De brief van Judas

1 Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:

4 Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen. Judas : 1, 4

Hoewel de brief van Judas bekendstaat als een van de oudste brieven van het Nieuwe Testament is die toch achteraan in de Bijbel geplaatst. Deze brief spreekt primair over de zesde bedeling en krijgt pas in de toekomst haar volle toepassing. De gelovigen van die bedeling leven vóórdat de Heer op de troon Zijner heerlijkheid zal geopenbaard worden. Ze zijn geroepen tot Zijn koninkrijk. In afwachting daarvan hebben zij deze brief van Judas. Die handelt over de natuurlijke mens in het algemeen, de goddeloze, die de Geest niet heeft. Het gaat in deze brief dus niet over gelovigen die naar de oude natuur leven of ontrouwe kinderen Gods. Er zijn uiterlijk gezien weliswaar overeenkomsten tussen ontrouwe kinderen Gods en de ongelovigen in de wereld, maar er is ook een groot verschil tussen beide. De wereld gaat haar ondergang tegemoet, terwijl kinderen Gods gered zijn van het oordeel en zullen delen in de heerlijkheid van Christus. Judas waarschuwt tegen de situatie van de wereld, opdat de gelovigen die zouden herkennen en er afstand van zouden nemen.


1. Inleiding.
2. Verlossing. De weg van Kaïn. Het loon van Bíleam. De tegenspreking van Korach.


1. Inleiding

1 Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:
2 Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.
3 Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.
4 Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.
5 Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.
6 En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
7 Gelijk Sódoma en Gomórra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.
8 Desgelijks evenwel ook deze, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden.
9 Maar Michaël, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!
10 Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich.
11 Wee hun, want zij zijn den weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaam zijn zij henenge- stort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
12 Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld.
13 Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.
14 En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;
15 Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle god- delozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
16 Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil.
17 Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus;
18 Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.
19 Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.
20 Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;
21 Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.
22 En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende;
23 Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is.
24 Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde,
25 Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen. Judas : 1-25 *

De brief van Judas is niet erg bekend, maar de gedachten die erin naar voren komen zijn wel zeer bekend, omdat ze ook in de brieven van Paulus voorkomen. De brief van Judas komt qua gedachtegang sterk overeen met de tweede brief van Petrus. Toch is het uitgangspunt van beide brieven verschillend. Beide brieven gebruiken vaak dezelfde uitdrukkingen, maar spreken toch over andere zaken. Petrus spreekt in zijn tweede brief over kinderen Gods die aan de Heer ontrouw zijn. Judas spreekt over de mensheid in het algemeen. Hij spreekt over de natuurlijke situatie van de mens. Er zijn uiterlijk gezien veel overeenkomsten tussen ontrouwe kinderen Gods en de ongelovigen in de wereld. Er bestaat echter ook een groot verschil tussen beide. De wereld gaat haar ondergang tegemoet, terwijl kinderen Gods gered zijn van het oordeel en zullen delen in de heerlijkheid van Christus. Judas spreekt dus niet over ontrouwe kinderen Gods, maar over ongelovigen. Hij waarschuwt tegen de situatie van de wereld, opdat de gelovigen die zouden herkennen en er afstand van zouden nemen. Gelovigen horen niet bij de wereld en dienen zich van (het denken van) die wereld te distantiëren. Bijvoorbeeld in vers vier:

Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen. Judas:4

Er wordt hier over “sommige mensen” gesproken die zijn ingeslopen. Het grootste deel van de brief van Judas handelt over deze “sommige mensen”. Judas houdt ze aan de gelovigen voor opdat zij ze zouden herkennen. Ingeslopen betekent dat het wellicht onopgemerkt is gebeurd. Ze zijn heimelijk binnengeslopen. Judas vertelt hoe deze mensen te werk gaan, opdat de gelovigen ze kunnen herkennen. Deze “sommige mensen” worden op verschillende manieren omschreven en van hen worden verschillende dingen gezegd. Enkele voorbeelden:

Het zijn goddelozen (vers 4)

Dit woord betekent letterlijk dat ze verzuimen eer te geven aan Degene Die eer toekomt. Ze geven nooit iemand eer en zéker niet aan God. Ze erkennen niemand boven zich en maken zichzelf daardoor tot een god; zie ook vers 15. Ze hebben genade veranderd in ontuchtigheid. Ze maken van Gods genade gebruik om ontuchtigheid te bedrijven.

Zij slapen (vers 8)

“Dezen” slaat op “sommige mensen” uit vers 4. Wie slaapt is zich niets bewust van de realiteit om zich heen. Men kent de realiteit niet, omdat men ongelovig is. (vers 5)

Zij zijn onwetend (vers 10)

“Dezen” zijn weer “sommige mensen”. Zij lasteren hetgeen zij niet weten. Zij weten niets, omdat zij slapen en omdat zij ongelovig zijn.

Zij zijn waterloze wolken (vers 12)

“Waterloze wolken” lijken op wolken, maar er komt geen regen uit voort. “Wolken” staan model voor geestelijke dingen. “Water” staat model voor het Woord van God. Dat Woord van God is door de Geest voortgebracht. Deze mensen lijken heel geestelijk, maar ze brengen geen leven (Woord van God) voort.

Ze zijn wilde baren der zee (vers 13)

De zee is in de Bijbel een beeld van de volkeren. (Openbaring 17 :15) De volkeren woeden en bedenken ijdelheid. (Psalm 2 : 1) Zoals de golven schuim voortbrengen, zo schuimen deze goddelozen hun eigen schande op. Deze “sommige mensen” verloochenen God, de enige Heerser, namelijk de Here Jezus Christus, (vers 4) Men zou de Here Jezus Christus als de enige Heerser moeten erkennen, omdat Hij God is! Ze verwerpen de heerschappij echter, (vers 8) Dat is uiteraard de heerschappij van de Here Jezus Christus, want Hij is de enige Heerser.

Judas was niet één van de apostelen (vergelijk vers 17). Judas was de broer van Jakobus (1 Korinthe 9 :5; 15 :7), die eveneens een brief heeft geschreven. Deze Jakobus was een broer van de Here Jezus en dus was Judas dat ook. (vergelijk Markus 6 : 3) Jakobus en Judas waren erfgenamen van de Here Jezus Christus, omdat Hij afwezig was. Jakobus was de eerste rechthebber (na de Here Jezus Christus) op de troon van David. Judas schrijft over de gemene (algemene) zaligheid (vers 3) waarover de gehele Bijbel spreekt. Die algemene zaligheid geeft aan dat de gevallen wereld met God verzoend zou worden door Degene Die daartoe speciaal gezonden was. De gewone zaligheid geeft aan dat God via Zijn Zoon verzoening tot stand brengt, opdat de schepping met God verzoend zou worden. (2 Korinthe 5 :19) Deze algemene zaligheid voorziet in een herstelplan voor de schepping in het algemeen. Niet elk mens zal daar deel aan krijgen, want wie niet wil (wie niet gelooft), heeft/krijgt er geen deel aan. Alleen de gelovigen (zij die het herstelplan van God aanvaarden) krijgen er deel aan, want zij onderwerpen zich aan God.

Vanaf Adam is de Verlosser aangekondigd. Die is inmiddels gekomen. Hij stierf en stond op. Sinds Zijn opstanding wordt hetzelfde gepredikt als door de oudtestamentische profeten. Toen werd de verheerlijking van de Here Jezus Christus gepredikt. Hij is door God gesteld tot Here en tot Christus. (Handelingen 2:36) Die verheerlijkte Christus zou Zijn koninkrijk oprichten. Petrus verwijst naarde profeten. (Handelingen 3 :21) Petrus en de andere discipelen verwachtten een aards koninkrijk en dat de beloften die gedaan waren op aarde aan hen vervuld zouden worden.

Tot de tijd van het begin van Handelingen werd nergens gezegd dat gelovigen een hemelse roeping zouden hebben of dat de gelovigen naar de hemel zouden gaan. “Hemel” is in de Bijbel een omschrijving voor een plaats die hoger is dan de aarde; zowel letterlijk als overdrachtelijk. De hemelse roeping van de gelovige wordt pas door de apostel Paulus meegedeeld. De hemelse roeping van de gelovige behoort niet tot de “gemene” (algemene) zaligheid, maar tot de “ongemene” (bijzondere) zaligheid. De zaligheid die gelovigen nu ontvangen is een bijzondere, omdat die zaligheid niet in verband met de aarde wordt ontvangen, maar in verband met de hemel. Het is een hogere zaligheid, waarover in het Oude Testament nergens letterlijk wordt gesproken en evenmin in de apostolische brieven (Jakobus t/m Judas). Die bijzondere zaligheid wordt alleen door Paulus meegedeeld en uitgelegd. Voor zover we de hemelse positie van de gelovige in de evangeliën herkennen, is dat omdat we die reeds uit de brieven van Paulus hebben leren kennen. Als we die waarheid in het Oude Testament herkennen, is dat omdat we die uit de brieven van Paulus kennen en geleerd hebben hoe deze waarheid in de oudtestamentische profetieën moet worden gelezen/geplaatst. Dat kan echter alleen door middel van tekstvergelijking. Het zijn geen letterlijke vervullingen, maar overdrachtelijke. De bijzondere zaligheid vinden we alleen bij Paulus. De gelovigen van onze bedeling hebben deel aan de algemene én aan de bijzondere zaligheid. We maken deel uit van de gemeente van eerstelingen en krijgen een dubbel deel! Dit houdt in de praktijk een aards én een hemels deel in.

Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. 1 Timótheüs 4:8

De oefening van het lichaam heeft weinig nut. De oefening van de Godzaligheid heeft echter twee nuttige uitwerkingen, namelijk de belofte van het tegenwoordige leven en de belofte van het toekomende leven. De oefening van de Godzaligheid heeft dus een uitwerking voor het leven hier beneden én voor het hemelse leven. In de eerste dagen van onze bedeling was er sprake van de algemene zaligheid, waarbij men een toekomst op aarde verwachtte, namelijk de wederkomst van Christus. Men verwachtte dat in hun eigen generatie. Men verwachtte de wederkomst van Christus en de oprichting van Zijn koninkrijk, opdat de joden verlost zouden worden van het wereldrijk van die dagen. Deze dingen zullen in de toekomst plaatsvinden ten behoeve van de gelovigen uit de joden. Zij zullen dan verlost worden van het wereldrijk dat er in de toekomst zal zijn. Men verwachtte de openbaring van Christus op aarde. Vervolgens trad echter de apostel Paulus op. Hij legde uit dat er voorlopig geen aards koninkrijk zou komen. Hij legde een hogere waarheid uit, namelijk: het koninkrijk van Christus zal in de toekomst letterlijk op aarde verschijnen. In de tijd dat Zijn koninkrijk niet op aarde verschijnt, is er wel een koninkrijk, maar niet hier op aarde. Dat koninkrijk is in de hemel. De gelovige dient te leren verstaan hoe het koninkrijk van Christus nu functioneert en op welke manier hij daar zelf deel aan gekregen heeft.

Paulus leert dat de gelovige niet alleen met Christus gestorven en opgewekt is, maar ook met Hem in de hemel (letterlijk: het hemelse) gezet is. Dit principe geldt vanaf het moment van de hemelvaart van Christus. Paulus spreekt over de dagen van het verborgen koninkrijk, waarin wij nu leven en legt uit dat de gelovige van de huidige Gemeente niet alleen een aards, maar ook een hemels deel ontvangt. Het verborgen koninkrijk werd niet meteen na de opstanding gepredikt, omdat Israël in de eerste jaren na de opstanding de kans kreeg tot geloof in de Messias te komen. Israël deed dat niet. Vervolgens heeft God eerst uit de heidenen een volk voor Zijn Naam verzameld. (Handelingen 15 :14) Dit werd echter pas jaren na de opstanding gezegd. In de eerste jaren heeft Israël een serieuze kans gekregen om tot aanvaarding van de Here Jezus als Messias te komen, maar het Israël wees Hem af als Heeren als Messias. De Gemeente van de huidige (vijfde) bedeling bevindt zich nu nog op aarde. Die Gemeente zal in zijn geheel worden opgenomen naar de hemel. Bij die “opname” (zie Bijbelstudie “De “opname” van de Gemeente”) behoren ook alle gelovigen van de vijfde bedeling die inmiddels overleden zijn. (1 Thessalonicenzen 4 : 13-18) Het is een collectieve opname van de Gemeente. Dit vindt in de toekomst plaats. Bij de opname heeft de Gemeente haar hemelse bestemming bereikt. Daarna zal de algemene zaligheid weer worden gepredikt. Die algemene zaligheid wordt nu weliswaar ook gepredikt, maar er wordt door Paulus nog van alles aan toegevoegd. Na de opname wordt niet meer gepredikt dat de gelovige een hemels burgerschap ontvangt, want dat ontvangt hij niet, omdat hij niet tot de Gemeente van de huidige bedeling behoort. Er wordt wel over de openbaring van het koninkrijk gesproken. Handelingen 3 wordt dan weer actueel.

Bij het aanbreken van het nieuwe verbond werd het Woord van God gecompleteerd in overeenstemming met hetgeen in het OudeTestament was aangekondigd. Het verborgen deel van het Woord van God werd alsnog geopenbaard in het Nieuwe Testament. De Bijbel is het complete Woord van God. In de tijd van het Nieuwe Testament zijn de Paulinische brieven geschreven. Daarin wordt de waarheid van de huidige (vijfde) bedeling naar voren gebracht. Het was echter eveneens noodzakelijk om in het openbaar te spreken over de wijze waarop het geopenbaarde koninkrijk op aarde tot stand zou komen. Verder moest ook gepredikt worden wat er in afwachting van dat geopenbaarde koninkrijk zou gebeuren. Met andere woorden: de tijd na het lijden dat op Christus komen zou en de heerlijkheid die pas later zou komen, (1Petrus 1 : 11) Het gaat dan niet specifiek om onze (de vijfde) bedeling, maar om de toekomst: de gebeurtenissen die na de opname van de Gemeente zullen plaatsvinden. Dat is de tijd die na het lijden van Christus komen zou en vóór de heerlijkheid die aan Hem hier op aarde geopenbaard zal worden.

In de eerste tijd van het boek Handelingen, ongeveer vanaf de Pinksterdag tot aan de roepingvan Paulus, werd de bijzondere zaligheid niet bekendgemaakt. Toen werden zaken meegedeeld die volledig toepasbaar zijn op de dagen die na de opname van de Gemeente volgen. Dan is de bijzondere zaligheid vervuld. In het begin van Handelingen waren de omstandigheden gelijk aan de omstandigheden die na de “opname” van de Gemeente (het Lichaam van Christus) op aarde zullen ontstaan. Dan wordt opnieuw het evangelie van het koninkrijk van de Here Jezus Christus gepredikt en leeft men in afwachting van de openbaring van Zijn koninkrijk op aarde. Zo was het in het begin van Handelingen. Dat was juist de voedingsbodem voor de apostolische brieven (Jakobus t/m Judas). Hoewel de brieven van Jakobus en Judas bekend staan als de oudste brieven van het Nieuwe Testament, zijn ze toch achteraan in de Bijbel geplaatst, omdat ze pas in de toekomst actueel worden. In de dagen, waarin ze geschreven werden waren ze weliswaar actueel, maar de volle toepassing krijgen ze pas in de toekomst. In onze dagen (gedurende de vijfde bedeling) kennen wij een grotere volheid, namelijk in de verheerlijkte Christus, zittend aan de rechterhand van God. Wij hebben een hemels burgerschap. Deze Paulinische waarheid, dat de gelovige met Christus gezet is in de hemel, zal men tevergeefs in de apostolische brieven zoeken. Zelfs in de brieven van Johannes wordt dit niet genoemd. In i Petrus i : 4 staat weliswaar dat er een erfenis bewaard wordt in de hemelen, maar er staat niet bij dat die gelovigen naar de hemel zullen gaan om die erfenis in ontvangst te nemen. Die erfenis is het koninkrijk. Dat is nu in de hemel en in de toekomst zal dat geopenbaard worden aan degenen tot wie Petrus sprak (meende te spreken). De apostolische brieven worden in de toekomst actueel. Dan behelzen ze de volle zaligheid. Ze richten het oog uitsluitend op de zeer nabije toekomst van de Zoon des mensen. Wij verwachten de toekomstige verschijning van de Heer, zoals in de apostolische brieven naar voren komt. Wij verwachten de openbaringvan Zijn koninkrijk. Wij verwachten uiteraard de “opname” van de Gemeente, maar die staat niet in de brieven van Johannes t/m Judas. De opname vindt namelijk vóór die tijd plaats. De opname wordt er extra aan toegevoegd en is dus bij Paulus te vinden. Wij richten onze ogen opwaarts; niet alleen naar de toekomst, maar speciaal naar de hemel, omdat we daar onze zegeningen ontvangen. De gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling hebben een hemels burgerschap ontvangen.

Maar onze wandel (ons burgerschap) is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus; Filippenzen 3:20

Er staat niet dat wij de Zaligmaker verwachten. Dat is wel zo, maar er staat dat ons burgerschap daar is waar Hij is. De gelovigen van onze bedeling hebben méér ontvangen dan de algemene zaligheid en ook niet iets anders dan de algemene zaligheid. De apostolische brieven worden in de toekomst actueel, maar ze zijn geschreven door degenen (Jakobus, Petrus, Johannes en Judas), die deel uitmaakten van dezelfde Gemeente waarvan u en ik door Gods genade deel uitmaken. Nadat zij deze brieven hadden geschreven hebben ze nog moeten leren dat hun toekomst niet in “de duizend jaar” lag, maar in de hemel. Die wachtte niet op de toekomst (na 2000 jaar; zie 2 Petrus 3 : 8), maar die was/is in het heden. Ze maakten toen reeds deel uit van het verborgen koninkrijk van Christus.

In de brief van Judas vinden we vervolgens een beschrijving van de god- delozen in de wereld. Dat slaat op de goddelozen in de wereld van toén (ten tijde van Judas). Het slaat zéker ook op de wereld van de toekomst. Ook slaat het op de goddelozen die ten tijde van de huidige (vijfde) bedeling leefden en leven. De beschrijving van de goddeloze mensheid slaat op de tijd vanaf de opstanding van Christus. De goddeloze mensheid heeft de ene Heer en Christus verworpen, terwijl de gelovigen die Heer en Christus hebben aanvaard. De gelovigen lasteren/verloochenen Zijn heerschappij niet, maar zij leven juist vanuit Zijn heerschappij en vanuit Zijn verheerlijkte positie. In de beginperiode van de vijfde bedeling waren de Gemeentelijke waarheden nog niet bekend. In die tijd werden de apostolische brieven geschreven die hun volledige vervulling en toepassing pas in de toekomst zullen ontvangen. Wie de algemene zaligheid niet verstaat, zal de bijzondere zaligheid zéker niet verstaan. Men zal eerst moeten begrijpen hoe de zaken ten aanzien van het oude verbond in elkaar zitten. Dat is namelijk een voorafschaduwing van het nieuwe verbond, dat door en sinds de dood en opstanding van Jezus Christus van kracht is. Wij leven nu in de dagen van het nieuwe verbond. Dat nieuwe verbond heeft tevens een hogere, hemelse toepassing in vergelijking met het oude verbond. Achteraf blijkt dat in de belofte aan Abraham, maar ook in de symboliek van de wet, reeds over deze hogere kant van het nieuwe verbond gesproken werd. De Gemeentelijke waarheden worden erin uitgebeeld, maar ze werden pas na de opstanding van Christus bekendgemaakt; door de bediening van Paulus. De Gemeentelijke waarheden waren in het begin van de vijfde bedeling niet bekend. Hieruit kan men niet concluderen dat de Gemeente van de vijfde bedeling pas tot stand kwam nadat die Gemeentelijke waarheden waren medegedeeld. Sommigen menen dat de Gemeente onmogelijk vanaf de opstanding van Christus (ofvanaf de Pinksterdag) tot stand gekomen kan zijn, omdat men toen de Gemeentelijke waarheden niet kende. Dit is onjuist. Men kende de Gemeentelijke waarheden nog niet, maar de Gemeente begon toen wel. Bovendien moest de Gemeente er eerst zijn voordat er iets aan haar bekend gemaakt kon worden.

Dit principe is er ook bij de vierde bedeling; die van de wet. Die bedeling begon bij de uittocht uit Egypte, maar de wet zelf kwam pas vijftig dagen later, op de Sinaï. Uiteindelijk sprak de wet over hetgeen er zou gebeuren wanneer men in het land zou zijn gekomen en dat duurde nog veertig jaar. De bedeling van de wet begon bij de uittocht uit Egypte. Pas nadat die bedeling begonnen was, werden de kenmerken ervan bekendgemaakt. De Gemeente ontstond door de opstanding van Christus uit de doden. Vijftig dagen later werd het daadwerkelijk gepredikt. Pas bij de roeping en bediening van de apostel Paulus werden de specifieke Gemeentelijke waarheden bekendgemaakt, die boven de algemene zaligheid uitstijgen. Die Gemeentelijke waarheden spreken niet alleen over de wederoprichting van alle dingen, waarvan de profeten gesproken hebben, (Handelingen 3 : 21) maar spreken ook over de roeping van de Gemeente, het hemels burgerschap en over de hemelse erfenis. Die waarheden komen in de apostolische brieven niet voor. De apostolische brieven hebben een vrij horizontaal (aards gericht) karakter. Dit geldt zelfs voor de brieven van Johannes.

Dit verklaart bepaalde uitzonderlijke dingen die in de apostolische brieven genoemd worden. Zoals: Het zalven (Jakobus 5 114,15) zal in de volgende bedeling letterlijk worden toegepast. De volgende (zesde) bedeling duurt veertig jaar. Het is niet de bedoeling dat de gelovige van de volgende bedeling sterft, want hem is het koninkrijk beloofd. Als hij dreigt te sterven, omdat hij ziek wordt, dient hij genezen te worden opdat hij het koninkrijk binnen kan gaan. Daarom vindt genezing plaats en worden sommigen zelfs uit de dood opgewekt. De brief van Jakobus is speciaal gericht aan de twaalf stammen in de verstrooiing. (Jakobus 1 : 1) We weten vanuit de Bijbel dat “zaligheid” niets met afstamming te maken heeft. Deze brief is aan de twaalf stammen gericht, omdat het aardse koninkrijk éérst over Israël zal worden opgericht. Het komt eerst over de twee stammen en vervolgens over de tien stammen. Pas daarna komt het ook over de andere volken. Als over gelovigen gesproken wordt die nog wachten op de volledige openbaring van het koninkrijk, dan zijn dat in de eerste plaats de gelovigen uit Israël. Vandaar de aanhef van deze brief. De gelovigen uit Israël zullen eerst de boodschap ontvangen, opdat zij die vervolgens aan de heidenen kunnen prediken. Ook in de volgende bedeling is er geen onderscheid tussen jood en heiden, want voor beide geldt slechts één weg tot zaligheid.

Vlak na de opstanding werd de boodschap eerst aan Jeruzalem gepredikt; daarna aan Judéa, (de joodse staat). Vervolgens werd aan Samaria de boodschap gepredikt, omdat Samaria de hoofdstad van het tien- stammen rijk was. Tenslotte ging de boodschap naar het “uiterste der aarde”. (Handelingen i : 8) Zo zal het in de toekomst weer gaan; eerst de prediking aan Israël en daarna de prediking dóór Israël. Er zullen spotters komen die spotten zullen met de belofte van Zijn toekomst. (2 Petrus 3 : 3,4) De eerste 3,5 jaar na de opname van de Gemeente zal het evangelie in ieder geval aan Jeruzalem worden gepredikt; door de twee getuigen. (Openbaring 11 :1 v.v.) Deze twee getuigen zullen worden gedood, waarna 3,5jaarvan grote verdrukking volgen (Matthéüs 24:15 v.v..; met name vers 21). De 3,5 jaar van grote verdrukking lopen uit in de verschijning van de Here Jezus Christus op de Olijfberg. Dat is niét in Jeruzalem. In Jeruzalem zal er dan ontkoming zijn. (Joël 2 : 32) Dit betekent dat het gelovig overblijfsel uit Jeruzalem verlost wordt. Het koninkrijk wordt op dat moment niet opgericht, want Jeruzalem wordt op dat moment volkomen verwoest. Men zal naar de woestijn vluchten, (vergelijk Zacharia 14 :1-4) Het koninkrijk is er wel en het wérkt ook, maar nog niet zichtbaar (het is nog niet gemanifesteerd). Na de komst van de Heer op de Olijfberg duurt het nog 33 jaar vóór het koninkrijk daadwerkelijk over de gehele aarde zal zijn opgericht. In die totale 40 jaar zijn de apostolische brieven van toepassing (zie voor verdere uitleg de studie over de bedelingen). Petrus zegt dat die spotters bedrogen zullen uitkomen. Eén dag is bij de Heer als duizend jaar en duizend jaar als één dag. (2 Petrus 3 :8) Dat zijn dus twee dagen (vergelijk Hoséa 6 : 2) van duizend jaar. Als deze brief van Petrus actueel wordt, zijn die tweeduizend jaar juist voorbij en is Zijn toekomst (Grieks: parousia = aanwezigheid) actueler dan ooit. Petrus spreekt niet over de opname van de Gemeente, maar over het oordeel van de grote dag Gods. (2 Petrus 3 :7,12)

“Beproef de geesten of ze uit God zijn, want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld”, (1 Johannes 4 : 1; de antichrist; vele antichristen; 1 Johannes 2 :18) In de dagen van Johannes waren er vele antichristen. Dit geldt ook voor onze dagen. Hij spreekt echter ook over dé antichrist en die is nog steeds niet gekomen. Ook de brieven van Johannes kunnen slechts in de volgende bedeling letterlijk en volledig worden toegepast. Dé antichrist zal in de toekomst komen, maar in de tijd die daaraan vooraf gaat is de werking (de geest) van de antichrist wel waar te nemen. (1 Johannes 4 : 3) De geest van de antichrist wordt geopenbaard. Wanneer dat is hangt af van hoe goed men kan zien. Verborgenheden worden openbaar op het moment dat ze worden waargenomen. Wanneer men weet hoé en waar men ze moet waarnemen, dan ziet men ze éérder dan iemand die er géén weet van heeft. De antichrist wordt openbaar op de dag van de opname. Toch leert de Bijbel dat hij pas later geopenbaard wordt; feitelijk pas duidelijk na de zeventigste week. (Daniël 9 : 24) Gedurende de 33 jaar zal de troon van het beest (uit de zee; Openbaring 13 :1-10) in Babel staan. Pas dan zal de antichrist (het beest uit het land; Openbaring 13 : 11 v.v.) tot zijn werkelijke “grootheid” komen. Zijn macht wordt pas echt openbaar na het openbaar worden van de Heer op de Olijfberg. Bij Zijn wederkomst wordt Jeruzalem verwoest en pas dan breken de grote dagen van Babel aan. Gelovigen die door het Woord van God zijn onderwezen nemen hem al eerder waar! De brief van Johannes is pas na de opname van de Gemeente actueel. Vanaf het moment dat Johannes de brief schreef, duurt het nog 2000 jaar vóór de antichrist wordt geopenbaard. Judas spreekt over een oordeel over goddelozen. (Judas : 15) Dit oordeel vindt uiteraard niet bij de opname van de Gemeente plaats. Dit oordeel zal pas veel later geschieden. Het gaat hier niet om de grote verdrukking in de dagen van de wederkomst van Christus, maar over het oordeel na het einde van de duizend jaar. (Openbaring 20 :11-15) Judas spreekt niet over de opname van de Gemeente. Het is niet bekend of hij van die opname op de hoogte was. De brief van Judas wordt pas na de opname actueel; gedurende de zesde bedeling (veertig jaar) en gedurende de zevende bedeling (de duizend jaar).

Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard: Judas :1

Judas was een dienstknecht van Jezus Christus. Hij was ook een broeder van de Heer, maar daarop berustte zijn bediening niet. Judas was de broeder van Jakobus, de voorganger van de gemeente in Jeruzalem. Jakobus was eveneens een broer van de Here Jezus. Judas schrijft aan “de geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn”. Hij schrijft aan gelovigen. “Geroepenen” zijn niet degenen tot wie het Woord van God gesproken wordt, maar degenen die het evangelie aanvaard hebben. Wie niet gelooft is niet geroepen, want men krijgt pas deel aan de roeping Gods, nadat men tot geloof is gekomen. God heeft slechts gelovigen geroepen. “Geroepenen” zijn gelovigen. Zij zijn gerechtvaardigd. (Romeinen 8 : 30) Ze hebben deel aan de opstanding van Christus en zijn wedergeboren tot een levende hoop. (1 Petrus 1:3) “Hoop” wijst op de toekomstverwachting waartoe zij geroepen zijn. Ze zijn geroepen tot Zijn koninkrijk en zien daar naar uit. In afwachting daarvan hebben zij deze brief van Judas.

Brieven worden niet aan mensen in het algemeen geschreven, maar zijn bestemd voor de geadresseerde(n) en mogen slechts door hen gelezen worden. Dit geldt óók voor de brieven van de Bijbel. Het is opvallend dat in het Nieuwe Testament veel brieven voorkomen, terwijl in het Oude Testament geen brieven (in de vorm zoals in het Nieuwe Testament) staan. Een groot deel van het Nieuwe Testament bestaat uit brieven, omdat de inhoud ervan niet voor de mensheid in het algemeen bestemd is. Ze zijn slechts bestemd voor degene(n) aan wie ze zijn geadresseerd. Dit blijken altijd gelovigen te zijn. Daarom begrijpen ongelovigen er zo weinig van. Aan hen zijn de brieven ook niet geschreven. Gelovigen zijn capabel om de brieven te begrijpen, want ze zijn daartoe bekwaam gemaakt. Ze hebben de Geest van God ontvangen, opdat zij zouden weten wat hen door God geschonken is. (1 Korinthe 2 :12) De gelovige (die wedergeboren is) heeft die Geest ontvangen en is dus in staat de brieven te begrijpen. De ongelovige zal het niet kunnen begrijpen. De geroepenen tot het koninkrijk zijn door God – de Vader – geheiligd. Dit is zeer bemoedigend. God wordt hier “Vader” genoemd, omdat de gelovigen tot “zonen” (zoonschap) geroepen zijn. “Vader” geeft bovendien aan dat Hij de Gever is. De geroepenen ontvangen hun heiligheid door de Vader. God is heilig. Hij geeft Zijn heiligheid en heet daarom “Vader”. Als God oordeelt, wordt Hij nooit “Vader” genoemd. Hoewel de geroepenen geheiligd zijn, moeten zij ook geheiligd worden, (vergelijk Openbaring 22 : 11) Die heiliging gebeurt niet door de gelovigen zelf. Gelovigen worden door God geheiligd, Die de Vader is. (1 Thessalonicenzen 5 : 23) De hemelse Vader, Die een heilig God is, heiligt de gelovigen. De gelovigen dienen zich aan dat proces van heiliging over te geven. Met andere woorden: zij moeten zich door de Heer laten heiligen. (Hebreeën 2 :11)

Vele gelovigen willen zichzelf heiligen en daarmee weigeren ze meteen zich door een Ander te laten heiligen. Wie zichzelf wil heiligen, laat zich niet door de Heer heiligen. Wie zichzelf opgeeft en zich aan God overgeeft, zal de heiliging van God ontvangen en zal vervolgens leren om daaruit te leven. Iedere gelovige is geheiligd. God ziet ons aan in Christus en daarom ziet Hij ons heilig en rechtvaardig. Christus Jezus is ons geworden wijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking (heiliging) en verlossing, (1 Korinthe 1 : 30) Christus Jezus is onze Heiligmaker. Uit Hem (God) zijn wij in Christus Jezus. (1 Korinthe 1 : 30) Het initiatief ging van God uit. Christus is ons geworden Goddelijke wijsheid en rechtvaardigheid. Wij zijn van onszelf niet rechtvaardig en hebben uit onszelf dus geen rechtvaardigheid. Gelovigen hebben die rechtvaardigheid van Christus ontvangen. Gelovigen zijn heilig. Die heiligheid hebben gelovigen niet in zichzelf, maar wel in Christus. (1 Korinthe 1 : 2) Dit geldt eveneens voor de verlossing. De gelovige kan niet “bouwen” aan zijn heiliging. Hij kan de heiliging niet zelf tot stand brengen. Hij ontvangt het van God en in Christus. De gelovige hoeft dat slechts te geloven! Er zijn mensen die menen dat ze heilig moeten leven om heilig te worden. De Bijbel leert echter dat de gelovige heilig is en daarom verondersteld wordt heilig te leven. Dit geldt feitelijk ten aanzien van alles dat de gelovige ontvangen heeft. Hij hééft het ontvangen, daarom is hij het en van hem wordt daarom verwacht dat hij dienovereenkomstig leeft.

Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt; Eféze 4:1

Gelovigen zijn geroepen en daarom worden zij geacht daaruit te leven. Dat kan echter pas wanneer hij de dingen kent en gelooft. Hij moet ze eerst aanvaarden; niet omdat hij ze ervaart, maar omdat hij ze gelooft. Het is immers het Woord van God. Pas na dat aanvaarden zal/kan het een uitwerking in zijn praktische levenswandel hebben. Als hij niet weet dat hij heilig is, zal hij nooit heilig leven. Ditzelfde geldt ten aanzien van:

5 Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.
6  Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. Eféze 5:5,6

Paulus zegt in Eféze 5 :7: “Zo zijt dan hun medegenoten niet.” Omdat wij gelovigen zijn, zouden wij ook niet onrein moeten wandelen en behoren wij de dingen die hoereerders doen niet te doen. Er bestaat verschil tussen wie/wat wij zijn en de wijze waarop wij ons gedragen. Van God uit gezien zijn wij kinderen Gods en dus geen zondaren, hoereerders, enzovoorts. Veel kinderen Gods doen vaak wel alsof zij dat zijn. Daarin handelen zij verkeerd, want zij zijn geen zondaren, hoereerders of dergelijke en daarom zouden ze zo niet moeten handelen. Ze zijn kinderen Gods en daaruit zouden zij behoren te leven. Gelovigen zijn in Christus heilig en rechtvaardig. Ze zijn dat niet geworden op grond van eigen werken. Daarom kunnen zij door hun eigen werken niet onrein, onheilig of onrechtvaardig worden. Ze zijnuit genade door God en in Christus gereinigd. Als het van eigen werken zou afhangen, zouden zij nooit gereinigd zijn. Dit is ook dé reden waarom een wedergeborene nooit meer verloren kan gaan. Een wedergeborene is door het werk van Gods genade gered. Er staat geen enkel werk van de wedergeborene tegenover. Daarom kan hij niet door eigen werken verloren gaan. Hij is namelijk niet in staat om door zijn eigen werken het werk van God teniet te doen. God hééft Zijn werk tot stand gebracht en het is hoogmoed om te denken dat een mens in staat is om dat werk af te breken. De gelovige dient gericht te zijn op wat hij in Christus ontvangen heeft. In Christus is hij heilig, rechtvaardig. In Christus is hij een kind van God. Hij hééft in Christus eeuwig leven ontvangen. Daaruit behoort hij te leven. De oproep tot een godzalige levenswandel wordt niet gericht tot ongelovigen, maar tot gelovigen. Zij zijn kinderen Gods en worden opgeroepen om in overeenstemming met hun wezen te wandelen. Dat de gelovigen door God – de Vader – geheiligd en door Jezus Christus bewaard zijn, zegt ook Petrus.

4 Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u,
5 Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. 1 Petrus 1:4,5

De gelovigen worden zelf bewaard in de kracht Gods en door het geloof. Bovendien wordt hun erfenis bewaard in de hemelen. Daarom is het uiteraard nodig dat de gelovigen zelf bewaard worden, want wat hebben zij eraan als er een erfenis voor hen bewaard wordt indien zij zelf niet bewaard worden?! Zowel de erfenis als de erfgenaam worden bewaard. Alle wedergeborenen worden bewaard. Dat is ook nodig. Gelovigen weten dat er nogal wat nodig is om hen te bewaren voor al hetgeen op hen afkomt. Daarom zegt de Schrift ook nadrukkelijk dat Hij de gelovige bewaart. Er zijn veel vijandelijke machten waartegen de gelovige bewaard moet worden. God heeft de gelovigen doen wedergeboren worden, (1 Petrus 1 : 3) opdat zij de beloofde erfenis zouden ontvangen. Die erfenis is voor ons (gelovigen van de vijfde bedeling) niet hier, maar in de hemel. De gelovige zal die erfenis ontvangen, omdat de gelovige zelf ook bewaard wordt. De gelovige kan zijn nieuwe leven nooit kwijtraken. Hij heeft niets gedaan om dat nieuwe leven te krijgen en hij kan het ook niet meer kwijtraken. De gelovige wordt bewaard. Dat is het uitgangspunt. De Bijbel zet de gelovige niet aan het werk, maar geeft hem juist rust. Veel gelovigen hebben in de praktijk echter geen rust en als gevolg daarvan gaan ze aan het werk (of ze worden aan het werk gezet). Daardoor krijgen ze nog minder rust dan ze al hadden. Eigen werken leiden tot niets. De Bijbel leert dat gelovigen de rust kunnen ingaan. (Hebreeën 4 : 9-11) De rust houdt in dat hij opgehouden is met werken om daar iets mee te verdienen. “Rust” betekent “ophouden met werken”. “Werk” in Bijbelse zin betekent “bezig zijn om iets te verdienen”, “bezig zijn om er beter van te worden”. “Werk” staat daarom tegenover “genade”. (Romeinen 4 : 4, 5) “Werk” is alleen werk als er een beloning tegenover staat. Gelovigen worden niet beter door te werken, maar alleen door de genade Gods.

