstknecht die iets aan zijn heer vraagt:

26 De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
27 En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden (affëmi)Matthéüs 18 : 26, 27

De Heer laat de knecht los en scheldt zijn schuld kwijt. Hij vergeeft hem dus. Ook hier staat het Griekse woord “affëmi”. Even later kwam die knecht echter een medeknecht tegen en eiste van hem een verschuldigd bedrag. Dat kan natuurlijk niet: wie zelf vergeving of kwijtschelding ontvangen heeft, heeft niets meer te eisen. Deze gelijkenis maakt duidelijk dat wij, die vergeving hebben ontvangen, daarna geen genoegdoening van anderen meer moeten eisen. Dat is inconsequent en niet in overeenstemming met wat wij zelf uit Zijn genade hebben ontvangen.

En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft (affëmi), indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve (affëmi)Markus 11 : 25

Als het nodig is dat wij anderen vergeven, is dat meestal niet omdat een ander iets heeft tegen ons, maar omdat wij iets hebben tegen die ander. Het ligt aan ons. De Heer zegt dat dit niet zo zou moeten zijn. Als wij iets tegen iemand hebben, zouden wij vergeven. Wanneer wij de Heer een gunst willen vragen, kunnen we dat doen, maar wij zullen niet ontvangen zolang wij anderen diezelfde gunst niet geven. Dat is de voorwaarde voor onze relatie met de Heer. Wil je iets van de Heer ontvangen? Dan zul je zelf iets moeten geven. Als wij niet leren te geven, geeft de Heer ons ook niets.

De zonde die niet vergeven kan worden

De Heer heeft alle zonden van de natuurlijke mens vergeven, dus ook die van een ongelovige. Eén is voor allen gestorven en dus zijn allen gestorven. Als wij vervolgens wedergeboren worden, zullen wij zelfs loon ontvangen voor dat wat het geloof in ons bewerkstelligd heeft. Natuurlijk is het in wezen het werk van de Heer: het is de uitwerking van Zijn Geest en Zijn Woord. Het zijn de werken van Christus in ons. Dat zijn de beroemde “goede werken” waarover het Nieuwe Testament spreekt. (Efeze 2 : 10; Kolossenzen 1 : 10; 1 Timótheüs 6 : 18; Titus 3 : 8, 14; Hebreeën 10 : 24)

Er is echter één zonde die God niet kan vergeven. Dat is de zonde van ongeloof. Dit wordt ook “zonde tegen de Heilige Geest” genoemd. Voor alle duidelijkheid: een gelovige kan dus niet tegen de Heilige Geest zondigen. De term “Heilige Geest” is de aanduiding van de opgestane Christus Die Zich verbergt voor de wereld in deze tegenwoordige tijd, maar Die Zijn werk doet in de gelovigen. De “zonde tegen de Heilige Geest” is de zonde tegen de opgestane Christus. Men verwerpt Hem door Hem tegen te spreken. Dat is ongeloof en wordt niet vergeven.

Werken van ongeloof geven uitdrukking aan iemands vijandschap tegen God. De enige situatie waarin God de mens iets verwijt is wanneer hij zich niet onderwerpt aan Zijn Woord. Dat is de enige zonde op grond waarvan de mens veroordeeld wordt. Zijn strafmaat wordt bepaald door werken van ongeloof. Er zijn enige Schriftplaatsen die dat zeggen.

31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven (affëmi) worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven (affëmi) worden.
32 En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven (affëmi) worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven (affëmi) worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. Matthéüs 12 : 31, 32

Sommigen beweren dat de zonde tegen de Heilige Geest nog vergeven wordt na de toekomende eeuw. Dat kan niet, want de “toekomende eeuw” zal eeuwig blijven duren. Een mens gaat dus door ongeloof verloren. Hetzelfde vinden we in Markus en in Lukas.

28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven (affëmi) worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;
29 Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving (afesis) in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels. Markus 3 : 28, 29

En een ieder, die enig woord spreken zal tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven (afëmi) worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven (affëmi)worden. Lukas 12 : 10

Hier komt eveneens tot uitdrukking dat er vergeving is voor alle mensen, maar dat ongeloof de mens scheidt van God. Want door ongeloof zondert de mens zich af van het levenbrengende Woord van God. Dat Woord komt tot alle mensen en in alle plaatsen. (1 Thessalonicenzen 1 : 8, Titus 2 : 11) Maar waar men dat Woord en daarmee de Heer afwijst, krijgt men dat leven niet. Het is ieders eigen keus.

Er is nog een Schriftplaats die qua terminologie lijkt op de bovenstaande verzen. Hier gaat het echter niet over de zonde tegen de Heilige Geest, maar over de wandel van gelovigen.

16 Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
17  Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot den dood.
18 Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.
19 Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.
20 Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven. 1 Johannes 5 : 16-20

Er zitten nogal wat haken en ogen aan de Nederlandse vertaling van i Johannes 5 : 16. Het woord “God” dat door de vertalers is ingevoegd, kan net zo goed weggelaten worden. Het is vanzelfsprekend dat het gaat over bidden tot God. Waarschijnlijk vonden de vertalers het nodig om het woord “God” in te vullen om vervolgens het woord “hij” met een hoofdletter te kunnen schrijven. Maar je kunt het woord “hij” ook met een kleine letter schrijven. Dan slaat “hij” op ons als gelovigen, en niet op God. Er komt dan dus te staan: “Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal bidden en hij zal hem het leven geven”. Als we een broeder zien zondigen, bidden wij – u en ik – en geven die broeder of zuster daarmee leven. Kunnen wij dan leven geven aan iemand? Ja. Het gaat dan niet om eeuwig leven, maar om leven op een lager niveau. “Leven” wil zeggen: “gemeenschap oefenen”, “omgaan met iemand”. Leven is gemeenschap en dood is scheiding. De vraag is of we wel of niet met iemand omgaan, of we iemand leven geven of niet. Als we dus iemand zien zondigen niet tot de dood, dan zouden we bidden. We hebben iets gezien wat we eigenlijk niet hadden willen zien, namelijk dat iemand zondigde. Nu weten we van de zonde van die ander en dat zit ons dwars. Wat doen we in zo’n geval? We brengen het in gebed bij de Heer en geven die broeder of zuster leven: we bewaren de gemeenschap met hem of haar en verbreken het contact niet.

In 1 Johannes 5 : 16 gaat het over “een zonde niet tot den dood”. Maar het kan ook voorkomen dat een broeder of zuster wél een zonde doet tot de dood. “Zonde tot de dood” is per definitie een uiting van ongeloof. Dat bestaat ook op een lager niveau: iemand die niet leeft uit geloof, is in de praktijk dood voor God. Dan is de band met de Heer verbroken, hoewel hij wel behouden is. Hij wandelt niet in geloof. Bij een dergelijke levenswandel willen we niet betrokken worden, omdat dat slecht voor ons is. Wat de één echter nog wel verdraagt, verdraagt de ander niet en andersom. Dat is voor iedereen verschillend. De verantwoordelijkheid of we in zo’n geval iemand wel of geen leven geven, ligt bij ons zelf.

1 Johannes 5 heeft niets te maken met kerkelijke tucht. Het is niet onze taak om bijvoorbeeld broeders of zusters van het avondmaal te weren. Het avondmaal is de tafel van de Heer. Als iemand daar ten onrechte van eet, is dat zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij zijn ook maar gast aan die tafel. Ieder is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven en zijn eigen keuzes. Onze verantwoordelijkheid is de loopbaan te lopen die Hij ons voorgesteld heeft. (Hebreeën 12 : i) Wij mogen dit doen aan Zijn hand, ziende op Hem en in Zijn kracht. (Hebreeën 12 : 2)

4. Teksten over vergeving zonder dat het woord genoemd wordt

De volgende gelijkenis noemt het woord “vergeving” niet, maar het gaat daar wel over.

24 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.
25 En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.
26 Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.
27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid?
28       En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?
29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.
30 Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur. Matthéüs 13 : 24-30

Dit is de gelijkenis van het onkruid.  Deze gelijkenis in Matthéüs 13 : 24-30 is de beschrijving van onze tegenwoordige bedeling van de verborgenheid. Het gaat over de verborgenheden van het Koninkrijk. Het onkruid staat voor valse leer en de werken die daaruit voortkomen, maar geen vruchten voortbrengen voor de Heer. Tot de oogst (oprichting van het Koninkrijk op aarde) blijft het onkruid staan, dus blijft er in de wereld naast het evangelie ook valse leer verkondigd worden. De Heer doet er op het moment niets aan. Voor zover het verbrand (dus: veroordeeld) moet worden, doet Hij dat in de toekomst. In deze gelijkenis wordt alleen het onkruid in het vuur geworpen en niet het tarwe. Het onkruid komt er vervolgens niet gereinigd uit, want het verbrandt volledig en is er daarna niet meer.  Het tarwe (de goede leer, en de werken die daaruit voortkomen) wordt verzameld in de schuur en dus niet verbrand.

De Heer zegt dat wij soms het verschil tussen onkruid en tarwe niet kennen. Dat blijkt namelijk pas in de oogst. Daarom moeten wij ook niet proberen iets aan het onkruid te doen. Of iets goed of kwaad is wat iemand doet, weten wij niet en het is onze zaak ook niet.

Let op: deze situatie moet niet verward worden met de situatie die in 1 Korinthe 3 : 11-15 beschreven wordt. Daar gaat het alleen maar om de werken van de gelovige en het loon dat hij daarvoor van God zal ontvangen of niet. Alle werken die voortkwamen uit de oude mens en die niet de werken Gods zijn, zullen verbranden als hout, hooi en stro. Maar de gelovige zelf zal niet in het vuur geworpen worden. Het ontvangen van het loon zal gebeuren bij de opname van de Gemeente, terwijl het uit elkaar halen van tarwe en onkruid op een later tijdstip in de heilsgeschiedenis plaats zal vinden.

Een andere plek waar gesproken wordt over vergeving zonder dat het woord zelf gebruikt wordt, is 1 Korinthe 13 : 4 en 5.

4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;
5 Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; 1 Korinthe 13 : 4, 5

Wij worden als gelovigen opgeroepen elkaar lief te hebben. De liefde rekent anderen geen kwaad toe. Als men liefheeft, wil men het kwade en verkeerde niet zien. Daarvan is het gezegde “liefde maakt blind” afgeleid. Men zou het negatieve in anderen niet zien, want dat wekt alleen maar belemmering op. Liefde verblijdt zich namelijk niet “in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid”. (1 Korinthe 13 : 6)

5. Schriftplaatsen met het woord “garidzomai” voor “vergeven”

Het andere Griekse woord dat wij vertalen met “vergeven” is het woord “garidzomai” (xapi^opai). “Garis” (xapiq) is het Griekse woord voor “genade”. “Garidzomai” kan dus het beste vertaald worden met “begenadigen”. De vertaling met “vergeven” is niet onjuist, maar slechts een beperkte toepassing van de uitdrukking. “Begenadigen” houdt meer in dan “vergeven”. “Begenadigen” veronderstelt namelijk niet alleen aftrekken (zonden kwijtschelden), maar ook optellen (iets daarvoor in de plaats geven). Het feit dat de Heer ons begenadigd heeft betekent niet alleen dat Hij ons onze zonden niet toerekent, maar ook dat Hij ons eeuwig leven heeft gegeven en alles wat nodig is om Hem te kunnen dienen.

Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende (garidzomai) elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven (garidzomai) heeft. Efeze 4 : 32

Als men dit vers letterlijk vertaalt, staat er: “Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, elkander begenadigend, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden begenadigd heeft”. Dat impliceert vergeving, maar dat is eigenlijk maar een deel daarvan. Men zou niet alleen iets laten, maar elkaar ook iets geven. Wij zijn begenadigd in Christus. (Efeze 1 : 6) Hij heeft ons vergeven en daarna eeuwig leven geschonken en alles wat daarbij hoort. Gods relatie met ons begint met vergeving, maar het zwaartepunt in de prediking van het evangelie ligt niet op vergeving, maar op het eeuwige leven dat daarna volgt. Dat is “begenadigen”.

Wij zouden naar elkaar goedertieren en barmhartig zijn. “Goedertieren” en “barmhartig” zijn woorden die gebruikt worden om de hoedanigheid van God te beschrijven. Hij is goedertieren en barmhartig, zelfs rijk in goedertierenheid. Als wij Zijn navolgers zijn, mag hetzelfde van ons verwacht worden. We zouden elkaar helpen en elkaar geven wat we nodig hebben. We zouden die relatie met elkaar onderhouden om gezamenlijk de Heer groot te maken in onze levens als één Gemeente. Wij zouden dus elkaar niet alleen vergeving schenken, maar ook elkaar dienen en doen wat mogelijk is tot elkaars opbouw. Dat staat trouwens ook al in de voorafgaande verzen:

22 Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;
23 En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds,
24 En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
25 Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een ieder met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden.
26 Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
27 En geeft den duivel geen plaats.
28 Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft.
29 Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen.
30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.
31 Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid; Efeze 4 : 22-31

We willen de oude mens graag bestrijden, maar dat heeft geen zin. Naar Gods maatstaven is de oude mens dood en tegen doden strijd je niet. Daarom moet die oude mens niet zo’n grote rol hebben in ons denken of leven. We zouden de oude mens afleggen. “Afleggen” komt aardig overeen met het Griekse “afiëmi”. In vers 22 staat dat we zouden “afleggen aangaande de vorige wandeling”. Alles wat de oude mens betreft, vooral alles wat ermee mis gaat, telt niet en heeft geen rechtsgeldigheid. Het is er wel, maar we zouden het negeren en het terzijde leggen. Dat zouden we bewust moeten doen. In de eerste plaats in ons eigen leven en daarna in dat van anderen. Het maakt geen deel uit van Gods handelen met ons. Alles wat we uit eigen en menselijke overweging voor de Heer denken te doen, heeft voor de Heer geen betekenis. Het dient tot niets en houdt ons van de Heer af. Hij heeft daar geen belang bij en zal dat ook niet belonen. Het is dus zonde van onze tijd.

Daarentegen zouden we vernieuwd worden in onze geest, dat is in ons denken. (vers 23) Verder zouden we de nieuwe mens aandoen. (vers 24) Het afleggen van de oude mens is niet hetzelfde als het aandoen van de nieuwe mens. Ook als we geleerd hebben te vergeven en die oude mens niets meer toerekenen, moeten we nog actief de nieuwe mens aandoen. Het leven van Christus zou in ons geleefd worden. Dat is iets positiefs waarnaar we zouden streven. Dan kunnen we de oude mens vergeten. We zouden dus de nieuwe mens aandoen die naar het beeld van God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Daarom zouden we ook de leugen afleggen. (vers 25) Let wel dat er niet staat: “Liegt niet”. Dat staat in Kolossensen 3 : 9. Maar hier staat dat we de leugen af zouden leggen, omdat de leugen deel uitmaakt van de oude mens. We zouden oprecht en eerlijk zijn in ons doen en laten, ook in onze liefde voor elkaar. We lezen in Romeinen 12 : 9 dat de liefde ongeveinsd moet zijn.

Soms worden we toornig. (vers 26) Wel staat erbij: “En zondigt niet”. Toorn is op zich niet verkeerd, zolang die niet te lang duurt. Op die manier geven we de duivel geen plaats. (vers 27) Verder lezen we in vers 28: “[…] maar arbeide liever, werkende dat goed is met de han-den, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft”. We hebben uiteraard meer te geven dan alleen vergeving van zonden. We zouden leven in dienst van de Heer en dus in dienst van elkaar. Elkaar liefhebben is in de praktijk elkaar dienen. Liefhebben en dienen is namelijk hetzelfde in de Bijbel.

In vers 28 wordt dus niet alleen maar gezegd dat we niet meer zouden stelen, maar ook dat we ervoor moeten zorgen dat we zo aan de kost komen, dat we ook in de kosten van anderen kunnen bijdragen. Dat is heel concreet en iets positiefs. Hetzelfde geldt voor vers 29: goede rede zou uit onze mond gaan, dus woorden die opbouwend zijn voor anderen. Onze woorden zouden anderen wat geven, zodat ze er wat aan hebben. Dan weten we meteen ook wat “vuile rede” is. Dat is rede die geen genade biedt aan anderen. Daaronder valt in ieder geval de prediking van de wet.

We zouden de Heilige Geest niet bedroeven. (vers 30) Veel mensen geloven dat het onmogelijk is om de Heilige Geest te bedroeven. Zij beweren: “De Geest is almachtig, omdat God almachtig is en dat kan een mens niet tegenhouden”. Dat is een hardnekkig misverstand. Het is ook in strijd met de basis van het evangelie. De Geest wil een werk in ons kinderen van God doen. Maar dat kunnen we tegenhouden. De duivel heeft daar groot belang bij. Soms wil men wel behouden worden om in de hemel te komen en vergeving te ontvangen, maar men wil de Heer niet dienen. Men gebruikt de genade dan als excuus voor een liederlijk leven. Dat kan, maar is uiteraard niet de bedoeling. Wij worden opgeroepen om dat niet te doen. We zouden de Heilige Geest, door welke we verzegeld zijn tot de dag der verlossing, niet bedroeven of uitblussen. (vers 30) We zouden eerder het vuur aanwakkeren, want de Heilige Geest wordt dikwijls vergeleken met vuur. Dat kan uiteraard door ons te voeden met dat Woord van God en door bewust ervoor te kiezen navolger van Christus te zijn.

Bitterheid, toornigheid, gramschap, geroep en lastering zijn eigenschappen die het praktische leven van de natuurlijke mens beschrijven. (vers 31) Er zijn genoeg mensen die het altijd daarover hebben. Wij worden geacht ons daarvan af te zonderen en er niet aan mee te doen. Al die zaken komen van de duivel of de oude mens. Wij hebben een positieve boodschap. Wij zouden elkaar niet alleen vergeven, maar ook genade schenken.

Naast Efeze 4 is er ook nog de brief aan de Kolossensen, waar het over vergeving gaat en waar precies hetzelfde staat.

12 Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
13 Verdragende elkander, en vergevende (garïdzomai) de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven (garïdzomai) heeft, doet ook gij alzo.
14 En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.
15 En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam; en weest dankbaar.
16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.
17  En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem. Kolossensen 3 : 12-17

In Efeze 4 lazen we dat we de oude mens af zouden leggen en de nieuwe mens aandoen. Hier staat dat we de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid en lankmoedigheid aan zouden doen. (vers 12) Het woord “beweging” betekent “motief” in modern Nederlands. De motieven in ons denken en in ons leven zijn die gedachten die ons in beweging zetten. Zij zijn bepalend voor wat we doen en laten. Wat ons in beweging zou moeten zetten zijn deze innerlijke motieven van barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid en lankmoedigheid. Dit zijn de eigenschappen van Christus en daarom ook de vruchten van de Geest. Als dit onze motieven zijn, mogen we er geen moeite mee hebben om te vergeven en om de dingen te laten voor wat ze zijn. Zo doet de Heer dat ook naar ons toe. De hele Bijbelse geschiedenis is daar een illustratie van.

Wij zouden elkaar verdragen. (vers 13) “Verdragen” is een activiteit die energie kost. Ook zouden we elkaar vergeven, “zo iemand tegen iemand enige klacht heeft”. Het kan natuurlijk ook dat iemand anders iets lelijks tegen ons doet, maar dat we daar geen klacht over hebben. Dan hebben we ook geen probleem. Dat is de positie waarin wij terecht zouden moeten komen. Wij leven in de kracht Gods en zijn onschendbaar. Wij weten wie wij zijn. Wij weten Wie wij dienen en Wie voor ons zorgt.

Wij zouden elkaar vergeven, zoals Christus ons vergeven heeft. Dat deed Hij onvoorwaardelijk en zelfs ongevraagd. Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus te Zijner tijd voor ons gestorven. (zie Romeinen 5 : 6) Wij waren er nog niet eens en Hij deed dit voor ons. En daar zouden wij een voorbeeld aan nemen. Wij zouden ons richten op dat wat ons in vers 14 voorgehouden wordt: de liefde aandoen, alsof het een kledingstuk is. Die manier van liefhebben kan op commando. In het Nieuwe Testament wordt er verschil gemaakt tussen twee woorden die in het Nederlands met “liefhebben” vertaald worden. Het ene woord is “filéo” (^déco). Het heeft te maken met emotie en gemoedsgesteldheid. Maar het meer gangbare woord is “agapao” (ayanaa)), dat ook hier gebruikt wordt. Agapao is in hoge mate synoniem met dienen. Elkaar liefhebben is elkaar dienen. Daar kiest men bewust voor. Dat is praktische liefde, liefde die inderdaad wat kost. Wij zouden die liefde aandoen. Dat is een levenshouding waarvoor je kiest.

Ook vers 15 spreekt over hetzelfde: “En de vrede Gods heerse in uw harten”. Mocht de vrede van God niet in ons hart heersen, dan moeten we terug naar hetzelfde spoor en nagaan: hebben we de oude mens afgelegd? Hebben we vervolgens de nieuwe mens aangedaan? Hoe zit het met de innerlijke bewegingen als barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid? Hebben we onze broeders en zusters vergeven? Als dit niet het geval is, is het onmogelijk dat de vrede van God in onze harten heerst. We moeten goed op de volgorde letten. Dan werkt het in de praktijk.

Dan staat er in vers 16 dat het Woord van God rijkelijk in ons zou wonen. Dat betekent niet dat wij de Bijbel uit ons hoofd moeten kennen. Het gaat erom dat het Woord van Christus in ons werkt en vrucht draagt. Daartoe moeten wij de gelegenheid geven en beschikbaar zijn. Dus zouden we niet alleen maar volgens het Woord denken, maar ook handelen. Al wat wij doen met woorden of werken zouden we doen in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem. (vers 17) Wij zijn wedergeboren en op die grond dienstknechten van God. Ons enige doel in ons leven zou zijn de Heer te dienen. Alles wat wij doen, zouden we doen in het bewustzijn dat we het doen voor de Heer. Het is een levenshouding. Wij doen wat we de Vader zien doen en vergeven elkaar. Die vergeving is zeer verstrekkend en alomvattend.

Amen



 Gerelateerde bijbelezing:
* Vergeving
* Bedekking en verzoening


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld.
Dit is een bewerking van de Brochure "Vergeving" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl