De 10 stammen en de Gemeente 

“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;” Jeremia 31 : 31

Israël werd verdeeld in een klein deel en een veel groter deel. Het kleine deel kennen we als de Joden, of het Joodse volk, bestaande uit de stammen van Juda en Benjamin. Het grote deel, zeker in latere tijden, is het deel dat eigenlijk alleen aanspraak kan maken op de naam “Israël”.

Na Salomo splitst het rijk zich in tweeën. Juda scheidde zich af van Israël en de naam “Israël” ging mee met het noordelijke rijk, ofwel de 10 stammen. De Bijbel spreekt nooit over de 2 en de 10 stammen, maar over Juda en Israël, over Juda en Efraïm of over Juda en Jozef. Het 10-stammenrijk werd na enige tijd weggevoerd in Assyrische ballingschap en is daar officieel nooit uit teruggekeerd. Er is slechts een heel klein deel teruggegaan naar Kanaän. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat het overige deel nooit uit die ballingschap verlost is. Wat overbleef was het rijk van Juda. Na de wegvoering van de 10 stammen maakte dat rijk dan ook aanspraak op de titel “Israël”. En als wij denken aan Israël, denken we in de eerste plaats aan het Joodse volk. In het verleden echter, bij de uittocht uit Egypte, is niet alleen het Joodse volk uitgeleid, maar het hele volk Israël. Juda maakte daar slechts onderdeel van uit.

Toen de Here Jezus kwam, werd het Evangelie verkondigd aan het Joodse volk, dus aan dat wat er nog van Israël over was. Zij werden overigens ook vaak aangesproken met: “gij Israëlitische mannen”. Het Joodse volk verwierp echter de Koning die uit het huis van Juda kwam. De algemene gedachte is dat de zaligheid naar de heidenen gezonden is. In de praktijk is gebleken dat die zaligheid niet zozeer bij de heidenen in het algemeen terecht is gekomen maar, dat is een verborgenheid, in het bijzonder bij de 10 stammen. Dus de zaligheid werd weggenomen van de Joden, maar kwam niettemin toch terecht bij Israël.

Dat is op zichzelf niet zo belangrijk, want de zaligheid is bij ons terechtgekomen op grond van ons geloof en niet op grond van afstamming!

De zaligheid kwam bij de 10 stammen terecht en dus bij Israël als volk, ook al wordt dat nergens expliciet in de Bijbel gezegd. Onder Israël wordt dus niet verstaan het “Joodse volk”. Het kan er wel deel van uitmaken. Waar staat dat Israël gevallen is, gaat het over het Joodse volk, want Israël stond wel open voor het Evangelie. De 10 stammen zijn dus weggevoerd in Assyrische ballingschap. Van daaruit zijn ze zo snel mogelijk naar het noorden weggetrokken. Dat moest ook wel, omdat ze zich enorm uitbreidden. Dat gebeurde ook al in Egypte. Men was slechts 215 jaar in Egypte, waarvan 80 jaar in slavernij, en in die tijd groeide het volk van 70 tot meer dan 600.000 man. Als dat volk zich in de ballingschap op dezelfde schaal zo snel heeft vermenigvuldigd, dan is het duidelijk waarom er over die tijd gesproken wordt van de grote volksverhuizing. Er verhuisden echter geen grote volken, maar er ontstonden grote volken.

In die dagen, ± 500 jaar voor de jaartelling, was Europa voor het grootste deel onbewoond. Van de volken die ontstonden zijn in ieder geval twee grote groepen, en waarschijnlijk wel drie, naar het noorden getrokken en van daaruit naar het westen. Er was een groep die langs het zuidelijk deel van Europa naar het westen en daarna naar het noorden trok. Dat is de groep volken die wij kennen onder de naam Kelten. Die groep wordt weer onderverdeeld in verschillende andere volkeren, zoals de Galliërs. Een andere groep, die we kennen onder de naam Scyten, trok langs de noordelijke route naar het westen.

In de dagen van het N.T. is Europa voor een groot deel bevolkt geworden door de Kelten, of de Galliërs, dat is volstrekt hetzelfde. Zij worden bijvoorbeeld ook Kemeriërs of Kennemers (Kennemerland) genoemd. Dat geldt voor Spanje, Frankrijk en Duitsland, want de Germanen waren in feite ook Kelten. Er woont nu geen Germaan meer in Duitsland. Alleen de Engelsen, die de echte Germanen zijn, noemen Duitsland Germany, omdat zij die naam gaven aan het land waar ze zelf hebben gewoond. Daarom heet dit land in de rest van de wereld Duitsland en niet Germany.

Spanje heet nog steeds Iberia. Dat betekent gewoon “Hebreeën”. En Ierland draagt dezelfde naam: Hybernia. Deze volken zijn die landen doorgetrokken en uiteindelijk terechtgekomen op de Britse eilanden, maar ook langs de kust van Noordwest-Europa. De Britse eilanden heten Brittannië en deze naam wordt ook gegeven aan de noordkust van Frankrijk: Bretagne.

De namen van de stammen zijn over het algemeen verdwenen, al is de naam Dan nog wel terug te vinden. Die naam komen we in heel Engeland tegen, maar dan is het geschreven als “Deen”. Aberdeen is de naam van Heber en van Dan aan elkaar. Meer in het bijzonder komen we de naam tegen in Scandanavië en in Danmark. Scyten is hetzelfde als Schotten of Jutten. Deze volken zijn in later tijden naar West-Europa getrokken. Daaruit zijn voornamelijk de Angelen en de Saksen bekend. Dat waren dus geen Kelten, maar zij vestigden zich ook in Engeland, waar al sinds eeuwen de Kelten woonden. Die volkeren hebben zich met elkaar vermengd, omdat ze uiteindelijk toch uit hetzelfde volk voortkwamen. Nog later kwamen de Normandiërs, zo rond het jaar 1000, waar Willem de Veroveraar de eerste Normandische koning over Engeland werd. Uiteindelijk hebben de Normandiërs zich ook vermengd met de bevolking van Brittannië. Al deze volken hebben zich in hun trektochten door Europa nooit vermengd met enig ander volk.

Het Evangelie werd vanuit Jeruzalem, direct na de opstanding van de Here Jezus, gebracht naar Engeland. Van daaruit werd het weer naar het oosten gebracht en met name naar Rome. De gemeente in Rome, die niet door Paulus gesticht was, maar waar hij zo graag naar toe wilde, blijkt gesticht te zijn door het Britse koningshuis. Voordat Paulus ook nog maar één zendingsreis had gemaakt, was het Evangelie dus al naar Brittannië gegaan. Waarschijnlijk wisten ze daar al van de komst van de Messias voor de dood en opstanding van de Here Jezus. De vroege kerkgeschiedenis kwam al snel in de greep van de Rooms Katholieke kerk en die deed al het mogelijke om de bakermat van de kerk in Rome te plaatsen, terwijl vaststaat dat de gemeente in Rome gesticht is door het Britse koningshuis, vanuit de Britse eilanden.

In de Bijbel vind je vele verwijzingen naar de 10 stammen van Israël, maar daar moet bij gezegd worden dat het meestal verborgen verwijzingen zijn. Het gaat immers over het verborgen Koninkrijk van God. Het Koninkrijk van God is niet openbaar geworden via de 2 stammen, maar verborgen in de Gemeente, ofwel de 10 stammen. Omdat er in het Oude Testament nauwelijks ondubbelzinnige uitspraken voorkomen over de Gemeente van het N.T., ligt het voor de hand dat dit ook geldt voor de 10 stammen in relatie tot de Gemeente. Want als de Gemeente een verborgenheid is, kan moeilijk verwacht worden dat er verteld wordt hoe die Gemeente tot stand komt. Maar je vindt het voor een groot deel wel in de Bijbelse typologie.

GENESIS 12

“De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging”  Genesis 12:1-4

Die uittocht uit Mesopothamië is meteen de aanleiding tot de belofte, dat er een volk van Abram zou afstammen. Een volk dat ongetwijfeld ook gebracht zou worden naar een land dat de HEERE hen wijzen zou. Wat Abram hier overkomt zou later het volk Israël overkomen.

Abram werd uit Syrië weggevoerd naar een land dat de HEERE hem zou wijzen. Maar alle 12 stammen werden later weggevoerd naar datzelfde Syrië, ongeveer naar hetzelfde gebied. De belofte is dat heel Israël daar weer vandaan gevoerd zal worden en alsnog gebracht zal worden naar het land. Er staat niet bij naar welk land dat is. En heel lang wordt dat ook niet gezegd. Pas later staat erbij hoe dat land heet. Het laat in ieder geval de mogelijkheid open dat Israël eerst naar een ander land gebracht wordt dat helemaal niet benoemd wordt en benoemd kon worden. Naar een verborgen plaats zonder naam, omdat nog nooit iemand daar gewoond had, om pas daarna (bij de wederkomst van Christus) gebracht te worden in het land Kanaän. Het beloofde land loopt van de Middellandse Zee tot aan de Eufraat. Op zich is het dus verdacht dat er over een land gesproken wordt, zonder erbij te vermelden welk land dat is. Later gebeurt dat natuurlijk wel.

Het volk van het verbond

Een deel van de Kelten wordt aangeduid met de naam Britten. Berith is de Hebreeuwse naam voor “verbond”. Zo zouden de Britten het volk van het verbond kunnen zijn. Dat grote volk uit vers 2 ziet uiteindelijk op het Nieuwe Verbond, op het 1000-jarig Rijk (eeuwig koninkrijk van Christus). Abraham is de vader van alle gelovigen en alleen gelovigen gaan de “1000 jaar” in, zodat allen die de aarde dan bevolken beschouwd kunnen worden als het aan Abraham beloofde grote volk. Dat heeft met afstamming niets te maken en dat staat hier ook niet. Het kan niet alleen van toepassing op de Joden zijn, omdat de Joden helemaal geen groot volk vormen. Er leven misschien zo’n 12 à 13 miljoen Joden over de hele wereld. Dat is geen groot volk. Als het bovendien gaat over de 1000 jaar of het begin daarvan, dan is dat volk al helemaal niet meer zo groot, want het moet nog door de grote verdrukking heen. Het gaat dus niet alleen over de Joden, maar over héél Israël.

De vraag is waar die andere 10 stammen gebleven zijn. Het ligt voor de hand dat de HEERE hen in het verborgene naar een “land” gebracht heeft en dat men daar wacht op de wederkomst van Christus. Ze zijn bovendien hun eigen identiteit vergeten.

In vers 2 staat dat de HEERE Abraham tot een groot volk zou maken. Daar staat in het Hebreeuws niet het normale woord voor volk “Am”, maar “Goj”. Dit is het normale woord ter aanduiding van de heidenen: de volkeren, die niet Israël zijn. Ofwel die “lo-ammi” genoemd worden (“niet Mijn volk”). Het gaat hier dus niet over “ammi” (“Mijn volk”), maar over het volk dat van Abraham afstamt en dat in het algemeen beschouwd moet worden als een heidens volk, namelijk als “niet Mijn volk”. Als de meerderheid van dat volk gevormd wordt door de 10 stammen betekent dit, dat dit volk al meer dan 2500 jaar aangeduid wordt als “goj” of “lo ammi”. Strikt genomen wordt het Joodse volk in onze dagen ook gerekend tot “goj” of “lo-ammi”. Dus nu geldt dat voor alle 12 stammen. Het wordt dus niet specifiek aangeduid als een uitverkoren volk, maar als een volk dat uit Abraham zou voortkomen. Van dat heidense volk staat dat het een groot volk zou worden. Omdat de Joden de heidenen altijd aan duiden met “goj”, zijn de 10 stammen voor de Joden ook “goj”. Zo zou je zelfs kunnen concluderen dat het hier niet eens over de 12 stammen gaat, maar alleen over de 10. Er wordt gesproken van een bevoorrechte positie te midden van de overige “gojim”.

Genesis 15

“En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn” Genesis 15:4

Hier staat uitdrukkelijk dat dit volk uit Abrahams lijf voortkomen zou. Niet omdat hij dat volk organiseert of bijeenbrengt, maar via afstamming. Eliëzer, door Abraham beschouwd als zijn zoon, zijn erfgenaam, valt daarmee buiten de boot.

“Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot Hem; Zo zal uw zaad zijn! En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid”.Genesis 15:5,6

Deze zelfde uitspraak wordt later toegepast op de Gemeente. Maar hier gaat het over Abraham en wat uit zijn lijf zou voortkomen. Dat zou zijn als de sterren des hemels en ontelbaar. Als het wordt toegepast op de Gemeente en die Gemeente is uit de heidenen, dan heeft zij slechts door geloof en niet door afstamming deel aan de aan Abraham beloofde zegeningen. De enige manier om je er dan nog uit te redden, is door te zeggen dat de Gemeente een groot volk is uit Christus. En Christus komt voort uit Abraham. En zo komen we toch uit Abraham voort. Maar het leven dat wij ontvangen hebben, waardoor wij één zijn met Christus, is niet het leven van Abraham, maar het leven van de andere Vader van de Here Jezus, namelijk van God Zelf. Dus die redenering loopt toch ergens fout. Niettemin, als je deze dingen bij elkaar optelt en vervolgens het N.T. ernaast legt, waar diezelfde uitspraken over de Gemeente gaan, dan zou je alleen al daaruit moeten concluderen dat de Gemeente, in meerderheid, ook van nature afstamt van de 10 stammen.

4. Genesis 17

“Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht en zijt oprecht! En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen. Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende: Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden! En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken. En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.” Genesis 17:1-8

Abraham was 99 jaar oud. Er ontbrak er nog één. Het getal 99 komen we in de Bijbel ook nog tegen als de 99 schapen, want er is er één zoek. De Herder laat de 99 in de steek en zoekt de 100ste. Hij liet het Joodse volk in de steek en ging op zoek, om te vinden en zalig te maken wat verloren was, namelijk de verloren 10 stammen van Israël. Het “gans zeer vermenigvuldigen” gaat natuurlijk niet alleen maar over de Joden. In vers 4 wordt gesproken over een menigte van volken. Niet één “goj”, maar een menigte van “gojim”. Daar staat dus eigenlijk dat Abraham vader zou worden van een menigte van heidense volken. Dat wordt herhaald in vers 5. Abraham betekent: vader van een menigte van volken.

In Abraham zit het woord “am”. Dat is de normale aanduiding voor het volk van God. Maar hij zou vader worden van een menigte van “gojim”. Er wordt over heidense volken gesproken, terwijl in de naam van Abraham opgesloten ligt dat het over Israël gaat. Als beide termen gebruikt worden ter aanduiding van de erfgenamen van Abraham, wordt het later tamelijk moeilijk onomstotelijk vast te stellen, dat “am” staat voor Israël en “goj” voor heidenen. Het “gans zeer vruchtbaar maken” wordt twee keer achter elkaar gezegd. Dat is typologisch een verwijzing naar het dubbele deel van de eerstgeborene. Het is altijd een verwijzing naar Nieuwtestamentische waarheid. “Het vruchtbaar maken” komt van het woord “para”. Dat is de term in de vertaling van “breken” en “onderbreken” of de bekende breuk in de naam “Peres”. Dat wordt altijd in verband gebracht met onze tegenwoordige bedeling. Die breuk, eventueel op te vatten als onderbreking, zou veel vrucht voortbrengen. De onderbreking slaat dan op de onderbreking in de geschiedenis van Israël en op de bedeling waarin wij leven.

  • Vers 6: Uit Abraham zullen verschillende volkeren voortkomen, die ook verschillende koninkrijken zouden zijn, met verschillende koningshuizen. Buiten de Bijbel om wijst men er wel eens op, dat de verschillende koningshuizen die er nog zijn, ook zouden regeren over die volken, die werkelijk afstammen van de 10 stammen van Israël. Ze hebben ook allemaal, zonder uitzondering, de leeuw in hun wapen. Een uitbeelding van de Koning van Israël: de Leeuw van David of van Juda.
  • Vers 7: Hier wordt gesproken over het Nieuwe Verbond. Het gaat hier dus niet over het verbond met Abraham, maar over een verbond dat opgericht zou worden op grond van het verbond met Abraham. Een eeuwig, onvergankelijk verbond, dat zou komen op grond van de belofte aan Abraham. Als later in het O.T. en ook in het N.T. gesproken wordt over een eeuwig Verbond, het Verbond des Vredes, dan is dat Nieuwe Verbond de vervulling van de beloften aan Abraham.

Dit betekent dat dit Nieuwe Verbond rechtstreeks in verband gebracht moet worden met alle 12 stammen van Israël en niet alleen met de Joden. Bovendien zou dát Gods volk zijn. Als het Koninkrijk van God in de toekomst openbaar wordt, moet het in ieder geval een Koninkrijk zijn dat bestaat uit tenminste de 12 stammen van Israël. Dus over veel meer volken, dan alleen het Joodse.

  • Vers 8: Het gaat hier weer over de natuurlijke afstammelingen van Abraham. En waar de 12 stammen ook gebleven zijn, zij zullen ooit gebracht worden naar Kanaän. De grenzen die Kanaän nu heeft, zijn niet de grenzen die dat land in de toekomst zal hebben, want dan zal het veel groter zijn.

Toen de beloften aan Abraham gedaan werden, was hij zelf “goj”, een heiden. Hij was toen nog onbesneden.

1. “Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?

2. Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God.

3. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.

4. Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.

5. Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.

6. Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;

7. Zeggende: Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn;

8. Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent.

9. Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.

10. Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.

11. En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;

12. En een vader der besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was.

13. Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.

14. Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.

15. Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.

16. Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;

17. (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;

18. Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen.” Romeinen 4 : 1 – 18

De beloften werden dus aan Abraham gedaan toen hij nog onbesneden was. De beloften in Genesis 15 zouden eventueel nog van toepassing kunnen zijn op Ismaël, maar in Genesis 17 worden die beloften herhaald en daar gaan ze uitdrukkelijk over de volken die uit Saraï zouden voort komen. Uit Ismaël zijn ook heel wat volken ontstaan, maar aan hem zijn de beloften niet gedaan.

“Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Saraï, niet Saraï noemen; maar haar naam zal zijn Sarah. Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal; koningen der volken zullen uit haar worden!.” Genesis 17:15,16

Sarah betekent vorstin. Dit woord is terug te vinden in: caesar; tsaar; sire; sir. God zou haar zegenen. Uit haar zouden meerdere volken voortkomen en meerdere koninkrijken.

Typologisch zijn Hagar en Ismaël typen van de 2 stammen (Joodse volk) en Sarah en Izak van de 10 stammen. Sarah en Izak worden ook beschouwd als typen van de Gemeente.

“Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije. Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Hagar; Want dit, namelijk Hagar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder. Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft. Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was. Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije” Galaten 4:21-31

Degene die de Man niet heeft, zal vruchtbaarder zijn, meer erfgenamen hebben dan degene die de Man heeft. Het Joodse volk heeft de Man. Ze was volgens de wet getrouwd met de HEERE. Daar komt niets uit voort. Het blijft onvruchtbaar. Het andere deel, voortgekomen uit Sarah, heeft de Man helemaal niet en kent de Man zelfs niet, omdat het de heidense volken zijn. Ze kunnen moeilijk gemeenschap hebben met de Man Die ze niet eens kennen.

We hebben het over de Kelten, Scyten, Britten, Angelen, Saksen, Noormannen, Jutten, Schotten, Iberiërs, Germanen. Ze kennen de Man niet, maar niettemin zijn ze vruchtbaarder. Dat is zeker in onze dagen zo, want het merendeel van de gelovigen komt voort uit deze volken, terwijl slechts een minderheid uit het Joodse volk voortkomt. De belofte wordt dus ook aan Sarah gegeven en wordt vererfd via Izak. Steeds wordt het woord “goj” gebruikt, behalve in Genesis 17 : 16, want als het over koningen der volken gaat, staat er ineens het woord “am”.

“En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.” Genesis 17:14

Hier wordt ook het woord “am” gebruikt. Zo blijkt dat “am” rechtstreeks in verband staat met de besnijdenis. Iemand die niet besneden wordt, moet uit “am”, uit het volk uitgeroeid worden, want een onbesnedene wordt niet geacht “am” te zijn, maar “goj”. Het Joodse volk, ook in nieuwtestamentische tijd, wordt geacht besneden te zijn. De besnijdenis en de Jood zijn bij Paulus zelfs synonieme termen. Als hij spreekt over de besnijdenis, heeft hij het over het Joodse volk. De 10 stammen blijken niet besneden te zijn en dus zijn zij “goj”.

Uit Sarah zouden op grond van de beloften meerdere volken en koninkrijken ontstaan. Daaruit blijkt dat het niet alleen over het Joodse volk gaat; zelfs niet over de Bijbelse geschiedenis van Israël als 12 stammen, want dan zou je hooguit twee koninkrijken hebben; zelfs niet over de Gemeente, want de Gemeente is/zijn geen koninkrijken. Die beloften moeten ná afloop van de Bijbelse geschiedenis, maar vóór de 1000 jaar ergens een vervulling hebben. Want straks, in de 1000 jaar, wordt alles bijeen verzameld en geplaatst onder één Koning. Alles dat uit Izak voort gekomen is, heeft dan echt maar één Koning. Het kan zijn dat de andere heidenen daar nog andere koningen onder hebben, maar er is maar één Koning over Israël. Het grootste deel van de tijd van de vervulling der beloften beslaat natuurlijk onze bedeling, de bedeling van de genade

Ammi en lo-ammi

Het is niet zozeer van belang dat het “am” of “ammi” genoemd wordt, maar belangrijker is het, dat het bij gelegenheid “goj” wordt genoemd. Is de Gemeente het volk Gods of niet? Is zij “ammi” of niet? Alles dat volk is en van God is, kan van God uit gezien als “ammi” worden aangeduid. Op het “horizontale vlak” kan het best een heidens volk zijn. Bovendien wordt er over de Gemeente gesproken als een volk, dat geen volk is, maar je kunt ook zeggen dat dit volk de Gemeente is. Je kunt ook zeggen dat het geen volk is, omdat het officieel “lo-ammi” is, want het komt niet uit Israël voort. Beide termen worden, naast elkaar, op hetzelfde toegepast.

De Bijbel gebruikt beide termen ter aanduiding van de Gemeente: “ammi” en “lo-ammi”. Dat geldt ook voor Israël. Israël wordt gezien als “ammi”, als het volk Gods, het uitverkoren volk, Gods oogappel. Zonder nadere toelichting heb je aan die uitspraken niets, want Israël is uiteindelijk pas Gods volk als het tot geloof komt. Niettemin is het ten tijde dat het niet tot geloof gekomen is, nog steeds Gods uitverkoren volk, maar niet Gods volk en dus is het “lo-ammi” en zal het pas in de toekomst “ammi” zijn.

Het is wel het volk waar God een plan mee heeft, waar Hij een zegen over heeft uitgesproken en waarvan Hij zelfs gezegd heeft dat het altijd, vanaf het begin van de geschiedenis, tot aan het laatst toe, gezegend zal worden. En dus toch altijd “ammi” zal zijn. Als de Gemeente uit de 10 stammen voortkomt en ook beschouwd wordt als een vrucht uit de 10 stammen, dan is zij “ammi” en “ruchama”, Gods volk en bemind, terwijl zij van nature juist “lo-ammi” en “lo-ruchama” is. Zo zijn beide termen daarop van toepassing.

God heeft Zich niet ontfermd over de 10 stammen van Israël. God heeft alleen het Evangelie gezonden naar de 10 stammen, zoals Hij dat ook gedaan heeft naar de 2 stammen. Hij ontfermt Zich over de gelovigen. Hij bemint de gelovigen en maakt hen tot Zijn volk. Namelijk één volk, voor Zijn Naam, met een hemelse roeping en een hemelse erfenis.

Is het dan “ammi” of “lo-ammi”? Het kan allebei. Het is maar net van welke kant je het bekijkt. Je kunt daarom ook geen concordante Bijbelvertaling maken, want één en hetzelfde woord heeft nooit één en dezelfde betekenis

“Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal één, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sarah, die negentig jaren oud is, baren?” Gen 17:17

Abraham lachte, maar niettemin geloofde hij God. Hij vond het een goede grap, omdat wat eigenlijk niet kon, toch gebeurde. Maar dat het Evangelie gebracht werd naar Israël, dat het afwijst, waarna het vervolgens naar de heidenen gaat, kan eigenlijk ook niet. Zo wordt de Gemeente gebouwd, waarna het Evangelie weer opnieuw naar Israël gaat. De aardigheid is juist dat, terwijl niemand het weet, terwijl het nergens helemaal concreet en ondubbelzinnig in de Bijbel staat, het Evangelie terecht komt waar het terecht moet komen (want dat lag vast in de beloften), namelijk bij Israël en dan bij de heidenen. Dus bij heel Israël, de 12 stammen, bij de heidenen, de overige heidenen.

Het blijkt dat, hoewel het nergens expliciet in de Bijbel staat, het toch zo gebeurd is. Dat kan niemand geforceerd hebben en dat is toch een fantastisch verhaal. Onvermoed, zelfs onbelangrijk voor ons, houdt God houdt Zich aan Zijn Woord. Al die uitspraken in de Bijbel, waarin God zegt: “Ik sluit Mijn belofte en Ik verbreek hem niet; Ik houd Mij aan Mijn Woord”, zijn beloften die nog sterker vervuld blijken te zijn dan we ooit hadden gedacht. Want zelfs in onze dagen bestaat er een rechtstreekse relatie tussen de Heer en Israël, hoewel Israël officieel beschouwd wordt als “lo-ammi”. Die relatie wordt onderhouden via de roeping van de Gemeente. Terwijl het ene deel van Israël onder de vloek terechtkwam, ontving het andere deel uitdrukkelijk de zegeningen. Maar dat is natuurlijk een bekend Bijbels beginsel.

“En God zeide: Voorwaar, Sarah, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem”. Gen 17:19

In Genesis 17 wordt Izak geïntroduceerd. De naam “Izak” komen we nog steeds tegen in de “Saksen”. De enige verklaring voor de naam “Saksen”, het Saksische volk, is dat die naam betekent: zonen van Izak. In oudere geschriften wordt de “Sackson” vaak geschreven met een “I” ervoor: “Isackson”. Dit betekent gewoon: de zonen van Izak.

“En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.” Gen 17:20

Dat bevestigt dat Ismaël een type is van het natuurlijke Israël in het algemeen en van de 2 stammen in het bijzonder. Ismaël en Izak staan hier tegenover elkaar, zoals de 2 tegenover de 10 stammen. Zodat de beloften, aan Izak gedaan, eigenlijk beloften zijn aan de 10 stammen en de beloften aan Ismaël aan de 2 stammen. Als de beloften aan de 10 stammen vervuld worden, ontstaat de Gemeente, want je moet vaststellen dat de beloften aan Izak in het Nieuwe Testament van toepassing gebracht worden op de Gemeente. Daaruit is de conclusie dat kennelijk de Gemeente primair geformeerd wordt uit de 10 stammen van Israël. Uit Izak en niet uit Ismaël.

“Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, dien u Sarah op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal. En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.” Gen 17:21, 22

Ismaël zou vruchtbaar zijn, maar met Izak zou Hij een eeuwig verbond oprichten.

5. Genesis 21

In Genesis 21 wordt gesproken over wat er gebeurde na de geboorte van Izak, de zoon die Sarah aan Abraham baarde in zijn ouderdom, op de tijd die God hem gezegd had. “In zijn ouderdom” kan in ieder geval synoniem zijn met “de laatste dagen”. Dat betekent na de eerste komst van Christus. Dat duurt nu al ongeveer 2000 jaar.

“En Sarah werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.” Gen 21:2

“Ter gezetter tijd” doet denken aan “de bestemde tijd”, “de tijd van de Vader tevoren gesteld”, uit Galaten 4. “De gezette tijd” is volgens mij in ieder geval de tijd van de dood en opstanding van de Here Jezus Christus. Daar begint de ouderdom, namelijk “de laatste dagen”. Iets verderop in Galaten 4 en in volstrekt hetzelfde betoog, stelt Paulus Hagar en Sarah en dus Ismaël en Izak en dus Sinaï en Sion, tegenover elkaar. Hij stelt daar dus ook de 2 stammen en de 10 stammen tegenover elkaar. Tegenover de Joden staat de Gemeente. Het Joodse volk en de 2 stammen is nu eenmaal hetzelfde, zodat de Gemeente en de 10 stammen ook verbazend dicht bij elkaar liggen. Het is niet hetzelfde, want er zit wel een verschil tussen, maar niettemin, het ligt tegen elkaar aan.

“En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sarah gebaard had, Izak. En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had. En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.” Gen 21: 3 – 5

Izak betekent “lachen”, namelijk de blijdschap van het Nieuwe Verbond. Abraham was 100 jaar en bij 100 ga je het Koninkrijk binnen. 100 spreekt over geloof en daarmee over het ingaan in het Koninkrijk en daarmee over het aanbreken van het Nieuwe Verbond. Het aanbreken van het Nieuwe Verbond gebeurde bij de opstanding van Christus. En daar worden de zegeningen vervuld als het goed is aan Israël. Wij leren vervolgens dat Israël gestruikeld is en dat die zegeningen daarom naar de Gemeente gaan. Maar het punt is dat dit eigenlijk niet kan. Het Nieuwe Verbond breekt aan en dan gebeurt het dus ook. Niet op een hogere toepassing, hoewel dat zo is, maar ook wel degelijk in de letterlijke toepassing. Namelijk aan Israël en wel aan degenen die meer recht hebben op de naam Israël dan het Joodse volk. Bij 100 jaar ga je in het Koninkrijk, of in de Tabernakel. Dat is het ingaan door het oog van de naald. Bij 100 jaar wordt de Zoon geboren.

“En Sarah zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.” Gen 21:6

Zij lachte uiteraard van vreugde en blijdschap. De blijdschap van het Nieuwe Verbond. Dat doen wij ook, vooral als we de diepere achtergronden van deze uitspraken kennen.

“En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd. En Sarah zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende. En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.” Gen 21: 8 – 10

Ismaël en Izak, typen van 2 en 10 stammen

Dat is ook wat er gebeurt. Als je de typologie even vasthoudt: Ismaël is het beeld van de 2 stammen, het volk in slavernij. Ismaël was immers de slaaf, de slaaf van de wet. En Ismaël zou niet erven met de vrije. Dat is precies wat het Joodse volk is overkomen. Ismaël was de eerstgeborene, maar Izak, die een type van de 10 stammen is, kreeg het eerstgeboorterecht. De Gemeente heeft dat eerstgeboorterecht ook ontvangen en dus moet je concluderen dat dit op grond van afstamming van de 10 stammen gebeurt. Deze gedachte wordt in Galaten 4 aangehaald. De gezette tijd uit vers 2, van het aanbreken van het Nieuwe Verbond, waarbij de slavernij ophoudt (dat staat daar echt) en de Zoon verschijnt, wordt in vers 30 en 31 rechtstreeks van toepassing gebracht op Ismaël en Izak. De slaaf wordt uitgedreven en de zoon van de vrije erft.

Het Joodse volk was in slavernij onder de wet, maar de 10 stammen waren zo vrij als een vogeltje. Zij verdwenen in de Assyrische ballingschap, maar zijn uitgezwermd over de aarde en waren toen vrij. Vrij van het Oude Verbond, vrij van de wet. Ze kenden de Heer niet meer en konden doen wat ze wilden. Het eigenaardige is dat waar de mens vrij is van vaste tradities, van religieuze slavernij, hij het makkelijkst te bereiken is met het Evangelie. Want het is een enorm moeilijk werk om iemand die in slavernij is, te stellen in de vrijheid en in de heerlijkheid van de kinderen Gods.

God heeft de 10 stammen de vrijheid gegeven in de hoop dat ze vanuit die vrijheid, onverblind door de wet, want daar leefden ze niet onder, als nog zouden komen tot aanvaarding van diezelfde Heer, maar dan wel nadat Hij uit de dood was opgestaan. Vandaar dat de Schrift spreekt over de scheidbrief, waarmee de Heer de 10 stammen van Israël heeft weggezonden. De 2 stammen zijn met de Heer getrouwd geweest tot op de dood des HEEREN. Het Joodse volk werd dus weduwe. De 10 stammen werden weggezonden door scheiding. Maar allebei met de bedoeling om met de verkregen vrijheid, zich te verbinden met Degene, Die uit de dood opgestaan is (Romeinen 7). Degenen die onder de wet waren, kwamen in het algemeen niet tot de Heer, maar degenen die niet onder de wet waren, over het algemeen wel.

Dus de zoon van de slavin zal niet erven met Izak. Dat staat zowel in Genesis 21 als in Galaten 4.

“En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon. Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sarah tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.” Gen 21: 11, 12

Dat is een formulering die wij in het Nederlands zo niet gebruiken: “In Izak zal uw zaad genoemd worden”. Als wij het in gewoon Nederlands zeggen, staat er: “Uw zaad zal Izak genoemd worden”. Wanneer werd dat zaad van Abraham letterlijk Izak genoemd? Zodra wij zeggen dat de 10 stammen teruggevonden worden in de Angelsaksische volkeren, waarbij de Angelen een minderheid vormen, zeggen wij dus dat we ze terug vinden in Izak. Dat ze gevonden worden onder de naam Izak, namelijk onder de naam Saksen. De Keltische en Scytische volkeren zijn allemaal opgegaan in de Angelsaksische volkeren. Die term is nu eenmaal blijven hangen. Waar vind je, zonder typologie of geestelijke dingen, het christendom of waar vind je de Gemeente op de kaart? Daar waar de Saksische volkeren wonen.

Dat is de enige verklaring, want de naam Izak wordt nooit ergens ooit op enig volk of gemeente letterlijk van toepassing gebracht. Het enige volk dat wij kennen onder de naam Izak, is het Saksische volk. Hoewel je dat zo niet zegt, omdat het om meerdere volken gaat. Ik zeg altijd maar dat ik een gewone heiden ben die tot geloof gekomen is. Dat is maar het veiligst om te redeneren. Anders kon je nog eens hoogmoedig worden. Dan krijg je dezelfde hoogmoedigheid die ook dikwijls aangetroffen wordt in het Jodendom. Zij zeggen: “Wij zijn van nature het volk van God”. Waar nog bijkomt dat de 10 stammen veel meer Israël zijn dan de Joden en dus de Nederlanders veel meer Israël zouden zijn dan de Joden. Zo wordt het vaak ook gebruikt. En dat is levensgevaarlijk! Het maakt verder niet uit of je tot de 10 stammen behoort of niet, want waar het om gaat, is dat we gelovigen zijn en op grond daarvan deel uitmaken van de Gemeente. Daarom hebben we deel aan de vervulling van de beloften die aan Israël gedaan zijn in het algemeen en aan de 10 stammen in het bijzonder.

Typologie van Kaïn, Abel en Seth

De typologie van het offer van Kaïn tegenover het offer van Abel, dat opstijgt tot de Heer is als volgt. Kaïn is een beeld van Israël, dat immers de Here Jezus verwierp. Abel is een type van de Here Jezus. Bij wat er over Kaïn geschreven wordt, heel de Bijbel door, blijkt dat Kaïn een beeld is van Israël, maar meer in het bijzonder van het Joodse volk. Het bloed van Abel zal geëist worden van de hand van Israël. Kaïn zou ook zwervende en dolende zijn over de hele aarde, alsof hij Ahasveros heette: de zwervende Jood; maar niemand zou hem kunnen doden. Dat was het teken.

Het kenmerkende van Kaïn was dat iedereen hem wilde doden, maar dat dat nooit lukte. Dat is ook het kenmerkende van het Joodse volk. Terwijl Kaïn eigenlijk gedood had moeten worden, als moordenaar, bleef hij in leven, maar wel als zwerver. Als Kaïn een beeld is van de 2 stammen, dan is Abel een beeld van de 10 stammen. Abel is natuurlijk in de eerste plaats een type van de Here Jezus, maar ook van de 10 stammen, die meer bekend zijn onder de naam Israël, of ook wel onder de naam Jozef. Abel, wiens naam “ijdelheid” of “leegheid” betekent, kan heel goed ook een type van de 10 stammen zijn. Zij hebben de wet ook helemaal niet en zijn dus leeg, dood eigenlijk.

Wat Kaïn in de naam van de 2 stammen deed, was het doden van de Zoon van Jozef. Dat is typologie. Abel wordt dan vervangen door een derde figuur, Seth. Dat betekent: plaatsvervanger. Van hem wordt gezegd dat hij het zaad is. Een ander zaad, maar het zaad. Dus achter het schema van deze drie namen, Kaïn, Abel en Seth, herkennen we de 2 stammen, de 10 stammen en de Gemeente. Want Seth is een beeld van de Gemeente. Hij kwam in de plaats van Abel, die weg was. En in Abel wordt het zaad gezien.

“In Izak zal u het zaad genoemd worden”. Deze uitspraak komen we ook in Romeinen 9:7 en in Hebreeën 11:18 tegen.

“Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, (Tot dewelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was hem ook uit de doden te verwekken; Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.” Hebreeën 11 : 17 – 19

Izak is, bij wijze van spreken, uit de dood teruggekeerd. Het eigenaardige is dat Izak niet gedood werd, hoewel dat best zou hebben gekund. Want Abraham overlegde toch dat God machtig was Izak uit de dood op te wekken. Niettemin stierf Izak niet. Hij was wel gebonden en bij wijze van spreken was hij dood en dus, bij wijze van spreken, kreeg Abraham hem uit de dood weder. Maar hoe kon dat dan? Want offerdieren worden gewoonlijk eerst gedood en daarna op het altaar gebracht. Wat er op het altaar gebeurt, is niet een beeld van de dood, maar van de opstanding uit de dood. De dieren worden eerst geslacht, dan worden ze op het altaar gelegd en als het goed is, stijgen ze vanaf daar op tot God. Een offer spreekt over hoe men tot God nadert, niet over hoe men dood gaat, want dat gaat eraan vooraf.

Izak was alleen gebonden. Hij was niet alleen een type van de Here Jezus, maar bovendien een type van de 10 stammen van Israël die in ballingschap zijn. Die 10 stammen zijn bij wijze van spreken dood. In ieder geval gevangen, in ballingschap, want dat is hetzelfde. Eigenlijk had Izak dood moeten zijn op het altaar, maar hij was alleen gebonden en werd zo geofferd en tot God gebracht en van daaruit keer de hij dan ook levend terug tot Abraham. Precies zoals hij verteld had aan z’n personeel. Voordat de 10 stammen letterlijk weer verschijnen, blijkt dat ze gebonden waren op het altaar, in ballingschap, verstrooid, maar niettemin op het altaar. En dus op die manier verbonden met de levende God. Wij leven in de tijd dat Izak op het altaar gebonden is, maar wel levend en verbonden met de levende God.

Ons leven is gewijd aan Hem en Hij doet er Zijn werk mee. Vandaar dat de ogenschijnlijk onbelangrijke opmerking uit Genesis 21 (“want in Izak zal uw zaad genoemd worden”) in het N.T. tweemaal herhaald wordt. Beide Schriftplaatsen staan rechtstreeks in verband met de Gemeente. Hebreeën 11 noemt weliswaar een hele reeks van geloofshelden, dat waren het ook, maar het aardige is dat al die voorbeelden bovendien typologisch verwijzen naar de roeping van de Gemeente in onze dagen. Het is dus niet voor niets dat Abel daarbij genoemd wordt. Maar het is een interpretatie die over het algemeen niet bekend is. En waar het gaat over Abraham, die Izak offerde, is dat een beeld van hoe de Gemeente tot stand komt. Uit Izak of uit de Saksen, terwijl die in werkelijkheid gebonden zijn of in ballingschap. Ze zijn gebonden op een altaar en vanaf dat altaar staan ze op, ofwel worden ze wedergeboren.

“En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouw de aldaar den HEERE een altaar.” Genesis 13 : 18

De Kelten leefden onder de eikenboom. Ze werden bestuurd vanaf de eikenboom, de heilige boom. Daaronder hielden ze hun raad.

6. Genesis 28

Izak dreigde te sterven, hoewel hij nog lang niet stierf, maar men vond het dan toch wel in ieder geval tijd worden dat Izak de erfenis zou regelen. U weet hoe het ging: Ezau was van nature de eerstgeborene en zou de eerstgeboortezegen moeten krijgen. Die zegen kwam terecht bij Jakob. Izak heeft uit het geloof Jakob gezegend. Ezau werd daarna zo verschrikkelijk jaloers op Jakob, dat Jakob moest vluchten. Maar als er sprake is van de erfenis die gegeven moet worden, dan is er sprake van de toepassing van het testament bij de dood van de erflater en dus van het aanbreken van het Nieuwe Verbond. Izak schijnt te sterven en hij geeft zijn bezittingen door aan de volgende generatie. Dat is een beeld van hoe het Nieuwe Verbond zou aanbreken. In plaats dat het eerstgeboorterecht en dus de zaligheid (= de vervulling van de beloften) bij Ezau terecht komt, gaat het naar Jakob. Ezau wordt jaloers en vreselijk kwaad. Het Joodse volk zou ook tot jaloersheid verwekt worden. Daarvan is Ezau een beeld. Hij was van nature de eerstgeborene, was familie van de Koning, de Jood bij uitstek, maar toch komt de zaligheid bij de broer terecht. Dus moet Jakob een type van de Gemeente zijn. Zeker in deze verhouding.

Jakob vlucht niet zomaar naar het buitenland, maar naar Syrië. Naar Paddan Aram. Daar kwam Abraham ooit vandaan. Hij gaat dus terug naar af. Meer in het bijzonder gaat hij daar naar de andere tak van de familie. Naar de oudere tak. De familie van de broer van Abraham. De lijn van Nahor, Bethuël en Laban. Daar kwam z’n moeder, Rebecca, ook vandaan. Jakob gaat dus met helemaal niets naar zijn oom Laban. Hij had wel net het eerstgeboorterecht, met de daaraan verbonden zegen verkregen, maar in de praktijk kreeg hij helemaal niets. De bezittingen van Izak kwamen dus helemaal niet bij Jakob terecht, maar bij Ezau. Waarna bovendien, 20 jaar later, Jakob terugkeerde van oom Laban en Ezau ontmoette en zij elkaars bezittingen vergeleken. Ezau zei toen tegen Jakob: “Broeder, de Heer heeft mij veel gegeven”; waarna Jakob zei: “Broeder, de Heer heeft mij alles gegeven”.

Ezau had zijn bezittingen opgebouwd uit die van Izak. Hij was immers gewoon thuis gebleven en nooit weggeweest (net als in de gelijkenis van de verloren zoon). Maar heel het bezit van Jakob al zijn zegeningen waren niet van Izak afkomstig, maar van Laban. En dus van Bethuël en dus van Nahor en dus van de broer van Abraham, de andere lijn van de familie. Net als Izaks vrouw, de moeder van Jakob, ook al uit de andere tak van de familie kwam. Zij was de dochter van Bethuël. Jakob z’n vrouwen kwamen uit dezelfde lijn van de familie. Een principe waar je nooit omheen kunt. Het gebeurt altijd zo. Daar komt nog bij dat heel de geschiedenis van de aartsvaders model staat voor onze bedeling. Dat wil zeggen dat er wel beloften zijn, maar dat de uiteindelijke vervulling in de toekomst ligt.

Abraham trouwde sowieso met zijn zuster, van dezelfde vader, maar van een andere moeder. Izak trouwde in bredere zin ook met z’n zuster, al was het z’n nicht en bij Jakob gebeurt precies hetzelfde. Jakob kwam zonder iets bij Laban aan en heeft daar moeten werken. In ieder geval kreeg hij daar twee vrouwen en nog twee vrouwen en elf zonen. En op een verschrikkelijk ingenieuze wijze kreeg hij bovendien nog een hele verzameling vee. Zo was al Jakobs rijkdom afkomstig van Laban. Er wordt zelfs over gesproken dat Laban verarmde. Want tegen de tijd van de opname van de Gemeente gaat Jakob zo maar ineens weg. Hij was ineens ver trokken, stiekem. En Laban blijft verarmd achter.

Daarna ontmoeten ze elkaar nog even, want Laban reisde hem achterna. Ze hebben toen een verbond gesloten en een hoop stenen opgericht, een gewoonte die de Kelten later ook overal gepraktiseerd hebben. Het gaat erom dat Jakob al zijn bezittingen van Laban krijgt, van de tak waar je het helemaal niet van verwacht. Terwijl Jakob onderweg gaat naar Laban, verlaat hij Bersheba, een plaats die model staat voor de beloften die gedaan zijn. Hij geraakt op een plaats waar hij vernacht en de zon was ondergegaan. Dan maakt hij een steen tot zijn hoofdpeluw (hoofdkussen), een menhir denk ik dan altijd, maar dat was pas later toen hij hem overeind zette en hij droomde.

Zodra er gedroomd wordt in de Bijbel gaat het over waarheden in verband met het verborgen Koninkrijk. De Heer verschijnt hem in een droom. En omdat het in een droom is en buiten de normale fysieke werkelijkheid valt gaat het om Gemeentelijke waarheid, dingen in verband met de verborgenheden van het Koninkrijk. Hij ziet een hoop stenen (vertaald met ladder) die gesteld was op de aarde en welks opperste aan de hemel raakte. Dat is de piramide, waar de top van af is. Dat is de bekende piramide uit Efeze 2, waarvan de uiterste hoeksteen Christus is.

Als je een hoop stenen netjes maakt, met het oog op typologie, dan krijg je dat model. De engelen Gods klommen daarbij op en neder. En de HEERE stond op die ladder. Hij stond eigenlijk op de piramide. De Heer stond ook op Horeb, want Hij kwam met water uit de rots en in Éfeze 2 staat de Heer op de top van het bouwwerk, de piramide. Dat drukt Gemeentelijke waarheid uit. De Heer stond dus ook op de ladder en zei: “Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waar op gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad”. Het zaad van Jakob kwam niet alleen voort uit Abraham, Izak en Jakob, maar ook uit de andere (vrouwelijke) lijn van de familie, namelijk Nahor, Bethuël en Laban.

“En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.” Genesis 28 : 4

Het had net zo goed de zegening van Nahor kunnen zijn, want in de praktijk was het dat. De zaligheid is weliswaar uit de Joden, maar in de praktijk stellen we vast dat het niet uit de Joden, maar uit Jozef voortkomt. Niet uit de 2 stammen, maar uit de 10 stammen. De geestelijke dingen komen tot ons via Juda, namelijk via de Here Jezus Christus en Die is uit Juda. Maar naar de aardse kant gerekend komt het niet uit Juda, maar uit de oudere tak van de familie, namelijk Jozef. En dat is hier ook zo. De 12 stammen van Israël kunnen net zo goed beschouwd worden als afstammelingen van Nahor, Bethuël en Laban.

“En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uit breken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad, zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.” Genesis 28 : 14

Zeg maar gerust naar alle hoeken der aarde. Niet alleen in Kanaän, maar over heel de aarde. Daar kun je je rustig een menigte van volken bij voorstellen. En zoals gezegd, de Angelsaksische volken hebben zich dan wel in het westen van Europa gevestigd, maar van daaruit hebben ze zich verspreid over heel de aarde. In ruime getale trok men naar Canada, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland. Toegepast op het Joodse volk of op de geschiedenis van de 12 stammen, binnen de beperking van het Oude Testament, is het sterk overdeven.

“En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waar heen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan heb ben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.” Genesis 28 : 15

Deze beloften worden van toepassing gebracht op Jakob terwijl hij 20 jaar lang niet in Bersheba, niet in Kanaän is, maar in Syrië, bij de andere helft van de familie. Zodat overdrachtelijk, dus profetisch, deze beloften vervuld worden in de 2000 jaren die liggen tussen de eerste komst van Christus en Zijn wederkomst. Waarbij de beloofde zegeningen van het Joodse volk, de zaligheid van het Joodse volk en dus van Ezau, zijn weg genomen en meegegaan met de gelovigen. Jakob is daarvan een beeld en is zo terecht zijn gekomen bij de andere helft van de familie en dus bij de 10 stammen van Israël. Dat is natuurlijk typologie. Maar letterlijk staat er dat Jakob inderdaad zou uitbreken als het stof der aarde, over de hele wereld. Dat is ontelbaar. Dat alles wordt gezegd in de droom. Dat op zich staat al voor de bedeling van de verborgenheden van het Koninkrijk. Het is bovendien een belofte van terugverzameling, want het verhaal blijft uiteindelijk ook na onze bedeling van toepassing omdat dan alle 12 stammen van Israël terugverzameld worden naar Kanaän. Dan is de Gemeente al lang weg.

Laban betekent “blank” en de enige verklaring die ik daar voor heb kunnen vinden is dat “blank” ook werkelijk letterlijk opgevat zou moeten worden. Daaruit volgt dat de 10 stammen van Israël dan ook bestaan uit de blanke mensen. Dat is natuurlijk erg generaliserend gezegd, maar zo ligt het wel ongeveer. Blank en blond. Internationaal noem je die mensen “the Europeans”. Eigenlijk betekent Laban ook dat hij een wit hart heeft, dat hij inwendig ook wit is en dat hij bovendien “wierook” is, “tot een lieflijke reuk den HEERE”. Bovendien is Laban heel goed te vertalen met “zoon”, in de zin dat hij tot zoon gesteld zou worden. Dat klopt ook, maar de zoon is dan uiteindelijk toch niet Laban, maar Jakob. Degene die uit hem “gebouwd” is. Via zijn dochters overigens. Via de vrouwelijke en dus via de aardse lijn.

7. Genesis 48

Jozef was koning over en van Israël, maar dat kon helemaal nog niet, omdat er nog helemaal geen Israël was. Niettemin was hij koning over Israël. Daarmee is hij een perfect beeld van Christus in onze dagen. Er is nog geen bekeerd Israël onder het Nieuwe Verbond, maar niettemin is Hij Koning. Jozef is niet alleen een type van de Here Jezus, maar veel meer van Christus, inclusief de Gemeente. Die waarheid vinden we hier uitgebreid terug. Vandaar dat het een koningschap is buiten een koninkrijk, zelfs buiten het beloofde land, in Egypte en dus in ballingschap. En dat terwijl de hele rest van de familie dat officieel niet eens weet. Dat is wel hun eigen schuld, maar ze weten er niets van. De broers hebben hem naar Egypte verkocht en dachten van hem af te zijn, maar in werkelijkheid was Jozef geworden tot onderkoning van Egypte. Hij deed daar het zelfde als Melchizédek, namelijk brood en wijn voortbrengen.

Uiteindelijk wordt de hele familie verlost door Jozef. Dat is ook het hele verhaal omtrent de Gemeente. We zijn op één of andere manier een deel van Israël. In de toekomst zal blijken dat daardoor Israël verlost wordt. Want als in de toekomst Israël verlost wordt van haar vijanden hier op aarde, zijn wij in de hemel en zijn wij degenen door wie dat Koninkrijk tot stand zal komen. Wij zullen dan met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid en zullen met Hem Zijn Koninkrijk op aarde openbaren. Daar is Jozef een beeld van. Aan het einde van de geschiedenis van Jozef, die verborgen was, maakt hij zich bekend.

Als Jakob dreigt te sterven herhaalt de geschiedenis zich. De beloften moeten worden doorgegeven. Jakob zegent dan eerst de zonen van Jozef. Het is wel Israël, maar niet eens de 12 stammen. Hij zegent ook niet eerst Jozef, maar wat uit Jozef voortkwam: Efraïm en Manasse. Typologisch is dat makkelijk. “Jozef” is de naam, net als de naam “Israël” en “Efraïm”, die meegaat met de 10 stammen van Israël. Daar komt de Gemeente uit voort, zodat Efraïm en Manasse samen een beeld moeten zijn van de Gemeente, waarbij de naam “Manasse” eigenlijk dezelfde is als “Mozes”. Manasse of Mosje scheelt maar één letter. In de Bijbel worden ze zelfs uitdrukkelijk met elkaar in verband gebracht. Er wordt zelfs een keer Manasse geschreven, terwijl Mozes bedoeld wordt. Manasse staat voor die deel uit maken van de Gemeente, die uit het Joodse volk voortkomen, die onder de wet geleefd hebben. Van Mosje zijn ze Manasje geworden. Er is een 5 of een 50 bij gekomen, maar dat is weer typologie. Deze gelovigen uit de Joden hebben deel aan de erfenis van Jozef. En aan de andere kant staat Efraïm voor de gelovigen uit de 10 stammen. Wie deze namen checkt op alle plaatsen waar ze in de Bijbel voorkomen, komt er vanzelf wel achter dat het zo in elkaar zit.

Efraïm en Manasse worden het eerst gezegend. En zij worden het eerst gezegend omdat Jozef, die zij samen vertegenwoordigen onder de 12 stammen van Israël, het eerstgeboorterecht ontvangt. Daarna gaat het eerstgeboorterecht mee, niet met Manasse, maar wel met Efraïm. Weer met de jongste. En zo komen de zegeningen van Jozef niet primair terecht bij de gelovigen uit de Joden, maar bij de gelovigen uit de 10 stammen. Ook zij worden omgewisseld. Daarover wordt in Handelingen uitgebreid gesproken, hoewel daar niet de 10 stammen genoemd, maar de heidenen. Daar staat dat de gelovigen uit de Joden een voorbeeld moeten nemen aan de gelovigen uit de heidenen. Zij stellen de norm. De volgorde wordt dus omgewisseld. Dat Efraïm en Manasse verwisseld worden, wordt aangehaald in de Hebreeënbrief.

“Door het geloof heeft Jakob, stervende, een ieder der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.” Hebreeën 11 : 21

Daarbij verwisselde hij zijn handen. Jozef dacht dat Jakob dit verkeerd deed en niet wist wat hij deed, maar Jakob zei: “Ik weet het, mijn zoon, ik weet het”, want hem waren de verborgenheden bekend. En bewust heeft hij z’n handen gekruist en z’n rechterhand gelegd op degene die aan de linkerkant van hem stond. Efraïm leek niet voor de eerstgeboortezegen in aanmerking te komen, maar kreeg die toch. Zo gaat het in onze dagen. De 10 stammen leken niet in aanmerking te komen, maar kregen toch de eerstgeboortezegen. Daar gaat het over in dit Schriftgedeelte.

“Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands.” Genesis 48 : 16

De twee zijn samen een beeld van de gelovigen uit de 2 en 10 stammen van Israël. De Gemeente dus. De zegeningen van Abraham, Izak en Jakob gaan over naar Jozef in het algemeen, maar meer in het bijzonder naar Efraïm. Zij zullen vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands. De arme beesten. Dat is hun biotoop helemaal niet. Vissen horen in de zee. Niettemin staat er “in het midden des lands”. In de zee is het “lo-ammi”, op het land zou het “ammi” zijn. Het land is een beeld van Israël en de zee is een beeld van de volkeren. Is dit nou “ammi” of “lo ammi”? Leven ze nou op het land of in de zee? Allebei, want het is maar net van welke kant je de dingen bekijkt. Het is in de verstrooiïng en heet officieel geen Israël meer. Men is alles vergeten, maar toch is het het volk Gods, in het bijzonder op grond van geloof.

Volheid der volkeren

“En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! Want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.” Genesis 48 : 18, 19

Jakob liet zich niets aanpraten. Manasse, het Joodse volk, zal ook groot worden, maar de kleinste zal groter worden. In de grondtekst staat: “een volheid van volkeren”. Voor volkeren staat weer: “goj”. Dus “een volheid van heidenen”. Deze uitdrukking staat in het Hebreeuws. Daarom wordt dezelfde uitdrukking alleen nog in het Griekse Nieuwe Testament gevonden. Hier evenwel, in Genesis, wordt die zegen toegeschreven aan Jozef en meer in het bijzonder aan Efraïm. Efraïm is ook de gebruikelijke naam voor de 10 stammen. Als je alle stammen van Israël telt, reken je niet de stam van Jozef, maar in plaats daarvan de stammen van Efraïm en Manasse. Efraïm is degene die er als laatste, als jongste en minst recht hebbende, bijgekomen is. Want Manasse, als oudste, staat in dezelfde plaats als Jozef en die namen kun je dus theoretisch door elkaar gebruiken. Efraïm wordt er extra bij gehaald. Maar aan hem, aan de dertiende stam, wordt het eerstgeboorterecht van Israël gegeven. Dat betekent dat, aangezien de naam van de eerstgeborene vervolgens van toepassing is op de rest van de familie, die naam dus ook toegepast wordt op de rest van Israël. De naam van Efraïm kan dus gebruikt worden voor alle 12 stammen. Net zo goed als de naam Israël daarvoor gebruikt kan worden. Het hoofd van de familie is bepalend. We hebben het over het Levitische priesterschap, maar het heet ook het Aäronitische priesterschap, omdat Aäron nu eenmaal het hoofd was van het huis van Levi.

Bij de latere splitsing van de 2 (Juda en Benjamin) en de 10 stammen ging de naam van Juda mee met de 2 stammen, de Joden dus. De naam van de belangrijkste van de 2 stammen wordt gebruikt. Aan die stam werd nu eenmaal het Koninkrijk beloofd en zo gaat de naam van die stam over op het hele volk. Aan de andere kant gebeurt precies hetzelfde. Aan de 10 stammen wordt de naam van Efraïm gegeven, want dat was de stam met het officiële eerstgeboorterecht. Bovendien, de eerste koning van de 10 stammen was ook uit Efraïm: Jeróbeam.

Van Efraïm wordt dus gezegd, dat hij een “volheid van heidenen” zou worden. Als je die uitspraak zo breed mogelijk toepast, gaat het hier over de 10 stammen van Israël. Sinds de splitsing van het rijk kun je niet meer zeggen dat het over de 12 stammen van Israël gaat. De belofte van “de volheid der volkeren” wordt daarom gedaan aan de 10 stammen van Israël, onder de naam van “Efraïm”. Als dit overdrachtelijk zou zijn, omdat hier over de Gemeente gesproken wordt, staat daarmee in ieder geval vast dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de 10 stammen van Israël en de Gemeente. Alle uitspraken in het Oude Testament over de Gemeente hebben bovendien een letterlijke, gewone, rechtstreekse, aardse en soms zelfs een tamelijk onbenullige vervulling.

Het grote verschil is dat in de voorgaande uitspraken gesproken werd over Abraham, Izak en Jakob, die zouden worden tot een “menigte van volkeren” en hier in de vertaling staat helaas de term “menigte”, maar een “menigte van volkeren” is in zeker opzicht toch iets anders dan een “volheid van volkeren”. Dat er gedacht wordt aan een menigte is duidelijk, maar dat woord staat er niet. Er staat “volheid van volkeren”. Dat veronderstelt niet een verdeling in verschillende volkeren, met verschillende koninkrijken, maar een verzameling van volkeren, onder één Koning. Dat laatste kan ik niet helemaal verantwoorden, maar ik bedoel het meer als beeld. Het wil zeggen dat het volken zijn, die bij elkaar gebracht worden en als het ware tot één worden. Dat is het verschil met de voorgaande uitdrukking. Ik geloof dat de “menigte van volkeren” slaat op de Angelsaksische groep. Op de afstammelingen van de 10 stammen van Israël. Ik geloof ook dat “volheid van volkeren” in de zin van een eenheid slaat op de Gemeente, die overigens voortkomt uit de Angelsaksische groep.

Het blijkt dat deze term van “volheid der heidenen” opnieuw voorkomt in Romeinen 11. Ik besef dat het als argument in de praktijk weer zwak is, eenvoudig omdat men over het algemeen Romeinen 11 zeer slecht ver staat. Er staat zo ontstellend veel in dat ene hoofdstuk dat het daarom inderdaad ook slecht verstaan wordt. Dat verzwakt het argument, maar eigenlijk is dit één van de sterkste argumenten. Namelijk dat de uitspraak over “volheid der volkeren” in het Nieuwe Testament alleen gedaan wordt over de Gemeente. Zodat er volgens de normale methode van Bijbelstudie geen andere conclusie getrokken kan worden dan dat de Gemeente van onze dagen voortkomt uit Efraïm en dus uit Jozef. Dat is de enige, puur letterlijke conclusie.

Het probleem is echter dat men die uitdrukkingen weliswaar zo met elkaar in verband kan brengen, maar dat aan de andere kant de uitdrukking in Romeinen 11 natuurlijk in het verband staat met Romeinen 11 en niet met Genesis 48. Het is de vraag of men dat verband überhaupt overziet en begrijpt. In Romeinen 11 wordt gesproken over de struikeling van het natuurlijke Israël, waarbij overigens gedacht wordt aan Paulus’ broeders naar het vlees. Daarom moet onder de naam Israël in de eerste plaats de Joden verstaan worden. Hij spreekt over Israël, maar dat is omdat hij weet dat de zaligheid, al de beloften Gods, voor Israël bestemd zijn. Maar wat in die dagen onder de naam Israël bekend was, is wel degelijk gestruikeld. Hij stelt vast dat als gevolg daarvan een oordeel over het Joodse volk (Israël) zou komen, omdat vele Schriftplaatsen in het Oude Testament dat zeggen. Sommige haalt hij hier aan.

“Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.” Romeinen 11 : 8

Het is bekend dat dat een uitspraak is over het Joodse volk.

“En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.” Romeinen 11 : 9

De tafel staat voor de Joodse gemeenschap. Dat is de judaïstische en dus de wettische gemeenschap. Zodat juist dat leven onder de wet hun tot een strik, val, aanstoot en vergelding wordt. Juist het leven onder de wet verhindert de mens in de praktijk tot geloof in de Here Jezus te komen.

“Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd. Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zou den? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.” Romeinen 11 : 10, 11

Het was niet de bedoeling dat zij zouden struikelen, maar het was wel de bedoeling dat hun val zou leiden tot de zaligheid der heidenen. We stelden net vast dat er “Israël” staat, maar dat slechts een deel van Israël bedoeld wordt. Zo staat er ook “heidenen”, maar in het bijzonder worden daarmee de 10 stammen bedoeld. Waarmee niet gezegd wil zijn, dat de zaligheid niet bestemd zou zijn voor de volkeren als zodanig. Natuurlijk wel. Maar ik ben er stellig van overtuigd dat de apostel primair denkt aan iets wat hij niet schrijft en niet schrijven mag. Er zijn heel wat Schriftplaatsen waarin Paulus over heidenen spreekt. Het lijkt dat hij dan over de heidenen in het algemeen spreekt, maar als je de context nazoekt blijkt dat hij het heeft over een speciale categorie heidenen. Hij schrijft wel gewoon “heidenen”, maar hij denkt aan iets anders. Door de val van het Joodse volk is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken. Daar heb je de jaloezie van Ezau op Jakob. De zaligheid is naar Jakob gezonden, want Ezau is gestruikeld, opdat Jakob Ezau tot jaloersheid zou verwekken. Dat is ook gebeurd. Ezau zocht Jakob te doden. En precies zo is het gegaan in het begin van onze bedeling, waarbij de Joden de Christenen zochten te doden.

“En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid.” Romeinen 11 : 12

“Hun val” is de val van het Joodse volk. In de praktijk was het gewoon hun ongeloof. Hun vermindering is de rijkdom der heidenen. Hun achteruit stelling: “Ezau heb Ik gehaat”, slaat op de Joden en niet op Ezau. Dat staat weer in Maleáchi. Dat heeft met Ezau niets meer van doen. Hun achteruitstelling, het woord “haten” heeft dezelfde betekenis, is tot rijkdom van de heidenen. Hoeveel te meer hun volheid! De volheid van het Joodse volk. Als de val van het Joodse volk tot rijkdom der heidenen zal zijn, hoe veel te meer zal dan de volheid van het Joodse volk tot rijkdom der heidenen zijn. Dat staat er. Hier wordt gedacht aan de toekomstige bekering van het Joodse volk.

Als Israëls ongeloof al zulke grote zegeningen voor de volkeren teweegbrengt, hoeveel te meer zal hun volheid zegeningen met zich meebrengen voor de volkeren. Als “hun val” hun ongeloof is, dan is “hun volheid” hun geloof, hun bekering. Het gaat dan letterlijk over een gelovig Joods volk. Want het was een letterlijk ongelovig volk, waarvan een minderheid overigens wel geloofde. Door dat ongelovige Joodse volk is de zaligheid naar de heidenen gegaan. Maar straks zal er een letterlijk gelovig Joods volk zijn, waarvan een minderheid overigens niet gelooft en uitgeroeid zal worden. Dat gelovige Joodse volk wordt hier aangeduid met de term “hun volheid”. Als er daarna gesproken wordt over een “volheid der heidenen”, dan gaat het dus over gelovigen uit de heidenen.

“Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.” Romeinen 11 : 25

Het Joodse volk zal in de toekomst inderdaad tot bekering komen, maar dat is pas als de volheid der heidenen is ingegaan. Kortom, er zal een volheid der Joden zijn, zelfs een volheid van heel Israël, maar dat zal pas zijn nadat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. “Volheid der heidenen” is daarmee de term voor de Gemeente. De gelovigen uit de heidenen. Niet alle heidenen, maar alleen de gelovigen uit de heidenen. De val van het Joodse volk slaat niet op alle Joden, maar op de ongelovige Joden en dat is weliswaar een meerderheid. Hun volheid bestaat uit gelovigen uit de Joden. Weer niet allemaal, maar wel weer de meerderheid. Volheid veronderstelt een eenheid en dat is waar het hier over gaat, namelijk over de Gemeente. Waarmee trouwens meteen antwoord is gegeven op de vraag waarin die volheid der heidenen dan eigenlijk gaat. Er staat niet dat er een “tijd” ingaat, maar dat er een “volheid” ergens ingaat. Er wordt gewoon gesproken over de opname van de Gemeente. Er staat niet bij waar die volheid ingaat, omdat dat een verborgenheid is en hier het onderwerp ook helemaal niet is.

De verharding is slechts voor een deel over Israël gekomen. Letterlijk betekent dit dat de verharding alleen over het ongelovig deel gekomen is en als we dan toch willen generaliseren, dan moeten we zeggen dat de verharding over de 2 stammen gekomen is. Dat is maar een deel van Israël. Die verharding duurt tot de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Als je die twee tegenover elkaar stelt, staat aan de ene kant de “val” en de “volheid” van de 2 stammen van het Joodse volk, waarna vervolgens de vraag is wie die heidenen dan wel zijn. De volheid van wie? Dat moet dan wel de volheid van de 10 stammen zijn. Dat hoeft het niet te zijn, daar kun je gemakkelijk onderuit, maar die gedachte dringt zich gewoon op.

Los van de 10 stammen is de “volheid der heidenen” de aanduiding van de Gemeente. Niettemin, de belofte omtrent wie “volheid der heidenen” zou worden, wordt gedaan in Genesis 48 en wel aan Efraïm. Als je die beide schriftplaatsen naast elkaar legt, dan moet de conclusie getrokken worden dat de Gemeente in het algemeen voortkomt uit Efraïm. En de breedste betekenis daarvan is dan: uit de 10 stammen van Israël. Romeinen 11 wordt dan helemaal zinnig, want dan lees je over de val en vermindering van de 2 stammen. Dat blijft zo, totdat de volheid van de 10 stammen is ingegaan in het Koninkrijk, in dit geval in de hemel.

Twee olijfbomen

In Romeinen 11 gaat het over twee olijfbomen. Er worden takken van de tamme olijfboom afgesneden. Uit het verband en uit de toelichting blijkt waar het over gaat. De olijfboom gaat specifiek over de Joden. Er worden takken van de vruchtbare olijfboom afgesneden. De takken die geen vrucht dragen worden afgesneden. Het had ook een wijnstok kunnen zijn, maar dat staat weer ergens anders. Het zijn ongelovige takken. De andere blijven staan. Andere takken zullen op diezelfde, tamme olijf boom geënt worden. Er wordt gesproken over de wortel en de stam en de takken. Die worden allemaal genoemd. De zaligheid en de beloften die gedaan zijn aan Abraham, Izak en Jakob, is de wortel of de stam van Israël. De takken zijn het Joodse volk, dat geënt is op die stam. Maar de meeste takken gaan er dan af en er worden andere takken op diezelfde plaatsen ingeënt.

In de gedachte dat Israël is afgesneden en de kerk in de plaats van Israël gekomen is zit een grote grond van waarheid. Het ongelovige Joodse volk wordt inderdaad afgesneden. Er blijven wel takken gelovige Joden op die boom staan, omdat die wel vruchten dragen en de heidenen worden geënt op dezelfde boom. Zodat wij, gelovigen uit de heidenen, inderdaad deel kregen aan de vervulling van de beloften aan Abraham, Izak en Jakob. Zo zijn wij “der vettigheid” van deze olijfboom deelachtig geworden. Dat is de betekenis en daar gaat niets van af. Maar er komt wel wat bij.

Waar het maar om gaat en daar lees je zo overheen, is dat er tegennatuurlijke takken worden geënt. De takken die geënt worden op die tamme olijfboom, opdat ze vrucht zouden dragen uit die tamme olijfboom, zijn takken van een wilde olijfboom. Vast stond al dat de olijfboom in ieder geval staat voor het Joodse volk, dat ongelovig was. Ze worden ongelovig verklaard omdat zij het Evangelie gehoord hebben en afgewezen. Dus het kan alleen maar het Joodse volk zijn, want aan hen werd het Evangelie gepredikt. Ook na de opstanding van Christus. Als nou de tamme olijfboom een beeld is van de 2 stammen, dan moet de wilde olijfboom wel een beeld zijn van de 10 stammen. De gedachte is dat de 10 stammen deel krijgen aan de zegeningen van de 2 stammen en uit de 2 stammen komt inderdaad de Messias voort. De takken op die boom zijn in meerderheid takken van die andere, onvruchtbare boom, waarvan de takken alsnog vruchtbaar gemaakt worden.

In Genesis 48, gaat het over een volheid van volkeren. De enige keer dat die term nog een keer gebruikt wordt, is in Romeinen 11. In dat vers wordt gesproken over het ene deel dat “lo-ammi” is en het andere deel dat “ammi” is. Daarna wordt het weer omgekeerd en dan komt alles toch nog bij elkaar. In het verleden heb ik het altijd erg moeilijk gevonden om die gedachtegang toe te passen op de Joden of op Israël als geheel en de heidenen, maar achteraf blijkt het ineens een goed verhaal te zijn als je het niet toepast op Israël en de heidenen in het algemeen, maar op de 2 en op de 10 stammen in het bijzonder. Zolang de 2 stammen apart een relatie met de Heer hebben, staan de 10 stammen absoluut helemaal buiten de lijnen en tellen niet mee. Op het moment dat de 2 stammen “lo-ammi” worden en buiten gezet worden vanwege hun val, dan komen ineens de 10 stammen weer tevoorschijn. Dan komen zij tot de Heer. Dat is waar het in de volgende verzen van Romeinen 11 over gaat. Over de ongehoorzaamheid van de ene categorie, tegenover de gehoorzaamheid van de andere en daarna andersom. Paulus zegt dat dit logisch en recht vaardig is en dat het zo nu eenmaal gaat dat en zo toch allemaal voor elkaar komt. En dan barst Paulus uit in zijn bekende lofzang.

“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen. Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem weder vergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen..” Romeinen 11 : 33 -36

Als dat ergens op van toepassing is, dan is het wel op deze redenering. Dit is ook altijd wel een aardige: het is Efraïm en niet een erkend Israël. Efraïm is de dertiende stam en een erkend Israël bestaat altijd uit 12 stammen. Maar die dertiende stam ontvangt het eerstgeboorterecht. Je kunt dus zeggen dat het eerstgeboorterecht van Israël helemaal niet in Israël terechtkomt. Niet bij de 12 in ieder geval.

Dat van de Gemeente wordt vastgesteld dat die het eerstgeboorterecht heeft boven Israël is natuurlijk één van de meest voor de hand liggende argumenten voor het verhaal. Dat is precies de gedachtegang in de Hebreeënbrief, waar de term “Gemeente van eerstgeborenen” voorkomt. Het gaat over de Gemeente en over Israël naar het vlees. Dat eerstgeboorterecht betekent alleen wat als er eerstgeboorterecht is boven Israël, maar ook als het eerstgeboorterecht in Israël is. Beide is waar: boven Israël en zelfs boven de 12 stammen, maar toch in en temidden van Israël, maar dan is het die ene, namelijk de dertiende stam en dus Efraïm.

In Jeremia 31 staat dat God Israël tot een Vader is en Efraïm Zijn eerstgeborene (vers 9). Jeremia 31 is dat mooie hoofdstuk over het Nieuwe Verbond. Een groot gedeelte van dit hoofdstuk wordt zelfs letterlijk geciteerd in Hebreeën 8. Maar het aardige is dat pas vanaf vers 27 gesproken wordt over Juda. Het hele voorgaande gedeelte gaat over Israël en Efraïm. Over het Nieuwe Verbond van Efraïm. Pas in vers 27 is het Israël en Juda. In vers 31 volgt de belangrijke uitspraak, die ook in de Hebreeën wordt aangehaald: “Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een Nieuw Verbond zal maken”.

De volgorde is ook hier: eerst Israël en dan Juda. En mocht de volgorde hier niet doorslaggevend zijn, dan moet toch duidelijk zijn dat heel het hoofdstuk over het Nieuwe Verbond spreekt en dat daar uitdrukkelijk slechts gesproken wordt over Israël en over Efraïm en dus over de 10 stammen. Pas in het tweede deel wordt ook over Juda gesproken. De gedachte is dan ook dat het eerste gedeelte eigenlijk niet spreekt over Israël in de toekomst, maar over de Gemeente in onze dagen, vooraf gaand aan de nog toekomstige bekering van Juda.

Die volgorde, Israël en Juda, is een heel belangrijke in de Schrift. Dit is ook het hoofdstuk waar staat dat God iets nieuws zou scheppen op aarde. “De vrouw zal de Man omvangen”. We zeggen dan dat die vrouw Israël is en dat zij onder het Nieuwe verbond de Man zal omvangen. Dat is ook zo, maar nogmaals, dat staat in vers 22, terwijl in vers 27 pas voor het eerst sprake is van Juda. Als je de lijn volgt, dan is de afkerige dochter, die ooit, vanuit Jeremia gezien, de Man zal omvangen, niet de 12 of de 13 of de 2 stammen, maar de 10 stammen. Daaruit zou de Gemeente geboren worden.

“Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse.” Genesis 48 : 20

Ik weet niet of ze dat in Israël ooit zeggen, want Efraïm en Manasse mogen dan 2 grote stammen geweest zijn, ze zijn wel zoek, samen met nog acht andere. Hoezo: “God zette u als Efraïm en Manasse”? God zet helemaal niets. God verwaarloost hen. Ze raken zoek en zijn spoorloos. Het punt is dat deze combinatie van namen staat voor de Gemeente. Uit de 10 eerst en daarna ook uit de 2 stammen. Dat zal ongetwijfeld een uitspraak zijn die eigenlijk pas straks z’n volle betekenis krijgt. In de dagen wanneer alle 12 stammen terugverzameld worden onder het Nieuw Verbond, onder het koningschap van Christus, het geopenbaarde koning- schap. Dan is het: “God zette u als de Gemeente”. Meer zegeningen zijn er niet.

Ik weet niet of ze dat in Israël ooit zeggen, want Efraïm en Manasse mogen dan 2 grote stammen geweest zijn, ze zijn wel zoek, samen met nog acht andere. Hoezo: “God zette u als Efraïm en Manasse”? God zet helemaal niets. God verwaarloost hen. Ze raken zoek en zijn spoorloos. Het punt is dat deze combinatie van namen staat voor de Gemeente. Uit de 10 eerst en daarna ook uit de 2 stammen. Dat zal ongetwijfeld een uitspraak zijn die eigenlijk pas straks z’n volle betekenis krijgt. In de dagen wanneer alle 12 stammen terugverzameld worden onder het Nieuw Verbond, onder het koningschap van Christus, het geopenbaarde koningschap. Dan is het: “God zette u als de Gemeente”. Meer zegeningen zijn er niet.

8. Genesis 49

Pas in hoofdstuk 49 worden de zonen van Jakob zelf gezegend. Ook hier bespreken we alleen de zegen aan Jozef, want hij is degene die het meest gezegend wordt. In verband met Juda wordt hier hooguit nog net gesproken over het koningschap.

“Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur.” Genesis 49 : 22

Was het nou de wilde of de tamme olijfboom? Eerst was het één tak en later kennelijk twee. De takken komen buiten de tuin, buiten de hof terecht. Een muur is eigenlijk een beeld van de wet. Efraïm en Manasse en dus Jozef, komen ergens terecht waar je ze niet zou verwachten. Ze overspringen de barrière. Dat is precies de positie van de Gemeente. De Gemeente heeft immers geen aardse bestemming of een aards Koninkrijk, maar over de muur en in de hemel. Of achter het voorhangsel.

“De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, en de poorten der hel zouden hem niet overschaduwen.” Genesis 49 : 23, 24

Dat laatste staat er niet, maar had er kunnen staan. Het zijn woorden van dezelfde strekking. Dat de poorten der hel hem niet zouden overschaduwen, zijn woorden over de Gemeente. De gedachte is dat de Gemeente vervolgd zou worden, maar toch zou blijven bestaan. Hier wordt het met andere woorden van Jozef gezegd:

“Door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls.”

Jozef is herder van de Machtige Jakobs. God Zelf heeft Jozef aangesteld tot herder over Israël. Dat werd niet vervuld toen Jozef in Egypte was, want dat was toen al geweest. Het gaat er juist om dat deze geschiedenis van Jozef en zijn koninkrijk, van het Israëlitische koninkrijk, buiten Kanaän, profetisch is voor de situatie in onze bedeling. De Herder is Christus, de Zoon van Jozef. Hij was trouwens ook Zijn neef. De Here Jezus heeft ook alles met Jozef te maken, ook wat de familieverhoudingen betreft. Maar deze beloften aan Jozef worden in de eerste plaats vervuld in de Here Jezus, sinds Zijn eerste komst. Hij is die Koning met een Koninkrijk buiten het natuurlijk Israël en zeker buiten het land. Een verborgen Koninkrijk dus, een Koninkrijk dat niemand vermoed zou hebben. Want de Steen die de bouwlieden, de 2 stammen, versmaad hebben, zou worden tot een Hoofd des hoeks. De vraag is wie dat gedaan heeft. Ja, het is van de HEERE geschied, staat er dan. Maar als de 2 stammen Hem versmaad hebben dan zouden het dus wel eens de 10 geweest kunnen zijn die niet over de Steen gestruikeld zijn.

“Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder.” Genesis 49 : 25

Als het gaat over God, Die zal helpen, dan wordt er altijd gesproken over Diegene Die hulp zou geven ter bekwamer tijd. Degene Die Helper is. Dat is Melchizédek, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Waar wij met vrijmoedigheid naderen tot de troon der Genade die niet in de legerplaats staat, maar daarbuiten, niet in Kanaän, maar in Egypte, niet op aarde, maar in de hemel, ontvangen wij genade, barmhartigheid en hulp ter bekwamer tijd. De Helper is per definitie de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Dat is van belang bij het lezen van de Psalmen, want daar komt het begrip helpen nogal eens voor. Het is eigenlijk afgeleid van de aanvankelijke zoon van Abraham, Eliëzer, die zijn zoon niet was. Die naam betekent “God is hulp”. Daarmee is het ook afgeleid van de zoon van Aäron, de eerste hogepriester. Deze heette Eleazar en dat betekent ook: “God is hulp”. In beide gevallen gaat het om een type van het Nieuw Testamentische Priesterschap van Christus.

“Zegeningen van boven” heeft natuurlijk ook te maken met de zegeningen van het Nieuwe Verbond: Die ons gezegend heeft met elke geestelijke zegening in de hemel, in Christus. Het gaat echter niet alleen over geestelijke zegeningen, maar ook over aardse. “Egypte” en “afgrond” liggen heel dicht bij elkaar. Het verschil is in de praktijk vaak helemaal niet aan te geven. “Borsten” en “baarmoeder” hebben weer te maken met vruchtbaarheid en het worden tot een “menigte of volheid van volkeren”. Het is de voortzetting van de beloften aan Abraham, Izak en Jakob.

“De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen.” Genesis 49 : 26

“De eeuwige heuvelen” hebben alles van doen met dat Hij ons heeft uit verkoren van voor de nederwerping der wereld en dat Hij ons geroepen heeft als Gemeente, naar Zijn eeuwig voornemen. De roeping van de Gemeente lag dus al vast voor de nederwerping der wereld. Dat staat er natuurlijk met opzet bij, omdat je anders misschien kon denken dat, vanwege het ongeloof van Israël, God in arren moede maar een ander volk verzameld heeft. En velen denken dat dat definitief een ander volk is. Men meent dat Israël volledig heeft afgedaan voor God en het nu gaat om de kerk. Het is echter geen wijziging in Gods plan, maar een onderdeel van Gods plan.

In de breedste zin wordt met “Jozef” alle 10 stammen bedoeld. “En op den hoofdschedel…” “en” is namelijk. Jozef zou van zijn broederen worden afgezonderd. In de betekenis dat de 10 stammen afgezonderd zouden worden van de 2 en dat zij ergens anders terecht zouden komen. Waar nog bij komt dat het begrip afzondering eigenlijk overeenkomt met het nazireërschap. Het is synoniem met heiliging. Afzondering van de wereld als zodanig en aan de andere kant een wijding aan de Heer. Bij heiliging ligt de nadruk op de verbinding met de levende God en bij afzondering ligt de nadruk op het afzonderen van de wereld, maar het betekent wel degelijk ook: in verbinding met God. Het nazireërschap heeft te maken met een belofte doen aan God (zie Numeri 6).

Voor zover we weten wordt dat later alleen op Simson toegepast. Maar uiteindelijk was het natuurlijk van toepassing op Christus en via Christus op de Gemeente. Jezus van Nazareth kan ook opgevat worden als Jezus de Nazarener, namelijk de “Afgezonderde”, Hij Die aan God gewijd is. Hij zou weliswaar Zijn haren kwijt raken en daarmee Zijn kracht, maar Hij zou die kracht wel degelijk terug ontvangen. Want Simson is gewoon een type van de Heer in Zijn eerste komst. Zoals Simson geschoren werd, werd de Heer geschoren als een schaap dat stom is voor zijn scheerders. Simson was trouwens ook stom toen zijn haren geschoren werden. Hij zei niets, want hij sliep. En hij verloor zijn kracht door de vrouw. Het gaat in alle opzichten op.

“Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen. Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.” Genesis 49 : 27, 28

Als je de stammen natelt, zijn het er geen 12, maar 13. Niettemin er staat 12, zodat die dertiende toch ergens buiten de boot valt. Dat is nou zo’n verwijzing naar de Gemeente.

9. Deuteronomium 33

Hier is het niet Jakob, maar Mozes, die zegeningen uitspreekt over de stammen van Israël in het algemeen en over Jozef in het bijzonder. Mozes doet dat op de vooravond van de intocht in Kanaän en bovendien, als u het mij vraagt, op de dag van zijn overlijden.

“En dit is van Juda, dat hij zeide: Hoor, HEERE! de stem van Juda! en breng hem weder tot zijn volk; zijn handen moe ten hem genoegzaam zijn, en zijt Gij hem een Hulp tegen zijn vijanden!” Deuteronomium 33 : 7

Juda wordt geacht te bidden. Hij bidt dan dat hij wedergebracht mag worden tot zijn volk. Als dat vervuld wordt betekent het dat Juda en in de bredere betekenis de 2 stammen, worden teruggebracht naar hun volk, naar de 10 stammen. Het is dus niet de bedoeling dat de 10 stammen zich bij Juda aansluiten, maar precies andersom. De 10 stammen zijn de norm; dat is het volk. Juda is van dat volk afgeweken. Ik zal het daar later nog over hebben als het gaat over de splitsing van het koninkrijk na Salomo. Daar staat uitgebreid en duidelijk genoeg dat Juda afweek van Israël. Bovendien staat er dat de Heer Zelf de 10 stammen, het hadden er eigenlijk 11 moeten zijn, aan Jeróbeam gaf. De man uit Jozef, dan wel Efraïm. Maar omwille van de beloften aan David bleef de stam van Juda ook apart en bleef het koningshuis van David vast in Juda en dus in de 2 stammen. Alleen de stam van Benjamin ging met Juda mee. Dat is een prachtig bijverschijnsel, want Benjamin was de volle broer van Jozef, zodat de 10 stammen toch vertegenwoordigd waren bij Juda en dus bij de 2 stammen. Daar komt nog bij, dat de stam van Benjamin eigenlijk helemaal uitgeroeid werd. Ze bleven toen in leven doordat Benjamin vrouwen kreeg uit heel Israël, zodat alle stammen van Israël feitelijk vertegenwoordigd waren in Benjamin bij Juda. Maar met grote nadruk was Jozef daarin vertegenwoordigd, al was het maar omdat Benjamin de enige echte broer was van Jozef, uit dezelfde moeder. 

Juda wordt beschouwd als de afgedwaalde van Israël. Dat is lang niet altijd zo, want onder andere omstandigheden worden de 10 stammen beschouwd als afgedwaald en weggevoerd. Maar hier in Deuteronomium 33 is Juda de afwijkende. “Breng hem weder tot zijn volk”. Hier staat voor het woord “volk” inderdaad “am”. Zo is Juda dan van het volk Gods afgeweken. Dat zijn bijna de woorden van Paulus. Die wilde dat zijn volk, zijn afgeweken broeders naar het vlees, tot geloof kwamen. Daar wordt dan niets gezegd over de 10 stammen, maar wel over de 2. De Heer zal Zich uiteindelijk over Juda ontfermen. Het gebed van Juda zal ooit een keer verhoord worden en God zal Juda dan hulp geven onder het Nieuwe Verbond.

“En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot; dien gij verzocht hebt in Massa, met welken gij getwist hebt aan de wateren van Meriba.” Deuteronomium 33 : 8

Bij deze woorden neemt Mozes het priesterschap, voorgesteld in de Urim en de Thummim, van Levi af en geeft het aan de Heer. Vers 7 spreekt over een toekomstig herstel van Juda en vers 8 spreekt over het priesterschap dat van Levi zal worden weggenomen en gegeven aan Jehovah Zelf. Dat is natuurlijk alleen te verklaren als de Here Jezus Christus niemand anders is dan Jehovah Zelf. En Hij is inderdaad de Middelaar van het Nieuwe Verbond, zodat deze uitspraken allemaal rechtstreeks van doen hebben met het aanbreken van het Nieuwe Verbond. Als het Nieuwe Verbond aanbreekt is Juda afgeweken. Als Juda bidt zal het teruggebracht worden tot zijn volk en deel krijgen aan Christus. Je kunt ook zeg gen dat Juda dan deel krijgt aan Jozef. Het priesterschap wordt van Levi weggenomen. Dat priesterschap maakt deel uit van het eerstgeboorterecht en dat zal alsnog gegeven worden aan de Here Jezus Christus, de Zoon van David, ofwel de Zoon van Jozef.

“En van Jozef zeide hij: Zijn land zij gezegend van den HEERE, van het uitnemendste des hemels, van den dauw, en van de diepte, die beneden is liggende;” Deuteronomium 33 : 13

Ook hier wordt meteen weer gesproken over zegeningen van de hemel. Verder zijn het ongeveer dezelfde woorden als in Genesis 49.

“En van de uitnemendste inkomsten der zon, en van de uitnemendste voortzetting der maan;” Deuteronomium 33 : 14

Voortzetting is hetzelfde als vrucht. Een vrucht wordt immers voortgebracht. Hier ontbreken de sterren, die altijd in verband worden gebracht met Jozef.

“En van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;” Deuteronomium 33 : 15

Die beide uitdrukkingen vallen samen en hebben te maken met de dingen die van oudsher voor Jozef zijn weggelegd. Het slaat op de roeping van de Gemeente.

“En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen” Deuteronomium 33 : 16

Terwijl Jozef afgezonderd is van zijn broederen, ontvangt hij die zegeningen. In Genesis 49 stond ditzelfde aan het einde van de geschiedenis van Jozef, die afgezonderd was geweest van zijn broederen en uitnemend gezegend was. Hij was geworden tot onderkoning in Egypte en, bij wijze van spreken, tot redder van de hele toenmalige wereld. Je kunt natuurlijk zeggen dat de zegen die Jakob uitspreekt in hoge mate gekleurd is door de gebeurtenissen die net hadden plaats gevonden en die toen nog niet beëindigd waren. Jozef was immers nog steeds onderkoning van Egypte. Maar hier in Deuteronomium 33 kun je dat toch niet zeggen, omdat dit bijna 40 jaar na de uittocht uit Egypte uitgesproken wordt. Niettemin worden dezelfde zegeningen herhaald, zodat je ziet dat niet alleen de uitspraken van Mozes, maar ook die van Jakob en zelfs de hele geschiedenis van Jozef duidelijk profetisch zijn en allemaal later zouden en zullen plaatsvinden. Niet Juda en de koning uit het huis van Juda, maar Jozef is dan tot eerstgeborene en zelfs tot koning gesteld. Dat maakt Matthéüs 1 zo interessant, omdat we daar ene Jozef tegenkomen, een zoon van David. Dus toch Juda, maar hij heet Jozef. Hij verdwijnt vervolgens van het toneel, zoals dat bij een Jozef te doen gebruikelijk is.

“Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tienduizenden van Efraïm, en dezen zijn de duizenden van Manasse!” Deuteronomium 33 : 17

In de Statenvertaling is de vertaling van een eenhoorn “riem”. Dit woord hangt samen met “Rama” en met “Aram”, dat is Syrië. Het spreekt over een hoge positie. Zonder tegenbericht is dat altijd de positie van de Gemeente, die met Christus gezet is in de hemel. De Bijbel leert dat deze “riem” een oeros is. Zo’n ouderwetse, sterke, uitgestorven rundersoort. Bovendien was zo’n os ontembaar. Hij had niet alleen grote kracht, maar was ook op geen enkele wijze te temmen. Je kon hem ook niet voor een ploeg of eg spannen. Als je dat letterlijk neemt en toepast op Jozef en de 10 stammen, betekent dat precies hetzelfde. Hij was niet te temmen. Hij werd weggevoerd in Assyrische ballingschap, maar was niet te temmen. Hij verdween meteen weer naar het noorden en was nooit echt onder worpen. Je herkent het in ieder geval in Brittannië en Scandinavië. Die landen zijn ook nooit onderworpen geweest. Ze hebben wel eens over eenkomsten gesloten, maar zijn nooit veroverd. Om nog maar te zwijgen van Noord-Amerika. Werkelijk afgezonderd en absoluut niet te temmen. Hoornen staan sowieso voor kracht en koninkrijk. In de praktijk hebben de Saksische volkeren de hele wereld aan zich onderworpen. Dat daar in onze dagen een kentering in zit is duidelijk, maar dat loopt natuurlijk toe naar de wederkomst van Christus, waarbij deze volken teruggebracht zullen worden naar het land waar ze eigenlijk thuis horen, naar het land, dat God voor hen bestemd heeft. Efraïm blijft groter dan Manasse. De ene hoorn was groter dan de andere hoorn van deze oeros.

Jozef krijgt van Mozes dus de meest uitgebreide zegen mee. Een zegening die aan de ene kant zeker verband houdt met hemelse zaken, maar aan de andere kant wordt ook uitdrukkelijk over grote aardse zegeningen gesproken. De zegeningen aan Abraham, Izak en Jakob waren minder dan die aan Jozef, terwijl Jozef toch eigenlijk de beperking is. Eén stam van Israël, misschien twee stammen en in het breedste geval 10, maar het is een beperking. In ieder geval staat de stam van Juda en in bredere zin ook die van Benjamin, er helemaal naast.

10. Jeremia 31

“Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen mij tot een volk zijn” Jeremia 31 : 1

Een tijd, waarin alle stammen van Israël “ammi” zullen zijn.

“Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen” Jeremia 31 : 2

In de dagen van Jesaja en Jeremia was de term “Israël” niet van toepassing op alle 12 stammen, maar slechts op 10, namelijk het noordelijke rijk, want die andere 2 stammen werden met de naam Juda aangeduid. Het is van groot belang om dat te zien. In de tweede helft van het hoofdstuk staan ze tegenover elkaar en daar blijkt ook duidelijk dat de 10 stammen aangeduid worden met de naam “Israël”. Israël heeft genade gevonden in de woestijn. Wij zeggen dan dat dit letterlijk op het Joodse volk slaat, dan wel op alle 12 stammen van Israël die in de toekomst terugverzameld zullen worden in de woestijn van Paran bij Petra. Dat geloof ik ook, maar dat hoeft niet het enige te zijn. De woestijn, de plaats waar niet geleefd kan worden, kan heel goed de aanduiding zijn van de grote, uitgestrekte gebieden van onbewoonde landen die in de loop van de eeuwen bevolkt zijn geworden door de Angelsaksische volkeren. Dan heb ik het over Noordwest-Europa, want daar woonde tot op dat moment niemand. En verder zijn ze natuurlijk uitgezworven naar wat wij noemen de emigratielanden, die ook tamelijk onbewoond waren. Dat zou heel goed de woestijn kunnen zijn en daar zijn ze tot geloof gekomen. De Heer zou hun rust brengen. Dat is de beschrijving van het Nieuwe Verbond.

“De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden. Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten” Jeremia 31 : 3 – 5

Het moet hier dus wel over de 10 stammen gaan. Want het zijn niet de bergen van Judea, maar van Samaria. De stad Samaria was de hoofdstad van het 10-stammenrijk.

“Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!” Jeremia 31 : 6

De naam van Israël wordt hier vervangen door die van Efraïm, maar de betekenis blijft gelijk. Naar Sion? Dus toch Jeruzalem? Daar staat niet Jeruzalem! De term “Sion” heeft in hoge mate een geestelijke betekenis. Daar gaat het bij Sion primair altijd om. Als het in Hebreeën wordt aan gehaald staat er: “Gij zijt niet gekomen tot Sinaï, maar tot Sion, de stad des levenden Gods”. Pas in tweede instantie staat er dat het Jeruzalem is, maar dan gaat het niet over het gewone aardse Jeruzalem, maar over het hemelse Jeruzalem. Want het gaat niet over Juda en Jeruzalem, maar over Israël, Efraïm, Samaria en Sion en dat is de aanduiding van het Koninkrijk onder het Nieuwe Verbond. Dat kan heel best in een hogere betekenis zijn en in een verborgen vorm.

“Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël” Jeremia 31 : 7

Jakob staat in de lijn van Abraham, Izak, Jakob, Jozef, Efraïm. Al die namen kun je gebruiken in volstrekt dezelfde betekenis. Zo kom je dus toch bij de 10 stammen terecht. Hetzelfde geldt voor het overblijfsel van Israël. Als het over de 2 stammen ging zou het erbij gezegd moeten worden, maar dat gebeurt hier niet. Bovendien wordt Jakob hier beschouwd als het hoofd der heidenen.

“Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene” Jeremia 31 : 8, 9

Eerst het noorden en dan de zijden der aarde. Het noorden is het belangrijkste. Daarna het oosten en westen en zuiden. Maar de nadruk ligt op het noorden. Dat is zo omdat de wegvoering van Israël plaats vond via het noorden. Ze kwamen uiteindelijk te wonen in Medië. Van daaruit zijn ze over de hele aarde uitgezworven en ze zullen dan ook van alle hoeken der aarde, van alle zijden, worden terugverzameld. De uitdrukking zou je ook andersom uit kunnen leggen. Het betekent weliswaar dat ze naar het noorden zijn weggedreven, maar dat ze daar niet gebleven zijn, maar naar alle zijden over de aarde zijn verspreid. Deze verzen kunnen niet slaan op de terugkeer van de 2 stammen uit de Babylonische balling schap, want die hebben zich vervolgens wel gestoten, namelijk aan de Steen des aanstoots. Het is Israël en Efraïm. Dat betekent trouwens ook, als je het letterlijk neemt, dat het eerste deel dat tot geloof komt niet de 2 stammen is, maar de 10. De Gemeente is de eerstgeborene. En hier heet de Gemeente Efraïm, dan wel Israël. Het spreekt over het Nieuwe Verbond in zijn toepassing in onze dagen. Juda wordt absoluut niet genoemd.

“Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde” Jeremia 31 : 10

Dus toch heidense volkeren. Het kunnen natuurlijk net zo goed alle heidenen zijn, maar evenzo goed in de beperking van de 10 stammen. Eilanden wordt vertaald met kustlanden en Noordwest-Europa, waarheen die volkeren verstrooid zijn, bestaat inderdaad uit kustlanden, eilanden en schiereilanden. Hij, Die Israël verstrooid heeft vergadert de Gemeente uit alle volkeren. Niet naar het land Kanaän, maar wel naar de hemel. Hij bewaart hen als een herder zijn kudde bewaart. Christus is de Herder. Hij wordt nu in onze dagen al beschreven als onze Herder.

“Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij” Jeremia 31 : 11

Als het een vrouw was die vrijgekocht werd dan was het Gomer geweest. Gomer was de vrouw van Hosea, die geboorte gaf aan Jizreël, Lo-Rucháma en Lo-ammi. Gomer blijkt dan ineens verdwenen te zijn. Dat zouden we niet gemerkt hebben, als zij niet terug gekocht werd op de slavenmarkt. Zij werd gekocht! Het leidt geen twijfel dat dat een beeld is van hoe de HEERE Israël terug koopt. Hoséa kocht Gomer terug. Ze is weliswaar vrijgekocht, verlost uit de hand die sterker was. Er staat gewoon bij dat deze vrouw een beeld was van het volk Israël. Ze zou vele dagen blijven zitten, zonder God, zonder Messias, zonder Terafim, zonder Efod, zonder priester. Helemaal zonder iets dus. Pas daarna, jaren later, zouden de kinderen Israëls vragen naar de HEERE, hun God.

We zeggen wel dat het Israël is, maar er zit een probleem aan vast. Want het is toch zo dat als Hoséa Gomer heeft teruggekocht, zij gewoon weer Hoséa’s vrouw geworden is? Toch is er geen sprake van gemeenschap. Want hij zou geen gemeenschap met haar hebben. Zij zou zijn zonder man en hij zou zijn zonder vrouw. Er wordt een situatie tot stand ge bracht waarmee niets gedaan wordt en die situatie zou pas na vele dagen veranderen. Hier wordt uiteengezet hoe Israël, dat “lo-ammi” geworden was, weer “ammi” wordt. Hoe de 12 stammen van Israël zich zullen bekeren. Intussen heeft Hosea die vrouw wel gekocht en woont zij daar in zijn huis. Hij zal haar ook wel verzorgd hebben, maar verder niets. Dat is een perfecte beschrijving van de situatie in onze dagen. God heeft Israël gekocht, maar Hij heeft de 2 stammen juist weggestuurd. Dat is iets anders dan terugkopen. Dat is natuurlijk een probleem en dat laat ik maar even liggen. In elk geval geldt het voor de 10 stammen dat God die heeft gekocht. Maar Hij doet er niets mee. Het speelt geen rol van betekenis. Die vrouw (de 10 stammen) wordt niet eens bij name genoemd. Dat die vrouw Gomer heet staat er niet bij. Je kunt het dus ontkennen, hoewel het toch voor de hand ligt dat het zo was. Die vrouw is daar gewoon, maar onbekend. Dat is een perfect beeld van de situatie zoals we die vandaag kennen van de 10 stammen.

Bij nader inzien is de Opgewekte uit de dood dus toch de Hovenier. Dat zei Maria Magdaléna, de hoer die tot geloof gekomen was in de Here Jezus. Ook zij is een beeld van de 10 stammen van Israël. Haar zuster is een beeld van de 2 stammen.

“Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzameld worden, spreekt de HEERE. Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn” Jeremia 31 : 13 – 15

Jozef is weg en eventueel Benjamin ook. Maar in de eerste plaats Jozef. Men zegt dat dit toegepast wordt op de kindermoord van Bethlehem. Dat zal ook wel zo zijn, maar de hele geschiedenis van de kindermoord in Bethlehem, waarbij alles wat geboren was binnen een periode van 2 jaar gedood werd, is een uitbeelding van onze bedeling. De 2000 jaren van onze bedeling, van de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Daar zijn de kinderen van Rachel weg. Jozef is zoek, al 2000 jaren lang. Dat neemt niet weg dat de Zoon van Jozef, waar het om ging en Die men dacht gedood te hebben en Die dus weg is, in Egypte zit. Want de Here Jezus zit dan, samen met Jozef, in Egypte. In Israël zegt men dat er geen kinderen in Bethlehem zijn. Ze zijn er wel, maar dan in Egypte. De 10 stammen zijn er niet, maar ze zijn er wel want je vindt ze terug in de Gemeente. Dat is niet in Israël, maar daarbuiten; op een heel ander niveau, ergens anders.

“Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land weder komen. En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale. Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!” Jeremia 31 : 16 – 18

Dat zegt Efraïm en “breed” zeggen de 10 stammen dat: “Gij hebt mij getuchtigd, Gij hebt mij weggevoerd, Gij hebt mij vervreemd van het burgerschap Israëls. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.” Voor altijd, is de gedachte. Zij zeggen dat in de ballingschap en de Heer heeft dat gehoord.

“Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood gewor den, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb” Jeremia 31 : 19

Efraïm en de 10 stammen zullen aan zichzelf bekend gemaakt worden. Zij zullen weten wie ze zijn. Dat kan zowel letterlijk als overdrachtelijk. Aangenomen dat u toevallig tot één van de 10 stammen behoort en u bent tot geloof gekomen, dan weet u nu wie u bent. Namelijk volk van God. Niet meer vreemd aan het burgerschap Israëls, maar medeburgers der heilige huisgenoten Gods. (Éfeze 2). Efraïm klopt op z’n heup. Jakob was ook aan z’n heup geraakt. Toen hij tot bekering kwam, kon hij maar op één been lopen. Aan het andere was hij geraakt. Eén been of heup werd onbruikbaar en daarom moest hij hinken op het andere. Het been dat onbruikbaar werd was Juda en waar hij op verder liep was Efraïm. Dat is natuurlijk weer typologie. De smaadheid van de 10 stammen trad al in werking toen zij werden weggevoerd in ballingschap. Terwijl de 2 stammen pas definitief werden weggevoerd aan het begin van onze jaartelling, 750 jaar later.

“Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind?” Jeremia 31 : 20

“Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik al Mijn welbehagen heb”. Dat is de Here Jezus, de Zoon van Jozef. Daar wil ik maar mee zeggen hoeveel typologie er in het Nieuwe Testament zit. Het is niet voor niets dat de wettige vader van de Here Jezus, niet de natuurlijke, Jozef heette.

Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; 

Niet tot hem, maar tegen hem. Sinds de Heer Zijn oordeel over de 10 stammen heeft uitgesproken, denkt Hij nog steeds aan hen. Hij begeleidt en verzorgt hen, maar doet het in het verborgene. Zodat je zelfs de 10 stammen in de loop van de geschiedenis, sinds de wegvoering in balling schap, kunt beschouwen als een soort verborgen Koninkrijk van de Heer. Officieel terzijde gesteld, maar in het verborgene zorgt Hij er toch voor. Dat komt onder mensen ook nogal eens voor. Dat vader en zoon in het publiek geen contact met elkaar hebben, maar dat hij achter de schermen wel degelijk de touwtjes in handen heeft. Zo doet God dat blijkbaar met de 10 stammen. daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen (rucháma), spreekt de HEERE.

In het Nieuwe Testament wordt gezegd: “Gij, die lo-rucháma waart, maar nu rucháma zijt geworden, gij, niet bemind, zijt nu bemind geworden.” Daar zou je aan deze profetie moeten denken. En deze profetie wordt hier ook uitsluitend op de 10 stammen van toepassing gebracht.

“Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o Jonkvrouw Israëls, keer weder tot deze uw steden! Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter?” Jeremia 31 : 21, 22

De 10 stammen waren weliswaar met de Heer gehuwd, maar hadden nooit gemeenschap met Hem gehad. Zij hebben de Heer nooit gediend en dus staat er:

“Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.”

Zodat er toch gemeenschap ontstaat. Zo komt de Heer toch tot Zijn doel met de 10 stammen, terwijl je dat in de hele oudtestamentische Bijbelse geschiedenis niet tegenkomt. Nog steeds is er met geen woord over Juda gesproken, of over de 12 stammen.

“Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid! En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen. Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld. Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten” Jeremia 31 : 23 – 25, 27

De dagen komen dat de HEERE het huis van Israël én het huis van Juda zal bezaaien met het zaad van mensen en het zaad van beesten. Maar het voorgaande, in ieder geval tot vers 23, ging alleen maar over het huis van Israël en niet over het huis van Juda. Juda was immers afgezonderd van het huis Israëls.

“En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE. In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden. Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden. Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” Jeremia 31 : 28 – 33

De HEERE zal dus na die dagen een verbond met Israël maken. In vers 33 is de naam Juda weer weg. Je kunt natuurlijk zeggen dat Juda er nu bij in zit, maar niettemin wordt Juda hier weer aan de kant geschoven. Deze woorden worden in Hebreeën toegepast op onze dagen, op de Gemeente, maar uiteindelijk is het natuurlijk de beschrijving van heel het Nieuwe Verbond dat ook letterlijk zal worden toegepast op alle 12, dan wel 13 stammen van Israël. Dat neemt niet weg dat hier toch uitdrukkelijk tot midden in het hoofdstuk over de 10 stammen gesproken wordt. Daarna pas over de 2 en daar gaat het maar om. Het verhaal over de 10 stammen spreekt over onze bedeling en de periode daarna. Als er ook over de 2 stammen gesproken wordt gaat dat over de toekomstige bekering van het Joodse volk, waarna ook zij deel zullen krijgen aan het Nieuwe Verbond. Zo strak ligt het niet helemaal natuurlijk, want ook in deze dagen zijn er gelovigen uit de Joden en die maken dan ook deel uit van de Gemeente en hebben dus al deel aan dat Nieuwe Verbond. De volgorde is echter: eerst de 10 stammen en dan de 2.

De 10 stammen werden uit het land uitgerukt, maar dat betekent absoluut niet dat God hen uit het oog verloren heeft. Hij heeft ze juist sterker gezegend. Ook in aardse dingen. De geschiedenis van het Joodse volk is daarentegen nogal armetierig. Het is de geschiedenis van een volkje dat in ballingschap gestuurd werd, met alle ellende van dien. De verwoesting van Jeruzalem daarbij inbegrepen. Daarna keerde een deel van dat volkje zelf weer terug naar het land, om in het land weer hetzelfde te onder gaan. Weer de heidenen er overheen en weer de verwoesting van Jeruzalem. Wat een ellende. En dat alleen omdat aan Juda het Koningschap beloofd was en dat dus uit Juda, naar het vlees althans, de Messias moest voortkomen. Nadat dat gebeurd was, verwierpen zij de Messias ook nog en konden ze weer vertrekken in ballingschap. Wat dat betreft zijn de 10 stammen een stuk beter af. Dat staat ook op veel plaatsen in het Oude Testament. Bovendien staat er ook dat de 2 stammen meer gezondigd hebben dan de 10. De 10 stammen zijn weliswaar hun identiteit kwijtgeraakt, maar zijn niet vervolgd geworden en ook niet door de satan verzocht. Zij hadden zich helemaal aan het beeld van het volk Gods onttrokken. Ze werden niet vervolgd omdat ze op één of andere wijze het uitverkoren volk Gods waren. Men was het gewoon vergeten. Maar achteraf blijkt dat God juist dat volk gebruikt voor Zijn doel in onze tegenwoordige bedeling. Dat zit allemaal vast aan de naam Jozef of aan de naam Efraïm.

11. 1 Koningen 11

Tot nu toe hebben we ons beziggehouden met de beloften zoals die van af het begin aan Israël gedaan zijn. Die begonnen bij Abraham en werden herhaald aan Izak en Jakob en vervolgens aan Efraïm en Jozef. Merkwaardig genoeg in die volgorde. Ik hoop dat u met mij gezien hebt dat deze beloften omtrent een “menigte van volkeren” en bovendien omtrent “vele koningen” zeker niet vervuld zijn in de Bijbelse geschiedenis van de 2 of de 10 stammen. We raken in de Bijbel min of meer het spoor bijster van het grootste deel van Israël, namelijk van de 10 stammen. Kennelijk is het zo dat de beloften ook niet worden vervuld aan de 2 stammen van Israël. Dan blijft er dus over dat ze van toepassing zijn op de 10 stammen. Dat verklaart ook waarom deze beloften aan Abraham, Izak en Jakob vervolgens nog uitgebreider beschreven en bevestigd worden aan Jozef en Efraïm. Efraïm, die zelfs doorgaat voor de eerstgeborene onder de stammen van Israël. Dat is merkwaardig omdat Efraïm gerekend wordt tot de stammen van Israël, maar strikt genomen de dertiende stam is, terwijl we er altijd maar 12 kennen. Daar is dus iets bijzonders mee aan de hand.

Ik probeer nu u het één en ander te laten zien over de geschiedenis van de splitsing van het volk Israël in de 2 en 10 stammen. Die termen als zodanig zijn volstrekt onbijbels. Niet in hun betekenis, maar ze worden in de Bijbel niet gebruikt. Anders moet ik spreken over Juda en Israël, of over Juda en Jozef, of over Juda en Efraïm. Want er zijn verschillende namen die daarvoor gebruikt worden. Deze namen, Israël, Jozef en Efraïm hebben echter niet altijd betrekking op de 10 stammen. Het hangt ervan af waar ze gebruikt zijn. De Bijbel heeft er dus eigenlijk geen vaste uitdrukking voor. De uitdrukkingen die gebruikt worden krijgen hun betekenis in het verband waarin ze zijn genoemd en daar is niets moeilijks aan. Ik ben daar altijd wel blij mee omdat je die uitdrukkingen zo alleen kunt gebruiken in hun Bijbels verband. Daarbuiten verliezen ze hun betekenis. Zo zijn we verplicht die termen te lezen in de Schrift waar ze gebruikt worden. Waar Juda en Efraïm tegenover elkaar staan weten we dan meteen dat het over de 2 en de 10 stammen gaat.

Sálomo

In 1 Koningen 11 zijn we gekomen aan het eind van de geschiedenis van koning Salomo. Er wordt hier aangekondigd dat na Salomo het koninkrijk verdeeld zou worden in, wat wij dan kennen als de 2 en de 10 stammen van Israël. Dat gebeurt min of meer voor straf. Althans, zo wordt het aangekondigd. Salomo hield zich niet alleen bezig met de dienst aan Jehovah. Hij bouwde bijvoorbeeld de tempel. Salomo diende de HEERE. Maar daarnaast diende hij ook nog allerlei andere goden.

“Alzo deed Salomo dat kwaad was in de ogen des HEEREN; en volhardde niet den HEERE te volgen, gelijk zijn vader David. toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons En alzo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die haar goden rookten en offerden. Daarom vertoornde Zich de HEERE tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van den HEERE, den God Israëls, Die hem tweemaal verschenen was. En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet, wat de HEERE geboden had. Daarom zei de HEERE tot Salomo: Dewijl dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; Ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren, en datzelve uw knecht geven.” 1 Koningen 11 : 6 – 11

De gedachte is dat heel het koninkrijk van Salomo wordt weggenomen en gegeven aan zijn knecht. Die knecht leren we enige verzen verderop kennen onder de naam Jeróbeam. Daarmee zou dus ook heel het koninkrijk van het huis van David worden weggenomen, want daar komt het in de praktijk op neer. Dat stuit op een technische moeilijkheid. De eerstgeborene, het hoofd van de stam van Juda, blijft automatisch, per definitie, hoe dan ook, koning over Juda. Zo is het dus moeilijk om alle 12 stammen van het huis van David, van Salomo, weg te nemen. Wat wel kan is dat 11 stammen zouden worden weggenomen van het huis van David en dus van Juda, zodat de eerstgeborene van het huis van Juda inderdaad koning zou blijven over Juda. Dus feitelijk zouden 11 stammen worden weggenomen van het huis van Juda. Maar dat staat er niet letterlijk. Het is een conclusie die ik trek en dat kan ik makkelijk doen omdat dat verderop ook zo bevestigd wordt. Maar de gedachte is dat heel het koninkrijk zou worden weggenomen van het huis van David en dus van Juda. Als Juda dan overblijft, is de gedachte, dat het koninkrijk zich dan bevindt bij de andere 11 stammen en dat Juda ernaast staat. Het wordt van Juda min of meer voor straf weggenomen. Het zou gegeven worden aan zijn knecht.

“Daartoe Jeróbeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zeréda, Salomo’s knecht (wiens moeders naam was Zerúa, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den koning.” 1 Koningen 11 : 26

Dat was in overeenstemming met de wil van God. Heel Israël zou hem worden afgenomen. God zou dus in opstand komen tegen Salomo en zijn huis. Jeróbeam hief ook zijn hand op tegen de koning.

“Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen den koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk der stad van zijn vader David toe. En de man Jeróbeam was een dapper held. Toen Salomo deze jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al den last van het huis van Jozef.” 1 Koningen 11 : 27. 28

Hij stelde hem over al den last van het huis van Jozef. Salomo vertegenwoordigde Juda en Jeróbeam vertegenwoordigde Jozef. Zo heb je hier al de 2 tegenover elkaar, zoals we die later in de profetieën steeds tegen over elkaar vinden. Dan gaan we nu weer terug naar de geschiedenis.

“In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal ik het scheuren. Doch Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; één stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, dat Ik verkoren heb.” 1 Koningen 11 : 12. 13

Eigenlijk had het in de dagen van Salomo moeten gebeuren als een soort maatregel tegen Salomo, maar ter wille van David gebeurt het niet in zijn dagen, maar in de dagen van Salomons zoon. Die zoon blijkt Rehábeam te zijn. Hij wordt koning over Juda omdat de andere stammen van hem worden weggenomen. Eén stam zal blijven aan het huis van David. Dat is niet Juda, want Juda bleef sowieso bij David. Als het hoofd van de stam van Juda koning is, dan blijft hij automatisch gewoon koning over Juda. Zo krijgt die zoon dus in totaal 2 stammen, namelijk Juda en Benjamin. Dat is niet mijn conclusie, maar dat staat verderop in dit hoofdstuk.

“Het geschiedde nu te dier tijd, als Jeróbeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahía, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren; Zo vatte Ahía het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken. En hij zeide tot Jeróbeam  : Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.” 1 Koningen 11 : 29 – 31

Het zou gescheurd worden van de hand van Salomo en dus van Juda en gegeven worden aan Jeróbeam en dus aan Jozef, aan de 10 stammen.

“Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israël.” 1 Koningen 11 : 32

Vers 32 sluit uiteraard aan bij vers 13. De stam die in vers 13 genoemd wordt is natuurlijk dezelfde als de stam uit vers 32. Dat is de stam van Benjamin. Dat kan niet missen. De 2 stammen bestaan immers uit Juda en Benjamin. Verder staat er dat het is om “Mijns knechts Davids wil en om Jeruzalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israël”. Jeruzalem ligt op het grondgebied van Benjamin. Die grenzen zijn natuurlijk heel moeilijk na te gaan, ook vanuit de Bijbel. Jeruzalem ligt weliswaar temidden van het gebied van Juda, maar het gebied van Benjamin dat wat meer naar het zuiden ligt strekt zich met een smalle strook uit tot in het gebied van Juda, tot en met Jeruzalem. Men beweert zelfs dat het precies gaat tot en met de Tempelberg. Het is een beetje ver gelijkbaar met de situatie zoals we die tientallen jaren gekend hebben rond Berlijn. Het hoorde bij West-Duitsland, maar werd volledig omgeven door Oost-Duitsland. Er was slechts één route waarlangs je Berlijn kon bereiken. Vanuit het gebied van Benjamin was er een smalle strook, die zich van Benjamin uitstrekte tot en met Jeruzalem, zodat Jeruzalem en de tempel weliswaar beschouwd werden als behorend tot Juda, maar zich bevonden op het grondgebied van Benjamin. Dat is eigenaardig genoeg, omdat het koninkrijk van David en van Juda in Jeruzalem gevestigd was. Bovendien was de tempel gebouwd door de zoon van David, Salomo, ook uit Juda. Jeruzalem, net als Bethlehem overigens, wordt ook aangeduid als de stad Davids. Dat is dus Juda. Niettemin lag het op het grondgebied van Benjamin. Benjamin was heus meer familie van Jozef dan van Juda. Zij waren beiden uit dezelfde vader, maar Benjamin was uit dezelfde moeder als Jozef. Je kunt dus eigenlijk zeggen dat als de stam Benjamin toegevoegd wordt aan het huis van David, Benjamin feitelijk Jozef bij Juda vertegenwoordigt. Het rijk wordt gesplitst in 2 en 10 stammen, in Juda en Jozef, maar bij Juda vind je een belangrijk deel van Jozef, namelijk Benjamin. De meest naaste familie van Jozef. Denk ook maar eens aan de geschiedenis van Jozef in Genesis. Daar speelt Benjamin ook zo’n belangrijke rol en de verbinding tussen Jozef en Benjamin wordt daar op vijfvoudige wijze benadrukt. De reden van dat afscheuren van het koninkrijk volgt in vers 33.

“Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der Sidoniërs, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David. Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.” 1 Koningen 11 : 33, 34

Het wordt niet van Salomo zelf genomen. Terwille van David laat de HEERE het koninkrijk nog aan Salomo. Maar als het na de dood van Salomo van zijn zoon Rehábeam wordt weggenomen is dat niet een maatregel tegen Rehábeam, maar tegen Salomo.

“Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.” 1 Koningen 11 : 35

Er staat niet dat de HEERE een deel van het koninkrijk zal nemen, hoewel dat in principe zo was. De gedachte is veel sterker. Hij zou het koninkrijk nemen uit de hand van zijn zoon. Als we niet meer gelezen hadden zouden we kunnen concluderen dat alle 12 stammen van Salomo worden weggenomen en dat Jeróbeam daarvan 10 stammen krijgt. Uit het verband blijkt echter dat de andere 2 stammen bij Juda blijven.

“En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om Mijn Naam daar te stellen.” 1 Koningen 11 : 36

Dat is de derde keer dat het er staat. Er wordt niet aan David persoonlijk gedacht, maar aan Juda. Juda zou altijd een lamp voor het aangezicht des HEEREN hebben in Jeruzalem. Die lamp is Benjamin. Benjamin fungeert als lamp voor Juda. De HEERE wil Zijn Naam stellen in Jeruzalem. Dat komt niet door Juda tot stand, maar doordat Benjamin Jozef vertegenwoordigt in Juda. De HEERE stelt Zijn Naam dus in Jeruzalem door Jozef, via Benjamin.

“Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israël.” 1 Koningen 11 : 37

Niet over de 10 stammen, maar over Israël. Het waren natuurlijk wel de 10 stammen, maar er staat Israël. De 10 stammen worden dus aangeduid als Israël. Wat Jeróbeam niet ontvangt, heet dan Juda.

“En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven.” 1 Koningen 11 : 38

“En zal u Israël geven”! Israël wordt gegeven. Het waren maar 10 stammen, maar het heet Israël. Er zit nog iets achter dit vers. Zowel aan David als aan Jozef wordt een bestendig huis beloofd op voorwaarde van trouw aan de HEERE. Een bestendig huis van David lijkt me geen enkel probleem. Dat komt uiteindelijk tot stand via geloof in de Here Jezus Christus, de Zoon van David, de Leeuw uit de stam van Juda.

Maar hoe zit het nu met het bestendige huis van Jozef? Het huis van Jeróbeam leidde in de praktijk niet tot veel goeds. Het leidde uiteindelijk tot de wegvoering van de 10 stammen uit Israël. De wegvoering van Israël dus. Komt er dan niet een bestendig huis omdat Israël niet wilde? Dezelfde vraag kan gesteld worden over het Koninkrijk uit Juda. Komt er dan geen Koninkrijk omdat Juda niet wilde? Jazeker wel, want Paulus zegt in de Romeinenbrief: Zal hun ongeloof het geloof van God teniet doen? Synoniem: Zal hun ontrouw de trouw van God teniet doen? In Romeinen 3 wordt gesteld dat, ondanks het ongeloof van Juda, dat Koninkrijk toch tot stand komt. God maakt Zijn beloften altijd waar. God laat Zich niet door ongelovigen hinderen Zijn wil te volbrengen.

Maar hier in 1 Koningen 11 wordt gesproken over een koningshuis, onder de naam “Jozef”, in verband met 10 stammen van Israël. De 10 stammen waren ongelovig en werden weggevoerd in Assyrische ballingschap. Dit ongeloof zou het geloof (trouw) van God uiteraard niet teniet doen, want, zegt Paulus, de mens is weliswaar leugenachtig, maar God niet. Hij doet gewoon wat Hij beloofd heeft. Zo mag je aannemen dat God net zo goed een bestendig huis gebouwd heeft in Jozef. Of zou bouwen, of zal bouwen. Op z’n laatst bij de komst van de Messias. Daarmee zijn we heel dicht in de buurt van de juiste conclusie. Dat bestendige huis is in het verleden en tot op heden niet gebouwd in Juda, maar dat komt in de toe komst wel degelijk. Nee, het gaat hier niet over die onwankelbare troon van God in de hemel. Ik heb het over een onwankelbaar koninkrijk temidden van de stammen Israëls. Over Juda zál het komen. Dat leert de Schrift uitdrukkelijk. Dat komt pas na de 70ste week van Daniël en alleen voor gelovigen. Dat laatste geldt ook voor de onwankelbare troon over de 10 stammen. Daarbij zijn alleen gelovigen betrokken.

Er wordt gesproken over een onwankelbaar Koninkrijk. Wat de 2 stammen betreft zijn dat de beloften die aan David gedaan zijn en die staan niet in dit Schriftgedeelte. Hier gaat het over beloften die verband houden met Salomo en Jeróbeam, de 10 stammen apart. De gedachte is dat deze dingen vervuld worden in onze dagen. Het bestendige huis dat God zou bouwen, niet in Juda, maar in Israël. Dat is ongetwijfeld dat bestendige huis waarvan wij door genade en geloof deel uitmaken. Juda is dat in ieder geval niet! Dat volk is ongelovig in de Bijbelse zin van het woord. Men weet wel, maar wijst af. Men heeft de Boodschap gehoord, het is hun gepredikt, maar wil het domweg niet aanvaarden. Dat is ongeloof.

Dus het huis waarvan wij deel uitmaken. Het huis waarin wij gebouwd worden als levende stenen op het Fundament, waarvan Christus de uiterste Hoeksteen is, is Jozef. Hier wordt gesproken over deze twee kanten van het Koninkrijk. Er zou een eventueel Koninkrijk zijn in Juda en er zou een Koninkrijk zijn in Jozef. Als het Koninkrijk waarvan wij deel uit maken niet Juda is, dan ligt het voor de hand dat het het Koninkrijk van Jozef is. Waarna ik er maar op wijs dat de eerste man die in het Nieuwe Testament een rol van betekenis speelt Jozef heet. Niet de eerste die genoemd wordt. Dat was Christus. Maar de geschiedenis van Jozef wordt het eerst vermeld. Ik noem maar even wat. De beloften die in vers 38 gedaan worden zijn dezelfde als die aan David in 2 Samuël 7. De 10 stammen die aan Jeróbeam gegeven worden, heten dus Israël. Het is de belofte van een bestendig Koninkrijk, uiteraard op grond van geloof.

“En Ik zal om diens wil het zaad van David verootmoedigen; nochtans niet altijd.” 1 Koningen 11 : 39

Verootmoedigen betekent gewoon vernederen. Vernederen is wat erg zwaar. Het lijkt alsof het met geweld gebeurt. Verootmoedigen hoeft niet met geweld te gebeuren. Dat kan ook op een andere manier. Verootmoediging is dat men zích vernedert. Juda zal vernederd worden, terwijl Jozef en dus Israël verhoogd zal worden.

“Daarom zocht Salomo Jeróbeam te doden; maar Jeróbeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.” 1 Koningen 11 : 40

Het resultaat was dat Salomo Jeróbeam probeerde te doden. Want God heeft Israël (de 10 stammen, Jeróbeam en dus Jozef) geroepen om Juda tot jaloersheid te verwekken. Dat is een term uit het Nieuwe Testament. Dat is prompt wat er gebeurt. Salomo, die Juda vertegenwoordigt wordt jaloers op Jeróbeam, aan wie Israël beloofd was en die verhoogd zou worden. Dat is precies het effect wat later in Jesaja en in het bijzonder in de brief aan de Romeinen wordt aangehaald. Alleen zeggen we dan dat het de Gemeente is die het Joodse volk tot jaloersheid zal verwekken. Als het de 10 stammen zijn die de 2 stammen tot jaloersheid verwekken en het is de Gemeente die de 2 tot jaloersheid verwekt, dan bestaat er in ieder geval een grote samenhang tussen de 10 stammen en de Gemeente.

Jeróbeam vluchtte naar Egypte, waarna vervolgens de zoon uit Egypte geroepen werd. Dat is Hoséa en Matthéüs 2. Jozef en de Here Jezus werden uit Egypte gehaald. Daar gebeurt precies hetzelfde. Koning Herodus, officieel de koning der Joden, probeerde de geboren Koning der Joden uit Bethlehem te doden. Maar Jozef, de wettige vader van de Here Jezus, kreeg een droom. Een Jozef in de Bijbel behoort te dromen. Dan spreekt God alleen door dromen, omdat het dan altijd gaat om de verborgenheden van het Koninkrijk. Jozef krijgt in een droom te horen dat hij naar Egypte moet vluchten. En hij neemt de Here Jezus mee. Twee jaar later komt hij terug en er staat dan bij dat dat de vervulling is van de profetie in Hoséa waar staat: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen”.

In het gunstigste geval is dat nog maar de helft van de vervulling van de profetie, want hij zou nog een paar keer toegepast worden. In 1 Koningen 11 wordt dat geïllustreerd. Jeróbeam moet vluchten voor Salomo van wie het koninkrijk zal worden afgenomen. Na de dood van Salomo (komt overeen met de dood van Herodus) komt alsnog Jeróbeam terug uit Egypte om het koninkrijk van Israël op zich te nemen. Weliswaar niet van de 2 stammen, maar wel van de 10. En als de Here Jezus (de uiteindelijke Zoon) uit Egypte komt dan lees je dat het de bedoeling was dat ze in Bethlehem zouden gaan wonen, maar de Heer zei dat ze naar Nazareth moesten. Nazareth behoorde van oudsher tot het gebied van de 10 stammen. Als Jeróbeam uit Egypte komt wordt hij geen koning over de 2 stammen, maar over de 10. Als dan de uiteindelijke Jeróbeam, de echte Jozef verschijnt en Hij wordt Koning, dan wordt Hij, als je die lijn volgt, geen Koning over de Joden, maar van de 10 stammen.

Uit de ongewijde geschiedenis blijkt dat binnen de kortste keren, binnen vier jaar sinds de opstanding van Christus, het Evangelie terecht kwam in Brittannië. Dat wordt geacht het land van Efraïm te zijn. Het centrum dus van de 10 stammen van Israël; van de eilanden der zee. Het was het eerste land dat officieel tot christelijk land verklaard werd. Het Evangelie werd door de Joden afgewezen en door de Britten aanvaard en ging zo van de 2 stammen naar de 10 stammen. Dat concludeer ik niet alleen uit de Schrift, in de geschiedenis worden deze dingen uitdrukkelijk bevestigd*.

(*) Hier vindt u videodocumentatie over dit onderwerp

De Here Jezus moest naar Egypte vluchten, net als Jeróbeam, de zoon van Jozef. Daarna keerde Jeróbeam terug om de heerschappij over de 10 stammen op zich te nemen. En de Here Jezus keerde terug uit Egypte om Zich te vestigen, niet in Bethlehem en dus in Judea, maar in Galilea, van oudsher het gebied van de 10 stammen van Israël. Kan er uit Nazareth iets goeds komen? Kan er uit Jozef iets goeds komen? Kan er uit de 10 stammen iets goeds komen? Ja, beloften genoeg. Ze gaan om Juda heen.

De Here Jezus moest naar Egypte vluchten, net als Jeróbeam, de zoon van Jozef. Daarna keerde Jeróbeam terug om de heerschappij over de 10 stammen op zich te nemen. En de Here Jezus keerde terug uit Egypte om Zich te vestigen, niet in Bethlehem en dus in Judea, maar in Galilea, van oudsher het gebied van de 10 stammen van Israël. Kan er uit Nazareth iets goeds komen? Kan er uit Jozef iets goeds komen? Kan er uit de 10 stammen iets goeds komen? Ja, beloften genoeg. Ze gaan om Juda heen.

12. 1 Koningen 12

Het volgende gedeelte in 1 Koningen 11 spreekt over de dood van Salomo. Daarna gaat Rehábeam, de zoon van Salomo, naar Sichem. Want het ganse Israël was daar gekomen om hem koning te maken. Maar Sichem is een stad van Efraïm. Het lukt dus ook allemaal niet. Er gaat wat fout. Er wordt gesproken over een derde dag. Dat wil zeggen, er wordt geen beslissing genomen over wie er koning wordt. Men zou wachten tot de derde dag. Die derde dag spreekt uiteraard over de opstanding van Christus. De dood van Salomo komt eigenlijk overeen met de dood van de Here Jezus en daarmee met het einde van het Oude Verbond. Dan moeten de beloften vervuld worden. Dus hoe moet dat dan verder? Hoe luidt het testament? Het koninkrijk van Israël zou gegeven worden aan Jozef en van Juda, van Salomo, worden weggenomen. Salomo sterft, de Here Jezus sterft en dan moet men wachten tot de derde dag en tot hem komen en dan zal bepaald worden hoe het verder gaat. Dan blijkt dat het koninkrijk niet naar Rehábeam gaat, op de uit zondering van de 2 stammen na, maar naar Jeróbeam.

Waar ging het Koninkrijk van Christus na Zijn opstanding naar toe? Niet naar Juda en Benjamin, maar naar Jozef en naar de 10 stammen. Het ging naar Jeruzalem, maar daar braken de vervolgingen uit. De gemeente uit Jeruzalem werd immers vervolgd, gemolesteerd, gedood en verspreid. Maar daarna ging het ogenblikkelijk naar Samaria. Dat was precies in overeenstemming met wat in Handelingen 1 al stond. De discipelen vroegen toen of de Here Jezus in die tijd al het Koninkrijk aan Israël zou oprichten. Maar wat is Israël? De Heer zei toen: “Het komt u niet toe te weten de tijden en gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht ge- steld heeft”. Het is niet alleen een kwestie van tijd, maar ook van omstandigheden. Israël (de Joden) zou niet tot geloof komen. In plaats daarvan zou het Koninkrijk verborgen blijven en in die tijd zou dan de Gemeente gebouwd worden. Dat is tijden. Nu de gelegenheden. Het koninkrijk zou wel aan Israël worden opgericht, al zou het verborgen blijven, maar dat gold niet de Joden. En dus zei de Heer:

“Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft; Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” Handelingen 1 : 7, 8

De Heilige Geest ontvangen hoort bij de komst van het Koninkrijk. Zij zullen Zijn getuigen zijn, beginnende te Jeruzalem en vervolgens in Samaria en dan tot aan de uitersten der aarde. Wat je daar onder verstaat maakt niet zoveel uit. Want dat kan ook de 10 stammen betekenen. Die uitdrukking wordt in het Oude Testament daarvoor al gebruikt. Maar het kan ook alle heidenen betekenen. En in de praktijk weten we wat er gebeurd is. Het is gepredikt aan alle heidenen en daarvan zijn er tot geloof gekomen.

“Toen gans Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten.” 1 Koningen 12 : 16

Het volk zei tegen Rehábeam: “David, je zoekt het zelf maar uit”. Het was Rehábeam, maar dat doet er verder niet toe. Hij wordt aangesproken onder de naam van zijn voorvader, de grondlegger van zijn dynastie. Israël zei: “Wat hebben wij met David te maken”. Dat is niet zo vreemd, want als men zich zou baseren op de oude beloften aan Abraham, Izak, Jakob, Jozef en Efraïm, zou men inderdaad niet bij Juda terechtkomen, maar bij Jeróbeam. Aan hem waren de beloften gedaan. Heel Israël ging dus naar zijn tenten en daarmee had Juda afgedaan. Gans Israël!

“Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehábeam ook.” 1 Koningen 12 : 17

Er waren er uit de 10 stammen,maar die woonden in de steden van Juda. Over die regeerde Rehábeam wel. Rehábeam regeerde dus over Juda, maar ook over een deel van Israël dat zich gevestigd had te midden van Juda. Zodat Israël wel degelijk bij de 2 stammen vertegenwoordigd is, maar niet meer dan dat. Je kunt natuurlijk nooit zeggen dat Israël deel uitmaakte van Juda. Israël gaat zijn eigen weg zodat Juda buiten Israël komt te staan. Niet andersom! Ons probleem is dat wij de term Israël steeds en bijna vanzelfsprekend gebruiken ter aanduiding van de Joden, terwijl de situatie in de Bijbel en zeker in het Oude Testament andersom ligt. Juda staat buiten Israël. Maar als Israël verdwijnt en zijn eigen identiteit verliest in de ballingschap en tot op zekere hoogte de naam zelfs vergeet, dan blijft de naam Israël over. Waar kun je hem dan anders nog op toepassen dan op de overlevenden van de familie, het Joodse volk. Maar dat is niet de eerste erfgenaam van de titel. Israël is of alle 12 stam men of het zijn er 10, met Jozef aan het hoofd. Pas in laatste instantie, als die anderen er niet meer zijn, kan Juda aanspraak maken op die naam. De 10 stammen zijn echter wel ergens. We hebben immers de belofte dat ze terugverzameld zullen worden in de openbaring van het Koninkrijk. Juda gebruikt de naam “Israël” dus al die tijd ten onrechte.

“Toen zond de koning Rehábeam Adóram, die over de schatting was; en het ganse Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehábeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.” 1 Koningen 12 : 18

Rehábeam stuurt Adóram en het ganse Israël (10 stammen) stenigde hem. Ze probeerden tevergeefs de 10 stammen alsnog te onderwerpen.

“Alzo vielen de Israëlieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.” 1 Koningen 12 : 19

Onbekend is welke dag dat was omdat we niet weten wie dit geschreven heeft, maar het is kennelijk lang daarna geschreven. Dat blijkt uit de uitdrukking; of de uitdrukking is er lang daarna aan toegevoegd. In onze dagen is de situatie nog steeds zo, al zijn in de lijn die wij nu vervolgen de rollen eigenlijk omgedraaid. Want nu is de gedachte dat de 10 stammen zijn gekomen tot aanvaarding van de Koning van Israël, uit het huis van David, terwijl de 2 stammen hun eigen Koning, uit hun eigen huis Juda, verworpen hebben. Dat zeg ik met alle beperkingen. Ik heb het uiteraard over het verschijnsel dat ik al zo vaak naar voren heb gebracht, dat nu eenmaal de meerderheid van de gelovigen uit onze dagen afstamt van de 10 stammen van Israël. Het meeste uit de 10, daarna een minderheid uit de 2 en daarna een nog kleinere minderheid uit heel de rest van de wereldbevolking. De meerderheid is Angelsaksisch. Het volgende deel is Joods.

Er zijn heus vrij veel Joden die tot geloof zijn gekomen in de Here Jezus Christus. Maar wat de andere heidense volkeren betreft zijn het slechts enkelingen. Er staat niet dat het zo moest, maar het is gewoon een vaststelling van een feit. Je kunt het argument zelfs omdraaien. Aangezien de meerderheid van de gelovigen bestaat uit de Angelsaksen of uit die bevolkingsgroep, kun je haast geen andere conclusie trekken dan dat de Angelsaksen de erfgenamen zijn van de 10 stammen van Israël. Dat is overigens het meest gehoorde argument.

De naam Israël gaat dus uitdrukkelijk mee met de 10 stammen. En zo blijft het ook, want daarna wordt er de hele Bijbel door en zeker in het Oude Testament dat onderscheid gemaakt. Juda tegenover Israël. Als het Nieuwe Verbond wordt aangekondigd in Jeremía 31, wordt er gezegd dat het gesloten zal worden met het huis van Israël en met het huis van Juda. Zelfs in die volgorde. Als je de toepassing van die termen vasthoudt en je leest daar na in het Nieuwe Testament over Israël, dan lees je voor het woord Israël: de 10 stammen. Dat wordt toch op z’n minst gesuggereerd.

De naam Jozef in de Schrift

De Schrift gebruikt bepaalde woorden of namen om verbanden te leggen en dat is om ons te verwijzen naar andere Schriftgedeelten. Als het Nieuwe Testament dan opent met een Jozef dan moet je je meteen afvragen wie Jozef is. Wat is er met Jozef? Dan kom je in Genesis terecht. Natuurlijk is dat een andere Jozef, maar niettemin is het een heel duidelijke verwijzing.

Als Paulus op z’n zendingsreizen gaat en het lukt hem niet, dan verschijnt er ene Jozef. Wij kennen hem daarna onder de naam Barnabas, maar hij heette echt Jozef. Paulus neemt hem op sleeptouw en zet hem aan het werk. Daarna verdwijnt hij weer van het toneel. Het leven op aarde van de Here Jezus begint met Jozef. Zijn optreden in het openbaar heeft ook met een Jozef te maken. Als Hij opstaat uit de dood, begint het weer met een Jozef. Hij staat op uit het graf van Jozef. Hij wordt beschouwd als de hovenier van de hof van Jozef van Arimatéa. Als daarna de discipelen moeten worden aangevuld, omdat Juda weg is en er nog maar 11 zijn, dan is er één kandidaat: Jozef. Juda zou vervangen moeten worden door Jozef, maar het gebeurt niet. Het wordt Matthias en Jozef blijft op de achtergrond aanwezig als een voor mij zogenaamde dertiende apostel. Hij is het niet, want als er al een dertiende is, is dat Paulus.

Als die later verschijnt, verschijnt er ook eerst een Jozef, genaamd Barnabas. Hij helpt Paulus op weg en later, als Barnabas in Antiochië is, haalt hij Paulus speciaal uit Tarsen op om hem mee te nemen naar Antiochië. Daarna vertrekt Barnabas, omdat Paulus het verder alleen wel af kan. Al die delen van de nieuwtestamentische geschiedenis worden ingezet met een Jozef. Toeval kan dat toch niet zijn. Bovendien had de naam Jozef in veel gevallen niet eens vermeld hoeven worden, omdat Jozef nu eenmaal Barnabas heet en die andere Barsabbas. Het zijn namen die gewoon weggelaten hadden kunnen worden. Van Benjamin wordt gezegd dat hij een lamp zou zijn, kennelijk van Jozef, omdat het de broer van Jozef was, bij Juda. Dat veronderstelt dat als Juda ooit tot bekering komt via de lamp van Jozef. Wie komt er dan het eerst tot bekering, Jozef of Juda? Als Jozef de lamp moet zijn bij Juda, dan moet Jozef dus eerst tot geloof komen. En als het Evangelie in onze dagen gepredikt wordt aan de Joden, wordt het door de Gemeente, maar naar Bijbels beeld door Jozef gepredikt. Dat is zelfs letterlijk waar.

Het is nu eenmaal zo dat de Engelsen en daarna de Amerikanen, de uitvinders zijn van de zending onder de Joden. Sterker nog, de gemeente in Rome stond zelfs onder bescherming en is waarschijnlijk ook gesticht door het Britse koningshuis uit die dagen. Sommigen van dat Britse koningshuis worden in de Bijbel genoemd. Linus en Gladys waren leden van de koninklijke familie. In de Bijbel worden ze Linus en Claudia genoemd. Er wordt weliswaar niet bij vermeld wie het zijn, maar uit de ongewijde geschiedenis weten we dat heel goed. Als het gebruik van de ongewijde geschiedenis u te ver gaat, dan moet ik zeggen dat het boek Daniël anders niet te verklaren valt, want alleen uit de ongewijde geschiedenis weten we wie al die koninkrijken uit Daniël 2 zijn. Zo ook met Daniël 11, waar het gaat over allemaal koningen van het noorden en van het zuiden. Alleen aan de hand van de ongewijde geschiedenis is de lijn goed te volgen. In diezelfde profetieën, zowel hier als in het Nieuwe Testament, wordt een belangrijke rol gespeeld door ene Antiochus Epiphanes. Die kennen we ook alleen uit de ongewijde geschiedenis. Als we hem niet zouden kennen bleven die profetieën domweg onvervuld.

Als in Johannes gesproken wordt over het feest van de vernieuwing des tempels, over welk feest heeft hij het dan? Dat feest wordt helemaal niet genoemd in Leviticus 23 of elders in de Bijbel. Dat het het feest van de herinwijding van de tempel is, nadat hij ontwijd was geweest in de dagen van Antiochus Epiphanes, is alleen te verklaren van uit de ongewijde geschiedenis. De Britten hebben dat goed door. Zij zeggen: “historie is Hís story”. Wat wij van de oude geschiedenis weten, weten we alleen omdat het verband heeft met de Bijbel. Het is bewaard opdat we het verband zouden kunnen leggen. Zo ook in het geval dat Paulus de groeten doet aan mensen die wij niet kennen. Waarom staat dat in de Bijbel? Omdat die figuren de aansluiting geven met de ongewijde geschiedenis. Zij vormen het begin van de kerkgeschiedenis. De geschiedenis houdt niet op aan het eind van Handelingen of aan het eind van de Paulinische brieven. Het gaat gewoon verder. De aansluiting is er via de namen die genoemd worden. Dat is niet nieuw, want dat gebeurde in het Oude Testament ook al.

13. Hosea en Romeinen

In Hosea gaat het specifiek over de 10 stammen. Ze dragen uiteindelijk toch vrucht. Alleen de merkwaardige wijze waarop dat gebeurt wordt in de Romeinenbrief uiteengezet. Hosea was een profeet te midden van de 10 stammen. Daarom worden de namen Israël en Efraïm gebruikt. Met het oog op de toekomst zou de volgende vraag moeten zijn waarom dat die namen gebruikt worden. Het zijn daar profetieën die niet over de 12, maar over de 10 stammen gaan en dan worden de 10 stammen en Efraïm aangeduid als een olijfboom. Zelfs als één die geen vrucht draagt.

In de brief aan de Romeinen wordt dan uitgelegd hoe het zit met de enting. In Hosea gaat het over “lo-ammi”, dat alsnog “ammi” zou worden. Eigenlijk is de gedachte dat Gods volk “ammi”, zou worden tot “lo-ammi”, maar dat het niettemin toch weer “ammi” zou worden. Het is een profetie over Israël. De aardigheid daarvan is dat Paulus en Petrus beiden deze profetie aanhalen en toepassen op de gelovigen uit de heidenen. In ieder geval doet Paulus dat. Bij Petrus staat het altijd ter discussie. “Lo-ammi” wordt “ammi” en Paulus past het toe op de heidenen.

“Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot degene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere? En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid; En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid. Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden..” Romeinen 9 : 20 – 26

Paulus zegt hier wel gewoon dat “lo-ammi” “ammi” kan worden, dat heidenen tot geloof kunnen komen en toegevoegd worden aan het volk Gods. Maar waarom staat het er dan specifiek bij dat het in Hosea staat? Opdat we het in Hosea zouden nazoeken, want uit Hosea blijkt dat het over wat anders gaat dan Paulus hier zegt. Uit Hosea blijkt namelijk dat onder “lo-ammi” verstaan moet worden “ammi”, dat “lo-ammi” geworden is. Ofwel Israël, het volk Gods, dat door God verstoten is, dan wel terzijde gezet, of in ballingschap weggevoerd is. Niettemin zal het toch weer “ammi” worden. Het gaat daar niet over heidenen, maar uitsluitend over Israël. Terwijl Paulus zegt dat het over heidenen gaat. Er wordt dus niet eens over heidenen in het algemeen gesproken, maar over die hei- denen die van de 10 stammen van Israël afstammen, die inderdaad “lo-ammi” zijn, maar dat niet altijd al waren. De overige heidenen waren altijd al “lo-ammi”.

Waarom staat dat er dan niet duidelijker? Omdat dan het misverstand zou ontstaan dat de zaligheid alleen bestemd is voor de 2 en de 10 stammen van Israël en dat is niet zo. Voor ons, als gelovigen, staat het er toch duidelijk genoeg om die conclusie te kunnen trekken. Het maakt voor ons niets uit. Onze zaligheid hangt er niet van af. Maar het verklaart wel een heleboel. Persoonlijk ben ik er stellig van overtuigd dat de apostel heel goed wist waar hij het over had. Dat hij zijn woordkeuze heel nauwkeurig gemaakt heeft om het zo dubbelzinnig mogelijk te zeggen. Hij praat gewoon over Joden en heidenen, maar denkt aan de Joden en de 10 stammen. Dat is in Romeinen 9 en 11 zo, maar ook als hij zegt dat God Zijn volk niet verstoten heeft, want hij, Paulus, is er toch. Hij is uit het zaad van Benjamin. Let op dat de naam Juda uitdrukkelijk vermeden wordt. Hij spreekt over Israël, over Benjamin, over Hebreeër uit de Hebreeën. Dat doet hij niet hier, maar wel in Filippensen 3. Daar zegt hij hetzelfde. Hij noemt zich geen Jood, terwijl wij allemaal denken dat hij een Jood was. En dat betekent het natuurlijk ook. Maar hij vermijdt de term, omdat hij verband legt met Jozef en niet met Juda. Dat blijkt ook uit de volgende woorden:

“Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken. En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. Maar tegen Israël zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk..” Romeinen 10: 19 – 21

Bij dit Schriftgedeelte is het moeilijk een lijn vast te houden. “Heeft Israël het niet verstaan?” Deze retorische vraag wordt niet beantwoord. Er worden citaten gegeven uit het Oude Testament. Maar hoe zijn die citaten nu een antwoord op die vraag? Mozes zegt: “Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door lo-ammi. Door een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken.” Zoals Salomo tot toorn verwekt werd door Jeróbeam. Zoals Juda tot toorn verwekt werd tegen Jozef. Dat werd dus al door Mozes gezegd in Deuteronomium 32 : 21.

Wie is dat volk?

In Hosea komt de term voor. Het is Israël dat de Heer heeft losgelaten. Een ongelovig Israël. Als het dan alsnog tot de Heer komt, wordt het weer “ammi”. Voor het gemak zeggen we altijd dat “lo-ammi” de Gemeente is. De verklaring is dan dat de Joden tot jaloersheid verwekt worden door de Gemeente en vereenvoudigd komt het daar ook op neer. Maar heeft Israël het nu ook ver staan? Dat is namelijk de vraag die beantwoord moest worden. Ze hebben het niet verstaan. Maar “lo-ammi”, dat Israël tot jaloersheid zou verwekken, heeft het wel verstaan. De vraag of Israël het nu wel of niet verstaan heeft is niet zomaar met ja of nee te beantwoorden. Het ene deel van Israël heeft het niet verstaan, maar het andere deel wel degelijk. Paulus geeft hier geen rechtstreeks antwoord, maar wel wat hints. Volgens Hosea was “lo-ammi” eerst “ammi”. Dat moet Israël wel zijn, want “ulieden” is het Joodse volk. Het verstandige volk is het Joodse volk.

“Zie, gij wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God, En gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; En gij betrouwd uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn; Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.” Romeinen 2: 17 – 20

De Joden beschouwden zichzelf als het verstandige volk. Dat is wat Paulus vaststelde en hij maakte deel uit van dat verstandige volk. In vers 19 zien zij zichzelf als een “licht dergenen, die in duisternis zijn”. Maar zij waren zelf in duisternis en het licht was Benjamin. Als de Joden het verstandige volk zijn dan ligt het voor de hand dat de 10 stammen het onverstandige volk zijn. Degenen die de afgoden dienden en uiteindelijk zijn weggevoerd in ballingschap. Paulus zegt dat Jesaja dapper, moedig, was door wat hij durfde te zeggen. Paulus zegt dat omdat hij hetzelfde moest zeggen, maar nogal moeite had te zeggen dat de zaligheid van de Joden zou worden weggenomen en gegeven aan een ander volk. De heidenen in het algemeen konden de HEERE niet zoeken en konden niet naar Hem vragen, want ze kenden Zijn Naam niet eens.

Het moet dus een volk geweest zijn dat God op één of andere wijze kende. Een volk dat God zou kunnen aanroepen. De Joden riepen wel Zijn Naam aan, maar kenden Hem niet. Maar het onverstandige volk, degenen die naar Hem niet vroegen, hebben Hem gevonden. Daarop zijn de woorden van toepassing: “Hoe lieflijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!” (Romeinen 10 : 15; Jesaja 52 : 7; Nahum 1 : 15).

Die voeten zijn inderdaad gegaan van de 2 naar de 10 stammen.

Maria is, ongeacht welke Maria, altijd een beeld van de 10 stammen. Maria zalfde met olie in het huis van Lazarus, temidden van dat gezelschap dat als eerste vier jaar na de opstanding van Christus in Brittannië was. Op het eiland Avalon, het tegenwoordige Glastonbury. Jozef van Arimatéa, Lazarus, Maria, Martha heet in de ongewijde geschiedenis “de groep uit Bethanië”. Niet Martha, maar Maria zalfde de voeten van de Here Jezus, want Martha, het dienstmeisje, is een beeld van de 2 stammen levend onder de wet. Altijd bezig met dienen. Maar Maria voerde nooit iets uit. Ze luisterde wel naar het Woord. Zij is een beeld van de gelovigen uit de 10 stammen. Daarom heet de moeder van de Here Jezus Maria. En de vader heet Jozef. En als Maria van Bethanië aan de voeten van de Here Jezus zit, zegt Jezus: “Maria heeft het goede deel gekozen”. Dat is het enige deel dat nodig is en wat Martha deed was helemaal niet nodig.

Daarom was het ook een Maria die de Heer het eerst ontmoette toen Hij uit de dood opstond. Zij dacht dat Hij de hovenier was, de tuinman van Jozef van Arimatéa. Zo is Hij weer de Zoon van Jozef. Maria mocht de Heer niet aanraken, want Hij was nog niet opgevaren. De overdrachtelijke verklaring is dat Maria inderdaad een beeld van de 10 stammen is aan wie het Evangelie gebracht zou worden. Ze zouden Hem herkennen, maar toch zouden ze Hem niet aanraken. Dat is de huidige positie van de 10 stammen. Dan ben ik weer rond, want bij de huidige positie van de 10 stammen was ik ook terechtgekomen naar aanleiding van Hosea. Gomer, de vrouw van Hosea, door hem teruggekocht op de slavenmarkt, bleef lange tijd bij hem, zonder dat ze elkaar aanraakten. Ze hoorden bij elkaar en vormden een eenheid en zij was zijn eigendom, maar raakten elkaar niet aan. Officieel geen verbinding, maar in de praktijk wel de gelijk vrucht.

In Romeinen 10 worden dus uitspraken van Mozes en Jesaja aangehaald en toegepast op de huidige situatie. Ze worden toegepast op een heidens volk, de Gemeente. Door dat heidense volk werden de 2 stammen tot jaloersheid verwekt. Dat is nu nog steeds zo. Het blijkt dat de beloften aan Jozef vervuld worden in de Gemeente van onze dagen. Vandaar dat het ontstaan van de Gemeente en de prediking van gemeentelijke waarheid (ook aan de Joden plaats vindt door Benjamin, Paulus dus, de lamp in Juda. Daarna sluit Benjamin zich aan bij Jozef, want daar hoort hij bij. Als de Joden de prediking afwijzen, verdwijnt Benjamin (Paulus) en via Rome komt hij dan terecht in Brittannië.

14. Ezechiël 37

De bekende profetie over het dal der dorre doodsbeenderen staat in dit Schriftgedeelte. Zullen deze beenderen levend worden?

Ezechiël zegt: “Gij weet het HEERE.” In Ezechiël zijn de beenderen die daar gezien worden een uitbeelding van het ganse huis Israëls.

“Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!” Ezechiël 37 : 11 – 13

Het volk werd geacht dood te zijn, maar het zal ooit weer levend gemaakt worden. Het gaat hier niet om het individu, maar over het volk. Als Israël sterft, betekent dat niet dat er geen Israëliet meer is, maar dat het volk ten onder is gegaan, is verdwenen onder de heidenen. Het zal alleen op de hier vermelde manier weder levend worden.

Dit is ongeveer het einde van de eerste profetie. Het tweede deel begint in vers 15.

“Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het ganse huis Israëls, zijn metgezellen.” Ezechiël 37 : 15, 16

Ezechiël moet twee stukken hout nemen. Eén, met de naam Juda, vertegenwoordigende de 2 stammen van Israël en op de andere de naam Jozef, dan wel de naam Efraïm, vertegenwoordigende de 10 stammen van Israël.

“Doe gij ze dan naderen, het één tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot één worden in uw hand.” Ezechiël 37 : 17

Deze twee stukken hout zullen tot één worden. Ze zullen als het ware aan elkaar groeien in de handen van de profeet. Dat betekent dat ooit de 2 en de 10 stammen weer aan elkaar gevoegd en tot één volk gemaakt zullen worden.

Dat staat ook in het vervolg van dit hoofdstuk.

“Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen Israëls, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen één worden in Mijn hand. De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen. Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land.” Ezechiël 37 : 19 – 21

“Ik zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk”. God zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen. In de praktijk is dat hetzelfde.

“En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israëls; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drek goden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen;en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.” Ezechiël 37 : 22, 23

Dat wordt voortaan allemaal schade en drek geacht, zei Paulus uit Benjamin. Het gaat hier niet zozeer over afgoderij in het algemeen, maar over de situatie van het Joodse volk onder de wet. Paulus gebruikt daar de term “drekgoden” voor. Uiteindelijk zullen zij God tot “ammi” zijn en Hij zal hun tot een God zijn. Dat stond al in Hosea.

“En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen één Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.” Ezechiël 37 : 24

David is hier de aanduiding voor de Erfgenaam van David, de Here Jezus Christus. Het waren twee koninkrijken, twee volken, maar zij zullen één Koning en één Herder hebben.

“En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.” Ezechiël 37 : 25, 26

Het Verbond des Vredes is het Nieuwe Verbond, o.a. in Éfeze 4 genoemd als de Band des Vredes. Het is een eeuwigdurend verbond. Het is zelfs de basis waarop het eeuwige koningschap van Christus tot stand zal komen. Een eeuwig Koninkrijk op basis van een eeuwig verbond.

“En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.” Ezechiël 37 : 25, 27, 28

We vinden hier dus een duidelijke profetie over het toekomstige herstel van Israël, van alle 12 stammen bij elkaar. Als Ezechiël die houten in zijn hand moet nemen, wordt eerst Juda genoemd en daarna Jozef. Maar als uitgelegd wordt wat het betekent, wordt eerst Jozef genoemd en daarna Juda. De volgorde is dan omgewisseld. In de dagen van de Here Jezus staat Juda voorop, maar in onze dagen blijkt dat de volgorde is omgekeerd. Nu staat Efraïm voorop.

Oppervlakkig gezien is dit dus een profetie over het uiteindelijke herstel van Israël, dat weer samengevoegd en tot één volk gemaakt zal worden. Dat is nog niet gebeurd, hoewel sommigen beweren dat dit wel het geval is. Anna is er immers (Lukas 2 : 36) dus moet de rest er ook zijn en maken de 10 stammen nu weer gewoon deel uit van het Joodse volk. Dat is natuurlijk onzin, is de redenatie. In ieder geval geven de Joden zwart op wit dat het niet zo is. De Joden bestaan uit Juda en Benjamin en hooguit nog een beetje uit de stam van Levi. De 10 stammen zijn volledig zoek. Of zij ook de indruk hebben dat ze ooit nog weer met de 10 stammen verenigd zullen worden, is mij onbekend. Ik heb daar tenminste nog nooit een uitspraak over gehoord of gelezen. Waarschijnlijk zien ze zichzelf als Israël. Het zal vast geen toeval zijn dat de Joodse staat Israël heet.

Het is dus weliswaar een profetie over de uiteindelijke oprichting van het Koninkrijk op aarde in de toekomst, maar eigenlijk is dat toch de verkeerde conclusie, want hier wordt noch over een geopenbaard Koninkrijk, noch over een verborgen Koninkrijk gesproken. In principe bestaat het verschil in het Oude Testament helemaal niet. Hier wordt gesproken over het Nieuwe Verbond. Een eeuwig verbond en een verbond des vredes. Daar gaat het over. En wanneer treedt het Nieuwe Verbond in werking? Vanaf de opstanding van Christus. Zijn dood was het einde van het Oude Verbond en zijn opstanding was het begin van het Nieuwe Verbond, zodat het Nieuwe Verbond al in werking is getreden. Om echt in de lijn te blijven van wat er in deze profetie staat, zouden wij dus moeten zien op welke wijze deze profetie inmiddels vervuld wordt. Dan blijkt dat de huidige vervulling van deze profetie nog niet veel verder is dan het voegen van Efraïm bij Juda (vers 19). In ieder geval staat Efraïm voorop. We leven in de dagen van het eerste deel van de vervulling van de beloften in verband met het Nieuwe Verbond.

Deze profetie wordt nadrukkelijk in ieder geval op twee verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament aangehaald. Het blijft zo dat de nieuwtestamentische geschriften zich in werkelijkheid niet bezig houden met het Nieuwe Verbond in het algemeen. De geopenbaarde dingen van het Nieuwe Verbond, de dingen van het openbare Koninkrijk, de komst van de Messias, de oprichting van Zijn Koninkrijk, de verlossing van Israël van zijn vijanden, de uitbreiding van Zijn Koninkrijk over alle volkeren, staat niet in de nieuwtestamentische geschriften. Het wordt hier en daar misschien aangehaald, maar dat is niet de inhoud ervan. De inhoud van de nieuwtestamentische geschriften is dat het eens openbare Koninkrijk nog steeds verborgen is en dat dit zo zal blijven tot de wederkomst van Christus. Vervolgens houden de schrijvers zich allemaal op een of andere wijze bezig met wat God doet in onze dagen in afwachting van dat Koninkrijk. In al die boeken wordt in het algemeen gesproken over de dagen waarin wij leven, tot aan de wederkomst van Christus. Wat daar na gebeurt kun je gewoon terug vinden in het Oude Testament. Hoe die oudtestamentische dingen dan weer aansluiten bij de tegenwoordige Gemeentelijke waarheden, bij de dagen van onze bedeling der verborgenheid, wordt uiteengezet in het boek Openbaring.

15. Éfeze 2

De meest belangrijke aanhaling uit Ezechiël 37 in het Nieuwe Testament is die van Éfeze 2. Paulus spreekt hier tegen gelovigen.

“Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werd van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt.” Éfeze 2 : 11

Men is dus geen heiden meer, omdat men tot geloof is gekomen in de God van Israël. De heidenen zijn degenen die voorhuid genaamd werden. Het gaat hier over de besnijdenis die met handen geschiedt. Hiermee wordt meteen de besnijdenis achteruit geschoven, want het gebeurde maar met handen.

“Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.” Éfeze 2 : 12

Zij waren zonder de Messias van Israël. Ze hebben geen toekomstverwachting en zijn zonder God in de wereld. Als het over de heidenen in het algemeen ging zou er eigenlijk “vreemd aan het burgerschap Israëls” moeten staan. Zij hebben nooit deel gehad aan het burgerschap Israëls en kunnen daar dus ook niet van vervreemd zijn. Maar er staat wel degelijk “vervreemd”. Vreemd van het burgerschap geworden. Paulus heeft het dan ook over een bepaald soort heidenen. Het gaat hier niet over vreemde figuren, maar over vreemdelingen, buitenlanders. Vreemdeling en van de verbonden der belofte. De verbonden der belofte waren gesloten met Israël. Heidenen hebben daar geen deel aan.

“Verbonden der belofte” betekent dat er minimaal twee zijn. De ene is die met Abraham en de andere is die met David. Aan David wordt het koningschap een onwankelbare troon beloofd, op basis van dat nieuwe onwankelbare verbond. Dat verbond komt op grond van de beloften aan Abraham. Als er een verbond met David is met betrekking tot het koningschap dan heeft het verbond met Abraham met priesterschap te maken. Het is bedekt, het is zoek, maar te vinden in de uitspraken die aan Abraham gedaan zijn en in Abrahams geschiedenis met bijvoorbeeld Melchizédek.

“Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.” Éfeze 2 : 13

“Verre zijn” is de oudtestamentische term voor heidenen. Zij zijn verre. Het liefst aan de eilanden der zee, de kustlanden. Nabij zijn betekent deel hebben aan het burgerschap van Israël. Hoewel zij heidenen waren heb ben ze deel gekregen aan het burgerschap van Israël en aan de beloften die aan Israël gedaan zijn. Het bloed van Christus is het leven van Christus. Want Hij is de levende Christus.

“Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,.” Éfeze 2 : 14

Hij is de vrede van Jood en heiden. Hij heeft die twee één gemaakt. De verklaring over de middelmuur des afscheidsels is altijd dat dat de afscheiding is tussen de voorhof der Joden en de voorhof der heidenen. Dat is precies de plek waar Paulus gegrepen werd. In de poort tussen de voor hof der heidenen en de voorhof der Joden, waar hij beschuldigd werd van het meenemen van heidenen binnen de voorhof der Joden, alsof ze Joden waren. Hij had dat overigens niet gedaan, maar ze wilden hem toch ergens van beschuldigen. Het gaat dus over de muur van scheiding tussen Jood en heiden. En hier staat dat Christus die muur gebroken heeft.

“Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; op dat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende; En opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren.” Éfeze 2 : 15 – 17

Let op de volgorde. Er klopt iets niet aan, maar ik blijf hardnekkig lezen wat Paulus zelf schreef. Namelijk heidenen tegenover Joden. Maar de term “Jood” wordt niet eens gebruikt. Er klopt van alles niet aan.

  • Punt 1:  dat die heidenen vervreemd zouden zijn van het burgerschap Israëls. Dat betekent namelijk dat ze er eerst deel aan gehad zouden hebben.
  • Punt 2:  dat in vers 17 eerst degenen die “verre waren” genoemd worden. De heidenen worden dus voorop gezet of tenminste het eerst genoemd.

“Want door Hem hebben wij beiden den toegang door één Geest tot den Vader. Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods; Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;” Éfeze 2 : 18 – 20

Paulus spreekt over vrede die gemaakt zou zijn tussen heiden en Jood. Tussen heidenen aan de ene kant en de 2 stammen van Israël aan de andere kant. Let wel, hij heeft het uitdrukkelijk over de Gemeente en het gaat daarom ook over gelovigen uit de heidenen en gelovigen uit de 2 stammen van Israël. Hij doet dat onder het noemen van het Nieuwe Verbond. In vers 17 heet dat nog vrede. Dat doet hij vele malen, hetgeen een duidelijke verwijzing is naar het Verbond des Vredes in Ezechiël. In Éfeze 4 gaat het weer over die eenheid en daar noemt Paulus dat Verbond des Vredes de Band des Vredes. Onder dat Nieuwe Verbond zijn wij twee, beiden dus, één gemaakt. De hele gedachtegang hier is ontleend aan Ezechiël 37. Ook het noemen van het bouwwerk is een gedachte die in datzelfde Schriftgedeelte voorkomt. Alleen heet het daar de tempel of de tabernakel. Wat in Ezechiël 37 gezegd wordt over Jozef en Juda, wordt hier in Éfeze 2 gezegd over de heidenen en Juda.

En in Ezechiël 37 gaat het niet over Jozef en Juda in het algemeen, maar over de gelovigen uit die twee. Er gaat niemand het Koninkrijk van Christus binnen zonder wedergeboren te zijn. Het hoeft er alleen nauwelijks bij gezegd te worden, omdat het duidelijk genoeg is en omdat de ongelovigen uit de 10 en de 2 stammen en ook de ongelovigen uit alle andere heidenen uitgeroeid zullen worden. Het Koninkrijk wordt namelijk op deze aarde gevestigd en er gaan alleen maar gelovigen dat Koninkrijk binnen.

Paulus past dus de uitspraken over de gelovigen uit Jozef en Juda, die samen één zouden worden, toe op gelovigen uit de heidenen en gelovigen uit Juda. Het leidt geen enkele twijfel dat in de Gemeente geen onderscheid is tussen Jood en heiden. Wie het ook is. Omdat we één zijn in Christus gelden die onderscheidingen niet meer. Het maakt dus verder in de praktijk niets uit. De apostel spreekt weliswaar over heidenen, waar bij hij kennelijk in de eerste plaats toch gedacht heeft aan die heidenen die afstammen van de 10 stammen van Israël. Hij kan daarom ook zeggen dat ze vervreemd waren van het burgerschap Israëls. Daarmee suggereert hij op z’n minst dat die heidenen eerst ook deel gehad hebben aan dat burgerschap. Zij waren oorspronkelijk wel degelijk “ammi”, die pas later tot heidenen en dus tot “lo-ammi” werden. Dan kan hij ook met alle recht de uitspraken uit Ezechiël 37 van toepassing brengen op de wijze zoals hij dat hier doet.

Als ik het zou moeten prediken, zou ik zeggen dat het over Jood en heiden gaat die één in Christus geworden zijn. Precies zoals het daar staat. Het verhaal laat zich ook heel goed begrijpen als we Ezechiël 37 er niet naast zouden leggen. Maar bestudering van de Schrift houdt in dat we Schrift met Schrift zouden vergelijken en dan zien we dat hier volstrekt dezelfde gedachte ontwikkelt wordt als in Ezechiël 37. Hier gaat het alleen niet over de openbaring van het Koninkrijk, maar juist over de verborgenheid van het Koninkrijk der hemelen. Als die verborgenheid ergens naar voren komt, dan is dat wel op deze bladzijde van de Bijbel. Het verhaal wordt ook niet aan de Joden verteld. Er worden geen gelovigen uit de heidenen aan Juda toegevoegd, maar andersom. Het gaat van de heidenen uit. Er wordt van de heidenen gezegd welke positie ze gekregen hebben in Christus. En dat is inderdaad een positie samen met de gelovigen uit de Joden. De gedachte daarachter is dat we vooral niet moeten denken dat de Gemeente alleen maar bestaat uit gelovigen uit de heidenen en dat de Joden daarvan uitgesloten zijn. Die opmerking is niet overbodig. Want de eeuwen door heeft de zogenaamde christelijke kerk steeds gezegd dat er voor de Joden geen hoop is. Dat de Jood de Godsmoordenaar is en dat hij niet zalig kan worden.

Ook nu wordt in evangelisch Nederland gezegd dat je de Joden het Evangelie niet moet brengen, want ze zijn toch verblind. Dat is Gods wil. God regelt dat later Zelf wel, maar zo is het alle maal niet, in tegendeel. De positie die wij heidenen als gelovigen hebben ontvangen, delen wij met alle andere gelovigen en met name met de gelovigen uit Juda. Dat moet op z’n minst beschouwd worden als een toepassing van de uitspraken uit Ezechiël 37. Maar de uitspraken uit Ezechiël 37 gaan niet expliciet over de heidenen en Juda, maar over Jozef en Juda. Hieruit is via de typologie te concluderen dat de meeste heidenen, die deel gekregen hebben aan het lichaam van Christus, voortkomen uit de 10 stammen van Israël, uit Jozef.

16. Johannes 10

Er is nog een aan Ezechiël 37 ontleende Schriftplaats. In Johannes 10 staat er zelfs nadrukkelijk bij dat het ontleend is aan Ezechiël 37. Dit onderwerp speelt in de 21 hoofdstukken van het Johannes Evangelie een belangrijke rol. Dat laat zich eenvoudig verklaren. De twee apostelen waren Petrus en Johannes. Petrus is in elk geval een beeld van de gelovigen uit de Joden. Petrus, die eerst de Messias verwierp en verried, net als Judas, maar die daarna alsnog, eveneens driemaal, zijn liefde voor de Heer betuigde. Hij is dus een beeld van de gelovigen uit de Joden in onze dagen.

Van wie zal die geheimzinnige Johannes, die nooit bij name genoemd wordt in het Johannes Evangelie, dan een beeld zijn? Hij moet dan wel een beeld van de gelovigen uit de 10 stammen van Israël zijn. Daarom hebben ze geen identiteit. Het is een verborgenheid. Terwijl iedereen weet wie die apostel was, die Jezus lief had, staat het nergens. Zo is het met de Gemeente ook. Hoewel het nergens expliciet staat, kan iedereen weten dat de Gemeente de erfgenaam van Jozef is. In ieder geval in onze dagen. In Johannes 10 zegt de Heer onder andere dat Hij de goede Herder is.

“Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.” Johannes 10 : 1

Dat betekent niet dat hij sterft voor de schapen. Want een herder kan de schapen geen slechtere dienst bewijzen dan te sterven. Het betekent dat de goede herder zijn leven wijdt aan de schapen. Hij is daartoe gesteld.

“Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.” Johannes 10 : 12

De huurling vliedt omdat hij maar een huurling is en geen zorg heeft voor de schapen. Maar de Heer is de goede Herder, de Echte. Net zoals Hij de ware Wijnstok is. Als de Heer de goede Herder is, wie is dan de herder? Ik denk dan altijd aan David, die herder was en uiteindelijk koning werd over alle 12 stammen van Israël. Pas nadat hij die kudde gehoed heeft, hoedt hij alsnog de 12 stammen van Israël. Dat is achtereenvolgens de verborgenheden van het Koninkrijk en de openbaring daarvan. Jezus is de goede Herder, de ware David, de ware Mozes. Hij is de Profeet, als Mozes. Hij is de Zoon van David. Hij kent de zijnen. Hij kent zijn schapen. En zijn schapen kennen hem ook.

“Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Johannes 1 : 11

De Zijnen kenden Hem namelijk niet. Waren het dan de Zijnen? Ze kenden Hem niet. Maar Hij zegt: “De Mijnen kennen Mij”. Wat hier de Zijnen heet, is het Joodse volk. Zij kenden Hem niet en waren dus ook niet de Zijnen. Want de Heer zegt: “Als het de Mijnen zijn, dan kennen ze Mij en Ik ken hen”. Alles goed beschouwd, zeker in het kader van het Johannes Evangelie, kunnen dat eigenlijk nooit de Joden zijn. Maar wie dan wel?

“Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.” Johannes 10 : 14, 15

En dan zegt Hij:

“Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde, en één Herder.” Johannes 10 : 16

De goede Herder heeft nog meer schapen. Andere schapen, van dezelfde soort, maar niet van deze stal.

Deze stal kende Hem niet. De Joden kennen Hem niet en begrijpen Hem niet. Ze zeggen: “Wij weten niet wat Hij zegt”, terwijl Hij gewoon klare taal sprak. Als deze stal Juda is dan moet de andere stal wel Jozef of Efraïm zijn. De 10 stammen dus. Het kan niet de Gemeente zijn, want Die is namelijk van een andere soort dan Juda. Ook op een ander niveau. Bovendien zegt Jezus dat hij die andere schapen ook moet toebrengen. Van de Gemeente kun je niet zeggen dat ze toegebracht moeten worden, want Die bestaat immers uit toegebrachten. De bedoeling is niet dat aan de Gemeente het Evangelie gepredikt wordt, want de Gemeente bestaat juist uit mensen die het Evangelie geloofd hebben. Hij kan dus niet zeggen dat hij aan de Joden het Evangelie verkondigd heeft en dat dit ook nog aan de Gemeente moet gebeuren. Dat kan niet. De andere stal kan ook niet de heidenen zijn. Dat zouden dan schapen van een heel andere soort en aard zijn.

Het zal worden één kudde en één Herder. Dat is toch de uitspraak uit Ezechiël 34 en met name uit Ezechiël 37. Daar gaat het over twee kudden die samen één kudde zouden worden onder één Koning. Let op dat “Koning” wordt hier niet genoemd. Dat is voor de hand liggend, want de Herder is in de eerste plaats een beeld van de Hogepriester en pas in de tweede plaats van de Koning. Aangezien die dingen onder het Nieuwe Verbond nauwelijks te scheiden zijn is het verschil niet echt van belang. Over een geopenbaard Koninkrijk wordt niet gesproken. Hij heet hier daarom ook Herder. Dat is de functie van de Voorloper. De Herder loopt immers voor de kudde uit. En de Voorloper is voor ons ingegaan. Dat is de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. De 10 stammen zullen ook Zijn stem horen en dan zal het één kudde worden.

“De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit.” Johannes 10 : 24

De Joden begrepen heel goed dat de uitspraken over die ene Herder en die ene kudde ontleend waren aan Messiaanse profetieën in het O.T. Waarschijnlijk hebben ze ook gemerkt dat Hij citeerde uit Ezechiël 37.

“Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in de Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij.” Johannes 10 : 25

Het was duidelijk genoeg. En als u mij zou vragen waar nou ronduit staat dat de Gemeente uit de 10 stammen van Israël komt dan zeg ik ook: “Ik heb het toch gezegd”. Ik vond het duidelijk genoeg. Het is de enig juiste conclusie, maar je moet hem zelf trekken.

Bij de Heer is dat ook zo. Het is duidelijk genoeg, terwijl je niet één uit spraak kunt vinden waar Jezus zegt dat Hij de Messias is.

“Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.” Johannes 10 : 26

Dat zegt Hij tot de Joden uit vers 24:

“Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één.” Johannes 10 : 27 – 30

Als de Joden dat horen, worden ze jaloers, want ze horen over een andere stal en over andere schapen die wel naar Hem luisteren. De Heer zegt dat dit Zijn schapen zijn die naar Hem luisteren. De Joden zijn dat niet; ze wezen Hem af. Wie die andere schapen dan wel zijn zegt Hij er niet bij, maar dat is duidelijk genoeg.

17. Johannes 11

Het verhaal in Johannes 11 gaat meteen verder met de opwekking van Lazarus, de man die samen met Jozef van Arimatéa als eerste aankwam in Brittannië om daar het Evangelie te prediken. Dat was op uitnodiging van de Britten zelf. Lazarus was het hoofd van die huishouding op de Olijfberg buiten Jeruzalem. Dat is een beeld van de Gemeente; het Koninkrijk buiten Jeruzalem. De Olijfberg is de plaats waar de Heer het laatst Zijn voeten gezet heeft en waar Hij de afgebroken geschiedenis in de toekomst ook weer zal voortzetten. Dan zal Hij opnieuw Zijn voeten zetten op de Olijfberg. Lazarus is het hoofd van de hele huishouding op die Olijfberg. Hij is daarom een beeld van de Middelaar van het Nieuwe Verbond in onze dagen. Namelijk van Eleázar (Melchizédek, Christus) de hogepriester van het Nieuwe Verbond.

Lazarus stierf, maar hij werd opgewekt en verdween later. Men heeft hem op de Olijfberg nooit meer gezien, want de man zat in Engeland. Datzelfde gold voor Jozef. Hij werd verkocht en men heeft hem nooit meer gezien. Niettemin vond Juda hem later terug. In Engeland, als je begrijpt wat ik bedoel. Als je nu kant en klare typologie wilt hebben dan lees je in Johannes 11, na de opwekking van Lazarus:

“De overpriesters dan en de Farizeën vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? Want deze Mens doet vele tekenen. Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.” Johannes 11 : 47, 48

Dat is dus een oordeel over de 2 stammen. Dat hadden ze goed gezien, want zo zou het ook gaan. Zij konden Hem niet stoppen. De Heer is Zijn gang gegaan. Dat kostte hen hun plaats en hun volk. Het oordeel kwam door de Romeinen over Jeruzalem en over het Joodse volk.

“En één uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets; En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat één mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga. En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk; En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één zou vergaderen.” Johannes 11 : 49 – 52

Een ongelovige doet hier een volstrekt geïnspireerde uitspraak. Kajafas had het over het Joodse volk. Het Sanhedrin was het hoofd van het Joodse volk. Maar Jezus zou niet alleen voor het Joodse volk sterven. Hij zou ook de kinderen Gods tot één vergaderen. Het gaat dus over alle 12 stammen van Israël. Hier is het nog helemaal geen typologie, maar volstrekt klare taal.

“Tot één vergaderen” is ook de uitdrukking uit Ezechiël 37. De Heer zou niet alleen sterven voor de 2, maar ook voor de 10 stammen, want aan alle 12 was de belofte gedaan.

“Van dien dag af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.” Johannes 11 : 53

Dat is precies wat Salomo deed ten opzichte van Jeróbeam, toen hij hoorde dat aan Jeróbeam het koninkrijk gegeven zou worden. Of: Juda zou tot jaloersheid verwekt worden door een ander volk dat “lo-ammi” was.

“Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraïm, en verkeerde aldaar met Zijn discipelen.” Johannes 11 : 54

Als Hij niet meer vrijelijk wandelt onder de Joden dan wandelt Hij in het verborgene onder Efraïm. Dat is precies wat er staat. Niemand weet waar de stad Efraïm ligt, waarom staat het er dan? Omdat het een profetie is. Want als de Joden Hem officieel zouden afwijzen en proberen te doden dan zou de zaligheid de Zaligmaker van Juda naar Efraïm gaan. Juda’s huis zou woest gelaten worden en een ander zou zijn opzienersambt nemen. Jozef was een opziener uit Israël. (In het N.T. is opziener synoniem met herder, oudste en voorganger). Hij was degene die buiten Israël, in Egypte, aan de hoogste macht kwam, die brood voortbracht. Hij hield de hele wereld in leven. Hij was met recht de opziener die toezag op de kudde. Dat zei hij toen zijn broers tot hem kwamen. Hij zei dat God het zo geregeld had om hen tot een overblijfsel te stellen in het land. Dat is ook letterlijk wat Petrus en Johannes predikten na de Pinksterdag. Door dat Jezus gekruisigd werd, werd de raad Gods vervuld. Op deze wijze bracht God verlossing tot stand en stelt God Zich een overblijfsel. Dat is allemaal precies hetzelfde als Jozef zei. Zo zijn de uitspraken over Jozef alsnog uitspraken over Christus.

Hier in Johannes 11 gaat het dus over het Koninkrijk dat niet geopenbaard zou worden, maar verborgen zou blijven. Indien er geen geopenbaard Koninkrijk onder Juda tot stand komt, dan maar een verborgen Priesterschap onder Jozef. Dat is de gedachtegang. Vandaar dan ook dat Jozef in Egypte eigenlijk een priesterlijke functie vervulde. Zo kwam een Jozef, die de eerste aanwezige was bij de opstanding van Christus, meteen bij Efraïm terecht, in Brittannië, zonder dat hij er zelf wat aan kon doen. Zo is Lazarus heel nadrukkelijk een type van de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Net als Eleazar en uiteindelijk Melchizedek. Lazarus kwam bij diezelfde gelegenheid ook in Brittannië terecht. Hij verdwijnt daarna weliswaar weer en keert terug naar Gallië, alwaar hij jarenlang voorganger was in de gemeente van Marseille.

Ik wil duidelijk maken dat de twee, die één zouden worden, zoals beschreven in Ezechiël 37, terug te vinden zijn in het Nieuwe Testament in de Gemeente. Daarbij loopt Juda niet voorop, maar Efraïm.

18. Hoséa 14

In Hosea staat een uitspraak over Efraïm, die in het Nieuwe Testament op de Gemeente wordt toegepast.

“Samaria zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderkens zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden. Bekeer u, o Israël! tot den HEERE, uw God, toe; want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid. Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den HEERE; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.” Hoséa 14 : 1 – 3

Hier wordt tot Israël, de 10 stammen, gezegd dat zij zich tot de HEERE moeten bekeren. Ze moeten aan de HEERE vragen of Hij alle ongerechtigheid weg wil nemen. Dat zijn de woorden die ze mee moeten nemen. En of Hij het goede wil geven. Dan zullen de 10 stammen “de varren hunner lippen betalen”. Letterlijk betekent varren “stieren”, maar overdrachtelijk gaat het uiteraard over offers. De aardigheid is dat deze uitspraak uitdrukkelijk wordt gebruikt in Hebreeën 13. Daar wordt in het algemeen gesproken over het priesterschap van de gelovige in onze dagen. Christus is de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. De gelovigen hebben deel aan Hem. Zij zijn dus ook priesters naar de ordening van Melchizedek. Wij zouden offers brengen en dat is de “vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden”. Dat is een uitspraak uit Hosea 14 en het gebruik ervan in Hebreeën 13 refereert aan de Gemeente in onze dagen. Niettemin was het een uitspraak over Efraïm.

Wij zijn een koninklijk priesterdom. Met de nadruk op priesterdom en op offeranden. In de eerste plaats houdt dit in dat wij met onze lippen de Naam van Christus zouden belijden.

19. Overige Schriftplaatsen

“Het boek des geslachts van Jezus Christus, den Zoon van David, den Zoon van Abraham.” Matthéüs 1 : 1

Daar heb je de verbonden der beloften aan Abraham en David. Jezus Christus is de Vervuller daarvan. Daarna krijg je een pracht van een geslachtsregister. De geslachtslijn begint bij Abraham, via David. Eerst veertien geslachten van Abraham tot David. Dan veertien geslachten vanaf David tot aan Jechonias. Het is een lijst van erfgenamen van de troon. De lijst komt uit bij Jechonias, bij de Babylonische ballingschap. Hij is 18 jaar en 3 maanden koning geweest en wordt vervloekt.

De lijn begint bij David, via Salomo naar Rehábeam en komt dan uiteindelijk terecht bij Jechonias, die sterft kinderloos en dus sterft de lijn uit. Na de ballingschap moet er toch een erfgenaam aangewezen worden. Uit de lijn van Salomo was er niet één meer. Jechonias was de laatste en hij werd weg gevoerd naar Babel. Daar werd hij na drie dagen in ere hersteld en is hij een type van de Here Jezus. Dood, opstanding en verhoging. Er werd dus iemand anders aangewezen. Salomo had nog een broer: Nathan. Hoewel die nooit de troon erfde, kwam na de dood van Jechonias de troon terecht bij de afstammelingen van Nathan, bij Saláthiël. Er wordt dus een sprong gemaakt van de ene lijn naar de andere. De ene lijn die via Salomo uitloopt op Jechonias, typologisch de lijn van Juda, breekt af. De geslachtsregisters van Juda zijn er ook niet meer. Er is niemand die z’n rechten nog kan laten gelden op de troon van Juda.

Als de lijn van Juda (2 stammen) dood loopt, springt hij automatisch over naar de 10 stammen. Het is gewoon erfrecht. De 10 stammen mogen in de geschiedenis dan wel de gehate vrouw geweest zijn, want de HEERE had twee vrouwen: een bevoorrechte en een gehate ofwel een tenachtergestelde. Maar wat zegt de wet? De eerstgeboren zoon van de gehate vrouw zal wel degelijk erven. Waarom staat dat in de wet? Omdat dat van toepassing is op de 10 stammen. Dat was de gehate vrouw die weggevoerd werd in ballingschap. Maar zij is wel degelijk erfgenaam. Vandaar de sprong van Salomo naar Nathan. Die sprong in het geslachtsregister is dezelfde sprong als die van Juda naar Jozef. Helemaal aan het eind het geslachtsregister in Matthéüs 1 staat:

“En Eliud gewon Eleazar, en Eleázar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob: En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.” Matthéüs 1 : 15, 16

“Jakob gewon Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus”. Waarom wordt Maria hier genoemd? Dat hoeft helemaal niet, want als Jozef de zoon van Jakob is, is hij gewoon de erfgenaam van de troon. En als Jezus gewoon de wettige Zoon van Jozef is, zoals dat ook in Lukas staat, dan is na Jozef van Nazareth, Jezus van Nazareth de erfgenaam van de troon. Als je het geslachtsregister van Matthéüs naast die van Lukas legt is het duidelijk genoeg waarom Maria hier genoemd wordt. Jakob gewon Jozef, de man van Maria, maar Maria is de lijfelijke dochter van deze Jakob. Doordat Maria trouwde met Jozef, werd Jozef de troonpretendent en de wettige erfgenaam van deze Jakob. De natuurlijke afstammingslijn gaat dus niet van Jakob naar Jozef, maar van Jakob naar Maria.

Matthéüs is dus het register van Maria en Lukas het register van Jozef. De Bijbel leert dat de troon wel vererfd wordt via de vrouw, maar dat de vrouw zelf niet op de troon mag. Maria was dan wel de erfgenaam van de troon, maar omdat zij er niet op mocht werd die troon op grond van haar huwelijk met Jozef aan hem gegeven. En eventueel meteen aan haar Zoon, namelijk de Here Jezus.

Typen

Zowel Jozef als Maria zijn allebei typen van de 10 stammen van Israël. De ene in het geval de 10 stammen als vrouw van Jehovah gezien worden en in het andere geval als het om het eerstgeboorterecht en heerschappij gaat. De sprong wordt gemaakt van Maria naar Jozef. Bij Jozef zijn de dingen altijd verborgen en buitenlands. Dat is het vervolg op het verhaal, want Jozef droomt. Hij merkte dat Maria zwanger was en wilde haar niet openbaar te schande maken, maar wilde haar in het verborgene verlaten. Hij verdwijnt dan naar Egypte.

In Matthéüs zijn de enigen die tot de Heer komen de wijzen uit het oosten. Ze kwamen in Jeruzalem, maar daar moesten ze niet zijn. Ze moesten buiten de legerplaats zijn. Ze aanbaden de Heer en via een droom verdwenen ze weer langs een andere weg dan waar ze vandaan gekomen waren. Dat is een prachtig beeld van Israël dat zelf uit ballingschap uit dat oosten kwam. Het kwam naar het land, ontmoette daar de Heer en kwam tot aanbidding, maar verdween meteen weer uit dat land om weer terug in de ballingschap te gaan. Dat is de positie van de Gemeente in onze dagen.

De verloren zoon: De één is nooit weggeweest en is daarmee een beeld van het Joodse volk, van de Farizeeën en Schriftgeleerden en zij die onder de wet leefden. Dat staat er bij. Wie is dan de zoon die wegging, zich vervreemdde van het burgerschap Israëls, zijn erfenis eigenlijk verspeelde en toch terugkeerde met de mededeling dat hij als dienstknecht komt. Maar hij wordt als zoon ontvangen. Natuurlijk spreekt dat over de roeping van de Gemeente in onze dagen, maar dat is een vereenvoudiging van het verhaal. In werkelijkheid gaat het niet over de Gemeente, maar over de 10 stammen van Israël die bij de Heer vandaan lopen. Over hen komt het noodlot en de vloek, maar vanuit die vloek komt men alsnog tot aanvaarding van de Here Jezus Christus. De man die terugkeert is wel degelijk een beeld van de Gemeente, maar dan alleen voor zover die afstamt van de 10 stammen van Israël.

Twee zonen in de wijngaard. Zij zouden aan het werk gaan. De één zegt: “Al wat de heer gesproken heeft zal ik doen.” Dat zeggen zij die onder de wet leven. Ze zullen het tenminste proberen, uit dankbaarheid. Dat is een beeld van het Joodse volk. Ze zouden het doen, maar ze deden het niet. De andere zoon zegt: “Dat doe ik niet.” Hij deed het echter wel. Dat zijn de 10 stammen. Ze hebben de HEERE nooit gediend onder het Oude Verbond. Ze verdwenen, maar uiteindelijk deden ze het wel.

Landlieden die de vrucht van de wijngaard niet wilden inleveren bij de heer van de wijngaard. Die heer zei: “Dan stuur ik nu mijn zoon.” Zij zei den toen: “Dit is de zoon; laat ons hem doden.” Ze wilden hem doden, want dan hadden zij de erfenis. Dat zei Kajafas tegen het Sanhedrin: “Als we Hem doden, houden wij onze positie, ons volk, onze stad en blijven wij de baas.” Toen vroeg de Heer aan Zijn tijdgenoten wat er met de landlieden moest gebeuren. Zij vonden dat hij die landlieden op een kwade manier moest verloren doen gaan. In ballingschap dus. De wijngaard moest hij dan geven aan een ander volk dat wel z’n vruchten voortbrengt. Aan welk volk? Niet aan de Gemeente, want dat is niet waar. Het Nieuwe Verbond werd niet aan de Gemeente gegeven, want Die is het resultaat van de aanbieding én aanvaarding van degenen aan wie het Nieuwe Verbond aangereikt werd. Het Evangelie werd niet aan de andere volken gepredikt, maar aan een ander volk: de 10 stammen van Israël.

De Heer moest uit Judea door Samaria naar Galiléa gaan. Hij kwam toen bij Sichem, bij het stuk land waar Jozef begraven lag. Het land dat Jozef van Jakob gekregen had. Als geheel is het een uitbeelding van de erfenis en de beloften van en aan Jozef. Bij Sichem zit die vrouw en Jezus vraagt haar wat te drinken. Dat vindt zij vreemd, want Hij is een Jood. Joden en Samaritanen hebben geen gemeenschap met elkaar. Toch zouden Joden en Samaritanen één worden. De Samaritanen worden, in ieder geval overdrachtelijk, verondersteld de 10 stammen van Israël te zijn, waarvan Samaria de hoofdstad was. Het punt is dan dat daar vastgesteld wordt dat de zaligheid weliswaar bij de Joden thuishoort, maar dat de Joden die zaligheid afwijzen. De Heer heeft Judea verlaten en is in Samaria en dus eigenlijk bij de 10 stammen. Die vrouw komt dan meteen tot geloof in de Here Jezus, als de Messias der Samaritanen en niet der Joden. De Heer beantwoordt niet aan de Messiaanse verwachtingen van de Joden. Hij was niet Degene Die zij verwachtten. Maar Hij blijkt wel te beantwoor- den aan de verwachtingen van de Samaritanen.

Deze vrouw in Samaria zag in de Here Jezus ook meteen de Messias. Hij voldeed precies aan de verwachtingen. Zo kregen de inwoners van Sichem alsnog deel aan de zegeningen van Jakob. Dat wilden ze al in Genesis 38. Daar werden ze ook besneden, maar stierven. Hier vinden we hetzelfde verhaal, maar dan op een andere manier. Dina heet hier de Samaritaanse vrouw. De Here Jezus wordt in Johannes 4, de Messias der Samaritanen.

De zoon van de koninklijke hoveling. Hij werd op afstand genezen. Die zoon stond er volkomen buiten. De vader kwam tot de Heer om Hem te vertellen dat zijn zoon ziek was en de Heer genas hem op afstand. Dat het over Israël gaat, is een duidelijke zaak. Maar waarom op afstand? Omdat het niet over het Joodse volk gaat, want dat was nabij. Het gaat om dat deel van Israël dat verre was. Vervreemd van het burgerschap Israëls. Die zoon van de koninklijke hoveling is de zoon van Jozef, de erfgenaam. Die wordt op afstand genezen. Achteraf blijkt dat het Evangelie binnen de kortste keren, zodra in Jeruzalem de christenvervolging uitbrak, naar de 10 stammen van Israël ging. Door het Sanhedrin officieel verworpen en door Efraïm officieel aanvaard.

De barmhartige Samaritaan. Terwijl de priester en de Leviet niet kunnen helpen, doet de Samaritaan (de Heer) het wel. De priester en de Leviet vertegenwoordigen het judaïstische systeem. De Samaritaan vertegenwoordigt Jozef. Die kan wel helpen. Dat is altijd al zo geweest.

Tien melaatsen kwamen tot de Heer en werden genezen. Zij moesten zich vertonen aan de priester volgens de wet. Toen ze terugkwamen bleek het maar één te zijn en hij was een Samaritaan. Dat lijkt me toch een duidelijke zaak. Tien, maar bij nader inzien toch één, namelijk een Samaritaan. Dat is een beeld van de 10 stammen.

Tien apostelen in de opperzaal. Paulus en Silas ontmoeten in Filippi de Joden. Ze kwamen samen aan de oever van de rivier en niet in de synagoge. Er was geen synagoge om de eenvoudige reden dat de Joden geen synagoge kunnen hebben als er geen “10”, geen tien mannen zijn. Als er minder zijn komen ze samen aan de oever van de rivier, aan het stromende water of aan de kust. Als de 10 er niet zijn is er geen synagoge. Er is dan geen Koninkrijk, geen verzameling. De 10 zijn zoek. Het verhaal van Paulus te Filippi drukt uit dat de 10 zoek zijn.

Saulus en Silas, dat zijn twee dezelfde namen het dubbele deel dus worden in de gevangenis geworpen en meteen gepromoveerd tot hoofd van de gevangenis. Zo hoort dat natuurlijk ook, want dat gebeurde bij Jozef ook. De gevangenis schudt op z’n grondvesten en iedereen is vrij. Paulus neemt de leiding en iedereen blijft gewoon in de gevangenis. Dat is een beeld van hoe het Evangelie gaat naar degenen die in ballingschap, in de gevangenis zijn. Het doet die volkeren inderdaad op hun grondvesten schudden, want er verandert nogal wat. Toch is het gevolg dat ieder een blijft waar hij is. Ze weten wie ze zijn en kennen hun roeping. Ze weten dat ze eigenlijk in Palestina moeten zijn, maar blijven gewoon in ballingschap. De gevangenis is echter wel geopend.

Overdrachtelijk

Zo kan ik nog doorgaan met dit soort argumenten. Het gaat erom dat het overdrachtelijk betekent dat God op een bijzondere (geheimzinnige, verborgen) wijze ervoor gezorgd heeft dat de boodschap terecht zou komen bij de 10 stammen. Verder kan ik alleen vaststellen dat onder de 10 stammen een veel grotere meerderheid tot geloof kwam dan onder de 2 stammen, die officieel het Evangelie afwezen. Niettemin wordt het Evangelie aan alle volken gepredikt, waar dan ook, in overeenstemming met de wil van God. Opdat iedereen de gelegenheid zou hebben tot geloof te komen en tot aanvaarding van de Messias van Israël, de Messias van de Joden, de Eersteling van een nieuwe schepping.

Uit sommige volkeren komen verhoudingsgewijs weinigen of velen tot geloof. Deze gang van zaken maakt wel degelijk deel uit van het plan van God. Het is van tevoren voorzegd. Het leuke is dat de beloften Gods vervuld worden, zonder dat vast te stellen is dat dit een van tevoren opgelegde zaak is. Zonder dat de meerderheid van het christendom ook maar iets hiervan in de gaten had, is er gebeurd wat God gezegd heeft! Het Nieuwe Verbond zou weliswaar aanbreken, maar niet in de eerste plaats bij degenen aan wie het het eerst verkondigd werd, namelijk bij de Joden, maar bij het andere deel van het volk Israël, waarvan de meesten dachten dat het definitief geoordeeld en zoekgeraakt was.

Amen!