De onrust ontstaat bij een gelovige als hij bezig gaat om iets te verdienen. In de prediking wordt dat meestal maar al te zeer benadrukt. Men moet van alles doen, want anders komt men er niet. Vaak wordt dit niet ronduit geleerd. Als de genade verworpen wordt en men aan het werk gezet wordt, behoort de gelovige dat meteen te herkennen als een onbijbelse boodschap.Zo ronduit wordt het meestal niet gebracht. Sommigen leren dat de weg van de verdergaande heiliging door de gelovige zelf bewerkt kan/moet worden door bepaalde dingen niet meer te doen. Men wil door bepaalde activiteiten te doen ofte laten “aangenamer” voor God komen te staan. Dat is onmogelijk. De gelovige heeft alles ontvangen wat God te geven heeft. De gelovige is gezegend met elke geestelijke zegen in het hemelse in Christus. (Eféze 1 :3) Daaraan kan niets meer toegevoegd worden. De gelovige kan wel leren daaruit te leven. Dat dient echter uit liefde tot de Heer te gebeuren en niet om er zelf beter van te worden, want dat leidt tot niets.

Een andere waarheid is dat God Zijn werk in ons volbrengt. De Heer doet van alles en in Zijn genade wil Hij ons daarin betrekken. Dat doet Hij niet opdat de gelovige daar zelf beter van wordt, hoewel hij er zeker niet slechter van wordt. Zodra de gelovige werkt vanuit de gedachte dat hij er zelf beter van wordt zit hij verkeerd. Hij kan niéts aan de zaligheid toevoegen, want die zaligheid ligt vast in Christus. De erfenis en de erfgenaam worden door God Zelf bewaard. Zolang de gelovige op aarde is, behoort hij vanuit de rust te leven. Dit houdt in dat hij zijn tijd zoveel mogelijk ten dienste stelt voor Christus, Die hem die rust gegeven heeft. Hij is aan de Heer dienstbaar geworden. Dit principe gold overigens ook onder het oude verbond, maar dat was onder de slavernij van de wet. (Handelingen 15 :10; Galaten 5 :1-3) Onder het nieuwe verbond gebeurt het onder alle goedwilligheid (Eféze 6 : 7), in vrijheid (2 Korinthe 3 :17; Galaten 5 :13; 1 Petrus 2 :16) en met het gehele hart. (Romeinen 6 :17,18; Kolossenzen 3 :23) Het móet niet, maar men heeft de genade ontvangen om te mógen en te kunnen dienen. We dienen niet uit dwang, maar uit liefde voor de Heer.

Het was de bedoeling dat Israël in volle vrijheid de Heer na de opstanding zou gaan dienen; verlost van het juk der dienstbaarheid (de wet). God wilde Zijn Woord in vlezen tafelen schrijven. (2 Korinthe 3 : 3) Onder het oude verbond schreef Hij op stenen tafelen. (Exodus 24 :12; 34 : 1) De gelovige wordt geacht de Heer te dienen. De Heer eist dat niet. Als het goed is zal de gelovige niets anders willen doen dan Hem dienen. Hij zal niets liever willen dan zijn leven te stellen tot een “levend, heilig en Gode welbehagelijk offer”. (Romeinen 12 :1) Als hij Hem als zijn Heer erkent is de hoogste vervulling dat hij zijn leven in Zijn dienst stelt. Als hij de mogelijkheid krijgt om uitdrukking te geven aan zijn liefde voor de Heer, dient hij dat ook daadwerkelijk te doen. “Liefhebben” is nooit een opdracht/bevel. God heeft Zijn leven in de gelovige gegeven, opdat hij in gemeenschap met God zou zijn en op grond daarvan ook in gemeenschap met Hem zou léven. De gelovige is in gemeenschap met Hem. Het is de bedoeling dat de gelovige daar in zijn praktische leven uitdrukking aan geeft. Dat doet hij niet om zijn behoudenis vast te houden of iets dergelijks, maar als uitwerking van hetgeen hij ontvangen hééft.

De brief van Judas besteedt veel aandacht aan de goddelozen. Er staat niet dat de gelovigen moeten zorgen dat zij niet zondigen. Er staat evenmin dat gelovigen ervoor moeten zorgen dat zij niet behoren tot degenen die de genade van God veranderen in ontuchtigheid (zie Judas : 4 enzovoorts). Deze brief waarschuwt de gelovige voor degenen die dat wel doen. De wereld – de ongelovigen – doen dergelijke zaken. De gelovigen worden bewaard voor de zaken die van de andere kant op hen afkomen. Steeds blijkt (zie de kerkgeschiedenis) dat menselijke redeneringen (de eerste beginselen van de wereld; Kolossenzen 2 : 8, 20) hun intrede doen in het denken van de gelovige. Het denken van de wereld wordt alsnog (en opnieuw) geïntroduceerd in het leven en denken (en daarmee in de levenswandel) van de gelovige. Daardoor gaan gelovigen op dezelfde wijze denken en leven als de wereld. Dat is uiteraard niet de bedoeling. Judas haalt de zaken van de gelovigen en van de wereld uitdrukkelijk uit elkaar. Aan de ene kant staat een zinloze wereld, waarin zeer veel krachten actief zijn. Aan de andere kant staan de gelovigen, die in de rust van God leven. Het is Gods Geest Die in hen werkzaam is. Dit geldt zowel voor de vijfde als voor de zesde bedeling.

Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd. Judas: 2

“Barmhartigheid” is een synoniem voor “genade”. Barmhartigheid, vrede en liefde worden hun vermenigvuldigd. De gelovige hoeft daar niet zelf aan te werken. Dit is geen opdracht, maar een wens. Het staat namelijk in de aanvoegende wijs. Barmhartigheid, vrede en liefde wórden hun vermenigvuldigd (neemt toe, groeit). Er groeit iets in de gelovige, namelijk: barmhartigheid, vrede en liefde. Dit betekent dat hij steeds meer leert te leven vanuit de genade en de zegeningen die God hem geeft. De genade Gods en de liefde Gods aan/in hem worden steeds groter (groeien). De vrede Gods aan/in hem wordt steeds groter, want hij zal steeds meer leren om uit Zijn genade, liefde en vrede te leven. Dit moet de gelovige léren. Naarmate hij dat leert wordt het aan hem vermenigvuldigd. Die genade, liefde, vrede enzovoorts, worden niet vermenigvuldigd, maar ze worden aan hem vermenigvuldigd. De liefde, genade en vrede worden niet groter, want God groeit überhaupt niet. Het wordt aan de gelovigen vermenigvuldigd. In zijn leven wordt het groter; het krijgt een grotere invloed. Hij gaat er, naarmate hij er meer van leert verstaan, ook steeds groter over denken. Ditzelfde geldt bijvoorbeeld voor de zegeningen die in Eféze 1 : 3-14 worden genoemd.

Gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling zijn gezegend met elke geestelijke zegen in het hemelse in Christus. Die zegeningen worden niet uitgebreid. Het worden er niet méér. De gelovige leert ze alleen beter kennen. Ze kunnen in zijn denken/opvattingen groter worden. Ze kunnen in zijn leven een belangrijkere rol gaan spelen, omdat ze in zijn gedachten groter worden. Eigenlijk gaat het om zijn geloof. Naarmate hij ze steeds meer eigen maakt, worden ze in hem groter. Objectief worden die zegeningen niet groter, want ze zijn niet aan ontwikkeling onderhevig. “Ontwikkeling” is een kenmerk van de oude schepping. Dat soort groei geeft “beweging”, “vergankelijkheid” weer. Dergelijke zaken horen in de nieuwe schepping niet thuis. Ons oude, menselijke denken veronderstelt dat dergelijke zaken ook in de nieuwe schepping een rol spelen. Dit is onjuist. Fundamenteel gezien is “groei” de werking van zuurdesem. Zuurdesem zwelt. Alle dingen die zwellen (“veel” worden) zijn aan verderf onderhevig en daarmee aan de dood. “Geestelijke groei” wil niet zeggen dat de Geest groeit. Het betekent dat wij – als gelovigen – een beter begrip van de geestelijke dingen krijgen. Dat wil zeggen: de geestelijke dingen gaan een grotere plaats in ons leven innemen. Ze worden groter in ons denken en daarmee in ons geloof.

Waar de Bijbel het woord “groei” gebruikt slaat dat op “geloof, (groeien = wassen; 2 Korinthe 10 :15; 2 Thessalonicenzen 1:3) Een synoniem daarvan is “kennis”, want als de gelovige iets niet kent, kan hij het ook niet geloven. (Kolossenzen 1:10; 2 Petrus 3 :18) Hij kan niet in iets geloven waarvan hij geen weet heeft. De gelovige kan toenemen in kennis en geloof. Hij kan toenemen doordat bepaalde zaken onderdeel van zijn wezen worden. De gelovige dient te groeien in het geloof. Dat is niet zichtbaar en de gelovige hoeft dat ook niet te beoordelen. Er zijn maar twee zaken waaraan men geloof (en eventuele “groei in geloof”) kan afmeten. Er staat nergens dat de gelovigen dat zouden moeten doen, maar er kunnen omstandigheden zijn waarin dat noodzakelijk zou kunnen zijn. Het eerste uiterlijke kenmerk van een gelovige is “liefde voor het Woord van God”. (1 Johannes 2 :3-5) Het tweede kenmerk is “liefde voor andere gelovigen”. (1 Johannes 3 :10-18; 4 :7, 8, 20) De gelovige heeft liefde voor broeders en zusters. Dit is niet moeilijk als het lieve broeders en zusters zijn. De liefde blijkt juist wanneer het om minder lieve broeders en zusters gaat. De gelovige heeft de medegelovige lief; niet om wat hij doet, maar omdat hij hetzelfde leven en dezelfde positie ontvangen heeft. Gelovigen zijn in Christus met elkaar verbonden. Een kind van God weet dat hij dat op grond van genade is geworden en niet omdat hijzelf zo lief was/is. Ondanks dat heeft de Heer hem zó liefhad dat Hij hem uit de duistere wereld getrokken heeft. Dat heeft Hij met de medegelovige (die evenmin lief waren) ook gedaan. Vrede en liefde worden o.a. genoemd in Galaten 5:

Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Galaten 5:22

De vrucht van de Geest is niet dat men zoveel van de Bijbel weet, omdat men hard gestudeerd heeft. Als de gelovige alleen intellectuele kennis van het Woord van God heeft, zónder liefde, blijdschap enzovoorts, dan is hij opgeblazen. De “waterzuchtige” is hiervan een beeld. Hij is gevuld met water (een beeld van het Woord van God), maar hij is wel ziek. (Lukas 14 : 2-4) Het water (Woord van God) moet verwerkt worden. Als hij het water alleen tot zich neemt zónder dat het werkt (zonder dat het leven brengt) is het slechts ballast. Als er geen liefde, blijdschap, enzovoorts aanwezig is, heeft het Woord van God geen enkele uitwerking gehad. Als men het Woord van God alleen tot zich neemt en “opslaat”, is er sprake van “stilstand”. Dat is ziekelijk en geen beeld van geestelijk leven. Het gaat niet om intellectuele kennis van de Heer of van Zijn zegeningen. De gelovige behoort de dingen die de Heer geopenbaard heeft niet alleen te weten, maar bovenal te geloven.Vanuit dat geloof behoort hij vervolgens te leven. In dat geval draagt het Woord van God vrucht (enkelvoud!). Die vrucht is niet intellectuele kennis, maar liefde, blijdschap, vrede (in het geloven). De gelovige is behouden op grond van genade. Als hij geen vrucht van de Geest heeft, verandert dat niets aan zijn behoud. Op grond van zijn geloof in de Here Jezus Christus is hij wedergeboren. Het is de bedoeling dat aan hem, tijdens zijn leven als gelovige, barmhartigheid, vrede en liefde worden vermenigvuldigd. De gelovige dient het verschil te leren kennen tussen het leven (en daarmee het denken) van de gelovige en het leven (en het denken) van de ongelovige (de wereld).

Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de (onze) gemene (gemeenschappelijke) zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. Judas:3

Omdat Judas moeite (naarstigheid) doet om van de algemene zaligheid te schrijven, heeft hij ook de noodzaak om te schrijven dat zij zouden strijden voor het geloof. Omdat Judas over de algemene zaligheid schrijft, moet hij ook schrijven over de strijd des geloofs. “De strijd om het geloof’ maakt onderdeel uit van de algemene zaligheid. De algemene zaligheid houdt in dat de gelovige, die daaraan deel heeft gekregen, zou strijden voor het geloof. Het betekent dat hij als gelovige strijd te verwachten heeft. Hij behoort die strijd niet uit de weg te gaan. Die strijd zal op hem afkomen. De strijd van de gelovige is de strijd om het geloof te bewaren. Die strijd is niet theoretisch, maar zeer praktisch. Het gaat daarom ook om het praktische leven vanuit geloof. De strijd van de gelovige bestaat eruit te blijven leven vanuit geloof. De gelovige is uit geloof zalig geworden. Vervolgens behoort hij uit geloof te blijven leven. Paulus noemt dat “de goede strijd strijden”.

Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 2 Timótheüs 4:7

“Geloof geeft aan dat de gelovige vertrouwt op dingen die hij niet ziet. (Hebreeën 1 : 1) Hij gelooft in dingen die hij gehoord heeft. (Romeinen 10 : 17) Omdat hij ze niet ziet, heeft hij moeite om ze voor waar te houden en om ze als reëel aanwezig voor te stellen in zijn leven. De mens leeft normaal vanuit hetgeen voor ogen is. (1 Samuël 16 : 7) De zaken van het geloof worden niet gezien en daarom kost het moeite om er toch uit te leven. De prediking aan gelovigen heeft slechts één doel, namelijk om hen uit het Woord van God de dingen voor te houden die niet gezien worden. Ze worden verkondigd opdat de onzienlijke dingen door de gelovigen aangemerkt worden. (2 Korinthe 4 :18) Die dingen zijn eeuwig. De dingen die gezien worden zijn tijdelijk en daarom zonder waarde. Leven vanuit geloof kost altijd strijd, omdat een gelovige geneigd is te leven vanuit de dingen die hij ziet. Dat behoort hij niet te doen. Als hijzelf geleerd heeft uit geloof te leven, blijft hij toch strijd houden. Dat komt omdat hij altijd met mensen (gelovigen en ongelovigen) in aanraking komt die hem toch weer de zienlijke dingen voorhouden. Geloof is niet alleen “geloven in onzienlijke dingen”. “Geloof staat bovendien in de plaats van “werken”. (Romeinen 4 : 5) In de Bijbel staan “geloof en “werken” tegenover elkaar. Het tegenovergestelde van “werk” is “genade”. (Romeinen 11 :6) “Geloof zowel als “genade” staat tegenover “werk(en)”. “Geloof en “genade” gaan altijd samen, want men gelooft juist in de genade. “Leven uit geloof” is hetzelfde als “leven uit genade”.

Als de gelovige de strijd des geloofs niet strijdt óf die strijd verliest, is dat hetzelfde als “verachteren van de genade Gods”. (Hebreeën 12 : 15) Als iemand “verachtert” blijft hij achter. Wie niet verachtert van de genade, is degene die niet alleen door genade behouden is, maar ook uit genade leeft. Hij wandelt door het geloof. Hij gelooft in hetgeen God volbracht heeft (de werken Gods) en hij leeft vanuit de genade Gods. Een gelovige die niet uit geloof leeft of dreigt daarmee op te houden, stelt er (eigen) werken voorin de plaats. Daarmee verachtert hij van de genade. Daarom is een goede, Bijbelse, boodschap er altijd één van genade. Natuurlijk zijn er bepaalde wetten en regels. Dat weet hij van nature. Dat er genade is, weet hij niet van nature en daarom moet dat gepredikt worden. De strijd van een mens om tot geloof te komen, vindt een vervolg in het leven van die tot geloof gekomen mens. Hij heeft namelijk altijd de strijd om uit dat geloof te blijven leven. Gelovigen worden behouden op grond van genade. Zodra ze uit genade tot geloof gekomen zijn, gaan ze elkaar zo snel mogelijk wetten opleggen. De Schrift leert dat men door de Geest (vergelijk Johannes 3 :5, 6; 6: 63) en uit genade zalig wordt. (Eféze 2 :5, 8) Vervolgens dient men in diezelfde Geest/genade te blijven/voort te gaan. Daaruit moet men (leren) leven. (Galaten 5 : 25)

De gelovige is uit genade zalig geworden. Hij blijft echter wel zondigen, omdat het vlees niets anders kan doen dan zondigen. (Romeinen 7 : 18, 26) Daarom heeft hij dagelijks genade nodig om daaruit te kunnen leven. Sommige gelovigen willen dat niet, omdat zij dat een vernedering vinden. Daarom vervangen ze de genade voor “werken”. Ze verachteren echter van de genade en de Schrift wordt aan hun eigen denken aangepast (en daardoor verdraaid). Ze plaatsen zichzelf op een voetstuk. De Bijbel leert dat de mens van nature een zondaar is. (Romeinen 5 : 12) De mens kan slechts door genade behouden worden en dient daarna uit genade te leren leven. Daarom ontvangen gelovigen genade voor genade. (Johannes 1 : 16) De eerste genade ontvangt iemand om behouden te worden. De tweede om behouden te leven. De Bijbel spreekt niet alleen over genade, maar zelfs over “de uitnemende genade Gods” (2 Korinthe 9 : 14) en “de uitnemende rijkdom Zijner genade”. (Eféze 2 : 7) De Heer is zeer overvloedig met Zijn genade (2 Korinthe 4 : 15; 9 : 8). De genade wordt niet éénmalig gegeven, maar het is een bron die voortdurend blijft stromen. De gelovige heeft die genade voortdurend nodig.

De gelovige strijdt de goede strijd des geloofs. Hij dient te blijven geloven. Een ander woord voor “geloven” is “vertrouwen”. Hij dient te blijven vertrouwen op hetgeen God gesproken heeft. Daaruit behoort hij vervolgens te (leren) leven. Het kost strijd, omdat alle zaken in het leven van de gelovige proberen hem de andere kant op te drukken. Elke menselijke filosofie, lering of wijsheid heeft als uitgangspunt dat de mens iets moet doen om er beter van te worden. De Bijbel heeft als uitgangspunt dat de mens tot niets in staat is en hij zich dus afhankelijk moet opstellen ten opzichte van Degene Die de zaken voor hem doet. De Heer legde dit eens uit aan de hand van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. (Lukas 10 : 25-37)  1 De Heer is voor allen gestorven en dus is iedereen dood. (2 Korinthe 5 : 15) Hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven én opgewekt is. (2 Korinthe 5 : 15) De dood van de Here Jezus was voor allen. Slechts degenen die in Hem geloven, delen in Zijn leven. Het leven van de opgestane Heer wordt niet aan allen gegeven, maar slechts aan degenen die geloven. Door geloof krijgt men geen deel aan Zijn dood, maar aan Zijn leven! Dit is de blijde boodschap. Die wordt gepredikt aan dode mensen. Zij hebben geen bestaansrecht. De mens is dood door de misdaden en zonden. (Eféze 2 : 1) Dit geldt met name sinds de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. De wereld is dood. Gelovigen leven in een dode wereld. De blijde boodschap is dat een ieder die gelooft in Degene, Die God uit de doden opgewekt heeft, in Hem daadwerkelijk leven ontvangt. Als men gelooft in Degene Die gekruisigd werd, dan heeft men hooguit deel aan Zijn kruisiging. Bij Zijn kruisiging waren veel mensen aanwezig. Zij geloofden dat Hij gekruisigd werd. Ze ontvingen daardoor géén eeuwig leven. Men ontvangt pas eeuwig leven op grond van het geloof in de opgewekte Christus.

De mens wordt behouden en krijgt eeuwig leven op grond van geloof. Hij moet zijn vertrouwen stellen op Degene Die Zich over hem ontfermd heeft en Zich nog steeds over hem ontfermt. Christus bewijst ons barmhartigheid. De gelovige hoort zich te onderwerpen aan de enige Heerser, die hij erkent (Judas : 4), de Here Jezus Christus. De gelovige heeft alles van zijn hemelse Vader ontvangen. Wat hij geworden is, dat is hij in Christus Jezus geworden. Alles wat hij nodig heeft, ontvangt hij én nog meer. (Romeinen 8 : 31, 32) Alles wat hij doet, doet hij voor de Heer. (Eféze 6 : 7; Kolossenzen 3 : 23) Hij ïs in Christus volmaakt. (Kolossenzen 2 : 10) Veel gelovigen zijn tot geloof gekomen op een moment dat ze in een diep dal zaten en “het niet meer zagen zitten”. Ze konden geen kant meer op en hadden geen hoop voor de toekomst. In zo’n situatie komt men dikwijls tot geloof. De meeste gelovigen vergeten meestal vrij snel dat zij in zo’n situatie tot de Heer kwamen. Zij zaten in de grootste problemen en kwamen tot geloof, waarna ze uit geloof en uit genade leerden te leven. Het is echter de bedoeling om daaruit te blijven leven; ook als de problemen opgelost zijn. Het maakt niet uit hoelang iemand een kind van God is. Hij is/blijft van nature een zondig, verderfelijk mens. Paulus zei van zichzelf: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?” (Romeinen 7 : 24) Dit vers staat in de tegenwoordige tijd, terwijl Paulus op dat moment al jaar een kind van God en zelfs een apostel was. De gelovige blijft altijd dat ellendige mens. Voor zover er iets anders is (en daarin gelooft hij uiteraard!) is dat slechts op grond van de genade van God. Dat gelooft hij en dat behoort hij te blijven geloven. Dit behoedt hem voor ongepaste hoogmoed en zorgt ervoor dat hij aan de Heer onderworpen blijft. Het enige dat er met een kind van God mis kan gaan, is dat hij in zijn praktische levenswandel niet meer uit geloof en genade leeft. Dan verachtert hij van de genade en verheft hij zich. Hij ziet zichzelf niet langer als iemand die genade nodig heeft. Uiteindelijk blijkt het steeds slechts één ding te zijn: hoogmoed. Dit geldt voor de mens die weigert tot geloof te komen, maar het geldt evenzeer voor de gelovige die weigert uit genade te leven. Het eerste beginsel der wereld houdt in dat de mens zelf in staat is om zich staande te houden en zichzelf te kunnen verbeteren. Dit is het principe dat de satan aan de eerste mens predikte, waardoor die mens van God afviel. De satan zei eigenlijk: “Eet maar veel van die boom, want dan word je als God.” Hij predikte feitelijk dat de mens zichzelf zou moeten verbeteren. De satan gelooft in het bestaan van God, maar hij houdt zich bezig met het verdraaien van de woorden Gods, zodat hij het tegenovergestelde leert.

De boodschap van God was dat de mens zou eten van de boom des levens, opdat hij het leven zou ontvangen van de echte Boom des levens, namelijk Christus. De satan verdraaide die boodschap en hij riep de mens op om van de boom van kennis en van goed en kwaad te eten. Dat brengt geen kennis van de Heer en van Zijn Woord. Het brengt slechts kennis van goed en kwaad (dit mag wel en dat niet). Men kan dat zelfs door middel van de Schrift, maar daardoor wordt men alleen “waterzuchtig”. Als de gelovige zich niet aan de genade blijft vasthouden valt hij ten prooi aan het denken van de wereld. De gelovige krijgt altijd te maken met tegensprekers. (vergelijk Hebreeën 12 : 3; Judas : 15, 16) Die zeggen niet “God heeft niet gesproken”, maar: “God heeft gesproken, maar Hij bedoelt wat anders, dan Hij gezegd heeft.” De gelovige heeft slechts één houvast: Het Woord van God. Daaraan vasthouden is zijn beproeving en strijd.

Voor een gelovige zou er niets mooiers behoren te zijn dan het Woord van God te lezen en te bestuderen. Als hij dat doet, laadt hij daarmee tevens een enorme verantwoordelijkheid op zich. Het is geen hobby, geen aangename vulling van tijd. Als het goed is doet hij dat uit liefde voor de Heer. De gelovige dient zich onder alle omstandigheden aan dat Woord te onderwerpen. De dagen waarin een gelovige “onder druk” staat of meent verzocht te worden, zijn doorgaans niet de beste dagen om zich met het Woord van God bezig te houden. Het zijn wel de beste dagen om door het Woord van God vertroost te worden. Als de gelovige op dat moment het Woord van God nog moet bestuderen, is dat feitelijk te laat. Als hij onder druk staat ziet hij de dingen niet zoals ze zijn. De gelovige dient het Woord van God te bestuderen als hij niet onder druk staat. Dan is hij vrij en kan hij in alle vrijmoedigheid het Woord openen, opdat hij tot kennis van dat Woord komt. Die kennis van het Woord is zijn steun in de dagen waarin hij werkelijk houvast nodig heeft. Hij kan dan terugvallen op zaken die (hopelijk al jaren) onomstreden vaststaan.

De Bijbel is niet gegeven opdat de gelovige in conflicten of problemen hulp vindt. De Bijbel is het geopenbaarde Woord van God dat de gelovige – uit liefde tot God – tot zich behoort te nemen, opdat hij gewapend is in de tijden dat de verzoeking komt. (vergelijk Eféze 6 : 10-18) De Heer Zelf is hiervan het sprekende voorbeeld. Tot aan het begin van Zijn openbare optreden heeft Hij Zich in de dingen van Zijn Vader verdiept. Op 12-jarige leeftijd was Hij daar reeds mee bezig. (Lukas 3 : 42-49) De Bijbel geeft geen aanleiding om aan te nemen dat dit in de jaren daarna veranderd is. De Heer is altijd bezig geweest om de Schriften te bestuderen. Zijn openbare optreden begon met de verzoeking in de woestijn. (Lukas 4 : 1-13) Toen de satan kwam, kende Hij het Woord en Hij zei: “Er staat geschreven”. Op het moment dat de verzoekingen komen moet de gelovige weten wat er staat geschreven. Als hij het op dat moment niet weet, is hij feitelijk te laat en valt hij in “de listige omleidingen van de duivel”. (Eféze 6 : 11) In moeilijke tijden moet hij gefundeerd zijn op het Woord van God, (de wapenrusting Gods aan hebben), opdat hij staande blijft. Daarom zegt de Bijbel in Prediker 12:

En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaar naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve. Prediker 12 : 1

Men doet er het beste aan om zich al jong op de Heer en Zijn Woord te richten. Wie dat pas later doet zal zo snel mogelijk “de schade” dienen in te halen. Luisteren (en lezen) is de enige manier om het Woord van God tot u te nemen en te leren begrijpen. Het is ook noodzakelijk om God te leren kennen. Bouw uw geloof nooit op degene die spreekt, maar alléén op wat de Schrift zegt. Als u voor de Heer komt te staan kunt u niet zeggen: “Die of die heeft dat gezegd en daaruit heb ik geleefd.” U dient te leven vanuit de dingen die het Woord van God zegt. Als een broeder u dingen voorhoudt die u niet in het Woord van God leest, dan mag u ze niet gaan geloven. Geen enkele broeder is ooit de norm, maar alléén het Woord van God. Het kan gebeuren dat u bepaalde dingen niet goed begrepen hebt. Het gaat erom of u naar eer en geweten met het Woord van God bent omgegaan en of u naar eer en geweten in alle onderworpenheid aan dat Woord geleefd hebt en dat Woord op uw eigen persoonlijke leven hebt toegepast. De gelovige dient de Waarheid te zoeken. Dit gebeurt maar zelden (helaas) en daarom wordt die Waarheid maar zelden gevonden. De strijd van de gelovige is om in onderworpenheid aan het Woord van God te leven. Hij laat de tegensprekers voor wat ze zijn. Hij blijft staan. Eféze 6 : 10 zegt: “Wordt krachtig in de Here en in de sterkte Zijner macht”. Die kracht had Paulus reeds in Eféze 1 : 19 genoemd. Het is de kracht waarmee God Christus uit de doden heeft opgewekt. (Eféze 1 : 20) Die kracht werkt ook in de gelovigen. Die kracht is de kracht van de wapenrusting. (Eféze 6 : 11-18) Degene die de wapenrusting aantrekt heeft geen kracht in zichzelf. Hij wordt sterker naarmate hij de wapenrusting aan heeft. Het schild des geloofs “zijt Gij, o God, mijn Heer”. De wapenrusting is de Heer Zelf. De gelovige is met Zijn kracht bekleed en heeft die wapenrusting nodig om uit geloof te leven.

De tegenstander  2 wil dat de gelovige niet uit geloof leeft. Er zijn slechts twee mogelijkheden: óf men eet van de boom des levens (rechts) óf men eet van de boom van kennis van goed en kwaad (links). Als de duivel de dingen door elkaar gooit, worden ze verwisseld. Het gevolg is dat men niet meer van de boom des levens eet, maar van de boom van kennis van goed en kwaad. De satan wil niet dat men uit geloof leeft. Daarom leert hij dat gelovigen moeten werken. Zijn leer is erop gebaseerd dat men niet uit genade leeft, maar werkt. De aanvallen van de satan zijn erop gericht om de gelovige van de genade en het leven uit geloof weg te trekken en hem vervolgens onder de (werken der) wet te laten leven. De gelovige strijdt niet tegen vlees en bloed. (Eféze 6 : 12) Op vlees en bloed zou hij wellicht makkelijk de overwinning kunnen behalen. De strijd is echter ongrijpbaar, omdat die zich niet tegen vlees en bloed richt, maar tegen geestelijke machten. Daarom kunnen mensen (vaak ook gelovigen) zich zo moeilijk aan het Woord van God overgeven. Het gaat niet om een persoon of om een broeder of zuster, maar om de tegenstander die daarachter zit. (vergelijk Matthéüs 16 : 23; Markus 8 : 33) Als het om verschillen gaat die men in de Bijbel legt, dan zit daar veel méér achter. Dat maakt het gesprek zo moeilijk en dat zorgt er ook voor dat het steeds ingewikkelder wordt. Er komt feitelijk nooit een eind aan, omdat er iemand achter zit die de zaken door elkaar gooit. Het is de tegenstander van Degene Die alles netjes en op orde in Zijn Woord heeft geplaatst. God heeft in Christus alles op orde gezet. Vanuit Zijn Woord en vanuit Zijn schepping toont Hij dat. De satan – de tegenstander – is erbij gebaat om Zijn geordende dingen (kosmos) tot chaos te maken.

De strijd is niet tegen vlees en bloed. Dit betekent tevens dat de gelovige niet tegen “de oude mens” hoort te strijden. In de praktijk betekent dit dat hij niet met de oude mens hoort te rekenen (de oude mens zonder vrucht laten zijn). Hij weet dat hij – naar de oude mens gerekend – een zondaar is. Hij rekent echter dat hij een kind van God is en in Christus een nieuwe schepping (en dus volmaakt) is. (2 Korinthe 5 : 17) Hij is zelf niet rechtvaardig, maar Christus is zijn rechtvaardigheid. Christus is zijn heiligmaking en wijsheid en daaruit leeft hij. Vanwege de strijd hoort de gelovige de geestelijke wapenrusting Gods aan te nemen (Eféze 6 : 13), opdat hij kan wederstaan. Die wapenrusting is niet van hemzelf. Het is de wapenrusting van God. Misschien meent hij dat hij zelf een wapenrusting heeft, maar in de geestelijke strijd heeft hij niets aan een eigen wapenrusting. Met de wapenrusting van God kan hij wederstaan, maar met een eigen wapenrusting is dat onmogelijk. Van die wapenrusting heeft hij alleen maar last. (vergelijk 1 Samuël 17 : 38, 39)  3 Wie de wapenrusting van God aan heeft, zal staande blijven. “Hier sta ik, ik kan niet anders,” zei Luther. Hij staat bekend als iemand met wie niet te discussiëren viel en men vond hem daarom kortzichtig en bekrompen. Hij had echter geleerd dat de mens alléén door geloof gerechtvaardigd wordt, omdat hij naar het Woord van God had geluisterd. Er viel met hem niet te discussiëren. Het Woord van God zei/zegt het zo en dus was/is het zo. Er is geen andere keus. “Staan” komt onder ander voor in:

Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Galaten 5 : 1

De gelovige is tot vrijheid geroepen en aan geen enkel mens gebonden, maar wel aan de levende Christus en dus aan het Woord van Christus.

Door Welken wijook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Romeinen 5 : 2

De gelovige staat in de genade. Dit is feitelijk hetzelfde als “in de vrijheid staan”. Dit kost strijd, omdat alle mensen (en vaak ook gelovigen) erop uit zijn om gelovigen onder wetten en regels te plaatsen. De aanvallen van de tegenstander zijn er altijd op gericht om de vrijheid en de genade te vervangen door regels en wetten (zienlijke dingen). De enige zorg van de gelovige is om vrij te blijven, opdat hij de Heer kan dienen in overeenstemming met de gaven die de Heer hem gegeven heeft. Al het andere is van de tegenstander afkomstig en daar behoort hij weerstand aan te bieden. De gelovige is tot vrijheid geroepen, maar hij behoort die vrijheid niet te gebruiken tot een oorzaak voor het vlees. (Galaten 5 : 13) Er zijn gelovigen die zeggen: “Ik ben vrij, dus mag en kan ik doen en laten wat ik wil.” Dit is echter een verkeerde conclusie. Dit zijn menselijke gedachten, die op Goddelijke waarheden worden toegepast. Gelovigen zijn inderdaad vrij, maar het is niet de bedoeling dat ze vervolgens in overeenstemming met hun zondige denken gaan leven. De gelovigen zijn vrijgemaakt, opdat ze de Heer kunnen dienen.  4 Paulus spreekt in de brief aan de Galaten over mensen die de vrijheid als excuus voor hun eigen – goddeloze – levenswandel hanteren. In Judas : 4 zegt Judas eigenlijk hetzelfde. Er zijn mensen die de genade van God veranderen in ontuchtigheid. Er staat niet dat de leer van de genade Gods veranderd moet worden. De gelovige leeft vanuit die genade, hoewel er mensen zijn die er misbruik van maken. Judas spreekt hier over mensen in de wereld (ongelovigen). De leer van de genade Gods en van de heerschappij van de genade is niet uitsluitend op gelovigen van toepassing. Die leer is van toepassing op de enige Heerser Die er is. Die heerst vanuit genade en aan de rechterhand van God. Dit betekent dat genade niet alleen heerst in het leven van een gelovige, maar ook in de wereld en de volkeren (in het leven van de ongelovigen). In onze dagen wordt op dezelfde wijze gezondigd als destijds in Sódom en Gómorra, maar er wordt door God niet ingegrepen. God brengt wel een oordeel over die zonden, maar niet nü. Hij brengt nü geen oordeel, omdat iedereen onder de heerschappij van de genade leeft. Petrus zegt in 2 Petrus 3:

De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. 2 Petrus 3:9

God oordeelt nu niet. De wereld denkt dat er geen God is, omdat Hij niets doet. God is een genadig God en dit komt in onze bedeling zeer sterk naar voren. De zondige mens misbruikt Zijn genade. Ze gebruiken de genade ten behoeve van de ontuchtigheid. Dit doet niets af aan de leer van de genade. Het benadrukt alleen de zondigheid van de natuurlijke mens, die de genade Gods misbruikt door nog meer tegen God te zondigen. Gelovigen dienen hun lering daaruit te trekken. Ze leren vanuit de Bijbel dat het oordeel in de toekomst komt. Ze behoren tevens leren te leven vanuit de genade die God geschonken heeft en schenkt en God te dienen. Zij doen dat omdat de liefde Gods hen dringt.

Als er een bepaalde lering tot de gelovige komt, die hij op geen enkele wijze kan controleren, zijn ertwee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat hij die lering laat rusten. De tweede mogelijkheid is om de vraag te stellen: “Wordt de Heer door de lering verheerlijkt of is het tot verheerlijking van de mens?”. Een lering, waarbij de mens (of zelfs de gelovige) verheerlijkt wordt, is onbijbels! Er is er maar Eén, Die eer en heerlijkheid kan ontvangen. Dat is de enige Heerser, namelijk de alleen wijze God. (Judas : 25) Uiteraard dienen wij alleen iets te accepteren wanneer wij vanuit het Woord van God overtuigd zijn. Dat geloof is éénmaal aan de heiligen overgeleverd. Het woordje “éénmaal” zou weggelaten kunnen worden. Niemand zou het missen.Toch staat het er. “Éénmaal” geeft aan dat het éénmalig gebeurd is en daarna niet meer. Het is daarom geen beschrijving van iets dat tot vandaag aan toe gebeurt. Het geloof wordt nu niet meer aan de heiligen overgeleverd. Na de opstanding heeft de Heer dit geloof en de waarheden met betrekking tot de genade en de heerschappij daarvan aan de heiligen (de discipelen/apostelen) overgeleverd. Het werd aan hen gegeven en sindsdien heeft God gezwegen. Hij heeft het éénmalig aan de heiligen overgeleverd. Het is de bedoeling dat men daarbij blijft.

De dingen, die destijds overgeleverd zijn, dient men vast te houden. Dit principe vinden we ook bij Paulus. Hij had de dingen van de Heer ontvangen en hij heeft ze aan anderen overgeleverd, (doorgegeven; 1 Korinthe 11 : 23; 1 Thessalonicenzen 2 :13; 4 :1) Het is éénmalig aan Paulus gegeven. Paulus verkondigde het vervolgens. Hij gaf het bijvoorbeeld door aan Timótheüs, die het vervolgens ook weer doorgaf. Het is aan de heiligen (gelovigen) overgegeven. De mensheid dient vervolgens naar deze heiligen te luisteren. Er zijn mensen die lezen alsof “éénmaal” er niet staat. Ze lezen:”… het geloof, dat aan de heiligen overgeleverd is”. Vervolgens vullen ze voor “heiligen” alle gelovigen van nu in. De gelovigen moeten daaraan trouw zijn om te voorkomen dat sommige mensen tussen hen insluipen. Die “sommige mensen” zijn in dit verhaal geen ongelovigen, maar “ongelovige gelovigen”. Deze redenering is onjuist. Het woordje “éénmaal” staat in de grondtekst. De dingen zijn éénmalig aan de heiligen overgeleverd. De waarheden die aan hen zijn overgeleverd blijven staan. Aan hen is overgeleverd dat het koninkrijk voorlopig niet geopenbaard zou worden. Als het koninkrijk geopenbaard wordt, gaat dat gepaard met een oordeel over de dan levende mensheid.

Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen. Judas: 4

(N.B.: betere handschriften hebben: “en de enige Heerser en (namelijk) onze Here Jezus Christus verloochenen”).

“Sommige mensen” zijn goddelozen. Over hen wordt in deze brief nog veel meer gezegd. Zij zijn tot het oordeel opgeschreven. Dit oordeel wordt genoemd in Judas vers 15:

15 Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. Judas: 15

Deze brief kondigt een toekomstig oordeel aan. Ook voor degenen die in de huidige (vijfde) bedeling leven is deze brief tot lering. Gelovigen leren dat, hoewel het nu niet komt, het oordeel wel degelijk zal komen. “Sommige mensen” zijn ingeslopen. Dit betekent dat het in het verborgene gebeurt. In Matthéüs 13 : 33 lezen we dat een vrouw (Babel; Openbaring 17 :5) zuurdesem in drie maten fijn meel verborg. Nu vinden deze dingen ook al plaats, want de verborgenheid der wetteloosheid is reeds werkzaam. (2 Thessalonicenzen 2 : 3, 4, 8) In de volgende bedeling zal Babel op haar hoogtepunt komen. Toen Christus Zijn koninkrijk ontving en verborg, werd tevens het koninkrijk van de boze verborgen. Het koninkrijk van Christus is verborgen en het koninkrijk van de tegenstander eveneens. Van de strijd tussen God en de satan is in de wereld niet rechtstreeks iets te merken. Vanuit het Licht van de Schrift zijn zaken te herkennen, maar wie de Schrift niet hanteert, ziet niets van die strijd.

Christus werkt in het verborgene en de satan werkt ook in het verborgene. Hierdoor is het niet minder actueel of minder gevaarlijk. De werkingen zijn er, maar ze worden pas in de toekomst openbaar. Na de opnamevan de Gemeente zal het geopenbaard worden en de Heerzal de wetteloze verdoen door de adem van Zijn mond. (2 Thessalonicenzen 2) Alles wat de satan doet, kan met het begrip “Babel” worden omschreven. “Babel” wijst namelijk op alles dat tot wereldheerschappij probeert te komen. Het is op de oprichting van een wereldrijk gericht, maar buiten God en Christus om. Wat buiten Christus om gebeurt is per definitie anti-christelijk. Er zijn in het geheim mensen ingeslopen. Dit gebeurt reeds vanaf de opstanding van Christus. De tegenstander komt altijd via mensen tot ons. Hij kan zelfs via gelovigen tot ons komen. Er wordt echter nooit gezegd dat de satan komt. Er wordt nooit meegedeeld dat die mensen vertegenwoordigers van de satan zijn. Hij komt in het geniep en dat maakt de zaak juist zo moeilijk. Er zijn mensen die geen kind van God zijn, maar wel dezelfde termen gebruiken als wij. In de praktijk zijn ze op materieel voordeel uit. Ze gebruiken de Bijbel als verpakking voor onbijbelse dingen. Het kan soms tijden duren vóórdat de gelovige in de gaten heeft dat dergelijke mensen weliswaar dezelfde uitdrukkingen gebruiken, maar feitelijk over hele andere dingen spreken. Gelovigen zijn vaak zo naïef door te denken dat een ander met bepaalde begrippen hetzelfde bedoelt als de Bijbel. Dit komt mede omdat men de Bijbel gebruikt om onbijbelse zaken binnen te smokkelen. Het zijn wolven in schaapsklederen. Ze zien eruit als een lam, maar ze spreken als de draak, (de satan; vergelijk Openbaring 13 :11) In Judas 14 gaat het over “sommige mensen” die onder het oordeel zullen komen. In 2 Petrus 2 :1 gaat het over valse profeten en valse leraren, die door de Heer gekocht zijn:

En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijk ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochende, en een haastig verderf over zichzelven brengende; 2 Petrus 2:1

Zij verloochenen de Heer Die hen gekocht heeft. In Judas : 4 wordt dat niet vermeld, omdat die goddelozen niet door de Heer gekocht zijn. Uit dit verschil blijkt dat 2 Petrus 2 over gelovigen spreekt en Judas over ongelovigen. De gelovigen uit 2 Petrus 2 leven naar de oude mens en zij voeren verderfelijke ketterijen in. Toch zijn het gelovigen. De overeenkomst tussen beide teksten is dat er sprake is van “insluipen”. Petrus noemt dat “het bedektelijk invoeren van ketterijen”, terwijl Judas zegt, dat sommige mensen zijn ingeslopen. Judas spreekt over ongelovige mensen die insluipen. Petrus stelt dat de ketterijen zijn ingeslopen. De valse profeten en valse leraren, die deze ketterijen bedektelijk invoeren, zijn gelovigen en maken deel uit van de Gemeente. De ketterijen zijn uiteraard niet op hun plaats. De mensen die volgens Judas : 4 zijn ingeslopen zijn niet op de juiste plaats, want het zijn ongelovigen en ze horen dus niet binnen de Gemeente thuis. Petrus spreekt hier ook over in zijn eerste brief:

6 Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Zion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
7 U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorza- men wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;
8 Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 1  Petrus 2: 6-8

Van de ongehoorzamen wordt gezegd: “De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een Hoofd des hoeks, een Steen des aanstoots en een Rots der ergernis”. Dit geldt voor “dengenen, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn”. Zij zijn niet gezet om zich aan het Woord te stoten. Ze zijn tot het oordeel gezet. Ze zijn ongehoorzaam/ongelovig. Het is in de eerste plaats een omschrijving van Israël, levend onder de wet. Men is over de Steen, Christus, gestruikeld en daardoor is de Steen op hen gevallen. (Lukas 20 :17)

Er zijn slechts twee mogelijkheden: óf men bouwt op de Steen, men gelooft in de Steen: Christus, óf men struikelt over de Steen. Het Woord Gods is óf een bediening des doods (voor degenen die niet geloven; 2 Korinthe 3 :7) óf het is een bediening des Geestes in heerlijkheid (voor degenen die wel geloven; 2 Korinthe 3 :8). Wie niet in de Steen gelooft, zal zich aan Hem stoten. Over de gelovigen uit 2 Petrus 2 komt een haastig verderf. Wanneer iemand eigenwerken gedaan heeft,zullen die verbrand worden, hetgeen een vorm van oordeel is. Zijn werken komen in het vuur, maar hijzelf zal behouden worden. (1 Korinthe 3 :13-15) De valse profeten en leraren uit 2 Petrus 2 zijn behouden, maar de “sommige mensen” uit Judas : 4 niet. Er bestaat veel overeenkomst tussen beide groepen, maar dit is een belangwekkend verschil. Dit is de reden waarom beide gedeelten in de Bijbel staan. Grote delen zijn hetzelfde, maar er zijn toch grote verschillen. Het ene gedeelte (de brief van Judas) spreekt over de natuurlijke mens in het algemeen, de goddeloze. Het andere gedeelte (de tweede brief van Petrus) spreekt over wedergeboren mensen die goddeloos leven. Het belangrijkste verschil is dat de eerste groep niet behouden is en de tweede groep wél.

Zowel in het verleden als nu worden er valse leringen gepredikt. Het zijn verderfelijke ketterijen, die bedektelijk worden ingevoerd. Het gebeurt onder een dekmantel. Het komt (bijna) nooit voor dat iemand bewust (opzettelijk) onbijbelse dingen invoert; zo van: “Laat ik eens een ketterij invoeren met betrekking tot de Bijbel. Kijken of me dat lukt”. Valse leringen worden doorgaans bedektelijk ingevoerd; gebruikmakend van “goede” argumenten. Het resultaat is altijd onbijbels! Judas en Petrus waarschuwen hiertegen. De gelovige dient altijd (onder alle omstandigheden) zijn opvattingen aan de Schrift aan te passen. In de praktijk dient hij de wijze waarop hij zijn opvattingen onder woorden brengt eveneens aan de Schrift aan te passen. Hij dient zoveel mogelijk de Bijbelse uitdrukkingen te gebruiken in de betekenis zoals de Bijbel die geeft. Hij moet altijd binnen de kaders blijven die de Bijbel aangeeft. Hij behoort dagelijks te onderzoeken “of de dingen alzo zijn”. (Handelingen 17 :11) De dingen die in de brief van Judas staan worden in de tijd na de opname van de Gemeente zeer actueel, omdat de tijd tot aan het moment van het oordeel dan gemeten wordt. Zo was het ook in de dagen vóór de zondvloed. Toen werd door God een periode van 120 jaar vastgesteld. In de toekomst is er opnieuw een periode gesteld. Het is een periode van veertig jaar (van 360 dagen per jaar); gerekend vanaf de opname van de Gemeente. Aan het einde van die veertig jaar komt het oordeel over de dan levende mensheid. (Matthéüs 25 : 31-46) Dan zal de Koning (!) op de troon Zijner heerlijkheid zitten en oordelen. De inhoud van de brief van Judas is in feite: Het oordeel komt toch. Het gaat daarbij niet om het oordeel op de Jongste Dag (Openbaring 20 :11-15), maar om een oordeel over de levende mensheid. God heeft de mens – de Zoon des mensen – aangesteld om over de aarde te heersen. Dit geldt voor de oude, huidige aarde. Er zal een tijd komen waarin deze aarde en alles wat daarin is aan Christus zal zijn onderworpen. Deze oude aarde is weliswaar van voorbijgaande aard en komt in het oordeel, maar er zal (zullen) een nieuwe aarde (en nieuwe hemelen) komen.

Vóórdat deze aarde verdwijnt, zal de aarde aan Christus worden onderworpen en zal Hij de heerschappij erover hebben (minimaal duizend jaar). De Bijbel leert dat Christus eeuwig zal regeren en een onvergankelijke troon heeft. In dat geval gaat het niet om duizend jaar, maar om een eeuwig koninkrijk op de nieuwe schepping. Judas spreekt niet over een oordeel over alle mensen die ooit geleefd hebben, want dat is het oordeel op de Jongste Dag. Het gaat om een oordeel over de levende mens. De mensheid die op het moment van de verschijning van Christus leeft, zal door Hem geoordeeld worden. Dit oordeel wordt genoemd in Matthéüs 24:

37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.
40 Alsdan, zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen (weggenomen), en de ander zal verlaten (gelaten) worden.
41 Er zullen twee wouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen (weggenomen), en de andere zal verlaten (gelaten) worden.
42 Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal. Matthéüs 24:37-42

In de dagen van Noach dacht de mensheid dat er geen oordeel zou komen. Het kwam echter wel. In de dagen van de Zoon des mensen denkt men ook dat er geen oordeel komt, maar het komt wel. God heeft de tijd daarvoor bepaald en het oordeel zal komen. Het is begrijpelijk dat dit oordeel in deze brief wordt aangekondigd. Na deze brief volgt alleen nog het boek Openbaring. Het boek Openbaring spreekt over de wijze waarop de Koning, de Here Jezus Christus, in en aan de wereld, geopenbaard zal worden. Het beschrijft op welke wijze de volkeren in het oordeel komen en aan Christus zullen worden onderworpen. Het oordeel komt over ongelovigen. In Judas : 3 schreef Judas over de algemene zaligheid. Hij schreef dat opdat de gelovigen zouden strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd. Dit betekent dat men wordt opgeroepen om te (blijven) geloven. Judas : 4 begint met “Want”. Het gaat vervolgens over mensen die niet geloven. Die ongelovigen komen in het oordeel. Judas maakt dus een splitsing. In vers 3 gaat het om gelovigen. Zij strijden voor het geloof. Aan de andere kant heeft Judas het over ongelovigen (vers 4). Er zijn slechts twee mogelijkheden: óf geloof en dus leven uit geloof (en alles wat daar bij hoort) óf ongeloof en dus leven uit ongeloof (en alles wat daar bij hoort). In deze wereld bestaan beide categorieën. De algemene strekking van de brief is dat de mens zou behoren te leven uit geloof. Dit betekent dat hij een gelovige wordt met alle consequenties van dien, opdat hij niet in het oordeel komt.

In de vijfde bedeling is de kans om in dat oordeel terecht te komen erg klein. In onze dagen is die kans natuurlijk wel groot, maar de afgelopen 1900 jaar was die kans niet aanwezig. Dit verandert echter niets aan de waarheid dat er een oordeel over de levende mensheid zal komen. Wanneer iemand overlijdt en dus niet in dat oordeel komt, dan komt hij in het oordeel op de Jongste Dag. Het oordeel wordt weergegeven in de gelijkenis van Matthéüs 13 : 24-30. Het onkruid (de zonen van de boze; Matthéüs 13 : 38) wordt niet meteen weggehaald. Dit gebeurt pas bij de oogst (de voleinding der eeuw; Matthéüs 13 : 39). Over dit oordeel spreekt ook Judas. Dit oordeel vindt aan het einde van de volgende (de zesde) bedeling plaats; aan het einde van de veertig jaar. Dan wordt op aarde orde op zaken gesteld en worden de ongelovigen van de aarde weggenomen. De gelovigen gaan het koninkrijk binnen. Judas 14 spreekt over goddelozen. Er staat niet dat zij als goddelozen leven of goddeloos handelen. Dat dóén ze wel, maar dat staat hier niet! De goddelozen doen wel goddelooslijk goddeloze werken. (Judas : 15) Op grond daarvan zullen zij geoordeeld worden. In Judas : 4 gaat het niet om wat zij dóén, maar om wat zij zijn. Goddelozen zijn niet wedergeboren. Een wedergeboren mens kan goddeloos leven, maar hij is géén goddeloze. In Judas 14 wordt “de genade van onze God” genoemd. Sommigen hebben hieruit geconcludeerd dat het daarom om gelovigen moet gaan. Dit is onjuist, want de zaligmakende genade is verschenen aan alle mensen. (Titus 2 :11) Die genade Gods onderwijst alleen de gelovigen. (Titus 2 :12) “God heeft de wereld zó liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft.” (Johannes 3 : 16) “De wereld” is gewoon de wereld, tenzij anders vermeld wordt. Een woord heeft altijd de breedste betekenis van het woord, tenzij die betekenis binnen de context versmald wordt. God heeft Zijn Zoon gegeven, omdat Hij de wereld liefhad. Niet iedereen ontvangt echter het eeuwige leven. Dat is alleen voor degenen die geloven (tot geloof komen).

God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden om die wereld te veroordelen. (Johannes 3 :17) Dat was niet het doel, maar Hij deed het wél! De Zoon stierf aan het kruis en daarmee werd tevens de wereld gekruisigd (geoordeeld). God zond Zijn Zoon, opdat de wereld door Hem behouden zou worden. (Johannes 3 :17) Hier kan voor “de wereld” niet de Gemeente worden ingevuld, want dan staat er wartaal. “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God”. (Johannes 3 : 18) Wat dit oordeel inhoudt, staat er meteen achteraan: hoewel het Licht in de wereld gekomen is, hebben de mensen de duisternis liever gehad. De wereld leeft nu in duisternis, omdat men het Licht heeft afgewezen. Die “sommige mensen” zijn goddelozen, die de genade van onze God veranderen in ontuchtigheid. De genade heerst tot het koninkrijk geopenbaard is. Nu geldt de genade. In de toekomst komt daar de heerschappij en het recht van de Koning bij. Totdat het recht en de heerschappij van die Koning geopenbaard worden, is er sprake van genade. Zolang komt er geen oordeel van God. Doordat het oordeel van God uitblijft, kan men de genade veranderen in ontuchtigheid. Men redeneert: “Als er geen oordeel komt, kunnen we doen en laten wat we willen”. De mensheid redeneert op deze wijze, omdat er al zo’n tweeduizend jaar geen oordeel van God over de wereld gekomen is. (vergelijk 2 Petrus 3 :3-7) Men misbruikt de vrijheid die God op grond van Zijn genade geeft. Deze mensen veranderen de genade van God in ontuchtigheid. Daarmee loochenen zij de enige Heerser, God en de Here Jezus Christus. Ze erkennen Hem niet. Als ze Hem zouden erkennen, zouden ze Hem als de Heerser erkennen, Die op de troon der genade zit. Wie Hem erkent, zal Zijn genade niet misbruiken. Wie God niet erkent (“Hij doet immers niets!”), gebruikt Zijn genade voor ontuchtigheid. Het gevolg is dat men uiteindelijk (in de toekomst) in het oordeel terechtkomt. Als men meent dat God dood is, gaat men zijn eigen gang. Wie weet dat God bestaat en lankmoedig is, die is zich terdege bewust van God. Zo iemand maakt geen misbruik van de genade die God geeft. Aan de buitenkant valt het verschil niet te zien. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de gelijkenis van Matthéüs 13.

24 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.
25 En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.
26 Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.
27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot Hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid?
28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?
29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.
30 Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur. Matthéüs 13: 24-30

Er is goed zaad en er is onkruid. Aan de buitenkant is er echter geen verschil merkbaar. God laat beide opgroeien tot aan de oogst. Dan zal het onkruid verzameld en verbrand worden. Er bestaat wel verschil, maar dat verschil zit in het hart. Dat hart bestaat uit geloof en uit de hoop waar de gelovigen naar uitzien. De wereld kent God niet en leeft maar raak. De gelovige kent God en leeft vanuit genade. Vanaf het begin van het Oude Testament wordt gesteld dat iemands behoudenis afhankelijk is van de keuze van de mens zelf. Met andere woorden: kiest hij dat behoud of niet (Deuteronomium 30 :19 – kiest het leven; Jozua 24 :15 – kiest heden wie gij dienen zult). De zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. (Titus 2 :11) Men moet die genade zélf accepteren. De zaligheid wordt in Christus aangereikt. Daarom staat er met betrekking tot de gelovigen van de Gemeente dat zij uitverkoren zijn in Hem. (Eféze 1 :4) Dit “in Hem” wordt door velen weggelaten. In Eféze 1 : 3 staat bovendien dat wij “gezegend zijn met elke geestelijke zegen in de hemel in Christus”. Christus is uitverkoren. Wie in Hem is, heeft deel aan Zijn uitverkiezing. Hoe komt men “in Hem” (hoe wordt men met Hem verbonden)? Dat gebeurt door in Hem te geloven! Welke zegening de Bijbel ook noemt, ze worden allen op Christus van toepassing gebracht. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zegeningen die God aan Abraham en aan zijn zaad heeft gedaan. Deze zegeningen zijn op de Here Jezus Christus van toepassing. (Galaten 3 :16) Alle anderen tot wie het gezegd was krijgen er slechts deel aan door geloof in de Here Jezus Christus.

2. Verlossing

Israël was uit Egypte verlost. Het doel was niet de bevrijding uit Egypte. Dat meende het volk wel en daarom wilde het terug naar Egypte. Tegenwoordig zegt men: “We moeten terug naar het kruis van Golgotha”. Dat is precies hetzelfde als “terugkeren naar Egypte”, want de Heer werd in (een geestelijk) Egypte gekruisigd. (Openbaring 11 : 8) We moeten niet terug naar Egypte, het kruis of de wet. (Galaten 4 :4,5) Daar zijn we juist van verlost. We moeten vérder; naar Kanaan! Ditzelfde verhaal wordt ook in Hebreeën 3 verteld. Bij de uittocht uit Egypte kwam er verlossing tot stand. Toch is de meerderheid van het volk dat uit Egypte verlost werd in de woestijn omgekomen. Deze geschiedenis wordt vaak gebruikt ter illustratie van een onbijbelse leer. Die zegt dat een mens, nadat hij verlost is, alsnog verloren kan gaan. Deze leer brengt mensen in slavernij. Men kan weliswaar uit Egypte verlost zijn, maar dat betekent nog niet dat men ook in Kanaan aankomt, denkt men. De gedachte dat men uit Egypte verlost kan zijn, maar niet noodzakelijkerwijs in Kanaan hoeft aan te komen, is Bijbels. Men dient zich daarbij wél af te vragen waar het in dat verband over gaat. In welke context staat dit? De Bijbel leert dat de wereld waarin wij leven eigenlijk al verlost is. Daarom is er een blijde boodschap. Er is verlossing in Christus Jezus. (Romeinen 3 : 24) We zijn onderweg naar Kanaan, namelijk naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. (Openbaring 21 :1)

Het eerste deel van het verhaal is dat deze wereld onder de macht van de zonde en de dood terecht is gekomen en daaruit verlost moet worden. Dit deel van het verhaal hééft reeds plaatsgevonden. Bijvoorbeeld door het verzoeningswerk van de Here Jezus Christus. Daardoor fs de dood overwonnen. De oude schepping fs geoordeeld. Dit is aan het kruis van Golgotha gebeurd, waar het Lam Gods de zonde der wereld wegnam. (Johannes 1 : 29) De gehele mensheid is sindsdien dood. (Eféze 2 :1) De verlossing fs tot stand gekomen. Bij die gelegenheid is de mensheid “uit Egypte” uitgeleid. Dit was echter niet het doel! De wereld fs geoordeeld en er fs overwinning op de dood. Het is echter de bedoeling dat daar gebruik van gemaakt wordt. Het is de bedoeling dat de wereld en de mensheid onderweg zijn naar Kanaan, de nieuwe schepping. Daarvoor is niet de verlossing van God nodig, maar geloof! Men dient de Heer te volgen en zich naar Kanaan te laten leiden.

Judas beschrijft een wereld en een mensheid die dood zijn. Velen zeggen, dat dit niet kan, omdat de Bijbel niet over ongelovigen zou spreken. De Bijbel is geschreven aan gelovigen, maar dit betekent niet dat de Bijbel altijd over gelovigen spreekt. Judas schrijft over ongelovigen. Het gaat over natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben. (Judas : 18,19) Deze brief wordt niet aan hen geschreven, maar in deze brief wordt óver hen geschreven. Het gaat hier om mensen die niet wedergeboren zijn. Judas spreekt over de natuurlijke mens, die deel heeft gekregen aan “de uittocht uit Egypte”, maar die daarom nog niet in Kanaan is. Daarvoor is het noodzakelijk dat men gelooft. Door de dood en opstanding is de wereld bevrijd uit de macht van de zonde en uit de slavernij van de wet (Egypte). Sindsdien is de mensheid als geheel te vergelijken met Israël, zich bevindend in de woestijn. Er is gebrek aan leven en men kan er slechts leven vanuit de genade van God. Dit geldt niet alleen voor de wedergeboren mens, maar óók voor de niet-wed erge boren mens. Door de dood van de Here Jezus heeft de mensheid het bestaansrecht verloren. Wat men vervolgens in de wereld ontvangt, kan alléén uit de genade van God voortkomen. Daarom heet de huidige (vijfde) bedeling “de bedeling van de genade”. (Eféze 3 : 2) Dit geldt voor ieder mens; zowel voor de gelovigen als de ongelovigen.

God is lankmoedig, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. (2 Petrus 3 :9) De wereld leeft nu in de genade van God. Die wereld heeft deel aan de uittocht uit Egypte, maar daarmee is die wereld nog niet behouden. Men is verlost van het oude, maar men maakt veelal geen gebruik van de gelegenheid nieuw leven te ontvangen. Men weigert zijn geloof te stellen op Degene Die uitgeleid heeft. De verlossing is tot stand gekomen. De wereld is verlost en is nu in de woestijn. Door die woestijn heen leidt de weg naar Kanaan, het beloofde land. Alleen degenen die geloven komen in Kanaan aan. De prediking is erop gericht dat de zondaar tot geloof komt. Hij fs uit Egypte verlost en hij leeft in de woestijn. Hij streeft er meestal naar om naar Egypte terug te gaan, maar dat is de verkeerde kant op. De gehele schepping is inmiddels vrijgemaakt; met name de gehele mensheid. Dit is gebeurd opdat de mensheid de Heer zou dienen. Dat is het doel! In de praktijk stelt de mens de verlossing echter ten dienste van een losbandig leven. Het is de bedoeling dat hij de vrijheid ten dienste van God zou stellen. Het gaat hier niet over gelovigen, maar om de mensheid in het algemeen. De mensheid fs verlost en de zonde fs gedragen. Men dient de Heer te dienen. Dit doet men door zich te onderwerpen aan Degene Die de verlossing tot stand heeft gebracht. Dit doet men vanuit geloof.

Het evangelie wordt gepredikt aan een mensheid die inmiddels verlost fs. Het is de bedoeling dat de mens de vrijheid, waarin hij geplaatst is, gebruikt om tot erkenning van de Here Jezus Christus te komen. Eén is voor allen gestorven en dus zijn zij allen gestorven. (2 Korinthe 5 :15) Dit geldt voor de gehele mensheid. Door de dood en opstanding van de Here Jezus is een einde gemaakt aan alles wat de mens zou kunnen binden. Sommige mensen zijn niet vrij, omdat zij zich bewust laten binden. Dat leidt tot niets en het is zéker niet Gods bedoeling. Hij heeft de mensheid vrijgemaakt opdat zij Hem kan dienen; naar Zijn welbehagen en naar Zijn wil! Er staat vervolgens in 2 Korinthe 5 : 15:”… opdat degenen, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, Die voor hen gestorven en opgewekt is”. Dit laatste slaat op degenen die tot geloof zijn gekomen. Men is verlost/vrijgemaakt, opdat men God zou dienen. Wij zijn verlost en tot geloof gekomen. Het is echter de bedoeling dat we onderweg zijn naar Kanaan en daarop onze hoop hebben gesteld. De toekomende verlossing, de overgang uit de woestijn naar Kanaan, vindt pas bij de opname van de Gemeente plaats. Het verhaal van de uittocht uit Egypte wordt op wedergeboren mensen toegepast. (1 Korinthe 10 :1 v.v.) Het verhaal blijft hetzelfde, maar wordt anders toegepast. Gelovigen zijn door geloof uitgeleid en leven nu in gemeenschap met de Heer. Ze leven midden in de woestijn, maar de Heer zorgt voor hen. Zij leven in de woestijn, maar leven vanuit de zegeningen die God met betrekking tot Kanaan beloofd had. In de geschiedenis van het volk Israël kwamen slechts twee gelovigen (Jozua en Kaleb) in Kanaan aan. Beide zijn een beeld van de huidige Gemeente (het Lichaam van Christus).

De verlossing is voor de gehele wereld tot stand gekomen. Slechts de gelovigen bereiken het einddoel. “Verlossing” spreekt niet over de toekomst, maar over het verleden. “Verlossing” veronderstelt dat men vrijgekocht is. De vraag is niet: Waarvan is men verlost? De vraag is eigenlijk: Waartoe is men verlost? Waarom is men verlost? Men wordt verlost opdat men de Heer zou dienen. Dit wordt geïllustreerd door het losmaken van de ezels. (Matthéüs 21 : 2, 3) God zond Iemand, zoals de Heer Zijn discipelen zond. Wanneer iemand vragen zou stellen, moesten ze zeggen: “De Heer heeft ze van node”. Wij zijn zulke ezels en wij zijn verlost (losgemaakt). Dit is niet gebeurd opdat wij vervolgens rond zouden gaan dolen, maar opdat wij de Heer zouden dienen.

Het beeld is nóg breder te maken. Feitelijk heeft de verlossing nog veel vroeger plaatsgevonden, namelijk vóór de grondlegging der wereld. In Genesis 1 : 2 kwam de verlossing tot stand, omdat er een oordeel over de oude, toenmalige wereld kwam. (2 Petrus 3 :5, 6; dit gaat niét over de zondvloed in de dagen van Noach, maar wél over de vloed van Genesis 1 : 2) Vervolgens kwam door middel van de zeven dagen van Genesis 1 verlossing tot stand. (zie Bijbelstudie “de leer der restitutie’) De oude wereld – Egypte – komt overeen met de toenmalige wereld van Genesis 1 : 1. De uittocht uit Egypte komt overeen met het werk van de zeven dagen (van Genesis 1). Eerst moesten de wateren wijken. Vervolgens moesten de wateren (op de derde dag) opnieuw wijken, wat een beeld is van de doortocht door de Schelfzee (op de derde dag). Op de avond van 14 nisan werd het paaslam voor de eerste keer geslacht en gegeten; in Egypte. (Exodus 12 : 6) Eerst werd het lam geslacht, vóór de nederwerping (ten onrechte vertaald met “grondlegging”) der wereld. (Openbaring 13 : 8) Dit komt overeen met het eten van het paaslam op 14 nisan. Dit komt overeen met de plannen die God maakte vóór de schepping geoordeeld werd. Genesis 1 :1 spreekt hierover en Egypte is hiervan een beeld. In de nacht van de 14 op 15 nisan werd elke eerstgeborene gedood. Dit komt overeen met de nederwerping van de wereld. (Genesis 1:2) De eerstgeborene is de oude schepping. Op de derde dag moesten de wateren wijken en werd het droge land zichtbaar. Vervolgens bracht het droge land veel voort. In Exodus weken de wateren en werd het droge land zichtbaar. Via dat droge land trok een menigte volk. De uittocht uit Egypte kan gezien worden als een voorafschaduwing van de dood en opstanding van de Here Jezus Christus.Tegelijkertijd is het een projectie van hetgeen al veel eerder had plaatsgevonden, namelijk het verhaal van Genesis 1. Op de derde dag verscheen de aarde zoals wij die nu kennen. Dat was in zekere zin een verloste aarde. De aarde is namelijk aan de dood (de wateren, de afgrond) ontrukt. In die zin leven wij in een wereld die uitgeleid is uit iets dat er vóór die tijd was.

Het “plaatje” van de tijd in de woestijn kan dus op de tijd sinds de dood en opstanding van Christus van toepassing worden gebracht. Het is echter beter om het twee fasen terug te plaatsen. Vanaf Genesis 1 leeft de mens in een woestijn, die feitelijk geen leven voort kan brengen. Sinds die tijd wordt aan de mens voorgehouden dat hij deel kan krijgen aan een wereld die in de toekomst pas zal verschijnen. Dat is de nieuwe schepping, waarvan Kanaan een beeld is. We leven nu in een wereld, die principieel verlost is. De verlossing, die reeds hééft plaatsgevonden, wordt in de loop van de geschiedenis verder uitgewerkt. Dit geldt overigens voor zeer veel dingen. God heeft bij de gebeurtenissen een datum gesteld. God Zelf staat bóven de tijd. Voor Hem zijn alle dingen van de nederwerping der wereld af reeds volbracht. (Hebreeën 4 : 3) God had Zijn werken feitelijk allemaal reeds gedaan. Het gaat er niet om of wij dat begrijpen, maar of wij dat geloven. Die werken zijn volbracht. In de wereld drukt het zich echter in de tijd uit en daarom vinden ze na elkaar plaats (met jaartallen erbij). Het is een uitwerking van hetgeen God Zelf al volbracht hééft; actief en bij Hemzelf.

De geschiedenis van Genesis 1 ontwikkelt zich, maar het was al eerder vastgelegd. Voor een fotograaf is dit makkelijk te begrijpen: iets, wat ontwikkeld wordt, is vóór die tijd reeds vastgelegd. De verlossing was feitelijk al tot stand gebracht. Daarom konden bijvoorbeeld Abraham en Noach door God rechtvaardig gerekend worden; vóór de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. God rekende het hen vóór die al toe, omdat al vaststond dat het zou gebeuren. Voor God was het feitelijk al gebeurd! De uittocht uit Egypte (de wereld) is door God Zelf geregeld. Een mens kan daar niets aan af- of toedoen. Het is Gods werk. De mens zal zelf echter wel tot geloof moeten komen, want anders krijgt hij geen deel aan het beloofde land.Zodra iemand de boodschap hoort, kan hij tot geloof komen. Hij hoort zijn hart niet te verharden, (vergelijk Hebreeën 3 :15) Degene die het aanbod van God afwijst, zal omkomen, (vergelijk Hebreeën 3 : 16-19) Degenen die gezondigd hadden (ongehoorzamen, ongelovigen), zijn niet in Kanaan binnen gegaan. Het is een historisch feit, maar het principe geldt ook in onze dagen. Ongelovigen (degenen, die niet willen horen) zondigen; zij komen om en missen de erfenis. Hetzelfde principe vinden we ook in 1 Korinthe 10 :1-11, hoewel de zaken daar in een andere context worden geplaatst. 1 Korinthe 10 is niet op de gehele wereld van toepassing, maar op de Gemeente:

1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee.
3 En allen dezelfde geestelijk spijs gegeten hebben.
4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
5 Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
7 En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op één dag drie en twintig duizend.
9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.
10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.
11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. 1 Korinthe 10 :1-11

In de eerste verzen staat steeds “allen”. Het gaat over het gehele volk, dat uit de geestelijke steenrots dronk, (vers 4) Ze dronken destijds uit een letterlijke steenrots. “Geestelijke steenrots” geeft aan dat het een steenrots was met een geestelijke betekenis, namelijk: Christus. Het grootste deel van het volk is in de woestijn omgekomen, omdat God daarin geen welbehagen had. (vers 5) Het gaat om dezelfde waarheid, maar dan op de Gemeente toegepast. Dit betekent niet dat iemand die wedergeboren is weer verloren kan gaan. Het betekent wel dat het leven van een wedergeborene toch nog nutteloos kan blijken te zijn, omdat het niet tot eer van de Heer gebruikt wordt.

De uittocht uit Egypte en de intocht in Kanaan worden op twee manieren toegepast. Éénmaal op de wereld in het algemeen. In de woestijn wordt men opgeroepen om te geloven (tot geloof te komen). De tweede toepassing is die op de Gemeente. Het is van toepassing op het volk van God, de gelovigen. Daarbij gaat het erom of hun leven vrucht draagt. Of iemand vrucht heeft gedragen (en dus loon ontvangt) blijkt voor de rechterstoel van Christus. (2 Korinthes :10) De werken zullen beoordeeld worden. (1 Korinthe 3 :10-15) Uit 1 Korinthe 3 blijkt duidelijk dat de gelovige zelf het eeuwige leven niet kan kwijtraken. Het is wel mogelijk dat zijn werken niet blijven, maar verbrand worden. Hijzelf zal echter behouden worden (vers 15). Judas past de uittocht uit Egypte op de gehele wereld toe. Ongelovigen worden niet behouden. Dit blijkt uit Judas: 4:

Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen. Judas: 4

Het gaat hier in Judas om ongelovige, niet wedergeboren mensen. Ze leven onder de genade Gods, omdat het oordeel uitblijft. Als God niet genadig zou zijn, zou bij het sterven van de Here Jezus de gehele oude schepping verdwenen zijn. Aan het kruis werd de wereld namelijk geoordeeld. God is echter lankmoedig en daarom verdween de wereld toen (nog) niet. De wereld bestaat dus dankzij de genade Gods. De Heer hééft alle macht in hemel en op aarde. (o.a. Matthéüs 28 :18) De Heer fs Koning en Priester naar de ordening van Melchizédek. Hij regeert vanuit genade, want Hij zit op de troon der genade. (Hebreeën 4 :16) Hemel en aarde bestaan dankzij de genade van God. Als men onder die genade als ontuchtige, goddeloze, leeft, verandert men de genade Gods in ontuchtigheid. Daarmee verloochent men de enige Heerser: God. Judas zegt in vers 5 dat er tweemaal een oordeel over de ongelovigen komt. Het eerste oordeel was bij de nederwerping van de oude wereld. (Genesis 1 : 2) Het tweede oordeel is de nederwerping van de huidige wereld. Dat gebeurt op de Jongste Dag. Hetzelfde principe wordt door de dood en de tweede dood uitgedrukt. Het is een dubbel oordeel.

“Wederom” betekent “alsnog”, “in tweede instantie”. In eerste instantie werden de Egyptenaren gedood. In tweede instantie werden ook degenen gedood die weliswaar uit Egypte waren verlost, maar niet geloofden. Zij kwamen in de woestijn om. Zij waren uit Egypte verlost en behoorden bij het volk, maar het waren géén gelovigen. Het gaat hier niet om de Gemeente, maar om de wereld. De dood van de Here Jezus komt overeen met de uittocht uit Egypte. Daar werd de wereld geoordeeld. Sindsdien is de wereld “de woestijn”. De prediking van het evangelie aan Israël in de woestijn was dat zij in vert rouwen/ge loof op de Heer diende te leven. Dan zou ze in Kanaan gebracht worden en reeds in de woestijn kunnen leven vanuit de zegeningen van Kanaan; als voorschot op de toekomende erfenis. Naast Judas : 5 dient 2 Petrus 2 : 3 gelegd te worden:

En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet. 2 Petrus 2:3

Dit oordeel komt overeen met het haastig verderf uit 2 Petrus 2 : 1. “Gierigheid” is hetzelfde als “hebzucht”. Zij zullen door hebzucht en met gemaakte woorden van andere gelovigen een koopmanschap maken. “Gemaakte woorden” geeft aan dat het menselijke redeneringen zijn. “Koopmanschap” is een andere omschrijving voor “Israël onder de wet”. Kana en Kanaan hebben beide de betekenis van koopman(schap).

13 En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem
14 En Hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.
15 En een gesel van touwljes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte Hij uit, en keerde de tafelen om
16 En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.
17 En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden. Johannes 2:13-17

Men had van de tempel een huis van koophandel gemaakt (vers 16). “Koophandel” is in dit verband: godsdienst op menselijk niveau toegepast. Het is slechts een bedrijf/handel (als onderdeel van de economie), waar men zelf beter van wordt. Koopmanschap is te vinden, waar godsdienst naar menselijke maatstaven bedreven wordt. Men maakt van de wereld geen koopmanschap, want dat is de wereld altijd al geweest. De dienst aan God behoort dat helemaal niet te zijn, want daar gaat het om leven uit genade. “Vergeving van zonde” werd verkocht en de opbrengst van de verkoop van de vergeving werd gebruikt voor de bouw van de kerk. In de praktijk gaat het nu nóg zo, hoewel men het geen “aflaat” meer noemt.

In 2 Petrus 2 gaat hier om gelovigen. Zij worden tot koopmanschap gemaakt. Met Israël is dit daadwerkelijk gebeurd. De reiniging van de tempel is een uitbeelding van het beëindigen van dat koopmanschap. De koophandel uit Johannes 2 is een uitbeelding van de wet, het Judaïsme. De tempel moest eigenlijk afgebroken worden en in drie dagen weer worden opgebouwd. (Johannes 2 :19-22) Dat is ook gebeurd. Dit was het einde van het oude verbond. Op de derde dag verscheen het nieuwe verbond. Gelovigen maken nu deel uit van de gereinigde tempel. De gelovigen dienen te waken, want anders wordt die gereinigde tempel opnieuw tot koopmanschap gemaakt. Judas zegt dat degenen die niet geloofden verdorven werden. Dit is een algemeen principe dat altijd geldt. Vele mensen stellen in dit verband de vraag: Wat gebeurt er met mensen, die de boodschap nooit gehoord hebben? De Bijbel leert dat de mens door geloof behouden wordt en door ongeloof verloren gaat. “Geloof is een activiteit en daarom is “ongeloof óók een activiteit. Ongeloof wil zeggen dat men de boodschap afwijst. Het wijst niet op onwetendheid. Degenen die in de woestijn omkwamen kenden de boodschap, maar wezen die af. Ze wezen de Heer af. In Romeinen 1 :18-21 wordt uiteengezet wat er met mensen gebeurt die de boodschap nooit hebben gehoord:

18 Want de toom Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
19 Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
20 Want Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
21 Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; Romeinen 1:18-21

Geen enkel mens is te verontschuldigen. Iedereen hééft er weet van. In Romeinen 1 : 18 staat niet dat men de waarheid niet kent. Er staat dat men de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt. God Zelf heeft het hen geopenbaard. (Romeinen 1 : 19) God heeft het van het begin van de schepping der wereld (vanaf Genesis 1 : 1) aan hen verteld, via Zijn schepping. De mens bestudeert de schepselen (de schepping) en komt daardoor tot kennis van God. Enkele eeuwen geleden had men hiermee totaal geen moeite, want bestudering van de schepping had toen slechts één doel: God leren kennen. Van oudsher werd de natuur dan ook door gelovige mensen bestudeerd. Kennis van de natuur werd binnen de kerk gevonden. Wetenschap (de enige wetenschap buiten de theologische wetenschap) werd alleen door monniken bedreven; uit godsdienstige overwegingen. Later is men erachter gekomen dat men kennis van de natuur ook voor technische doeleinden kon gebruiken. Toén liep het uit de hand. Sindsdien verstaat men onder wetenschap: techniek. Het is geen wetenschap, maar juist misbruik ervan. Van oudsher was de bestudering van de natuur het werk van theologen; als ondersteuning van de theologie (de kennis van God). Men wist toen nog dat er twee manieren zijn om God te leren kennen: door de Schrift (de Bijbel) en door de creatuur (de schepping), leder mens kan God kennen uit de schepping. Als men het niet weet, komt dat omdat men God heeft afgewezen. Men is niet in een Schepper geïnteresseerd. Men verklaart hooguit de schepping tot haar eigen schepper. Men is echter verantwoordelijk voor de kennis die God Zelf heeft overgedragen, leder mens heeft uiteraard tijd nodig om bepaalde dingen te leren kennen, want als men geboren wordt weet men niets. De dingen van God worden uit de schepping verstaan en doorzien. Dat is méér dan oppervlakkig kennen. Als men door de schepping heen kijkt, ziet men dingen die op zichzelf niet te zien (onzienlijk) zijn. Achter de uiterlijke wereld blijkt een wereld van geestelijke dingen te bestaan. Door de uiterlijke dingen kan men de onzienlijke dingen zien en daaruit dient men te leven.

En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. Judas: 6

Sommige engelen hebben hun woonstede verlaten. Deze engelen heeft God onder de duisternis bewaard. Die duisternis wordt elders “de buitenste duisternis” genoemd. (Matthéüs 8 :12; 22 :13; 25 : 30) De Heer is in het heiligdom ingegaan. (Hebreeën 9 :12, 24, 25; 10 :19) Dat is binnen. (Hebreeën 6 : 19) Daar is Licht. Het Licht is dus binnen (de schepping) en de duisternis is buiten (de schepping). De engelen worden tot “het oordeel des groten dags” bewaard. “Oordeel” en “dag” zijn synoniem. Wij kennen de uitdrukking “voor het gerecht dagen”. Dan worden dingen “aan de dag” gebracht. Men wordt “gedagvaard”. Het Griekse woord voor “oordeel” is “krisis”. Het woord voor “dag” is “hèmeras”. Krisis komt in Judas ook nog in vers 9 en 15 (“gericht”) voor; zie ook appendix. Het oordeel, waarover hier gesproken wordt is het oordeel op de Jongste Dag. “Het laatste oordeel” en “de Jongste Dag” zijn feitelijk synoniemen, want de laatste is de jongste en “oordeel” en “dag” zijn synoniemen. Hoelang het oordeel uitgesteld wordt maakt niet uit, want dat oordeel komt toch. Dit geldt niet alleen met betrekking tot Israël, maar ook met betrekking tot de engelen. (2 Petrus 2 :4) Het oordeel van de Jongste Dag staat in Openbaring:

En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken. Openbaring 20:13

“Hel” is een onjuiste vertaling. Het Griekse woord is “hadès”, dat “dodenrijk” betekent. “Dood en dodenrijk” is een synoniem. “Dood” is een aanduiding voor de situatie als zodanig. “Dodenrijk” is de plaatsaanduiding. In het dodenrijk is de dood. Het gaat hier om dezelfde doden, die uit de dood, namelijk uit het dodenrijk, komen. Er staat in Openbaring 20 :13 bovendien: “…de zee gaf de doden, die in haar waren”. Als het hier gewoon over de zee zou gaan, zou er hebben moeten staan: “De zee gaf de doden, die in haar waren en het land gaf de doden, die in haar waren”. Dat staat er echter niet, waaruit geconcludeerd moet worden, dat “zee” hier niet de aanduiding voor de letterlijke zee is. Alle mensen, die vanaf Adam geleefd hebben, komen in het dodenrijk. Er is één uitzondering: de gelovigen van de huidige Gemeente. Van Henoch (die een beeld is van de huidige gemeente) wordt gezegd dat hij is weggenomen opdat hij de dood niet zien zou. Zie uitleg bij Judas :14. Een synoniem voor “zee” is “afgrond”. Het Grieks gebruikt hiervoor wel twee aparte woorden: afgrond = abussos en zee = talassa = ditalassos. Wie zijn er in de zee/afgrond? Dat zijn degenen die deel uitmaakten van de oorspronkelijke wereld (van Genesis 1 : 1) waarvan Egypte een beeld is. De oude wereld werd geoordeeld. Egypte werd destijds door de wateren van de zee (de Schelfzee) geoordeeld. De wateren van de derde dag zijn dezelfde wateren als die van vóór de eerste dag. Het zijn de wateren waardoor de toenmalige wereld vergaan is. (2 Petrus 3 : 6; zondvloed = grote vloed) De wereld, die toén neergeworpen werd is onder de zee terechtgekomen. “Zee” is in Openbaring 20 :13 de aanduiding voor die oorspronkelijke wereld die ooit werd geoordeeld. Die wereld is nog niet definitief geoordeeld. Dat gebeurt op de Jongste Dag.

Tot de categorieën, die dan geoordeeld worden behoren ook de demonen, want zij vinden hun oorsprong in die oorspronkelijke wereld van Genesis 1 : 1. Demonen zijn geesten van degenen die vóór Adam leefden (dus in de wereld van vóór de nederwerping van Genesis 1 : 2). Toen de Heer demonen oordeelde, vroegen ze Hem of Hij gekomen was om hen vóór de tijd te oordelen. (Matthéüs 8 : 29) Dit betekent dat zij weten dat zij geoordeeld zullen worden. Vervolgens werden zij in de zee geworpen (Matthéüs 8 : 32) om daar bewaard te worden tot hun oordeel op de Jongste Dag. De Bijbel verwijst slechts zelden rechtstreeks naar de oorspronkelijke wereld van Genesis 1 : 1. Er wordt in bedekte termen naar verwezen. Het oordeel van Openbaring 20 :13 komt dus over twee categorieën: degenen van de toenmalige wereld en degenen van de huidige wereld. In Judas : 6 gaat het over engelen. Het gaat hier om geestelijke wezens, hoewel “engel” óók op een menselijke boodschapper kan slaan. Deze engelen hebben hun beginsel niet bewaard, maar hebben hun eigen woonstede verlaten. “Hun beginsel” is dus “hun eigen woonstede”. Het Griekse woord voor “woonstede” is “oikètèrion”. Dit woord komt nog éénmaal voor, namelijk in 2 Korinthe 5:

Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden. 2 Korinthe 5:2

In 2 Korinthe 5 : 2 blijkt het eveneens de aanduiding van een geestelijk lichaam te zijn. Dit woord wordt in de Bijbel dus uitsluitend op een geestelijk lichaam van toepassing gebracht. Hier wordt het voor het eerst gebruikt en ook verklaard. Er staat namelijk achter: “die uit de hemel is”. Deze woonstede is een huis (2 Korinthe 5 :1) dat uit de hemel is. Ons natuurlijke lichaam is een tabernakel. (2 Korinthe 5 : 1) Dat lichaam is uit de aarde, aards. (1 Korinthe 15 : 47) Als het aardse huis gebroken wordt, ontvangen wij (gelovigen!) een ander huis dat “woonstede” genoemd wordt. Die woonstede heeft betrekking op een lichaam met een hemelse oorsprong. (vergelijk 1 Korinthe 15 : 44) In 1 Korinthe 15 worden verschillende dingen van het aardse en het hemelse lichaam gezegd:

HET AARDSE LICHAAM:HET HEMELSE LICHAAM:
is Natuurlijkis Geestelijk
is Aards (stoffelijk)is Hemels
is Verderfelijkis Onverderfelijk
is Sterfelijkis Onsterfelijk

In Judas : 6 wordt hetzelfde woord “woonstede” gebruikt. Vanuit 2 Korinthe 5 : 2 weten we dat dit woord voor “een hemels lichaam” wordt gebruikt. Het beginsel (principe, begin) was een geestelijk lichaam, want daarmee waren deze engelen geschapen. Ze verlieten dat lichaam. Dat konden zij blijkbaar, hoewel dat niet de bedoeling was. Ze waren in dat geestelijke, hemelse lichaam geschapen, maar legden dat lichaam af. Over welke engelen Judas : 6 spreekt, wordt duidelijk uit:

1 En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,
2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
3 Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaar.
4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Genesis 6 : 1-4

“Zonen Gods” is in het Oude Testament de aanduiding voor engelen (Job 38 : 4; kinderen = zonen). Deze engelen hadden gemeenschap met vrouwen, hetgeen inhoudt dat zij een ánder lichaam hadden aangenomen. Feitelijk is het zo dat al het hogere het lagere in zich heeft. Het stijgt daar bovenuit. Uit eigen kracht kan “het lagere” niet bij “het hogere” komen. Andersom is wél mogelijk. Een mens kan niet tot God opklimmen, maar God kan wél tot de mens neerdalen. Een mens kan zichzelf geen woonstede “aanschaffen”, maar wie zo’n woonstede bezit, kan wel een lager, stoffelijk lichaam “aandoen”. Dat is echter een vorm van vernedering. In Genesis 6 staat dat er engelen (zonen Gods) zijn geweest die deze weg zijn gegaan. Daarom kwam er een oordeel over hen en hun afstammelingen. In Genesis 6 : 4 staat: “… deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name”.

De clou van dit verhaal is dat de zondvloed niet slechts een voorafschaduwing is van het laatste oordeel. De zondvloed is in de eerste plaats een echo van de veel grotere vloed, die eraan voorafging. (Genesis 1 : 2. Daardoor verging niet alleen de aarde, maar vergingen zelfs de hemelen. (2 Petrus 3 : 6; “wereld” is de vertaling van het Griekse kosmos, dat hemelen en aarde inhoudt). Er ontstaat vaak verwarring, omdat men meent dat 2 Petrus 3 over de zondvloed spreekt, terwijl het in werkelijkheid om de vloed van Genesis 1 : 2 gaat. De zondvloed is (achteraf!) een illustratie van het oordeel dat eerder over de wereld gekomen was, hetgeen in Genesis 1 : 2 beschreven staat. De reden voor de zondvloed is dezelfde als de reden voor de eerdere vloed van Genesis 1 : 2. In Judas : 6 gaat het niet alléén over de engelen die in Genesis 6 genoemd worden. Na de zondvloed zijn er trouwens nog meer engelen geweest die hetzelfde hebben gedaan, want ook later in de Bijbel is sprake van “reuzen”. (Numeri 13 : 33; Deuteronomium 3 : 11, 13; Jozua 12 : 4; 13 : 12. Over dié engelen kwam géén oordeel. Over de engelen in Genesis 6 kwam een oordeel, omdat het een typologische functie heeft. Het is geen type dat vooruit wijst, maar achteruit. Het wijst in de eerste plaats terug naar het oordeel dat in Genesis 1 : 2 beschreven staat. Via Genesis 1 : 2 wijst het vooruit naar het oordeel door vuur dat in de toekomst zal plaatsvinden. (2 Petrus 3 : 12)  5 De zondvloed wees terug naar het verleden. Daarom zegt de Heer erbij dat het de laatste keer was dat de aarde door water geoordeeld zou worden. (Genesis 9 : 11) Als de Heer in de toekomst het oordeel brengt, gebeurt het door vuur. (2 Petrus 3 : 12) De vloed (van Genesis 1 : 2) kwam over de wereld der goddelozen, die geïnfiltreerd was door de satan en zelfs door gevallen engelen. Daardoor was er ander leven ingekomen. Daarover kwam het oordeel. Hetzelfde gebeurde in de dagen van Noach, wat tot de zondvloed leidde.

“Zonen Gods” is in het Oude Testament de aanduiding voor engelen (Job 38 : 4; kinderen = zonen). Deze engelen hadden gemeenschap met vrouwen, hetgeen inhoudt dat zij een ander lichaam hadden aangenomen. Feitelijk is het zo dat al het hogere het lagere in zich heeft. Het stijgt daarJudas : 6 spreekt primair over de gevallen engelen die door de vloed van Genesis 1 : 2 geoordeeld werden. In de tijd van het Oude Testament hadden gevallen engelen eveneens gemeenschap met vrouwen, waaruit reuzen geboren werden. Dit verschijnsel vindt nu niet plaats, omdat de vijand verplicht is nu in het verborgene te werken. In de gehele oudtestamentische tijd gebeurde het echter wél. Daarom staat er in Genesis 6 : 4 “en ook daarna”. Dit geeft aan dat het niet alléén toén gebeurde, maar ook na de dagen van de zondvloed. Goliath was bijvoorbeeld zo’n reus. Hij is tevens een beeld van het beest uit de zee. (Openbaring 13)

Als “de ongerechtige” (2 Thessalonicenzen 2 : 8) in de toekomst geopenbaard wordt, zullen er weer reuzen op aarde verschijnen. Er is reeds aangekondigd dat het in de dagen van de wederkomst van Christus zal zijn als in de dagen van Noach. (Matthéüs 24 : 37 v.v.) “Trouwen en ten huwelijk uitgeven” heeft weinig met een huwelijk te maken. Het wijst op engelen die gemeenschap met vrouwen hebben. Uiterlijk zullen zij er waarschijnlijk uitzien als ufo’s. Het gaat daarbij inderdaad om “buitenaardse wezens”, maar dan wel gezien vanuit het Bijbelse wereldbeeld (holle aarde; zie Bijbelstudie “Het Bijbels wereldbeeld”). Die buitenaardse wezens komen uit de buitenste duisternis, namelijk van onder de zee. De zondeval van de oorspronkelijke wereld (van Genesis 1 : 1) was dat gevallen engelen zich met de “mensheid” van die wereld hebben beziggehouden. Zij hebben die “mensheid” (die uiteraard niet van Adam afstamde) zowel in moreel als in fysiek opzicht aangetast. Daardoor kwam er een oordeel over die wereld. (Genesis 1 : 2)

De normale verklaring van Judas : 6 is dat dit vers over de engelen uit de dagen van Noach (Genesis 6) spreekt. In werkelijkheid gaat het om de engelen die vóór Genesis 1 : 2 gevallen zijn. De zondvloed en alles wat daarmee samenhangt, is een beeld van alles wat toén (Genesis 1) gebeurd is. Het is tevens een beeld van wat er in de toekomst zal gebeuren. De engelen (uit Judas : 6) hebben hun woonstede verlaten. In 2 Korinthe 5 : 1, 2 staat dat de gelovige, wanneer hij zijn aardse tabernakel (lichaam) verlaat, een woonstede van God ontvangt. Dat lichaam ontvangt hij dus op het moment dat hij overlijdt. Strikt genomen kan dit geen “verheerlijkt lichaam” worden genoemd, omdat de verheerlijking pas bij de opname van de Gemeente plaatsvindt. Vervolgens wordt in 2 Korinthe 5 over “bekleden” en “overkleden” gesproken, wat op het loon van de gelovige slaat. Als de gelovige loon ontvangt, wordt dat loon op de één of andere wijze ook in zijn nieuwe lichaam tot uitdrukking gebracht. In 2 Korinthe 5 wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen het lichaam dat de gelovige bij zijn overlijden ontvangt en de situatie die na de opname van de Gemeente ontstaat, waarbij hij voor de rechterstoel van Christus zal verschijnen. (2 Korinthe 5 : 10) In 2 Korinthe 5 wordt niet vermeld of de woonstede, die hij bij zijn overlijden in de hemel ontvangt (vergelijk Filippenzen 1 : 23) bij de opname van de Gemeente veranderen zal of niet.

De engelen, die hun beginsel hebben verlaten, worden door God met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. Ze worden tot het laatste oordeel bewaard. Petrus schrijft hierover in 2 Petrus 2:

Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar hen in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 2 Petrus 2 : 4

“In de hel werpen” is de vertaling van het Griekse werkwoord “tartaróo”. Het betekent “in de tartarus werpen”. Hier gebruikt de Bijbel een term, die uit de Griekse mythologie afkomstig is. Strikt genomen was het niet noodzakelijk om deze term te gebruiken, want Judas gebruikt deze term niet en zegt toch hetzelfde. Deze mythologische term wordt hier door de Bijbel gebruikt, hetgeen inhoudt dat de Bijbel de betekenis die de Grieken aan het begrip “tartarus” geven, onderschrijft.  6 Doordat de Bijbel dit begrip heeft overgenomen is het een Bijbels begrip geworden en is het dus waar! Ditzelfde principe geldt ook voor het begrip “demon”. Het woord “demon” is eveneens uit de Griekse mythologie afkomstig. Het is helemaal niet nodig om dat woord te gebruiken, omdat “demonen” (veelal vertaald met “duivelen”) in de Bijbel ook “boze/onreine geesten” worden genoemd; zelfs binnen één vers. (Lukas 4 : 33, 35, 36; 8 : 2, 29; 9 : 42; Openbaring 18 : 2) De betekenis die de Griekse mythologie aan de begrippen “tartarus” en “demon” geeft is juist, want de Bijbel gebruikt deze woorden en onderschrijft daarmee de betekenis. De mythologie kent goede en kwade demonen, terwijl de Bijbel zegt dat alle demonen kwaad/boos zijn. Dit geldt trouwens ook ten aanzien van de mens. De Bijbel leert dat alle mensen boos zijn (Romeinen 3 : 9-19) terwijl de mens meent dat er goede en kwade/boze mensen zijn. Volgens de Griekse mythologie is een demon de geest van iemand die leefde vóór er een oordeel over de gehele mensheid kwam. Die betekenis heeft het woord “demon” in de Bijbel dus ook. Een demon is de geest van iemand die leefde vóór het moment dat de “mensheid” sterfelijk werd, vóór er een strijd was tussen de goden en “dood” en “werk” hun intrede deden.

De wereld die toén was bestaat nog steeds in de wereld die nu is. Het uiteindelijke oordeel over alles zal op de Jongste Dag plaatsvinden. De wereld die straks zal zijn (de nieuwe schepping) is allang begonnen, namelijk bij de opstanding van Christus. Dit betekent dat wij in een tijd leven waarin de wereld van toen en de toekomende wereld elkaar overlappen. Door die overlapping ontstaat wel een heel vreemde wereld en in die wereld leven wij. Dit principe komt vele malen in de Bijbel voor. Een voorbeeld vinden we in Judas : 5. De verlossing uit Egypte was uiteraard pas compleet toen men in Kanaan aankwam. Vanaf de uittocht uit Egypte leefde men echteral vanuit de zegeningen die men in Kanaan zou ontvangen. De periode kan aan de ene kant bij Egypte worden gerekend, want men was nog steeds onderweg naarde belofte. Aan de andere kant kan de periode in de woestijn bij Kanaan gerekend worden, omdat men een voorschot kreeg op de zegeningen die God pas in Kanaan zou geven. Dit principe geldt ook voor de gelovigen van onze bedeling. Paulus zegt, dat de gelovige deel uitmaakt van de toekomende eeuw. Hij leeft al in die eeuw/dat koninkrijk, want hij is getrokken uit de tegenwoordige, boze eeuw. (Galaten 1 : 4; wereld = eeuw) Toch zegt hij dat de gelovige matig zou leven in deze tegenwoordige eeuw. (Titus 3 :12; wereld = eeuw). Beide dingen zijn waar, want beide werelden bestaan naast elkaar.

Gelijk Sódoma en Gomórra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs. Judas: 7

Het gaat hier om een voorbeeld, want het vers begint met “gelijk”. Er wordt een oordeel over Sódom uitgesproken en dat oordeel kwam ook. Er staat hier:”… die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben”. “Sódom, Gomórra en de steden rondom dezelve” hebben op dezelfde wijze gehoereerd als de engelen uit Judas : 6. De grote lijn is als volgt: De kinderen Israëls (Judas : 5) hebben hun beginsel niet vastgehouden. Ze waren uit Egypte verlost. Als ze zó gebleven waren, zouden ze vanzelf in Kanaan zijn aangekomen. Ze kwamen er niet, omdat zij hun beginsel loslieten. Ze vergaten de Heer en kwamen in de woestijn om. De engelen verlieten eveneens hun beginsel en gingen ander vlees achterna. Zij zijn reeds geoordeeld, worden onder de duisternis bewaard en zullen in de toekomst definitief worden geoordeeld. Voor Sódom en Gomórra geldt precies hetzelfde. Ze hebben, evenals Israël in de woestijn en de engelen, gezondigd. Ze zijn hun beginsel niet trouw gebleven, hebben hun oorspronkelijke woonstede verlaten en zijn ander vlees achterna gegaan. De Bijbel verstaat onder “Sodomie”: homoseksualiteit (met name mannen). Ze zijn ontrouw geworden aan hun oorspronkelijke roeping. Wie zich losmaakt van zijn oorspronkelijke roeping (losmaakt van de scheppingsorde) en daarmee ontrouw wordt aan zijn Schepper, maakt zich onafhankelijk. Aangezien de mens geen leven heeft in zichzelf, gaat hij als “onafhankelijke” dood. De mens is nooit onafhankelijk, maar altijd door de banden van de dood gevangen. De mens heeft Iemand nodig, Die bóven die banden staat en Die hem los kan maken, opdat Hij hem naar een wereld kan leiden waar geen dood is. Wie zich losmaakt van Gods plan met de schepping, komt in het oordeel. Elk mens is een slaaf van de zonde en heeft dus zijn beginsel verlaten. De enige manier om aan dat beginsel trouw te zijn, is: zich tot de Heer wenden, Die de Alfa (en dus hét Begin) is. (Openbaring 1: 8, 11) Slechts in Hem is er leven. Men zal de Here Jezus Christus in geloof moeten aanvaarden als de Verlosser (uit het verleden) en Zaligmaker (Die naar de toekomst brengt). Wie dat doet ontvangt Zijn leven. Wie dat niet doet laat zijn beginsel los en komt in het oordeel.

Sódom en Gomórra zijn tot een voorbeeld voorgesteld, dragende de straf des eeuwigen vuurs. Ze zijn tot voorbeeld gesteld en worden hier als voorbeeld aangehaald. Het oordeel over Sódom en Gomórra is een uitbeelding van de straf des eeuwigen vuurs op de Jongste Dag. De twee grote oordelen uit die dagen waren de zondvloed en het oordeel over Sódom en Gomórra. Het eerste oordeel gebeurde door middel van water, het tweede door vuur. De zondvloed wijst terug naar “de oudste dag”, terwijl het oordeel over Sódom en Gomórra vooruit wijst naar “de Jongste Dag”. Sódom komt vaak in de Bijbel voor. De eerste geschiedenis staat in Genesis 13 en 14. Sódom werd door Abraham bevrijd. Toen dat gebeurd was verscheen Melchizédek. Sódom is daarmee een beeld van deze wereld, die in het verleden (in Genesis 1) reeds bevrijd werd. Zodra dat gebeurd is verschijnt de Middelaar van het nieuwe verbond: Christus. Datzelfde Sódom, dat eerst door Abraham gered werd (in de kracht van de Heer), wordt vlak daarna (door diezelfde Heer) geoordeeld. (Genesis 19) Voordat Sódom geoordeeld werd, was Abraham 99 jaar oud en werd hem gezegd dat hij een zoon zou krijgen (er zou verlossing komen). Daarna werd Sódom verwoest. Vervolgens verscheen de verlosser, Izak, die een beeld is van Christus. Vóór de wereld werd nedergeworpen, werd het Lam geslacht. Nadat de wereld nedergeworpen is, verschijnt Hij ook daadwerkelijk. Dit principe herhaalt zich steeds. Sódom en Gomórra worden steeds aangehaald ter waarschuwing en als voorbeeld van het oordeel dat uiteindelijk over de gehele schepping zal komen. (o.a. Deuteronomium 29 : 23; 32 : 32; Jesaja 3 : 9; Jeremia 23 :14; Amos 4 :11; Matthéüs 11 : 23 ,24)

8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommer- hof als een belegerde stad.
9 Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sódom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomórra gelijk zijn geworden. Jesaja 1:8,9

Er was een overblijfsel van Sódom en Gomórra. Dat werd eruit gehaald vóór het oordeel kwam. Dat overblijfsel was Lot, die rechtvaardig was (2 Petrus 2 : 7). Jesaja 1 : 9 is één van de teksten waarop de leer van de uitverkiezing is gebaseerd. “Het is immers de Heer Die ervoor zorgt dat er een overblijfsel blijft bestaan,” zegt men. Dit is juist, maar in Romeinen staat wie Hij verkozen heeft. God verkiest de gelovige! God verkoos de rechtvaardige Lot, omdat hij geloofde. “Lot” betekent dat hij een bedekking had. Hij wist alles niet zo goed, omdat er een bedekking over hem heen lag. Hij was een gelovige en dus werd hij gered. Hij wist zelf feitelijk niet eens wat hem overkwam. Er zijn gelovigen die zich afvragen wat het praktische nut van de vernietiging van Sódom en Gomórra is. Er is eigenlijk geen praktisch nut te noemen. De Bijbel zegt dat hun vernietiging tot voorbeeld is (Judas : 7). Dat zou men “praktisch nut” kunnen noemen. Als Sódom en Gomórra in de dagen van Abraham niet vernietigd zouden zijn, dan zouden zij op de Jongste Dag vernietigd worden. Het oordeel komt toch. In hun geval is het eerder gebeurd; tot voorbeeld. Zij werden geoordeeld en dat was een rechtvaardig oordeel. Het wordt uitgebreid in de Bijbel vermeld, opdat men daaruit zijn conclusies zou trekken.

Judas : 7 zegt dat Sódom en Gomórra tot een voorbeeld voorgesteld zijn: het dragen van de straf des eeuwigen vuurs. Het oordeel over Sódom en Gomórra is een voorbeeld van het oordeel op de Jongste Dag. Bovendien was het een oordeel, voorafgaande aan de Jongste Dag, waarbij een deel van de mensheid geoordeeld werd. Judas heeft het niet alleen over het oordeel op de Jongste Dag, maar speciaal ook over het oordeel dat over de levende mensheid zal komen; voorafgaande aan de Jongste Dag. Dit geldt voor het oordeel over Sódom en Gomórra. Het geldt eveneens voor het oordeel over Israël, waarvan het oordeel over Sódom en Gomórra o.a. een beeld is. Het is tevens een beeld van het oordeel over Babel (Jesaja 13; Jeremia 50). Het oordeel over Babel komt namelijk niet op de Jongste Dag, maar minstens duizend jaar daarvóór. Het oordeel over Edom (Jeremia 49 : 7-22) vindt eveneens ver vóór de Jongste Dag plaats.

De gebeurtenissen uit de oudtestamentische geschiedenis zijn een uitbeelding van Gods handelen in het algemeen. Het houdt in dat er een oordeel over de schepping komt, waarbij een overblijfsel uit die schepping behouden wordt. Dit principe blijkt bij de vloed in de dagen van Noach. Het blijkt bij de vernietiging van Sódom en Gomórra. Het gaat ook op in verband met de vloed van Genesis 1 : 2. Uit de oude aarde, die toén geoordeeld werd, verscheen Adam (met alle negatieve consequenties van dien). Adam was uit de aarde, aards. (1 Korinthe 15 : 47) De schepping werd bij de dood van de Here Jezus geoordeeld. Bij diezelfde gelegenheid werden er echter mensen uit de oude schepping behouden. Ze stonden namelijk op uit de dood en leefden na de opstanding van de Here Jezus Christus. (Matthéüs 27 : 52, 53) Er is altijd een overblijfsel. Toen Abram uit Ur der Chaldeeën geroepen werd, was dat de roeping van het gelovig overblijfsel. De oudtestamentische geschiedenis is hun overkomen, is ons tot voorbeeld en opgeschreven tot waarschuwing van ons op wie de einden der eeuwen gekomen zijn. (1 Korinthe 10 : 11) Het oordeel over Sódom wordt “het eeuwige vuur” genoemd. Brandt dat vuur nu dan nog? Nee! Het heeft destijds wellicht een paar dagen gebrand, maar toen was het uit. Nu is er nog een zoutzee (de Dode Zee) over. Is het dan geen eeuwig vuur? Jawel, maar men moet weten wat dat betekent. Het betekent dat alles erin kwam. Bovendien geeft het aan dat alles wat erin ging er nooit meer uitkomt. Voor Sódom en Gomórra is geen plaats meer gevonden. Ze zijn daarom ook nooit herbouwd. Ditzelfde geldt voor het oordeel op de Jongste Dag. Het oordeel over Sódom en Gomórra was een voorbeeld voor dat toekomstige oordeel. Wat in de poel des vuurs geworpen wordt, komt er nooit meer uit.  7

8 Desgelijks evenwel ook deze, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. Judas : 8

Degenen die hier met “dezen” worden omschreven werden in Judas : 4 “sommige mensen” genoemd. Zij zijn tot het oordeel te voren opgeschreven. Ze zijn in slaap gebracht, verontreinigen het vlees, verwerpen de heerschappij (van Christus) en lasteren de heerlijkheden (van Christus). Juist vanwege deze zaken zijn zij tot het oordeel opgeschreven. De Israëlieten was aangezegd dat zij geoordeeld zouden worden. Ze zouden vanwege ongeloof niet in het beloofde land komen. De engelen is aangezegd dat zij geoordeeld zouden worden. Zelfs de demonen, die niet in de tartarus zitten, weten dat zij geoordeeld zullen worden. (Matthéüs 8 : 29) Vóór de zondvloed werd aangekondigd dat het oordeel na 120 jaar zou komen. (Genesis 6 : 3) Wij leven nu in de bedeling van de genade (Eféze 3 : 2), maar God zal wel degelijk een keer gaan oordelen. Hoewel men van dat oordeel niets wil weten, zal dat oordeel toch komen; op de door God daartoe gestelde tijd. Bij het oordeel van God zullen de gelovigen altijd vóór dat oordeel worden weggenomen. De gelovigen komen niet in het oordeel, want zij worden door God verlost, (1 Thessalonicenzen 1: 10) Het overblijfsel wordt altijd behouden. In onze dagen is er ook een overblijfsel, naar de verkiezing der genade. (Romeinen n : 5) Het overblijfsel wordt altijd weggehaald uit de plaats waar het oordeel komt. Aangezien in de toekomst de gehele aarde in het oordeel komt, blijft er geen andere plaats over voor onze evacuatie dan de hemel. Dit is slechts één argument voor de opname van de Gemeente naar de hemel. Deze wereld spoedt zich naar een komend oordeel, onder leiding van de enige waarachtige Heerser, namelijk de Here Jezus Christus. Alle volkeren en alle steden zullen onder dat oordeel vallen. Vóór dat gebeurt zal de Heer komen om ons tot Zich te nemen, opdat wij zullen zijn waar Hij is. (1 Thessalonicenzen 4 :17) Deze heilsfeiten zijn helemaal niet twijfelachtig. God doét dat. Hij heeft in het verleden gedemonstreerd op welke manier Hij handelt. Zijn handelwijze is duidelijk: vóór Zijn oordeel komt verlost Hij de gelovigen. Daarom zegt Paulus in 1 Thessalonicenzen 5:

9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;
10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.
11 Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet. 1 Thessalonicenzen 5:9-11

Wij zijn niet tot toorn gesteld, maar tot verkrijging van zaligheid. Dat is niet op grond van onze werken, maar door onze Here Jezus Christus. Of wij waken of slapen (hoewel dat niet de bedoeling is; 1 Thessalonicenzen 5 : 6) wij zullen tezamen met Hem leven. De uitwerking is niet van ons afhankelijk, maar van Hem en dus zal het gebeuren. De gelovige wordt er uiteraard toe opgeroepen om te waken, zodat hij weet wat er gaande is. Hij behoort te weten “hoe laat het is” en wat zijn positie is. Als het goed is verwacht hij de opname van de Gemeente. Als iemand een gelovige is en geen weet heeft van deze dingen (of er niet uit leeft) dan verandert deze belofte niet. Hij slaapt weliswaar, maar zal desondanks met de Heer leven. In 1 Thessalonicenzen 5 : 11 staat vertaald: “Daarom vermaant elkander”. Er staat echter hetzelfde als in 1 Thessalonicenzen 4 : 18, waar men het vertaald heeft met “vertroost elkander”. In het Grieks staat in beide gevallen precies hetzelfde: “parakaleo”. 1 Thessalonicenzen 5 : 11 kan dus (beter) worden vertaald met: “Daarom vertroost elkander…”. 1 Thessalonicenzen 4 eindigt met “vertroost elkander met deze woorden”. De woorden die hier bedoeld worden hebben betrekking op de opname van de Gemeente, opdat wij voor altijd met de Heer zullen zijn. (1 Thessalonicenzen 4 : 17) Dezelfde woorden komen we in 1 Thessalonicenzen 5 :11 opnieuw tegen. We behoren beide gedeelten dus met elkaar te verbinden. De enige vertroosting/stichting (opbouw) voor de gelovige is dat hij zijn verwachting heeft gevestigd op de Heer Die hem in de lucht zal tegemoet komen. Hij wordt vertroost/gesticht door de verwachting, dat hij die Heer tegemoet zal gaan in de lucht om voor altijd met Hem te zijn.

“Dezen” slapen. (Judas : 8) “Slaap” is een teken van leven. Dat is echter een leven dat zich niet bewust is van de omstandigheden van de omgeving. “Slaap” geeft aan dat iemand zijn eigen leven leidt en geen binding heeft met de dingen die om hem heen gebeuren. Daarom is “slaap” vaak synoniem aan het begrip “dood”. Iemand die dood is, existeert weliswaar, maar niet hier op aarde. De doden hebben geen weet van de zaken die op de aarde gebeuren. Zij zijn gescheiden van de dingen op aarde. We spreken over “slaap”, omdat we weten dat de slapende vanzelf weer wakker wordt. Dit geldt niet voor iemand die dood is. Deze slapenden zijn zich niet bewust van de zaken, die om hen heen gebeuren. Dit is feitelijk op alle goddelozen van toepassing. (Judas 14) Degenen die zonder God zijn/leven zijn zich niet bewust (en kunnen zich niet bewust zijn) van de omstandigheden waarin zij zich bevinden. God heeft Zijn Koning gezalfd (Psalm 2 :6) maar degenen die op aarde zijn hebben daar geen weet van. Zij slapen en zij weten niet dat Hij allang op de troon zit. Zij denken dat er niemand op de troon zit en concluderen vervolgens dat zijzelf op die troon (kunnen gaan) zitten. Ze menen dat zij “de kroon der schepping” zijn. De ongelovige (atheïst) heeft zichzelf tot “god” gemaakt. Hij weet niet welke verhoogde positie Christus heeft, als Eersteling van de nieuwe schepping. De ongelovige kent Christus niet als Degene aan Wie alle macht gegeven is en dus slaapt hij. Door zijn onkunde/onwetendheid lastert hij de enige Heerser, God en onze Here Jezus Christus. (Judas : 4)

Judas : 8 zegt: “Zij verwerpen de heerschappij en lasteren de heerlijkheden”. Er is er slechts Eén, Die de heerschappij heeft, namelijk de enige Heerser, God. Zij lasteren God; niet alleen wanneer zij rechtstreeks in opstand zijn tegen God, maar ook wanneer zij het zwijgen van God misbruiken. Daarmee misbruiken zij de genade van God en veranderen die in ontuchtigheid. (Judas : 4) Het gaat hier over de ongelovige mensheid in het algemeen. Zij verwerpt de heerschappij van Christus en zij lastert de heerlijkheden. De heerlijkheden zijn uiteraard van de Heer. Die heerlijkheid werd bijvoorbeeld doorJesaja (Jesaja 6 :1 v.v.) en Ezechiël (Ezechiël 1 : 28; 3 :23) gezien. Die heerlijkheid werd het laatste op de Olijfberg gezien (Ezechiël 11 : 23) en daarna niet meer. Dit is eveneens met de letterlijke heerlijkheid des HEEREN, de opgewekte Christus, gebeurd. Wat de aarde betreft, is Hij voor het laatst op de Olijfberg gezien (Handelingen 1 : 9-12) en daarna niet meer. Daarna is Hij nog wel een paar keer gezien, maar dat was in de hemel, (bijvoorbeeld Handelingen 8 :56) De eerste keer dat Hij weer op aarde gezien zal worden is wederom op de Olijfberg. Dé heerlijkheid is de verhoogde Christus, Die uit de dood opstond. Hij heeft Zich via de Olijfberg verborgen. In de toekomst zal Hij Zich via diezelfde Olijfberg opnieuw openbaren. De Olijfberg is een beeld van het verborgen koninkrijk en daarmee tevens een uitbeelding van de Gemeente. De heerlijkheden worden gelasterd. Deze heerlijkheden zijn nu een deel van Christus Zelf. Het gaat daarbij om Zijn verhoging en alles wat daarmee samenhangt. Alle zegeningen, waarmee de gelovigen van de vijfde bedeling gezegend zijn, in Christus en in de hemel (het hemelse; Eféze 1 :3) maken deel uit van deze heerlijkheden. Eén van de belangrijkste heerlijkheden is “de genade van onze God” (Judas 14), waarmee Hij overvloedig is geweest over ons. (Eféze 1 :7, 8) Alle heerlijkheden worden gelasterd en in het bijzonder de genade, want die wordt veranderd in ontuchtigheid (Judas : 4). “Heerschappij” geeft aan dat er Iemand op de troon zit. Christus zit op de troon der genade. De heerlijkheden wijzen in de eerste plaats op de genade van God, die in Christus tot ons gekomen is. (1 Korinthe 1:4) Door Hem heerst de genade. (Romeinen 5 : 21) De heerschappij en de heerlijkheden wijzen op de heerlijkheid van Christus in onze bedeling; in afwachting van de openbaring van Zijn oordeel op aarde. Nu wordt er niet geoordeeld. Het oordeel moet echter wel komen, want er zit een rechtvaardige Heerser op de troon. Het oordeel wordt uitgesteld. Petrus zegt daarover in 2 Petrus 3:

9 De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

15 En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft;
16 Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
17 Gij dan, geliefden! zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid;
18 Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid. Amen. 2 Petrus 3:9,15-18

Alle zaken met betrekking tot deze wereld zijn reeds geregeld. Vóór het oordeel komt krijgt de mens de gelegenheid om zich tot de Heer te bekeren. Het oordeel komt, maar de veroordeelde kan een beroep doen op de genade Gods. Daarom is het vonnis nog niet voltrokken, hoewel de veroordeelde erin de regel niets van wil weten. Hij slaapt liever. Johannes zegt feitelijk hetzelfde.

16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
17 Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.
18 Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.
19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. Johannes 3:16-19

God heeft Zijn Zoon gegeven (op de troon!). Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Wie niet gelooft, is reeds veroordeeld. Dit woord “veroordelen” houdt tevens “executeren” in. Het vonnis is uitgesproken. Als de veroordeelde niet tot geloof komt, zal hij geëxecuteerd worden. Deze “sommige mensen” (uit Judas : 4) verontreinigen het vlees, (vers 8) Dit betekent dat zij het vlees misbruiken. Ze hebben de duisternis liever dan het licht, want hun werken zijn boos. (Johannes 3 :19) Het oordeel dat sinds de opstanding van Christus over de mens komt is dat het Licht uit de wereld verdwenen is. (Johannes 9 : 5; 12 : 35, 36, 46) De wereld is in duisternis achtergebleven. Daarom slaapt de mens, levend in onwetendheid, onder de vloek van de duisternis. De mens heeft de duisternis liever dan het Licht, omdat hij werken der duisternis pleegt. Misdadigers gaan ook het liefste in de duisternis aan het werk. De mensheid wilde het Licht niet en het Licht verdween. Gelovigen wandelen wél in het Licht (Eféze 5 : 8; 1 Thessalonicenzen 5 : 4, 5) maar dat kunnen zij alléén, omdat zij met Christus in de hemel gezet zijn. (Eféze 2 : 6) God heeft in de gelovige geschenen; in zijn hart (2 Korinthe 4 : 6), omdat hij met Christus gezet is in de hemel.

Paulus zegt deze dingen nog duidelijker dan Johannes:

22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
23 En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
24 Daarom heeft God hen ook overgegeven (losgelaten) in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren.
25 Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.
26 Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
29 Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;
30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaar- digen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;
31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
32 Dewelken, daar zij het recht Gods weten (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen. Romeinen 1:22-32

Degene die zichzelf “wijs” noemt is dwaas. Men heeft de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd. Hetgeen aan God toekwam, heeft men aan de schepping (namelijk aan de mens) gegeven. Men heeft de mens “goddelijk” verklaard. Anderen hebben vogels tot “god” verheven, omdat zij hoog kunnen vliegen (hetgeen geen mens kan). Men heeft allerlei soorten dieren tot “god” verheven en die aanbeden. Dit gebeurt ook nu nog. Omdat de mens niets met God te maken wil hebben, heeft God hem losgelaten. (Romeinen 1 : 24) Dit geldt ten aanzien van onze (vijfde) bedeling; vanaf de opstanding van Christus tot aan de openbaring van Zijn toorn. Dat is de periode die verloopt tussen Zijn verheerlijking en het openbaar worden van Zijn heerlijkheid. Men heeft met Licht en de Waarheid van God veranderd in duisternis en de leugen. (Romeinen 1 : 25) God heeft Zich verborgen. Sindsdien kan men slechts een beroep doen op Zijn genade. Men maakt echter misbruik van Zijn genade (vers 4) door hun lichamen onder elkaar te onteren. (Romeinen 1 : 24; Judas : 8) Daarom heeft God hen zelfs overgegeven aan oneerlijke bewegingen (onreine gevoelens; Romeinen 1 :26). Vanaf Romeinen 1: 28 gaat het over een verkeerd denken, hetgeen uitmondt in allerlei onreine handelingen. De mens gebruikt de genade van God niet alleen om te leven, zoals hij zelf wil (hij heeft zichzelf tot “god” verklaard), maar hij gebruikt die genade zelfs om zijn eigen leven/vlees te misbruiken. De mens heeft in zichzelf veel te weinig normbesef om aan zijn lot overgelaten te kunnen worden. Er zijn allerlei zaken in de maatschappij (zoals: de overheid, een plaatselijke gemeenschap en dergelijke) die de mens verhinderen dingen te doen die hij zou willen doen.

Goddelozen maken misbruik van “het zwijgen” van God. Ze misbruiken hun eigen lichamen en de natuur. Het gaat daarbij niet om problemen met betrekking tot het milieu. “Misbruik van het lichaam” slaat niet alleen op hetgeen in Romeinen 1 : 26, 27 genoemd wordt. Het slaat op elk streven van de mens om zichzelf te verheffen en zijn eigen normen te bepalen. Daarmee stelt hij zich in de positie van God en daarmee stelt hij zich feitelijk hóger dan God. God laat dit alles toe. Hij is lankmoedig en grijpt niet in. In de (nabije) toekomst zal Zijn oordeel echter komen, hetgeen Paulus uitlegt in Romeinen 2:

1 Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.
2 En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is over degenen, die zulke dingen doen.
3 En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?
4 Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?
5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. Romeinen 2:1-5

De mens denkt dat hij aan het oordeel van God kan ontkomen. (Romeinen 2 : 3) God is nu goedertieren, opdat men tot geloof zou kunnen komen. (Romeinen 2 14) Wie zich niet bekeert, vergadert zich toorn als een schat. (Romeinen 2 : 5) De mens is geneigd om zich schatten te verzamelen. Hier is die schat: “toorn”. Die schat wordt steeds groter, want als men geen gebruik maakt van de lankmoedigheid van God zal het resultaat precies het tegenovergestelde zijn. In plaats van dat de toorn wordt weggenomen, wordt die toorn steeds groter. Als de toorn van God in het verleden gekomen was, zouden u en ik geen zondaren zijn. In dat geval zouden u en ik er helemaal niet geweest zijn. Daardoor zouden er veel minder mensen in het oordeel komen. Door de genade Gods worden velen behouden. Het heeft echter ook tot gevolg dat velen in het oordeel komen. Naarmate men langer leeft, verzamelt men zich méér toorn. Men zou er (van God uit gezien) baat bij hebben wanneer men zo vroeg mogelijk zou sterven, want daardoor verzamelt men zich minder toorn. Hoe langer deze bedeling van de genade duurt, des te groter wordt de toorn van God. Dit geldt niet alleen ten aanzien van het oordeel op de Jongste Dag, maar met name voor de toorn die in de volgende (zesde) bedeling over de levende volkeren zal komen. (Matthéüs 24 : 21; Openbaring 6 :17)

Sinds de opstanding van Christus verontreinigt de mens zijn vlees en zelfs de gehele oude schepping. Hij krijgt daar alle vrijheid toe, hoewel die vrijheid daar niet voor bedoeld is. Die vrijheid is hem gegeven, opdat hij tot de God van Abraham, Izak en Jakob zou komen, Die geloof rekent tot gerechtigheid. God is genadig en de mens mag tot Hem naderen. Wie dat niet doet, maakt misbruik van die vrij heid. Judas schrijft hier dat deze mensen slapen. In zijn dagen waren de mensen wakker gemaakt, omdat het evangelie toen aan alle volken gepredikt is. Bovendien staat boven deze brief de naam van het volk dat in ieder geval met het evangelie is geconfronteerd, namelijk Juda. Historisch gezien waren deze mensen wakker, maar zij zijn in slaap gebracht. Van de mensheid in het algemeen kan niet gezegd worden dat iedereen het evangelie kent en heeft afgewezen. Wanneer we over “volkeren” spreken (en dus niet over individuen), dan moeten we vaststellen dat het evangelie aan alle volkeren is gepredikt. Alle volkeren kennen overleveringen, die evangelisch zijn. Alle volken zijn dus wakker gemaakt. Het Licht hééft over hen geschenen. (Johannes 1 : 9,10) Bovendien zegt Romeinen 1 :18,19 dat geen mens te verontschuldigen is, omdat ieder mens weet heeft van de zaken van God. Als iemand het niet weet, komt dat omdat hij dat niet wil weten.

2 Petrus 2 :9 werd reeds in Judas : 5-7 geïllustreerd.

9 Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden;
10 Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren; 2 Petrus 2:9,10

De onrechtvaardigen worden tot de dag van het oordeel bewaard. Dit geldt met name voor degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen en de heerschappij verachten. Dit laatste is een teken van ongeloof. Zij kénnen de heerschappij, maar verachten die. Ze wandelen niet naar de Geest, maar wandelen bewust (!) naar het vlees. Ze behagen zichzelf in plaats van God. Ze lasteren de heerlijkheden. Petrus spreekt over anderen dan Judas. Judas spreekt over ongelovigen, terwijl Petrus over gelovigen spreekt die niet bereid zijn om in overeenstemming met de zaken van God te leven. Er zijn namelijk ook gelovigen die vleselijk zijn. Ze wensen de Heer in de praktijk niet in hun leven toe te laten. Judas maakt duidelijk dat de mens in het algemeen ontrouw is aan de raad Gods. (vergelijk Lukas 7 : 30) Gods plan met de wereld is door Hem bekendgemaakt en Hij heeft gezegd op welke manier een mens daarin een plaats kan krijgen. Dit is niet alleen tot lering van de mens, maar opdat hij zich daaraan zou conformeren en onderwerpen. Het is de bedoeling dat de mens deel uitmaakt van de plannen (de raad) van God. Met andere woorden: Léés wat er staat, gelóóf wat er staat en je hébt wat er staat! God biedt Zijn genade aan, maar die genade moet wel in geloof geaccepteerd worden.

Maar Michaël, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestrafte u! Judas: 9

“Archangel” is een onvertaald Grieks woord (archangelos), dat “aartsengel” betekent. Het is de hoogste/belangrijkste engel. Er is maar één aartsengel. Michaël streed met de duivel om het lichaam van Mozes. Dit is niet de hoofdzaak van dit vers. Het belangrijkste is dat Michaël geen oordeel uitsprak. Hij liet het oordeel aan de Heer over. Deze strijd tussen Michaël en de duivel is door Michaël gewonnen. Wij weten dat zeker, omdat Mozes met een lichaam op de berg der verheerlijking gezien is. (Lukas 9 : 30, 33) Michaël sprak geen oordeel uit. De positie die de duivel op dat moment had, behield hij. Michaël veranderde niets aan die positie. Wij hebben weinig respect voor de satan, omdat wij hem kennen als de overwonnene. De kop van de slang (de satan) is vermorzeld. In de dagen dat Mozes stierf, was hij nog niet overwonnen. Het stond toen weliswaar al vast dat hij overwonnen zou worden, maar die overwinning was toen nog niet behaald. Daarom werd de satan (nog) met een bepaald respect behandeld, als de overdekkende cherub. (Ezechiël 28 :14) Momenteel is de satan nog niet uit de hemel geworpen. Dat gebeurt pas in de toekomst. (Openbaring 12 :7-9) De satan is nog steeds de overste van de macht der lucht (Eféze 2 : 2) hoewel hij de nederlaag heeft geleden. Het gevolg van die nederlaag is dat hij uit de hemel zal worden geworpen. De Koning, Christus Jezus, is allang bóven hem geplaatst. In de tijd dat Michaël om het lichaam van Mozes streed, was de satan nog niet verslagen. Daarom zei Michaël: “De Here bestrafte u”.

Michaël is de Aartsengel. “Aartsengel” betekent “hoogste engel”. Michaël is de engelen-Vorst over Israël. (Daniël 12 : 1) Israël is de eerste onder de volkeren. Israël is het eerste/hoogste volk. Michaël is de Vorst over Israël. Dé Vorst over Israël is Jezus Christus, de Zoon van David. De Here Jezus Christus staat uiteraard niet onder Michaël, want Hij is vér boven de engelen geplaatst. (Hebreeën 1 :4, 6; vergelijk Psalm 8 : 5-7) De Heer wordt Zelf als “de engel des HEEREN” beschreven. God, Die onzienlijk is, manifesteert Zich als deel uitmakend van een wereld die lager is dan Hijzelf. God openbaart Zich als (in de hoedanigheid van) “engel”. De engel des HEEREN fs de HeerZelf. (Exodus 3 :2,4,7) Michaël is de hoogste engel. De engel des HEEREN is de hoogste engel, want de Heer is de Hoogste. Hij is God in een gedaante die in deze schepping herkenbaar is. Dit houdt in dat de naam Michaël aan de engel des HEEREN wordt gegeven en daarmee dus aan de Heer Zelf. Het enige, wat hiertegen in te brengen is, zijn de woorden, die Michaël hier spreekt: “De Here bestrafte u”. Bij de uitleg van Judas : 9 heb ik gezegd dat Michaël niet Zelf een oordeel uitsprak, maar het oordeel aan de Heer overliet. Als Michaël en de Heer één en dezelfde Persoon is lijkt dat tegenstrijdig, maar dat is het niet, want de uitdrukking “De Here bestrafte u” is aan het Oude Testament ontleend.

1 Daarna toonde Hij mij Jósua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.
2 Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? Zacharia 3:1,2

Jósua was de hogepriester ten tijde van de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Jósua is de Hebreeuwse vorm van de Naam “Jezus”. Deze Jósua is een type van de Here Jezus. In Zacharia 3 :1 wordt eerst “de engel des HEEREN” genoemd. Jósua stond tegenover de engel des HEEREN. Daarnaast is er de satan, die Jósua (de Here Jezus) wil verleiden/verzoe- ken. In Zacharia 3 :2 neemt de HEERE (Jehovah) het woord. Die HEERE is Dezelfde als de engel des HEEREN. Er zijn hier namelijk drie aanwezigen. Jósua en de satan worden hier uiteraard niet met “de HEERE” aangeduid, zodat de HEERE alleen de engel des HEEREN kan zijn. “De engel des HEEREN” kan óók opgevat worden als “de engel, namelijk de HEERE” of “de engel Jehovah”. Dit betekent dat de HEERE (Jehovah) als engel verschijnt. De Heer zegt hier: “De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u”. Deze uitspraak wordt in Judas : 9 geciteerd. Waarom zei Hij niet: “Ik scheld u”? De Heer, Die deze woorden sprak, verscheen in de gedaante van “engel” en daarmee dus in een lagere positie dan die van God Zelf. In de positie van “engel” stond Hij onder de satan. In de hoedanigheid van Jehovah stond Hij boven de satan. Uit de rest van Zacharia 3 blijkt dat het hier niet over Jehovah in de dagen van het Oude Testament gaat. Het gaat hier om de verheerlijkte Christus, Die de Naam boven alle naam heeft ontvangen. (Filippenzen 2 :9) Het gaat dus om de Heer in de dagen van het Nieuwe Testament. God heeft Jezus (Jósua) namelijk gesteld tot Here (Jehovah) en tot Christus. (Handelingen 2 : 36) Dié Heer zou de satan schelden/bestraffen. De Heer in de gedaante van “engel”, zegt: “De HEERE bestrafte u”. De Here Jezus was minder dan een engel. (Psalm 8 :6; Hebreeën 2 :7) De Heer, Die de satan zou schelden/bestraffen, is dus de hoogste. Daaronder staat de Heer in de gedaante van “engel”. In een nog lagere positie staat Jósua (Jezus), namelijk de Here Jezus, Die minder dan de engelen geworden was, omdat Hij mens werd. Hij werd door de satan verzocht. (Lukas 4 :1-13) De hoge onzienlijke God heeft een lagere hoedanigheid aangenomen. In die hoedanigheid verscheen Hij als engel, omdat Hij dat is. Hij vermomde Zich niet! Hij verscheen als mens, werd uit een mens geboren en was mens. Die verschillende hoedanigheden moeten bij gelegenheid uit elkaar gehouden worden. Ze worden soms naast elkaar gezet, waarna ze met elkaar vergeleken worden.

Christus zit aan de rechterhand Gods, vér boven elke overheid, macht, kracht, heerschappij en naam. (Eféze 2 : 20, 21) “Rechterhand” geeft aan dat er eenheid tot stand is gekomen. De meesten plaatsen de satan links. “Links” is het tegenovergestelde van “rechts”, maar “rechts” is niét het tegenovergestelde van “links”. Er kan over “rechts” gesproken worden, zonder dat er sprake is van “links”. In onze dualistische wereld is dat niet mogelijk. Bij God is er sprake van “rechts”, zonder dat er sprake is van “links”. Een voorbeeld hiervan vinden we in Psalm 110:

1 Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat üc Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.
2 De HEERE zal den scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden.
3 Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn.
4 De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.
5 De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns. Psalm 110:1-5

“HEERE” in Psalm 110 : 1 is de vertaling van “Jehovah”. Het wordt in de Statenvertaling altijd geheel met hoofdletters geschreven. “Heere: met gewone letters is de vertalingvan het Hebreeuwse woord “Aa d o n”. In het Hebreeuws komt ook het woord “adonai” voor, dat eveneens met “Heere” vertaald wordt. In Psalm 110 : 1 staat, dat “Aa d o n” aan de rechterhand van Jehovah zit, terwijl in Psalm 110 : 5 staat dat Jehovah aan de rechterhand van “Aa d o n” zit. Het is steeds rechts, omdat het eenheid enverbondenheid aangeeft. “Rechts” of “rechterhand” (Hebreeuws:jaamien) wordt afgeleid van “mien”, dat “van hetzelfde soort” betekent. Het wordt in Genesis 1 vertaald met “naar zijn aard”. (Genesis 1:12, 21, 24, 25) “Zit aan Mijn rechterhand” betekent: “Wij zijn van hetzelfde soort”, “Wij horen bij elkaar”. De Here Jezus Christus zit aan de rechterhand Gods. (o.a. Hebreeën 10 :12) Mensen maken daar een “plaatje” van en zetten God aan de linkerhand van de Here Jezus Christus. Dit is onjuist en onmogelijk. De Here Jezus Christus zit aan de rechterhand van God, hetgeen inhoudt dat Hij God is en op de troon van God zit. Er bestaat bij God geen links. In Zacharia 3 :1 staat dat de satan aan de rechterhand van Jósua staat. Dit betekent dat zij op een bepaalde manier één zijn. Jósua is een type van de Here Jezus, Die als mens deel uitmaakte van de stoffelijke wereld die rechtstreeks met de satan verbonden is. Daarom staat er dat de satan aan de rechterhand van Jósua was.

Michaël betekent “Wie is als God?”. De Here Jezus Christus is het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid en het afschijnsel van Gods heerlijkheid. (Hebreeën 1 : 3) God is een zelfstandigheid/wezen en de Here Jezus Christus is Zijn uitgedrukte beeld. God is Licht (1 Johannes 115) en de Here Jezus Christus is het afschijnsel van dat Licht. Hij is dus Gods beeld en Gods gelijkenis. Hij is de eerste Mens Die dat is! Er is er maar één Die als God is, namelijk de Here Jezus Christus.

De Here Jezus Christus heeft vele tientallen namen en titels. Michaël is één van die namen. Michaël zal in de toekomst opstaan. Momenteel zit Hij op de troon, want Hij is de Vorst. Hij is als God en Hij zit dus op de troon van God. (Matthéüs 23 : 22; Hebreeën 12 : 2) Vooral joden die tot geloof komen trekken de juiste conclusies. Zij concluderen dat Melchizédek de Messias is. Zij concluderen dat Michaël de Messias is. Vanuit het Woord gezien zijn deze conclusies volkomen juist. Christenen komen veel moei- lijker tot dergelijke conclusies, omdat zij eerst van hun theologische ballast bevrijd moeten worden. Als de Here Jezus Christus op de troon zit, is het ondenkbaar dat er bóven Hem en ónder Zijn hemelse Vader nog een engelen-vorst een positie zou hebben. Als Michaël niet Dezelfde is als de HereJezus Christus,zou hij tussen God en de HereJezus Christus instaan. Dat is onmogelijk hetgeen inhoudt dat Michaël Dezelfde is als de Here Jezus Christus. Michaël wordt vervolgens in Judas : 9 genoemd. Hij wordt voor de laatste keer genoemd in Openbaring 12:

En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen. Openbaring 12:7

Het gaat hier om hetzelfde tijdstip als in Daniël 12 :1. Michaël staat aan het hoofd van Zijn engelen. De draak (de satan; Openbaring 12 :9) staat aan het hoofd van een legioen engelen. Ze zijn eikaars tegenstanders. De tegenstander van de satan is Christus, de verhoogde Slang (Johannes 3 : 14), namelijk: Michaël. Die Naam is hier dus de aanduiding van de hemelse Vorst over het aardse Israël. De naam Michaël wordt alleen gebruikt in verband met Zijn relatie tot Israël. In verband met de Gemeente of in verband met de volkeren der aarde wordt deze Naam nooit gebruikt. In Openbaring 12 gaat het over Israël (de vrouw), die het leven geeft aan een mannelijke zoon. (de Gemeente; Openbaring 12 : 5) De mannelijke zoon wordt weggerukt tot God en Zijn troon. Dit is een omschrijving voor de opname van de Gemeente, (vergelijk 1 Thessalonicenzen 4 :13-18) De vrouw zal naar de woestijn vluchten. Dit wijst op het gelovig overblijfsel van Israël, dat vóór het uitbreken van de grote verdrukking naar de woestijn zal vluchten. Gedurende de tweede helft van de 70-ste week van Daniël 9 : 24-27 zal zij in de woestijn bewaard worden. Openbaring 12 spreekt over gebeurtenissen die rond de 70-ste week zullen plaatsvinden. De Gemeente wordt weggerukt tot God en Zijn troon, waarna er krijg (oorlog) in de hemel is. Bij die gelegenheid zal Michaël opstaan. (Daniël 12 :1) De Here Jezus Christus zit nu ter rechterhand Gods. Als de geschiedenis voor Israël verder gaat staat Hij op.

Michaël is de Aartsengel. Die wordt nog een keer genoemd in 1 Thessalonicenzen 4:

13 Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.
14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.
15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.
18 Zo dan, vertroost elkander met deze woorden. 1 Thessalonicenzen 4:13-18

De Aartsengel wordt niet bij name genoemd, omdat het hier niet over Israël gaat. Het gaat in dit gedeelte om de opname (letterlijk: wegruk- king) van de Gemeente. De normale vervulling van de profetie is dat de Heer Israël in de toekomst uit de heidenen zal verzamelen. Hij zal haar in het beloofde vaderland (Kanaan) brengen. De bijzondere vervulling van de profetie is dat de Heer de Gemeente zal verzamelen uit de heidenen. Hij zal de Gemeente naar het beloofde Vaderland (de hemel) brengen. Als de gelovigen van de Gemeente de toekomende verlossing ontvangen, namelijk de verlossing van hun lichaam (Romeinen 8 : 23), dan gebeurt dat door dezelfde Aartsengel. Hij heet Michaël, maar de gelovigen van de Gemeente kennen Hem onder een andere Naam. Doordat de term “aartsengel” gebruikt wordt, wordt er verband gelegd met de profetieën ten aanzien van Israël. De Naam Michaël wordt weggelaten om aan te geven dat het niet over Israël gaat.

In 1 Thessalonicenzen 4 :16 staat, dat de Heer Zelf zal roepen. Hij is de goede Herder (Johannes 10:11) en de schapen (de gelovigen) horen naar Zijn stem. (Johannes 10 : 3, 4) Zij zullen zijn waar Hij is. (Johannes 14 : 3) De Heer roept; de stem van de Aartsengel zal klinken. De Heer fs de Aartsengel. Hij is de Boodschapper en de Koning. Het Hebreeuwse woord voor “koning” is “mèlèg”. Dit woord is verwant met “mal’aag” hetgeen “engel” of “boodschapper” betekent. De koning behoorde een boodschapper te zijn. Hij behoorde de boodschap (het Woord van God) door te geven aan het volk waarover hij gesteld was. De Heer is zowel de Koning als de Boodschapper. Hij is het Woord Gods en Hij is tevens de door God aangestelde Koning. De Heer zal Zelf, met de stem van de Aartsengel, roepen. Dit is hetzelfde als “met de bazuin Gods”. (1 Thessalonicenzen 4 : 16) Geroep, stem en bazuin zijn hier synoniemen. Het gaat om het geluid dat voortgebracht wordt, namelijk de boodschap die klinkt. Er wordt iets gebazuind. Het zijn allemaal synoniemen:

De Heer                   zal  roepen

De Aartsengel        zal  Zijn stem laten horen

God                         zal   bazuinen

Het gaat hier om een drievoudig parallellisme. De Heer is Zelf de Aartsengel, namelijk God. De Aartsengel wordt genoemd, omdat daarmee in de eerste plaats naar de brief van Judas wordt verwezen. Via de brief van Judas wordt naar het boek Daniël verwezen, waar Michaël genoemd wordt in verband met de verlossing van Israël. (Daniël 12 :1) De profetie van de verlossing van Israël wordt óók op de Gemeente toegepast. Israël weet niet Wie de Heer is, maar de gelovigen van de huidige bedeling weten dat wél. Israël weet niet Wie Michaël is, maar de gelovigen van de huidige bedeling weten dat wél. Israël denkt dat er meerdere aartsengelen zijn. De gelovigen van de huidige bedeling kunnen weten dat er slechts één Aartsengel is. Hij is het Woord Gods, het echte Manna, de echte Boodschapper/Engel en de echte Koning Die niet alleen Israël, maar óók de gelovigen van de huidige (vijfde) bedeling zal verlossen.

Michaël – de Aartsengel – is dus de Heer in de hoedanigheid van engel. Dat is een fase lager dan Zijn Goddelijke hoedanigheid. Hij streed met de duivel om het bezit van het lichaam van Mozes. (Judas : 9) Hoe die strijd verliep is niet bekend. Die strijd was wél reëel. De Heer wordt hier Michaël genoemd, omdat het lichaam van Mozes nodig is met betrekking tot de toekomstige bekering/verlossing van Israël. Het nieuwe verbond komt naar het model van het oude verbond. Bij de eerste verlossing van Israël speelde Mozes een belangrijke rol. Bij de definitieve verlossing van Israël zal er een profeet als Mozes verschijnen. (Deuteronomium 18 : 15-18) Deze profetie is uiteraard in de eerste plaats op de Heer Zelfvan toepassing. Een profeet als Mozes is uiteraard ook Mozes zelf. Wie niet naar die profeet luistert zal gedood worden. Mozes zal in de toekomst verschijnen, samen met Elia. (de twee getuigen; Openbaring 11 : 3-6) Mozes had de macht om water in bloed te veranderen en Elia had de macht om het niet te laten regenen. (Openbaring 11 : 6) Mozes en Elia werden bovendien op de berg der verheerlijking gezien. (Matthéüs 17 :3; Markus 9 :4; Lu kas 9 : 33)

Michaël streed om het lichaam van Mozes. Hij bevond Zich in een nederige positie en stond toen nog niet bóven elke overheid en macht, want anders zou Hij niet om het lichaam van Mozes hebben hoeven te strijden.

4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen;
5 En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. Johannes 17:4,5

De Heer vroeg aan de Vader om Hem te verheerlijken met een heerlijkheid die Hij had eer de wereld was. De Heer zegt niet: “de heerlijkheid die Ik had eer Ik mens werd”. De Heer verloor dus heerlijkheid bij het tot stand komen van deze wereld. Dat gebeurde niet bij Zijn menswording, maar veel eerder. De Heer verloor heerlijkheid toen Hij de oude gevallen wereld (van Genesis 1:2) maakte tot wat zij nu is. Het was een herstel van iets dat feitelijk helemaal niet te herstellen was. Het was geen eervolle (heerlijke) aangelegenheid. Integendeel! Toen de Heer de herschepping tot stand bracht (vanaf Genesis 1:3) was dat voor Hemzelf geen eervolle aangelegenheid. Die wereld die door God Zelf geoordeeld was, werd door Hemzelf weer “hersteld”, hetgeen voor Hemzelf niet eervol was. Toen Hij de wereld herstelde, ging Hij met die wereld mee opdat die zondige wereld alsnog tot God gebracht zou kunnen worden. Dat ging ten koste van de Here Jezus, Die daarvoor de verantwoordelijkheid gedragen heeft. Op grond daarvan heeft Hijzelf de straf der zonde aan het kruis van Golgotha moeten dragen.

God heeft deze wereld uit een gevallen wereld tot stand gebracht. Diezelfde God heeft Zich ook verantwoordelijk voor deze wereld gesteld.

Daarmee heeft Hij heerlijkheid opgegeven, omdat Hij Zich verontreinigd heeft met de onreinheid van deze wereld. Daarom moest Hijzelf gereinigd worden en heeft Hij een nieuw kleed ontvangen. (Zacharia 3 : 3-5) Het werk van de zeven dagen is voor de huidige mensheid heel prettig geweest, maar voor de Heer Zelf helemaal niet. Hij heeft Zichzelf daarmee feitelijk ontwijd.

13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.
14 En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest. 1 Timótheüs 2:13,14

Hieruit concluderen we terecht dat Eva verleid werd en dat Adam vervolgens de kant van Eva gekozen heeft. Hij nam het voor zijn vrouw op en is met haar meegegaan. Dat deed hij niet, omdat dit zo’n verstandige beslissing was, maar omdat hij een beeld is van de Here Jezus. De Heer heeft Zich over de schepping ontfermd, opdat Hij die schepping tot God terug zou kunnen brengen. Dit is uiteraard de helft van het verhaal, want wie Zijn offer afwijst, gaat ten verderve. De Heer heeft in onze plaats de straf gedragen. Dat kon alléén, omdat Hij Zich verantwoordelijk gesteld had. Dit geeft ons echter wel de verantwoordelijkheid om dat offer te aanvaarden en daaruit te leven. De Heer is het Lam Dat geslacht is vóór de nederwerping der wereld. (Openbaring 13 :8) Vóór de aarde woestheid en ledigheid werd (in Genesis 1 : 2) had God Zijn plan klaar omtrent het Lam ten brandoffer. Het Lam kwam om Zijn wil te volbrengen. (Hebreeën 10 :17-9) Toen de Heer verscheen, was Hij de vernederde Heer. De Heer zag om naar de wereld en Hij verbond Zich met de wereld. Hij werd uit de mens geboren, in gelijkheid aan het zondige vlees (Romeinen 8 :3) opdat die zonde in Zijn vlees geoordeeld zou kunnen worden. Toen de Heer in oudtestamentische tijden verscheen, was Hij niet verheerlijkt, maar vernederd. Hij was weliswaar hoger dan de mens, maar van God uit gezien, was Hij vernederd. Jehovah is dus de Naam van de God in vernedering. Vanuit deze lage positie voerde Hij een strijd met de duivel (de dooréén- werper). Vanuit die positie durfde Hij geen oordeel van lastering tegen de duivel voort te brengen. (Judas : 9) In de toekomst zal Hij wel degelijk een oordeel brengen. Dat is echter niet vanuit een vernederde positie, maar juist vanuit een verhoogde positie.

In oudtestamentische tijden was de satan de god dezer eeuw (2 Korinthe 4 :4), de overste van de macht der lucht. (Eféze 2 : 2) In nieuwtestamentische tijden is hij dat eigenlijk nóg, maar sinds de opstanding kennen we de Heer, Die bóven hem geplaatst is. De Heer demonstreert dat in de praktijk echter niet, want de satan treedt nog steeds op als de god dezer eeuw en de overste van de macht der lucht. Pas in de toekomst zal het oordeel over de satan worden uitgevoerd en zal hij uit de hemel worden geworpen. (Openbaring 12 :7-9)

Toen Michaël en de duivel om het lichaam van Mozes streden, was de satan in rang eigenlijk hóger dan Michaël. Michaël durfde geen oordeel van lastering voort te brengen, omdat de mindere de meerdere niet lastert of oordeelt. Hij kende Zijn plaats en Hij hield Zich daaraan. Deze gedachte vinden we in alle Paulinische brieven terug. De gelovige hoort niet wijs te zijn boven hetgeen hij wijs behoort te zijn. (Romeinen 12 : 3) De gelovige behoort nu niet te heersen. (1 Korinthe 4 : 8) De gelovigen zullen wel heersen, maar dat ligt nog in de toekomst. Nu zijn zij “aller afschrapsel”. (1 Korinthe 4 :13) Iedereen behoort zich aan de machten die boven hen gesteld zijn te onderwerpen. (Romeinen 13 :1) Dit wordt speciaal aan gelovigen geschreven. Zolang de gelovigen op aarde zijn, zijn zij aan de menselijke overheid onderworpen, want zij staat boven hen. Judas : 9 is een citaat uit Zacharia 3:

Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? Zacharia 3:2

Uit dit vers blijkt dat Michaël de Heer is! Door de opstanding is Hij vér boven elke overheid, macht, kracht, heerschappij en naam gesteld. (Eféze 1 : 20, 21) In de toekomst zal Michaël opstaan en tegen de draak (satan) strijden. Bij die gelegenheid zal de satan uit de hemel worden geworpen. (Openbaring 12 : 7-9) In het verleden is dat niet gebeurd, want dat was onder het oude verbond. In de toekomst vindt de strijd onder het nieuwe verbond plaats en zal het wél gebeuren. Deze strijd heeft ongetwijfeld onder het oude verbond plaatsgevonden. Dit blijkt uit het feit dat Mozes in zijn (verheerlijkte) lichaam op de berg der verheerlijking verscheen, hetgeen onder het oude verbond plaatsvond. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de Heer belang heeft bij de lichamen van mensen. Wanneer erin de opstanding lichamen van gelovigen zijn, dan zullen die lichamen opstaan. Dat is niet omdat God die lichamen nodig heeft, maar omdat uit de Bijbel blijkt dat God het op die manier doet. Als er geen lichaam is, dan heeft God dat ook niet nodig. Er is om het lichaam van Mozes gestreden. De enige logische conclusie die daaruit getrokken dient te worden is dat Mozes bij die gelegenheid is opgestaan. De Heer is geen Bewaarder van dode lichamen. Mozes is niet op aarde en evenmin in het dodenrijk, want in dat geval had zijn lichaam in het graf kunnen blijven. Dit betekent dat hij in de hemel is. Ditzelfde geldt vervolgens voor Elia, maar hij is niet eens gestorven. Hij is direct naarde hemel gegaan en dat is zeer bijzonder. Beide zijn uitzonderingen op de regel.

Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich. Judas: 10

Michaël bracht geen bestraffing voort tegen degene, die bóven Hem gesteld was. Als Michaël dat niet deed, dan zou de mens dat evenmin behoren te doen. De mens zou zijn plaats behoren te weten en in afhankelijkheid van de positie die de Heer hem gegeven heeft behoren te leven. De positie van Michaël was toén lager dan die van de duivel, maar in de toekomst zou Hij bóven de satan worden geplaatst. Die toekomst is inmiddels allang begonnen. De positie zou veranderen, maar op Gods tijd. Daarom is het van belang om de tijd(en) van God te kennen. De gelovige dient de zaken van God te leren verstaan. Tevens dient hij te leren om daarvrede mee te hebben. De dingen die in het voorafgaande van de brief van Judas genoemd zijn, hebben allemaal dezelfde strekking. Men werd zijn positie/beginsel ontrouw. Men heeft zich begeven op terreinen, waarop men zich niet moest begeven. Men heeft zich hóger voorgedaan dan men was en men heeft gemeenschap gehad met dingen waartoe men helemaal niet behoorde. Men heeft elk normbesef verloren. Als voorbeeld wordt Michaël genoemd, Die Zijn positie niet overschatte. Hij wist dat Zijn tijd pas in de toekomst zou komen.

“Dezen” zijn de “sommige mensen” uit Judas : 4. Ze lasteren hetgeen zij niet (willen) weten. Hun onkunde wordt gebruikt om te lasteren. Hetgeen zij van nature – als de onredelijke dieren – weten; daarin verderven zij zich. Dit betekent dat zij zich tegennatuurlijk gedragen en daardoor in het verderf komen. Dit werd reeds in Judas : 6 en 7 gezegd. Bepaalde dingen hoeft men een mens niet te vertellen, omdat hij die van nature weet (instinct). Dit komt omdat hij in zekere zin een “dier” is. Hij is echter méér dan dat. Hij is geen onredelijk (redeloos), maar een redelijk dier. Dit betekent dat hij niet alleen “vlees” is, maar ook “rede” (verstand) heeft. De mens gebruikt zijn inventiviteit (vindingrijkheid) om de dingen die hij van nature heeft/kent te misbruiken. Daardoor is hij niet méér dan een dier, maar minder. Hij heeft net als een dier een instinct, waarmee hij een heel eind komt. Bovendien heeft hij verstand, maar als hij zijn verstand gebruikt om zijn instinct een andere kant op te drukken en om zijn mogelijkheden verkeerd te gebruiken, dan wordt hij minder dan een dier. Hetgeen men van nature weet, gebruikt men tot hun eigen verderf. Een mens kan niet ongestraft zondigen. Men kan natuurlijk de natuurlijke dingen misbruiken, maar men zal de gevolgen daarvan (in het eigen leven en denken) dragen. Men komt van kwaad tot erger. De mensen van Sódom en Gomórra gebruikten hun verstand om allerlei onreinigheid te bedrijven. (Judas :7,8) Ze maakten misbruikt van de dingen en hebben de gevolgen daarvan moeten dragen.

We leven nu in dagen die qua omstandigheden volledig overeenkomen met de na-dagen van het Romeinse rijk. Ik heb het niet over christendom of over de wet, maar over de natuur. Alle normen die in de natuur gelden zijn er door God ingelegd. Ik heb het nu dus niet over opgelegde normen. Alle normen, die in de natuur gelden, worden met voeten getreden. Men kent die normen niet en wil ze ook niet kennen. Het gevolg daarvan is een samenleving, zoals we die nu kennen. Iedereen klaagt omdat het zo slecht gaat. Dat komt omdat men de normen van de natuur met voeten treedt. Ik bedoel dit nu los van het geloof. Men leeft in strijd met wat de mens van nature weet en kent. Men doet dat bewust. Men gebruikt de lankmoedigheid/genade van God om alle onreinigheid gieriglijkte bedrijven. (Eféze 4 :19) Men wil zelf uitmaken hoe men leven wil, wat inhoudt dat men iets anders moet bedenken dan het instinct (de natuur) ingeeft. Dat vindt men te gewoon en ouderwets. Alles moét anders zijn dan het vroeger was. Het resultaat is alléén verderf! Dit loopt parallel met 2 Petrus 2:12.

12 Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden; 2 Petrus 2:12

De verdorvenheid die Judas en Petrus beschrijven is verschillend. De verdorvenheid van Judas : 10 wijst op het oordeel over de gehele mensheid; de natuurlijke mens in het algemeen. De verdorvenheid van 2 Petrus 2 : 12 heeft betrekking op gelovigen.

Wee hen, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaam zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan. Judas: 11

“Wee hen” geeft aan dat het oordeel zal komen. Dit oordeel wijst op het ene, algemene oordeel dat over de gehele schepping en over de gehele mensheid zal komen. Dit oordeel staat los van bedelingen. Elke goddeloze zal onder het oordeel komen. Wanneer dat oordeel komt, vermeldt Judas niet. Het slaat in ieder geval op het oordeel op de Jongste Dag. Daarom wordt Henoch aangehaald. (Judas : 14,15) Er worden drie dingen genoemd en daarbij wordt een persoon uit de Bijbel als voorbeeld aangehaald. Het zijn personen uit het Oude Testament, namelijk Kaïn, Bileam en Korach. Bij deze personen wordt iets vermeld:

de weg van                          Kaïn

de verleiding van               Bileam

de tegenspreking van       Korach

De weg van Kaïn

Kaïn wordt hier als voorbeeld genomen voor de mens; sinds de eerste komst van Christus. Daarvan is Kaïn een type. De mensheid wordt geacht de weg van Kaïn te zijn gegaan. De weg van Kaïn geeft aan waar hij heenging. Kaïn wist zelf niet waar hij heenging. Hij zou zwervende en dolende zijn. (Genesis 4 :14) De mens vraagt zich voortdurend af waar hij heengaat en waar alles op uit zal lopen. Dit komt omdat hij ooit de verkeerde weg is ingeslagen. De weg van Kaïn is in de eerste plaats de weg van de eigenzinnige godsdienst. Kaïn is bekend van de moord op zijn broer Abel. Hij vermoordde hem, omdat zijn broer een offer bracht dat door de Heer werd aangenomen. Daardoor werd hij zó kwaad dat hij Abel vermoordde. Kaïn was wél een godsdienstig (religieus) man en hij geloofde in God. Hij wist dat God bestond en hij zag dat ook. Kaïn en Abel hadden veel dingen gemeen. Ze waren beiden godsdienstig. Ze brachten beiden de eerste vruchten van hun arbeid in een offer aan de Heer. De Heer nam een verschil waar. Het offer van Kaïn werd naar eigen goeddunken gebracht, terwijl Abel een offer bracht in overeenstemming met Gods wil. Abel was schaapherder en hij bracht de eerste vruchten van zijn arbeid, namelijk de eerstgeborenen van zijn schapen en van hun vet. Dit offer was in overeenstemming met de voorschriften van God en Hij nam dit offer aan. Kaïn was landbouwer en hij bracht een offer van de vrucht des lands. (Genesis 4 : 2, 3) Dit was niet in overeenstemming met de voorschriften van God en Hij nam zijn offer niet aan.

God heeft voorschriften ten aanzien van altaren en offers gegeven. Bovendien geschiedt zonder bloedstorting geen vergeving. (Hebreeën 9 : 22) In de Bijbel worden geen voorschriften vermeld die aan Kaïn en Abel zijn gegeven. In het Oude Testament komen er on-bloedige offers voor. (o.a. Exodus 40 : 29; Leviticus 2; Numeri 15 : 4) Die offers werden echter

gebracht op grond van andere (bloedige) offers, die eerder gebracht waren. Kaïn bracht een on-bloedig offer. De mens is de weg van Kaïn ingegaan. Dit is een verwijzing naar de eigenzinnige, zelfbedachte godsdienst, waarmee men meent God te kunnen dienen. Daarmee dient God tevreden te zijn. Het kenmerk van vele godsdiensten is een bloedig offer. Het christendom is echter een richting ingeslagen, waarbij bloed helemaal geen rol meer speelt. Men heeft zelfs een afkeer van dat Jezus van Nazareth Zijn bloed stortte tot vergeving der zonden. Men heeft zelf een religie gemaakt.

Kaïn is ook een type van Israël. Kaïn houdt verband met Kana en Kanaan. Kaïn was de eerste zoon, de eerstgeborene. Daarmee is hij een beeld van Israël. Kaïn vermoordde Abel, hetgeen een voorafschaduwing is van de moord op de Here Jezus. Abel is een type van de Here Jezus Christus. Kaïn was zwervende en dolende, hetgeen een omschrijving is van Israël in onze dagen. Het volk Israël zwerft over de aarde en heeft geen thuis. Bovendien kan het volk Israël nooit uitgeroeid worden. Men zou Kaïn willen doden. Het belangrijkste kenmerk van Kaïn werd dat hij niet gedood kon worden:

14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kaïn; dat hem niet versloeg al wie hem vond. Genesis 4:14,15

Men meent vaak dat Kaïn een merkteken had, waardoor men hem niet kon doden. Dit is onjuist. Het merkteken was dat hij niet gedood kon worden. Kaïn leefde terwijl hij feitelijk dood had moeten zijn. Ditzelfde geldt voor Israël. Israël had naar de mens gesproken, allang uitgeroeid moeten zijn. Israël, noch het jodendom, noch de tien stammen, is/zijn echter uitgeroeid. De weg van Kaïn is tevens de weg van het ongelovige Israël dat de Heer heeft afgewezen. Israël is wel godsdienstig, maar op een zelfbedachte manier. Van nature zou men moeten weten dat als er een God is men zich aan die God zou moeten onderwerpen. Men weet dat er een God is en men vindt dat die God Zich aan de mens moet onderwerpen. God dient tevreden te zijn met hetgeen de mens Hem toeschuift. De mens wil God wel dienen, maar slechts op de manier die de mens zelf uitkiest en God moet daar genoegen mee nemen. Paulus legt uit dat God niet door mensenhanden gediend kan worden. (Handelingen 17 : 24, 25) Bij Kaïn speelde zijn jaloezie een belangrijke rol. Hij kon niet verdragen dat zijn broer door God béter geacht werd dan hijzelf. Israël heeft met name in onze dagen moeten leren dat er talloze dingen zijn die béter zijn dan die van Israël zelf. God heeft de Gemeente geroepen om Israël tot jaloersheid te verwekken. (Deuteronomium 32 : 21; Romeinen 10 :19; 11 :11). Het is daarom niet verwonderlijk dat de eerste christenvervolgingen door joden in gang werden gezet. Dit principe geldt overigens voor de gehele mensheid. De mens is jaloers. De mens verdraagt het niet dat God béter weet wat er gebeuren moet dan de mens zelf. De mens wil zélf uitmaken wat het beste voor hem is. Dat is de weg van Kaïn.

Het loon van Bileam

5 Die zond boden aan Büeam, den zoon van Beor, te Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.
6 En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is mach- tiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wien gij zegent, die zal gezegend zijn, en wien gij vervloekt, die zal vervloekt zijn.
7 Toen gingen de oudsten der Moabieten, en de oudsten der Midianieten, en hadden het loon der waarzeggingen in hun hand; alzo kwamen zij tot Büeam, en spraken tot hem de woorden van Balak.
8 Hij dan zeide tot hen: Vernacht hier dezen nacht, zo zal üc ulieden een antwoord wederbrengen, gelijk als de HEERE tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten der Moabieten bij Büeam.
9 En God kwam tot Büeam en zeide: Wie zijn die mannen, die bij u zijn?
10 Toen zeide Büeam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende:
11 Zie, er is een voHc uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht des lands bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik tegen hetzelve kunnen strijden, of het uitdrijven.
12 Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.
13 Toen stond Bileam des morgens op, en zeide tot de vorsten van Balak: Gaat naar uw land; want de HEERE weigert mij toe te laten met ulieden te gaan.
14 Zo stonden dan de vorsten der Moabieten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan.
15 Doch Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en eerlijker, dan die waren;
16 Die tot Bileam kwamen, en hem zeiden: Alzo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet beletten tot mij te komen!
17 Want ik zal u zeer hoog vereren, en al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik doen; zo kom toch, vervloek mij dit volk!
18 Toen antwoordde Bileam, en zeide tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des HEEREN mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.
19 En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de HEERE tot mij verder spreken zal.
20 God nu kwam tot Bileam des nachts, en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij dat doen, hetwelk Ik tot u spreken zal.
21 Toen stond Bileam des morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab.

36 Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad der Moabieten, welke aan de landpale van de Arnon ligt, die aan het uiterste der landpale is.
37 En Balak zeide tot Bileam: Heb ik niet ernstiglijk tot u gezonden, om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren?
38 Toen zeide Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigszins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken. Numeri 22:5-21, 36-38

Bileam wilde een vloek over Israël uitspreken. In plaats daarvan sprak hij een zegening over Israël uit en profeteerde hij over het herstel van Israël. (Numeri 23 en 24) Bileam profeteerde:

15 Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Büeam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!
16 De hoorder der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die het gezicht des Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden.
17 Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.
18 En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; doch Israël zal kracht doen.
19 En er zal één uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen. Numeri 24:15-19

Hij profeteerde dat het koningschap over Israël zou komen, “maar nu niet”, (vers 17) Het koningschap zou komen, maar het zou een bepaalde tijd duren. Daarmee verwijzen deze profetieën ook naar de tijd waarin wij leven. Bileam leerde een manier om Israël ten onder te laten gaan. (Numeri 31 :16) Israël zou een overeenkomst met andere volkeren moeten sluiten, want daaraan zou het volk ten gronde gaan. Dit principe is juist. Daarom heeft de Heer Israël altijd verboden om een verbond met een ander volk aan te gaan. Als Israël een verbond met een ander volk zou aangaan, zou het haar eigen identiteit kwijtraken. Wanneer er een vermenging optreedt tussen Israël en een ander volk, treedt assimilatie op. Israël verliest daardoor haar identiteit en daarmee is dat andere volk van Israël af. Bij Israël heeft het echter nooit gewerkt. Israël is altijd verstrooid geweest onder de volkeren, maar Israël bestaat nog steeds. Het proces van assimilatie heeft nog nooit gewerkt.

Bileam leerde dat de heidenen en Israël zich met elkaar moesten verbinden, want daar zouden beide partijen beter van worden. Wanneer men zich met elkaar zou vermengen, zou alle vijandschap vanzelf verdwijnen. Dit is overigens ook het principe van deVerenigde Naties. Bileam predikte dit, omdat hij daarmee zijn geld verdiende. Daarom wordt hier in Judas : 11 over het loon van Bileam gesproken. Hij was uit op financieel voordeel. Dit principe geldt trouwens ook binnen de politiek en veelal ook binnen evangelisch Nederland. Men komt met allerlei wind der leer, door bedriegerij der mensen, om listig tot dwaling te brengen. (Eféze 4:14) Men doet dat slechts om er zelf beter van te worden. Vanuit die gezindheid dwaalt men af van de Heer. Bileam predikte een compromis met de wereld. Het ging hem daarbij slechts om zijn eigen gewin. In de toekomst zal er een verbond gesloten worden tussen de ongelovige joodse staat (“de velen”; Daniël 9 : 27) en de heidense volkeren; vanuit Babel geregeerd. Uiteindelijk zal men de methode van Bileam dus alsnog toepassen. Israël zal met de heidenen een verbond sluiten, waardoor een heidense vorst de macht in Israël zal krijgen. Dan zal Israël haar identiteit verliezen. Op dat moment zal Michaël opstaan (Daniël 12 :1) om alsnog de scheiding tot stand te brengen. De vijfde bedeling – vanaf de opstanding van Christus – kenmerkt zich door een streven naar eenheid en harmonie in de wereld. Men wil slechts eenheid om er zelf beter van te worden. Overal worden verbonden gesloten en alle grenzen moeten verdwijnen. Men wil eenheid der volkeren, maar men heeft het nooit kunnen bereiken. In de toekomst zal men dat doel bijna bereiken, maar op dat moment zal de Heer Zelf tussenbeide komen. Hij zal Zijn eenheid tot stand brengen.

De naam Bileam wordt in het Nieuwe Testament naar het Grieks vertaald en hij heet dan Nikolaüs. Zijn aanhangers worden Nikolaïeten genoemd. (Openbaring 2 : 6,14,15) Het gaat over degenen die een compromis sluiten, waardoor de gelovigen met de ongelovigen van de wereld verbonden worden. Het gaat om de leer van de eenheid tussen kerk en wereld. Dat is de leer van de Nikolaïeten, namelijk van Bileam. Beide namen betekenen hetzelfde, namelijk: “overwinnaar van het volk”. Het geeft aan dat hij de macht over het volk heeft. Hij onderdrukt het volk door hen te compromitteren (in opspraak te brengen). In onze dagen vindt hetzelfde plaats. Sinds de eerste komst van Christus is er eerst christenvervolging geweest. Dit heeft niet zo lang geduurd, want toen het christendom de staatsgodsdienst van het Romeinse rijk werd, toen deed het principe van Bileam weer zijn intrede. Kerk en wereld werden één. Sommige namen van Romeinse góden zijn veranderd, doordat er “Sint” voor is gezet. Het christendom werd gecompromitteerd en verviel feitelijk tot het heidendom. Het christendom werd dus van binnenuit vernietigd. Dit is een zeer bekende opvatting binnen de officiële christelijke kerken. Prof. Aalders heeft er onder andere een boek over geschreven: “De grote vergissing”. Het is de grootste vergissing die de kerk ooit gemaakt heeft.

De tegenspreking van Korach

De naam Korach betekent “stoutmoedig”, (vergelijk 2 Petrus 2 :10) Korach was een tegenspreker. Hij kwam tegen Mozes in opstand:

1 Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben.
2 En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israëls, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam
3 En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aaron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?
4 Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.
5 En hij sprak tot Korach, en tot zijn ganse vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal de HEERE bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, dien Hij tot Zich zal doen naderen; en wien Hij verkoren zal hebben, dien zal Hij tot Zich doen naderen.

12 En Mozes schikte heen, om Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!
13 Is het te weinig, dat gij ons uit een land, van melk en honig vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat gij ook uzelven ten enenmaal over ons tot een overheer maakt?
14 Ook hebt gij ons niet gebracht in een land, dat van melk en honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult gij de ogen dezer mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen!
15 Toen ontstak Mozes zeer, en hij zeide tot den HEERE: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet een ezel van hen genomen, en niet een van hen kwaad gedaan.

19 En Korach deed de ganse vergadering tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent der samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid des HEEREN aan deze ganse vergadering.

28 Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de HEERE mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.
29 Indien deze zullen sterven, gelijk alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar aller mensen bezoeking, zo heeft mij de HEERE niet gezonden.
30 Maar indien de HEERE wat nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner is, en zij levend ter helle zullen nederva- ren; alsdan zult gij bekennen, dat deze mannen de HEERE getergd hebben.
31 En het geschiedde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aardrijk, dat onder hen was, gekloofd;
32 En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en alle mensen, die Korach toebehoorden, en al de have.
33 En zij voeren neder, zij en alles wat hunner was, levend ter helle; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden der gemeente. Numeri 16:1-5,12-15,19,28-33

Korach kwam in opstand tegen Mozes en daarmee kwam hij in opstand tegen de Heer. Mozes was namelijk door de Heer Zelf aangesteld. Korach bestreed niet alleen het gezag van Mozes. Hij was ongetwijfeld jaloers, evenals Kaïn. Korach wilde graag de positie van Mozes hebben. De leider van Israël was echter niet via democratische wijze aangesteld. De Leider van Israël was de Heer Zelf. Hij was het die Israël verwekt had. De Heer stelde Mozes aan om het volk uit de slavernij van Egypte te verlossen. Later stelde God een Profeet als Mozes aan om het volk te verlossen, namelijk de Here Jezus. Toen Israël onder de wet in slavernij was en daaruit verlost moest worden, stuurde God de Here Jezus om haar te verlossen. Hij zou Israël uit het diensthuis leiden. Israël zei echter: “Wij willen niet dat Deze over ons Koning zij.” (Lukas 19 :14) Daarmee deed ze precies hetzelfde als Korach. Er Is geen andere Koning of Verlosser! Er is slechts één verlossing en die is in Christus Jezus. (Romeinen 3 : 24) God heeft Hem aangewezen! Mozes is een type van Christus.

In het Nieuwe Testament komt Korach alleen in Judas : 11 voor. Hij is een beeld van degenen die de heerschappij van de enige Heerser verloochenen. (Judas : 4) Korach verdween in “de breuk”. De aarde opende zich en hij (en de zijnen) verdwenen in de aarde. Kaïn, Bileam en Korach zijn een beeld van de mensheid. Allen die de enige Heerser niet erkennen, zullen van de aardbodem verdwijnen. Als de Heer in de toekomst verschijnt, zullen de ongelovigen van de aarde worden weggenomen, (vergelijk Matthéüs 24 : 40, 41) Ze verdwijnen naar het dodenrijk. Deze drie personen zijn kenmerkend voor de mensheid die geen gebruik maakt van de genade en de lankmoedigheid van God. In 2 Petrus 2 :15 wordt alleen Bileam genoemd:

Die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Balaam, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft; 2 Petrus 2:15

In Judas : 11 wordt de weg van Kaïn genoemd, terwijl in 2 Petrus 2 : 15 vermeld wordt dat men “de rechte weg” verlaten heeft. Men is verdwaald en volgt de weg van Bileam. Petrus zegt dus dat deze personen op de rechte weg waren, maar die verlaten hebben. Judas deelt slechts mede dat men de weg van Kaïn is ingegaan. We dienen er niets bij te bedenken door te zeggen dat ze eerst op een andere weg zijn geweest en pas later de weg van Kaïn zijn ingegaan. Dit staat er allemaal niet en we behoren het daarom niet zo te lezen. De mensheid gaat de weg van Kaïn. Petrus spreekt over wedergeboren mensen. Zij waren op de rechte weg, maar hebben die weg verlaten. Zij keren als het ware terug naar Egypte.

12 Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld.
13 Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. Judas: 12,13

In deze twee verzen wordt een nadere omschrijving van Kaïn, Bileam en Korach gegeven en uiteraard ook van degenen die denken en handelen zoals zij deden. “Zij zijn vlekken in uw liefdemaaltijden,…” Een maaltijd is een uitbeelding van gemeenschap. “Liefde” is dat eveneens. Zij zijn vlekken, wat aangeeft dat zij de gemeenschap verontreinigen. Zij horen er niet in thuis. Gelovigen hebben met hen niets te maken en zij dienen zich verre van hen te houden. De Schrift leert dat de gelovige zich verre dient te houden van degenen die zich niet aan het Woord van God en aan de heerschappij van Christus onderwerpen. Gelovigen dienen zich verre te houden van degenen die Christus niet als de enige Heerser erkennen. Degenen die Hem afwijzen hebben namelijk andere dingen die in hun leven heersen. Er staat niet dat gelovigen hén verre van zich moeten houden. Er staat dat de gelovigen zich verre van hen moeten houden! Gelovigen gooien niet iemand buiten de gemeente, maar zij stappen er zelf uit. De gelovige heeft de verantwoordelijkheid om de Heer te erkennen en in gemeenschap met Hem te leven. In die verantwoordelijkheid is niemand anders betrokken. Als hij daarbij gehinderd wordt, dient hij zich aan die hindering te onttrekken, (vergelijk bijvoorbeeld 1 Korinthe 5) Dit betekent dat hij zich in zijn dagelijks leven daar verre van houdt. Als zij met gelovigen ter maaltijd zijn, wijden zij zichzelf zonder vrees. Als zij gemeenschap met gelovigen hebben, doen zij dat alleen voor zichzelf. Als de gelovige ergens in gemeenschap is, is dat niet slechts voor zichzelf, maar is dat juist ter wille van de ander. Voor de gelovige zelf is het niet noodzakelijk, maar hij doet dat met name ter wille van de ander, met wie hij in gemeenschap treedt. Deze mensen, die de enige Heerser niet erkennen, wijden niet de ander, maar zichzelf. Ze doen dat zonder vrees, namelijk onbelemmerd en ongeremd. Ze doen dat met alle vrijmoedigheid en vrijpostigheid. Ze komen alleen voor zichzelf en in de praktijk zijn ze ingeslopen (Judas : 4) omdat ze misbruik willen maken van de vrijheid en ook van de gastvrijheid van de gelovige. Voor de gelovige is dat geen kwalijke zaak, want wanneer hij iets geeft, doet hij dat als “aan de Heer”. Waar vrijheid is, wordt die vrijheid altijd misbruikt door degenen die op eigen voordeel uit zijn. Ze verstoren daarmee de gemeenschap en daardoor lasteren zij. (Judas : 10)

“… ze zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden;…” Men ziet uit of er al een wolk komt, want een wolk brengt regen. Als wolken geen regen brengen hadden ze er beter niet kunnen zijn. Waterloze wolken zijn holle vaten. Ze worden door de winden omgedreven. Dit zijn dezelfde winden als de wind die genoemd wordt in Eféze 4:

 Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen Eféze 4:14

“Wind van leer” is leerstellige wind/stroming. Door die stromingen worden zij omgedreven. Dit gebeurde ook met Kaïn. Hij werd alle kanten op gedreven, behalve de goede. Hij was voortdurende dwalende. Binnen evangelisch Nederland komt hetzelfde voor. In de loop der jaar komen er allerlei stromingen voor. Steeds steekt iets “nieuws” de kop op, hoewel het nooit iets nieuws blijkt te zijn. Iedereen moet er hoog nodig achteraan, maar het leidt tot niets. Als het ene geweest is, komt er weer iets anders, waardoor iedereen de andere kant op “waait”. In de wereld geldt uiteraard hetzelfde principe. Er komt steeds weer iets “nieuws” waardoor de mensheid voortgedreven wordt. Er is nooit rust. Men blijft ermee bezig totdat het uit de mode raakt, waarna er weer iets anders voor in de plaats komt. Het zijn slechts dingen die de mens in beweging zet en houdt. Degenen die het “bedenken” doen dat alleen ter wille van eigen voordeel. Het enige houvast voor de mens is het Woord van God. Dat is zeer vast en bovendien levend en eeuwig blijvend, (1 Petrus 1 : 23, 25) De inhoud van de Bijbel verandert nooit. Het is tijdloos en onveranderlijk. De Bijbel past zich niet aan de omstandigheden van de mens aan. De vloek waaronder de mens leeft, is dat hij in duisternis leeft en absoluut niet weet waarheen hij onderweg is. Hij zoekt waarin hij gevangen zit, maar hij komt er nooit uit. De mens wordt met allerlei dingen beziggehouden, maar dat zijn niet de belangrijke, essentiële dingen. Zulke mensen zijn om de gelovigen heen; niet alleen in een ongelovige wereld, maar ook binnen de christelijke gemeenschappen. Over dit laatste verschijnsel spreekt Petrus:

13 En zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn;
14 Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking;
15 Die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Balaam, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft;
16 Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd.
17 Deze zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.
18 Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden des vieses en door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen;
19 Belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt. 2 Petrus 2:13-19

Petrus gebruikt hier nagenoeg dezelfde woorden, maar hij spreekt niet over ongelovigen, maar over gelovigen. Dergelijke zaken zijn zelfs binnen de christelijke gemeenschap binnen gedrongen.

“… ze zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, ontworteld;” In de herfst vallen de bladeren van de bomen. Het zijn onvruchtbare bomen, die zelfs door de herfststormen ontworteld worden. Er blijft niets van over. Het eerste deel van Judas : 12 komt overeen met 2 Petrus 2 :13 Het tweede deel van Judas :12 komt overeen met 2 Petrus 2 :17. “Waterloze wolken” komen overeen met “waterloze fonteinen”. Beide teksten spreken over een bepaald oordeel. In Judas : 12 wordt gezegd dat men tweemaal verstorven is. In 2 Petrus 2 :17 wordt gezegd dat er eeuwige duisternis en donkerheid voor deze personen wordt bewaard. Er wordt niet over versterven gesproken en dus zéker niet over tweemaal versterven. Dat zijn zij namelijk ook niet, omdat dat niet mogelijk is. Een gelovige is éénmaal gestorven en dat hij leeft, dat leeft hij Gode. (Romeinen 6 : 10) Zijn werken zullen verbranden, maar hijzelf blijft behouden. Hij kan niet tweemaal sterven.

Judas : 12 spreekt over de ongelovige mensheid. Zij is reeds dood door de dood van de Here Jezus. Het oordeel is principieel over de wereld gekomen. De mens heeft het leven, dat sinds Zijn dood tot stand gebracht is, afgewezen en zijn einde is daarom de tweede dood. (Openbaring 20 : 14) Sommigen draaien dit vers volledig om. Zij zeggen: “Een gelovige is reeds gestorven en weer levend geworden. Als hij goddeloos leeft, sterft hij nogmaals.” Dit is onmogelijk! Een gelovige komt nooit in de tweede dood! Judas spreekt niet over gelovigen, maar over ongelovigen. Het einde van de ongelovige is de tweede dood. “Ze zijn wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende;…” Dit is een oud Bijbels beeld. De zee is een beeld van de volkeren, (o.a. Openbaring 17 :15) De volkeren woeden:

1 Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. Psalm 2:1-3

Het gaat om ontembare krachten van de zee die bedwongen moeten worden. Waarom woeden de zeeën? Waartoe dient het? Ze gaan maar tekeer. Zó is de wereld. Er wordt enorm veel energie verspild, maar het leidt tot niets. De mens is met van alles bezig, maar het heeft geen enkele opbouwende functie. Bovendien is het totaal niet ontspannend. De meeste mensen en helaas ook de meeste gelovigen houden zich met zaken bezig die tot niets leiden. Het is de werking van de zonde en leidt tot verderf. De mens probeert iedereen onderuit te halen, want als iedereen gevallen is, is hij de enige die nog staat. Dat doet de mens van nature. Een mens (óók een gelovige) mag van het leven genieten, (1 Timótheüs 6 :17) De gelovige behoort uiteraard wel op de opbouwvan de Gemeente gericht te zijn, want dat is tot verheerlijking van God. Het is de bedoeling dat de gelovige leeft vanuit de rust die Christus geeft. Hij dient zich te conformeren aan de positie die God hem in Christus geschonken heeft. Daarin dient hij zijn rust te vinden. Hij dient vervolgens te leven in afwachting van het rechtvaardig oordeel van God. God heeft gezegd:

Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen;… Deuteronomium 32:35

Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Romeinen 12:19

Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ikzal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen. Hebreeën 10:30

Dit is de negatieve kant. Er is ook een positieve kant. Als de gelovige de Heer dient, zal hij van Hem loon ontvangen. Zó dient de gelovige te leven, want dat onderscheidt hem van de wereld. De wereld houdt hem allerlei dingen voor en vaak doen gelovigen dat ook. Die dingen hebben doorgaans niets met het Woord van God te maken. Het heeft met de weg van Kaïn (jaloezie en eigenzinnige godsdienst) het loon van Bileam (compromis sluiten met de wereld) en de tegenspreking van Korach (opstand tegen de enige waarachtige Heerser) te maken. De gelovige behoort de rust te leren kennen die God aan hem geschonken hééft. Hij hoeft slechts de plaats in te nemen die God hem wijst; in de genade en in de vrijheid. Hij dient daar te blijven staan, ondanks alle dingen die om hem heen bewegen/ge beu ren. De gelovige wordt gebouwd op de Rots Die niet wankelt. Alles in de wereld verandert, maar het leidt tot niets. Daarom behoort de gelovige zich vast te houden aan de enige Heerser, de Here Jezus Christus. Aan Hem heeft hij verantwoording af te leggen. De brief van Judas is tot lering voor de gelovige. Hij kan daardoor leren verstaan hoe de wereld in elkaar zit, opdat hij het zal herkennen en er zich op tijd van zou losmaken. Het is niet in overeenstemming met zijn positie en daarom hoort hij zich daar niet mee in te laten.

Wilde baren der zee schuimen hun eigen schande op. Dit betekent dat men er nog trots op is ook. De schuimkraag op de golven is een beeld van een (vergankelijke) kroon.”… dwalende sterren voor wie de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.” Sterren zijn zeer betrouwbaar. Het blijken echter dwalende sterren te zijn. Men kan er niet van op aan. Het lijkt of ze ergens staan, maar ze blijken elders te staan en zeer onbetrouwbaar te zijn. Het lijkt alsof ze de weg wijzen, maar ze zorgen ervoor dat men verdwaalt. Voor die dwalende sterren wordt de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard. Het is niet alleen de aanduiding voor het laatste oordeel, maar het is óók de omschrijving voor de wereld waarin wij leven. De wereld leeft in duisternis. Slechts door geloof in de opgestane Christus gaat men van die duisternis over in het Licht. (Eféze 5 : 8) Door geloof gaat men over van de dood in het Leven. De dwalende sterren weten niet waarheen zij onderweg zijn. De gelovige weet dat wel: het leidt tot niets. Hun bestemming is de buitenste duisternis. De dwalende sterren maken zich druk om de tijdelijke dingen en zij worden met de tijdelijke dingen heen en weer bewogen. De gelovige heeft een andere bestemming. Hij heeft een onvergankelijk koninkrijk ontvangen. Hij weet dat de wereld wankelt, maar hij heeft een Heer Die niet wankelt. Hij is met die levende, onwankelbare Heer verbonden. Daaruit wordt hij geacht te leven. Dat is ook het grote onderscheid tussen de gelovige en de wereld. Hij heeft iets ontvangen dat tijdloos is: de enige Heerser, Wiens heerlijkheid in de toekomst zal geopenbaard worden. Dan zal Hij Zijn oordeel over de goddeloze wereld brengen, maar Hij komt in de eerste plaats om de gelovigen thuis te halen; in overeenstemming met Zijn onwankelbare Woord.

14 En van dezen heeft ook Enoch (Henoch), de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;
15 Om gericht te houden (oordeel uit te oefenen) tegen allen, en te straffen alle goddelozen (elke ziel) onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. Judas: 14,15

In de voorgaande verzen is steeds over oordelen gesproken die in het verleden geweest zijn. Vanaf Judas : 14 wordt over een toekomstig oordeel gesproken. De oordelen uit het verleden zijn allen voorafschaduwingen van het oordeel dat in de toekomst zal komen. Dit hebben we reeds in verband met Judas : 7 besproken. “Dezen” wijst terug naar de “sommige mensen” uit Judas 14. Het wijst uiteraard ook op de personen die als vlekken, waterloze wolken, wilde baren enzovoorts, omschreven worden, (uit Judas : 12,13) Over hen heeft Henoch geprofeteerd. Hij is de zevende van Adam. Over Henoch wordt gezegd in:

21 En Henoch leefde vijf en zestig jaar, en hij gewon Methüsalach.
22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methüsalach gewonnen had, driehonderd jaar; en hij gewon zonen en dochter en.
23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaar.
24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg. Genesis 5:21-24

God nam hem weg en er is geen plaats meer voor hem gevonden, (vergelijk Openbaring 20 : 11) Het wegnemen van Henoch is in de eerste plaats een type van hetgeen God aan het eind van de zevende bedeling (op de Jongste Dag) met deze wereld doet. Het wijst uiteraard óók op de opname van de Gemeente. Het oordeel van de Jongste Dag had een voorafschaduwing in de verwoesting van Sódom en Gomórra, maar Lot werd daar eerst uit weggehaald. Dit is profetisch op het einde van de vijfde bedeling toe te passen. Aan het einde van de vijfde bedeling worden de gelovigen vóór het naderende oordeel weggehaald. Dit gebeurt door middel van de opname van de Gemeente. Op de Jongste Dag gebeurt hetzelfde. Dan vergaat de gehele oude schepping, maar de gelovigen worden vóór dat oordeel weggehaald om op de nieuwe aarde te leven. Het overblijfsel wordt altijd bewaard/behouden. Dit principe geldt door alle bedelingen heen. Henoch is een uitbeelding van hetgeen op de Jongste Dag zal komen. Henoch wandelde met God, wat een beeld van de zevende bedeling is. De mensheid in het algemeen wandelt in de zevende bedeling (gedurende de duizend jaar) met God. Het loopt uit op het moment dat God die mensheid uit de oude schepping wegneemt. Het kan ook andersom gesteld worden: God neemt de oude schepping weg, waarna er alleen nog de nieuwe schepping over is:

11 En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.

1 En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. Openbaring 20:11; 21:1

Henoch – de zevende – was op een bepaald moment verdwenen, omdat God hem weg had genomen. Ditzelfde zal, aan het eind van de zevende bedeling, met de oude schepping gebeuren. Henoch heeft hierover geprofeteerd, zeggende: “Ziet, de Here is gekomen (of: zal komen) met Zijn vele duizenden heiligen om gericht te houden tegen allen en te straffen alle goddelozen onder hen …”. Hieruit blijkt dat het onmogelijk over de opname van de Gemeente kan gaan. Het gaat zelfs niet over de grote verdrukking. Het gaat over het volledige oordeel Gods (over de voltooiing ervan). Alle goddelozen zullen geoordeeld worden. De vraag hoort niet te zijn: Wanneer begint dat?, maar: Wanneer is dat voltooid? Wanneer is dat oordeel begonnen? Dat oordeel is aan het kruis begonnen. Daar werd de wereld geoordeeld. Daar is het begonnen en het duurt nog steeds voort. De uitwerking ervan zal in de toekomst – op de Jongste Dag – voltooid zijn. De dood en opstanding van de Here Jezus Christus is de basis én het voorbeeld van het wegnemen van de oude schepping en het openbaar worden van de nieuwe schepping. Fundamenteel is de wereld geoordeeld, maar God heeft er geen haast mee om het te voltooien.

De oude schepping wordt weggenomen, hetgeen de normale consequentie van de dood van de Here Jezus is. Daar werd de wereld gekruisigd en dus moet die wereld verdwijnen. Het oordeel van de Jongste Dag is een nadere uitwerking van het oordeel op Golgotha. Dit betekent dat er niet meer aan te tornen valt. God heeft het oordeel op Golgotha gedemonstreerd. Het oordeel wat toén over de Here Jezus kwam, was afschuwelijk. Het is het oordeel over deze oude schepping. Sindsdien heeft de oude schepping alle bestaansrechten verloren. Het oordeel wordt hier niet verdeeld. Er wordt niet apart over het oordeel over de Here Jezus op Golgotha, het oordeel over Israël tijdens de grote verdrukking, noch het oordeel over de overige volkeren gedurende de rest van de zesde bedeling (gedurende 33 jaar) gesproken. Het wordt niet genoemd, omdat dat hier niet aan de orde is. Het gaat hier om een veel algemenere waarheid, namelijk, dat God alles en allen zal oordelen. Op welke manier Hij dat doet, waar Hij dat doet en wannéér Hij dat doet, wordt elders vermeld.

In 2 Petrus 3 worden wél verdelingen gemaakt

4 En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.
5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;
6 Door welke de wereld, die toen was, met het water van den vloed bedekt zijnde, vergaan is.
7 Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.
8 Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden! dat één dag bij den Heere is als duizend jaar, en duizend jaar als één dag.
9 De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbij gaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. 2 Petrus 3:4-10

In de tweede brief van Petrus wordt eigenlijk ook over het algemene oordeel van God over de gehele schepping gesproken. (2 Petrus 3 : 7) In de dagen van de toekomst (Grieks: parousia = aanwezigheid) des Heren (vers 4) zal het oordeel komen. Het oordeel gedurende de grote verdrukking hoort daarbij, maar het is niet de voltooiing van het oordeel. Vóórdat het oordeel begint gaan er eerst twee dagen van duizend jaar voorbij, (vers 8) Er zijn mensen die menen dat de Heer traag is. De Heer vertraagt de belofte echter niet, maar Hij is lankmoedig, (vers 9) Als mensen zelf gaan redeneren, zeggen ze dat de Heer traag is. De Heer zou immers komen en dat is nog niet gebeurd, dus is Hij traag. De Baal is traag, maar de Heer niet. (1 Koningen 18 :1 v.v) De Heer is lankmoedig! Hij wil niet dat er enigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekering komen. (2 Petrus 3 :9) De dag des Heren (vers 10) begint aan het einde van de 70-ste week van Daniël 9. “De dag des Heren” is een omschrijving voor het koninkrijk van Christus. Het slaat op de zevende dag en dus op de zevende bedeling.

Het wijst op de heerschappij van de Heer. De Bijbel kent ook “de dag des mensen” (1 Korinthe 4 : 3; vertaald met “een menselijk oordeel”). De dag des mensen loopt vanaf Adam tot aan het begin van het koninkrijk. Daar houdt de mens op te regeren. Daarna komt de andere dag, namelijk de dag des Heren. Dan zal de Heer Zijn licht, Woord, Kennis en Leven in de wereld brengen. In de dag des Heren zullen de hemelen met een gedruis voorbijgaan, (vers 10) Als de hemelen met een gedruis voorbijgaan, is de dag des Heren al meer dan duizend jaar oud. Het gaat dan niet meer over de wederkomst van de Heer, maar om Zijn aanwezig zijn. In de dagen van Zijn aanwezigheid, gedurende Zijn koninkrijk, zullen de hemelen voorbijgaan en de elementen branden en (namelijk) vergaan. Toen drie gelovigen in het vuur geworpen werden, bleven ze staande. (Daniël 3 : 21 v.v.) Dit is echter een wonder dat de Heer slechts aan gelovigen doet. Hij doet dat niet aan ongelovigen, want die vergaan. Spotters zeggen dat alle dingen gewoon blijven bestaan. Er verandert nooit iets. (vers 3, 4) Petrus zegt hier echter dat de dag des Heren zal komen. Als de dag des Heren aanbreekt zal dat een verrassing zijn, want niemand rekent er nog op. Die dag komt als een dief in de nacht (vers 10) en de hemelen en de aarde zullen voorbijgaan.

Petrus maakt dus een bepaald onderscheid. Hij spreekt aan de ene kant over de lankmoedigheid van de Heer. Aan de andere kant spreekt hij over de komst van de dag des Heren. Het kómen van de dag des Heren wijst op de zesde bedeling, want gedurende de zesde bedeling breekt de dag des Heren aan. Als de dag des Heren aanbreekt, begint het koninkrijk. Na de zevende bedeling zullen hemelen en aarde vergaan en begint de achtste, hoewel er nauwelijks onderscheid wordt gemaakt tussen de zevende en de achtste. Er wordt hier dus een direct verband gelegd tussen de wederkomst van Christus en het oordeel op de Jongste Dag. Wie niet goed oplet, leest in de brief van Petrus dat de wederkomst van de Heer gelijk is aan de Jongste Dag. Dat is echter in strijd met diverse andere Schriftgedeelten. De Heer heeft gezegd dat Hij zal (weder)komen en dus zal het gebeuren. Dit werd zowel door Henoch, Petrus als Judas gezegd. Van deze drie is Petrus degene die de meeste verschillen aanbrengt. Dit is niet het belangrijkste. Het belangrijkste is dat het oordeel komt!

Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. 2 Petrus 3:13

In 2 Petrus 3 :10 wordt gezegd dat hemelen en aarde in de dag des Heren zullen branden en (namelijk) vergaan. In 2 Petrus 3 :12 staat dat het in de aanwezigheid van de dag Gods gebeurt. Uit het verband blijkt dat het vergaan van hemelen en aarde plaatsvindt in de overgang van de dag des Heren naar de dag Gods. In 2 Petrus 3 :10 wordt het vergaan van hemelen en aarde voor het eerst genoemd. In 2 Petrus 3 :12 noemt Petrus het opnieuw, maar noemt het dan “de dag Gods” en hij laat de aanloop uit vers 10 achterwege. Hij noemt dan echter een uitloop, namelijk hetgeen daarna komt. Na het vergaan van hemelen en aarde komen er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Dat heet “de dag Gods”.

Dit onderscheid tussen de dag des Heren en de dag Gods wordt mijns inziens alléén hier in 2 Petrus 3 gemaakt. De Heer is God. De dag des Heren is daarom tevens de dag Gods. Het verschil is in de praktijk dus heel gering. In het Oude Testament worden andere termen gebruikt en wordt er totaal geen onderscheid gemaakt. Daar wordt geen enkel verschil gemaakt tussen de duizend jaar (vóór de Jongste Dag) en het eeuwige koninkrijk (na de Jongste Dag). Het eeuwige koninkrijk van na de Jongste Dagzal namelijk reeds meerdan duizend jaarvóórdeJongste Dag beginnen. De beschrijvingen van het koninkrijk in het Oude Testament zijn voor een deel beschrijvingen van de duizend jaar, terwijl een ander deel nadrukkelijk beschrijvingen zijn van hetgeen na de Jongste Dag volgt. “Tijd” staat daarbij niet op de eerste plaats. De dag des Heren begint aan het einde van de zeventigste week, bij het verschijnen van de Heer op de Olijfberg. De dag des Heren duurt officieel tot de Jongste Dag, waarna de dag des Heren overgaat in de dag Gods. De Bijbel spreekt bovendien over “de dag van Christus” of “de dag van de Here Jezus Christus”. De dag van Christus wijst op de periode die aan de 70-ste week voorafgaat. Het wijst dus op het einde van onze (vijfde) bedeling. Als de Gemeente voor de rechterstoel van Christus geopenbaard wordt (2 Korinthe 5 :10) wordt dat “de dag van Christus” genoemd. Christus – ons Hoofd – zal Zijn Licht (dag en dus “oordeel”) over onze levens brengen. Wij worden gedaagd in de dag van Christus.

Zeven jaar later begint de dag des Heren. De Naam “HEERE” (Jehovah) wordt altijd in de eerste plaats met Israël in verband gebracht. De dag des Heren begint daarom wanneer de Heer Zijn oordeel over Israël brengt (aan het einde van de zeventigste week van Daniël 9). Voor Israël is dat het einde van de zesde bedeling. Aan het einde van de zesde bedeling (33 jaar na het beëindigen van de zeventigste week uit Daniël 9) zal de Heer over alle volken der aarde heersen en is de dag des Heren ook over de andere volkeren gekomen. Dan beginnen de duizend jaar. Na de Jongste Dag begint de dag Gods. Dan is God alles in allen. (1 Korinthe 15 : 28) In Eféze 1 : 23 staat dat Christus alles in allen vervuld. Dit heeft alléén betrekking op de Gemeente, het Lichaam van Christus. “Allen” is in Eféze 1: 23 beperkt tot allen die tot de Gemeente behoren. Petrus past de zaken in 2 Petrus 3 toe met betrekking tot de Gemeente. De Heer is nu lankmoedig. (vers 9) Het oordeel zal echter komen. Wij denken daarbij aan de wederkomst van Christus, maar Petrus dacht aan de nederwerping van de wereld in het verleden. (2 Petrus 3 :5, 6; Genesis 1 : 2) Sindsdien is God lankmoedig over deze wereld. Dié lijn van Gods lankmoedigheid eindigt niet bij de wederkomst van Christus, maar op de Jongste Dag.

Judas heeft het in zijn brief over het definitieve oordeel dat na de zevende bedeling zal plaatsvinden. Het gaat om het algemene oordeel op de Jongste Dag, waarvan Henoch een beeld is en waarover hij geprofeteerd heeft. In de Bijbel vinden we nergens een profetie van Henoch. Er staat hier in Judas ook niet dat Henoch iets geschreven heeft, hoewel hij dat waarschijnlijk wel zal hebben gedaan. Er is weliswaar een boek van Henoch, maar dat hoort niet bij de canon van de Bijbel. Het boek van Henoch behoort evenmin tot de officiële apocriefe boeken. Er is een boek van Henoch, maar dat boek is vermoedelijk in de tijd van de Makkabeeën geschreven. De Bijbel deelt hier mee dat Henoch geprofeteerd heeft en dus hééft hij geprofeteerd. Judas wist dit evenals hij wist dat Michaël om het lichaam van Mozes gestreden heeft. Er was dus veel méér bekend dan in de Bijbel staat opgeschreven! Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit 1 Petrus 1:

10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;
11 Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
12 Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heilige Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. 1 Petrus 1:10-12

De profeten begrepen hun eigen profetieën niet. (vers 10) Daarom werd aan hen geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden, (vers 12) Aan de profeten is dus geopenbaard dat hun profetieën op de tijd van de verborgenheid van toepassing zijn. Ze wisten dus dingen die later aan Paulus geopenbaard werden. Paulus was echter wel de eerste die deze zaken heeft opgeschreven. Dit is aan de profeten geopenbaard, maar zij hebben het niet opgeschreven. De verborgen dingen zijn dus altijd bekend gemaakt aan degenen die ze ernstig zochten. Dit staat los van bedelingen.

In Judas : 15 staat dat het oordeel over alle goddelozen, hun goddeloze werken en hun goddeloze woorden zal komen. De nadruk ligt uiteraard op hun goddeloze woorden, want “spreken” is het meest goddeloze wat een mens doet; grote woorden spreken tegen God, de Allerhoogste (vergelijk Daniël 7 : 25) of: spreken tegen de HEERE en Zijn Gezalfde. (Psalm 2 : 2, 3) Het gaat altijd om tegensprekers. Tegenspreken is een uiting van ongeloof: God spreekt en de mens spreekt tegen. Hiermee zijn we meteen in de eindtijd aangekomen, want Daniël 7 :25 spreekt over het beest. (Openbaring 13) Het wijst feitelijk op de satan, want hij is de tegenspreker. Alles wat de satan spreekt, is tegenspreken. De strijd van de gelovige is juist op het spreken van de tegenspreker gericht. Bij het laatste oordeel op de Jongste Dag zal dé tegenspreker – de satan – geoordeeld worden. Het woord “satan” betekent “tegenstander”. Hij is de vader van de leugen. (Johannes 8 :44) De satan misleidt en brengt valse beschuldigingen in. (vergelijk Openbaring 12 : 10) Hij spreekt altijd tégen de waarheid. Tegensprekers hebben niets te zeggen en daarom spreken ze tegen. Men is overal tegen, maar zodra ze zelf verantwoording moeten dragen zijn ze vertrokken, want ze hebben zelf niets. Ze hebben geen andere levensvul- ling dan tegenspreken. Gelovigen dienen uiteraard een andere opstelling te hebben. De gelovige dient de Schrift te laten spreken en daarvoor te buigen, zónder tegen te spreken. Goddelozen zijn ongelovigen en daarom tegensprekers.

2 Ziende op den overste Leidsman en Voleinder des geloofs,Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.
3 Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.
4 Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; Hebreeën 12:2-4

Het gevolg van het tegenspreken van de zondaren was het kruis, (vers 2) De Heer heeft zowel het kruis als het tegenspreken van de zondaren verdragen. “Verdragen” wil zeggen dat Hij er niet aan heeft toegegeven. Hij verdroeg het en hield stand. De gelovige dient daarop opmerkzaam te zijn. De gelovige heeft nog niet ten bloede toe tegengestaan, strijdende tegen de zonde, (vers 4) We dienen vers 4 binnen dit betoog te laten staan, want anders kan aan dit vers een totaal andere inhoud worden gegeven. “De zonde” uit vers 4 komt namelijk overeen met “het tegenspreken van zondaren” uit vers 3. Het is dus een strijd tegen ongeloof. Hier staat niét dat de gelovige tegen zondige daden of tegen zijn eigen zondige natuur zou moeten strijden. Hij heeft de strijd tegen het tegenspreken van goddeloze zondaren tegen God. Judas spreekt over dezelfde tegenspraak, die uiteindelijk bij dé goddeloze, de satan, vandaan komt. Bij de wederkomst van Christus zal die goddeloze vernietigd worden. Dit geldt tevens voor alle goddeloze zondaren.

Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil. Judas: 16

Hier wordt de uitdrukking “murmureerders” gebruikt. Daarmee wordt een verband gelegd met Israël in de woestijn. Murmureren is “mopperen in onmacht”. Men spreekt tegen terwijl men er niet werkelijk iets tegenin kan brengen. Dit is een specifieke “capaciteit” van Israël; met name van Israël, levend in de woestijn, (vergelijk 1 Korinthe 10 :10) Het volk murmureerde tegen Mozes, Aaron, de HEERE, enzovoorts. De woestijn is een beeld van de wereld waarin wij leven. Wat Israël in de woestijn deed, is een uitbeelding van hetgeen de mensheid in het algemeen doet; sinds de nederwerping der wereld tot aan de Jongste Dag, maar speciaal: sinds de dood en opstanding van de Here Jezus Christus en in afwachting van Zijn wederkomst. De Schepper is momenteel verborgen, want Hij heeft de wereld losgelaten. De wereld murmureert: “Wat moet er van terechtkomen?” Er komt niets van terecht, want dat is helemaal niet de bedoeling! Het is de bedoeling dat de mens zich aan het Woord van God onderwerpt en dus tot geloof komt. Met andere woorden: niet tegenspreken, maar luisteren! God spreekt en de gelovige dient te zeggen: “Spreek Heer, want Uw knecht hoort.” (1 Samuël 3 :9) Dan is er geen ruimte voor murmureren. De Heer heeft alles geregeld en dus is het goed. Hij zal voor de gelovige zorgen en de gelovige zal stil zijn. Het gaat er niet om of de gelovige het leuk vindt of niet. De gelovige is onderweg naar het beloofde land, zonder te murmureren.

De wereld murmureert wel. Ze klaagt over haar staat, want ze is ontevreden over haar positie. Ze is in de woestijn en daarover is zij ontevreden. De gelovige is dat niet, omdat hij weet dat de route naar Kanaan (het beloofde land) altijd via de woestijn gaat. De bestemming is bepalend voor het heden. De Heer heeft, vanwege de heerlijkheid die Hem voorgesteld was, het kruis verdragen en de schande veracht. (Hebreeën 12 : 2) Het resultaat van dit alles is, dat Hij aan de rechterhand van de troon van God zit. God verbergt Zich nu, maar zal te Zijner tijd verschijnen en “de draad weer oppakken”. De wereld is ontevreden, maar de gelovigen niet. De gelovigen hebben zich aan de Heer onderworpen, wachten met lijdzaamheid en doen ondertussen, wat van hen verwacht wordt: geloven. De ongelovige klaagt altijd, is ontevreden over zijn staat, zoekt altijd, maar vindt nooit iets. Wat hij kan vinden (namelijk: Jezus, met eer en heerlijkheid gekroond), wijst hij af. De wereld wandelt naar haar eigen begeerlijkheden. De mens weet ook niet beter en bovendien heeft hij niets anders. Het enige alternatief is de begeerlijkheid van de Heer, maar men wandelt in overeenstemming met de eigen begeerlijkheden. Hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, hetgeen ook genoemd wordt in 2 Petrus 2:

Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden des vieses en door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen; 2 Petrus 2:18

In de tweede brief van Petrus gaat het weer over een gemeenschap van gelovigen waarvan alles fout is. Judas spreekt over de wereld in het algemeen. Er is een enorme grootspraak en men grijpt veel te hoog. De oude schepping kan slechts opgeblazen worden: letterlijk en overdrachtelijk. Van de grootspraak van de wereld komt niets terecht. Het geeft ook geen enkele inhoud aan het leven. De Enige Die inhoud aan het leven geeft, is de Heer, de enige Heerser. (Judas :4) Buiten Hem is er niets! Wat de mens ernaast stelt, is opgeblazen. De mens verwondert zich over de personen (de buitenkant) om des voordeels wil. Men kan vol bewondering naarde wereld kijken, maar die wereld zal in het oordeel komen en er blijft niets van over. De gedaante (de buitenkant) van deze wereld gaat voorbij. (1 Korinthe 7 :31; 1 Johannes 2 :17) Hetgeen erin is, blijft eventueel bestaan. Voor de mens geldt: hetgeen in het hart is (namelijk: geloof; Romeinen 10 :10) blijft bestaan.

Velen vinden de Bijbel te zwak, te kinderachtig of te eenvoudig. Men gaat het zelf erg moeilijk maken, waardoor er iets van wordt gemaakt wat niet meer te begrijpen is. Het is niet te grijpen. Het is zó hoog, waardoor de mens zich daar dan naar kan uitstrekken. Daardoor verheft de mens zichzelf (“Heb jij dat al? Wij wel!”). Het Woord van God is nooit moeilijk! De gelovige dient zich aan dat Woord te onderwerpen. God doet alles. God is met een werk bezig waarin deze zichtbare wereld betrokken is. Hij was in Christus de wereld met Zich verzoenende. (2 Korinthe 5 :19) De mens wordt geacht te zeggen: “Dat is geweldig. God doet het!” Als de mens het zou moeten doen, kwam er niets van terecht. Bovendien kan hij dat niet. God verwacht dat de mens zich op de hoogte stelt van Zijn werk (door Zijn Woord te bestuderen). Als hij weet wat God doet (of niet doet) dient hij zich daaraan te onderwerpen. Als hij dat niet doet wordt hij van dat werk uitgesloten. De Kolossensen meenden dat de gelovige verbeterd moest worden door onderwijs, leringen en ingewijd moest worden in allerlei geheimenissen. Dat is onjuist. Hij moet Christus leren kennen! Al het andere leidt daar alleen maar vanaf.

8 Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus.
9 Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;
10 En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; Kolossenzen 2:8-10

Filosofie, ijdele verleiding, overlevering der mensen en eerste beginselen der wereld leiden nergens toe. Het gaat niet om het begin van de wereld, maar juist om het einde ervan. Dat is Christus. Het eerste beginsel der wereld is de wet (zie Galaten 4 :3, 9), maar het einde der wet is: Christus. (Romeinen 10 :4) De gelovige moet naar Christus geleid worden!

17 Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus;
18 Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.
19 Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende. Judas: 17-19

De apostelen hebben uiteraard méér gezegd dan hetgeen in vers 18 staat. Er zullen weliswaar spotters zijn, maar zij scheiden zich af. (vers 19) “Spotten” wil zeggen dat ze zich van het werk van God in Christus niets aantrekken. Ze kleineren het werk Gods. Ze wandelen naar hun (eigen) goddeloze begeerlijkheden. Dit betekent dat God in die begeerlijkheden geen rol speelt. God heeft in hun denken geen plaats en daarom ook niet in hun handelen. Spotters worden eveneens genoemd in 2 Petrus 3:

Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen, 2 Petrus 3:3

Petrus spreekt uiteraard weer over gelovigen. Het gaat over wedergeboren mensen, die niet leven in overeenstemming met het Woord waarin zij zeggen dat zij geloven. In de praktijk van hun leven onderwerpen zij zich niet aan de enige Heerser: Christus, (vergelijk 2 Petrus 2 : 1: de Heer heeft hen gekocht!) We zeggen vaak dat de gelovigen van de wereld afgescheiden worden/zijn. Dat is waar, maar hier staat feitelijk dat de gelovigen de enigen zijn die niét afgescheiden zijn! Paulus leert ten aanzien van onze bedeling dat de gelovigen zich afscheiden (o.a. Kolossenzen 1 : 13; Hebreeën 13 :13) Judas leert dat de ongelovigen zich afscheiden, omdat ze zich aan het werk van God onttrekken. Ze zijn van God afgescheiden, want Hij is de norm! De goddelozen scheiden zichzelf af en zullen daarom afgescheiden worden: ze worden uit het koninkrijk verwijderd. Het zijn doorgaans niet de gelovigen die zich afscheiden. Het zijn altijd de “scheurmakers” die zich afscheiden. Ze wijken eerst van de Heer en van Zijn Woord af en veroorzaken vervolgens verdeeldheid op aarde. Wanneer men de Heer en Zijn Woord loslaat ontstaat er verdeeldheid, die zich verder uitwerkt binnen geloofsgemeenschappen.

Degenen die tégen de Heer kiezen (ongelovigen) zullen afgescheiden worden. Gelovigen zijn de enigen die trouw blijven (geloven). God was in Christus de wereld met Zich verzoenende. (2 Korinthe 5 :19) Degenen, die zichzelf van die verzoening afscheiden, krijgen geen deel aan die verzoening. Als alles zijn normale loop heeft, dan wordt “het al” met God verzoend. De goddelozen (ongelovigen) worden niet verzoend, want zij scheiden zich af. Omdat zij zichzelf afscheiden, zullen ze uiteindelijk ook afgescheiden worden en in de buitenste duisternis worden geworpen. De zaligmakende genade van God is aan alle mensen verschenen. (Titus 2 :11) De verantwoordelijkheid ligt vervolgens bij de mens zelf. Hij zal zich aan die genade van God moeten onderwerpen. Doet hij dat niet, dan scheidt hij zich af. De gelovige gelooft in God, in Zijn Woord, in Zijn werk, in Zijn Zoon. Hij is daarmee verbonden. Het is normaal dat de schepping met de Schepper verbonden is en blijft. Toen er iemand kwam die de schepping van God afscheidde, heeft God alles in het werk gesteld om die scheiding (dood) weer ongedaan te maken. Met andere woorden: Hij heeft er alles aan gedaan om de wereld met Zich te verzoenen (tot leven te brengen). God hééft dat gedaan via Zijn Zoon. Een ieder die zich daar niet vanaf scheidt, maar zich daaraan onderwerpt, krijgt deel aan die verzoening. Het gaat in Judas om natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben. Het gaat dus niet over gelovigen die naar de oude natuur leven. Dat wordt bijvoorbeeld wel beschreven in 1 Korinthe 2:12-3:1:

12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;
13 Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
14 Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
15 Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.
16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.

1 En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus. 1 Korinthe 2:12-3:1

Hier wordt nadrukkelijk gezegd dat het om gelovigen gaat, want zij hébben de Geest ontvangen, (vers 12) Zij hebben die Geest ontvangen, opdat zij de dingen die hen door God geschonken zijn zouden kennen. Niet iedere gelovige luistert (helaas) naar die Geest. In dat geval is hij een natuurlijk (ziellijk) mens en begrijpt hij de dingen van de Geest niet, omdat hij niet door de Geest geleerd wil worden. Wie zich door de Geest laat leren, wordt veranderd in zijn denken. Een veranderd denken heeft een veranderde levenswandel tot gevolg. Er zijn gelovigen die zich onttrekken aan het werk van God in de gelovige, dat Hij wil doen en ook beloofd heeft te zullen doen. In dat geval scheiden zij zich eveneens af. Zij hebben weliswaar het werk van God geaccepteerd, waarbij Hij de zondaar nieuw leven geeft, maar verder wijzen ze elk werk van God in hun leven af. Hierover wordt niét in de brief van Judas gesproken! Eén van de grootste fouten die bij Bijbelstudie gemaakt wordt, is dat men een Bijbelse waarheid in een verkeerd Schriftgedeelte “inleest”. Men vertelt nog wel waarheid, maar men hangt het op aan de verkeerde Schriftplaats. Daardoor raakt of is men de werkelijke betekenis van die Schriftplaats kwijt. Zonder onwaarheid te spreken, ontneemt men de waarheid aan de Bijbel. Gelovigen dienen hier alert op te zijn.

“Ziel” is in de Bijbel de aanduiding van de oude mens. Het wijst op de totale mens, inclusief zijn lichaam.

En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des (der) levens; alzo werd de mens tot een levende ziel. Genesis 2:7

“Adem” is de vertaling van het Hebreeuwse woord “neshamah”. Door de inblazing van de neshamah werd de mens een levende ziel. God formeerde de mens uit het stof der aardbodem, waardoor de mens een ziel werd. De mens is dus van het stof der aardbodem gemaakt. Hij werd pas een levende ziel doordat geest (neshamah) in hem geblazen werd. “Geest” is synoniem aan “leven”. De ziel zelf is van het stof van de aardbodem gemaakt. Dit geldt ook voor de dode ziel. De uitdrukking “dode ziel” is in de Bijbel meestal met “dood lichaam” vertaald. Die ziel is niet onsterfelijk, want de ziel die zondigt zal sterven. (Ezechiël 18 :4, 20) De mens hééft dus geen ziel, maar is een ziel. In de brief van Judas gaat het om natuurlijke mensen, namelijk om ongelovigen. Ze léven niet uit de Geest, want ze hébben de Geest helemaal niet. Ze leven gewoon naar de oude mens, die aan het kruis van Golgotha reeds is geoordeeld. God bemoeit Zich daarom niet met zulke mensen, want daarmee zou Hij het werk van de Here Jezus aan het kruis van Golgotha loochenen. Eén is voor allen gestorven en dus zijn zij allen gestorven. (2 Korinthe 5 :15) De blijde boodschap is dat God (nieuw) leven aanbiedt. Wie de Zoon heeft, heeft het leven en wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet. (1 Johannes 5 :12) Wie dat leven afwijst, is in het oordeel (wandelt in duisternis; Johannes 3 : 18,19) en komt in het oordeel.

Sinds de dood en opstanding van de Here Jezus is de positie van de mens veel erger geworden dan voorheen. Tot aan het verzoeningswerk van Christus hield God Zich met de wereld bezig. Bij gelegenheid sprak God zelfs rechtstreeks met de mens, die de waarheid ernstig zocht. De mens die de waarheid zoekt, vindt God. God hield Zich in oudtestamentische tijden met de individuele mens en met de volkeren der aarde bezig. Sinds de dood en opstanding van de Here Jezus Christus is dat volledig beëindigd. Sindsdien kan God het Zich zelfs niet permitteren om Zich met de natuurlijke (niet wedergeboren) mens bezig te houden. De oude mens is namelijk officieel en juridisch veroordeeld en gedood. Als God in relatie treedt met een mens kan dat alleen via de prediking van het evangelie. Hij treedt uiteraard wel in relatie met een gelovige.

Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; Judas: 20

Vanaf vers 20 volgen een aantal aanbevelingen voor de gelovigen die zich in een vijandige wereld bevinden. De gelovige dient daarin staande te blijven. Judas spreekt de gelovigen hier aan met “geliefden”. “Liefde” wijst op eenheid, op gemeenschap. Deze uitdrukking wordt bewust gebruikt om de tegenstelling met het vorige vers aan te geven, waar over “afscheiden” wordt gesproken. De wereld is verdeeld. Dat is juist hét kenmerk van de wereld. Hét kenmerk van God en Zijn werk is eenheid/ liefde. De gelovigen zijn één gemaakt met God, Die liefde is. (1 Johannes 4 :8,16) en daarom worden zij met “geliefden” aangesproken. Ze zijn één en leven in gemeenschap met de Heer en met elkaar. De gelovige bouwt zichzelf niet op. De Bouwer is Christus Zelf. De Bouwer is namelijk de Zoon. In het Hebreeuws is het woord voor “bouwer” (baanah) bijna gelijk aan het woord voor “zoon” (been). Daarom zei de Heer:”… op deze Petra zal Ik Mijn gemeente bouwen.” (Matthéüs 16 :18) Deze uitspraak heeft twee toepassingen. De gemeente kan de Gemeente van de vijfde bedeling zijn, waarvan wij deel uitmaken. De Petra is het getuigenis waarop wij bouwen, namelijk dat Jezus is de Christus, de Zoon (Bouwer) van de levende God. De uitspraak kan ook op de toekomstige gemeente van toepassing worden gebracht, namelijk de verzamelde gelovigen uit Israël en de volkeren. Die gemeente is ook gebaseerd op dezelfde getuigenis van Petrus. Die gemeente begint bovendien gebouwd te worden in het letterlijke Petra, de rotsvesting in Edom.

Petra; El DeirDe Gemeente van de huidige bedeling wordt gebouwd tot een woonstede Gods in de Geest. (Eféze 2 : 22) Christus is de Bouwer en Hij is Degene op Wie gebouwd wordt. Hij is het Fundament (de eerste Steen), maar ook de uiterste Hoeksteen, (de laatste Steen, de Sluitsteen; Eféze 2 : 20) Gelovigen zijn levende stenen. Hetgeen verschillend was wordt samengebracht en tot één geheel samengevoegd. Het past perfect. Een voorbeeld hiervan vinden we bij de bouw van de tempel. De stenen van de tempel werden in de steengroeve uitgehouwen. Dit gebeurde zo perfect dat ze op de plaats van bestemming exact pasten. Er hoefde bij de tempel zelf niets meer aan de stenen te worden gedaan. Ze pasten perfect. Zo werkt het ook binnen de Gemeente. Op het moment dat de stenen samengevoegd worden passen ze perfect! Het uithouwen van de stenen uit de steengroeve bij de tempelbouw is een beeld van wedergeboorte. Door wedergeboorte wordt iemand een steen van de geestelijke tempel. Als die stenen bij elkaar gebracht worden (als de gelovigen elkaar ontmoeten) hoeft het geen moeite te kosten om aan elkaar te wennen (in elkaar te passen), want die stenen passen perfect in elkaar. Het probleem ontstaat bij gelovigen die niet tevreden zijn over de medegelovigen met wie ze samengevoegd zijn. God hééft het echter passend gemaakt, want God hééft hen samengevoegd. Wie vanuit geloof leeft, heeft geen problemen met andere gelovigen. Vergelijk Eféze 4 : 2-6;

één Lichaamhet Lichaam van Christus (Eféze 1 : 22, 23)
één Geestde Geest van Christus (Romeinen 8 : 9)
één hoopChristus is de God der hoop (Romeinen 15 : 13;
1 Timótheüs 1 : 1)
één HeerChristus is die ene Heer (Romeinen 10 : 12;
Filippenzen 2 : 11)
één geloofgeloof in de Eén: Christus (Handelingen 20 : 21)
ook: geloof van Christus (Romeinen 3 : 22, 26)
één doopde doop in Christus (Romeinen 6 : 3, 4)
één God en VaderPrimair: de God en Vader van Jezus Christus
(Eféze 1 : 3)

Door die Ene zijn de gelovigen één, want Hij is boven allen en door allen en in hen allen. (Eféze 4 : 6) Christus is het Hoofd van Zijn lichaam, waarvan de leden één zijn. De gelovige heeft wel moeite om in het geloof staande te blijven. Dat is de geestelijke strijd van de gelovige. (2 Timótheüs 4 : 7) Dit staat echter los van de eenheid die er tussen gelovigen bestaat, omdat Christus hen één gemaakt heeft in Zichzelf. De gelovige kan zichzelf niet bouwen, maar hij wordt gebouwd wanneer hij zijn geloof in Hem stelt. “Geloof is het uitgangspunt en de basis van het denken van de gelovige.

Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Hebreeën 11:1

“Geloof is de basis voor zaken die (nog) niet gezien worden. Op grond van geloof zal het de gelovige gegeven worden. Daarop bouwt hij zijn verwachting. Dat is ook de zin van zijn bestaan. Als er geen hoop meer is, is er geen leven meer. Hoop doet leven! De gelovige ziet niet uit naar het graf. Hij leeft voortdurend vanuit verwachting en hoop. Naarmate hij ouder wordt, heeft hij grotere verwachtingen. Zijn hoop neemt niet af, maar juist toe.

En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. Romeinen 13:11

Wie jong is heeft nog allerlei verwachtingen van het aardse leven. Wie ouder wordt heeft van het aardse leven niet meer zo veel te verwachten. Het enige dat overblijft is het Woord van God. De gelovige leeft door het Woord van God. Hij bouwt op hét Fundament, hetwelk is Christus. (1 Korinthe 3 :11) Daarop is de verwachting van de gelovige gebaseerd. Dat Fundament is zeervast. Daarop bouwt de gelovige zijn leven. Door geloof gaat hij op dat Fundament staan. Uit dat geloof wordt hij opgebouwd. De gelovige gelooft in het Woord van God dat door de Geest van God is “geschreven”. Gods Geest is de werkzame kracht van God, waardoor en waarin Hij Zich openbaart. Daardoor is het Woord – Christus – “ontstaan” en daardoor zijn wij (gelovigen) wedergeboren. De gelovige moet de werking van Gods Geest niet verwarren met zijn eigen gevoelens. Wie niet bereid is om het Woord van God letterlijk te nemen en te geloven, zal God nooit leren kennen. God werkt niet buiten Zijn Woord om! Men zal het Woord van God moeten nemen, zoals het is; primair letterlijk. Als iemand die letterlijke betekenis uit de Schrift weghaalt, haalt hij daarmee het fundament weg van alles wat God geschreven heeft. De Bijbel is Geest, door de Geest voortgebracht en geestelijke dingen openbarende, maar het begint op een rotsvast fundament. God spreekt en men moet Zijn Woord letterlijk accepteren. Achter die letterlijke dingen steken veel geestelijke zaken, maar men moet met de letterlijke dingen beginnen. De Heer zei dan ook steeds: “Er staat geschreven.” (o.a. Matthéüs 4 :4,7)

Natuurlijk kan de gelovige er problemen mee hebben om de letterlijke betekenis te begrijpen. Hij kan zich afvragen wat de letterlijke betekenis is van begrippen als “geloof”, “ziel”, “hoop”. De tegenstander (de satan) heeft er alles aan gedaan om de Bijbelse betekenis van deze woorden te veranderen. Het gevolg daarvan is dat men vaak wel de woorden kent, maar niet weet wat die begrippen betekenen. Door de Schrift te bestuderen, leert de gelovige wat de Bijbel onder bepaalde begrippen verstaat (door Schrift met Schrift te vergelijken). Wie zich aan het Woord van God onderwerpt, zal in zijn denken veranderd worden. De gelovige gelooft in het Woord van God. Als hij het Woord werkelijk gelooft, zal dat een uitwerking hebben in zijn denken. De verandering van denken heeft een verandering van levenswandel tot gevolg. Dit is een heel ingrijpend proces in het leven van de gelovige, maar het is de enige weg die hij kan gaan. Dat is niet de weg die hij zoekt, maar door zijn geloof in het Woord wordt hij gedwongen die weg te gaan. Hij kan niet anders! Wat hij niét wil, gebeurt. Dat is de consequentie van zijn geloof. Een gelovige behoort veranderd te worden door het Woord van God. Daardoor wordt hij een vreemdeling en een bijwoner. Het is uiteraard niet de bedoeling dat hij “de dorpsgek” wordt. In dat geval is hij óók anders dan de wereld, maar dat wordt door de Schrift niet bedoeld. Er zijn ook mensen die bewust onenigheid/ruzie zoeken. Er zijn ook mensen die zich van andere mensen willen onderscheiden en daarom een eigen geloof bedenken. Zulke mensen komen vaak in onze bijeenkomsten, omdat ze iets excentrieks zoeken. Zó werkt het uiteraard evenmin. Het gaat erom dat men zich aan het Woord van God onderwerpt.

Het geloof wordt hier “heilig” genoemd. “Heiliging” wijst op afzondering van de wereld en vooral afzondering van het denken van de wereld. Het wijst tevens op “heling” (heel-making), namelijk op éénwording met Christus, dé Heilige. Heling is er alléén in Christus en dankzij Hem. Daar kan een gelovige niets aan af- of toedoen. Gelovigen kunnen daar alleen uit leven en elkaarvoorhouden dat het zó is. Gelovigen zijn één in Christus en dat dienen zij elkaar steeds voor te houden, omdat zij de neiging hebben tot een andere conclusie te komen. Vanuit de praktijk denken ze vaak dat die eenheid niet bestaat. De Heer bad tot Zijn hemelse Vader:

11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kom tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.

21 Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
22 En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als Wij Eén zijn;
23 Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. Johannes 17:11, 21-23

Dit gebed van de Heer Zelf is uiteraard verhoord! De gelovigen zijn dus allen één. Als een gelovige dat niet gelooft of meent dat die eenheid zou kunnen worden verbroken is dat eigenlijk heiligschennis. De gelovige behoort te geloven dat hij één gemaakt is in en met Christus. Niets kan hem scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer. (Romeinen 8 :39) De Bijbel roept gelovigen ertoe op om zich te benaarstigen de eenheid van de Geest te behouden (in de praktijk van hun levenswandel). Er bestaat een geestelijke eenheid krachtens het nieuwe verbond, de band des vredes. (Eféze 4 : 3) Vanuit die eenheid behoort de gelovige te leven. Die eenheid is niet tot stand gekomen door het vlees, noch op basis van onze levenswandel. Gelovigen komen niet op basis van hun gemeenschappelijke levenswandel tot een geestelijke eenheid. Vanuit die geestelijke eenheid zouden ze tot een levenswandel behoren te komen. Daarin zijn zij niet voor elkaar verantwoordelijk, maar slechts voor zichzelf, want anders zou er meteen weer scheiding ontstaan. De Gemeente is een eenheid, hoewel het er aan de buitenkant wellicht anders uitziet. Die eenheid is Gods werk en Gods werk is voor de mens onaantastbaar. Van deze gelovige wordt gezegd dat zij bidden in de Heilige Geest. “Bidden” betekent: “zich afhankelijk opstellen van Degene tot Wie men bidt”. Het maakt daarbij niet uit welke vorm van bidden (“vragend bidden” of “aanbidden”) men gebruikt. Hier staat dat de gelovige in de Heilige Geest bidt. Dit betekent dat hij zich van de Heilige Geest afhankelijk stelt.

De Heilige Geest is Christus Die Zich verbergt. Het is Christus zonder zichtbare gedaante in deze wereld, (vergelijk Romeinen 8 : 9, 10; 2 Korinthe 3 :17) Hij is gezeten aan de rechterhand Gods. (o.a. Eféze 1: 20; Kolossenzen 3 :1; Hebreeën 1 : 3; 10 :12) De gelovige is van Hem afhankelijk. De gelovige wordt opgeroepen om te bidden in de Heilige Geest. Dit houdt in dat hij verbonden is (verenigd is) met de Heilige Geest. Dan leeft hij in afhankelijkheid van de Heilige Geest. Daardoor wordt hij veranderd in zijn denken. Judas verwijst hier naar Johannes 4, waar de Here Jezus een gesprek heeft met een Samaritaanse vrouw.

21  Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.
22 Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.
23 Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden.
24 God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. Johannes 4:21-24

Het aanbidden van de Heer blijkt helemaal niet aan een plaats gebonden te zijn. (vers 21) De ure komt en is nu (is vanaf dat moment begonnen), dat de ware aanbidders de Vader aanbidden in geest en waarheid. God is Geest. Wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. “Waarheid” is de aanduiding van het nieuwe verbond, (vergelijk Johannes 1 :17) “Geest” is eveneens de aanduiding van het nieuwe verbond. Het oude verbond was de wet, in letteren bestaande. (2 Korinthe 3 :7) Dat was een bediening des doods, want de letter doodt. (2 Korinthe 3 : 6) Het nieuwe verbond is een bediening des Geestes. (2 Korinthe 3 : 8) De Geest maakt levend. (2 Korinthe 3 : 6) Die Geest is God, namelijk de Heer. Waar die Geest (de Heer) is, daar is vrijheid. (2 Korinthe 3 :17) De gelovige behoort vanuit die Geest te bidden. Met andere woorden: hij bidt vanuit de positie van de wedergeboren mens. Hij spreekt met God vanuit de positie van de nieuwe schepping. Het heeft niets met het spreken in tongen te maken!

Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven. Judas: 21

Er staat niet dat de gelovigen zich inde liefde Gods zouden moeten brengen. Er staat dat zij zich moeten bewaren in de liefde Gods. Liefde slaat hier uiteraard óók op eenheid. Bovenstaand principe wordt genoemd in Eféze 4:3:

U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes. Eféze 4:3

Dit wijst op het nieuwe verbond dat door Christus tot stand gebracht is. Hij hééft die eenheid tot stand gebracht. Niets kan de gelovige scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer. (Romeinen 8 : 39) De satan is de enige die er op uit is om die eenheid te verstoren. Hij kan die eenheid niet ongedaan maken, maar hij kan de gelovige wel wijsmaken dat het tóch gebeurt. Als hij dat voor elkaar krijgt, leeft de gelovige niet langer vanuit die eenheid. Vervolgens gaat die gelovige proberen die eenheid zelf tot stand te brengen, terwijl God die eenheid allang tot stand gebracht hééft. Door zijn handelen ontkent de gelovige dat wat God tot stand gebracht heeft. Zo zijn er bijvoorbeeld gelovigen die bidden om de Heilige Geest. Daarmee ontkennen zij dat God sinds de opstanding van Christus die Heilige Geest aan alle gelovigen gegeven hééft. Heilige Geest is namelijk het leven van Christus. Wie de Heilige Geest niet heeft ontvangen, is niet wedergeboren, (vergelijk Judas : 19) Wie niet gelooft dat hij Heilige Geest ontvangen heeft, zal tevergeefs bidden. Dat gebed kan nooit verhoord worden.

Judas zegt: “Bewaart uzelf in de liefde Gods”. Dit betekent dat de gelovige altijd vasthoudt aan hetgeen God gezegd heeft. Wat er ook gebeurt, het staat vast dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods. (Romeinen 8 :35-39) Dat is de enige stabiliteit in ons leven. God heeft het gesproken, dus is het zo! Romeinen 1 t/m 7 verklaart ons hoe het mogelijk geworden is dat niets ons kan scheiden van de liefde Gods. De eerste acht hoofdstukken van de brief aan de Romeinen zijn daarom zeerfundamen- teel. Ze omschrijven het verlossingswerk van God. Ze verklaren waarop dat verlossingswerk rust. Vervolgens wordt verklaard op welke wijze de mens deel kan krijgen aan dat verlossingswerk. Deze gelovigen verwachten de barmhartigheid van de Here Jezus Christus ten eeuwigen leven. Als de gelovige vanuit de gemeenschap met de Heer leeft, dan verwacht hij de barmhartigheid van de Here Jezus Christus. Die barmhartigheid bestaat uit alle zegeningen van het nieuwe verbond. “Barmhartigheid verkrijgen” komt overeen met “genade vinden”. De gelovige hééft die barmhartigheid nodig en die krijgt hij ook. Die barmhartigheid is ten eeuwigen leven. Dit betekent niet dat de gelovige in de toekomst ooit eeuwig leven zal ontvangen, want dat zou in strijd zijn met andere Schriftplaatsen. (o.a. 1 Johannes 5 :13) Het betekent dat hij die barmhartigheid ontvangt ten behoeve van het eeuwige leven. De gelovige hééft eeuwig leven ontvangen en daarom ontvangt hij barmhartigheid.

De Heer regelt alles en zorgt ervoor dat de zaken niet buiten een bepaalde grens komen. Wanneer dat toch dreigt te gebeuren, komt Hij te hulp. (vergelijk 1 Korinthe 10 :13) Hij geeft kracht om bepaalde zaken te kunnen dragen. Daardoor is de gelovige in staat om vanuit genade en barmhartigheid te (leren) leven. Dit is een beproeving van het geloof. God hééft het beloofd en Hij zal het doen. Daarop dient de gelovige te vertrouwen. De barmhartigheid wordt gegeven aan allen die het eeuwige leven hebben ontvangen. Die barmhartigheid wordt niet gegeven, opdat de gelovige ooit nog eens eeuwig leven zal ontvangen, want dat is dwaasheid. Men wordt wedergeboren op grond van geloof en ontvangt dan eeuwig leven. Het eeuwige leven staat tegenover het vergankelijke, tijdelijke, leven van de natuurlijke mens. Er zijn slechts twee soorten leven: sterfelijk leven (het leven van Adam) en onsterfelijk/eeuwig leven (het leven van Christus).

En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende; Judas: 22

Hier wordt over de houding van de gelovige gesproken ten opzichte van de ongelovigen die in het grootste deel van de brief beschreven worden. De gelovige behoort zich niet over iedereen te ontfermen, maar slechts over “enigen”. Hij behoort onderscheid te maken. De gelovige ontfermt zich over degenen die de Heer, na melijk de Waarheid, zoeken. “Ontfermen” heeft met het nieuwe verbond te maken, evenals “genade”, “barmhartigheid”, “Geest”, “goedertierenheid”. Als het nieuwe verbond op Israël zal worden toegepast, zal het niet langer “Lo-Ammi” (niet Mijn volk; Hoséa 1 :9) en “Lo-Ruchama” (geen ontferming; Hoséa 1 :10) genoemd worden, maar “Ammi” (Mijn volk) en “Ruchama”. (ontferming; Hoséa 1 :10-12; 3 : 22) Dit gebeurt, wanneer Israël zich in geloof tot de Heer zal richten. De gelovige doet hetzelfde als de Heer. Als er iemand tot de Heer (tot geloof) komt, zal hij zich over hem ontfermen. Dit betekent dat hij daar zorg aan moet besteden. Het is vanzelfsprekend dat de gelovige zorg besteedt aan degene die door geloof uit de wereld getrokken is. Ontferming heeft ook met tijd, goedgeefsheid en dergelijke te maken. Het heeft voor de gelovige geen zin om dat te besteden aan ongelovigen die slechts willen discussiëren of interessant willen doen. Ook de goedgeefsheid (mededeelzaamheid) wordt door de wereld graag misbruikt. De gelovige is bereid zijn tijd en goederen (zichzelf) ten dienste van de Heer te stellen. Hij wil de Heer graag dienen. De satan is er dan als de kippen bij om mensen op zijn pad te sturen die de Heer helemaal niet wensen te dienen, maar wel doen alsof zij dat willen. Als de gelovige zich met hen gaat bezighouden, is dat vruchteloos. Het leidt tot niets. Hij wordt juist van de zaken van de Heer afgetrokken. De mens heeft primair het Woord van God nodig, want dat is kracht Gods tot zaligheid. (Romeinen 1 : 16) Dat dient de gelovige mee te delen. Daaruit blijkt vanzelf of iemand werkelijk geïnteresseerd is. Wanneer iemand niet in het Woord van God geïnteresseerd is, hoeft de gelovige zich niet over hem te ontfermen. Daar is de wereld voor. De gelovige moet daarop bedacht zijn, want anders wordt hij door de tegenstander misbruikt.

Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is. Judas: 23

“Iemand behouden door vreze” wil zeggen:”lemand uit het vuur grijpen”. Dit gebeurt met geweld. “Vuur” is de aanduiding voor “oordeel”. “Iemand uit het vuur grijpen” is méér dan iemand vrijblijvend het evangelie voorhouden. In de volgende bedeling ligt dit méér voor de hand, dan in onze (vijfde) bedeling. Het vuuris in de zesde bedeling de omschrijving voor de grote verdrukking. Dan kan het noodzakelijk zijn om mensen die tot de Heer willen komen, maar daarin zwak zijn, met geweld te grijpen en te bewaren (te laten onderduiken) voor de tegenstander. In onze bedeling kan het soms noodzakelijk zijn om iemand met geweld aan de invloeden waaraan hij blootgesteld is, te onttrekken. Die invloeden kunnen het hem onmogelijk maken om te doen wat hij toch graag zou willen, namelijk: tot de Heer komen. Om iemand aan de vijand te ontrukken is soms méér nodig, dan het prediken van het evangelie. De gelovige behoort zich er uiteraard van bewust te zijn dat hij primair voor zijn eigen leven verantwoordelijk is. Hij behoort primair de Heer te dienen en vast te blijven staan in het geloof. Het heeft geen zin om zich te ontfermen over iemand die zwak is als hij daardoor zelf verzwakt. De gelovige moet dus goed weten wat hij doet. Zijn eerste verantwoording is ten opzichte van de Heer. Daarnaast kan het nodig zijn dat hij de kracht, die hij ontvangen heeft, gebruikt om anderen uit het vuur te grijpen.

Vervolgens staat er: “haat ook de rok, die van het vlees bevlekt is”. Dit betekent dat men alles wat bevlekt is, moet haten. Alle dingen van de wereld zijn bevlekt. Dit is van groot belang in verband met het eerste deel van dit vers. De gelovige kan zich ontfermen over iemand die uit de wereld getrokken moet worden. De kans is echter zeer groot dat de gelovige daarbij naar de verkeerde kant wordt getrokken. Zeker in volgende bedeling is dit gevaar levensgroot.

Er zijn gelovigen die zich aan een bepaalde omgeving aanpassen om binnen die omgeving het evangelie te kunnen brengen. Vervolgens blijkt echter dat zij volledig door die omgeving worden “opgeslokt” en eraan te gronde gaan. De gelovige moet daarop bedacht zijn en ervoor zorgen dat hij altijd buiten zo’n omgeving blijft staan. Hij kan menen dat hij zich bij de gedachtewereld van de ander aan moet passen om hem het evangelie te kunnen vertellen. Dit is onjuist, want het is onmogelijk iemands gedachtewereld te kennen. Bovendien kan een gelovige zich daaraan niet aan passen. De ander zal zich juist aan de gedachtegang van de gelovige moeten aanpassen. De gelovige heeft zich aan de gedachte-wereld van God aangepast. God past Zich niet aan! Dit principe geldt ook bij de verkondiging van het evangelie. Als de gelovige zich zó aan iemand aanpast dat die persoon het evangelie volledig begrijpt, is de kans groot dat het helemaal geen evangelie meer is. De gelovige moet zich verre houden van de dingen die door het vlees bevlekt zijn en daardoor verontreinigd geworden zijn. In de volgende bedeling zijn alle dingen bevlekt. Als hij zich over iemand ontfermt, gaat hij er zelf niet in, maar hij haalt de ander eruit. Dat is niet alleen in zijn eigen belang, maar ook in het belang van degene over wie hij zich ontfermt.

Judas waarschuwt hier dus zeer nadrukkelijk. We zien overal om ons heen dat men zich aan “de doelgroep” aanpast om het evangelie te brengen. Daardoor verliest men zelfde boodschap en de kracht van die boodschap. Meestal eindigt men met sociale/medische hulp en dergelijke en is men vergeten dat het feitelijk om het brengen van het evangelie gaat. Sociale of medische hulp is nooit van primair belang, want uiteindelijk sterft iedereen. Daarom heeft men primair eeuwig leven nodig. Het gaat niet om iemands lichamelijke nood, maar om zijn geestelijke nood! Daarom behoort het Woord van God gepredikt te worden, want dat is een kracht Gods tot zaligheid. Het mag echter nooit tot verzwakking van het eigen geloofsleven leiden.

24 Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde,
25 Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen. Judas: 24,25

Judas : 25 hoort eigenlijk als volgt vertaald te worden: (De) enige God, onze Heiland/Zaligmaker, door Jezus Christus, onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht vóór alle eeuwen en nu en tot in alle eeuwigheid (of: tot in al de eeuwen). Amen.

We zijn hier bij het slot van de brief van Judas aangekomen. Het is tevens de climax van de brief. Het grootste deel van de brief spreekt over een ongelovige wereld, die God afwijst. De gelovige wordt op de hoogte gesteld van de omstandigheden van de natuurlijke mens en van de wereld, opdat hij die zal herkennen als hij ermee in aanraking komt. Dat is noodzakelijk, want in de volgende bedeling zal hij ermee in aanraking komen. De gelovige heeft twee mogelijkheden: óf hij wordt meegesleurd in de stromingen van de wereld óf hij gaat op in de alleen wijze God, de Zaligmaker. Hij maakt deel uit van het onbeweeglijke koninkrijk. (Hebreeën 12 :28)

De hoofdzin is: “Hem nu … zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid”. Hem zij heerlijkheid! Dit betekent dat de gelovige zijn leven daadwerkelijk op Hem behoort te richten. Dit principe komt ook in de brief aan de Romeinen voor.

Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Romeinen 6:4

Christus is opgewekt tot heerlijkheid des Vaders. Zo zijn ook de gelovigen opgewekt tot heerlijkheid des Vaders. Hier wordt dat omschreven als “wandelen in nieuwheid des levens”. Christus is opgewekt opdat Hij de Vader zou verheerlijken. Hij leeft en door Zijn leven wordt Zijn Vader verheerlijkt. Zoals Christus dat doet, zo behoren de gelovigen dat eveneens te doen. Met andere woorden: gelovigen behoren tot heerlijkheid des Vaders te leven. Ter verklaring wordt dit met andere woorden gezegd. De nieuwheid des levens waarin zij wandelen is eveneens tot heerlijkheid des Vaders. Alle leven in de schepping is eropdat de Schepperverheerlijkt zou worden; hoewel dat meestal niet gebeurt. (Romeinen 1:21) Vanwege de zonde is er van die verheerlijking weinig terechtgekomen. Wanneer een mens wordt wedergeboren, kan hij wél tot heerlijkheid des Vaders leven. Daartoe is Christus opgewekt en Zijn leven is tot heerlijkheid des Vaders. Daartoe zijn de gelovigen met Hem opgewekt, opdat Hij in hun levens eer zou ontvangen. Ditzelfde vinden we ook in 2Korinthe 5:15:

Als die dit oordelen, dat, indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. 2 Korinthe 5:15

Christus is voor allen gestorven en dus zijn allen gestorven. Hij is voor allen gestorven opdat degenen die (daarna) leven voor Christus zouden leven. Christus is Degene Die voor hen gestorven en opgewekt is. Degenen die leven (gelovigen) hebben deel gekregen aan Zijn opstanding en behoren vervolgens tot heerlijkheid van Christus te leven. Het doel van het leven is: de verheerlijking van God. Het natuurlijke leven beantwoordt daar niet aan en kan dat ook niet. Het nieuwe leven kan daar wél aan beantwoorden. Daarom wordt de gelovige ertoe opgeroepen om in nieuwheid des levens te wandelen. Waarom zou aan God heerlijkheid gegeven worden? Omdat Hij machtig is u van struikelen te bewaren. Als de gelovige niet struikelt, dan komt dat omdat Hij hem daarvan bewaart. Hij verleent hem genade en barmhartigheid, zodat hij staande blijft en niet struikelt. Het is dus geen verdienste van de gelovige, maar van Christus. Hij is machtig om dat te doen. Vermoedelijk struikelt de gelovige wel, maar dat komt omdat hij niet bouwt op zijn allerheiligst geloof. Daarom staat er niet dat hij de gelovige bewaart van struikelen, maar dat Hij bij machte is om dat te doen. Als de gelovige bidt in de Heilige Geest en leeft vanuit de verbondenheid met Hem, dan struikelt hij niet. De brief aan de Hebreeën heeft dezelfde achtergrond als de brief van Judas. In Hebreeën wordt ervan uitgegaan dat de gehele wereld uit Egypte is uitgeleid, maar vervolgens nog wel tot geloof moet komen. In de brief aan de Hebreeën wordt dit gebaseerd op oudtestamentische typologie. Judas doet dat bijna niet.

De Heer is wel machtig om de gelovige van struikelen te bewaren, maar Hij kan dat alleen als de gelovige vanuit genade en geloof leeft. De gelovige is weliswaar door genade behouden/zalig geworden, maar daarna kan hij in/naar het vlees blijven leven. In dat geval struikelt hij uiteraard. Dit betekent niet dat hij alsnog verloren gaat, want dat is onmogelijk. Het betekent wel dat hij het idee heeft dat hij de Heer kwijt is; dat er scheiding is. Dit heeft een verlammende uitwerking. Zo’n gelovige kan alleen door de Heer Zelf opgericht worden. Wanneer de gelovige Hem heerlijkheid geeft, wordt hij voor struikelen bewaard. Als hij Hem heerlijkheid geeft, onderwerpt hij zich aan de Heer en dient hij Hem. De Heer heeft er bovendien Zelf belang bij om degenen die Hem dienen van struikelen te bewaren. De Heer zorgt voor Zijn dienstknechten. (2 Korinthe 3 :4-6) De Vader heeft er belang bij om Zijn kinderen te bewaren, opdat Hij door hen gediend zou worden. Het is een wisselwerking. Als de gelovige zijn eigen leven leidt, heeft God er geen enkel belang bij om hem van struikelen te bewaren. Als hij zijn eigen leven leidt, wil hij niet eens geholpen worden. Hij regelt alles zelf wel. In dat geval wordt de Heer niet gediend en zal Hij hem niet van struikelen bewaren.

De Heer is bovendien machtig om de gelovige onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde. De schepping is het kleed (de buitenkant) van de Schepper. Het is tot verheerlijking van Hemzelf als Zijn kleed gereinigd wordt. De zonde en de uitwerking van de zonde wordt dus weggedaan tot heerlijkheid van Hemzelf. Het verzoeningswerk dat God in Christus volbrengt heeft primair de verheerlijking van God Zelf tot doel. De gelovigen van onze bedeling worden bovendien onstraffelijk voor Zijn aangezicht geplaatst opdat zij aan Zijn verheerlijking deel zouden krijgen. Daartoe is de Gemeente geroepen. De Gemeente is het Lichaam van Christus en heeft dus deel aan Christus en daarmee aan Zijn heerlijkheid. Als in de toekomst blijkt dat de gelovigen niet gestruikeld hebben en onstraffelijk gesteld zijn, dan komt dat omdat dat het werk van Christus is geweest. Het is allemaal genade! (vergelijk Eféze 2 : 8)

“In vreugde” wordt er tot slot aan toegevoegd. “Vreugde” is één van de kenmerken van het nieuwe verbond. Het evangelie is blijde boodschap. De droeve boodschap is een bediening des doods. (2 Korinthe 3 :7) Dat is het oude verbond. De prediking van het nieuwe verbond houdt in dat de mens niet door de wet, maar door Gods genade rechtvaardig wordt. Dat is niet tot heerlijkheid van de zondaar. Het is tot heerlijkheid van Degene Die genade bewezen heeft. Dat is tot vreugde voor de zondaar. Het evangelie is slechts een blijde boodschap wanneer alléén genade gepredikt wordt. Dé vraag die de gelovige bij elke prediking behoort te stellen is: “Is het een blijde boodschap?” Wanneer het geen blijde boodschap is, dan kan het nooit het Woord van God zijn. Het nieuwe verbond is altijd een blijde boodschap. Wanneer het dat niet is, dan is het niet tot heerlijkheid van God. De brief, die met name over het lijden en de vernedering van de gelovige spreekt, noemt verschillende malen de begrippen “blijdschap”. (Filippenzen 1 :4, 25; 2 : 2, 29; 4 :1) en “verblijden” (Filippenzen 1 :18; 2:17, 18, 28; 3 :1; 4 : 4,10)

De omstandigheden van de gelovige geven niet altijd aanleiding voor blijdschap, maar die blijdschap is er in de Heer wel. (Filippenzen 4 : 4) Ondanks de droevige omstandigheden waarin de gelovige kan verkeren, heeft hij een blijde boodschap. De boodschap van God tilt hem bóven de omstandigheden uit. Daarom is de boodschap van God een blijde boodschap. Als de prediking geen blijde boodschap is, is het helemaal geen boodschap. In dat geval kan men net zo goed voor de spiegel gaan staan. Dan wordt men met zijn erbarmelijke omstandigheden geconfronteerd. Men heeft dan, als het goed is, in de gaten dat men erbarming nodig heeft. Aan de mens hoeft niet gepredikt te worden, dat hij in erbarmelijke omstandigheden leeft, want dat weet hij zonder prediking ook wel. De erbarmelijke situatie wordt er alleen maar door bevestigd en daardoor worden de omstandigheden slechts erbarmelijker. Veel gelovigen raken steeds dieper in erbarmelijke omstandigheden doordat zij een verkeerde prediking horen. De Bijbel wordt daar weliswaar voor gebruikt, maar het is géén Bijbelse boodschap. De gelovige heeft de blijde boodschap nodig; dagelijks! Dan kan hij zich verheugen. Dit alles is tot heerlijkheid van de alleenwijze God, onze Zaligmaker. Hij is de God in Wie alleen wijsheid woont. Hij is wijsheid, (vergelijk Spreuken 8) Wie wijsheid zoekt, zal God vinden. De vreze des Heren is het begin der wijsheid, (o.a. Psalm 111 : 10; Spreuken 1 : 7; 9 :10) De wijsheid Gods bestaat in verborgenheid.

6 En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden;
7 Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;
8 Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben. 1 Korinthe 2:6-8

De wijsheid van God komt juist hierin tot uitdrukking dat God sinds de opstanding van de Here Jezus Christus mensen uit de wereld trekt en hen deel geeft aan Zijn koninkrijk. De mensheid is dood in zonden en misdaden (Eféze 2 :1) maar God geeft de mens de mogelijkheid over te gaan tot het koninkrijk van de Zoon Zijner liefde. (Kolossenzen 1 :13) Dat koninkrijk is in deze (vijfde) bedeling verborgen. Aan de buitenkant valt in principe niets te zien, maar God voltrekt Zijn werk in de gelovige. In de volgende bedeling zal dat koninkrijk geopenbaard worden. Hier op aarde lijkt het niet veel bijzonders, maar in de toekomst zal blijken dat het heel bijzonder is. Dan zal ook blijken dat alles gedaan werd vanuit de rijkdom van Zijn genade. Het gebeurt door de Geest en in het verborgene, maar het zal in de toekomst worden geopenbaard. Het is zó bijzonder dat de mens het niet zou geloven wanneer het hem verteld zou
worden. (Handelingen 13 : 41) De wijsheid van God is door de mens niet de achterhalen. (Romeinen 11 : 33) Die wijsheid heeft God in Zijn Woord geopenbaard. De mens kan die wijsheid niet vinden, maar Hij heeft Zijn wijsheid bekendgemaakt. Door die wijsheid zijn gelovigen kinderen van God geworden. Zijn wijsheid heeft alles tot stand gebracht en daarom behoort Hij de heerlijkheid te ontvangen. De alleenwijze God is onze Zaligmaker. Er wordt hier niet over Vader of Zoon gesproken. Er is slechts één God. Hij is alleen God. De gelovige heeft zijn zaligheid niet zelf tot stand gebracht. Het is het werk van God Zelf.

30 Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
31 Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere. 1 Korinthe 1:30,31

Alles komt uit de wijsheid van God voort. Die wijsheid is ons geopenbaard. Hem komt heerlijkheid en majesteit toe. “Heerlijkheid en majesteit” is een synoniem. Met twee woorden wordt hetzelfde gezegd. Heerlijkheid is majesteit en majesteit is heerlijkheid. Beide woorden spreken over de koninklijke waardigheid van de Heer. Hij is uitermate verhoogd en heeft een Naam boven elke naam. (Filippenzen 2 :9) Hij zit aan de rechterhand Gods, ver boven elke overheid, macht, kracht. (Eféze 1:20,21) “Heerlijkheid” heeft feitelijk met het hogepriesterschap te maken en “majesteit” heeft met het koningschap te maken. In de praktijk zijn beide begrippen echter helemaal niet te scheiden, omdat de Heer Melchizédek is. Met andere woorden: Hij is Hogepriester én Koning. Hij is de Hogepriester Die op de troon zit. Hij is de Koning Die tegelijk verzoening tot stand brengt.

Met dit vers zijn we weer in Judas : 4 aangekomen, waar over de enige Heerser gesproken wordt. Die Heerser wordt weliswaar door de wereld verloochend, maar door de gelovigen wordt Hem heerlijkheid en majesteit gegeven. Dit gebeurt niet door dat in een gebed uit te spreken, hoewel dat óók mogelijk is. De gelovige geeft Hem heerlijkheid en majesteit door in de praktijk van zijn leven Hem te erkennen als Degene Die boven hem staat. De gelovige onderwerpt zich aan Hem en aan Zijn Woord. De gelovige leeft vanuit de vergeving van zonden en zal Hem danken voor de rijkdom van Zijn genade. Dan ziet hij zichzelf zoals God hem ziet. Daardoor geeft hij Hem heerlijkheid en majesteit.

De alleenwijze God zij ook kracht en macht. “Kracht en macht” is eveneens een synoniem. De gelovige schrijft aan Hem kracht en macht toe. Hij erkent Hem als de Machtige en de Krachtige, Die vér boven alles gesteld is. Het betekent dat hij zich verre houdt van een ieder die kracht of macht op hem wil uitoefenen. Hij erkent namelijk slechts één macht en kracht, namelijk: de enige Heerser. Dat maakt hem onaantastbaar voor de vijand, (vergelijk Jakobus 4 : 7) Als hij weet dat hij een dienstknecht van God is, dan staat hij niet langer onder de invloed van de satan. Hij weet dat de satan er is, maar hij is immuun voor hem. Dit geldt zowel nu als in alle eeuwigheid. Er had ook alleen “in alle eeuwigheid” kunnen staan. Natuurlijk geldt dat voor de toekomst (tot in alle eeuwigheid), maar er staat nog iets bij. Het geldt ook nu reeds. Het is makkelijk om alles naar de toekomst “weg te redeneren”. God heeft echter nu al vele zegeningen gegeven.

8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden, hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.
9 Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
10 Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.
11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.
12 Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
13 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde. 1 Korinthe 13: 8-13

Het volmaakte is reeds gekomen. Daarom hoort het onvolmaakte (hetgeen van een kind was) voorbij te zijn. Het is niet weg, maar het is vol- groeid/voltooid. Als het koninkrijk van Christus op aarde openbaar wordt, zal Hem heerlijkheid, majesteit, kracht en macht gegeven worden. Dit is juist, maar het is ook zo dat Hij die heerlijkheid, majesteit, kracht en macht reeds ontvangen heeft, dat Het koninkrijk gekomen is (hoewel nog niet zichtbaar op aarde geopenbaard) en dat de heerlijkheid en majesteit tot stand zijn gebracht. Hij zal in de toekomst op de troon Zijner heerlijkheid zitten. (Matthéüs 25 :31), maar dat gaat over Zijn troon in Jeruzalem. Dan wordt Zijn koninkrijk openbaar. Dat is echter niet de hoogste troon die er is. Hij zit sinds Zijn opstanding op de hoogste troon die er is; ter rechterhand Gods. God hééft Hem uitermate verhoogd (Filippenzen 2 : 9) en hééft Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven. (Matthéüs 28 : 18) Hij is Priester én Koning naar de ordening van Melchizédek en dat blijft Hij altijd. (Psalm 110: 4; Hebreeën 5: 6; 6: 20; 7: 3,17,21)

Deze brief spreekt primair over de zesde bedeling. De gelovigen van die bedeling leven vóórdat de Heer op de troon Zijner heerlijkheid zal geopenbaard worden. Zij erkennen het beest niet en ook de koning van Babel niet. Zij erkennen de satan niet als hun heer. Zij erkennen slechts Eén, namelijk de enige Heerser, de alleen wijze God, hun Zaligmaker. Hij zal ook hen voor struikelen bewaren. Dat doen zij niet uit eigen kracht, maar door Zijn kracht en genade. Zij geloven, net als wij, in het onveranderlijke en onvergankelijke Woord van God, dat levend is en eeuwig blijvend. (1 Petrus 1 : 23)

Amen.



 Gerelateerde bijbelezing o.a.:
* De brief van Judas


Bijbelstudies door: Ab Klein Haneveld




Dit is een bewerking van de Brochure "De brief van Judas" 
Deze is op schrift verkrijgbaar bij https://www.vlichthus.nl