LEVEN IN BALLINGSCHAP

Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! 29 : 4-23 *

Jeremia 29 handelt over de ballingschap van Juda, die in 598 vóór onze jaartelling begon. Het is een bijzonder leerzaam gedeelte uit de geschiedenis van Israël. Het bepaalt ons bij het begrip ballingschap, dat op meerdere plaatsen in de Schrift wordt genoemd, en bij de bedoeling van alle ballingschap: dat men zijn vertrouwen zou vestigen op de Heer Die gesproken heeft.

Leven in ballingschap is leven uit geloof. De gelovige stelt zijn verwachting niet op de dingen om hem heen, want het is zijn wereld niet. Hij is er slechts voor bepaalde tijd en is daardoor een vreemdeling op weg naar zijn eindbestemming. Vandaar dat wij in deze tijd, als ballingen in een vijandige wereld, ook onze verwachting stellen op de Heer, Die ons in de ballingschap gebracht heeft. Net zoals ten tijde van de ballingschap van Juda zijn de ballingen uiteindelijk beter af dan degenen die niet werden of worden weggevoerd.

In -598 werden de achtergeblevenen voor het grootste deel gedood, terwijl de ballingen vrij waren van het oordeel dat over Jeruzalem kwam. Dat komt omdat ze van tevoren buiten de legerplaats en in ballingschap gegaan waren en daarmee was die ballingschap op dat moment dus eigenlijk al een zegen.


1. Inleiding

4 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel:
5 Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan;
6 Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.
7 En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.
8 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.
9 Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.
10 Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
11 Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
12 Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.
13 En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.
14 En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
15 Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt;
16 Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis;
17 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
18 En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben;
19 Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE.
20 Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden!
21 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.
22 En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;
23 Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE. Jeremia 29 : 4-23

Dit is de brief die Jeremia namens de Heer zendt, vanuit Jeruzalem, naar de ballingen in Babel. Het is de ballingschap van Juda. De “Babylonische ballingschap” is een net zo gewoon uitdrukking als de “Babylonische spraakverwarring”; het is er, maar waar het precies voor dient is niet goed bekend. Dat is heel jammer, omdat het een bijzonder leerzaam gedeelte is uit de geschiedenis van Israël. Die geschiedenis op zichzelf is niet zo moeilijk, zij het wel enigszins gecompliceerd; dat wil zeggen je hebt er toch wel enkele zinnen voor nodig om het uit te leggen, want:

  1. Juda werd inderdaad in ballingschap weggevoerd;
  2. Een gedeelte van Juda is niet weggevoerd.

Dat is van belang te weten, want het zegt ons alles over de achtergrond van die dagen waarover Jeremia 29 spreekt. Een deel van het Joodse volk (het twee-stammenrijk, Juda) is weggevoerd naar Babel en het zal er voorlopig ook niet uit terugkeren, terwijl een ander deel van datzelfde Juda zich nog bevindt in Judéa, en wel in Jeruzalem. De ballingschap was al wel begonnen, maar er woonden nog steeds heel veel Joden in Jeruzalem. Dat is minder bekend, maar wel een feit.

Korte historie van de ballingschap van Juda

Het verhaal in het kort: In 606 voor onze jaartelling stond Nebukadnézar voor de eerste keer voor de poorten van Jeruzalem (terwijl hij officieel nog geen koning van Babel was, dus vóór de officiële opvolging van zijn vader) en viel met zijn vaders legers Jeruzalem binnen. Jeruzalem werd ingenomen en schatplichtig gemaakt aan Babel. Dat was tamelijk gebruikelijk en niets bijzonders. Jeruzalem was niet bezet, maar alleen maar schatplichtig gemaakt. Jeruzalem, hoofdstad van Judéa, het twee-stammenrijk, het volk der Joden, kwam in opstand tegen Babel, tegen Nebukadnézar. Dat betekent het niet op tijd betalen van de opgelegde belasting. Het gevolg daarvan was, dat Nebukadnézar andermaal voor de stad verscheen in -598 en Jeruzalem opnieuw veroverde. Heel opmerkelijk, want het werd als zo’n sterke vesting beschouwd, maar Nebukadnézar had er geen moeite mee. Hij was zo kwaad dat hij het volk in ballingschap wegvoerde naar Babel. Op dat tijdstip begint dan ook officieel de ballingschap, want Judéa was al acht jaar dienstbaar gemaakt aan Babel, alvorens de ballingschap begon.

We kunnen zeggen dat de ballingschap begon in -598, bij de tweede verovering van Jeruzalem. Bij die gelegenheid werd echter niet alles weggevoerd. Het was al wel de officiële ballingschap, maar een deel van het volk bleef nog achter. Ook dat deel dat achterbleef was onderworpen aan Nebukadnézar en dat niet alleen om politieke redenen, maar bovendien zegt de Heer dat het de bedoeling was. U moet daarbij bedenken dat de verovering van Jeruzalem en de wegvoering van het koningshuis van David allemaal gebeurde, niet omdat men niet opgewassen was tegen Nebukadnézar, maar omdat Juda de Heer niet diende.Juda diende Jehovah niet. Ze hielden zich niet aan het verbond dat met Jehovah was gesloten en dus liet de Heer het land openliggen voor de vijand. Sterker nog, Hijzelf stuurde Nebukadnézar op een door Hem te voren bepaalde datum, namelijk in -606. Hoewel nog niet eens officieel op de troon, stuurde de Heer hem en zei: “Ik zal Mijn knecht Nebukadnézar zenden.” (Jeremia 25 :9)

Het jaar -606 was het eerste jaar van het grote Babylonische rijk, het rijk dat ontstond 490 jaar na het begin van de monarchie in Israël. In het jaar -1096 begon de monarchie, dat wil zeggen, met Saul, de door God gekozen koning en precies 490 jaar (70 jaarweken x 7 jaar) daarna werd de monarchie opgeheven of althans onderworpen en begon officieel de tijden der heidenen. Het gaat erom dat op die vastgestelde datum Nebukadnézar zich ineens aan het hoofd van een splinternieuw Babylonisch rijk bevond. (Later wordt van hem gezegd:”… gij zijt dat gouden hoofd…” Daniël 2 : 38b) Dat is een deel van de achtergrond van de profetie en de geschiedenissen van Daniël, die bij die gelegenheid werd weggevoerd.

Nebukadnézar verovert Jeruzalem en maakt het schatplichtig. Hij onderwerpt het dus op de gebruikelijke manier. Jeruzalem neemt dat niet en komt in opstand, maar dat is net zo goed tegen de wil van de Heer, want Juda diende de Heer niet. Daarom werd het overgegeven aan een heidense koning. Aangezien Juda als deel van Israël zelf uit het land der Chaldeeën, uit Ur, of eigenlijk uit Babel afkomstig was, omdat Abraham daaruit geroepen was en omdat daar eigenlijk de oorsprong lag van de roeping van Israël, wordt de macht van het koninkrijk teruggegeven aan het gebied waar het vandaan kwam, namelijk Babel.

Ik kan nog wel enkele fasen verder teruggaan, want eigenlijk is het zo dat de koninkrijken der aarde hun oorsprong vinden in de zogenaamde “spraakverwarring” in Babel. Bij die gelegenheid werd de mensheid verdeeld in volkeren en werd in de praktijk ook de mens gesteld om te heersen over de mens en is dit het begin van de bedeling van het menselijk bestuur (over de koninkrijken der aarde). De bedeling begint dan in de praktijk bij die spraakverwarring van Babel, officieel al 130 jaar eerder na de zondvloed namelijk. Waar het om gaat is dat de koninkrijken der aarde hun oorsprong vinden in Babel. Van daaruit ontstonden de koninkrijken der aarde, de volkeren. Toen Juda als voortzetting van Israël de troon niet langer waardig was en eigenlijk niet langer Gods volk kon zijn, gaf God het koninkrijk der aarde, over de volkeren dus, terug aan Babel. Vandaar dat Nebukadnézar en Babel om twee redenen aangeduid worden als het gouden hoofd in Daniël.

Dat is ook het begin van de tijden der heidenen. Het was de Heer Die Jeruzalem in handen gaf van Nebukadnézar, en nu, na het tien-stammenrijk, Juda (terug)bracht in slavernij, in dienstbaarheid onder de koning van Babel. Je kunt ook zeggen: de oorsprong van Israël, als volk, ligt bij Egypte, want daaruit werd het verlost uit de slavernij en gebracht in het beloofde land in vrijheid om daar de Heer te dienen, want daar was die vrijheid voor bestemd. Dat lees je ook in het Nieuwe Testament in de brieven van Paulus. Het werd dus uit Egypte verlost uit de dienstbaarheid, maar als Israël de Heer niet wenst te dienen en de vrijheid alleen gebruikt als oorzaak voor het vlees, dan geeft de Heer het volk terug in dienstbaarheid, in dit geval de slavernij van Babel.

Als dus na enige jaren datzelfde Juda en Jeruzalem in opstand komen tegen de koning van Babel,dan komt Nebukadnézar opnieuw en verovert dus weer de stad in -598 en voert zelfs het volk uit het land weg. Dat komt ook overeen met wat de Heer gezegd had namelijk: “Als het volk Hem zou dienen, dan zou Hij hun het land geven en als het volk Hem niet zou dienen, zouden ze ook geen aanspraak kunnen maken op het land, want het was Zijn huis.” De Heer tolereert geen volk in Zijn huis wat Hem niet dient. Dat is volkomen logisch en er is niets tegenin te brengen. Zo begon de ballingschap. Een klein deel van het volk werd niet weggevoerd en bleef achter in Jeruzalem, maar het grootste deel kwam in ballingschap. Toen kreeg men problemen, religieuze problemen, want er waren ineens mensen in Jeruzalem, die meenden dat het nu tijd werd om de Heere, de God van Israël, te dienen en eer te bewijzen. Dat was dus rijkelijk laat. De geschiedenis van de monarchie in Israël van de koningen toont ons dat en we lezen dan ook: “En men deed, wat kwaad was in de ogen des Heeren”.

Wat het tien-stammenrijk betreft, is het nooit anders geweest dan dat men deed wat kwaad was in de ogen des Heeren. In Juda, het twee-stammenrijk, waar we het nu over hebben, was het “meestal”, dat men deed wat kwaad was in de ogen des Heeren. Als er al staat: “Hij deed wat zijn vader David gedaan had, hij diende de Heere”, dan staat er altijd nog wel bij: “maar dat en dat deed hij ook en de afgoden deed hij niet weg”. Het blijkt dus altijd toch een halfslachtige dienst aan Jehovah te zijn. (1 Koningen 22 :41-44) Of het was helemaal niets, of soms een beetje en dat was de situatie. Toen Jeruzalem inmiddels twee keer veroverd was en het grootste deel in ballingschap was weggevoerd, meende het deel dat nog in Jeruzalem was dat nu Jehovah alsnog maar gediend moest worden en werden er ineens profeten gevonden in Israël. Profeten die wel even zouden zeggen wat de Heer gesproken had: “Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende:..” (Jeremia 28 : 2) De Heere echter zegt: Ik heb geen profeten gezonden (Jeremia 27 :14-15 en 29 : 9), want het laatste woord was al gesproken door de Heere. Wat we door Jeremia geprofeteerd vinden, is de bevestiging van wat al eerder is aangekondigd. (Jeremia 26 :18) De verovering van Jeruzalem en de wegvoering in ballingschap daarna was aangekondigd, evenals het tijdstip en de uiteindelijke verwoesting van Jeruzalem.

Verleden en heden

We vinden dus een situatie in de dagen van Jeremia, die volkomen gelijk is aan de situatie in onze dagen (dat is ook het belang van deze dingen). Het grootste deel van het Joodse volk is verstrooid onder de volkeren en slechts een klein gedeelte van het volk bevindt zich in een officiële Joodse staat, met Jeruzalem als hoofdstad. Ook vandaag lopen er profeten rond, net als in de dagen van Jeremia en gaat men ineens de Heer dienen. Nu wordt ineens de naam van Jehovah gebruikt en zeggen die “profeten” dat het allemaal wel goed komt; de Heer heeft zo vaak gesproken, ook in het verleden. Er staat immers dat Hij Jeruzalem zal bewaren en dat men ook zou moeten bidden voor de vrede van Jeruzalem: “wel moeten zij varen, die u beminnen” en de Heer Zelf zal zorgen, dat iedereen weer terugkomt in Jeruzalem. Daar spreken veel profetieën over. Die werden toen gebruikt, maar ze werden misbruikt, omdat die profetieën er wel waren en ooit in het verleden al uitgesproken, maar ze hadden geen betrekking op de tijd waarin deze mensen leefden. Ze hebben van doen met de komst van de Messias. Dat wil zeggen, ze hebben van doen met wat wij noemen: de wederkomst van Christus. Dat betekent dat weliswaar bestaande Bijbelse profetieën gebruikt werden, maar ze werden op een verkeerde tijd van toepassing gebracht én bovendien werd ervan alles bij bedacht. Men zei ook: “Zo zegt de Heere,” zonder vervolgens te citeren uit de bestaande profetieën. Men profeteerde uit het eigen hart. De wens was de vader van de gedachte en men hoopte dat het zo zou gaan, dat Jeruzalem hersteld zou worden en dat binnen afzienbare tijd die ballingen uit Babel terug zouden komen naar het land. Het was een vorm van zionisme. Het heette niet zo, maar het is precies hetzelfde. Men gebruikte zionistische (in de Bijbelse zin van het woord) profetieën. Profetieën over: “de dochter van Sion” (Jesaja 37 : 22) en “van Sion zal de wet uitgaan”. (Jesaja 2 : 3b) Ook zei men: “De Heer zal het allemaal wel goed brengen.” Zoals toen, spreekt men vandaag ook: “Laat al de Joden maar naar het land gaan” en: “de Heer zal hen daar brengen”, enzovoorts. Maar wat zei de Heer? “Dat heb Ik helemaal niet gezegd”. Want de Heer had gezegd tot de ballingen, en dat wordt hier nog eens bevestigd:

Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; Jeremia 29:5

Dat wordt gezegd tegen hen die waren weggevoerd naar Babel. Niet: “Wacht maar even, want de Heer komt spoedig en dan zal Hij jullie terugverzamelen” of: “Kom maar, want de Heer heeft gezegd dat gij in het land gezegend zult worden.” Hier zegt de Heer tot de ballingen: Bouwt, woont, plant en eet de vrucht daarvan. Bouwen, wonen en planten betekent dat ze voorlopig daar moeten blijven. Heeft u wel eens een hof geplant? Het boompje is groot en de planter is dood. De bomen leven langer dan de mens, dus waarom zal een mens een boom planten. Normaal gesproken zou hij er toch de vrucht niet van eten. En dan, om misverstanden te voorkomen:

Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, (niet als een soort van aanmoediging, want dat is wat een mens normaal gesproken doet; nee, maar om te benadrukken waar het om gaat) en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. Jeremia 29:6

Hier wordt in ieder geval al over drie generaties gesproken die in ieder geval niet terugkeren uit de ballingschap. Dat betekent in de praktijk dat je het wel uit je hoofd kunt zetten. Tot de ballingen wordt dus gezegd: “Vestig je daar” en er wordt bij gezegd: “Zorg dat je niet verminderd”. Natuurlijk is er sprake van een terugkeer, omdat de Heer gesproken heeft over een terugkeer. Die profetieën bestaan, alleen zouden ze niet binnen afzienbare tijd vervuld worden, integendeel, want vers 10 zegt:

Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. Jeremia 29:10

Er was van tevoren een tijd bepaald, namelijk 70 jaren. (Ik heb het uitgerekend en kom op drie dagen nauwkeurig uit.) Het zou duren vanaf de eerste verovering van Jeruzalem in 606 tot 536 voor onze jaartelling, namelijk het eerste jaar van Darius de Mediër. Dan zou men toestemming krijgen om terug te keren naar Jeruzalem, onder Zerubbabel. Het gaat erom dat de Heer van tevoren aangekondigd had op welke tijd men zou terugkeren. Die zaken stonden vast. Dus in het eerste jaar van Darius de Mediër zouden er mensen in ballingschap geweest moeten zijn die konden weten dat het zou gaan gebeuren. Welnu, één van die mensen was Daniël, die had het ook gelezen (zie Daniël 9) en hij wist van die 70 jaar.

Profeteren over een terugkeer, of “het komt allemaal goed”, heeft dan ook geen enkele zin. De Heer had duidelijk genoeg gesproken hoe het was. Bovendien herhaal ik wat ik al eerder heb gezegd, dat die onderwerping aan Babel inging nadat men 490 jaren geleefd had onder de koningen van Israël. Dat wil zeggen dat er een monarchie geweest was van 70 x 7 jaar. In die jaren had het land elk zevende jaar moeten rusten, een zogenaamd sabbatjaar. Daarvan zei de Heer: “Jullie hebben in al die jaren nooit een sabbatjaar gehouden en hebben dus 70 jaar gemist, dus gaan jullie nu 70 jaren het land uit.” Ik zeg dit enigszins vereenvoudigd, maar daar kwam het op neer. Het was de schuld van het volk zelf, men had de sabbatjaren niet gevierd. Zo waren er 490 jaren vooraf gegaan aan deze 70 jaren die hier genoemd worden. Binnen 70 jaren zou men in ieder geval niet terugkeren; die tijd stond vast.

Na 70 jaren keerde overigens niet iedereen terug. De Heer had hen het land uitgestuurd en de datum waarop men terug zou kunnen keren was ook al door Hem bepaald. Toen deze ballingschap echter inging, bestond Jeruzalem nog en bestond er nog steeds een soort van Joodse staat, zij het dat die niet zoveel te vertellen had, vanwege de afhankelijkheid aan de omliggende volkeren en met name van Babel. Precies zo is het in onze dagen. Wij spreken wel van een onafhankelijke Joodse staat in Palestina, maar dat is natuurlijk wel overdreven. Israël is helemaal niet onafhankelijk, integendeel, het is maar wat wij onder dat woord verstaan. Het bestaat, maar het is in ieder geval in hoge mate afhankelijk van de buurlanden. Zo was het met die Joodse staat indertijd ook. Het was in die Joodse staat en in dat Jeruzalem waarin Jeremia optrad. Vanuit die plaats schrijft hij een brief aan hen die in ballingschap zijn.

De Heer heeft een tijd bepaald

U moet zich voorstellen dat er iemand in Jeruzalem zou wonen en werken, die een officieel bericht doet uitgaan via de pers, waarin de Joden worden opgeroepen om toch vooral niet terug te keren naar Palestina, want dat is wat Jeremia deed. Hij werd niet voor niets beschouwd als een verrader. Stel je voor dat dat vandaag zo gebeurt en iemand dat zou doen dan zou hij precies handelen in de zin van de profetie en in overeenstemming met de wil van God. Zo is dat, want de Heer heeft een tijd bepaald. Dat was toen zo en het is nu ook zo. Die datum staat bij God vast en het gaat er ook niet om of wij hem weten. Er is een tijd gemeten, waarin het volk in ballingschap zou zijn, waarin Jeruzalem niet herbouwd maar verwoest zou worden. Dat is wat via Jeremia wordt aangekondigd. Er is weliswaar een Joodse staat, maar van herstel is geen sprake; integendeel, er zou verwoesting zijn. Die inwoners, die er dan nog zijn in Jeruzalem, waartoe Jeremia dan ook gerekend moet worden, worden mede door Jeremia opgeroepen om toch vooral nu de Heer te dienen en te luisteren naar Zijn woord. Dat deden ze niet, ze stelden er een ander woord voor in de plaats. Ze vonden hun eigen profetieën en waren “kittelachtig” van gehoor. Ze vergaderden zichzelf leraren (zie 2 Timótheüs 4 : 3), maar de Heer zei: daar komt niets van terecht, want op de bestemde datum – het was ook uit te rekenen in de dagen van Jeremia – zal Jeruzalem verwoest worden. Die datum was bepaald, 587 jaar voor onze jaartelling.

Hebt u dat verhaal ooit gelezen, dat de profeet Ezechiël zoveel dagen op zijn ene zijde moest liggen en zoveel dagen op zijn andere zijde? Voor elk jaar van de geschiedenis van Israël één dag. Men kon het uitrekenen, zodat men wist dat het zou komen. Zo is het vandaag ook. Men kan weten dat het zal komen. Als je de boeken leest uit de Maranatha-beweging, bijvoorbeeld van Johannes de Heer, dan lees je dat daarin. Of men het leuk vindt of niet, is niet aan de orde, maar het gaat erom dat het zo is en werd aangekondigd. De ballingschap gaat pas voorbij op de bestemde tijd en niet eerder. De Israëlieten uit de dagen van Jeremia, met name degenen die in ballingschap waren, moesten leren dat er geen sprake was van enige terugkeer, voordat de bestemde datum bereikt zou zijn. In het algemeen gesproken zou de terugkeer uit de ballingschap slechts gebeuren op grond van geloof, om de Heer te dienen, en dat alles tot heerlijkheid van God. Dat wordt ook in deze brief aangehaald. Overigens, men kan wel voor de bestemde datum tot geloof komen en de Heer dienen, maar het einde van de ballingschap laat op zich wachten, want daarvoor is een datum bepaald. Als echter de datum bereikt is en men is niet tot geloof gekomen, zal men uit die ballingschap ook niet terugkeren. Er zijn namelijk twee voorwaarden voor het herstel van Israël:

  1. De datum moet bereikt zijn;
  2. Men moet tot geloof komen.

De datum is een kwestie van tijd, maar tot geloof komen kan natuurlijk altijd. Als men voor die datum niet tot geloof gekomen is, zal men die datum niet eens meemaken. Denk maar eens aan het gesprek tussen de Heer en Nicodémus. Nicodémus denkt dat de Heer misschien de Messias is en dat Hij dat Koninkrijk zal oprichten. De Heer antwoordt glashard: “Nicodémus, jij moet wederom geboren worden om het Koninkrijk binnen te gaan.” Het gaat er hier niet om of de Heer nu wel of niet het Koninkrijk brengt. Het gaat erom dat men moet geloven, want anders gaat men sowieso het Koninkrijk niet binnen en dan is de datum ook niet belangrijk.

Daniël en de 70 jaren

In Daniël 9 staat dat Daniël gelezen had in dezelfde profetie van Jeremia, dat 70 jaren bestemd zouden zijn in verband met die ballingschap. Want Daniël zegt niet: “Heere, het is 70 jaar verder en het is bijna om.” Nee, hij gaat op zijn knieën en doet belijdenis van de zonden van het hele volk, waar hij persoonlijk part nog deel aan had. Hij rekende zich tot het volk, en namens het volk (hij was per slot van rekening deel van het koninklijk huis), doet hij belijdenis van de zonden van het volk. Dat neemt het grootste deel van dat hoofdstuk in beslag. Pas het allerlaatste stukje van dat hoofdstuk spreekt alsnog over de tijd waarop al deze dingen uiteindelijk vervuld zouden worden. Dat is de profetie over de 70 weken, die ook nu nog steeds niet om zijn. Het eerste wat gebeuren moet, is tot geloof komen, vóór de bestemde tijd. Een goed voorbeeld daarvan is het gebeuren aan het einde van de 69 weken van Daniël waar precies hetzelfde plaatsvond. Toen op de laatste dag van de 69-ste week van Daniël, de Heer op een ezel over de Olijfberg reed naar Jeruzalem en Hij aan de voet van de Olijfberg de stad zag, weende Hij over de stad en zei:

Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.
43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;
44 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. Lukas 19:42-44

Het gebeurde is identiek. Waarom? Omdat “gij de tijd uwer bezoeking niet gekend hebt”. Niet “omdat gij uw bezoeking niet gekend hebt”, al is dat ook zo, maar “omdat gij de tijd uwer bezoeking niet gekend hebt”. Er zijn natuurlijk ook toen mensen geweest die gezegd hebben datje de datum niet kunt weten. Men zei: “Dat mag niet. Schande, dat er zelfs mensen zijn die zich bezighouden met de Bijbelse tijdrekening.” De Heer zegt: “het is schande als je het niet doet. Je hebt de tijd van je bezoeking niet gekend”. Het was “deze, uw dag”, maar Jeruzalem was het zich niet bewust. De Heer kwam op de ezel naar Jeruzalem en er werd geroepen: “Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel en heerlijkheid in de hoogste plaatsen.” (Lukas 19 :38)

De Psalmen werden letterlijk geciteerd; allemaal uit het Oude Testament. Jeruzalem moest wel in feesttooi zijn, de fanfare moest wel zijn uitgetrokken en de stad moest wel zijn versierd, want het was de laatste dag van de 69-ste week van Daniël. Bovendien was het de tiende Nisan, het paaslam moest in huis genomen worden. Op die datum zou bovendien de tempel gereinigd moeten worden. Toen de Heer bij de tempel aankwam, trof Hij een situatie aan dat de tempel helemaal niet gereinigd was. “Terwijl gij deze dag, de tijd uwer bezoeking niet gekend hebt”. Het is precies hetzelfde verhaal. De Heer zegt: “Je weet nu wat er gaat gebeuren. Er zal niet één steen op de andere gelaten worden.”

Volksverhuizing versus ballingschap

Alle volkeren zijn ooit een keer verhuisd. Waar naartoe is een beetje bekend, maar waar ze vandaan kwamen, blijkt helemaal niet bekend te zijn. Als dat gebeurt, heet dat niet ballingschap, maar verstrooiing of volksverhuizing. Wij weten wel beter, omdat wij uit de Bijbel weten dat ze toch terug zullen keren. Het gaat natuurlijk om het principe dat een volk kan verhuizen, maar dit was geen verhuizing. Er werd wel gezegd dat het volk zou terugkeren, maar niet dié generatie en ook niet de volgende. Er zouden generaties overheen gaan en er staat uitdrukkelijk dat men zich moest vermenigvuldigen en dat men niet verminderd zou moeten worden. De kans was groot dat het zou verminderen door assimilatie (verbinding met de andere volkeren). Dan verliest het volk zijn identiteit, zijn persoonlijkheid, en dat was niet de bedoeling. Er staat: “Weest daar, woont daar, vermenigvuldigd daar en wordt niet verminderd”. Als je dan toch de vrede wilt zoeken van de stad en toch politieke idealen wilt hebben, zoek dan de vrede van de stad, waarheen de Heer je gevankelijk heeft doen wegvoeren. Die stad is hier natuurlijk Babel. Niet de vrede van Jeruzalem, maar van Babel. En zoek den vrede der stad. (Jeremia 29 : 7) Bidt voor de vrede van Babel, want daar zouden ze wonen. Het zou nog een poos zo blijven en dat is wat ze zouden moeten leren.

Daarmee is een bijzondere, vreemde, situatie geschapen vanwege die ballingschap. Men weet dat men ergens vandaan komt en ook dat men er weer naartoe gaat, maar men weet ook dat dat tijdens hun leven niet zou gebeuren. Vroeger was het zo: je werd ergens geboren en je ging daar ook weer dood. Misschien maakte je nog eens een uitstapje hier of daar naar toe, maar dan had je het wel ongeveer gehad. Ik bedoel: je komt op een bepaalde plaats ter wereld en je blijft op die plek hangen en sterft daar meestal ook. Wat moet je nou met de gedachte te weten dat je hier wel geboren bent, maar dat je voorouders ergens anders vandaan komen en dat je nageslacht daar weer naar terug zal gaan? Wat moet je met zo’n leven? Je zult je dus altijd ontheemd voelen, ver van huis. Het is een rare gedachte, omdat je in wezen toch niet anders bent dan al die andere mensen om je heen, maar je oorsprong en je bestemming liggen ergens anders. Dat is bepalend voor je heden. Dat is de kern van het hele bal- lingschapprincipe: ergens leven waar je niet thuishoort en toch zul je er altijd blijven. In Jeremia 29 : 4-7 staat dat er een plek gemaakt wordt om te wonen en een gezin te stichten; dat is het dan, en vervolgens maar uitzien naar de toekomst. Dat is de essentie. Wachten op het verleden kan niet, dus is het altijd wachten op de toekomst. Een toekomst waarvan je weet dat hij hier in dit leven niet te bereiken is, en toch daar naar uitzien, dat is ballingschap. Het is een trieste zaak en het maakt je melancholiek. Zo was de situatie van die ballingen, maar het is nu de situatie van een verstrooid Jodendom. Of men dat nu wil weten of niet, maar het is zo. Het blijven altijd vreemdelingen en bijwoners, ballingen, altijd verstrooid. Men kiest er zelfs dikwijls voor. Het is niet alleen de situatie van Israël of het Jodendom, maar het is eigenlijk de situatie van elk mens. Het is maar hoe breed wij dat begrip “ballingschap” toepassen.

Hedendaagse ballingschap

Oók vandaag moeten we daar eigenlijk van spreken. De onvrede die in de mens in het algemeen is, dat zoeken van de mens, is eigenlijk alleen te verklaren uit deze ballingschap. Hij is namelijk ergens anders vandaan gekomen en heeft een andere afkomst. Natuurlijk wordt een mens geboren uit zijn ouders, dat is dichtbij gerekend. Dat is met ballingen net zo. Die uit Israël bijvoorbeeld, worden ook geboren uit hun ouders, maar de werkelijke afkomst ligt veel verder terug. Zo is dat met de mens in het algemeen ook het geval. Hij vraagt zich af: waar kom ik toch vandaan, waar ben ik terechtgekomen. Er moet toch iets anders wezen, waardoor deze situatie is ontstaan? Dat de huidige situatie nooit de blijvende kan zijn; het nooit de vervulling of de zin aan het bestaan kan geven als zodanig, dat schijnt men in het algemeen wel te weten. Het enige antwoord daarop is slechts te geven vanuit de Schrift: Omdat het gaat om een verleden wat we zelf niet hebben meegemaakt en dus moet het ons verteld worden. Dat gebeurt ook en dan blijkt dat wij een andere afkomst hebben. Want we mogen dan individueel geboren zijn uit onze ouders, maar de mensheid als zodanig is wel degelijk een schepping Gods, waarin Gods adem is geblazen en waar God een plan mee had. Dat de mens daarna op een ander spoor gekomen is; een andere weg heeft ingeslagen, een weg van ongehoorzaamheid, een weg van de Heere niet dienen, dat die mens daardoor in ballingschap is gekomen, ja, dat is de enige verklaring voor al deze dingen.

Om het eens eenvoudig en concreet voor te stellen: Je kunt de hele mensheid beschouwen als in ballingschap; want de mens werd verdreven uit de hof van Eden en de mens zal er weer naar terug moeten. Termen als “de hof van Eden” en “het paradijs” worden in de Bijbel nog vele malen gebruikt, ook in verband met de toekomst. Het betekent zoveel als: men is uit het paradijs afkomstig en men gaat er weer naartoe, dat is de bedoeling, maar onderweg zijn we hier in ballingschap. Dat geldt voor de hele mensheid en niet alleen voor Israël. En zo is het Bijbelse begrip “ballingschap” van toepassing op de gehele schepping als zodanig. De ballingschappen van het Jodendom zijn eigenlijk niets anders dan een illustratie van de wereld en de mensheid. Naar de andere kant toe geredeneerd is het een voorbeeld voor de gelovigen van vandaag, die ook, maar dan op een andere manier, weer in ballingschap zijn. De overeenkomst is dat men verdreven is uit de oorsprong en weet dat die oorspronkelijke positie weer terugverkregen zal worden. Men weet dat het nu nog niet gebeurt en men wacht op de toekomst. Er zijn ook varianten op denkbaar. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: een mens kan toch vanuit die toekomst leven? Ja, dat gebeurt en dat doen wij ook. Wij verwachten dat wij teruggaan naar onze oorsprong en die ligt voor ons als gelovige niet in de hof van Eden, ook niet bij de mens of het Jodendom, maar in de hemel, want wij zijn uit God geboren. Wij zijn “van boven geboren”, wordt tegen Nicodémus gezegd. Als je van boven geboren bent, dan ben je daaruit afkomstig en dus in ballingschap en is het vanzelfsprekend dat je daarnaar terugkeert. Onze toekomst als Gemeente ligt dan ook boven in de hemel.

Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus; Filippenzen 3:20

Er wordt gezegd dat onze eindbestemming weer in de hemel ligt, en dat noem ik dan een terugverzameling, namelijk onze toevergadering tot Hem. Als er staat: “onze wandel” (burgerschap) is in de hemel, dan betekent dit dat we nu leven vanuit de toekomst en vooruitgrijpen op onze toekomstige situatie. We gaan leven zoals het in de toekomst de bedoeling is. Dat men vooruit grijpt op de toekomst is overigens ook een Bijbelse gedachte. Dat is het grote onderscheid tussen de gelovigen aller tijden in het algemeen en de natuurlijke mens. De natuurlijke mens leeft altijd vanuit het verleden, daar werd hij gevormd en kwam hij vandaan, naar de toekomst toe. In de Bijbel is het zo dat de gelovigen niet leven vanuit het verleden, maar leven vanuit de toekomst, omdat ze die kennen. Die toekomst is de bron waaruit men het leven en de kracht put. Het kenmerk van een gelovige is dat hij leeft in de hemel, omdat hij in de toekomst naar de hemel zal gaan. Zo ligt het eigenlijk. Een gelovige leeft met een hemelburgerschap, omdat daar zijn bestemming ligt. Zo kun je dus in ballingschap leven en tegelijkertijd vooruitgrijpen op de terugver- zameling. Die terugverzameling zelf is pas echt in de toekomst.

Een ander voorbeeld is Israël. Dat vertrok uit Egypte en toen was het in ballingschap. Ongeacht waar nu de oorsprong ligt, dat maakt niet uit. Je kunt ook zeggen: Israël kwam uit Kanaän en nu gaat het uit Egypte weer onderweg naar Kanaän. Maar als het onderweg is, is het nog niet in Kanaän, dus is het nog in ballingschap. Men zou ook lang in ballingschap blijven. Het zou zekere jaar duren en of men dat van tevoren wist, weet ik niet helemaal zeker, maar ik vermoed het wel. De eerste twee jaren wist men het misschien niet, maar toen die voorbij waren wist men dat in ieder geval wel, want toen werd er gezegd dat er een hele generatie zou voorbij gaan. Die generatie zou Kanaän niet binnengaan, maar het volk als zodanig wel. De bedoeling was dat het volk, vooruitgrijpend op het wonen en het gevestigd zijn, het blijven in Kanaän, al zou leven vanuit dat Kanaän itisch burgerschap. Het grootste gedeelte van de wet, die immers gegeven werd na de uittocht uit Egypte, spreekt over: “Als gij in het land gekomen zult zijn, waarin de Heer uw God u brengen zal, dan zult gij…” Er worden zelfs voorschriften gegeven omtrent de tempel en over de eredienst in de tempel, maar het zou honderden jaren duren voordat het zo zou zijn. Er werden voorschriften gegeven met betrekking tot de verdeling – de verbouwing – van het land. Voorschriften omtrent de sabbatjaren en jubeljaren. Het zou in ieder geval minstens die 40 jaar duren voordat het zo zou zijn. Het is al aangehaald dat die sabbatjaren pas echt gehouden moesten worden bij het ingaan van de monarchie. Het waren wetten die gegeven werden in het algemeen, voor het volk, als het in het land gekomen zou zijn. Maar die wetten werden gegeven 40 jaar daarvóór, na de uittocht uit Egypte, zodat men al die tijd dat men in de ballingschap (in de woestijn) was die wetten van dat toekomstig land gekend heeft. De bedoeling was dat men daaruit zou leven. Als die wetten zeggen dat de Heer voor het volk zou zorgen als het volk Hem zou dienen, dan is het vanzelfsprekend en een juridisch correcte aangelegenheid dat het volk nu al, nu het onderweg was naar het land, uit diezelfde principes zou leven. De Heer zou hen naar het land brengen en de reis hoort daar in principe ook bij.

De Heer had gezegd: Ik zal zorgen dat het land zijn vrucht opbrengt. De woestijn levert onderweg weinig vruchten op en ook zeker niet als je er doorheen wandelt, want dan kun je het niet bebouwen. Dus gaf de Heer brood uit de hemel, het manna, en het water uit de rots. Het was een vooruitgrijpen op het beloofde land. Men was in ballingschap, men had geen rechten, men zou zelfs in de woestijn sterven en toch werd men gezegend met de zegeningen die eigenlijk pas in Kanaän thuishoorden. Het is het vooruitzien op de terugkeer uit de ballingschap. Het betekent dat men al die tijd van de ballingschap weliswaar in zekere zin een geregeld leven zou leiden, maar toch zou weten: wat we hier hebben, gaat allemaal voorbij. We hebben het wel, we bouwen het wel, we genieten er misschien ook wel van, maar het is allemaal tijdelijk. Het is het kennen van de toekomst en weten dat men onderweg is naar de vervulling van de belofte is bepalend voor het heden. Niet zo zeer ons verleden, maar onze toekomst is bepaald. Dat is belangrijk en het wordt daarom ook vele malen herhaald.

En Jezus zeide tot hem: Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods. Lukas 9:62

Men moet vooruitkijken en het doel in het oog houden. Paulus zegt:

Maar een ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. Filippenzen 3:14

De toekomst is bepalend voor het heden en zo zijn er meer uitspraken:

Gedenkt aan de vrouw van Lot. Lukas 17:32

De vrouw van Lot keek achterom. Zij kon niet vergeten wat achter was en werd een zoutpilaar. Dat is in ieder geval een voorbeeld voor ons. Wat dacht u van Israël? Israël, dat terugverlangde naar de vleespotten van Egypte, maar daarbij vergat dat het in Egypte wel in slavernij was. Israël keek achterom en wat gebeurt er? Het komt ook weer terug in Egypte.

En de HEERE zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien; Deuteronomium 28:68a

Het zijn allemaal Bijbelse beginselen. Ze keerden terug naar de slavernij van Egypte of gaan in slavernij naar Babel. Het is steeds volgens hetzelfde principe: als men niet vooruitkijkt en niet leeft naar die toekomst toe en men niet staat op de beloften van God (Staand op de beloften van mijn Heer en God, zegt het lied), beloften in het verleden gedaan, maar met betrekking op de toekomst, dan zal men, net als de natuurlijke mens, terugkeren naar het verleden.

Wat is verleden, heden en toekomst?

Ik weet niet of u dat verschijnsel kent – het is te hopen van niet – maar bij de natuurlijke mens is het zo dat hij jaren achtereen onderweg is. Vanuit het verleden door het heden naar de toekomst, totdat hij over een bepaalde leeftijd heen gaat en dan blijkt dat hij geen toekomst meer heeft. Wat doet hij dus? Hij keert terug! Hij gaat leven in het verleden en zijn gedachten gaan terug naar dat verleden en steeds verder terug. Dat is de natuurlijke mens. Zo gaat het altijd, er is geen keus. Het heden is ook eigenlijk niet te vatten. Wat is het heden? Het is het snijpunt tussen verleden en toekomst, meer niet! Op het moment dat ik het woord “heden” uitspreek, is het alweer voorbij. Je kunt kiezen: welke kant kijk ik op? Het heden is meteen voorbij, kijkje naar het verleden of naar de toekomst? De natuurlijke mens kent eigenlijk geen toekomst. Hij heeft niets te verwachten, geen zekerheid. Hij weet alleen dat hij dood gaat en wat dan nog onzeker is, is dat hij niet weet wanneer. Het klinkt heel cynisch, maar zo ligt het wel. Hij heeft geen andere keus dan te leven in het verleden. Dat is het grote verschil met een gelovige. Die heeft een toekomst en gebruikt zelfs het heden om zich op die toekomst te oriënteren. Je moet toch weten wat je te verwachten hebt, dan kun je je erop voorbereiden. Als je onderweg bent naar een bestemming en je hebt er bewust voor gekozen, dan blijft er weinig anders over dan je te verdiepen in die bestemming. Dat is wat van de balling en ook van de gelovige en van de mens in het algemeen verwacht moet worden als hij de toekomst kent. Wij kennen de toekomst, omdat het Woord van God het ons geopenbaard heeft. Hij zou zich op die toekomst moeten oriënteren en dan wordt het leven van zo’n balling – in de Bijbelse zin van het woord – bepaald door de beloften die zijn gedaan. De balling weet: ik ben hier wel; ik kan van alles doen; er wordt hier van mij iets verwacht, maar mijn uiteindelijke bestemming ligt ergens anders. Men zou zijn hart niet stellen op de dingen van het heden en de dingen van de ballingschap zelf (men leeft er wel in en geniet er wel van, dat is helemaal geen probleem), maar op de dingen van de toekomst. Daar spreekt de Bijbel genoeg over.

2. Etymologie van “ballingschap”

Het begrip “ballingschap” is in het Hebreeuws “GALOED” en komt van het werkwoord “GALAH”. Soms wordt het woord niet goed uit elkaar gehouden, zoals ik gezien heb in de verschillende concordanties. Het woord “GALOED” wordt soms gebruikt als een zelfstandig naamwoord. Soms zelfs als een verbuiging van het werkwoord en dan krijgt het een ander “strong reverence” nummer mee. Dus als u ooit eens gaat tellen, hoe vaak een woord voorkomt (dat heb ik dus gedaan) kun u het wel vergeten, want dat komt niet uit. Ik heb wel al de verwante woorden geteld die van dezelfde wortel afkomen en het komt 273 keer voor. U moet dit werkwoord “GALAH”, waar dit woord “GALOED” van afgeleid is, onthouden. Dat woord is af te leiden naar “GAL”, van “GIL”, “GILGAL”, “GOELGOLETH”, “GOLGOTHA”, “GALILÉA”, “GILEAD”, “GALLIËRS” en “GALATEN”.

“GAL” wordt in onze Bijbel altijd vertaald met (een) “hoop” (bijvoorbeeld een berg stenen). U kent het verhaal misschien van Jakob en Laban als zij tot elkaar komen. Ze brengen dan ook wat stenen bij elkaar en richten het op tot een “steenhoop” en vervolgens wordt gezegd: “Deze hoop zij heden een getuige tussen u en mij”. “Hoop” is “GAL” of “GIL” en “getuige” is “AD” en zo werd de naam van die plaats “GILEAD”. Dat begrip “GAL”: 3 + 30 (Gimel + Lamed) = 33, staat voor alles wat gestalte krijgt, wat vorm krijgt. Een ondefinieerbare vorm overigens, want het hoeft niet nauwkeurig bepaald te zijn hoe het er uit moet zien. Het gaat erom dat het plaats en ruimte inneemt, en daarom kan het woord zelfs worden gebruikt voor de hele schepping, namelijk dat wat vorm gekregen heeft en bij elkaar gebracht is. Dat is wat zich ook uitdrukt in al die woorden die van “GAL” zijn afgeleid. Het begrip wedergeboorte of “GILGAL” (= wiel) 2 x 33, wil zeggen dat iets tweemaal gestalte of vorm krijgt. Wedergeboorte is twee keer gevormd worden. De wortel van al deze woorden is niet “GAL”, maar”GALAL” (= rollen).

Een wiel rolt, heeft gestalte, en gaat zich op een bepaalde manier gedragen en op een bepaalde manier een eigen leven leiden. Het wiel heeft een cirkelvorm en maar één afmeting, de middellijn of straal. Het is de eenvoudigste vorm die je kunt bedenken. Met die cirkel wordt ook altijd de schepping uitgebeeld, evenals “de gang van de wereld”. Als men het heel mooi uitbeeldt, tekent men een slang die zijn staart in de bek heeft en zo de cirkel vormt als beeld van de stoffelijke wereld. De cirkel staat dus voor de schepping, de wereld als zodanig en het wiel eigenlijk ook, zij het dat het wiel tevens het voort wentelen, de voortgang, uitdrukt. In werkelijkheid gaat het om het principe dat die wereld gestalte, vorm, heeft gekregen en nu voortrolt. Die draaiende beweging is sinds mensenheugenis de uitbeelding van het leven zelf, om nog maar niet te spreken van de draaikolken, de kolkende beweging waarin men weggezogen kan worden en ten onder gaan.

Dat “leven” is in dat rollen uitgedrukt door de woorden “GAL”, “GILGAL” of “GALAL”. Het wordt in verband gebracht met de wereld zoals wij die nu kennen en voortbeweegt. Die maar zijn gang, en als het ware zijn eigen weg gaat, als een wiel dat je een zetje geeft; daar rolt het dan en vervolgens maar afwachten wat er van komt. Het begrip rollen wordt in Jesaja 22 : 18 gebruikt in de beschrijving van een oordeel, een vonnis. Het woord “GALAH” (waarvan het woord “ballingschap” is afgeleid), wordt in de Bijbel bijna altijd vertaald met “ontdekken”, de bedekking, de bescherming, wegnemen. Sterker nog, de allereerste keer dat het in de Bijbel voorkomt, wordt het zelfs vertaald met “ontbloten” in het geval van Noach.

20 En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.
21 En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent. Genesis 9:20,21

Daarna wordt het woord bijna altijd vertaald met “ontdekken”. Het kan ook betekenen “zich blootstellen (GALAH) aan”, waardoor iets of iemand ook kwetsbaar wordt. Dan wordt het begrip “ballingschap” of: “in ballingschap wegvoeren”, en zo wordt het soms ook vertaald. Als men in ballingschap gaat is men immers blootgesteld aan een vijandige wereld. Als Israël in ballingschap gaat, valt de bedekking, de bescherming van het eigen land weg, evenals het eigen nationale bestaan buiten de grens van het eigen land en het wordt blootgesteld aan de Babyloniërs. Dan is men die (be)dekking kwijt en in hoge mate kwetsbaar. Vooral als die Babylonische ballingschap ook nog een Medo-Perzische ballingschap blijkt te zijn. Daarmee komen we bij de geschiedenis van Esther en dan blijkt hoezeer men daar als Jood is blootgesteld aan de Meden en Perzen. Het is inderdaad levensgevaarlijk.

Ballingschap houdt dus eigenlijk in dat men zijn bescherming kwijt is. Men is zijn kracht kwijtgeraakt. Bovendien houdt het in dat men tot schande is gemaakt, dat komen we nog wel tegen. Men draagt smaadheid, want het is een schande om naakt te lopen. Dat is de situatie van het in ballingschap zijn. In de Bijbel komt het vaak voor dat mensen ontbloot, uitgekleed en in het openbaar tentoongesteld worden. Mensen zowel als overheden en machten. Het is in wezen een uitbeelding van vernedering en ballingschap. Ik moet er bij vertellen dat dit “ontdekken”; dat “een bedekking wordt weggenomen” synoniem is met “openbaren”. Er staat bijvoorbeeld: dat de Heer Zich “ontdekte” aan iemand. Dat wil zeggen dat de Heer Zelf Zijn bedekking wegnam en Zich openbaarde. In de praktijk betekent het dat de Heer aan iemand verscheen en eventueel dat Hij tot iemand sprak.

En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God was hem aldaar geopenbaard (“GALAH”, ontbloot) geweest, Genesis 35:7a

Denk even terug aan Noach in Genesis 9. Hier wil het zeggen dat God Zich bekend heeft gemaakt aan Jakob. God Zelf nam Zijn bedekking weg en gaf Zich bloot en openbaarde Zich aan de mens. Dat is de gedachte. Het betekent dat als God Zich aan de mens openbaart Hij Zich bloot geeft en Zich te schande maakt, omdat Hij Zich afgeeft met een zondig mens. Het is een vernedering voor een heilig en rechtvaardig God om Zich te openbaren aan een zondig, onrein en onheilig mens, maar Hij doet het. Dat geldt ook voor het spreken van God, maar zeker als Hij in ballingschap komt. Dat wil zeggen: als God de hemel verlaat en mens wordt, als mens geboren wordt, en hier op aarde wel degelijk de geopenbaarde Godheid is, en tegelijkertijd de kwetsbare, tot schande gemaakte, ontblote Godheid. Dan vinden we God Zélf in ballingschap en kennen Hem als de Heer Jezus Christus, want Hij is het Woord van God. Hij is de openbaring van de Godheid, en daarin maakt God Zich te schande, stelt God Zich kwetsbaar op ten opzichte van de mens. Die God wordt ook prompt door de mens gekwetst. Van dat ontbreken van dekking wordt ook direct gebruik gemaakt en deze God in ballingschap wordt ook te schande gemaakt en uiteindelijk gedood. We hebben nu het begrip “ballingschap” ook op de Heer Zelfvan toepassing gebracht, en terecht, want als het ooit op iemand van toepassing was, dan was het op Hem.

Het woord “GALAH” betekent dus: “ontdekken”, “openbaren” of: “zich uitdrukken”. Dat wil zeggen dat iets met geweld naar buiten treedt of geduwd wordt. Zo kan ook een volk met geweld het land uitgedrukt worden. Het woord “uitdrukken” betekent ook dat men tot iemand spreekt en uitdrukking geeft aan gedachten enzovoort, maar dat is allemaal in principe ballingschap. Zelfs als wij spreken gaat het woord van ons uit, en de bedoeling daarvan is dat het woord niet ledig wederkeert, maar dat het resultaat heeft. We verwachten er iets van, is de bedoeling.

Nogmaals, al het woord dat uitgaat, gaat dus eigenlijk per definitie in ballingschap. Het geeft uitdrukking aan iets en is daarom in ballingschap. Dat is de wijze waarop God spreekt. Hij gaat in ballingschap. Hij zendt Zijn Woord in de wereld en de bedoeling is dat het terugkeert. Het is dan ook zo dat wij niet alleen van de ballingschap deel uit maken, maar ook aan de terugkeer deel krijgen, wanneer we deel krijgen aan het Woord van God. Als we deel hebben aan het Woord van God dan zullen we die weg ook gaan en met dat Woord niet ledig wederkeren, maar tot God gebracht worden, want het Woord van God keert tot God weder. Dan blijkt het een “cirkel” te zijn die zich sluit.

De symboliek is misschien wel wat ingewikkeld, maar daarom niet minder interessant. Het hebreeuwse woord “GALOED” (afgeleid van “GALAH”) betekent “ballingschap” en wordt ook enkele keren vertaald met “gevankelijk wegvoeren”. Er is echter in onze bijbelvertalingen ook een ander woord dat daaraan synoniem is en vertaald wordt met “gevangenis” of “gevangennemen”. Niet van “GALAH”, maar van het woord “SHEBIE” 200 + 2 + 10 (Shin + Beth + Jod). Dat wordt vertaald met “ballingschap”, “gevangenis” of: “gevangenen”. Die uitdrukking komt o.a. voor in Psalm 68:

Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Psalm 68:19a

Woorden die aangehaald worden in Éfeze 4. Er zijn dus twee begrippen die nogal door elkaar gebruikt worden. Ik heb zelfs Schriftplaatsen gevonden waar beide termen in dezelfde tekst staan. Synoniem aan elkaar, zodat de betekenis ervan toch uiteindelijk dezelfde is. Er is maar één uitzondering, namelijk als het als “SHEVO” wordt opgevat, dan blijkt het een “edelsteen” te zijn, een “agaath”. Dat maakt niet zoveel uit, want u weet dat een edelsteen ook gevormd wordt in ballingschap, onder hoge druk. De gedachte blijft toch dat van “drukken” of “naar buiten drukken met geweld”, waartegen iedereen zich verzet, wat niemand wil, omdat het een schande is, maar het is de weg van de schepping als zodanig.

Na de ballingschap

Ik grijp nu even terug op een onderwerp dat ik al eens aangehaald heb in een heel ander verband, namelijk dat het begrip “ballingschap” van toepassing is op de schepping en als zodanig op de gehele wereld. Ik noemde al dat het van toepassing was op de mensheid, die uit het paradijs verdreven is en er naar terugkeert. De hele wereld echter is in een ballingschap, die stamt uit de tijd vóórdat Adam er was. Dat is de ballingschap die we terugvinden in 2 Petrus 3, waar gesproken wordt over de schepping van de oorspronkelijke wereld in drie fasen:

  1. de  oorspronkelijke;
  2. de  ballingschap (de    middelste dus);
  3. de  toekomende.

5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande (van voor Genesis 1);
6 Door welke (het water) de wereld, die toen was (dat is de wereld zoals hij was en, in zekere zin althans, zo zou moeten zijn), met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. (dat wil zeggen er kwam een oordeel over) 2 Petrus 3:5,6

Die grote vloed was vóór Genesis 1 zegt Petrus.

Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde , zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen. 2 Petrus 3:7

Zoals er over de oorspronkelijke Joodse monarchie een oordeel kwam, zo kwam er veel eerder (vele duizenden jaren daarvoor) een oordeel over de schepping. Zoals Israël in ballingschap ging, ging de schepping in ballingschap. U ziet dat hier een dag gesteld is waarop een eind komt aan die ballingschap. Dat wat in ballingschap is zal ook geoordeeld worden, maar men zal ook uit de ballingschap kunnen terugkeren.

Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. 2 Petrus 3:13

Die belofte is essentieel voor leven in ballingschap. Vers 13 betekent een omwenteling. Ongelovigen vinden dat een ongeluk of ramp. Wij verwachten deze revolutie, deze “GILGAL”, in de toekomst. Wij verwachten naar Zijn belofte, de vervulling van die belofte, een nieuwe schepping, en dat gebeurt revolutionair. De Schrift leert dat de oorspronkelijke schepping woestheid en ledigheid en duisternis is geworden, volgens onder andere Genesis 1 : 2. Er zijn veel Schriftplaatsen die dat bevestigen. Het betekent dat de wereld die wij kennen niet in zijn oorspronkelijke hoedanigheid is, maar verdreven, losgemaakt is van zijn oorsprong, losgemaakt van de Schepper. We leven dan ook in een gevallen wereld, maar het is gewoon een wereld in ballingschap. Wij verwachten in de toekomst, dat wat nu in ballingschap is, verenigd zal worden met de Schepper. Allen die in ballingschap zijn zullen tot God teruggebracht worden, en uit die ballingschap wederkeren. Wat dacht u van de uitdrukking dat Hij “de gevangenis gevangen zou nemen”. Of eigenlijk: dat Hij “de gevangenis gevankelijk zou wegvoeren”, met Zich méévoeren. (Psalm 68) Er is een principe wat daar genoemd wordt in verband met Israël, wat in ballingschap is, maar de Heer Zelf zou alles wat in ballingschap is (ofwel de gevangenis) met Zich meevoeren. Ze blijven dan wel bij elkaar, maar worden gebracht op de plek waar ze echt moeten zijn. Ze worden bij elkaar gebracht in Christus en ook in het land, enzovoort. Hij zal de ballingschap gevankelijk wegvoeren en zal hen gave geven, en zij zullen in het land wonen.

Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God! Psalm 68:19

Het wordt ook toegepast op de Gemeente in Éfeze 4, want al de profetieën worden ook van toepassing gebracht op de Gemeente in overdrachtelijke zin. Daar blijkt dat wij, die verstrooid zijn over de wereld onder de heidenen, bij elkaar gebracht zullen worden en dat wij door de Heer gevankelijk zouden worden weggevoerd en gaven zouden ontvangen.

En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Éfeze 4:11

Je zou die hele Psalm natuurlijk alsnog eens moeten toepassen op de gehele schepping, die in ballingschap gevangen en dienstbaar gemaakt is. Er staat toch in Romeinen 8 dat de hele schepping aan de dienstbaarheid is onderworpen, in slavernij en dus in ballingschap is, en wacht op het openbaar worden van de zonen Gods? Die zonen staan in de vrijheid. In de toekomst wordt de hele schepping door de Heere gevangen genomen en teruggebracht naar een positie die ver uitstijgt boven de vroegere, want als men terugkeert uit ballingschap zal blijken, dat de situatie beter is dan voor de ballingschap. Dat is de bedoeling. Israël ging in ballingschap, maar de uiteindelijke terugkeer uit de ballingschap zou plaatsvinden onder de eeuwige en laatste Koning uit het huis van David. Hij zal meteen het Messiaanse rijk brengen. Niet het herstel van de langdurende dynastie. Nee, hij zal de vervulling van alle beloften brengen.

Dat is wat ook met de wereld gebeurt. Het is niet een terugkeer naar de oude situatie, maar één die daar bovenuit stijgt. Dat is ook de zin van al die dingen, maar waartoe dan die ballingschap? Opdat bij de terugkeer uit de ballingschap de dingen beter zouden zijn! Een terugkeer op een hoger niveau, een verbetering namelijk. Niet een herstel van het oude, waarna de dingen zich eindeloos blijven herhalen en je maar door tolt, integendeel, het gaat om het bereiken van iets nieuws. Er moet een vernedering zijn, een soort oordeel en lijden, opdat daarna de situatie hersteld en beter zal worden als voorheen. Als het niet verbeterd zou zijn, is het een onzinnige situatie. Dan heeft het geen enkele zin en is het alleen maar wreedheid. Wat de schepping overkomt en wat de bedoeling is van de ballingschap is dat men weliswaar terug zou keren uit de ballingschap, maar niet in de oude, maar in een verbeterde situatie.

Toen Juda uit de Babylonische – de Medo-Perzische – ballingschap terugkeerde, zo lezen wij in Ezra, in Nehemia en ook in de laatste kleine profeten, waren velen onder hen teleurgesteld. Men komt terug uit de ballingschap en het brengt niet wat men verwacht had. Het antwoord van de Heer, via de profeet, is dan ook: Ja, dit is ook niet de terugkeer. Dit is een terugkeer, want dé terugkeer uit ballingschap zal pas plaatsvinden bij de komst van de Messias. Er staat dat men een tempel bouwde (de zogenaamd tempel van Ezra) en dan blijkt die tempel veel kleiner te zijn. De helft van de mensen staat erbij te juichen en roept: Wat fijn, we hebben weer een tempel in Jeruzalem! De andere helft huilt door al dat gejuich heen en roept: Dit is lang niet wat het was, dit kan het niet zijn. Dat zei de Heer ook: Dit is het ook niet, dit is een beeld van wat komen zal, maar de uiteindelijke vervulling van al deze beloften, de uiteindelijke terugkeer vanuit ballingschap, is pas als eerst de Messias verschenen is. Die dingen gelden natuurlijk ook nog vandaag. Vervulling van de beloften hoeven we vandaag niet te verwachten. Er zijn wel dingen die er verband mee houden en die een soort vooruitgrijpen zijn op die toekomstige vervulling van de belofte, maar in werkelijkheid is het zo dat al die dingen wachten op de toekomst, als ze ten volle vervuld zullen worden in de verschijning van Christus, Die alles wat ontheemd is, naar huis zal brengen.

Het zal u duidelijk zijn dat het hele begrip “ballingschap” eigenlijk niet in de wereld gekend wordt. Er wordt wel eens over gesproken, maar de gedachte is niet bekend, omdat men de toekomst niet kent. Men weet wel dat men ergens vandaan komt en onderweg is, maar waar het toe leidt niet. Daarom heet het ook geen ballingschap, maar gewoon dwalen. Het is net als met de Spaanse dolende ridder Don Ouichot de la Mancha, hij wist niet waarheen hij onderweg was.

Een vaste toekomst

Met dit begrip “ballingschap”, wat het verblijf betekent tussen verleden en toekomst, is het echter niet het geval. Het verleden is bekend via het geopenbaarde Woord van God en ook de toekomst is bekend door datzelfde Woord van God. Niet in de laatste plaats op grond van de beloften die gedaan zijn. Het kan ons allemaal bekend zijn, maar er zijn veel mensen die zich christenen noemen en zichzelf als oprechte christenen beschouwen, maar onbekend zijn met die vaste toekomst en waardoor hen de hele zin van het bestaan ontgaat. Als ze namelijk dat eindpunt niet kennen, niet weten hoe dat zit, hoe men er komt en dat men er komt en wanneer, dan mist men elke vastigheid in dit leven. Als je alleen op de vragen kunt zeggen: ik hoop dat het nog eens misschien zal blijken, misschien… Dat heet geen hoop in de Bijbel, hoewel mensen dat tegenwoordig hoop noemen. Als je alleen maar hoopt dat het nog een keer gaat komen, waar ben je dan mee bezig? De essentie is juist dat het einde, de afloop, namelijk de terugkeer, vaststaat, en beloofd is aan diegenen die geloven. Zodat ook vaststaat wie aan die uiteindelijke afloop deel heeft en in het beloofde land aankomt. Het zijn zij die uit de ballingschap terugkeren.

Een christen zou zich daarin juist van de wereld moeten onderscheiden, omdat hij weet wat hem te wachten staat en vertrouwd op de beloften die God gesproken heeft. Die zijn niet twijfelachtig, maar worden twijfelachtig gemaakt doordat er op de verkeerde wijze over gesproken wordt. Ze staan uitdrukkelijk in de Bijbel, maar helaas, door de prediking der woorden van de Schrift wordt afbreuk gedaan aan wat er nu echt beloofd is. Er wordt dikwijls precies het tegenovergestelde gepredikt. In plaats van dat wij leven vanuit de toekomst, die voor ons vaststaat, leven wij uit de onzekerheid en wordt de onzekerheid ons steeds weer aangepraat. Op het moment dat wij denken: ik weet het wel en ik geloof dat ik er ben en dat ik erbij hoor, dan komt er vast wel iemand, die bijzonder vroom is, vertellen dat je dat maar zo niet zeker kunt weten. En daar gaan we dan weer. Dan begint het verhaal opnieuw. Op die manier wordt de gelovige weer op hetzelfde niveau van de wereld geplaatst, die ook niets zeker weet. Het onderscheid ligt juist hierin dat wij weten waar het naartoe gaat als we de Bijbelse waarheden nemen. Dan is het belangrijkste daarin dat wij, volgens 2 Petrus 3 : 13, naar Zijn beloften nieuwe hemelen en een nieuwe aarde verwachten in welke gerechtigheid woont. Daarheen zijn wij, hoe dan ook, onderweg. Dat is het verhaal en dat dienen wij van het begin af aan te weten bij de bestudering van de Bijbel; weten hoe het afloopt. Dat leert ons de Bijbel en het is met het leven ook zo. Als je niet weet waar het naar toe gaat wat zou je er dan mee doen? Waar maak je je druk over? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij! Waar zullen wij ons druk over maken? Het is anders allemaal kwelling en ijdelheid des geestes. De Nieuwe Vertaling heeft het over “het najagen van wind”. Het is zonde van je leven. Als we echter weten waar het naartoe gaat, kunnen wij ons op die bestemming richten, en is dat het kenmerk van het leven in ballingschap. De enige manier om te leren wat de bedoeling is, is om enkele voorbeelden te geven van mensen die in de Bijbel in ballingschap waren.

In Jeremia vinden we Juda in de Babylonische ballingschap en er wordt gezegd:

5 Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan;
6 Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.
7 En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben. Jeremia 29:5-7

Dat betekent dat deze ballingen zouden berusten in hun lot. Ze weten hoe het zit, laat ze er vrede mee hebben en rusten in de beslissing die God genomen heeft. Dit is geen apathie of fatalisme of iets dergelijks. Nee, God heeft het gedaan en ook gezegd waartoe het dient en hoe het verder zal gaan. Als je dat nu weet, dan zegt een oprechte gelovige en de oprechte balling: Goed, dan weet ik dat, nu gaan we verder met de orde van de dag. Ik weet waar ik me aan te houden heb en ik maak er van wat er van te maken valt. Dat geldt net zo goed in deze tegenwoordige bedeling. Dat is minder bekend, omdat wij toch altijd geneigd zijn om te zeggen: Zoek de dingen die boven zijn, niet de dingen die op de aarde zijn, bedenk de geestelijke dingen. Zoek het Koninkrijk Gods en laat die andere dingen maar waaien. Dat is ook in principe wel juist, maar daarmee worden de dingen die wij hier op aarde hebben niet veroordeeld. Er zijn mensen die denken dat wel eens, maar het is een groot misverstand.

We leven in deze kosmos (niet deze aioon, want daar hoor ik niet in thuis), in deze stoffelijke wereld, als gelovige. We wonen en werken daar en hebben er een plaats in. Ik bedoel dit: we hebben als gelovigen een plaats in de maatschappij. Het gaat om een plaats die je in die wereld (de kosmos) inneemt, zonder daar echt emotioneel zwaar bij betrokken te zijn, en daar je hart nou op gevestigd te hebben. Ook al heb je weinig respect voor politiek en dat soort zaken, dan wil dat niet zeggen dat je je niet met het bestuur en maatschappelijke aardse zaken zou mogen bezighouden. Als je dan maar niet denkt dat je bezig bent de wereld te verbeteren of de wil van God te doen, want dat is niet waar. Je bent dan gewoon bezig met huizen te bouwen, gezinnen te stichten en voor het nageslacht te zorgen. We zijn hier in ballingschap en het duurt nog wel even, hoewel het voor onze generatie iets moeilijker te zeggen is, omdat wij het vermoeden hebben dat het niet zoveel generaties meer zal duren. Ik bedoel te spreken vanuit onze bedeling, als zodanig. Er staat in 1 Timótheüs 6 :17 dat God ons rijkelijk geeft uit Zijn genade, ook om te genieten in deze zienlijke wereld, waar we per slot van rekening in geboren zijn en deel van uitmaken.

In ballingschap dus, maar zoekt de vrede der stad, waarheen de Heere u gevankelijk heeft doen wegvoeren. Het betekent ook: zoek de vrede van waar u zich ook maar bevindt. Het hoeft niet, maar als u dat wilt is dat heus wel goed. Als u maar niet denkt dat dat uw blijvende plaats is en dat u daarmee een Gode welbehaaglijk werk doet, want dat is niet het geval, maar het mag wel. Er zijn mensen die zeggen dat een christen eigenlijk geen eigen huis mag hebben, want hij heeft hier geen vaste woon- of verblijfplaats. Abraham woonde in tenten en zij geloven dat we allemaal op een soort camping moeten gaan zitten. Zij denken dat wij, als gelovigen, alleen maar in huurhuizen mogen wonen of in tenten of iets dergelijks en dat is natuurlijk net zomin waar. Of je een huis koopt of huurt is in de praktijk toch maar wat het voordeligst is en waar je het meeste gemak van hebt. Het maakt niets uit. Het gaat erom hoeje erover denkt. Hoe je er in je gedachten tegenover staat. Die gedachten moeten zo zijn, dat hoezeer die dingen ook je eigendom zijn, je er slechts tijdelijk de beschikking over hebt. Je bent in ballingschap en je moet er toch weer uit. Dat is eigenlijk het hele verhaal.

Ballingschap en genade

Tegen de gelovige wordt nergens gezegd dat hij niet in de kosmos zou mogen leven. Er staat wel dat hij niet behoort tot deze tegenwoordige aioon, maar er staat ook dat hij wel degelijk in deze tegenwoordige aioon, deze eeuw, leeft en er zijn plaats inneemt. Ook staat er dat het zelfs de bedoeling is dat hij in die tegenwoordige aioon zou leven en dan gaat het over onze bedeling.

11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.
12 En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende (ontkennende), matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld ; Titus 2:11,12

“Wereld” staat er twee keer. Eén keer in de uitdrukking “wereldse begeerlijkheden” en de andere keer in “de tegenwoordige wereld”. In de grondtekst staan daar twee verschillende woorden. “De wereldse begeerlijkheden” zijn die van de kosmos. Dat wil zeggen van de zienlijke, stoffelijke dingen, de schepping als zodanig, die in ballingschap is. Voor de uitdrukking “de tegenwoordige wereld” staat “de tegenwoordige eeuw” (aioon). Wat de Jehovah’s getuigen dan noemen: “het tegenwoordige samenstel van dingen”, wat overigens heel aardig vertaald is.

Hier staat dat de genade Gods is verschenen. Wij leven onder die genade Gods en wij, die geloven, worden door die genade onderwezen. Wat leert genade ons? Dat we niet onder de wet leven. Dat betekent dat alles mag. Dat is waar, maar er staat meteen bij: “met mate”. Er zijn dus wel degelijk beperkingen. Matig leven, dat wil zeggen binnen bepaalde grenzen. Niet boven de maat en uit de band springend. Een keer een feestje is een ander verhaal, maar het gaat om de algemene levenswijze op een betrekkelijk onopvallende wijze, want dat betekent het in de praktijk. Dat is ook heel verstandig voor iemand die in ballingschap is, ofwel voor iemand die in het buitenland verkeert. Als je als buitenlander ergens bent en je valt daar op, dan is dat niet best en vragen om moeilijkheden.

De bedoeling is dat wij onder die genade van God zouden leven, matig en rechtvaardig (vaardig voor het recht is vaardig voor het Woord van God) en godzalig wil zeggen dat we Gode vruchten zouden dragen in deze tegenwoordige eeuw. Aan de andere kant zouden we de wereldse begeerlijkheden verzaken. Dat wil zeggen dat we ons niet zouden laten leiden door de begeerlijkheden van de zienlijke dingen, want de natuurlijke mens wordt geleid door de dingen die hij in deze kosmos nou eenmaal ziet. Hij richt zijn ogen op iets en loopt daar dan achteraan. De bedoeling is dat wij ons niet zouden laten leiden door die zienlijke dingen van de kosmos, maar door het Woord van God. Het Woord dat gesproken is met betrekking tot de toekomende dingen. Dus een gematigd leven leiden en verwachtende, want als men in ballingschap is dan verwacht men.

Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus; Titus 2:13

Christus lezus, Die verwachten wij en dat is wat men in ballingschap doet: wachten op de verlossing, de terugkeer. Beter is te zeggen dat men wacht op de Verlosser. Er moet iemand komen Die de ballingen uit de ballingschap terug zal verzamelen. Iemand Die de gevangenis gevangen neemt. Weet u wat de Emmaüsgangers zeiden: wij dachten dat Hij Degene was Die Israël zou verlossen. Iemand Die Zich vooraan de kudde zou stellen en zou leiden naar de schaapskooi, la, vanuit Petra, dat is ook een ballingschap, vanuit Petra naar Jeruzalem. In ieder geval, men verwacht die Verlosser, Die vooraan zou staan en lopen om de ballingen terug te brengen naar het land. Zoals Zerubbabel en Ezra indertijd en in zekere zin natuurlijk ook Nehemia, maar dat zijn allemaal voorafschaduwingen van de Here Jezus Christus, Die zou komen om het volk te verlossen. In afwachting daarvan leeft men in ballingschap, past men zich min of meer aan, zonder de identiteit als balling te verliezen. Men blijft zich toch richten op de toekomst. Dat is de gedachte.

In Titus 2 worden deze dingen over de Gemeente gezegd, maar het is natuurlijk beter om ons eerst bezig te houden met wat er gezegd wordt over God Zelf, Die in ballingschap ging. Dat is wat ons het meest zou moeten aanspreken, namelijk dat al deze waarheden van toepassing zijn op Christus Zelf. God Zelf, Die Zijn woonplaats, Zijn oorspronkelijke positie verliet en Zich vernederde en in ballingschap kwam, om daarna terug te keren. Vlak voor Zijn lijden en sterven zegt de Heer in Zijn gebed:

En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. Johannes 17:5

Hierin dit vers, in de vorm van een gebed, wordt gezegd dat Hij oorspronkelijk heerlijkheid had, eer de wereld was (en Hij in ieder geval eerder dan de tegenwoordige wereld was, van vroegere oorsprong dus) en dat Hij in de toekomst heerlijkheid zou ontvangen, hoewel dat natuurlijk geen zin had om dat te zeggen als Hij op het moment van spreken heerlijkheid heeft. Dat is dus ballingschap!

Vanuit de vernederde positie bidt Hij om verheerlijking, gelijk aan de heerlijkheid Die Hij in het verleden gehad had. Het gebed werd verhoord. Dat wil zeggen: Hij kreeg niet alleen dezelfde heerlijkheid terug, maar Hij ontving er meer bij. Anders zou het ook zinloos geweest zijn, maar daar wordt hier niet om gevraagd. Er wordt gesproken over de terugkeer in de oorspronkelijke heerlijkheid. Je zou dat letterlijk moeten noemen “een repatriëring”, “een terugkeer naar het Vaderland” of: “een terugkeer naarde Vader”, of: “terug naar het Vaderhuis”, (zie Johannes 14) Het gaat om het principe dat de Heer heerlijkheid had. Hij legde de heerlijkheid af, in ballingschap, en Hij zag uit naar een verheerlijking die groter zou zijn als voordien. Het evangelie van Johannes gaat over precies hetzelfde en begint dan ook:

1 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. (het was dus in heerlijkheid)

14 En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (is onder ons in ballingschap geweest) (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader) (dat slaat weer op Zijn opstanding en Zijn hemelvaart daarna), vol van genade en waarheid. Johannes 1:1,14

U ziet, dat staat al in de eerste verzen van het Johannesevangelie en dat blijft het onderwerp, alle hoofdstukken door. Hij, Die van boven uit de hemel was gekomen; Hij, Die Abraham gezien had (omdat Hij heel wat ouder was dan 50 jaar), Hij was hier tijdelijk op aarde en zei: “Ik ben het Licht der wereld”. Wandelt in het licht, terwijl het Licht bij u is, want het Licht gaat straks weerweg; het wordt weer duister en de wereld zal weer onder het oordeel komen.

En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. Johannes 3:19

Ballingschap en de huidige bedeling

Nu is het Licht weer weg. Dat is het verhaal van de ballingschap van God Zelf. God Zelf kwam in ballingschap in de persoon of gedaante van de Here Jezus Christus, maar Hij ging weer terug naar waar Hij tevoren was. Dat is ook een van de uitdrukkingen van het Johannes evangelie. We lezen die waarheid uitgebreider als de apostel Paulus het in de Filippenzen- brief heeft over leven in ballingschap, met name onze ballingschap in deze bedeling. Het zijn de drie gemeentelijke brieven, geschreven vanuit de gevangenis. Éfeze, Filippenzen en Kolossenzen spreken over gemeentelijke waarheden, de aard en de roeping van de Gemeente. Éfeze spreekt er over dat wij “gezegend zijn in de hemel met elke zegening in Christus”, (onze hemelse positie) De Kolossenzenbrief is daaraan bijna gelijk, alleen met iets andere woorden, maar ze worden beschouwd als twee parallelle brieven. Het gaat om precies dezelfde waarheden. Daartussenin vinden wij de Filippenzenbrief en die heeft precies hetzelfde onderwerp. Die spreekt over de positie van de Gemeente, maar terwijl Éfeze en Kolossenzen de Gemeente beschouwen als zijnde in de hemel, als volmaakt in Christus:

En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; Kolossenzen 2:10

spreekt de Filippenzen brief over het verschijnsel dat wij een hemelse positie hebben:

Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, Filippenzen 3:20a

Dat stelt dus de brief op één lijn met Éfeze en Kolossenzen, maar de toevoeging “waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten”, brengt ons ineens hier terug op aarde en in ballingschap. Want hoewel wij een hemelse positie en roeping hebben, is het toch zo dat wij uit de hemel de Zaligmaker verwachten en dat betekent dat we niet lichamelijk in de hemel zijn. We horen daar wel thuis en gaan daar wel naartoe, maar we zijn er niet, dus zijn we in ballingschap.

Het is de Filippenzen brief die spreekt over de vernedering en smaadheid van de gelovige die hij nu ondergaat. In onderworpenheid aan Christus ondergaat hij het lijden. Zo zal hij ook delen in het Koninkrijk van Christus (verborgen). Omdat Christus smaadheid draagt, door de wereld verworpen is en tot op vandaag in die zin zelfs vernederd wordt en lijdt, heeft een gelovige daarom daar ook deel aan. Aangezien ervan Christus gezegd wordt dat Hij Zich nu nog steeds als offer geeft aan de Gemeente, wordt ook van de gelovigen in de Gemeente gezegd dat zij zich dienen te offeren of geofferd worden en dus smaadheid dragen. Dat is de ware achtergrond van het gedeelte dat ik vaak aanhaal uit Filippenzen.

4 Een ieder zie niet op het zijne (of op het eigen), maar een ieder zie ook op hetgeen der anderen is.
5 Want dat gevoelen (gezindheid, Toedenken) zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;
6 Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn;
7 Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; Filippenzen 2:4-7

Welke gezindheid of gevoelen? Die van vernedering! Want Christus Jezus is Degene, Die in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof geacht heeft Gode gelijkte zijn, maar Hij heeft Zichzelf ontledigd (geledigd), de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is aan de mensen gelijk geworden. Die gezindheid zou in de gelovige moeten zijn, namelijk dat hij zich ook ledigt en de gestaltenis van een dienstknecht aanneemt. Een gelovige is er namelijk om te dienen. Wij zijn er om de Heer te dienen, om dienaren te zijn van het Nieuwe Verbond, waartoe Hij ons immers bekwaam gemaakt heeft. Ook om alles wat van de Heer is te dienen en dat betekent dat we de Gemeente en ook elkaar dienen. Romeinen houdt ons daarom voor:

Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen. Romeinen 15:3

Christus heeft Zichzelf ook vernederd. Hij heeft smaadheden gedragen, onder andere ter wille van onze roeping en heiliging. Daarom staat er dat die gezindheid ook zou moeten zijn in de gelovigen. Hoe hoog we ook zijn en hoezeer we ook een hemelse positie hebben ontvangen. Hoezeer we ook koningskinderen zijn en erfgenamen van de troon over de hele schepping, dat we ons toch – net als Christus – zouden vernederen en de gestaltenis van een dienstknecht zouden aannemen, want we hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende. We zijn hier nog in ballingschap en leven nog in afwachting van de vervulling van deze dingen. We hebben wel wat God gesproken heeft, maar het zal definitief pas gerealiseerd worden in de toekomst. Wanneer? Als die Ene, onze grote God en Zaligmaker zal verschijnen in de toekomst. De Verlosser, de Goede Herder.

Er staat van de Heer dat Hij in de gestaltenis Gods, en Gode gelijk was. Hij heeft het geen roof geacht. Dat wil zeggen dat Hij terecht die positie in de gestaltenis Gods had. Wij kennen iemand die ook Gode gelijk was, min of meer, maar die zichzelf die positie aangemeten had. Dat is satan, de oude slang. Hij wilde zijn troon stellen. Niet alleen naast, maar zelfs boven de Allerhoogste. Van de Here Jezus wordt gezegd dat Hij de gestaltenis Gods is. Hij is het geopenbaarde beeld van Gods Zelfstandigheid. God drukt Zich uit in de Here Jezus Christus. Ondanks Zijn hoge positie heeft Hij Zichzelve geledigd, want Zijn inwendige, Zijn wezen, Zijn eigen heerlijkheid heeft Hij afgelegd. (Hij heeft Zijn godheid afgelegd en werd mens) Hij heeft “Zichzelve vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises”. Afleggen verondersteld iets uiterlijks, dat was het niet zozeer, het was in de eerste plaats iets innerlijks. Een mens is eigenlijk alleen maar iets uiterlijks, is alleen maar buitenkant. Het is een hol vat, dat kun je ook zo horen. De mens hoort gevuld te zijn met de Geest van God, ofwel met Gods heerlijkheid.

Gehoorzaam worden betekent; gelovig worden tot de dood des kruises. Het was op grond van geloof en het was om Zijn geloof dat Hij verworpen werd. Omdat Hij zijn vertrouwen gesteld had op het Woord dat God gesproken had. Die gehoorzaamheid, dat geloof is het. Dat betekent dus dat Hij hier, terwijl Hij in ballingschap was, leefde uit geloof. Hoe leeft men dus in ballingschap? Door geloof. Uit geloof in de beloften die God gedaan heeft met betrekking tot de toekomst. Dat heeft de Here Jezus Zelf ook gedaan. Hij is gelovig geweest als mens hier op aarde. Hij heeft Zijn Godheid als het ware uitgedaan, afgelegd, en in plaats daarvan werd Hij als mens hier op aarde gevuld met de Godheid (gevuld met het Woord van God; God is immers “Woord” en God drukt Zich uit in “het Woord”). Die geledigde mens hier op aarde dient vervuld te worden met de Goddelijke dingen, maar dat kan alleen maar concreet via het Woord van God, dat Hij in Zich opneemt. Dat is wat de Here Jezus gedaan heeft. Dat leidde Hem toen tot de dood, maar dat was niet het ergste, omdat de belofte en dat Woord wat Hij in Zich had, inhielden dat Hij uit de dood zou opstaan. Dat maakt het er niet eenvoudiger op en even verschrikkelijk. Het sluit de natuurlijke angst voor bepaalde dingen niet uit. De mens heeft van nature een angst of afkeer voor de dood. Ook al weet hij dat hij daaruit zal opstaan, daarom gaat hij nog niet blijmoedig de dood tegemoet. Zo ook ballingschap. Je weet datje er uit terugkeert, maar daarom is het angstig de ballingschap in te moeten gaan.

Wat er hier van de Heer gezegd wordt, is dat Hij Zich vernederd heeft, gehoorzaam werd. Het leidde Hem tot in de dood des kruises (een schandelijke dood). Daarom staat erbij “de dood des kruises”. De dood hoeft nog geen schande te zijn, omdat elk mens nu eenmaal sterft. Hier staat echter uitdrukkelijk: “ja, de dood des kruises”, want de Bijbel zegt: “Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt”. (Deuteronomium 21 : 23, Galaten 3 :13) Dus is het een smadelijke, schandelijke dood. Hij heeft dan ook het kruis gedragen en de schande veracht. Waarom? Omdat Hij uitermate verhoogd zou worden! Hoe leeft men dan in ballingschap? Vanuit de beloften, vanuit de zekerheid, die God gedaan heeft. Omdat men weliswaar weet dat men in ballingschap smaadheid draagt en vernederd wordt, maar dat de bedoeling daarvan is, dat men vervolgens verhoogd wordt. Het schijnt dat het niet anders kan. De hele Bijbel door blijkt dat er geen andere weg is, want de weg die omhoog gaat, gaat eerst via de vernedering. Alleen door lijden tot heerlijkheid. Vraag me niet waarom, maar ik weet wel dat als er voor God Zelf een andere mogelijkheid geweest was om die verhoging te bewerkstelligen, zonder die vernedering, dan zou dat ongetwijfeld zijn gebeurd. Het kon blijkbaar niet anders en het principe werd zelfs toegepast op God Zelf, namelijk de Here Jezus, Die vernederd werd opdat Hij daarna verhoogd zou worden. Aangezien de schepping niet meerder is dan de Schepper, betekent het dat hetzelfde principe wordt toegepast op de schepping, op Israël, op de Gemeente en op de volkeren in het algemeen. Het is een universeel principe. In Nederland zeggen wij: “zonder vallen wordt je niet groot.” Het is een zwak aftreksel van deze Bijbelse waarheid. We krijgen het wel vaker in de Bijbel te zien en ook op andere terreinen van het leven geldt precies hetzelfde principe.

9 Daarom (dat wil zeggen vanwege die vernedering) heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;
10 Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Filippenzen 2:9,10

Aan de ene kant wordt gesproken over de verhoging van Christus en aan de andere kant over de vernedering ten opzichte van Christus, althans van een ieder die in de hemel, op de aarde of onder de aarde is. Het buigen van de knieën heeft onvermijdelijk tot gevolg dat je er kleiner van wordt. Dat is de betekenis van dat knielen. Men vernedert zich ten opzichte van de Verhoogde. Het is waar, Christus wordt verhoogd, opdat eenieder zich zou buigen voor deze Verhoogde Heer en dat alle tong zou belijden, dat Jezus Christus Jehovah is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

Waarom ballingschap en vernedering?

Dus waarom die vernedering? Omdat er verhoging zou moeten plaatsvinden! Waarom dan die vernedering en die verhoging? Tot heerlijkheid Gods des Vaders! Dat wil zeggen, tot heerlijkheid van God, Die de Vader is en Die al die dingen uitgedacht en tot stand gebracht heeft. Dat is wat de Vader doet, immers. De Bijbel staat er vol van. Er was eens iemand die blind was en toen er werd gevraagd waarom dat was zei de enige echte Heelmeester: “Opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.” (Johannes 9 :3b) Niet:”waardoor is dat”, maar:”waartoe is dat”? Het eigenaardige is dat er gevraagd wordt: waarom is die man blind? Heeft hij gezondigd of zijn ouders? Men zocht de oorsprong of de oorzaak van die blindheid in het verleden en dat is het misverstand, want het antwoord is: “Opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.” De oorzaak ligt niet in het verleden, maar in de toekomst. De dingen uit het verleden zijn er, opdat zij naar de toekomst zullen leiden.

De vernedering, de blindheid en ook het bedelaarschap van die blindgeborene is allemaal opdat de werken Gods in hem geopenbaard zouden worden en de Vader en de Zoon (God Zelf) in die man zouden verheerlijkt worden. Dat geldt ook voor de schepping, want die is helemaal blindgeboren. In duisternis, in ballingschap en te schande gemaakt. Waarom? Opdat de heerlijkheid Gods en Gods werken daarin geopenbaard zouden worden. Wat staat er in Filippenzen 2, waarom werd Hij vernederd en vervolgens verhoogd? Opdat alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heer is. Waarom? Dat drukt het doel uit:

En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders. Filippenzen 2:11

Daar gaat het altijd om. Waarom bestaat die schepping überhaupt, of hij nu in ballingschap is of niet? Tot heerlijkheid Gods des Vaders! Tot heerlijkheid van de Schepper Zelf. Die Schepper heeft bepaald dat deze weg van ballingschap ter meerdere heerlijkheid van de Schepper is. Daarom gebeurt het zo. Daar heb ik wel vrede mee, maar daarmee zijn niet alle vragen beantwoord. Met name niet die vragen die ik ook bewust nooit stel. Wij leren juist uit de Schrift dat het niet gaat om hoe het zo gekomen is, maar dat het er om gaat hoe het nu verder moet en waartoe het zal leiden.

Zo komen we in Romeinen 8 terecht, waar de situatie van de wereld zelf beschreven wordt. Er wordt gezegd, samenvattend in één zin, dat wij weten dat alle dingen medewerken ten goede voor degenen die Hem liefhebben. Er blijft dus maar één zaak over, namelijk dat we de Heer zouden liefhebben en naar Hem zouden luisteren.

De ballingschap van de Here Jezus

Nu verder met de ballingschap van de Here Jezus Zelf. In Hebreeën zien we precies dezelfde opbouw als in Filippenzen.

Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God. Hebreeën 12:2

Dat wil zeggen dat de Here Jezus onze voorste Leidsman is, de éérste Leider, de goede Herder. Hij loopt voorop en Hij is de Voleinder des geloofs. Dat wil zeggen: Hij liep voorop en ging de weg des geloofs. Hij heeft die weg helemaal tot het eind toe gelopen. Het was een weg van ontlediging, van dienstbaarheid en een weg die leidde tot de dood, “ja, tot de dood des kruises”. Dus staat hier: Hij loopt voorop en wij lopen achter Hem aan, ziende op Hem, “Dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods”.

Hier staat ten eerste dat er een Gelovige was aan wie iets was voorgesteld en Die geloofde in het Woord dat gesproken was. Wat was Hem voorgehouden? Vreugde! Vreugde was Hem beloofd in het Woord en Hij geloofde dat. De dood was geen weg van vreugde, maar als Hij die weg zou gaan, zou Hij bij die vreugde terechtkomen. Die weg ging door dood en lijden tot heerlijkheid. Om de vreugde die Hem voorgesteld was en waar Hij in geloofde, daarom heeft Hij het kruis verdragen en heeft Hij de schande veracht. Het is normaal dat als men schande draagt, veracht wordt. Het kruis is de uitbeelding van schande, maar Hij heeft die schande veracht en gedragen en Zich er niets van aangetrokken. Het resultaat is de vreugde die Hem voorgesteld was, namelijk dat Hij zou zitten aan de rechterhand Gods.

En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. Johannes 17:5

Het is ook inderdaad gebeurd en Hij zit dus aan de rechterhand Gods. Hij was mens op aarde, net zo leeg als u en ik (de gestaltenis van de mens, een dienstknecht). Hij liet Zich vullen met het Woord van God, leefde daaruit hier in ballingschap, en ging Zijn weg. Een weg die veel dieper gaat dan voor de meesten van ons. Een weg van vervolging, martelaarschap en van een smadelijke dood. Een weg echter die wel degelijk leidde tot de troon van God. Tot de uiterste hoogte die men maar zou kunnen ontvangen. Dat stond in Filippenzen. Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd. In Hebreeën 12 : 2 staat dat als resultaat van dit alles Hij gezeten is aan de rechterhand des troons van God. Dit is hetzelfde als wat er in Filippenzen staat:

Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; Filippenzen 2:5

Het is niet alleen maar een objectief verhaal over Wie de Here Jezus is, maar een indringende verwijzing: denk erom Wie Hij is! Hij is namelijk ons voorbeeld. Wij hebben die norm te hanteren. Hij is onze norm. Hij is onze maat en voor ons maatgevend. Hij is onze Leider. Daarom staat er in Hebreeën de vermaning:

laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Hebreeën 12:1b

“Laat ons afleggen allen last, en de zonde (ongeloof) die ons lichtelijk omringt”. Dat kan niet anders, want andere zonden kunnen wij niet afleggen. Als dat wel kon had de Heer niet hoeven sterven voor ons. Als wijzelf de zonde konden afleggen, dan had Hij die niet van ons af hoeven nemen. Die zonde is dus niet zonde in het algemeen, maar het is één zonde speciaal, namelijk die, waar ook alle andere zonden uit voortkomen: de zonde van ongeloof. De Hebreeënbrief laat er dan ook geen twijfel over bestaan. “En laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan.” Laat ons met lijdzaamheid rennen de strijd, “die ons voorgesteld is”, daarbij ziende op Degene, Die diezelfde loopbaan gelopen heeft.

Hier staat dat die loopbaan waar wij ons in bevinden, die loopbaan van de ballingschap, die omweg, ook gelopen is door de Heere Jezus en als we op Hem zien en weten hoe het met Hem afliep, dan weten we ook hoe het met ons afloopt. Dan weten we ook dat het de moeite waard is om die loopbaan te lopen, omdat die leidt tot de rechterhand van de troon van God (tot in de hemel zelf). Precies hetzelfde als in Filippenzen 2 wordt herhaald in Hebreeën 12:

3 Want aanmerkt Dezen , Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen , opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. Hebreeën 12:3

Vroeger begreep ik dit nooit, tegenwoordig wel. Men kan lijden omdat het Woord van God tegengesproken wordt. Men lijdt niet vanwege tegenspraak in het algemeen, maar men lijdt omdat het Woord van God tegengesproken wordt. Kent u dat, als u met het Woord van God ergens aankomt en men bestrijdt dat? Men gelooft het niet, men wijst het af of bespot het zelfs. Dat is wat men tegenover de Heer Jezus deed. Dat is de strijd waarin een gelovige hier ook terechtkomt.

…. opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. Hebreeën 12:3b

Hij is niet verflauwd en is niet bezweken. Hij heeft die loopbaan tot het einde toe gelopen en het Woord van God (de Bijbel, de Geschriften) vastgehouden. Hij heeft daaruit geleefd en is, als gevolg daarvan, gestorven.

Maar het gaat om het resultaat, want dat geldt. Daarom staat er dat wij precies diezelfde weg zouden gaan. Dat is de bedoeling in elk geval. Geen concessies doen, maar vasthouden aan: “Er staat geschreven” en “Leven uit geloof”. Dat gaat niet in je koude kleren zitten, en wie dat allemaal tegenspreken moeten het zelf maar weten, hoewel het erg is. Wij hebben echter het voorbeeld van de Heer, Die gewoon Zijn weg ging. Niet gegrond op wat anderen zeiden, maar op grond van die heerlijkheid, die Hem door God was voorgesteld. Daar gaat dit hoofdstuk over. Daardoor spreekt Hebreeën 12 niet alleen over de ballingschap van Christus, maar over de ballingschap van alle gelovigen, waarbij Christus tot voorbeeld gesteld wordt. Dat is altijd zo. Je kunt geen Bijbelse waarheden bedenken of je hebt het over de Heer Jezus Christus. Hij is altijd de norm, het voorbeeld. Hij is het, Die de weg ging. Hij is Degene Die het onderging, en er de leiding aan gaf. Hij is niet alleen het uitgedrukte beeld van Gods wezen, maar ook het uitgedrukte beeld van Gods werk in het algemeen. Alles loopt via Hem.

Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iederen zoon, die Hij aanneemt. Hebreeën 12:6

In vers 6 wordt gezegd dat de Heere kastijdt die Hem liefheeft. Dat wil zeggen: Hij geselt iedere zoon die Hij aanstelt (aanneemt). De gedachte daarbij is, dat de gelovige opgevoed wordt. Bij kastijding denken wij aan pijniging, maar dat is niet waar. Kastijding in de Bijbel staat voor “opvoeding”. Daar behoren de beruchte opvoedkundige maatregelen bij, zoals de mattenklopper en het latje. Het gaat hier om het principe dat als een mens zoon wil worden en als erfgenaam aangenomen wil worden, dan moet hij door die kastijding, die opvoeding, heen. Wij zeggen: zonder vallen wordt je niet groot! We zeggen dat meestal tegen kinderen, maar de gedachte is dat voordat men tot volwassenheid, heerlijkheid komt, daar heel wat vallen en opstaan aan vooraf gaat. Dat is de algemene gedachte en dat wordt ook van toepassing gebracht op de gelovigen. Eigenlijk is het zo – en dat weten we uit Romeinen 8 – dat die aanstelling tot zonen hetzelfde is als de terugkeer uit de ballingschap. Dat gebeurt pas bij de verlossing van ons lichaam of wat ons betreft bij de opname van de Gemeente. Het gebeurt pas als we onze uiteindelijke bestemming bereiken en uit de ballingschap verzameld worden.

3. Herstel Koningschap en Priesterschap

De terugkeer uit de ballingschap houdt op de een of andere wijze het herstel van het Koningschap en Priesterschap in. Het herstel van de tempeldienst. Het betekent dat degenen die in ballingschap zijn, en daardoor ambteloos burger, teruggebracht worden naar het land en dus alsnog als zonen, als erfgenamen in dat land worden aangesteld, zodat de terugkeer uit de ballingschap, typologisch althans, overeenkomt met de aanstelling tot zonen.

In Galaten 4 past de apostel Paulus dat beeld toe op Israël onder de wet, en het gelovige Israël nu onder de genade. Paulus zegt dan: onder de wet waren wij kinderen en onder opzieners en voogden gesteld, maar nu, in de volheid des tijds van de Vader tevoren gesteld (vers 2), nu namelijk de Messias is gekomen en het nieuwe verbond is aangebroken, worden wij als zonen aangesteld. Het nieuwe verbond betekent in feite: de verzameling uit de ballingschap en het zetten in het land en het herstel van alle dingen. Dat heet het aanstellen tot zonen, maar dat is slechts één van de toepassingen van datzelfde beeld. In Romeinen 8 staat dat wij kinderen Gods zijn:

16 Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.
17a En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God. Romeinen 8:16,17a

Er staat in vers 16: “dat wij kinderen Gods zijn” en niet: “zullen worden“.

In 1 Johannes 3 staat:

Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.1 Johannes 3:1a (Omdat het van tevoren aangekondigd was)

Helaas hebben de Statenvertalers weggelaten wat er in andere vertalingen (Leidse, Prof. Brouwer, Petrus Canisius en NBG-vertaling) wél bij staat, namelijk: “En we zijn het (ook)” of: “En wij zijn het”. Hier staat dat we kinderen zijn en dus nog aan de opvoeding en de kastijding onderworpen zijn, om in de toekomst aangesteld te worden als zonen. Het is één van de toepassingen van dit principe. Want de toepassing van het kind dat zoon wordt, is een algemene waarheid. Er gaat eerst een tijd aan vooraf, voordat de volwassenheid intreedt en officieel het erfrecht zijn werking heeft. In Galaten wordt dat beeld gebruikt voor Israël, dat onder de wet, en onder het Oude Verbond nog kind is en dus opgevoed wordt met allerlei regeltjes: gij zult niet…., gij zult wel…. Dat daarna, bij de komst van de Messias, tot zoon (erfgenaam) wordt aangesteld.

Er staat dus dat wij zonen zijn, maar dan in vergelijking met het oude verbond, in vergelijking met hen die onder de wet leven. In de Romeinenbrief wordt een ander beeld gebruikt. Hier wordt gezegd, dat we nù kinderen zijn, en door de opstanding van Christus zijn wij wedergeboren en zijn wij kinderen geworden (de wet speelt hier dus geen enkele rol) en dat onze volwassenheid, dus de aanstelling tot zonen, pas komt bij de verlossing van ons lichaam, (zie Romeinen 8 : 23)

Om het nu nog moeilijker te maken: we hebben nog een ander beeld in de Bijbel, dat wij nog geen kinderen zijn, maar dat wij ons bevinden in het embryonale stadium. Met andere woorden: nieuw leven dat al ergens in wording is. 1 Johannes 3 :1 is een aanhaling van Johannes 1:12

Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Johannes 1:12

Dat wordt kennelijk gezegd vanuit de situatie van vóór de opstanding van Christus. Toen kon je wel een gelovige zijn, maar niet een kind van God. Wedergeboorte is op grond van de opstanding van Christus. Vóór die tijd wordt er gezegd: wij zullen kinderen Gods zijn. Hij heeft hun macht gegeven in de toekomst kinderen Gods te worden. Opmerkelijk is, dat Johannes dat zelf alsnog completeert in 1 Johannes 3.

Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. 1 Johannes 3:2a

Eerst werd er gezegd dat de gelovige een kind van God zou zijn. Nu is de vraag: Wat zal een kind van God zijn in de toekomst? We gaan dus weer een fase verder. Er staat: Dat is nog niet geopenbaard. Ik moet daar meteen bij zeggen dat het wel bekendgemaakt is “wat we zijn zullen”, maar het is nog niet te zien.

Maar wij weten (hoewel wij het niet zien), dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 1 Johannes 3:2b

Dat kan niet anders, want door de opstanding van Christus werden wij kinderen Gods en werden wij met Hem verbonden. Wat zullen we dan in de toekomst zijn? Wat Hij in de toekomst zal zijn! Wat zal Hij zijn? De Zoon, de aangestelde Zoon, die de erfenis in ontvangst zal nemen en op de troon zal zitten! Hij is er dan als Zoon. Want waar wacht de hele schepping op? (Romeinen 8) Op het openbaar worden (hier staat dat het nog niet geopenbaard is), het zichtbaar worden. De bedekking, de sluier valt weg. In zekere zin is alles een feit, maar het is niet te zien. De hele schepping wacht op het openbaar worden van de Zoon van God en vervolgens ook van de zonen Gods. Dat staat hier ook in drie fasen:

  1. Men zal een kind van God worden;
  2. Waarna men kind van God is;
  3. Waarna men zoon wordt,

en dus als zoon, als volwassene aangesteld en gekroond. Want een kind van de Koning, die tot zoon wordt gesteld, krijgt een kroon op het hoofd. Dat is de aanstelling tot zonen. Heerschappij hebben met Christus is de gedachte. Die gedachte ligt ook ten grondslag aan Romeinen 8.

En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van (of met) Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8:17

Als we nù kinderen zijn, heeft dat consequenties voor de toekomst. Dat wil zeggen: als we nù in ballingschap zijn betekent dat, dat we uit die ballingschap terugverzameld zullen worden en alsnog onze beloofde bezittingen, de erfenis, zullen ontvangen. Of om de Joodse termen te gebruiken: dat we het land erfelijk zullen bezitten. Alleen, ons land is dan dat betere vaderland uit Hebreeën 11, het Vaderland in de hemel.

“Opdat” drukt uit dat er een voorwaarde aan verbonden is. Daarom lazen we eerder: “En het is nog niet geopenbaard, wat we zijn zullen”. Het is wél gezegd wat de bedoeling is wat we zijn zullen, namelijk dat het kind inderdaad tot zoon wordt gesteld (opgroeit), maar of het ook echt gebeurt is afhankelijk van de opvoeding. Of die ook daadwerkelijk met goed gevolg doorstaan wordt. De normale gang van zaken is dat het kind zoon en erfgenaam wordt. Er is één voorwaarde, namelijk dat men wandelt “waardig de roeping waarmee men geroepen is”. (Éfeze 4 :1)

Waartoe zijn wij geroepen? Tot zoonschap! Als we wandelen in overeenstemming met die roeping, die immers voor de toekomst bepalend is, dan zal die roeping ook inderdaad gerealiseerd worden. Ook hier geldt: dat het geloof een vaste grond is voor de dingen die men hoopt en het bewijs van zaken die men niet ziet. (Hebreeën 11 :1) Als men nu gelooft dat men een zoon van God zal zijn (en ook in de praktische zin gelooft) dan zal men dat ook zijn! Vraag: en die kinderen dan? Die blijven kinderen! Ze worden geen zoon en dus niet als zoon geopenbaard! Vandaar “het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen” (het blijft ergens hangen). De bedoeling is wel dat we zonen zullen zijn, maar de vraag is óf we het zullen zijn. Bij het openbaar worden van de zonen Gods zal dan ook blijken dat er sommigen zijn die wel kinderen waren, maar die geen zoon geworden zijn. Dat wil zeggen: sommigen hebben wel tien kronen, anderen hebben er vijf of drie, en er zijn er ook die helemaal geen kroon hebben (denk aan de gelijkenis van de ponden). Dat kan dus ook. Dus wel kind, maar niet echt zoon. “Neem van hem weg, ook wat hij heeft.”

Die ontrouwe dienstknecht in Lukas 19, de gelijkenis van de ponden, gaat wel het Koninkrijk binnen. In dat geval behoort hij wel tot de Gemeente, de kinderen Gods, maar hij wordt niet aangesteld tot zoon. Omdat hij niet gewandeld heeft waardig de roeping waarmee hij geroepen was (Éfeze 4 :1), op geen enkele manier, dan ook helemaal geen kroon. Dat is de gedachte. Laten we de normale gedachtegang volgen en zien wat de bedoeling is. We zijn dus kinderen, we zijn erfgenamen en nu is de bedoeling dat we dus als zoon worden aangesteld in de toekomst. De voorwaarde is echter dat we met Hem lijden, want als we met Hem lijden, dan zullen we met Hem verheerlijkt worden.

Nu draaien we de zaak eens om. Dat betekent: zonder lijden géén heerlijkheid. Dat staat in Romeinen 8 :17:”… zo wij anders met Hem lijden” (indien dat zo is, het moet nog wel gebeuren). Net zoals er later in Hebreeën 3 en 4 staat: “zo zij in Mijn rust zullen ingaan”, indien zij… Wij zeggen: ze zullen ingaan, echter is er wel een voorwaarde aan verbonden. We moeten leven uit geloof, dat is de voorwaarde. Praktisch leven uit geloof. Dat is hier ook zo. Als men leeft uit geloof dan loopt men de loopbaan des geloofs. Dat is een loopbaan die loopt door de vernedering van schande en ballingschap. Die van in je hemd staan, van in je blootje lopen. Dat is het in ballingschap zijn, vernedering en lijden. Het gaat alleen langs die weg. Daar zouden we uren over kunnen praten, want dan krijg je wat er in Éfeze 4 staat:

Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling. Éfeze 4:22a

Dan sta je er bij zoals je geboren bent, naakt.

Paulus zegt in Romeinen 8:

Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegen- woordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Romeinen 8:18

“Ik houd het daarvoor,” zegt Paulus, wetende dat er mensen zijn die zullen zeggen: ik ben het niet met hem eens. We mogen die uitspraak van Paulus opvatten als: ik reken zoals God rekent, op dezelfde wijze zoals er staat: “En hij (Abraham) geloofde in de HEERE en Hij rekende het hem tot gerechtigheid”. (Genesis 15 :6) Dat “rekenen” is hetzelfde als: “Ik houd het daarvoor”. “Ik reken daarvoor”, “dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen (uitwegen, de waarde bepalen of af te wegen op een weegschaal) tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden”. Aan de ene kant komt eerst het lijden en slaat de weegschaal helemaal door, diep naar beneden, maar dan komt aan de andere kant de heerlijkheid en slaat de weegschaal met een grote klap helemaal door naar de andere kant. Dat betekent dat het eerste gewicht, dat van dat lijden, niets meer betekent. Zo staat dat hier en zo rekent de apostel Paulus. En wij houden het er voor dat Paulus op de enige juiste wijze rekent, namelijk dat het lijden van nu, deze tegenwoordige tijd, het lijden van de ballingschap dus, niet is te waarderen, niet opweegt, tegen de heerlijkheid van straks.

Heerlijkheid staat tegenover schande. Heerlijkheid wordt soms vergeleken met mooie dingen. In Psalm 45 bijvoorbeeld wordt gesproken over prachtige kleding. Gestikte klederen met goud geborduurd. Heerlijkheid niet alleen van binnen, maar ook van buiten, in dat heerlijke kleed van de bruid, in geval van Psalm 45. Die heerlijkheid duidt ook op de rechtvaardig- making der heiligen; ook zij zijn met heerlijkheid bekleed. Die heerlijkheid zal aan ons openbaar worden. Dat gaat dus over dezelfde dingen als in 1 Johannes 3. Als die verborgen dingen – die hier in deze ballingschap verborgen zijn – openbaar worden, dan wordt ook die heerlijkheid openbaar. We zagen al dat Paulus zo rekent, want die heerlijkheid komt pas hierna.

Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der zonen (i.p.v “kinderen”) Gods. Romeinen 8:19

Het woord “zonen” is hier verkeerd vertaald. In de verzen 14,15 en 19 moet “zonen” staan en in de verzen 16 en 17 “kinderen”.

Hoewel in onze taal het woord “schepping” terecht als vrouwelijk wordt aangemerkt, en het woord “schepsel” als onzijdig, betekent hier het woord “schepsel” precies hetzelfde als “schepping”, namelijk “al wat geschapen is”. “Want het schepsel, als met opgestoken hoofde…”, is een schitterende beeldspraak van dat, wat we in de hele schepping zien, namelijk dat alles zich uitstrekt naar omhoog. Uit deze aarde, uit deze wereld richten de dingen zich op naar boven. Ik snap niet hoe het kan en vindt het een wonder dat het gebeurt. Het neigt allemaal tot God, het richt zich tot God naar omhoog, omdat het zo hoort. Het is ook de bedoeling dat de schepping de zegeningen van God verwacht. Zelfs in letterlijke zin is het dus zo.

Het schepsel, de schepping “verwacht de openbaring der zonen Gods”, want de schepping is aan ijdelheid, leegheid en zinloosheid, onderworpen. Het is één van de kenmerken van ballingschap dat men onderworpen is, omdat niemand gewillig in ballingschap gaat. Hier gaat het om diens wil, die het aan de ijdelheid onderworpen heeft.

Waarom is er ballingschap? Omdat God het wil! Waarom is er lijden? Omdat God het wil! Het is een weg die nodig is om tot heerlijkheid en verheerlijking van God te komen. Waarom is de schepping leeg en ijdel en zinloos? Omdat de enige echte inhoud van de dingen haar bestaan vindt (en niet de schepping zelf) in God en daar gaat het in wezen om. De zin van het bestaan drukt zich dan ook uit in de tijd. Niet, waar kan ik het vinden, links of rechts. Zo van: “Het moet ergens in de wereld te vinden zijn”. Het is er wel, maar je moet er een andere dimensie in betrekken, namelijk die van “tijd”. Het ligt in de toekomst. Veel mensen rekenen zo niet of willen zo niet rekenen. Er zijn er ook die zeggen: Dat maak ik niet (meer) mee. Het is maar wat u gelooft. Als u gelooft dat u het wel meemaakt, dan maakt u het mee.

20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft;
21 Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Romeinen 8:20,21

Het schepsel is aan de ijdelheid onderworpen omwille van God Zelf. In de hoop (in de verwachting) dat ook dat schepsel, de schepping zelf, zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid (de slavernij der verderfenis, namelijk de slavernij van de dood), want de hele wereld is in slavernij van zonde, de wet, en is daarmee dood. De wereld is daaraan onderworpen en vecht daar ook tegen. Alles wat de wereld doet, is bestrijding van de dood. De bedoeling is dat in de toekomst, vanwege die hoop, de schepping vrijgemaakt zal worden van deze slavernij der verderfenis en komen “tot (dat is het doel) de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods”.

Er staat “kinderen” (teknon) en dat maakt nu geen verschil, want wat er staat betekent dat deze vrijheid bestemd is voor hen die nu kinderen zijn. Als er staat “zonen” dan betekent het dat het de vrijheid is voor hen die nu zonen geworden zijn, of als gevolg hiervan. Dus maakt het niets uit, omdat door de context de betekenis vaststaat. Het verband laat zien dat de kinderen uit de verzen 16 en 17, de zonen zullen worden uit vers 19. Hoe ze achteraf genoemd worden maakt dan niet uit.

23 En niet alleen dit, maar ook wij zelven (nu gaat het over de Gemeente), die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten (steunen, het heeft te maken met het kreunen van de kraamvrouw door de weeën bij het baren) in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.
24 Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Romeinen 8:23,24

In “hope zijn” is leven in ballingschap. We leven wel hier, maar we wachten op de toekomst. Het is hier kreunen en steunen, maar het gaat om dat nieuwe leven wat voortgebracht wordt, namelijk de nieuwe generatie die naar het vaderland gaat. Bij de verlossing van ons lichaam valt de omkleding weg en wat er overblijft is die nieuwe mens die geboren, die voortgebracht is. Je kunt zeggen: dan is de bevalling compleet. Je kunt ook zeggen: dan is het kind volwassen geworden; dat maakt niets uit, het gaat erom dat het doel bereikt is. Het doel is de openbaring van die zonen Gods. Dat is in werkelijkheid de terugkeer uit de ballingschap, zodat ballingschap nu synoniem is aan zwangerschap. Die wereld die toen was en nu is, is de wereld die nu zwanger is, opdat die oude wereld, deze wereld, zal verdwijnen, en de nieuwe wereld uit die oude tevoorschijn zal komen in de toekomst.

Dus de ballingschap is de tijd van het vrucht dragen, waarin het kind min of meer groeit en tot stand komt en gevormd, opgevoed wordt en opgroeit, opdat het daarna als zelfstandig leven, als zoon, openbaar zou worden. Dat is de gedachte. Er is nog een andere connectie met het begrip “GALAH”, namelijk dat in die ballingschap, die zwangerschap van de wereld, de Heer Zich openbaart in het leven van de gelovige, hier en nu in deze tijd. Er zit nog veel meer aan vast, want ballingschap betekent dat iets uitgedrukt is, het betekent gelijk dat de Heer Zich openbaart aan degene die uitgedrukt zijn. Dat wil zeggen: Hij openbaart Zich aan degenen die in ballingschap zijn. Dat is een andere toepassing van hetzelfde begrip, maar het loopt parallel. De Bijbel leert dat de Heer Zich bekendmaakt (openbaart) niet aan degenen die in het land zijn, maar aan degenen die er uitgedrukt, weggeduwd en dus buiten het land zijn, aan de ballingen.

U kent het verhaal van de vele weduwen in Israël in de dagen van Elia, maar tot geen van die werd Elia gezonden, dan tot die van Sarfat bij Sidon. Dat wil zeggen: buiten het land. Er waren vele melaatsen in Israël en niemand werd genezen, dan Naäman, de Syriër. De gedachte is dat als Israël tot geloof komt, tot aanvaarding van de Here Jezus als Messias, dat niet zal zijn in het land, maar buiten het land en dus in ballingschap, (zie Deuteronomium 30)

Openstaan

We spraken eerder over het feit dat men in ballingschap bloot is en zonder dekking, zonder bescherming. Men is aan de heidenen overgeleverd. Hetgeen ook betekent dat men los is, (los komt) van de oude bestaande tradities en daarom ook de mogelijkheid heeft om te luisteren naar wat er komt en zich open te stellen voor wat anders. Bij het prediken van het evangelie zijn er altijd twee dingen aan de orde. Het ene is of men het evangelie aanvaardt. Het andere is of men alles wat men voor die tijd aangenomen heeft, los wil laten. Het komt dikwijls voor, dat de mens eerst gedwongen wordt om wat men allemaal heeft los te laten, voordat men ooit maar het evangelie hoort. Ik denk dat zulke mensen wel heel gelukkig zijn. Ik heb ze in ieder geval gesproken, die zeiden: “Toen ik de Boodschap hoorde, had ik geen problemen. Ik had het nooit verkeerd geleerd”. Zij konden meteen goed beginnen en hoefden niets af te leren. Dat is het mooiste, hoewel het in de praktijk dikwijls zo is dat mensen heel wat ballast meeslepen. Dat kan christelijke ballast zijn, maar ook allerlei leringen uit de wereld die men vasthoudt, waardoor er geen plaats is voor het Woord van God. Als men echt in ballingschap is, is men alles kwijt en is men gereed om een boodschap aan te nemen. Een boodschap die hoop geeft, die toekomst en dekking biedt, zodat men kan schuilen en zich ergens veilig kan weten. Dat is wat de ballingschap oplevert en is misschien ook wel een van de redenen waarom die ballingschap noodzakelijk is.

Als wij niet helemaal doordrongen zijn van het vergankelijke van deze wereld en van de dienstbaarheid van de verderfenis waaraan de wereld onderworpen is, dan staan wij ook niet open voor het Woord Gods en de beloften die de Heer gegeven heeft. Dat is dus de noodzaak van de ballingschap, opdat we alles zouden loslaten, het verleden zouden vergeten en in een positie zouden terechtkomen van waaruit helemaal opnieuw begonnen kan worden. Daarom moet de mens alles loslaten. Daarom ook moet iemand op zijn gezicht vallen of helemaal onderuit gaan, want wat de Heer wil is de mens oprichten, maar als je nog in eigen kracht staat kan dat niet. Als je uit eigen beweging in het land bent en je krijgt de belofte: De Heer zal u uit uw ballingschap in het land verzamelen, dan is dat om te lachen natuurlijk. Je bént er immers al? Als je iets dergelijks vandaag vertelt aan een zionist die in Jeruzalem woont, dan praat je natuurlijk wartaal. Want hoezo verzamelen? Dat hebben ze zelf al gedaan! Wat zal er dus gaan gebeuren? Precies hetzelfde als in de dagen van Jeremia na de verwoesting van Jeruzalem. De uitdrijving van hen die dan in Jeruzalem wonen. Ze zullen verstrooid worden. Waarom? Opdat de Heer zal kunnen doen wat Hij hen beloofd heeft: hen terughalen! Niet om het oude te herstellen, niet om het oude voort te zetten en weer gewoon onder de wet te gaan leven, maar om de beloften te vervullen. Die beloften zijn dat men niet zou zijn onder de dienstbaarheid, ook niet onder de wet, maar dat men zou leven “tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods” uit Romeinen 8. In die hoop zijn wij zalig geworden en die hoop moet al ons leed verzachten.

In Hebreeën 3 wordt over de ballingschap van Israël gesproken toen het door de woestijn ging. Er was daar in de woestijn een Heer, Die Zijn wegen bekendmaakte door Woord en Geest, door een wolkkolom die men navolgde. Die woestijnreis was een ballingschap. Men ging van Egypte naar Kanaän en zo was men 40 jaar in ballingschap. Ik denk dat je er in een paar dagen doorheen zou kunnen komen, ook lopend, want zover is het niet van Egypte naar Kanaän. Men deed er 40 jaar over en had 42 kampplaatsen in de woestijn. Een klein rekensommetje leert dan dat zij, ruwweg gerekend, steeds ongeveer een jaar lang op dezelfde plek gebivakkeerd hebben. Ze woonden dus redelijk rustig op een bepaalde plek en na verloop van tijd gingen ze dan weer verder. Toch was het een leven van ballingschap, nog niet in Kanaän, maar op één of andere wijze daar naartoe. Dat wordt als voorbeeld genomen in Hebreeën 3. Ik zeg het nu met eigen woorden. De Hebreeënbrief leert ons dat deze situatie van Israël in de woestijn in de eerste plaats vergeleken moet worden met de situatie van de gehele mensheid, want de uittocht uit Egypte wordt op de gehele mensheid van toepassing gebracht. Een moeilijke vraag is: maar zijn dan alle mensen uitgeleid uit het diensthuis? Wat meteen gezegd kan worden is dan:

Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Exodus 20:2

Van welk volk is die God dan “uw God”? Romeinen 3 geeft het antwoord:

29 Is God een God der Joden alleen? en is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen;
30 Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. Romeinen 3:29,30

Hier wordt gesproken over het behoud van de mens in het algemeen. Geldt dat alleen maar voor Joden of ook voor de heidenen? Er staat: “Ja, ook der heidenen”, want er is maar één God! Dus is Hij ook de God der heidenen. Dat betekent dat de verlossing ook tot stand komt voor de wereld. Toch moeten we elkaar wel goed begrijpen, want wat is verlossing? Verlossing is niet hetzelfde als zaligheid. Het overlapt elkaar wel, maar het is niet helemaal hetzelfde. Als je zalig wordt, moet je wel verlost zijn, maar als je verlost bent, is het nog maar de vraag of je ook zalig wordt. In uw gedachten misschien niet, maar in de Bijbel wel!

Men was verlost uit Egypte, maar de zaligheid bestond uit het komen in Kanaän. De vraag is dus of degenen die verlost zijn ook zalig geworden zijn. Het antwoord is: van de 600.000 slechts 2. Dus de kans dat u daarbij hoort, is niet zo groot. Maar goed, laten we zeggen dat ze u van tevoren al geselecteerd hebben. Nee, die twee hadden zichzelf laten selecteren, omdat ze gelovigen bleken te zijn, Jozua en Kaleb, weet u wel. Dus blijkt weer dat Gods verlossingswerk gedaan werd voor iedereen. De verlossing is tot stand gebracht en fundamenteel zijn alle mensen verlost. Een probleem is dat ze het niet allemaal weten, hoewel daar wat aan te doen is. Een ander probleem is dat van degenen die het wél weten er velen geen prijs stellen op verlossing. Dat wil zeggen: ze zijn uitgeleid uit Egypte, maar ze hadden helemaal niet uit Egypte gewild. Wij zeggen: Ze zijn verlost uit Egypte, maar ze willen helemaal niet verlost worden. Ik ken ze en u kent ze ook. Er zijn er die zéggen uit Egypte verlost te zijn, maar in de praktijk in slavernij leven. Die dingen hangen zelfs heel direct met elkaar samen. Men wil de illusie wekken uit Egypte verlost te zijn omdat het noodzakelijk is dat te zeggen, terwijl ze in de praktijk gewoon nog in slavernij zijn. Ik heb het over het voorlezen van de wet. Dat heeft in de praktijk tot gevolg dat men onder de wet in slavernij gebracht wordt. Terwijl de wet begint met te zeggen dat men juist bevrijd is, namelijk uit het diensthuis. Het probleem is dat het verzoeningswerk van Christus gedaan is ten behoeve van iedereen (de gehele mensheid, alle zondaren). Hij is het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt. Hij heeft de zonde van de mens in het algemeen gedragen, de prijs is betaald, maar de vraag is nu: aanvaardt men die verlossing? Wandelt men de HEERE na?, om het met de woorden van Jeremia te zeggen. Indien men echter uit Egypte, en in de woestijn is, is het nog maar de vraag of men de Heer ook nawandelt naar het beloofde land.

Het zijn twee dingen. Het ene is of men verlost wil zijn van de zonde, de wet, de slavernij en van alles waaronder men gebukt ging. Het andere is of men nu ook bereid is om de Heer te volgen naar het beloofde land. Dat is een beeld van de ballingschap en een beeld van allerlei situaties, waarop het van toepassing gebracht wordt. In Hebreeën 3 wordt die situatie van toepassing gebracht op de gehele mensheid als zodanig, die geacht wordt verlost te zijn uit Egypte, door de dood en opstanding van Christus (het slachten van het Paaslam). De vraag alleen is: geloven die mensen nu, of niet? Als ze geloven, komen ze in Kanaän. Als ze niet geloven, leven ze in de woestijn en komen daar om. leder mens merkt vroeg of laat dat het hier, in de wereld, een grote woestijn is en dat je er helemaal niet kunt wonen. Het is hier ook niet geschikt om te wonen en te leven en ook niet de bedoeling van die wereld die nu is, dat weet u toch? Wij zijn namelijk op weg naar de nieuwe schepping, het beloofde land, het Koninkrijk, Kanaän, Jeruzalem of hoe u het maar noemen wilt. Daar kom je echter alleen als je gelooft. Wat in Hebreeën 3 vanaf vers 7 gezegd wordt, is dat men weliswaar in de woestijn is, maar dat dat niets zegt, want pas als je gelooft kom je in Kanaän, en anders kom je in de woestijn om.

Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort Hebreeën 3:7 (De Heilige Geest zegt dit in Psalm 95),

7 Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,
8 Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn; Psalm 95:7,8

“Heer maak mij Uw wegen door Uw Geest bekend”. Nu, de Heer heeft het door de Heilige Geest gezegd: “Heden”, dat is geen datum, dat is nü, en zolang wij erover spreken is het het heden. “Heden, indien gij Zijn stem hoort” en “Zo verhardt uw harten niet”. Je moet je hart openzetten en geloven. Als Gods stem klinkt is het de bedoeling dat we ons hart openzetten zodat Gods Woord ingang kan vinden. Gewoon geloven en niet zeggen: dat gaat zomaar niet, of: de Heer moet het geven. De Heer zegt: nü, vandaag, kom Ik met Mijn Woord, zo verhardt uw harten niet. U moet dan niet zeggen: Hij moet het mij geven, of dat gaat zomaar niet, of je moet van alles meegemaakt hebben. Geloof het Woord zoals het nu komt.

7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort,
8 Zo verhardt uw harten niet, gelijk liet geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn; Hebreeën 3:7,8

Hier worden de woorden vertaald, maar het gaat over Massa en Meriba, want “verbittering” en “verzoeking” is de vertaling van Massa en Meriba. Een plaats in de woestijn waar Israël de Heere verzocht.

Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, 40 jaren lang. Hebreeën 3:9

Dat wil zeggen: de Heer sprak, demonstreerde zelfs aan hen Zijn werken, maar ze geloofden Hem niet. De Heer gaf elke dag manna, maar men weigerde te geloven waar dat manna een beeld van was: het Woord van God. God zei: Ik zal je het land geven en Ik geef je ook hier eten. Het regende manna, men at het en zei: dat smaakt ons niet best en dat land zal ook wel niets wezen. Dat is een korte verklaring, maar zo was het toch. Geef ons maar Egypte, dus slavernij.

Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. Hebreeën 3:10

Daarom dwaalden zij ook door de woestijn. De Heer maakte met Zijn Woord en Zijn Geest Zijn wegen bekend, maar zij hoorden niet naar dat Woord. Dan kun je wel zeggen: Heer, maak mij Uw wegen bekend, maar als je niet bereid bent die wegen te gaan, heeft het ook geen zin om dat gebed te bidden. Bovendien denk ik ook dat de Heer ophoudt met Zijn wegen bekend te maken. Waarom zou Hij ook? Als niemand die wegen lopen wil? Zij wilden niet en dwaalden door de woestijn. Zij dwaalden met hun hart omdat zij Zijn Woord niet wilden geloven. Altijd, zegt de Heer, dwalen zij met het hart en ze hebben Mijn wegen niet gekend.

Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Indien zij in Mijn rust zullen ingaan! Hebreeën 3:11

“Indien”, dat wil zeggen onder “een voorwaarde” zullen zij Mijn rust ingaan. Die voorwaarde is geloof. De NBG-vertalers zijn hier de draad kwijt, want die vertalen het met: “Nooit zullen zij tot Mijn rust ingaan”. De vertalers wilden veiligstellen dat de belofte aan Israël niet meer vervuld zal worden, hoewel het hen niet ontging dat het hier in de eerste plaats over Israël gaat. Israël zal niet ingaan, maar de “kerk” zal wél ingaan. Daarom vertalen zij bij voorkeur met “nooit”. Jozua en Kaleb, de beide “gelovigen” die zouden ingaan in Kanaän, voldeden wél aan die voorwaarde, maar de rest van het volk niet.

Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van den levenden God; Hebreeën 3:12

Een “boos ongelovig hart” is een verhard hart (zie vers 8), wat afwijkt van de levende, de ademende, dus sprekende God, en als God spreekt dan moet je, via het oor, het gesprokene opnemen in het hart.

Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde. Hebreeën 3:13

Heden: wie Zijn stem hoort Je moet niet zeggen: dat was in het verleden. Het is vandaag, zolang als het “héden” genoemd wordt. “De verleiding der zonde” wil zeggen: “van ongeloof”, dat staat iets verder.

14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden;
15 Terwijl er gezegd wordt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, gelijk in de verbittering geschied is. Hebreeën 3:14,15

Zolang dat Woord tot ons komt, dienen wij dat, dat beginsel van deze vaste grond, vast te houden. “Het geloof is een vaste grond…”. (Hebreeën 11 : 1) Bij geloof beginnen alle dingen, dat zou men moeten vasthouden.

16 Want sommigen, als zij die gehoord hadden (de woorden waarin de Heer Zijn wegen aan hen bekendmaakte), hebben Hem verbitterd, doch niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.
17 Over welke nu is Hij vertoornd geweest 40 jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn? Hebreeën 3:16,17

Sommigen hebben de Heere verbitterd, anderen niet. De vraag is: wie wel en wie niet? Er wordt direct antwoord gegeven op die vraag, want Jozua en Kaleb hebben de Heere niet verbitterd, dus is God op hén vertoornd geweest, die gezondigd hadden. Dat was vrijwel de hele generatie die uit Egypte ging en in de woestijn omkwam.

18 En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren?
19 En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. Hebreeën 3:18,19

Opnieuw wordt de vraag gesteld in vers 18: “Welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan?” In vers 17 staat dat het degenen waren die zondigden. In vers 18 staat dat het degenen zijn die ongehoorzaam waren en in vers 19 wordt gesproken over hun ongeloof. Hieruit kunnen we dus opmaken dat zondigen is: ongehoorzaamheid, ongeloof. De zonde waar het hier over gaat, is het niet horen (ongehoorzaamheid) naar het Woord van God, dus ongeloof.

Andersom kunnen wij de vraag stellen: over wie is Hij dan niet vertoornd geweest? Is het niet over die twee, welker lichamen niet gevallen zijn in de woestijn? Zo zien we dus dat Jozua en Kaleb zijn ingegaan “vanwege hun geloof’. Dat is het beginsel, die vaste grond van de dingen die men hoopt en het bewijs of fundament van zaken, die men niet, of nog niet ziet. (Hebreeën 1:1) Zo hebben we nu het antwoord op de vraag wat een mens moet doen in ballingschap. Niets dan “geloven”. Zich “laten leiden” en “zijn hart niet verharden”, volgens Psalm 95.

Men moet zich laten leiden door de Overste Leidsman, die Herder, die ons roept. Hij roept u nu ook, en de bedoeling is dat u die stem van de Herder volgt. Hij is Degene, die u dan misschien toch 40 jaar doet omzwerven door de woestijn, maar u in ieder geval naar het beloofde land brengt. Het is de enige manier om er te komen. De weg die je zelf gaat leidt daar niet naar toe. Dan kom je om in de woestijn. Er is maar één manier om er te komen: als kudde die Herder volgen. Dat is hier toegepast op de mensheid in het algemeen, die verlost is uit het diensthuis, en uitgeleid is uit de wet. Die deel heeft gekregen aan het verzoeningswerk van Christus en voor wie de verlossing, het rantsoen, betaald is. De bedoeling is dat men uit geloof leeft en daardoor naar het beloofde land geleid wordt. Het wordt tot degenen gezegd die ongelovig geworden waren en die nu worden opgeroepen om tot geloof te komen. Het is de bedoeling dat wij, die in de woestijn zijn, naar Kanaän komen. Je kunt wel zeggen: fijn dat we uit Egypte verlost zijn, maar daar heb je op zich niets aan, je moet naar Kanaän! Helaas zijn er velen die precies de andere weg gaan, en naar Egypte lopen. Die zeggen: het is waar, we zijn uit Egypte verlost, maar lopen ondertussen hard naar Egypte terug. Dat is het verschil. We moeten in geloof op weg, achter de Heer aan, Die ons uit deze ballingschap zal brengen naar dat beloofde land. Hetzelfde beeld wordt nog een keer gebruikt in het Nieuwe Testament, in 1 Korinthe 10.

1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;
3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;
4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. 1Korinthe 10:1-4

Hier wordt het niet toegepast op de mensheid als zodanig, maar op de Gemeente. De Gemeente is een verlost volk. Uitgeleid uit het diensthuis en de wet en nu, door de woestijn, onderweg naar de hemel, naar ons beloofde land. De gedachte hier in 1 Korinthe 10 is dat we heel bewust de Heer zijn nagewandeld, de woestijn in. We zijn de Heer gevolgd, Die ons riep. 1 Korinthe 9 eindigt met precies dezelfde woorden als Hebreeën 12, namelijk dat men de loopbaan zou lopen, hoewel in dit geval de loopbaan van de gelovige, opdat hij een kroon zou ontvangen.

25 En een ieder, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.
26 Ik loop dan alzo, niet als op het onzekere; ik kamp alzo, niet als de lucht slaande;
27 Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde. 1 Korinthe 9:25-27

Wij denken aan de steenrots en het water, maar het heeft hier tegelijkertijd een overdrachtelijke betekenis. Het gaat niet om die steenrots, maar om de geestelijke waarheid die dit vertegenwoordigt. De Geestelijke Steenrots is Christus, De Bron waaruit het Levende Water voortkomt.

Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 1 Korinthe 10:5

In Hebreeën gaat het erom dat God in het “merendeel der mensheid” geen welgevallen gehad heeft, omdat slechts een minderheid tot geloof kwam, die dan ook geleid werd naar Kanaän. Hier gaat het erom dat God ook in het “merendeel van de Gemeente” geen welgevallen heeft. Dat wil niet zeggen dat men niet behouden wordt, maar het betekent dat men niet tot zoon wordt aangesteld. Ook binnen de Gemeente (de wedergeborenen) bestaat er verschil tussen degenen die in de praktijk wel uit geloof leven en degenen die dat niet doen. Er zijn er die niet wandelen “waardig de roeping, waarmee zij geroepen zijn”. Ze hébben wel die roeping, maar ze wandelen niet als zodanig. Voor hen die dat wel doen ligt de kroon in het verschiet, oftewel die zullen aangesteld worden tot zonen. Dat is de gedachte hier in 1 Korinthe 10.

Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; Hebreeën 12:23

Hier staat dat wij als vergadering van eerstelingen niet moeten hoereren gelijk Ezau, die zijn eerstgeboorterecht weggaf. Want wij behoren wel tot de Gemeente van eerstgeborenen, maar als u denkt, dat dat geboorterecht zomaar in uw handen valt, dan vergist u zich. Eerstgeboorterecht gaat alleen naar de gelovige, naar het zaad dat God Zich verkozen heeft. Dat betekent in dit geval dat het gegeven wordt aan de “gelovige” gelovigen, ik hoop dat u die term inmiddels kent. Voor die gelovigen die in de praktijk uit geloof leven. Dan verspeelt u niet het eerstgeboorterecht van de Gemeente als zodanig, want dat kan niet, maar u verspeelt het eerstgeboorterecht van uzelf. Er werden kronen gegeven aan die dienstknechten die “handeling” deden met de ponden, maar er was er toch één bij die geen kroon kreeg. Je kunt wel zeggen dat ze samen zoveel kronen hadden, maar individueel was er wel degelijk verschil en één had zelfs helemaal niets. Dat kan dus. Dat wil zeggen dat die heer in een deel van zijn dienstknechten geen welgevallen had, namelijk in die dienstknecht, die zijn pond verborgen had. Dat is hetzelfde wat hier in i Korinthe io uitgelegd en op de Gemeente van toepassing gebracht wordt.

En deze dingen zijn geschied (sommige mensen denken dat het alleen maar verhalen zijn, maar ze zijn waar gebeurd) ons tot voorbeelden (typen), opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben. 1 Korinthe 10:6

Wat gebeurt er met diegene die tot het volk behoort en niet leeft naar wat God gesproken heeft? Die komt om in de woestijn. Een trieste zaak, want dat is niet de bedoeling. De bedoeling is dat wij, die in ballingschap zijn, leven uit geloof. Leven “waardig de roeping waarmee wij geroepen zijn”, namelijk om terug te keren uit de ballingschap, om het zoonschap en een kroon te ontvangen. Bovendien, andersom – in negatieve zin gezegd – is het de bedoeling dat wij geen lust zouden hebben tot het kwaad, tot de zonde (ongeloof). Zij hadden dat namelijk wel!

En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 1 Korinthe 10:7

De bedoeling van een leven in ballingschap is dat wij geen afgodendienaars worden en niet hoereren, (vers 8) gelijkerwijs sommigen van hen. Dat wordt gezegd tegen de Korinthiërs. Het gaat dus over gelovigen, wedergeboren mensen; zij die behoren tot het tegenwoordige Israël Gods. De bedoeling is dat ze zich door de Heer laten leiden naar die bestemming. “Laat ons dan ook Christus niet verzoeken” (vers 9), “zoals ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van slangen vernield”. “En murmureert niet” (niet mopperen, niet klagen). Hoewel ze in de woestijn waren, zo’n anderhalfduizend jaar voordat Christus zou komen, staat er toch: Ze hebben Christus verzocht. De vraag is dan: Wie is dan Christus en het antwoord is: Jehovah Zelf! Laat ons dan Christus niet verzoeken, omdat de Heer zorgt voor degenen, die in ballingschap zijn. Het blijft ballingschap tot de bestemde tijd, maar de Heer zorgt. Daar gaat het om. Je bent juist in ballingschap, omdat je onderweg bent naar die toekomstige heerlijkheid. Daar moetje blij mee zijn. Paulus zegt: Je moet roemen in de verdrukking, roemen in ballingschap, omdat het gaat om de terugkeer daar uit.

10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.
11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.
12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 1 Korinthe 10:10-12

Een terechte waarschuwing, want wij staan, opgestaan met Christus, opgewekt zijnde door de Heer en op onze voeten gesteld. Want verzoeking komt er wel en dat is opdat wij zouden leren te leven in de ballingschap, uit geloof. Die verzoeking komt overeen met die kastijding uit Hebreeën 12 en het wijst op de verzoeking, het lijden uit Hebreeën 5. Daar staat dat de Here Jezus in Zijn ballingschap, in de dagen Zijns vleses, gehoorzaamheid (dat is geloof) geleerd, geoefend en gepraktiseerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden. (vers 8) Dat is de bedoeling van alle ballingschap: dat men zijn vertrouwen zou vestigen op de Heer Die gesproken heeft. Leven in ballingschap is dus leven uit geloof, waarin wij onze verwachting niet stellen op de dingen om ons heen, want het is onze wereld niet. Dat is een wereld waarin wij vreemdelingen zijn. Vandaar dat wij ook onze verwachting stellen op de Heer, Die ons ook in de ballingschap gebracht heeft. Maar de ballingen waren beter af dan degenen die in Jeruzalem achterbleven, zoals wij ook uit het Oude Testament leren. De achtergeblevenen werden voor het grootste deel gedood, maar de ballingen waren vrij van het oordeel dat over Jeruzalem kwam. Dat komt omdat ze van tevoren buiten de legerplaats en in ballingschap gegaan waren. Het was dus eigenlijk een zegen.

We spraken eerder over Elia, toen in zijn tijd het land ten prooi viel aan een grote droogte. Elia leefde ook uit geloof, anders had hij niet gedaan wat de Heer hem zij te doen. Hij gebood Elia het land uit te gaan naar de beek Krith en naar de weduwe van Zarfath. Daar werd Elia gezegend en in leven gehouden. Als u denkt dat deze wereld waarin wij ons bevinden de normale wereld is, dan zult u alleen maar teleurgesteld worden. De normale wereld komt pas later. Wij zijn daar naar onderweg en die weg loopt op die manier. Misschien zegt u: “We zullen het wel zien, het komt wel goed.” Of als het hier tegenzit: “Ja, dat klopt wat de wereld betreft, maar wij hebben het ook niet van deze wereld verwacht.” Het is hier de gevangenis, de ballingschap waarin wij ons bevinden. Dat het fout loopt hier in deze wereld en dat het allemaal tegenzit, dat weten we. Daarom is er een blijde boodschap nodig. Die is dat we het ook niet van deze wereld hebben te verwachten. De Schrift zegt in 1 Korinthe:

Indien wij alleenlijk in dit leven (het hier en nu op deze wereld) op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. 1 Korinthe 15 : 19

Dus wordt er geleerd dat we niet alleen voor dit leven op Christus moeten hopen, maar juist voor het toekomende leven. Wat dit leven betreft: de Heer leidt ons naar die toekomende wereld. Dat is de gedachte. Hier kan ons alles tegenzitten, dat kan nu eenmaal in de ballingschap. Dat geldt ook voor de verzoekingen waarover 1 Korinthe 10, de Hebreeënbrief, Jacobus en nog andere plaatsen spreken. Die verzoekingen komen wel, maar niet méér dan je kunt dragen en in ieder geval komt er ook een uitkomst. Misschien pas bij de verlossing van ons lichaam, misschien eerder, hoewel er dan mogelijk weer een andere verzoeking komt. Daar is geen garantie voor te geven. Misschien valt het mee, maar het blijft een zaak van tijdelijke dingen.

Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Johannes 15 : 18

U zult zeggen: dat is ook een schrale troost, er verandert dus niets. Er staat zelfs dat het vanzelfsprekend is dat de wereld ons haat en dat het wel zo zal blijven. Eigenlijk staat er met andere woorden: als de wereld u niet haat, dan is er iets mis. Niet met deze wereld, maar met u! “Eerder dan u hebben zij Mij gehaat”. Aangezien Hij onze Overste, Voorste Leidsman is, betekent het dus dat we diezelfde haat te verwerken krijgen, net als de Here Jezus.

Indien gij van de wereld waart (geen balling zou zijn en tot deze wereld behoren), zo zou de wereld het hare (u, dus) liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Johannes 15 : 19

De haat van de wereld ten opzichte van de gelovige is niets anders dan het verlengstuk van de haat van de wereld ten opzichte van Christus Zelf. De wereld verwierp Christus. Hij was in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet gekend. Dat betekent dat allen die Hem wel kennen, vervolgens ook gehaat worden. Zo is dat nu eenmaal. Dat overkomt de Heer en ons ook, maar het is geen vreemde zaak.  Die haat van de wereld is niet omdat wij die haat bewust oproepen of dat het ons aan goede eigenschappen en deugden ontbreekt. Dat kan natuurlijk. Maar ook als we alle mogelijke moeite zouden doen om die wereld te vriend te houden, zou ons dat niet lukken, als we ons bewust blijven dat wij het eigendom des Heeren, dus gelovigen zijn. Die zogenaamde gelovigen die de wereld wél tot vriend kunnen houden, wandelen gegarandeerd niet “waardig de roeping waarmee zij geroepen zijn”. Dat is onmogelijk, want dan houd je de wereld niet te vriend. Je bent niet van deze wereld, je bent fundamenteel zelfs een gevaar voor diezelfde wereld. Wij zijn niet van de wereld, maar in ballingschap en tegen de gelovige wordt gezegd het Woord vast te houden.

Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Johannes 15:20

Dat is de situatie van de gelovige die in ballingschap, en dus buiten de legerplaats; die onderweg is naar die wereld waarin hij thuishoort en waarvan hij wél het burgerschap heeft ontvangen. Dezelfde woorden vinden wij in Johannes 17 en dan zijn we weer rond. Dan hebben we de cirkel van de ballingschap, van “GALAH” en “GILGAL” gesloten. Het zullen voor u bekende woorden zijn, die de Heer bidt in Johannes 17:

14 Ik heb hun (de gelovigen, en hier zijn het de discipelen) Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.
15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze. Johannes 17:14,15

U kent de geschiedenis van Esther. Nu, afgezien van de rijke typologische betekenis komt het er op neer dat het Joodse volk in ballingschap was en daar wél bewaard werd van de boze. Dat wil zeggen, ze werden niet uitgeroeid, maar ze werden ook niet teruggebracht naar het land. De Heer sprak zelfs niet tegen ze, dat komt in het hele boek Esther niet voor. De Heer had al gesproken en dat was meer dan voldoende. Ze werden geacht te leven uit geloof. De Heer verborg Zich ook in de dagen van Esther, wat de naam Esther (Ster, de Verborgene) trouwens ook betekent. De Heer vertoont Zich niet, maar Hij zorgt wel dat het Joodse volk in die ballingschap niet omkomt.

Dat algemene beeld kun je ook rustig op onze dagen van toepassing brengen. De Heere God spreekt niet. Alles wat gesproken moest worden is gezegd en Hij verbergt Zich in deze tegenwoordige “bedeling der verborgenheid”. Hij zorgt dat de poorten van het dodenrijk de Gemeente niet overweldigen. Dat is alles en ook meer dan voldoende, want wij weten hoe het verhaal verder gaat. Wij horen niet bij deze wereld van “Meden en Perzen”. Wij behoren bij een andere wereld, waarheen we onderweg zijn, maar waar we pas in de toekomst terecht zullen komen. Hier worden wij slechts bewaard van den boze.

16 Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben.
17 Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid. Johannes 17:16,17

Heilig hen in Uw Woord. In 1 Johannes 3 stond: “Wij zouden kinderen worden, maar nu zijn wij kinderen en zullen zonen worden”.

En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. 1 Johannes3:3

Er staat in vers 16: “Zij zijn niet van deze wereld” en “heilig hen in Uw Waarheid” of “heilig hen in Uw Woord”, “Uw Woord is de Waarheid”. De balling die verwacht naar huis te gaan, reinigt zich of wordt gereinigd, omdat hij leeft uit dat Woord der waarheid, wat hem die hoop en toekomstverwachting geeft. We worden gereinigd door de Heer; door God Zelf, “met het bad des waters door het Woord” (Éfeze 5 : 26b), rein bewaard in deze ballingschap, opdat we in de toekomst in het Jeruzalem wat boven is gebracht zouden worden, zoals het lied ook zegt:

Kom, ga met ons en doe als wij
Jeruzalem, dat ik bemin,
Wij treden uwe poorten in:
Daar staan, o Godstad, onze voeten.

Wij bedoelen daarmee de hemel zelf, waarvan we het burgerschap, de beloften, ontvangen hebben. Op grond van die beloften zijn we daarheen onderweg. Dat betekent: verlost blijven, ongrijpbaar, ontastbaar voor de wereld, bewaard voor de boze en onderweg zijn naar die bestemming, die God bepaald heeft en waarheen Hij ons dus ook brengen zal.

Amen



 Gerelateerde bijbelezing:
* Leven in ballingschap


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld




Dit is een bewerking van de Brochure "Leven in ballingschap" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl