Gods Programma.
(EEN ANALYSE VAN DE BEDELINGEN)

1. DE BEDELINGENLEER

De “bedelingenleer” wordt zo genoemd vanwege haar stelling, dat het hele programma van God verdeeld is in zeven “dispensaties” of bedelingen. Vijf daarvan zijn al geschiedenis. We leven nu in de zesde.De zevende bedeling zal een aards Koninkrijk zijn van duizend jaar (het millennium), volgende op de opname van de gemeente.

De Scofield Bijbel karakteriseert de zeven bedelingen als volgt : onschuld, geweten, menselijke regering, belofte, wet, genade en koninkrijk. Volgens Scofield begint met ieder van deze bedelingen een nieuwe manier, waarop God de mens “test” op gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, met daaraan verbonden verlossing of verlorenheid. Gehoorzaamheid aan de bestaande methode brengt Gods goedkeuring over de individuele mens of over de natie in zijn geheel, die door Hem getest wordt. De bedelingenleer veronderstelt in feite zeven verschillende wijzen, waarop een mens gered kan worden”.

Het citaat is uit een artikel in een Nederlandstalig tijdschrift onder de titel:

“DE BEDELINGENLEER, HET RECHT SNIJDEN VAN HET WOORD DER WAARHEID?”

Het vraagteken is veelzeggend. We hebben hier te doen met de zoveelste aanval op wat “de bedelingenleer” genoemd wordt en ook deze aanval is weer opgebouwd volgens het van ouds bekende patroon.

SCHULD DOOR ASSOCIATIE

Allereerst is daar de “schuld -door -associatie”-methode. Een voorbeeld van deze methode vond ik in een artikel van J.W. Bowman (1956), die de bedelingenleer in één adem noemt met Hitler en het Nationaal- Socialisme, Rooms-Katholicisrné, Christian Science en Mormonisme. Het eerder genoemde artikel is nauwelijks gematigder als er staat: “In de tijd van Darby (die gepromoveerd wordt tot “de bekendste exponent” van de bedelingenleer), begonnen ook de Mormonen de wereld met hun ideeën op te schrikken. Joseph Smith publiceerde in 1830 het boek Mormon – hetzelfde jaar, dat beschouwd wordt als het jaar, waarin Darby onder “de broeders” de leiding in handen nam. In 1831 begon ook WILLIAM MILLER, de vader van het Adventisme, zijn “vondsten” aan de man te brengen. Uit dezelfde tijd stammen de eerste publicaties van de sekte, die later als “JEHOVAH’s GETUIGEN” bekend zou worden”.

Het gebruik van het woordje “ook” in dit citaat, suggereert dat de aanhangers van de bedelingenleer eveneens de wereld deden opschrikken door hun (waan-) ideeën aan de man te brengen. Dat zij dit deden en doen op hetzelfde tijdstip als de Mormonen en de Jehovah’s Getuigen, is blijkbaar zeer afkeurenswaardig. Wat moeten wij in dit verband wel niet denken van al die oudtestamentische profeten, die steevast optraden in tijden van dwaling en ongeloof in Gods Woord. Israël had reden om God te danken, dat Hij hen profeten stuurde in tijden, waarin daar juist het meest behoefte aan was. 

“AD HOMINEM”

In de tweede plaats is daar de aanval “ad hominem”. Bij ons in Nederland noemt men dat “op de man spelen”. De man is hier, zoals gebruikelijk J.N. Darby. Niet omdat hij inderdaad de bekendste exponent van de bedelingenleer is, want dat is Dr. C.I .Scofield. Maar omdat over hem het meest en dus ook meer negatiefs bekend is. Darby zelf zou zich niet eens kunnen verenigen met bovenstaande omschrijving van de bedelingenleer. Dit alleen al, omdat hij zelf een ander schema hanteerde. Het geciteerde schema is dat van Dr. Scofield, waarvoor Darby niet verantwoordelijk was of kon zijn, Darby overleed immers in. 1881, terwijl bijv. de “Scofield Bible” gepubliceerd werd in 1909.

Voor een aanval van deze soort is Scofield echter niet bruikbaar, omdat hij “slechts” een reputatie heeft als bijbel kenner, terwijl Darby zijn leven lang een leidende figuur is geweest in het gemeentelijk leven en daarom vele malen positie heeft moeten kiezen in de conflicten, die zich helaas ook toen al in elke gemeente voordeden. Dat hij zo’n grote verantwoordelijkheid durfde dragen, wordt hem bijna honderd jaar na zijn dood nog steeds verweten. In bovenbedoeld artikel worden de “zwarte bladzijden” uit zijn leven dan ook weer eens breed uitgemeten. Het argument is dan, dat een leer, die afkomstig is van een man, die zo dikwijls betrokken is geweest bij conflicten en scheuringen in de gemeente, onmogelijk betrouwbaar kan zijn. De waarheid is echter, dat J.N.Darby helemaal niet de grondlegger is van de bedelingenleer. Bovendien staat of valt een leer niet bij de levenswandel van hen die haar belijden, maar de Bijbel alleen.

HISTORISCH ARGUMENT

Ten derde is daar het “historisch argument”. Men probeert aan te tonen, dat de bedelingenleer voor het eerst gepubliceerd werd in de Scofield Bijbel in 1909, en daarom vrij recent en daarom modernistisch is. En welke Bijbelgelovige Christen zou graag voor modernistisch willen doorgaan ? Ook dit argument is zowel onjuist als oneerlijk. De leer der bedelingen is historisch gezien heel wat ouder dan de Scofield Bijbel. Het oudste mij bekende complete bedelingenschema werd gepubliceerd in Amsterdam in 1687 ! Bovendien is een recent ontwikkelde of (her)ontdekte leer pas onjuist als die in strijd is met de Bijbel ! Deze kwestie is al lang geleden afdoende geregeld in de dagen van de Protestantse Reformatie. Slechts de Bijbel verstrekt de argumenten om een leer te bevestigen of te verwerpen.

VERSCHILLENDE WEGEN TOT ZALIGHEID

In de vierde plaats wordt gewoonlijk beweerd, dat de aanhangers van de bedelingenleer twee verschillende manieren om zalig te worden onderwijzen. In genoemd artikel wordt er nog eens een flinke schep bovenop gedaan : “De bedelingenleer veronderstelt in feite zeven verschillende wijzen, waarop een mens gered kan worden”.

Hoezeer doorkneed in de bedelingenleer, heb ik nooit méér dan twee wegen tot zaligheid kunnen ontdekken. De éne weg is Christus Zelf :

“Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij”. (Joh 14: 6)

De andere in de Bijbel genoemde weg is gehoorzaamheid aan de wet. Deze laatste weg is voor de mens met zijn zondige natuur echter onbegaanbaar, en daarom in de praktijk geen alternatief.

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem “. (Rom 3.- 20)

Met betrekking tot de wet zegt de Heiland Zelf : “Doe dat en gij zult leven” (Luk. 10 : 28).
De wet offreert dus wel degelijk een weg tot behoud; dat geen gewoon mens die weg kon gaan, is een andere zaak. Uiteindelijk was het de Here Zelf, Die die weg ging. Hij volbracht de wet en Hij leeft inderdaad! Zijn leven wordt ons nu in genade aangeboden.

Daarom zegt Hij : “Ik ben de weg . . .. “.

“Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet” (Rom. 3 : 28).

Zo was het al in de dagen van Abraham (Rom. 4 : 3), zo was het onder de bedeling van de wet en zo is het nog steeds ! Het zijn juist hen, die vertrouwd zijn met de bedelingen, die erkennen dat een gewone zondaar niet gerechtvaardigd wordt door de wet, maar door genade.

 “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof . . . niet uit werken, opdat niemand roeme” (Efeze 2: 8, 9).


DE “VERBONDSTHEOLOGIE”

Maar wat is nu de “bedelingenleer”?

De boven geciteerde omschrijving mag dan in de praktijk erg makkelijk zijn, in overeenstemming met de werkelijkheid is zij allerminst. In feite is het een zeer korte omschrijving van wat door Dr. C.I. Scofield zo ongeveer geleerd werd. Eigenlijk is het zo, dat de protestantse theologie verdeeld is in twee kampen of “scholen”, die beide voorzien in een betrekkelijk complete systematische theologie met uitspraken over nagenoeg iedere Bijbeltekst en over elk Bijbels onderwerp. De meest bekende van deze beide “scholen” is die van de z.g.n. “verbondstheologie”.

In de verbondstheologie gaat men uit van twee verbonden, die God met de mens gesloten zou hebben : HET VERBOND DER WERKEN en het GENADEVERBOND. Het eerste zou God gesloten hebben met de nog ongevallen mens, Adam, terwijl het genadeverbond zou zijn te vinden in wat het “proto-evangelie” genoemd wordt :

 “Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw; en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen” (Gen. 3 : 15).

Sommige theologen hebben nog een derde verbond geïntroduceerd, dat der verzoening. Dit VERBOND DER VERZOENING zou reeds vóór de schepping van de mens gesloten zijn en is dan: “de overeenkomst tussen de Vader, Die de Zoon als Hoofd en Verlosser geeft aan de uitverkorenen, en de Zoon, Die vrijwillig de plaats inneemt van hen, die de Vader Hem gegeven heeft” (Louis Berkhof). Deze twee (of drie) verbonden zouden in de Bijbel allesoverheersend zijn, zodat iedere Bijbeltekst verklaard zou moeten worden binnen het kader van deze verbonden.

Om dat te bereiken moet de verbondstheoloog hevig gebruik maken van de allegorische of “geestelijke” verklaring van veel Bijbelgedeelten, met name de profetieën. Omdat men in Israël hooguit een type van de Gemeente ziet, geeft men aan alles, wat de Bijbel over Israël zegt, uitsluitend een geestelijke betekenis. Israël is dan de Gemeente, Kanaän is de hemel, Jeruzalem is het hemelse of Nieuwe Jeruzalem, de sabbath is de zondag, de besnijdenis is de doop, de troon van David is de troon van God, de vrouw of bruid is de Gemeente, duizend jaar is eeuwig, enz.

In verband hiermee betitelt men de Gemeente dan ook met de absoluut onbijbelse uitdrukking : “Geestelijk Israël”. Natuurlijk bestaan er ook binnen de verbondstheologie verschillende stromingen, maar dat doet hier niet ter zake.

Waar het om gaat is, dat binnen dit theologische systeem nagenoeg ieder Bijbelgedeelte van toepassing geacht of gemaakt wordt op ieder mens door alle tijden heen, zonder onderscheid, waarbij men dikwijls moet voorbijzien aan de primaire, letterlijke betekenis van de Bijbelse uitspraken

DE BEDELINGENLEER

De enige theologische stroming binnen het protestantisme, die eveneens pretendeert een verklaring te hebben voor vrijwel alle Bijbelgedeelten, wordt in Nederland nogal geringschattend aangeduid met de uitdrukking “ de leer der bedelingen ”. Internationaal spreekt men echter over “dispensationalisme“. Deze naam is afgeleid van het Latijnse “dispensatio”, dat gelijk staat aan ons woord “bedeling”. Dispensatio en bedeling zijn beide vertalingen van het Griekse “oikonomia“, dat economie of huishouding betekent. Het dispensationalisme komt door een letterlijke of normale verklaring van de Bijbel tot de conclusie, dat God in de loop van Zijn programma voor de wereld verschillende bedelingen of huishoudingen inrichtte, in verschillende tijden en met betrekking tot verschillende groepen van mensen.

Tenminste twee bedelingen in deze zin worden in de Bijbel met een naam aangeduid, n.l. de “bedeling van de volheid der tijden” en de “bedeling der genade Gods” (Ef. 1 : 10 en 3 : 2, St. Vert.). Overigens worden noch het verbond der verzoening, noch het werkverbond, noch het genadeverbond door de Bijbel met name genoemd.

Hoeveel bedelingen er zijn en hoe zij heten, is voor de “dispensationalist” niet essentieel. Over het algemeen hanteert men inderdaad het schema van Dr. C.I. Scofield, hoewel vele dispensationalisten, waaronder o.a. J.N. Darby, E.W. Bullinger, Ph. Mauro en ook ondergetekende, afwijkende schema’s gebruiken. Gewoonlijk wordt zo weinig nadruk gelegd op het aantal bedelingen en hun namen, dat het dikwijls moeilijk is om vast te stellen welk schema door een bepaalde dispensationalist gebezigd wordt. Dat is overigens niet zo verwonderlijk, daar het grootste deel van de Bijbel betrekking heeft op slechts drie bedelingen, n.l. de wet, de genade en het koninkrijk.

Tevens is het zo, dat iemand, die in de Bijbel verschillende bedelingen onderscheidt, nog niet automatisch een dispensationalist is. De verbondstheoloog Dr. Louis Berkhof verwerpt bijvoorbeeld eerst het gebruikelijke schema van Scofield, en noemt dan zijn eigen schema (!), waarbij hij het aantal bedelingen terugbrengt tot twee, te weten : de oudtestamentische en de nieuwtestamentische. Binnen de oudtestamentische bedeling onderscheidt hij evenwel vier onderverdelingen, die hij “fasen in de openbaring van het genadeverbond” noemt. In werkelijkheid vindt hij dus vijf verschillende perioden of bedelingen in de uitwerking van Gods heilsplan, en toch is hij geen dispensationalist ! CHARLES HODGE, eveneens verbondstheoloog, onderscheidt vier bedelingen na de zondeval : Van Adam tot Abraham; van Abraham tot Mozes; van Mozes tot Christus en van Christus tot het einde.

Iemand, die “bedelingen” onderscheidt, is dus niet automatisch dispensationalist. Het verwijt aan het adres van het dispensationalisme, dat het de Bijbel is stukken scheurt, is – indien terecht – dus eveneens van toepassing op de verbondtheologie ! Het onderscheiden van bedelingen komt in de Bijbel wel zo nadrukkelijk naar voren, dat elke theoloog, dispensationalist of niet, er zich mee bezig houdt.

2. HISTORISCHE OORSPRONG EN ONTWIKKELING

We hebben reeds gezien, dat de protestantse theologie verdeeld is in twee kampen, n.l. die van de z.g.n. verbondstheologie en die van het dispensationalisme. Aan de ene kant is daar de verbondstheologie, die de gehele Bijbel beschouwt en tracht te verklaren als een uitwerking van wat het genadeverbond genoemd wordt, terwijl aan de andere zijde het dispensationalisme onderscheid maakt tussen verschillende programma’s, die door God worden uitgevoerd ten aanzien van verschillende mensen en volkeren en dat in verschillende tijden.

Enigszins vereenvoudigd komt het er op neer, dat de verbondstheoloog de Bijbelse geschiedenis ziet als één doorlopende lijn vanaf de schepping tot de nieuwe schepping (de nieuwe hemel en de nieuwe aarde), terwijl de dispensationalist diezelfde doorlopende lijn onderverdeelt in kleinere stukken van ongelijke lengte. Hierdoor is de misvatting ontstaan, dat de dispensationalist de Bijbel verknipt in gedeelten, waarvan sommige uitsluitend op de Gemeente en andere uitsluitend op Israël en weer andere uitsluitend op de volkeren (heidenen) van toepassing zouden zijn. In Nederland wordt deze hardnekkige misvatting mede in de hand gewerkt door de “oude vertaling” van 2 Tim. 2 : 15 (om van de nieuwe maar niet te spreken) :

 “Benaarstig u, om uzelve Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der Waarheid recht snijdt”.

De grondtekst spreekt hier echter niet van het verknippen van de Bijbel, maar gebruikt een woord, dat “verdelen” betekent. Het Woord der Waarheid behoort door een “beproefd arbeider” verdeeld te worden, wat niets anders kan inhouden, dan dat ieder krijgt wat hem toekomt. Israël,de Gemeente en de volkeren hebben in Gods plannen een verschillende roeping en bestemming, en ieder van die partijen behoort bij de verklaring van de Bijbel te ontvangen waar hij recht op heeft. Het Woord der Waarheid behoort verdeeld te worden !

Deze “rechte verdeling” is het belangrijkste kenmerk van het dispensationalisme, omdat het zich juist hierdoor onderscheidt van de verbondstheologie, die van verdelen vrijwel niets wil weten, maar de gehele Bijbel toepast op alle mensen door alle tijden heen.Dit alles neemt echter niet weg, dat een groot deel van de Bijbelse waarheden ook volgens het dispensationalisme inderdaad voor de gehele mensheid bestemd is. Ook dat behoort bij het recht verdelen van het Woord der Waarheid!

Eenvoudig gezegd komt het er op neer, dat de “leer der bedelingen” niet alleen de doorgaande lijn van de verbondstheologie onderkent, maar bovendien op die lijn onderverdelingen aanbrengt, die door een onbevooroordeelde normale verklaring van de Bijbel worden aangegeven, zonder die doorgaande lijn te verknippen. Merkwaardig is, dat tegenstanders vrijwel unaniem beweren, dat het dispensationalisme historisch gezien afkomstig zou zijn van Dr. C.I. Scofield, die het ontwikkeld zou hebben uit de ideeën van John Nelson Darby. De leer der bedelingen zou zijn opgehangen aan de z.g.n. Scofield Reference Bible, een Bijbel met kanttekeningen van de hand van Scofield en anderen, die oorspronkelijk gepubliceerd werd in 1909. Daaruit wordt dan gewoonlijk de gevolgtrekking gemaakt, dat het dispensationalisme een moderne godsdienstige stroming is en daarom door orthodoxe Christenen verworpen behoort te worden. Hierbij doet men het voorkomen, alsof de verbondstheologie een hoge ouderdom heeft, en toch tenminste wortelt in de opvattingen van de hervormers. Verbondstheologie en Calvinisme worden door velen als twee woorden voor dezelfde zaak beschouwd, maar zij zijn beslist niet synoniem !

Verbondstheologie komt niet voor in de werken van Calvijn, Melanchton, Luther of Zwingli ! Zij hadden weliswaar heel wat te vertellen over het verbond tussen God en de mens, maar dat maakt hen geen verbondstheologen !

  • De algemeen erkende grondlegger van de verbondstheologie was Johannes Coccejus, (1603 – 1669), hoogleraar te Franeker sinds 1636 en na 1650 te Leiden. “Hij werkte de leer van het verbond, gelijk deze door andere Gereformeerde theologen was uiteengezet, uit tot de z.g.n. foedraal -of verbondstheologie”. (Prof. Dr. D. Nauta)
  • “Zijn grote levensdoel was de theologie terug te leiden tot de Bijbel als haar enige levende bron, en haar te voorzien van een vitaal Bijbels fundament. Hij geloofde zo’n basis gevonden te hebben in het idee van een tweevoudig verbond van God met de mens … Zo werd hij de auteur van de verbondstheologie”. (John Henry Kurtz).

Coccejus publiceerde zijn ideeën in 1648. Verbondstheologie is dus van postreformatorische oorsprong. Het begon als reactie tegen extreem Calvinisme (predestinatie), maar werd al spoedig door het Calvinisme ingelijfd, zodat de huidige verbondstheologie gebaseerd is op de werken van zowel Calvijn áls Coccejus, maar het is deze laatste, die het ontwikkelde en systematiseerde, terwijl Herman Witsius (1636 – 1708) het tot uitgangspunt maakte bij de verklaring van de Bijbel. Dit alles wil natuurlijk niet zeggen, dat er vóór de tijd van Coccejus geen denkbeelden onder de kerkvaders leefden, die geheel of gedeeltelijk passen in de verbondsgedachte, maar zij werden pas in de zeventiende eeuw gesystematiseerd tot wat sindsdien de verbondstheologie heet !

Precies zo is het ook gesteld met het dispensationalisme. Onder de kerkvaders treft men vele opvattingen en uitspraken aan, die zo zouden kunnen zijn geciteerd uit de werken van onze eigentijdse dispensationalisten.

  • “Henoch, Noach en al die anderen, die niet besneden waren, noch de sabbath vierden, behaagden God, terwijl God door andere leiders en door het geven van de wet eiste, dat hen die leefden tussen de tijden van Abraham en Mozes besneden zouden worden, en later de sabbath zouden onderhouden. . .” (Justinus de Martelaar).

En wat te denken van deze:

  • “Het evangelie is viervoudig (bedoeld zijn de vier evangeliën), zoals ook de handelwijze van de Heer. Daarom werden er vier verbonden gegeven aan het menselijk geslacht : Eén vóór de vloed onder Adam, de tweede ná de vloed onder Noach, de derde, n.l. de wet onder Mozes, de vierde die de mens vernieuwt en alles tot zich vergadert door het Evangelie..” (Irenaeus, 130 – 200).

Clement van Alexandrië (150 – 220) verdeelde het Oude Testament in vier bedelingen, die hij ook zo (dispensatio) noemt, te beginnen bij resp. Adam, Noach, Abraham en Mozes. Dit schema werd later door Samuel Hanson Coxe (1739 – 1880) met drie Nieuwtestamentische bedelingen aangevuld tot zeven. Ook Augustinus geeft in zijn werken blijk van onderscheid tussen verschillende bedelingen, die hij eveneens zo noemt.

Een van zijn meest bekende uitspraken zou zelfs in de studeerkamer van een dispensationalist niet misstaan : “Onderscheidt de tijden, en de Schrift is in harmonie met zichzelf “.

Hoewel zij bedelingen onderscheidden, waren deze kerkvaders echter geen dispensationalisten, zo min als iemand die Gods verbonden met de mens onderscheidt daarom een verbondstheoloog is. Maar zoals Coccejus in de zeventiende eeuw bepaalde opvattingen systematiseerde tot de verbondstheologie, met het verbond als leidend beginsel, zo werden in diezelfde zeventiende eeuw bepaalde opvattingen gesystematiseerd tot dispensationalisme, met het onderscheid der bedelingen als “vitaal Bijbels fundament”. De eerste die dat deed, was Pierre Poiret (1646 – 1719), die zijn zesdelige werk publiceerde in Amsterdam in 1687. Het droeg als titel “L’Oeconomie Divine” (De Goddelijke Huishouding; oeconomie – oikonomia – bedeling).

Dit werk begon net als dat van Coccejus als reactie en aanvulling op de Calvinistische leer der predestinatie, maar groeide uit tot een vrij complete systematische theologie. Poirets schema der bedelingen ziet er als volgt uit :

  1. Adam tot Noach
  2. Noach tot Mozes
  3. Mozes tot David
  4. David tot Christus
  5. De Gemeente
  6. Afval en verdrukking
  7. Het Millennium (“1000 – jarig Rijk”).

Zonder twijfel was Poiret in alle opzichten een dispensationalist in de huidige zin van het woord: hij maakte onderscheid tussen Israël en de Gemeente; hij verwachtte de terugkeer van Israël tot haar God en haar land; hij verwachtte de wederkomst van Christus, voorafgaande aan het Millennium, waarin Christus lichamelijk op aarde aanwezig zou zijn om met Zijn heiligen te heersen; hij verwachtte de komst van de antichrist en twee opstandingen. En dat in 1687 !

A COMPLEAT HISTORY OR SURVEY OF ALL THE DISPENSATIONS” is de titel van een tweedelig werk van de hand van John Edwards (1639 – 1716). Zoals de titel al zegt, gaf ook hij een volledige opsomming en verklaring van alle bedelingen van de oorspronkelijke schepping tot de komst van de nieuwe schepping.Enigszins vereenvoudigd geeft zijn schema het volgende beeld : 

  1. Adam tot Noach
  2. Noach tot Abraham
  3. Abraham tot Mozes
  4. Mozes tot Christus
  5. De Gemeente
  6. Afval en verdrukking
  7. Het Millennium.

Een derde dispensationalist van het eerste uur was Dr. Isaac Watts (1674 – 1748), die overigens de meeste bekendheid kreeg als tekstdichter. daar hij enige honderden geestelijke liederen op zijn naam heeft staan. Die activiteit heeft hij gemeen met bijv. J.N. Darby en Joh. de Heer.. Als theoloog is Watts de auteur van een werk over de bedelingen, waarin hij zegt : “Al deze bedelingen (huishoudingen) van God kunnen gezien worden als verschillende religies of tenminste verschillende vormen van godsdienst, ingesteld voor de mens in de opeenvolgende eeuwen der wereld”.

Hier volgt zijn schema :

  1. Adam tot de zondeval
  2. Zondeval tot Noach
  3. Noach tot Abraham
  4. Abraham tot Mozes
  5. Mozes tot Christus
  6. De Gemeente.

Watt’s schema gaat niet verder dan de Gemeente, omdat hij het Millennium niet als een bedeling beschouwde. Verder komt het geheel overeen met dat van Scofield. Het schema van Scofield is dus niet afgeleid van dat van Darby, zoals zo dikwijls beweerd wordt, maar is volledig identiek aan dat van Isaac Watts !

De drie hierboven genoemde werken zijn dispensationalistisch van opzet en hebben de bedelingen zelf als onderwerp. Het is dan ook zeer merkwaardig, dat deze mannen en hun werken zowel door vriend als vijand vergeten worden. Wanneer gezegd wordt, dat Darby en Scofield de grondleggers zijn van het dispensationalisme, is dat ook daarom zo vreemd, omdat deze beiden zelf geen enkel werk over de bedelingen als zodanig geschreven hebben ! De verzamelde werken van Darby (1800 – 1882) beslaan zo’n veertig delen van elk zeshonderd bladzijden, maar uit al die werken van hem is slechts met moeite een bedelingenschema te kristalliseren!

Het nu volgende schema van Darby geef ik dus onder voorbehoud :

  1. Adam tot Noach
  2. Noach tot Abraham
  3. Abraham tot Mozes
  4. Mozes tot de ballingschap
  5. De ballingschap tot Christus (tijden der heidenen)
  6. De Gemeente
  7. Het Millennium.

De man die veruit het meest heeft bijgedragen tot de verspreiding van het dispensationalisme, is echter Dr. Cyrus Ingerson Scofield (1843 – 1921). Zijn schema is het bekendst geworden, doordat hij het publiceerde tussen de kanttekeningen in zijn “Scofield Reference Bible”, waardoor het een gezag verkreeg alsof het de Bijbel zelf betrof. Zoals gezegd is zijn schema in wezen volkomen gelijk aan dat van Watts. Hoeveel gezag dit schema van Scofield ook gekregen heeft, zelf heeft hij in zijn spaarzame overige werken nooit veel nadruk gelegd op het onderscheiden der bedelingen.

Wat voor hem en de meeste andere dispensationalisten veel belangrijker was, is het onderscheid, dat God in Zijn Woord maakt tussen Israël, de Gemeente en de volkeren. Een onderscheid, dat niet door Scofield is uitgevonden, maar dat door de eeuwen heen gekend en erkend werd. Hoewel natuurlijk Darby een grote invloed had en heeft, is de bewering, dat het dispensationalisme zijn oorsprong vindt bij Darby en gepopulariseerd werd door Scofield, die het van hem overnam, historisch absoluut onjuist. De grote lijn in de ontwikkeling van het dispensationalisme loopt van Poiret via Edwards en Watts naar Scofield, die het complete schema van Watts ongewijzigd overnam en aanvulde met het Millennium, waarin Watts wel geloofde, maar waarin hij geen bedeling zag.

We zien dus, dat het dispensationalisme bepaald niet van Darby afkomstig is. In de eerste plaats omdat het zwart op wit reeds bestond in de zeventiende eeuw en in de tweede plaats, omdat de hoofdstroom van het dispensationalisme overstapt van Watts op Scofield en Darby daarbij gewoon wordt gepasseerd.

Tevens zien wij, dat dispensationalisme en verbondstheologie gelijktijdig ontstonden in de zeventiende eeuw als reactie op extreem Calvinisme, zodat in principe noch de verbondstheologie, noch het dispensationalisme Calvinistisch zijn. Verbondstheologie en Calvinisme hebben elkaar echter vrij spoedig opgeslokt en zijn tegenwoordig vrijwel synoniem. Dispensationalisme en Calvinisme zijn echter nog steeds tegenpolen, in die zin, dat dispensationalisten proberen het Woord der Waarheid zo recht mogelijk te verdelen, waarbij Calvinisten liever alles voor zichzelf houden. Dat neemt overigens niet weg, dat Calvinisme en dispensationalisme veelal dicht naast elkaar staan waar het gaat om universeel geldende Bijbelse waarheden !

Dat veel van de historische achtergrond van het dispensationalisme, zoals hiervoor in het kort verhaald, zo weinig bekend is onder zowel aanhangers als tegenhangers, vindt zijn oorzaak weer in het feit, dat dispensationalisten bepaald geen behoefte hebben aan een historische verdediging van hun standpunten. Blijkbaar weten zij zich door de Bijbel voldoende gesteund. Zij beroepen zich niet op Scofield, Darby, Gray, Brookers, Coxe, Watts, Edwards of Poiret, maar op de Bijbel zelf, het Woord der Waarheid, dat recht verdeeld behoort te worden en daarbij geen steun of verdediging van buitenaf behoeft.

3. WAT IS EEN BEDELING?

Na onze korte beschouwing over het dispensationalisme in het algemeen en zijn historische ontwikkeling, dienen wij een belangrijke vraag onder ogen te zien. Wanneer men gelooft in de “stelling, dat het hele programma van God verdeeld is in zeven dispensaties of bedelingen“, zal allereerst de vraag rijzen :

“WAT IS EEN BEDELING ?”.

Ter beantwoording van deze vraag wordt meestal dr. C.I. Scofield geciteerd, die op blz. 5 van de Reference Bible schrijft :

“Een bedeling is een tijdsperióde, gedurende welke de mens wordt getest op gehoorzaamheid aan een specifieke openbaring van de wil van God”. 

Merkwaardig is, dat zowel dispensationalisten als hun tegenstanders zich nauwelijks bewust zijn van het feit, dat behalve Scofield nog vele anderen definities hebben trachten te geven van een bedeling, terwijl ook Scofield zelf nog wel het een en ander aan bovenstaande heeft toegevoegd. De bezwaren, die tegen het dispensationalisme worden aangevoerd, richten zich vrijwel steeds primair tegen bovengenoemde definitie, met als filosofie, dat indien de definitie niet houdbaar is, het gehele systeem niet kan deugen. Voor dit doel brengt men de definitie gemakshalve terug tot de zin : “Een bedeling is een tijdsperiode”, waarna men beweert, dat het Griekse “oikonomia”, dat in onze Bijbel met “bedeling” vertaald wordt, absoluut geen betrekking heeft op een bepaalde tijdsduur.

De Bijbelse geschiedenis zou niet in zeven bedelingen onderverdeeld kunnen worden, omdat een bedeling met tijd als zodanig niets te maken heeft. Zuiver taalkundig bezien is dit volkomen juist: het woord bedeling heeft niet de betekenis van tijdperk, maar de gevolgtrekking is nogal naïef. Een auto heeft met tijd als zodanig niets van doen, maar hij bestaat gedurende helaas beperkte tijd. Evenzo bestaat een bedeling gedurende een bepaalde periode. Zo goed als het mogelijk is de levensgeschiedenis van een mens in te delen volgens de auto’s, die hij achtereenvolgens bezeten heeft (“toen reed hij nog met die oude Daf . . .”), zo kan de wereldgeschiedenis worden ingedeeld volgens de bedelingen die min of meer achtereenvolgens bestaan hebben.

Het woord “oorlog” heeft betrekking op een bepaalde staat of toestand (“staat van oorlog”) en niet op tijd, maar aangezien die staat van oorlog gedurende een bepaalde tijd bestond, gebruiken we de oorlog als tijdsaanduiding en spreken over vóór-, in- of ná de oorlog. Een koning is taalkundig geen tijd, maar zijn regering markeert een bepaalde tijdsperiode, en daarom spreekt de Bijbel terecht over “de dagen van Uzzia”.

Evenzo markeren de bedelingen een bepaalde tijd, omdat ze op een bepaald tijdstip ontstonden en eventueel ophielden. Wat een bedeling dan ook mag zijn : het is een ding en heeft met alle dingen gemeen, dat ze gedurende een bepaalde tijd bestaan. Op grond hiervan is het dus zeer wel mogelijk om de heilsgeschiedenis in te delen in elkaar opvolgende bedelingen, hoewel een bedeling niet per definitie een tijdvak is.

Ofschoon Dr. Scofield in zijn definitie ten onrechte een bedeling een tijdsperiode noemt, heeft hij zelf dit tijdsaspect nooit benadrukt. Hij en elke andere dispensationalist weet, dat het niet gaat om de tijd, maar om de organisatie van die tijd ! Wanneer dispensationalisten in het kort hun opvattingen willen samenvatten, vertellen zij meestal over zeven bedelingen, die elkaar in de geschiedenis opvolgen, zodat ongewild de klemtoon op dit tijdsaspect komt te liggen. Maar wanneer deze zelfde mensen uitgebreid hun visie geven, verdwijnt dit aspect geheel en komt de nadruk te liggen op de verschillende aard van slechts drie van de zeven bedelingen, zonder dat daarbij direct gedacht wordt aan het feit, dat deze drie bedelingen (wet, genade en koninkrijk) inderdaad in verschillende tijdperken thuishoren !

De zwakte van Scofields definitie schuilt in het feit, dat een bedeling in wezen geen tijd of “eeuw” is. Om deze reden hebben vele anderen dan ook definities geopperd, waarin het begrip tijd niet voorkomt. Daarom is het beslist unfair om het dispensationalisme uitsluitend op de definitie van Scofield te beoordelen. Een opsomming van andere definities lijkt ons hier echter niet op zijn plaats. Van belang is slechts wat de Bijbel Zelf te zeggen heeft over een bedeling, hoewel Die niet tegemoet komt aan onze “wetenschappelijke” behoefte tot definiëren.

Een antwoord op de vraag : ‘WAT IS EEN BEDELING ?” krijgen we niet door het bestuderen van het dispensationalisme, maar door het bestuderen van de Bijbel, het geopenbaarde Woord van God ! En zo hoort het natuurlijk ook.

Het woord ” bedeling ” is een tamelijk ongelukkige vertaling van het Griekse “oikonomia“, dat een samentrekking is van de woorden “oikos” en “nemo“. Oikos staat voor “huis“, terwijl nemo “uitdelen“, “verdelen” of meer in het algemeen “beheren ” betekent. Zuiver etymologisch is een bedeling dus het beheer van een huis, of zoals het woordenboek zegt : “het bestuur der zaken van een bewoond huis”. Een bedeling is gewoon een ” huishouding“. Het is bepaald niet moeilijk om in “oikonomia” het min of meer Nederlandse “economie” te herkennen, dat (staat)huishoudkunde betekent. Een bedeling is dus een huishouding of economie !

Hoewel deze verklaring op zich volkomen juist is, is zij echter nog niet volledig. Eén van de grondbeginselen van de taalstudie zowel als van de bestudering van de Bijbel is, dat de betekenis van een woord niet gevonden wordt in het woordenboek, maar blijkt uit het gebruik van dat woord. Wanneer wij geïnteresseerd zijn in de Bijbelse betekenis van het woord bedeling, kunnen we daarom beter terecht bij een (Griekse !) concordantie dan bij een woordenboek. De Bijbel geeft immers aan bepaalde woorden een geheel eigen betekenis, die aanzienlijk kan afwijken van de oorspronkelijke. Zo verschaft de bestudering van het woord “bedeling” in de Bijbel ons nog nadere bijzonderheden, die in het woordenboek niet terug te vinden zijn.

Het woord “bedeling” komt in de Bijbel in drie verschillende vormen voor:

  1. Het werkwoord “oikonomeo” is te vinden in Luk. 16 : 2, waar het vertaald is met “rentmeester zijn”.
  2. Het zelfstandig naamwoord “oikonomos” wordt vertaald met “rentmeester”, “huisverzorger” of “uitdeler” (?) en komt voor in Luk. 12 : 4216 : 1, 3 en 8 ; Rom. 16 : 23 ; 1 Kor. 4 : 1 en 2 ; Gal. 4 : 2 ; Tit, 1 : 7 en 1 Petr. 4 : 10.
  3. Het zelfstandig naamwoord “oikonomia” wordt vertaald met “bedeling”, “uitdeling” of “rentmeesterschap” en komt voor in Luk. 16 : 2, 3 en 4 ; 1 Kor. 9:17 ; Ef. 1 : 10 ; 3 : 2 en Col. 1 : 25.

Bepaalde handschriften hebben in Ef. 3 : 9 het woord ” koinonia ” (d.i. gemeenschap), hoewel later ontdekte oudere handschriften (Sinaïticus) daar terecht het woord ” oikonomia” hebben staan. In tegenstelling hiermee hebben sommige handschriften “oikonomia” in 1 Tim. 1 : 4, hoewel onze Nederlandse vertalingen terecht zijn uitgegaan van het meer voorkomende “oikodome ” (d.i. stichting). Overigens hebben wij hier als vanouds gebruik gemaakt van de z.g.n. Statenvertaling, omdat de vertaling van het NBG ons voor nog grotere problemen stelt. Het woord bedeling komt dus uitsluitend voor in de uitspraken van de Here Jezus en de apostel Paulus met uitzondering van 1 Petr. 4 : 10 . In de uitspraken van de Heer Zelf vinden we de principiële bijzonderheden betreffende een bedeling, terwijl de meer praktische toepassing er van hoofdzakelijk bij Paulus te vinden is. Uit de woorden van de Heiland in Luk. 12 en 16 blijkt o.a. het volgende :

  1. In een bedeling zijn minstens twee partijen: a) de eigenaar en b) de rentmeester (oikonomos), die door de eigenaar is aangesteld om het eigendom te beheren en die aan hem verantwoording verschuldigd is.
  2. Een bedeling of rentmeesterschap kan opgeheven worden, wanneer de eigenaar daar enige aanleiding toe vindt.
  3. Wanneer een bedeling eindigt, betekent dit tevens, dat een nieuwe bedeling ter vervanging van de oude kan ingericht worden: de rentmeester moet worden vervangen.

Zonder direct in te gaan op de specifieke betekenis van deze beide gelijkenissen, kunnen we toch stellen, dat de bovengenoemde drie principes worden toegepast door de apostel Paulus :

 

  1. God is de Eigenaar van het huis, terwijl de mens, als rentmeester over Gods eigendommen, aan Hem verantwoording schuldig is. “Alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus en rentmeesters (oikonomos) der verborgenheden Gods. En voorts wordt in de rentmeesters (id.) vereist, dat elk getrouw bevonden worde” (1 Kor. 4 : 1 en 2)“Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een rentmeester (id.) Gods….” (Tit. 1 : 7).
  2. Dat een bedeling kan worden opgeheven, vinden wij door Paulus bevestigd in Gal. 4:2 “Maar hij (een kind, zie vs. 1) is onder voogden en rentmeesters (oikonomos !) tot de tijd van de vader tevoren gesteld” Zoals uit de gehele context blijkt, doelt hij hier op het rentmeesterschap van de Mozaïsche wet, dat door de kruisiging en opstanding van de Heiland werd opgeheven! Daarom zegt hij in de volgende verzen:

    ‘Waar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden….. opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou”.

De gehele Brief’ aan de Galatiërs heeft als boodschap, dat de bedeling van de wet is opgeheven en behoort tot de geschiedenis!

  1. Dat een nieuwe bedeling ter vervanging van de oude is ingegaan, vinden we logischerwijze in het volgende Bijbelboek. In Efeze 3 kondigt de apostel met veel nadruk de nieuwe bedeling der genade aan : “indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods” (vs. 2) In dit verband noemt hij twee bijzonderheden van de nieuwe bedeling : a) Paulus heeft deze bedeling, dit rentmeesterschap, van God Zelf ontvangen ten behoeve van ons (vs. 2), en b) In voorgaande eeuwen was niets bekend over een “huishouding der genade” (vs. 5).Dit wordt weer herhaald in vs. 9, waar deze bedeling de “bedeling (oikonomia, niet koinonia) der verborgenheid” genoemd wordt, “die van alle eeuwen verborgen is geweest in God”, en die volgens vers 2 en 3 aan Paulus voor ‘t eerst geopenbaard is ! In Kol. 1 : 25, 26 en 27 vinden we exact dezelfde waarheid vermeld :

“naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, … namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen, aan wie God heeft willen bekend maken (het was dus nog niet bekend), welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder (in) u, de hoop der heerlijkheid”.

In Bijbelse zin is een bedeling dus een Goddelijke huishouding, die op een bepaald ogenblik begint en op een bepaald ogenblik kan worden opgeheven. Dit houdt vanzelfsprekend in, dat verschillende bedelingen elkaar kunnen opvolgen en daardoor automatisch de heilshistorie indelen in verschillende tijdvakken. De woorden eeuw en bedeling houden daardoor wel verband met elkaar, maar zijn daardoor nog niet synoniem ! Een bedeling is niet de eeuw zelf, maar de inrichting van het tijdperk ! Het is goed om daar in ons spraakgebruik rekening mee te houden, zodat geen onnodige misverstanden worden gewekt.

Het in werking treden van een nieuwe bedeling is blijkbaar een gevolg van de openbaring van bepaalde nieuwe waarheden. Wanneer nieuwe huisregels gegeven worden, ontstaat er als gevolg een ander soort huishouding. De reeds genoemde bedeling der wet ontstond natuurlijk bij de openbaring van de wet op de Sinaï. Maar toen na de opstanding van Christus bekend gemaakt werd, dat de mens gerechtvaardigd kan worden uit genade en dus buiten de wet om (Efeze 2 : 8 en 9; Rom. 3 : 28; Gal. 3 : 11), werd tevens verkondigd, dat de bedeling der wet had plaatsgemaakt voor de bedeling der genade. Een nieuwe openbaring, die in voorgaande eeuwen niet bekend gemaakt was, werd het fundament van een nieuwe bedeling.

In samenhang met het bovenstaande moeten wij ons realiseren, dat een bedeling niet noodzakelijk voor de gehele mensheid geldig is. Dit blijkt ook uit de gelijkenis van Luk. 16, waarin niet alle mensen onderworpen waren aan het op te heffen rentmeesterschap.

De wet werd met nadruk gegeven aan het volk, dat door God uit Egypte verlost was, en werd slechts op anderen van toepassing, als zij ingelijfd waren bij Israël als Jodengenoten. Uit deze werkingssfeer van een bedeling volgt dan weer, dat het denkbaar is, dat verschillende volken of categorieën van mensen onder verschillende bedelingen thuishoren, die gelijktijdig in werking zijn !

Als immers slechts Israël onder de bedeling der wet stond, is het mogelijk, dat de volken (heidenen) gelijktijdig onderworpen waren of bleven aan een andere bedeling. De bedelingen zijn het resultaat van specifieke openbaringen van God; wanneer die openbaringen zoals de Bijbel zegt, inderdaad aan verschillende groepen gegeven werden, is het zeer goed denkbaar, dat die verschillende groepen ook onder verschillende bedelingen vallen, die naast elkaar gelijktijdig in werking zijn. Dat dit gedurende de heilshistorie inderdaad voorkomt, zal blijken uit de bestudering van de diverse bedelingen afzonderlijk. Hier ging het uitsluitend over de vraag naar het wezen van een bedeling. Op de details van de verschillende bedelingen afzonderlijk hopen wij later nog terug te komen.

4. DE METHODE VAN BIJBELVERKLARING

HERMENEUTIEK of UITLEGKUNDE is de “wetenschap”, die zich bezighoudt met de methode of methoden van Bijbelverklaring. De betekenis, die wij aan een bepaald Schriftgedeelte hechten, is volledig afhankelijk van de hermeneutische beginselen, die wij voor de verklaring van dat gedeelte gebruiken. Discussies over leerstellige aangelegenheden blijken in de praktijk vaak nutteloos te zijn, omdat de tegenstellingen niet direct verband houden met de leer op zich, maar voortvloeien uit het gebruik van een verschillende hermeneutiek. Vele Christenen weten wel iets van de leer, waarin zij geloven, maar hebben niet de minste notie van de hermeneutische principes, waarop die leer is gebaseerd. Zij zijn dan ook dikwijls niet in staat om hun opvattingen vanuit de Bijbel te verdedigen. Iedereen weet immers, dat je met de Bijbel alle kanten op kunt, getuige het ontelbare aantal verschillende kerken, die zich allen beroepen op dezelfde Bijbel. Wat deze kerken gemeen hebben, is de Bijbel, terwijl hun geschillen en verschillen voortspruiten uit het gebruik van een verschillende hermeneutiek.

Hoewel naast de Bijbel de hermeneutiek de basis is voor ieder dogma en daarom vast behoort te staan, voor men met de bestudering van de Bijbel een aanvang maakt, ligt de theologische praktijk meestal precies andersom. Gewoonlijk wordt aan een Bijbelgedeelte een bepaalde betekenis toegekend, die uitstekend past in het gewenste theologische patroon, zonder dat men zich daarbij druk maakt over de gebruikte hermeneutiek. Dat laatste wordt overgelaten aan iemand, die daar speciaal voor geleerd heeft, en die achteraf mag vaststellen welke hermeneutische principes werden toegepast. Verschillende leringen zijn dan ook niet het resultaat van een onnauwkeurige Bijbel, maar van een verschillende en dikwijls willekeurige hermeneutiek.

Waaruit bestaat nu de dispensationalistische hermeneutiek? Eenvoudiger gezegd : Hoe leest en verklaart iemand, die in bedelingen gelooft, de Bijbel ? Welke methode gebruikt hij ? Deze vraag is van het grootste belang, omdat elke leerstelling staat of valt bij de methode van Bijbelverklaring, die toegepast werd. Het antwoord op deze vraag is verrassend eenvoudig. Een dispensationalist gebruikt eigenlijk helemaal geen speciale methode; hij leest gewoon wat de Bijbel zegt en gelooft dat. Hij leest de Bijbel in principe als ieder ander boek en gelooft in de betekenis van de geschreven woorden. Kortom, met hermeneutiek houdt hij zich niet op, omdat hij niet de minste behoefte gevoelt aan een speciale verklaringsmethode, die uitsluitend van toepassing zou zijn op de Bijbel !

Hij leest de Bijbel zoals een kind een kinderboek; hij gelooft wat er staat ! En omdat het beestje toch een naam moet hebben om voor vol te worden aangezien, wordt deze methode die van de “letterlijke interpretatie” genoemd. Beter zouden wij kunnen spreken van “normale interpretatie” aangezien de letterlijke betekenis der woorden in alle talen de normale betekenis is.

Van de vele redenen, die wij zouden kunnen geven ter ondersteuning van de letterlijke of normale Schriftverklaring, willen wij er hier drie noemen.

De eerste is een logische reden. Wanneer we geen gebruik maken van letterlijke interpretatie, maar slechts een figuurlijke of z.g.n. geestelijke betekenis aan de woorden van de Bijbel toekennen, kan van objectiviteit absoluut geen sprake meer zijn. Op welke wijze zouden wij die eindeloze reeks “geestelijke” verklaringen, die voortspruiten uit de schijnbaar oeverloze menselijke fantasie, moeten beoordelen ? Zodra afgeweken wordt van de normale verklaring, zal blijken, dat een theoloog met de Bijbel inderdaad alle kanten op kan. Op die manier kan elk mens met elk boek alle kanten op ! Dan zijn er zoveel verschillende leringen als er verschillende Bijbelverklaarders zijn. !

Slechts wanneer we vasthouden aan de normale betekenis der woorden, is er controle op de verklaring mogelijk. Wanneer de Bijbel ons iets te zeggen heeft, kan dit alleen maar via de normale verklaring, omdat een figuurlijke verklaring niet te controleren of te bevestigen is. Dan blijft de Bijbel een omstreden boek, dat geen enkele boodschap voor de mens heeft, omdat die boodschap niet vast te stellen is. Dan zou God Zich dermate onvoldoende aan ons geopenbaard hebben, dat er van een openbaring geen sprake meer kan zijn. De letterlijke of normale verklaring kan dus logischerwijze slechts de enig juiste zijn.

De tweede reden is een theologische. De oudtestamentische profetieën aangaande de eerste komst van de Messias, Zijn geboorte, leven. lijden, sterven en opstanding, werden alle letterlijk vervuld. In het hele Nieuwe Testament is in dit verband geen figuurlijke vervulling van Oudtestamentische profetieën te vinden. Daarom bestaat er geen Bijbelse reden om de letterlijke interpretatie van alle andere profetieën te verwerpen.

De derde is een filosofische reden. De Schrift leert, dat “in den beginne was het Woord” en

“alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is” (Joh. 1).

De gehele schepping is voortgekomen uit het Woord, het spreken van God. “En God zeide …. en het was alzo”.

Het Woord had als doel het Wezen van God Zelf uit te drukken, en te openbaren, niet alleen in de schepping, maar ook in de Bijbel. Wanneer nu de openbaring van God het primaire doel van het Woord en de taal is, dan kan slechts de normale letterlijke betekenis van het Woord van God de enig juiste zijn. De opvatting, dat het in de Bijbel altijd of soms om uitsluitend de z.g.n. “geestelijke” of allegorische betekenis (welke dan wel ?) gaat, impliceert, dat de letterlijke betekenis onjuist is, en stempelt God tot een leugenaar. Een uitsluitend figuurlijke Bijbelverklaring is daarom in wezen godslasterlijk.

Dan is er nog de opvatting, dat de taal niet een schepping van God, maar van de mens is, en dat de Heilige Geest niet in staat zou zijn om de geestelijke dingen in zuiver menselijke bewoordingen te formuleren. Dit zou de mens noodzaken om achter de tekst van de Bijbel de eigenlijke betekenis te zoeken. Deze redenering heeft helaas veel ingang gevonden. Vermoedelijk vindt dit zijn oorzaak in het feit, dat hier op vrome wijze de mens op een voetstuk geplaatst wordt. Het getuigt immers van verregaande hoogmoed om te veronderstellen, dat een mens zou kunnen wat de Heilige Geest niet kon : n.l. het onder woorden brengen van geestelijke waarheden.

De letterlijke of normale verklaring van de Bijbel ligt dus ten grondslag aan het dispensationalisme, de “leer der bedelingen”. Omdat dit zo algemeen bekend is, heeft men vaak getracht het dispensationalisme te bestrijden, door aan te tonen, dat ook een aanhanger van de bedelingenleer wel eens overgaat tot het z.g.n. vergeestelijken. Hier stuiten we dan op een misverstand. In de eerste plaats moeten bepaalde Schriftgedeelten allegorisch verklaard worden, omdat dat er letterlijk bij staat. In zo’n geval is een allegorische verklaring niet in strijd, maar in overeenstemming met de letterlijke betekenis. Wanneer we bijv. lezen, dat de Heiland een gelijkenis of “allegorie ” vertelt, nemen wij dat letterlijk, en verklaren die gelijkenis dus allegorisch. Dit laatste is gewoonlijk niet zo moeilijk, omdat de verklaring van de gelijkenis in vele gevallen meegeleverd wordt. Een dispensationalist vergeestelijkt daarom in elk geval waar dat er in de Bijbel bij vermeld wordt. Zo lezen we in Openb. 11 : 8, dat de twee getuigen gedood worden in

“De grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte…”

Er wordt letterlijk bij vermeld, dat we de namen van die stad niet letterlijk, maar “geestelijk” moeten verstaan. Vanzelfsprekend is het Jeruzalem, dat hier wordt vergeleken met Sodom en Egypte, waaruit dan weer volgt, dat de Bijbelse gebeurtenissen in Sodom en Egypte een type zijn van nog toekomstige gebeurtenissen in Jeruzalem. Ziedaar, waarom ook een dispensationalist “vergeestelijkt”.

In de tweede plaats kent elke taal, en dus ook de taal van de Bijbel, uitdrukkingen die slechts een figuurlijke betekenis hebben. Wij spreken dan van stijlfiguren. Het herkennen en verklaren van die stijlfiguren behoort tot het verstaan van een taal in het algemeen en dus ook tot het verstaan en verklaren van de Bijbel. Wanneer de Farizeeën bijv. worden aangesproken met de uitdrukking “addergebroed“, denkt zelfs een dispensationalist niet, dat dit letterlijk bedoeld is. Farizeeën behoorden wel tot een nogal vreemde soort, maar waren geen reptielen.

De uitdrukking “addergebroed” heeft hier dus een figuurlijke betekenis, waarin de Farizeeën met adders worden vergeleken. Ook wanneer wij iets een puinhoop noemen, zal dit slechts hoogst zelden letterlijk bedoeld zijn ! De normale betekenis is echter voor iedereen duidelijk. In al dergelijke gevallen is de normale betekenis een figuurlijke, en dit in overeenstemming met alle wetten, waaraan de taal onderworpen is. Overigens moeten wij hierbij opmerken, dat de “geestelijke” betekenis van dergelijke uitdrukkingen wel degelijk ontleend is aan de letterlijke, en dat zonder de letterlijke betekenis zo’n uitdrukking helemaal geen geestelijke betekenis kan hebben.

Dit brengt ons bij het verschijnsel, dat de dispensationalist achter de letterlijke of normale betekenis van de woorden der Schrift wis en waarachtig wel een geestelijke betekenis onderscheidt, of die nu wel of niet in de Schrift zelf wordt aangegeven. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. De normale verklaring van het boek Jona leert, dat deze dienstknecht van God “drie dagen en drie nachten” in de buik van de “grote vis” heeft vertoefd. Nergens staat vermeld, dat dit niet een geschiedenis, maar een gelijkenis was. Wij geloven daarom in de historische betrouwbaarheid van het boek Jona. Dit neemt echter niet weg, dat de Bijbel zelf deze historie een geestelijke betekenis geeft en die zin toepast op de dood en opstanding van de Here Jezus (Matth. 12 : 40) en eveneens op de ondergang en het herstel van de Joodse natie (Hos. 6 : 3).

Het onderkennen van de geestelijke en profetische betekenis van het boek Jona geeft echter niemand het recht om de letterlijke betekenis te ontkennen ! Hoe zou de Heiland het teken van Jona aan “het boos en overspelig geslacht” hebben kunnen geven, als Jona nooit bestaan zou hebben ? Wanneer er geen letterlijke betekenis is, is er ook geen geestelijke. Het spreekwoord “De appel valt niet ver van de boom” heeft slechts een “geestelijke” betekenis, indien er werkelijk appelbomen bestaan. Indien we niet geloven in de letterlijke appelboom, hoe kunnen we dit spreekwoord dan een geestelijke betekenis geven ? Slechts wanneer wij de letterlijke betekenis verstaan, is het mogelijk om de diepere geestelijke en profetische betekenis te begrijpen van de geschiedenissen en uitspraken van de Bijbel. Wanneer we de letterlijke betekenis ontkennen, maken we ons eigenlijk belachelijk door naar een geestelijke te zoeken, want waarnaar zoeken we dan eigenlijk?

Juist het feit, dat de dispensationalist de gehele Bijbel in eerste instantie letterlijk interpreteert, is er de oorzaak van dat diezelfde dispensationalist zoveel weet t e zeggen over de geestelijke betekenis van de dingen en gebeurtenissen in de Bijbel. Kennis van de typologie, de symboliek, de geestelijke betekenis van de getallen, de kennis van de geestelijke betekenis van de tabernakel, de “scheppingsdagen”, enz. wordt hoofdzakelijk gevonden onder dispensationalisten en berust op de letterlijke betekenis van al deze zaken.

Wat is de betekenis van een type, als er geen type was, wat de betekenis van de tabernakel als er geen tabernakel was, enz. Wat is de betekenis van iets, dat nooit bestaan heeft? Juist de dispensationalist heeft weet van de geestelijke betekenis der Schrift, omdat hij eerst de letterlijke aanvaardt. Hij erkent zowel de letterlijke als de dikwijls meervoudige geestelijke en profetische betekenis !

Natuurlijk is letterlijke interpretatie niet het exclusieve eigendom van het dispensationalisme. Ongetwijfeld zullen vele orthodoxe Christenen van harte met het voorgaande instemmen. Wat is dan het wezenlijke verschil tussen dispensationalisten en niet-dispensationalisten ? Wat is hun sinequa non?

Het onderscheid is gelegen in het feit, dat dispensationalisten de normale verklaring consequent door de gehele Schrift toepassen, terwijl niet-dispensationalisten dit niet meer doen, wanneer het aankomt op de verklaring van de Bijbelse profetieën. Zodra bijv. Israël in de profetieën genoemd wordt. zegt men dat het “geestelijk Israël“ wordt bedoeld, waaronder men dan de Gemeente of de Kerk verstaat. Jeruzalem en Palestina worden dan de hemel, de troon van David wordt de troon van God, Babel wordt de afvallige kerk, de tempel wordt het kerkgebouw, heidenen worden ongelovigen, enz.

Op deze wijze worden profetieën die in de toekomst nog letterlijk vervuld moeten en zullen worden, uitsluitend toegepast op de Gemeente, met voorbijzien van hun letterlijke betekenis voor Israël en de volkeren (heidenen). Hier komen we aan het belangrijkste kenmerk van het dispensationalisme.

Ds. Lewis Sperry Chafer vatte het als volgt samen :

“De dispensationalist gelooft, dat God door de eeuwen heen twee plannen uitwerkt: Eén met betrekking tot de aarde met een aards volk en aardse zegeningen (geestelijke zegeningen, die op aarde genoten worden), d.i. Israël, terwijl het andere betrekking heeft op de hemel met een hemels volk en hemelse zegeningen (geestelijke zegeningen, die in wezen in de hemel (Ef. 1 : 3) genoten worden), d.i. de Gemeente.

Hiertegenover staat de theoloog, die zijn Schriftinterpretatie baseert op de veronderstelling, dat God slechts één ding doet, n.l. het scheiden van de goeden en de kwaden . . . wat hem noodzaakt een geestelijke of allegorische betekenis toe te kennen aan de profetieën betreffende Gods programma met de aarde, of dit laatste programma zelfs geheel te negeren”.

Dit onderscheid tussen Israël en de Gemeente is het belangrijkste praktische kenmerk van het dispensationalisme en is het natuurlijke resultaat van het hermeneutische systeem der normale of letterlijke interpretatie.

Zowel de verbondstheoloog als de dispensationalist maken echter gebruik van “vergeestelijking” van bepaalde Bijbelgedeelten, zo goed als de Bijbel dat zelf doet, maar in tegenstelling tot de verbondstheoloog doet een dispensationalist dit nooit ten koste van de letterlijke betekenis. De dispensationalist claimt primair een letterlijke interpretatie en secundair een daarop gebaseerde allegorische of geestelijke applicatie, waarbij bepaalde Bijbelse beloften bijv. letterlijk betrekking hebben op Gods aardse volk Israël , terwijl zij tevens een geestelijke toepassing of applicatie hebben voor de Gemeente, zonder daarbij Israël van haar beloften te beroven. Dit is een recht verdelen van het Woord der Waarheid.

Elke theoloog, van welke richting ook, weet, dat een consequente toepassing van de normale interpretatie – een eenvoudig geloven wat de Bijbel zegt, zonder die eerst te verdraaien of te vergeestelijken, regelrecht leidt tot een dispensationalistische theologie, die God de ruimte laat voor Zijn plannen met Israël, de Gemeente en de volkeren. Plannen, die slechts bekend kunnen zijn aan hen, die ook de Bijbelse profetieën hun normale letterlijke betekenis geven.

5. WELKE ZIJN DE BEDELINGEN?

Dat de Bijbel onderscheid maakt tussen verschillende bedelingen of huishoudingen, is een gegeven, dat door zowel verbondstheoloog als dispensationalist wordt erkend. Zoals wij reeds eerder hebben opgemerkt, maakt het onderscheiden van bedelingen iemand nog geen dispensationalist !

De verbondstheoloog Louis Berkhof hanteert zelfs een schema van vijf bedelingen, zonder daardoor dispensationalist te worden. Die schijn vermijdt hij nadrukkelijk, door slechts twee bedelingen inderdaad zo te noemen, waarna hij de eerste (de “oudtestamentische bedeling”) onderverdeelt in vier “fasen in de openbaring van het genadeverbond”.

Het onderscheiden van bedelingen is blijkbaar wel degelijk een bezigheid van beide partijen. De basiskenmerken van het dispensationalisme zijn echter :

  1. De consistente toepassing van de letterlijke of normale interpretatie, met als gevolg daarvan ;
  2. Het maken van onderscheid tussen Israël, de Gemeente en de volkeren (heidenen).

Vanuit deze positie lijkt de vraag naar de namen van de bedelingen en hun juiste aantal minder belangrijk. Een bedelingenschema is immers niet de basis voor de verklaring van de Bijbel, maar een resultaat van onbevooroordeelde Bijbelstudie. Bestudering van de Schrift behoort niet ondernomen te worden met een bepaald bedelingenschema als uitgangpunt, maar leidt tot een bepaald schema. Het schema, dat iemand hanteert, is daarom afhankelijk van de methode van Bijbelverklaring (hermeneutiek) en van iemands definitie van een bedeling. Vandaar dat ook een verbondstheoloog tot een schema kan komen ! Dat de vraag naar het enige juiste bedelingenschema niet fundamenteel is voor het dispensationalisme, blijkt uit twee opmerkelijke feiten.

In de eerste plaats hebben vele “voormannen” van het dispensationalisme in de loop der tijden ieder hun eigen schema opgesteld en gepubliceerd, zonder daarbij wezenlijk met elkaar van mening te verschillen. Hun schema’s waren weliswaar verschillend, maar daardoor werden zij absoluut geen tegenstanders van elkaar! Dit laatste werd veroorzaakt doordat zij de namen en het juiste aantal van de bedelingen niet van principieel belang achtten.

In de tweede plaats hebben anti-dispensationalisten de grote verscheidenheid van bedelingenschema’s nooit aangevat als argument tegen het dispensationalisme. Het is immers zeer voor de hand liggend om te betogen, dat die vele schema’s slechts kunnen ontstaan door het ontbreken van voldoende Bijbelse grond en dat daarom de Bijbel ook niet voldoende grond biedt aan het dispensationalisme in het algemeen. Het vrijwel ontbreken van dit soort anti-dispensationalistische argumenten, bewijst dat ook zij de kwestie van het juiste schema van minder belang achtten.

Opvallend is bovendien, dat mensen als J.N. Darby, die doorgaat voor één der grondleggers van het dispensationalisme en Dr. E.W. Bullinger, die als “ultra-dispensationalist” te boek staat, nooit hun eigen bedelingenschema hebben gepubliceerd. Dit toont eens te meer aan, hoe weinig waarde zij hieraan hechtten. Hiertegenover staat het verschijnsel, dat sommigen bij verschillende gelegenheden een verschillend schema hanteren.

Zo gebruikt mijn vader vrijwel steeds het schema, dat door Watts en Scofield bekend is geworden, terwijl hij in zijn werk “Het leven van Jozef” (Uitg. “Het Morgenrood”) een schema bespreekt, waarin de bedeling der wet en die der belofte samen de “bedeling van Israël” genoemd worden. Tevens wordt daarin ruimte gelaten voor een bedeling van de grote verdrukking. Ook hij geeft er hier blijk van, het onderscheiden der bedelingen op zich belangrijker te achten, dan het zoeken naar een schema dat voor honderd procent Bijbels gefundeerd zou kunnen worden genoemd. Zoals gezegd is deze ruime opvatting de meest gangbare onder de aanhangers van de “bedelingenleer”.

De vraag naar het juiste aantal en de aard der afzonderlijke bedelingen is niettemin wel degelijk een beschouwing waard, omdat het dispensationalisme toch steevast gepresenteerd wordt aan de hand van één of ander schema. Daarom geven wij hierbij een overzicht van de belangrijkste schema’s, zoals die in de loop der tijd gepubliceerd werden. Het schema van Watts en Scofield is algemeen bekend, en kan bestudeerd worden aan de hand van het ‘Bijbels Panorama”, dat verkrijgbaar was bij “Het Morgenrood”, compleet met kleurige kaarten en verklaring.

Het schema van Philip Mauro werd oorspronkelijk gepubliceerd in zijn werk “De dag des Mensen” en in het Nederlands uitgegeven bij Kok, Kampen, doch is bij mijn weten nog slechts antiquarisch verkrijgbaar. Ditzelfde schema wordt echter op gelijke wijze geïllustreerd en verklaard in “Van eeuwigheid tot eeuwigheid”, door A.E.Booth en wordt uitgegeven door Medema te Apeldoorn.

Voorts ben ik zo vrij geweest om in de laatste kolom van het overzicht mijn eigen schema weer te geven. Gemakshalve zijn de bedelingen in de verschillende schema’s genummerd. Dat wil niet zeggen, dat de opstellers waarde hechtten aan het cijfer, waarmee zij een bepaalde bedeling aangaven. De getallen dienen uitsluitend ter onderscheiding en staan in de plaats van de namen die men aan de bedelingen gaf. Dit geldt echter niet voor het laatste schema, daar ik van mening ben, dat de getallen van de Bijbel wel degelijk een typologische of geestelijke betekenis hebben. Op die manier behoort bijv. de typologische betekenis van het getal vijf overeen te komen met de aard en het karakter van de vijfde bedeling, enz.

De nummering van de bedelingen in de overige schema’s heeft dus geen enkele typologische betekenis. Hoe komt men nu tot de vaststelling van het juiste schema ? Hoe Scofield precies tot zijn schema kwam, afgezien van het feit, dat het in wezen identiek is aan dat van Watts, heeft hij nergens verklaard.

Anderen hebben dat bij mijn weten ook nooit gedaan. Wanneer zij meer belang gehecht hadden aan het juiste schema, zouden zij ongetwijfeld breedvoerig uiteengezet hebben, hoe zij tot hun opstelling gekomen zijn. Ook hier zien wij weer, hoe weinig zij hechtten aan hun eigen schema.

Hoe is dit fenomeen te verklaren?

Ongetwijfeld wordt het veroorzaakt door de schaarsheid van de Bijbelse gegevens over het merendeel der bedelingen, wanneer wij die zuiver als geschiedkundige perioden beschouwen. Uitgaande van het schema van Scofield zien wij, dat vier van de zeven bedelingen voorbij waren, toen de Exodus begon. De eerste vier bedelingen worden dan beschreven in het eerste Bijbelboek, terwijl de overige drie de gehele rest van de Bijbel beslaan ! Daarom tilde Scofield niet zwaar aan zijn eerste vier bedelingen, maar legde hij met de Bijbel de nadruk op de volgende bedelingen der WET, der GENADE en het KONINKRIJK. Deze drie nemen het grootste deel der Schrift in beslag en het onderscheiden van deze drie is dan ook terecht de inhoud van het grootste gedeelte der dispensationalistische literatuur.

Dat dit inderdaad de gemeenschappelijke factor is, blijkt in een oogopslag uit het overzicht. Allen, met uitzondering van Philip Mauro, die helaas in latere jaren het dispensationalisme de rug toekeerde, onderscheiden het begin van een nieuwe bedeling respectievelijk bij de zondvloed, bij de uittocht uit Egypte (de wet), bij de opstanding van Christus en bij de wederkomst van Christus.

Dit komt op het overzicht tot uitdrukking in de vier doorgaande horizontale lijnen. Over vijf bedelingen zijn allen het dus met elkaar eens. De andere gemeenschappelijke factor is, dat allen komen tot een totaal van zeven bedelingen. Om aan dit totaal van zeven te komen, is het noodzakelijk om binnen de reeds genoemde vijf bedelingen, die immers reeds de gehele menselijke historie omvatten, onderverdelingen aan te brengen. Men moet dus zoeken naar nog twee bijzondere gebeurtenissen in de heilsgeschiedenis, die het begin van een nieuwe bedeling zouden kunnen markeren. De meest voor de hand liggende zijn:

  • de zondeval van Adam (6x), het verbond met Abraham (6x),
  • de grote afval, eventueel gepaard gaande met de opname van de Gemeente (4x)
  • en de komst van de nieuwe schepping (2x).

Opmerkelijk is, dat alle bedelingenschema’s een totaal van zeven te zien geven. De enige verklaring voor dit verschijnsel is, dat iemand die zijn Bijbel kent, en enig begrip gekregen heeft van de orde en de systematiek die daarin voorkomt, wel tot het aantal van zeven moet komen, ook zonder dat de Schrift dit uitdrukkelijk vermeldt. Een betere verklaring is er niet, en is onzes inziens ook niet nodig. Hoewel ons overzicht een totaal van negen verschillende schema’s vertoont. is er dus toch een zeer grote mate van overeenkomst. Allen hebben vijf bedelingen gemeenschappelijk en een totaal van zeven !

De grote mate van overeenkomst tussen de schema’s is vanzelfsprekend het resultaat van Bijbelstudie, want hoewel de Bijbel slechts twee bedelingen als zodanig met name noemt, zijn de andere wel degelijk in de Bijbel aangegeven.

De voor ons zelf meest belangrijke wordt genoemd in Efeze 3 : “de bedeling der genade Gods”.

Zelfs verbondstheologen zijn met ons eens, dat deze uitdrukking staat voor deze tegenwoordige tijd, de tijd tussen de eerste en tweede komst van Christus. Deze bedeling der genade begon echter pas na de opstanding van Christus. In Rom. 6 en 7 worden de dood en opstanding van de Heiland in verband gebracht met het einde van de wet en de openbaring van de genade. Wet en genade worden tegenover elkaar geplaatst

 … gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade” (Rom. 6 : 14).

Wanneer dan genade de naam is van een bedeling, dan moet ook “wet” de aanduiding van een bedeling zijn, en wel van degene die onmiddellijk aan de genade voorafging. De bedeling van de wet ontstond uiteraard bij de komst van de wet op de Sinaï. Zo hebben wij al twee bedelingen. Een gelijksoortig Schriftgedeelte vinden we in Gal. 3 en 4, waar de wet gesteld wordt tegenover de belofte aan Abraham, die 430 jaar aan de wet voorafging. Ziedaar de bedeling der belofte. Voorts is het niet moeilijk om in het verbond tussen God en Noach de aanvang van de voorafgaande bedeling te ontdekken (Gen. 9 : 1 – 17). De “Huisregels”, die Noach daar ontving, wijken aanzienlijk af met Gods verbond met Adam, zodat we terecht van een nieuwe huishouding of bedeling mogen spreken. Of we ook de zondeval van Adam moeten zien als de aanvang van een nieuwe bedeling, is afhankelijk van wat we onder een bedeling verstaan. Wanneer we een bedeling inderdaad zien als een huishouding, dan moeten we ook hier een nieuwe bedeling onderscheiden. De huishouding die vóór de zondeval bestond, werd immers drastisch gewijzigd door de uitdrijving uit de hof en de daarmee gepaard gaande verandering van levensomstandigheden van de mens.

Op deze simpele wijze komen we tot de volgende bedelingen:

  1. Van de schepping tot de zondeval.
  2. Van de zondeval tot de zondvloed.
  3. Van de zondvloed tot het verbond met Abraham.
  4. Van Abraham tot de uittocht uit Egypte (Sinaï).
  5. Van de uittocht tot de opstanding van Christus.
  6. Van de opstanding van Christus tot de opname van de Gemeente.

    Deze laatste bedeling behoeft enige toelichting. In de meeste schema’s loopt deze bedeling tot aan de wederkomst van Christus, waaronder men dan gewoonlijk Zijn verschijning op de Olijfberg verstaat. Naar onze mening eindigt deze bedeling echter bij de eerste fase van de reeks gebeurtenissen, die in de Schrift worden samengevat onder de uitdrukking “de toekomst (parousia) des Heren”. Deze term slaat niet op een enkele gebeurtenis, maar op een hele reeks gebeurtenissen(parousia = aanwezigheid).Deze eerste fase van de wederkomst van Christus is ongetwijfeld Zijn komst in de lucht om de Zijnen tot Zich te nemen (1 Thess. 4 : 15 – 17). Verder leert de Schrift, dat alleen in deze bedeling der Genade de Gemeente gebouwd wordt. Hieruit volgt, dat deze bedeling eindigt, wanneer de voltooide Gemeente wordt opgenomen ten hemel!Wat de toekomst betreft, spreekt de gehele Schrift – inclusief de brieven van Paulus en de Openbaring van Johannes over de nog toekomstige bedeling van het Messiaanse Rijk. Uit Daniël 9 en vele andere profetieën blijkt echter dat dat Koninkrijk niet terstond na de opname van de Gemeente zal beginnen, maar dat er een periode van minstens zeven jaar (de “zeventigste week” van Daniël) zal verlopen tussen de opname van de Gemeente en de definitieve vestiging van het Messiaanse Rijk door het binden van Satan (Openb. 20). Naar veler mening zal die periode echter veertig jaar duren Aangezien de bedeling der genade ophoudt bij de opname van de Gemeente en,de bedeling van het Koninkrijk nog niet onmiddellijk zal beginnen, moet de tussenliggende periode van minstens zeven jaar en met een maximum van veertig, plaats bieden aan een zelfstandige bedeling. Ongetwijfeld is deze relatief korte bedeling de “bedeling van de volheid der tijden” uit Efeze 1 : 10.Zo kunnen we dan aan de bovengenoemde reeks de volgende huishoudingen toevoegen:
  7. Van de opname der Gemeente tot het binden van Satan.
  8. Van het binden van Satan tot de nieuwe schepping (Openb. 21, 22).

Volgens deze korte uiteenzetting komen we aan een reeks bedelingen, die ieder afzonderlijk in de meeste schema’s van ons overzicht voorkomen. Of deze reeks inderdaad juist is, kan natuurlijk slechts blijken uit de bestudering van de bedelingen afzonderlijk en uit de bestudering van hun onderlinge samenhang.

 


6. 
DE SYMBOLIEK DER SCHEPPING

Wanneer wij de bedelingen zien als een reeks van zeven opeenvolgende tijdperken, komt al snel de gedachte op, dat er verband zou kunnen bestaan tussen deze bedelingen en de zeven dagen der schepping uit Genesis 1. Voor zover mij bekend, was Dr. Philip Mauro de eerste, die een dergelijke zienswijze publiceerde in “De dag des Mensen”(1908) De zeven dagen der schepping zouden dan typen zijn van de zeven bedelingen.

Genesis 1 is dan niet alleen een verslag van de wording der wereld, maar tevens de inhoudsopgave van de Bijbel ! Aangezien alles in de oude schepping een type is van de nieuwe schepping, moeten wij concluderen, dat de nieuwe schepping precies als de oude tot stand komt in zeven fasen ! Deze zeven fasen zijn dan de zeven bedelingen. Wanneer wij ons nu bepalen bij de Bijbelse scheppingsgeschiedenis, ontmoeten wij een even populaire als diepgewortelde misvatting, die zich kan beroemen op een lang verleden en die oorspronkelijk is ontstaan uit een compromis tussen Goddelijke openbaring en de legenden der heidense kosmogonie.

De klassieke dichter Hesiodus zegt ons, dat het eerste wat bestond “Chaos” was; dat is volgens de etymologie de stille en lege vruchtbodem voor geschapen materie. Maar spoedig verloor het woord zijn strikte betekenis en werd gebruikt voor de ruwe en vormloze materie, waaruit de hemelen en de aarde verondersteld werden geschapen te zijn.

Ovodius beschrijft het als volgt :

  • “Er was in het hele universum slechts één natuurlijke verschijning : dit wordt genoemd “Chaos”, een vormloze, verwarde massa” (Metamorfoses 1 6, 7).

In zijn “Fasti” laat hij Janus, die hij met Chaos identificeert, als volgt spreken:

  • “De klassieken noemden mij gewoonlijk Chaos, want ik ben een oerwezen. Ziet van welk een ver verwijderde eeuw ik de gebeurtenissen zal verhalen. Deze lucht zit vol licht, en de drie overgebleven elementen vuur, water en aarde, waren een verwarde massa. Zodra deze massa gescheiden werd door de tweedracht tussen haar componenten en verdreven was naar nieuwe posities, steeg het vuur omhoog; een plaats nader tot de aarde ontving de lucht; de aarde en de zee vestigden zich op de bodem. Toen nam ik, die slechts een vormloze massa geweest was, vorm en ledematen aan, een God waardig” (Fasti 1 : 103 – 112).

Volgens deze cosmogonieën van Griekenland en Rome ontstond het universum dus uit Chaos. Uranus werd geacht de eerste oppermachtige God geweest te zijn, maar hij werd gedreven door zijn zoon Cronos of Saturnus, die later dezelfde behandeling onderging door zijn zoon Zeus of Jupiter. Chaos was het eerste wat bestond en daarna ontstond de reeks vergankelijke goden. Deze leer, oud en verbreid als zij reeds was in de dagen van onze Heer, beïnvloedde zowel de echte als de valse Christenen in hun interpretatie van het eerste hoofdstuk van de Bijbel. Zij menen immers, dat het eerste vers de schepping weergeeft van een vormeloze massa elementen, waaruit gedurende zes dagen de hemel en de aarde gevormd werden. Het tweede vers zou dan een beschrijving geven van deze materie, voordat God deze massa vormde. Hun mening leeft helaas voort tot in onze dagen, hoewel die, zoals wij nu heel in het kort zullen zien, bepaald niet door de Bijbel wordt ondersteund.

Het gaat ons om de zinsnede :”De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond”. Voor de duidelijkheid geef ik hier de Hebreeuwse tekst :

“WE-HAARETS HAYTHA TOHU WA-BOHU WE CHOSHECK AL-PNE THOM”.

Het woordje WE of WA is zo ongeveer het enige Hebreeuwse voegwoord en wordt in het algemeen vertaald met “en” of, zoals bijv. in Gen. 2 : 17, met “maar”, afhankelijk van het verband, waarin het wordt gebruikt. Volgens het Hebreeuws zowel als de meeste andere talen bewijst dit woordje “en”, dit voegwoord, dat het voorgaande vers (vers 1) geen samenvatting kan zijn van dat wat volgt, maar een verslag van de eerste gebeurtenis uit een reeks.

Als het eerste vers louter een samenvatting was van wat volgt, zou het tweede vers het feitelijk begin zijn van de geschiedenis en daarom zeker niet beginnen met een voegwoord ! Maar aangezien vers twee desalniettemin begint met het voegwoord “en” of “maar” , vertelt het iets wat plaats vond ná vers 1, dus ná de schepping van de hemelen en de aarde. Deze strekking van “WA” hebben de vertalers blijkbaar begrepen en omdat die niet overeenkwam met de heersende opvattingen, hebben zij het deze keer bij uitzondering “vertaald” met “nu”.

Het woord HAARETS betekent eenvoudig : “de aarde”. Hoewel in vers 1 gesproken wordt over de hemelen en de aarde, spreekt vers 2 nog uitsluitend over de aarde. Ook hieruit blijkt de tegenstelling tussen vers 1 en 2.

Maar wat gebeurde er met de aarde, nadat God haar geschapen had? Onze vertaling zegt, dat de aarde woest en ledig was. Het woord HAYTHA, hier vertaald met “was” wordt echter in bepaalde gevallen gebruikt met een enkelvoudige vierde naamval in de betekenis van “worden” of “gemaakt worden”. Een bekend voorbeeld hiervan vinden wij in de vrouw van Lot, waarvan gezegd wordt : “zij werd een zoutpilaar” (Gen. 19 : 26).

Overigens zijn de werkwoorden “zijn” en “worden” ook in onze westerse talen dikwijls synoniem. De juiste vertaling moet ook hier uit het verband blijken. Alleen al het gebruik van het woordje “WA” toont aan, dat de toestand van Gen. 1 : 2 niet de toestand onmiddellijk na de schepping zelf kan zijn, maar eerst later ontstaan is. Daarom behoort het begin van vers 2 vertaald te worden met : “Maar de aarde werd TOHU WABOHU…”

De laatste uitdrukking wordt vertaald met “woest en ledig”. Dit is echter niet de exacte betekenis van het Hebreeuws, maar een illustratie van de “Chaoslegende”. Fürst geeft “ruïne” , “verwoesting” of “ontvolking” als de juiste betekenis van het zelfstandig naamwoord, dat vertaald werd met “woest”. Het tweede woord betekent: “ledigheid” of “dat wat leeg is”. In slechts twee andere Schriftgedeelten worden deze beide woorden samen genoemd en in beide gevallen wordt deze uitdrukking gebruikt om de verwoesting aan te duiden, die veroorzaakt werd door de uitstorting van de wraak van God.

Na een vreselijke beschrijving van de val van Edom op de “dag der wrake” vinden we in Jesaja de uitdrukking :

“…..; Want Hij zal een richtsnoer der woestheid over hen trekken en een richtlood der ledigheid”. Jesaja 34:11b

Hier zijn de woorden “woestheid” en “ledigheid” in het Hebreeuws dezelfde woorden als die welke in Gen. 1 : 2 worden gebezigd. De betekenis is, dat precies zo als de architect nauwkeurig gebruik maakt van meetinstrumenten om het bouwwerk op te richten, zo zal God de ruïne construeren.

De betekenis van de woorden is in dit vers zonneklaar !

Het tweede Schriftgedeelte is zelfs nog duidelijker. In de beschrijving van de vernietiging van Juda en Jeruzalem vergelijkt Jeremia dit met de pré-adamitische verwoesting van Gen. 1 : 2, wanneer hij uitroept:

“Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig; ook naar de hemel en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen schudden. Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogelen des hemels waren weggevlogen. Ik zag en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege de Here, vanwege de hittigheid Zijns toorns”. (Jer. 4 : 23 – 26).

We zien dus, dat het woord TOHU “dat wat verwoest en ontvolkt is” betekent, en BOHU “dat wat leeg is” , eveneens met verwijzing naar de verdwijning van alle leven (“Ik zag, en ziet, er was geen mens …. “) Maar als er nog meer bewijs nodig is om aan te tonen, dat ons vers geen beschrijving geeft van een chaotische massa, die aanvankelijk door God geschapen werd en pas later gevormd, dan hebben wij een directe en positieve verzekering van dat feit in Jes. 45 : 18, waar staat dat God de aarde niet als “een TOHU” heeft geschapen (vertaald met “baaierd” of “tevergeefs” !). Dat woord kan daarom nooit gebruikt worden om de eerste toestand van de aarde te beschrijven, ongeacht de juiste betekenis van het woord. Overigens verwijst ook dit vers naar de afwezigheid van leven in verband met TOHU.

De volgende woorden van Gen. 1 : 2 luiden volgens de vertaling : “… en duisternis was . . .”. Het Hebreeuws geeft hier echter alleen WECHOSHECK, dat te vertalen is met “… en duisternis. . . .”. Het woordje “was” komt hier in de grondtekst helemaal niet voor en ik zie niet de minste noodzaak om het in te voegen in de vertaling ! Het is duidelijk, dat hier achtereenvolgens drie zelfstandige naamwoorden worden gebruikt om de toestand te beschrijven, waarin de aarde terechtgekomen was.

“Maar de aarde werd woestheid en ledigheid en duisternis . . “

Dan volgen de woorden AL – PNE – THOM. AL is vertaald met “op” en THOM met “de afgrond”. Het woord PNE is in de vertaling zelfs helemaal weggelaten, maar wordt meestal vertaald met “aangezicht”. De werkelijke betekenis is in feite veel ruimer : het heeft niet slechts betrekking op de buitenkant van het menselijk hoofd, maar op alle uiterlijke en kenbare dingen en is daarom synoniem met “verschijning”. Dit komt wel heel bijzonder tot uitdrukking in het verband tussen de verschijning en werking van de “afgrond”.

Het voorzetsel AL betekent “op” of “wegens”. Ook in onze taal hebben deze twee woorden in wezen nog dezelfde betekenis. Wanneer we immers vertalen met : “Maar de aarde werd woestheid en ledigheid en duisternis op het verschijnen van de afgrond”, dan blijkt duidelijk, dat er oorzakelijk verband bestaat tussen de werking van de afgrond en de ontstane toestand op aarde. AL moet dan ook vertaald worden met : “wegens”.

De afgrond is in de Bijbel de aanduiding voor het dodenrijk (hel of hades) in het algemeen, maar in het bijzonder voor de woonplaats van gevallen engelen en boze geesten die worden geregeerd door Satan. Zie hiervoor o.a. Luk. 8:31; Openb.9:11; 17:8 ; 20:1 – 3

De correcte vertaling van het eerste deel van Gen. 1 : 2 is mijns inziens dan als volgt: “Maar de aarde werd woestheid en ledigheid en duisternis wegens het verschijnen van de afgrond”.

Hoewel de hier geleverde vertaling van Gen. 1 : 2 volledig voor mijn rekening komt, is de geschetste opvatting over de schepping als zodanig binnen het dispensationalisme vrij algemeen, omdat hij het resultaat is van de letterlijke interpretatie van niet slechts dit ene vers, maar van nog meerdere Bijbelgedeelten, die wij hier echter niet kunnen noemen. In wetenschappelijke kringen is deze zienswijze bekend onder de naam “Restitutietheorie”, waarover Erich Sauer schreef :

  • “Volgens deze zienswijze vond de val van Satan plaats tussen het eerste en tweede vers van Gen. 1. De wereld, die oorspronkelijk volmaakt door God geschapen was, werd een woestheid en ledigheid door de verwoestende macht van de Boze en het daaropvolgende Goddelijke oordeel. Het werk van de zes dagen was daarom niet de werkelijke schepping van de wereld zelf, maar een werk van herstel”  (Uit : The King of the Earth).

Om die reden spreken wij dan ook bij voorkeur over “herscheppingsdagen”. Het woord scheppen, BARA, komt trouwens gedurende de zes dagen uitsluitend voor in verband met de schepping van de dieren en de mens !

Deze restitutietheorie is overigens aantoonbaar ouder dan het dispensationalisme zelf Reeds omstreeks liet jaar 1000 werd zij aanvaard door koning Edgar van Engeland en zelfs in zijn Koninklijke wetten vastgelegd. Opmerkelijk is echter, dat in onze dagen weliswaar weer een hernieuwde belangstelling bestaat voor het Bijbelse creationisme, maar dat de restitutietheorie om een of andere reden wordt doodgezwegen, hoewel zij toch beslist wel bekend is. Zelfs in de populaire boeken van Dr. W.J.Ouweneel hebben wij nooit een spoor van deze opvatting terug kunnen vinden, hoewel hijzelf getuigt een advocaat er van te zijn in zijn minder bekende werk, getiteld : “Kanttekeningen bij Genesis Eén” (Uitg. “Uit het Woord der Waarheid” – Winschoten).

Overigens is het niet moeilijk een lange lijst van dure namen en titels te geven van mensen, die door de eeuwen heen de waarheid over Genesis 1 hebben verdedigd. Toch willen wij dit niet doen, omdat het ons hier niet gaat om de schepping als zodanig, maar om de structuur van het scheppingswerk. Als Genesis 1 behalve een letterlijke eveneens een typologische betekenis heeft, die in verband staat met de bedelingen, is het van groot belang om eerst de letterlijke te verstaan, om die dan typologisch toe te kunnen passen.

Wanneer we de gebeurtenissen omtrent Genesis samenvatten, ontstaat de volgende structuur :

  1. Schepping van de wereld.
  2. De (zonde)val van de wereld.
  3. De reeks van zeven (her)scheppingsdagen.

Deze reeks komt precies overeen met de geschiedenis van de mensheid

  1. De schepping van de mens.
  2. De zondeval.
  3. De reeks van zeven bedelingen.

Reeds eerder hebben wij uit de Bijbel een totaal van acht bedelingen gedestilleerd, terwijl het er eigenlijk zeven zouden moeten zijn. Dit probleem lost zich hier echter automatisch op, wanneer wij de bedelingen en de scheppingsdagen naast elkaar plaatsen. De vroegste bedeling (“onschuld”) eindigde immers bij de val van Adam, terwijl de eerste dag begint na de val van de aarde in Gen. 1 : 2. Blijkbaar begint de nummering pas na de val, zodat de bedeling die na de zondeval van Adam aanvangt, het rangnummer 1 dient te dragen en de bedeling der onschuld geen deel uitmaakt van de zeven, maar daaraan voorafgaat.

Dit is van groot belang vanwege de toepassing van de symbolische betekenis der getallen. De strekking hiervan is namelijk, dat de typologische betekenis van het getal 1 overeenkomt met de aard van de eerste scheppingsdag en de eerste bedeling. Bovendien vinden we diezelfde typologische betekenis terug in de zeven eerste menselijke generaties van Adam tot en met Henoch, “de zevende van Adam” (Jud. vs. 14) en in bijv. de reeks van zeven vruchten uit Deut. 8 : 8, enz.

De bestudering hiervan toont niet alleen de juistheid van de bedelingenleer als zodanig of van ons bedelingenschema, maar tevens de geweldige samenhang en harmonie van het levende Woord van God, waarin alle dingen net als in de schepping en de geschiedenis hun juiste tijd en plaats en functie hebben.

SCHEPPING VAN DE WERELD.
Val van de wereld.

SCHEPPING VAN DE MENS.
Val van de mens.

1e
Scheppingsdag
1e BEDELING VAN HET GEWETEN
Begint bij de val van Adam
2e
Scheppingsdag
2e BEDELING VAN HET MENSELIJK BESTUUR
Begint na de zondvloed
3e
Scheppingsdag
3e BEDELING DER BELOFTE
Begint bij het verbond met Abraham
4e
Scheppingsdag
4e BEDELING DER WET
Begint bij de uittocht uit Egypte
5e
Scheppingsdag
5e BEDELING DER GENADE
Begint bij de opstanding van Christus
6e
Scheppingsdag
6e BEDELING VAN DE VOLHEID DER TIJDEN
Begint bij de opname der gemeente
7e
Scheppingsdag
7e BEDELING VAN HET KONINKRIJK
Begint bij het binden van Satan

 

7. HET SCHEMA

Reeds eerder hebben wij laten zien, dat de zeven genummerde bedelingen aanvangen na de uitdrijving uit het Paradijs, zoals ook de zeven genummerde (her)scheppingsdagen beginnen na de val van de schepping in Gen. 1 : 2.

1. DE BEDELING VAN HET GEWETEN

Deze eerste bedeling loopt vanaf de zondeval van Adam en is bij de gemiddelde dispensationalist bekend als “de bedeling van het geweten”. Deze naamgeving is van Dr. Scofield en ontleend aan Rom. 2 : 15. Natuurlijk hebben andere dispensationalisten andere namen voor deze bedeling gebruikt. in een poging om haar aard zo volledig mogelijk in de naam uit te drukken. Hoofdzaak is evenwel, dat een naam in de eerste plaats dient ter onderscheiding, waarbij het minder belangrijk is of de naam wel een volledige weergave van het karakter der benoemde dingen is ! Voor zover de Bijbel niet zelf de bedelingen bij name noemt, zullen wij ons daarom houden aan de namen van Dr. Scofield, aangezien die de meeste bekendheid genieten. Het belangrijkste kenmerk van deze bedeling is, dat de mensheid nog niet verdeeld is in volkeren, maar dat elk individu slechts persoonlijk en rechtstreeks verantwoordelijkheid heeft tegenover God. Het gaat hier om de persoonlijke relatie van de mens tot God en om de vraag of hij net als Adam vóór zijn val in staat is te wandelen met God, zoals bijv. Henoch (Gen. 5 : 22, 24). Helaas blijkt uit de geschiedenis, dat Paulus’ beschrijving van de zondige mens in Rom. 3 volkomen juist is : Hij is niet tot enig goeds in staat, ondanks de werking van het geweten (Rom. 2 : 15) en de belofte van het komende en overwinnende zaad van de vrouw (Gen. 3 : 15). 

2. DE BEDELING VAN HET MENSELIJK BESTUUR

Na de zondvloed richt God een nieuwe bedeling in, waarin de mens geplaatst wordt onder een menselijke overheid. Voor dat doel wordt de mensheid verdeeld in de zeventig volkeren van Gen. 10, die elk van Godswege een eigen land krijgen toegewezen (Gen. 10 : 5, 20 en 31) en elk hun eigen overheid of regering hebben.  Vanaf de zondvloed is de mens niet slechts als individu verantwoording verschuldigd aan God, maar ook aan de menselijke overheid, die als Gods dienares tot taak heeft de mens op het rechte pad te houden (Rom. 13 : 4). Bovendien blijkt verder uit de Schrift, dat de volkeren als zodanig verantwoording verschuldigd zijn aan God en daarom ook als volk geoordeeld zullen worden bij de wederkomst van Christus, wanneer Hij komt om over alle volkeren te regeren. De natuurlijke mens is tijdens zijn leven daarom onderworpen aan twee verschillende huishoudingen. De eerste houdt verband met zijn persoonlijke relatie tot God, de tweede houdt verband met het volk, waarvan hij deel uitmaakt. Ook in deze zaak dient als voorbeeld het volk van Israël (1 Kor. 10 : 6 en 7), dat in haar geheel een bepaalde roeping en verantwoordelijkheid heeft, terwijl voor elke individuele Jood hetzelfde geldt als voor een heiden : Hij moet net als ieder ander tot geloof in de Here Jezus komen om behouden te worden 

3. DE BEDELING DER BELOFTE.  

Buiten deze eerste twee bedelingen van individuen en volkeren, die klaarblijkelijk nog steeds in werking zijn, omdat er nog steeds mensen en volkeren zijn en omdat de Bijbel nergens leert, dat deze twee huishoudingen zijn opgeheven, begint God een nieuwe bedeling met Abraham. Deze derde bedeling heeft ditmaal slechts betrekking op één man, die wordt afgezonderd van de volkeren. Hij moest gaan “uit zijn land en uit zijn familie en uit zijns vaders huis. . . “. Nadat Abraham zich buiten zijn eigen volk heeft laten plaatsen, treedt God met hem in een verbond, dat door Paulus omschreven wordt als “de belofte” (Gal. 3), vanwege het feit, dat er voor Abraham zelf geen voorwaarden aan waren verbonden. Volgens Gen. 12 : 1 – 4 was deze belofte slechts op de persoon van Abraham van toepassing. Eerst later blijkt de belofte erfelijk te zijn en over te gaan op zijn nageslacht, zodat deze huishouding van de belofte van toepassing is op een groep personen, die met elkaar verenigd zijn in Abraham en die een bijzondere positie buiten de volkeren innemen. Dat ook deze bedeling niet werd opgeheven bij de aanvang van de volgende, is de strekking van Gal. 3 

4. DE BEDELING DER WET

Deze vierde bedeling werd ingericht bij de uittocht van de kinderen Israëls uit Egypte. Bij die gelegenheid werd uit het nageslacht van Abraham een volk geboren, dat in tegenstelling tot de overige natiën geplaatst werd onder een door God Zelf gegeven wet. In deze bedeling treffen we een volk, dat was toegerust met het geweten, een menselijke overheid, de belofte dat in hen alle geslachten des aardrijks gezegend zouden worden en met de door God gegeven wet, en dat desondanks in alle opzichten faalde in het wandelen met God. De geschiedenis van het volk Israël is de geschiedenis van een ontrouwe vrouw (Ezech. 16), die niet tot enig goed in staat is. Wat dat betreft onderscheidt zij zich dus in niets anders van de andere volkeren ! Dit is de enige bedeling, waarvan de Schrift leert, dat zij inmiddels is opgeheven. In Rom. 7 leert Paulus, dat het volk Israël in overeenstemming met zeer vele Schriftgedeelten in het Oude Testament, door de Mozaïsche wet met de Here getrouwd was, en dat dit huwelijk automatisch ten einde kwam bij de dood van de Echtgenoot, de Heer Zelf. Daarom zegt hij ook in Rom. 10 : 4, dat Christus is het einde der wet. “Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou” (Gal. 4 : 4, 5).Verder leert Paulus in Gal. 3, dat de bedeling der wet weliswaar is opgeheven, maar dat die der belofte nog steeds van kracht is, evenals die van het menselijk bestuur (Rom. 13 : 1 – 7) en die van het geweten (2 : 14 -17)

5. DE BEDELING DER GENADE.  

Nadat de bedeling der wet eindigde bij het sterven van de Here Jezus, begon de bedeling der genade bij Zijn opstanding. Wanneer Paulus de aard van deze bedeling bekendmaakt in Efeze 3, zegt hij in vers 6, dat deze bedeling in feite het verlengstuk is van de bedeling der belofte, hetgeen overeenkomt met de strekking van Gal. 3 :“. . . de heidenen zijn mede-erfgenamen (samen met het Zaad van Abraham) … en mededeelgenoten van de belofte (aan Abraham) in Christus Jezus. . .”.De gedachte is hier, dat de belofte gedaan werd aan Abraham en Zijn Zaad, n.l. Christus (Gal. 3 : 16), en dat degenen, die onder de bedeling der genade tot geloof komen. deel uitmaken van het lichaam van Christus en daarom met Hem de belofte beërven. Daarom vinden we in deze vijfde bedeling in wezen precies hetzelfde als in de derde : Afgezonderd van de volkeren bestaat er een groep mensen, die hier geen blijvende stad hebben en zich verenigd weten in Hem, die hun Leidsman is. Zij leven uit de belofte, dat voor hen een plaats bereid is in een land, dat zij erfelijk zullen bezitten en dat zij tot zegen zullen zijn voor alle volkeren. In de huidige vijfde bedeling bezoekt God de heidenen “om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam” (Hand. 15 : 14).Zoals God uit de derde bedeling een volk formeerde met een aardse toekomstbestemming, zo formeert Hij gedurende deze vijfde bedeling uit het Zaad van Abraham (d.i. Christus) een volk met een hemelse toekomst. En zoals de derde bedeling de uittocht uit Egypte tot gevolg had, zo eindigt deze vijfde bedeling met de uittocht van de Gemeente uit de wereld, waarvan Egypte, zoals bekend, een type is..

6. DE BEDELING VAN DE VOLHEID DER TIJDEN

“… om in de bedeling van de volheid der tijden alles tot één te vergaderen in Christus” (Efeze 1 : 10).Gods plannen voor deze nog toekomstige zesde bedeling zijn het onderwerp van een zeer groot gedeelte der Bijbelse profetie. In die bedeling zullen alle volkeren aan Christus worden onderworpen, te beginnen bij het volk Israël ! Dan zullen alle volkeren verenigd worden onder de Messias Israëls ! Dat deze zesde bedeling in het verlengde ligt van de tweede, is zonneklaar. In deze zesde bedeling worden de volkeren van de tweede bedeling geoordeeld. In de tweede bedeling werd de aarde onder de volkeren verdeeld (Gen. 10 : 25), terwijl in de zesde alles wat op de aarde is, weer tot één vergaderd wordt in Christus. Zoals de mens in de zesde dag op aarde verscheen om over haar te heersen, zo zal de Zoon des Mensen in de zesde bedeling op aarde verschijnen om over haar te heersen. Daarom zal Hij beginnen met de volkeren van de tweede bedeling voor Zich te verzamelen om hen te oordelen..

7. DE BEDELING VAN HET KONINKRIJK 

Wanneer het werk van de zesde bedeling volbracht zal zijn, breekt de zevende, de sabbath aan. Deze bedeling zal gekenmerkt worden door rust. Het woord sabbath betekent immers zowel “zeven” als “rust”. In deze bedeling zullen Israël en de volkeren in de rust zijn ingegaan (Hebr.4:4). Het is het Messiaanse Vrederijk, waarin de aarde en de volkeren niet langer verdeeld, maar verenigd zullen zijn onder één Koning, Christus Zelf, de Vredevorst.Deze bedeling ligt daarom in het verlengde van de eerste, waarin ieder individu rechtstreeks verantwoordelijkheid verschuldigd is tegenover de Heer Zelf. Het is de bedeling, waarin ieder mens zal kunnen wandelen met God, omdat God in Christus onder de mensen is, en de aarde vol zal zijn van de kennis des Heren. Het is ook de laatste bedeling, omdat het Koninkrijk van de Messias volgens alle profetieën een eeuwig koninkrijk zal zijn, daar het is gebaseerd op een eeuwig verbond, dat in tegenstelling tot het oude niet verbroken kan worden.Dit koninkrijk van de zevende bedeling zal zich na meer dan duizend jaar voortzetten over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont. Deze nieuwe schepping valt echter niet meer onder de zevende bedeling, maar wordt in de Schrift voorgesteld door de achtste dag, de dag na de sabbath, de dag van de opstanding van Christus, kortom de dag van de nieuwe schepping. Daarom gebruikte God zeven dagen om de gevallen schepping van Gen. 1 : 2 te restaureren, en op gelijke wijze gebruikt Hij zeven huishoudingen of bedelingen om deze oude schepping een nieuwe te laten voortbrengen (Rom. 8 : 22).Aan de hand van deze nog zeer summiere beschouwing kunnen wij ons schema op de volgende wijze opstellen, waarbij onmiddellijk de onderlinge samenhang en structuur in het oog springen:  

Een dergelijke symmetrische structuur komt in de Bijbel zeer veel voor en wordt “introversie” genoemd, omdat hij naar binnen, c.q. het midden wijst. Dat midden is hier de bedeling der wet, waarin Christus geboren werd en leed en stierf tot verzoening der wereld. Dat is het centrale thema van de Bijbel en het centrum van het bedelingenschema.

De introversie ontstaat door de overeenkomst tussen de bedelingen 1 en 7, 2 en 6, 3 en 5. Tevens is dan nog op te merken, dat deze bedelingen niet alleen in elkaars verlengde liggen, maar bovendien gelijktijdig zullen worden opgeheven.

De eerste bedeling, die der individuen, eindigt wanneer die individuen, die gedurende alle eeuwen geleefd hebben, zullen worden geoordeeld voor de grote witte troon op “de jongste dag” (Openb. 20 : 11 – 15). Dit zal gebeuren na afloop van de duizend jaren die de zevende bedeling vormen, zodat de eerste en de zevende gelijktijdig eindigen.

De tweede bedeling, die der volkeren, eindigt wanneer die volkeren geoordeeld zullen worden. Dit oordeel over de levende volkeren gebeurt volgens Matth. 25 v.a. vers 31 voor de troon van de Here Jezus in Jeruzalem en eindigt vanzelfsprekend met de onderwerping van de op aarde levende mensheid. Dit was volgens Ef. 1 : 10 het doel van de zesde bedeling, zodat de tweede en zesde bedeling gelijktijdig zullen eindigen.

De derde bedeling, die der belofte, eindigt wanneer die belofte vervuld zal worden. Nu leert Paulus in Rom. 11, dat de belofte aan het natuurlijke zaad van Abraham pas in vervulling gaat, wanneer de gemeente voltooid en dus opgenomen zal zijn, zodat de bedeling der belofte en die der genade gelijktijdig zullen eindigen.

Verdere bijzonderheden over de structuur en de onderlinge samenhang der bedelingen kunnen pas aan de orde komen bij de behandeling van de bedelingen afzonderlijk.

8.VERDELEN OF SCHEUREN?

“Benaarstig u , om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der Waarheid recht snijdt” (2 Tim. 2 : 15).

Sinds jaar en dag beroept de dispensationalist zich op dit vers uit de brief van Timotheüs. Hij is zich bewust, dat een beproefd dienstknecht van God het Woord der Waarheid op de juiste wijze behoort te verdelen (want dat is de juiste vertaling ). En terecht ! Deze verantwoordelijkheid kan men niet van zich afschuiven door dit vers op een andere wijze te vertalen ! (Men vergelijke de Statenvertaling met die van het NBG). Wanneer dit vers echter gebruikt wordt als argument voor “de leer der bedelingen” wordt daar steevast tegenin gebracht, dat het dispensationalisme de Bijbel niet verdeelt, maar in stukken snijdt of zelfs scheurt. Onder niet-dispensationalisten schijnt men van mening te zijn, dat de aanhangers van de “bedelingenleer” slechts een klein gedeelte van de Bijbel voor zichzelf accepteren, terwijl zij de rest naar de prullenbak verwijzen. Zelf wijzen zij het dispensationalisme af met de mededeling, dat de leer der bedelingen hen veel te arm en te beperkt is, en dat zij de Bijbel geloven “van kaft tot kaft”. Maar wie scheurt nu eigenlijk bladzijden uit zijn Bijbel?

Gedurende de Kerstdagen gedenken wij de geboorte van de grote “Vredevorst”. Hij was de Beloofde, Die vrede op aarde zou brengen. Hij zou een koninkrijk oprichten, dat geen einde zou nemen en waarin vrede zou heersen en oorlog niet meer geleerd zou worden. Vrede op aarde ! Maar wat zegt de Vredevorst Zelf?

“Meent gij, dat Ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid. Meent niet, dat Ik gekomen ben , om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard” (Luk. 12: 51; Matth. 10 : 34).

De klemmende vraag is als volgt : Wanneer wij geloven in de Here Jezus Christus als de beloofde Vredevorst, wat doen we dan met de teksten, die het tegengestelde leren ?

Wie beslist geen bedelingen wil onderscheiden, is gedwongen één van beide categorieën weg te redeneren of uit zijn Bijbel te scheuren. Slechts de dispensationalist is in staat om de letterlijke betekenis van beide soorten Schriftplaatsen hun volle waarde te geven!

“En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Want indien gij de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar indien gij de mensen hun misdaden niet vergeeft zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven” (Matth. 6 : 12, 14, 15).

In deze woorden leert de Heer ons met bijzonder veel nadruk, dat de mens eerst zijn medemens dient te vergeven, voordat hij zelf vergeving van de Vader in de hemel kan ontvangen. Duidelijker kan het al niet uitgedrukt worden ! Maar wat zegt Kol. 3 : 13?

“Verdragende elkander, en vergevende de één de ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo”.

Hier zegt de apostel Paulus toch, dat Christus ons vergeven heeft, en dat wij als gevolg daarvan de ander moeten vergeven ! De volgorde is hier precies andersom ! Welk Schriftgedeelte passen we nu op onszelf toe ? Nemen we Kol. 3 of geloven we, dat onze eigen vergevensgezindheid voorwaarde is voor ons behoud ? Wie van geen bedelingen wil weten, zal Kol. 3 : 13 of Matth. 6 : 12 e.v. uit zijn Bijbel moeten verwijderen !

De dispensationalist heeft inmiddels allang gezien, dat dit een “bedelingenkwestie” is, en heeft met de keuze weinig moeite. Hij past Kol. 3 op zichzelf toe en weet tevens wat hij met Matth. 6 moet aanvangen. De beide Schriftplaatsen spreken immers over verschillende bedelingen !

“Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei, noch gebed voor hen op, en loop mij niet aan; want Ik zal u niet horen”

 

“Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei, noch gebed voor hen op, want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen. Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen . . . . “

“Wijders zeide de Here tot mij : Bid niet voor dit volk ten goede. Ofschoon zij vasten, ik zal naar hun geschrei niet horen . . . . Toen zeide ik: Ach Heere, Heere, zie de profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien, en gij zult geen honger hebben; maar Ik zal u een gewisse vrede geven in deze plaats. En de Heere zeide tot mij: Die profeten profeteren vals in, Mijn Naam Ik heb hen niet gezonden …… ” (Jer. 7 : 16; 11:14; 14 : 11 t/m 16)

Het citeren van bovengenoemde Bijbelgedeelten is bepaald geen populaire bezigheid. Toch wordt de profeet Jeremia herhaaldelijk verboden te bidden voor het volk van Israël, dat zich in ongeloof in het land Kanaän bevindt. Hij heeft zich ook inderdaad aan dit verbod gehouden. Wanneer in de loop van de verdere geschiedenis Jeremia verzocht wordt om voor Israël te bidden, weigert hij resoluut ! (Zie Jer. 21 : 2 e.v. en 37 : 3 e.v.).

Maar ondanks dit verbod om te bidden voor Israël en Jeruzalem, lezen we in Psalm 122 :

“Bidt om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen”.

De vraag, die zich in dit verband aan ons opdringt is deze : Wanneer we ons houden aan de gedeelten uit Jeremia, wat doen we dan met Psalm122 ? En wanneer we toch bidden voor Israël en de vrede van Jeruzalem, wat doen we dan met het herhaaldelijk verbod uit Jeremia ? Ze uit onze Bijbel scheuren ? Negeren ? Vergeestelijken ?

Ook hier worden we genoodzaakt onderscheid te maken tussen verschillende tijden en bedelingen ! Het Israël van Jeremia was een ongelovig Israël. Het was bovendien slechts een klein deel van Israël, daar de overgrote meerderheid van het volk reeds lang verdwenen was in de Assyrische en Babylonische ballingschap. Als ongelovig volk hadden zij in wezen geen recht op het land, waarin zij verbleven, aangezien de Here daaraan de voorwaarde verbonden had, dat zij Hem zouden dienen. Korte tijd na deze gebeurtenissen in Jeremia werden dan ook Jeruzalem en de tempel verwoest !

Het Jeruzalem van Psalm 122 is een heel ander Jeruzalem ! Het is een Jeruzalem, dat zijn naam eer aandoet ! Het is de stad des vredes, waarin het huis des Heeren staat (vs. 1). Waarheen de stammen Israëls (dus alle twaalf !) opgaan tot de getuigenis Israëls, om de Naam des Heeren te danken (vs. 4). Het is het Jeruzalem, waar de stoelen des gerichts staan, de stoelen uit het huis van David (vs. 5). Kortom, het is het Jeruzalem waar de Heer Zelf als de beloofde Messias en Vredevorst op de troon van Zijn vader David is gezeten !

Beide gedeelten hebben daarom te maken met verschillende bedelingen Wanneer we dit onderscheiden, zijn we in staat om beide gedeelten hun volle waarde en betekenis te geven. Wanneer we dit verschil niet willen zien, zijn wij genoodzaakt om, of Jeremia, of Psalm 122 uit onze Bijbel te verwijderen ! Maar wie scheurde zijn Bijbel in stukken?

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende Gij zult niet heengaan op de weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen. Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls”. (Matth. 10 : 5, 6).

Deze zendingsopdracht laat aan duidelijkheid niets te wensen over ! De twaalf discipelen mochten hun boodschap alleen prediken aan hen, die tot het huis Israëls behoorden. Bovendien werd hen verboden zich te begeven in het buitenland ! Deze beperkte zendingsopdracht is toch duidelijk in strijd met al die andere, die spreken over de “einden der aarde” en over “alle volken” !

Met welk recht passen we eigenlijk die algemene zendingsopdrachten op ons zelf toe, en negeren wij deze beperkte opdracht uit Matth. 10 ? Hebben wij hem uit onze Bijbel gescheurd of weten wij op welke tijd en bedeling hij betrekking heeft ?

Wat wij vandaag meer dan ooit nodig hebben, is kennis van het geopenbaarde Woord van God. God wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis der waarheid komen. Wanneer wij de eerste fase achter de rug hebben, en behouden geworden zijn door het verzoenend werk van Christus, is het naar de wil van God, dat wij komen tot kennis der waarheid! Deze kennis is niet fragmentarisch! Zij beperkt zich niet tot die waarheden, die verband houden met ons eigen dagelijks leven ! Het is de universele waarheid, die van toepassing is op de gehele schepping!

We zouden eens moeten ophouden met het zoeken naar de antwoorden op onze kleine vraagjes, en ons afvragen wat God ons omtrent Zijn plannen heeft mede te delen. Wij moeten onze mond houden en onze eigen gedachten terzijde stellen. Wij moeten ons openstellen voor de “gehele raad Gods”. Dan ontvangen wij antwoorden op vragen, die wij nog niet hadden ! Dan ontvangen wij inzicht in, en visie op, het volmaakte werk, dat God uitvoert door Zijn Christus. Slechts wanneer wij willen leven vanuit een volledige Bijbel, waarin ieder woord zijn normale betekenis heeft, zullen wij leren beseffen hoe rijk wij in Christus geworden zijn en hoe ver Hij ons in Hem verheven heeft boven deze wereld van zonde en dood ! Het terzijde zetten van of het knoeien met de Bijbel of gedeelten daaruit zal onvermijdelijk ten koste gaan van ons eigen geestelijk leven.

Lukas 24 vertelt ons de geschiedenis van twee droevige mensen. Zij waren droevig, omdat zij nooit van bedelingen gehoord hadden. Zij kenden veel van hun Bijbel, maar hun kennis was fragmentarisch ! Zij kenden de Here Jezus persoonlijk en hadden hun vertrouwen op Hem gesteld. Hun enige fout was, dat zij slechts op de hoogte waren van die profetieën, die pasten in hun eigen wereldbeeld!

“En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou”.

 Ongetwijfeld was dit een gegronde hoop ! Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Maar Hij zou nog meer ! Zij kenden de profetieën over de verheerlijkte Christus, de Messias van Israël, Die zou komen om Zijn volk te verlossen van hun vijanden ! Maar het was een halve waarheid. Het verwijt van de Heer is dan ook zeer scherp:

 “0, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben !”

 Zij geloofden een groot gedeelte der profetieën, maar dat gedeelte was zeer willekeurig. Omdat zij niet alles geloofden, wat de profeten gesproken hebben, worden zij “onverstandig en traag om te geloven” genoemd ! Zij hadden een verscheurde Bijbel ! Zij geloofden niet in de profetieën over het lijden en sterven van de Knecht des Heren. Zij achtten die waarschijnlijk onverenigbaar met de profetieën over Zijn verheerlijking ! Zij wilden geen bedelingen accepteren ! Maar hun geloofsleven leed daardoor schade ! Wanneer zij “al hetgeen de profeten gesproken hebben”  geloofd hadden, zouden zij precies de andere kant op gelopen zijn. Dan hadden zij geweten, dat op diezelfde dag de Heer zou opstaan uit het graf. Dan zouden zij geen Emmaüsgangers maar Jeruzalemgangers geweest zijn.

“Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo Zijn heerlijkheid ingaan?”.

Hebt u ook zo’n partieel geloof ? Kunt u ook zoveel Bijbelgedeelte niet plaatsen in uw visie ? Hebt u ook een verscheurde Bijbel ? Laat u dan onderwijzen als de Emmaüsgangers !

“En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was” (Luk. 24 : 27).

Dat was wat zij nodig hadden : Systematische Bijbelstudie, beginnende bij het begin (de boeken van Mozes) en vervolgens al de profeten en al de Schriften!

Dat is ook wat wij nodig hebben. Misschien moeten wij dan net als de Emmaüsgangers bepaalde visies of verwachtingen opgeven. Hun verwachting van een verlost Israël is nog steeds niet ingelost. Maar zij wonnen een opgewekte Christus. Hun ogen werden geopend (vers 31) en zij maakten hun fout weer goed :

 “En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem . . . . . ” (Vers 33).

Is het niet beschamend en tevens een ernstige waarschuwing, dat tegen gelovigen gezegd kan worden :

“0, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben”.

Niet een gedeelte, maar:

“al de Schrift is van God ingegeven, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij …… ” (2 Tim. 3 : 16, 17).